Skip to main content

Rapport_ondersteuning_kleine_types.pdf

Page 1

Ondersteuning kleine types Tweede fase van de terreinverkenning Maart 2020

ONDERWIJSINSPECTIE


COLOFON Samenstelling Onderwijsinspectie Verantwoordelijke uitgever Lieven Viaene, inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel Wettelijk depot D/2020/3241/094 Copyright Š Niets uit deze publicatie mag worden gekopieerd of op een andere wijze worden verspreid zonder bronvermelding.


Ondersteuning kleine types Tweede fase van de terreinverkenning

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 3 ]—


Inhoud I.

II.

OPDRACHT EN AANPAK ................................................................................................................................ 6 Opdracht

6

Operationalisering van de opdracht

6

ORIËNTERING OP HET WERKVELD ................................................................................................................ 8 Inleiding

8

Algemeen

9

Verschillen in inplanting en schaalgrootte Verschillen in aanbod: types, onderwijsniveaus en werkingsgebied

12

Verschillen in netoverstijgende samenwerking

14

Op het vlak van organisatie

III.

IV.

9

15

Complex landschap van aanbieders

15

Ondersteuningslandschap in beweging

16

DE TERREINVERKENNING ........................................................................................................................... 17 Doel

17

Procedure en verloop

17

Bereik

19

Instrumenten, methodiek en registratie

19

Resultaten terreinverkenning

24

Een globaal beeld voor alle bouwstenen

24

Een diepgaander beeld per thema Organisatie Visie en strategisch beleid Vormgeving van de ondersteuning Samenwerking Personeelsbeleid en professionalisering Kwaliteitsontwikkeling Middelenbeleid

26 26 29 31 38 41 44 46

STERKTES EN GROEIKANSEN VOLGENS DE GESPREKSPARTNERS ............................................................... 48 Organisatie, visie en kwaliteitsbeleid

48

Personeelsbeleid en professionalisering

49

De vormgeving van de ondersteuning

50

Samenwerking

50

Signalen van de gesprekspartners aan de overheid

51

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 4 ]—


V.

VI.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................................................. 53 Vaststellingen die we herkennen uit de bezoeken aan de ondersteuningsnetwerken

53

Na de bezoeken OKT: voortschrijdend inzicht in het ondersteuningsaanbod

54

Aanbevelingen voor de overheid

57

Perspectief op het vervolgtraject

58

BIJLAGEN .................................................................................................................................................... 59 Bijlage 1: Vragenlijst voor de beleidsgesprekken

59

Bijlage 2: Overzicht van de 50 bouwstenen en de selectie per gesprekspartner

61

Bijlage 3: Sterktes en groeikansen volgens de gesprekspartners: uitgebreid

63

Op het vlak van organisatie, visie en kwaliteitsbeleid

64

Op het vlak van personeelsbeleid en professionalisering

67

Op het vlak van de vormgeving van de ondersteuning

69

Op het vlak van samenwerking

73

Signalen van de gesprekspartners aan de overheid

75

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 5 ]—


I.

OPDRACHT EN AANPAK

OPDRACHT Tijdens het schooljaar 2018-2019 kreeg de onderwijsinspectie van de toenmalige minister van onderwijs Hilde Crevits de opdracht om een referentiekader uit te werken voor kwaliteitsvolle ondersteuning. Dat referentiekader moet toepasbaar zijn voor het volledige ondersteuningsmodel (OM), dus zowel voor de ondersteuning van de kleine types (2, 4, 6, 7) als van de brede types (BA, 3, 9). Naast het creëren van een gezamenlijke taal over kwaliteitsvolle ondersteuning kan zo’n referentiekader ook fungeren als hefboom voor kwaliteitsontwikkeling. De onderwijsinspectie ontwikkelde eerder al referentiekaders in cocreatie: het OK voor onderwijskwaliteit, het RclbK voor kwaliteit in de CLB’s, het RiK voor een kwaliteitsvolle internaatwerking en de referentiekaders NAFT (naadloos flexibel traject), NT2 (Nederlands als tweede taal) en MO (maatschappelijke oriëntatie).

OPERATIONALISERING VAN DE OPDRACHT Anders dan voor de ontwikkeling van de andere referentiekaders is er voor een referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning weinig bronnenmateriaal voorhanden, biedt de regelgeving weinig houvast en vormt dit een nieuw werkgebied voor de onderwijsinspectie. Daarom voerde de onderwijsinspectie een terreinverkenning uit om na te gaan hoe het ondersteuningsmodel in de praktijk vorm krijgt en functioneert. Deze terreinverkenning gebeurde in twee fases. In een eerste fase (april 2019) ging de onderwijsinspectie langs bij alle 24 ondersteuningsnetwerken (ONW) die de ondersteuning voor de brede types organiseren en waren er gesprekken met relevante partners. Dit resulteerde in een eerste rapport ‘Ondersteuningsnetwerken, een terreinverkenning’1. Om het beeld te vervolledigen voerde de onderwijsinspectie in een tweede fase (januari 2020) een verkenning uit van de ondersteuning kleine types (OKT). Dit gebeurde via werkbezoeken en gesprekken met een selectie van aanbieders OKT. Omwille van de haalbaarheid bezochten we een representatieve steekproef van die aanbieders, rekening houdend met verschillende criteria zoals regionale spreiding, onderwijsverstrekkers, aantal ondersteuningen en organisatievorm: vanuit school buitengewoon onderwijs (buo-school), expertisenetwerk of ONW. Het huidige rapport is het verslag van deze tweede fase van de terreinverkenning: ‘Ondersteuning kleine types’.

1

Zie www.onderwijsinspectie.be (Andere opdrachten).

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 6 ]—


2018-2019 •Startvragen •Hebben we nood aan een apart referentiekader voor een kwaliteitsvolle ondersteuning? •Wat is passend vanuit de bestaande referentiekaders: OK, RclbK, RiK, NAFT? •Hoe kunnen we zicht krijgen op een nieuw, gevarieerd en onbekend werkgebied in transitie? •Aanpak •Data-analyse: kwantititief en kwalitatief •Literatuurverkenning: beleidsonderzoek, toezichts- en referentiekaders, regelgeving, websites ... •Terreinverkenning: ONW + partners

2019-2020 •Startvragen •Hebben we nood aan een apart referentiekader voor een kwaliteitsvolle ondersteuning? •Wat is passend vanuit de bestaande referentiekaders: OK, RclbK, RiK, NAFT? •Hoe kunnen we zicht krijgen op een nieuw, gevarieerd en onbekend werkgebied in transitie? •Aanpak •Data-analyse ondersteuning kleine types •Aanpassing instrumentarium •Terreinverkenning ondersteuning kleine types

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

2020-2021 •Literatuurstudie •Ontwikkeling in cocreatie van het referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning

—[ 7 ]—


II.

ORIËNTERING OP HET WERKVELD

INLEIDING

We starten het rapport met de bespreking van een aantal context- en inputgegevens die een impact (kunnen) hebben op de ondersteuning en op de manier waarop de aanbieders OKT zich ontwikkelen. De gegevens zijn gebaseerd op data die we kregen van AGODI en van de aanbieders OKT. Een belangrijke bedenking vooraf is dat de gegevens betrekking hebben op de buo-scholen die juridisch en administratief de beheerders zijn van de ondersteuningsmiddelen voor de kleine types. De wijze waarop de buoscholen zich in de praktijk organiseren om de OKT vorm te geven, is een heel ander verhaal. De organisatie op het terrein is complexer dan uit de administratieve gegevens blijkt. Soms worden de begeleidingseenheden of lestijden/lesuren van meerdere buo-scholen samengebracht om een ondersteuningsteam te vormen. Tegelijkertijd bestaan er buo-scholen die effectief slechts één ondersteuningstraject uitvoeren. Ook het personeelsbeheer maakt dat de administratieve weergave soms anders is dan de ondersteuningspraktijk. Tenslotte zit er ook ruis op de data door onnauwkeurige registratie van gegevens door scholen of door verkeerde interpretaties van de complexe regelgeving over het ondersteuningsmodel. In wat volgt spreken we over buo-scholen als beheerders van middelen en personeel. Als we het later hebben over de organisatie op het werkveld en over het ondersteuningsaanbod OKT, gebruiken we de term ‘aanbieder OKT’ (dit kan een individuele buo-school, een expertisenetwerk of een ONW zijn).

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 8 ]—


ALGEMEEN Verschillen in inplanting en schaalgrootte

het aantal leerlingen dat ondersteuning krijgt per type 4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0

het aantal leerlingen dat ondersteuning krijgt per net

1816; 20%

4049

3948

1229; 13% 6055; 67%

525 type 2

578 type 4

gemeenschapsonderwijs

type 6

officieel gesubsidieerd

vrij gesubsidieerd

type 7

In het schooljaar 2019-2020 zijn er 9100 leerlingen die ondersteuning krijgen voor een van de kleine types: type 2, 4, 6 en 7. Het aantal ondersteuningstrajecten verschilt per type. Zowel voor type 2 (matige of ernstige mentale beperking) als voor type 6 (visuele beperking) zijn er in Vlaanderen tussen de 500 en de 600 ondersteuningstrajecten terwijl het er een 4000-tal zijn voor type 4 (lichamelijke beperking) en type7 (spraak- en taalstoornis en auditieve beperking).

het aantal leerlingen dat ondersteuning krijgt per type en per provincie 1400 1200 1000 800 600 400 200 0

1189 883

899

894

877

911

855 548

74

101

West-Vlaanderen

193

137

Oost-Vlaanderen type 2

132

160

68

Antwerpen type 4

type 6

101

Vlaams-Brabant

58

429

510 79

Limburg

type 7

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de ondersteuning van leerlingen vrij evenwichtig gespreid is over de provincies. Alleen voor type 2 en type 4 zijn er in verhouding meer ondersteuningen in Oost-Vlaanderen. In Limburg valt het lage aantal ondersteuningen voor type 7 op.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 9 ]—


het aantal buo-scholen dat ondersteuning biedt per type

het aantal buo-scholen per type en per provincie

160 140

143

120 100 98

80 78

60

82

90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

28 26 19 7 18 13

8

4 18

25

24

21

13 3 11 6

12 4 10 14

40 20

26

0 Type 2

Type 4

Type 6

Type 7

totaal

type 2

type 4

type 6

type 7

Er zijn 143 buo-scholen die instaan voor de ondersteuning van de kleine types. Opvallend is dat de ondersteuning voor type 6 opgenomen wordt door een beperkt aantal aanbieders (N = 26 buo-scholen) terwijl er voor de andere types heel wat meer buo-scholen bij de ondersteuning betrokken zijn (N = 7898). De betrokkenheid van buo-scholen is wat meer genuanceerd als we kijken naar de ondersteuning per type en per provincie. De grafiek toont dat er in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en WestVlaanderen heel wat meer aanbieders OKT zijn dan in de provincies Limburg en Vlaams-Brabant. Op basis van de gegevens uit de grafiek over het aantal leerlingen dat ondersteuning krijgt per type en per provincie en uit de grafiek over de buo-scholen per type en per provincie, concluderen we dat er grote en kleine aanbieders OKT zijn. Sommige ‘kleine aanbieders’ functioneren als autonome organisaties, andere zijn ingebed in grotere samenwerkingsverbanden (zie Bereik). De onderstaande grafieken bevestigen het beeld van de ‘administratieve’ versnippering van ondersteuningen over de buo-scholen.

het aantal ondersteuningen type 2 per buo-school 60 40

42 35

20 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 3 3 3 3 4 4 4 4 4 4 4 5 5 5 6 6 6 6 7 7 7 8 8 8 8 8 9 9 101010101111111213131617

2325

2628

0 1 3 5 7 9 11 13 15 17 19 21 23 25 27 29 31 33 35 37 39 41 43 45 47 49 51 53 55 57 59 61 63 65 67 69 71 73 75 77 79

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 10 ]—


het aantal ondersteuningen type 4 per buo-school 400 357

300

286

200 100

223 185 182 171 171 163 143 134 118 112 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 2 2 3 3 4 5 5 5 6 6 6 6 7 8 9 9 1112121617171719202020212122232628282929343537374444454656586468707584849196107

0 1 3 5 7 9 11 13 15 17 19 21 23 25 27 29 31 33 35 37 39 41 43 45 47 49 51 53 55 57 59 61 63 65 67 69 71 73 75 77 79 81 83

het aantal ondersteuningen type 6 per buo-school 200 150

172 133

100

113

50

62 1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

2

3

4

5

6

7

8

9

2

2

3

3

3

4

4

5

6

6

8

10

36

0 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26

het aantal ondersteuningen type 7 per buo-school 500 400

431 365 347 324

300 200 100

256 202 146 146 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 3 3 5 5 5 5 5 5 6 6 6 6 7 7 7 8 9 9 91111111212121213131314151617181819212224242424242525272829293132333435364243515252576270778099 115 118

0 1 4 7 10 13 16 19 22 25 28 31 34 37 40 43 46 49 52 55 58 61 64 67 70 73 76 79 82 85 88 91 94 97

We stellen een ongelijkmatige verdeling vast. De meerderheid van de buo-scholen ondersteunt een (zeer) beperkt aantal leerlingen, terwijl enkele grote aanbieders het gros van de ondersteuningstrajecten voor hun rekening nemen. Die vaststelling geldt voor alle types. Deze grote aanbieders zijn doorgaans buo-scholen met een GON-traditie. Daarnaast zijn er met de invoering van het ondersteuningsmodel nieuwe samenwerkingsverbanden ontstaan die op hun beurt grote aanbieders zijn.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 11 ]—


Verschillen in aanbod: types, onderwijsniveaus en werkingsgebied

het aantal kleine types waar buo-scholen ondersteuning voor bieden (N =127: uitgezonderd scholen met 1 begeleiding (N=16))

het aantal leerlingen (N=9100) dat ondersteuning krijgt voor een type dat wel of niet behoort tot het onderwijsaanbod van de buo-school

2238; 25%

31; 25% 51; 40%

6862; 75%

22; 17%

23; 18% ondersteuning voor een type buiten het eigen onderwijsaanbod

4 types

3 types

2 types

1 type

ondersteuning voor een type binnen het eigen onderwijsaanbod

Uit bovenstaande grafiek blijkt dat 40 % van de scholen een ondersteuningsaanbod heeft voor de vier kleine types. Een kwart van de scholen ondersteunt één specifiek type. De types waarvoor buo-scholen leerlingen ondersteunen, zijn doorgaans de types waar ze in hun school ook een onderwijsaanbod voor hebben. Dat is voor een kwart van de OKT niet het geval.

het aantal onderwijsniveaus waarin buo-scholen ondersteuning aanbieden (N = 127; uitgezonderd scholen met 1 begeleiding (N = 16))

39;31% 88;69%

1 onderwijsniveau

2 onderwijsniveaus

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 12 ]—


het aantal onderwijsniveaus waarin bubaoscholen ondersteuning aanbieden (N = 91; uitgezonderd scholen met 1 begeleiding (N = 11))

het aantal onderwijsniveaus waarin busoscholen ondersteuning aanbieden (N = 36; uitgezonderd scholen met 1 begeleiding (N = 5))

12; 13% 12; 33% 79; 87%

1 onderwijsniveau

24; 67%

2 onderwijsniveaus

1 onderwijsniveau

2 onderwijsniveaus

De meerderheid van de buo-scholen geeft aan leerlingen te ondersteunen binnen één onderwijsniveau, namelijk het eigen onderwijsniveau. Deze trend is sterker in het buitengewoon basisonderwijs waar 87 % van de scholen ondersteuning biedt aan leerlingen in het gewoon basisonderwijs. In het buitengewoon secundair onderwijs biedt 67 % van de scholen ondersteuning in het gewoon secundair onderwijs en 33 % van de scholen zowel in het gewoon basis- als secundair onderwijs. Of dit betekent dat ze ook in de realiteit ondersteuning bieden in een ander onderwijsniveau, kan uit deze cijfers niet opgemaakt worden. Het hangt ervan af hoe buo-scholen de opdracht van hun ondersteuners hebben doorgegeven aan de overheid. Het onderwijsniveau waar ondersteuners administratief aan verbonden zijn, is niet noodzakelijk het onderwijsniveau waar ze ondersteuning bieden.

het aantal provincies waarin buo-scholen ondersteuning aanbieden (N = 127; uitgezonderd scholen met 1 begeleiding (N = 16)) 4; 3%

4; 3%

35; 28% 84; 66%

1 provincie

2 provincies

3 provincies

4 provincies

Twee derde van de buo-scholen ondersteunt leerlingen in scholen voor gewoon onderwijs die in dezelfde provincie gevestigd zijn. Sommige buo-scholen bieden niet alleen ondersteuning in verschillende onderwijsniveaus, maar ook in verschillende provincies. Dat uitgebreid werkgebied heeft verschillende oorzaken: het beperkt aanbod voor type-specifieke ondersteuning, de keuze van de ouders, de inplanting van de buo-school in de nabijheid van een provinciegrens …

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 13 ]—


Verschillen in netoverstijgende samenwerking

het aantal netten waarin buo-scholen ondersteuning aanbieden (N = 127; uitgezonderd scholen met 1 begeleiding (N = 16))

22; 29%

37; 49%

17; 22%

1 net

2 netten

3 netten

het aantal leerlingen dat het gemeenschapsonderwijs ondersteunt in de verschillende netten

het aantal leerlingen dat het officieel gesubsidieerd onderwijs ondersteunt in de verschillende netten

151; 8% 249; 20%

186; 15%

345; 19% 794; 65%

1320; 73% GO!

officieel gesubsidieerd GO!

officieel gesubsidieerd

vrij gesubsidieerd

vrij gesubsidieerd

het aantal leerlingen dat het vrij gesubsidieerd onderwijs ondersteunt in de verschillende netten 254; 4% 576; 10%

5225; 86%

GO!

officieel gesubsidieerd

vrij gesubsidieerd

Voor de OKT legt de decreetgever de keuze bij de ouders om samen met de school voor gewoon onderwijs en in overleg met het CLB te bepalen welke buo-school de ondersteuning zal opnemen. In tegenstelling tot de ondersteuning voor de brede types waarbij scholen moeten aansluiten bij een ondersteuningsnetwerk van de eigen onderwijsverstrekker, kunnen ze voor de OKT, in overleg met de ouders en het CLB, kiezen uit alle buo-scholen die voor die types ondersteuning bieden. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 14 ]—


Zo tonen bovenstaande grafieken dat er voor de kleine types netoverstijgend wordt samengewerkt: ruim de helft van de buo-scholen biedt ondersteuning in twee of drie netten. Netoverstijgende samenwerken gebeurt het meest in het officieel gesubsidieerd onderwijs dat 35 % van de ondersteuningen realiseert in andere netten. In het gemeenschapsonderwijs is dat ruim 25 % van alle ondersteuningen en in het vrij gesubsidieerd onderwijs 14 %.

OP HET VLAK VAN ORGANISATIE Complex landschap van aanbieders In tegenstelling tot de ondersteuning voor de brede types (type BA, 3 en 9) die gecoördineerd en georganiseerd wordt door één soort aanbieder (nl. de ondersteuningsnetwerken)2, is het landschap van de aanbieders OKT (type 2, 4, 6, 7) heel wat diverser. Op basis van de websites van de buo-scholen, expertisenetwerken en ONW’s en op basis van gesprekken met de pedagogische begeleidingsdiensten (PBD) en de administratie stellen we vast dat de OKT wordt georganiseerd • • •

vanuit een buo-school, voor één of meerdere types, al dan niet in het eigen onderwijsaanbod, variërend van een groot aantal tot één ondersteuningstraject vanuit een expertisenetwerk, d.i. een samenwerkingsverband tussen een aantal buoscholen voor één of meerdere types vanuit een ONW, voor één of meerdere kleine types, in mindere of meerdere mate ingekanteld in de werking voor de ondersteuning van de brede types.

Binnen elke organisatievorm vind je verschillende varianten. Zo is in sommige ondersteuningsnetwerken de ondersteuning van de kleine types afzonderlijk dan wel geïntegreerd in de werking van het ondersteuningsnetwerk. Sommige expertisenetwerken focussen op de ondersteuning voor één klein type, terwijl andere zich op meerdere kleine types richten … De verschillen binnen een organisatievorm zijn soms groter dan de verschillen tussen de organisatievormen. Daarom worden deze groepen in dit rapport niet als aparte categorieën benaderd. Wanneer het relevant is, verwijzen we naar een ONW, een expertisenetwerk of een buo-school, maar dan als individuele organisatie en niet als representatief voor de categorie. Deze diversiteit versterkt de verscheidenheid die we reeds op basis van de analyse van de inplanting, de schaalgrootte, het aanbod en de netoverstijgende samenwerking in kaart brachten (zie Algemeen). Het is een bijzonder complex werkveld dat zich niet zo eenvoudig laat vatten.

2

Zie rapport ‘Ondersteuningsnetwerken, een terreinverkenning’, p. 61.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 15 ]—


Ondersteuningslandschap in beweging De hervorming van het geïntegreerd onderwijs (GON) naar het ondersteuningsmodel bracht een stroom van veranderingen op gang. De herstructurering van de ondersteuningsnetwerken, het herdefiniëren van de opdracht van de competentiebegeleiders, de verschuiving van type 7 taal- en spraakstoornissen van de brede naar de kleine types, de open end financiering van de kleine types … zijn enkele voorbeelden van die veranderingen. Met de invoering van het ondersteuningsmodel in 2017, de herstructurering van de ondersteuningsnetwerken in 2018 in vrije en openbare ondersteuningsnetwerken en de terugloop in netoverstijgende samenwerking (zie Samenwerking) zijn er nieuwe aanbieders OKT ontstaan. Dit blijkt zowel uit de analyse van de data die we over de ondersteuningshistoriek opvroegen bij de buo-scholen, de expertiseen ondersteuningsnetwerken, de ‘kleine’ aanbieders en het Departement Onderwijs. Aantal van handicapspecifieke expertise binnen type

Types 02

04

06

07

Eindtotaal

Enkel als ondersteuning in GON/ION

1

27

6

52

86

Enkel in onderwijsaanbod

31

3

2

1

37

Beiden

33

39

7

16

95

Nieuwe aanbieder sinds ondersteuningsmodel

13

16

12

32

73

Eindtotaal

78

85

27

101

291

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er sinds de opstart van het ondersteuningsmodel 73 nieuwe aanbieders OKT zijn. De nieuwe aanbieders vormen één vierde (25 %) van alle aanbieders OKT. Waarom deze nieuwe aanbieders OKT er zijn gekomen en hoe ze zich de vereiste expertise hebben eigen gemaakt, hebben we niet specifiek bevraagd. Om de betekenis van deze gegevens correct te interpreteren, is diepgaander onderzoek nodig naar de link tussen een historische ervaring met (handicapspecifieke) expertise en het huidig aanbod OKT. In alle gesprekken kwam de vereiste (handicapspecifieke) expertise namelijk meermaals ter sprake: als sterk punt of als groeikans.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 16 ]—


III.

DE TERREINVERKENNING

DOEL De terreinverkenning van de ondersteuning kleine types wil zoals de terreinverkenning van de ondersteuningsnetwerken een beeld schetsen van zowel het beleid als van de ondersteuningspraktijk. De onderwijsinspectie heeft een dubbel doel voor ogen: enerzijds willen we inzicht verwerven in de werking van een complex en dynamisch ondersteuningslandschap, anderzijds willen we de informatie uit de vorige terreinverkenning verfijnen in functie van een toekomstig referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning. Deze terreinverkenning heeft niet als doel om een kwaliteitsmeting te doen. Ze kan geenszins als een nulmeting worden opgevat. De verzamelde gegevens kunnen evenmin worden gebruikt om uitspraken te doen over de kwaliteit van de ondersteuning voor de kleine types. Ze zijn niet gebaseerd op een triangulatie van bronnen en ze zijn evenmin diepgaand onderzocht aan de hand van een vooraf bepaalde normstelling. De verzamelde gegevens vormen wel een beeld over hoe de aanbieders OKT functioneren. Ze bieden eveneens een antwoord op de vraag hoe passend de bouwstenen uit de bestaande referentiekaders op dit moment voor de ondersteuning zijn of door de gesprekspartners als passend worden ervaren. We maken een onderscheid tussen wel, deels en niet passend. Passend betekent hier ‘van toepassing’, ‘er gaat aandacht naar’, ‘de aanbieder van ondersteuning kleine types is ermee bezig’... Het is geen uitspraak over hoe kwaliteitsvol een bepaald aspect is. De terreinverkenning biedt bovendien kansen om de gesprekspartners kritisch te laten reflecteren over de ondersteuning voor de kleine types en om de sterktes en groeikansen die ze aangeven in kaart te brengen.

PROCEDURE EN VERLOOP Zoals we reeds aangaven zijn er voor de OKT niet alleen veel aanbieders, maar ook verschillende organisatievormen van waaruit aanbieders ondersteuning geven: individuele buo-scholen, expertisenetwerken en ondersteuningsnetwerken. In tegenstelling tot de vorige terreinverkenning van de ondersteuningsnetwerken waar we met alle ONW in gesprek gingen (N = 24), zagen we ons voor deze terreinverkenning genoodzaakt tot een selectie. Op basis van de beschikbare data wisten we immers dat er 143 buo-scholen betrokken zijn bij de OKT. Het leek ons een onmogelijke opdracht om de werking van alle aanbieders OKT in kaart te brengen. Tegelijkertijd koesterden we de ambitie om met zoveel mogelijk aanbieders in gesprek te gaan. Om aan beide verwachtingen tegemoet te komen, organiseerden we

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 17 ]—


•

•

17 werkbezoeken bij een selectie van buo-scholen (N = 5 waar we met 8 scholen in gesprek gingen), expertisenetwerken (N = 4 waar 25 buo-scholen met ondersteuning kleine types deel van uitmaken) en ondersteuningsnetwerken (N = 8 waarin 52 buo-scholen met ondersteuning kleine types participeren) gespreid over provincies en onderwijsverstrekkers. De reden waarom we opnieuw ONW’s als gesprekspartner selecteerden, is gerelateerd aan de keuze van een aantal ONW’s om zowel ondersteuning te bieden voor de brede (type BA, 3 en 9) als voor de kleine types (type 2, 4, 6 en 7). We selecteerden een aantal ONW’s die bij de vorige terreinverkenning aangaven dat ze een geïntegreerde werking hadden. We wilden die organisatievorm verkennen en gingen opnieuw op werkbezoek, maar nu vanuit het perspectief van de OKT. Bij het geheel van de werkbezoeken waren in totaal 85 buo-scholen betrokken. Ze vertegenwoordigen 59 % van de aanbieders OKT en zijn goed voor 8165 of 90 % van de ondersteuningen. 3 regionale focusgesprekken met ‘kleine’ aanbieders van ondersteuningen. Onder ‘kleine’ ondersteuners verstaan we die buo-scholen die aan minder dan 35 leerlingen ondersteuning bieden. Het gaat om 48 buo-scholen die goed zijn voor 33 % van de aanbieders kleine types.

Tijdens de werkbezoeken van één dag voerden we gesprekken met verschillende gesprekspartners die de buo-scholen en de expertise- en ondersteuningsnetwerken zelf selecteerden. Per gesprek spraken we met: leden van het beleid en de coördinatie, een 15-tal ondersteuners en een 15-tal vertegenwoordigers van scholen gewoon onderwijs. Net zoals bij de vorige terreinverkenning bezorgden we de vragen voor het beleid en de coördinatie vooraf3. Zo verliep het gesprek in een veilig klimaat en kregen de gesprekspartners de kans om zich op het gesprek voor te bereiden. Ieder gesprek kende een gelijkaardige opbouw: (1) kennismaking aan de hand van algemene vragen, (2) inhoudelijke verdieping en (3) het aanduiden door de gesprekspartners van sterktes en groeikansen. In het gesprek met het beleid peilden we ook naar suggesties voor het opstellen van het referentiekader. Voor de gesprekken met de ondersteuners, scholen gewoon onderwijs en buo-scholen werkten we naast de open dialoog met een anonieme registratiefiche die tijdens het gesprek individueel werd ingevuld. Op die manier wilden we de perceptie van de individuele gesprekspartners capteren. Waar zinvol en mogelijk vroegen we aan het beleid om relevante documenten ter beschikking te stellen zoals functieprofielen, organogrammen, visieteksten, kwaliteits- en ondersteuningsinstrumenten. Het Departement Onderwijs en het Agendschap voor onderwijsdiensten (AGODI) waren vragende partij om te participeren aan de werkbezoeken. Aan vijftien van de zeventien werkbezoeken namen leden van het Departement Onderwijs en AGODI deel als observator. Voor de regionale focusgesprekken planden we groepsgesprekken op verschillende locaties. Voor de gesprekken met deze doelgroep werkten we op dezelfde manier als voor de gesprekken met de

3

Zie bijlage 1.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 18 ]—


ondersteuners en de scholen uit de werkbezoeken: we kozen voor een open dialoog en een anonieme registratiefiche die tijdens het gesprek individueel werd ingevuld.

BEREIK Tijdens de zeventien werkbezoeken aan de buo-scholen, expertise- en ondersteuningsnetwerken spraken we in het beleidsgesprek met 152 beleidsmedewerkers of een gemiddelde van negen personen per gesprek. Ruim 48 % daarvan zijn coördinatoren, de anderen zijn buo-directeuren, directeuren van scholen voor gewoon onderwijs, leden van een beleidsorgaan of personen die sterk betrokken zijn bij het beleid. We ontmoetten 250 ondersteuners: 138 leraren en 112 ondersteuners van andere disciplines. 85 van hen zijn nieuw aangeworven en 165 waren eerder of zijn nog steeds werkzaam in het buitengewoon onderwijs. Samen bieden ze ondersteuning in 943 basisscholen en 389 secundaire scholen. We gingen in gesprek met 206 vertegenwoordigers van scholen, onder wie een derde directeuren. De andere vertegenwoordigers waren doorgaans zorgcoördinatoren of leerlingenbegeleiders. Een achttal leraren participeerden aan de gesprekken met scholen. Tijdens de regionale gesprekken ontmoetten we 23 vertegenwoordigers van de ‘kleine’ aanbieders waarvan twee derde uit het buitengewoon basisonderwijs en één derde uit het buitengewoon secundair onderwijs. Tijdens de gesprekken bleek evenwel meteen dat er grote verschillen zijn tussen de ‘kleine’ aanbieders. Sommige bieden effectief aan één of enkele leerlingen ondersteuning, andere hebben hun ondersteuning uitbesteed aan een ondersteuningsnetwerk, nog andere maken deel uit van een breder samenwerkingsverband en zijn vanuit dat breder geheel eigenlijk helemaal niet ‘klein’. Daarom presenteren we de gegevens uit de gesprekken met de ‘kleine‘ aanbieders niet afzonderlijk, maar verwerken we die in de kwalitatieve toelichting van de verschillende thema’s van de terreinverkenning.

INSTRUMENTEN, METHODIEK EN REGISTRATIE

Als voorbereiding op de werkbezoeken en de regionale focusgesprekken analyseerden we de websites van de buo-scholen, expertise- en ondersteuningsnetwerken die instaan voor de ondersteuning van de kleine types. We analyseerden eveneens data over het aantal ondersteuningstrajecten kleine types. Tot slot vroegen we bij onze gesprekspartners data op die gerelateerd zijn aan het werkingsgebied, de ondersteuningshistoriek, de netgebonden en netoverschrijdende samenwerking en aan de coördinatie- en ondersteuningsambten.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 19 ]—


Voor de terreinverkenning van de kleine types maakten we maximaal gebruik van de instrumenten, de methodiek en de registratie die we ontwikkelden voor de eerste fase van de terreinverkenning (de bezoeken aan de ondersteuningsnetwerken). Voor elk gesprek ontwikkelden we een instrument dat zowel de gespreksleidraad als de registratietool omvat. Het instrument voor het gesprek met het beleid en de coördinatie is het meest uitgebreid. Het kreeg vorm op basis van verschillende bronnen:  de rubrieken, verwachtingen, kwaliteitsbeelden en bijhorende schalen van het OK, RclbK, RiK en referentiekader NAFT  de instrumenten die het Rekenhof gebruikt voor hun onderzoek naar het M-decreet en de zorg in het gewoon onderwijs4  de onderzoeksvragen van de evaluatiecommissie ondersteuningsmodel  de analyse van de websites  de data-analyse  de regelgeving. De andere instrumenten zijn afgeleiden van het instrument voor het beleid en de coördinatie. Naar analogie met de referentiekaders OK, RclbK, RiK en referentiekader NAFT focusten we ons op volgende zeven thema’s:  het beleid en de aansturing van de aanbieders OKT  de kwaliteitsontwikkeling  de organisatie, de inhoud en de vormgeving van de ondersteuningstrajecten  het personeels- en professionaliseringsbeleid  de samenwerking met en tussen de scholen voor gewoon onderwijs, de buo-scholen, de CLB’s, de PBD’s en relevante anderen  de aanwending van de middelen  de aandacht van de aanbieders OKT voor resultaten en effecten van de ondersteuning. Voor de zeven thema’s selecteerden we in totaal 50 bouwstenen5 op basis van de bestaande referentiekaders OK, RclbK, RiK en referentiekader NAFTof op basis van de regelgeving en van de beleidsteksten voor het ondersteuningsmodel. De bouwstenen voor de eerste fase van de terreinverkenning en die van de aanbieders OKT zijn quasi identiek. Er zijn slechts vijf bouwstenen verschillend: twee voor organisatiebeleid, een voor personeels- en professionaliseringsbeleid en twee voor samenwerking. Het verschil in bouwstenen gaat terug op expliciete verwachtingen uit de regelgeving en beleidsteksten ten aanzien van de aanbieders OKT. Ze zijn weergegeven in onderstaande tabel.

4

Zie https://www.rekenhof.be/NL/

5

Zie bijlage 2.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 20 ]—


Thema

Bouwstenen ondersteuningsnet-

Bouwstenen aanbieders onder-

werken (terreinverkenning 1)

steuning kleine types (terreinverkenning 2)

organisatiebeleid

personeels- en pro-

• participatie in de besluitvorming

• participatie in de besluitvor-

van de vier cocreatie-partners • beleidsruimte voor een autonome organisatie

ming van stakeholders • expliciete plaats voor de ondersteuning kleine types binnen de (overkoepelende) organisatie

•

de inzet van de competentiebegeleiders op een onderbouwde manier

•

de ontwikkeling en versterking van de handicap- en niveauspecifieke expertise van de ondersteuners

•

de samenwerking met andere • partners binnen het werkgebied met het oog op een doeltreffende ondersteuning van alle • leerlingen en scholen de samenwerking van het ONW met andere ONW’s met het oog op expertisedeling en de continuïteit van de ondersteuning voor alle leerlingen

netoverstijgende samenwerking i.f.v. een toereikend en dekkend aanbod netoverstijgende samenwerking i.f.v. expertisedeling

fessionaliseringsbeleid samenwerking

•

De bouwstenen zijn in vraagvorm opgenomen in bijlage 1. Visueel voorgesteld selecteerden we bouwstenen uit de volgende rubrieken van het OK en het RclbK (in paars opgelicht):

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 21 ]—


De rubrieken die we niet selecteerden uit de referentiekaders RclbK en OK zijn zo specifiek voor de onderwijspraktijk in scholen en voor de leerlingenbegeleiding van CLB’s dat ze niet relevant zijn voor het ondersteuningsmodel.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 22 ]—


Daarom detecteerden we voornamelijk voor de thema’s (1) de organisatie, de inhoud en de vormgeving van de ondersteuningstrajecten en (2) de samenwerking met en tussen de scholen voor gewoon onderwijs, de buo- scholen, de CLB’s, de pedagogische begeleidingsdiensten (PBD) en relevante anderen, bouwstenen uit de beleidsteksten en de regelgeving OM6. In het gesprek met het beleid kwam de volledige set van bouwstenen aan bod. De gesprekken met de ondersteuners en de scholen gewoon onderwijs waren minder uitgebreid. Uit de 50 bouwstenen7 selecteerden we voor de ondersteuners veertien bouwstenen over de vormgeving van de ondersteuning, de samenwerking met de scholen en de manier waarop ze zelf ondersteund worden en kunnen participeren aan het beleid van de aanbieder OKT. Voor de scholen gewoon onderwijs ging het om zestien bouwstenen over de vormgeving van de ondersteuning, de samenwerking met de ondersteuners, de wijze waarop ze geïnformeerd worden over de werking van de aanbieder OKT en hun bijdrage aan de kwaliteitsontwikkeling. Tijdens het regionaal overleg met de ‘kleine’ aanbieders bespraken we 21 bouwstenen over de visie op ondersteuning en ondersteuningsbeleid, het organisatiebeleid, de vormgeving van de ondersteuning, de professionalisering, de netoverstijgende samenwerking en de materiële ondersteuning van de ondersteuners. Voor de geselecteerde bouwstenen gingen we tijdens de gesprekken na of deze al dan niet passend of van toepassing waren voor de betreffende aanbieder OKT. Met andere woorden: of de bouwsteen bij die specifieke aanbieder OKT van toepassing of relevant is. Op basis van de toelichting door de coördinatoren, de directeuren van de buo-scholen en de mensen die sterk bij het beleid betrokken zijn, maakten we na het beleidsgesprek een inschatting van het passend karakter van de 50 bouwstenen. Deze inschatting geeft de werking weer van de aanbieder OKT en vormt geen beoordeling van de kwaliteit. Tijdens de gesprekken die we met de ondersteuners en de scholen gewoon onderwijs voerden, verzamelden we informatie over de beperkte selectie uit de 50 bouwstenen en capteerden we hun individuele percepties via een anonieme registratiefiche. Naast het nagaan of een bouwsteen al dan niet passend is, verzamelden we ook relevante opmerkingen die we verwerkten per thema en per bouwsteen. Zoals blijkt uit hoofdstuk 2 verschillen de aanbieders OKT op meerdere vlakken van mekaar. Sommige aanbieders functioneren als autonome entiteiten, andere zijn ingebed in het grotere geheel van een expertise- of een ondersteuningsnetwerk. Omdat sommige aanbieders een complexe organisatievorm hebben, was het niet altijd mogelijk om alle bouwstenen aan bod te laten komen binnen het gegeven tijdsbestek. We gaven dit dan aan met de code ‘knab’ (kwam niet aan bod). Als de ondersteuners of de

6

Zie bijlage 1.

7

Zie bijlage 2.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 23 ]—


scholen aangaven dat een bouwsteen voor hen niet van toepassing was, gebruikten we de code ‘nvt’ (niet van toepassing). Hieronder geven we een globaal beeld over alle bouwstenen en gesprekspartners heen, om vervolgens per thema in te gaan op een aantal opvallende percepties van de gesprekspartners en inschattingen van de onderwijsinspectie.

RESULTATEN TERREINVERKENNING Een globaal beeld voor alle bouwstenen

Globale score beleid (N = 17) 60 50

0 11

1 8

0 2 4

0 9

40

0 3 18

10 30

14

20

0 7 13

0 9

5 3 9

0 5

0 6

9

14

29

27

21

10

30

27

0 1

0

2

12

10

11

8

33

0 1

13 20 49

45

44 29

0 1

19

44

20

0 9

1 0 4

37

36

39 27

22

19

0 1

2

3

4

5

6

7 past

8 deels

9

10 niet

11

12

13

14

15

16

17

knab

Uit de grafiek blijkt dat de onderwijsinspectie - vanuit de zeventien gesprekken met het beleid waaraan in totaal 152 beleidsmedewerkers deelnamen - een aanzienlijk deel van de 50 bouwstenen bij de aanbieders OKT (buo-scholen, de expertise- en de ondersteuningsnetwerken) als ‘passend’ heeft ingeschat. De grafiek toont ook dat er verschillen zijn tussen de aanbieders.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 24 ]—


De perceptie van de ondersteuners (N = 250) 104; 4%

De perceptie van de scholen (N = 206) 22;1%

18;1%

5;0% 284; 11%

683; 25% 1958; 71% 2148; 87%

past

past deels

past niet

nvt

past past niet

past deels nvt

Tijdens de gesprekken met de ondersteuners en de scholen voor gewoon onderwijs kwamen we, weliswaar met een beperktere set van bouwstenen, tot dezelfde vaststelling. In de perceptie van deze twee groepen gesprekspartners is het merendeel van de bevraagde bouwstenen ‘passend’, zoals blijkt uit bovenstaande figuren.

Passend karakter per thema 250 2 6

200

31 150

1 17

3

24

15

100

1

1 7

19

21

38 165

50

34

111

90

80

1 17

65

31 19

0

past

past deels

past niet

0 6

17 28

knab

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 25 ]—


Ook uit de grafiek ‘passend karakter per thema’ blijkt dat het merendeel van de bevraagde bouwstenen passend zijn. Dat de totalen per thema verschillend zijn, heeft te maken met het verschillend aantal bouwstenen per thema. Zo zijn er voor het thema middelenbeleid slechts drie bouwstenen terwijl het thema organisatie gevat is in negen bouwstenen. Niet de totale cijfers zijn relevant, maar wel de verhouding binnen het thema. Op basis van deze globale analyse kunnen we besluiten dat de 50 bouwstenen van toepassing zijn voor de aanbieders OKT. Ook waar de bouwstenen worden ervaren als deels of (nog) niet passend voor een bepaalde aanbieder OKT, zouden ze inspirerend kunnen zijn voor de ontwikkeling van een referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning.

Een diepgaander beeld per thema Per thema brengen we een gedetailleerd kwantitatief beeld samen met een toelichting over de opmerkingen die we tijdens de verschillende gesprekken noteerden. Deze opmerkingen geven aanvullende informatie over de werking van de aanbieders OKT en kunnen als basis dienen om de bouwstenen te verfijnen en bij te stellen of om nieuwe toe te voegen. Waar relevant geven we aan wie de aanvullende opmerkingen maakte (het beleid, de ondersteuners of de scholen gewoon onderwijs).

Organisatie Bouwstenen Uit de referentiekaders OK en RclbK en de regelgeving selecteerden we negen bouwstenen voor een kwaliteitsvol organisatiebeleid: 1. expliciete plaats van het ondersteuningsaanbod voor de kleine types binnen de (overkoepelende) organisatie 2. coördinatoren aangesteld met een transparante opdracht 3. overlegstructuren voor het realiseren van een coherent beleid 4. ondersteuningsteams samengesteld op basis van de noden van ondersteuning, deskundigheid en multidisciplinariteit 5. gestructureerd overleg en/of doeltreffende communicatiekanalen tussen coördinatoren en ondersteuners 6. ruimte voor overleg, intervisie en expertisedeling tussen de ondersteuners 7. participatie in de besluitvorming van ondersteuners 8. participatie in de besluitvorming van stakeholders 9. externe communicatie over de werking. Zoals hierboven aangegeven gingen we tijdens het gesprek het passend karakter na van de negen bouwstenen bij het beleid (coördinatoren, directies buo-scholen en leden van het beleidsorgaan).

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 26 ]—


Bij de ondersteuners peilden we naar hun perceptie van de mogelijkheden voor intern overleg en betrokkenheid bij de besluitvorming. Bij de scholen gewoon onderwijs vroegen we naar de wijze waarop ze geïnformeerd zijn over de werking van de aanbieder OKT. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners en de scholen voor gewoon onderwijs leveren volgend beeld op:

Beleid (N = 17) expliciete plaats OKT in organisatie

13

3

10

coördinatoren met transparante opdracht

15

2 0

overlegstructuren voor coherent beleid

15

2 0

multidisciplinaire teams

15

overleg en communicatiekanalen

2 0 17

intervisie en expertisedeling

0

17

interne participatie

7

participatie stakeholders

0

4

3

6

5

communicatie externe partners

9 0

past

5 past deels

8

1

6

2 0

10

past niet

0

15

20

knab

Ondersteuners (N = 250) overleg en interne participatie

175 0

50 past

71

100

past deels

150

past niet

4 0

200

250

300

nvt

Scholen (N = 206) communicatie externe partners

166 0

50 past

34 100

past deels

150

3 200

250

past niet

Expliciete plaats van OKT binnen de organisatie De mate van regionale (historische) samenwerking tussen de buo-scholen bepaalt in grote mate hoe het ondersteuningslandschap er in een bepaalde regio uitziet. Bepaalde regio’s met een intense

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 27 ]—


samenwerking hebben ervoor gekozen om de ondersteuning gezamenlijk te organiseren vanuit een ONW dat zowel de kleine als de brede types aanbiedt. Ze vormen een breed netwerk waarbij de werking voor de kleine types gelijkaardig is aan de werking voor de brede types. In verschillende regio’s of netten is de integratie van de kleine types in het ONW telkens weer anders. Soms beperkt de samenwerking zich tot een gezamenlijk aanmeldpunt of zorgloket. Omwille van een historische GON-werking of vanuit een eigen visie kiezen sommige buo-scholen ervoor om de ondersteuning zelf in handen te houden en een eigen ondersteuningsteam te organiseren. De ondersteuners functioneren dan onder het beleid van de school en de buo-directeur. Sommige buo-scholen die ondersteuning aanbieden voor eenzelfde klein type of meerdere kleine types werken samen in een expertisenetwerk. Zo’n expertisenetwerk kan de vorm aannemen van een ondersteuningsteam dat wordt aangestuurd door een eigen beleidsteam dat bestaat uit de buo-directeurs van de betreffende scholen. Deze organisatiestructuur voor ondersteuning voor één of enkele types vertoont (veel) gelijkenissen met een ONW. Anderzijds kan het bij een expertisenetwerk ook gaan om aparte ondersteuningsteams per buo-school die samenwerken om expertise uit te wisselen en gezamenlijk professionaliseringsinitiatieven te organiseren. Bij nagenoeg alle organisatievormen krijgt het ondersteuningsaanbod voor de kleine types een expliciete plaats binnen de (overkoepelende) organisatie. In buo-scholen die één of enkele ondersteuningen opnemen is dit soms minder het geval. Enkele kleine aanbieders OKT geven aan dat ze door de kleinschaligheid minder eigen beleidsruimte hebben om de organisatie van de ondersteuning uit te bouwen. Coördinatie Bij de verschillende organisatievormen met grotere ondersteuningsteams zijn er doorgaans coördinatoren aangesteld die de ondersteuners aansturen en mee het beleid bepalen. De taakinvulling van een coördinator is doorgaans transparant. Omdat de overheid momenteel geen middelen toekent voor coordinatie zoeken de aanbieders OKT zelf naar oplossingen om de coördinatie te financieren. In de buoscholen die een beperkt aantal ondersteuningen opnemen is er geen aparte coördinator en valt de ondersteuner onder het beleid van de buo-school. Teams De aanbieders OKT werken vaak met regionale deelteams die multidisciplinair zijn samengesteld of met type-specifieke subteams aangestuurd door een eigen type-coach. Soms zijn er deelteams per onderwijsniveau of wordt er een opsplitsing gemaakt tussen een team brede en een team kleine types. De aanbieders OKT voorzien in overleg om een gezamenlijk coherent organisatiebeleid te voeren over de verschillende deelteams heen. Volgens de coördinatoren en de ondersteuners communiceren ze onderling doorgaans open en vlot . Meestal vindt er een wekelijks overleg plaats tussen coördinatoren en ondersteuners. Dat overleg bestaat uit een combinatie van inhoudelijk overleg, praktische afspraken, professionalisering en intervisie. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 28 ]—


Participatie in de besluitvorming Het dagelijks bestuur is doorgaans in handen van de coördinatoren in samenwerking met de directies van de buo-scholen. De mate van betrokkenheid van de buo-directies is wisselend. Volgens de meeste aanbieders OKT vormt interne participatie nog een werkpunt. De besluitvorming verloopt op verschillende manieren. Sommigen vermelden dat de mededelingen van bovenaf komen of spreken over ‘geinformeerde’ beslissingen, anderen hebben ruime aandacht voor effectieve participatie van de ondersteuners en een gedeelde besluitvorming. Bij enkele grotere aanbieders wordt er gewerkt met zelfsturende teams. Participatie van stakeholders De aanbieders OKT beschikken in mindere mate over structuren waarin stakeholders participeren in de besluitvorming. Sommigen organiseren wel overlegplatforms met bepaalde partners of maken deel uit van ruimere samenwerkingsverbanden (CLB, buo-scholen, PBD, ouderkoepel ...) die mede fungeren als klankbord voor de werking van het ondersteuningsteam. Communicatie met externe partners Ook de bouwsteen ‘communicatie met externe partners’ scoort minder ‘passend’ dan bij de ONW’s. De aanbieders OKT gebruiken met wisselend succes communicatiekanalen zoals een website, nieuwsbrieven, infosessies … om externe partners te informeren. De meerderheid van de ontvangende scholen geeft wel aan transparant geïnformeerd te worden over de werking van de aanbieder OKT. Meestal nemen de ondersteuners deze rol op.

Visie en strategisch beleid Bouwstenen We selecteerden acht bouwstenen die we in het gesprek met de leden van het beleid en de coördinatoren bespraken: 1. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

een eigen en richtinggevende visie tot stand gekomen in samenspraak met interne en externe partners vertaald in een strategisch plan om de visie te realiseren transparante afspraken en maatregelen met het oog op gelijkgerichtheid de ondersteuning van de ondersteuners de aandacht voor leerlinggerichte, leraargerichte en schoolgerichte ondersteuning het opvolgen van de ondersteuners het registreren van relevante gegevens.

In het gesprek met de ondersteuners focusten we op transparante afspraken over gelijkgerichtheid en ondersteunend materiaal.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 29 ]—


De scholen vroegen we om in te schatten hoe gelijkgericht de ondersteuners werken. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners en de scholen voor gewoon onderwijs leveren volgend beeld op:

Beleid (N = 17 ) eigen richtinggevende visie samenspraak met interne en externe partners plan voor realisatie visie transparante afspraken voor gelijkgerichtheid ondersteuning van de ondersteuners aandacht voor leerling-, leraar- en schoolteamgerichte… opvolgen ondersteuners registratie relevante gegevens

10 5

6

7

4 14 13 10 12 9

0 past

5

5

2

past deels

4

6 6

past niet

8

10

12

2 0 1 5 1 2 10 4 0 7 0 5 0 1 1 14

16

18

knab

Ondersteuners (N = 250) transparante afspraken voor gelijkgerichtheid en…

140 0

past

50 past deels

98 100

past niet

150

120

200

250

300

nvt

Scholen (N = 206) gelijkgerichtheid bij ondersteuners

164 0

50 past

past deels

33 100 past niet

150

27 200

250

nvt

Visie Een ruime helft van de aanbieders OKT heeft een visie op wat kwaliteitsvolle ondersteuning inhoudt en hoe ze de ondersteuning wil vormgeven. Sommigen verwijzen naar de visietekst van het ONW van hun regio die ze nog willen afstemmen op de eigen werking. Anderen toetsen hun visie momenteel af aan het OK en wachten op het nieuwe referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning. Sommigen geven aan (nog) niet te zijn gestart met visieontwikkeling. Het concept van ondersteuning - met name streven naar flexibele multidisciplinair onderbouwde ondersteuning op maat van leerlingen, leraren en scholen met effect tot op de klasvloer - vormt voor de meesten het vertrekpunt voor verdere verfijning. De aanbieders OKT benadrukken daarbij Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 30 ]—


ook de inclusiegedachte en het streven naar volwaardige participatie van leerlingen. De aanbieders OKT betrekken externe partners minder bij hun visieontwikkeling. De aanbieders OKT die een strategisch plan hebben uitgewerkt voor de realisatie van hun visie, vormen nog een minderheid. De meesten hebben wel die intentie en zien dit nog als een groeikans. Ondersteuningsbeleid Uit de beleidsgesprekken blijkt dat de meerderheid van de aanbieders OKT transparante afspraken maakt met het oog op gelijkgerichte ondersteuning en beschikt over de nodige systemen en structuren om die afspraken te realiseren. Velen hebben de afspraken en documenten gebundeld in een startmap die ze gebruiken bij de aanvangsbegeleiding. De scholen beamen dat de ondersteuners dezelfde ondersteunende documenten gebruiken en vanuit dezelfde principes werken. Toch merken ze nog verschillen op tussen de ondersteuners qua aanpak, ervaring, expertise en coachende vaardigheden. De aanbieders OKT zetten hierop in via verschillende professionaliseringsinitiatieven (zie Professionalisering). De ondersteuners volgen de afspraken, maar vinden de materiële ondersteuning doorgaans te beperkt (zie Middelenbeleid). Ze waarderen wel de mogelijkheid om hulpmiddelen te ontlenen bij de buo-school of bij een multifunctioneel centrum (MFC). De aanbieders OKT vinden de aandacht voor de drie niveaus van ondersteuning (leerling, leraar en school) belangrijk. Ze geven evenwel aan dat de operationalisering van de leraar- en schoolteamgerichte ondersteuning divers is. De meeste aanbieders OKT leveren inspanningen om de ondersteuners op te volgen en te ondersteunen. De coördinatoren maken tijd om aanwezig te zijn op de werkvloer en zijn aanspreekbaar bij problemen. Ze voorzien in veelvuldig overleg en afstemming, collegiale consultatie, intervisie, functioneringsgesprekken … (zie Personeelsbeleid). De aanbieders OKT zien het als een uitdaging om een gebruiksvriendelijk, multifunctioneel en onderbouwd registratiesysteem te ontwikkelen. Ze hanteren momenteel diverse instrumenten om scholen aan te melden, om dienstverplaatsingen te registreren, om de doelen en de belangrijkste stappen in de ondersteuning en praktische gegevens over de trajecten te registreren … Enkele aanbieders OKT hanteren een overkoepelend registratiesysteem dat de functies van alle aparte instrumenten integreert en kan worden gebruikt voor data-analyse. De aanbieders OKT ervaren de nood aan monitoring van gegevens met het oog op hun kwaliteitsontwikkeling (zie Kwaliteitsontwikkeling).

Vormgeving van de ondersteuning Bouwstenen Voor het gesprek met het beleid over de vormgeving van de ondersteuning selecteerden we de volgende twaalf bouwstenen: 1. een transparante aanmeldingsprocedure voor de scholen

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 31 ]—


2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.

onderbouwde criteria om een ondersteuningsvraag te weigeren opstart van de ondersteuning binnen een redelijke termijn een accurate beeldvorming van de leerling en de school onderbouwde criteria om de intensiteit en de duur van de ondersteuning te bepalen gebruik van de gemotiveerde verslagen van het CLB inzet van de ondersteuners volgens deskundigheid afstemming met ouders, leerlingen en school over de vorm en de inhoud van de ondersteuning geregelde evaluatie en bijsturing aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij leerlingen aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij leraren en lerarenteams hanteren van de principes van handelingsgericht werken.

Met de ondersteuners gingen we in gesprek over de criteria voor toewijzing van de ondersteuningstrajecten, over de beeldvorming en de rol van de gemotiveerde verslagen daarbij, over de criteria voor de vormgeving van de ondersteuning, over de afstemming met alle betrokkenen en over de evaluatie en bijsturing van de trajecten met aandacht voor de resultaten. Bij de scholen voor gewoon onderwijs peilden we naar hun mening over de aanmeldingsprocedure, de opstart binnen een redelijke termijn, de accurate beeldvorming, de afstemming met alle betrokkenen, de inzet van de ondersteuners volgens deskundigheid, de evaluatie en bijsturing met aandacht voor de resultaten en het handelingsgericht werken. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners en de scholen voor gewoon onderwijs leveren volgend beeld op:

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 32 ]—


Beleid (N = 17) transparante aanmeldingsprocedure

15

criteria voor weigering

2

14

planmatige start binnen redelijke termijn

10

2

16

accurate beeldvorming

010

17

afstemming alle betrokkenen

0

14

criteria voor vormgeving

9

5

gebruik gemotiveerde verslagen

3

0

3

0

16

10

inzet ondersteuners volgens deskundigheid

15

2

handelingsgericht werken

15

2

evaluatie en bijsturing

16

aandacht resultaten leerlingen

3

4 0

2

past

11 4

past deels

6

8

past niet

0 0 10

14

aandacht resultaten leraren

0

10

0 2

12

14

16

0 18

knab

Ondersteuners (N = 250) criteria toewijzing ondersteuning

217

beeldvorming en gebruik gemotiveerde verslagen

247

afstemming alle betrokkenen

21

230

criteria voor vormgeving

20 0

168

74

evaluatie en bijsturing met aandacht resultaten

231 0

past

32 0

50

past deels

100 past niet

18 01 150

200

250

300

nvt

Scholen (N = 206) transparante aanmeldingsprocedure + weigering planmatige start binnen redelijke termijn accurate beeldvorming vormgeving met alle betrokkenen en gemotiveerde‌ inzet ondersteuners volgens deskundigheid handelingsgericht werken evaluatie en bijsturing aandacht resultaten leerlingen en leraren 0 past

past deels

171 193 187 190 168 191 194 170 50 past niet

100

32 12 103 19 0 16 0 33 3 15 0 111 34 2 150

200

250

nvt

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 33 ]—


Aanmelding Uit de gesprekken blijkt dat de aanmeldingsprocedure die de aanbieders OKT hanteren verschillend is: van een mail of telefoon naar een contactpersoon bij het ondersteuningsteam of de directeur van de buo-school tot een digitaal platform of zorgloket. Met het oog op een transparante en eenduidige aanmeldingsprocedure voor de scholen maakt een aantal aanbieders OKT gebruik van één aanmeldpunt voor zowel de brede als de kleine types. De ontvangen aanmeldingen worden dan doorgegeven aan de betreffende ondersteuningsteams. Bij de start van dit schooljaar vormde de registratie in Discimus voor heel wat scholen een struikelblok. Ondersteuners hebben hen daarin wegwijs gemaakt. De huidige regelgeving voorziet dat de ouders samen met de school en het CLB beslissen wie de ondersteuning biedt. Alle aanbieders OKT respecteren dit, maar doorgaans verkiezen de scholen bestaande samenwerkingsverbanden. Tot slot formuleren sommige aanbieders OKT een kritische bedenking: de aanmelding moet type-specifiek gebeuren, maar een leerling heeft soms meerdere noden dan de specifieke noden eigen aan één type (bv. een leerling met DCD (type 4) en ASS (type 9)). Sommigen zien ook een contradictie tussen de aanmelding op naam van een leerling en de bedoeling van het ondersteuningsmodel om meer in te zetten op leraar- en schoolteamgerichte ondersteuning. Weigering Zoals wettelijk voorzien vormt het (gemotiveerd) verslag ((G)V) van het CLB voor de aanbieders OKT de voorwaarde voor ondersteuning. Een aanvraag voor een ander type dan het eigen ondersteuningsaanbod wordt normaliter doorverwezen, maar er zijn net zo goed gesprekspartners die signaleren dat sommige aanbieders OKT ondanks het gebrek aan de vereiste expertise niet doorverwijzen omwille van de gunstige financiering. De scholen geven aan dat het HGD-traject met het CLB en de opmaak van het (G)V voorafgaand aan de aanmelding vaak voor vertraging zorgen. De teldata die voor de kleine types worden gehanteerd, verhogen de druk om de deadline te halen. Volgens de scholen is de samenwerking met het CLB wisselend per medewerker of per CLB. Opstart De meeste aanbieders OKT starten de ondersteuning binnen een redelijke termijn op. Aanmelden kan gedurende het hele schooljaar, maar enkele aanbieders starten nieuwe ondersteuningen pas op wanneer op basis van de teldatum van 1 oktober of 1 februari de leerlingen effectief bijkomende middelen genereren. Andere aanbieders OKT gaan daar flexibeler mee om. In de periode tussen de tellingen bespreken ze in team wie al een start kan maken. Beeldvorming Na de aanmelding volgt een fase van vraagverheldering om de hulpvraag te concretiseren. Net als bij de ONW’s besteden alle aanbieders OKT aandacht aan een accurate beeldvorming. De meesten geven daarbij aan dat ze zowel aandacht hebben voor de opvoedings- en onderwijsbehoeften Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 34 ]—


van de leerling als voor de ondersteuningsbehoeften van de leraar en het schoolteam. Welke acties er nodig zijn voor een brede beeldvorming is afhankelijk van de casus en in bepaalde gevallen loopt de beeldvorming verder tijdens de ondersteuning. Het (G)V van het CLB en het aanmeldingsformulier vormen doorgaans het uitgangspunt. De ondersteuners geven evenwel aan dat de kwaliteit van de (G)V sterk verschilt. De (G)V zijn ook minder bruikbaar als ze niet recent zijn. Vaak is het (G)V vooral leerlinggericht en geeft het weinig de noden van de leraar aan. De beschrijving van de noden van de leerling maakt niet meteen duidelijk hoe de ondersteuner met dat gegeven in die bepaalde context aan de slag kan. Volgens meerdere gesprekspartners is het een meerwaarde en levert het tijdswinst wanneer de ondersteuner al voor de opmaak van het (G)V wordt betrokken om vanuit de expertisebril naar de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften te kijken, vooral als de school of het CLB dit niet scherp krijgen. De beeldvorming wordt verder aangevuld vanuit verschillende bronnen zoals observaties en gesprekken met de zorgcoördinator/leerlingenbegeleider, CLB, leraren, leerlingen, ouders en externe hulpverleners. Doorgaans hebben de ondersteuners ook toegang tot het leerlingendossier van de leerlingen die ze begeleiden. Bij enkele aanbieders OKT vormt de medische diagnose het uitgangspunt, anderen leggen meer de nadruk op de analyse van wat de leerling nodig heeft om verder onderwijs te kunnen volgen. Afstemming De meeste ondersteuners brengen de informatie samen in een startgesprek met alle betrokkenen waarbij de hulpvraag wordt verhelderd en geconcretiseerd met het oog op het vooropstellen van SMARTgeformuleerde doelen op leerling-, leraar- en schoolteamniveau. Ze ervaren het als een uitdaging om de hulpvraag van de school te verfijnen tot enkele afgebakende heldere doelen. Dit startgesprek heeft ook de bedoeling om de ondersteuning af te stemmen met de betrokken leerling, ouders, leraren, zorgcoördinator/leerlingenbegeleider en CLB. De betrokkenheid van ouders en CLB hierbij is evenwel wisselend. In het verlengde van de vroegere GON-werking nemen sommige ondersteuners zelf de communicatie met de ouders in handen. Anderen laten de regie aan de school en bepalen in onderling overleg hoe er met de ouders wordt gecommuniceerd. Criteria vormgeving Vanuit de beeldvorming stelt de ondersteuner een ondersteuningsplan op dat tegemoetkomt aan de hulpvraag van de school en de specifieke onderwijsbehoeften van de leerling. Daarin wordt aangegeven wie wat doet om de participatie van de leerling te faciliteren en welke ondersteuning en aanpassingen nodig zijn om barrières weg te werken. Soms vormt het ondersteuningsplan een gedeeld werkinstrument dat afgestemd is op de taken die leraren, zorgcoördinatoren en andere hulpverleners opnemen. Toch geven de aanbieders OKT aan dat de mate waarin het zorgbeleid van de scholen voor gewoon onderwijs is uitgebouwd in fase 0 en 1 van het zorgcontinuüm sterk verschillend is, ook per onderwijsniveau. Met een betere basiszorg en verhoogde zorg en de bereidheid om inclusie een kans te geven, kunnen de ondersteuners hun energie en expertise efficiënter aanwenden en meer rendement halen. Sommige aanbieders OKT werken samen met de PBD in functie van de schoolondersteuning in fase 0 en 1 (zie Samenwerking). Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 35 ]—


Op basis van de noden bepaalt de aanbieder OKT de inhoud, de vorm, de intensiteit en de duur van de ondersteuning. Volgens ongeveer een derde van de ondersteuners en de helft van de beleidsmedewerkers zijn de criteria hiervoor in mindere mate transparant. De gesprekspartners hebben vragen bij de flexibiliteit die ze kunnen hanteren. Hun ambitie is om ondersteuning te bieden op maat, flexibel, individueel of in klasverband, leerling-, leraar- , schoolteam- en/of oudergericht. Toch blijven sommige scholen en ouders een ondersteuningsintensiteit verwachten die overeenstemt met het aantal uren die de leerling genereert. Enkele aanbieders OKT houden zich hier strikt aan. De meeste aanbieders OKT vinden het daarentegen efficiënter om flexibel te bepalen hoe en op welke momenten er ondersteuning nodig is. Bij een nieuwe aanpassing, de introductie van een nieuw hulpmiddel, de start van een stage … is een periode van intensievere ondersteuning dikwijls aangewezen. Eenmaal dit goed loopt, kan de intensiteit opnieuw verminderen. De mogelijkheid om de ondersteuning flexibeler aan te wenden in vergelijking met de vroegere GON-werking ervaren de gesprekspartners als een grote meerwaarde. De regelgeving laat een zekere flexibiliteit toe, maar voor de kleine types kunnen de middelen niet even flexibel worden ingezet als voor de brede types. Het rugzakprincipe bepaalt dat de aanwending van de ondersteuning in eerste instantie voorbehouden is voor de leerling en de school voor gewoon onderwijs waar hij is ingeschreven. Het is pas in tweede instantie dat de ondersteuning binnen de school voor gewoon onderwijs flexibel kan worden ingezet. De flexibele aanwending kan niet inhouden dat men middelen van kleine types aanwendt voor ondersteuning van de brede types (binnen de ONW). Toewijzing De aanbieders OKT houden voor de inzet van de ondersteuners rekening met meerdere criteria: expertise, continuering, afstanden, ruimte in het werkrooster … Soms is de werkverdeling in handen van de directeur of de coördinator, soms wordt in team besproken wie de meest geschikte ondersteuner is. Daarbij wordt er niet alleen gekeken naar het type ondersteuning, maar ook naar de expertise van de ondersteuner. Sommige aanbieders OKT ervaren een spanningsveld tussen het inzetten van specifieke expertise en het werken met een ankerfiguur per school met brede inzetbaarheid. De meeste scholen zijn vragende partij voor een vaste ondersteuner zodat de continuïteit van de ondersteuning gewaarborgd is. Een vaste ankerfiguur kent de zorgcultuur op de school, kan verbinding maken met de teamleden, bouwt vertrouwen op en heeft na verloop van tijd een grotere impact op de versterking van het zorgbeleid en de zorgwerking van de school. Ook de aanbieders die één type ondersteunen, hebben doorgaans aandacht voor continuïteit door na te gaan welke ondersteuner reeds in de school aanwezig is of in het verleden ondersteuning heeft geboden. Anderzijds verwachten de scholen ook specifieke expertise die de eigen zorgmedewerkers niet bezitten zodat de ondersteuning een meerwaarde vormt. Nagenoeg alle ondersteuningsteams besteden ruime aandacht aan expertiseontwikkeling (zie Professionalisering). Ze geven bovendien aan dat de ondersteuner er niet alleen voor staat en zelf niet alles hoeft te weten. De ondersteuner maakt doorgaans deel uit van een multidisciplinair team en kan dus een beroep doen op een brede waaier aan expertise. Ze hanteren ook het subsidiariteitsbeginsel: bij een complexere problematiek of bij aandoeningen met een lage prevalentie verwijzen ze door naar (het beperkt aantal) ondersteuners met de gespecialiseerde kennis en ervaring. Sommige aanbieders OKT voorzien in tandemondersteuning waarbij Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 36 ]—


de ankerondersteuner tijdelijk wordt aangevuld door een tweede ondersteuner met een andere specifieke expertise. De gesprekspartners geven aan dat naast de handicapspecifieke expertise ook onderwijskundige expertise belangrijk is. De ondersteuners moeten zicht hebben op de dagelijkse onderwijspraktijk en op het klasmanagement. Ze hebben ook kennis nodig over het curriculum met het oog op alternatieve doelen en evaluatievormen. Daarnaast moeten ze kunnen aangeven wat specifieke aanpassingen betekenen voor de lesvoorbereiding, het lesverloop, de werkvormen, de structuur van het klasgebeuren … Bovendien hebben ze ook expertise nodig om zowel met de leerling, de leraar als het team aan de slag gaan. Hiervoor dienen ze te beschikken over heel wat coachings- en communicatievaardigheden. Handelingsgericht werken Nagenoeg alle aanbieders OKT geven aan dat ze de principes van handelingsgericht werken hanteren. Die principes maken deel uit van hun visie op ondersteuning en zijn geconcretiseerd in richtlijnen en ondersteunende documenten. De scholen voor gewoon onderwijs bevestigen dit en waarderen de oplossingsgerichte, planmatige en transparante aanpak. Evaluatie De aanbieders OKT besteden systematisch aandacht aan de evaluatie en de bijsturing van de ondersteuningstrajecten. De meesten plannen minimaal een formele evaluatie in het midden en op het einde van het schooljaar. Indien nodig kan ook tussendoor worden bijgestuurd. De evaluatie gebeurt op basis van de vooropgestelde doelen uit het ondersteuningsplan. Indien ze SMART geformuleerd zijn, kunnen ze makkelijker worden geëvalueerd en bijgestuurd. Als een bepaald doel is gehaald, wordt verder gewerkt aan volgende doelen. Soms kan de intensiteit van een traject worden verminderd of wordt het tijdelijk ‘on hold’ gezet. Toch blijkt het vaak moeilijk om een ondersteuningstraject af te ronden. Zo implementeert de ondersteuner bepaalde maatregelen, maar blijft de leraar ‘helpende handen’ vragen om ze toe te passen. Daarbij stuit de ondersteuner geregeld op de beperkte zorg op de klasvloer. De gesprekspartners geven aan dat er zeker bij een individueel aangepast curriculum (IAC) continue ondersteuning nodig is. Daarnaast kunnen er in de loopbaan van een leerling op scharniermomenten nieuwe fasen komen waarop de ondersteuning weer (meer) nodig is in functie van het wegwerken van barrières in een gewijzigde context of omwille van een gewijzigde medische conditie. Om een traject ‘on hold’ te zetten vinden sommige gesprekspartners het een voordeel dat hetzelfde ondersteuningsteam de school voor meerdere types ondersteunt zodat de ondersteuning indien nodig snel kan herstarten. Bij de evaluatie hebben de aanbieders OKT in de eerste plaats aandacht voor de resultaten en effecten van ‘de ondersteuning van de leerlingen’. De scholen bevestigen de aandacht voor de vorderingen van de leerlingen en geven aan dat deze leerlingen betere resultaten boeken dankzij de ondersteuning. Deze ‘ondersteuning van de leerling’ kan breed opgevat zijn en ook resultaten en effecten op leraarniveau bevatten. Er is bij ondersteuners echter schroom en terughoudendheid om de doelen voor de leraar of het schoolteam transparant te formuleren en openlijk te evalueren. Ze willen niet als controleurs van de leraar ervaren worden. Ze hanteren de strategie om indirect, via hulpmiddelen en noodzakelijke aanpassingen, de leraar te bereiken en zijn handelen Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 37 ]—


te versterken. Wanneer de ondersteuner mee op de klasvloer staat, worden inzichten al doende overgebracht. De ondersteuner merkt dan na verloop van tijd dat de leraar minder ondersteuning vraagt omdat hij de leerling vanuit een ander perspectief benadert en handelingsbekwamer is geworden. De gesprekspartners OKT geven aan dat er soms te veel focus ligt op leerlinggerichte ondersteuning. Een aantal scholen vindt dat sommige ondersteuners wel handicapspecifieke expertise bezitten maar nog niet zo sterk zijn in het coachen van leraren en het schoolteam en nog kunnen groeien in deze rol. Meerdere ondersteuners wijzen erop dat niet alle leraren openstaan om ondersteuning te aanvaarden en zich te laten coachen. De gesprekspartners merken hierbij evenwel op dat de openheid van de leraren voor ondersteuning bij een fysieke of motorische beperking groter is dan voor minder zichtbare problematieken zoals concentratie, werkhouding, gedrag … Niettemin hebben sommige aanbieders OKT er vanuit hun visie uitdrukkelijk aandacht voor om de doelen op leraar- en schoolteamniveau expliciet te evalueren. Ze reflecteren over de leervraag van de leraar waarbij de leraar aangeeft waarin hij sterker is geworden. Ook de mate waarin het schoolteam mee op sleeptouw werd genomen voor het realiseren van meer inclusie, komt aan bod. Heel wat scholen vermelden een positief effect op hun onderwijskwaliteit en zorgbeleid door maatregelen die voor een individuele leerling worden ingevoerd toe te passen in de hele school. Ze wijzen op het belang van de opbouw van een duurzame relatie tussen ondersteuner en school om op leraar- en schoolteamniveau een grotere impact te realiseren.

Samenwerking Bouwstenen Voor het luik samenwerking selecteerden we de volgende bouwstenen: 1. 2. 3. 4.

de aanwezigheid van een aanspreekpunt voor ouders/leerlingen de wijze waarop ouders/leerlingen geïnformeerd worden de samenwerking met schoolinterne leerlingenbegeleiders/zorgcoördinatoren de samenwerking met het CLB met het oog op een doeltreffende ondersteuning van de leerlingen en van de scholen 5. de samenwerking met de PBD met het oog op een doeltreffende schoolondersteuning 6. netoverstijgende samenwerking met het oog op een toereikend en dekkend aanbod 7. netoverstijgende samenwerking met het oog op expertisedeling. In het gesprek met de coördinatoren en beleidsmedewerkers gingen we na op welke manier ze met wie samenwerken en of deze bouwstenen passend zijn voor hun werking. Bij de ondersteuners peilden we naar hun samenwerking met de scholen en bij de scholen naar de samenwerking met de ondersteuners. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie na de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners en de scholen voor gewoon onderwijs leveren volgend beeld op:

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 38 ]—


Beleid (N = 17) aanspreekpunt voor ouders en leerlingen

14

info voor ouders en leerlingen

13

samenwerking met de school 6

samenwerking met de PBD

6

netoverstijgende samenwerking i.f.v. een dekkend… netoverstijgende samenwerking i.f.v. expertisedeling 0 past deels

10

3

7

4 2

1 1

10 7

4

0 10

9

3

0

4 16

samenwerking met het CLB

past

3

0

10 6

past niet

8

10

12

0 14

16

18

knab

Ondersteuners (N = 250) samenwerking met scholen

204 0

50

46

100

past

past deels

150 past niet

200

0 250

300

nvt

Scholen (N = 206) samenwerking met ondersteuners

199 0

50 past

past deels

70 0

100 past niet

150

200

250

nvt

Bovenstaande cijfergegevens laten zien dat de aanbieders OKT sterk inzetten op de samenwerking met de scholen gewoon onderwijs en met de ouders en leerlingen. Met de andere partners is de samenwerking minder sterk of wisselend. Samenwerking met ouders en leerlingen Heel wat aanbieders OKT werken met een ankerfiguur per school die ook de contactpersoon is voor de ouders en leerlingen. Ze gebruiken verschillende communicatiekanalen om scholen, ouders en leerlingen te informeren: website, folder, infodag, nieuwsbrief, mail … Tijdens een ondersteuningstraject worden ouders soms op de hoogte gehouden via mail, sms of een heen- en weerschriftje. De aanbieders OKT benadrukken het belang van de samenwerking met de ouders. De communicatie met de ouders gebeurt rechtstreeks door de ondersteuner of via de school.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 39 ]—


Samenwerking met scholen Zowel beleidsmedewerkers als ondersteuners hechten veel belang aan een nauwe samenwerking met de scholen gewoon onderwijs. De ondersteuners en de scholen geven aan dat er in de praktijk doorgaans een constructieve samenwerking is met de schoolinterne leerlingenbegeleiders en zorgcoördinatoren. Dit vraagt voldoende overlegtijd. Voor elk ondersteuningstraject zijn er doorgaans drie vaste overlegmomenten: bij de start, in het midden en op het einde van het schooljaar (zie Vormgeving van de ondersteuning). De ondersteuners en de scholen benadrukken dat er daarnaast vaak informeel en tussentijds overleg is met de leraren en de zorgcoördinatoren/leerlingenbegeleiders. De scholen waarderen hierbij de flexibiliteit van de ondersteuners. Ze vinden het belangrijk dat dit overleg niet ten koste gaat van de ondersteuning in de klas. Sommige scholen merken op dat de nodige middelen en tijd ontbreken om structureel overleg te organiseren. Ze wijzen ook op het belang van de coachingsvaardigheden van de ondersteuner in functie van een goede samenwerking met de leraren en het team. De ondersteuners geven anderzijds aan dat de mate waarin de school de regierol opneemt over het zorgtraject, wisselend is. De samenwerking is mede afhankelijk van de rol die de zorgcoördinator of leerlingenbegeleider opneemt en van het zorgbeleid van de school. Ondersteuners beklemtonen de nood aan een gedeelde visie, duidelijk geformuleerde taken en verwachtingen en het engagement van scholen om de ondersteuning van de leerling, leraren en de school kwaliteitsvol te kunnen realiseren. Samenwerking met CLB De samenwerking en afstemming tussen de aanbieders OKT en de CLB’s om de leerlingen en de scholen kwaliteitsvol te ondersteunen, heeft nog groeikansen. De gesprekspartners ervaren grote verschillen in werkwijze en betrokkenheid van de CLB’s. Ze uiten ook hun bezorgdheid over de kennis van sommige CLB-medewerkers over bepaalde kleine types. Zowel de betrokkenheid bij het beleid als de samenwerking op het terrein is sterk wisselend en soms afhankelijk van het engagement van individuele medewerkers. Toch werd er in de gesprekken ook een voorbeeld gegeven van intense samenwerking en structureel overleg met het CLB in functie van de afstemming i.v.m. aanmeldingen, het maken van duidelijke afspraken en het organiseren van expertisetafels en gezamenlijke vormingsinitiatieven. Samenwerking met PBD Minder dan de helft van de aanbieders OKT geeft aan nauw samen te werken met de PBD. Waar de kleine types zijn ingekanteld in het ONW is er soms een intense samenwerking met de competentiebegeleiders. Ook de andere aanbieders OKT werken samen met de competentiebegeleiders voor een IAC, voor prioritaire nascholing of voor gezamenlijke vormingsmomenten. Soms wordt er een beroep gedaan op de competentiebegeleider of pedagogisch begeleider bij moeilijke trajecten. De ondersteuners verwijzen scholen naar de PBD wanneer er nood is aan schoolondersteuning voor de versterking van fase 0 en 1 van het zorgcontinuüm, maar zijn hierbij afhankelijk van de vraagstelling door de school. Sommige aanbieders OKT vermelden de PBD als partner op beleidsniveau.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 40 ]—


Netoverstijgende samenwerking Soms maken de aanbieders OKT onderling afspraken met het oog op een toereikend aanbod en een gelijkgerichte ondersteuning. De netoverschrijdende samenwerking is met de invoering van het ondersteuningsmodel sterk teruggedrongen. De open-end-financiering heeft als ongewenst neveneffect dat aanbieders meer dan voorheen geneigd zijn om een ondersteuningsvraag in het eigen aanbod te houden. Deze reflex wordt versterkt door de daling van de netoverstijgende samenwerking. De aanbieders OKT werken geregeld samen om aan expertisedeling te doen in functie van kwaliteitsvolle ondersteuning, maar vooral binnen de eigen onderwijsverstrekker. Ze participeren aan typespecifieke lerende netwerken van de eigen onderwijsverstrekker. Buo-scholen werken ook samen binnen de scholengemeenschap en met andere buo-scholen. Naast de ontwikkeling van typespecifieke expertise werken de aanbieders OKT ook samen met de ONW’s voor expertisedeling van andere types. Samenwerking met andere partners Voor sommige leerlingen werken de ondersteuners samen met de buitenschoolse hulpverlening (revalidatiecentra, therapeuten ...). Daarnaast vermelden de aanbieders OKT nog de samenwerking met welzijnsorganisaties en gespecialiseerde settings zoals een MFC of MPIGO’s die soms op de campus van de buo-school aanwezig zijn. Ze werken ook samen met handicapgerelateerde organisaties (ouderkoepels, Doof en Jong, thuisbegeleidingsdiensten …). Personeelsbeleid en professionalisering Bouwstenen Voor personeelsbeleid en professionalisering waren volgende bouwstenen onderwerp van gesprek met het beleid: 1. de aanwerving van ondersteuners op basis van een onderbouwd profiel 2. de multidisciplinaire samenstelling van het ondersteuningsteam 3. de ontwikkeling en versterking van de (handicap- en niveauspecifieke) expertise van de ondersteuners 4. de professionalisering van de ondersteuners op basis van behoeften en noden 5. een doeltreffende aanvangsbegeleiding 6. een stimulans voor nieuwe inzichten en vernieuwingen 7. transparante afspraken voor de evaluatie van personeelsleden. Bij de ondersteuners peilden we naar de professionaliseringsmogelijkheden die ze krijgen om de ondersteuning kwaliteitsvol vorm te geven. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie na de gesprekken met het beleid en de ondersteuners leveren volgend beeld op:

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 41 ]—


Beleid (N = 17) aanwerving op basis profiel

15

multidisciplinaire samenstelling

15

handicap- en niveauspecifieke expertise

2 1

14

professionalisering op basis van noden

3

15

doeltreffende aanvangsbegeleiding stimulans vernieuwing

2

2

13 6

7

0

2

4

past

past deels

6

0 2

12

afspraken evaluatie personeel

0 10

8

past niet

10

12

0 1

4

0

4

0

14

16

18

knab

Ondersteuners (N = 250) professionele ondersteuning

188 0

50

100

past

past deels

58 150 past niet

200

31 250

300

nvt

Aanwerving Bij de opstart van het nieuwe ondersteuningsmodel gebeurde de aanwerving van ondersteuners zowel voor de brede als voor de kleine types vanuit de buo-scholen die personeel aanleverden. Vaak ging het om de overdracht/continuering van GON-medewerkers en om personeelsleden die overtollig werden in het buo. Deze bron is intussen grotendeels opgedroogd. De aanbieders OKT ervaren de nood om nieuwe medewerkers aan te werven. Dit gebeurt doorgaans aan de hand van een transparante aanwervingsprocedure. Afhankelijk van de organisatiestructuur gebeurt de aanwerving door de buo-directeur en/of het beleidsteam van de aanbieder OKT (coĂśrdinator of regioverantwoordelijke). Ze hebben hiervoor een eigen functieprofiel opgesteld of hanteren het profiel van het samenwerkend ONW. De aanbieders OKT hebben bij de aanwerving aandacht voor de nodige expertise of discipline en de multidisciplinaire samenstelling van het team. Daarnaast spelen persoonsgebonden competenties, voorkennis en ervaring met de doelgroep een rol. Sommige aanbieders OKT geven aan bij voorkeur ondersteuners met een pedagogisch diploma of lerarenstatuut (of dubbel diploma) aan te werven omwille van het hogere aantal begeleidingseenheden die ze voor andere disciplines moeten inzetten. Alle gesprekspartners benadrukken dat het onzekere statuut van de personeelsleden en het voorlopige karakter van het huidige ondersteuningsmodel problematisch zijn. De huidige regeling waarbij ondersteuners worden gekoppeld aan een buo-school geeft aanleiding tot diverse constructies. Sommige buo-scholen willen vermijden dat nieuw aangeworven ondersteuners voorrang opbouwen ten nadele van de eigen leraren, gezien het profiel van ondersteuner verschilt van het profiel van leraar buo. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 42 ]—


Daarnaast ervaren de aanbieders OKT dat ze door dit onzekere statuut veel moeite hebben om het nodige personeel te vinden of te houden. Dit bemoeilijkt het voeren van een personeelsbeleid op langere termijn. Professionalisering en aanvangsbegeleiding Nagenoeg alle aanbieders OKT zien professionalisering als een prioriteit. Om kwaliteitsvolle ondersteuning te kunnen bieden is de expertise van de ondersteuners essentieel. De ondersteuners geven hun professionaliseringsbehoeften aan via bevragingen, coaching, functioneringsgesprekken of hun persoonlijk ontwikkelingsplan. De aanbieders OKT nemen heel wat initiatieven om de type- of handicapspecifieke expertise te ontwikkelen en te verdiepen. Zo voorzien ze geregeld in collegiaal overleg en intervisie om de eigen expertise te delen of participeren ze aan lerende netwerken om specifieke expertise te verwerven. Daarnaast zijn ook pedagogisch-didactische competenties, kennis van het curriculum en coachende vaardigheden belangrijk voor de rol van ondersteuner in het gewoon onderwijs. De aanbieders OKT besteden steeds meer aandacht aan verbindende communicatie en coachende vaardigheden om de ondersteuners te versterken bij de leraar- en schoolteamgerichte ondersteuning. Tijdens de gesprekken kwam een ruime variatie aan professionaliseringsinitiatieven aan bod: coaching, in-servicetraining, prioritaire nascholingen, interne workshops, individueel gekozen vormingen, toegang tot verschillende documentatiecentra, focusgroepen (= expertiseteams per type), fora met externe partners … Gelet op het personeelsverloop zetten de aanbieders OKT sterk in op aanvangsbegeleiding. Nieuwe ondersteuners volgen een coachingstraject of krijgen de kans om een korte tijd mee te lopen met een collega. Kleine aanbieders OKT merken op dat omwille van de kleinschaligheid hun professionaliseringsmogelijkheden beperkt zijn. De ruime meerderheid van de ondersteuners voelt zich voldoende ondersteund voor inhoudelijke professionalisering. Ze waarderen vooral het collegiaal overleg en de interne expertisedeling. Sommigen geven aan dat ze hun noden wel kenbaar kunnen maken maar dat de ruimte en middelen voor externe vormingen beperkt zijn. Evaluatie van ondersteuners Heel wat aanbieders OKT geven aan dat de evaluatie van de ondersteuners problematisch is omwille van het specifieke statuut. De ondersteuners staan op de rol als personeelslid van een buo-school, maar werken de facto in het ondersteuningsteam. De coördinatoren van het ondersteuningsteam volgen de ondersteuners op en hebben zicht op hun functioneren, maar ze hebben geen officieel mandaat om de ondersteuners te evalueren. Dit behoort tot de taak van de directies van de buo-scholen. Afhankelijk van de organisatiestructuur en de schaalgrootte wisselt de mate van betrokkenheid van de buo-directeur bij het ondersteuningsteam. Voor de individuele buo-scholen met een groot ondersteuningsteam is dit immers een extra taak voor een al sterk bevraagde schooldirecteur. Bij de aanbieders OKT die de ondersteuning organiseren vanuit een samenwerkingsverband in de vorm van een expertisenetwerk of ondersteuningsnetwerk zijn de ondersteuners administratief werkzaam in verschillende Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 43 ]—


buo-scholen. Sommige buo-directies kennen de ondersteuners niet en geven aan onvoldoende zicht te hebben op de verwachtingen ten aanzien van de ondersteuners. De meeste aanbieders OKT kiezen voor een pragmatische aanpak waarbij ze met de coördinatoren van de ondersteuningsteams afspraken maken over de opvolging van het personeel. Doorgaans voeren de coördinatoren het functioneringsbeleid (reflectiegesprekken, afstemmingsgesprekken, coachingsgesprekken …) en wordt de buo-directeur betrokken bij de formele evaluatie. Alle gesprekspartners zijn vragende partij voor een bijsturing van de regelgeving.

Kwaliteitsontwikkeling Bouwstenen Op het vlak van kwaliteitsontwikkeling selecteerden we een beperkte set van vier bouwstenen: 1. de evaluatie van sommige aspecten van de werking op een betrouwbare manier 2. een doelgericht kwaliteitsbeleid 3. informatiegeletterdheid via het bijhouden van relevante kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over de werking 4. het bijstellen van de werking op basis van problemen en knelpunten of het responsief vermogen. Deze vier bouwstenen kwaliteitsontwikkeling kwamen aan bod tijdens het beleidsgesprek. Bij de scholen peilden we naar hun ervaring met het responsief vermogen van de aanbieder OKT. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie na de gesprekken met het beleid en op basis van de perceptie van de scholen leveren volgend beeld op:

Beleid (N = 17) betrouwbare evaluatie van de werking

5

doelgericht kwaliteitsbeleid

8

4

informatiegeletterdheid

4

7

3

6

8

responsief vermogen

past

2

1

8 4

past deels

6 past niet

0

5

7 0

0

8

10

2 12

14

16

0 18

knab

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 44 ]—


Scholen (N = 206) responsief vermogen

155 0

50 past

40 100

past deels

150 past niet

74 200

250

nvt

Evaluatie van de werking De aanbieders OKT hebben systematisch aandacht voor de evaluatie en bijsturing van ondersteuningstrajecten. Ze voorzien doorgaans een tweetal formele evaluatiemomenten: een tussentijdse evaluatie en een eindevaluatie. Deze momenten bieden ook de kans om andere signalen of feedback te capteren en om over de samenwerking in gesprek te gaan. Daarnaast investeren sommige aanbieders OKT in een evaluatie van hun werking. Ze doen dit door scholen te bevragen of ermee in gesprek te gaan. Tijdens interne overlegmomenten bespreken ondersteuners knelpunten en gaan ze met hun team op zoek naar bijsturingen. De meeste aanbieders OKT geven aan dat de evaluatie van de kwaliteit van hun werking nog niet systematisch en structureel gebeurt. Doelgericht kwaliteitsbeleid Het uitwerken van een doelgericht kwaliteitsbeleid is voor de meeste aanbieders OKT nog pril of nog niet opgestart. Als verklaring wijzen de gesprekspartners op een aantal contextfactoren die eerder remmend werken. Door de voortdurende veranderingen in de regelgeving en in het ondersteuningslandschap gaat alle energie naar het organiseren van het aanbod en de samenwerking. Door de personeelswissels en het wegvloeien van expertise en ervaring geven de aanbieders OKT prioriteit aan het aanvullen van het personeelskader, het behouden en ontwikkelen van de (doelgroepgebonden) expertise en het uitvoeren van de ondersteuningstrajecten in samenwerking met scholen, ouders en andere partners. Informatiegeletterdheid De aanbieders OKT verzamelen informatie met het oog op het organiseren van het aanbod en het toewijzen en opvolgen van ondersteuningstrajecten. De registratie van gegevens gebeurt dus vooral om administratieve en organisatorische redenen en niet zozeer in het kader van een kwaliteitsbeleid. Sommige aanbieders OKT plannen wel om in de toekomst te werken aan hun informatiegeletterdheid. Ze zoeken nog naar wat relevant en betrouwbaar is om bij te houden, te verwerken en analyseren, en om de beschikbare data te gebruiken om hun beleid vorm te geven. Bijsturen De aanbieders OKT sturen doorgaans hun werking bij op basis van signalen die voortvloeien uit het verloop en de evaluatie van ondersteuningstrajecten. Sommige aanbieders polsen ook formeel naar de tevredenheid van de scholen. De meeste scholen zijn tevreden over de laagdrempeligheid waarmee ze

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 45 ]—


problemen kunnen signaleren, over de openheid van de ondersteuners voor feedback, over het ondersteuningstraject en over de oplossingsgerichte manier waarmee ze hiermee omgaan.

Middelenbeleid Bouwstenen Voor het middelenbeleid selecteerden we drie bouwstenen: 1. de efficiënte besteding van de middelen zowel voor coördinatie als voor ondersteuning 2. het zicht op en het invullen van de materiële noden van de ondersteuners 3. de afspraken inzake middelenverdeling met een waarborg voor de kleine types. We bespraken deze drie bouwstenen met de coördinatoren en het beleid van de aanbieder OKT. Bij de ondersteuners peilden we naar hun perceptie over de doeltreffendheid van de regeling voor verplaatsing en andere onkosten. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners leveren volgend beeld op:

Beleid (N = 17) verdeling middelen + waarborg kleine types

15

zicht op materiële noden ondersteuners + tegemoetkoming

3

9

efficiënte inzet beschikbare middelen

5

10 0

past

2

2 past deels

0

6

4

6

past niet

8

10

12

10 14

16

knab

Ondersteuners (N = 250) doeltreffende regeling onkosten

79 0

142 50

past

100 past deels

29 0

150 past niet

200

250

300

nvt

De rugzakfinanciering voor de ondersteuning kleine types garandeert de ondersteuning voor elke leerling met een (G)V van een klein type. De tweede teldag op 1 februari maakt het ook mogelijk dat nieuwe ondersteuningstrajecten in de loop van het schooljaar kunnen starten zonder dat dit ten koste gaat van andere leerlingen met een ondersteuningstraject, zoals gebeurt bij de brede types. Heel wat Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

0

—[ 46 ]—

18


gesprekspartners hebben moeite met het verschil in financiering tussen de kleine en de brede types, met een ongelijke behandeling van leerlingen als gevolg. Hoewel de overheid voor elke leerling met een (G)V voor een klein type ondersteuning verzekert, signaleren de aanbieders OKT een tekort aan uren en middelen. Dit tekort is volgens hen te verklaren door een combinatie van factoren. Zo zijn er voor eenzelfde ondersteuningstraject meer of minder middelen vereist afhankelijk van het onderwijsniveau (bubao of buso) en het diploma van de ondersteuner (leraar, logopedist, kinesiterapeut … ). Daarnaast is er een verschil in financiering al naargelang het over een verslag of een gemotiveerd verslag gaat. Bovendien is er in sommige ONW’s en regio’s sprake van een ‘opgelegde’ solidariteit ten aanzien van buo-scholen die zowel ondersteuning voor de kleine types als voor de brede types bieden. Men verwacht van die buo-scholen dat ze middelen afstaan aan het ONW dat met een gesloten middelenenveloppe moet werken. Door die ‘opgelegde’ solidariteit heeft de buoschool niet langer de ruimte om zelf haar middelen flexibel in te zetten. Dit zorgt voor problemen in situaties waarin de prevalentie laag is en de afstanden om over heel Vlaanderen te ondersteunen, groot zijn. Naarmate de middelen versnipperd zijn en de buo-scholen er niet rechtstreeks vat op hebben, ervaren de aanbieders OKT minder mogelijkheden dan voordien om het budget en de uren effectief te beheren. Dat lijkt het tekort aan middelen te verklaren, ook al is er een open-end-financiering. Voor de ondersteuning kleine types heeft de overheid niet voorzien in coördinatiemiddelen. De middelen voor de coördinatie zijn eigenlijk middelen die voor de leerlingen zijn bedoeld of die de aanbieders OKT genereren via andere creatieve oplossingen. De aanbieders zijn vragende partij structureel te voorzien in overheidsmiddelen voor de coördinatie. De aanbieders OKT leveren doorgaans inspanningen om de beschikbare middelen efficiënt in te zetten. Zo organiseren ze regionale deelteams om de verplaatsingstijd en de verplaatsingsvergoedingen te beperken. Ze laten ook bij voorkeur dezelfde ondersteuner een tweede ondersteuningsvraag van dezelfde school opnemen zodat hij een grotere impact kan hebben. Hoe de aanbieders OKT omgaan met de middelen voor materiële noden van de ondersteuners, is heel verschillend. De onkostenvergoedingen variëren van een kleine verplaatsingsvergoeding tot de vergoeding van alles wat een ondersteuner nodig heeft. Soms moeten de ondersteuners een beroep doen op de scholen voor gewoon onderwijs voor de kosten van kopieën en leermaterialen. De meeste ondersteuners zijn ontevreden over de onkostenregeling.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 47 ]—


IV.

STERKTES EN GROEIKANSEN VOLGENS DE GESPREKSPARTNERS 8

Elk gesprek tijdens onze verkenning werd afgerond met een open vraag naar wat onze gesprekspartners voor het ondersteuningsaanbod kleine types (OKT) als een sterkte of een groeikans ervaren. In totaal stelden we die vraag 51 keer: zeventien keer aan een groep beleidsmedewerkers9, zeventien keer aan een groep ondersteuners en zeventien keer aan een groep vertegenwoordigers van scholen gewoon onderwijs.

We rubriceerden de antwoorden in vier thema’s en verschillende subthema’s. Deze rubricering zegt niets over de kwaliteit die er vandaag bij de aanbieders OKT wel of niet is. De informatie is vooral nuttig om zicht te krijgen op wat de gesprekspartners vandaag al waarderen of wat ze missen en is relevant voor het uitwerken van een referentiekader voor ondersteuningskwaliteit.

De groepen grepen vrijwel allemaal de kans om het gesprek af te sluiten met ‘groeikansen voor de overheid’. Je vindt die terug op het einde van dit hoofdstuk.

ORGANISATIE, VISIE EN KWALITEITSBELEID De subthema’s visie, teamwerking, overlegstructuur en coördinatie worden vooral in waarderende zin vermeld. Toch door het beleid en de ondersteuners. Voor visie benadrukken zij als sterke punten: maatwerk, werken vanuit diversiteitsdenken, geloof in groei, oplossingsgericht kijken en aanpakken, met oog op een duurzame ondersteuning. Voor teamwerking vermelden het beleid en de ondersteuners als sterke punten: de collegiale ondersteuning, de multidisciplinariteit (zowel een multidisciplinaire samenstelling als een multidisciplinaire werking) en de kleinschaligheid (regionale miniteams zorgen voor efficiënte verplaatsingen, een vaste samenwerking zorgt voor continuïteit en een vertrouwensrelatie). Ze beschouwen die teamwerking als een belangrijke voorwaarde voor expertiseverwerving en -deling. De meerwaarde van coördinatie komt bij alle gesprekspartners aan bod. Scholen waarderen een vlotte bereikbaarheid en aansturing, een sterke organisatie en transparante structuur. Ondersteuners waarderen de zelfsturing, de vaste overlegmomenten alsook de interne en externe samenwerking.

8

Een uitgebreid verslag van de sterktes en groeikansen volgens de gesprekspartners, vind je in bijlage 3 bij dit rapport.

9

Directies van buo-scholen en coördinatoren, soms aangevuld met andere partners uit het samenwerkingsverband.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 48 ]—


Groeikansen zijn er voor het ondersteuningsbeleid, het kwaliteitsbeleid en de externe communicatie. Zowel beleid, ondersteuners als scholen zien mogelijkheden om de kwaliteit van het ondersteuningsbeleid te versterken. Voor het beleid kan dit onder meer door de ondersteuners geografisch efficiënter in te zetten. De ondersteuners zien dan weer groeikansen voor de beschikbaarheid van didactisch materiaal, tijd om materiaal te ontwikkelen en de mogelijkheid om de expertise te verbeteren. Scholen pleiten voor continuïteit van ondersteuner(s) en meer aandacht voor de ondersteuning van de leraar en het schoolteam. Ze hebben daarbij ook oog voor de haalbaarheid voor de ondersteuners. Voor het kwaliteitsbeleid ziet het beleid groeikansen op organisatieniveau: voor het systematisch toezien op de kwaliteit, voor het versterken van de informatiegeletterdheid en voor het verhogen van de betrouwbaarheid van de evaluatie (aan de hand van een instrument en duidelijke, onderbouwde criteria). Externe communicatie is voor alle gesprekspartners een groeikans: zodat scholen de mindshift maken naar inclusie, zodat scholen weten wat ze mogen verwachten van de organisatie en werking van de ondersteuning en de rol van de ondersteuner en zodat de OKT-werking meer bekendheid krijgt. Ook de verschillen tussen het aanbod OKT en ONW, tussen de individuele ondersteuning en de klassikale ondersteuning kunnen beter worden uitgelegd.

PERSONEELSBELEID EN PROFESSIONALISERING Handicapspecifieke expertise en professionalisering worden door alle gesprekspartners vooral in waarderende zin vermeld. Het beleid OKT benadrukt het belang van (handicapspecifieke) expertise, het delen van expertise en het verwerven of inzetten van expertise via samenwerking (met een MFC, met een ONW en met buo-scholen). Alle gesprekspartners benadrukken daarbij het belang van continuïteit, hoewel er ook iets te zeggen is voor een ruime ervaring met verschillende scholen.

Maar de gesprekspartners zien ook groeikansen. Zo vragen scholen aan de aanbieders OKT om bij de aanwerving aandacht te hebben voor de vereiste expertise. En waarschuwen sommige gesprekspartners - vanuit een bezorgdheid over het behoud van de noodzakelijke expertise - voor de valkuilen van een ‘brede inzetbaarheid’. Het beleid OKT en de ondersteuners vinden het bovendien belangrijk dat de expertise (niet enkel de technische maar ook de socio-emotionele ondersteuning) actueel blijft en groeit. Ze denken daarbij onder meer aan het behouden van handicapspecifieke expertise en het versterken van de coaching van leraren. Voor dit laatste zijn de scholen ook vragende partij: ze verwachten van de ondersteuners niet

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 49 ]—


enkel een leerlinggerichte ondersteuning, maar ook een ondersteuning van de leraren en het schoolteam.

DE VORMGEVING VAN DE ONDERSTEUNING De gesprekspartners waarderen vooral de uitvoering van de ondersteuning (duidelijke afspraken, maatwerk, aanwezigheid op vaste momenten, complementaire kijk op de leerling, flexibiliteit). Voor het beleid en de ondersteuners zijn de beeldvorming en de planmatige aanpak een troef: de deskundigheid waarmee de ondersteuners observeren en vaststellingen bespreekbaar maken, waarmee ze nadien doelen formuleren op maat van de leerling én de leraar, waarmee ze hulpmiddelen aanreiken zodat de leraar zich effectief ondersteund voelt, de rol die ze opnemen om iedereen te betrekken en met iedereen te communiceren. En de houvast die ze daarbij hebben aan het ondersteuningsplan.

Scholen zijn positief over de houding en de werkwijze van de ondersteuners en over wat ze (samen) realiseren. Ondanks de tevredenheid bij de drie gesprekspartners over de afstemming tijdens het ondersteuningstraject, zien ze ook allemaal nog groeikansen: de afstemming over de aanmeldingsprocedure kan bijvoorbeeld beter. Over de toewijzing van de ondersteuningstrajecten benadrukken de gesprekspartners het belang van een betere samenwerking tussen de verschillende onderwijsverstrekkers om de juiste expertise bij de leerling te krijgen alsook het belang van continuïteit, zowel vanuit het perspectief van de leerling als van de school. Tot slot hoorden we dat de ondersteuningstrajecten meermaals in een schooljaar worden geëvalueerd en bijgestuurd. Toch vermelden de gesprekspartners ook enkele aandachtspunten: de evaluatie moet gebeuren vanuit de vraag ‘wat hebben de leerlingen/leraren nodig?’, de basis- en verhoogde zorg blijven een continu aandachtspunt en de effecten op de klasvloer, in de vakgroepwerking en op het niveau van het schoolteam kunnen meer zichtbaar zijn.

SAMENWERKING Scholen waarderen doorgaans de samenwerking met de aanbieders. Het beleid, de ondersteuners en scholen benoemen dezelfde sterktes: de betrokken, verbindende en flexibele houding van de ondersteuners. Ondersteuners vinden dat verbindend samenwerken met alle betrokkenen een belangrijke voorwaarde om op klas- en schoolniveau te kunnen werken en om duurzame resultaten te boeken. Alle gesprekspartners verwachten dat samenwerking immers voor de nodige expertise(deling) zorgt.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 50 ]—


Ook al is er bij de gesprekspartners doorgaans een grote tevredenheid over de samenwerking, het neemt niet weg dat ze ook groeikansen zien. Bijvoorbeeld voor de ouderbetrokkenheid of voor de lerende netwerken met buo-scholen en MFC om samen materialen te ontwikkelen. Ook de expliciete vraag naar tijd om overleg te organiseren, zien ze als een groeikans. Ondersteuners zien tot slot ook nog groei in een grotere betrokkenheid van leraren, alsook in hun eigen integratie als ondersteuner in het schoolteam.

SIGNALEN VAN DE GESPREKSPARTNERS AAN DE OVERHEID De meeste signalen gaan over personeelszaken en het behouden en verwerven van expertise. Verder zijn er suggesties met het oog op het versterken van het zorgbeleid in scholen voor gewoon onderwijs, het bevorderen van een meer proactieve samenwerking met partners en communicatie van de overheid over inclusie en begeleiding/ondersteuning.

Personeelsbeleid Aanbieders OKT vragen een wettelijk kader dat hen de mogelijkheden geeft om een eigen personeelsbeleid te voeren. Met duidelijkheid over het ambt van de ondersteuner, middelen en uren voor het inrichten van een coördinerende functie en het wegwerken van mechanismen in de middelenverdeling die voor ongelijkheden tussen het personeel zorgen.

Expertise(deling) Expertise behouden, verwerven en actualiseren kwam bij alle gesprekspartners aan bod. Ze zijn het erover eens dat er een wettelijk kader nodig is dat de aanbieders OKT toelaat een professionaliseringsbeleid en teamwerking uit te bouwen met voldoende waarborgen op het vlak van expertise. Dit kan bijvoorbeeld door als overheid te voorzien in tijd voor overleg tussen ondersteuners en in middelen voor professionalisering en coaching. Door netoverschrijdend werken te verplichten en zo volop de kaart te trekken van expertisedeling. En door de ondersteuners continuïteit en flexibiliteit te bieden. Zorgbeleid in scholen Aanbieders OKT stoten op grote verschillen op het vlak van zorgbeleid in de scholen voor gewoon onderwijs waar ze mee samenwerken. Deze verschillen hebben invloed op de vormgeving van de ondersteuning en op wat de ondersteuners OKT moeten en kunnen investeren om ook op leraar- en schoolteamniveau ondersteuningsdoelen te realiseren. Aanbieders OKT vragen de overheid gerichter in te zetten op het versterken van de basis- en verhoogde zorg in elke school.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 51 ]—


Proactief samenwerken Procedures kunnen een proactieve aanpak belemmeren. Soms als gevolg van inschrijvingsregels, of als gevolg van verschillen tussen een verslag en een gemotiveerd verslag, of omdat er op dit moment regels zijn die een vroege of voldoende samenwerking tussen partners beletten. Zo vragen de gesprekspartners bijvoorbeeld dat er tijdig duidelijkheid is over de inschrijving zodat het noodzakelijk studiemateriaal meteen beschikbaar is bij de start van het schooljaar (bv. leermateriaal in braille). Of om de invloed te herbekijken van de koppeling van het IAC aan een verslag op het tijdig en snel opstarten van de ondersteuning. Ondersteuners kunnen vanuit hun expertise een adviesfunctie opnemen tijdens het HGD-traject en bijdragen aan een juiste en rijke beeldvorming. Door doelen concreter te formuleren, kan men tijd winnen. Om deze rol van ‘adviseur’ op te nemen zijn er echter uren en middelen nodig.

Externe communicatie De gesprekspartners vragen aan de overheid om meer positieve aandacht en ruchtbaarheid te geven aan (goede voorbeelden van) het inclusieverhaal. En om duidelijk aan te geven wat ze van elke school verwacht inzake brede basiszorg voor alle leerlingen.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 52 ]—


V.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Met deze tweede fase van de terreinverkenning hebben we ons beeld over het functioneren van de ondersteuningsnetwerken aangevuld met informatie over de ondersteuning van de kleine types.

We staan in dit laatste hoofdstuk stil bij enkele concluderende vaststellingen die belangrijk zijn voor de uitwerking van een referentiekader. Ze kunnen ook zinvol zijn voor de uitwerking van een nieuw of aangepast ondersteuningsmodel. We formuleren daarom ook vijf aanbevelingen voor de overheid.

VASTSTELLINGEN DIE WE HERKENNEN UIT DE BEZOEKEN AAN DE ONDERSTEUNINGSNETWERKEN Er is een breed draagvlak voor het idee van een ondersteuningsmodel met deskundige, multidisciplinaire ondersteuning op maat van de leerling, leraar en school(team).

Er wordt vrijwel overal met veel engagement werk gemaakt van deskundige ondersteuning van de kleine types (2, 4, 6 en 7).

De gesprekken tonen aan dat meerdere bouwstenen relevant zijn voor de kwaliteit van de ondersteuning. Het beleid OKT en ondersteuners hebben voor heel wat kenmerken van kwaliteit al aandacht en uit de interactie met verschillende gesprekspartners bleek doorgaans een groot responsief vermogen.

Er is behoefte aan een wettelijk kader dat een gedeelde visie aanreikt en voor voldoende stabiliteit zorgt. Dat is nodig om de uitrol van het aanbod OKT en de kwaliteitszorg te laten groeien. Daarnaast is er een eenduidige en unanieme vraag naar een transparant apart juridisch statuut voor de ondersteuner en coördinator en een faire toekenning van middelen. Over de middelenverdeling leven er heel wat bedenkingen en de huidige mechanismen zorgen voor spanningen tussen de verschillende partners.

ONW’s zagen in het afstandswerk een uitdaging en een opgave. Dat is voor de aanbieders OKT niet minder het geval, integendeel. Afstandswerk organiseren hangt nauw samen met het verzekeren van deskundige ondersteuning en met de opvolging van een kwaliteitsvolle uitvoering van de ondersteuning. Er is handicapspecifieke expertise nodig in combinatie met coachende vaardigheden. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 53 ]—


Net als bij de ONW’s hoor je aanbieders OKT getuigen over uiteenlopende ervaringen met samenwerking. Samenwerking op het vlak van expertisedeling tussen buo-scholen en MFC’s en andere partners. Samenwerking met scholen voor gewoon onderwijs. Waarbij ook de aanbieders OKT bezorgd blijken over de te verzekeren kwaliteit op het vlak van basis- en verhoogde zorg. De samenwerking met de PBD’s en CLB’s is wisselend en er zijn duidelijke groeikansen.

NA DE BEZOEKEN OKT: VOORTSCHRIJDEND INZICHT IN HET ONDERSTEUNINGSAANBOD Een betrouwbaar beeld van het ondersteuningsaanbod kleine types ontbreekt Het is moeilijk om een duidelijk en betrouwbaar beeld te krijgen van het huidige aanbod OKT. De beschikbare data zijn niet altijd volledig of juist en het ondersteuningslandschap is voortdurend in beweging. Er is bovendien weinig informatie voorhanden om een goed beeld te krijgen van de vereiste ervaring en expertise bij een OKT-aanbieder. Daardoor krijgen we moeilijk zicht op wie er OKT aanbiedt, met welke ervaring en (handicap-)specifieke expertise. Er worden vandaag geen voorwaarden gesteld aan wie een aanbod OKT mag organiseren. Het ondersteuningsmodel heeft draagvlak maar mist stabiliteit Er bestaat bij de aanbieders OKT weinig discussie over de idee van een ondersteuning op drie niveaus: leerling, leraar, school(team). Evenmin over de behoefte om samen te werken vanuit gemeenschappelijke kaders en vanuit een onafhankelijke positie. Verschillen in mening zijn er over de uitwerking van het concept ondersteuning en over bijvoorbeeld de rol en betekenis van individuele ondersteuning naast coaching van de leraar en het schoolteam. Of over het belang van handicapspecifieke expertise naast andere kennis en vaardigheden die vereist zijn om inclusie te realiseren. Deze meningen zijn niet noodzakelijk tegenstrijdig met elkaar. Ze verhelderen soms de keuzes voor het toewijzen van ondersteuning, het uitwerken van ondersteuningstrajecten en de voorkeur voor een organisatiemodel met één of twee sporen. Het gaat telkens over argumenten die uitgaan van wat aanbieders OKT nodig achten om kwaliteitsvolle ondersteuning te realiseren.

De uitrol van het aanbod OKT gebeurt binnen eenzelfde ondersteuningsmodel maar met een grote variatie aan organisatievormen en vanuit verschillende dynamieken. Elke organisatievorm kenmerkt zich door een achterliggende visie en dito keuzes en is op zich valabel. Zo zijn er expertisenetwerken en de Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 54 ]—


inkanteling van het OKT-aanbod in een ONW. Daarnaast zijn er (grote) buo-scholen die voortbouwen op een rijke GON- en ION-traditie en ondertussen binnen hun personeel meer ondersteuners tewerkstellen dan personeelsleden die binnen de buo-school aan de slag zijn. Er is bij de aanbieders OKT een sterke motivatie om het ondersteuningsaanbod verder uit te bouwen. De aanbieders OKT, de ondersteuners en de scholen vragen daarvoor een duurzaam en duidelijk wettelijk kader. Het ontbreken van een statuut en loopbaanperspectief voor ondersteuners is problematisch omwille van de druk op het organisatiebeleid, het personeelsbeleid en daarmee ook op de kwaliteitsvolle vormgeving van de ondersteuning.

Er leven heel wat verwachtingen op het vlak van expertise De terreinverkenning OKT heeft het expertisevraagstuk nog scherper gesteld. Dat roept nieuwe vragen op over de vereiste expertise voor de brede types. Is wat voor de kleine types geldt en wordt gewaardeerd niet evengoed van toepassing voor de brede types? De behoefte aan meerdere soorten expertise werd bevestigd maar het blijft de vraag over welke expertise het precies gaat en hoeveel variatie in expertise je van een ondersteuner kan verwachten. Aanbieders OKT lieten regelmatig een uitgesproken visie op handicapspecifieke expertise blijken. Bij meerdere aanbieders OKT leeft een bezorgdheid over de gevolgen van het “generaliseren” van expertise, ten koste van handicapspecifieke expertise. Het centraal stellen van die handicapspecifiek expertise is o.a. van belang voor een sterke beeldvorming waarop een handelings- en oplossingsgerichte benadering op maat van leerling en leraar aansluit. Dit wordt door leerlingen en ouders gewaardeerd.

Hoe kan het personeelsbeleid van een aanbieder OKT en de toewijzing van ondersteuning ervoor zorgen dat er complementariteit is op het vlak van expertise en verzekeren dat de juiste expertise op het juiste moment, op de juiste plaats en met de juiste intensiteit wordt ingezet? Hoe kan afstemming tussen ondersteuners, PBD en CLB daartoe bijdragen? Elke school voor gewoon onderwijs zou garant moeten staan voor een kwaliteitsvolle basis- en verhoogde zorg. Dat is momenteel niet het geval waardoor de ondersteuning onder druk komt te staan en aanbieders OKT het gevoel hebben aan effectiviteit te verliezen. Alle betrokkenen beseffen dat de organisatie van het OKT-aanbod binnen het zorgcontinuüm voor complementariteit kan zorgen op voorwaarde dat duidelijk is welke partner voor welk soort expertise zijn verantwoordelijkheid opneemt. Daarom moet het voldoende duidelijk zijn welke kennis en vaardigheden vereist zijn om ondersteuning voelbaar en relevant te maken voor de leerling, leraar en het schoolteam. Dit geldt ook voor scholen waar de versterking van de basis- en verhoogde zorg een prioriteit is. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 55 ]—


Bij alle gesprekspartners is er een vraag naar de opbouw van expertise en netoverschrijdende expertisedeling vanuit samenwerkingsverbanden, binnen onderwijs en met welzijn. Toch valt meermaals te horen dat net de expertisedeling tussen de verschillende onderwijsverstrekkers sinds het ondersteuningsmodel verminderde. Dit wordt betreurd en het is in tegenspraak met een expliciete vraag van aanbieders OKT, ondersteuners en scholen naar het opbouwen en delen van expertise.

Ook een open-end-financiering heeft beperkingen en kent ongelijkheden De aanbieders OKT werken op basis van een open-end-financiering en werkingsmiddelen. Toch signaleren meerdere aanbieders OKT een tekort aan middelen. Mogelijke verklaringen: de middelenverdeling veroorzaakt ongelijkheden, er is een aanzienlijke daling van de werkingsmiddelen en in sommige regio’s is er een door het bestuur van een ondersteuningsnetwerk opgelegde solidariteit. Daarnaast werd soms verwezen naar een verschil in middelen al naargelang een leerling een gemotiveerd verslag of verslag heeft. Sommige gesprekspartners vragen zich af hoe dat verschil te verantwoorden is gelet op het feit dat een ander soort verslag op zich niets zegt over de ondersteuningsbehoefte. Het hangt ook niet noodzakelijk samen met het volgen van een individueel aangepast curriculum (IAC) of gemeenschappelijk curriculum (GC). Omdat de meerkost voor het in dienst nemen van (para)medisch personeel ook uit het totale budget voor ondersteuning komt, is er bij de aanbieders OKT de neiging om vooral personeel met een onderwijsdiploma aan te werven of - indien mogelijk - een combinatie van beide, met telkens een tewerkstelling als leraar.

Zowel scholen als aanbieders OKT vragen om te voorzien in middelen voor overleg. Dat vinden ze nodig om op de drie niveaus ondersteuning te realiseren en om een duurzame relatie tussen ondersteuner en schoolteam op te bouwen. Flexibiliteit op het vlak van inzet van middelen, personeel, expertise en intensiteit van ondersteuning, vinden zowel de aanbieders OKT als de ondersteuners nodig. Nog niet alle scholen en ouders zijn echter bereid om een vast aantal uren ondersteuning per leerling los te laten.

Voor de aanbieders OKT is er momenteel niet voorzien in uren voor coördinatie terwijl de behoefte zich duidelijk laat voelen en coördinatoren gewaardeerd worden voor hun werk. Omdat er niets is geregeld, varieert de hoeveelheid uren voor coördinatie al naargelang de aanbieder OKT. Uren die ten koste gaan van concrete ondersteuning.

Samenwerking met PBD en CLB is nodig en kan meer pro-actief De samenwerking met pedagogisch begeleiders komt enkele keren in beeld wanneer het over het curriculum en redelijke aanpassingen gaat. Ondersteuners zouden op het vlak van curriculum een Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 56 ]—


samenwerking en meer proactieve werking van de PBD waarderen. De PBD kan op basis van de eindtermen bijvoorbeeld meer houvast en duidelijkheid geven aan de leraren en ouders. Duidelijkheid over wat alternatieve doelen binnen het gemeenschappelijk curriculum zijn, over de mogelijkheden om te dispenseren en compenseren binnen het gemeenschappelijk curriculum en het IAC. Over redelijke aanpassingen in het algemeen en dan zowel wat het onderwijsaanbod betreft als de evaluatie en feedback aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.

Om tijd te winnen en de kwaliteit van het HGD-traject en de beeldvorming te versterken, stelden sommige ondersteuners voor om al tijdens het HGD-traject als expert OKT samen te werken met het CLB. Het verslag zou de basis moeten zijn waarop de ondersteuning kan verderbouwen en extra observaties door ondersteuners kunnen in bepaalde situaties voorkomen worden door eerder samen te werken.

AANBEVELINGEN VOOR DE OVERHEID De behoefte aan een duurzaam en stabiel ondersteuningsmodel is groot. Het is bovendien nodig om de kwaliteitsvolle ontwikkeling van de ondersteuning aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften te behouden en te bevorderen.

(1) Het expertisevraagstuk wordt best uitgeklaard alvorens het huidige ondersteuningsmodel te wijzigen of te spreken over alternatieve modellen. Het toekomstige ondersteuningsmodel zou - ongeacht het type - moeten voorzien in een aanbod dat de juiste expertise op het juiste moment (van het ondersteuningstraject en onderwijsloopbaan) en op het juiste niveau beschikbaar maakt. Om dat te realiseren moet je weten over welke expertise we praten, hoe deze tijdens de vormgeving van een ondersteuningstraject wordt ingezet, vanuit welke samenwerking, met welke teamwerking binnen het ondersteuningsmodel en op basis van welke professionalisering. Het is wenselijk om te onderzoeken wat precies maakt dat de ondersteuning op de klasvloer voor de leerling, leraar en ouders deskundig en effectief is.

(2) In afwachting van een duurzame bijsturing springen we best zuinig om met aanpassingen aan het huidige ondersteuningsmodel. Er is een grote behoefte aan stabiliteit. Bijsturingen aan het huidige ondersteuningsmodel worden daarom best beperkt tot prioritaire problemen. Het regelen van het juridisch statuut van de ondersteuner is prioritair om voldoende (handicapspecifieke) expertise aan te trekken en te behouden. Samen met de vraag naar coördinatie. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 57 ]—


(3) Een analyse van de huidige middelenverdeling is nodig om in de toekomst mechanismen te vermijden die ongelijkheden in de hand werken Er zijn ongelijkheden in hoofde van de leerling of de ondersteuner of het onderwijsniveau. Dat heeft gevolgen voor de uitwerking van het organisatiebeleid, het personeelsbeleid en de vormgeving van de ondersteuning. Bijvoorbeeld bij de toewijzing van ondersteuningen, de samenstelling van multidisciplinaire teams en de flexibele vormgeving van ondersteuningstrajecten.

PERSPECTIEF OP HET VERVOLGTRAJECT De idee van een gemeenschappelijk referentiekader werd tijdens de verkennende bezoeken gewaardeerd. We kunnen hiervoor in grote mate gebruikmaken van bestaande referentiekaders. Het OK en RclbK zijn bijvoorbeeld inspirerend.

Er zijn ook specifieke verwoordingen en kwaliteitskenmerken waar we bij het uitwerken van een referentiekader voor het ondersteuningsaanbod rekening mee houden. De verkennende bezoeken hebben onze beeldvorming versterkt waardoor we ons een idee kunnen vormen over wat er specifiek is. Inzichten uit de verkennende bezoeken gebruiken we om op maat van het ondersteuningsaanbod aan een referentiekader te werken. Dat zal ook nu in cocreatie gebeuren.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 58 ]—


VI.

BIJLAGEN

BIJLAGE 1: VRAGENLIJST VOOR DE BELEIDSGESPREKKEN Organisatie Wie coördineert? Wat houdt de functie van coördinator in? Wie financiert de coördinatie? Indien de aanbieder ondersteuning kleine types werkt met deelteams, hoe worden die samengesteld? Hoe wordt het overleg tussen de coördinatoren en de ondersteuners georganiseerd en hoe wordt het overleg tussen de ondersteuners onderling georganiseerd? Wie neemt welke rol op in de besluitvorming van de aanbieder ondersteuning kleine types en op welke manier? Hoe wordt over de werking van de aanbieder ondersteuning kleine types gecommuniceerd met partners? Visie en strategisch beleid Heeft de aanbieder ondersteuning kleine types een visie uitgewerkt op kwaliteitsvolle ondersteuning? Indien wel, wat houdt die visie in en wie was erbij betrokken? Welke afspraken zijn er gemaakt met de ondersteuners en wat doet de aanbieder ondersteuning kleine types om hen te ondersteunen? Welke materialen stelt het ter beschikking? Hoe volgt de aanbieder ondersteuning kleine types de ondersteuningstrajecten en de werking van de ondersteuners in de scholen op? Vormgeving van de ondersteuning Hoe verloopt de aanmelding van een ondersteuningsvraag? Zijn er ondersteuningsvragen die geweigerd worden? Zo ja, waarom? Binnen welke termijn wordt de ondersteuning opgestart? Hoe vormen ondersteuners zich een beeld van de concrete ondersteuningsbehoeften van leerlingen en lerarenteams? Hoe worden de inhoud en de intensiteit van de ondersteuning bepaald? Hoe worden ondersteuningsvragen toegewezen aan ondersteuners? Hoe wordt er voor de ondersteuningstrajecten afgestemd tussen alle betrokkenen? Worden ondersteuningstrajecten op leerling- of schoolteamniveau geëvalueerd en bijgestuurd? Werken de ondersteuners volgens de principes van handelingsgericht werken? Personeelsbeleid en professionalisering Hoe verloopt de aanwerving van ondersteuners binnen het ONW? Welk profiel moet een ondersteuner hebben? Welke professionaliseringsinitiatieven worden er genomen om de handicapspecifieke en/of niveauspeciefieke deskundigheid te versterken? Welke zijn de belangrijkste accenten/prioriteiten in het professionaliseringsbeleid van het ONW? Hoe worden personeelsleden van het ONW geëvalueerd?

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 59 ]—


Samenwerking Beschikt de aanbieder ondersteuning kleine types over een aanspreekpunt voor ouders en leerlingen? Hoe werken de ondersteuners samen met de interne leerlingenbegeleiders/zorgcoördinatoren? Hoe en voor welke thema's werkt de aanbieder ondersteuning kleine types samen met CLB's? Hoe en voor welke thema's werkt de aanbieder ondersteuning kleine types samen met begeleidingsdiensten? Hoe zorgt de aanbieder ondersteuning kleine types (netoverschrijdend) voor een toereikend en dekkend aanbod voor alle leerlingen? Hoe zorgt de aanbieder ondersteuning kleine types (netoverschrijdend) voor expertisedeling in functie van een kwaliteitsvolle ondersteuning? Kwaliteitsontwikkeling Heeft de aanbieder ondersteuning kleine types reeds aspecten van zijn werking geëvalueerd? Indien wel: welke aspecten, op welke wijze en met wie? Houdt de aanbieder ondersteuning kleine types data bij? Zo ja, welke? Hoe gaat het om met bepaalde vaststellingen? Hoe gaat de aanbieder ondersteuning kleine types om met problemen en knelpunten gemeld door ouders, ondersteuners, scholen, een CLB...? Middelen Wat zet de aanbieder ondersteuning kleine types in voor coördinatie en ter ondersteuning van de materiële noden (middelen, professionalisering…) van ondersteuners? Wendt de aanbieder ondersteuning kleine types de werkingsmiddelen aan voor die doelgroep? Sterktes, groeikansen en prioriteiten Welke sterktes ervaart het ONW en wil het borgen in een volgorde van 1 tot 3? Welke groeikansen ervaart het ONW en wil het prioritair op inzetten in een volgorde van 1 tot 3? Tips voor een referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning Heeft de aanbieder ondersteuning kleine types tips om het referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning op te stellen: voorbeelden, inspirerende literatuur? Welke stakeholders moeten we zeker betrekken?

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 60 ]—


BIJLAGE 2: OVERZICHT VAN DE 50 BOUWSTENEN EN DE SELECTIE PER GESPREKSPARTNER Bouwstenen

Beleid

Organisatie 1. coördinatoren aangesteld met een transparante opdracht; 2. overlegstructuren voor het realiseren van een coherent beleid; 3. ondersteuningsteams samengesteld op basis van de noden van ondersteuning, deskundigheid en multidisciplinariteit; 4. gestructureerd overleg en/of doeltreffende communicatiekanalen tussen coördinatoren en ondersteuners; 5. ruimte voor overleg, intervisie en expertisedeling tussen de ondersteuners; 6. participatie in de besluitvorming voor ondersteuners; 7. participatie in de besluitvorming van stakeholders; 8. expliciete plaats voor de ondersteuning kleine types binnen de (overkoepelende) organisatie 9. externe communicatie over de werking. Visie en strategisch beleid 10. een eigen en richtinggevende visie; 11. tot stand gekomen in samenspraak met interne en externe partners; 12. vertaald in een strategisch plan om de visie te realiseren; 13. transparante afspraken en maatregelen met het oog op gelijkgerichtheid; 14. de ondersteuning van de ondersteuners; 15. de aandacht voor leraargerichte, schoolgerichte en leerlinggerichte ondersteuning; 16. het opvolgen van de ondersteuners; 17. het registreren van relevante gegevens. Vormgeving van de ondersteuning 18. een transparante aanmeldingsprocedure voor de scholen; 19. onderbouwde criteria om een ondersteuningsvraag te weigeren; 20. opstart van de ondersteuning binnen een redelijke termijn: 21. een accurate beeldvorming van de leerling en de school; 22. onderbouwde criteria om de intensiteit en de duur van de ondersteuning te bepalen; 23. gebruik van de gemotiveerde verslagen van het CLB; 24. inzet van de ondersteuners volgens deskundigheid; 25. afstemming met ouders, leerlingen en de school over de vorm en de inhoud van de ondersteuning; 26. geregelde evaluatie en bijsturing; 27. aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij leerlingen; 28. aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij leraren en lerarenteams; 29. hanteren van de principes van handelingsgericht werken.

Ondersteuners

Scholen gewoon onderwijs

X X X X X

X

X X X X

X

X X X X

X

X

X

X X X X X

X X

X X X X X

X X X

X X X

X X X

X X

X X

X X

X

X

X

X X X X

X

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

X

—[ 61 ]—


Samenwerking 30. de aanwezigheid van een aanspreekpunt voor ouders/leerlingen; 31. de wijze waarop ouders/leerlingen geïnformeerd worden; 32. de samenwerking met schoolinterne leerlingenbegeleiders/zorgcoördinatoren; 33. de samenwerking met het CLB met het oog op een doeltreffende ondersteuning van de leerlingen en van de scholen; 34. de samenwerking met de PB's met het oog op een doeltreffende schoolondersteuning; 35. netoverstijgende samenwerking i.f.v. een toereikend en dekkend aanbod; 36. netoverstijgende samenwerking i.f.v. expertisedeling Personeelsbeleid en professionalisering 37. de aanwerving van ondersteuners op basis van een onderbouwd profiel; 38. de multidisciplinaire samenstelling van het ondersteuningsteam; 39. de ontwikkeling en versterking van de handicap- en niveauspecifieke expertise van de ondersteuners 40. de professionalisering van de ondersteuners op basis van behoeften en noden; 41. een doeltreffende aanvangsbegeleiding; 42. een stimulans voor nieuwe inzichten en vernieuwingen; 43. transparante afspraken voor de evaluatie van personeelsleden Kwaliteitsontwikkeling 44. de evaluatie van sommige aspecten van de werking op een betrouwbare manier; 45. een doelgericht kwaliteitsbeleid; 46. informatiegeletterdheid via het bijhouden van relevante kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over de werking; 47. het bijstellen van de werking op basis van problemen en knelpunten of het responsief vermogen. Middelenbeleid 48. de efficiënte besteding van de middelen zowel voor ondersteuning als voor coördinatie ; 49. het zicht op en het invullen van de materiële noden van de ondersteuners; 50. de aanwending van de werkingsmiddelen voor de kleine types i.f.v. de doelgroep.

X X X

X

X

X X X X

X X X X

X

X X X

X X X X

X

X X

X

X

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 62 ]—


BIJLAGE 3: STERKTES EN GROEIKANSEN VOLGENS DE GESPREKSPARTNERS: UITGEBREID Elk gesprek (met beleid OKT, ondersteuners en scholen) werd afgerond met een open vraag naar wat onze gesprekspartners voor het ondersteuningsaanbod kleine types (OKT) als een sterkte of een groeikans ervaren. In totaal stelden we die vraag 51 keer: zeventien keer aan een groep beleidsmedewerkers10, zeventien keer aan een groep ondersteuners en zeventien keer aan een groep scholen. Het resultaat is de perceptie van de gesprekspartners over het huidige aanbod OKT, op basis van hun concrete ervaringen. De antwoorden werden gerubriceerd volgens vastgelegde thema’s en subthema’s. Deze rubricering zegt niets over de kwaliteit die er vandaag bij de aanbieders OKT wel of niet is. De informatie is vooral nuttig om een beter zicht te krijgen op wat gesprekspartners vandaag al waarderen of wat ze missen. Deze informatie is relevant als vertrekpunt voor het uitwerken van een referentiekader voor ondersteuningskwaliteit. Sommige onderwerpen lopen als een rode draad door de 51 gesprekken: hetzij als sterkte, hetzij als groeikans. Dat is het geval voor volgende onderwerpen: -

werken vanuit een gedeelde visie een personeelsbeleid ontwikkelen en de voorwaarden om dat te kunnen doen beschikken over (handicapspecifieke) expertise expertise delen en opbouwen (professionaliseren) een effectieve teamwerking realiseren voorzien in coördinatie flexibel zijn bij het inzetten van personeel en middelen continuïteit in de ondersteuning realiseren en een duurzame relatie met scholen uitbouwen voorzien in voldoende overlegmogelijkheden en efficiënte overlegstructuren externe communicatie verzorgen een coherente en effectieve samenwerking realiseren

De grafieken illustreren dat sommige onderwerpen vaker dan andere kwamen bovendrijven. De groepen grepen vrijwel allemaal de kans om het groepsgesprek af te sluiten met groeikansen voor de overheid. Deze signalen aan de overheid worden aan het einde van dit hoofdstuk verwerkt.

10

Directies van buo-scholen en coördinatoren, soms aangevuld met andere partners uit het samenwerkingsverband.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 63 ]—


Op het vlak van organisatie, visie en kwaliteitsbeleid

De onderwerpen visie, teamwerking, overlegstructuur en coördinatie worden vooral in waarderende zin vermeld. Groeikansen komen eerder ter sprake voor het ondersteuningsbeleid, het kwaliteitsbeleid en de externe communicatie.

Beleid: organisatie, visie en kwaliteitsbeleid coördinatie teams overlegstructuur beleidsaandacht participatie externe communicatie visie ondersteuningsbeleid kwaliteitsbeleid informatiegeletterheid responsief beleid 0

2

4 sterk

6

8

10

12

14

groei

Ondersteuners: organisatie, visie en kwaliteitsbeleid coördinatie teams overlegstructuur beleidsaandacht participatie externe communicatie visie ondersteuningsbeleid 0

2

4 sterk

6

8

10

12

14

16

groei

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 64 ]—


Scholen: organisatie, visie en kwaliteitsbeleid coördinatie teams externe communicatie visie ondersteuningsbeleid kwaliteitsbeleid 0

1

2

3 sterk

4

5

6

7

8

9

groei

Wat waarderen en verwachten de gesprekspartners? Het beleid OKT en de ondersteuners benadrukken vooral sterktes voor ‘teamwerking en visie’. Scholen spreken zich over deze onderwerpen minder vaak uit en als ze dat doen, dan zien ze vooral groeikansen. Visie -

-

Het beleid en de ondersteuners laten soms een duidelijke voorkeur blijken voor een of andere organisatievorm. o Sommige gesprekspartners pleiten voor een geïntegreerde werking of voor een structurele inkanteling van het OKT in een ONW. Andere aanbieders bepleiten het werken met twee sporen omdat ze een sterkte zien in de onafhankelijkheid van ONW brede types. o Andere aspecten van visie die tijdens de gesprekken als sterk punt werden aangehaald zijn: maatwerk, werken vanuit diversiteitsdenken, geloof in groei, oplossingsgericht kijken en aanpakken, met een duurzame ondersteuning voor ogen. o Het gebruik van gedeelde kaders wordt soms ook benadrukt. “Kunnen werken vanuit een duidelijke visie en breed gedragen kaders, waardoor alle ondersteuners een gelijkgerichte basishouding hebben en kwaliteitsvol werken, is een sterkte.“ Scholen spreken zich amper uit over visie en als het ter sprake komt, vermelden ze als sterke punten het werken met (een) ondersteuner(s) waarmee ze vertrouwd zijn (continuïteit) en wijzen ze op toegenomen duidelijkheid over de structuur van het ondersteuningsaanbod.

Teamwerking -

Het beleid en de ondersteuners vermelden als sterke punten in de teamwerking de multidisciplinariteit, de kleinschaligheid en de collegiale ondersteuning. o Multidisciplinariteit staat dan zowel voor de multidisciplinaire samenstelling van het team als de multidisciplinaire werking. o Een sterke teamwerking wordt gezien als een garantie voor het verzekeren en versterken van de noodzakelijke expertise, eventueel voor meerdere types. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 65 ]—


o

-

Het werken met regionale miniteams wordt als een sterk punt gezien omwille van de beheersbare en efficiënte verplaatsingen. Sommige gesprekspartners zien er ook een voordeel in omdat hierdoor eerder met vaste scholen wordt samengewerkt wat de continuïteit van de ondersteuning en de vertrouwensrelatie met de school bevordert. o Gesprekspartners wijzen op de mogelijkheid om campusgebonden (met de buo-school) of gezamenlijk met meerdere kleine teams van ondersteuners te overleggen wat kansen schept op het vlak van professionalisering. Scholen waarderen de teamwerking voor de beschikbare expertise. “Het feit dat de ondersteuners uit een sterk team komen en kunnen terugvallen op ergo, kiné en logo, is een sterk punt.”

Overleg en coördinatie Het belang van overlegstructuren komt vooral in de groepen met ondersteuners aan bod. De meerwaarde van de coördinatie wordt zowel door het beleid OKT, de ondersteuners als de scholen belicht. -

-

Het beleid OKT vermeldt de noodzaak van coördinatie. Om zo een sterk organisatorisch model te verzekeren, met aansturing van de interne samenwerking en coaching van ondersteuners. Ondersteuners waarderen de mate van zelfsturing, de vaste overlegmomenten alsook de interne en externe samenwerking en communicatie. De laagdrempeligheid van de coördinator werkt volgens hen ondersteunend. Zowel tijdens het overleg als tussen overlegmomenten in. Als scholen appreciatie uiten voor de coördinatie, dan verwijzen ze naar de vlotte bereikbaarheid, de aansturing, de sterke organisatie en de transparante structuur.

Ondersteuningsbeleid Scholen zien op het vlak van ondersteuningsbeleid vooral groeikansen. Ze staan niet alleen met die mening want ook het beleid en de ondersteuners zien mogelijkheden om de kwaliteit hiervan te versterken. -

Het beleid OKT vindt het geografisch efficiënter inzetten van ondersteuners belangrijk. Ook het optimaliseren van de flexibiliteit wordt als groeikans vermeld. Ondersteuners zien groeikansen voor de beschikbaarheid van didactisch materiaal, tijd om materiaal te ontwikkelen en de mogelijkheid om expertise te verbeteren. Scholen pleiten voor voldoende ademruimte en een haalbare opdracht, continuïteit van ondersteuner(s) en verdere ontwikkeling op het vlak van ondersteuning van de leraar en het schoolteam. “Hele schoolteam betrekken en niet enkel leerlinggericht ondersteunen.”

Externe communicatie -

-

Het beleid en de ondersteuners zien een aantal groeikansen. o Ze denken dan aan een duidelijkere communicatie over wat scholen van ondersteuning mogen verwachten en over de rol van de ondersteuner. o Ze zien mogelijkheden om zich sterker te profileren en hun werking meer bekendheid te geven. o De netwerking onderhouden en versterken gaat ook gepaard met externe communicatie en is eveneens een groeikans. o Daarnaast moet een sterkere externe communicatie helpen om bij scholen de mindshift naar inclusie te bevorderen. Sommige scholen signaleren een transparantere organisatiestructuur. Toch vermelden ze externe communicatie vooral als een groeikans. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 66 ]—


o

Scholen verwachten dat het organisatiemodel duidelijker wordt uitgelegd: “Ze kunnen de nieuwsbrief over hun interne werking dichter bij de school brengen”. De uitleg over verschillen tussen het aanbod OKT en ONW, tussen individuele ondersteuning en klassikale ondersteuning kan beter.

o

Kwaliteitsbeleid Over de groeikansen op het vlak van kwaliteitsbeleid spreken de ondersteuners zich niet uit. Het beleid OKT ziet meerdere groeikansen op organisatieniveau: o o o

het systematisch toezien op kwaliteit het versterken van informatiegeletterdheid: een betere registratie en gebruik van data het versterken van responsief handelen door in te zetten op de evaluatie van het ondersteuningsaanbod samen met de stakeholders o het verhogen van de betrouwbaarheid van de evaluatie van de ondersteuning door een evaluatie-instrument en wetenschappelijk onderbouwde criteria te gebruiken. Scholen vragen dat de aanbieders OKT “de kwaliteit die ze bieden, blijven behouden”.

Op het vlak van personeelsbeleid en professionalisering

Handicapspecifieke expertise en professionalisering worden door alle gesprekspartners vooral in waarderende zin vermeld. Het belang ervan wordt onderstreept wanneer gesprekspartners voor dezelfde onderwerpen ook nog groeikansen vermelden. Scholen vragen de aanbieders OKT op het moment van aanwerving aandacht te hebben voor de vereiste expertise.

Beleid: personeelsbeleid en professionalisering aanwerving handicapspecifieke expertise professionalisering evaluatie 0

2

4 sterk

6

8

10

12

14

groei

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 67 ]—


Ondersteuners: personeelsbeleid en professionalisering handicapspecifieke expertise professionalisering 0

5

10

15

sterk

groei

20

25

30

35

40

Scholen: personeelsbeleid en professionalisering aanwerving handicapspecifieke expertise professionalisering 0

2

4 sterk

6

8

10

12

14

16

groei

Wat waarderen en verwachten de gesprekspartners? De onderwerpen ‘professionalisering’ en ‘handicap- en niveauspecifieke expertise’ worden vaak samen vermeld. Over de noodzakelijke expertise beschikken en deze blijven actualiseren en versterken, loopt als een rode draad door alle gesprekken. De uitgesproken waardering van expertise in het OKT belet niet dat alle gesprekspartners ook groeikansen zien. Vanuit een bezorgdheid over het behoud van de noodzakelijke expertise, waarschuwen sommige gesprekspartners voor de valkuilen van een “brede inzetbaarheid”. Expertise -

Het beleid OKT benadrukt het belang van (handicapspecifieke) expertise, het delen van expertise en het verwerven of inzetten van expertise via samenwerking. Ondersteuners laten tijdens gesprekken meermaals blijken dat ze trots zijn op de expertise die ze in huis hebben, als individuele ondersteuner en als team. o De aandacht voor deskundige ondersteuning OKT wordt als een sterkte benoemd. Uit het voorgaande bleek al waardering voor de overlegmomenten en de collegiale ondersteuning die dit voortdurend in herinnering brengen en bevorderen. Daardoor leren de ondersteuners ruimer kijken en is er back-up indien nodig. “Het volledige team groeit door het delen van expertise.” o Alle gesprekspartners benadrukken meermaals het belang van continuïteit maar er valt blijkbaar ook iets te zeggen voor voldoende ervaring met verschillende scholen. “Nieuwe inzichten opgedaan dankzij het werken in verschillende scholen.” Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 68 ]—


-

Uit de volgende uitspraken van scholen blijkt waardering voor expertise. “Ze kennen hun vak.” “Zeer goede expertise bij de ondersteuners.” “Veel expertise met veel quickwins voor leraren.” “Expertise kleine types is groot en veel waard.” “De expertise is sterk bij de kleine types.” o De verschillende gesprekken geven inzicht in wat scholen precies waarderen en verwachten: vakmanschap en expertise goed inzetten. Bijvoorbeeld door de vereiste afstemming tussen behoeften en aanbod te realiseren, hulpmiddelen aan te reiken en pedagogisch handelen te versterken. Scholen vinden het ook belangrijk dat ondersteuners hun eigen beperkingen op het vlak van expertise kennen en op verschillende vlakken expertise verwerven en inzetten. Het gaat dan over handicapspecifieke expertise, niveaugebonden expertise in basis- en secundair onderwijs, expertise op leerling-, leraar- en teamniveau. o Tot de expertise behoort ook het opbouwen van duurzame relaties tussen school en ondersteuner. Vanuit dat oogpunt is het niet verwonderlijk dat scholen het beschikken over expertise een belangrijke voorwaarde voor aanwerving vinden. o De noodzakelijke expertise wordt niet noodzakelijk van één persoon verwacht maar moet wel vlot beschikbaar zijn vanuit het aanbod en door samenwerking. Expertise delen, elkaar als ondersteuner aanvullen en leren uit samenwerking wordt als een sterkte gewaardeerd en als dat niet het geval is, dan wordt het als groeikans vermeld.

Professionalisering -

-

Het beleid OKT en ondersteuners vinden het belangrijk dat expertise actueel blijft en groeit. o Ze denken daarbij onder meer aan het behouden van handicapspecifieke expertise en het versterken van coaching van leraren. Dat gebeurt bijvoorbeeld vanuit de teamwerking, de multidisciplinaire werking en in samenwerkingsverband. In samenwerking met een MFC, met een ONW en met buo-scholen. “Blijven focussen op verruiming van kennis over de doelgroep (type).” o Op het vlak van professionalisering vermelden ondersteuners de aanvangsbegeleiding, professionaliseringskansen en lerende netwerken als gewaardeerde kenmerken van een goed werkend ondersteuningsmodel. “Ik heb als expert zelf veel kunnen leren de voorbije drie jaar.” o Ondersteuners wijzen op een behoefte aan vorming over omgaan met weerstand bij schoolteams. “Nog niet elke school is klaar voor inclusie.” Scholen zien kansen in het delen van expertise. o Ze waarderen het wanneer een ondersteuner goed op de hoogte is van alle beschikbare hulpmiddelen. Toch benadrukken ze dat niet enkel de technische kennis aandacht mag krijgen. Scholen vragen ook expertise op het vlak van socio-emotionele behoeften en ondersteuning om gedrag te interpreteren en hanteren. o Scholen geven ondersteuners de tip om gebruik te maken van de gelegenheid om bij elkaar te hospiteren. o Ze verwachten van de ondersteuners groei op het vlak van ondersteuning van de leraar en het schoolteam.

Op het vlak van de vormgeving van de ondersteuning

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 69 ]—


Ondersteuning en afstemming worden door alle gesprekspartners vooral in waarderende zin vermeld. Het komt hoofdzakelijk bij de ondersteuners en de scholen ter sprake en ze zien naast sterktes ook groeikansen. Andere onderwerpen die in dat verband bovendrijven zijn toewijzing, beeldvorming en evaluatie en bijsturing.

Beleid: vormgeving van de ondersteuning toewijzing samenwerken met scholen ondersteuning evaluatie/resultaten en effecten beeldvorming afstemming 0

0,5

1

1,5

sterk

2

2,5

3

3,5

4

4,5

groei

Ondersteuners: vormgeving van ondersteuning toewijzing beeldvorming afstemming ondersteuning evaluatie en bijsturing handelingsgericht werken 0

2

4

6 sterk

8

10

12

14

16

groei

Scholen: vormgeving ondersteuning aanmelding toewijzing beeldvorming afstemming ondersteuning evaluatie en bijsturing handelingsgericht werken 0

5

10 sterk

15

20

25

30

groei

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 70 ]—


Wat waarderen en verwachten de gesprekspartners? Ondersteuning Tijdens de bespreking van de ondersteuning wordt vooral de uitvoering van de ondersteuning gewaardeerd. -

-

Het beleid OKT en de ondersteuners vermelden de beeldvorming en de planmatige aanpak als een troef. o Ze zien het als een illustratie van hun expertise wanneer ze er in slagen een goed zicht te krijgen op wat zich in de klas afspeelt en op wat anders (beter) zou kunnen. “We realiseren effect op de klasvloer door met de ondersteuning aan te sluiten op de vraag en behoefte van de leraar/leraren. Daardoor komen we ook tot aanpassingen die de basiszorg versterken.” o Ze vermelden het werken met een plan van aanpak/ondersteuning dat veel meer is dan louter een administratief document. Het geeft doorheen het ondersteuningstraject houvast en biedt transparantie over doelen, inzet van middelen, flexibiliteit en voortgang. Scholen zijn positief over de houding en de werkwijze van ondersteuners en over wat ze (samen) realiseren. Wat de scholen vermelden, komt ook in gesprekken met de ondersteuners aan bod. o Scholen waarderen de betrokkenheid van de ondersteuners, hun engagement en oplossingsgericht handelen. “Ook de zorgcoördinator voelt zich ondersteund”. o Ze verwachten duidelijke afspraken en maatwerk. o De aanwezigheid van de ondersteuners op vaste momenten en hun perspectief op leerlingen, wordt als een meerwaarde vermeld. o Flexibiliteit wordt gewaardeerd. o Scholen waarderen het wanneer ze meer tijd krijgen om met een leerling te werken en extra ondersteuning ervaren bij overgangen in de onderwijsloopbaan en extra murosactiviteiten. o Ondersteuning op het niveau van individuele leerlingen door het OKT wordt soms nadrukkelijk als een sterk punt vermeld. “Het is ook nodig en in de brede types mag het niet meer.” Deze uitspraak klopt niet met de regelgeving, maar het illustreert de verwarring over wat scholen begrijpen als regelgeving, visie en werkwijze. De plaats van individuele ondersteuning leidt tot uiteenlopende meningen over ondersteuning op leerlingniveau.

Afstemming Over de afstemming tijdens het ondersteuningstraject is er bij de drie gesprekspartners tevredenheid. -

Alle gesprekspartners waarderen flexibiliteit, maatwerk, oplossingsgericht werken, communicatie over het ondersteuningstraject en duidelijke afspraken. - De rol die ondersteuners opnemen bij het informeren en betrekken van ouders, wordt gewaardeerd. “Ze communiceren met alle betrokkenen en zorgen ervoor dat iedereen dezelfde informatie en feedback krijgt.” Dat ondersteuners de communicatie verzorgen over het ondersteuningstraject, wordt blijkbaar van hen verwacht. Alle gesprekspartners zien groeikansen om de afstemming te versterken. Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 71 ]—


-

-

Het beleid OKT ziet mogelijkheden om de afstemming over de aanmeldingsprocedure te verbeteren waardoor aanmelden efficiënter en toegankelijker wordt . Scholen en ondersteuners vragen om in een vast overlegmoment te voorzien met de leraar en de zorgcoördinator (leerlingenbegeleider). Deze vraag sluit aan bij de groeikansen die alle gesprekspartners zien om nog meer in te zetten op het coachen van de leraar en het schoolteam. Scholen vragen om informatie (o.a. oudere CLB-verslagen) langere tijd beschikbaar te houden. Daarnaast vermelden ze het bepalen van het meest geschikte moment om ondersteuning te bieden als groeikans. Niet elke dag of elk moment van de dag past de school het best of lijkt hen het meest geschikt.

Beeldvorming -

-

Het beleid OKT en ondersteuners benoemen een aantal sterke punten wanneer het over beeldvorming gaat. o Ze denken dan aan de manier waarop ze het kind centraal stellen, op maat observeren en vaststellingen in beeld brengen. Om de informatie vervolgens in het plan van aanpak/ondersteuning in doelen te verwerken. “We kijken goed naar wat de leerling nodig heeft binnen de concrete context.” o Het beleid OKT en ondersteuners zien groeikansen wanneer het gaat over een complexe combinatie van specifieke onderwijsbehoeften. Vanuit verschillende expertises kijken, ook wat typologie betreft, is dan nodig. Ze zien bovendien mogelijkheden om de zorgvragen beter te verwoorden vanuit een complementaire samenwerking met betrokkenen. In de gesprekken met scholen komt de beeldvorming niet expliciet aan bod. Tijdens het gesprek over sterktes en groeikansen kwam wel ter sprake dat de socio-emotionele component in de beeldvorming niet mag worden vergeten.

Toewijzing Over de toewijzing van de ondersteuningstrajecten gaan de uitspraken vaak in dezelfde richting, ongeacht de gesprekspartner. -

Het beleid OKT benadrukt het belang van betere netoverstijgende samenwerking om de juiste expertise bij de leerling te krijgen. Ondersteuners benadrukken het belang van continuïteit vanuit het perspectief van de leerling én de school. Continuïteit verzekeren doorheen het ondersteuningstraject, staat eveneens centraal in de reacties van scholen. Scholen hechten er belang aan dat ondersteuners de school goed kennen en dat er een vertrouwensrelatie kan worden opgebouwd.

Evaluatie en bijsturing Er viel in gesprekken regelmatig te horen dat de ondersteuningstrajecten meermaals in een schooljaar worden geëvalueerd en bijgestuurd. De gesprekspartners vinden de evaluatie sterk als: -

ze gebeurt op maat en vanuit de vraag “wat hebben de leerling en leraar/leraren nodig?”. Wat is de leervraag van de leraar? er wordt nagedacht over het afronden van een ondersteuningstraject. Ondersteuning kan op een bepaald ogenblik minder nodig zijn en later weer noodzakelijk worden, bv. bij een stage. De basis- en verhoogde zorg blijft vaak een continu aandachtspunt. Ondersteuners wijzen om Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 72 ]—


-

die reden op de uitdaging om een goede manier te vinden om de ondersteuning af te ronden. “We moeten tot een gezond evenwicht komen wat afronden betreft.” de scholen effecten op de klasvloer, in de vakgroepwerking en op het niveau van het schoolteam ervaren. Op die manier draagt de ondersteuning immers bij aan de kwaliteit van hun zorgbeleid. In een van de gesprekken met scholen kreeg de aanbieder OKT daarom als groeikans mee dat ze “veel beter hun resultaten moeten zichtbaar maken, ondermeer met beeldmateriaal.”

Op het vlak van samenwerking In gesprekken met het beleid OKT en ondersteuners vallen vooral de onderwerpen ‘expertise delen met buo-scholen’, ‘samenwerken met het CLB’ en ‘samenwerken met scholen’ op. Ze vermelden vooral kenmerken die ze waarderen. Dat geldt ook voor scholen. Ze waarderen de samenwerking met de aanbieders OKT en net zoals de ondersteuners appreciëren ze de samenwerking met ouders en leerlingen. Vooral het beleid OKT ziet op het vlak van samenwerking nog groeikansen met de betrokken partners, zeker met de ouders en de leerlingen. Scholen denken eerder aan een sterkere relatie met de aanbieders OKT.

Beleid: samenwerking samenwerken met leerlingen en ouders samenwerken met school samenwerken met CLB samenwerken met PBD expertise deling met andere buo samenwerking i.f.v. dekkend aanbod 0

2

4

sterk

6

8

10

12

14

groei

Ondersteuners: samenwerking samenwerken met leerlingen en ouders samenwerken met school samenwerken met CLB samenwerken met PBD expertisedeling met andere buo 0

1 sterk

2

3

4

5

6

7

8

9

10

groei

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 73 ]—


Scholen: samenwerking samenwerken met leerlingen en ouders samenwerken met school samenwerken met CLB samenwerken met PBD 0

2

4

sterk

groei

6

8

10

12

14

16

Wat waarderen en verwachten de gesprekspartners? Samenwerking met scholen Scholen waarderen doorgaans de samenwerking met de aanbieders OKT. Het beleid OKT, ondersteuners en scholen benoemen dezelfde sterktes. Er is waardering voor: -

de betrokken, verbindende, empathische en gedreven houding van de ondersteuners de open en diplomatische communicatie die voortvloeit vanuit partnerschap. “Er is een gezonde en professionele afstand ten aanzien van het team, met een constructieve, kritische blik.” - de flexibiliteit van de ondersteuners Ondersteuners vinden de dialoog en het verbindend samenwerken met alle betrokkenen een belangrijke voorwaarde om op klas- en schoolniveau te kunnen werken en om duurzame resultaten te boeken. “Zowel klas- als leraarondersteunend werken, is positief. We werken goed samen en het heeft effect.” Tegelijk vermelden ze dat het belangrijk is om onafhankelijk te zijn. Expertisedeling met buo-scholen en netoverschrijdend expertise opbouwen Alle gesprekspartners verwachten dat samenwerking voor de nodige expertise zorgt. Het wordt gewaardeerd als het er is en als een groeikans geformuleerd als ze het missen of niet meer op dezelfde manier ervaren als voorheen. -

-

-

De expertisedeling met andere buo-scholen komt vooral ter sprake bij het beleid en de ondersteuners. Soms wordt ook naar de samenwerking met het MFC en met MPIGO’s verwezen, die via het buo toegankelijk zijn. De samenwerking met buo (en MFC) maakt de uitwisseling van materiaal mogelijk, zorgt voor expertisedeling op het vlak van didactiek en doelgroepspecifieke knowhow. Over de sterkte van de regionale en netoverstijgende samenwerking variëren de reacties. Soms ontstaat een productieve samenwerking met het buo of met een lerend netwerk. Er zijn evenwel verschillen tussen de regio’s. Een groeipunt is het overleg over de regio’s heen en breder dan voor een groep scholen. Er is waardering wanneer het partnerschap voor samenwerking en expertisedeling zorgt. “Wij zijn onderdeel van een breder continuüm binnen zorg en onderwijs.” Gesprekken bevestigen meermaals het beeld van bruggenbouwer: “Onze netwerkfunctie als bruggenbouwer is een sterkte”.

Ouderbetrokkenheid Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 74 ]—


-

Ondersteuners en scholen schuiven de samenwerking met ouders en leerlingen vooral als een sterk kenmerk naar voor. Ouderbetrokkenheid zou moeten blijken uit een laagdrempelige werking en de realisatie van partnerschap en verbindend samenwerken.

Ook al is er bij de gesprekspartners doorgaans een grote tevredenheid over de samenwerking, het neemt niet weg dat ze ook groeikansen zien. -

-

-

Het beleid OKT ziet groeikansen op het vlak van samenwerking met ouders, lerende netwerken en samenwerking tussen alle betrokken partners. o In scholen die weinig inzetten op ouderbetrokkenheid missen ondersteuners soms het contact met ouders. De aanbieder OKT moet er dan zelf actief oog voor hebben. o Verder ziet het beleid kansen in het versterken van lerende netwerken met scholen (bubao en buso) om bijvoorbeeld samen efficiënte en ondersteunende materialen te ontwikkelen. o Tot slot ziet het beleid mogelijkheden om de afstemming met verschillende partners verder te ontwikkelen en efficiënter te maken. Ondersteuners vermelden groeikansen voor wat betreft het betrekken van leraren en hun integratie als ondersteuner in het schoolteam. o Vooral in het secundair onderwijs benoemen ze dit als een uitdaging. Er is nood aan een efficiënte organisatie van de ondersteuning op maat van het secundair onderwijs. Scholen vermelden in dit verband dat ze nog meer van elkaar kunnen leren. o Ze zien kansen in het verder ontwikkelen van lerende netwerken en openstellen van vormingen. o Net zoals de ondersteuners tijd voor overleg met leraren en schoolteam vragen (zie Vormgeving ondersteuning), brengen scholen dit ook ter sprake wanneer het over samenwerking gaat. “Er is meer tijd nodig om leraren te versterken en intensiever te begeleiden.” o Een andere uitspraak wijst op de behoefte aan regelmaat: “Systematisch overleg tussen school en ondersteuner maakt van hen een systematisch klankbord voor de school.”

Signalen van de gesprekspartners aan de overheid

De ontwikkeling van een visie, een organisatie- en kwaliteitsbeleid vereist een helder en stabiel wettelijk kader. Dat geldt ook voor de vormgeving en uitvoering van ondersteuningstrajecten. Vooral bij het beleid OKT en de ondersteuners hoorden we meermaals dat het ontbreken van een helder en stabiel wettelijk kader remmend werkt. Ook scholen zijn zich bewust van de moeililijkheden om in de huidige omstandigheden een ondersteuningsaanbod met voldoende expertise uit te bouwen. Het verklaart wellicht waarom alle gesprekspartners op het einde van het gesprek ook meerdere groeikansen voor de overheid melden. De meeste signalen aan de overheid gaan over: personeelszaken en het behouden en verwerven van expertise. Verder zijn er suggesties met het oog op het versterken van het zorgbeleid in scholen voor gewoon onderwijs, het bevorderen van een meer proactieve samenwerking met partners en Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 75 ]—


communicatie van de overheid over inclusie en begeleiding/ondersteuning. De gesprekspartners formuleren hierover soms ook voorstellen op het vlak van regelgeving en middelenverdeling. Houvast voor de aanbieder OKT op het vlak van personeelsbeleid Aanbieders OKT vragen een wettelijk kader dat hen de mogelijkheden geeft om een eigen personeelsbeleid te voeren. Dat vereist volgens hen duidelijkheid over het ambt van de ondersteuner, middelen en uren voor het inrichten van een coördinerende functie en het wegwerken van mechanismen in de middelenverdeling die voor ongelijkheden tussen het personeel zorgen. Volgende uitspraken illustreren dit: -

-

-

-

-

Er is een ambt van ondersteuner nodig. Een loopbaanperspectief is nodig om de job van ondersteuner aantrekkelijk te maken en ze hebben net als andere personeelsleden ook recht op bescherming. Er zou tijdig duidelijkheid moeten zijn over de middelen die een aanbieder OKT beschikbaar heeft om een personeelsbeleid te voeren, zodat de ondersteuningen op 1 september kunnen starten. Als een multidisciplinaire samenstelling belangrijk is, dan moeten daar middelen voor worden voorzien. Een helder maar afgebakend mandaat zou helpen om de opdracht van de ondersteuner haalbaar te houden. De rol van de ondersteuner uitklaren in relatie tot de andere betrokkenen en gelet op de expertise die van elke partner wordt verwacht, is nodig. Er is coördinatie OKT nodig. Bijvoorbeeld om te voorzien in een sterke teamwerking, in het regelen van professionalisering en expertisedeling en om samenwerking op het niveau van het ondersteuningstraject te bevorderen. De middelen die vereist zijn om ambten in te richten, verschillen al naargelang het onderwijsniveau en diploma’s. Dat zorgt voor ongelijkheden tussen ondersteuners en het heeft invloed op de mate waarin flexibel kan worden omgegaan met de toewijzing van middelen en uren. De overheid moet ervoor zorgen dat de nodige werkmaterialen beschikbaar zijn en dat er kan geïnvesteerd worden in een materialenbank.

Noodzakelijke expertise behouden, verwerven en actualiseren Expertise behouden, verwerven en actualiseren kwam bij alle gesprekspartners aan bod. Wat sommige aanbieders OKT in het verleden aan expertise en expertisedeling hebben opgebouwd, vinden ze noodzakelijk en waardevol. Ze willen dit zoveel mogelijk borgen. Daarnaast zijn er nieuwe uitdagingen. Alle gesprekspartners zijn het erover eens dat er een wettelijk kader nodig is dat de aanbieders OKT toelaat een professionaliseringsbeleid en teamwerking uit te bouwen met voldoende waarborgen op het vlak van expertise. Of dat structureel beter via een een-sporenmodel of een twee-sporenmodel lukt, daarover lopen de meningen uiteen. Volgende uitspraken illustreren dit: -

Omdat de ondersteuners vandaag te weinig werkzekerheid hebben, vloeit er ervaring en expertise weg. Om dat te vermijden moet de overheid de ondersteuners meer continuïteit bieden.

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 76 ]—


-

-

-

-

-

Als de overheid de job van ondersteuner aantrekkelijker wil maken, dan kan ze expertise borgen door te zorgen voor een evenwicht tussen uitdaging, stabiliteit en verdieping van expertise. Door te voorzien in tijd voor overleg en middelen voor coaching. Er zijn middelen nodig voor professionalisering. Ondersteuners kunnen bijvoorbeeld nog groeien in het omgaan met het spanningsveld tussen de noden van de leerling en wat de leraar aankan. Het gebruik van het ICF-kader is niet makkelijk en ermee werken kan worden versterkt. Verschillen tussen ondersteuners op vlak van expertise moeten snel kunnen weggewerkt worden. De overheid moet netoverschrijdend werken verplichten. Nu is het te vrijblijvend en dat gaat vooral ten koste van de expertisedeling. Aanbieders OKT hebben flexibiliteit nodig in de toewijzing van uren. Het is een uitdaging om op het juiste moment, op het juiste niveau, in de juiste expertise te voorzien. Het is belangrijk dat een overheid die flexibiliteit bevestigt en bevordert. De daling van de werkingsmiddelen OKT zorgt voor moeilijkheden. Hier is een correctie nodig om te vermijden dat er amper voldoende werkingsmiddelen zijn voor het terugbetalen van de verplaatsingskosten van de ondersteuners. De teamwerking is belangrijk voor de ondersteuning van ondersteuners. Ook voor overleg tussen ondersteuners moet er in uren worden voorzien.

Een basis om met de ondersteuning op verder te bouwen Aanbieders OKT stoten op grote verschillen op het vlak van zorgbeleid in de scholen voor gewoon onderwijs waar ze mee samenwerken. Deze verschillen hebben invloed op de vormgeving van de ondersteuning en op wat de ondersteuners OKT moeten en kunnen investeren om ook op leraar- en teamniveau ondersteuningsdoelen te realiseren. Aanbieders OKT vragen de overheid gerichter in te zetten op het versterken van de basis- en verhoogde zorg in elke school en alle gesprekspartners vragen in voldoende middelen en uren te voorzien om met leraren te overleggen en hen te coachen. Volgende uitspraken illustreren dit: -

-

-

De grote verschillen tussen scholen in de fase 0 (basiszorg) en 1 (verhoogde zorg) van het zorgcontinuĂźm kunnen door de overheid gerichter weggewerkt worden. De overheid gaf een mandaat om leraargericht te werken, maar het moet ook mogelijk gemaakt worden. Er zijn meer middelen en uren nodig om meer en met meer resultaat te kunnen ondersteunen op leraar- en teamniveau. Er zou in de opdracht van de leraren en ondersteuners tijd voor overleg en coaching moeten worden voorzien. Er zijn middelen nodig om ook voldoende met de leerling te kunnen werken. Dat zou moeten verzekerd zijn. Soms is dat nodig en het geeft de leraar de kans om met inclusie vertrouwd te raken en met de leerling een andere relatie aan te gaan. Begeleiding bij extra muros-activiteiten kan de band met de leraren versterken en inclusie bevorderen. Hiermee moet dan wel rekening worden gehouden bij het berekenen van de vereiste uren en middelen.

Proactief samenwerken

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 77 ]—


Procedures kunnen een proactieve aanpak belemmeren. Soms als gevolg van inschrijvingsregels, of als gevolg van verschillen tussen GV en V, of omdat er momenteel regels zijn die een vroege of voldoende samenwerking tussen partners beletten. Volgende uitspraken illustreren dit: -

-

-

-

De invloed van de koppeling van het IAC aan een verslag op het tijdig en snel opstarten van ondersteuning, zou moeten herbekeken worden. Idem voor de inschrijving onder ontbindende voorwaarde. Ondersteuners kunnen vanuit hun expertise een adviesfunctie opnemen tijdens het HGD-traject en zo bijdragen aan een juiste en rijke beeldvorming. Daardoor kunnen doelen concreter worden geformuleerd en kan er tijd worden gewonnen. Ondersteuners OKT kunnen bijvoorbeeld een adviesfunctie krijgen. Hiervoor is een soort basispakket aan uren en middelen nodig om deze rol op te nemen. De regelgeving moet het ook mogelijk maken. In de samenwerking met scholen zouden ondersteuners OKT sneller moeten betrokken worden om een escalatie te vermijden. “We zouden moeten kunnen adviserend werken op fase 0 en 1. Dan kunnen we sneller ingrijpen. Nu is de leerling soms al geschorst tegen de tijd dat we kunnen ondersteunen.” Herbekijk de regels op het vlak van inschrijving vanuit de noden van de leerling met specifieke onderwijsbehoeften. Zorg dat er tijdig duidelijkheid is over de inschrijving zodat het noodzakelijke studiemateriaal in september meteen beschikbaar is. Bijvoorbeeld leermateriaal in braille. “Braillisten zouden een recht op voorinschrijving moeten hebben om tegen september rond te geraken met de omzetting van leermateriaal.”

Externe communicatie door de overheid -

Het inclusieverhaal kan positiever in de pers worden gebracht en de overheid kan meer ruchtbaarheid geven aan goede voorbeelden. Wat verwacht de overheid op het vlak van brede basiszorg van elke school, voor alle leerlingen? “Wat is hun perspectief op vlak van brede basiszorg voor alle leerlingen?”

Terreinverkenning Ondersteuning Kleine Types (maart 2020)

—[ 78 ]—


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook