Skip to main content

MHHR_202010_0.pdf

Page 1

Milieuhandhavingsrapport 2010 Afdeling Milieu-inspectie

MI • Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

lne

Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Koning Albert II - laan 20 bus 8 - 1000 Brussel Telefoon: 02 553 80 11 - Fax: 02 553 80 05 - info@lne.be - www.lne.be

lne


Voorwoord

03

Inleiding

05

Inhoud Deel 1 : De afdeling Milieu-inspectie

06 09

Deel 2 : Het jaar in cijfers

43

Deel 3 : Een aantal projecten en casussen

83

Bijlagen

119


2-

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Voorwoord Het Milieuhandhavingsrapport 2010, heeft de intentie, zoals in het verleden, om de lezer uitvoerig te informeren over de wijze waarop MI (afdeling Milieu-inspectie) de haar opgelegde en eigen doelstellingen, gerealiseerd heeft. Deze doelstellingen worden uitvoerig omschreven in het MIP (Milieu-inspectieplan) 2010, dat eind 2009, door MI na brede consultatie opgesteld werd. Met dit veertiende plan wordt door MI een geïntegreerde en multidisciplinaire aanpak van de handhaving van de milieuhygiëneproblematiek beoogd. MI geeft dan ook bewust de voorkeur aan een planmatig en gecoördineerd optreden en maximale samenwerking en overleg met andere (handhavings)actoren, boven ad hoc toevalstreffers. Dat een éénvormige aanpak in het Vlaamse Gewest geen evidentie is – zelfs voor een relatief grote, gedeconcentreerde entiteit, welke zich uitsluitend met handhaving inlaat – hoeft eigenlijk niet gesteld te worden. Mede gelet op de zeer complexe, immer veranderende en niet steeds goed hanteer- en/of handhaafbare regelgeving/vergunningen. Nieuw in dit Milieuhandhavingsrapport is het Deel 3: Een aantal projecten en casussen. Hier wordt het (langdurig) proces uit de doeken gedaan van een aantal voorbeelden, die veelal na jaren niet-aflatend handhavingswerk door MI geleid hebben tot succesvolle resultaten. Wij menen dan ook te mogen stellen, vanuit onze jarenlange MI-handhavingservaring, dat resultaatgerichte handhaving van de Milieuhygiëneregelgeving, een aangelegenheid is welke zijn tijd nodig heeft. Een goed geoliede en voldoende grote organisatie, uitsluitend bevoegd voor handhaving, is daarenboven een must.

Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd

Voorwoord -

3


Inleiding De afdeling Milieu-inspectie (MI) bericht jaarlijks in het milieuhandhavingsrapport over de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van haar milieu-inspecties. Dit rapport is daarmee uitgegroeid tot een belangrijke schakel bij de volledige implementatie van de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). Dat dit rapport noodzakelijk is, wordt al duidelijk in de omschrijving van het doel van de aanbeveling: er zouden milieu-inspecties in de lidstaten moeten worden uitgevoerd volgens minimumcriteria met betrekking tot de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en bekendmaking van de resultaten van de inspecties, om in alle lidstaten de naleving van de communautaire milieuwetgeving kracht bij te zetten en bij te dragen tot een meer consequente uitvoering en handhaving daarvan. De aanbeveling stelt bovendien dat de verslaggeving over inspectieactiviteiten een belangrijke manier is om, door middel van transparantie, de betrokkenheid van burgers, ngo’s en andere belanghebbenden bij de uitvoering van milieuwetgeving te garanderen. Er wordt tevens vermeld dat de verslaggeving toegankelijk moet worden gemaakt in overeenstemming met de Richtlijn betreffende de vrije toegang tot milieu-informatie. Dit milieuhandhavingsrapport probeert zo goed mogelijk de indeling van de aanbeveling te volgen en bestaat daarom uit drie grote delen.

Deel 1: De afdeling Milieu-inspectie Het milieuhandhavingsrapport start met een beschrijving van de organisatie en de werking van de afdeling én met een rapportering over de gebruikte middelen (personeel, budget …).

Deel 2: Het jaar 2010 van MI in cijfers In het tweede deel van dit rapport worden een aantal cijfers meegegeven, die de werklast en de activiteiten van de afdeling weergeven. Alle milieu-inspecties worden uitgevoerd op basis van een milieu-inspectieplan. Dit planmatig werken is een basisbeginsel van de aanbeveling. Zo vermeldt de aanbeveling onder andere dat om de doeltreffendheid van het inspectiesysteem te garanderen, de lidstaten erop toe moeten zien dat milieuinspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. In dit deel wordt voor elk onderdeel van het MIP een cijfermatig overzicht gegeven van de uitvoering en de resultaten van dit plan.

Deel 3: Een aantal projecten en casussen De afdeling Milieu-inspectie is twintig jaar begaan met de handhaving van de milieuhygiëneregelgeving in het Vlaams Gewest. Het milieuhandhavingsrapport besluit met de voorstelling van de resultaten van een aantal interessante projecten die in het verloop van deze twintig jaar opgezet werden en enkele specifieke saneringen die in deze periode zijn uitgevoerd.

Inleiding -

5


Inhoud Voorwoord 3 Inleiding 5

Deel 1: De afdeling Milieu-inspectie Organisatie

11

Situering 11 Opdracht 12 Bevoegdheden 12 Toezicht 13 Interne structuur 17 Integrale kwaliteitszorg

Werking

9

18

23

Strategische en operationele planning Het milieu-inspectieplan 25 Samenwerking en overleg 27

Personeel en middelen Personeel 35 Aanwending van kredieten

23

35

40

Deel 2: Het jaar 2010: cijfers en evaluatie van de uitvoering van het Milieu-inspectieplan 43 Algemene cijfers 45 Algemene gegevens 45 Gegevens externe oorsprong Activiteiten MI 47

6

-

Titel vh hoofdstuk

45


Resultaten van het MIP + evaluaties per thema 53 GeĂŻntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging Water 54 Lucht 58 Afval 66 Bodem en Grondwater 73 Geluid en trillingen 75 Genetisch Gemodificeerde Organismen 76 Toezicht zwarerisicobedrijven 77

Deel 3: Een aantal projecten en casussen

53

83

Sanering van 2 raffinaderijen 85 Sanering van een composteringsbedrijf 90 Sanering van een tankreiniger 93 GPBV controles bij oppervlaktebehandelaars 96 Houtafvalverbranding 104 Broomhoudende vlamvertragers 108 Seveso opslagplaatsen voor (licht) ontvlambare stoffen 112

Bijlagen

119

Contactpersonen binnen MI 119 Gebruikte afkortingen 120 Technische termen 121 Adressen 123

Titel vh hoofdstuk

-

7


Deel1: De afdeling Milieu-inspectie


Organisatie Binnen het Vlaamse Gewest is MI het belangrijkste handhavingsorgaan voor het toezicht op de naleving van de milieuhygiÍnewetgeving. Dit hoofdstuk start met de situering van MI binnen de Vlaamse overheid en binnen het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE). Daarna wordt de aandacht volledig gericht op MI met een omschrijving van de opdracht en de bevoegdheden van de afdeling. De opdracht van MI is uitgebreid en vereist niet alleen ervaring op het terrein, maar ook kennis van zaken, planning en uniformiteit. Daarom is MI opgebouwd uit een dubbele structuur: naast de klassieke verticale structuur is ook een horizontale structuur opgezet in de vorm van werkgroepen per milieucompartiment. Verder wordt de integrale kwaliteitszorg binnen MI, of hoe MI voortdurend naar kwaliteitsborging en –verbetering streeft, nader toegelicht.

Situering van MI Sinds 1 april 2006, met de reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid (BBB), maakt MI deel uit van het departement LNE.

De situering binnen het departement LNE en de plaats van het departement binnen het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie worden gevisualiseerd in onderstaande organogrammen.

Organisatie -

11


Opdracht In uitvoering van het Milieuhandhavingsdecreet oefenen de toezichthouders van MI toezicht uit op de milieuhygiënewetgeving. Minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schouvliege stelt in haar beleidsnota Leefmilieu en Natuur 20092014 dat MI zich vooral moet toeleggen op inrichtingen met een grote milieurelevantie, zoals Seveso- en GPBV bedrijven, en op het ketentoezicht op afvalstoffen. Dit, uitgebreid met het toezicht op de overige klasse 1-inrichtingen, is de kerntaak van MI. MI streeft voortdurend naar een verhoging van de kwaliteit van de handhaving. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan een doelmatig, deskundig, uniform, geïntegreerd en sturend optreden over heel het Vlaams Gewest en wil MI een voorbeeldfunctie vervullen voor de lokale overheden. Handhaving vormt dan ook het sluitstuk van een goed milieubeleid. De geloofwaardigheid van dat beleid, alsook het bereiken van effectieve milieuresultaten hangt immers af van de mate waarin en de manier waarop de milieuwetgeving wordt gehandhaafd. Naast MI zijn er nog vele andere actoren betrokken bij de handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Om de handhaving in haar geheel te laten slagen, moeten alle instanties constructief samenwerken. In het bijzonder moeten concurrerende bevoegdheden worden vermeden. MI is actief in het vormen van netwerken tussen de instanties. Daarnaast heeft MI ook de taak om internationale contacten te leggen en om actief in te spelen op internationale vernieuwingen en tendensen. Voor de beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie heeft MI de opdracht om de Vlaamse minister te adviseren over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving. Hiertoe koppelt MI over haar ervaringen op het terrein terug naar de beleidsmakers. Tot slot heeft MI de opdracht haar optreden en aanpak op geregelde tijdstippen kenbaar te maken en toe te lichten. Met die transparantie beoogt MI een voldoende breed maatschappelijk draagvlak voor de handhaving te creëren en te behouden.

12 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Bevoegdheden MI houdt toezicht op de volgende milieuhygiënewetgevingen (of delen ervan) en hun uitvoeringsbesluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest: - de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging; - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; - de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder; - het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen; - het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer; - het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; - het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, inzonderheid titel III van 19 april 1995 betreffende bedrijfsinterne milieuzorg, titel IV en titel XV; - het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken; - het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; - de Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen; - de verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; - de verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 97/117/EEG; - de verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; - de verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen; - de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; - de verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake


de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr; 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; - de Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of IIIA bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is; - Het mestdecreet van 22 december 2006; - Het oppervlaktedelfstoffendecreet van 4 april 2003.

Toezicht De toezichthouders van MI oefenen door middel van inspecties en andere vormen van controle toezicht uit en beoordelen of handelingen al dan niet gebeuren in overeenstemming met de regelgeving. Deze controles worden voornamelijk tijdens de normale werkuren uitgevoerd, maar aanvullend wordt er ook ’s avonds, ’s nachts, en in het weekeinde geïnspecteerd. MI beschikt over voldoende dienstwagens met een basisuitrusting geschikt om monsters te nemen of metingen te verrichten. MI is zodanig georganiseerd dat een 24-uurpermanentie verzekerd is.

Toezichtrechten Het milieuhandhavingsdecreet bepaalt dat de toezichthouders bij het uitoefenen van hun toezichtopdrachten beschikken over de volgende toezichtrechten: 1° het recht op toegang; 2° het recht op inzage en kopie van zakelijke gegevens; 3° het recht van onderzoek van zaken, inclusief het monsternemings-, metings-, beproevings- en analyserecht; 4° het recht van onderzoek van transportmiddelen; 5° het recht op ondersteuning; 6° het recht op het doen van vaststellingen door middel van audiovisuele middelen; 7° het recht op bijstand van de politie.

Van deze toezichtrechten mogen toezichthouders enkel gebruik maken voor zover dat redelijkerwijs nuttig wordt geacht voor het vervullen van hun toezichtopdrachten. Toezicht gebeurt proactief en heeft als eerste doel het nalevingsgedrag te verbeteren en aldus milieu-inbreuken en milieumisdrijven te voorkomen.

Sanctionering Het milieuhandhavingsdecreet voorziet in de sanctionering van enerzijds milieu-inbreuken en anderzijds milieumisdrijven. Dit onderscheid bepaalt in belangrijke mate welk sanctioneringsspoor zal worden gevolgd of voorrang krijgt, het bestuurlijke of het strafrechtelijke. Een milieu-inbreuk is een schending van een administratieve verplichting die voorkomt op een limitatieve lijst bepaald door de Vlaamse regering. Een milieuinbreuk geeft uitsluitend aanleiding tot een bestuurlijke sanctie. Toezichthouders kunnen, wanneer zij een milieu-inbreuk vaststellen, een verslag van vaststelling bezorgen aan de gewestelijke entiteit, in casu de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. De gewestelijke entiteit kan deze inbreuken bestraffen met een exclusieve bestuurlijke geldboete.

Strafrechtelijke sanctionering Een milieumisdrijf is elke gedraging die in strijd is met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van het milieuhandhavingsdecreet en die strafrechtelijk kan worden bestraft. De bestraffing gebeurt bij voorrang via het strafrecht en in tweede orde door bestuurlijke geldboetes. Als een milieumisdrijf opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid tot stand is gekomen, dan moet de toezichthouder volgens artikel 29 van het wetboek van strafvordering het vastgestelde milieumisdrijf verbaliseren en het procesverbaal toesturen aan de procureur des Konings. De verbalisant geeft in het proces-verbaal van overtreding aan of het misdrijf een prioritair karakter heeft volgens de criteria vastgelegd in de prioriteitennota ‘vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest van 30 mei 2000’. De kwalificatie van een strafrechtelijke overtreding als prioritair heeft tot gevolg dat op de meest doeltreffende manier moet worden opgetre-

Organisatie

- 13


den, zowel wat betreft bestuurlijke als strafrechtelijke handhaving. Het proces-verbaal moet de magistraat in staat stellen: -- na te gaan of de hem ter kennis gebrachte feiten als wetsovertredingen kunnen gekwalificeerd worden; -- de verantwoordelijkheid van de daders, mededaders en medeplichtigen te bepalen; -- kennis te nemen van al de omstandigheden die het misdrijf zijn voorafgegaan of ermee gepaard gingen, ten einde te kunnen oordelen over de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden; -- kennis te nemen van andere feiten die het vonnis kunnen beïnvloeden; -- de wettelijkheid van optreden (naar inhoud en vorm) vast te stellen; -- vast te stellen of de voorwaarden voor het bestaan van een bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal vervuld zijn. Het openbaar ministerie kan de overtreder dagvaarden waarna de correctionele rechtbank de feiten kan bestraffen.

Bestuurlijke sanctionering Naast de strafrechtelijke sanctionering van milieumisdrijven voorziet het milieuhandhavingsdecreet ook in een alternatieve bestuurlijke sanctionering: als de procureur des Konings de gewestelijke entiteit tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, start de gewestelijke entiteit de procedure voor het eventueel opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete. Samen met het proces-verbaal bezorgt de verbalisant aan de procureur des Konings een schriftelijk verzoek om zich binnen de 180 dagen uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf. Deze periode kan door de procureur gemotiveerd éénmalig worden verlengd met 180 dagen. Nadat de gewestelijke entiteit de verbalisant heeft geïnformeerd over de beslissing van de procureur tot het niet-strafrechtelijk behandelen van het milieumisdrijf bezorgt de verbalisant haar het dossier binnen de veertien dagen. Tegen de beslissing waarbij de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt, kan de overtreder schriftelijk beroep indienen bij het Milieuhandhavingscollege. Het beroep schorst de bestreden beslissing niet. Via bestuurlijke sanctionering kan vlugger worden opgetreden tegen bronnen van milieuverstoring dan via gerechtelijke weg.

14 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Bestuurlijke handhaving Bij bestuurlijke handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen het ‘zachte’ en het ‘harde’ handhavingsparcours. Raadgevingen en aanmaningen vormen het zachte instrumentarium. Zij bevestigen het preventieve karakter van het toezicht. De raadgeving is het middel bij uitstek voor de toezichthouder om (dreigende) probleemsituaties snel en doeltreffend te laten verhelpen. Raadgevingen gaan als het ware de inbreuk of het misdrijf vooraf. Het staat de toezichthouder steeds vrij om raad te geven, ook wanneer de vastgestelde situatie geen overtreding inhoudt. Aanmaningen zijn curatieve instrumenten. Toezichthouders kunnen, wanneer zij het bestaan van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf vaststellen, de vermoedelijke overtreder en andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen. Uiteraard wordt er in het geval van een milieumisdrijf eveneens een aanvankelijk proces-verbaal opgesteld. In principe poogt de toezichthouder door het geven van aanmaningen om een mistoestand te laten saneren. Indien de aanmaningen worden genegeerd of onvoldoende uitgevoerd, rest de toezichthouder geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een bestuurlijke maatregel tezamen met het opstellen van een navolgend proces-verbaal in het geval van een milieumisdrijf of een verslag van vaststelling in het geval van een milieu-inbreuk. Bestuurlijke maatregelen vormen het ‘harde’ instrumentarium en zijn een effectief middel om een impassetoestand te doorbreken. Zij hebben een probleemverhelpende finaliteit omdat zij tot doel hebben de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen met het herstel van het geschonden milieubelang, evenals het verhelpen van de gevolgen ervan en het voorkomen van herhaling. Het treffen van een bestuurlijke maatregel is een administratieve rechtshandeling en aldus onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat impliceert ondermeer dat de vermoedelijke overtreder wordt gehoord alvorens de bestuurlijke maatregel wordt getroffen. Tijdens een hoorzitting kan de toezichthouder toelichting geven over de procedure tot oplegging, beroep en opheffing. De overtreder kan zijn verweermiddelen meedelen. De toezichthouder dient verschillende zaken na te gaan: -- hoe ernstig de levenskwaliteit verstoord wordt of dreigt verstoord te worden; -- hoe ernstig de verstoring is en waar zij zich voordoet;


-- dat de geplande maatregel nuttig is om de gevreesde verstoring tegen te gaan; -- dat de maatregel noodzakelijk of onontbeerlijk is (d.w.z. de minst ingrijpende); -- dat de maatregel proportioneel is. Bijgevolg moet de maatregel die de toezichthouder oplegt, bekeken vanuit de verschillende mogelijkheden waarover de overheid beschikt, een zo min mogelijke last teweegbrengen voor diegene die hem moet ondergaan. De toezichthouders zullen in hun motivering ingaan op de noodzaak tot het opleggen van een maatregel, de keuze van de maatregel en de uitvoeringsmodaliteiten ervan.

meer bepaald: -- een vermelding van de geschonden voorschriften; -- een overzicht van de vaststellingen inzake de mielieuinbreuk of het milieumisdrijf; -- een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregel en de uitvoeringstermijn ervan; -- de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan; -- de vermelding onder welke voorwaarden de bestuurlijke maatregel wordt opgeheven bij een regularisatiebevel en een stopzettingsbevel.

Bestuurlijke maatregelen kunnen de volgende vormen aannemen: -- een regularisatiebevel, d.i. een bevel aan de overtreder om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; -- een stopzettingsbevel, d.i. een bevel aan de overtreder om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen; -- bestuursdwang, d.i. een feitelijke handeling (van diegene die de bestuurlijke maatregel oplegt) om de milieuinbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; -- een combinatie van bovenstaande maatregelen.

Op basis van de concrete omstandigheden en de aard van de vastgestelde tekortkomingen zal de toezichthouder kiezen voor een regularisatiebevel, een stopzettingbevel, bestuursdwang of een combinatie van deze. Het is evident dat zowel voor het regularisatiebevel als voor het stopzettingbevel uitvoeringstermijnen gelden. Deze termijnen moeten worden bepaald rekening houdend met de tijd die redelijkerwijs nodig is om er uitvoering aan te geven. Wanneer de omstandigheden het echter vereisen, bijvoorbeeld bij een ernstige verontreiniging van een oppervlaktewater, dan kunnen deze termijnen uiterst kort zijn. Het bedrijfsleven dient zich dit goed te realiseren en kan hierop anticiperen door potentiële gebeurtenissen met een belangrijke milieuimpact te inventariseren en door maatregelen vast te leggen die vermelden hoe er dan moet gehandeld worden. Tegen de bestuurlijke maatregel kan de overtreder een niet opschortend beroep indienen bij de bevoegde minister. De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer controleert of aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan en verleent ook advies aan de minister. De minister doet uitspraak binnen een termijn van 90 dagen na ontvangst van het beroep. De minister kan deze termijn éénmalig verlengen met 90 dagen. Indien niet tijdig een beslissing werd genomen, vervallen de bestuurlijke maatregelen.

Het type maatregel moet in functie van het dossier zo gekozen worden dat de terugkeer naar conformiteit zo efficiënt en effectief mogelijk gebeurt. Bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden: -- de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten; -- het verbod op het gebruik van of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; -- de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; -- het meenemen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen, waarvan het bezit in strijd is met de milieuwetgeving; -- het onmiddellijk vernietigen, op kosten van de overtreder, van zaken die bederfelijk zijn of waarvan het bezit verboden is. Het besluit tot oplegging van bestuurlijke maatregelen moet omwille van de rechtsbescherming van de overtreder, een aantal minimumvermeldingen bevatten,

Bestuurlijke maatregelen kunnen onderwerp zijn van een verzoek om oplegging door personen die rechtstreeks nadeel ondervinden van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf, personen die een belang hebben bij de beteugeling ervan, en rechtspersonen bedoeld in de wet betreffende het vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu. Er zijn vormvereisten gesteld aan dit verzoek. De verzoekers moeten onder andere vermelden welke gedragingen een milieu-inbreuk of milieumisdrijf kunnen uitmaken. De verzoekers worden zo spoedig mogelijk en binnen de voorziene termijn in kennis gesteld van de beslissing over het al dan niet nemen van bestuurlijke maatregelen en de redenen hier-

Organisatie

- 15


toe. Tegen deze beslissing kan in beroep gegaan worden bij de minister. De administratieve behandeling van het beroep gebeurt ook door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer. De minister doet uitspraak binnen de 50 dagen na ontvangst van een ontvankelijk beroep. Als de minister beslist dat er gevolg moet worden gegeven aan het verzoek, dan wordt het dossier teruggezonden aan de bevoegde persoon en dan moet deze het opnieuw behandelen. Wie bestuurlijke maatregelen neemt, is ook bevoegd om ze op te heffen. Dat kan ambtshalve en gemotiveerd gebeuren door diegene die de bestuurlijke maatregel heeft getroffen of op gemotiveerd verzoek vanwege diegene aan wie de maatregel is opgelegd. In dat laatste geval moet de beslissing 45 dagen na kennisgeving van het verzoek worden genomen. De beslissing vereist een verslag van de toezichthouder met de vaststelling dat de voorwaarden tot opheffing vervuld zijn. Gemotiveerde en ambtshalve opheffing van bestuurlijke maatregelen is eveneens mogelijk als door gewijzigde omstandigheden de oplegging van nieuwe bestuurlijke maatregelen vereist is. Het besluit tot opheffing wordt binnen de 10 dagen ter kennis gebracht aan de vermoedelijke overtreder.

Veiligheidsmaatregelen Toezichthouders kunnen alle handelingen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten wanneer zich een aanzienlijk risico voor mens of leefmilieu voordoet. De veiligheidsmaatregelen zijn erop gericht dat aanzienlijke risico uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. Welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden, moet in elke probleemsituatie afgewogen worden in het licht van de concrete omstandigheden. Omdat veiligheidsmaatregelen geen bestraffing beogen en uitsluitend gericht zijn op probleemverhelping zal het vrijwaren van het milieubelang sterk doorwegen bij de belangenafweging. De maatregel moet in overeenstemming met het proportionaliteitsbeginsel bijdragen tot het doel, met name het vrijwaren van het milieubelang, en onmisbaar zijn om dit doel te bereiken, m.a.w. hetzelfde doel kan niet bereikt worden met minder vergaande maatregelen. Veiligheidsmaatregelen kunnen o.m. strekken tot -- de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn; -- het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, trans-

16 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

portmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; -- de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; -- het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren; -- het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen.

--

Ook de burgemeester en de gouverneur kunnen veiligheidsmaatregelen nemen. Zij kunnen dit ambtshalve doen of op verzoek van een toezichthouder. De toezichthouders zullen een appel doen op de burgemeester of de gouverneur wanneer zij beter geplaatst zijn om veiligheidsmaatregelen te treffen. De burgemeester beschikt bijvoorbeeld over logistieke en personele middelen (brandweerdiensten, technische diensten) om bepaalde maatregelen uit te voeren of de controle erop uit te voeren (politiediensten). De gouverneur kan in een aantal gevallen gebruik maken van zijn bevoegdheden in het kader van de rampenplanning om veiligheidsmaatregelen uit te voeren of te laten uitvoeren. Het treffen van een veiligheidsmaatregel is een administratieve rechtshandeling en aldus onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat impliceert ondermeer dat de personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, gehoord moeten worden alvorens de veiligheidsmaatregel wordt getroffen. Tijdens een hoorzitting kan de toezichthouder toelichting geven over de procedure tot oplegging, beroep en opheffing. De personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, kunnen hun verweermiddelen meedelen. Bij hoogdringendheid geldt de hoorplicht niet. Veiligheidsmaatregelen worden schriftelijk opgelegd aan personen die verantwoordelijk zijn voor het aanzienlijk risico zoals aangeduid in het besluit houdende de veiligheidsmaatregelen. Dit besluit omvat een duidelijke omschrijving van de verplichtingen waaraan moet worden voldaan, van het aanzienlijke risico dat het nemen van veiligheidsmaatregelen noodzakelijk maakt, van de veiligheidsmaatregelen die noodzakelijk zijn en hun uitvoeringstermijn. Als een ogenblikkelijk optreden vereist is, kunnen veiligheidmaatregelen ook mondeling worden opgelegd. Als veiligheidsmaatregelen mondeling worden opgelegd en de personen, verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, niet aanwezig zijn, dan wordt ter plaatse en op een zichtbare plaats een schriftelijk bericht achtergelaten en is er een schriftelijke bevestiging aan de verantwoordelijke voor het aanzienlijke risico (binnen de vijf werkdagen bij kennisgeving).


Interne structuur Wie veiligheidsmaatregelen neemt, is ook bevoegd om ze op te heffen. Dit kan ambtshalve gebeuren of op verzoek van personen ten aanzien van wie de veiligheidsmaatregelen zijn genomen. Opheffing van veiligheidsmaatregelen kan gepaard gaan met het opleggen van nieuwe veiligheidsmaatregelen. Een opheffing van veiligheidsmaatregelen op gemotiveerd verzoek vereist een voorafgaand verslag waarin de bevoegde persoon vaststelt dat het aanzienlijke risico is uitgeschakeld of tot een aanvaardbaar niveau is ingeperkt of gestabiliseerd. Een toezichthouder kan de bevoegde overheid via een gemotiveerd verzoek vragen om de milieuvergunning geheel of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen wanneer een exploitant de bepalingen van het milieuvergunningendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft. Het verzoek kan voorwaarden vermelden die moeten worden vervuld om de schorsing of opheffing af te wenden.

MI heeft in elke provincie een buitendienst. Zij staan in hoofdzaak in voor de inspecties, het nemen van maatregelen en de voortgangscontrole bij de saneringen van de gecontroleerde bedrijven. Hun ervaringen op het terrein worden gebruikt als input voor de terugkoppeling naar de beleidsmakers. Daarnaast zijn er drie centrale diensten in Brussel. De stafmedewerkers werken rechtstreeks onder het afdelingshoofd. Zij staan in voor de administratieve ondersteuning van de afdeling (personeel, logistiek, financiĂŤn en ICT). De belangrijkste taak van Toezicht zwarerisicobedrijven is de planmatige en systematische controle van de zogenaamde Sevesobedrijven. Het Hoofdbestuur stuurt de werking van de thematische werkgroepen. Zo waken zij over de planning, de diepgang, de uniforme uitvoering en de integratie van de handhavingscampagnes en ondersteunen zo de toezichthouders.

Organisatie

- 17


De werkgroepen vormen een horizontale structuur binnen de afdeling. Zij moeten garant staan voor een gecoördineerde en uniforme aanpak in het hele Vlaamse Gewest. Eind 2010 waren er zeven werkgroepen actief: -- Afval (m.i.v. een Ketenteam, verantwoordelijk voor controle op het ophalen en het vervoer van afvalstoffen); -- Bodem en Grondwater; -- Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging (GPBV Industrie en GPBV Veeteelt); -- Geluid en Trillingen; -- Genetisch Gemodificeerde Organismen en pathogenen (GGO’s); -- Lucht (m.i.v. Geur en Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen); -- Water. Een werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van elke buitendienst en het Hoofdbestuur. Deze laatsten fungeren als gangmaker.

Intergrale kwaliteitszorg De Vlaamse overheid streeft voortdurend naar een zo goed mogelijke uitbouw van haar dienstverlening. Dit veronderstelt een organisatiecultuur waarin een permanente zorg voor kwaliteit en kwaliteitsverbetering centraal staat.

Afhandeling van vaststellingen Al bij het opstellen van de staalkaart van de afdeling werd het belangrijkste proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ in kaart gebracht en voorzien van een eerste procedurehandboek. In de loop van de voorbije jaren werden bijkomende documenten aangemaakt, zowel voor de strafrechtelijke als voor de administratiefrechtelijke afhandeling van de vaststellingen. Vóór het van kracht worden van het Handhavingsdecreet bestond het kwaliteitshandboek van MI uit een handhavingsinstrumentarium en 2 codes van goede praktijk. Het handhavingsinstrumentarium gaf de algemene principes van het optreden van MI aan en visualiseerde in diverse stroomschema’s hoe er in elke fase van een dossier opgetreden werd.

18 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

De Code van goede praktijk voor het proces-verbaal beschreef in detail hoe een aanvankelijk of navolgend proces-verbaal moest opgesteld worden en had als doel te komen tot een kwaliteitsverbetering en een grotere uniformiteit van de processen-verbaal van MI. De ‘Prioriteitennota Vervolgingsbeleid Milieurecht in het Vlaamse gewest’ die op 30 mei 2000 door de Commissie Vervolgingsbeleid werd goedgekeurd en bekrachtigd door de minister van Justitie en de Vlaamse minister van Leefmilieu, werd hierin geïmplementeerd. De Code van goede praktijk voor de administratiefrechtelijke afhandeling legde de vorm en de inhoud vast van de documenten die in de stroomschema’s van het handhavingsinstrumentarium voorkwamen. Door het van kracht worden van het Handhavingsdecreet op 1 mei 2009 en zijn uitvoeringsbesluiten en latere wijzigingen en de daarmee gepaard gaande verstrekkende wijziging van het toezichts- en handhavingskader drong zich een grondige herziening van voormeld handhavingsinstrumentarium op. Het resultaat van die revisie is het ontwerp milieuhandhavingsinstrumentarium van MI, dat de drie voormelde documenten vervangt. Het is een leidraad voor de toezichthouders van MI bij het toezicht en de bestuurlijke en strafrechtelijke afhandeling. Het wordt toegepast door de toezichthouders sinds 1 juni 2010. Eerst wordt er een testfase doorlopen en na de voorziene evaluatie zullen nog aanpassingen aangebracht worden. Het is een dynamisch document, dat kan worden aangepast aan nieuwe en gewijzigde regelgeving en aan nieuwe inzichten bij de toepassing ervan. Hiernaast wordt kort de inhoud van het ontwerp milieuhandhavingsinstrumentarium weergegeven:


Inhoud ontwerp milieuhandhavingsinstrumentarium 1 Inleiding 2 Basisbegrippen en -beginselen 2.1 Beginselen van behoorlijk bestuur 2.2 Administratieve rechtshandeling 2.3 Overtredingen, wanbedrijven en misdaden 2.4 Milieu-inbreuk en milieumisdrijf 2.5 Toezicht versus opsporing 2.6 Opsporingsonderzoek versus gerechtelijk onderzoek 2.7 Uniformiteit en kwaliteitscontrole 3 Toezicht 3.1 Recht op toegang 3.2 Recht op inzage en kopie van zakelijke gegevens 3.3 Recht van onderzoek van zaken 3.4 Recht van onderzoek van transportmiddelen 3.5 Recht op ondersteuning 3.6 Recht op het doen van vaststellingen door middel van audiovisuele middelen 3.7 Recht op bijstand 3.8 Inspectieverslag en werkverslag 4 Afhandeling van de vaststellingen 4.1 Stroomschema 1 4.2 Stroomschema 2 4.3 Stroomschema 3 4.4 Stroomschema 4 4.5 Stroomschema 5 5 Raadgevingen en aanmaningen 5.1 Raadgevingen 5.2 Aanmaningen

6 Bestuurlijke en strafrechtelijke sanctionering 6.1 Milieu-inbreuken 6.2 Milieumisdrijven 6.3 Verklaringen 7 Bestuurlijke maatregelen 7.1 Overleg over bestuurlijke maatregelen 7.2 Hoorplicht 7.3 Regularisatiebevelen, stopzettingsbevelen en bestuursdwang 7.4 Opleggen van bestuurlijke maatregelen 7.5 Opheffen van bestuurlijke maatregelen 7.6 Uitvoeren van bestuurlijke maatregelen 7.7 Beroep tegen bestuurlijke maatregelen 7.8 Verzoek om bestuurlijke maatregelen 8 Schorsing en opheffing van de milieuvergunning 8.1 Voorstel tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning 8.2 Uitvoering van de beslissing tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning 9 Veiligheidsmaatregelen 9.1 Overleg over veiligheidsmaatregelen 9.2 Hoorplicht 9.3 Schriftelijke of mondelinge oplegging van veilig heidsmaatregelen 9.4 Opheffing van veiligheidsmaatregelen 10 Verzegelingen 11 Bronnen

MI-onderrichtingen MI gebruikt ook interne onderrichtingen om de kwaliteit en/of de uniformiteit bij het uitvoeren van inspecties en bij de beoordeling van vaststellingen te verhogen. Ondermeer als gevolg van de reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid, het van kracht worden van het Handhavingsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en de Vlaremtrein en andere recente wijzigingen in de regelgeving, startte MI met de herwerking van een groot deel van de bestaande onderrichtingen.

Een aantal onderrichtingen zijn voorbijgestreefd en dus niet langer van toepassing ; andere onderrichtingen werden geactualiseerd en nog andere onderrichtingen zijn opgenomen in het nieuwe milieuhandhavingsinstrumentarium. Tenslotte zijn er ook enkele nieuwe onderrichtingen tot stand gekomen in 2010. Een overzicht van de in 2010 opgestelde en aangepaste onderrichtingen wordt gegeven in volgende tabel.

Organisatie

- 19


Lijst van de MI-onderrichtingen in 2010 Nummer

Datum

Onderwerp

MI 2010/01

9 maart

Behandelen van milieuklachten/klachtenmanagement

MI 2010/02

30 maart

Permanentiedraaiboek “Oproepen en melding van voorvallen”

MI 2010/03

11 maart

Kwaliteitshandboek

MI 2010/04

11 maart

Codering van handhavingsactiviteiten en identificatie van monsters en metingen

MI 2010/05

11 maart

Erkende milieudeskundigen

MI 2010/07

11 maart

Richtlijnen voor het uitvoeren van controles op de uitvoer van afvalstoffen via havens (containercontroles)

MI 2010/08

11 maart

Richtlijnen voor gasmetingen bij het openen van containers

11 maart

Aanvaarding van deskundigen voor stortplaatsen (behalve stortplaatsen voor baggerspecie)

MI 2010/10

11 maart

Monostortplaatsen voor baggerspecie - goedkeuring van documenten – financiële zekerheid

MI 2010/11

11 maart

MI 2010/12

Vormingsactiviteiten Om efficiënt en effectief te kunnen handhaven, is niet alleen een grondige kennis van de wetgeving nodig. Ook wetenschappelijke en technische kennis over de verschillende aspecten van milieuhygiëne zijn onontbeerlijk. De toezichthouders en administratieve personeelsleden van de afdeling volgen daarom geregeld opleidingen. Gevolgde opleidingen in 2010 Onderwerp

Organisator

Aanpak geurproblemen

MI

Keuringssystemen voor bouw- en sloopafval

MI

BBT-studiedag : afvalverbranding

AMV (ism Vito, Stora Enso)

Toelichting Boringen en Grondwaterwinningen

MI

Een jaar nieuwe handhavingspraktijk onder de loupe

Studipolis, Die Keure Opleidingscentrum

Beoordelingstermijn werkplannen afvalverwerkende bedrijven

Selectieve sloop, recycling en nieuwe toepassingen voor bouw- en sloopafval

KVIV

11 maart

Interpretatie van afdeling 4.2.6. van Vlarem II: beoordeling van meetresultaten

Technische controle op trillingshinder

MI / EVA International

MI 2010/13

11 maart

Langdurige geluids- en trillingsmetingen

Gaswassers in de sector van de veeteelt

DLV

MI 2010/14

11 maart

Handleiding bij de beoordeling van een volledig akoestisch onderzoek

Geurhinder : trends en ontwikkelingen

KVIV The Sniffers

26 april

Controles bij biomassa-afvalverbrandingsinstallaties met een vermogen van ≤5MW

LDAR

MI 2010/15

Afdelingsdag MI (BD Oost-Vlaanderen)

MI

MI 2010/16

1 juni

Milieuhandhavingsinstrumentarium van de afdeling Milieu-inspectie

Opleiding projectmanagement (departement & AGO)

Departement LNE ism Delta-i

MI 2010/17

16 december

Toepassing “Draaiboek wintersmogperiodes”

Instapdag

AGO

Overheidsopdrachten regelgeving

AGO

Zelforganisatie niveau A en B

AGO

In 2001 werd gestart met het opstellen van een kwaliteitshandboek monsternames en metingen.

Seveso-inspectieoverleg

ACR van FOD WASO

Corrosieonderzoeken en niet-destructieve onderzoeksmethoden

MetaLOGIC

Voor afvalwater werden vier procedures uitgeschreven voor de monstername van water met schepmonsters of (tijds- of debietsproportionele) mengmonsters, het gebruik van recipiënten en conserveringsmiddelen, de meting ter plaatse van pH en temperatuur en de meting ter plaatse van het debiet. Daarnaast werd ook een werkvoorschrift voor het gebruik van de pH-meter opgesteld.

Zin en onzin van inspectie en monitoring van procesinstallaties

MetaLOGIC

Process Safety and Risk Management

ERM

Wetgeving Dierlijke Bijproducten

MI

Databankbeheer met PostGres

ACD

Schrijven voor het web/webusability

ACJ

De procedure voor afvalstoffen omvat, naast een aantal algemene principes, ook drie aparte procedures voor de bemonstering van specifieke afvalstromen: poeder- en korrelvormige vaste afvalstoffen, afval aanvaard op stortplaatsen en vloeibare en viskeuze afvalstoffen. Dit kwaliteitshandboek wordt volledig geïmplementeerd sinds 1 juni 2004.

Infosessie functiefamilies

BZ

Windows 7 en Office 2010 (ihkv de migratie)

Studiebureau Xylos

Training rond omgang met moeilijk gedrag

MI + politieschool

Tweedaagse teambuilding Hoofdbestuur

MI

Tweedaagse teambuilding Toezicht zwarerisicobedrijven

MI

MI 2010/09

Kwalitatieve uitvoering van monsternames en metingen

20 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Vervolg gevolgde opleidingen in 2010

Om evoluties in de milieu(handhavings-)sector op de voet te kunnen volgen, nemen personeelsleden ook deel aan symposia of conferenties in het buitenland.

Onderwerp

Organisator

Talking about the environmental effects of industrial installations: the European Directive on Industrial Emissions

EINI-VMR-VVOR

Ontwikkelingstraject ‘leidinggeven’ voor leidinggevenden

Ago

Onderwerp

Publiek

Electromagnetische velden en optische straling: interactie met de mens

Universiteit Gent

Dublin : uitwisseling Europese milieu-inspecteurs (haven- en afvaltransportcontroles) www.impel.eu

Impel - TFS

Lokale luchtverontreiniging en IFDM

VITO

Duurzaam ontginnen – de Vlaamse situatie: een voorbeeld?

BVLG

Dioxin 2010 (http://www.dioxin20xx.org/) 30e internationale symposium over gehalogeneerde en persistente organische verontreinigende stoffen.

Tox Strategies

CO2: geologisch-mineralogische oplossing?

BVLG

Shallow Geothermy – A geological potential in Belgium?

BLUG

Consoil 2010 (http://www.consoil.olanis.de/) 11e internationale congres over de recentste evoluties inzake beheer van bodem, grondwater en sediment.

Helmholtz Centre for Environmental Reserach – UFZ Deltares

Opleiding asbestherkenning

Certipro

Gevolgde opleidingen in 2010

MI organiseert voor haar eigen personeelsleden - en ook voor andere doelgroepen - verschillende opleidingen om zo haar expertise ter beschikking te stellen en informatie te verstrekken.

Gevolgde opleidingen in 2010 Onderwerp

Publiek

Vlarem – Handhaving van de milieuwetgeving – Toezicht, bestuurlijke handhaving en veiligheidsmaatregelen

Oost-Vlaamse Bestuursacademie / Toekomstige lokale toezichthouders

Rol van MI bij de uitvoering van het MHHD

Arion Consult

Rol van MI bij de uitvoering van het MHD

Milieucoördinatoren

Rol van MI bij de uitvoering van het MHD

Studenten milieubeheer

Milieuhandhaving : module water, praktijk

Toekomstige lokale toezichthouders

Toelichting milieuhandhavingsdecreet en besluit

Toekomstige lokale toezichthouders

Opleiding milieutoezichthouder module beginselen handhaving milieuwetgeving

Toekomstige lokale toezichthouders

Algemeen kader van het Milieuhandhavingsdecreet

Lokale toezichthouders

Raadgeven, aanmanen en verbaliseren – Milieu-inspectie : toen en nu

TH’s en andere handhavingsactoren

Art. 29 en 30 SWA : nood aan aanpassing?

Seveso-inspecteurs

Inspectie en monitoring van procesinstallaties : visie MI

Sevesobedrijven

Studiedag asbest

Sector

Organisatie

- 21


Werking MI heeft al enkele jaren de missie, visie en waarden van haar organisatie en haar medewerkers duidelijk vastgelegd. Daarnaast werden strategische en operationele doelstellingen bepaald, en kerntaken geïdentificeerd. Het planmatig uitvoeren van controles is voor MI een basiskeuze, die tot uiting komt in een jaarlijks Milieu-inspectieplan (MIP). De opzet van dit jaarplan is heel ruim: het omvat alle activiteiten van de afdeling die kaderen in het proces “Inspecteren en maatregelen nemen”. Zo vormt het MIP de basis voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid, dat moet leiden tot een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu.

Strategische en operationele planning MI heeft midden de jaren ‘90 de missie, visie en waarden van haar organisatie en haar medewerkers duidelijk vastgelegd. Er werd vertrokken van de bestaansreden van MI: ‘het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan, teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen.’ De missie (waar staan we nu?) is een verdere uitdieping van die bestaansreden: ‘wij als afdeling Milieu-inspectie toetsen en bevorderen de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen.’ De visie geeft aan welke organisatie MI wil zijn: ‘de afdeling Milieu-inspectie wordt dé organisatie die instaat voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid van de milieuhygiënewetgeving.’ De afdeling Milieu-inspectie is dus voortdurend in beweging, in een voortdurend veranderingsproces verwikkeld. Om van de huidige toestand (missie) naar de gewenste situatie (visie) te komen, werd er een strategie uitgewerkt.

De strategie van MI werd herzien naar aanleiding van de hervorming van de Vlaamse overheid in 2006. Binnen het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) werden een aantal nieuwe bevoegdheden opgenomen, andere werden afgestaan. Ook werd de organisatiestructuur grondig gewijzigd. Dit had tot gevolg dat de strategische doelstellingen en de visie van het departement moesten herzien worden. Ook de verschillende afdelingen moesten hun doelstellingen en kernactiviteiten herzien, omdat deze moeten bijdragen aan de strategische doelstellingen van het departement. Daarom heeft MI in de loop van 2007 nieuwe strategische en operationele doelstellingen en kernactiviteiten vastgelegd. Een aantal kernactiviteiten geven invulling aan de dagelijkse werking van MI, een aantal zijn verbonden aan tijdelijke projecten op afdelingsniveau. De verdere optimalisatie van de structuur en de werking van MI worden hierdoor gestuurd. Jaarlijks wordt het Strategisch en Operationeel Plan (SOP) van MI herzien. Vooral de operationele doelstellingen worden jaarlijks geactualiseerd om veranderingen op korte termijn te sturen (1 à 3 jaar). Deze operationele doelstellingen, opgesteld voor de hele afdeling, worden op hun beurt in cascade vertaald naar persoonlijke

Werking

- 23


doelstellingen die worden opgenomen in een persoonlijk planningsdocument voor alle personeelsleden. Het Strategisch en Operationeel Plan 2010 (SOP 2010) van MI gaat uit van drie strategische doelstellingen voor de afdeling:

1. 2. 3.

Handhaving van de milieuhygiënewetgeving versterken voor een kwaliteitsvol leefmilieu Actieve wisselwerking met andere milieu(hand- havings)actoren intensifiëren Versterken van de deskundigheid

De kernactiviteiten – met onderliggende processen – zijn: 1. Planmatig toezicht houden en maatregelen nemen 1.1. Opstellen van het milieu-inspectieplan (MIP) 1.2. Uitvoeren MIP (specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles, voortgangs controles en eigen initiatief) 1.3. Implementeren van handhavingssystemen voor Seveso, GPBV en ketentoezicht afvalstromen 1.4. Implementeren van een permanentie- en responssysteem voor oproepen, meldingen van voorvallen (incl. milieuschadegevallen) en crisissen (incl. milieu-incidenten), voor wintersmogperiodes en voor ondersteuning van ketentoezicht afvaloverbrengingen 1.5. Optimaliseren van het milieuhandhavingsinstrumentarium 1.6. Uitbouwen en beheren van een geïntegreerd informatie- en dossierbeheersysteem 1.7. Administratief ondersteunen (secretariaat, personeel, logistiek, financiën, ICT) 2. Voortrekker zijn bij de beleidsvoorbereiding, -uitvoering en -evaluatie van de milieuhandhaving (toezicht houden en maatregelen nemen) van de milieuhygiënewetgeving 2.1. Overleggen/samenwerken op intra-, inter- en supragewestelijk niveau met andere milieu(handhavings) actoren 2.2. Uitdragen van handhaving naar overige handhavers in het Vlaamse Gewest 2.3. Meten, evalueren en rapporteren: uitdragen en toelichten van de handhavingsactiviteiten en –resultaten (o.a. milieuhandhavingsrapport) 2.4. Terugkoppelen van de ervaringen uit het veld naar de beleidsmakers 2.5. Proactief toetsen van de handhaafbaarheid en hanteerbaarheid van ontwerpregelgeving 2.6. Beleidsvoorbereiding: bijdragen aan het opstellen en omzetten van Europese regelgeving 3. Versterken van de deskundigheid 3.1. Organiseren en volgen van vorming en training 3.2. Opzoeken en verwerken van juridische, milieutechnische en beleidsinformatie

Aan de processen zijn operationele doelstellingen vastgehangen met tijdshorizon en prestatie indicatoren voor opvolging of kwantificatie van de vooruitgang die geboekt wordt t.a.v. het gestelde doel. Voor 2010 werden onder meer volgende operationele doelstellingen vastgelegd: -- Organiseren en volgen van vorming over handhavingsaanpak geurhinder, over keuringssystemen bouw- en sloopafval en over ‘omgaan met moeilijk gedrag’; -- Opzetten van een GPBV-handhavingssysteem; -- Optimaliseren van het permanentie- en respons­ systeem voor oproepen, meldingen van voorvallen

24 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

i.f.v. het Milieuschadedecreet en uitbreiden ervan met het bestaande permanentiesysteem voor wintersmogperiodes en een nieuw systeem voor ondersteuning van ketentoezicht afvaloverbrengingen; -- Implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet; -- Ontwikkelen van een nieuw ondersteunend ICT systeem voor het plannen, uitvoeren en volgen van het MIP; -- Actualisatie van het samenwerkingsakkoord betreffende de coördinatie van het beleid inzake invoer, uitvoer en doorvoer van afvalstoffen; -- Inhoudelijk bijdragen tot voorstellen voor uitvoeringsbepalingen bij het Milieuschadedecreet m.b.t. een eenvormig meldingssysteem en de verplichting tot


milieunoodplannen; -- Inhoudelijk bijdragen tot de herziening van de Seveso Richtlijn en van de GPBV Richtlijn en tot de implementatie van de Reach Verordening; -- Toetsen met terugkoppeling aan de beleidsmakers van ontwerpregelgeving nl. Materialendecreet/VLAREA, Wijzigingsbesluit Milieuhandhavingsbesluit, Vlaremwijzigingen m.b.t. actualisatie van sectorale lozingsvoorwaarden en m.b.t. normering van elektromagnetische golven van vast opgestelde zendantennes.

Het milieu-inspectieplan (MIP) Waarom een milieu-inspectieplan? MI is er al geruime tijd van overtuigd dat handhaving het best op een planmatige wijze kan worden aangepakt. In haar milieu-inspectieplan probeert MI al haar inspectieactiviteiten in kaart te brengen en te begroten qua budget en personeelsinzet. Daarvoor heeft ze verschillende redenen. De uitdaging waar de Vlaamse handhavers voor staan, is ervoor te zorgen dat het toezicht op de naleving van de milieuwetgeving evolueert van toevalstreffers naar een planmatige handhaving. Uitwerking kan via jaarprogramma’s voor de handhaving, waarin de prioriteiten voor een bepaald werkjaar worden vastgelegd en de handhavingsacties worden gepland. Essentieel is dat alle handhavingsacties worden uitgevoerd op basis van een diepgaand inzicht. Er is ook de algemene Europese trend naar een meer systematische, planmatige en gecoördineerde handhaving. Die trend werd in 2001 bevestigd in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). De aanbeveling kwam tot stand met medewerking van het IMPEL-handhavingsnetwerk en somt duidelijk de criteria op waaraan milieu-inspecties minstens zouden moeten voldoen. In de aanbeveling gaat veel aandacht naar het opstellen van milieu-inspectieprogramma’s door de lidstaten, waaruit moet blijken dat alle milieu-inspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. Bovendien zouden dergelijke programma’s openbaar moeten worden gemaakt. De programma’s mogen op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau worden opgesteld, maar de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de programma’s toepasselijk zijn op alle milieu-inspecties van de gecontroleerde installaties op hun grondgebied.

De meeste van de in de aanbeveling opgesomde richtlijnen inzake milieu-inspectieprogramma’s worden in het MIP toegepast.

Doelstellingen van het MIP De doelstellingen van het MIP bevinden zich op verschillende niveaus. Op het niveau van de organisatie heeft het plan een doelmatige, deskundige, uniforme, integrale en sturende aanpak van de controles tot doel. Een tweede belangrijke doelstelling richt zich op het vlak van de effectiviteit van de controles. Het plan voorziet in diepgaande en zo mogelijk geïntegreerde controles bij klasse 1-inrichtingen die (potentieel) sterk milieubelastend zijn of die ernstige risico’s voor de omgeving inhouden. Bij de selectie van de bedrijven of bedrijfssectoren wordt rekening gehouden met hun milieureputatie en -verleden. De beheersing van het werkvolume en de werkdruk is een derde doelstelling voor het opmaken van de jaarplanning. MI wordt immers geconfronteerd met een groot aantal en een grote diversiteit aan te controleren inrichtingen. Een goede jaarplanning moet prioriteiten leggen en daardoor helpen om het werkvolume en de werkdruk te beheersen.

Totstandkoming van een MIP Het jaarlijks MIP is het resultaat van intensief intern overleg waarbij alle toezichthouders van MI hun stem kunnen laten horen. MI peilt daarnaast ook naar prioritaire handhavingsnoden bij ander (milieu)handhavingsactoren. De verzamelde voorstellen worden geïnventariseerd en uitgediept. Daarna worden de handhavingsprioriteiten voor het komende jaar vastgelegd. Het Hoofdbestuur werkt de voorstellen verder uit en begroot zowel de personeelsinzet als het budget. Hierbij worden een aantal beginselen van professioneel projectmanagement toegepast: doelstellingen en verantwoordelijkheden worden duidelijk vastgelegd, mijlpalenplannen worden uitgetekend, criteria voor succes worden bepaald, … Het MIP wordt daarna definitief aanvaard door de staf en ter goedkeuring voorgelegd aan de secretaris-generaal en de minister.

Werking

- 25


26 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Het MIP 2010 In het MIP 2010 zijn alle handhavingsactiviteiten van de afdeling voor het werkjaar 2010 opgenomen. Heel wat inspectiecampagnes kaderen in of geven ondersteuning aan projecten van het MINA-plan 3 of geven uitvoering aan regionale, nationale en internationale verplichtingen. Het MIP 2010 geeft uitvoering aan de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2009-2014 van Vlaams minister voor Leefmilieu, Natuur en Cultuur, Joke Schauvliege, door bijzondere aandacht te besteden aan twee specifieke doelgroepen, nl. Sevesobedrijven enerzijds en GPBV-bedrijven anderzijds en door ook een flink deel van de beschikbare inspectietijd te voorzien voor ketentoezicht op afvalstoffen. Ook emissiegerichte inspecties en controle van zelfcontroleactiviteiten van bedrijven worden in dit kader onverminderd verdergezet in verschillende acties van het MIP 2010. Daarnaast is er in diverse acties ook aandacht voor andere accenten uit de beleidsnota (o.a. voor de fijn stof-problematiek). Met de implementatie van het Milieuhandhavingsdecreet vanaf 1 mei 2009 is het MIP 2010 het eerste Milieu-inspectieplan van MI dat geïntegreerd wordt in het Milieuhandhavingsprogramma van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving, behalve wat de controles in het kader van de Seveso II-richtlijn betreft. Het eerste deel van het MIP 2010 bestaat uit een toelichting waarin het kader wordt geschetst waarbinnen MI haar jaarplan heeft opgesteld en omvat onder andere een beschrijving van haar kerntaken, een toelichting over haar interne organisatie, een omschrijving van alle soorten handhavingsactiviteiten (specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles, voortgangscontroles, controles uit eigen initiatief), een inschatting van de beschikbare tijd, … Een tweede deel omvat de gedetailleerde beschrijving aan de hand van fiches van alle specifieke handhavingscampagnes en een aantal routineactiviteiten, die verdere verduidelijking vergen. In deze fiches wordt uitgediept wat de noodzaak of milieurelevantie, de doelstellingen, het benodigde budget, de personeelsinzet en de beginen streefdatum van de omschreven handhavingsactiviteit zijn. Ook worden de verantwoordelijkheden voor de uitvoering ervan vastgelegd. Tenslotte worden alle handhavingsactiviteiten van het MIP 2010 gebundeld in een overzichtelijke tabel. Op de vorige bladzijde wordt deze tabel (zonder budget en tijdsinschatting) weergegeven. Het MIP zelf is te raadplegen op de website van MI.: www.milieuinspectie.be.

Samenwerking en overleg MI werkt samen met diverse instanties om te komen tot een optimale handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Hieronder worden slechts enkele specifieke onderwerpen beschreven, met de nadruk op samenwerking die een rechtstreekse impact heeft op de verdeling van toezichtstaken tussen MI en andere instanties en op de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen. Daarnaast ontvangt MI geregeld vragen om mee te werken aan de meest diverse overlegstructuren. MI neemt hieraan deel als er voldaan is aan een aantal randvoorwaarden. Zo moet natuurlijk steeds de onafhankelijkheid van het toezicht en de handhaving zijn gewaarborgd. Bovendien kan de expertise van MI enkel worden gebruikt als dat een reële bijdrage levert aan de verbetering van het leefmilieu en de regelgeving in het algemeen en de handhaving in het bijzonder.

Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving (VHRM) Door het decreet van 21 december 2007 werd een nieuwe Titel XVI “Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen” toegevoegd aan het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Deze nieuwe titel, bekend als het milieuhandhavingsdecreet, is op 1 mei 2009 in werking gesteld door de Vlaamse Regering wat zijn oorspronkelijk toepassingsgebied betreft en op 25 juni 2009 voor de uitbreidingsbepalingen. Deze nieuwe handhavingsregeling is opgesplitst in twee grote delen: het beleid en de organisatie van de milieuhandhaving enerzijds, en het toezicht, handhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen anderzijds. In het onderdeel milieuhandhavingsbeleid krijgt de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving (VHRM) een centraal adviserende en beleidsondersteunende opdracht toegewezen. De VHRM werd geïnstalleerd op 16 april 2009 en trad officieel in werking op 1 mei 2009, gelijktijdig met het van kracht worden van het milieuhandhavingsdecreet. Het bijstaan van de Vlaamse Regering bij het toezicht op de coördinatie en de inhoudelijke vormgeving van het milieuhandhavingsbeleid vat de VHRM als volgt op: -- de VHRM stelt krachtlijnen en prioriteiten van het handhavingsbeleid van het milieurecht voor en geeft advies over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de handhaving van het milieurecht

Werking

- 27


aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement; -- de VHRM stelt jaarlijks een milieuhandhavingsprogramma en een milieuhandhavingsrapport op; -- de VHRM creëert een kader voor coördinatie van de milieuhandhaving door middel van het voeren van systematisch overleg en het voorbereiden, afsluiten en opvolgen van milieuhandhavingsprotocollen tussen de verschillende actoren bevoegd voor milieuhandhaving (ondermeer de Vlaamse overheid, de federale en lokale politie, de parketten, de gemeenten en de provincies). Vanuit MI wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de samenstelling en de werking van de VHRM. Dr. Sc. Robert Baert, afdelingshoofd van MI, zetelt in de VHRM als ondervoorzitter en Dr. Sc. Inge Delvaux, diensthoofd van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven van MI, als plaatsvervangend lid. Daarnaast participeren vertegenwoordigers van MI in de verschillende werkgroepen die werden opgericht binnen de VHRM: -- de werkgroep ‘Vaststelling en Toezicht’ -- de werkgroep ’Bestuurlijke en Strafrechtelijke Sanctionering’ -- de werkgroep ‘Informatie-uitwisseling’ -- de werkgroep ‘Dataverzameling, Innovatie en Kennisopbouw’ De andere leden van de VHRM zijn werden voorgesteld door de beleidsraad van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie, door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, door de VZW Vereniging van Vlaamse Provincies, door de VZW Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, door het college van procureurs-generaal en door de federale minister, bevoegd voor Binnenlandse Zaken. MI is er al geruime tijd van overtuigd dat handhaving het best op een planmatige wijze kan worden aangepakt. Daartoe stelt MI jaarlijks een milieu-inspectieplan op. Daarnaast publiceert MI jaarlijks een milieuhandhavingsrapport waarin wordt beschreven hoe de handhaving van de milieuhygiënewetgeving in het Vlaamse Gewest wordt georganiseerd en hoe de uitvoering van de handhavingsactiviteiten verloopt. Deze jarenlange ervaring biedt MI een bijzondere deskundigheid om op een effectieve manier input van hoogstaand niveau te leveren aan de VHRM voor het opstellen van hun jaarlijks milieuhandhavingsprogramma en milieuhandhavingsrapport, waarin een overzicht zal gegeven worden van de opdrachten en activiteiten van alle toezichthouders. Het milieuhandhavingsdecreet heeft duidelijk geopteerd om het aantal toezichthouders bevoegd voor milieuhand-

28 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

having te verhogen. De VHRM zal instaan voor het voeren van overleg en afsluiten van milieuhandhavingsprotocollen tussen deze verschillende actoren. Een verhoging van het aantal toezichthouders betekent voor MI concreet dat haar taak zal verschuiven van een reactieve naar enerzijds een proactieve invalshoek, geconcretiseerd in specifieke thematische handhavingscampagnes, en anderzijds naar een routinematige invalshoek waarbij emissiegerichte inspecties en controle van de zelfcontroleactiviteiten van de bedrijven centraal staan. Het gegeven dat MI zich hierdoor meer zal kunnen toeleggen op inrichtingen met een grote milieurelevantie en op ketentoezicht op afvalstoffen werd al voorzien in de beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2009-2014 van de Vlaams minister bevoegd voor Leefmilieu.

Samenwerking binnen de Vlaamse overheid Afstemming monitorings- en handhavingstaken Op vraag van de beleidsraad van LNE hebben OVAM, VLM, VMM en MI in 2007 afspraken gemaakt over de overdracht van gegevens tussen de verschillende entiteiten, met het oog op een betere afstemming van monitorings- en handhavingsprogramma’s. De beleidsraad keurde deze afspraken formeel goed. De uitwisseling van gegevens betreft ondermeer: -- het wederzijds doorgeven van suggesties voor jaar- en meetprogramma’s; -- het onderling meedelen van vaststellingen die ressorteren onder de bevoegdheden van een andere entiteit of die een reactie vragen van een andere entiteit; -- het doorgeven van dossiergebonden meetgegevens aan MI ter ondersteuning van vaststellingen die worden vermeld in een proces-verbaal; -- het onderling doorgeven van jaaroverzichten van metingen die kunnen gebruikt worden om prioriteiten te bepalen bij het opstellen van meet- en jaarplannen; -- het doormelden aan elkaar van calamiteiten met aanzienlijke milieu-impact; -- het melden van MI-vaststellingen inzake niet aan gebruikstoelatingen conforme producten bij bedrijven die afvoeren naar de landbouw aan VLM, OVAM en FAVV. Naast een algemene jaarlijkse evaluatie van deze samenwerkingsovereenkomsten zijn er op geregelde tijdstippen ook vergaderingen voorzien om concrete inhoudelijke punten te bespreken. Met de diensten van VMM die het watermeetnet opvolgen wordt er jaarlijks een centraal overleg voorzien op niveau van het hoofdbestuur en gebeurt er tweemaal per jaar een decentraal overleg op


niveau van de buitendiensten. Op het decentraal overleg worden ook concrete probleemdossiers besproken. Tijdens een overleg met de diensten van VMM die het luchtmeetnet opvolgen werd in 2010, net als in de voorbije jaren, een evaluatie gemaakt van de doorstroming van meetresultaten naar MI, en werd door VMM informatie verstrekt over de voorgestelde wijzigingen in het meetnet. Het overleg was eveneens een gelegenheid om voorstellen van MI te laten opnemen in het meetprogramma. Het overleg dat in 2010 tussen MI en OVAM plaatsvond handelde vooral over informatie-uitwisseling met betrekking tot grensoverschrijdende afvaltransporten. Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM) De uitvoering van het milieubeleid leert dat een geregelde actualisatie van de complexe en zeer uitgebreide milieuregelgeving noodzakelijk is en blijft. De wetgeving moet worden vereenvoudigd en de kwaliteit ervan moet worden verhoogd. Als gevolg van de vele wijzigingen en aanvullingen van de regelgeving moeten de verschillende decreten en besluiten voldoende en tijdig op elkaar afgestemd worden. Daarom ontstond begin 2000 het overlegorgaan TOM. TOM staat voor Technisch Overleg Milieuregelgeving. Het is een permanent overlegorgaan voor alle administraties en diensten die betrokken zijn bij de uitvoering en handhaving van het beleid betreffende milieuhinderlijke inrichtingen en activiteiten. In TOM zitten vertegenwoordigers van het Departement LNE, VMM, OVAM, VLM, andere beleidsvelden van de Vlaamse overheid die raakpunten hebben met het milieubeleid en de lokale overheden via de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP) en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). TOM streeft, via maximale onderlinge consensus, naar een vanuit juridisch oogpunt eenvormige en correcte toepassing van de milieuregelgeving. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan oplossingen voor overlappingen, lacunes en tegenstrijdigheden in de regelgeving en de uitvoering en handhaving ervan om zo te komen tot een coherente, resultaatgerichte regelgeving en toepassing ervan. Sinds de start van TOM werden al meerdere knelpunten gesignaleerd, geĂŻnventariseerd en geanalyseerd. TOM

legt zijn adviezen ter beslissing voor aan de Vlaamse minister van Leefmilieu. De definitieve TOM-adviezen worden, met de reactie van de Vlaamse minister van Leefmilieu, gepubliceerd op de LNE-website onder de link www.lne.be/themas/regelgeving/tom/adviezen-tom. Ook MI neemt deel aan het TOM-overleg. Als toezichthoudende overheid is ze vertegenwoordigd zowel in de plenaire vergadering als in ad-hoc werkgroepen. Ze waakt erover dat tijdens de bespreking van gesignaleerde knelpunten zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de opgedane handhavingservaring. MI streeft daarbij naar een zo groot mogelijke eenduidigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Medewerking aan regelgevende initiatieven Beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van de ervaringen uit het veld behoren tot de kernopdracht van MI. Een van de manieren waarop MI die opdracht probeert te vervullen, is door medewerking te verlenen aan regelgevende initiatieven en zich zo indirect in te schakelen in de beleidscyclus. Op 1 mei 2009 traden het milieuhandhavingsdecreet en de daarbij horende uitvoeringsbesluiten in werking. MI leverde een grote bijdrage tot de totstandkoming hiervan. In 2010 formuleerde MI met betrekking tot een ontwerpbesluit tot wijziging van het Milieuhandhavingsbesluit opmerkingen over enkele tekstpassages. Omdat deze grondige hervorming een grote impact heeft voor de toezichthouders van MI, werd binnen MI een nieuw milieuhandhavingsinstrumentarium uitgewerkt dat als leidraad dient bij het toezicht en de bestuurlijke en strafrechtelijke afhandeling. Bij de opmaak ervan werden de eerste ervaringen met het nieuwe decreet ten volle benut. Het instrumentarium wordt opgevat als een dynamisch document dat kan worden aangepast aan nieuwe en gewijzigde regelgeving en aan nieuwe inzichten bij de toepassing ervan. Als belangrijkste handhaver inzake milieuhygiĂŤnewetgeving is MI ook vertegenwoordigd in de LNE-werkgroep Milieuhandhaving die als opdracht heeft het bespreken van praktische vragen over de toepassing en interpretatie

Personeel, vorming en middelen Werking

- 29


van het nieuwe milieuhandhavingsdecreet en –besluit en de coördinatie en evaluatie van mogelijke wijzigingen aan de regelgeving. Ook aan het nieuwe Materialendecreet en het aangepaste Vlarea (Vlaams Materialenbesluit genoemd) verleende MI de nodige medewerking en toetste de ontwerpteksten inzake handhaafbaarheid en hanteerbaarheid. Wat Vlarem betreft werden zoals de voorbije jaren de ontwerpwijzigingen van de Vlaremwetgeving ter evaluatie aan MI voorgelegd. Tenslotte formuleerde MI vanuit haar ervaring als handhaver opmerkingen op het voorontwerp van uitvoeringsbesluit bij het Milieuschadedecreet. De uitvoering van het Milieuschadedecreet wordt opgevolgd binnen de LNEwerkgroep Milieuschade, waar MI deel van uitmaakt.

Samenwerking met lokale overheden Het milieuhandhavingsdecreet en de daarbijhorende uitvoeringsbesluiten wijzen het toezicht op en de handhaving van de milieuhygiënewetgeving bij klasse 2en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrijevelddelicten toe aan lokale overheden en leggen voor deze opdracht een minimum aantal toezichthouders voor gemeenten, intergemeentelijke verenigingen of politiezones op. Indien nodig kunnen deze toezichthouders ook vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken laten onderzoeken bij klasse 1-inrichtingen. De lokale toezichthouders moeten een bekwaamheidsbewijs verkrijgen; dat bekwaamheidsbewijs wordt hen uitgereikt nadat ze de opleiding milieutoezichthouder hebben gevolgd en ze geslaagd zijn voor de bijhorende bekwaamheidsproef. Het milieuhandhavingsdecreet voorziet dat elke gemeente beroep moet kunnen doen op minstens één toezichthouder (uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van het decreet) en dat grotere gemeenten (met meer dan 300 klasse 2-inrichtingen of met meer dan 30.000 inwoners als het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is) minstens beroep moeten kunnen doen op twee toezichthouders (uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van het decreet). De gemeente kan zich in dit kader op verschillende manieren organiseren; zo kan een gemeente hetzij één of meerdere toezichthouders aanstellen, hetzij

30 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

beroep doen op toezichthouders die zijn aangesteld binnen een politiezone of een intergemeentelijke vereniging, hetzij opteren voor een combinatie van de twee vorige opties. Ondertussen zijn de meeste Vlaamse gemeenten een overeenkomst aangegaan met de Vlaamse overheid. Deze Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 is een vrijwillige overeenkomst die een gemeente afsluit met de Vlaamse overheid op vlak van milieu, waarbij in ruil voor het uitvoeren van een aantal acties financiële en inhoudelijke ondersteuning wordt verkregen van de Vlaamse overheid. Deze acties impliceren o.a. het instellen van een centraal meldpunt voor milieuklachten, een systematisch overleg tussen verschillende diensten die belast zijn met de handhaving van milieuhinder en de behandeling van klachten (in de eerste plaats overleg tussen de milieudienst en de politiedienst en/of politiezone) en zowel proactieve als reactieve controles uitvoeren op de klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrijevelddelicten. In 2010 heeft de Vlaamse Regering een addendum “handhaving” aan de Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 goedgekeurd, ter inhoudelijke en financiële ondersteuning van de gemeenten bij de uitvoering van hun opdracht op dat vlak. Een dergelijke overeenkomst laat MI toe haar volle aandacht te richten op klasse 1-inrichtingen. In het bijzonder worden milieuklachten die MI ontvangt over klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrije veld delicten onmiddellijk naar de lokale toezichthouder doorgestuurd; ook klachten over klasse 1-inrichtingen die bij MI niet gekend zijn, worden voor vooronderzoek doorgestuurd naar de lokale toezichthouder. Slechts bij uitzondering wanneer zware hinder plaatsvindt (vb. als de gezondheid van omwonenden in het gedrang kan komen, als er aanwijzingen zijn dat er schadelijke stoffen in de voedselketen kunnen terechtkomen, als er schade wordt toegebracht aan mens en/of leefmilieu,…) én er kan aangetoond worden dat de lokale toezichthouder in gebreke blijft in klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen of vrijevelddelicten, zal MI optreden conform de behandeling van klachten over klasse 1-bedrijven. Deze wijze van behandelen van milieuklachten werd vastgelegd in een interne onderrichting bedoeld voor alle


toezichthouders van MI. Omdat met deze onderrichting ook een zeker engagement verwacht wordt van de lokale toezichthouders, heeft MI de onderrichting bezorgd aan de burgemeesters van alle Vlaamse gemeenten.

Samenwerking met federale overheden Gerechtelijke instanties Op het niveau van de buitendiensten onderhield MI individuele contacten met parketmagistraten. Deze contacten hebben tot doel om via overleg en communicatie te komen tot een efficiënte behandeling van processen-verbaal. In bepaalde gevallen werd MI gevraagd om technische expertise te verlenen. De invulling van deze samenwerking kan verschillen van buitendienst tot buitendienst en van parket tot parket, maar algemeen kan gesteld worden dat er met alle parketten een vrij goed overleg plaatsvond. MI bood opnieuw stageplaatsen aan voor gerechtelijk stagiairs. Tijdens hun stage voor de functies van parketmagistraat of rechter moeten zij een tijd doorbrengen bij een aantal externe diensten. Gewoonlijk valt de keuze op strafinrichtingen, politiediensten en juridische diensten, maar ook minder voor de hand liggende diensten zoals MI zijn mogelijk. In 2010 kozen vier gerechtelijk stagiairs om een deel van hun stage bij MI te doorlopen (in WestVlaanderen, Vlaams-Brabant en Limburg). Op de buitendienst maakten ze kennis met de inspecties op het terrein. Tijdens die inspecties kwamen allerlei aspecten aan bod zoals monsternames, geluidsmetingen, opstellen van processen-verbaal, geven en voortgangscontrole van aanmaningen en opleggen van bestuurlijke maatregelen. De controle van de vergunningstoestand van een bedrijf en de naleving van de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden kwamen aan bod. Uiteraard werd ook aandacht besteed aan de klachtenbehandeling. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen De samenwerking tussen FAVV en MI situeert zich voornamelijk in het gebied van de dierlijke bijproducten, waar voedselketen en afvalverwerking elkaar gevaarlijk dicht naderen. Bovendien vereist de handhaving van de strenge Europese regelgeving hierover een goede samenwerking tussen de verschillende bevoegde overheden. De samenwerking is sinds 2005 geformaliseerd in een Commissie Dierlijke Bijproducten waarin alle betrokken overheden in België elkaar ontmoeten om, knelpunten en beleidsevoluties en suggesties te bespreken en ervaringen uit te wisselen.

Verder wordt er teruggekoppeld over de bevindingen van de Werkgroep Dierlijke Bijproducten van de Europese Commissie, worden aanpassing van nieuwe Europese en lokale regelgeving aangaande dierlijke bijproducten besproken en worden inspecties door het Europese Food and Veterinary Office voorbereid. Bovendien wordt er overlegd over praktische knelpunten aangaande de implementatie van de verordening. De commissie werd in 2009 vijf keer samengeroepen. Samenwerking rond afvaltransporten MI voert sinds april 2006 controles uit op afvaltransporten in de zeehavens en langs de openbare weg, meestal in samenwerking met de politie. Deze samenwerking wordt jaarlijks geëvalueerd in een overleg met politie, Federale Leefmilieu-inspectie (FLI) en OVAM. Het overleg in 2010 vond plaats op initiatief van FLI. In 2010 organiseerde de federale politie het project Augias in het kader van het Europees voorzitterschap. Dit project heeft onder meer als doel om de Europese politiediensten meer te betrekken bij en vertrouwd te maken met de controle op grensoverschrijdende afvaltransporten. MI was betrokken bij de opmaak van de handleiding en gaf fysieke assistentie tijdens de testcontroles in het voorjaar en de Europese transportcontroleweken in september-oktober. Het Vlaams Gewest gaf in 2009 de aanzet tot de herziening van het oude samenwerkingsakkoord in/uit/ doorvoer van afvalstoffen uit 1994. De definitieve tekst werd afgerond in 2010 en de ondertekening ervan door de Vlaamse regering greep plaats op 17 september. Het geactualiseerde samenwerkingsakkoord wacht nu op de ondertekening door alle betrokken gewestelijke en federale ministers en de ratificering door de parlementen. MI bleef ook actief in het Project Afvalfraude Antwerpen, een samenwerkingsverband tussen parket, politie, douane, de Havenkapiteinsdienst, OVAM, FLI en MI rond de controles die gebeuren op de uitvoer van afval via de haven van Antwerpen en de Waaslandhaven. Samenwerking met de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s Verder in dit rapport wordt aangegeven dat de inspecties in het kader van het Samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen (Seveso-inspecties) worden uitgevoerd door een inspectieteam dat is samengesteld uit de gewestelijke milieu-inspectie (MI in het Vlaams Gewest) en

Werking

- 31


de federale inspectiedienst bevoegd voor de bescherming van de werknemers. De coördinatie binnen de inspectieteams en de algemene coördinatie worden verzekerd door de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Op 30 november 2010 was de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s gastheer op een overlegdag voor alle Seveso-inspectiediensten. Van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven, binnen MI verantwoordelijk voor het toezicht op de Sevesobedrijven, was iedereen aanwezig. Op het overleg bespraken de inspectiediensten de nieuwe inspectie-instrumenten, was er een terugkoppeling over Europese aangelegenheden en gaf MI toelichting over de CLP-verordening en de noodzakelijke aanpassingen van het Samenwerkingsakkoord. De inspectiediensten werkten ook in 2010 verder aan de optimalisatie van het inspectieprogrammasysteem uitgaande van “inspectiedomeinen” (de verschillende technische en organisatorische systemen die moeten worden onderzocht in een Sevesobedrijf) en het geïntegreerd inspectie-instrumentensysteem.

Internationale context IMPEL Het voormalige informele IMPEL-netwerk (dat al opgericht werd in 1992) werd in 2008 omgevormd tot de internationale vzw “Netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving” (in het Engels: European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law, of kortweg IMPEL). Deze omvorming was nodig om de activiteiten te kunnen blijven uitvoeren en om de financiële inbreng te verzekeren. Alle milieuoverheden van de lidstaten van de Europese Unie (momenteel 27), de toetredende landen (momenteel geen) en de kandidaat lidstaten (momenteel Kroatië, Turkije en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië) en de EEA-landen (European Economic Area Noorwegen, Ijsland en Liechtenstein) kunnen lid worden. In 2010 telde de organisatie 43 leden uit 32 landen. De Europese Commissie zelf is niet langer lid van IMPEL.

32 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

IMPEL heeft sinds zijn oprichting een grote bekendheid verworven en werd intussen formeel erkend in het Zesde Leefmilieuactieprogramma én in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten. Het blijft een organisatie waarbinnen de leden informatie kunnen delen, problemen kunnen bespreken en elkaar praktisch advies kunnen geven. Op die manier kan belangrijke kennis worden opgedaan en kunnen de beste praktijken op het gebied van inspectie, toezicht en handhaving worden uitgewisseld. De huidige structuur van IMPEL ziet er als volgt uit: -- een raad van bestuur, met Gerard Wolters (NL.) als voorzitter en Terry Shears (VK) als ondervoorzitter; -- een algemene vergadering als beslissingsorgaan; -- clusters, fora voor bespreking en coördinatie van aanverwante activiteiten en projecten. Momenteel zijn er drie clusters: “Verbeteren van vergunningsverlening, inspectie en handhaving”, “Grensoverschrijdend transport van afvalstoffen” en “Betere regelgeving (uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid)”; -- projectteams voor de praktische uitvoering van de goedgekeurde projecten; -- een nationale coördinator per lidstaat die verantwoordelijk is voor de informatiedoorstroming tussen het netwerk en de lidstaat. Meer informatie over IMPEL vindt u op de volgende website: http://ec.europa.eu/environment/impel. IMPEL-TFS IMPEL-TFS (Transfrontier Shipments of Waste) is de cluster van IMPEL die werkt rond grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen. De kernactiviteiten van TFS zijn gezamenlijke handhavingsprojecten en de uitwisseling van kennis en ervaring met de handhaving van de EVOA-verordening. MI nam van 2 tot 4 juni 2010 deel aan de jaarlijkse plenaire TFS-conferentie in Bazel, Zwitserland, en was ook vertegenwoordigd op de bijeenkomst van TFS National Contact Points in oktober in Wenen. Op deze laatste meeting gaf MI een presentatie van de resultaten van de gasmetingen op zeecontainers, die de toezichthouders standaard uitvoeren tijdens havencontroles. In het kader van het TFS Enforcement Actions II Project nam MI deel aan één Europese controlemaand. Er vond een uitwisseling plaats van inspecteurs met Frankrijk (inspecties in Le Havre) en met Ierland (inspecties in o.a. Dublin en gezamenlijke bedrijfs- en havencontroles in het Vlaamse Gewest).


MI werd in 2010 ook lid van het Seaport Environmental Security Network (SESN), een wereldwijd netwerk van inspectiediensten die havencontroles uitvoeren op grensoverschrijdende afvaltransporten, opgericht in de schoot van INECE. MI ontving in oktober 2010 een delegatie van het Chinese Department of Pollution Prevention and Control, samen met vertegenwoordigers van de Chinese controle-instanties AQSIQ en CCIC, en de Nederlandse VROM-Inspectie. De delegatie nam deel aan een bezoek aan de wervelbedoven van Indaver in Kallo, aan de grensinspectiepost van de douane en assisteerde tijdens een containercontrole in de Waaslandhaven. Evaluatiemissie van FVO van de controle van invoer/ doorvoer van dieren en dierlijke producten.

Samenwerking met Frankrijk Er werden op geregelde basis contacten onderhouden met de DREAL (Franse Milieu-inspectie) die de milieuvergunningen van de Franse bedrijven controleert. Dit maakt een soepel en informeel overleg mogelijk over zowel de milieuregelgeving als de controles in de Franse bedrijven. Zo kreeg MI een beter beeld op de gestelde problematiek (en oplossingen) van grensoverschrijdende PCB- en dioxinevervuiling in de regio Menen waar een schrootverwerkend bedrijf aan beide zijden van de landsgrens een vestiging heeft met identiek dezelfde activiteiten. Deze contacten hebben het ook mogelijk gemaakt om een vlottere afhandeling te bewerkstelligen van een Vlaamse klacht tegen een Frans bedrijf gelegen op de oever van de Leie, die de landsgrens vormt.

Het Europese Food and Veterinary Office (FVO) voerde van 17 tot 26 februari 2010 een evaluatie uit van de implementatie van de Europese gezondheidsvoorschriften inzake dierlijke bijproducten. De missie werd begeleid door het FAVV. De evaluatie omvatte voornamelijk bepalingen van de Europese Verordening 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd en Europese Verordening 882/2004 inzake officiĂŤle controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. Heel wat van deze bepalingen vallen ook onder gewestelijke bevoegdheid, zodat MI als handhavende instantie ook betrokken was bij deze missie. Tijdens de openingsvergadering gaf MI een korte presentatie over haar rol in deze materie. Verder begeleidde MI ook de Europese inspecteurs bij de controle van 4 bedrijven in het Vlaams Gewest die onder het toezicht van MI vallen. Tevens streek het inspectieteam ook neer in de buitendienst van MI te Gent om op die manier de werking en organisatie van de afdeling te auditeren. De FVOinspectie was op enkele opmerkingen na heel tevreden over de correcte naleving van de implementatie van de betrokken Europese regelgeving bij de gecontroleerde bedrijven. Een belangrijke opmerking omvatte het uitvoeren van intensiever toezicht op de eigen controles die binnen bepaalde sectoren moet worden toegepast. Om invulling te geven aan deze opmerking werd binnen de afdeling extra aandacht besteed aan deze problematiek door het voorzien van bijkomende opleiding voor de toezichthouders en het intensiveren van controles op deze punten.

Werking

- 33


Personeel en middelen In dit deel wordt een overzicht gegeven van de personele en financiĂŤle middelen die de afdeling ter beschikking heeft om haar opdracht uit te voeren.

Personeel Aantal personeelsleden A2A Afdelingshoofd en Stafdienst

A2

1

B1

C2

C1

1

2

D2

D1

10

14

Buitendienst Antwerpen

14

1

12

1

10

2

5

6

1

5

Buitendienst Limburg

5

9

Buitendienst Oost-Vlaanderen Buitendienst Vlaams-Brabant Buitendienst West-Vlaanderen

Totaal 6

10

Toezicht zwarerisicobedrijven

Aantal beschikbare VTE

B2

2

Hoofdbestuur

Totaal

A1

1

4

12

2

21

4 1

17

1

1

21

2

1

15

1

1

1

15

1

2

75

3

19

4

12

2

1

119

1,0

2,0

68,8

3,0

16,3

3,5

11,2

0,0

5,0

110,8

Personeel en middelen

- 35


Afdelingshoofd en stafdienst • V.l.n.r.: Tanja Verschaeren, Hedwig Stylemans, Chris Van Baelen, Robert Baert, Jos Tits Ontbreekt: Daisy Van Calster

Hoofdbestuur • V.l.n.r.: Hans Delcourt, Bart Palmans, Krista Thomas, Jeroen November, Martine Blondeel, Rita Van Ham, Geert Keppens, Roel Vaneerdeweg, Karel Debeuf, Paul Cuypers.

36 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Toezicht zwarerisicobedrijven • V.l.n.r.: Christof De Pauw, Christel Gernay, Wilfried Biesemans, Leentje Timmerman, André Goossens, Inge Delvaux, Wilfried Van den Acker, Gwenny Vanhaecke, Nele Loos, Jo De Baerdemaeker, Marc Van Kerckvoorde. Ontbreken: Inge Dils, Philip Tanghe.

Buitendienst Antwerpen • V.l.n.r.: Linda Van Geystelen, Monique Dirickx, Michael Allison, An Swinnen, Anja Van der Auwera, Ann Devisschere, Jan Valckx, Hendrik Meulemans, Veerle Wiercx, Anne Colman, Hilde Slosse, Ann Van Deun, Lief Mannaerts, Ilse Colman, Wim Vermetten, Diane Haelwaters. Ontbreken: Chris Tackaert, An Van Steenbergen, Jos Moeskops, Els De Jonghe.

Personeel en middelen -

37


Buitendienst Limburg • V.l.n.r.: Tom Nuyts, Jan De Paep, Guido Gerits, Peter Schoups, Johan Ballings, Sybille Vanderhenst, Kaat Vanmeeren, Peter Brien, Josée Vanthienen, Tom Maes, , Irène Poelmans, Liesbet Rommens, Peggy Cloostermans, Freddy Noels, Freddy Noels. Ontbreken: Filip Moers, Rudi Rademaekers, Ann Janssens.

Buitendienst Oost-Vlaanderen • zittend v.l.n.r.: Dony Vandormael, , Greta De Maesschalk, Luc Verhaeven, Greetje De Wandeler, Marian Lagrou, Lieve Joos. Staand v.l.n.r.: Wilfried Van Vaerenbergh, Peter Permanne, Steven Overmeire, Frans Van der Cruysse, Peter Wesemael, Frank Verslype, Jozef Algoet, Els Van Bever, Gert Govaerts, Eric Ryckaert, Paul Van Gijseghem, Myriam Macharis, Carine Baert, Carmen Bauwens, Peter De Neve.

38 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Buitendienst Vlaams-Brabant • V.l.n.r.: Kathleen Dethier, Gert Van de Cauter, Dirk Crivits, Patrick Bergen, Koen Mandonx, Tina Poels, Christophe Bervoets, Robert Dupont, Mathy De Preter. Zittend v.l.n.r.: Philippe Verbecq, Eric Van Gijseghem, Marc Vanthienen. Ontbreken: Mia Moens, Christiane Renquin, Theo Strobbe, Carine Holsbeekx.

Buitendienst West-Vlaanderen • Danny Deygers, Guido Gheysen, Karel Vandamme, Wim Delaere, Roland Loontiens, Koenraad Mergaert, Lieve Martens, Geert Van Landschoot, Joke Lahousse, Marc De Vos, Marc Sevenant. Ontbreken: Jan Corveleyn, Robrecht Pillen, Jeannine Tassyns, Henri Trypsteen, Georges Vande Walle.

Personeel en middelen

- 39


Aanwending van de kredieten

Specifieke handhavingonderzoeken Vastgelegd bedrag in euro

Laboratoriumkosten Ter ondersteuning van haar sleutelproces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ sluit MI overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het meten, bemonsteren en analyseren van allerhande stoffen en emissies. Voor de meting, monstername en analyse van afvalwater, koelwater en oppervlaktewater enerzijds en bodem, afvalstoffen, meststoffen en grondwater anderzijds werden per provincie overeenkomsten afgesloten. Om emissiemetingen uit te voeren op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties werd eveneens een labocontract afgesloten. Naast de hierboven vermelde algemene overeenkomsten werden nog enkele overeenkomsten afgesloten voor een aantal specifieke dossiers.

Vastgelegd bedrag in euro Labocontract afvalwater, koelwater en oppervlaktewater

607.661,06

Labocontract afvalstoffen, meststoffen en grondwater

510.439,13

Labocontract luchtemissiemetingen

392.076,58

Specifieke dossiers Totaal

67.372,80 14.217,50 1.591.767,07

Specifieke handhavingonderzoeken In bepaalde omstandigheden is het noodzakelijk bijkomende onderzoeken te laten verrichten door gespecialiseerde laboratoria of deskundigen. Zo kunnen bijvoorbeeld niet-courante analyses worden uitgevoerd of kan de milieu-impact van een specifiek bedrijf worden onderzocht. De onderzoeken worden uitgevoerd ter advisering en ter voorlichting van MI. Naast de onderzoeken die specifiek gericht zijn op één of meerdere bedrijven, werden ook een aantal algemene handhavingonderzoeken uitgevoerd. Het totale beschikbare vastleggingskrediet voor 2010 bedroeg 2.186.000 euro en er werd 85,97 % vastgelegd. Het ordonnanceringskrediet bedroeg 1.969.000 euro en werd voor 87,32 % uitbetaald.

40 -

265.457,06

Akoestische onderzoeken

11.959,00

Onderzoek op koelgaslekken

22.905,30

Rioolcameraonderzoek

810,70

Veiligheidsonderzoeken

11.304,43

BVV PTF bemonstering en analyse

64.214,70

Multi-componentanalyse van grondwaterstalen

16.952,10

Uitvoeren van SOF-metingen

86.565,82

Toetsing van correcte berekening van VOS emissies in het kader van mogelijke LDAR verplichtingen

18.004,80

TOTAAL

498.173,91

Werkingsmiddelen De toezichthouders van MI beschikken over heel wat middelen om hun taken efficiënt en effectief uit te voeren.

Overzicht van de laboratoriumkosten

Asbestanalyses op puingranulaten

Geuronderzoeken

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Bij de voorbereiding van een inspectie kan een toezichthouder gebruik maken van het papieren dossier dat op elke buitendienst aanwezig is. Daarnaast hebben ze toegang tot diverse andere documenten (door raadpleging van informatie bij andere entiteiten en/of door raadpleging van databanken via internet): integraal milieujaarverslag, milieu-effectrapporten, veiligheidsrapporten, decretale milieu-audits, meldingen van afvoer van afvalstoffen, meetresultaten allerhande… Elke dienst heeft bovendien een beperkte bibliotheek met publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en boeken die het mogelijk maken om de evolutie in de gebruikte technieken en in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving te volgen. Daarnaast gebruiken de toezichthouders steeds meer het elektronisch dossieropvolgingssysteem van MI, waarmee op een eenvoudige manier een overzicht kan bekomen worden van de verschillende documenten die bij MI aanwezig zijn over het betrokken bedrijf. Voor de uitvoering van de inspecties beschikken de toezichthouders van MI over heel wat materieel en over dienstwagens die speciaal werden uitgerust. In elke dienstwagen is een scheidingswand aangebracht zodat propere en mogelijk gecontamineerde items gescheiden kunnen vervoerd worden. Bovendien is elke dienstwagen voorzien van een koelbox, waarmee genomen monsters gekoeld en in het donker kunnen vervoerd worden tussen de plaats van monstername en het laboratorium.


Voor het zelf uitvoeren van metingen op het terrein beschikken de toezichthouders ondermeer over pH- en temperatuurmeters, geluidsmeters, trillingsmeters, radioactiviteitsmeters, gasdetectiemeters en PAK-markers. MI zorgt voor het onderhoud en de ijking van deze toestellen. Om bepaalde situaties vast te leggen is in elke dienstwagen ook een fototoestel aanwezig. Ook voor het uitvoeren van monsternames van water, afval en bodem beschikken de toezichthouders over een grote hoeveelheid materieel. Veel aandacht gaat naar de persoonlijke bescherming van de toezichthouders tijdens de inspecties: hiervoor zijn tal van persoonlijke beschermingsmiddelen, maar ook diverse meettoestellen ter beschikking. Elke toezichthouder beschikt bovendien over een GSM om, indien nodig, dadelijk hulp in te roepen.

In 2010 werd overgegaan tot de vervanging van 2 dienstwagens die aangekocht werden in 1997. De nieuwe dienstwagens werden uitgebouwd volgens de normen van het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen. De uitrusting en aankoop van deze wagens bedroeg 42.000 euro.

Om de goede werking van de afdeling te waarborgen beschikt MI aldus over een aantal kredieten die haar in de mogelijkheid stellen de noodzakelijke aankopen te realiseren en te zorgen dat haar personeelsleden de nodige vormingen kunnen volgen. Overzicht van benutte kredieten Bedrag in euro Vorming personeelsleden

22.493,20

Aankoop van bureelbenodigdheden

24.553,45

Kosten telefonie (vaste telefonie en GSM verkeer)

18.480,00

Aankoop veiligheidskledij

11.406,92

Aankoop documentatie

12.736,38

Specifieke uitgaven eigen aan de afdeling

60.258,00

Aankoop tickets online (NMBS)

13.785,45

Personeel en middelen -

41


42 -

Milieuhandhavingsrapport 2010van de afdeling Milieu-inspectie


Deel 2: Het jaar 2010: cijfers en evaluatie van de uitvoering van het Milieu-inspectieplan

Milieu-inspectieplan 2007

- 43


Algemene cijfers

In dit deel worden de activiteiten van de afdeling voorgesteld in een aantal cijfers. Deze cijfers geven nooit een volledig beeld van de activiteiten van MI, maar kunnen in een aantal gevallen wel een goede aanwijzing zijn voor tendensen of evoluties. Cijfers geven ook basisinformatie voor de planning en evaluatie van het MIP.

Algemene gegevens

Gegevens externe oorsprong

Beschikken over juiste gegevens is essentieel voor een doeltreffende handhaving.

Vergunningen

De basis hiervoor vormt de kennis van de hinderlijke inrichtingen in het Vlaams Gewest en hun milieuvergunningen. De afdeling Milieu-inspectie verzamelt haar gegevens van deze bedrijven in een databank. Deze gegevens vormen de basis om de activiteiten van de afdeling doeltreffend te kunnen plannen.

De afdeling Milieu-inspectie ontvangt een heleboel informatie van buitenaf. Zo krijgt ze een afschrift van alle besluiten aangaande milieuvergunningsaanvragen en bodemsaneringsprojecten.

Overzicht besluiten over klasse 1 bedrijven nieuwe exploitaties

366

hermachtigingen

1152

verandering of uitbreiding

Overzicht van aantal bedrijven klasse 1

24.317

klasse 2

49.519

klasse 3

4.109

niet ingedeeld

3.337

Totaal

751

Totaal

2269

geweigerde vergunningen eerste aanleg

380

definitieve weigeringen

58

proefvergunningen

67

81.282

Overzicht van aantal seveso bedrijven hoge drempel

140

lage drempel

134

Totaal

274

CBS: College van Burgemeester en Schepenen DP: Deputatie van de Provincie MIN: minister RvS: Raad van State

Algemene cijfers

- 45


Klachten

Voorvallen

MI ontvangt elk jaar heel wat milieuklachten. Niet al deze klachten zijn voor MI bestemd. Klachten over klasse 1 bedrijven worden door MI behandeld, evenals klachten over klasse 2 en klasse 3 inrichtingen die zware hinder veroorzaken.

Alle exploitanten hebben bij de uitbating van hun bedrijf de plicht alle nodige maatregelen te treffen om de buurt te beschermen tegen de risico’s voor en de gevolgen van ongevallen. Dat betekent onder andere dat zij de noodzakelijke interventiemiddelen moeten voorzien en bij hinder, schade of gevaar daartoe onmiddellijk alle nodige maatregelen moeten treffen. Eventueel opgetreden verontreiniging moeten zij op verantwoorde wijze ongedaan maken. Ondanks alle mogelijke preventieve maatregelen gebeuren er echter nog steeds onvoorziene emissies die tot hinder kunnen leiden. Soms escaleren deze voorvallen in die mate dat ze schade berokkenen aan de mensen of het milieu in de omgeving van het bedrijf.

Op de website van de afdeling wordt beschreven welke klachten MI wel of niet behandelt (www.lne.be/organisatie/structuur/afdeling-milieu-inspectie/taken). Overzicht klachten per klasse aantal klachten

aantal betrokken bedrijven of locaties

klasse 1

1.516

490

klasse 2

194

128

klasse 3

34

30

niet ingedeelde inrichting totaal

189

111

1.933

759

Overzicht klachten per milieucompartiment* geur

967

geluid

388

exploitatie

279

lucht

207

afval

151

lozing

107

bodem en grondwater

51

mest

27

veiligheid

15

licht

7

totaal aantal klachten

2.199

aantal daarvoor uitgevoerde inspecties

2.580

*Eén klacht kan handelen over meer dan één milieucompartiment

46 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Naast de zorgplicht rust er ook een meldingsplicht op de exploitanten: zij moeten de voorvallen en de genomen maatregelen melden bij de burgemeester en MI. Als er een voorval heeft plaatsgevonden zal MI, als dat relevant is, er zich van vergewissen of inderdaad de nodige gevolgbeperkende maatregelen werden getroffen. Melding van voorvallen aantal meldingen

1261

Kantschriften Het parket stelt via een kantschrift vragen bij een procesverbaal of over de voortgang van de administratiefrechtelijke afhandeling.


Activiteiten MI Ontvangen kantschriften Antwerpen

Inspecties

43

Brugge

7

Brussel

15

Dendermonde

28

Gent

80

Hasselt

157

Ieper

9

Kortrijk

53

Leuven

27

Mechelen

11

Oudenaarde

5

Tongeren

28

Turnhout

12

Veurne

30

Totaal

505

Inspecties op het terrein vormen de basis van het toezicht. Naast de routinecontroles worden een groot deel van de inspecties uitgevoerd in het kader van een gecoördineerd project, na klachten of als voortgangscontrole van een eerder optreden. Het grootste aantal inspecties wordt uitgevoerd tijdens de normale werkuren. Aanvullend wordt er ook ’s avonds, ’s nachts en in het weekend geïnspecteerd, aangezien milieuvervuiling geen ‘nine to five’-aangelegenheid is. Van iedere inspectie wordt een inspectieverslag opgemaakt. Overzicht van het aantal uitgevoerde inspecties en gecontroleerde bedrijven aantal uitgevoerde inspecties

7.194

- 's avonds

2.492

- 's ochtends

1.248

- weekend / feestdagen

Parlementaire vragen

aantal gecontroleerde bedrijven

MI geeft elk jaar heel wat input bij het beantwoorden van diverse vragen vanuit het Vlaams Parlement. Het betreft hierbij schriftelijke vragen, vragen om uitleg en interpellaties. Meestal noodzaken deze vragen niet tot het verrichten van bijkomende inspecties: de dossiers zijn bij MI meestal goed bekend en er is meestal weinig tijd beschikbaar tussen het stellen van de vraag en het meedelen van het antwoord.

Behandelde parlementaire vragen aantal schriftelijke vragen

15

aantal vragen om uitleg

7

11.630

- tijdens de diensturen

696 4.404

Monsternames en metingen Een toezichthouder kan met de eigen zintuigen heel wat vaststellingen doen, maar in veruit de meeste gevallen is het toch noodzakelijk om monsters te nemen voor een correcte en volledige technische vaststelling of om de juiste graad van verontreiniging dan wel eventuele nietconformiteit met de regelgeving te bepalen. Ook in 2010 werden heel wat monsters genomen. Rekening houdend met het feit dat elk monster geanalyseerd wordt op verschillende parameters, betekent dit dat er vele duizenden analyses werden uitgevoerd.

Algemene cijfers

- 47


Overzicht van het aantal monsternames afval

865

bodem

23

grondwater water

juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal uitgevoerde metingen in 2010.

54 2.009

Monsternames afvalwater De routinemonsternames van afvalwater worden steeds op voorhand gepland. MI stelde eind 2009 een planning op voor de in 2010 uit te voeren afvalwatercontroles. Er werd verder gewerkt met een basisfrequentie, zoals in de voorbije jaren. De basisfrequentie is de minimale frequentie waarmee een bedrijf wordt gecontroleerd.

Overzicht van het aantal routinemetingen lucht

135

geluid

25

Controles van koelinstallaties MI controleert jaarlijks de exploitatie van koelinstallaties in bedrijven. Voorkomen en beperken van lekken aan koelinstallaties is belangrijk voor zowel de bescherming van de stratosferische ozonlaag als de bestrijding van het broeikaseffect.

Resultaten afvalwatercontroles gecontroleerde bedrijven

808

- met steekproef

614

- met uitgebreide controle

181

aantal monsters bedrijven één of meermaals in overtreding

2.009 92

Monsternames afvalstoffen, bodem en grondwater Sinds 2007 hanteert de afdeling een richtfrequentietabel waarin wordt vastgelegd waar en hoe dikwijls afvalstoffen worden bemonsterd, rekening houdend met het beschikbare budget. Deze planning omvat bemonsteringen bij afvalproducerende en –verwerkende bedrijven en bij producenten van secundaire grondstoffen. Een gedeelte van het budget wordt voorbehouden voor de bemonstering en analyse van afvalstoffen in niet geplande situaties. Metingen lucht en geluid Net zoals monsternames zijn ook metingen noodzakelijk om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de

48 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Processen-verbaal Een aanvankelijk proces-verbaal wordt opgesteld na de vaststelling van een milieumisdrijf en wordt verstuurd naar de procureur des Konings. In één proces-verbaal kunnen verschillende overtredingen worden opgenomen. Bij het overzicht van de opgestelde processen-verbaal wordt er een onderscheid gemaakt tussen milieumisdrijven en misdrijven tegen andere wetgeving. Binnen het Milieuvergunningsdecreet wordt er verder een onderscheid gemaakt tussen het ontbreken van een (volledige) vergunning en het niet-naleven van de voorwaarden. In de onderstaande tabel is de som van de laatste drie rijen daarom groter dan het getal in de eerste rij. Sinds de prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest op 30 mei 2000 werd goedgekeurd door de bevoegde minister van Justitie en de Vlaamse minister van Leefmilieu (verder prioriteitennota genoemd), en de aangepaste code van goede praktijk voor het proces-verbaal vanaf 1 januari 2001 van kracht werd, kan MI in een proces-verbaal melding maken


van het prioritaire karakter van een milieumisdrijf volgens de criteria die in de prioriteitennota zijn opgenomen. Aanvankelijke processen verbaal Totaal aantal

500

aantal prioritaire processen-verbaal

178

aantal niet-prioritaire processen-verbaal

322

wegens geen of gedeeltelijke vergunning

219

wegens niet naleven voorwaarden

351

andere wetgevingen

62

Naast de aanvankelijke processen-verbaal worden ook heel wat navolgende processen-verbaal opgesteld. Daarmee worden aanvullende inlichtingen over een aanvankelijk proces-verbaal aan de procureur des Konings bezorgd. Dat gebeurt op eigen initiatief van MI of na een kantschrift van het parket. Zo worden gegevens verstrekt over de administratiefrechtelijke voortgangscontrole door MI, wordt een verklaring van de strafrechtelijk verantwoordelijke van het bedrijf doorgestuurd of wordt gemeld dat feiten opnieuw werden vastgesteld. Als het bedrijf na een aanmaning van MI aan alle voorschriften voldoet, wordt dat eveneens gemeld. Navolgende processen verbaal Totaal aantal

553

Raadgevingen en aanmaningen Als MI bij een inspectie geen milieumisdrijven en/of -inbreuken vaststelt maar aanwijzingen heeft dat er in de toekomst wel een overtreding kan ontstaan, bijvoorbeeld omdat nieuwe of aangepaste wetgeving in voege zal treden of omdat de toezichthoudende ambtenaren vanuit hun expertise oordelen dat installaties zouden kunnen falen, dan kan een raadgeving aan de exploitant worden verstuurd om er voor te zorgen dat conformiteit met de wetgeving continu wordt verzekerd. Stelt MI evenwel milieumisdrijven en/of -inbreuken vast, dan wordt de exploitant steeds aangemaand om de toestand te saneren en om alle toepasselijke bepalingen in wetten, decreten, besluiten en vergunningen na te leven. Gewoonlijk volstaat een aanmaning om te komen tot de nodige saneringen. Een aanmaning bestaat in de meeste gevallen uit verschillende deelaanmaningen, die tegen verschillende data moeten uitgevoerd worden. Pas als alle deelaanmaningen zijn uitgevoerd, registreert MI dat de sanering is uitgevoerd. Raadgevingen en aanmaningen zonder proces verbaal

964

gesaneerd

1.164

na proces verbaal

416

gesaneerd

373

Maatregelen

Bestuurlijke maatregelen

Op 1 mei 2009 trad het nieuwe handhavingsdecreet in werking. Dit heeft een belangrijke invloed op de manier waarop de afdeling Milieu-inspectie dossiers aanpakt die na een aanmaning een verdere aanpak vragen.

Met de inwerkingtreding van het nieuwe milieuhandhavingsdecreet kunnen de toezichthouders van de afdeling Milieu-inspectie bestuurlijke maatregelen opleggen wanneer zij een milieumisdrijf of een milieu-inbreuk vaststellen.

Algemene cijfers

- 49


Voorstellen tot schorsing en/of opheffing vergunning

Overzicht bestuurlijke maatregelen Bevel tot staking

17

Bevel tot regularisatie

37

Bestuursdwang

1

Combinatie van bovenstaande bestuurlijke maatregelen

3

Veiligheidsmaatregelen Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de toezichthouders alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. Ook de veiligheidsmaatregel is een nieuw instrument dat sinds 1 mei 2009 ter beschikking staat van de toezichthouder. Overzicht veiligheidsmaatregelen

50 -

De stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn

2

Een verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt

0

De gehele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting

0

Het nemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren

0

Het niet betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen

0

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Als een exploitant de bepalingen van het Milieuvergunningendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft, kan de bevoegde overheid de vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen, alsook de vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen. Dat alles kan gebeuren op voorstel van een toezichthouder. Voorstellen tot schorsing of opheffing van de vergunning Aantal voorstellen

2

Aantal geschorst

0

Aantal nog in behandeling

2

Aantal niet ingewilligd

0


Algemene cijfers

- 51


52 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Resultaten MIP + evaluaties per thema

Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging De GPBV-richtlijn (96/61/EG, in 2008 vervangen door de gecodificeerde versie 2008/1/EG) wil een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu bereiken via ‘geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging’ (GPBV) bij de potentieel meest verontreinigende installaties. Het gaat hierbij zowel om zware industrie zoals productie van elektriciteit, afvalverbranding, ferro- en non-ferro-industrie en chemische industrie als om grote varkens- en kippenkwekerijen. Cruciaal voor het halen van de doelstelling is de rol van de milieuvergunning: die moet alle milieucompartimenten integreren, gericht zijn op preventie en gebaseerd zijn op de beste beschikbare technieken (BBT) zoals vooropgesteld in de sectorale Europese BREF-onderzoeken (BAT Reference Documents). De lidstaten moesten de richtlijn uiterlijk tegen eind oktober 1999 toepassen voor nieuwe GPBV-installaties en tegen eind oktober 2007 voor bestaande. Dit betekent concreet dat de vergunningverlenende overheid voor eind oktober 2007 alle milieuvergunningen van GPBV-installaties moest toetsen aan de GPBV-richtlijn en de BREF-onderzoeken en, indien nodig, aanpassen. Bovendien moesten alle GPBV-bedrijven tegen die datum hun GPBV-installaties exploiteren volgens de bepalingen van de GPBV-richtlijn en het relevante BREF-onderzoek. MI moet hierop toezien.

Uitvoering van GPBV-controles MI vulde deze taak in door meerdaagse diepgaande geïntegreerde controles uit te voeren, de zogenaamde GPBVcontroles. In tegenstelling tot de traditionele aanpak bij mono- of multidisciplinaire controles worden bij deze controles alle milieucompartimenten tegelijk in aanmerking genomen en leggen de toezichthouders naast de klassieke aanpak van de bestrijding van verontreiniging een nieuwe klemtoon op preventie. Bovendien worden tijdens een GPBV-controle naast de gangbare thema’s ook nieuwe items aangesneden. Voorbeelden hiervan zijn de controles van het milieuzorgsysteem en van het rationeel gebruik van grondstoffen en energie en de toetsing aan milieukwaliteitsdoelstellingen. Uiteraard staat ook de BBT-toets aan het BREFonderzoek bij deze controle op het programma. Sinds 2004 voert MI GPBV-controles uit, in eerste instantie bij chemiebedrijven. In 2006 werd een handleiding voor GPBV-controles bij galvanobedrijven opgesteld en werden ook galvanobedrijven gecontroleerd. In 2007 onderzocht MI de haalbaarheid en opportuniteit van GPBVcontroles bij landbouwbedrijven. Dit resulteerde in een aangepaste handleiding en de start van deze controles in 2008. Vanwege het grote verschil tussen enerzijds de industriële GPBV-bedrijven en anderzijds de GPBV-landbouwbedrijven, worden de controles gecoördineerd door 2 aparte werkgroepen. In 2010 voerde MI 4 GPBV-controles bij chemiebedrijven uit, 6 bij galvanobedrijven en 23 bij landbouwbedrijven

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 53


(waarvan 9 bij varkensbedrijven en 14 bij kippenbedrijven). Daarnaast werden GPBV-deelcontroles uitgevoerd bij twee chemiebedrijven. Tijdens de deelcontroles ging de aandacht naar het aspect lucht- en wateremissies.

MI was op verschillende niveaus actief betrokken bij de besprekingen die hebben geleid tot de teksten voor de nieuwe richtlijn en leverde een grote bijdrage.

Deze controles resulteerden in 9 processen-verbaal, 30 aanmaningen en 6 raadgevingen. Er werden geen vragen gesteld aan de collega’s van de afdeling Milieuvergunningen tot aanvulling of aanpassing van de vergunningsvoorwaarden. De toezichthouders stelden van elke controle een uitgebreid evaluatieverslag op.

Opstellen van een GPBV-handhavingssysteem

Herziening van de GPBV-richtlijn De Europese Commissie startte in 2005 met de herziening van de GPBV-richtlijn. Zij stelde daarbij onder meer vast dat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten bij de naleving van de wetgeving en dat deze leiden tot een suboptimaal milieubeschermingsniveau en een verstoring van de interne markt. De herziening resulteerde op 24 november 2010 in een nieuwe Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)”. Dit voorstel herwerkt en integreert zeven bestaande richtlijnen: de GPBV-richtlijn, de richtlijn grote stookinstallaties, de richtlijn afvalverbranding, de richtlijn solventemissies en drie richtlijnen over titaandioxide. De nieuwe richtlijn moet leiden tot beduidende voordelen voor het leefmilieu en voor de menselijke gezondheid doordat schadelijke industriële emissies gereduceerd worden, voornamelijk door een betere toepassing van de beste beschikbare technieken. Voorts voert de richtlijn nieuwe verplichtingen in voor de controle van GPBV-bedrijven: alle lidstaten moeten een systeem van milieu-inspecties opzetten. Er moet voor alle GPBV-installaties een inspectieplan zijn en op basis van deze plannen moet een inspectieprogramma opgesteld worden. Het voorstel bevat daarbij ook bepalingen inzake de minimale inspectiefrequentie bij GPBV-installaties, de verplichting tot het uitvoeren van routine-inspecties en niet-routine-inspecties en de bekendmaking van de resultaten van uitgevoerde milieuinspecties. De Europese lidstaten krijgen tot 7 januari 2013 de tijd om de bepalingen van de nieuwe richtlijn op te nemen in hun nationale regelgeving.

54 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Om tijdig tegemoet te komen aan de eisen die de nieuwe richtlijn aan de lidstaten oplegt in verband met het opstellen van een inspectieplan, startte MI al in 2009 met het opzetten van een planmatig en gecoördineerd toezichts- en handhavingssysteem voor GPBV-bedrijven in het Vlaamse Gewest. Artikel 23 van de richtlijn bepaalt dat daarbij ‘het volledige spectrum van relevante milieueffecten’ moet worden onderzocht. In 2009 gaf MI de opdracht aan VITO om per rubriek van GPBV-bedrijven de relevante milieuaspecten te identificeren en te waarderen. De bruikbaarheid van de resultaten van dit onderzoek voor het opstellen van een milieuinspectieprogramma voor GPBV-bedrijven zal worden onderzocht. Een milieu-inspectieprogramma moet onder meer de frequentie vastleggen waarmee de GPBV-installaties zullen worden bezocht. De periode tussen twee inspectiebezoeken moet worden gebaseerd op een systematische evaluatie van de milieurisico’s van de betrokken installaties. De richtlijn bepaalt dat die periode voor installaties die de grootste risico’s inhouden maximaal één jaar mag bedragen, voor andere installaties maximaal drie jaar.

Water De werkgroep Water binnen MI bundelt de handhavingsexpertise in verband met afvalwater. In 2010 ging de aandacht, naast de klassieke routinemonsternames, voornamelijk naar de controle van de lozing van diverse gevaarlijke stoffen, de lozingen van grote voedingsbedrijven en de controle van de controle-inrichtingen voor het lozen van afvalwater. De werkgroep vernieuwde de interne procedure met betrekking tot de beoordeling van gevaarlijke stoffen in de lozing van bedrijfsafvalwater naar aanleiding van een grondige wijziging van bijlage 2.3.1. van Vlarem II. In artikel 3 van bijlage 2.3.1. is een uitgebreide lijst van ge-


vaarlijke stoffen opgenomen waar naast een gemiddelde en een maximumkwaliteitsnorm, een indelingscriterium gevaarlijke stof is opgenomen. Het indelingscriterium gevaarlijke stof (IGS) heeft betrekking op het lozen van bedrijfsafvalwater. Conform de Europese en Vlaamse wetgeving is aangeduid welke van deze gevaarlijke stoffen als verontreinigend, prioritair en prioritair gevaarlijk moeten worden beschouwd. De interne onderrichting bundelt voor elke gevaarlijke stof de wettelijke waarden zoals de rapportagegrens, het indelingscriterium gevaarlijke stoffen en de meetfout. Op basis van deze gegevens en de bijhorende wettelijke bepalingen wordt er dan een wijze van handhaven vooropgesteld voor de verschillende situaties die in de praktijk voorkomen. De nieuwe onderrichting wordt toegepast vanaf het in werking treden van deze nieuwe wetgeving, voorzien in januari 2011.

Lozing van gevaarlijke stoffen Bij de lozing van bedrijfsafvalwater worden stoffen als gevaarlijke stoffen beschouwd als ze behoren tot de stoffen of de families en groepen van stoffen vermeld in bijlage 2C van Vlarem I (= de zwarte en grijze lijst stoffen én de prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid). Worden ook als gevaarlijk beschouwd: andere stoffen met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, de flora of de fauna; of voor lozing in oppervlaktewater: stoffen die eutrofiëring van de ontvangende wateren kunnen veroorzaken. In 2010 werden meetcampagnes uitgevoerd voor de broomhoudende vlamvertragers, de perfluortensiden, de dioxinen,de furanen, de dioxine-achtige pcb’s, de indicator pcb’s en de fenolen. Voor de resultaten van de broomhoudende vlamvertragers verwijzen we naar deel 3.

Perfluortensiden Perfluortensiden, waarvan PFOA (perfluoroctaanzuur) en PFOS (perfluoroctaansulfonaat) de meest toxische zijn, zijn wijdverspreide verbindingen met tal van toepassingen. Het zijn chemisch heel stabiele verbindingen met een groot aantal nuttige eigenschappen. Ze zijn tegelijkertijd water-, vuil- en vetafstotend en hebben antistatische eigenschappen. Hun oppervlakteactieve eigenschappen maken ze geschikt als uitvloeier voor bijvoorbeeld pesticiden en als brandbestrijdingsmiddel.

Daarom worden deze verbindingen gebruikt in de textiel-, papier- en verfindustrie, de metaaloppervlaktebehandeling, de brandbestrijding, de fotografische industrie en vele andere. Perfluortensiden zijn echter ook moeilijk afbreekbare verbindingen, stapelen zich op in weefsels van organismen en zijn schadelijk voor het milieu. De ecotoxiciteit ervan wordt nog steeds onderzocht. Ondanks de gekende gevaarlijke eigenschappen werden perfluortensiden nog niet opgenomen in de nieuwe bijlage 2.3.1. van Vlarem II “Basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater” zoals die op 9 juli 2010 werd gepubliceerd in het Belgische staatsblad. Voor textielbedrijven geldt er sinds 1 maart 2009 een sectorale lozingsnorm voor de stoffen PFOA, PFOS en de som van de overige PFT’s. De rapportagegrens, de waarde beneden welke een component als niet kwantificeerbaar (’<’) wordt gerapporteerd, is voor de organofluorverbindingen sinds 2008 vastgesteld op 100 ng/l. Onder organofluorverbindingen worden – overeenkomstig bijlage 4.2.5.2 van Vlarem II – volgende stoffen gerekend: nonafluorpentaanzuur (PFPA), undecafluorhexaanzuur (PFHxA), tridecafluorheptaanzuur (FHpA), pentadecafluoroctaanzuur (PFOA), heptadecafluornonaanzuur (PFNA), nonadecafluordecaanzuur (PFDA), perfluorundecaanzuur (PFUnA), perfluordodecaanzuur (PFDoA), nonafluorbutaansulfonzuur (PFBS), tridecafluorhexaansulfonzuur (PFHxS), heptadecafluoroctaansulfonzuur (PFOS), perfluordecaansulfonzuur (PFDS) en perfluoroctaansulfonamide (PFOSA). In 2010 nam MI 64 afvalwatermonsters voor de analyse van perfluortensiden bij 41 bedrijven verspreid over twee meetcampagnes. Rekening houdend met de rapportagegrens stelde MI vast dat in bijna alle monsters 1 of meerdere parameters aanwezig waren. In 12 afvalwatermonsters werd voor minstens 1 parameter een concentratie van meer dan 20 μg/l gemeten. De verhoogde waarden werden aangetroffen in het afvalwater van sommige afvalverwerkende bedrijven, textielbedrijven en chromeerders. De meeste bedrijven hebben ondertussen een aangepaste vergunning met normen voor organofluorverbindingen of vragen een norm aan. Bijkomend rapporteerde het referentielaboratorium voor een aantal andere perfluortensiden zoals perfluorbutaanzuur (PFBA), perfluortridecaanzuur (PFTrDA), perfluortetradecaanzuur (PFTeDA) en perfluorhexadecaanzuur (PFTHxDA) indicatieve analysewaarden. Deze analysewaarden waren niet meegenomen bij de beoordeling van de resultaten maar geven aan dat er mogelijk hoge concentraties aan PFBA in het afvalwater van een aantal bedrijven aanwezig is.

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 55


Dioxinen, furanen en dioxine-achtige pcb’s en indicator pcb’s Bij de omzetting van de Europese richtlijn ‘afvalverbranding’ kwamen er in Vlarem II diverse nieuwe bepalingen over de lozing van afvalwater van de rookgasreiniging van afvalverbrandingsinstallaties. Die bepalingen werden voor bestaande installaties eind 2005 van kracht. In 2010 werd de campagne, die sinds 2005 loopt en in 2008 uitgebreid werd met de dioxine-achtige- en de indicator-pcb’s, verdergezet. MI liet 24 afvalwatermonsters analyseren van afvalverbrandingsinstallaties, afvalverwerkende bedrijven, shredders en enkele installaties waar de stoffen in het productieproces kunnen ontstaan. 22 van de gemeten concentraties voor dioxinen en furanen lagen onder de waarde van 0,3 ng TEQ/l. De hoogste concentraties nl. 0,39 en 0,25 ng TEQ/l werd gemeten in het afvalwater van een productieplant en waren waarschijnlijk te wijten aan het niet onder controle houden van de productieomstandigheden. De gemeten concentraties voor dioxine-achtige pcb’s varieerden van niet-detecteerbaar tot 0,063 ng TEQ/l. Bij 6 monsters werd een concentratie aan pcb’s van 100 ng TEQ/l of meer vastgesteld. De hoogste waarden aan dioxine-achtige pcb’s en indicatorpcb’s werden gemeten bij schroothandelaars/verwerkers. Eén van de belangrijkste lozers, een verwerker van schroot, is uiteindelijk gestart met de bouw van een waterzuiveringsinstallatie.

Fenolen MI analyseert jaarlijks gemiddeld 250 monsters op de aanwezigheid van fenolen. Meestal gaat het om bedrijven die reeds een lozingsnorm hebben voor de ganse groep van fenolen. In 2010 werd er gekozen om het bedrijfsafvalwater bij een ruimere groep van bedrijven te controleren. In totaal werden 580 monsters gecontroleerd op de aanwezigheid van fenol, chloorfenol, cresol, dimethylfenol, ethylfenol, nonylfenolen, bisfenol A, di-chloorfenol, 4-chloor-3,5-dimethylfenol, trichloorfenol, tetrachloorfenol en pentachloorfenol (zie uitgebreide lijst in bijlage 4.2.5.2. van Vlarem II). De ecotoxiciteit van de parame-

56 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

ters binnen de groep van fenolen is sterk uiteenlopend. De gechloreerde fenolen zijn het meest toxisch terwijl fenol en andere niet-gechloreerde alkylfenolen in lage concentraties niet als toxisch voor het aquatische milieu moeten worden beschouwd. Octyl- en nonylfenolen worden overeenkomstig lijst III van bijlage 2C gerekend bij de prioritaire gevaarlijke stoffen. MI toetste de meetresultaten aan de geldende wetgeving, maar hield in haar activiteiten voor de bedrijven al rekening met de nieuwe bijlage 2.3.1. die pas in 2011 van kracht zal worden. Bijkomend aan de analyse op nonylfenolen werden de afvalwatermonsters ook gecontroleerd op de aanwezigheid van octylfenolen. Beide stoffen zijn bekend als de afbraakproducten van de alkylfenolethoxylaten en behoren tot de groep van niet-ionogene oppervlakteactieve stoffen. Deze stoffen werden in grote hoeveelheden gebruikt en de afbraakproducten van deze stoffen hopen zich nu op in het milieu. Daarnaast wordt nonylfenol verdacht van eigenschappen die de hormoonhuishouding van mens en dier verstoren. De nieuwe bijlage 2.3.1. van Vlarem II stelt dat het geloosde bedrijfsafvalwater als gevaarlijk wordt beschouwd vanaf een concentratie aan nonylfenol hoger dan 0.3 µg/l. Voor octylfenol mag de concentratie in het geloosde bedrijfsafvalwater niet hoger zijn dan 0.1 µg/l tenzij opgenomen in de milieuvergunning. Voor de gechloreerde fenolen werd er door MI actie ondernomen bij een concentratie groter dan 20 µg/l per individuele parameter, tenzij het bedrijf vergund was. Voor fenol en de nietgechloreerde alkylfenolen werd er slechts opgetreden als het bedrijf een lozingsnorm had en hieraan niet werd voldaan of wanneer de teruggevonden concentratie zeer hoog was. 17 controles gaven aanleiding tot het ondernemen van een actie door MI d.m.v. een raadgeving (3), een aanmaning (5), een proces-verbaal met aanmaning (8) en een proces-verbaal met bestuurlijke maatregel (1). In de loop van 2010 is gebleken dat de analysemethode voor octylfenolen en nonylfenolen in afvalwater moest worden bijgesteld. MI heeft er dan ook voor geopteerd om de resultaten met de nodige voorzichtigheid te behandelen. In sommige gevallen heeft MI het bedrijf wel ingelicht over de teruggevonden concentraties. In 2011 zal MI


de bedrijven waar een verhoogde concentratie aan nonylfenolen en octylfenolen werd aangetroffen, d.w.z. 1 op de 3 gecontroleerde bedrijven, opnieuw controleren van zodra de analysetechniek op punt staat.

Voedingsbedrijven onder Richtlijn 91/271/EEG De Europese Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater legt ook een aantal eisen op aan de lozingen van bepaalde bedrijven (vnl. voedingsbedrijven en bedrijven uit aanverwante sectoren). Deze verplichtingen werden omgezet in artikel 5.3.2.1 van Vlarem II. Voor de controle van deze bepalingen startte MI in 2001 met de inventarisatie van die bedrijven en voerde ze bij de bedrijven in kwestie extra controles uit in het kader van de routinemonsternames. Die controles werden daarna verder uitgediept en gecoördineerd. In het kader van deze actie nam MI in 2010 bij de 85 betrokken bedrijven niet minder dan 229 afvalwatermonsters. Deze monsters werden gespreid over het ganse jaar genomen, zodat er ook een goede controle is van de bedrijven met een seizoensgebonden activiteit (onder meer heel wat groenteverwerkers). In 2010 voldeed 82% van de voedingsbedrijven aan de lozingsvoorwaarden bij de laatste monstername. In vergelijking met de vorige jaren betekent dit dat er globaal gezien geen verbetering meer is. Tijdens het eerste jaar (2001) voldeed 64% van de voedingsbedrijven aan de lozingsnormen. In 2002 zakte dat percentage tot 57%, waarschijnlijk mede door de intensievere controle. Het percentage steeg echter tot 78% in 2003 en bleef daarna rond deze waarde schommelen. Voortgangscontroles blijven nodig en moeten een aantal exploitanten ertoe aanzetten de waterzuivering optimaal te gebruiken en te onderhouden. Deze vaststellingen moeten wel enigszins genuanceerd worden. Ondertussen hebben deze bedrijven hun waterzuivering aangepast en gaat het vaak slechts over één parameter die overschreden wordt, waar dit vroeger over verschillende parameters ging en de oorzaak van de overschrijdingen vaak structureel was. MI verbaliseerde de overschrijdingen van de lozingsnormen en verstuurde de nodige aanmaningen zodat de noodzakelijke saneringen binnen een redelijke termijn verder worden uitgevoerd.

Controle van de controle-inrichtingen voor het lozen van bedrijfsafvalwater De Vlaremwetgeving legt op dat, vanaf een vastgesteld debiet, het bedrijfsafvalwater moet worden geloosd via een controle-inrichting. Bij lozingen van meer dan 2 m3/ dag, 50 m3/maand of 500m3/jaar is een controle-inrichting nodig die toelaat om een schepstaal te nemen. Vanaf 2m3/u of 20 m3/dag moet de controle-inrichting bij voorkeur bestaan uit een meetgoot. De voorwaarden waaraan deze meetgoot moet voldoen zijn beschreven in de Vlaremwetgeving. Vanaf een debiet van 50 m3/u voor het lozen van afvalwater met gevaarlijke stoffen en vanaf een debiet van 100m3/u voor het lozen van afvalwater zonder gevaarlijke stoffen moet er naast de meetinrichting ook debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur worden voorzien. De hele controle-inrichting dient te voldoen aan een aantal eisen wat betreft bouw en exploitatie, veiligheid en toegankelijkheid en aan enkele administratieve vereisten. Jaarlijks neemt MI bij een 900-tal bedrijven 1 of meerdere afvalwatermonsters. Bij minstens een kwart hiervan werd in 2010 aan de hand van een checklist nagegaan in hoeverre de controle-inrichting aan alle Vlaremvoorwaarden voldeed. Belangrijk hierbij was de veiligheid voor de toezichthouder. Elke situatie moest apart gecontroleerd worden op veiligheid. De checklist reikte hiervoor enkele basisvragen aan. Een 10-tal bedrijven werden aangemaand of geverbaliseerd om de constructie veiliger te maken en de nodige wijzigingen aan te brengen om de controle-inrichting in overeenstemming te brengen met de voorwaarden van de Vlaremwetgeving.

Controles op vraag van VMM Al een aantal jaren bezorgt VMM aan MI een lijst van mogelijke probleembedrijven. MI selecteerde hieruit de bedrijven met opmerkingen over de controle-inrichting en/of met opmerkingen over de naleving van de lozingsvoorwaarden en/of met opmerkingen over de negatieve impact van het geloosde afvalwater op het ontvangende oppervlaktewater. In 2010 werden bij 69 bedrijven extra controles uitgevoerd door middel van 1 of meerdere schepmonsters of door middel van een meerdaagse meetcampagne of door een controle ter plaatse samen met VMM. De voortgang van deze controles werd besproken in halfjaarlijks overleg met VMM in elke buitendienst van MI.

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 57


Bij het vaststellen van een inbreuk en/of misdrijf werden de bedrijven aangemaand om de nodige maatregelen te nemen en stelde MI de nodige processen-verbaal op. MI volgt de sanering van deze bedrijven verder op.

Lucht In het milieuthema lucht wordt er onderscheid gemaakt tussen drie types emissies naar de lucht naargelang de wijze waarop deze emissies gebeuren: geleide, diffuse en fugitieve emissies. Bedrijven lozen stoffen in de lucht die ontstaan tijdens verbrandingsprocessen of productieprocessen. Die verbrandingsgassen of procesgassen worden opgevangen en via leidingen naar een zuiveringsinstallatie gestuurd. De uitstoot naar de lucht gebeurt via welgekende punten zoals een schoorsteen. Dit worden geleide emissies genoemd. Daarnaast kunnen heel wat polluenten naar de lucht ontsnappen zonder een welgekend en goed beheerd emissiepunt te passeren, denk maar aan opwaaiend materiaal van opslaghopen of stuivende componenten die ontstaan bij mechanische verkleiningsprocessen. Deze emissies via ongecontroleerde verplaatsing door de lucht worden diffuus genoemd. Het gaat hierbij voornamelijk om (fijn) stof en polluenten die vastzitten op dat stof o.a. zware metalen, dioxinen en furanen, pcb’s, … Fugitieve emisies ten slotte zijn emissies die de lucht ingaan via ongewilde vervluchtiging. Het gaat hierbij dus om stoffen met een lage dampspanning, de Vluchtige Organische Stoffen (VOS). Ze ontsnappen bij activiteiten die solventen gebruiken, uit pompen, flenzen, verbindingsstukken … van leidingen in productieprocessen met VOS, bij het overtanken van bv. benzine van een schip naar een opslagtank en verder naar een tankwagen en in benzinestations aan de pomp. Het gedeelte ‘Lucht’ van dit milieuhandhavingsrapport geeft de resultaten van de acties van MI in 2010 voor de drie types emissies. Het milieuthema lucht hecht verder bijzondere aandacht aan emissies die hinderlijke geuren veroorzaken. Een laatste deel onder het gedeelte ‘Lucht’ van dit rapport geeft aan welke acties MI in 2010 ondernam om onaanvaardbare geurhinder te bestrijden. Tenslotte besteedt het milieuthema lucht ook aandacht aan mondiale luchtgerelateerde problemen nl. het gat in de ozonlaag en de opwarming van de aarde.

58 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Geleide emissies Routine-emissiemetingen lucht In september 2008 sloot MI een contract af met een laboratorium erkend in de discipline lucht voor het uitvoeren van emissiemetingen op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties. Deze opdracht bestaat uit 2 percelen. Perceel I is specifiek gericht op de uitvoering van emissiemetingen bij installaties met een potentieel beduidende dioxine-uitstoot. Perceel II omvat 4 type-metingen met elk een eigen, aangepast parameterpakket. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de parameters die in deze pakketten zijn opgenomen. Op vraag van MI kunnen desgewenst per pakket extra parameters worden gemeten. Bij iedere meting worden de referentieparameters rookgasdebiet, temperatuur, druk, O2-gehalte, CO2-gehalte en H2O-gehalte bepaald. Overzicht van mogelijke emissiemetingen Perceel I

Verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de afgassen een significante hoeveelheid dioxinen aanwezig is

post 1

- stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, TOC, Hg - zware metalen in de stoffractie - zware metalen in gasvormige toestand - dioxinen en furanen

post 2

- stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, TOC, Hg - dioxinen en furanen

Perceel II

Verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de afgassen geen significante hoeveelheid dioxinen aanwezig is

post 1

grote verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties - stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, TOC, Hg - zware metalen in de stoffractie - zware metalen in gasvormige toestand

post 2

installaties met potentieel significante emissies van verzurende verbindingen - stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, TOC

post 3

verbrandingsinstallaties gevoed met biomassa en naverbrandingsinstallaties - stof, CO, SO2, NOx, HCl, TOC

Post 4

installaties met potentieel significante emissies van vluchtige organische stoffen - TOC - aromatische koolwaterstoffen - ketonen - esters - alifatische halogeenkoolwaterstoffen

Het contract wordt afgesloten voor een periode van één jaar met de mogelijkheid om deze opdracht aaneensluitend drie keer met één jaar te verlengen. Het afsluiten van een dergelijk contract biedt MI de mogelijkheid om op eenvoudig verzoek emissiemetingen uit te voeren daar waar zij dit nodig acht. Hierdoor kan bovendien snel en gevat worden gereageerd op acute situaties. Volgende tabel geeft een overzicht van het aantal emissiemetingen dat MI in het kader van dit contract in 2010


heeft laten uitvoeren. In navolging van de voorgaande jaren is in 2010 opnieuw bijzondere aandacht gegaan naar de uitstoot van biomassa- afvalverbrandingsinstallaties. Er werden bij 31 dergelijke installaties metingen uitgevoerd. Daarnaast werd ook bijzondere aandacht geschonken aan de sector van de steenbakkerijen en de asfaltbetoncentrales. Vanaf 1 januari 2010 zijn immers nieuwe sectorale emissiegrenswaarden van toepassing voor inrichtingen die keramische producten vervaardigen. Verder werden ook nog emissiemetingen uitgevoerd bij ferro- en non-ferrobedrijven, shredders, crematoria, chemiebedrijven, elektriciteitscentrales en afvalverbrandingsinstallaties. Overzicht van het aantal luchtemissiemetingen Perceel I (met dioxinemetingen)

40

Perceel II

85

Totaal

125

Onderstaande tabel geeft voor de belangrijkste parameters een overzicht van het aantal beduidende overschrijdingen van de emissiegrenswaarden dat bij het uitvoeren van deze emissiemetingen in 2010 werd vastgesteld. Er werden voornamelijk overschrijdingen van de emissiegrenswaarden voor de parameters stof, koolwaterstoffen, CO, dioxinen en furanen, HF en zware metalen genoteerd. Overzicht van het aantal overschrijdingen van de emissiegrenswaarden per verontreinigende stof Parameter

Perceel I

Perceel II

Totaal

stof

4

4

8

CO

5

3

8

SO2

0

3

3

NOx

0

2

2

koolwaterstoffen

0

8

8

HCl

4

1

5

HF

0

7

7

zware metalen

5

0

5

Hg

0

0

0

dioxinen en furanen

8

-

8

Bij installaties waar op basis van de resultaten van de emissiemetingen werd vastgesteld dat de emissiegrenswaarden niet werden nageleefd, stelde MI een procesverbaal op en werden de nodige aanmaningen gegeven om maatregelen te nemen zodat opnieuw wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden. Indien MI vaststelt dat de emissiegrenswaarden in belangrijke mate of herhaalde-

lijk worden overschreden, dan wordt sinds mei 2009 overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel (regularisatiebevel of stakingsbevel). In enkele gevallen werd zelfs de werking van een installatie vrijwillig of gedwongen stopgezet. Controle op de zelfcontrole lucht De controle van de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht is hoofdzakelijk gebaseerd op de uitvoering van het Vlarem II-programma inzake zelfcontrole. Dit kan, naargelang het geval, bestaan uit continue metingen met vast opgestelde meetapparatuur, puntmetingen door een erkend laboratorium of door het bedrijf zelf of door het toepassen van een aantal alternatieve bepalingswijzen (berekeningen, massabalansen, â&#x20AC;Ś). De praktijk wijst uit dat een geregelde controle van deze zelfcontrole belangrijk is om de bedrijven ertoe aan te zetten hun emissies met de vereiste frequentie en de vereiste nauwkeurigheid te blijven bepalen. In overeenstemming met het compendium lucht wordt bij de schouwen met een diameter groter dan 1,1 meter nagegaan of er een homogeniteitsbepaling is gebeurd in het geval ĂŠĂŠnpuntsmetingen worden uitgevoerd voor gasvormige componenten. MI voerde in 2010 de controle van de zelfcontrole lucht uit bij biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties en spaanplaatbedrijven (112), steenbakkerijen (23), crematoria (10), gieterijen en smelterijen (19), asfaltcentrales (17) en elektriciteitscentrales (11). In het kader van deze handhavingsactie stelde MI 3 processen-verbaal op en gaf ze 1 aanmaning. Emissiemetingen bij biomassa-afvalverbrandingsinstallaties MI heeft tijdens de meetcampagnes, uitgevoerd in de periode 2006-2009 bij biomassa-afvalverbrandingsinstallaties, heel wat overschrijdingen van de emissiegrenswaarden en het niet-naleven van de zelfcontrolemeetverplichtingen vastgesteld. In de winter 2009-2010 heeft MI opnieuw een meetcampagne laten uitvoeren door een erkend laboratorium in de discipline lucht en dit bij 31 installaties, rekening houdend met een in 2010 geactualiseerde interne onderrichting. Simultaan met de luchtemissiemetingen werd telkens een houtafvalmonster geanalyseerd en controleerde MI of de exploitanten van deze installaties de zelfcontroleverplichtingen nageleefd hadden.

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 59


MI stelde bij 18 van de 31 installaties (58 %) vast dat de emissiegrenswaarde voor één of meerdere parameters werd overschreden. Het grootste aantal overschrijdingen werd vastgesteld voor de parameters dioxinen (5), CO (7) en stof (7). Ook voor de parameters HCl (3) en SO2 (1) werd bij een aantal installaties de emissiegrenswaarde overschreden. Voor de 3 installaties waar een emissiegrenswaarde voor zware metalen van toepassing is, werd bij 1 installatie een overschrijding vastgesteld. De resultaten van de meetcampagne tonen aan dat bij 15 installaties (48 %) houtafval werd verbrand dat niet voldeed aan de samenstellingscriteria van art.5.2.3bis.4.14.§1 van Vlarem II voor niet verontreinigd behandeld houtafval. Bij 8 van de 31 installaties (26 %) werden er ofwel geen, ofwel onvolledige ofwel niet het vereiste aantal zelfcontrolemetingen op de rookgasemissies uitgevoerd.

gevelstenen of kleikorrels produceren, werd een overschrijding vastgesteld van de sectorale emissiegrenswaarde voor de parameter HF, hoewel de meeste van deze bedrijven over een rookgasreinigingsinstallatie met fluorschrubber beschikken.. 2 steenbakkerijen overschreden de sectorale emissiegrenswaarde voor de parameter SOx; 1 bedrijf overschreed de sectorale emissiegrenswaarde voor de parameter HCl. Dit was ook het geval voor de parameter stof. Wat de parameters CO en VOS betreft, werd geen enkele overschrijding van de sectorale emissiegrenswaarde vastgesteld.

In het kader van deze handhavingsactie stelde MI 18 processen-verbaal op en legde MI bij 5 bedrijven een bestuurlijke maatregel op (regularisatiebevel of stakingsbevel). MI zal deze handhavingsactie verderzetten in 2010-2011. Een globale evaluatie van de afgelopen 4 jaar levert een zorgwekkend beeld op van de emissiesituatie van deze installaties. Hierover leest u meer in de casus ‘biomassa-afvalverbrandingsinstallaties’ in dit rapport.

Deze handhavingsactie toonde aan dat nagenoeg de helft van de steenbakkerijen onder normale werkomstandigheden niet voldoet aan sectorale emissiegrenswaarden die sinds 1 januari 2010 van toepassing zijn. Verdere actie is dus wenselijk: deze handhavingscampagne daarom opgenomen in het MIP2011.

Emissiemetingen bij steenbakkerijen Vanaf 1 januari 2010 zijn nieuwe sectorale emissiegrenswaarden van toepassing voor inrichtingen die keramische producten vervaardigen. Tot deze sector behoren onder meer de steenbakkerijen. Deze wijziging betekent voor de steenbakkerijen een aanzienlijke verstrenging van een aantal emissiegrenswaarden. Omdat een aantal steenbakkerijen in het verleden reeds problemen kende om aan alle emissiegrenswaarden te voldoen, wordt de sector van de steenbakkerijen al jaren van nabij opgevolgd door MI. Bij een aantal steenbakkerijen werden maatregelen genomen om te kunnen voldoen aan de nieuwe emissiegrenswaarden. In 2010 heeft MI 30 luchtemissiemetingen laten uitvoeren door een erkend laboratorium in de discipline lucht bij 23 steenbakkerijen die in 2010 actief waren in het Vlaams Gewest. MI stelde daarbij vast dat bij 10 van de 23 steenbakkerijen (43 %) waar in 2010 een luchtemissiemeting werd uitgevoerd de emissiegrenswaarde voor één of meerdere parameters werd overschreden. Bij 7 steenbakkerijen die

60 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Bij 7 steenbakkerijen - waarvan 5 die snelbouwstenen produceren - werd er een analyse uitgevoerd op de parameter benzeen. Voor de parameter benzeen is geen sectorale maar een algemene emissiegrenswaarde van toepassing. Bij 2 van de 7 steenbakkerijen werd de algemene emissiegrenswaarde voor de parameter benzeen overschreden. In het kader van deze handhavingsactie stelde MI 8 processen-verbaal op en gaf ze 9 aanmaningen.

Emissiemetingen bij asfaltbetoncentrales Vanaf 1 januari 2010 zijn voor inrichtingen die keramische producten vervaardigen nieuwe sectorale emissiegrenswaarden van toepassing. Tot deze sector behoren onder meer de asfaltbetoncentrales. Deze wijziging betekent voor de asfaltbetoncentrales een aanzienlijke verstrenging van een aantal emissiegrenswaarden. In 2010 heeft MI bij 16 van de 17 asfaltbetoncentrales die in 2010 actief waren in het Vlaams Gewest een luchtemissiemeting laten uitvoeren door een erkend laboratorium in de discipline lucht. MI stelde vast dat 13 van de 16 asfaltbetoncentrales (81 %) waar in 2010 een luchtemissiemeting werd uitgevoerd voldeden aan de nieuwe sectorale emissiegrenswaarden. Bij 2 asfaltbetoncentrales werd de emissiegrenswaarde voor de parameter TOC overschreden. Bij 1 asfaltbetoncentrale werd de emissiegrenswaarde voor de parameter NOx overschreden, bovendien werd ten gevolge van een calamiteit ter hoogte van de stoffilters bij deze asfaltbetoncentrale een overschrijding vastgesteld van de emissiegrenswaarde voor de parameter stof. De exploitant had dit onmiddellijk aan MI gemeld en had de nodige maatregelen genomen om het probleem op te lossen.


In het kader van deze handhavingsactie stelde MI 1 proces-verbaal op en gaf ze 1 aanmaning. Deze handhavingsactie toonde aan dat de asfaltbetoncentrales onder normale werkomstandigheden voldoen aan sectorale emissiegrenswaarden die sinds 1 januari 2010 gelden, met uitzondering van een calamiteit en een aantal lichte overschrijdingen. De controle op deze bedrijven zal door MI verder gezet worden als onderdeel van de routinematige controles.

Diffuse emissies Fijn stof is naast ozon momenteel één van de belangrijkste veroorzakers van luchtvervuiling, zeker in het Vlaams Gewest. Inademing van fijn stof, de PM10-fractie (en vooral PM2,5) in zwevend stof in de lucht heeft dermate nadelige effecten op de gezondheid dat een Vlaming hierdoor naar schatting ongeveer 15 levensmaanden inboet. De aanpak van fijn stof staat centraal in het Europees beleid tegen luchtverontreiniging dat recent ook nieuwe normen voor PM2,5 vastlegde in richtlijn 2008/50. De normen voor PM10, bepaald in richtlijn 1999/30/EG en opgenomen in Vlarem, gelden al sinds 2005. De jaargemiddelde norm bedraagt 40 μg/m³; de daggemiddelde norm van 50 μg/m³ mag maximaal 35 keer op een jaar worden overschreden. De voorbije jaren werden op heel wat Vlaamse meetposten te veel overschrijdingen van de EU-daggrenswaarden vastgesteld. De richtlijn bepaalt dat er dan plannen en programma’s moeten worden opgesteld. Het Vlaams Gewest stelde in 2005 een globaal stofplan op. Aangezien naast de hoge bijdrage van het verkeer ook industriële emissies van onder meer op- en overslagactiviteiten en metaalverwerking een rol spelen, lanceerde de toenmalige minister van Leefmilieu in mei 2007 het ‘Actieplan aanpak fijn stof in industriële hotspotzones’ voor de Gentse kanaalzone, Ruisbroek, Roeselare en Oostrozebeke. MI is betrokken bij de uitvoering van dit plan. In 2008 keurde de minister van Leefmilieu een gelijkaardig actieplan goed voor de haven van Antwerpen. Omdat door de Europese wetgeving en de actieplannen meer aandacht kwam voor de problematiek van fijn stof, legde MI aan tal van bedrijven gelegen in de hotspotzones

stofactieplannen op. Hierin moesten de bedrijven specifieke maatregelen opnemen en uitvoeren om onder meer diffuse emissies te bestrijden. Indien nodig stelde MI in een gemotiveerd verzoek aan de vergunningverlenende overheid voor om specifieke bijzondere voorwaarden in de milieuvergunning te laten opnemen. De uitvoering van deze voorwaarden door de bedrijven werd achteraf door MI gecontroleerd. Het opleggen van de stofactieplannen en het toezien op de correcte uitvoering ervan vormde ook in 2010 de hoeksteen van de inspanningen van MI voor de bestrijding van fijn stof bij industriële inrichtingen. MI controleerde een aantal prioritaire bedrijven op de implementatie van Vlarem-, vergunnings- en BBT-maatregelen ter beperking van stofemissies, controleerde de uitvoering van reeds opgelegde maatregelen en bepaalde nog verder op te leggen stofmaatregelen en/of voor te stellen bijzondere voorwaarden. In totaal voerde MI in 2010 31 van dergelijke inspecties uit. Het ging voornamelijk om bedrijven in de sectoren ertsverwerking, schrootverwerking, mouterij, betonproductie, afvalverwerking, houtbewerking en op- en overslag. Naast de bestrijding van fijn stof in de hotspotzones schenkt MI ook de nodige aandacht aan de verspreiding van zware metalen naar de lucht via zwevend en neervallend stof. De opname van zware metalen in het organisme gebeurt via ademhaling en voeding. Zware metalen zijn schadelijk voor de gezondheid. De inspanningen die MI en de industrie tot hiertoe deden, hebben geleid tot een positieve evolutie in de meetresultaten, maar voor zware metalen blijven inspanningen noodzakelijk, zeker met het oog op een verstrenging van diverse normen in 2012.

Fugitieve emissies Controle op VOS-emissies bij bedrijven die organische oplosmiddelen verbruiken Activiteiten die gebruik maken van organische oplosmiddelen (zoals drukkerijen, autoproductie, textiel…) moeten voldoen aan specifieke emissiegrenswaarden of aan de eisen van een equivalent reductieprogramma (Vlarem II, Hoofdstuk 5.59). Deze bedrijven moeten jaarlijks een solventboekhouding of ‘VOS-document’ opmaken met

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 61


een overzicht van het verbruik van oplosmiddelen en de stromen waarin deze oplosmiddelen terechtkomen (o.a. product, afval, water, lucht). MI startte reeds in 2003 een eerste handhavingscampagne m.b.t. deze VOS-specifieke wetgevingen en ontwikkelde in 2005 een handleiding om de VOS-documenten op een uniforme manier te kunnen controleren. Nochtans is het niet eenvoudig om dergelijke controles uit te voeren, zelfs als je een handleiding gebruikt. In 2010 werd voor een grondige controle van de solventboekhouding bij 5 grote bedrijven in de sector zaadextractie, spiegelcoating, textielcoating en autoassemblage daarom een expert ingeschakeld. In eerste instantie werden de VOS-documenten opgevraagd en gecontroleerd op volledigheid of andere tekortkomingen. Meestal moest bijkomende informatie worden geleverd. In tweede instantie lichtte de expert tijdens het bedrijfsbezoek de productieprocessen en luchthuishouding volledig door en ging hij na of de gegevens correct waren. In derde instantie kon dan vastgesteld worden of de bedrijven voldeden aan de emissiegrenswaarden en/of het reductieprogramma. Vier van de vijf bedrijven voldeden aan de wettelijke verplichtingen maar kregen wel een raadgeving of aanmaning om hun solventboekhouding op verscheidene punten te verbeteren, m.i.v. gewijzigde berekeningen en/of vereiste metingen. Eén bedrijf beging een zware overtreding: het negeerde specifieke emissiegrenswaarden die waren opgelegd voor teratogene stoffen (R-61). MI verbaliseerde dit bedrijf en maande het aan een saneringsvoorstel op korte termijn op te stellen zodat door vervanging van het product of zuiveringsinfrastructuur de emissiegrenswaarde gerespecteerd wordt. Controle op het uitvoeren van de verplichtingen m.b.t. LDAR Raffinaderijen en bepaalde chemische bedrijven (met geschatte fugitieve emissie boven een bepaalde drempel) moeten vanaf 2010 een ‘Leak Detection and Repair’ programma uitvoeren om de fugitieve VOS-emissies via lekken in leidingen, flenzen en pompen te inventariseren, te meten en te beperken door herstellingen. Dergelijke bedrijven moesten tegen einde maart een beschrijving van de inrichting ter beschikking hebben, de

62 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

initiële steekproef uitgevoerd hebben en een eerste berekening van de jaarlijkse fugitieve emissie gemaakt. MI vroeg in 2010 aan een 130-tal bedrijven een theoretische berekening van de jaarlijkse fugitieve VOS-emissies op. Zij moesten ook melden of zij de initiële steekproef al dan niet hadden uitgevoerd en een overzicht geven van het aantal te meten apparaten, het aantal gemeten apparaten in de steekproef, het aantal onbereikbare punten (in %) en de berekeningsmethode (met welke emissiefactoren gewerkt werd). Van de 131 aangeschreven bedrijven hebben 45 bedrijven hun initiële meting in 2010 uitgevoerd, in een uitzonderingsgeval zelf, in de meeste gevallen door de erkende labo’s bevoegd voor LDAR-metingen. Sommige bevraagde bedrijven vielen duidelijk niet onder de LDAR-bepaling, door o.a. de indeling in rubriek 59 (zie hierboven), door een te klein verbruik aan VOS, de te kleine afmetingen van leidingen enz. Sommige bedrijven gaven aan dat zij geen LDAR-plicht hadden wegens hun te lage, berekende VOS-emissie, hoewel deze de drempelwaarde toch benadert. Gezien de emissies berekend worden op basis van diverse factoren zoals het aantal apparaten (mogelijke lekpunten), relevante productstromen en werkingsuren en deze nauwgezet bij specifieke emissiefactoren moeten opgeteld worden, zijn foutieve berekeningen niet ondenkbaar. Dat betekent dat veel bedrijven waarschijnlijk ten onrechte geen metingen uitvoeren. Daarom zal een expert bij 12 geselecteerde bedrijven in de eerste helft van 2011 de theoretische berekening van de VOSemissies (aantal apparaten, relevante productstromen, werkingsuren…), die bepalend is voor de drempelwaarde, controleren. SOF- metingen in de haven van Antwerpen VOS-emissies worden vaak ingeschat door berekeningen, maar wanneer VOS-emissies gemeten worden op en rond bedrijfsterreinen door technieken zoals SOF (Solar Occultation Flux) of DIAL (Differential Absorption Lidar), blijken de reële emissies verschillende keren groter te zijn. In de haven van Antwerpen is dergelijk onderzoek naar de werkelijke VOS-emissies door de hoge concentratie aan raffinaderijen en chemische bedrijven én de relatief hoge bevolkingsdichtheid, zeer relevant. Om een overzicht te


krijgen van de VOS-emissies in de haven van Antwerpen werd in 2010 een SOF-analyse uitgevoerd op de rechteroever van de Schelde in Antwerpen t.h.v. verscheidene chemiebedrijven en raffinaderijen en dit gedurende een totaal van 19 meetdagen. De focus lag op alkaanemissies, maar ook ethyleen, propyleen en ammoniak werden gemeten en met behulp van een mobiel DOAS-meetinstrument werden ook NO2 en SO2 bepaald (Differential Optical Absorption Spectroscopy van UV-licht). De SOF-methode is een methode waarbij men met een meetwagen langs de terreingrenzen van een bedrijf rijdt (gemiddeld aan 20-30 km/u) en gelijktijdig het absorptieprofiel in de lucht tussen zon en detector bepaalt waaruit de hoeveelheden VOS kan afleiden. De gemeten VOS-emissies werden vergeleken met de gerapporteerde gegevens in zowel het IMJV als de EPRTR databank (European Pollutant Release and Transfer Register). Uit voorlopige cijfers blijkt dat er een emissie van 5.5 ton/uur VOS in het havengebied was, wat een vrij grote discrepantie oplevert met de optelsom van gerapporteerde bedrijfsgegevens. De verhouding tussen de gemeten en gerapporteerde gegevens zou ongeveer 1 moeten bedragen in de veronderstelling dat emissies gelijk verdeeld zijn over een jaar. Deze verhouding varieert echter van 3 tot 8 en overstijgt zelfs ruim een factor 10 in sommige havengebieden. Een definitief rapport wordt begin 2011 verwacht.

Geurhinder Geurhinder is één van de vaakst voorkomende klachten waarmee MI geconfronteerd wordt. In 2010 kregen de toezichthouders Van MI dan ook een handleiding voor de aanpak van geurklachten en –problemen. Deze handleiding werd toegelicht tijdens een interne opleidingsdag. Ze beschrijft en illustreert alle stappen in het proces met o.a. klachtenregistratie, oordeel over de gegrondheid van een klacht, oordeel over brontoewijzing, oordeel over de aanvaardbaarheid van de geurhinder, oordeel over saneringen,… aan de hand van stroomschema’s. Soms is het voor een toezichthouder niet eenvoudig om op basis van eenvoudige sensorische vaststellingen, zoals beschreven in de handleiding, de geurhinder duidelijk in kaart te brengen. Daarom beschikt MI ook over de mogelijkheid om geuronderzoeken door erkende deskundigen te laten uitvoeren. Redenen om voor een geuronderzoek

te kiezen zijn o.a. bedrijven met eenzelfde geurkarakteristiek, bedrijven die de geurproblematiek niet willen erkennen of zelfs eenvoudigweg ontkennen, … . In 2010 werden 4 geuronderzoeken opgestart waarvan de resultaten eind 2010 nog niet gekend zijn. In Destelbergen wordt de geursituatie rondom een verwerker van dierlijk afval onder de loep genomen. In Roeselare wordt een complex geuronderzoek uitgevoerd bij een producent van champignoncompost, drie afvalverwerkende bedrijven, een vergistingsinstallatie, een rioolwaterzuiveringsinstallatie en een voedingsbedrijf. In Maaseik wordt de geurimpact bepaald van een champignoncomposteringsbedrijf en een producent van tuincompost. Een geuronderzoek in Hoboken moet de geurhinder bepalen van twee producenten van metalen constructies, inclusief het spuiten van deze constructies en een metallurgisch nonferrobedrijf. Naast het opstarten van 4 geuronderzoeken werd in 2010 ook één geuronderzoek in de omgeving van Maasmechelen gefinaliseerd. Geuronderzoek op en rond het industrieterrein ‘Op De Berg’ in Maasmechelen Het geuronderzoek werd in 2009 opgestart met als voornaamste doel een na-evaluatie uit te voeren om het effect van de saneringen bij een champignoncomposteringsbedrijf na te gaan. Uit het onderzoek ‘Geurmethodologie: optimalisatie van het instrument geuronderzoek en de MI-aanpak van geurproblemen’ was immers gebleken dat het belangrijk kan zijn om de doeltreffendheid van de genomen maatregelen te evalueren in een gelijkaardig geuronderzoek als datgene waarbij de hinder eerder reeds werd onderzocht en als onaanvaardbaar werd beoordeeld. Ook is het mogelijk om de resterende geurimpact te toetsen aan de hand van het aanvaardbaarheidscriterium afgeleid uit dat eerdere onderzoek. In 2003-2004 werd een eerste geuronderzoek uitgevoerd. Aan de hand van een klachtenanalyse, geurdagboeken, telefonische enquêtes, snuffelploegmetingen en emissiemetingen met olfactometrische en chemische analyses werd de impact van verschillende bedrijven op de omgeving bepaald. Belangrijkste bron van de geurhinder bleek een champignoncomposteringsbedrijf te zijn. MI maande het bedrijf aan om de nodige geurreducerende maatregelen te nemen.

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 63


Na de sanering wou MI de resterende geurimpact van het betrokken bedrijf op de omgeving nagaan met een nieuw geuronderzoek met de volgende onderdelen: beschrijving van de huidige situatie (luchthuishouding), peilen naar het hindergevoel bij de bevolking d.m.v. geurdagboeken, kwantificeren van de geuremissie a.d.h.v. snuffelploegmetingen en olfactometrie en achterwaartse modellering, bepalen van de impact op de omgeving d.m.v. verspreidingsberekeningen, toetsing van de immissieconcentraties aan de lokale aanvaardbaarheidscriteria en tot slot een beoordeling van de aanvaardbaarheid. Uit alle resultaten van de verschillende onderdelen bleek dat de situatie in 2009-2010 opmerkelijk beter is dan in 2003-2004. Uit de geurdagboeken bleek duidelijk dat het aantal waarnemingen van geur en de intensiteit van de waargenomen geur duidelijk verminderd waren t.o.v. 20032004. Bovendien werden de waargenomen geuren door de omwonenden als minder hinderlijk beschouwd.

percentielimmissieconcentraties op jaarbasis op basis van snuffelploegmetingen (boven situatie 2009-2010; onder situatie 2003-2004)

Tijdens de 11 uitgevoerde snuffelploegmetingen werd de maximale afstand genoteerd waarop het champignoncomposteringsbedrijf nog net geroken kon worden. De gemiddelde maximale waarnemingsafstand bedroeg 1.714 m wat een lichte verbetering is t.o.v. de in 20032004 opgetekende waarde van 1.951 m. Ook de geurverwijderingsrendementen van de geĂŻnstalleerde installaties werden bepaald. Als voorbeeld kan het rendement van de zure wassers samen met de nageschakelde biofilter aangehaald worden. Dit varieerde van 91,2% tot 98,2%. Ter vergelijking: in 2003-2004 varieerde het gezamenlijke rendement van de oude wasser en de strobiofilter van 51,2% tot 88,2%. Uit de kwantificering van de geuruitstoot aan de hand van snuffelploegmetingen bleek dat de gemiddelde waarde 242.001 se/s bedroeg. Dit is 71.5% lager dan de geuremissie in 2003-2004 (848.046 se/s). Vergelijkbare cijfers krijgen we voor de geuremissie berekend op basis van de olfactometrische metingen: de gemiddelde geuruitstoot in 2009-2010 ( 316.509 OUE/mÂł) is met 83,4% gedaald.

Uit de aanbevelingen van het geuronderzoek bleek wel dat er verhoogde aandacht moet zijn voor de opvolging van de 3-trapsgaswasser. EĂŠn van de rendementsmetingen op deze wasser bleek bijzonder laag. Het bedrijf werd dan ook op de hoogte gebracht van het feit dat sporadische verhoogde uitstoten ter hoogte van deze wasser aanleiding kunnen geven tot hinder in de nabijgelegen woonwijken.

Het meest sprekend zijn de geurconcentratiecontouren op basis van de snuffelploegmetingen (98-percentielimissieconcentraties) zoals weergegeven in onderstaande figuur. Hieruit blijkt dat ter hoogte van de meest nabij gelegen woonzones het lokale aanvaardbaarheidscriterium, afgeleid in het onderzoek 2003-2004, niet overschreden wordt.

Voorbeeld van het resultaat van een snuffelploegmeting met afbakening van de geurpluim

64 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Ozonafbrekende stoffen Controle op koelinstallaties MI controleert jaarlijks de exploitatie van koelinstallaties in bedrijven. Voorkomen en beperken van lekken aan koelinstallaties is belangrijk voor zowel de bescherming van de stratosferische ozonlaag als de bestrijding van het broeikaseffect. De milieurelevantie is niet alleen ten aanzien van de oudere koelgassen (HCFK’s) zeer groot, maar ook ten aanzien van de recentere en meest gebruikte koelgassen (HFK’s) omwille van het vermogen tot opwarmen van de aarde (GWP) dat 140 tot 3800 keer groter is dan dat van CO2. In 2010 controleerde MI 54 bedrijven waarvan 37 nog niet eerder voor koelinstallaties waren bezocht. Dit waren voornamelijk slachthuizen, supermarkten en voedingsbedrijven. Terwijl de toezichthouder de logboeken controleert op volledigheid en correctheid, instructiekaarten, periodieke dichtheidstesten en de certificering van het koeltechnisch bedrijf nagaat, onderzoekt een (gecertificeerd) koeltechnicus één of meerdere koelinstallaties op emissies van koelgas. Een correct ingevuld logboek waarin de onderhoudswerkzaamheden en lekdichtheidscontroles per installatie worden genoteerd, blijkt zelfs jaren nadat de wetgeving ingevoerd werd nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Bij 5% van de 182 installaties was er geen logboek en bij 32% was dit amper of onvolledig ingevuld. In de nabijheid van een koelinstallatie moet een instructiekaart beschikbaar zijn waarop basisgegevens van de installatie (o.a. koelmiddel, informatie in geval van nood) vermeld staan, maar deze kaarten bleken bij 40% van de installaties niet aanwezig.

verplichtingen die recent aan koeltechnische bedrijven en technici werden opgelegd. Deze conclusie is echter voorbarig, want de lekverliezen die kunnen berekend worden uit volledig ingevulde logboeken zijn soms zéér hoog. Exploitanten zijn verplicht om alle haalbare maatregelen te nemen om het berekend jaarlijks relatief lekverlies van hun koelinstallaties te beperken tot ten hoogste 5% per jaar. Omwille van onvolledig ingevulde of niet installatiegebonden logboeken is het voor MI niet altijd mogelijk dit percentage correct in te schatten. Bij 28 installaties (15%) bleek het lekverlies groter dan 5% (tussen 8 en 362%; gemiddeld 110% bij deze 28) en deze kwamen niet noodzakelijk overeen met de installaties waar lekken werden gedetecteerd. Vooral bij supermarkten waar centrale koelinstallaties de verscheidene koelingskasten bedienen, worden vaak zeer hoge lekverliezen waargenomen. Het gaat dan om lekken die vaak niet gedetecteerd worden t.h.v. het compressordeel, maar zich ergens in het uitgebreide circuit van leidingen bevinden. 5 van de gecontroleerde bedrijven deden een beroep op een nog niet gecertificeerd koeltechnisch bedrijf voor het onderhoud van de koelinstallaties. In totaal kregen 33 bedrijven een aanmaning en 9 een raadgeving. De meeste aanmaningen hadden tot doel de exploitanten aan te zetten zo snel mogelijk de lekken te herstellen en lektesten uit te voeren, installatiegebonden logboeken bij te houden en te vervolledigen, instructiekaarten te voorzien en het jaarlijks lekverlies tot onder de 5% terug te brengen.

De meest voorkomende koelgassen in de gecontroleerde installaties waren in volgorde van voorkomen R22, R404a, R134a en R507. Van R22, een HCFK en dus ozonafbrekende stof, mag vanaf januari 2010 geen nieuw geproduceerd product meer gebruikt worden en uitsluitend gerecycleerde HCFK’s mogen tot december 2014 voor bijvullingen gebruikt worden. Toch blijken vrij nieuwe installaties (2007-2009) in gebruik genomen te zijn met R22 als koelvloeistof. Anderzijds bleek van de 164 op lekken geteste koelinstallaties slechts 14% niet lekdicht op het moment van controle. Dit staat in contrast met het al jaren gelijkblijvende percentage tussen 60 en 70%. Hiervoor is geen duidelijke verklaring. Als deze trend volgende jaren aanhoudt, speelt hier mogelijk een positief effect van de certificerings-

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 65


Afval In het milieuthema afval wordt er een onderscheid gemaakt tussen controles op afvalstoffen bij ingedeelde inrichtingen en afvalstoffen en controles van bewegende afvalstoffenstromen. In 2010 ging de aandacht, naast de vele routinemonsternamecampagnes en analyses van afvalstoffen maar ook van bodem en grondwater, naar specifieke controleacties m.b.t. de depollutie van AEEA, bij biogasinstallaties en van de asbestketen. Daarnaast werd er toezicht georganiseerd op een specifieke afvalstoffenstroom, nl. dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn en waarop een aparte Europese verordening van toepassing is. In het kader van het ketentoezicht op afvalstromen werden in 2010 opnieuw havencontroles, wegcontroles en controles op illegale grensoverschrijdende afvaltransporten uitgevoerd.

De redenen om over te gaan tot bemonstering zijn van uiteenlopende aard. Bij afvalverwerkende bedrijven worden binnenkomende partijen afvalstoffen bemonsterd om na te gaan of ze voldoen aan de aanvaardingscriteria. Behandelde afvalstromen die een tweede leven tegemoet gaan als secundaire grondstof, worden bemonsterd om te controleren of de samenstelling ervan voldoet aan de voorgeschreven normen. Partijen uitgegraven bodem in grondreinigingsbedrijven of in tussentijdse opslagplaatsen en opvulgronden bij groeven en graverijen worden bemonsterd en geanalyseerd om de legaliteit van de bestemming ervan te controleren. Niet-geïdentificeerde recipiënten op een bedrijf worden bemonsterd om na te gaan of de inhoud ervan geen gevaarlijke afvalstoffen bevat. Bij klachten over stofneerslag van een bedrijf worden de afgezette deeltjes bemonsterd om de schadelijkheid ervan te controleren. Bij eindproducten van verwerkers van dierlijke afvalstoffen wordt de microbiële zuiverheid gecontroleerd.

Routinemonsternames afvalstoffen, bodem en grondwater

Naast de routinemonsternames neemt MI ook monsters bij de uitvoering van gecoördineerde projecten en acties. Toezichthouders hebben de mogelijkheid om één of meerdere analysepakketten aan te vragen voor een monster. Uiteraard bestaat de mogelijkheid om voor elk individueel monster specifieke parameters te laten analyseren. Als zeer specifieke, gevaarlijke of grote aantallen monsters moeten worden genomen, kunnen toezichthouders hiervoor een beroep doen op de MI-labocontractant.

De afdeling hanteert een richtfrequentietabel waarin wordt vastgelegd waar en hoe dikwijls afvalstoffen worden bemonsterd, rekening houdend met het beschikbare budget. Deze planning omvat bemonsteringen bij afvalproducerende en -verwerkende bedrijven en bij producenten van secundaire grondstoffen. Een gedeelte van het budget wordt voorbehouden voor de bemonstering en analyse van afvalstoffen in niet geplande situaties.

In de periode 1 februari 2009 tot 1 februari 2010 werden in totaal 1006 monsters van afval, bodem en grondwater geanalyseerd – gemiddeld 12 monsters per toezichthouder van de buitendiensten – aan een totale kostprijs van 486.442 euro. Dit aantal omvat de 101 monsters van gerecycleerde puingranulaten die werden genomen in het kader van het asbestproject.

Overzicht van de geanalyseerde parameterpakketten in 2010 Pakket

66 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Aanvaardingscriteria cat. 1 stortplaatsen

38

Aanvaardingscriteria cat. 2 stortplaatsen

45

Aanvaardingscriteria cat. 3 stortplaatsen

11

Bodem (VLAREBO)

139

Grondwater (VLAREBO)

23

Secundaire grondstoffen meststof /bodemverbeterend middel

98

Secundaire grondstoffen bouwstof

198

Eindproducten verwerkers

112

Te verbranden houtafval

79

Vlarem-parameters grondwater

14

Totaal

757


Controle van de depollutie van AEEA AEEA staat voor Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur. Dit begrip wordt uitgebreid gedefinieerd in de regelgeving, maar samengevat gaat het om alle apparaten die werken hetzij op netstroom – en waar dus een elektrisch snoer aan vasthangt – hetzij op batterijen én die door de bezitter ervan worden afgedankt. Elektrische en elektronische apparatuur wordt onderverdeeld in 10 categorieën (o.a. grote en kleine huishoudelijke apparaten, IT- en telecommunicatie apparaten, consumentenapparaten, verlichtingsapparaten, …). AEEA bevat in veel gevallen onderdelen die schadelijk zijn voor het milieu. Daarom moet AEEA dikwijls worden gecatalogeerd als gevaarlijk afval. Om te vermijden dat de gevaarlijke componenten tijdens de verwerking van dit specifieke afval op een niet-gecontroleerde wijze in het milieu terechtkomen, voorziet de Europese regelgeving dat deze onderdelen zorgvuldig uit de apparaten moeten worden gehaald. Men zegt dat het AEEA moet worden gedepollueerd. De verschillende afvalstromen die na depollutie en demontage ontstaan moeten verder worden gerecycleerd in bedrijven die daarvoor een vergunning hebben. Voorbeelden van schadelijke onderdelen zijn (h)cfk-houdende koelmiddelen in koelen vriesapparatuur, pcb-houdende condensatoren in oude wasmachines of TL-armaturen, kwik bevattende TL-lampen en lampen die deel uitmaken van lcdschermen, beeldschermen, printplaten, bepaalde batterijen en inkten. En dit lijstje is lang niet volledig. MI heeft in 2010 tien bedrijven geïnspecteerd een vergunning hebben voor de verwerking van AEEA. De meeste bedrijven beperken hun depolluerende activiteit tot het ontmantelen van ‘witgoed’ (wasmachines, droogkasten, vaatwasmachines), nl. het weghalen van condensatoren, printplaten en elektrische snoeren. Moeilijker te verwerken apparaten zoals beeldbuizen en koel- en vriesapparatuur worden meestal naar gespecialiseerde bedrijven gebracht die over – vaak zeer gespecialiseerde – apparatuur beschikken om ook die apparaten milieuvriendelijk te ontmantelen. Bij vier van de gecontroleerde bedrijven werden de gedepollueerde apparaten ook ‘geshredderd’ (d.i. machinaal in kleine stukken gereten die zoveel mogelijk worden gesorteerd om er de herbruikbare materialen uit terug te winnen).

Het doel van deze actie bestond erin de legale verwerking van AEEA af te dwingen, waar MI zou vaststellen dat dit niet correct gebeurde. Op enkele kleinere opmerkingen na bleken de meeste gecontroleerde bedrijven te werken in overeenstemming met de milieuregelgeving en milieuvergunning. Er werd geen enkel proces-verbaal opgesteld. In twee dossiers werden schriftelijke aanmaningen gegeven die tot doel hadden om de acceptatie en de registratie van de geleverde afvalstoffen te verbeteren en ook meer duidelijkheid te scheppen in de wijze waarop de depollutie juist gebeurt. De MI-toezichthouders hadden ook aandacht voor de bestemming van de (gevaarlijke) afvalstromen die in deze bedrijven werden geproduceerd. In 3 dossiers was een afvalstroom bestemd voor uitvoer naar China. In één dossier werd een deelstroom naar een Nederlands bedrijf vervoerd voor verdere verwerking. MI controleerde ook of deze uitvoer gebeurde volgens de wettelijk vastgelegde voorwaarden zoals het bestaan van een specifieke uitvoervergunning of ‘kennisgeving’.

Inspecties bij biogasinstallaties De groeiende vraag naar alternatieve energie resulteert onder meer in de bouw van nieuwe biogasinstallaties over het hele Vlaamse grondgebied. In deze installaties worden dierlijk mest, energieteelten en organisch-biologische afvalstoffen vergist. Micro-organismen zetten deze stoffen in een anaërobe of zuurstofvrije omgeving (een gesloten vergistingstank) om in warmte en methaangas. Het methaangas wordt ingezet voor de opwekking van elektriciteit. De geproduceerde groene stroom levert voor de exploitant het financiële voordeel van de groenestroomcertificaten op. Wat overblijft noemen we het digestaat. Deze stroom wordt hetzij, eventueel na een tussenbewerking, gebruikt als bodemverbeteraar op landbouwgrond, hetzij verder gecomposteerd. In het verleden gebeurde het al eens dat schadelijke afvalstromen mee verwerkt werden tot organische bodemverbeteraars. Het opmengen van afvalstromen die in feite niet in aanmerking kwamen voor toepassing in of als secundaire grondstof, heeft er in enkele gevallen toe geleid dat landbouwpercelen vervuild werden, met grote economische schade tot gevolg.

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 67


MI wil met een doorlopende aandacht voor deze sector waken over de correcte uitvoering van de vele mestverwerkingsprojecten die opgestart worden bij landbouwers. In dergelijke mestverwerkingsinstallaties wordt samen met de mest ook ander organisch materiaal verwerkt (bv. snijmais). Omdat organisch materiaal meer en meer wordt ingezet als biobrandstof stijgt de prijs ervan en loopt de mestverwerkingskost op. Dit zou kunnen leiden tot de verwerking van goedkopere organisch-biologische afvalstoffen (OBA) van slechte kwaliteit. Een streng toezicht is hier aangewezen. MI controleerde 5 biogasinstallaties met een vergunde verwerkingscapaciteit van 25.000 tot 60.000 ton per jaar én een toeleverancier (een erkend overbrenger voor afvalstoffen) voor deze installaties. Onze toezichthouders gingen na of de verwerking van mest, dierlijke bijproducten en OBA tot secundaire grondstof (als meststof of bodemverbeterend middel) correct verliep. Tijdens de bedrijfsinspecties gingen ze na of de aanwezige afvalstoffen aan de invoerzijde mochten worden aanvaard volgens de geldende milieuvergunningen en -erkenningen en het goedgekeurde werkplan. Aan de uitvoerzijde werd gecontroleerd of het eindproduct voldeed aan alle toepasselijke VLAREA-bepalingen. Tottot slot onderwierpen de toezichthouders ook de verplicht bij te houden registers aan kritisch onderzoek. Stromen die vermoedens van onregelmatigheden deden rijzen en waarover de exploitant onvoldoende informatie kon verschaffen, werden verder onderzocht. In totaal werden 7 monsters genomen waarvan 3 van aangevoerde afvalstromen en 4 van het verwerkte digestaat. De gecontroleerde bedrijven worden grosso modo correct uitgebaat en zijn veelal nog volop in evolutie. Vergistingstanks worden bijgebouwd, de pasteurisatiestap die noodzakelijk is om de mest te kunnen exporteren naar het buitenland wordt nog geoptimaliseerd, delen van de installatie zijn nog niet operationeel. Dit soort installaties veroorzaakt ook dikwijls geurhinder in meer of mindere mate. Eén geïnspecteerd bedrijf heeft dit probleem succesvol aangepakt door de installatie van een aktiefkoolfilter waarover de geurbeladen lucht wordt geleid. Bij geen enkel bedrijf werd een proces-verbaal opgesteld en 3 exploitanten werden aangemaand om een aantal onvolkomenheden recht te zetten. De aanmaningen hadden te maken met het actualiseren van het werkplan (d.i.

68 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

het document waarin de exploitant duidelijk uiteenzet op welke manier hij zijn installatie uitbaat), onvolledige registers of vervoersdocumenten en enkele exploitatievoorwaarden.

Inspecties asbestketen De asbestproblematiek is maatschappelijk een zeer gevoelig thema. Asbest werd tot de jaren tachtig in heel veel toepassingen gebruikt omwille van zijn uitstekende fysische en chemische eigenschappen. De keerzijde van asbest is dat het bestaat uit microscopisch kleine vezels die kunnen worden ingeademd wat, ook bij iemand die er toevallig mee in contact komt, mesothelioom (longof buikvlieskanker) kan veroorzaken. Ook al is het risico daartoe beperkt, toch is het goed dat wie asbesthoudende producten of asbesthoudend afval behandelt, dat met de nodige zorg doet. De regelgever heeft die bezorgdheid geuit door enkele bepalingen in de milieuregelgeving te formuleren die mensen - die niet beroepshalve met asbest omgaan – moeten beschermen tegen de gevaren ervan. De meeste asbesthoudende afvalstromen komen vrij bij het afbreken van bouwwerken. Asbest komt in die bouwwerken soms voor in een gemakkelijk verspreidbare vorm, het ongebonden asbest. Voor de afbraak van gebouwen waarin ongebonden asbest voorkomt, wordt een beroep gedaan op gespecialiseerde bedrijven die het asbest op een veilige manier kunnen bergen. Maar asbest komt ook nog in grote hoeveelheden voor in een minder verspreidbare vorm, het hechtgebonden asbest (golfplaten, vloerbekleding, leien, schoorsteenpijpen, …). Zolang deze bouwelementen zorgvuldig worden behandeld, blijven de asbestvezels vast zitten in het cement en is er geen risico aan verbonden. Van zodra er echter mechanische bewerkingen op gebeuren (schuren, zagen, slijpen, breken, …), komen de schadelijke asbestvezels onvermijdelijk vrij. Dergelijke handelingen zijn bij wet verboden. MI startte in 2010 een meerjarenproject op met als doel een aantal actoren in de asbestverwijderingsketen te controleren om nadien te kunnen aangeven waar en hoe in die keten op de meest effectieve manier kan worden opgetreden. Ondanks de wettelijke verplichting om asbestcementhoudende afvalstoffen gescheiden aan te bieden en afzonderlijk te houden tijdens de ophaling of de inzameling, blijven er nog steeds asbestcementen onderdelen aanwezig in het baksteenpuin. Omdat de totale afwezigheid van asbest onmogelijk bleek te realiseren, heeft de Vlaamse regelgever vanaf 1 mei 2009 in het VLAREA een risico-gebaseerde norm opgenomen voor het asbestgehalte in gerecycleerde puingranulaten.


Om te kunnen inschatten in welke mate deze norm op het terrein haalbaar was, besliste MI om monsters te nemen van gerecycleerde puingranulaten bij een groot aantal puinbrekers. MI deed een beroep op een extern laboratorium voor de uitvoering van de bemonstering en de asbestanalyses. De publicatie van het bestek voor de bemonsterings- en analyseopdracht was de sector niet ontgaan en met medewerking van VITO organiseerde de FPRG (Federatie van Producenten van Recycling Granulaten) in september 2011 een toelichting over asbest in puingranulaten voor de sector. MI gaf er een presentatie over de toepasselijke regelgeving meteen ook een toelichting over de manier waarop zij de bemonstering van de puingranulaten zou uitvoeren. In de loop van oktober en november werden monsters genomen bij 52 bedrijven waar hetzij permanent, hetzij op geregelde tijdstippen puinbreekinstallaties worden ingezet. In totaal werden 101 monsters genomen van gerecycleerde puingranulaten. Dat gebeurde zoals voorgeschreven in het Compendium van Monsternemingen en Analyses van Afvalstoffen. De monsters werden gericht genomen in functie van de mogelijke aanwezigheid van asbestcement in het puin. Betongranulaat afkomstig van wegenwerken werd slechts 3 keer bemonsterd omdat de kans klein is dat er asbestcement in wordt aangetroffen. In totaal vond MI in 11 monsters een hoeveelheid asbest die hoger was dan de wettelijke norm van 100 mg/kg droge stof. De overschrijdingen werden enkel aangetroffen bij metselwerk- en menggranulaat in de fracties 0-40 en 0-56. MI kon vaststellen dat 20% van de grove fracties bemonsterde puingranulaten normoverschrijdende hoeveelheden asbest bevatten. Gezien het feit dat de hele sector op de hoogte was van de nakende bemonsteringscampagne, kan verondersteld worden dat dit percentage een ‘best casus’-situatie is. In de loop van 2011 zullen inspecties worden uitgevoerd bij andere actoren in de asbestverwijderingsketen.

Dierlijke Bijproducten De wijze waarop we moeten omspringen met dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie en waar we er (niet) mee heen kunnen, is op Europees niveau bepaald in de verordening (EG) Nr. 1774/2002. De geviseerde producten omvatten zowat alles wat je je maar kan bedenken dat van dierlijke oorsprong is én wat niet bedoeld is voor menselijke consumptie: slachtafval, keukenafval, met pcb’s verontreinigd vet, huiden voor lederproductie, kadavers, gelatine, farmaceutische producten, jachttrofeeën en nog zoveel meer. Dergelijke producten en de bijhorende regelgeving hebben betrekking op het omgaan met afval, productnormering, het beschermen van de volksgezondheid en diergezondheid, … een brede waaier aan bevoegdheden die in het federale België verdeeld zijn over de federale en de gewestelijke overheden. De overeenkomst van 28 oktober 2005 bakent de taken van alle instanties af. Die overeenkomst bepaalt onder meer dat elke betrokken instantie (dus ook MI) jaarlijks een controleprogramma moet organiseren voor bedrijven die dierlijke bijproducten voortbrengen, ophalen, vervoeren, opslaan, gebruiken of verwerken. Jaarlijks moet hierover gerapporteerd worden aan de Permanente evaluatiecommissie, opgericht in het kader van deze overeenkomst. De lijst van actoren die gevat zijn door de verordening en die moeten worden geïnspecteerd is lang. Daarom heeft MI een inventarisatie-onderzoek laten uitvoeren. Het onderzoek rangschikt de actoren op basis van een aantal criteria die relevant kunnen zijn voor het bepalen van een inspectiefrequentie. De omvang van de bedrijven en de aard, de verscheidenheid en het risico van de voortgebrachte dierlijke bijproducten spelen daarin onder meer een rol. Geïnspecteerde bedrijven MI onderscheidt in haar controles van dierlijke bijproducten drie verschillende types van bedrijven. De eerste groep zijn de bedrijven die volgens de verordening over

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 69


een schriftelijke erkenning moeten beschikken om bepaalde activiteiten te mogen uitvoeren. MI heeft een dertigtal van dergelijke bedrijven gecontroleerd in 2010. De tweede en moeilijkst te inspecteren groep zijn de ophalers van dierlijk afval, die in het Vlaamse Gewest eveneens over een erkenning moeten beschikken. MI controleerde in in 2010 een tiental ophalers. De derde en – met haar meer dan 2.000 bedrijven – omvangrijkste groep zijn de bedrijven die dierlijke bijproducten produceren. Het zijn bijvoorbeeld slachthuizen, uitsnijderijen, verwerkers van eieren, allerhande bedrijven die te maken hebben met vlees of vis, meststofproducenten, verkooppunten van hoeveproducten en industriële melkbedrijven. In totaal werden in 2010 in deze groep een zestigtal bedrijven geïnspecteerd. OVAM en VLM verlenen de erkenningen aan 6 van de 11 groepen van bedrijven voor wiens exploitatie de verordening een erkenning oplegt. MI houdt toezicht op de naleving van voorwaarden die aan deze erkenningen zijn verbonden. De intermediaire bedrijven slaan onverwerkte dierlijke bijproducten tijdelijk op en voeren er eventueel een kleine, weinig ingrijpende bewerking op uit (invriezen, versnijden, verpakken, …). De opslagbedrijven mogen enkel verwerkte dierlijke bijproducten opslaan. Die verwerkte producten worden aangevoerd van de verwerkingsbedrijven waar ze volgens een wel beschreven verwerkingsmethode zijn behandeld. Een specifieke groep van bedrijven zijn de composteerinstallaties en de vergistingsinstallaties waar dierlijke bijproducten worden omgezet tot compost of methaan. Tot slot kunnen dierlijke bijproducten worden verbrand in een verbrandingsof een meeverbrandingsinstallatie. Tot de laatste groep behoren niet enkel de gekende afvalverbrandingsovens, maar ook de dierencrematoria. FVO missie Het Europese Food and Veterinary Office (FVO) voerde van 17 tot 26 februari 2010 een inspectiemissie uit om te controleren of de Europese gezondheidsvoorschriften inzake dierlijke bijproducten correct geïmplementeerd worden in België. De evaluatie omvatte voornamelijk bepalingen van de Europese Verordening 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd en de Europese Verordening 882/2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. MI begeleidde de Europese inspecteurs bij de controle van vier bedrijven in het Vlaams Gewest die onder het toezicht

70 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

van de afdeling vallen. Het FVO voerde ook een audit uit in de buitendienst van MI te Gent om op die manier de werking en organisatie van de afdeling na te gaan m.b.t. het toezicht in het kader van de Europese Verordening 1774/2002. De conclusies van de missie waren dat de FVO algemeen gezien zeer tevreden was met de implementatie van de betrokken Europese wetgeving in het Vlaams Gewest. Er werden echter enkele opmerkingen geformuleerd als werkpunten. Een belangrijke opmerking omvatte het uitvoeren van intensiever toezicht op de zelfcontroles die binnen bepaalde sectoren moet worden toegepast. Deze zelfcontroles zijn gebaseerd op HACCP-principes die hun ingang reeds geruime tijd hebben gevonden in de voedingsindustrie. Sommige sectoren die werken met dierlijke bijproducten hebben echter nog weinig ervaring met deze principes. Intensiever toezicht op deze punten is dan ook aangewezen. Om invulling te geven op deze opmerking besteedde de afdeling extra aandacht aan deze problematiek. Zo voorzag zij bijkomende opleiding voor de toezichthouders en werden deze punten intensiever gecontroleerd. Deze intensieve controles zullen ook in 2011 doorgaan om te garanderen dat de zelfcontroles overal waar nodig correct worden uitgevoerd. Het FVO zal de inspanningen die geleverd zijn n.a.v. haar aanbevelingen in de toekomst evalueren. Ervaringen en vaststellingen De inspecties bij de betrokken bedrijven in 2010 resulteerden in 1 proces-verbaal. 14 exploitanten kregen aanmaningen om binnen de gestelde termijnen bepaalde acties te ondernemen om de regelgeving, vastgelegd in de verordening 1774/2002, na te leven. Europa legt een aantal verregaande maatregelen op om te voorkomen dat afval bij toeval een verkeerde richting uitgaat. Zo moeten de afvalrecipiënten worden voorzien van eenvoudige labels die aangeven welk soort afval ze bevatten: categorie 3-, categorie 2- of categorie 1-afval; en respectievelijk ook van de zinnen ‘niet voor menselijke consumptie’, ‘niet voor dierlijke consumptie’ of ‘uitsluitend geschikt voor verwijdering’. MI heeft heel wat gevallen vastgesteld waarbij deze identificatie niet of onnauwkeurig gebeurde. Een ander belangrijk element in de regelgeving van dierlijke bijproducten is het zogenaamde handelsdocument, een transportdocument dat volgens een welbepaald model moet worden opgesteld. Zelfs nu de regelgeving al enkele jaren heel duidelijk stelt hoe dit model er uitziet, blijft het moeilijk om het gebruik ervan voldoende ingang te doen vinden. MI zette de grootste ophalers van dierlijk afval aan tot het gebruik van de correcte documenten. Een grote bezorgdheid in de regelgeving over dierlijke bijproducten is de hygiëne bij de verwerkingsbedrijven. De meeste bedrijven moeten daarom duidelijk onderscheid maken tussen een reine en een onreine zone. Ze moeten maatregelen nemen om herbesmetting van verwerkte


producten door contact met het onverwerkte materiaal te voorkomen. De bedrijven moeten er ook voor zorgen dat de voertuigen die de onverwerkte dierlijke bijproducten aanbrengen worden gereinigd en ontsmet. MI heeft in 2010 bij 17 Vlaamse verwerkers van dierlijke bijproducten het resultaat van het verwerkingsproces gecontroleerd door monsters van de dierlijke bijproducten die het verwerkingsproces hadden doorlopen te laten nemen en analyseren. In totaal werden een honderdtal monsters genomen. Elk monster bestaat uit 5 deelmonsters waarop de voorgeschreven microbiële analyses werden uitgevoerd. De monsters worden zowel getest op de aanwezigheid van Salmonella als getoetst aan de norm voor Enterobacteriaceae. Omwille van de betrokkenheid van verschillende autoriteiten bij de het verlenen van erkenningen en de handhaving van deze regelgeving voerde MI doorlopend overleg met OVAM, VLM en FAVV over de interpretatie van de bepalingen van de verordening. Dit overleg gebeurde formeel op de Commissie Dierlijke Bijproducten, maar zeer vaak ook telefonisch en per e-mail. Een vlot overleg tussen alle instanties is onontbeerlijk om te vermijden dat de sector met verschillende standpunten wordt geconfronteerd.

Ketentoezicht Havencontroles De uitvoer van afvalstoffen naar derdewereldlanden wordt geregeld in de Europese Verordening 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA). Dit betekent dat de exporteurs van afval rekening moeten houden met een aantal verplichtingen, gaande van een eenvoudige informatieplicht of een specifieke toelating (‘kennisgeving’) voor de meeste groene lijstafvalstoffen tot een volledig uitvoerverbod voor gevaarlijk afval (oranje lijst). De controle op de uitvoer van afval gebeurt onder meer aan de grenzen van de Europese Unie, met name op de uit-

voer van afval in zeecontainers via de belangrijkste Vlaamse havens. Wanneer MI tijdens het openen van de containers vaststelt dat de lading, de bestemming of de wijze van verwerking niet in orde zijn, blokkeert de Scheepvaartpolitie of MI de hele partij en begint MI aan een onderzoek. Dit kan inhouden dat MI de containers terugstuurt naar de plaats van lading en vervolgens grondig uitzoekt wie verantwoordelijk was voor de illegale zending. In 2010 voerde MI 24 routine-havencontroles uit, waarvan 10 in Zeebrugge, 7 op Antwerpen Rechteroever en 7 in de Waaslandhaven. Daarnaast behandelde MI ook meldingen door de douane, de Federale Leefmilieu-inspectie (FLI) en andere entiteiten, van mogelijk illegale export van afval in zeecontainers of voertuigen. Ongeveer de helft van alle controles op de uitvoer via de havens gebeurt op basis van een melding door derden. De cijfers in het vervolg van dit hoofdstuk hebben betrekking op alle exportpartijen in havengebied die door MI onderzocht werden. MI nam in 2010 verder deel aan het project ‘Afvalfraude Antwerpen’, op initiatief van het Parket van Antwerpen. Dit project moet zorgen voor een betere coördinatie tussen de entiteiten die betrokken zijn bij de afvalcontroles in de Antwerpse haven, en bij uitbreiding ook de Waaslandhaven. Resultaten 2010 MI inspecteerde in 2010 in totaal 337 partijen, meestal in zeecontainers, soms geladen in tweedehandsvoertuigen. Hiervan waren er 213 afkomstig uit het Vlaamse gewest, goed voor 624 containers of 12.170 ton afval. Van deze 213 partijen waren er 33 illegaal. Kunststofafval is de meest gecontroleerde afvalstroom van Vlaamse oorsprong, met het grootste aantal illegale transporten (vooral te wijten aan gebrekkige traceerbaarheid tot de verwerker). De meeste controles gebeurden op de export naar het Verre Oosten (China, Hong Kong) en de rest van Azië (India, Pakistan).

Evolutie aantal gecontroleerde partijen in de havens 2006

2007

2008

2009

2010

Totaal gecontroleerd

71

190

225

332

337

Vlaamse oorsprong

35

81

112

196

213

5

10

23

28

33

14%

12%

21%

14%

15%

Illegaal van Vlaamse oorsprong % Illegaal van Vlaamse oorsprong

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 71


Andere belangrijke afvalstromen zijn metaalschroot en papierafval. Vooral bij export van metaal werden overtredingen vastgesteld, en ook hier lag de reden bij een gebrekkige traceerbaarheid tot de eindverwerker. MI ontving vanwege de douane en FLI slechts een beperkt aantal meldingen van uitvoer van elektrische en elektronische toestellen (‘e-goederen’) naar Afrika en het Midden-Oosten, wellicht omdat het grootste deel van deze trafiek afkomstig is uit andere lidstaten. Van de 12 onderzochte partijen bleken er drie als afval beschouwd te moeten worden. Wegcontroles Afvalstoffen moeten op elk ogenblik traceerbaar zijn. Wanneer een vrachtwagen geladen met afvalstoffen onderweg wordt gecontroleerd, moet het voor de toezichthouder onmiddellijk duidelijk zijn waar het afval vandaan komt, waar het zal verwerkt worden en, belangrijker nog, wat de juiste inhoud van de lading is. In 2010 heeft MI samen met de politiediensten 27 wegcontroles uitgevoerd. Enkele van deze wegcontroles waren verspreid over verschillende locaties. In totaal controleerde MI op die manier 214 vrachtwagens geladen met afval, waarvan er 206 onder Vlaamse bevoegdheid vielen. Daarnaast gaf MI telefonische assistentie voor 7 politieacties. Het totale aantal controles lag hoger dan gepland, door de veelvuldige aanvragen voor assistentie voor de acties in het kader van het Augias Project van de politie (najaar 2010). De meest gecontroleerde afvalstromen waren metaalschroot, gemengd bedrijfsafval, houtafval en bouw- en sloopafval. Het aandeel transporten in overtreding blijft constant in vergelijking met de vorige jaren (ca. 30%). De meeste overtredingen hebben te maken met traceerbaarheid: ontbrekende, onvolledige of foutieve transportdocumenten zoals het identificatieformulier of de Bijlage VII.

72 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Illegale grensoverschrijdende afvaltransporten Onder “illegaal” wordt verstaan: alle transporten die voldoen aan de definitie van artikel 2.35 van de EVOA: zonder kennisgeving, met een vervalste kennisgeving, tegen een verbod in, zonder Bijlage VII-document, of met een Bijlage VII die niet met de realiteit overeenkomt, … Het aantal vaststellingen is in 2010 gestegen tot 51. De stijging is o.a. te verklaren omdat bij MI meer aandacht ging naar de traceerbaarheid tot de bestemming. In 10 gevallen gaf een vaststelling aanleiding tot een terugzending volgens artikel 24 van de EVOA. Er werden 26 aanvankelijke pv’s opgesteld, waarvan 24 door MI. De meeste vaststellingen gebeuren tijdens eigen (MIP-) controles in de havens en langs de openbare weg. Ook het aantal meldingen van illegale transporten door binnenlandse (voornamelijk FLI) en buitenlandse (voornamelijk VROM) autoriteiten is toegenomen. Bij de meeste vaststellingen was er een probleem met de traceerbaarheid van de transporten tot aan de correcte bestemmeling. Voor de Aziatische bestemmingen was er een bijkomend probleem van illegale export van nietgenoemde afvalstoffen (waarvoor een kennisgevingsprocedure geldt). Binnen Europa ging het voornamelijk over export van niet-genoemd of gevaarlijk afval.


Bodem en Grondwater De controles die verband houden met de bodem- of grondwaterproblematiek, worden bij MI gecoĂśrdineerd door de werkgroep Bodem & Grondwater. Hierin is elke buitendienst van de afdeling met een toezichthouder vertegenwoordigd, alsook een werkgroepgangmaker vanuit het Hoofdbestuur. Het controleren van grondwaterwinningen in het Vlaams Gewest maakte ook in 2010 de hoofdmoot uit van de activiteiten waarmee de werkgroep zich bezighield. Deze controles gebeurden zowel actief bij de bedrijven op het terrein als administratief (controle van de zelfcontrole). Een meer uitgebreide rapportering van dit type van controles van de afgelopen jaren (20052009) en de vastgestelde trends kan u terugvinden in het voorgaande milieuhandhavingsrapport van de afdeling. Naast de controle op grondwaterwinningen werd in 2010 een nieuw opgestart project uit 2009 verdergezet, waarin de verplicht te installeren grondwatermeetnetten (peilputten) rond stortplaatsen aan een grondige controle werden onderworpen.

Controles op grondwaterwinningen De grondwatervoorraden in de verschillende watervoerende lagen van de Vlaamse ondergrond vormen een belangrijke natuurlijke rijkdom waarvan verschillende sectoren gebruik maken. In afnemend belang kunnen hier de drinkwatersector, de industrie, de handel en de overige diensten worden vermeld. Eind 2010 zijn er ca. 23.000 vergunde grondwaterwinningen in het Vlaams Gewest gekend met een totaal vergund jaarvolume van 438 miljoen mÂł (Bron: Databank Ondergrond Vlaanderen). De effectief onttrokken volumes grondwater uit al deze vergunningen worden geschat op 60% van deze vergunde hoeveelheid, ofwel 262 miljoen mÂł. De onttrokken volumes door particuliere winningen, bronbemalingen en bodemsaneringswerken zijn hierin niet inbegrepen. De vergunningsplicht met de daarin opgelegde voorwaarden vormt een belangrijke pijler van het grondwaterbeheer. MI houdt, voor de inrich-

tingen waar zij die bevoegdheid heeft, het noodzakelijke toezicht op de correcte vertaling van dit beleid op het terrein en koppelt eventueel vastgestelde knelpunten terug. In 2010 werden 46 bedrijven met een vergunde grondwaterwinning onderworpen aan een uitgebreide controle op terrein. Het al dan niet naleven van de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden op de grondwaterwinning werd hierbij door middel van een uitgebreide checklist gecontroleerd. Zowel de uitrusting en onderhoud van de putten zelf als de daarbij horende meetverplichtingen (debiet, waterpeil, waterkwaliteit), -registratie en correct afsluiten van verlaten winningen kwamen aan bod. Daarnaast werden 16 bedrijven onderworpen aan een administratieve controle (controle op de zelfcontrole) van de registers. Als hieruit grote tekorten bleken, werden ze opgenomen in de planning voor een uitgebreidere terreincontrole. Een overzicht van het percentage van bedrijven met vastgestelde gebreken gerelateerd aan de grondwaterwinning in 2010 en de evolutie hiervan de voorbije jaren is weergegeven in het onderstaande kolomdiagram. Hieruit blijkt dat in 2010 bij ca. 75% van de gecontroleerde bedrijven een of meerdere gebreken werden vastgesteld. Voornamelijk de gebrekkige putafwerking (50%), het niet correct uitvoeren van grondwateranalyses (33%) en het niet correct afdichten van verlaten grondwaterwinningen (24%) vallen in 2010 als concrete gebreken op gerelateerd aan de grondwaterkwaliteit. Wat betreft grondwaterkwaliteit waren er in 2010 vaak gebreken bij de debietmeters (35%), de registratie van de gemeten debieten (29%), het niet aanwezig zijn van voldoende peilputten (44%) en de registratie van de gemeten peilen (41%). In 2010 werden er in het kader van deze gerichte controles 34 aanmaningen, 2 raadgevingen en 6 processen-verbaal opgesteld. Voor een gedetailleerde beschrijving van de organisatie van de controles, de vastgestelde evolutie in de tijd, de mogelijke oorzaken van het hoge percentage aan gebreken en de knelpunten bij de controles kan verwezen worden naar het handhavingsrapport 2009 van MI.

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 73


Controles meetnetten rond stortplaatsen Stortplaatsen kunnen, afhankelijk van hun ligging (hydrogeologie), grootte en inhoud een risico inhouden voor het in de omgeving aanwezige grondwater. Daarom zijn er in de Vlarem-reglementering specifieke voorwaarden ingeschreven om het grondwater te beschermen. In eerste lijn wordt de bescherming uitgevoerd door de constructie van de stortplaats zelf, bv. de aanwezigheid van een percolaatdrainagesysteem, een afsluitlaag (geologische barrière) en kunstmatige barrière (folie). De correcte werking van deze beschermingsmiddelen wordt in 2e lijn gecontroleerd door een grondwatermeetnet. Voor elke watervoerende laag die door de stortplaats kan worden beïnvloed, moeten minimum 3 peilputten worden aangelegd. Minstens 1 daarvan moet gelegen zijn langs de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats instroomt en 2 langs de zijde waar het grondwater het gebied van de groeve uitstroomt. Deze peilputten moeten jaarlijks gemonitord op grondwaterpeil en –kwaliteit worden. De nazorg bedraagt standaard 30 jaar. Van de monitoring en de vastgestelde trends moet jaarlijks door de exploitant een rapport worden opgesteld en bezorgd aan MI en OVAM. In het kader van dit project zijn de afgelopen 2 jaar 20 stortplaatsen gecontroleerd, waarvan de ene helft enkel administratief en de andere helft zowel administratief als op het terrein. Bij de administratieve controles werden de vergunningstoestand van de stortplaats en de administratieve gegevens van het meetnet gecontroleerd, nl. de liggingsplannen, putfiches, testpompingen, nivellering, meetfrequentie en jaarlijkse rapportering. Bij de terreincontrole werd de effectieve ligging van het meetnet op het terrein gecontroleerd (staat, onderhoud, bereikbaarheid,…) en de overeenstemming met de aanwezige administratieve gegevens. Bij 12 van de 20 gecontroleerde stortplaatsen werden tekortkomingen m.b.t. het grondwatermeetnet vastgesteld en een aanmaning opgesteld. Wat betreft de administratieve verplichtingen kan worden gesteld dat exploitanten vaak niet op de hoogte zijn van de specifieke sectorale verplichtingen. Op stortplaatsen lopen er vaak ook een of meerdere bodemonderzoeken (oriënterend of beschrijvend). Men gaat er dan soms verkeerdelijk van uit dat wanneer men aan de monitoring daarin omschreven

74 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

voldoet (volgens het bodemdecreet & Vlarebo), men ook automatisch voldoet aan de Vlarem-verplichtingen terzake. De jaarlijkse rapportering bevat dan ook niet altijd de noodzakelijke gegevens (parameters, evoluties,…) of ontbreekt zelfs in sommige gevallen. Bij de terreincontroles blijkt vaak een gebrekkige aandacht voor het onderhoud van de peilputten. De peilbuizen worden onvoldoende afgeschermd (ontbreken van een goede stevige beschermkoker met slot) of geïdentificeerd (label). Dit heeft tot gevolg dat de peilputten worden beschadigd, dichtslibben en soms zelfs op termijn niet meer worden teruggevonden door gebrekkige nivellering. Een dergelijke ‘verloren’ peilput vormt echter wel een ernstig risico voor grondwaterverontreiniging, aangezien de peilbuis een rechtstreeks contact vormt tussen het maaiveld en de onderliggende watervoerende laag of lagen. Bemonstering uit een defecte peilput is ook niet representatief voor de watervoerende laag en geeft aldus een vertekend beeld van de realiteit in de rapportering. Het is dan ook essentieel dat elke wijziging aan het meetnet door de exploitant correct wordt bijgehouden en dat defecte peilputten worden opgevuld. Dit is echter vaak niet het geval: als men de peilputten niet meer vindt, wordt gewoon elders opnieuw geboord. In verschillende gevallen werd vastgesteld dat materiaal voor de bemonstering van grondwater (darmen, pompen) niet werd verwijderd uit de peilputten, wat een bijkomend risico voor contaminatie inhoudt. In een enkel geval werd vastgesteld dat de aanwezige inrichting voor het wegpompen van regenwater uit het stortvak zover was ingegraven in de bodem van de stortplaats dat de hele hydrogeologische barrière en dus de onderste beschermlaag van de stortplaats werd doorbroken. MI bezorgde al haar bevindingen aan OVAM, dat in de sectorale voorwaarden is aangeduid als instantie die richtlijnen moet geven voor de aanleg van de meetnetten. Hierbij gaf MI ook de inhoud van de aanmaningen door aan OVAM zodat zij zowel de bepalingen van Vlarebo als Vlarem accurater kan opvolgen.


Geluid en Trillingen De werkgroep Geluid en Trillingen behandelde in 2010 zoals gebruikelijk klachten over geluid en trillingen, en akoestische onderzoeken uitgevoerd door erkende milieudeskundigen.

Routinemetingen geluid en trillingen De metingen worden georganiseerd naar aanleiding van klachten. In 2010 ontving MI 388 klachten m.b.t. geluids- of trillingshinder. Voor de afhandeling van klachten over geluid en trillingen beschikt MI over een aantal gespecialiseerde toezichthouders en over moderne meetapparatuur. Een geluidsmeter meet steeds een totaal niveau. Dat betekent dat niet alleen het gezochte specifieke geluid wordt gemeten, maar ook alle stoorgeluiden. Om een beoordeling van het specifieke geluid mogelijk te maken, bestaat de kunst erin die niveaus uit elkaar te houden. Dat is niet altijd een eenvoudige opgave. En bij de behandeling van klachten over trillingen kan het nog ingewikkelder worden. In 2010 voerde MI 24 geluids- en trillingsmetingen uit. Daarbij moet worden opgemerkt dat een geluidsmeting verschillende uren kan duren. Een beperkt akoestisch onderzoek dat door MI wordt uitgevoerd, kan verschillende geluidsmetingen omvatten.

Akoestische onderzoeken Bij akoestische onderzoeken blijven twee problemen opduiken: het gebruik van statistische parameters en het beoordelen van geluidshinder door middel van volledige akoestische onderzoeken. Het gebruik van statistische niveaus als akoestische grootheden voor het specifieke geluid. De akoestische grootheid die hinder karakteriseert en aan de norm voor het specifiek geluid is gekoppeld, is niet gedefinieerd in Vlarem. Ten onrechte wordt daarom soms een statistisch niveau als maat voor de hinder genomen. Het statistisch niveau LA50,T bijvoorbeeld geeft het geluidsniveau dat gedurende 50 % van de tijd overschreden wordt. Het geeft echter geen enkele informatie over de manier waarop dat niveau wordt overschreden, dus ook niet over piekgeluiden. Het zijn net die pieken die de grootste hinder veroorzaken. Daarom is het noodzakelijk om bij gebruik van statistische niveaus tegelijk ook meetresultaten te rapporteren die informatie geven over piekgeluiden, uitgedrukt in LAeq,1s waarden.

Het beoordelen van hinder door middel van ‘volledige akoestische onderzoeken’ Vlarem II kent twee soorten akoestische onderzoeken, het ‘beperkt’ (BAO) en het ‘volledig’ (VAO) akoestisch onderzoek. Het BAO is het onderzoek dat gebruikt wordt door de toezichthoudende ambtenaar en dient uitsluitend voor de beoordeling van hinder. In die zin is het beperkt. Het VAO wordt gebruikt bij vergunningsverlening en beleidsbepaling. Soms wordt het, ten onrechte, ook gebruikt voor het beoordelen van hinder. Het VAO moet voldoen aan de bepalingen van bijlage 4.5.1 van Vlarem II, maar de werkwijze die in de bijlage wordt beschreven, is in veel gevallen niet geschikt om geluidshinder te beoordelen. Als een deskundige toch de opdracht krijgt om hinder te onderzoeken via een VAO, dan mag hij zich niet beperken tot de werkwijze van bijlage 4.5.1 maar moet hij deze werkwijze op verantwoorde wijze aanvullen zoals hierna beschreven. De meetplaatsen Volgens bijlage 4.5.1 moet gemeten worden op minder dan 200 m van de inrichting in de nabijheid van bewoonde gebouwen, als die er zijn. De richtwaarden van hoofdstuk 4.5 ‘Beheersing van geluidshinder’ van Vlarem II gelden echter in open lucht, dus overal waar hinder kan optreden, bijvoorbeeld aan scholen, hospitalen, tuinen,… Als een VAO gebruikt wordt om hinder te beoordelen, moet er dus niet enkel gemeten worden in de omgeving van bewoonde gebouwen maar ook op plaatsen waar er geluidsklachten zijn en waar de hinder of de overschrijding van de normen het hoogst is. De meetresultaten Het VAO vindt zijn oorsprong in de jaren tachtig, nog vóór Vlarem II van kracht werd.. Het is dan ook geschreven voor de apparatuur van toen, wat blijkt uit de te meten akoestische grootheden: LAeq,1u; LA5,1u; LA50,1u en LA95,1u. Een uur meten levert dus slechts vier getallen op. Van die vier zullen er meestal twee bepaald worden door stoorgeluiden (verkeer, hondengeblaf,…) en dus onbruikbaar zijn. Die grootheden laten niet toe om vast te stellen of er – meestal hinderlijk – tonaal geluid is. Wellicht kan evenmin vastgesteld worden of de richtwaarden van bijlage 4.5.5 van Vlarem II al dan niet overschreden worden. De wetgeving stelt dat het omgevingsgeluid moet gemeten worden als LAeq,1s. Zo moet dat geluid dan ook in de rapporten worden weergegeven.

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 75


Genetisch Gemodificeerde Organismen Het manipuleren van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) en pathogene organismen kan bepaalde risico’s voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu met zich meebrengen. De term GGO’s is een verzamelnaam voor micro-organismen (bv. bacteriën en virussen), planten en dieren waarvan het genetisch materiaal (DNA) op kunstmatige wijze wordt gemanipuleerd. Pathogene organismen zijn micro-organismen die een ziekte kunnen verwekken bij mensen, dieren of planten. De wetgeving omtrent ingeperkt gebruik van dergelijke organismen komt erop neer dat een inrichting die GGO’s of pathogene organismen aanmaakt of onderzoekt, een risicoanalyse moet maken van haar activiteiten. Op basis van die risicoanalyse wordt het bedrijf ingedeeld in een van de vier risicoklassen. Aan elk risiconiveau zijn een aantal maatregelen verbonden om te verhinderen dat mens en leefmilieu worden blootgesteld aan die organismen. Naarmate het risiconiveau stijgt, zijn er meer en stringentere inperkingsmaatregelen vereist.

In een tweede deel van de inspectiecampagne werden 5 inrichtingen gecontroleerd die vermoedelijk activiteiten uitvoeren met GGO’s of pathogene organismen, maar die hiervoor geen toelating, noch een milieuvergunning hebben aangevraagd. Er werden 5 controles uitgevoerd bij ziekenhuizen, klinische laboratoria en onderzoekslabo’s. Van de 5 gecontroleerde bedrijven bleken er 2 effectief met pathogene organismen of met GGO’s te werken. MI verbaliseerde de niet-vergunde inrichtingen en maande alle inrichtingen aan om zich zo snel mogelijk te regulariseren door een vergunningsaanvraag in te dienen. In de komende jaren plant MI nog gelijkaardige inspectiecampagnes.

Microbiële veiligheidskasten Inspectiecampagne In navolging van voorgaande inspectiecampagnes controleerde MI in eerste instantie 22 inrichtingen. Volgende aspecten werden bij een inspectie nagegaan: -- zijn alle afzonderlijke activiteiten vergund en toegelaten? -- is er een juiste inschatting van het risiconiveau? -- worden de inperkingsmaatregelen opgelegd in de milieuwetgeving of de toelating correct toegepast? -- neemt de gebruiker alle nodige maatregelen om schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu te voorkomen? Bij 5 van de 22 bedrijven stelde MI tekortkomingen vast op de geldende inperkingsmaatregelen zonder dat er rechtstreeks gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu was. MI maande de exploitant aan alle verplichtingen na te komen. Vaak voorkomende tekortkomingen waren o.a.: het niet correct opslaan van het risicohoudend medisch afval (RMA), het niet valideren van desinfectiemethoden, het onvoldoende beschikken over vereiste procedures, het niet correct gebruiken van de recipiënten voorzien voor RMA, afwezigheid van registers met alle organismen, geen verplichte controle uitgevoerd van de microbiële veiligheidskast, …

76 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

In 2010 besteedde MI bijzondere aandacht aan de werking van de microbiële veiligheidskasten (MVK). Een MVK heeft twee doeleinden: een eerste is verhinderen dat microbiële organismen vrijkomen in het milieu; een tweede is de uitgevoerde proeven in de MVK beschermen tegen contaminaties van andere organismen. Als een labo beschikt over een MVK vereist de regelgeving dat de werking ervan minstens jaarlijks en bij elke verplaatsing gecontroleerd wordt. Deze controle moet uitgevoerd worden door een technisch deskundige volgens bepaalde normen. In het verleden vertrouwde MI erop dat de aanwezigheid van positieve rapporten voldoende was om de veiligheid te garanderen. In 2010 besliste MI om een eigen technisch deskundige onder de arm te nemen en zelf 8 testen te laten uitvoeren op de goede werking van MVK’s. Twee MVK’s werden afgekeurd. Bij één lekte de HEPA-filter die het werkoppervlakte moet beschermen tegen contaminatie en bij de andere was de HEPA-filter op de uitlaat niet bereikbaar voor meting. Het eerste vormde geen onmiddellijk risico voor het milieu. Het tweede werd bij nog meer MVK’s (die verder niet getest werden) vastgesteld. Al deze MVK’s hadden, volgens de rapporten van de deskundigen, reeds dergelijke testen met succes ondergaan, wat vragen doet rijzen over de grondigheid van deze testen.


MI vond de testen dan ook zeer nuttig omdat ze enerzijds zelf meer inzicht kon verwerven in de werking en de controlerapporten van de MVK’s en anderzijds toch een aantal slechtwerkende MVK’s ontdekte en de situatie kon laten regulariseren. MI besliste daarom om deze testen te herhalen en meer data te verzamelen om in de toekomst de foute rapportering van de goede werking van MVK’s aan te pakken.

Toezicht zwarerisicobedrijven Het grootste deel van de activiteiten van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven (TZR) stond in 2010 in het teken van de preventie van zware ongevallen bij de zogenaamde Sevesobedrijven. Daarnaast ging er ruime aandacht naar de controle van de veiligheidsaspecten bij afvalverwerkers en van grote opslag van gevaarlijke producten.

Uitvoering van het Samenwerkingsakkoord Op 26 juni 2001 werd het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn (verder kortweg Samenwerkingsakkoord) van kracht. Daarmee werd in belangrijke mate de omzetting van de zogenaamde Seveso II-richtlijn gerealiseerd. Het doel van die richtlijn is de realisatie van een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. Omdat volgens de Europese Unie verschillen in de regelingen voor inspecties door de bevoegde autoriteiten tot verschillende beschermingsniveaus kunnen leiden, stelt de richtlijn ook hoge eisen aan de inspectie door de overheid. Het Samenwerkingsakkoord vertaalt de vereisten van de richtlijn naar de Belgische situatie met gedeelde bevoegdheden voor de federale staat (arbeidsbescherming) en de gewesten (bescherming van de omgeving, mens én milieu). Per gewest werd een inspectieteam opgericht met alle betrokken inspectiediensten, op basis van gelijkwaardigheid en met behoud van alle bevoegdheden. Op die manier zijn er per gewest twee inspectiediensten bevoegd voor een bepaalde inrichting: de gewestelijke milieu-inspectie (TZR van MI in het Vlaams Gewest) en de federale inspectiedienst die bevoegd is voor de bescherming van de werknemers.

De belangrijkste taak van het inspectieteam is de uitbouw van een inspectiesysteem dat voldoet aan de gestelde eisen: een inspectieprogramma voor álle Seveso II-inrichtingen, een rapport van elke inspectie en terugkoppeling naar de bedrijfsleiding. De inspectieteams hebben ook taken inzake ongevallenonderzoek, de rapportering daarvan aan de Europese Commissie en het opleggen van een exploitatieverbod volgens bestaande regelgeving als blijkt dat de exploitant duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen voor mens en milieu te beperken. Twee reeksen van drempelwaarden voor tien categorieën van gevaarlijke stoffen en voor een aantal benoemde stoffen bakenen het toepassingsgebied van het Samenwerkingsakkoord af. Daardoor ontstaan drie groepen van bedrijven: -- inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden beneden de eerste drempel: deze bedrijven vallen niet onder het toepassingsgebied; -- inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden tussen de eerste en de tweede drempel, de zogenoemde lagedrempelinrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal verplichtingen, zoals kennisgeving, algemene zorg- en aantoonplicht en preventiebeleid zware ongevallen; -- inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden boven de tweede drempel, de zogenoemde hogedrempelinrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal extra voorschriften, zoals veiligheidsrapport en veiligheidsbeheersysteem. Door de hoge industrialisatiegraad telt het Vlaams Gewest een groot aantal Sevesobedrijven. Bovendien is dat aantal variabel, bijvoorbeeld door wijzigingen van bedrijfsstructuren of van de aanwezige gevaarlijke stoffen. Het Samenwerkingsakkoord bevat geen gedetailleerde, technische voorschriften, de ambitieuze doelstelling is vertaald in twee kernverplichtingen voor de exploitanten van Sevesobedrijven: -- alle nodige maatregelen treffen: zware ongevallen voorkomen én gevolgen ervan beperken voor mens en milieu (zorgplicht) -- te allen tijde aan inspectiediensten kunnen aantonen dat de passende maatregelen werden genomen (aantoonplicht).

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 77


Seveso II-inspectieprogramma Opmaak van het inspectieprogramma Jaarlijks stellen de Seveso-inspecteurs van beide bevoegde inspectiediensten in onderling overleg een ontwerpinspectieprogramma op voor het volgende werkjaar. Daarbij leggen ze het doel en de reikwijdte van de inspecties vast en bepalen ze welke inspectiedienst ingezet wordt. Zowel gezamenlijke inspecties als controles door één inspectiedienst zijn mogelijk. Het is van groot belang dat het doel en de reikwijdte van de inspecties goed worden vastgelegd. De inspecties moeten immers door onderzoek van de bedrijfsinterne systemen een totaalbeeld geven van de risico’s van de bedrijfsactiviteiten en de beheersing ervan. Met de beschikbare inspectiecapaciteit is het echter niet mogelijk per inspectie voldoende tijd te voorzien om alle bedrijfsinterne systemen te onderzoeken en dat totaalbeeld te verkrijgen. Daarom worden voor elke inspectie doel en reikwijdte vastgelegd en wordt een deelaspect gecontroleerd. In de loop der jaren wordt door de uitvoering van de jaarprogramma’s het totaalbeeld verkregen. Het inspectieprogrammasysteem gaat uit van ‘inspectiedomeinen’, de verschillende technische, organisatorische en bedrijfskundige systemen die moeten worden onderzocht en die toelaten om per bedrijf de aspecten die belangrijk zijn voor de preventie van zware ongevallen gestructureerd in kaart te brengen: Sevesostatus/initiële inspectie, procesinstallatie, operationeel personeel, gevaarlijk werk, noodplanning, ongevallen en incidenten en preventiebeleid zware ongevallen. Inspectiedomeinen kunnen opgesplitst worden in functie van de bedrijfsstructuur (productie-eenheden, verantwoordelijke afdelingen, …). De inspectiediensten bepaalden de verschillende inspectiedomeinen voor de bedrijven en in functie daarvan legden ze het inspectieprogramma vast voor 2010. Voor de verschillende inspectiedomeinen staan verschillende inspectiemethoden ter beschikking. De inspectieinstrumenten “nieuwe stijl” worden sinds 2008 afgestemd op de inspectiedomeinen. In 2010 waren, naast de oudere checklists die vooral standaardinstallaties betreffen, volgende inspectie-instrumenten (in testversie) beschikbaar: Magazijnopslag (inspectiedomein procesinstallaties), Preventieve actieve maatregelen (inspectie-

78 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

domein procesinstallaties), Procesveiligheidsdocumentatie (inspectiedomein procesinstallaties), Ontwerpen en wijzigen van procesinstallaties (inspectiedomein procesinstallaties), Onderzoek van ongevallen en incidenten (inspectiedomein ongevallen en incidenten), Atmosferische bovengrondse opslagtanks (inspectiedomein procesinstallaties), Inspectie en onderhoud (inspectiedomein procesinstallaties), Noodplanning (inspectiedomein noodplanning). De inspectiediensten werkten ook aan andere inspectie-instrumenten. De werkwijze werd in de loop van 2010 aangepast waardoor de inspectieinstrumenten nu eerst in discussieversie verschijnen. Na een inspraakperiode wordt de eerste versie gepubliceerd en in gebruik genomen. Bij het vastleggen van het inspectieprogramma per bedrijf houden de inspecteurs rekening met de beschikbare gegevens: vergunningen, kennisgeving, veiligheidsrapporten, gegevens uit eerdere inspecties, milieu- en veiligheidstechnische voorgeschiedenis, belangrijke wijzigingen, voorvallen in het betrokken bedrijf of in vergelijkbare bedrijven. Ze waken erover dat de verschillende bedrijfsinterne systemen aan bod komen (technisch, organisatorisch, beheer). Daarbij besteden ze bijzondere aandacht aan de installaties met het grootste risico, aan de systemen die ontoereikend of onvoldoende performant zijn en aan de verantwoordelijkheidszin van de bedrijfsleiding. Een belangrijk kenmerk van het inspectieprogramma is het dynamische karakter ervan: als de actualiteit dat vereist (wijzigingen, voorvallen, nieuwe inzichten, …) wordt het programma aangepast. Uitvoering van het inspectieprogramma In 2010 voerden de veertien toezichthouders van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven 355 inspecties uit in 242 bedrijven, het merendeel daarvan samen met de federale collega’s van de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s. Meer concreet betekenen die cijfers dat MI in 2010 bij 74 % van de bekende lagedrempelinrichtingen en bij 88 % van de bekende hogedrempelinrichtingen een deelaspect van de veiligheidsproblematiek onderzocht. Bij het aantal inspecties moet een aantal kanttekeningen worden geplaatst. Eén inspectie kan meerdere inspectiedomeinen of inspectiemethoden omvatten. Zo kan


bijvoorbeeld een onderzoek van een specifiek risico voor het inspectiedomein procesinstallatie worden gecombineerd met de voortgangscontrole van de actieplannen naar aanleiding van eerdere controles in hetzelfde of een ander inspectiedomein. Eén inspectie kan eveneens gespreid zijn over verschillende dagen. Controles door Toezicht zwarerisicobedrijven Aantal gecontroleerde hogedrempelinrichtingen

121

Aantal gecontroleerde lagedrempelinrichtingen

101

Aantal gecontroleerde drempel 0-inrichtingen

17

Totaal aantal gecontroleerde inrichtingen

242

Aantal uitgevoerde inspecties

355

Als principe geldt dat er na elke inspectie vanwege de inspectiediensten een handhavingsbrief vertrekt naar het bedrijf. Voor MI kan het daarbij gaan om raadgevingen en aanmaningen, zowel op grond van het Samenwerkingsakkoord als op grond van het Milieuhandhavingsdecreet, afhankelijk van de problematiek en van de effectiviteit van de handhaving. Omdat de belangrijkste verplichting in het Samenwerkingsakkoord (de zorgplicht) geformuleerd is als een doelvoorschrift, zullen de inspecteurs in de meeste gevallen een aanmaning geven tot het treffen van de nodige corrigerende acties en het bezorgen van een actieplan. De meest opvallende vaststelling bij de uitvoering van het inspectieprogramma is het zeer grote aantal voortgangscontroles. Bij ruim de helft van de inspecties was de voortgangscontrole van de tijdige en effectieve uitvoering van de gedefinieerde acties een belangrijk thema. Die constatering illustreert treffend het belang dat MI hecht aan voortgangscontrole. Bij de voortgangscontroles stelden de inspecteurs vast dat het voor heel wat bedrijven moeilijk blijkt om volledige en realistische actieplannen op te stellen en vervolgens de vastgelegde maatregelen te implementeren binnen de voorziene uitvoeringstermijnen. Verdere inventarisatie van de Sevesobedrijven en de bepaling van de Sevesotatus bleven belangrijk in 2010. Wijzigingen in bedrijfsstructuren en -activiteiten gaven aanleiding tot wijzigingen in Sevesostatus. Zo is er de laatste tijd een beweging waarneembaar van opsplitsing van bedrijven in verschillende eenheden die door gehele of gedeeltelijke overnames een andere organisatiestructuur krijgen. De inspectiediensten besteedden de nodige aandacht aan deze wijzigingen omdat die de beheersing van zware ongevallen kunnen beïnvloeden: de bedrijfsleiding en dus het preventiebeleid (kunnen) veranderen, bedrijfssystemen worden al dan niet mee overgenomen en evolueren in de tijd.

De economische heropleving resulteerde dan weer in flink wat investeringsprojecten bij bestaande bedrijven en in nieuwe Sevesobedrijven, vooral in de opslag- en distributiesector. Anderzijds zijn er bedrijven verdwenen van de lijst, doordat de bedrijfsactiviteiten veranderden of werden stopgezet, de hoeveelheden gevaarlijke stoffen werden verminderd, of de indeling van die stoffen wijzigde. Uit een analyse van de zware ongevallen die werden gemeld aan de Europese Commissie blijkt dat het merendeel ervan het gevolg was van beheerstechnische en organisatorische tekortkomingen. Goede organisatorische systemen zijn dus onontbeerlijk voor de beheersing van de risico’s van zware ongevallen en daarom hechten de inspectiediensten blijvend een groot belang aan de systematische controle ervan. De inspecteurs gebruikten voor de meeste systeeminspecties in 2010 de inspectieinstrumenten “nieuwe stijl”: de nadruk lag daarbij veel meer op de evaluatie van de effectieve implementering van de elementen van het veiligheidsbeheersysteem in de bedrijven. In 2010 kregen bijvoorbeeld de noodplanning, de uitvoering en documentering van risico-onderzoeken, de organisatie van inspectie en onderhoud, en de wijze van onderzoek van ongevallen en incidenten ruime aandacht. De inspecteurs deden daarbij een aantal markante vaststellingen. Voor heel wat (kleinere) bedrijven bleek het nog moeilijk om gedegen risico-onderzoeken te maken en die ook goed te documenteren. Nog niet alle bedrijven slaagden erin de milieurisico’s verder uit te werken en dus de vrijzettingsstappen en de milieugevolgen goed in kaart te brengen. Ook werd de link tussen de risico-onderzoeken, de scenario’s van zware ongevallen (inclusief de preventieve en mitigerende maatregelen) en de noodplanning nog onvoldoende gemaakt. Melding van relevante incidenten en ongevallen aan de juiste overheidsdiensten bleef een heikel punt. Uit het onderzoek van de inspectie- en onderhoudssystemen bleek duidelijk dat een goede opvolging van de inspecties en het onderhoud noodzakelijk is en blijft. Niet alleen moeten de inspecties en het onderhoud tijdig en op de juiste manier (blijven) gebeuren, ook de vastgestelde tekortkomingen moeten effectief worden gecorrigeerd binnen het voorziene tijdsbestek. Vrijwel geen enkel bedrijf heeft een alomvattend inspectie- en onderhoudssysteem. In vele gevallen zijn de taken i.v.m. inspectie en onderhoud verdeeld over meerdere mensen of diensten, die elk een eigen manier hebben om de opvolging te verzekeren. De inspecteurs stelden ook een groeiend bewustzijn vast rond de noodzaak van risicogebaseerde inspectie- en onderhoudssystemen en dat vooral in het

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 79


licht van de veroudering van de installaties. Daarnaast onderzochten de inspecteurs in 2010 verschillende ongevallen en incidenten: een explosie en branden aan reactoren, een val van een kubitainer met HF, accidentele vrijzettingen van ethyleenoxide, TDI, propyleen en onverbrande kraakgassen, … Bij een ongeval of incident doet het inspectieteam de eerste vaststellingen ter plaatse (feiten, getroffen noodmaatregelen, …) en geeft het bedrijf de opdracht het ongeval of incident te onderzoeken (oorzaken, gevolgen voor mens en milieu, …). Het bedrijf moet dan op basis van de onderzoeksresultaten een actieplan opstellen met maatregelen om herhaling te voorkomen en maatregelen voor herstel en schoonmaak van het milieu. Bij diverse voortgangscontroles volgt het inspectieteam dan de uitvoering van het actieplan op.

Andere specifieke handhavingscampagnes: controle van de veiligheidsaspecten bij afvalverwerkers en van grote opslag van gevaarlijke producten Naar aanleiding van enkele branden in afvalverwerkende bedrijven stelde zich de vraag naar de veiligheid bij de exploitatie van dergelijke inrichtingen. Daarom bracht TZR in 2009 de problematiek in kaart door de veiligheidsaspecten bij afvalverwerkers te inventariseren en te onderzoeken, en te vertalen naar een inspectie-instrument voor systematische controles. Het inspectie-instrument beschrijft in een eerste hoofdstuk de voornaamste ongevalsscenario’s bij afvalverwerkers: broei gevolgd door brand, (stof)explosie en het vrijkomen van een gevaarlijke stof (toxisch of milieugevaarlijk). Het scenario-onderzoek vormt de basis voor de bepaling van de nodige preventieve en mitigerende maatregelen. Omdat het Vlarem II i.v.m. veiligheid bij afvalverwerkers vooral zorgplichtbepalingen bevat en vrijwel geen concrete voorwaarden, stelt de leidraad maatregelen uit codes van goede praktijk voor als concretisering van die plicht. Het tweede deel van het instrument bevat een leidraad voor de systematische controle van de veiligheidsaspecten bij afvalverwerkers. In 2009 gebruikten toezichthouders van TZR samen met collega’s van de buitendiensten het inspectie-instrument voor systematische controles bij vijf afvalverwerkers en

80 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

in 2010 bij nog eens twee afvalverwerkers per provincie. De belangrijkste inspectiebevindingen waren: het niet of onvolledig uitvoeren van risico-onderzoeken, het ontbreken van een zoneringsplan en een explosieveiligheidsdocument, het ontbreken van geschreven onderrichtingen voor het personeel, het onvoldoende uitwerken van een noodplan en het onvoldoende uitwerken van een procedure voor het melden van ongevallen en voorvallen. Ook waren in sommige bedrijven de elektrische installaties niet conform en was de opvangcapaciteit voor verontreinigd bluswater onvoldoende of niet in overleg met de brandweer vastgelegd. De exploitanten kregen corrigerende maatregelen opgelegd en moesten daartoe een actieplan opstellen en uitvoeren. In 2009 ontwikkelde TZR eveneens een inspectie-instrument voor de controle van bedrijven met een grote opslag van gevaarlijke producten, die (net) buiten het toepassingsgebied van de Sevesoregelgeving vallen. Daartoe werden de veiligheidsaspecten bij de exploitatie van dergelijke opslag zowel in vaste houders als in verplaatsbare recipiënten (magazijnopslag) onderzocht. Het inspectie-instrument vermeldt eveneens de gedetailleerde voorschriften van Vlarem II met betrekking tot de opslag van gevaarlijke producten. Speciale aandacht gaat naar de brandpreventie en -bestrijding en naar de bluswateropvang. Met dit inspectie-instrument als leidraad voerden toezichthouders samen met collega’s van de buitendiensten in 2009 en 2010 controles uit in 18 bedrijven met een grote opslag van gevaarlijke producten. Deze controles omvatten zowel een administratieve controle van documenten als een verificatie aan diverse wettelijke bepalingen tijdens een rondgang. De belangrijkste correctieve acties waartoe de exploitanten naar aanleiding van de controles werden aangemaand waren: het actualiseren van de milieuvergunning, het naleven van de scheidingsafstanden, het consulteren van de bevoegde brandweer over de brandbestrijdingsmiddelen en de opvangcapaciteit voor verontreinigd bluswater, het uitvoeren van de periodieke onderzoeken van de opslagtanks, het opstellen van een zoneringsdossier en een explosieveiligheidsdocument, het tegemoetkomen aan opmerkingen en inbreuken vastgesteld door erkende milieudeskundigen, het geven van de nodige opleidingen aan de werknemers, het opstellen van een meldings- en noodprocedure bij incidenten en het elimineren van een rechtstreekse verbinding tussen de standplaats van de vrachtwagen en de vulmonden van de opslagtanks met de regenwaterafvoer.


Beide campagnes werden eind 2010 afgesloten, maar de toezichthouders blijven de uitvoering van de acties die de bedrijven hebben ondernomen om de tekortkomingen weg te werken, volgen. De inspectie-instrumenten blijven ter beschikking voor routinematige controles.

Resultaten van het MIP + evaluaties per thema

- 81


82 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Deel 3: Een aantal projecten en casussen

Routinecontroles

- 83


Een aantal projecten en casussen

Sanering van 2 raffinaderijen Raffinaderij A Begin 2000 stelde MI bij inspecties op een petroleumraffinaderij verschillende inbreuken op de milieuwetgeving vast. Aanvankelijk bleek dat de opslagtanks voor ontvlambare vloeistoffen op het bedrijf niet de wettelijk vereiste keuringen ondergingen. Gaandeweg kwam aan het licht dat het bedrijf zwaar had gefaald in het uitvoeren van de noodzakelijke inspecties en onderhoudswerkzaamheden zowel in de opslagfaciliteiten als in de procesinstallaties. Daarom gaf MI aan een erkende deskundige de opdracht om een veiligheidsonderzoek in dit bedrijf uit te voeren. In de zomer van 2000 kwam de deskundige tot de conclusie dat het bedrijf niet alles in het werk had gesteld om zware ongevallen te voorkomen. Naar aanleiding van deze conclusie verrichte MI op de raffinaderij bijkomende inspecties, waarbij de verschillende tekortkomingen i.v.m. de milieuwetgeving nauwkeurig in kaart werden gebracht. MI verbaliseerde de misdrijven en maande het bedrijf aan om zich in regel te stellen. De toenmalige directie van het bedrijf nam de aanmaningen en de conclusies van het rapport van de deskundige niet ernstig. Daarom verstrengde MI haar optreden en legde het bedrijf de verplichting op om voor de verschillende procesinstallaties uitgebreide risicoanalyses op te stellen. Daaruit moest blijken of alle eenheden konden worden geĂŤxploiteerd zonder dat dit de veiligheid voor mens en milieu in het gedrang bracht. Intussen weigerde de deputatie ook de hernieuwing van de milieuvergunning die eind 2000 zou vervallen. Het bedrijf ging in beroep bij de bevoegde minister voor Leefmilieu. De minister vroeg MI om op basis van de resultaten van de inspecties een overzicht te geven van alle vastgestelde tekortkomingen, wat gebeurde. In februari 2001 kreeg de raffinaderij een proefvergunning voor een periode van 14 maanden met een hele reeks bijzondere

voorwaarden onder meer vanwege de door MI gegeven insteek. Deze voorwaarden hadden betrekking op diverse milieucompartimenten, waaronder lozing van bedrijfsafvalwater, bestrijding van geurhinder, bescherming van de bodem en voorkoming van zware ongevallen. Het bedrijf begreep toen dat het vijf voor twaalf was. Er was intussen ook een nieuwe directie, die resoluut het roer omgooide en zich engageerde om een strikt saneringsplan op te stellen en uit te voeren. Dit saneringsplan was ingrijpend en omvatte zowel technische als organisatorische maatregelen op korte en lange termijn. Na het verstrijken van de vergunning op proef stelde MI een evaluatieverslag op. In 2002 verleende de minister het bedrijf een nieuwe milieuvergunning die afloopt op 19 februari 2021. Deze vergunning bepaalt expliciet in bijzondere voorwaarden dat de opgestelde en reeds in uitvoering zijnde actieplannen moesten worden uitgevoerd. MI volgde de evolutie van de voorbije tien jaar nauwgezet op. Intussen zijn deze maatregelen gerealiseerd en/of geĂŻmplementeerd. Saneringsmaatregelen De saneringsmaatregelen betroffen de inventarisatie en het herstel van lekken, de afvalwaterzuivering, de evaluatie van het inspectiesysteem, de controle van de opslagtanks, de inkuiping van de tankenparken, de algemene bodem- en grondwaterbescherming, de geurproblematiek, de LPG-sferen, het ontmantelen van oude installaties, de elektrische installaties, de isolatie van leidingen, het veiligheidsbeheersysteem, de risico-onderzoeken, de inspectie en sanering van kleppen, flenzen, drains en blindplaten en inspectie en onderhoud. Hierna volgt een gedetailleerde bespreking.

Projecten en casussen

- 85


Inventarisatie en herstel lekken Voor het hele bedrijf werden lijsten opgesteld van lekken bij de diverse installaties. Wekelijks controleerde en certificeerde een erkende deskundige een area (dit is een strikt afgebakend gebied op het bedrijfsterrein). Het bedrijf is onderverdeeld in 45 area’s. De inspecties werden systematisch uitgevoerd en opgevolgd. Lekken aan leidingen en/of toestellen werden onmiddellijk hersteld. Als herstelling omwille van technische omstandigheden niet onmiddellijk mogelijk was, werd dit gerapporteerd en digitaal geregistreerd. De arbeiders van het bedrijf voerden wel steeds de nodige voorlopige herstellingswerken uit. De definitieve herstellingsdatum werd opgenomen in het digitaal register. Afvalwater en optimalisering waterzuivering Het bedrijf optimaliseerde de waterzuiveringsinstallatie. In een eerste fase door de waterzuivering uit te breiden met o.m. een tank voor drainwater, een pH sturing op de tweede zuurwaterstripper, een actief slibbekken en een zuurstofdosering in de lagune. In een tweede fase door op het influent een CZV onlineanalyser te plaatsen en door een overkapping van de installatie te voorzien om geurhinder te voorkomen. Daarnaast droegen ook operationele maatregelen bij tot de goede werking van de waterzuivering. Zo voerde een erkend labo dagelijks op het debietevenredig monster een analyse uit van de parameters pH, CZV, BZV, Kjeldahl stikstof en bezinkbare stoffen. In 2008 volgde een verdere uitbreiding van de waterzuivering. Evaluatie inspectiesysteem De inspectie- en onderhoudssystemen werden door een deskundige met ervaring in zorg- en beheersystemen grondig geëvalueerd en aangepast. MI volgde de implementatie van de aangepaste systemen op met verschillende controles. Controle opslagtanks Een erkende deskundige onderwierp alle opslagtanks aan een akoestisch onderzoek (testen van lekdichtheid). Op basis hiervan stelde het bedrijf een planning op om alle opslagtanks aan een algemeen onderzoek te onderwerpen. Ook de uitvoering hiervan volgde MI op. De tanks kregen ook een onafhankelijke overvulbeveiliging. Inkuiping tankenparken Er werd een onderzoek uitgevoerd voor de sanering van de inkuipingen van de tankenparken. Bij inspecties ter plaatse bleek dat in eerste instantie kleine herstellingswerken werden uitgevoerd aan: -- de aarden dijken van de inkuipingen; deze werden opnieuw geprofileerd en bijgewerkt waar nodig; -- de betonnen muren van de inkuipingen: doorboringen

86 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

werden afgedicht, uitzettingsvoegen opgespoten, zogenaamd “betonrot” hersteld en verzakte betonnen muren recht geplaatst. Volgende grote herstellingswerken, waarvoor afzonderlijke onderzoeken moesten worden gemaakt, werden ook uitgevoerd: -- aanpassing van de opvangcapaciteit van diverse tankenparken door verhoging van bestaande aarden dijken en of betonwanden; -- plaatsing van bijkomende vluchttrappen in de tankenparken; -- plaatselijke aanpassingen van de bestaande infrastructuur zoals riolering, productleidingen, brandleidingen en verlichting. Algemene bodem- en grondwaterbescherming Het bedrijf deed een onderzoek over de grond- en bodembescherming die volgende onderdelen omvatte: -- volledige bedrijfsriolering; -- vloeren procesinstallaties; -- vloeren pompensites; -- vloeren verladingsplaatsen tankwagens; -- vloeren verladingsplaats treinwagons; -- aanpassing riolering voor de lozing van huisafvalwater; -- aanpassing van de riolering voor de drainleidingen van de opslagtanks; -- aanpassing van de tankpiste voor de brandstofpomp aan de ingang van de portiersloge. Diverse technische aanpassingen en maatregelen om bodemverontreiniging te voorkomen werden gerealiseerd. De uitvoering van deze maatregelen werd bij verschillende controles door MI opgevolgd en gecontroleerd. Geuronderzoek De oorzaken van de geuremissies van de teertanks en de waterzuiveringsinstallatie van de raffinaderij werden eveneens onderzocht. De sanering hiervan hield onder meer in: -- Teertanks: plaatsing gaswassing op vijf opslagtanks; -- Dampherwinningseenheid: maximaal inschakelen voor verladingen; -- Waterzuiveringsinstallatie: overkapping plaatsen en zuivering van de afgezogen gassen; -- Diffuse emissies: continue controle en onderhoud op alle installaties van de raffinaderij. -- Fakkel: logboek bijhouden aangaande de werking van de fakkel. LPG-sferen : ontwerp en realisatie definitieve sanering Een risico-onderzoek voor de LPG-sferen en de LPG-installaties leidde tot een actieplan waarbij de vier sferen onder meer een tegen brand beschermende coating kregen.


Ontmantelen oude installaties Het bedrijf verwijderde diverse definitief buiten gebruik gestelde apparatuur. Elektrische installaties De sanering van de elektrische installaties gebeurde zoals voorzien in het saneringsplan. Het bedrijf heeft nu conforme keuringsattesten. Daarnaast werd een grootscheepse re-instrumentatie op de raffinaderij doorgevoerd, gebaseerd op het “SIL”-assessment rapport dat door een keuringsorganisme werd beoordeeld. Ook nu weer controleerde en volgde MI de evolutie en uitvoering van dit project. Isolatie leidingen Het herstel van de isolatie van de leidingen en toestellen in de productie-installaties gebeurde na een grondige inventarisatie van de gebreken. Alle noodzakelijke herstellingswerken zijn uitgevoerd. Veiligheidsbeheersysteem Een erkend deskundige in de discipline “externe veiligheid-risico’s voor zware ongevallen” werkte een veiligheidsbeheersysteem uit voor de hele inrichting conform de Seveso II richtlijn en valideerde dit systeem. Deze audit leverde in in 2001 een attest op waarin de deskundige stelt dat het veiligheidsmanagementsysteem van de raffinaderij conform is met de eisen zoals gesteld in de Seveso II-richtlijn. De Seveso-inspectiediensten voerden daarenboven de voorbije tien jaar diverse inspecties uit om de verschillende aspecten van het veiligheidsbeheersysteem door te lichten. Om de daarbij vastgestelde tekortkomingen verder weg te werken, heeft het bedrijf de voorbije jaren verschillende actieplannen opgesteld en uitgevoerd binnen de vooropgestelde termijnen. Risicoonderzoeken Alle procesinstallaties waren in 2001 voorwerp van een risico-onderzoek volgens het vlinderdasmodel, in overeenstemming met de eerder door MI vastgelegde regels. Ook de waterzuiveringsinstallatie en de stoominstallaties werden aan een dergelijk risico-onderzoek onderworpen. Per eenheid ontving MI een rapport, ondertekend door de exploitant en gevalideerd door een erkend deskundige. De acties volgend uit deze onderzoeken werden opgenomen in een algemeen actieplan. De uitvoering van dit actieplan verliep in grote lijnen volgens de vooropgestelde termijnen en is afgerond. Inspectie en sanering kleppen, flenzen, drains en blindplaten Een erkende deskundige inspecteerde alle area’s van de raffinaderij. De toestand werd vastgelegd door middel

van foto’s en bijhorende lijsten. De erkende deskundige leverde attesten af van alle area’s. De raffinaderij startte aansluitend met de uitvoering van maatregelen die geen stilstand van de installaties vereisten. De overige interventies gebeurden bij de eerstvolgende stilstand van de installaties. Inspectie en onderhoud gasinstallaties (leidingen, warmtewisselaars,…). Een erkende deskundige zag alle gasleidingen na in alle productie-units van de raffinaderij. Het actieplan, opgesteld naar aanleiding van deze onderzoeken, werd intussen uitgevoerd. Besluit: De raffinaderij heeft zich in regel gesteld met de vigerende wetgeving: een proces van meerdere jaren, dat nauwgezet gevolgd en gestuurd werd door MI.

Raffinaderij B Begin 2005 kondigde MI bij een petroleumraffinaderij in de haven van Antwerpen een dwangmaatregel af met betrekking tot de exploitatie van het tankenpark van de raffinaderij. Deze dwangmaatregel kwam er omdat MI sedert de zomer van 2002 een reeks overtredingen vaststelde. Later op het jaar bracht een controle door MI in het kader van het Samenwerkingsakkoord ernstige tekortkomingen in het veiligheidsbeheerssysteem van het bedrijf aan het licht. Op basis daarvan diende MI in onderling overleg met de federale collega’s van de afdeling Chemische Risico’s van de FOD WASO een verzoek tot schorsing van de vergunningen in bij de deputatie van de provincie Antwerpen. De deputatie van de provincie schorste de vergunningen. Tegen deze schorsing stelde de raffinaderij beroep in bij de bevoegde minister. De minister heeft de schorsing gedeeltelijk bevestigd. In wat volgt wordt geschetst op welke wijze deze ingrijpende beslissingen, die verstrekkende gevolgen hebben gehad voor de raffinaderij, tot stand zijn gekomen, en hoe het bedrijf erop reageerde. Sanering tankenpark Na een ambtshalve controle op 4 september 1996 werden schriftelijke aanmaningen gegeven over de exploi-

Projecten en casussen

- 87


tatie van het tankenpark. Deze aanmaningen handelden over het niet aanwezig zijn van keuringscertificaten voor verschillende opslagtanks van licht ontvlambare, ontvlambare en brandbare vloeistoffen. In dit schrijven werd benadrukt dat voor bestaande houders voor de opslag van P1-, P2-, P3- of P4-producten ten laatste op 1 augustus 2000 een algemeen onderzoek moest worden uitgevoerd. Een controle op 24 maart 1999 bracht aan het licht dat nog niet alle houders een algemeen onderzoek hadden ondergaan. Dit resulteerde op 30 maart 1999 opnieuw in een schriftelijke aanmaningen waarin werd herhaald dat bestaande houders voor de opslag van P1-, P2-, P3- of P4producten ten laatste op 1 augustus 2000 een algemeen onderzoek moesten ondergaan. In de periode juni-juli 2002 werd het volledige tankenpark (het gaat hier om 46 atmosferische tanks met een grootte variërend van 2700 m³ tot 28.000 m³, verspreid over 4 grote tankkuipen) aan een grondige visuele en administratieve controle onderworpen. MI stelde een proces-verbaal op omdat er voor 24 van de 46 houders geen attest van een algemeen onderzoek zoals bedoeld in artikel 5.17.3.16 van Vlarem II voorhanden was. Tevens bleek dat het gros van de tanks matige tot hevige corrosie aan dak, windvang, trap en/of wand vertoonden; dat slechts 7 van de 46 tanks voorzien waren van een verflaag die zich in een goede staat bevond en dat de terp van de meeste tanks matig tot sterk verbrokkeld was. Naar aanleiding van deze vaststellingen verstuurde MI op 2 augustus 2002 een nieuwe schriftelijke aanmaning aan het bedrijf. De raffinaderij stelde het gevraagde actieplan op en bezorgde dit aan MI. Volgens dit plan zou tegen eind 2004 het volledige tankenpark gesaneerd zijn. Bij verschillende tussentijdse opvolgingscontroles in de periode 20032004 bleek dat er hoe langer hoe meer achterstand kwam op het vooropgestelde saneringsprogramma. Bij een controle op 27 oktober 2004 kon het bedrijf geen duidelijk inzicht geven over de uivoeringsgraad van de saneringswerken van het tankenpark. Er kon op dat moment evenmin duidelijkheid worden gegeven over de stand van zaken van de periodieke onderzoeken. Naar

88 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

aanleiding van deze vaststellingen herhaalde MI op 30 november 2004 nogmaals de schriftelijke aanmaning. In dit schrijven werd gesteld dat tanks die op 31 december 2004 niet voldeden aan de eerder opgelegde voorwaarden buiten dienst moesten worden gesteld totdat er een geldig keuringsattest zonder inbreuken en opmerkingen voorhanden was én de tanks geschilderd waren. Na het verstrijken van de opgelegde termijn van eind december 2004 volgden begin januari 2005 nieuwe controles in het tankenpark waarbij de wand, het dak, de terp en de aanhorigheden van alle tanks die op dat moment nog in dienst waren grondige visueel werden geïnspecteerd. Daarnaast gebeurde er bij al deze tanks een uitgebreide administratieve controle, met nazicht van het meest recente attest van het algemeen en beperkt onderzoek (voor zover beschikbaar) . MI verbaliseerde deze ernstige overtreding en ging over tot het afkondigen van een dwangmaatregel. Deze dwangmaatregel hield het stopzetten in van de opslag van aardolieproducten in 17 van de 46 opslagtanks van de raffinaderij met ingang van 15 mei 2005. In afwachting diende het bedrijf de nodige organisatorische maatregelen te treffen om de 17 tanks uiterlijk dan volledig buiten dienst te kunnen stellen. De buitendienststelling van de tanks moest worden uitgevoerd in samenspraak en onder toezicht van een bevoegd deskundige. Het ledigen van de tanks moest vervolgens volledig en grondig worden uitgevoerd: alle slib moest worden verwijderd en de tanks moesten worden gereinigd zodat er geen lekkage van restproduct kon optreden. De tanks moesten volledig worden afgeblind en de mangaten moesten worden opengezet. De dwangmaatregel kon pas worden opgeheven voor die tanks waarvoor: -- een geldig attest van beperkt en algemeen onderzoek kon worden voorgelegd waaruit ondubbelzinnig bleek dat de tank en de installatie voldeden aan de bepalingen van Vlarem II; -- wand, dak, trap, schuimleidingen, koelwaterleidingen, productleidingen en toebehoren voorzien waren van een degelijke verflaag; -- de terp van de tank zich in een onberispelijke staat bevond (voldoende aflopend en geen scheuren noch gaten vertoonden); -- alle apparatuur en bekabeling die niet meer in gebruik was van de tank verwijderd werd.


Het bedrijf ging weliswaar tegen de dwangmaatregel in beroep, maar volgde hem toch op. Het bedrijf lanceerde een grootscheepse schilderoperatie, herstelde op grote schaal terpen en onderwierp diverse tanks aan een beperkt onderzoek. Op deze manier slaagde het er in ijltempo in om alsnog 12 tanks in orde te brengen vooraleer de dwangmaatregel inging. De overige 5 tanks gingen uit dienst. De minister bevestigde de dwangmaatregel in beroep in september 2005. Ontoereikend veiligheidsbeheersysteem gesaneerd Sinds 2000 voerden MI en de afdeling Chemische Risico’s van de FOD WASO gezamenlijk verschillende controles uit bij deze raffinaderij in het kader van het samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen. Onder meer door voortdurende personeels- en managementwissels in het bedrijf en de samensmelting met een andere raffinaderij, bleek het voor de inspectiediensten op de duur onmogelijk om nog een zicht te krijgen op het veiligheidsbeheerssysteem van de onderneming en de stand van zaken van de diverse lopende actieplannen. Beide inspectiediensten beslisten daarom om in april 2005 om het veiligheidsbeheerssysteem volledig door te lichten. De resultaten van deze audit waren ronduit catastrofaal. De audit bracht onder meer aan het licht dat verschillende activiteiten die aan bod moesten komen in het veiligheidsbeheerssysteem in onvoldoende mate aanwezig waren en/of functioneerden. Het betrof: -- het beheer van de procedures voor systematische identificatie van de gevaren van zware ongevallen die zich kunnen voordoen en voor de evaluatie van de daaraan verbonden risico’s; -- het beheer van de operationele procedures en werkinstructies voor het verzekeren van de veilige exploitatie in alle omstandigheden van de installaties, processen, apparatuur en opslagplaatsen; -- het beheer van de procedures voor het ontwerpen van nieuwe installaties, processen of opslagplaatsen en voor het plannen en uitvoeren van wijzigingen aan bestaande installaties, processen of opslagplaatsen; -- het beheer van de procedures om de voorzienbare noodsituaties te onderkennen en om de noodplannen uit te werken, te testen en te herzien; -- het beheer van de procedures voor het periodiek en systematisch evalueren van het preventiebeleid voor zware ongevallen en van de doeltreffendheid en geschiktheid van het veiligheidsbeheerssysteem; -- het beheer van de procedures voor het opstellen en uitvoeren van periodieke inspectie- en onderhoudsprogramma’s. Uit de audit bleek ook duidelijk dat het door de exploitant ingevoerde veiligheidsbeheerssysteem niet doeltreffend

was en niet in staat was om een preventiebeleid uit te voeren met een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. De door de exploitant getroffen maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen en ter bestrijding van de gevolgen ervan waren duidelijk onvoldoende. Op 2 juni 2005 verbaliseerden beide inspectiediensten de ten laste van de exploitant vastgestelde overtredingen wegens inbreuken op artikel 7, artikel 10, artikel 15§1 en artikel 18 van het Samenwerkingsakkoord. Gelet op de ernst van de vaststellingen stelden beide inspectiediensten, op basis van artikel 30 van het Samenwerkingsakkoord, op 13 juni 2005 aan de deputatie voor om de vergunningen van het bedrijf overeenkomstig de artikelen 36§1 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 47§1 van Vlarem I te schorsen. Het was overigens de eerste keer sinds het in werking treden van het Samenwerkingsakkoord dat deze procedure in de praktijk moest worden gebracht. De deputatie heeft dit voorstel gevolgd en heeft alle vergunningen waarover het bedrijf beschikte geschorst op 23 juni 2005. Het bedrijf ging tegen deze beslissing in beroep bij de minister, wat de bestreden beslissing schorste. Niettemin werden de verschillende productie-installaties van het bedrijf - op één na - stilgelegd. Het bedrijf heeft vervolgens gedurende een periode van drie maanden een grootschalige saneringsoperatie doorgevoerd, zowel op gebied van technische aanpassingen aan de installaties als op organisatorisch vlak. Bij enkele tussentijdse inspecties op verzoek van een kabinetsmedewerker konden de inspectiediensten ter plaatse de vooruitgang vaststellen. Op basis van deze bijkomende vaststellingen hief de minister eind september 2005 de schorsing van de vergunningen op voor drie productie-installaties. De schorsing werd echter bevestigd voor vier productie-installaties waaronder vijf LPG-sferen en 23 atmosferische opslagtanks voor brandstoffen (waaronder de vier tanks die nog buiten dienst gesteld waren op basis van de eerder afgekondigde dwangmaatregel). In 2007 , na het verstrijken van de geldigheidstermijn van de lopende milieuvergunningen, verkreeg het bedrijf een nieuwe milieuvergunning. Voor sommige installaties waarvoor de verstreken vergunningen geschorst waren,

Projecten en casussen

- 89


verkreeg het bedrijf een proefvergunning, met name voor een aantal opslagtanks en een gasontzwavelingseenheid. Een aantal procesinstallaties en de gassferen, waarvoor de verstreken vergunningen ook waren geschorst, werden niet meer vergund. Het hervergunningsbesluit bevatte talrijke bijzondere voorwaarden omtrent het verder uitvoeren van de lopende actieplannen die MI eerder aan het bedrijf had opgelegd.

Besluit: Intussen heeft het bedrijf zijn activiteiten grondig gereorganiseerd, mede door de verschillende saneringsoperaties zowel op technisch als organisatorisch vlak. De raffinageactiviteit beperkt zich nu uitsluitend tot de productie van bitumen. De andere processen zoals atmosferische destillatie, reformer, LPG productie en gasolieontzwaveling worden niet langer meer uitgevoerd. De hoofdactiviteit is helemaal verschoven naar de opslag van vloeibare aardolieproducten. De voormalige raffinaderij heeft zich met andere woorden zo goed als volledig getransformeerd tot een opslagterminal voor vloeistoffen.

Sanering van een composteringsbedrijf Midden de jaren negentig ontving MI vanuit verschillende woonkernen in de omgeving van een industriezone tal van klachten over geurhinder. In deze industriezone waren toen vier bedrijven gevestigd die geur(hinder) konden veroorzaken. Het ging om een bedrijf dat paarden- en kippenmest composteert tot een champignonsubstraat, een groencomposteerbedrijf, een bedrijf voor opslag, overslag en verwerking van vaste afvalstoffen en een asfaltcentrale. Op basis van eigen vaststellingen wees MI het mestcomposteerbedrijf aan als belangrijkste geurbron. MI maande het bedrijf aan om een geuronderzoek te laten uitvoeren en nadien de gepaste geurbeperkende maatregelen te nemen. De exploitant van het mestcomposteerbedrijf zorgde ervoor dat de lucht van de hal, waar de grondstoffen worden opgeslagen en gemengd, en van de tunnels, waar de eerste rijping van de compost gebeurt, werd afgezogen en geleid naar een luchtbehandelingsinstallatie. Deze zuivering bestond uit een natte gaswasser en een biofilter. Een deel van de lucht afkomstig van de wasser ging naar een biofilter voor verdere geurreductie, een deel werd rechtstreeks via een schouw op 60 meter hoogte geloosd. De verdeling van de lucht over de biofilter en de schoorsteen hing af van de drukval over de biofilter en van de activiteit in het bedrijf. Om het effect van deze sanering te kunnen evalueren, vroeg MI het bedrijf om een deskundige aan te stellen. Het evaluatierapport van eind 1999 stelde dat het geurprobleem in de omgeving was verminderd maar nog niet volledig opgelost, dat de werking van de luchtbehande-

90 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

lingsinstallatie redelijk goed was maar nog kon verbeterd worden en dat verdere geurreductie prioritair moest gezocht worden in het beperken van diffuse emissies. Daarnaast stelde het rapport het aandeel van het ander composteerbedrijf in het geurprobleem in vraag, aangezien het composteren van het groenafval er volledig in open lucht gebeurde. Het mestcomposteerbedrijf ondernam actie om de diffuse emissies te verminderen. Het vrachtwagentransport van het compostmateriaal, dat tussen twee rijpingsstappen door gebeurde van de ene composteerhal naar de andere, werd vervangen door een overdekte transportband met een afzuiging naar de luchtbehandelingsinstallatie. Intussen bleek het aantal klachten eind jaren negentig fel verminderd te zijn, maar vanaf het najaar van 2001 steeg de frequentie van de klachten echter opnieuw. Vaststellingen van MI bevestigden dat er in de woonkernen rond de industriezone nog geregeld sprake was van geurhinder en dat tot op ongeveer 2 km van de bronnen. De klagers wezen nagenoeg allen het mestcomposteerbedrijf aan als vermoedelijke bron van geurhinder. MI klopte weer aan bij dit bedrijf, maar de exploitant was moeilijk te motiveren om nog verdere geursaneringskosten te doen, temeer daar het andere composteerbedrijf op de industriezone intussen met de bouw van een GFT-composteerinstallatie begonnen was. Opnieuw kwam de vraag naar het aandeel van dit laatste bedrijf in de geurhinder. De nieuwe GFT-composteerinstallatie, uitgerust met luchtafzuiging, luchtwasser, twee biofilters en een schouw van 14 m, startte begin 2002 op.


Op basis van deze evolutie besloot MI haar aanpak van het geurprobleem te verruimen tot de hele industriezone, en om over te gaan tot het in eigen beheer laten uitvoeren van een grondig en systematisch geuronderzoek om zowel de impact als het aandeel van de verschillende bronnen tot de geurhinder in de omgeving te laten bepalen. Ondertussen was de asfaltcentrale om economische redenen stilgelegd, zodat het geuronderzoek zich kon beperken tot de twee composteerbedrijven en het afvalverwerkingsbedrijf. MI liet het geuronderzoek uitvoeren door VITO. Het onderzoek startte begin augustus 2003 en duurde tot juni 2004. Het definitieve rapport was beschikbaar in het najaar van 2004. Zoals de meeste geuronderzoeken die in opdracht van MI worden uitgevoerd, omvatte ook dit onderzoek een omgevingsonderzoek en een bronnenonderzoek. Bij het omgevingsonderzoek worden de geuremissie en de hinderlijkheid van de verschillende bronnen bepaald door een combinatie van geurwaarnemingen (snuffelmetingen), telefonische enquêtering van mensen in de omgeving, het bijhouden van een geurdagboek door de omwonenden en modelberekeningen. Tijdens het bronnenonderzoek worden er zoveel mogelijk vaststellingen binnen de bedrijven zelf gedaan, onder meer via een doorlichting van de relevante processen en de uitvoering van emissiemetingen met olfactometrische en chemische analyse. Ook de reeds uitgevoerde en nog haalbare bijkomende emissiebeperkende maatregelen worden geëvalueerd. Concreet bezochten we elk bedrijf om alle kritische punten met betrekking tot geur binnen de bedrijfsvoering te bekijken en te evalueren. Er gebeurden metingen aan de belangrijkste emissiepunten en een bepaling van de rendementen van de luchtzuiveringsinstallaties. Uit de in totaal 80 geurmetingen bleek dat vooral de schoorsteen en de biofilter van het mestcomposteerbedrijf en in tweede instantie de groencompostering in de openlucht belangrijke geurbronnen waren. De geuruitstoot van het afvalverwerkingsbedrijf bleek verwaarloosbaar te zijn. De resultaten van de 20 snuffelmetingen, de 44 geurdagboeken en de 365 telefonische enquêtes bevestigden die vaststellingen. Voor de drie bedrijven bepaalde VITO, met modelberekeningen op basis van snuffelmetingen en olfactometrische metingen, welke geurconcentraties er kunnen optreden in de omgeving. Die concentraties werden getoetst aan relevante geuraanvaardbaarheidscriteria. Hieruit bleek dat de mestcompostering onaanvaardbare geurhinder kon veroorzaken in de verschillende nabijgelegen woon-

wijken. De berekeningen toonden verder aan dat de groencompostering soms aanleiding kon geven tot geurhinder, maar enkel in de dichtst bijgelegen woonwijk, en dat de GFT-composteringsinstallatie en het afvalverwerkingsbedrijf geen geurhinder veroorzaakten. Het geuronderzoek besloot hieruit dat de huidige configuratie van nageschakelde technieken bij het mestcomposteerbedrijf niet voldoende was om de geurhinder in de omgeving tot een aanvaardbaar niveau te reduceren. Naast procesgeïntegreerde geurreducerende maatregelen beval het onderzoek aan om ook aanvullende technische maatregelen te treffen, zoals het uitbreiden van de biofilter, het gebruik van een zure wasser of de combinatie van beide. Voor de groencompostering stelde het onderzoek dat verdere geurreductie moet worden nagestreefd door de al doorgevoerde maatregelen strikt te volgen en door aanvullende preventieve maatregelen te nemen, zoals het afdekken van het ontvangen materiaal, het verhogen van de keerfrequentie en het aanbrengen van een deklaag op de composthopen. Op basis van de resultaten van het geuronderzoek en op basis van eigen vaststellingen stelde MI een procesverbaal op tegen het mestcomposteerbedrijf omdat het onaanvaardbare geurhinder veroorzaakte in de omliggende woonwijken. MI maande het bedrijf aan om een saneringsplan op te stellen. Het bedrijf deed een aantal voorstellen voor de sanering van deze geurhinder, maar deze bleken al gauw onvoldoende om tot een duurzame oplossing te komen. Eigen emissiemetingen, uitgevoerd in februari 2006, op de schoorsteen na de natte gaswassing toonden aan dat de emissiegrenswaarde voor ammoniak werd overschreden. Bovendien was er nog steeds geen zure wasser geplaatst en was de bestaande biofilter te klein. MI verbaliseerde het bedrijf wegens het niet naleven van de milieuvoorwaarden en het voortdurend veroorzaken van geurhinder voor de buurt. MI maande het bedrijf aan om een planning voor te leggen om aan de milieuvoorwaarden te voldoen en om concrete reductiescenario’s voor te stellen om de geurhinder in te perken. Omdat het bedrijf niet binnen de opgelegde timing een planning voorlegde, overwoog MI dwangmaatregelen te nemen, wat zou kunnen leiden tot de stopzetting van het bedrijf. In samenspraak met een erkend deskundige legde het bedrijf eind 2006 dan toch een erg gedetailleerd saneringsplan voor. De bedrijfsleider verzekerde dat hij beschikte over de nodige fondsen om de sanering te realiseren. Bovendien was er een strikt tijdsschema vooropgesteld voor de uitvoering van de verschillende stappen. De saneringswerken vonden grotendeels in 2007 plaats. De lucht van de composteertunnels onderging een eerst

Projecten en casussen

- 91


behandeling in een zure wasser en vervolgens een nabehandeling in een aangepaste houtschorsbiofilter. De lucht van de hallen werd behandeld in een drietrapsgaswasser en vervolgens geloosd in de atmosfeer via de reeds aanwezige 60 meter hoge schoorsteen. De aanpassing van de leidingen van het ventilatiesysteem zorgde ervoor dat de meest geurbeladen lucht apart en efficiĂŤnter behandeld kon worden. Ondertussen werden ook de betrokken gemeentebesturen en de buurtbewoners op de hoogte gebracht van deze aanpassingswerken. Na de sanering stelde MI in de woonwijken vast dat er nog steeds geur kon waargenomen worden, maar dat de intensiteit ervan aanzienlijk verminderd was. In juni 2008 stelde het bedrijf een evaluatie-onderzoek voor, opgemaakt door een erkend deskundige. Dit onderzoek kwam tot het besluit dat er, ten gevolge van restgeuremissies via de schoorsteen, in de woonwijken nog slechts een kleine zone zou zijn waar de vooropgestelde streefwaarde voor de geurimmissie zou worden overschreden. De biofilter zou geen aanleiding geven tot geurhinder in de nabijgelegen woonwijken. Sinds de afronding van de sanering is het aantal klachten aanzienlijk verminderd maar nog niet helemaal weggewerkt. MI besloot dan ook om in 2009 zelf een na-evaluatie uit te voeren met als doel de invloed van de resterende geuremissies op de omgeving te bepalen en de aanvaardbaarheid van deze emissies te beoordelen. VITO kreeg dit evaluatie-onderzoek toevertrouwd werd - net als het oorspronkelijke onderzoek van 2003-2004 â&#x20AC;&#x201C; en moest dezelfde onderzoeksmethodiek toepassen als in het eerste onderzoek. De periode van uitvoering liep van juli 2009 tot december 2009. Het eindrapport was beschikbaar in juni 2010. Uit de resultaten van de geurdagboeken, de snuffelploegmetingen, de emissiemetingen en de verspreidingsberekeningen bleek dat door het doorvoeren van de bijkomende maatregelen de geurimpact van het mestcomposteerbedrijf sterk gereduceerd was ten opzichte van 2003-2004. De waarnemingspercentages, hinderpercentages en stankhinderindices opgetekend in de geurdagboeken waren lager dan in de vorige periode. Op basis van de snuffelploegmetingen en de emissiemetingen werden t.o.v. 2003-2004 geurreducties van respectievelijk 71,5 % en 83,4 % berekend. Uit de resultaten van de verspreidingsberekeningen blijkt dat wanneer de emissies beperkt kun-

92 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

nen worden, geen onaanvaardbare hinder meer optreedt voor de omwonenden. Het optreden van verhoogde geuremissies ter hoogte van de schoorsteen kan echter nog wel aanleiding geven tot onaanvaardbare hinder in de meest nabijgelegen woonwijk. Voor het groencomposteerbedrijf was de toestand onveranderd ten opzichte van 2003-2004. De conclusie van het onderzoek was dan ook dat voor de beperking van de geurimpact op de omgeving het noodzakelijk is dat verhoogde geuremissies door het mestcomposteerbedrijf ten allen tijde vermeden worden, dit door een strikte opvolging van zowel de procesvoering als van de werking van de zuiveringsinstallaties. Een blijvende nauwgezette controle en registratie van de belangrijkste parameters van de zuiveringsinstallaties is hierbij noodzakelijk. De resultaten van dit evaluatie-onderzoek werden toegelicht op een vergadering waaraan ook vertegenwoordigers van de drie betrokken gemeentebesturen deelnamen. In het kader van de aanbevelingen van het onderzoek gaf MI aan het mestcomposteerbedrijf de raad om de procesvoering en de zuiveringsinstallaties strikt op te volgen en hierover een logboek bij te houden. Aanvullend werd gevraagd om MI en de betrokken gemeentebesturen vooraf op de hoogte te brengen van geplande onderhoudswerkzaamheden die mogelijk geurhinder tot gevolg hebben, en om eventuele calamiteiten onmiddellijk te melden. MI heeft vastgesteld dat het bedrijf de raadgeving opvolgt. Deze casus toont aan dat geurhinder een complex gegeven is en dat de handhaving van deze problematiek om voortdurende aandacht vraagt en verschillende jaren in beslag kan nemen. In dit kader vormt het instrument van het geuronderzoek zoals MI het toepast een garantie dat de geurbronnen, de geuremissies en de impact op de omgeving op een objectieve en wetenschappelijk onderbouwde manier in kaart worden gebracht. Deze objectieve benadering laat MI vervolgens toe om met de nodige kennis van zaken handhavend op te treden tegen bedrijven die geurhinder veroorzaken.


Sanering van een tankreiniger Deze tankreiniger vervoert voedingsmiddelen (chocolade, dranken) en beschikt daartoe over een eigen wagenpark (met tankwagens). Naast de transportafdeling is er ook een garage-afdeling waar de gebruikte transportmiddelen (eigen tankwagens en tankwagens van derden) inwendig en uitwendig worden gereinigd. Het afvalwater van dit bedrijf wordt geloosd in de openbare riolering die uitgeeft in een zuiveringsinstallatie van Aquafin.

tredingen van de lozingsnormen aan. Te oordelen aan de accumulatie van vet in de riolering, moest er al een hele tijd ongezuiverd afvalwater zijn geloosd in de riolering. MI verbaliseerde de exploitant opnieuw.

Vanaf 1992 stelde MI geregeld processen-verbaal op. Initieel betroffen deze processen-verbaal de lozing van bedrijfsafvalwater zonder vergunning. Na het verlenen van de lozingsvergunning op 8 maart 1993 gingen de processen-verbaal vooral over de talrijke overschrijdingen van de opgelegde lozingsnormen.

In mei 2000, na een hevige regenbui, verstopte de openbare riolering op het industrieterrein waar de tankreiniger is gelegen. De deksels van de toezichtsputten waren omhooggekomen door opstuwend vet. Het vrijmaken en reinigen van de riolering nam meerdere dagen in beslag. Ook stelde de milieu-inspecteur opnieuw een lozing van ongezuiverd afvalwater vast.

Ondertussen nam het bedrijf een fysicochemische waterzuivering in gebruik, maar bij controles in 1996 bleek dat de buffertanks niet over voldoende capaciteit beschikte en dat er op geregelde tijdstippen ongezuiverd afvalwater werd geloosd. Vanaf eind 1996 stelde de toezichthouder vast dat de fysicochemische waterzuivering niet meer functioneerde. Bij daaropvolgende controles kon de toezichthouder enkel nog maar een zeer geringe lozing van afvalwater vaststellen. In de korte periode dat de fysicochemische waterzuivering functioneerde, werd er zonder toelating slib van de waterzuivering uitgespreid op landbouwgrond. MI stelde in de loop van 1997 problemen vast met de pH van het effluent. Het bedrijf was ondertussen begonnen aan een zoektocht naar een gepaste zuiveringswijze om het effluent te hergebruiken. Dit bleek echter niet evident vanwege de hoge hygiĂŤnische eisen die gelden voor voedingsmiddelen. Hiervoor waren extra investeringen (voorbehandeling, buffering en filtratie) noodzakelijk. Vanaf 1 januari 1999 moesten het afvalwater van alle tankreinigers voldoen aan de normen voor lozing in oppervlaktewater. Dit betekende dat elke tankreiniger vanaf toen ook moest beschikken over een volledig uitgebouwde waterzuivering. De exploitant beweerde dat hij voor de reiniging enkel gezuiverd afvalwater gebruikte. Het feit dat de fysicochemische waterzuivering al enkele jaren niet meer werkte, maakte deze bewering ongeloofwaardig. Daarom liet de toezichthouder in februari 2000 een rioolcamera-onderzoek uitvoeren. Uit dit onderzoek bleek dat er een illegale lozing was via een overloop van de vetputten. Dit afvalwater liep niet door de meetgoot. Bemonstering van het illegaal geloosde bedrijfsafvalwater toonde zware over-

In maart 2001 verleende de Deputatie een vergunning voor uitbreiding van de inrichting. De exploitant kreeg nieuwe normen opgelegd voor de lozing van het bedrijfsafvalwater, hoewel hij in het aanvraagdossier van deze vergunning stelde dat er van het proces van inwendige tankcleaning geen afvalwater meer zou worden geloosd. Al het afvalwater ging afgevoerd worden naar de veevoederindustrie of ter verwerking aangeboden worden bij een externe firma. EĂŠn jaar na het verlenen van deze uitbreidingsvergunning stelde de toezichthouder nog maar eens een lozing van ongezuiverd afvalwater vast. De opslagtank voor ongezuiverd afvalwater bleek lek te zijn. Vanuit deze tank liep het afvalwater ongezuiverd naar de openbare riolering. De lozingsnormen werden zwaar overtreden. In september 2002 loosde het bedrijf dan weer ongezuiverd afvalwater via de regenwaterafvoer. In oktober 2002 volgde een aanvankelijk proces-verbaal wegens het ontbreken van een werkplan en overtredingen op diverse sectorale en bijzondere voorwaarden van de vergunning. In maart 2003 liep de afvalwatertank over. Het ongezuiverd afvalwater kwam terecht in de openbare riolering. Op 21 mei 2003 diende de toezichthouder een verzoek tot gedeeltelijke schorsing van de milieuvergunning in bij de deputatie van de provincie. Op 10 september 2004 adviseerde de burgemeester de deputatie van de provincie om de vergunning (gedeeltelijk) te schorsen indien tegen eind maart 2005 de nieuwe waterzuivering niet naar behoren zou werken.

Projecten en casussen

- 93


Medio april 2005 was er nog steeds geen biologische waterzuivering, nodig voor het behalen van de normen voor lozing op oppervlaktewater, aanwezig. Er was wel al een overeenkomst getekend met een firma voor de bouw van een biologische waterzuivering. Bedoeling was om in eerste instantie een mobiele pilootinstallatie (met beluchtingscontainers) te plaatsen die gedurende 2 à 3 maanden een deel van de afvalwaterstroom zou zuiveren. Na deze proefperiode moest er dan een definitieve waterzuivering gebouwd worden. De dimensionering stelde echter problemen, omdat kennis over influentdebiet en influentbelasting ontbrak. Mi rapporteerde hierover schriftelijk aan de deputatie van de provincie en aan het Openbaar Ministerie op 19 april 2005. MI bevestigde haar verzoek tot schorsing van de vergunning. De mobiele pilootinstallatie kwam er dan uiteindelijk toch op 9 mei 2005. Met deze installatie was het haalbaar om ongeveer de helft van het influent te zuiveren. De exploitant liet via de leverancier van de waterzuiveringsinstallatie monsters nemen van het effluent. Uit de analyseresultaten bleek dat het effluent niet voldeed aan de norm voor totaal fosfor. Bij deze eerste bemonstering van de pilootinstallatie werden niet alle in de vergunning opgenomen parameters gemeten. MI herhaalde daarom nogmaals het verzoek tot schorsing van de vergunning aan de Deputatie. Op 24 juni 2005 werd in opdracht van de exploitant een nieuwe bemonstering uitgevoerd. Opnieuw overschreed het effluent de lozingsnormen voor CZV, BZV en zwevende stoffen. Ook bij deze bemonstering werden een aantal lozingsparameters niet geanalyseerd. Op 3 augustus 2005 gaf de exploitant tekst en uitleg over de werking van de pilootwaterzuivering en over zijn intenties voor het aanvragen van de vereiste vergunningen voor de definitieve waterzuivering. Er werd overeengekomen dat tegen 15 september 2005 de milieu- en bouwvergunningen voor de definitieve waterzuivering zouden zijn aangevraagd. Op 17 november 2005 kreeg de deputatie van de provincie nogmaals informatie over de actuele toestand. Uit onderzoek was namelijk gebleken dat de pilootwaterzuivering was ontworpen uitgaande van andere, veel soepeler normen dan welke vermeld staan in de Vlarem

94 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

II-bijlage 5.3.2 punt 36 – lozing in oppervlaktewater. Zo vroeg men bv. voor de parameter BZV een norm aan van 400 mg/l, i.p.v. de sectoraal voorziene 50 mg/l. Dit betekende dat de bestaande pilootwaterzuivering opnieuw gedimensioneerd moest worden. Er moest ook een herdimensionering van de definitieve waterzuivering komen, waardoor de aanvraag van de milieuvergunning voor de definitieve waterzuivering vertraging opliep en nog niet kon worden ingediend. Op 17 februari 2006 bleek tijdens een inspectiebezoek dat de pilootproefzuivering slechts een deel van het afvalwater zuiverde, dat de lozingsnormen voor tankreinigers hoegenaamd niet werden nageleefd, dat de sectorale wetgeving voor afvalverwerkers evenmin werd opgevolgd en dat er veel tijd verloren ging door het gebrekkig gevoerde vooronderzoek. Doordat de pilootinstallatie totaal ongeschikt was om na te gaan of het normenkader bij een definitieve installatie kon gerespecteerd worden, was ze onbruikbaar voor het dimensioneren van zo’n definitieve zuiveringsinstallatie. Op vraag van de gedeputeerde voor leefmilieu vond er op 21 februari 2006 een overlegvergadering plaats met de provinciale overheid. Er was discussie over de interpretatie van art. 5.2.2.9.3 van Vlarem II : “de exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuivering om de bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan de lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewateren te voldoen.” De deputatie van de provincie leek te twijfelen aan de geldigheid van deze lozingsnormen als (zoals het de bedoeling is van de exploitant) het effluent van de interne reiniging gebruikt werd als waswater voor externe reiniging. MI verduidelijkte nogmaals haar visie. Op 5 april 2006 sprak de correctionele rechtbank recht lastens het bedrijf, n.a.v. de processen-verbaal opgesteld door MI. Het bedrijf kreeg een exploitatieverbod. Pas als het bedrijf alle noodzakelijke vergunningen verkregen had, mocht het zijn activiteiten verderzetten. De zaakvoerder kreeg daarenboven een celstraf van tien maanden met uitstel en een boete van 20.000 €. Het bedrijf moest een boete van 100.000 € betalen. Tegen dit vonnis stelde de zaakvoerder beroep in.


Op 14 april 2006 vroeg de exploitant een milieuvergunning aan voor de exploitatie van een biologische waterzuivering en lozing van het effluent in de openbare riolering. Op 13 december 2006 stuurde de toezichthouder een laatste brief aan de vergunningverlener met het dringende verzoek een uitspraak te doen in het schorsingsdossier. Op 4 januari 2007 verleende de deputatie van de provincie een milieuvergunning aan de exploitant voor een biologische waterzuiveringsinstallatie voor de behandeling van het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van tankwagens en de lozing van het effluent in de openbare riolering. Hierbij is in beschouwing genomen dat het gezuiverd afvalwater van de biologie wordt hergebruikt als waswater voor de externe reiniging van de tankwagens. In deze milieuvergunning worden twee normenstelsels opgelegd : het ene stelsel is geldig voor het effluent van de biologische waterzuivering dat het afvalwater behandelt van de inwendige reiniging van de tankwagens. Hierbij worden strenge normen opgelegd, conform Vlarem II. Dit effluent wordt echter niet rechtstreeks geloosd in de openbare riolering, maar aangewend voor de externe reiniging van de vrachtwagens. Hierna wordt het afvalwater over een koolwaterstofafscheider geleid om zo naar de openbare riolering te gaan. Op deze lozing in de riolering is een tweede normenstelsel van toepassing dat veel soepeler is dan de eisen waaraan tankreinigers moeten voldoen. Zo is er, naast de algemene lozingsvoorwaarden, slechts voor één lozingsparameter een norm van toepassing, met name voor totaal fosfor. Op 15 januari 2007 liet de deputatie van de provincie aan MI schriftelijk weten dat in zitting van 20 april 2006 was beslist om voorlopig niet in te gaan op het verzoek tot schorsing van de milieuvergunning, gelet op de door de exploitant ingediende milieuvergunningsaanvraag van 14 april 2006. Op 8 februari 2007 maande MI de exploitant aan om een formele beslissing te nemen over de keuze van het definitieve zuiveringsconcept (behoud van de pilootwaterzuivering of aanleg van een volledig nieuwe waterzuivering). Op 16 april 2007 plaatste de zaakvoerder de bestelling voor een definitieve waterzuivering. In september 2007 ving de bouw aan van de beluchtingstank van de definitieve waterzuivering. Vanaf 6 tot 27 september 2007 gebeurde er een bemonsteringscampagne op de twee stelsels van lozingsnormen. De toezichthouder verbaliseerde de uitbater omdat

daarbij talrijke en zware normovertredingen werden vastgesteld, zowel voor het eerste controlepunt onmiddellijk na de biologische waterzuivering (lozingsnormen voor tankreinigers) als voor het tweede controlepunt (zijnde het feitelijke lozingspunt naar de openbare riolering) En omdat er gevaarlijke stoffen werden geloosd zonder vergunning. Op 7 december 2007 kreeg de exploitant dienaangaande een aanmaning om binnen de drie maanden een saneringsplan op te stellen. Op 24 oktober 2007 keurde de toezichthouder het werkplan goed. Medio september 2008 was de nieuwe definitieve biologische waterzuivering operationeel. Met twee schepmonsters werd op 2 december 2008 nagegaan of het effluent van de nieuwe waterzuivering voldeed aan de eisen : het effluent dat rechtstreeks van de biologie kwam voldeed aan de normen, het effluent dat na de biologie werd hergebruikt voor externe reiniging voldeed voor MAK’s en titaan niet aan de norm. MI rapporteerde hierover aan het Openbaar Ministerie en maande de exploitant aan om onmiddellijk alle nodige maatregelen te nemen om de lozing van deze gevaarlijke stoffen te beëindigen door toepassing van de BBT of door deze parameters te laten opnemen in de milieuvergunning. Op 4 februari 2009 liet de exploitant weten dat ook het effluent van de externe cleaning vóór lozing zou worden behandeld in de nieuwe biologische waterzuivering. Hierdoor werd de bestaande milieuvergunning voor de waterzuivering irrelevant, vermits deze vergunning uitgaat van de veronderstelling dat alleen het afvalwater van de interne cleaning gezuiverd wordt in de biologie. Op 18 maart 2009 nam de toezichthouder een tweede reeks monsters. De resultaten voldeden. Op 20 april 2009 kreeg de exploitant een aanmaning om een inductieve magnetische debietsteller te laten plaatsen op het lozingspunt tegen 30 juni 2009. Ondertussen kwam er een UV-behandeling op het effluent van de biologie wat het geschikter maakt voor hergebruik. Op 19 oktober 2009 ontving de zaakvoerder nogmaals een aanmaning om een inductieve magnetische debietsmeter te plaatsen en om een aanvraag in te dienen tot wijziging van de milieuvergunning (schrappen van één lozingspunt en het bijhorende normenstelsel).

Projecten en casussen

- 95


Op 27 november 2009 was er op vraag van de rechtbank een gecoördineerde afstapping met de federale politie (in het kader van de beroepsprocedure): er werd daarbij vastgesteld dat er ook een actief koolfilter was geplaatst met het oog op een eventueel hergebruik van het effluent in de interne cleaning van tankwagens. Op 11 december 2009 stelde de toezichthouder vast dat er op het lozingspunt van afvalwater er een inductieve magnetische debietsmeter was geplaatst.

en het bijhorende normenstelsel) ingediend bij de deputatie van de provincie. Op 18 november 2010 nam deze dienaangaande een beslissing: schrapping van rubriek 3.4.1 (rechtstreeks lozen van bedrijfsafvalwater), uitbreiding van de biologische waterzuivering met een UV-filter en een actief koolfiter, vermindering van het lozingsdebiet tot 40 m³ per dag, en oplegging van een éénduidig normenstelsel voor de lozing met eindnormen die voldoen aan de criteria van art. 5.2.2.9.3 van Vlarem II. Hiermee lijken de problemen inzake het aspect afvalwater eindelijk opgelost!

Op 18 mei 2010 werd het aanvraagdossier ter aanpassing van de milieuvergunning (schrapping van een lozingspunt

GPBV controles bij oppervlaktebehandelaars In het voorjaar en de zomerperiode van 2006 stelden twee kernteamleden van de werkgroep GPBV een uitgebreide handleiding voor de geïntegreerde controles van GPBV-bedrijven uit de sector oppervlaktebehandeling van metalen op. Zij baseerden zich op de bestaande handleiding voor de geïntegreerde controle van chemiebedrijven en pasten deze aan aan de noden voor de controle bij bedrijven die zich bezig houden met de oppervlaktebehandeling van metalen. De aanpassingen betroffen de specifieke productieprocessen en de potentiële emissies die beschreven staan in de beschikbare ‘Best Reference documents’ (BREF’s) betreffende ‘Ferrous Metal Processing Industry’ en ‘Surface Treatment of Metals and Plastics’. De daarin beschreven productieprocessen zijn in overeenstemming met de actuele stand der techniek. Na het verschijnen van de handleiding zouden vanaf 2007 jaarlijks twee dergelijke GPBV controles uitgevoerd worden in de provincie Vlaams-Brabant. Daarbij was het niet enkel de bedoeling om een beeld te krijgen van de mate waarin een bedrijf voldoet aan de Vlarem-wetgeving, maar ook om te bepalen welke bijkomende inspanningen nodig waren om te voldoen aan de Europese GPBV-richtlijn. Bij de geïntegreerde controle komen de volgende aspecten aan bod: vergunningstoestand, milieuzorgsysteem, wettelijke bepalingen, BBT en milieukwaliteitsnormen. De diverse milieuthema’s komen aan bod. Aandachtspunten zijn: -- preventie: doorlichting van de processen en inventarisatie van de productstromen; preventieve maatregelen onder normale bedrijfsomstandigheden en onder andere omstandigheden zoals opstarten, lekken, sto-

96 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

ringen, korte stilleggingen en definitieve stopzetting; preventie van ongevallen; -- afvalwater: controle van de lozing door het nemen van monsters van het afvalwater, controle van de uitvoering van de zelfcontrole; -- afval: nagaan welke afvalstoffen ontstaan, in welke hoeveelheden, wat er intern mee gebeurt, hoe en naar waar ze afgevoerd worden; daarbij worden eventueel monsternames van de afvalstoffen uitgevoerd; -- bodem- en grondwater: nagaan of de nodige voorzieningen aanwezig zijn om verontreiniging van bodemen grondwater te voorkomen en nazien of de exploitant de periodieke bodemonderzoeken tijdig uitvoert; controle van de uitvoering van de zelfcontrole; -- lucht: controle van de zelfcontrole, zowel voor de stookinstallaties als voor de procesemissies; aandacht voor de keuring van apparatuur, meetmethoden en procedures; eventueel door zelf monsters van de lucht nemen; -- veiligheid: controle van de opslag van gevaarlijke stoffen en van de relevante keuringsattesten, voor niet-Sevesobedrijven aangevuld met een controle van de veiligheid van het proces (aan de hand van de controle van de veiligheidsonderzoeken), beheersing van ongevallen. Een GPBV-inspectie start steeds met een grondige voorbereiding. De toezichthouder consulteert alle beschikbare informatie (vergunningsaanvragen, milieu- en exploitatievergunningbesluiten, milieuverslagen, resultaten van de zelfcontrole, MER’s, VR’s, decretale audits, enz. De toezichthouder kondigt de inspecties van te voren schriftelijk aan en bezorgt het bedrijf een inhoudstabel van de handleiding voor de controle. Het bedrijf krijgt daarmee


zicht op het doel van de actie zodat het zich grondig kan voorbereiden. Tevens vraagt MI het bedrijf om tijdens de eerste inspectiedag een korte toelichting te geven over het gebruikte productieproces. De eerste inspectiedag start MI steeds met een toelichting van de doelstellingen van een GPBV-controle. Het bedrijf licht vervolgens het productieproces toe. Daarna volgt een rondgang op het bedrijfsterrein om de vergunningstoestand na te gaan. De dag wordt afgesloten met een gezamenlijke opmaak van de planning van de volgende dagen. Tijdens de volgende inspectiedagen komen de verschillende milieuthema’s aan bod en is het essentieel dat de juiste personen en documenten op het bedrijf aanwezig zijn. Hierbij zijn ook telkens MI-specialisten van de desbetreffende milieudiscipline aanwezig. De meest markante vaststellingen en conclusies worden na afloop van de inspecties en na beoordeling van de vaststellingen in een beoordelingsverslag aan de exploitant meegedeeld. Als er (dreigende) tekortkomingen worden vastgesteld, neemt MI de nodige strafrechtelijke en administratiefrechtelijke maatregelen (raadgevingen, aanmaningen, bestuurlijke maatregelen, veiligheidsmaatregelen, processen-verbaal en voorstellen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden). Een voorstel tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden gebeurt bij specifieke lokale situaties indien blijkt dat er strengere voorwaarden noodzakelijk zijn dan de al opgelegde algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden.

Casus 1 - 2006 (1): Hoe het allemaal begon, een controle van een anodiseerbedrijf Dit bedrijf stapelde jarenlang de fouten in de bedrijfsvoering op. Ernstige lekkages bij toestellen en opslaghouders zorgden voor bodemverontreiniging. Een onzorgvuldige bedrijfsvoering van de waterhuishouding met ongecontroleerde lozingen resulteerde in een slechte oppervlaktewaterkwaliteit van de ontvangende waterloop. Ook voor de werknemers waren er risico’s. Door gebrekkig onderhoud lagen er overal plassen met bijtende vloei-

stoffen verspreid op de vloer. MI zag zich verplicht om drastisch in te grijpen. Doorheen de jaren verbaliseerden de toezichthouders van MI de opeenvolgende exploitanten meer dan 20 keer. Zij maanden deze aan om orde op zaken te stellen. Hiervan kwam weinig tot niets in huis. MI besliste daarom om op basis van een sterk gemotiveerd dossier de opheffing van de exploitatie- en milieuvergunningen te vragen bij de deputatie. Toen bleek dat de deputatie niet tot een beslissing kwam, stelde MI de vraag aan de minister bevoegd voor leefmilieu. Deze laatste gaf gevolg aan het verzoek van MI. Hij hief alle milieu- en exploitatievergunningen op. Vervolgens beval de burgemeester de stopzetting van alle activiteiten op het bedrijf. De exploitant vocht deze beslissingen aan met een schorsingsverzoek bij de Raad van State (RVS).Hij kreeg hier geen gehoor en zette de exploitatie onverstoord verder. Hij leidde daarop een vernietigingsverzoek in bij de RVS. MI verzocht de burgemeester bij herhaling om de inrichting daadwerkelijk te sluiten. De burgemeester deelde MI even zoveel keer mee dat hij zonder materiële, juridische of financiële bijstand/ waarborg niet wenste over te gaan tot sluiting. Omdat de burgemeester voet bij stuk hield en MI van oordeel was dat het verder zetten van de bedrijfsactiviteiten schade toebracht aan het leefmilieu, beval MI eind november 2006 de sluiting van de inrichting. Krachtens dit bevel kreeg de exploitant acht kalenderdagen om de stillegging op bevredigende wijze uit te voeren: veilig en met een legale afvoer van voorraden en afvalstoffen zodat de installaties of installatieonderdelen verzegeld zouden kunnen worden om zo te komen tot een effectieve sluiting van de hinderlijke inrichting. Omdat de exploitant dit bevel niet opvolgde, verzegelde MI eind november 2006 de inrichting. Nadat de exploitant bij eenzijdig verzoekschrift bij volstrekte noodzakelijkheid op grond van artikel 584 van het gerechtelijk wetboek naar de correctionele rechtbank stapte, besliste de rechter om het sluitingsbevel te schorsen en tot opheffing van de verzegeling. De Voorzitter van de Rechtbank van Eerste aanleg stoelde zijn beslissing op het feit dat er uitgaande van het bedrijf nog een vordering tot vernietiging bij de RVS hangende was en dat de eindbeslissing hierover nog niet was gekend. Anderzijds stelde de Voorzitter dat hij de verzoekster niet kon machtigen om haar activiteiten voort te zetten. Dit zou immers

Projecten en casussen

- 97


overeenstemmen met het afleveren van een milieuvergunning waarvoor andere instanties bevoegd zijn. Na betekening van dit vonnis ging MI onmiddellijk over tot ontzegeling. Daarbij werd vastgesteld dat enkele van de zegels waren verbroken en dat de activiteiten onverminderd waren voortgezet. Het Vlaamse Gewest besliste om een dagvaarding derdenverzet neer te leggen bij de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De Rechter oordeelde dat de oorspronkelijke vordering van het bedrijf op grond van artikel 584 onontvankelijk was, bij gebrek aan belang. De Voorzitter besliste, analoog met eerdere rechtspraak van de RVS, elke vordering die gelijkstaat met het verkrijgen van een exploitatie zonder milieuvergunning af te wijzen op grond van de afwezigheid van een wettig belang. Omdat het bevelschrift uitvoerbaar was (artikel 1039 van het gerechtelijk wetboek) en het sluitingsbevel van november 2006 voluit bleef bestaan, kon het bedrijf uiteraard niet meer exploiteren. In maart 2007 bleek opnieuw dat de exploitant volhardde in de boosheid en verder bleef exploiteren en daarbij schade aan het leefmilieu toebracht. De exploitant verklaarde dat hij niet zinnens was vrijwillig te stoppen. MI verzegelde vervolgens enkele onmisbare onderdelen van installaties waardoor de productie stilviel. In de periode dat het juridisch getouwtrek duurde, diende de exploitant een nieuwe klasse 1 milieuvergunningsaanvraag in die de vergunningverlener ontvankelijk en volledig verklaarde in december 2006. Midden maart 2007 besliste de vergunningverlener bij gemotiveerde beslissing om deze milieuvergunning te weigeren. Na de verzegeling vroeg MI op 1 december 2006 aan de burgemeester om de achtergelaten afvalstoffen met toepassing van artikel 54 van het afvalstoffendecreet te verwijderen. De burgemeester ging hier niet op in omdat hij niet beschikte over de hiertoe vereiste middelen. Vervolgens werd eenzelfde verzoek in maart 2007 gericht aan de gouverneur. Deze had evenmin de nodige middelen ter zijner beschikking. Eind april 2007 vroeg MI aan OVAM om in toepassing van artikel 37 van het afvalstoffendecreet de achtergelaten afvalstoffen te verwijderen. OVAM reageerde hier zeer adequaat op en al enkele dagen later volgde er een bezoek op locatie. Al in juni

98 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

startte een aannemer met de opruiming. In oktober 2007 beëindigde de aannemer zijn opdracht en was de sanering van de site een feit.

Casus 2 - 2007 (1): controle van een bedrijf actief in de luchtvaartindustrie Dit bedrijf fabriceert hoogwaardige componenten voor de luchtvaartindustrie. Het behoort tot een multinational en stelt meer dan honderd werknemers te werk. Doorheen de tijd voerde het diverse activiteiten uit in verschillende bedrijfsgebouwen die samen een milieutechnische eenheid vormden. Voor elk van deze gebouwen beschikte het bedrijf over aparte milieuvergunningen. Uit de door MI uitgevoerde doorlichting bleek dat het actueel houden van de milieuvergunningen in dergelijke omstandigheden geen evidentie is, mede door het nog niet beschikken over een milieuzorgsysteem, en dat deze versnippering ook een bijkomende werklast inhield voor de vergunningverlenende overheid. Omdat de vergunde toestand niet langer overeenstemde met de reële exploitatietoestand, stelde MI voor dat het bedrijf een milieuvergunningsaanvraag zou indienen voor alle hinderlijke inrichtingen en activiteiten in de diverse gebouwen op de site. Het bedrijf heeft gevolg gegeven aan dit voorstel. Omdat het ontbreken van een milieuzorgsysteem indruist tegen de vigerende galvano-BREF bepalingen kreeg het bedrijf de raad om zo snel mogelijk een volledig operationeel milieuzorgsysteem in te voeren. De nood aan een operationeel milieuzorgsysteem, dat alle bestaande preventieve maatregelen op voldoende wijze borgt, bleek onder meer uit het feit dat een aantal maatregelen met een minimale investeringskost toch een grote milieuwinst konden opleveren. Het milieuzorgsysteem verplicht de exploitant om de relevante milieuaspecten te bepalen en te beheersen, om interne controles uit te voeren, om abnormale bedrijfsomstandigheden en calamiteiten te registreren en om een reeks van data te bewaren in een logboek. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een aantal van de BREF bepalingen worden doorkruist door de zeer rigide en strenge luchtvaartvoorschriften (onder andere met betrekking tot het gebruik van chroom VI) en de opgelegde lastenboeken van de luchtvaartproducenten. Het bedrijf beschikt over twee productieafdelingen. In één afdeling werd het productieproces na een externe doorlichting geoptimaliseerd en hier scoort het


bedrijf zeer goed. Via een gelijkaardige doorlichting bij de andere afdeling kan de exploitant nagaan of er nog substantiële besparingen mogelijk zijn, temeer daar het hier toch om een al ietwat oudere installatie gaat. De emissies naar bodem, lucht en water zijn onder controle en er worden nog verbeteringen aangebracht. Het bedrijf voldoet ruimschoots aan zijn zelfcontroleverplichtingen. De praktische invulling voor het voorkomen en beheersen van ongevallen is goed.

Casus 3 – 2008 (1): controle van een bedrijf actief in de luchtvaartindustrie Midden 2008 voerde MI een controle uit bij een tweede bedrijf actief in de luchtvaartindustrie dat onderdeel is van een multinational. Het bedrijf is gespecialiseerd in de herstelling en het onderhoud van vliegtuigmotoren en beschikt over hoog gekwalificeerd personeel. De overheden die luchtvaartreglementering (JAR, FAA, IATA,…) uitvaardigen, de constructeurs van vliegtuigmotoren en de verschillende klanten van het bedrijf (luchtvaartmaatschappijen,…) eisen dat onderhoud, revisie, herstelling, modificatie en productie met betrekking tot vliegtuigmotoren en vliegtuigmotoronderdelen, worden uitgevoerd in overeenstemming met goedgekeurde en geactualiseerde technische specificaties (werkvoorschriften). Het bedrijf zit dan ook min of meer “gevangen” tussen de richtlijnen en verplichtingen van producenten en de wetgeving en BREF-specificaties. Als ‘goede huisvader’ streeft het bedrijf, rekening houdend met de grenzen van de voorschriften uit de luchtvaartindustrie, constant naar verbetering en een milieuvriendelijkere productie. Zo is het overstappen op een milieuvriendelijk product om te voldoen aan BREF niet voor de hand liggend omwille van de dwingende eisen eigen aan de sector. Dit is een sterk beperkende factor in een vooruitstrevend en dynamisch milieubeleid. Het bedrijf is bezig met het invoeren van een milieuzorgsysteem ISO 14001. Het beschikt ondertussen wel al over een administratief milieubeheerssysteem om alle documenten met impact op het leefmilieu op een gestructureerde manier te beheren en om deze elektronisch en fysisch ter beschikking te stellen van de interne gebruikers.

Het bedrijf doet aan benchmarking binnen de eigen organisatie. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het goed scoort qua naleving van periodieke meetverplichtingen en keuringen, het totaliseren van de aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stoffen en van de voortgebrachte afvalstoffen. Ook de waterzuivering wordt goed opgevolgd en hier stellen zich evenmin problemen. Op gebied van brandbestrijding en -voorkoming wordt geïnvesteerd in de opleiding van de medewerkers. Het overgrote deel van de gebouwen is uitgerust met een sprinklerinstallatie. Het bedrijf kwam minder goed uit de verf voor wat betreft de waterbalans, energie- en waterbesparing. Daarnaast ontbrak een globaal risicoanalysesysteem dat op alle systemen wordt toegepast en centraal wordt beheerd. Zwak was ook het ontbreken van een containerpark waar alle gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen centraal kunnen worden beheerd en opgeslagen. Eén en ander vloeide voort uit het feit dat het bedrijf zelf geen eigenaar is van de gebouwen en daardoor beperkt is qua ingrepen in de infrastructuur. Opmerkelijk tijdens de rondgang was de vaststelling dat er nog een vloerbekleding bestaande uit kops geplaatste houten blokjes in gebruik was in plaats van de gebruikelijke vaste, ondoordringbare ondergrond. Na het afronden van deze doorlichting volgde een uitgebreide aanmaning, vergezeld van een evaluatieverslag. Het bedrijf stelde hierop een actieplan met 16 actiepunten op. Dit plan is sedertdien al grotendeels uitgevoerd.

Casus 4 – 2008 (2): controle van een anodiseerbedrijf Deze KMO werkte als loonbedrijf. Dit betekent dat de behandelde stukken eigendom zijn van de klant en dat het afwerkingsbedrijf wordt betaald voor geleverde prestaties. Bij de doorlichting van dit bedrijf bleek dat de reële exploitatie niet helemaal strookte met deze van de milieu- en exploitatievergunningen. Het bedrijf beschikte niet over een milieuzorgsysteem. Het voerde geen milieubeleid zodat het op verschillende punten niet voldeed aan de Vlaremvoorschriften. Het kon evenmin een concrete planning voorleggen om het in de toekomst beter

Projecten en casussen

- 99


te doen. Preventie bleek er een ijdel woord te zijn. Er gebeurden geen inspanningen voor het verminderen van het grondwaterverbruik, de emissies via het afvalwater waren problematisch, de afvoer van de geproduceerde afvalstoffen gebeurde onregelmatig en er waren zelfs illegale lozingen. De lekdichtheid van de inkuipingen met de baden kon niet worden gegarandeerd en de inkuiping bevatte steeds een aanzienlijke hoeveelheid bijtende en agressieve vloeistoffen afkomstig van de meesleep uit de baden. Dit bedrijf leverde niet genoeg inspanningen om de werknemers te beschermen en ook de interventiemiddelen waren onvoldoende om in geval van een calamiteit adequaat te kunnen optreden. Voordien verbaliseerde MI de exploitant al een tiental keer. Omdat deze nooit adequaat reageerde op de aanmaningen en gezien het groot aantal tekortkomingen beval de toezichthouder van MI in april 2009 de stopzetting van de activiteiten. Daarbij besteedde MI extra zorg aan de uitvoerige motivering van deze beslissing. Tegen deze beslissing diende de exploitant beroep in bij de minister. Die verklaarde het beroep ongegrond. In december 2009 volgde de faling van het bedrijf waarbij het onder curatele kwam. Vanaf dat ogenblik lag het bedrijf er onbewaakt bij. De baden met bijtende vloeistoffen waren op dat ogenblik nog aanwezig. MI heeft onmiddellijk de curator erop gewezen dat hij de beheerder was van het faillissement en dat hij dit diende te doen als een goede huisvader. Hij is als beheerder verplicht om maatregelen te treffen om het risico voor mens of leefmilieu uit te schakelen of minstens tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De curator had niet de intentie om de nodige stappen te nemen die de veiligheid van de omgeving zouden garanderen. De toezichthouder van MI legde daarom in maart 2010 een veiligheidsmaatregel op aan de curator om het aanzienlijke risico voor mens en leefmilieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. MI lichtte OVAM hierover in. De curator had echter niet de financiële mogelijkheid om gevolg te geven aan de veiligheidsmaatregel. Vanwege het hoge veiligheidsrisico doordat dieven de site plunderden en omdat het niet uit te sluiten viel dat mensen die onwetend waren over de risico’s van de aanwezige gevaarlijke stoffen de inrichting zouden betreden, kwamen de verschillende partijen overeen dat de OVAM de veiligheidsmaatregel ambtshalve zou uitvoeren. OVAM liet

100 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

vervolgens de gevaarlijke afvalstoffen door een aannemer verwijderen. Eind oktober was deze sanering een feit.

Casus 5 - 2009 (1): controle van een aluminium afwerkingsbedrijf Deze KMO heeft nog geen milieuzorgsysteem ingevoerd. In dit bedrijf was het aspect milieu dan ook niet als vast onderdeel opgenomen in het beleid. Het bedrijf was echter wel correct vergund. De beslissingen van het management werden voor implementatie afgetoetst aan de huidige milieuwetgeving. Het bedrijf beschikt over een ‘Qualicoat’label. Dit impliceert een strenge controle van het productieproces en een nauwgezet toezicht op het gebruik van producten en grondstoffen. In de behandelingsbaden wordt een cascaderegeling toegepast om het grondstoffenverbruik te minimaliseren. De standtijd van de baden is zeer hoog. Door het introduceren van een cascadespoeling is het waterverbruik aanzienlijk verminderd. Real-time procescontrole wordt niet toegepast, aanvullingen van baden gebeuren steeds manueel. Deze taak gebeurt door een beperkt aantal werknemers, onder meer omdat er geen collectieve opleidingen veiligheid en milieu voorzien zijn. Voor het voorbehandelingsbad met chroom(VI) vormen de dampverliezen uit de baden een probleem. Tijdens het hardchromeren komen onvermijdelijk aerosols vrij die conform de BREF moeten worden afgezogen omdat ze bij inademing kanker kunnen veroorzaken. Daarom vroeg Milieu-inspectie dat er een risico-evaluatie gebeurde en dat het bedrijf een gunstig advies van de arbeidsgeneesheer voorlegde zoals dit wordt vereist door FOD Volksgezondheid. Er waren verschillende positieve punten. De opslag van de gevaarlijke stoffen gebeurt op de voorgeschreven wijze, de baden zijn dubbelwandig en er is een gescheiden rioleringsstelsel. Het geloosde bedrijfsafvalwater bevatte echter systematisch teveel fosfor. De toezichthouder van MI stelde daarom proces-verbaal van overtreding op. Het bedrijf kreeg de raad om een milieuzorgsysteem te voorzien om op een systematische en aantoonbare manier aan milieukwaliteitsborging te kunnen doen en aan te tonen dat de beste beschikbare technologieën worden toegepast.


Casus 6 – 2009 (2): controle bij een metaalverwerkend bedrijf Dit bedrijf maakt deel uit van een internationale groep metaalbewerkende bedrijven. De onderzochte vestiging is gespecialiseerd in het bewerken van metaaldraad. De combinatie van het trekken, gloeien en beitsen van draden leidt tot een grote variatie aan producten. MI controleerde de beitsafdeling van dit bedrijf op de GPBV-voorwaarden. In de beitsafdeling worden de grote spoelen walsdraad volledig automatisch behandeld in de verschillende baden. Deze baden staan in lijn opgesteld: eerst de steeds zuurdere baden, vervolgens de spoelbaden en dan de baden voor de verschillende afwerkingen. De gewenste afwerking van het product bepaalt in welke baden en in welke volgorde de spoelen worden behandeld. Na het drogen in de oven verlaten de behandelde spoelen de beitsafdeling. Het bedrijf beschikte niet over een milieuzorgsysteem en dit liet zich merken. Het bedrijf heeft wel de intentie om tegen 2012 het ISO 14001-certificaat te behalen. In het voorjaar van 2009, in de aanloop naar de aanvraag van een nieuwe milieuvergunning (de huidige milieuvergunningen vervallen in september 2011) liet het bedrijf een BBT-doorlichting uitvoeren. Door het ontbreken van een milieuzorgsysteem en in mindere mate door de economische recessie voerde het bedrijf geen proactief milieubeleid, maar werden er eerder ad hoc-maatregelen genomen om de emissies en het grondstoffen- en energieverbruik te laten dalen. Zo zocht het bedrijf naar aanleiding van een toekomstige strengere lozingsnorm voor nitraten en nitrieten intensief naar mogelijke maatregelen in het proces om de emissies van deze stoffen te beperken. Het beitsproces werd geoptimaliseerd door de samenstelling van de beitsbaden nauwkeuriger op te volgen, de uitdruptijden te verlengen en de uitsleep naar de spoelbaden te beperken. Het bedrijf merkte hierbij terecht op dat het doorgedreven verminderen van het waterverbruik bij het beitsen een concentratietoename van polluenten veroorzaakte in het afvalwater. Voor het geval deze maatregelen onvoldoende zouden blijken te zijn, is VITO ingeschakeld om mee te zoeken naar een zogenaamde “end-of-pipe” techniek. Vanwege de zeer goede oplosbaarheid van nitraten zal een oplossing niet evident zijn. MI stelde vast dat de beitsafdeling bestond uit een reeks bovengrondse, enkelwandige, gecoate tanks. De ruimte waarin deze tanks staan, was niet ingekuipt; er was wel een afvoer van eventuele gemorste vloeistoffen voorzien

naar een opvangbekken van 35 m³. Volgens het uitgevoerde BBT-onderzoek was dit alternatief BBTconform. MI twijfelde hieraan en liet daarom een veiligheidsonderzoek uitvoeren door een externe deskundige. Dit onderzoek wees uit dat er geen vloeistofresistente opvang is, dat dit opvangbekken in uitvoering en in capaciteit niet ontworpen is als calamiteitenbekken zodat het geen evenwaardig alternatief is zoals geëist door Vlarem II. Het bedrijf beraadt zich ondertussen over het inkuipen van de hele beitsafdeling. Deze plannen zitten nog in de ontwerpfase. Via een reorganisatie van de verwerking van de spoelbaden zijn er nu altijd twee baden leeg. In geval van een calamiteit kan de gemorste vloeistof worden overgepompt in deze lege baden. Het bedrijf stelt alles wordt in het werk gesteld om in het najaar 2011 het ISO 14001-certificaat te behalen.

Casus 7 – 2010 (1): controle van een aluminium afwerkingsbedrijf Het bedrijf telt een vijftigtal werknemers en behoort tot een multinational met productievestigingen verspreid over heel Europa. Het bedrijf is correct vergund. Er is geen milieuzorgsysteem geïmplementeerd. In de vestiging worden aluminium ‘coils’ afgerold, door verschillende chemische baden geleid en terug opgerold. De gezamenlijke inhoud van de behandelingsbaden bedraagt ongeveer 1.000 m³. Het bedrijf dateert van de jaren ’70 en een aantal van de oude installaties zijn momenteel nog steeds aanwezig. Op basis van controles door MI in het verleden bleek dat de opslagtanks en de opvanggoten onder de behandelingsbaden niet meer voldoen. MI verbaliseerde het bedrijf en er is een saneringsplan dat loopt over 4jaar om de opvanggoten, vloeren en de tanks volledig te vernieuwen. De zones met het grootste risico krijgen daarbij prioriteit. Einde 2011 zou de sanering afgerond moeten zijn. Omwille van de economische recessie liep het plan enige vertraging op. MI voerde Tijdens de GPBV-inspectie een debietevenredige bemonsteringscampagne uit van het bedrijfsafval-

Projecten en casussen

- 101


water. De lozingsnormen voor boor, aluminium en sulfaten werden overschreden, hoewel in het productieproces boorzuur voordien al was vervangen door azijnzuur. MI maande het bedrijf aan om de oorzaak van de overtredingen te zoeken. Uit dat onderzoek bleek dat er een verstopping zat in de toevoer van productielijn 4. Dit had een onvoorziene overloop naar het lozingspunt als gevolg. Om herhaling te voorkomen plaatste de exploitant een niveaumeter op het ontvettingsbad.

Casus 8 – 2010 (2): controle van een bedrijf voor de verzinking van metalen stukgoederen

In 2008 beperkte de vergunningverlener het op te pompen debiet van de grondwaterwinning tot 300.000 m³ per jaar. Dit verplichtte het bedrijf om waterbesparende maatregelen nemen. Het bedrijf moest daarenboven bijkomende peilmetingen uitvoeren. Het plaatste een automatisch peilmeetsysteem. Ook slaagde het er in om in 2009 door het toepassen van tal van maatregelen, zoals het invoeren van een recuperatiesysteem voor het spoelwater en cascadespoelingen, het verbruik van grondwater met 45% te laten dalen.

Het bedrijf heeft een goede kennis van de processen en heeft maatregelen genomen ter preventie en beperking van het grondstoffen-, energie- en waterverbruik, zowel bij de voorbehandelingsbaden als bij het zinkbad. Dit leidde verder ook tot een daling van de geproduceerde hoeveelheid afvalstoffen. BBT-technieken waaronder een automatisch sturingssysteem, fysicochemische behandelingsinstallaties voor de regeneratie van het fluxbadwater en het hergebruik van afvalwater van spoelbaden en vloerreiniging zijn geïmplementeerd. Deze automatisatie betekent een verhoging van de veiligheid en laat toe de processen via continue metingen op te volgen. Via een gescheiden stelsel wordt het bedrijfs- en sanitair afvalwater na afzonderlijke zuivering geloosd in oppervlaktewater.

Ook op het gebied van preventie leverde het bedrijf de nodige inspanningen en zocht het naar minder milieubelastende alternatieven. Via zuurretardatie wordt de inhoud van de anodiseerbaden gerecupereerd met een daling van het grondstofverbruik als gevolg. Netto is er daardoor een daling van 65% van de hoeveelheid vrij zuur in het afvalzuur. De plaatsing van een computergestuurd sturings- en alarmsysteem stelt het bedrijf in staat om continue metingen uit te voeren en om automatisch bijsturingen te doen. Ter hoogte van de oppervlaktebehandelingsbaden en de coatingsinstallatie is er luchtafzuiging voorzien. Eén onderdeel van de installaties dat slechts sporadisch in gebruik is, voldeed niet aan de emissiegrenswaarde voor VOS. MI verbaliseerde dit en maande het bedrijf aan om de nodige maatregelen te nemen om zo snel mogelijk te voldoen aan de emissienormen. Op gebied van de beheersing van ongevallen is nog vooruitgang mogelijk. Zo zijn er geen interne risicoanalyses uitgevoerd en is er geen lijst van de mogelijke calamiteiten die zich zouden kunnen voordoen. Het management besteedt wel aandacht aan de opleiding van de werknemers.

102 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Dit bedrijf beschikte niet over een milieuzorgsysteem. Het bedrijf toetst de managementbeslissingen en hun milieu-impact in samenwerking met externe consultants af aan de wetgeving. Vergunningstechnisch was de exploitatietoestand in orde.

Toch bleek dat het bedrijf de emissies naar het water onvoldoende beheerst. Bij een bemonsteringscampagne bleken er overtredingen van de lozingsnorm voor BOD en COD. Daarnaast overtrad de exploitant een bijzondere voorwaarde die bepaalde dat de hal met ontvettings- en zuurbaden moest afgesloten worden. MI verbaliseerde deze tekortkomingen. Er blijven nog tal van verbeteringen mogelijk, zoals de deugdelijke afzuiging en de behandeling van de zuurdampen in de voorbehandelingshal wanneer de schadelijkheid ervan voor de volksgezondheid en het niet voldoen aan de emissiegrenswaarden kan worden aangetoond. Het bedrijf beschikt niet over een energieplan. Toch verminderden het energieverbruik en luchtemissies de laatste jaren sterk door het gebruik van aardgas als energiebron, de regelmatige afstelling van de branders en de recuperatie van de restwarmte van het zinkbad bij de voorbehandelingsbaden.


Het bedrijf neemt voldoende maatregelen om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen en monitort de vastgestelde historische zinkverontreiniging. Het bedrijf moet nog bijkomende inspanningen leveren met betrekking tot de beheersing van ongevallen, aangezien de identificatie van en een register voor (bijna)ongevallen of calamiteiten en risicoanalyses ontbreken, evenals een degelijk opleidingsprogramma voor werknemers. Het gebruik van gevaarlijke producten en werken rond baden moet strikt worden voorbehouden aan enkele mensen en de veiligheidsvoorschriften mogen niet langer hoofdzakelijk mondeling worden gegeven.

beschrijft de opvolging die deze moeten krijgen. Het stelt eisen aan de opleiding van medewerkers en bepaalt dat instructies en procedures moeten gedocumenteerd zijn. Verder bevat het scenarioâ&#x20AC;&#x2122;s voor de aanpak van de mogelijke calamiteiten. Een van de krachtlijnen is dat het management het zorgsysteem ondersteunt en doordrongen is van het feit dat dit niet opnieuw een zoveelste verplichting is die het bedrijf krijgt opgelegd, maar dat het een instrument van innovatie, performantie, grondstoffen- en kostenbeheersing is. Vandaar ook dat het als eis is opgelegd in de BREFâ&#x20AC;&#x2122;s voor deze sectoren. MI vindt het een spijtige zaak dat dit aspect niet aan bod komt in de desbetreffende BBT. Ook bij de behandeling van milieuvergunningsaanvragen zou hier meer aandacht aan kunnen worden besteed, niet het minst door de bedrijven ertoe aan te zetten om een milieuzorgsysteem te implementeren.

Algemeen besluit

MI stelt in de meeste van bovenstaande casussen vast dat de bedrijven wel degelijk inspanningen leveren om procesverbeteringen en besparingen te realiseren, maar daarbij nog ongestructureerd te werk gaan. Vaak gebeurt dit op basis van de interne kennis en de inzet van enkelingen. Ook blijkt dat niet iedereen binnen het bedrijf voldoende van het aspect milieu in ruime betekenis doordrongen is. Daardoor leeft bij MI ietwat het gevoel dat de bedrijven de problemen in verspreide slagorde aanpakken. Een goed functionerend milieuzorgsysteem had misschien ook kunnen voorkomen dat bedrijven door MI moesten worden gesloten.

Als MI terugblikt op al deze casussen blijkt duidelijk dat het belangrijkste hiaat het ontbreken van een aangepast milieuzorgsysteem is. Waarom is dit dan zo belangrijk? Een milieuzorgsysteem is een beheersinstrument waarmee een bedrijf zijn milieu-impact in kaart brengt, onder controle houdt en terugdringt. Een goed uitgewerkt systeem draagt ertoe bij dat het voldoet aan de milieuwetgeving en dat milieu in alle geledingen van het bedrijf wordt geĂŻntroduceerd. Het legt een verbetertraject vast, waarvan innovatie een belangrijk onderdeel vormt. Het bevat een register van de wettelijke zelfcontroleverplichtingen, registreert de registratie van de resultaten ervan, en Titel? Criterium

Casus 1

Casus 2

Casus 3

Casus 4

Casus 5

Casus 6

Casus 7

Casus 8

Vergunningstoestand

+

-

Milieuzorgsysteem

--

-

++

-

++

++

++

++

o

--

o

-

o

-

Doorlichting van de processen en inventarisatie van de processtromen

--

Preventieve maatregelen onder normale bedrijfsomstandigheden

--

+

o

--

+

+

+

+

+

+

--

+

o

+

+

Preventieve maatregelen onder andere dan normale bedrijfsomstandigheden Preventie van ongevallen

-

+

+

--

o

-

o

o

--

+

+

--

o

-

+

o

Duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen

-

o

o

--

+

+

+

+

Duurzaam gebruik van energie

o

o

o

--

o

+

-

++

Preventie en beheer van afval

--

+

+

--

+

+

+

+

Preventie en bestrijding van emissies naar de lucht

--

+

+

--

-

o

o

o

Preventie en bestrijding van emissies naar het water

--

o

+

--

-

-

-

o

Preventie en bestrijding van emissies naar bodem en grondwater

--

+

+

--

-

o

o

+

Beheersing van ongevallen

--

+

+

--

o

o

o

o

Geluid

+

+

+

+

+

o

+

+

++ : zeer goed voor dit criterium

+ : goed voor dit criterium

o : redelijk voor dit criterium

- : zwak voor dit criterium

-- : slecht voor dit criterium

Projecten en casussen

- 103


Houtafvalverbranding

Evaluatie van de meetcampagnes uitgevoerd in de periode 2006-2010

De regelgeving die sinds 28 december 2005 met betrekking tot houtafvalverbrandingsinstallaties in de Vlaamse milieuwetgeving is opgenomen, maakt een onderscheid tussen enerzijds installaties voor het verbranden van biomassa-afval (o.a. onbehandeld houtafval, niet-verontreinigd behandeld houtafval) en anderzijds afvalverbrandingsinstallaties (o.a. verontreinigd behandeld houtafval). Dit onderscheid bepaalt in belangrijke mate welke sectorale voorwaarden en bijgevolg emissiegrenswaarden op de installatie van toepassing zijn. Verbrandingsinstallaties voor biomassa-afval komen in het Vlaams Gewest in diverse sectoren voor. Hoofdzakelijk wordt er in deze installaties houtafval verbrand.

De 130 controles van 4 meetcampagnes gebeurden gespreid over heel het Vlaams Gewest. Bij 67 installaties voerde MI 1 controle uit, bij 16 installaties 2 controles, bij 9 installaties 3 controles en bij 1 installatie gebeurde er jaarlijks een controle.

Om na te gaan of deze aangepaste regelgeving wordt nageleefd, heeft MI 130 verschillende controles uitgevoerd bij in totaal 93 biomassa-afvalverbrandingsinstallaties in de periode 2006-2010. Dit gebeurde bij zowel grote installaties (> 5 MW) als bij kleinschalige installaties (< 5 MW) en ongeacht of het een klasse 1- of klasse 2-bedrijf betrof. Ieder jaar werd een aantal nieuwe installaties geselecteerd of werd een controle uitgevoerd bij installaties waar MI in het recente verleden problemen vaststelde. Tijdens iedere controle neemt MI een monster van het te verbranden houtafval; de visuele controle en chemische analyse wijzen uit om welk soort houtafval het gaat en welke meetverplichtingen en emissiegrenswaarden bijgevolg van toepassing zijn. Om na te gaan of de samenstelling van de rookgassen van de biomassa-afvalverbrandingsinstallatie voldoet aan deze emissiegrenswaarden, wordt een luchtemissiemeting uitgevoerd. Zowel de analyse van het te bemonsteren houtafval als de luchtemissiemetingen worden uitgevoerd door erkende laboratoria. Verder controleert MI ook in hoeverre de exploitant zijn meetverplichting inzake de zelfcontrole nakomt en evalueert MI de resultaten van deze zelfcontrolemetingen. Als op basis van de visuele controle of chemische analyse van het te verbranden houtafval wordt vastgesteld dat het soort houtafval niet in overeenstemming is met de vergunde situatie, of wanneer het bedrijf niet voldoetaan de emissiegrenswaarden of de opgelegde meetverplichting in het kader van de zelfcontrole niet naleeft, kan MI - op basis van het handhavingsinstrumentarium waarin het handhavingsdecreet voorziet - een aanmaning geven, een proces-verbaal opstellen of een bestuurlijke maatregel opleggen.

104 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

De biomassa-afvalverbrandingsinstallaties waar MI een controle uitvoerde, kunnen worden onderverdeeld in 3 types: installaties met een vermogen â&#x2030;¤ 5 MW waarin onbehandeld houtafval wordt verbrand, installaties met een vermogen â&#x2030;¤ 5 MW waarin niet-verontreinigd behandeld houtafval wordt verbrand en installaties met een vermogen > 5 MW waarin nietverontreinigd behandeld houtafval wordt verbrand of gedroogd. Installaties waarin verontreinigd houtafval wordt verbrand en installaties met een nominaal thermisch vermogen > 50 MW kwamen in deze handhavingsactie niet aan bod. De meetcampagnes worden vooral tijdens de winterperiode uitgevoerd omdat een groot deel van de biomassaafvalverbrandingsinstallaties voor verwarming van kantoren of bedrijfsruimten wordt gebruikt. Tijdens de winter 2006-2007 voerde MI 45 controles uit, gedurende de 2 winterperioden die daarop volgden telkens 27 controles en tijdens de winter 2009-2010 31.

Kwaliteit van het te verbranden houtafval Tijdens iedere controle neemt MI een staal van het te verbranden houtafval. Na een visuele controle gaat het bemonsterde houtafval naar een erkend laboratorium voor analyse. Een eerste onderscheid tussen onbehandeld en behandeld houtafval wordt gemaakt op basis van een visuele beoordeling: onbehandeld houtafval mag enkel bestaan uit natuurlijk hout dat al dan niet een mechanische behandeling heeft ondergaan. Een chemische analyse levert de vereiste informatie om het onderscheid te kunnen maken tussen niet-verontreinigd en verontreinigd houtafval. De resultaten van de chemische analyse worden getoetst aan de richtwaarden (A- en B-waarden) die in Vlarem II voor de samenstelling van houtafval zijn opgenomen. Bij 63 van de 130 uitgevoerde analyses (48,5 %) voldeed het te verbranden houtafval niet aan de A-richtwaarden. Bovendien bleken 41 van deze 63 analyses ook niet te vol-


Luchtemissiemetingen doen aan de minder strenge B-richtwaarden. De meest voorkomende overschrijdingen van de B-richtwaarden betroffen de parameters lood (18), chloor (14), koper (10), arseen (8) en fluor (7). De afkomst van deze verontreinigende stoffen is veelal te wijten aan een verduurzamingsbehandeling, de aanwezigheid van plastic, verf, vezelplaten,â&#x20AC;Ś Concreet tonen deze analyses aan dat bij 29 van de 93 gecontroleerde installaties houtafval werd aangetroffen dat niet voldoet aan de samenstellingscriteria voor classificatie als niet-verontreinigd behandeld houtafval. Van deze 29 installaties zijn er 5 vergund voor het verbranden van onbehandeld houtafval en 24 voor het verbranden van niet- verontreinigd behandeld houtafval. De chemische analyse gaf echter aan dat minstens een fractie van het houtafval als verontreinigd moest worden beschouwd. Het betrof zowel installaties die houtafval verbrandden afkomstig van hun eigen productie als installaties die houtafval verkregen via derden. Deze installaties waren veelal niet geschikt en bovendien niet vergund voor het verbranden van verontreinigd behandeld houtafval. Zonder aanpassing van de milieuvergunning mocht dit houtafval bijgevolg niet in deze installaties worden verbrand. Voor kleinere installaties (â&#x2030;¤ 5 MW) is de meerkost voor extra rookgasbehandeling en voor het aanbrengen van de vereiste meetapparatuur en de daarmee gepaard gaande meet- en keuringsverplichtingen in de meeste gevallen economisch niet verantwoord. Bijgevolg moest er worden gestreefd naar een grotere zorgzaamheid en selectiviteit bij het samenstellen van het te verbranden houtafval. In deze context kan vermeld worden dat er op initiatief van OVAM in overleg met bedrijven uit de houtverwerkende sector een code van goede praktijk voor het bewerken van houtafval werd opgesteld met als doel verontreinigende stoffen maximaal te verwijderen uit het te verbranden houtafval. Daarmee zou de kwaliteit van dit houtafval moeten verhogen.

Om na te gaan of de samenstelling van de rookgassen voldoet aan de emissiegrenswaarden, laat MI in eigen opdracht luchtemissiemetingen uitvoeren door een laboratorium erkend in de discipline lucht. In de periode 20062010 werden er 130 luchtemissiemetingen uitgevoerd bij 93 verschillende installaties. De sectorale emissiegrenswaarden die op deze installaties van toepassing zijn, worden beschreven in Vlarem II. De emissiegrenswaarden hebben steeds betrekking op de omstandigheden 273 K (temperatuur), 101,3 kPa (druk), 11 % zuurstof en droog gas. Deze sectorale emissiegrenswaarden of de omstandigheden waarop de emissiegrenswaarden betrekking hebben, kunnen door de vergunningverlenende overheid aangevuld en/of verstrengd worden in de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning. Voor de beoordeling van de resultaten houdt MI rekening met het gegeven dat de som van alle systematische en toevallige fouten van de monsterneming en analyse samen niet meer dan 30 % van het resultaat van de meting mag bedragen. MI toetst de resultaten af aan de sectorale emissiegrenswaarden en houdt desgevallend rekening met aanvullingen van de voorwaarden van de milieuvergunning. De probleemparameter bij uitstek was CO met het grootste aantal overschrijdingen. De emissiegrenswaarde voor deze parameter werd 50 keer overschreden en dit bij 40 verschillende installaties. De emissiegrenswaarde voor de parameter totaal stof werd 29 keer overschreden en dit bij 26 installaties. Bij 11 installaties stelde MI 12 overschrijdingen vast van de emissiegrenswaarde voor de parameter NOx. Op 50 installaties werd de parameter dioxinen en furanen gemeten. Uit de analyseresultaten bleek dat bij 18 installaties (36 %) de emissiegrenswaarde voor deze parameter werd overschreden; de waarden bij overschrijding varieerden van 0,57 tot 17,5 ng TEQ/NmÂł (na verrekening van de meetfout van 30 %). Daarenboven werd ook bij 3 installaties waarop geen emissiegrenswaarde van toepassing is een verhoogde waarde voor de parameter dioxinen en furanen vastgesteld.

Projecten en casussen

- 105


Bij 3 van de 7 biomassaafvalverbrandingsinstallaties waar er een emissiegrenswaarde voor de parameter zware metalen van toepassing is, werd een overschrijding ervan vastgesteld. Bij 60 van de 93 houtverbrandingsinstallatie (65 %) waar MI in de periode 2006-2010 luchtemissiemetingen liet uitvoeren, werd de emissiegrenswaarde voor ĂŠĂŠn of meerdere parameters overschreden. De oorzaken van deze overschrijdingen zijn uiteenlopend van aard en hebben meestal te maken met een combinatie van een slechte kwaliteit van de brandstof, een onvolledig verbrandingsproces en een onvoldoende uitbouw en/ of werking van de rookgasreinigingsinstallatie.

Controle van de zelfcontrole Voor iedere biomassa-afvalverbrandingsinstallatie geldt overeenkomstig de voorwaarden van Vlarem II een meetverplichting; dit houdt in dat op initiatief en op kosten van de exploitant op basis van een opgelegde frequentie een aantal parameters in de rookgassen moet worden gemeten door een laboratorium erkend in de discipline lucht. De frequentie en het aantal parameters worden bepaald door het soort houtafval dat wordt verbrand en door het nominaal thermisch vermogen van de installatie. Daarnaast moet de exploitant die niet-verontreinigd behandeld houtafval verbrandt hierop analyses laten uitvoeren door een erkend laboratorium volgens een opgelegde frequentie die afhankelijk is van het nominaal thermisch vermogen van de verbrandingsinstallatie en de herkomst van het te verbranden houtafval. Rekening houdende met het werkingsregime van de installaties werden bij 23 van de 93 installaties (25 %) deze zelfcontrolemeetverplichtingen niet correct uitgevoerd.

Handhavingsacties Op basis van de visuele controle en chemische analyse op het te verbranden houtafval, de resultaten van de luchtemissiemetingen en de resultaten van de zelfcontrole, werd bij 76 van de 93 gecontroleerde installaties (81 %)

106 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

een non-conformiteit met de milieuregelgeving vastgesteld. Wanneer wordt vastgesteld dat het te verbranden houtafval niet beantwoordt aan de vooropgestelde kwaliteitseisen voor onbehandeld houtafval of niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden voor niet-verontreinigd behandeld houtafval, stelt MI over een proces-verbaal op. De exploitant wordt tevens aangemaand om er op toe te zien dat enkel het soort houtafval wordt verbrand overeenkomstig de voorwaarden van zijn milieuvergunning, en om binnen een door de toezichthouder opgelegde termijn een nieuwe analyse uit te voeren op het te verbranden houtafval. Als de samenstellingscriteria uit Vlarem II in belangrijke mate worden overschreden, gaat MI sinds mei 2009 over tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel (stakingsbevel) en moet het gebruik van dit houtafval worden stopgezet en de partij houtafval door de exploitant op legale wijze worden afgevoerd. Als uit een luchtemissiemeting blijkt dat biomassaafvalverbrandingsinstallaties de emissiegrenswaarden niet naleven, stelt MI proces-verbaal op. Tegelijkertijd wordt de exploitant aangemaand om onmiddellijk alle vereiste maatregelen te nemen om te kunnen voldoen aan de emissiegrenswaarden en om, na sanering, binnen een door de toezichthouder opgelegde termijn het meetrapport van een nieuwe meting voor te leggen. Indien MI vaststelt dat de emissiegrenswaarden in belangrijke mate of herhaaldelijk worden overschreden, dan wordt sinds mei 2009 overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel (regularisatiebevel of stakingsbevel). Het niet naleven van de meetverplichtingen inzake zelfcontrole leidt eveneens tot het opstellen van een proces-verbaal en een aanmaning om de vereiste metingen alsnog uit te voeren. Als MI vaststelt dat de exploitant in belangrijke mate of herhaaldelijk in gebreke blijft, legt zij sinds mei 2009 een bestuurlijke maatregel (regularisatiebevel) op. Deze handhavingsacties die MI de afgelopen jaren liet uitvoeren leidden tot de stopzetting van de verbrandingsactiviteiten bij een aantal biomassa-afvalverbrandingsinstallaties met een belangrijke dioxineoverschrijding of een aanslepend dioxineprobleem. Een aantal andere installaties ondergingen, met het oog op het behalen van betere emissieresultaten, grondige aanpassingswerken. Zo werden bij een installatie de multicycloon en de schouw verwijderd en vervangen door een multicycloon, een doekenfilter en een filter met actief kool-patronen voor het verwijderen van dioxines. Een ander bedrijf liet


door een deskundige een optimalisatieonderzoek uitvoeren voor de reeds aanwezige dioxinefilter en voerde vervolgens door middel van een aantal corrigerende maatregelen een sanering uit. Andere maatregelen hielden een plaatsing van een natte rookgaswassing in of het verhogen van de bedrijfszekerheid van de rookgasreinigingsinstallatie door een aantal aanpassingen.

Conclusie De concentraties van verontreinigende stoffen in de rookgassen van biomassa-afvalverbrandingsinstallaties zijn in belangrijke mate afhankelijk van de kwaliteit van de brandstof, het goede verloop van het verbrandingsproces en de aanwezigheid en performante werking van de rookgasreinigingsinstallatie, maar hun oorsprong valt niet altijd eenduidig af te leiden. Bij 9 van 21 installaties met een te hoge dioxineconcentratie in de rookgassen voldeed het houtafval niet aan de samenstellingscriteria voor classificatie als niet-verontreinigd behandeld houtafval. Bij 12 andere installaties voldeed het houtafval dus wel aan deze criteria maar werd toch een hoge dioxine-uitstoot gemeten. Hoge dioxineconcentraties in de rookgassen kunnen bijgevolg niet alleen worden verklaard door het verbranden van houtafval van slechte kwaliteit, of anders gesteld, enkel het voldoen aan de samenstellingscriteria van het houtafval biedt geen of onvoldoende garantie om dioxinevorming uit te sluiten. Het vaak heel heterogeen karakter van het te verbranden houtafval en een al te selectieve of gerichte bemonstering door de exploitant kunnen aanleiding geven tot sterk wisselende en uiteenlopende analyseresultaten. Toch lijkt de kwaliteit van het te verbranden houtafval over het algemeen beter te zijn bij bedrijven met afval uit eigen productie dan bij bedrijven waar het houtafval via derden toekomt.

De aangewende technologie biedt evenmin voldoende zekerheid. Voor de parameter totaal stof bijvoorbeeld betekent de aanwezigheid van ĂŠĂŠn of andere vorm van rookgasbehandeling nog niet dat de emissiegrenswaarde voor deze parameter wordt gehaald. Zo blijkt dat voor bijna de helft van de installaties die zijn uitgerust met een multicycloon de emissiegrenswaarde voor de parameter stof wordt overschreden. Nochtans wordt deze techniek voor de parameter totaal stof in de BBT-onderzoek voor verbranding van hernieuwbare brandstoffen als best beschikbare techniek beschouwd. Dergelijke vaststellingen zijn vermoedelijk grotendeels toe te schrijven aan een slechte werking (door een gebrek aan onderhoud) van de rookgasreinigingsinstallatie en/of het optreden van technische problemen allerhande gedurende de meting. In ieder geval vraagt deze complexe problematiek de komende jaren verdere aandacht en dit in het bijzonder voor installaties die MI nog niet eerder controleerde; bij installaties waar een eerste controle wordt uitgevoerd, stelt MI immers in veel gevallen nieuwe problematische situaties vast. Hoewel nog maar weinig algemene conclusies kunnen worden getrokken over welke invloed de brandstof en de werking en het onderhoud van verbrandings- en rookgasreinigingsinstallaties hebben op de kwaliteit van de rookgassen, heeft MI in de afgelopen 4 jaar een belangrijk aantal saneringen of stopzettingen gerealiseerd bij biomassa-afvalverbrandingsinstallaties die een belangrijk negatieve impact hadden op het leefmilieu.

Tijdens het uitvoeren van een luchtemissiemeting is het niet altijd duidelijk in hoeverre het verbrandingsproces en de bedrijfsvoering van de volledige biomassa-afvalverbrandingsinstallatie onder optimale omstandigheden gebeurt. Door het ontbreken van dergelijke informatie is een onderbouwde evaluatie van de invloed van het verbrandingsproces of de aanwezige rookgasreinigingsinstallatie op de kwaliteit en dus samenstelling van de rookgassen niet evident.

Projecten en casussen

- 107


Broomhoudende vlamvertragers Van bij de oprichting baseert MI haar inspectieplannen voor het volgende jaar op informatie op basis van eigen ervaring en van wetenschappelijke onderzoeken. Zo liep het ook voor de broomhoudende vlamvertragers. In 2002 was er het onderzoek van het toenmalige Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer die aantoonde dat er een verhoogde concentratie aan broomhoudende vlamvertragers terug te vinden was in paling en het sediment van de waterlopen1,2. Nadien volgden er nota’s van o.a. VMM die verwezen naar het gebruik van grote hoeveelheden broomhoudende vlamvertragers in de textielindustrie. Deze bronnen van informatie waren voor MI de aanleiding voor een eerste onderzoek naar broomhoudende vlamvertragers in de lozing van industrieel afvalwater. Broomhoudende vlamvertragers zijn stoffen die tijdens het productieproces worden toegevoegd aan allerlei producten, zoals elektrisch en elektronisch materiaal (computers, televisietoestellen, platen voor gedrukte bedrading,…), bouwmaterialen (polyurethaan en polystyreen) en textielwaren (gordijnen, tapijten, meubelbekleding, behang,…), met als doel de ontvlambaarheid van die producten te verminderen. In productieprocessen voor kunststof, verf, rubber, textiel en kleefstoffen voegt men in combinatie met chloor- of broomverbindingen antimoontrioxide (Sb2O3) toe. De stof op zich heeft geen vlamvertragende eigenschappen maar stimuleert de werking van de broomhoudende vlamvertragers. De groep van de broomhoudende vlamvertragers bevat een 75-tal verschillende producten, waarvan polybroombifenyl (PBB, meer bepaald decabroombifenyl), polybroomdifenylether (PBDE: BDE 28, BDE 47,BDE 66, BDE 99, BDE 100, BDE 153, BDE 154, BDE 183, BDE 209), hexabromocyclododecaan (HBCD) en tetrabromobisfenol-A (TBBPA) in grote volumes gebruikt werden. In het kader van de lozing van afvalwater moet toegevoegd worden dat de polybroomdifenylethers in de kaderrichtlijn Water voorkomen op de lijst van prioritair gevaarlijke stoffen en dat in de lijst III van bijlage 2C van Vlarem I deze verbindingen gecatalogeerd moeten worden als persistente, bioaccumuleerbare organische halogeenverbindingen. Ze komen ook voor op de lijst van stoffen met bewezen of potentiële hormoonverstorende effecten. Bij verbranding kunnen gebromeerde dioxinen en furanen vrijkomen. Voor prioritair gevaarlijke stoffen dienen conform het decreet integraal waterbeleid maatregelen te worden getroffen met het oog op stopzetting of geleidelijke be-

ëindiging van lozingen, emissies en verliezen. Sinds 2008 bepalen de sectorale voorwaarden voor textiel uit de Vlaremwetgeving dat er geen procesbaden met broomhoudende vlamvertragers of antimoon mogen geloosd worden. Het probleem dat nog restte om in 2003 een grootschalige campagne te starten, was het ontbreken van een volledig op punt staande analysemethode. Het referentielaboratorium VITO kon als enige en mits verdere validatie de verschillende PBDE-congeneren en HBCD analyseren. Begin 2003 inventariseerde MI het gebruik van broomhoudende vlamvertragers bij textielbedrijven en selecteerde twee bedrijven, 1 bedrijf te Waregem en 1 bedrijf te Deerlijk, die met zekerheid broomhoudende vlamvertragers gebruikten in het productieproces, voor een eerste analyse op het influent van de waterzuivering. In het influent van de waterzuivering werden met zekerheid hogere concentraties verwacht en met deze analysegegevens kon de analysemethode verder op punt worden gesteld. Deze eerste monsters bevatten, zoals verwacht, hoge concentraties aan HBCD en BDE 209. Het verloop van de sanering bij het bedrijf te Waregem wordt verder in de tekst beschreven. Het tweede bedrijf stopte in 2006 de productie. Begin 2004 startte MI met een eerste uitgebreide campagne voor de analyse van broomhoudende vlamvertragers in het geloosde afvalwater van 20 bedrijven, 18 textielbedrijven en 2 afvalwaterverwerkers. Het effluent van 7 textielbedrijven en beide afvalwaterverwerkers bevatte hoge concentraties aan BDE 209. Deze 9 bedrijven ontvingen een aanmaning tot sanering en MI bezorgde de resultaten aan Febeltex, de federatie van de textielindustrie. In de tweede helft van 2004 plande MI een gelijkaardige campagne bij nog eens 20 bedrijven. In de periode van 2004-2010 liet MI in totaal bij 91 bedrijven – in samenwerking met het referentielaboratorium VITO – het geloosde afvalwater bemonsteren en analyseren op polybroomdifenylethers (PBDE), hexabroomcyclododecaan (HBCD), tetrabroombisphenol A (TBBA) en andere broomhoudende verbindingen zoals pentabroomtolueen, pentabroomethylbenzeen, pentabroombenzylalcohol, 1,2-bis(2,4,6-tribroomfenoxy) ethaan, tris(2,3-dibroompropyl) isocyanuraat en decabroomdifenylethaan (DBDPE). Verder nam MI zelf bijna 400 afvalwatermonsters verspreid over de verschillende campagnes. Bij 18 bedrijven namen we minstens 6 monsters van het geloosde effluent. Vanaf 2006 liet MI de monsters tegelijkertijd ook analyseren op de aanwezigheid van antimoon (Sb).

G. Goemans, C. Belpaire, M. Raemaekers en M. Guns, 2003. Het Vlaamse palingpolluentenmeetnet, 1994-2001: gehalten aan polychloorbifenylen, organochloorpesticiden en zware metalen in paling (IBW.Wb.V.R.2003.99) 1

Belpaire, C., G. Goemans & W. De Cooman, 2002. Hoge meetwaarden van vlamvertragers in paling en sediment van waterlopen in het Scheldebekken. Vertrouwelijke nota voor Vera Dua, Vlaams minister van Leefmilieu Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer en Vlaamse Milieumaatschappij September 2002 IBW.Wb.V.Adv.2002.092. 2

108 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


De bijgevoegde tabel geeft een overzicht van het aantal bedrijven per sector die MI controleerde. De analysegegevens over het influent naar de waterzuivering of het opgenomen proceswater zijn niet opgenomen in het overzicht.

Af en toe bevatte het afvalwater verhoogde concentraties aan HBCD, TBBPA en DBDPE. Bijgevoegde figuur geeft weer in welke combinaties deze stoffen voorkomen met BDE 209 en/of antimoon (periode 2006-2010).

Overzicht van het aantal bedrijven per sector die MI controleerde Sector

Aantal bedrijven

Aantal monsters

Textiel (weven, spinnen, kleuren, bleken,…)

52

250

Chemische productie (plastiek, elektronica, lakken,…)

24

67

Tankreiniging en afvalwaterverwerking

7

53

Afvalverwerking en stortplaatsen

5

8

Andere

3

5

Totaal

91

383

Uit de analyses bleek dat BDE 209 en Sb het meest frequent en in de hoogste concentraties voorkwamen. De volgende tabellen geven een overzicht van de aangetroffen concentraties per sector. Bij 1 op de 4 bedrijven vond MI de vlamvertrager BDE 209 terug in het geloosde bedrijfsafvalwater in concentraties boven 20 µg/l. Ongeveer de helft van de afvalwatermonsters bevatte Sb in concentraties boven de detectielimiet (20 µg/l). In 33% van de afvalwatermonsters was de concentratie aan Sb hoger dan 100 µg/l. Uit de resultaten volgt dat de hoogste BDE 209 concentraties dateren van de beginjaren van de campagne. Voor Sb geldt dit enkel voor de allerhoogste concentraties. Na 2007 rapporteert het laboratorium nog steeds waarden ver boven de 1000 µg/l, nl 9 van de 20 die in de tabel zijn weergegeven. Resultaten voor BDE 209 in µg/l (periode 2004-2010) Sector

<1

1-20

>20

Aantal analyses

Hoogste gemeten concentratie

Textiel

103

69

74

246

4700

Chemische productie

53

11

2

66

290

Tankreiniging en afvalwaterverwerking

39

10

3

52

1800

Afvalverwerking en stortplaatsen

0

0

0

6

/

Andere

2

2

0

4

14

Totaal

197

92

79

376

Resultaten voor Sb in µg/l (periode 2006-2010) Sector

<20

20100

1001000

≥1000

Aantal analyses

Hoogste gemeten concentr.

Textiel

76

27

63

18

184

14700

Chemische productie

45

Tankreiniging en afvalwaterverwerking

21

3

2

2

52

3950

7

8

0

36

546

Afvalverwerking en stortplaatsen

4

2

0

0

6

55 /

Andere

4

0

0

0

4

Totaal

150

39

73

20

282

Sb werd in 37% van de afvalwatermonsters aangetroffen zonder de aanwezigheid van een bijkomende vlamvertrager. 4 op de 10 afvalwatermonsters met een verhoogde concentratie bevatten zowel BDE 209 als antimoon. In 11 % van de afvalwaters met een verhoogde concentratie werd een combinatie van minstens 3 vlamvertragende stoffen gevonden.

Sanering van broomhoudende vlamvertragers in het bedrijfsafvalwater van een textielbedrijf Van bij de aanvang van de campagnes in 2003 nam MI bij dit bedrijf afvalwatermonsters voor de bepaling van broomhoudende vlamvertragers. Het bedrijf gebruikt bij de behandeling van het textiel decabroomdifenylether (BDE 209). In 2003 bevatte het bedrijfsafvalwater nog 420.000 µg/l BDE 209. Bij controle bleek dat het latexafvalwater van een filiaal van dit bedrijf via de waterzuiveringsinstallatie van het moederbedrijf verwijderd werd. Het bedijfsafvalwater van dit bedrijf wordt rechtstreeks in de Leie geloosd met een debiet van ongeveer 100 m³/ uur. De gevonden waarde was niet alleen op ecologisch vlak dramatisch hoog. Hoewel het bedrijf de hoge concentratie betwistte, was het ook voor hen duidelijk dat op economisch vlak de lozing van dit product in deze hoeveelheid een beduidende verspilling betekende.

Projecten en casussen

- 109


In januari 2004 maande MI het bedrijf aan om een register bij te houden van de aangewende broomhoudende vlamvertragers. Daarnaast verbood MI het verder lozen van latex van het filiaal via de waterzuiveringsinstallatie. Deze latex diende als afvalstof te worden afgevoerd naar een daartoe erkend verwerker. Tevens legde MI het bedrijf op om de situatie verder op te volgen bij middel van eigen analyses. Eind 2004 wijzigde de milieuvergunning van het bedrijf met een bijkomende norm voor AOX van 0,8 mg/l. Achteraf is gebleken dat het opleggen van deze lozingsnorm weinig zinvol was, vooral wegens de grote meetfout die eigen is aan deze groepsparameter.

De gehaltes aan BDE 209 in de debietsproportionele monsters liggen grosso modo in dezelfde grootteorde als deze van de schepstalen.

Vanaf 2004 controleerde MI het bedrijfsafvalwater van dit bedrijf tweemaal per jaar op de aanwezigheid van broomhoudende vlamvertragers. In de tabel hieronder zijn de resultaten weergegeven van de schepstalen voor BDE 209 (de zeer hoge startwaarde van het staal in 2003 is weggelaten omdat deze buiten het bereik van de grafiek valt):

In het kader van bovenvermeld gecoördineerd onderzoek naar het gebruik en de lozing van broomhoudende vlamvertragers in het Vlaamse gewest, nam MI in 2005 monsters van het geloosde bedrijfsafvalwater bij een chemisch bedrijf. In dit bedrijf worden onder meer compounds geproduceerd voor de tapijtindustrie. MI stelde vast dat het bedrijf afvalwater loosde met een concentratie van 66 µg BDE 209/l. Het resultaat van de contra-analyse uitgevoerd in opdracht van het bedrijf bevestigde het eerste resultaat.

De grafiek toont duidelijk aan dat de gevonden gehaltes in de onderzoeksperiode tussen 2004 en 2010 sterk zijn gedaald. Vanaf 2006 controleerde MI ook geregeld monsters van het opgenomen water uit de Leie. Naast schepmonsters nam MI ook debietsproportionele monsters van het geloosde bedrijfsafvalwater. De aanwezigheid van broomhoudende vlamvertragers in de Leie in een gehalte boven de rapporteringsgrens is afhankelijk van het debiet van deze rivier. Bij 4 monsters op de tien bleken de gehalte aan BDE 209 positief, de concentraties varieerden van 0,3 tot 6,2 µg /l.

110 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

MI volgde de lozingssituatie aan de hand van de bekomen analyseresultaten nauwgezet op. Eind 2005 en medio 2009 stelde MI telkens een proces-verbaal op. Bij middel van de bijhorende aanmaningen legde MI strikte saneringsmaatregelen op aan het bedrijf. Als gevolg hiervan bleven de gehaltes aan BDE 209 in het bedrijfsafvalwater verder dalen. Vanaf 2009 noteerde MI gehaltes beneden 10 µg/l, wat aanvaardbaar is. Als conclusie kan men stellen dat dit bedrijf de restlozing aan broomhoudende vlamvertragers over een periode van 5 jaar tot een aanvaardbaar niveau kon terugbrengen. Sanering van broomhoudende vlamvertragers in het bedrijfsafvalwater bij een chemisch bedrijf

De milieuvergunning van het bedrijf verbood expliciet het lozen van broomhoudende vlamvertragers. MI stelde dan ook proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om op korte termijn een saneringsplan op te maken om de lozing van vlamvertragers te beëindigen. Het bedrijf stelde vervolgens een uitvoerig actieplan op. Dit plan was vooral gericht op het nemen van preventieve maatregelen, die moesten voorkomen dat broom-


houdende vlamvertragers in het milieu zouden terechtkomen. In deze context onderschreef het bedrijf het vanuit de broomsector geïnitieerde VECAP-programma (Voluntary Emission Control Action Program). Het bedrijf startte met de periodieke opleiding van het personeel van de betrokken afdeling om te leren omgaan met broomhoudende vlamvertragers. Na deze corrigerende maatregelen gaf het bedrijf opdracht aan een erkend laboratorium om het geloosde bedrijfsafvalwater maandelijks te laten analyseren op broomhoudende vlamvertragers. Uit deze monitoring bleek snel dat de concentratie aan broomhoudende vlamvertragers in het geloosde effluent sterk was gereduceerd. Het resterende gehalte aan BDE 209 bleek tot een concentratie van ongeveer 1 µg/l te zijn gedaald. Alle maatregelen zorgden ervoor dat de concentratie aan BDE 209 met nagenoeg 99% daalde. Sinds de aanvankelijke vaststellingen in 2005 nam MI twee maal per jaar twee monsters van het geloosde effluent. De analyseresultaten bevestigen steeds opnieuw de eerder vermelde gunstige resultaten. MI besloot hieruit dat de genomen preventieve maatregelen effectief hebben geleid tot een aanzienlijke reductie van de geloosde hoeveelheden broomhoudende vlamvertragers. Volgens het bedrijf is het niet meer mogelijk de laatste restconcentraties verder te reduceren. Ondanks het feit dat de resterende concentraties aan BDE 209 zeer laag zijn, heeft het bedrijf – gelet op het strikte lozingsverbod opgelegd in de milieuvergunning – stappen gezet om vooralsnog een beperkte lozingsnorm te bekomen. Op verzoek van de exploitant heeft de vergunningverlenende overheid op 19 augustus 2010 het bedrijf een lozingsnorm van 3 µg/l toegekend. Na de sanering in 2005 werd deze lozingsnorm niet meer overschreden. De huidige conclusie is dat de emissies van broomhoudende vlamvertragers bij dit bedrijf volledig en afdoende zijn gesaneerd.

Conclusie Bij aanvang van de campagne van MI schonken de bedrijven nauwelijks aandacht aan de lozing van broomhoudende vlamvertragers in het bedrijfsafvalwater. Door een volgehouden juridische en administratieve opvolging van de positieve gevallen kon bij de meeste bedrijven een sterke sanering gerealiseerd worden. Sommige bedrijven beëindigden de lozing van die stoffen, andere lieten een norm opnemen in de milieuvergunning. Mede door de crisis in 2008-2009 stopten een aantal textielbedrijven hun productie in het Vlaams Gewest. Tot en met 2010 waren er voor Sb en de broomhoudende vlamvertragers geen milieukwaliteitsnormen beschikbaar in de regelgeving. Voor broomhoudende vlamvertragers trad MI op vanaf een concentratie van 20 µg/l, voor Sb was dit vanaf een concentratie hoger dan 50 µg/l. Bij lagere detecteerbare concentraties stuurde MI een raadgeving of aanmaning ter sanering aan de exploitant van het betrokken bedrijf. Vanaf 21 juli 2011 zal de concentratie in het geloosde bedrijfsafvalwater moeten voldoen aan het indelingscriterium van bijlage 2.3.1. van Vlarem II tenzij er een norm is opgenomen in de vergunning. Het indelingscriterium voor de som van de gebromeerde difenylethers (congeneren 28, 47, 99, 100, 153 en 154) is 0.0005 µg/l en 100 µg/l voor Sb. Voor de andere broomhoudende vlamvertragers is er nog geen indelingscriterium beschikbaar en zal de rapportagegrens gelden als de waarde vanaf wanneer een norm in de vergunning is vereist. Bijlage 4.2.5.2. van Vlarem II geeft rapportagegrenzen aan van 20 ng/l voor de congeneren BDE 28, BDE 47, BDE 99, BDE 100, BDE 153 en BDE 154, van 100 ng/l voor de stof HBCD, van 1 µg/l voor BDE 209 en DBDPE en van 20 µg/l voor Sb. In 2011 zal MI deze controles op de aanwezigheid van (nieuwe) broomhoudende vlamvertragers in het geloosde bedrijfsafvalwater voortzetten en de analysegegevens toetsen aan deze nieuwe regelgeving.

Projecten en casussen

- 111


Seveso opslagplaatsen voor (licht) ontvlambare stoffen Eerder in dit rapport kunt u lezen over het Samenwerkingsakkoord betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn (verder kortweg Samenwerkingsakkoord) en de uitvoering van het Seveso II-inspectieprogramma. In dit hoofdstuk rapporteren we over een gezamenlijke campagne van de Seveso-inspectiediensten rond de opslag en verlading van ontvlambare vloeistoffen.

Hoog beschermingsniveau voor mens en milieu Het doel van het Samenwerkingsakkoord is de realisatie van een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu door de preventie van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn en de beperking van de gevolgen ervan. Het Samenwerkingsakkoord bevat geen gedetailleerde, technische voorschriften om deze ambitieuze doelstelling te realiseren: het stelt dat de exploitanten van Sevesobedrijven alle nodige maatregelen moeten nemen om zware ongevallen met gevaarlijke stoffen te voorkomen en om de mogelijke gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken. De exploitanten moeten zelf verdere concrete invulling geven aan deze zorgplicht en moeten dus zelf bepalen wat de nodige maatregelen van technische, organisatorische en bedrijfskundige aard zijn. De Seveso-inspecties hebben als doel na te gaan of de exploitanten kunnen aantonen dat ze de passende preventieve en mitigerende maatregelen hebben getroffen. Dat betekent dat ook de inspectiediensten voor het uitvoeren van hun opdracht meer concrete beoordelingscriteria moeten ontwikkelen. Om te bepalen of een maatregel voor een gegeven risico al dan niet nodig is om een hoog beschermingsniveau te bereiken, gebruiken de inspectiediensten volgende algemene criteria: -- De maatregel is vereist door federale of regionale regelgeving. -- De maatregel volgt uit de toepassing van “goede praktijken” (normen, standaarden, codes van goede praktijk, lessen uit ongevallen). -- De maatregel volgt uit de toepassing van breed beschikbare technieken en voor de maatregel is de investeringskost niet buitensporig ten opzichte van de risicoreductie (BBT-principe).

112 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Daarnaast verwachten de inspectiediensten dat de exploitanten met een risico-onderzoek onderzoeken of bijkomende bedrijfsspecifieke maatregelen noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld door de specifieke inplanting van het bedrijf in zijn omgeving. De inspectie-instrumenten en informatienota’s die de Seveso-inspectiediensten samen ontwikkelen, zijn opgebouwd volgens deze zienswijze: de maatregelen en bedrijfssystemen worden getoetst aan de vereiste van een hoog beschermingsniveau. In de documenten zijn maatregelen opgenomen die volgens de inspectiediensten het vereiste hoge beschermingsniveau kunnen realiseren. De documenten zijn zeker geen vorm van bijkomende regelgeving. Bedrijven kunnen afwijken van de maatregelen die erin worden vooropgesteld. In dat geval zullen zij moeten aantonen dat zij alternatieve maatregelen hebben genomen die tot hetzelfde hoge beschermingsniveau leiden.

Opzet van de campagne Op hun jaarlijkse overleg van 2004 beslisten de Seveso-inspectiediensten tot een inspectiecampagne bij scheepsverladingsinstallaties voor ontvlambare petroleumproducten. Bij eerdere inspecties m.b.v. de checklist “Ontvlambare vloeistoffen” hadden ze immers vastgesteld dat bij scheepsverlading van benzine doorgaans onvoldoende maatregelen voorzien waren om bij noodsituaties de verlading snel te kunnen stoppen en lekken te beperken. Een projectteam met vertegenwoordigers van alle Seveso-inspectiediensten kreeg de opdracht een inspectiecampagne voor te bereiden op basis van een onderzoek naar de nodige maatregelen voor een veilige scheepsverlading van benzine. Het projectteam pleegde daartoe overleg met de FOD Mobiliteit en de sectoren (Belgische Petroleumfederatie (BPF), Belgische Petroleumunie, Belgische Federatie der Brandstoffenhandelaars, Belgische VerladersOverlegWerkgroep (VOW), Vereniging Belgische Reders der binnen- en Rijnvaart). Hierbij wonnen zij informatie in over mogelijke maatregelen en technische beperkingen langs schip- en walzijde en zochten ze medewerking om de situatie op het terrein te verbeteren. De nieuwe voorschriften van het ADNR 2007 (Europees verdrag over het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de Rijn),


meer bepaald die over het zogenaamde stekkersysteem dat de overvul- en noodstopsystemen van het schip en de walzijde koppelt, werden langs deze weg bekend en besproken. Vooral de VOW speelde een significante rol in de informatie-uitwisseling en het tot stand komen van een principieel akkoord om het stekkersysteem langs walzijde in praktijk te brengen. Het projectteam besliste om in de inspectiecampagne ook rekening te houden met andere typische en gerelateerde knelpunten van de checklist “Ontvlambare vloeistoffen”. En ook uit het onderzoek van de explosie en grote brand van een petroleumdepot in Buncefield (Verenigd Koninkrijk), de catastrofale breuk van een atmosferische aardolie-opslagtank van 40.000 m³ in Kallo, beide van eind 2005, en andere incidenten bleek de nood aan meer concrete informatie over de wijze waarop de voorschriften van het Samenwerkingsakkoord in praktijk kunnen worden gebracht bij de opslag en verlading van ontvlambare vloeistoffen.

Het voorbereidende onderzoek door het projectteam resulteerde in de gemeenschappelijke informatienota “Vereisten voor een hoog beschermingsniveau voor installaties voor de opslag en verlading van ontvlambare vloeistoffen”. In deze nota wordt een aantal concrete maatregelen beschreven die volgens de inspectiediensten als een minimum moeten worden beschouwd om bepaalde risico’s van zware ongevallen bij de opslag en verlading van ontvlambare vloeistoffen te beheersen. De term “ontvlambare vloeistoffen” slaat in de nota op alle vloeistoffen met een vlampunt lager dan of gelijk aan 55 °C. De nota beschrijft voor tien gevarenvelden de maatregelen die de bevoegde inspectiediensten verwachten om de betrokken risico’s afdoende te beheersen.

Gevarenveld

Maatregelen

Optreden van een lek in een leiding aangesloten op een tank waardoor de inhoud van de opslagtank vrijgezet kan worden Zolang er geen ontsteking is, ontstaat hierdoor een grote vloeistofplas waarboven zich een ontvlambare wolk vormt. Bij een vertraagde ontsteking is een explosie mogelijk. In geval van ontsteking zal de vloeistof uit de tank de brand voeden.

-- Afstandsgestuurde kleppen op alle vloeistofleidingen, zo dicht mogelijk tegen de tank geplaatst -- Afwezigheid van niet-brandbestendige installatieonderdelen tussen de tank en de klep -- ‘Fail safe’ uitgevoerde kleppen -- Brandbestendige kleppen, aangetoond met een certificaat -- Brandbestendige inbouwwijze van de kleppen -- Brandbestendige flenspakking tussen de tank en de klep

Overvullen van een tank waarbij via het ademventiel of een andere opening bovenaan de tank ontvlambare vloeistoffen naar buiten stromen zolang de vulling niet wordt stopgezet Dit leidt tot de vorming van een vloeistofplas en tot de ontwikkeling van een explosieve gaswolk.

-- Automatische detectie van het hoog niveau en automatische stopzetting van de vulling -- Niveaudetectie onafhankelijk van de niveaumeting die gebruikt wordt om het vulproces te sturen -- Geregelde controlerondes -- Alarmsysteem voor abnormale niveauveranderingen in de tanks

Niet opmerken van lekken aan een tank Hierdoor kunnen er zich grote hoeveelheden product vrijzetten, ook in geval van een relatief beperkt lek.

-- Geregelde controlerondes -- Alarmsysteem voor abnormale niveauveranderingen in de tanks

Leeglopen van de inkuiping Hierdoor kan lekvloeistof zich vrij verspreiden en zeer grote plassen vormen.

-- Geen permanente openingen in de inkuiping -- Gecontroleerde afvoer van water onder toezicht van een operator -- Voldoende stevige muren en dijken om de hydrostatische druk bij een volledige vulling van de inkuiping met water te weerstaan, aangetoond aan de hand van berekeningen -- Voldoende stevige muren en dijken om de hydrodynamische druk van een vloeistofgolf bij het falen van een tank te weerstaan, aangetoond aan de hand van berekeningen -- Brandbestendige inkuiping, met uitzettingsvoegen zodanig afgedicht dat ze minimaal twee uur dicht blijven bij een brand in de inkuiping

Overvullen van een schip waarbij ontvlambare vloeistoffen via het ontluchtingssysteem van de ladingtank naar buiten stromen zolang de vulling niet wordt stopgezet Dit leidt tot de vorming van een vloeistofplas op het dek en tot de ontwikkeling van een explosieve gaswolk. Tenzij de lekhoeveelheid beperkt blijft, zal er ook vloeistof op het water terechtkomen en daar snel aanleiding geven tot een grote drijflaag en tot vervuiling van het oppervlaktewater.

-- Automatische detectie van het hoog niveau van de ladingtank van het schip en automatische stopzetting van de vulling voordat een uitstroming via het ontluchtingssysteem van het schip optreedt Om dit te verzekeren, moet de overvulbeveiliging van een binnenvaartschip gekoppeld worden aan het noodstopsysteem van de walinstallatie. Voor zeeschepen wordt als minimum verwacht dat een noodstopknop van de laadinstallatie op het schip wordt gebracht.

Projecten en casussen

- 113


Gevarenveld

Maatregelen

Vrijzetting van een ontvlambare vloeistof tijdens scheepsverlading ter hoogte van de tijdelijke verbinding tussen schip en wal door breuk of lek Afhankelijk van de plaats en de duur van het lek kan dit leiden tot de vorming van een vloeistofplas op de kade en de ontwikkeling van een explosieve gaswolk, tot bodemvervuiling en/of tot vervuiling van het oppervlaktewater.

-- Beperking van de lekhoeveelheid door snelle stopzetting van de verlading en inblokking van wal en schip Voor binnenvaartschepen moet deze stopzetting gebeuren via één noodstopcommando dat zowel gegeven kan worden op het schip als aan wal. Voor zeeschepen moet minimaal de mogelijkheid voorzien worden dat van op het schip de walinstallatie veiliggesteld kan worden. -- Permanent toezicht op de verlading

Afdrijven van een schip Afhankelijk van de plaats en de duur van het lek kan dit leiden tot de vorming van een vloeistofplas op de kade en de ontwikkeling van een explosieve gaswolk, tot bodemvervuiling en/of tot vervuiling van het oppervlaktewater.

-- Beperking van de lekhoeveelheid door een break-awaykoppeling -- Of voor binnenvaartschepen: het dubbele stekkersysteem zo uitvoeren dat dit de break-awayfunctie opneemt

Lek aan de verladingsflexibel tijdens een scheepsverlading Dit lek kan ontstaan door slijtage of verkeerde manipulatie van de flexibel. Ook hier kan dit, afhankelijk van de plaats en de duur van het lek, leiden tot de vorming van een vloeistofplas op de kade en de ontwikkeling van een explosieve gaswolk, tot bodemvervuiling en/of tot vervuiling van het oppervlaktewater. Ook bij vrachtwagenverlading of productbewegingen in productie-installaties worden flexibels gebruikt waarbij een lek aanleiding geeft tot een vloeistofplas. Bij ontsteking kan deze vloeistofplas aanleiding geven tot brand, maar ook tot explosies.

-- Alle flexibels die gebruikt worden voor ontvlambare vloeistoffen: -- ophangen en/of ondersteunen volgens de richtlijnen van de leverancier -- voor elk gebruik visueel controleren -- jaarlijks onderwerpen aan een hydrostatische druktest -- Beschikbaarheid van de testrapporten voor alle flexibels, ook als een flexibel van de transporteur wordt gebruikt

Ontsteking door zwerfstromen bij scheepsverlading In de verbinding tussen een schip en de verlaadinstallatie kunnen zich zwerfstromen voordoen en bij het afkoppelen zal men deze stroom onderbreken en dus een inductieve vonk trekken. Deze vonk ontstaat dan op een plaats waar nog restvloeistof aanwezig is.

-- Isoleerflens op alle verladingsverbindingen voor scheepsverlading van ontvlambare vloeistoffen Of -- Gebruik van antistatische flexibels

Elektrostatische ontsteking door werknemers Als er gewerkt wordt met ontvlambare vloeistoffen zullen er zich geregeld werknemers bevinden in een zone met explosiegevaar. In dergelijke zones moet voorkomen worden dat er ontsteking plaatsvindt van een eventueel aanwezige explosieve atmosfeer. Een gekende ontstekingsbron is statische elektriciteit. Zowel werknemers als mobiele apparatuur kunnen opgeladen raken en dan via ontlading voor ontsteking zorgen.

-- Antistatische veiligheidsschoenen voor werknemers -- Antistatische werkkledij voor werknemers -- Contractuele verplichting voor externe werknemers om antistatische veiligheidsschoenen en werkkledij te dragen -- Controle op het naleven van deze verplichtingen, ook bij externe werknemers -- Voldoende geleidende vloeroppervlakken in Ex-gezoneerde gebieden

De belangrijkste punten van de nota werden al toegelicht in een presentatie op het symposium “Preventie van zware ongevallen” op 23 november 2006.

Uitvoering van de campagne De inspectiediensten bezorgden de informatienota aan de betrokken Sevesobedrijven. In de begeleidende brief vroegen ze aan de bedrijven met scheepsverlading van benzine om te melden of de beschreven maatregelen voorzien waren in hun installatie, en, als dit niet het geval was, aan te tonen dat de wel bestaande maatregelen een even hoog beschermingsniveau garandeerden of een corrigerend actieplan op te stellen. In deze brief werd ook de inspectiecampagne aangekondigd. De inspectiediensten voerden deze campagne uit in de periode april–augustus 2007. Ze selecteerden in totaal vijftien bedrijven voor de campagne: vier raffinaderijen

114 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

en elf opslagbedrijven. Bovendien hadden de inspecteurs al twee bedrijven geïnspecteerd vóór het rondsturen van de informatienota. De inspecties werden uitgevoerd door het vaste inspectieteam van het bedrijf aangevuld met één inspecteur van het projectteam. Met uitzondering van twee bedrijven hadden alle bedrijven een evaluatie gemaakt van de status van de installatie ten opzichte van de maatregelen beschreven in de nota. Slechts een vijftal bedrijven had ook daadwerkelijk een actieplan opgesteld. De beperkte tijd tussen ontvangst van de brief en nota en de inspectie speelde daarbij ongetwijfeld een rol. Anderzijds bleken vele bedrijven te wachten op het oordeel van de inspectiediensten vooraleer effectief actie te ondernemen. Dit gold in het bijzonder voor het aspect inblokking van de tanks bij brand (door automatische afsluiters). Na de inspectie maanden de inspecteurs de bedrijven aan een actieplan in te dienen met concrete uitvoeringster-


mijnen. In de meeste gevallen gaven ze hiervoor twee à drie maanden. Op een overlegvergadering op 18 september 2007 vroeg de Belgische Petroleumfederatie om een overleg tussen technische experten over een aantal vastgestelde knelpunten. Specifiek vermeldde ze: het brandbestendig isoleren van tanks, het stekkersysteem en de weerstand van de inkuiping tegen de maximale hydrodynamische druk. Deze vergadering, waaraan ook Essenscia Vlaanderen deelnam, vond plaats op 10 december 2007. De knelpunten werden er geduid en alternatieve oplossingen werden besproken. Het projectteam zorgde daarna voor aanvullende motivering bij de voorgestelde maatregelen, nuttig voor de beoordeling van de inspectieresultaten. De belangrijkste bevindingen van de inspecties en overwegingen bij de actieplannen kunnen als volgt worden samengevat.

Brandbestendig isoleren van de tanks Op vlak van de isolatiemogelijkheid van de tanks op afstand, stelden de inspecteurs vast dat er bij een derde van de bedrijven automatische afsluiters waren op zowel de in- als uitvoerleiding. Twee bedrijven hadden wel een project lopen dat voorzag in de plaatsing van dergelijke afsluiters op alle vloeistofleidingen. Bij een derde van de bedrijven was niet op elke hoofdleiding een automatische afsluiter geïnstalleerd of bevond de afsluiter zich niet dicht bij de tank. Bij één bedrijf waren enkel automatische afsluiters op de toevoerleiding gepland. Bij twee bedrijven konden de in- en uitvoerleidingen niet van op afstand gesloten worden en was er geen planning voor automatisatie. Op vlak van de brandbestendigheid van de inblokking stelden de inspecteurs in het overgrote deel van de geïnspecteerde bedrijven een probleem vast met de inbouwwijze van de automatische afsluiters. Meest voorkomend was een manuele klep (niet brandbestendig of brandbestendigheid onbekend) tussen de automatische klep en de tankwand. Die wordt enkel gebruikt als de automatische klep gedemonteerd moet worden. Bedrijven die hiernaar gevraagd werden, verklaarden echter dat automatische kleppen zo goed als geen problemen geven en er dus weinig tot geen noodzaak is tot het uitbouwen van automatische kleppen. De manuele klep op de afna-

meleiding staat doorgaans in open positie. Op toevoerleidingen wordt de manuele klep enkel geopend tijdens het vullen van de tank. In slechts één bedrijf bleken de kleppen op een niet-brandbestendige wijze ingebouwd. Slechts een beperkt aantal bedrijven kon geen certificaat van brandbestendigheid van de automatische afsluiters voorleggen. Bedrijven met ‘metaal op metaal’-schuifafsluiters gingen ervan uit dat deze inherent brandbestendig zijn. De brandbestendigheid van de pakking kon in de meeste depots niet aangetoond worden door middel van een certificaat. Meestal mondt de retourleiding van de thermische expansieklep uit in de vloeistoffase van de tank of op de hoofdleiding tussen de tankwand en de automatische afsluiter. Bij faling (leiding zelf of manuele afsluiters/ pakking op deze leiding) lekt de inhoud van de tank dan langs hier weg. Deze leidingen hebben wel een veel kleinere diameter dan de hoofdleidingen zodat het lekdebiet beperkt blijft. Algemeen kon worden geconcludeerd dat de bedrijven dit risico nog niet hadden geëvalueerd. Een ander zwak punt vormde het drainsysteem. Dit bestaat doorgaans uit twee serie geschakelde manuele kleppen die standaard in gesloten toestand staan. In de meeste gevallen kon de brandbestendigheid van klep noch pakking aangetoond worden. Leidingen waardoor continu beweging van product is, met andere woorden leidingen waarop de afsluiters meestal open staan, moeten snel en van op afstand afgesloten kunnen worden. Terugslagkleppen zijn enkel aanvaardbaar als alternatief als aangetoond kan worden dat ze brandbestendig zijn en opgenomen zijn in een periodiek inspectieprogramma. Voor bestaande kleppen zonder certificaat van brandbestendigheid verwachtten de inspectiediensten een evaluatie door het bedrijf. Deze evaluatie kon erin bestaan de specificaties van de afsluiter te vergelijken met die van de nieuwe generatie van dat type afsluiter die wel werden getest of een bestaande klep zelf te laten testen. In haar finaal rapport beschouwt de Buncefield Standards Task Group ‘metaal op metaal’-afsluiters als intrinsiek brandbestendig. In dit rapport wordt deze stelling echter niet onderbouwd, daarom verwachtten de inspectiediensten van de bedrijven voor deze kleppen een evaluatie en argumentatie.

Projecten en casussen

- 115


Sinds 2003 beschouwen de inspectiediensten brandbestendige afsluiters als code van goede praktijk. Bij geen van de geïnspecteerde bedrijven stelden de inspectiediensten vast dat na 2003 nog niet-brandbestendige afsluiters werden ingebouwd. Het plaatsen van automatische kleppen dichtbij de tank kan enkel als de tank volledig wordt leeggemaakt. Gezien de significante kost die hiermee gepaard gaat (en die de kost van de afsluiters zelf overtreft), werd verwacht dat bedrijven in hun actieplan zouden voorstellen dit te combineren met de eerstvolgende inwendige inspectie van de tanks. De automatische afsluiters moesten in ieder geval geplaatst worden van zodra de gelegenheid daartoe zich voordeed (bijvoorbeeld als de tank om één of andere reden vroeger werd leeggemaakt dan gepland). De manuele afsluiters tussen de automatische (nood) afsluiter en de tank bevonden zich doorgaans in open toestand. Als de bedrijven deze manuele kleppen wilden behouden (bijvoorbeeld voor onderhoudsredenen), moesten ze aantonen dat de afsluiters en de pakkingen bij blootstelling aan een brand de eerste dertig minuten niet zouden lekken. Voor de terugvoer van de thermische expansieventielen naar de vloeistoffase van de tank of over de automatische afsluiters vroegen de inspectiediensten aan de bedrijven het risico van lek bij brand te evalueren. Behoud van de configuratie van dat moment werd enkel aanvaard als de bedrijven konden aantonen dat ze de kleine lekken langs deze leidingen konden beheersen (dit houdt in dat de lekdebieten werden bepaald en de mogelijke interventie werd geëvalueerd). Bij het ontwerp van nieuwe tanks verwachtten de inspectiediensten wel dat bedrijven nagingen of de TRV-leiding niet kon uitmonden in de gasfase (in praktijk waren hier voorbeelden van). De afsluiters op de drains staan normalerwijze in gesloten toestand. Automatisatie van deze afsluiters beschouwden de inspectiediensten daarom niet als nodige maatregel. Wel moesten de bedrijven aantonen dat zowel de afsluiters als de pakkingen bij brand dertig minuten lekbestendig waren. Kon dit niet, dan verwachtten de inspectiediensten een systematische vervanging van deze afsluiters door brandbestendige manuele afsluiters. Voor de pakkingen aanvaardden de inspectiediensten dat de bedrijven systematisch en stelselmatig overgaan naar pakkingen die wel werden getest, op voorwaarde dat de op dat moment geïnstalleerde pakkingen een zekere brandbestendigheid hadden. Deze eis geldt uiteraard enkel voor de pakkingen aan de aansluitpunten van de tank.

116 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie

Stekkersysteem De meeste bedrijven zouden onderzoeken of het stekkersysteem zodanig uitgevoerd kon worden dat het tevens de functie van break-awaykoppeling verzekerde. De lengte van de kabel is daarbij cruciaal, daarom werd gedacht aan een oprolkabel met vergrendelbare lengte. Bij zeven bedrijven was al een onderzoek geïnitieerd voor de implementatie van het stekkersysteem. Bij één van die bedrijven was de uitvoering bezig en was de indienstname gepland voor oktober 2007. Andere termijnen waren eind 2007 en medio 2008. Eén bedrijf had het stekkersysteem (dat tevens de functie van break-awaykoppeling zou vervullen) al ingevoerd en moest enkel nog de koppeling met de overvulbeveiliging van de opslagtanks voorzien. Vijf bedrijven hadden nog geen stappen ondernomen voor de implementatie van het stekkersysteem. Bij de opslagbedrijven was er een algemeen akkoord om de overvulbeveiliging van de tanks mee te koppelen aan het stekkersysteem. Met uitzondering van één bedrijf had men nog geen strategie bepaald voor de schepen die niet uitgerust waren met het stekkersysteem eens het systeem langs walzijde toepasbaar zou zijn. Voor de raffinaderijen die tanks vanuit schepen beladen, was er geen reden om deze koppeling niet te voorzien.

Weerstand van de inkuiping tegen hydrostatische en hydrodynamische druk Voor de bestendigheid van de inkuiping tegen de hydrodynamische druk konden elf van de veertien bedrijven geen sluitend antwoord geven. De bedrijven moesten weten tegen welke scenario’s de inkuipingsmuren al dan niet bestand waren. De weerstand tegen hydrodynamische druk moest daarom berekend worden voor een representatief scenario. Er werd in overleg met de BPF gekozen voor een scenario waarbij de bodem van de grootste tank in de inkuiping faalt met als gevolg een vrijzetting van de inhoud van de tank in 15 minuten. Diverse bedrijven voerden berekeningen uit. Uit een deel daarvan bleek dat de bestaande inkuipingen onvoldoende weerstand bieden tegen de hydrodynamische belasting van het representatieve scenario. Omdat het niet de bedoeling is dat de inkuipingen veranderen in bunkers, verwachten de inspectiediensten van de bedrijven dat ze de maximale belasting waarbij de effectiviteit van de inkuiping verzekerd is, bepalen en daarmee rekening hou-


den in hun noodplan. Dit impliceert dat het noodplan de strategie vastlegt voor een noodsituatie waarbij de inkuipingsmuur het toch begeeft en product buiten de inkuiping terechtkomt (loopt het product in een dok, in een rivier, in een installatie of op de openbare weg? waar het eventueel kan ontsteken? …?). Het noodplan moet ook rekening houden met het scenario van een vloedgolf die over de inkuipingsmuren stroomt (“spill over”), wat bijna onvermijdelijk is bij de bestaande inkuipingen.

Vervolg op de campagne Na de inspectiecampagne in 2007 controleerden de inspectiediensten nog elf bedrijven uit verschillende sectoren (chemie, opslagbedrijven, …) aan de hand van de informatienota. De inspectieresultaten stemmen in belangrijke mate overeen met de resultaten van de campagne van 2007. Bij nog andere bedrijven gebruikten de inspectiediensten de nota niet bij een inspectie, maar vroegen ze wel dat de bedrijven zelf zouden nagaan of ze voldeden. Die bedrijven identificeerden en onderzochten de relevante installaties en stelden een plan van aanpak op. Bij een aantal geïnspecteerde bedrijven voerden de inspectiediensten ondertussen al verschillende voortgangscontroles uit. De inspecteurs konden vaststellen dat de stekkersystemen voor de scheepsverlading geïnstalleerd geraken en dat ook de vervanging van niet-brandbestendige afsluiters door afstandsgestuurde brandbestendige afsluiters volgens planning wordt uitgevoerd. In de meeste gevallen is deze planning gekoppeld aan de planning voor het uitvoeren van inwendige onderzoeken op de tanks. Ook in de komende jaren zal de informatienota gebruikt worden bij de inspectie van installaties voor de opslag en verlading van ontvlambare vloeistoffen in verschillende sectoren. Dat zal er zeker toe bijdragen dat de bedrijven voldoende maatregelen nemen om de verlading van ontvlambare vloeistoffen in noodsituaties snel te kunnen stoppen en om de Buncefield- en Kalloscenario’s te beheersen.

Projecten en casussen

- 117


Bijlagen

Contactpersonen binnen MI Inhoudelijke ondersteuning Hoofdbestuur

Toezicht zwarerisicobedrijven

BD Antwerpen

BD Limburg

BD Oost-Vlaanderen

BD VlaamsBrabant

BD WestVlaanderen

Martine Blondeel

Inge Delvaux

Linda Van Geystelen

Freddy Noels

Paul Van Gijseghem

Marc Vanthienen

Roland Loontiens

Hans Delcourt

Michael Allison

Peter Brien

Gert Govaerts

Robert Dupont

Marc Sevenant

- ketenteam

Bart Palmans

An Van Steenbergen Wim Vermetten

Tom Nuyts

Steven Overmeire

Patrick Bergen

Jeannine Tassyns

- back-up ketenteam

Bart Palmans

Patrick Bergen Tom Nuyts

Kaat Vanmeeren

Jozef Algoet

Mathy De Preter

Danny Deygers

- dierlijke bijproducten

Roel Vaneerdeweg

Anne Colman

-

Frans Van der Cruyssen

Christophe Bervoets

Danny Deygers

Water

Rita Van Ham

Ann Van Deun

Rudi Rademaekers Jan De Paep

Wilfried Van Vaerenbergh

Marc Vanthienen Dirk Crivits

Robrecht Pillen

- lucht - emissies

Karel Debeuf

Jos Moeskops Ann Devisschere

Peter Schoups

Peter Wesemael

Eric Van Gijseghem

Geert Van Landschoot

- lucht - immissie

Roel Vaneerdeweg

- ozonafbrekende stoffen - broeikasgassen

Krista Thomas

Els De Jonghe

Peggy Cloostermans

Frans Van der Cruyssen

Mathy De Preter

Karel Vandamme

- VOS

Krista Thomas

Jos Moeskops

Liesbet Rommens

Frank Verslype

Eric Van Gijseghem

Geert Van Landschoot

- geur

Geert Keppens

Jos Moeskops

Liesbeth Rommens

Peter Wesemael

Eric Van Gijseghem

Geert Van Landschoot

- industrie

Hans Delcourt

Anja Van der Auwera

Johan Ballings

Frank Verslype

Katleen Dethier

Wim Delaere

- landbouw

Hans Delcourt

Anne Colman

Johan Ballings Tom Nuyts

Lieve Joos

Patrick Bergen Christophe Bervoets

Guido Gheysen

Genetisch Gemodificeerde Organismen

Geert Keppens

An Swinnen

Peggy Cloostermans

Marian Lagrou

Tina Poels

Koen Mergaert

Jeroen November

Hendrik Meulemans

Sybille Vanderhenst

Greta De Maesschalck

Tina Poels

Koen Mergaert

Paul Cuypers

Lief Mannaerts

Tom Maes

Frans Van der Cruyssen

Koen Mandonx

Marc De Vos

Stafdienst

Diensthoofd Afval - afval

Lucht

GPBV

Bodem en Grondwater Geluid

Bijlagen

- 119


Organisatorische ondersteuning Stafdienst

Hoofdbestuur

Toezicht zwarerisicobedrijven

BD Antwerpen

BD Limburg

BD OostVlaanderen

BD VlaamsBrabant

BD WestVlaanderen

ICT

Jos Tits

Jeroen November

Wilfried Van den Acker

Jan Valckx Wilfried Biesemans

Tom Maes

Luc Verhaeven

Koen Mandonx

Koen Mergaert

Personeel

Chris Van Baelen Tanja Verschaeren

Ilse Colman

Irène Poelmans

Dony Vandormael

Theo Strobbe

Joke Lahousse

Materiaal

Chris Van Baelen Tanja Verschaeren

Ilse Colman

Guido Gerits

Dony Vandormael

Theo Strobbe

Joke Lahousse

Milieuhandhavingsrapport

Jos Tits

Wim Vermetten

Liesbeth Rommens

Lieve Joos

Marc Vanthienen

Roland Loontiens

Jeroen November

Leentje Timmerman

Gebruikte afkortingen Instanties ACD ACJ ACR AGIV AGO ALHRMG AMIS AMMC AMNE AMV ANB AQSIQ BLUG BPF BVLG BZ CICC CLEEN DREAL EEA EEG EG ELNI EPA ERM FAA FAVV FLI FOD WASO FPRG FVO GDA HACCP IATA IBW ILVO

120 -

Afdeling Centraal databeheer van dep LNE Afdeling Communicatie, algemene zaken en juridische dienst van dep LNE Afdeling Chemische Risico’s van de FOD WASO Agentschap voor Geografische Informatie van Vlaanderen Agentschap voor Overheidspersoneel Afdeling Lucht, Hinder, Risico, Milieu en Genzondheid Afdeling Milieu-integratie en Subsidie Afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisibeheer van departement LNE Afdeling Milieu, Natuur- en Energiebeleid Afdeling Milieuvergunningen van het departement LNE Agentschap voor Natuur en Bos General Administration of Quality Supervision, Inspection and Quarantine (China) Belgisch-Luxemburgse Unie van Geologen Belgische Petroleum Federatie Beroepsvereniging Leuvense Geologen Departement Bestuurzaken van de Vlaamse overheid China Certification & Inspection (Group) Co. Chemical Legislation European Enforcement Network Direction Régional de l’Environnement, de l’Aménagement en du Logement European Economic Area Europese Economische Gemeenschap Europese Gemeenschap Environmental Law Network International (Duitsland) Environmental Protection Agency (Ierland) Environmental Resources Management Federal Aviation Administration (Verenigde Staten) Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Federale Leefmilieu-Inspectie Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Federatie van Producenten van Recycling Granulaten Food and Veterinary Office (Europa) Gerechtelijke Dienst Arrondissement (Federale Politie) Hazard Analysis and Critical Control Points International Air Transport Association Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


IMPEL IMPEL-TFS INBO INECE JAR KVIV LNE MI MINA OESO OVAM RVS SERV SESN TOM TZR VEA VHRM VITO VLM VMM VMR VOW VROM VVOR VVP VVSG

European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law IMPEL Transfrontier Shipments of Waste Instituut voor Natuur en Bosonderzoek International Network for Environmental Compliance and Enforcement Joint Aviation Requirements Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid Afdeling Milieu-inspectie van het departement LNE Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Organisatie voor Europese samenwerking en Ontwikkeling Openbare Vlaamse AfvalstoffenMaatschappij Raad van State Sociaal Economische Raad van Vlaanderen Seaport Environmental Security Network Technisch Overleg Milieuregelgeving Dienst Toezicht zwarerisicobedrijven van MI Vlaams Energieagentschap Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Vereniging voor Milieurecht (NL) Belgische Verladers Overleg Werkgroep Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Nederland) Vlaamse Vereniging voor Omgevingsrecht Vlaamse vereniging voor Provincies Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten

(Milieu)technische termen µg microgram AEEA Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparaten BAO Beperkt Akoestisch Onderzoek BAT Best Available Techniques (nederlands: BBT) BBB Beter Bestuurlijk Beleid BBT Best Beschikbare Technieken BREF BAT Reference Document CLP-verordening Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels DIAL Differential Absorption Lidar DNA DeoxyriboNucleic Acid (deoxyribonucleïnezuur: drager van genetische informatie in levende wezens) DOAS Differential Optical Absorption Spectroscopy E-PRTR European Pollutant Release and Transfer Register EVOA Europese Verordening voor Overbrenging van Afvalstoffen GFT Groente Fruit en Tuinafval GGO Genetisch Gemodoficeerde Organismen GPBV Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging HEPA filter High Efficiency Particulate Air filter ICT Informatie en Communicatie Technologie IGS Indelingscriterium Gevaarlijke Stoffen IMJV Intergraal Milieujaarverslag K Kelvin (eenheid van temperatuur) kPa kiloPascal

Bijlagen

- 121


LA50 Het geluidsniveau dat gedurende 50% van de tijd wordt overschreden Laeq Het constante A-gewogen geluiddrukniveau LCD Liquid Crystal Display LDAR Leak Detection and Repair MER Milieu-EffectRapport MINA Milieu en Natuurraad Vlaanderen MIP Milieuinspectieplan van MI MVK Microbiële Veiligheidskast MW megawatt ng nanogram NL Nederland PM10 Stofdeeltjes met een aërodynamische diameter kleiner dan 10 µm PM2,5 Stofdeeltjes met een aërodynamische diameter kleiner dan 2,5 µm REACH Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemicals RMA Risicohoudend Medisch Afval SOF Solar Occultation Flux SOP Strategisch en Operationeel Plan TEQ Toxisch Equivalent TH Toezichthouder UV Ultraviolet VAO Volledig Akoestisch Onderzoek VECAP Voluntary Emission Control Action Program VLAREA Vlaams Reglement voor Afvalvoorkoming en -beheer Vlarem Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning VOS Vluchtige Organische Stoffen VTE Voltijds Equivalent

Stoffen en parameters AOX Adsorbeerbare Organohalogenen PCB Polychloorbifenylen BZV Biochemisch Zuurstoverbruik PFBA Perfluorbutaanzuur CO2 Koolstofdioxide PFOA Perfluoroctaanzuur CO Koolstofmonoxide PFOS Perfluoroctaansulfonaat CZV Chemisch Zuurstofverbruik PFT Perfluortenside DBDPE Decabroomdifenylethaan pH Zuurtegraad GSM Global System for Mobile communication Sb Antimoon GWP Global Warming Potential SO2 Zwaveldioxide H2O Water SOx Zwaveloxiden HBCD Hexabromocyclodecaan TBBPA Tetrabromobisfenol-A HCFK Waterstof chloorfluorkoolwaterstoffen TDI Tolueen di-isocyanaat HCl Waterstofchloride TOC Totaal Organisch Koolstof HF Waterstoffluoride HFK Gehalogeneerde Fluorkoolwaterstoffen LPG Liquified Petroleum Gas NOx Stikstofoxiden O2 Zuurstof P1 producten Zeer licht en licht ontvlambare vloeistoffen: vlampunt lager dan 21 °C P2 producten Ontvlambare vloeistoffen:vlampunt gelijk aan of hoger dan 21 °C en gelijk aan of lager dan 55 °C P3 producten Brandbare vloeistoffen: vlampunt hoger dan 55 °C en gelijk aan of lager dan 100 °C P4 producten Brandbare vloeistoffen: vlampunt hoger dan 100 °C en gelijk aan of lager dan 250 °C PAK Polyaromatische koolwaterstoffen PBB Polybroombifenyl PBDE Polybroomdifenylether

122 -

Milieuhandhavingsrapport 2010 van de afdeling Milieu-inspectie


Adressen Afdelingshoofd en Stafdienst afdelingshoofd: Dr. Sc. Robert Baert, inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be Hoofdbestuur diensthoofd: Lic. Martine Blondeel Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie.hb@lne.vlaanderen.be Toezicht zwarerisicobedrijven diensthoofd: Dr. Sc. Inge Delvaux Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 89 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie.tzr@lne.vlaanderen.be Buitendienst Antwerpen diensthoofd: Lic. Linda Van Geystelen Lange Kievitstraat 111-113 bus 62 2018 Antwerpen Tel.: 03-224 64 25 Fax: 03-224 64 28 e-mail: milieu-inspectie.ant@lne.vlaanderen.be

Buitendienst Limburg diensthoofd: ir. Freddy Noels Koningin Astridlaan 50 bus 5 3500 Hasselt Tel.: 011-74 26 00 Fax: 011-74 26 29 e-mail: milieu-inspectie.lim@lne.vlaanderen.be Buitendienst Oost-Vlaanderen diensthoofd: ir. Paul Van Gijseghem Apostelhuizen 26k 9000 Gent Tel.: 09-235 58 50 Fax: 09-235 58 79 e-mail: milieu-inspectie.ovl@lne.vlaanderen.be Buitendienst Vlaams-Brabant diensthoofd: Ing. Marc Vanthienen Nieuw adres sinds 14 maart 2009 Vaartkom 31 bus 2 3000 Leuven Tel.: 016-21 11 50 Fax: 016-21 11 51 e-mail: milieu-inspectie.vbr@lin.vlaanderen.be Buitendienst West-Vlaanderen diensthoofd: ir. Roland Loontiens Koningin Astridlaan 29 bus 4 8200 Brugge Tel.: 050-40 42 11 Fax: 050-39 15 12 e-mail: milieu-inspectie.wvl@lne.vlaanderen.be


Uitgave Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-inspectie Verantwoordelijke uitgever Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Eindredactie Jos Tits Opmaak Dienst communicatie en informatie Druk Vlaamse overheid Depotnummer: D/2011/3241/251 Dit rapport is ook beschikbaar op www.milieu-inspectie.be Š Vlaamse overheid


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
MHHR_202010_0.pdf by Vlaanderen-be - Issuu