Dialoogsessies met landbouwers voorbereiding MAP 7 Globaal eindrapport
2022
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
25.05.2022
VLM.BE
Inhoud 1 2 3
Gevoerde proces ...................................................................................................................... 2 Samenvatting van de motivatie bij kandidaatstelling .............................................................. 3 Eindverslag van de 5 dialoogsessies......................................................................................... 4
3.1 3.2
Knelpunten huidig MAP Ideeën toekomstig MAP
4 6
3.3 3.4
Rol van de Mestbank Bredere reflecties over landbouw in relatie tot de maatschappij en de omgeving
7 8
4
Extra bevraging over 13 stellingen ......................................................................................... 10
4.1
doelstelling en werkwijze
10
4.2
Belangrijkste bevindingen per stelling
10
5
Managementsamenvatting .................................................................................................... 13
5.1 5.2
Verloop van de sessies Samenvatting van de belangrijkste zaken waarover eensgezindheid was tijdens de dialoogsessies
13 13
5.3
Samenvatting resultaten extra bevraging
14
1 GEVOERDE PROCES Wat is de doelstelling van de dialoogsessies? Met behulp van een reeks dialoogsessies wil de Vlaamse Landmaatschappij luisteren naar landbouwers en peilen naar de drempels en de kansen die zij zien om vanuit hun praktijkervaring tot een betere waterkwaliteit te komen. Eind januari 2022, aan de vooravond van het 7de mestactieplan (MAP 7), lanceerden we een oproep aan alle land- en tuinbouwers om deel te nemen aan dialoogsessies over het toekomstige mestbeleid. In elke Vlaamse provincie organiseerden we 1 dialoogsessie tussen 9 en 18 maart 2022. De sessies vonden plaats in Brugge, Gent, Leuven, Herentals en Hasselt. Hoe verliep de selectie van de kandidaten? Kandidaturen konden worden ingediend tot 15 februari 2022. 195 landbouwers stelden zich kandidaat om deel te nemen aan een dialoogsessie. Zoals vooropgesteld, selecteerden we per Vlaamse provincie 15 landbouwers, goed voor in totaal 75 deelnemers. De selectie van de kandidaten gebeurde op basis van hun motivatie en inhoudelijke inbreng in het inschrijvingsformulier. Ook streefden we naar een evenwichtige mix van sectoren, leeftijd en geslacht. We brachten alle geselecteerde en niet-geselecteerde kandidaten op de hoogte. Van de 75 geselecteerde kandidaten namen er 65 landbouwers effectief deel. De deelnemers ontvingen daarvoor geen vergoeding. Hoe verliepen de dialoogsessies? Tijdens de dialoogsessies gingen de aanwezige landbouwers in gesprek met elkaar. Vanuit hun praktijkervaring deelden ze hun ideeën over het mestbeleid en deden ze voorstellen die een bijdrage kunnen leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit in het landbouwgebied. De dialoogsessies gingen door in een open en constructieve sfeer. De gesprekken werden begeleid door een externe facilitator en ondersteund door de VLM. Wat werd verteld tijdens de dialoogsessies? De externe facilitator maakte per dialoogsessie een verslag. Alle deelnemers kregen de kans om opmerkingen te geven op het verslag van de sessie waaraan ze deelnamen. Die opmerkingen werden nadien verwerkt. Naast het verslag per dialoogsessie is een eindverslag van de 5 dialoogsessies gemaakt. Dat vindt u integraal terug in dit rapport. Omdat over een aantal thema’s de meningen verdeeld waren, besloten we om de deelnemers daarover extra te bevragen. Dat deden we via een korte bevraging over 13 stellingen. Op die bevraging kregen we 44 antwoorden. Ook die resultaten vindt u terug in dit rapport. Op het einde van dit rapport vindt u een managementsamenvatting van de belangrijkste zaken waarover tijdens de dialoogsessies een vrij grote eensgezindheid bleek bij de deelnemers en van de toegevoegde informatie die uit de extra bevraging naar voren kwam.
2 SAMENVATTING VAN DE MOTIVATIE BIJ KANDIDAATSTELLING De kandidaatstelling voor de dialoogsessies gebeurde via een online formulier. We vroegen aan de kandidaten waarom ze graag wilden deelnemen. De tien meest aangebrachte items in de motivatiestatements van de kandidaten waren de volgende: 1. Landbouwers vragen een eenvoudigere mestwetgeving met minder administratieve lasten, zodat het werkbaarder en leefbaarder wordt om die toe te passen in de praktijk. 2. Landbouwers halen aan dat het nitraatresidu wordt beïnvloed door verschillende externe factoren zoals het koolstofgehalte in de bodem (nadeel bij veelvuldig gebruik van stalmest), de grondsoort en het weer. Daarenboven is de variatie in de nitraatresiduresultaten groot. 3. Vanggewassen zijn nuttig volgens landbouwers, maar het referentiepercentage ligt te hoog. De verplichte inzaaidata zijn zeer lastig door de weersinvloeden. Soms is het nog te droog en dan treedt er geen kieming op. Als het te nat is, is er gevaar voor bodemschade. Er is een grote vraag naar het toelaten van wintergranen als vanggewas na late aardappelen en maïs. De vanggewassenregeling beknot de teeltkeuze. 4. Landbouwers willen meer vrijheid in de keuze van de mestsoort, met mogelijkheid tot meer gebruik van dierlijke mest ten koste van kunstmest. Zeker met de hoge kunstmestprijzen vinden ze de beperking uit de nitraatrichtlijn van maximaal 170 kg N/ha uit dierlijke mest zeer beknottend. 5. Landbouwers vinden het kunstmestregister een zware administratieve last en moeilijk werkbaar omwille van de korte invultermijnen en het detailniveau tot op perceelsniveau. 6. De mestuitrijregeling zou eenvoudiger moeten en meer rekening moeten houden met weersinvloeden. Vooral in het najaar is de uitrijregeling heel complex. 7. Landbouwers erkennen het belang van een goede bodem (koolstof, humus, vochtbalans, pH). Een gezonde bodem is klimaatrobuust, vraagt minder bemesting en houdt nutriënten beter vast. 8. Landbouwers halen ook het belang van innovatie aan, nl. in de veevoeding, qua bemestingstechnieken en -machines, precisie- en rijbemesting, smart farming, circulaire landbouw (eindproduct mestverwerking). 9. Wat de controle betreft vragen landbouwers die toe te spitsen op frauduleuze bedrijven en meer controle te doen op de werkelijkheid en niet puur op cijfers. Bovendien vragen ze begrip voor de weersinvloeden bij de controle. 10. Landbouwers zijn ook vragende partij voor meer begeleiding. De huidige wetgeving is te bestraffend. Landbouwers vragen meer vertrouwen en samenwerking, bemestingsadviezen en stimuleren van begeleiding. Naast bovenstaande top 10 kwamen ook diverse andere items aan bod zoals biolandbouw, vollegrondsgroenten, serreteelt, beleid met betrekking tot blijvend grasland, perceelsrandenbeheer, beheerovereenkomsten, mestverwerking, gebruik effluent, belang van stalmest, koolstofrijk materiaal en starten met een totaal nieuw MAP.
3 EINDVERSLAG VAN DE 5 DIALOOGSESSIES In voorbereiding van MAP 7 vond in elke provincie een dialoogsessie plaats met telkens een vijftiental landbouwers. De deelnemers werden, na een open oproep, geselecteerd op basis van hun inhoudelijke inbreng en motivatie bij kandidaatstelling. Ook een aantal kenmerken ten behoeve van de representativiteit van het panel (sector, geslacht, leeftijd) werd in rekening gebracht. Dit verslag bevat de belangrijkste elementen die naar voren kwamen tijdens de dialoogsessies. Voor de details van alles wat ter sprake kwam tijdens de dialoogsessies verwijzen we naar de vijf verslagen van de individuele sessies. Dit verslag vat enkel wat er door de landbouwers is gezegd tijdens de dialoogsessies samen, en bevat geen waardeoordeel noch inhoudelijke verificatie van de gemaakte uitspraken.
3.1 KNELPUNTEN HUIDIG MAP Tijdens alles sessies kwamen de door landbouwers gepercipieerde knelpunten van het mestbeleid uitgebreid ter sprake. Zo werd er uitvoerig gesproken over het nitraatresidu. Daarbij werden een aantal elementen genoemd. Zo werd aangehaald dat de residumeting een grote onzekerheid vertoont, waarbij verschillende bepalingen van hetzelfde perceel soms sterk verschillende resultaten opleveren. Een deelnemer noemde het residu zelfs ‘een lotje uit de loterij’, terwijl iemand anders het dan weer ‘vogelpikwerk’ noemde. Het betreft bovendien een momentopname: een tijdsverschil van twee weken tussen staalnames kan soms drastisch verschillende resultaten opleveren. Volgens een groenteteler zou de datum van staalname moeten afhangen van de teelt, aangezien de prei tot in het voorjaar blijft staan. Bij droogte worden landbouwers dubbel gestraft, aldus een andere deelnemer: dan heb je zowel een mislukte teelt als een hoog stikstofresidu. In verschillende sessies werd de verzuchting geuit dat het nitraatresidu afhankelijk is van weersomstandigheden en het groeiseizoen. Een andere deelnemer stelde voor om de datum van staalname te verschuiven naar later in het seizoen, gezien het groeiseizoen volgens hem de laatste jaren langer duurt: “Als men het stikstofresidu wil behouden moet de staalname verlaat worden, omdat er later tijdens het seizoen nog voldoende stikstof wordt opgenomen.” (Deelnemer dialoogsessie Herentals) Ook werd de vraag gesteld of het nitraatresidu wel een goede maat is voor het risico op waterverontreiniging. In alles sessies refereerde de kritiek op de zogenaamde ‘kalenderlandbouw’, of het ‘datumboeren’ niet enkel naar het moment van staalname van het stikstofresidu, maar ook naar de strikte data van het bemestingsseizoen en de inzaaidatum van de vanggewassen. Verschillende deelnemers waren het erover eens dat er richtdata mogen zijn in het mestbeleid, maar dat men geen ‘monsterboetes’ mag geven als men een dag te laat is. Verschillende deelnemers benoemden het specifieke voorbeeld van het inzaaien van vanggewassen in slechte omstandigheden in het najaar van 2021: “Door de strenge datum voor de inzaai van vanggewassen hebben veel boeren moeten ‘tsjolen’ in de modder.” (Deelnemer dialoogsessie Brugge)
Een deelnemer klaagde aan dat de boeren worden gestraft als ze zich niet strikt houden aan de ‘kalenderafhankelijkheid’. Een andere landbouwer verklaarde dat vanggewassen een goede maatregel zijn, maar dat de inzaai ervan afhankelijk zou moeten zijn van de eisen van de grond, niet van de kalender. Voorts werd mestopslag als een noodzakelijke stap gezien voor het verminderen van kalenderlandbouw. De uiterlijke bemestingsdatum moet worden aangepast in functie van de weersomstandigheden. Het minder strikt toepassen van verplichte datums kan het mentaal welzijn van boeren ten goede komen. De zaaitermijn voor groenbedekking voor sommige teelten is niet haalbaar. Globaal was men positief over vanggewassen. De administratieve last van het MAP kwam in elke sessie naar boven als een belangrijk pijnpunt voor landbouwers. Een landbouwer is gestopt met derogatie omwille van de administratieve rompslomp. Er wordt veel opgelegd, bijvoorbeeld een bemestingsplan. Dat is leerrijk als je dit als landbouwer zelf maakt, maar door de complexiteit (cfr. verschillende gebiedstypes) en uit angst voor fouten wordt dit door externen opgemaakt, waardoor het geen meerwaarde meer heeft voor de boer. De meeste opleidingsmomenten van de landbouworganisaties over het MAP gaan tegenwoordig over administratie. Een landbouwer stelde dan weer dat zijn zoon het bedrijf niet wil overnemen omdat hij de administratie niet ziet zitten. Iemand anders noemde het papierwerk als een reden waarom jonge mensen afhaken. “Jonge landbouwers kunnen geen boer meer zijn, omdat ze achter hun bureau zitten als ze bij hun koeien moeten zijn.” (Deelnemer dialoogsessie Gent) Vooral het kunstmestregister stuit op veel onbegrip, vooral omdat het moeilijk en tijdrovend is en ook als zinloos wordt ervaren om de mestgift op perceelsniveau bij te houden omdat de giften toch globaal verdeeld worden over de verschillende percelen. Volgens een deelnemer is het invullen van dat register ‘de hel’. Een andere deelnemer gaf aan dat veel collega’s het register door externen laten invullen, omdat ze bang zijn om zelf fouten te maken. Ook de timing en de invultermijn van het register werden gehekeld. De bemestingsnormen liggen volgens een aantal deelnemers zo laag dat de maximaal mogelijke opbrengst niet langer mogelijk is. Ook werd aangestipt dat de genetica zodanig geëvolueerd is dat de gewasopname van stikstof hoger is geworden. De bemestingsnormen houden daarmee geen rekening. Voorts werd de bezorgdheid geuit dat de bemestingsnormen een goede bodemzorg en opbouw van bodemorganische stof bemoeilijken. Zo werd door meerdere deelnemers gesteld dat de huidige mestwetgeving een belemmering vormt voor het zorgvuldig beheren van de bodem. Verschillende keren werd gezegd dat het MAP de bodem zou ‘afmageren’ tot een puur substraat. “Er is niet genoeg ruimte om de bodem te kunnen onderhouden en te voeden.” (Deelnemer dialoogsessie Gent) De bemestingsnormen zouden het moeilijk maken om het koolstofgehalte in de bodem te verhogen door bijvoorbeeld gebruik te maken van compost of houtsnippers. Een andere deelnemer kaartte aan dat dierlijke mest belangrijk is om het koolstofniveau in de bodem op te trekken, maar dat het stikstofresidu dan wel hoger is wanneer er meer koolstof in de bodem zit. Andere deelnemers stelden dat een koolstofrijke bodem reststikstof vasthoudt, waardoor er minder risico is op uitspoeling.
De bemestingsvrije strook naast waterlopen werd ook gehekeld. De regels daarrond zouden uniformer moeten worden. Een landbouwer noemt de regels dan weer niet coherent, en hekelt de verschillende geldende bufferafstanden. Een deelnemer noemt die maatregel dan weer totaal nutteloos, terwijl iemand anders het een ‘kromme regeling’ vond. Volgens een akkerbouwer is de grootste winst voor de waterkwaliteit al geboekt bij eerdere Mestactieplannen, waardoor er nu steeds grotere inspanningen nodig zijn voor een steeds kleiner resultaat. Een deelnemer stelde de basis van het MAP niet in twijfel, maar wel alles wat er in de laatste MAP’s is bijgekomen zonder dat het tot resultaat heeft geleid. Het verbeterpotentieel werd in vraag gesteld: “We zitten op de top van wat er gedaan kan worden om stikstofemissies te reduceren. Finetuning is nog mogelijk, maar er zullen geen grote verbeteringen komen.” (Deelnemer dialoogsessie Hasselt)
3.2 IDEEËN TOEKOMSTIG MAP Tijdens elk van de dialoogsessies werden ideeën geopperd voor MAP 7. Een veel gemaakte opmerking was dat MAP 7 zou moeten vertrekken van een schone lei, vaak vertrekkend vanuit de observatie dat de laatste Mestactieplannen niet het gewenste resultaat voor de waterkwaliteit hebben opgeleverd: “Men heeft de voorbij MAP’s steeds kleine aanpassingen gedaan, maar het recept werkt niet.” (Deelnemer dialoogsessie Brugge) Daarnaast kwamen er heel wat specifieke voorstellen, waarvan vele slechts in één of enkele sessies werden genoemd. Iemand stelde voor om met referentiepercelen te werken voor het opvolgen van het nitraatresidu. Een deelnemer stelde voor om de focus van de Mestbank te verschuiven van het bedrijfsniveau naar het perceelsniveau. Een landbouwer opperde om het ‘MAP’ te herdopen tot ‘NAP’ (Nutriëntenactieplan). Volgens hem doet ‘Mestactieplan’ automatisch denken aan dieren. Ook in de beeldvorming in de media speelt dat mee: bij nieuws over MAP is vaak een mesthoop te zien. Dit sluit aan bij een verzuchting die in alle dialoogsessies naar boven kwam, namelijk dat andere sectoren die bijdragen aan hoge nitraatwaardes in het oppervlakte- en grondwater meer in het vizier moeten komen in het nieuwe MAP. Daarbij benoemde men plattelandsbewoners die niet op de riolering zijn aangesloten, overbemesting in volkstuintjes en gazons, particulieren die compost naast de beek stockeren, bermmaaisel van de overheden dat lange tijd blijft liggen, overstorten van rioolwaterzuiveringsinstallaties en emissies van biogasinstallaties. Over de MAP-meetpunten werd ook een en ander gezegd. Een deelnemer is van mening dat een grondige evaluatie van de locatie van de meetpunten moet komen, omdat sommige meetpunten veel invloed ondervinden van nitraatverontreiniging die niet van landbouw afkomstig zou zijn. Verschillende deelnemers uitten hun twijfels bij de representativiteit van het meetnet, waarna iemand voorstelde om landbouwers zelf te laten meten. Iemand stelde dat de info over de MAP-meetpunten niet of onvoldoende bij landbouwers terechtkomt. Een landbouwer opperde het idee dat landbouwers het peterschap of meterschap van een MAP-
meetpunt op zich zouden kunnen nemen, waarbij ze aanwezig zijn bij het nemen van de stalen. Dat zou volgens hem het vertrouwen verbeteren. Iemand opperde het idee om filters in waterlopen te plaatsen, als end-of-pipe oplossing. Iemand stelde voor om naar beneden te tellen met de mestbalans, in plaats van naar boven: “Nu moeten de boeren zelf optellen door het kunstmestregister te gebruiken samen met de aangevoerde mest, en dan daaruit zelf berekenen hoeveel ze nog mogen geven. Dit is verwarrend, het zou gemakkelijker zijn om af te tellen.” (Deelnemer dialoogsessie Leuven) Twee andere deelnemers vonden dat er een overzichtelijk dashboardsysteem zou moeten komen dat duidelijk aangeeft hoeveel er nog bijgemest mag worden. Een aantal voorstellen hielden verband met bemestingsnormen. Zoals vermeld in de vorige sectie werd aangehaald dat gewassen vandaag meer stikstof zouden kunnen opnemen dan dertig jaar geleden, terwijl de bemestingsnormen gelijk zijn gebleven. Zo werd door verschillende deelnemers gesteld dat de lage stikstofresidu’s in grasland aanleiding zouden moeten vormen voor een versoepeling van de bemestingsnorm in grasland. Verder gaf een aardappelteler aan dat de opbrengst van zijn aardappelteelt terugloopt omwille van de bemestingsnormen in gebiedstype 3. In alles sessies werd gesteld dat de benuttingsmogelijkheid van stikstof uit dierlijke mest zou moeten worden verhoogd. “Mest is geen afvalproduct, maar het goud van de landbouwer” (Deelnemer dialoogsessie Leuven) Verschillende argumenten voor een soepelere norm voor dierlijke mest werden aangehaald, waaronder het verminderen van de afhankelijkheid van Russische kunstmest, de rol van dierlijke mest bij de koolstofopbouw in de bodem en de gunstige rol bij droogte. Een deelnemer stelde voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken. Een landbouwer stelde dat de boer zelf moet kunnen bepalen hoeveel hij mag bemesten: “Bemesting is vakmanschap: laat de boer de vrijheid.” (Deelnemer dialoogsessie Herentals) De hoop werd geuit dat er meer middelen zouden vrijgemaakt worden voor onderzoek naar duurzame bemesting en meststoffen. Ten slotte werd gesteld dat het nieuwe MAP moet getuigen van een langetermijnvisie van de overheid.
3.3 ROL VAN DE MESTBANK Ook de relatie tussen landbouwers en de Mestbank bracht veel stof voor gesprek. De landbouwers klaagden vooral de focus op bestraffing aan. Boeren associëren de Mestbank vooral met boetes, wat voor een gebrek aan vertrouwen zorgt. Bij een aantal deelnemers vormde dit de aanleiding om de vraag te stellen of mestbankmedewerkers het er beter van zouden afbrengen dan hen. De repressieve rol van de Mestbank werkt ook demotiverend voor landbouwers. Er werd geopperd dat de boetes niet in verhouding staan tot de gemaakte fouten.
“Ieder foutje wordt overdreven hard beboet.” (Deelnemer dialoogsessie Brugge) De boetes en bestraffing zouden moeten focussen op de grote fraudeurs. Een deelnemer stelde dat collegalandbouwers opdraaien voor de ‘rotte appels onder de boeren’. Verschillende deelnemers waren van mening dat de Mestbank de focus zou moeten verschuiven van bestraffen naar belonen. Iemand gaf het concrete voorbeeld van een beloning voor boeren met een hoog koolstofgehalte in de bovenste grondlaag. Volgens een deelnemer is een vrijstelling van strengere voorwaarden gelinkt aan het gebiedstype geen voorbeeld van een beloning. Vroeger zou de Mestbank ook toegankelijker geweest zijn voor specifieke hulpvragen van landbouwers. In ieder geval wensten vele landbouwers dat de Mestbank een meer adviserende rol zou opnemen, hoewel onder andere een deelnemer beweerde dat de Mestbank het zelf ook niet goed meer weet. Een andere deelnemer in dezelfde sessie was net heel tevreden dat medewerkers van de Mestbank het Mestbankloket aan hem zijn komen uitleggen. Een landbouwer stelde dan weer dat de Mestbank niet langer een ‘compagnon de route’ is. In het kader van deze discussie kwam de rol van het nieuwe B3W (Begeleidingsdienst voor Betere Bodem en Waterkwaliteit) en het oude CVBB (Coördinatiecentrum voor voorlichting en begeleiding duurzame bemesting) ook ter sprake. Volgens een deelnemer hielp het CVBB in vergelijking tot opvolger B3W meer met het zoeken naar de oorzaken van hoge nitraatgehalten in het water. De ondersteuning door het CVBB werd geloofd.
3.4 BREDERE REFLECTIES OVER LANDBOUW IN RELATIE TOT DE MAATSCHAPPIJ EN DE OMGEVING Wanneer de discussies in de dialoogsessies uitzoomden naar een brede reflectie over landbouw kwamen twee elementen uitdrukkelijk naar voren: het belang van rendabiliteit, en de erkenning en waardering vanuit de samenleving: “Naast het verdienmodel is ook het waarderingsmodel van de landbouw belangrijk” (Deelnemer dialoogsessie Brugge) Economische draagkracht werd genoemd als basisvereiste voor een duurzame landbouw. Een aantal deelnemers gaven aan dat ze hoofdzakelijk economisch gemotiveerd zijn en dat een optimalisatie van het stikstofgebruik op het bedrijf, goede teeltechnieken en dus ook een verbetering van de waterkwaliteit gunstige neveneffecten zijn van die economische motivatie. De prijs voor het product is een belangrijk pijnpunt wanneer het gaat over de rendabiliteit. Verschillende landbouwers stelden dat landbouwers zeker meer moeite willen doen voor het milieu, maar dat ze er ook meer voor zouden betaald moeten worden. Daarnaast moet het economische belang van de landbouw in het bredere agrovoedingscomplex meer worden onderstreept.
Dat maatschappelijke waardering voor sommige landbouwers minstens zo belangrijk is als rendabiliteit, blijkt ook uit de getuigenis van een varkenshouder die zijn bedrijf wil laten krimpen om zich meer te kunnen concentreren op de particuliere markt: “Alles waar ik geen appreciatie voor krijg wil ik afbouwen, voor particuliere verkoop krijg ik wel appreciatie. Op de markt staan houdt mij mentaal recht, maar niet economisch.” (Deelnemer dialoogsessie Brugge) Volgens verschillende landbouwers worden landbouwers soms voorgesteld als criminelen, wat enorm demotiverend werkt. Landbouwers worden te vaak als vervuilers gezien, en dat wordt mee in de verf gezet door de media. Een landbouwer stelde dat de motivatie voor landbouwers zowel de toekomst van hun kinderen als een gezonde leefomgeving is, maar dat men landbouwers wel het rentmeesterschap over hun gronden moet gunnen. Landbouwers halen arbeidsvreugde uit het werken in de open ruimte. Een landbouwer uitte de wens van een landbouw in harmonie met die open ruimte en met de gemeenschap. ‘Als iedereen kwaad kijkt, is men niet gemotiveerd’, voegde hij eraan toe. Wanneer het ging over de toekomst van de landbouw kwam het belang van intredes in de sector naar boven. Een deelnemer was blij dat er zoveel jonge deelnemers aan de sessie deelnamen, wat volgens hem aantoont dat de jeugd nog steeds gemotiveerd is om het beroep uit te oefenen. Een deelnemer stelde dat jongeren die starten in de landbouw zelf zeggen dat ze zot zijn om te starten. Een jonge landbouwer stelde het als volgt: “We krijgen een premie om in de put te springen.” (Deelnemer dialoogsessie Gent) Langs de andere kant werd gesteld dat rechtszekerheid noodzakelijk is om voldoende perspectief te geven aan landbouwers. Een deelnemer stelde zich de vraag of er over tien jaar nog boeren over zullen blijven. Ook werd aangehaald dat er in Vlaanderen veel kennis aanwezig is en dat we technologisch ver staan. We moeten daar wel gebruik van durven maken, aldus een landbouwer: “Als het beleid enkel droomt over ‘Bokrijklandbouw’ dan zullen er op termijn geen boeren overblijven” (Deelnemer dialoogsessie Brugge) De vraag naar het toekomstperspectief van de deelnemers resulteerde vanzelfsprekend in zeer uiteenlopende antwoorden, afhankelijk van de persoonlijke motivaties en de precieze sector waarin men werkzaam is. Voor de ene is verdere specialisatie de weg die men wil inslaan, terwijl de andere net wil afbouwen, aan particuliere verkoop wil doen, of naar een circulair bedrijfsmodel wil evolueren. Het stikstofakkoord van 23 februari 2022 lag ook vers in het geheugen en zal voor vele landbouwers een grote impact hebben. Volgens een landbouwer is de landbouw door het stikstofakkoord ‘het mes op de keel gelegd’. Een andere deelnemer ziet haar bedrijf bedreigd door het stikstofakkoord. Haar toekomst is onzeker: ofwel kan ze iets helemaal anders doen, of ze kan op zoek gaan naar een ander bedrijf. Daarvoor is dan wel een financiële investering nodig, maar dan wil ze de zekerheid dat ze er voor de rest van haar leven kan blijven.
4 EXTRA BEVRAGING OVER 13 STELLINGEN 4.1 DOELSTELLING EN WERKWIJZE Omdat over een aantal thema’s de meningen verdeeld waren, besloten we om de deelnemers daarover extra te bevragen na afloop van de dialoogsessies, om een beter beeld te krijgen van de ideeën die er leven. Dat deden we via een korte digitale bevraging over 13 stellingen. 44 deelnemers, of twee derde van de deelnemers hebben de bevraging ingevuld.
4.2 BELANGRIJKSTE BEVINDINGEN PER STELLING 1. Met goede bemestings- en teeltpraktijken kunnen we nog vooruitgang boeken voor de waterkwaliteit De meerderheid van de respondenten beantwoordde deze stelling positief. De overtuiging leeft dus dat er globaal nog vooruitgang kan geboekt worden vanuit de landbouw om de waterkwaliteit verder te verbeteren. Bij de respondenten die de stelling negatief beoordeelden, waren er een aantal die opmerkten dat verdere verbetering moeilijk is omdat ‘het laaghangend fruit al is geplukt’. Ook werd gewezen op de weersafhankelijkheid en de natuurlijke processen in de landbouw, waardoor goede resultaten, ondanks toepassing van de beste praktijken, niet altijd gegarandeerd zijn. Bij de positieve beoordelingen kwamen er vooral suggesties over precisiebemesting en over verlaging van het kunstmestgebruik, ten voordele van het gebruik van dierlijke mest en de opbouw van bodemorganische stof. 2. Bemesting na de oogst is overbodig Deze stelling werd grotendeels negatief beoordeeld. Bij de opmerkingen werd grotendeels gewezen op de noodzaak tot bemesting van de nateelt of groenbemesters en het (directe of indirecte) belang ervan voor de opbouw van bodemorganische stof. Andere opmerkingen stellen dat de noodzaak tot bemesting afhangt van onder meer de soort en het oogsttijdstip van de hoofdteelt en de grondsoort. Sommige respondenten vinden bemesting na de oogst enkel verantwoord voor stalmest of effluent, en als er effectief een volgteelt ingezaaid wordt. 3. De veehouderij moet evolueren naar grondgebondenheid Op deze stelling werd verdeeld gereageerd. In de bijkomende toelichtingen maakte een aantal landbouwers de opmerking dat dit een realistisch doel is voor de rundveehouderij, maar niet voor de andere deelsectoren van de veeteelt. De meerwaarde ervan wordt door sommige bedrijven in vraag gesteld, gezien mestverwerking en mestafzet naar andere bedrijven volgens hen niet noodzakelijk tot negatieve gevolgen leiden. Ook over de schaal van de grondgebondenheid waren er verschillende inzichten: op bedrijfsniveau, of op grotere geografische schaal? Indien ruimer bekeken, wordt mestverwerking en mestafzet elders door sommigen ook als grondgebondenheid gezien. Ook werd door sommigen de bezorgdheid geuit dat de vereiste
van grondgebondenheid voor een nog hogere druk op de grondenmarkt gaat zorgen. 4. Het mestbeleid zou beter gevoerd worden via het nitraatresidu in plaats van via diverse verplichtingen Deze stelling werd overwegend negatief beoordeeld. Bij heel wat opmerkingen kwam naar boven dat nitraatresidumetingen aan (te) grote variabiliteit onderhevig zijn, waardoor deze een slecht ijkpunt zouden zijn om het beleid aan op te hangen. Ook geeft men aan dat de grondsoort, het weer en het moment van staalname een belangrijke invloed uitoefenen op het nitraatresidu. Andere respondenten geven wel aan dat het een goed hulpmiddel kan zijn om enerzijds hardleerse overtreders aan te pakken en anderzijds om bedrijven meer ervaringen te laten opdoen rond optimalisatie van bemestingspraktijken. 5. Bepaalde teelten in gebieden met een slechte waterkwaliteit moeten aan banden gelegd worden Dit is de stelling die het meest negatief werd beoordeeld. Enerzijds merkt men op dat het verband tussen teelt en waterkwaliteit onvoldoende zou zijn aangetoond, anderzijds stelt men dat met dergelijke benadering bedrijven die met dergelijke nitraatgevoelige teelten wél goede resultaten voorleggen, onrechtmatig worden behandeld. Ook vindt men dat de vrijheid van teeltkeuze een basisrecht is voor de landbouwer. Andere respondenten wijzen dan weer op het effectief verband tussen bepaalde teelten, hogere nitraatresidu’s en slechte MAP-meetpunten. 6. De regelgeving moet eenvoudiger worden, ook al houdt dat minder specifieke uitzonderingen op maat in Deze stelling werd door een meerderheid positief beoordeeld. Hoewel globaal de overtuiging overheerst dat de regelgeving in zijn totaliteit eenvoudiger moet worden, werden in de opmerkingen toch een aantal nuances aangebracht. Vooral werd hierbij gewezen op het feit dat specifieke praktijksituaties (grondsoort, teelten, weersomstandigheden, …) beleidsmatig ook specifiek moeten benaderd worden. 7. Boetes en sancties zijn effectief voor de naleving van de wetgeving Een meerderheid van de respondenten is niet akkoord met deze stelling. In de bijkomende toelichting wordt gezegd dat boetes in verhouding moeten staan tot de overtreding. Ook vraagt men om meer begeleiding en een beloningssysteem in plaats van een sanctiesysteem. 8. De overheid moet meer investeren in de begeleiding van landbouwers Dit is de stelling die het meest positief werd beoordeeld. De opmerkingen liggen in lijn met de opmerkingen op de vorige stelling: beter begeleiden dan beboeten. Begeleiding moet zowel gesitueerd zijn op administratief en wettelijk vlak, als op bemestingstechnisch niveau. Een goede begeleiding draagt bij aan het wederzijds vertrouwen tussen sector en overheid. De bemestingsregels in gebieden met een slechtere waterkwaliteit moeten strenger zijn dan in gebieden met een goede waterkwaliteit
Op deze stelling werd overwegend negatief geantwoord. Zo vraagt men om een duidelijk aantoonbare link tussen landbouw en de slechte waterkwaliteit, en wijst men naar andere elementen zoals nitraatrijke bronnen en andere sectoren. Ook waren er een aantal opmerkingen die wijzen op het feit dat een dergelijke regeling ervoor kan zorgen dat een grote groep landbouwers gestraft wordt voor het gedrag van ‘één rotte appel’. 9. De registratie van kunstmest op bedrijfsniveau draagt bij aan een goede controle op het kunstmestgebruik De helft van de respondenten beoordeelde deze stelling negatief. In de opmerkingen werd de administratieve last als een belangrijk nadeel van deze registratie benoemd. Ook stellen verschillende respondenten dat de registratie beter via de kunstmesthandelaar, en eerder op bedrijfsniveau dan op perceelsniveau zou moeten gebeuren. Mogelijk werd deze stelling door sommige respondenten verkeerd geïnterpreteerd, aangezien een registratie op bedrijfsniveau in plaats van op perceelsniveau (zoals nu het geval is) een administratieve vereenvoudiging zou kunnen betekenen. 10. Digestaat uit vergistingsinstallaties hoort niet thuis op Vlaamse landbouwgronden Deze stelling werd overwegend negatief beoordeeld, maar er was ook een groot aantal respondenten (ruim een kwart) dat deze stelling neutraal beoordeelde. Een aantal respondenten wijst op mogelijke vervuiling in het digestaat, wat aanleiding zou moeten geven tot voorzichtigheid. Anderen wijzen er dan weer op dat de kwaliteit van digestaat via analyse kan bevestigd worden en dat aanwending ervan op landbouwbodems past in de filosofie van het sluiten van kringlopen. 11. Landbouwers moeten een mestopslagcapaciteit hebben voor geproduceerde mest van een volledig jaar De helft van de respondenten beoordeelde deze stelling negatief. In de bijkomende toelichting geven sommigen aan dat dit niet nodig is, aangezien mest over een langere periode in het groeiseizoen en ook in het najaar nog kan toegediend worden, waardoor een opslagcapaciteit voor een volledig jaar niet nodig is. Ook de hoge kostprijs is voor sommigen een duidelijke rem. Zij geven aan dat subsidiëring dan nodig is. Anderen die het belang van mestopslag onderkennen (met name om de mest op het ideale tijdstip te kunnen toedienen) geven onder meer aan dat een opslagcapaciteit voor een volledig jaar niet steeds noodzakelijk is (9 à 10 maanden volstaan) en dat ook opslag bij de gebruikers van mest (akkerbouwgebied) voordelen kan bieden. 12. Met het huidige mestbeleid kan ik onvoldoende aan mijn koolstofgehalte werken Deze stelling werd door een grote meerderheid positief beoordeeld. In de bijkomende opmerkingen werd het belang van dierlijke mest, en dan vooral stalmest, voor de opbouw van koolstof in de bodem benadrukt. Ook compost werd verschillende keren benoemd. De bemestingsnormen voor deze stromen worden in vraag gesteld. Enkele respondenten waarschuwen dan weer dat een hoger humusgehalte een groter risico inhoudt op hogere nitraatresidu’s. In de figuur in bijlage 1 staan de stellingen geordend volgens het percentage ‘positieve beoordeling’ (eens + helemaal eens).
5 MANAGEMENTSAMENVATTING 5.1 VERLOOP VAN DE SESSIES In alle sessies participeerden de deelnemers enthousiast. Ze vonden het een goed initiatief dat ze vanuit hun praktijkervaring rechtstreeks zaken konden aanbrengen bij de VLM. De sessies verliepen in een open en constructieve sfeer. De VLM bedankt de deelnemers daar ten zeerste voor. Vele deelnemers hebben hun wens geuit om betrokken te worden in het verdere proces van de voorbereiding van MAP7.
5.2 SAMENVATTING VAN DE BELANGRIJKSTE ZAKEN WAAROVER EENSGEZINDHEID WAS TIJDENS DE DIALOOGSESSIES Landbouwers ervaren verschillende knelpunten met het huidige mestbeleid. Ze vinden de nitraatresidumetingen geen betrouwbaar instrument om het risico op waterverontreiniging te beoordelen omdat de variabiliteit op het gemeten resultaat te groot is. Ook stellen ze de strikte vaststelling van inzaai- en bemestingsdata aan de kaak. Kalenderlandbouw tast hun vakmanschap aan en is niet alleen nefast voor hun mentaal welzijn maar ook voor de bodem, aangezien er geen rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden. Globaal gezien zijn de landbouwers wel positief over het nut van vanggewassen. Ze vinden de bemestingsnormen te laag, waardoor de maximaal mogelijke opbrengst niet langer mogelijk is. De bemestingsnormen houden volgens hen ook geen rekening met de hogere opname van stikstof door verbeterde gewassen. Opbouw van koolstof in de bodem is moeilijk volgens de huidige wetgeving. De benuttingsmogelijkheid van stikstof uit dierlijke mest moet volgens de landbouwers worden verhoogd. De administratieve last en complexiteit van het MAP zorgen ervoor dat landbouwers afhaken. Ze vragen naar een meer uniforme regelgeving rond de bemestingsvrije strook naast waterlopen. Ook stellen ze het verbeterpotentieel van toekomstige mestactieplannen in vraag. Een veel gemaakte opmerking is dat MAP 7 moet vertrekken van een schone lei. Landbouwers vragen om de effectieve bijdrage van de vele regels op de verbetering van de waterkwaliteit kritisch te onderzoeken. Zo stuit het registreren op perceelsniveau bij het invullen van het kunstmestregister op onbegrip. Ook vinden de landbouwers de deadlines om het kunstmestregister in te vullen te krap. Landbouwers vragen om met een bredere bril naar watervervuiling door nutriënten te kijken dan enkel mest in het vizier te nemen. Ook andere actoren spelen een rol in verbetering van de waterkwaliteit. Men zou beter spreken van een Nutriëntenactieplan. Landbouwers vragen om dezelfde reden een grondige evaluatie van de MAP-meetpunten en willen daarbij betrokken worden. Aan de klantgerichtheid kan nog gewerkt worden met behulp van bijvoorbeeld een persoonlijk dashboardsysteem op het Mestbankloket, waarbij automatische waarschuwingen gegeven worden en waarbij landbouwers te allen tijde een realtime overzicht hebben van de mestbalans op hun bedrijf.
De landbouwers vragen een stimulerend en begeleidend beleid in plaats van een demotiverend bestraffend beleid. De focus op fouten en boetes haalt het vertrouwen en het draagvlak om aan de waterkwaliteit te werken onderuit. De fraudeurs moeten wel streng worden aangepakt. Landbouwers vragen ook grondig en betrouwbaar praktijkonderzoek naar duurzame bemesting en innovatie. Rendabiliteit, rechtszekerheid, erkenning en waardering vanuit de samenleving en een langetermijnvisie van de overheid zijn voorwaarden voor een toekomstgerichte landbouw in Vlaanderen. Economische draagkracht is een basisvereiste voor duurzame landbouw. Beide zijn niet noodzakelijk tegengesteld aan elkaar. Landbouwers halen arbeidsvreugde uit het werken in de open ruimte en willen daar ook zorg voor dragen. Ze vragen het vertrouwen om dat op basis van hun vakmanschap te mogen te doen.
5.3 SAMENVATTING RESULTATEN EXTRA BEVRAGING De hoge responsgraad toont de hoge betrokkenheid van de landbouwers bij dit consultatieproces, wat ook al bleek uit de actieve deelname tijdens de dialoogsessies zelf. De digitale bevraging met de 13 stellingen gedestilleerd uit de dialoogsessies bleek een uitstekende manier om de conclusies uit die sessies te valideren en om een kwantitatief beeld te krijgen van waarover onder de deelnemende landbouwers (quasi) consensus bestaat, dan wel verdeeldheid. De verzuchting dat met het huidige mestbeleid onvoldoende aan het koolstofgehalte in de bodem kan worden gewerkt, werd bijvoorbeeld sterk bevestigd, net als de vraag naar een meer begeleidende rol van de overheid. Het idee om de vrije teeltkeuze te beperken in gebieden met slechte waterkwaliteit, wordt dan weer sterk negatief beoordeeld. Op andere stellingen werd dan weer verdeeld gereageerd, zoals de stelling dat de veehouderij moet evolueren naar grondgebondenheid. Met per stelling gemiddeld 32 respondenten die bijkomende opmerkingen of toelichting hebben gegeven leverde de bevraging ook nog heel wat extra informatie en nuancering op. Zo kwamen er bijvoorbeeld specifieke suggesties op de stelling dat met goede bemestings- en teeltpraktijken nog vooruitgang kan worden geboekt voor de waterkwaliteit (precisiebemesting, verlaging kunstmestgebruik, bemestingsnormen afhankelijk van de teelt, etc.). In sommige gevallen werd van de mogelijkheid van het geven van bijkomende opmerkingen gebruikgemaakt om aan te geven dat de stelling neutraal werd beoordeeld wegens een gebrek aan kennis of ervaring. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de stelling over het gebruik van digestaat op Vlaamse landbouwgronden. De meerderheid van de respondenten is van mening dat met goede bemestings- en teeltpraktijken nog verdere vooruitgang kan worden geboekt voor de waterkwaliteit. De verwachting leeft dan ook dat het MAP 7 die verdere verbetering kan waarmaken, zonder een aantal aspecten van het mestbeleid die als sterk negatief worden gepercipieerd, zoals boetes, sancties, en de focus op het nitraatresidu. Dat niet al de verwachtingen kunnen ingelost met het nieuwe mestactieplan, met inbegrip van sommige verwachtingen waarover onder landbouwers grotendeels overeenstemming bestaat, is evident. Toch is het belangrijk dat er rekenschap wordt gegeven over de uiteindelijk gemaakte keuzes in relatie tot de input die door landbouwers werd gegeven tijdens dit consultatieproces.
Bijlage 1: In de onderstaande figuur staan de stellingen geordend volgens het percentage ‘positieve beoordeling’ (eens + helemaal eens).