Skip to main content

Deel_3_01_Lerende_Vlaming.pdf

Page 1

De Lerende Vlaming

De Lerende Vlaming


inhoudstafel

Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE 1.1 De Vlaamse streefdoelen in vergelijkend perspectief (Pact 2020, Europa 2020) 1.2 De leraar maakt het verschil, maar het beroep staat onder druk 1.3 Toenemende diversiteit in een gesegregeerde samenleving 1.4 Onderwijs als sociaal grondrecht voor iedereen staat op gespannen voet met de heersende selectiepraktijken 1.5 De capaciteitsdruk blijft verder toenemen, waardoor de historisch gegroeide achterstand op het vlak van investeringen in onderwijsinfrastructuur groter wordt 1.6 Slim investeren in onderwijs en vorming leidt tot welvaart en economische groei

02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN SD1. Het garanderen van voldoende, deskundige en gemotiveerde leraren Beleidsvoorstel 1: Excellente leraren door een versterkte initiële lerarenopleiding en een loopbaanlange professionalisering Beleidsvoorstel 2: Via aangepaste arbeidsvoorwaarden het lerarenberoep aantrekkelijk en uitdagend houden op een krapper wordende arbeidsmarkt

46 46 47 49 50

51 52

54 54

54 56

SD2. Samen leren maar toch op maat door onderwijsinnovatie en nieuwe onderwijsvormen

57

Beleidsvoorstel 3: Het aanbieden van kwaliteitsvolle en geïntegreerde onderwijs- en opleidingstrajecten zodat elke lerende een kwalificatie behaalt en over de noodzakelijke sleutelcompetenties beschikt Beleidsvoorstel 4: Leerloopbanen levenslang stimuleren en begeleiden

58 60

SD3. Kwaliteit waarborgen en stimuleren Beleidsvoorstel 5: Realiseren van sterke en professionele schoolbesturen Beleidsvoorstel 6: De lat voldoende hoog leggen voor elke lerende Beleidsvoorstel 7: De interne kwaliteitszorg en externe kwaliteitscontrole verder versterken

61 61 62 63


Bijlage: Samenvattend overzicht

SD4. Het moderniseren en uitbreiden van de infrastructuur om te leren en het uitbouwen van innovatieve leeromgevingen

65

Beleidsvoorstel 8: Een geïntegreerde en multifunctionele aanpak inzake schoolinfrastructuur, ICT en innovatie

65

SD5. Blijvend investeren in onderwijs Beleidsvoorstel 9: Efficiëntere en effectievere toekenning en aanwending van de overheidsmiddelen voor onderwijs realiseren Beleidsvoorstel 10: Het billijk verdelen van de kosten tussen en binnen de Vlaamse overheid en derden

03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen

67 68 69

71


De Lerende Vlaming

01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

1.1

De Vlaamse streefdoelen in vergelijkend perspectief (Pact 2020, Europa 2020)

In het Pact 2020 en onder impuls van Europa 2020 heeft Vlaanderen zichzelf een aantal zeer ambitieuze doelstellingen opgelegd. Wat de kleuterparticipatie, de lage presteerders in PISA, de tewerkstellingsgraad van gekwalificeerde schoolverlaters en de percentages jongeren met een diploma hoger onderwijs betreft, kan Vlaanderen positieve resultaten voorleggen en zijn de Europese benchmarks al gehaald. Een aandachtspunt is wel dat er, met uitzondering van het aantal jongeren met een diploma hoger onderwijs, geen positieve evolutie meer is voor al die doelstellingen. Als de negatieve tendens in de Vlaamse PISA-cijfers aanhoudt, zal tegen 2020 ook deze benchmark niet langer gehaald worden. Op het vlak van vroegtijdig schoolverlaten kunnen we in Europees vergelijkend perspectief vrij gunstige cijfers voorleggen, maar we staan nog ver af van de uiterst ambitieuze doelstellingen die Vlaanderen zichzelf daarvoor heeft opgelegd. Minder positief zijn de lage cijfers voor de participatie aan levenslang leren. Daar scoort Vlaanderen onder het Europese gemiddelde en is er geen positieve evolutie merkbaar, waardoor de doelstelling van 15% ver buiten bereik ligt.

2006

2008

2010

2011

Doelstelling Doelstelling Pact 2020 EU 2020

2012

Vroegtijdig schoolverlaten. Percentage 18-24-jarigen zonder voldoende startkwalificatie en die geen opleiding volgen (EAK) Vl. Gew.

10,0

8,6

9,6

9,6

8,7

4,3

5,2

BE

12,6

12,0

11,9

12,3

12,0

nvt

9,5

EU27

15,5

14,9

14,1

13,5

12,8

nvt

10

Hoger onderwijs. Percentage 30-34-jarigen met een diploma hoger onderwijs (EAK) Vl. Gew.

42,7

43,6

44,9

42,3

45,3

Stijging

47,8

BE

41,4

42,9

44,4

42,6

43,9

nvt

47

EU27

28,9

31,1

33,6

34,6

35,8

nvt

40

Kleuterparticipatie. Percentage in de leeftijdsgroep tussen vier jaar en de leerplichtige leeftijd dat participeert aan voorschools onderwijs (Eurostat) Vl. Gem.

99,6

BE

99,9

99,5

99,1

EU27

89,3

91,2

92,4

98,8v

-

-

98,1

98,8v

nvt

-

93,2

91,7v

nvt

95


01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

2006

2008

2010

2011

Doelstelling Doelstelling Pact 2020 EU 2020

2012

Tewerkstellingsgraad van gekwalificeerde schoolverlaters. Tewerkstellingsgraad onder de 20-34-jarige gekwalificeerde jongeren die maximaal drie jaar eerder het onderwijs verlieten (EAK) Vl. Gew.

89,2

90,5

88,4

86,4

86,5

-

-

BE

81,1

83,9

81,3

80,8

80,9

nvt

-

EU27

79,0

82,0

77,5

77,2

75,7

nvt

82

Levenslang leren. Percentage 25-64-jarigen dat deelneemt aan opleidingen tijdens referentieperiode van vier weken vóór de enquête (EAK) Vl. Gew.

8,3

7,6

8,2

7,5

6,8

15

-

BE

7,5

6,8

7,2

7,1

6,6

nvt

-

EU27

9,5

9,4

9,1

8,9

9,0

nvt

15

Lage presteerders lezen / wiskunde / wetenschappen. Percentage 15-jarigen met onvoldoende competenties per PISA-domein (OESO, PISA) 2003

2006

2009

2012

Vl. Gem.

13 / 12 / nb

1

14 / 12 / 12

13 / 14 / 13

14/15/15

-

-

BE

18 / 17 / nb

20 / 17 / 17

18 / 19 / 18

16/19/18

nvt

-

EU

nb / nb / nb

23 / 24 / 20

20 / 22 / 18

18/22/17

nvt

15/15/15

Hoger onderwijs. Percentage starters in het hoger onderwijs met een laag- of middengeschoolde moeder (Ministerie van Onderwijs en Vorming) Vl. Gem.

2008-20092

2009-2010

2010-2011

58

55

53

60

-

nvt = niet van toepassing / (n)nb = (nog) niet beschikbaar / - = geen streefdoel gedefinieerd12

1.2

De leraar maakt het verschil, maar het beroep staat onder druk

Onderwijseffectiviteitsonderzoek toont in grote mate aan dat de invloed van de leraar op de onderwijsprestaties van leerlingen groot is3 , met een blijvende impact op het verdere leven van die leerlingen.

1

Het PISA raamwerk voor Wetenschappen was nog niet volledig uitgewerkt in 2003, zodat nog geen niveaus kunnen worden bepaald.

2

Uitstroomjaar secundair onderwijs. De cijfers van de twee recentste jaren kunnen nog licht stijgen, omdat het starten in het hoger onderwijs tot drie jaar na het uitstroomjaar in het secundair onderwijs wordt meegenomen.

3

Hattie, J. (2009). Visible learning: A synthesis of over 800 meta-analyses relating to achievement. New York: Routledge.


De Lerende Vlaming

Onderzoek wees onder meer uit dat leerlingen met een sterkere leraar in het vierde leerjaar basisonderwijs, later meer verdienen dan leerlingen die niet zoveel geluk hadden.4 Excellent onderwijs heeft excellente leraren nodig. Daarom is het een zorgwekkende vaststelling dat het beroep onder druk staat. Het gemiddelde onderwijsniveau van de beroepsbevolking is de afgelopen decennia gestaag toegenomen, terwijl het gemiddelde onderwijsniveau van leraren zelfs licht is gedaald. Naarmate de leraren met een masterdiploma als gevolg van pensionering en TBS uitstromen, daalt het gemiddelde opleidingsniveau van de beroepsgroep. Elke nieuwe generatie instromende leraren telt immers minder masters.5 Onder meer daardoor is de relatieve positie van het lerarenberoep op de maatschappelijke ladder gedaald, wat uiteindelijk de status van het beroep aantast. Nochtans wordt het onderwijs geconfronteerd met nieuwe en grotere uitdagingen, zoals de omgang met een meer divers leerlingenpubliek en een complexere maatschappelijke omgeving (zie ook vaststelling 2). De lerarenopleiding bereidt te weinig voor op het lesgeven in een grootstedelijke context, zo bleek ook uit de evaluatie van de commissie Biesta. Die evaluatie legde ook andere pijnpunten van de lerarenopleiding bloot, zoals de gebrekkige aanvangsbegeleiding voor starters, de vaststelling dat er in de klas onvoldoende gedifferentieerd wordt en dat de instroom in de lerarenopleidingen te weinig divers is. Daarnaast is de vaststelling in internationaal vergelijkend perspectief dat Vlaamse leraren weinig deelnemen aan bijscholing6, eveneens verontrustend. Behalve indicaties van een veranderende instroom is er ook het hardnekkige probleem van de snelle uitstroom, wat leidt tot een groot verlies aan potentieel. De vroege uitstroom van jonge leraren die binnen vijf jaar het beroep verlaten, bedraagt ongeveer 12% in het kleuteronderwijs en 14% in het lager onderwijs. In het secundair onderwijs is de situatie het meest problematisch en loopt de vroege uitstroom op tot 22%. Sinds enkele jaren worden we geconfronteerd met een lerarentekort, dat de volgende jaren nog nijpender zal worden. Volgens prognoses zullen in de periode 2012-2022 27 036 vacatures in het basisonderwijs en 32 600 in het secundair onderwijs moeten worden vervuld. Tegenover een geprojecteerd aanbod van nieuwe afgestudeerden ontstaat daardoor een geraamd tekort van bijna 9000 personeelsleden in het basisonderwijs of bijna vier niet vervulde vacatures per basisschool. In het secundair onderwijs is er een geraamd tekort van ongeveer 8000 leraren.7 De toekomstige uitdagingen voor de lerarenproblematiek zijn dus zowel van kwantitatieve als kwalitatieve aard.

Strategische doelstelling 1: Het garanderen van voldoende, deskundige en gemotiveerde professionals

4

Chatty, R., Friedman, J.N. & Rockoff, J.E. (2012). The Long-Term Impact of Teachers. NBER working paper nr. 17699.

5

Elchardus, M. et. al (2009). Het beroep van de leraar doorgelicht. Een cross-sectionele en longitudinale studie naar het profiel en de loopbaan van leraren in vergelijking met andere beroepsgroepen. Brussel: OBPWO.

6

Deneire, A. et. al (2009). Onze leerkrachten vandaag: lesgeven in de eerste graad van het secundair onderwijs. Eerste resultaten van de Teaching And Learning International Survey TALIS. Antwerpen: UA.

7

Poelmans, Patrick (publicatie gepland in 2014). Verkenning van de toekomstige personeelsbehoeften in het basisonderwijs en secundair onderwijs. Een kwantitatieve benadering. Brussel: Agodi.


01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

1.3 Toenemende diversiteit in een gesegregeerde samenleving

De Vlaamse samenleving wordt gekenmerkt door sociale en etnische segregatie en separatie op verschillende niveaus en domeinen, waaronder ook het onderwijs. Onderwijs slaagt er niet alleen onvoldoende in om daarin een kentering teweeg te brengen, maar bestendigt zelfs een aantal van die factoren. In de internationale onderzoeksliteratuur over onderwijsregimes wordt het Vlaams onderwijs ondergebracht onder het scheidingsmodel, waarbij niet alleen sprake is van sociale en etnische segregatie van leerlingen over scholen, maar waarbij leerlingen ook ‘gesorteerd’ worden binnen scholen naargelang de onderwijsprestaties. Vlaanderen staat in internationaal vergelijkend perspectief bekend om zijn hoge percentage zittenblijvers, zijn hoge percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs en de vroege studiekeuze en selectie naar onderwijsvorm (OESO, eurydice). De tendens separatie en homogenisering loopt parallel met een evolutie naar meer diversiteit van de leerlingenpopulatie, vooral in de steden. Zo stellen we een duidelijke stijging vast van het aandeel anderstalige leerlingen. Die trend zal zich verder zetten. Terwijl in het secundair onderwijs het aandeel anderstalige leerlingen ongeveer 1 op de 10 bedraagt, loopt dat in het basisonderwijs al op tot 1 op de 7.8 In steden als Antwerpen en vooral Brussel is meertaligheid de norm en is er in heel wat klassen geen meerderheidstaal of –cultuur meer. Uit onderzoek blijkt herhaaldelijk dat anderstalige leerlingen gemiddeld zwakkere schoolresultaten behalen, wat niet noodzakelijk een gevolg is van de thuistaal. Er is sprake van een multiproblematiek waarbij anderstalige leerlingen in verhouding vaker uit gezinnen komen met een lage socio-economische en socioculturele achtergrond, en ouders hebben met een lager opleidingsniveau. Het is die complexe samenhang van verschillende factoren die leidt tot een problematische schoolloopbaan, waarbij het opleidingsniveau van de ouders de meest doorslaggevende factor blijkt te zijn. Uit het PISA-onderzoek blijkt daarenboven dat het effect van de socio-economische achtergrond van leerlingen op onderwijsprestaties in Vlaanderen sterker is dan in de meeste andere OESO-landen, en tussen 2000 en 2009 niet significant is gedaald. Daarenboven is in Vlaanderen de prestatiekloof tussen autochtone leerlingen en leerlingen van vreemde afkomst groter dan in de meeste andere OESO-landen, zelfs wanneer de verschillen in socio-economische achtergrond in rekening worden gebracht.9 Op basis van PIAAC, een recent internationaal geletterdheidsonderzoek bij volwassenen, kunnen gelijkaardige conclusies getrokken worden. De prestatiekloof bij mensen met een hoge en lage SES, en die tussen migranten en autochtonen, is in vlaanderen groter dan in de meeste andere OESO landen.10 De effectiviteit van separatie in het onderwijs en de mate waarin een dergelijk systeem in staat is om de toenemende diversiteit het hoofd te bieden, wordt door zowel de wetenschappelijke onderzoekswereld als door internationale denktanks (OESO, Eurydice) in vraag gesteld. Uit recent Vlaams onderzoek blijkt dat de traditie van zittenblijven geënt is op twee denkkaders.11 Enerzijds deelt het deficit-denken leerlingen

8

Cijfers Ministerie van Onderwijs en Vorming, schooljaar 2010-2011.

9

De Meyer, I. & N. Warlop. PISA. Leesvaardigheid van 15-jarigen in Vlaanderen. De eerste resultaten van PISA 2009. Brussel/Gent: DOV/UGent.

10

OECD (2013), OECD Skills Outlook 2013, first results from the survey of adult skills.

11

Juchtmans et. al (2011). Zittenblijven in vraag gesteld. Een verkennende studie naar nieuwe praktijken voor Vlaanderen vanuit internationaal perspectief. Brussel: OBPWO.


De Lerende Vlaming

op in ‘falende’ en ‘succesvolle’ leerlingen. Anderzijds gaat het enkelvoudig lineair ontwikkelingsmodel uit van de veronderstelling dat de ontwikkeling van leerlingen in vooraf bepaalde, voor iedereen geldende fases verloopt, die leeftijdsgebonden zijn. De opvatting dat zittenblijven gunstige remediërende effecten heeft, kan de wetenschappelijke toets echter niet doorstaan. Aan het courant toepassen van die praktijk van zittenblijven zijn hoge kosten verbonden.12 Daarnaast geeft het ICCS-onderzoek ook aanwijzigingen dat separatie het ‘leren samenleven’ bemoeilijkt en nefast is voor de ontwikkeling van democratische burgerschapsattitudes.13

Strategische doelstelling 2: Samen leren maar toch op maat door onderwijsinnovatie en nieuwe onderwijsvormen

1.4 Onderwijs als sociaal grondrecht voor iedereen staat op gespannen voet met de heersende selectiepraktijken

Internationale verdragen en afspraken, alsook de Belgische Grondwet, bepalen dat onderwijs een sociaal grondrecht is. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om dat sociaal grondrecht te beschermen en te garanderen, en moet daarom instaan voor onderwijs dat voor iedereen toegankelijk is. Het secundair onderwijs was aanvankelijk voor een kleine elite gereserveerd, om hen voor te bereiden op een leidinggevende rol in de samenleving. De onderwijsexpansie van de twintigste eeuw en de leerplichtverlenging tot 18 jaar maken dat dat basisrecht niet tot het basisonderwijs beperkt kan blijven. Sinds de wet op het technisch onderwijs van 1953 is geprobeerd om beroepsgerichte vorming volwaardig te integreren in het secundair onderwijs, maar dat is tot op heden niet volledig gelukt, met het bekende watervalfenomeen als gevolg. De massificatie van het secundair onderwijs is gepaard gegaan met een interne differentiatie met het oog op hiërarchische selectie. De onderwijsstructuren en -praktijken van het secundair onderwijs worden nog steeds bepaald door een selectieparadigma dat zijn oorsprong vindt in het onderwijs van de industriële samenleving en de praktijk legitimeert om op relatief vroege leeftijd maar een selecte groep toe te laten tot onderwijsvormen waar prestaties verwacht worden. Onderwijs moet daarentegen iedereen de mogelijkheden aanreiken om volwaardig te participeren aan de samenleving. Onderzoek toont op een systematische manier aan dat bepaalde onderwijsvormen daarin fundamenteel tekortschieten. Zowel voor het algemene geletterdheidsniveau (PISA), de kennis van vreemde talen (ESLC) als burgerschapskennis en -attitudes (ICCS) valt de problematische positie op van het beroepssecundair onderwijs. Ook de recente resultaten van PIAAC tonen aan dat Vlamingen met een studiegetuigschrift van het beroepssecundair onderwijs, in vergelijking met personen met een vergelijkbare onderwijspositie in andere landen, veel meer risico lopen om essentiële sleutelvaardigheden te missen die nodig zijn om volwaardig te kunnen participeren aan de samenleving van de 21ste eeuw.

12

De OESO heeft de kosten voor een jaar zittenblijven in het secundair onderwijs in België geraamd op ongeveer 15 000 USD per leerling, waarvan 8000 USD voor onderwijsmiddelen. De overige kosten hebben onder meer betrekking op het later intreden op de arbeidsmarkt.

13

De Groof et. al (2010). Burgerschap bij 14-jarigen. Vlaanderen in internationaal perspectief. Brussel / Antwerpen: VUB / UA.


01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

Elke burger heeft het recht op kwaliteitsvol leren op hoog niveau. Dat is niet alleen een democratisch basisrecht, maar ook een behoefte van de nieuwe economie. Loopbaanlange inzetbaarheid vereist brede en transfereerbare competenties. Het aanleren van concrete werktaken is onvoldoende om de basis te leggen voor een loopbaan van meer dan veertig jaar met wisselende taken in veranderende omgevingen.14 Daarom moet ook in het secundair beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs voldoende aandacht uitgaan naar een brede vorming en transfereerbare competenties, en moet het recht op levenslang leren voor iedereen in voldoende mate gegarandeerd worden.

Strategische doelstelling 3: Kwaliteit waarborgen en stimuleren

1.5

De capaciteitsdruk blijft verder toenemen, waardoor de historisch gegroeide achterstand op het vlak van investeringen in onderwijsinfrastructuur groter wordt

Volgens prognoses zal de schoolbevolking tegen het einde van de nieuwe legislatuur gevoelig toegenomen zijn. Als we voor het basisonderwijs de waarnemingen van 2012-’13 vergelijken met de prognose voor 2019-’20, blijkt er een verwachte toename van ruim 8000 kleuters en ongeveer 47 000 leerlingen in het lager onderwijs. In het secundair onderwijs verwachten we een daling tot en met het schooljaar 2015-’16, gevolgd door een toenemende stijging in de daaropvolgende jaren. Dat maakt dat er in het schooljaar 2019’20 bijna 10 000 scholieren meer in het secundair onderwijs zullen zitten dan in 2012-’13 en bijna 16 000 meer dan in het schooljaar 2015-’16. Achter die globale Vlaamse cijfers gaan echter grote regionale verschillen schuil. Omdat de afname van leerlingenaantallen in bepaalde regio’s niet kan compenseren voor de groei in andere, zal de stijging van de capaciteitsdruk in bepaalde regio’s waarschijnlijk nog een stuk groter zijn dan de globale cijfers doen vermoeden. Los van de capaciteitsdruk wordt Vlaanderen sinds enkele decennia geconfronteerd met een structurele onderinvestering in de bouw en renovatie van onderwijsinfrastructuur. In het gesubsidieerd onderwijs is in het verleden een wachtlijst opgebouwd waarvan de globale subsidiebehoefte momenteel geraamd wordt op ongeveer 2,7 miljard euro15. Ook het GO! kampt met een vergelijkbare investeringsnoodbehoefte. De gesubsidieerde schoolbesturen hebben het bovendien de jongste jaren moeilijker om leningen voor een looptijd van 20 tot 30 jaar te verkrijgen bij banken, wat problematisch is aangezien ze voor 30 of 40% van de kostprijs eigen middelen moeten uittrekken. Als gevolg van de onderfinanciering zijn er te weinig middelen beschikbaar om de infrastructuur structureel te vernieuwen via meer omvangrijke nieuwbouwprojecten. Het merendeel van de projectaanvragen heeft als gevolg daarvan vooral betrekking op de instandhouding van infrastructuur, kleine vervangingen en renovatie.

14

Hanushek, E., Woessman, L. & Zhang, L. (2011). General Education, Vocational Education, and LaborMarket Outcomes over the Life-Cycle. NBER Working paper No. W17504.

15

Leemans, G. (2013) Een realistische evaluatie van het scholenbouwbeleid in Vlaanderen. Brussel: AGIOn.


De Lerende Vlaming

Strategische doelstelling 4: Het uitbreiden van de infrastructuur om te leren en het uitbouwen van innovatieve leeromgevingen

1.6

Slim investeren in onderwijs en vorming leidt tot welvaart en economische groei

De overheidsfinanciën staan door de economische en financiële crisis onder druk. Vlaanderen is er tot nu toe in geslaagd om de onderwijsuitgaven op peil te houden. In 2007 bedroeg het percentage 5,69 % van het bruto regionaal product (brp) van de Vlaamse Gemeenschap, In 2010 besteedde Vlaanderen 6,39% van het brp aan onderwijs. Het EU27-gemiddelde dat uitgegeven wordt aan onderwijsuitgaven bedroeg in 2010 5,44% van het bnp.16 Voor het hoger onderwijs bleven de publieke uitgaven ook op peil (1,26% van het brp in 2007; 1,45% in 2010), maar hebben we de 2-procentnorm nog niet bereikt.17 Alle gezaghebbende experts zijn het erover eens dat het cruciaal is dat er voortdurend voldoende en efficiënt wordt geïnvesteerd in onderwijs om de recessie het hoofd te bieden en om een duurzame en welvarende maatschappij verder uit te bouwen. Onderwijseconomen Hanushek en Woessmann berekenden dat het behalen van de ET2020 doelstelling, die erin bestaat dat tegen 2020 minder dan 15% van de 15-jarigen slecht presteert op de PISA-domeinen, een totale economische winst zou opleveren van 21 biljoen euro voor de EU.18 Nobelprijswinnaar economie James Heckman stelt in zijn onderzoek vast dat een hele reeks sociale en economische problemen, zoals werkloosheid, schooluitval, tienerzwangerschappen en misdaad, in belangrijke mate aan lagere vaardigheidsniveaus en -mogelijkheden kunnen worden toegeschreven.19 De uitdaging voor het onderwijsbeleid bestaat er dan ook in om slim, strategisch en vooral doelgericht te investeren. Doordat effectieve onderwijsinvesteringen een hoge return geven op andere maatschappelijke domeinen, zoals lagere sociale uitgaven, lagere werkloosheid, minder criminaliteit, minder gezondheidsuitgaven, blijven extra investeringen in onderwijs ook in budgettair krappe tijden noodzakelijk.

Strategische doelstelling 5: Blijvend investeren in onderwijs

De omgevingsanalyse toont aan dat de uitdagingen voor Onderwijs en Vorming uitgebreid en ook complex van aard zijn. De voorgestelde strategische doelstellingen, de aanpak en de verschillende beleidsvoorstellen

16

http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=educ_figdp&lang

17

Eurydice (2011). Modernisation of Higher Education in Europe. Brussel: EACEA.

18

Hanushek, E. & L. Woessmann (2010). The cost of low educational achievement in the European Union. Analytical report for the European Commission.

19

www.heckmanequation.org


01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

zijn dat ook. Ze veronderstellen een langetermijnstrategie die over meerdere legislaturen loopt. Een ander element is dat de verschillende beleidsvoorstellen in hun geheel bijdragen tot het realiseren van hoogstaand en kwaliteitsvol onderwijs en dus niet los van elkaar kunnen worden gelezen. Deze bijdrage aan het regeerakkoord gaat vooral in op thema’s met betrekking tot het leerplichtonderwijs en levenslang leren, en behandelt in mindere mate het hoger onderwijs. In de afgelopen legislatuur werden er belangrijke hervormingen doorgevoerd in het hoger onderwijs, zowel qua structuren als op het vlak van de kwaliteitscontrole. Er wordt daarom voor gepleit om die belangrijke hervormingen in de eerste plaats te consolideren en om nieuwe initiatieven te beperken tot de verdere uitrol van het hoger beroepsonderwijs en de opvolging van de beleidsaanbevelingen die zullen voortkomen uit de evaluatie van het financieringssysteem.


De Lerende Vlaming

02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

SD1. Het garanderen van voldoende, deskundige en gemotiveerde leraren Leraren zijn in grote mate bepalend voor de prestaties van lerenden. Het is daarom cruciaal dat het Vlaamse onderwijs beschikt over voldoende, deskundige en gemotiveerde leraren. De instroom in het beroep dient voldoende groot en divers te zijn. Tegelijk moeten toekomstige leraren sterk gemotiveerd zijn en de nodige basiscompetenties bezitten om de opleiding aan te vatten of moeten ze die competenties op vrij korte termijn kunnen verwerven. We moeten eveneens voorkomen dat nieuw gestarte leraren te snel het onderwijs verlaten. Er moet ook ingezet worden op een sterkere validering en waardering van de expertise die leraren hebben opgebouwd. Leraren dienen meer mogelijkheden te krijgen om zich in de loop van hun volledige loopbaan te professionaliseren, wat hen beter in staat zal stellen om te gaan met een steeds veranderende en complexer wordende samenleving. Daarnaast is het belangrijk dat leraren voldoende inzicht hebben in relevante maatschappelijke trends, belangrijke onderwijsinnovaties en de uitkomsten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. De leraar moet uitgroeien tot een maatschappelijk gewaardeerde professional, van wie de expertise niet in twijfel wordt getrokken. Om dat te realiseren wordt ingezet op twee beleidsvoorstellen:

•• ••

E en continue professionalisering doorheen de volledige beroepsloopbaan van de leraar, te beginnen met een kwaliteitsvolle en praktijkgerichte initiële lerarenopleiding; Het lerarenberoep van leraar aantrekkelijk houden op het vlak van werk- en pensioenvoorwaarden om zo voldoende competitief te blijven op een krapper wordende arbeidsmarkt.

Met de initiële lerarenopleiding wordt zowel de geïntegreerde als de specifieke lerarenopleiding bedoeld, die beide tot het diploma van leraar leiden.

Beleidsvoorstel 1:

Excellente leraren door een versterkte initiële lerarenopleiding en een loopbaanlange professionalisering Prioritair dient werk gemaakt te worden van de concrete invoering van een beroepenstructuur voor het onderwijs en de bijbehorende beroepskwalificatie(s) van de leraar. De competenties uit die beroepskwalificatie(s) zullen dan de basis vormen voor het curriculum van de initiële lerarenopleiding. De initiële lerarenopleiding dient zowel op inhoudelijk als organisatorisch vlak hervormd te worden met als doel een versterking van de startcompetenties van de beginnende leraar. Hierbij wordt best vertrokken van de resultaten van de recent uitgevoerde evaluatie van de lerarenopleiding. De hervorming van de initiële lerarenopleiding dient vier belangrijke elementen te omvatten: een versterkt curriculum met een focus op alle noodzakelijke competenties voor de beginnende leraar, het realiseren van een


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

meer kwalitatieve instroom in de opleiding, een verdere versterking van de praktijkcomponent en een professionalisering van de lerarenopleiders zelf. Op het vlak van curriculum moet de initiële lerarenopleiding verder uitgebouwd worden tot een kwaliteitsvolle basisopleiding met voldoende aandacht voor zowel de vakinhouden als de didactische competenties, sleutelcompetenties en de psychosociale aspecten van het lerarenberoep. Daarnaast dient er ook voldoende ruimte te zijn om bij alle nieuwe leraren een voldoende creatieve, innovatieve en onderzoekende houding te ontwikkelen. De initiële lerarenopleiding moet ook voldoende aandacht hebben voor alle onderwijsniveaus of sectoren waar de leraar in spe tewerkgesteld kan worden. Het zal nieuwe leraren meer dan nu in staat stellen om beter om te gaan met de nieuwe uitdagingen waarvoor ons onderwijs staat, zoals de groter wordende diversiteit onder leerlingen, de vraag naar meer maatwerk en differentiatie, de integratie van ICT en nieuwe media, de steeds toenemende verwachtingen vanuit de samenleving ten aanzien van onderwijs … Specifiek moeten leraren beter voorbereid en ondersteund worden om adequaat om te gaan met de toegenomen mondigheid en assertiviteit van leerlingen en hun ouders. De hervorming van de lerarenopleiding in 2006 versterkte de praktijkcomponent in de initiële lerarenopleiding al gevoelig. Dat is belangrijk om de praktijkschok voor nieuwe leraren zo klein mogelijk te houden en de kans op hun vroegtijdige uitstroom uit het onderwijs te beperken. De praktijkcomponent in de initiële lerarenopleiding in de vorm van kijk-, luister- en praktijkstages en praktijkoefeningen dient daarom verder uitgebouwd te worden. Het is belangrijk dat die praktijkcomponent zo dicht mogelijk aansluit bij de reële werksituatie van de leraar. Dat impliceert onder andere dat de leraren in spe in voldoende mate leren omgaan met de diversiteit in de klas en ook contact hebben met de ouders van de leerlingen. Een verdere versterking van de praktijkcomponent kan alleen maar als ook de onderwijsinstellingen zelf daarin hun verantwoordelijkheid opnemen. Elke onderwijsinstelling dient daarom een samenwerking aan te gaan met instellingen voor lerarenopleiding, waarbij voor voldoende ruimte en ondersteuning wordt gezorgd zodat stagiairs en leraren in opleiding de nodige praktijkervaring kunnen opdoen. Specifiek voor zij-instromers kan de mogelijkheid van een lio-baan het best uitgebreid worden naar alle lerarenopleidingen. De kans op een succesvolle afronding van de initiële lerarenopleiding hangt in grote mate af van de vooropleiding, de competenties en de motivatie van de student. Daarom zal elke lerarenopleiding werk maken van een degelijke aanvangsdiagnostiek. Omdat daarover nog te weinig expertise bestaat, kan dat het best geflankeerd worden door wetenschappelijk praktijkgericht onderzoek. Het stopt echter niet bij een goede en wetenschappelijk onderbouwde aanvangsbegeleiding van de student. Tijdens de volledige opleiding dient voldoende flexibiliteit, ondersteuning en remediëring ingebouwd te worden, zodat de doorstroom van studenten maximaal is. Een derde element in de versterking van de initiële lerarenopleiding betreft de professionalisering van de lerarenopleiders zelf. Er dient prioritair werk gemaakt te worden van een beroepskwalificatie voor de lerarenopleider die de basis vormt van een specifieke en kwaliteitsvolle opleiding voor die beroepsgroep. Die opleiding moet ertoe leiden dat lerarenopleiders over een een uitmuntende vakkennis en hoogstaande didactische vaardigheden beschikken, voldoende aandacht hebben voor praktijkgericht onderzoek en een bron van innovatie én een rolmodel zijn voor de leraren in spe. De instellingen die lerarenopleidingen inrichten en de nascholingscentra moeten uitgebouwd worden tot innovatieve opleidingscentra voor onderwijs en leraarschap. Een loopbaanlange professionalisering stopt niet na de initiële basisopleiding, maar vraagt een voortdurende vorming en bijscholing zodat de leraren uitstekend blijven. Een loopbaanlange


De Lerende Vlaming

professionalisering mag niet vrijblijvend zijn en moet afgestemd worden op de noden en wensen van zowel de individuele leraar, de onderwijsinstelling als de samenleving. De realisatie van die loopbaanlange professionalisering omvat twee elementen: de realisatie van een professionaliseringsbeleid in elke school en het opzetten van een structurele samenwerking tussen alle ondersteunende organisaties. Dat veronderstelt dat de middelen voor nascholing uitgebreid worden. Elke school moet werk maken van een professionaliseringsbeleid dat onderdeel vormt van een ruimer loopbaanbeleid en van de interne kwaliteitszorg. Het gaat daarbij om actief en professioneel leren in en buiten de school. Dat hoeft niet noodzakelijk via traditionele vormen van bijscholing, maar kan ook door wisselleren, lerarenstages of intervisie onder de collega’s. Elke onderwijsinstelling moet werk maken van een cultuur van collectief leren, peer learning en kritisch reflecteren onder de collega’s over de eigen praktijk en ervaringen en dient hiervoor faciliterende werkcondities te scheppen. De beginnende leraar is in die context een bron van nieuwe kennis, inzichten en vooral innovatie. Onderwijsinstellingen moeten in voldoende mate ondersteund worden bij het opzetten van een eigen professionaliseringsbeleid. De huidige organisaties die instaan voor die ondersteuning, werken momenteel te versnipperd. Om de beschikbare expertise efficiënter te kunnen aanwenden, dienen de pedagogische begeleidingsdiensten, de nascholing en de expertisenetwerken een structurele en intensieve samenwerking uit te bouwen. De overheid dient daarin een faciliterende en ondersteunende rol op zich te nemen. Eén van de belangrijkste uitdagingen voor dat samenwerkingsverband van ondersteunende diensten is de detectie, verzameling en disseminatie van de aanwezige kennis in en over onderwijs met betrekking tot onder meer de psychosociale ondersteuning en interne kwaliteitszorg (welbevinden, leerlingbegeleiding), sleutelcompetenties, kwaliteitsvol onderwijs, innovatieve leeromgevingen (sociale media, blended learning, informatica) of infrastructuur (kostenefficiënt en duurzaam bouwen, zuinig en hernieuwbaar energiebeleid).

Beleidsvoorstel 2:

Via aangepaste arbeidsvoorwaarden het lerarenberoep aantrekkelijk en uitdagend houden op een krapper wordende arbeidsmarkt De maatschappelijke waardering voor het lerarenberoep staat onder druk, waardoor het aantrekkelijker maken van het beroep in de komende jaren een belangrijke beleidsprioriteit zijn. Om voldoende en kwalitatief hoogstaande leraren te kunnen aantrekken en houden in ons onderwijs, moeten marktconforme loon- en arbeidsvoorwaarden worden gerealiseerd die het onderwijs voldoende competitief maken op een krapper wordende arbeidsmarkt en in de ‘war for talents’. Daartoe is een geïntegreerd beleid noodzakelijk dat zich zowel richt op een betere aanvangsbegeleiding van en aantrekkelijker arbeidsomstandigheden voor nieuwe leraren, het doorbreken van de huidige vlakke loopbaan, een gedifferentieerde en meer flexibele aanpak in functie van specifieke noden en een sterker personeelsbeleid op het niveau van de onderwijsinstellingen. Belangrijk is ook dat de expertise waarover ons lerarenkorps beschikt, in voldoende mate gewaardeerd wordt. Aansluitend op de versterking van de initiële lerarenopleiding (zie beleidsvoorstel 1), dient elke school werk te maken van een betere aanvangsbegeleiding bij de instap in het beroep. Dat gebeurt best in de vorm van een gestructureerd traject van aanvangsbegeleiding, waarin de beginnende leraar de pas verworven competenties kan uitbreiden en verdiepen, en de nodige ondersteuning krijgt van bijvoorbeeld een mentor. Zowel de onderwijsinstelling waar de beginnende leraar tewerkgesteld is als de lerarenopleiding hebben


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

hierin een rol op te nemen. De volledige loopbaan van de leraar moet voldoende uitdagend zijn. Alvast de realisatie van de loopbaanlange professionalisering (zie beleidsvoorstel 1) en het investeren in onderwijsinnovatie en in nieuwe vormen van leren (bijvoorbeeld afstandsleren, peer learning, vakdoorbrekend werken, projectwerking, uitwisseling met vormingswerkers of expertise uit het niet-formele leercircuit en de ruimere maatschappelijke sectoren) zullen ertoe leiden dat er steeds voldoende inhoudelijke uitdagingen zijn en dat werken in het onderwijs aantrekkelijk blijft. Het is een uitdaging voor het netwerk van ondersteunende diensten om ervoor te zorgen dat de resultaten van praktijkgericht onderzoek en onderwijsinnovatie doorstromen tot in de klas en vertaald worden naar de concrete klaspraktijk. Daarnaast moet er voldoende taak- en functiedifferentiatie komen waardoor leraren kunnen doorgroeien naar andere functies binnen de onderwijsinstelling of nieuwe opdrachten kunnen opnemen. Een bredere inzetbaarheid van de leraren is een prioriteit die vraagt om een bijsturing van bepaalde aspecten van de rechtspositieregeling (bijvoorbeeld TBS-OB, bekwaamheidsbewijzen, omschrijving van de opdracht). Alle voorgestelde maatregelen om het lerarenberoep te versterken en aantrekkelijker te maken, garanderen niet dat er zich in specifieke regio’s of in bepaalde domeinen toch tekorten zullen voordoen. Daarom moet het mogelijk worden om een gedifferentieerde aanpak te voorzien in de loon- en arbeidsvoorwaarden van leraren zodat gericht ingezet kan worden op de regio of domeinen waar zich tekorten voordoen. Een laatste element in het realiseren van het aantrekken en houden van kwalitatieve leraren, is het inbouwen van meer flexibiliteit en autonomie voor onderwijsinstellingen om een echt personeelsbeleid te kunnen voeren. Dat zal scholen toelaten om hun kader kwalitatiever in te vullen en hun leraren maximaal en efficiënt in te zetten. De grotere mate van autonomie dient wel gekoppeld te worden aan de belangrijke randvoorwaarde dat de besturen van onderwijsinstellingen beschikken over voldoende expertise om een dergelijk sterk en professioneel personeelsbeleid te voeren en om het welzijn en de rechten van alle personeelsleden maximaal te garanderen. Om dat te realiseren wordt gestreefd naar een werkbare en efficiënte bestuurlijke schaalgrootte voor onderwijsinstellingen (zie beleidsvoorstel 5) en de versterkte professionalisering van de directies. Die professionalisering vertrekt – net als voor de leraren – van een beroepskwalificatie voor directeurs, gekoppeld aan een versterkte initiële opleiding die zowel ‘pre-service’ als ‘in-service’ gevolgd kan worden en een loopbaanlange professionalisering. Schoolbesturen kunnen daarenboven, zonder verlies van autonomie, ondersteund worden bij de selectie van directeurs.

SD2. Samen leren maar toch op maat door onderwijsinnovatie en nieuwe onderwijsvormen Onze samenleving wordt steeds diverser en dat weerspiegelt zich ook in de klas. Die toenemende diversteit zorgt ervoor dat het een uitdaging is om elke lerende zijn of haar talenten te laten ontwikkelen en de maatschappelijk bepaalde einddoelen te laten bereiken. Momenteel kenmerkt ons onderwijs zich in grote mate door een aanpak die gebaseerd is op segregatie of zelfs separatie (zie themaspecifieke omgevingsanalyse, punt 3). Daartegenover staat een aanpak waarbij via onderwijsinnovatie en nieuwe werkvormen ingezet wordt op een gedifferentieerde aanpak waarbij er samen geleerd wordt, maar toch maximaal en waar mogelijk voorzien wordt in maatwerk. Dit zal toelaten dat iedereen op het einde van zijn onderwijsloopbaan minstens beschikt over een kwalificatie die met kans op succes een doorstroom naar het hoger onderwijs toelaat of voldoende kansen biedt op de arbeidsmarkt. Bovendien moet elke jongere die het onderwijs verlaat, over de nodige sleutelcompetenties beschikken om volwaardig te kunnen participeren aan een complexe en steeds veranderende samenleving.


De Lerende Vlaming

De Vlaamse kwalificatiestructuur blijft het gemeenschappelijke kader waarbinnen het curriculum van aanbieders van onderwijs, vorming en beroepsopleidingen tot stand komt. Die structuur wordt daarom verder uitgebouwd, onder meer door onderwijs- en beroepskwalificaties verder uit te werken. Om dat te realiseren, wordt ingezet op twee beleidsvoorstellen:

•• ••

het aanbieden van kwaliteitsvolle en geïntegreerde onderwijs- en opleidingstrajecten zodat elke lerende een kwalificatie behaalt en over de noodzakelijke sleutelcompetenties beschikt; het uitbouwen van een systeem van levenslange (leer)loopbaanbegeleiding waarbij de lerende wordt ondersteund en begeleid.

Beleidsvoorstel 3:

Het aanbieden van kwaliteitsvolle en geïntegreerde onderwijs- en opleidingstrajecten zodat elke lerende een kwalificatie behaalt en over de noodzakelijke sleutelcompetenties beschikt De diversteit die onze samenleving en ook de klas kenmerkt, vraagt om een gedifferentieerde aanpak waarbij rekening gehouden wordt met de individuele leernoden. Uiteraard wordt dit begrensd door organisatorische en budgettaire beperkingen en is leren in een onderwijscontext bij uitstek en bij voorkeur een groepsgebeuren. Daarnaast dient gestreefd te worden naar een inclusief en geïntegreerd onderwijsbeleid waarbij zo veel als mogelijk afgestapt wordt van het huidige separatiemodel en van een categoriale aanpak voor kansengroepen en lerenden met zorgnoden. Die benadering impliceert een keuze voor trajecten op maat waarbij gedifferentieerd wordt binnen een gemeenschappelijk curriculum zodat lerenden alle ontwikkelingskansen krijgen. Het onderwijstraject dient maximaal afgestemd te worden op de individuele talenten, interesses, noden en behoeften van elke lerende zodat het kan afgerond worden met een kwalificatie. Daarvoor moet ingezet worden op de volgende elementen: een flexibilisering en modulering van de leerwegen, een meer structurele en geïntegreerde samenwerking met diverse actoren buiten het onderwijs, een sterkere en effectievere validering van de informeel of niet-formeel verworven competenties en een performanter beleid op het vlak van remediëring van lerenden die het onderwijs verlaten zonder kwalificatie. Elke lerende dient te worden uitgedaagd om de persoonlijke interesses en talenten maximaal te ontwikkelen. Dat vraagt om een bijgestuurde didactische aanpak, vernieuwde leermethoden en een betere afstemming van het onderwijsgebeuren op de leernoden en -attitudes, en het leervermogen van elke lerende. Uiteraard zijn de onderwijsverstrekkers in de eerste plaats verantwoordelijk voor de realisatie van die gedifferentieerde benadering, maar de overheid kan daarin maximaal faciliterend werken. Dat kan door het regelgevend mogelijk te maken dat onderwijsinstellingen hun leertrajecten meer flexibel en waar mogelijk zelfs modulair gaan aanbieden. Nieuwe aanbods- en leervormen zoals afstandsleren, werkplekleren of blended learning moeten meer structureel ingebouwd worden en bestaande reglementaire of institutionele drempels in dat verband dienen maximaal weggewerkt te worden. ICT en sociale media dienen dringend overal in de klas te worden geïntegreerd, dit zowel op didactisch als op infrastructureel vlak (zie ook OD 8). De uitdagingen op het vlak van diversiteit en individuele leer- en zorgnoden van lerenden kunnen niet alleen door onderwijs beantwoord worden. Heel wat andere actoren buiten het onderwijs proberen


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

een antwoord te vinden op die behoeften. Het is belangrijk dat onderwijs maximaal samenwerkt met de andere vormen van ondersteuning of begeleiding. Dat vraagt een meer doorgedreven structurele en vooral geïntegreerde vorm van samenwerking tussen het onderwijs en andere maatschappelijke actoren zoals bijvoorbeeld de VDAB, jeugd-, sport-, zorg- en welzijnsinstellingen, en organisaties uit het brede (sociaal-)culturele veld. Op het niveau van de overheid en de intermediaire organisaties moet een gemeenschappelijke aanpak en financiering met beleidsdomeinen als Welzijn, Werk, Cultuur, Jeugd en Sociale Economie voorop staan. Dat geldt zowel voor het basis- en secundair onderwijs als voor het post-initiële en het hoger onderwijs. Specifiek moet de samenwerking tussen de beleidsdomeinen Werk en Onderwijs versterkt worden. Een concreet voorbeeld daarvan is de samenwerking tussen het (volwassenen)onderwijs, Syntra en de VDAB, waarbij onderwijskwalificerende trajecten (OKOT) worden opgezet voor wie het onderwijs heeft verlaten zonder kwalificatie of voor wie een nieuwe uitdaging in zijn loopbaan wil of moet aangaan. In het kader van de versterking van het stelsel ‘leren en werken’ en het creëren van voldoende kwaliteitsvolle stageplaatsen in het secundair onderwijs dient een intensievere samenwerking opgezet te worden tussen de onderwijsinstellingen, de VDAB en de beroepssectoren (zie hoofdstuk ‘de werkende Vlaming’). Door een betere samenwerking tussen onderwijs en werk wordt het voltijds engagement gerealiseerd. Mensen leren natuurlijk niet alleen in een formele onderwijs- of opleidingscontext. Veel competenties of ervaringen worden opgedaan in een informele of niet-formele context, zoals het verenigingsleven, cultuur- en jeugdorganisaties, het vrijwilligerswerk, het gezin of op de werkvloer. Het is belangrijk dat onderwijs(instellingen) ook die competenties erkennen en valideren, zodat er een betere afstemming en samenhang komt tussen het formele, niet-formele en informele leren. Daarom moet een allesomvattend en beleidsdomeinoverschrijdend kader voor de erkenning van competenties (EVC) gebaseerd op de Vlaamse kwalificatiestructuur op punt worden gesteld zodat ook die competenties civiel effect genereren in de professionele of onderwijsloopbaan. Via een kwaliteitsvol assessment, gebaseerd op valide instrumenten, moet EVC kunnen leiden tot verkorte onderwijs- of opleidingstrajecten en tot kwalificatiebewijzen of bewijzen voor delen van een kwalificatie. Onderwijsinstellingen dienen gefinancierd of gesubsidieerd te worden voor de opdrachten die ze opnemen in het kader van EVC. Belangrijk is ook dat de administratieve lasten voor de onderwijsinstellingen bij de procedures voor het erkennen van competenties verminderen. Er zal altijd een goep van jongeren het leerplichtonderwijs verlaten zonder dat ze over een diploma secundair onderwijs of studiegetuigschrift beschikken. Die groep is uiterst kwetsbaar omdat ze niet de noodzakelijke competenties bezitten om volwaardig aan de samenleving deel te nemen en hun kansen op de arbeidsmarkt beperkt zijn. Daarom dienen remediërende trajecten te worden opgezet die deze jongeren kansen bieden om in een latere fase van hun leven alsnog minstens het diploma secundair onderwijs te behalen. Daarom moeten nog meer dan nu het aanbod van dergelijke trajecten via het tweedekansonderwijs of de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap worden uitgebreid en versterkt. Beide trajecten dienen qua curriculum maximaal op elkaar te worden afgestemd zodat via de uitwisseling van deelattesten meer flexibele leerwegen mogelijk zijn, waardoor leren, werken en gezin beter combineerbaar zijn. Daarnaast dient het mogelijk te worden dat meerderjarige leerlingen die nog ingeschreven zijn in het secundair onderwijs maar dreigen ongekwalificeerd uit te stromen, een flexibel traject kunnen volgen waarbij ze bepaalde modules of opleidingsonderdelen in het volwassenenonderwijs kunnen volgen. Dat alles vraagt wel om een verdere versterking van de omkadering van het tweedekansonderwijs zodat zij een antwoord kan bieden op een groep van lerenden met leer- en zorgnoden.


De Lerende Vlaming

Beleidsvoorstel 4:

Leerloopbanen levenslang stimuleren en begeleiden Dat de leerloopbaan zich niet langer beperkt tot het basis-, secundair en eventueel hoger onderwijs, maar een leven lang doorloopt, is als principe stilaan ingeburgerd. Met het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs (DKO) heeft het onderwijs twee belangrijke instrumenten in handen om die levenslange leerloopbaanmogelijkheden mee te realiseren. Momenteel kan echter nog niet gesteld worden dat het principe van levenslang leren al ten volle geoperationaliseerd is of dat alle mogelijkheden die daartoe geboden worden, al volledig benut zijn. Om de levenslange leerloopbanen verder uit te bouwen, dient een systeem van begeleiding en leeradvies doorheen die leerloopbaan vorm te krijgen. Een verdere versterking en betere positionering van het volwassenenonderwijs en een structurelere samenwerking op het vlak van levenslang leren tussen het secundair onderwijs, het hoger onderwijs en alle inrichters van volwasseneneducatie zijn absoluut noodzakelijk. Het systeem van leeradvies- en begeleiding kan niet los gezien worden van de ruimere loopbaanbegeleiding. Integendeel beide moeten maximaal op elkaar worden afgestemd. In dat kader is ook de audit van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB) belangrijk: die kan het vertrekpunt vormen om bestaande uitdagingen aan te pakken, zoals het realiseren van een onafhankelijk en geobjectiveerd systeem inzake diagnostiek en studiekeuzebegeleiding en –advies, of het beter laten aansluiten van de taken met betrekking tot de leerlingenbegeleiding, -zorg, en de psychosociale ondersteuning van leerlingen bij de leraar en de onderwijsinstelling. Doorheen de leerloopbaan wordt elke lerende geconfronteerd met een aantal belangrijke scharniermomenten waarbij hij of zij keuzes moet maken die bepalend zijn voor de verdere toekomst en kansen. Die scharniermomenten vallen vaak samen met de overgang tussen onderwijsniveaus (bijvoorbeeld tussen basis- en secundair onderwijs of tussen secundair en hoger onderwijs), maar ze doen zich ook later voor op ogenbliken dat volwassenen hun loopbaan willen of moeten heroriënteren of als ze op latere leeftijd een onderwijskwalificatie willen behalen. Er is daarom behoefte aan een goed uitgebouwd en professioneel systeem van leeradvies en -begeleiding dat lerenden in staat stelt om hun leerloopbaan meer zelf in handen te nemen en weloverwogen beslissingen te nemen. Dat systeem van leeradvies en begeleiding werkt over alle onderwijsniveaus en -sectoren heen. Cruciaal is dat het onafhankelijk van de onderwijsinstellingen of opleidingsaanbieders moet kunnen werken zodat de leervragen en –noden van de lerenden steeds centraal staan. Een tweede element in de realisatie van levenslange leerloopbanen voor iedereen is de verdere versterking van het volwassenenonderwijs. Die sector is in volle ontwikkeling en expansie, en krijgt daar momenteel onvoldoende ruimte voor. Daarom is er behoefte aan een nieuw kader dat toelaat om de belangrijke maatschappelijke uitdagingen, verbonden met levenslang leren, aan te gaan. Op die manier krijgen volwassenen nieuwe kansen om zichzelf duurzaam te versterken, wat een belangrijk gegeven is in tijden van economische crisis en onzekerheid omdat het altijd bijdraagt tot emancipatie en ontwikkeling. Belangrijke aspecten voor dat nieuwe kader vormen een substantiële schaalvergroting van de instellingen volwassenenonderwijs (zie beleidsvoorstel 5), voldoende aandacht voor de specificiteit van het lesgeven aan die doelgroep in de initiële lerarenopleiding (zie beleidsvoorstel 1), een intensievere samenwerking met andere (publieke) aanbodsverstrekkers van opleidingen voor volwassenen (zie beleidsvoorstel 4) en meer innovatie en onderwijsvernieuwing via een sterkere samenwerking tussen de ondersteuningsdiensten voor het volwassenenonderwijs.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

SD3. Kwaliteit waarborgen en stimuleren De maatschappelijke opdracht van onderwijs bestaat erin dat voor alle lerenden gezorgd wordt voor kwaliteitsvolle leertrajecten, waarbij ze voldoende en relevante kwalificaties behalen die een succesvolle doorstroom naar de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs toelaten en die de lerenden in staat stellen om de noodzakelijke sleutelcompetenties te verwerven zodat ze op een volwaardige manier aan de samenleving kunnen deelnemen. De onderwijsverstrekkers zijn de eerste verantwoordelijken voor het realiseren van die doelstellingen. De rol van de overheid bestaat erin die opdracht maximaal te faciliteren en te financieren of te subsidiëren, maar ook te waken over de kwaliteit van het onderwijs. De versterking van die kwaliteit is dan ook een continue uitdaging. De versterking van de kwaliteit omvat drie beleidsvoorstellen:

•• •• ••

het realiseren van sterke en professionele schoolbesturen die in staat zijn enerzijds de onderwijskwaliteit te waarborgen en te verbeteren, en anderzijds de maatschappelijke uitdagingen aan te gaan waar onderwijs mee geconfronteerd wordt; het realiseren van competentiegericht onderwijs voor alle lerenden, waarbij de lat voor iedereen voldoende hoog ligt; het versterken van de interne kwaliteitszorg en de externe kwaliteitscontrole.

Beleidsvoorstel 5:

Realiseren van sterke en professionele schoolbesturen Het debat over bestuurlijke schaalvergroting in het onderwijs is niet nieuw, maar vraagt naar verdere concrete stappen in de komende jaren. De bestuurlijke schaalvergroting is het argument bij uitstek in de discussie over de verhoging van de kwaliteit en het versterken van het beleidsvoerend vermogen van de onderwijsinstellingen. Toch is de bestuurlijke schaalvergroting op zich verre van voldoende om de kwaliteit te verbeteren en het grotere bestuurlijk vermogen te realiseren. Het vormt maar één van de noodzakelijke randvoorwaarden daarvoor. Er moet ook vermeden worden dat schaalvergroting leidt tot een minder lokale inbedding van onderwijsinstellingen of vestigingsplaatsen, of dat er een kloof tussen de school, het personeel en het bestuur ontstaat. Daarom wordt voor het basis- en secundair onderwijs gepleit voor bestuurlijke schaalvergroting via stimulansen, waarbij de overheid inzet op een flankerend ondersteuningsbeleid en mee garandeert dat de onderwijsinstellingen hun maatschappelijke opdracht realiseren. Het draagt ook bij aan meer beleidsruimte voor de instellingen en hun besturen zodat ze een efficiënter personeelsbeleid kunnen voeren, een coherent onderwijskundig beleid kunnen ontwikkelen, aan onderwijskundige en organisatorische innovaties kunnen werken en op een efficiënte manier tot een behoeftedekkend onderwijsaanbod kunnen komen. Tegenover die grotere autonomie dan wel een grotere mate van responsabilisering en verantwoording te staan, die meer dan nu garanderen dat scholen effectief de doelstellingen realiseren die door de samenleving worden vooropgesteld. De uitbouw van een beleids- en middenkader om het stijgende aantal onderwijsen niet-onderwijsgebonden taken op te kunnen nemen en om de interne ondersteuning op het vlak van leerbegeleiding en interne kwaliteitszorg optimaal te kunnen invullen, is een belangrijke uitdaging waaraan de schaalvergroting deels tegemoetkomt. Schoolbesturen zullen daardoor beter gewapend zijn


De Lerende Vlaming

om zowel vanuit pedagogisch, psychosociaal, administratief als bestuurlijk oogpunt de onderwijskwaliteit en de tevredenheid van het personeel te waarborgen. De situatie in het volwassenenonderwijs en het DKO, waar veel minder instellingen bestaan maar desondanks het opleidingsaanbod te versnipperd is, ligt enigszins anders. In het volwassenenonderwijs is een substantiële schaalvergroting van de instellingen naar het model van de hogescholen noodzakelijk om de belangrijke maatschappelijke uitdagingen te realiseren, om voor iedereen tweedekanstrajecten aan te bieden van basiseducatie tot hoger onderwijs, om soepel geïntegreerde opleidingen uit te bouwen, om meer zichtbaarheid en een duidelijker positie in het onderwijslandschap te realiseren en om – voor het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding – meer op voet van gelijkwaardigheid te kunnen samenwerken met hogeronderwijsinstellingen. In het DKO moet vooral ingezet worden op het realiseren van een structurele samenwerking tussen de verschillende academies in een regio. Zo worden de academies uitgedaagd om een eigen beleid te ontwikkelen, onder andere om de participatie te verhogen en structureler samen te werken met het lokale culturele veld, met het oog op de expertise-uitwisseling tussen de leraren, cultuureducatieve professionals en de lerenden. Ten slotte moet kwaliteitsvol onderwijs ook op een indirecte manier worden gestimuleerd door het faciliteren van informele en formele samenwerkingsverbanden tussen scholen en andere actoren binnen en buiten onderwijs, bijvoorbeeld tussen het bedrijfsleven en het brede middenveld op terreinen als werk, welzijn, armoede en cultuur, infrastructuur, leerlingenadvies, technologie, capaciteit enzovoort. Die samenwerking hoeft zich niet tot Vlaanderen te beperken: er moet aandacht en ondersteuning blijven uitgaan naar diverse vormen van internationale uitwisselingsprojecten tussen scholen.

Beleidsvoorstel 6:

De lat voldoende hoog leggen voor elke lerende Zoals al eerder werd gesteld, heeft het onderwijs de opdracht om lerenden voor te bereiden op een succesvolle doorstroom naar verdere onderwijstrajecten of naar de arbeidsmarkt en hen voldoende te wapenen zodat ze ten volle aan de samenleving kunnen participeren en zichzelf maximaal kunnen ontwikkelen. Onderwijs moet erin slagen om bij alle lerenden de talenten te ontdekken en maximaal te ontwikkelen. Daarbij is het belangrijk dat de lat voor iedereen voldoende hoog gelegd wordt. Momenteel leeft de perceptie dat het algemene niveau in het leerplicht- en hoger onderwijs daalt. De resultaten van het PISA-onderzoek bevestigen alvast dat er een – licht – dalende trend is en het recente PIAAC-onderzoek toonde aan dat een deel van de jongeren die uit het beroepssecundair onderwijs stromen, in onvoldoende mate beschikken over de noodzakelijke competenties op het vlak van geletterdheid, gecijferdheid en probleemoplossend vermogen. Daarom zal het onderwijs zich inspannen om de leerprestaties, leerresultaten en leerwinst van de lerenden te verhogen zonder dat hun welzijn daarbijvergeten wordt. Het onderwijs dient meer competentiegericht te worden. Competentiegericht onderwijs houdt immers de bekwaamheid in om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen op een geïntegreerde wijze aan te wenden voor diverse maatschappelijke activiteiten. In het secundair onderwijs dienen alle studierichtingen naar de competenties te leiden die aansluiten op de finaliteit waarvoor ze bedoeld zijn. Dat impliceert dat de studierichtingen met een doorstroomfinaliteit minimaal de startcompetenties bijbrengen


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

om met een grote kans op succes een hogeronderwijsopleiding te doorlopen. De arbeidsmarktgerichte studierichtingen moeten minstens één beroepskwalificatie omvatten zodat de leerlingen die daarmee het secundair onderwijs afsluiten, maximale kansen hebben op de arbeidsmarkt. Sleutelcompetenties zijn de competenties die elk individu nodig heeft voor zelfontplooiing en -ontwikkeling, actief burgerschap, sociale participatie en een succesvol professioneel leven. Ze omvatten ook basisniveaus voor geletterdheid, gecijferdheid en kennis van vreemde talen en informatie- en communicatietechnologie. Doorheen het leerplichtonderwijs moeten die sleutelcompetenties continu ontwikkeld worden en lerenden kunnen een onderwijskwalificatie op het niveau van het secundair onderwijs of hoger alleen maar verkrijgen als ze die sleutelcompetenties in voldoende mate beheersen. Op basis van de periodieke peilingen wordt vastgesteld dat sommige leerlingen uit het basisonderwijs of het secundair onderwijs de huidige eindtermen niet eens halen en dat hun leraren vaak onvoldoende vertrouwd zijn met die eindtermen. Toch zijn de eindtermen niets anders dan minimumdoelen, of met andere woorden: de doelen die de samenleving noodzakelijk én bereikbaar acht voor alle leerlingen. Het is belangrijk dat elke leerling in voldoende mate het geheel van de vooropgestelde eindtermen bereikt. Daarom wordt voorgesteld om het uitreiken van onderwijskwalificaties in het leerplichtonderwijs uitdrukkelijk te koppelen aan de leerplandoelstellingen die het bereiken van de (specifieke) eindtermen of in voorkomend geval beroepskwalificaties vooropstellen. Op die wijze wordt gegarandeerd dat alle lerenden die een onderwijskwalificatie behalen, minimaal de daarmee verbonden competenties bezitten. Die andere kijk op het bereiken van de eindtermen vraagt dat de inspectie naast leerprestaties ook andere elementen opneemt in haar evaluatie: de behaalde leerresultaten (met uitdagende, competentiegerichte eindtermen die elke leerling moet bereiken, als enige toetssteen), leerwinst voor zwakke en sterke lerenden, en ten slotte welbevinden. Onderwijsinstellingen worden immers met een diverse instroom van lerenden geconfronteerd. Een onderwijsinstelling met een ‘zwakkere’ leerlingenpopulatie kan aan de hand van de gerealiseerde leervorderingen toch aantonen dat er vooruitgang wordt geboekt. Voor een onderwijsinstelling met een ‘sterkere’ populatie kan het in kaart brengen van leervorderingen een stimulans zijn om hun leerlingen verder uit te dagen hun competenties ruimer en diepgaander te ontwikkelen (zie beleidsvoorstel 7). Onderwijsinstellingen moeten een stimulerend leerklimaat creëren en voldoende aandacht hebben voor het individuele welbevinden van de leerling. Lerenden die zich goed voelen, zijn meer gemotiveerd om te leren en te participeren aan leer- en onderwijsactiviteiten. Scholen die alleen focussen op leerprestaties en onvoldoende aandacht besteden aan het welbevinden van zowel hun leerlingen als hun personeelsleden, presteren zwakker. Van elke school wordt dan ook een brede en geïntegreerde aanpak met betrekking tot zorg en welbevinden verwacht.

Beleidsvoorstel 7:

De interne kwaliteitszorg en externe kwaliteitscontrole verder versterken Elke onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor de eigen, interne kwaliteitszorg en kiest daarvoor zelf haar instrumenten, aangepast aan de specifieke situatie en lokale context. De onderwijsinstelling kan daarbij een beroep doen op de ondersteuning van de pedagogische begeleidingsdiensten en de resultaten van de externe kwaliteitscontrole. Dat kan pas op een doelmatige manier gebeuren als de interne kwaliteitszorg en de externe kwaliteitscontrole vertrekken vanuit een gedeelde visie op kwaliteitsonderwijs. Dat is een


De Lerende Vlaming

gezamenlijke verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen, de onderwijskoepels en het GO!, en de overheid. Om de kwaliteit van het Vlaamse onderwijs nog te verhogen, moeten de interne kwaliteitszorg en externe kwaliteitscontrole verder uitgebouwd en versterkt worden. Dat betekent aandacht voor drie elementen: de versterking van de ondersteuning aan onderwijsinstellingen, het uitbouwen van de informatierijke omgevingen voor onderwijsinstellingen, en een duidelijker beoordelingskader en een duidelijkere bevoegdheid voor de onderwijsinspectie. Het opzetten en uitrollen van interne kwaliteitszorg vraagt beleidsvoerend vermogen en veel expertise. Het is belangrijk dat onderwijsinstellingen daarbij kunnen rekenen op voldoende kwaliteitsvolle ondersteuning. Daarom dienen de pedagogische begeleidingsdiensten, het nascholingsaanbod en de expertisenetwerken een efficiëntere en effectievere ondersteuning voor onderwijsinstellingen en leraren realiseren. Om dat te concretiseren kan worden vertrokken van de resultaten van de evaluatie van de pedagogische begeleidingsdiensten, het SNPB en de permanente ondersteuningscellen. De overheid dient verder te voorzien in informatierijke omgevingen voor onderwijsinstellingen door te investeren in de verzameling en disseminatie van data en kennis. De onderwijsdatabanken, de databundels, de periodieke peilingen, de resultaten van internationaal vergelijkend onderzoek en van Vlaams wetenschappelijk onderzoek leveren interessante informatie op die scholen kunnen inspireren en ondersteunen bij het ontwikkelen van hun beleid. De competenties bij leraren en directeurs om adequaat met dergelijke data om te gaan, dienen versterkt te worden. Ten slotte is het noodzakelijk om in beleidsgericht en internationaal vergelijkend wetenschappelijk onderzoek te blijven investeren, alsook in een structuur en een budget dat toelaat om praktijkgericht onderzoek uit te bouwen met het oog op het ondersteunen van onderwijsinstellingen en pedagogische begeleidingsdiensten. Het sluitstuk om kwaliteitsvol onderwijs te realiseren is de externe kwaliteitscontrole die de inspectie voor het leerplichtonderwijs, volwassenenonderwijs (met uitzondering van HBO5 en SLO) en DKO uitvoert. De wijze waarop de inspectie die externe kwaliteitscontrole uitvoert, moet worden geëvalueerd en eventueel bijgestuurd. Zo dient de mogelijkheid onderzocht te worden om de inspectie ook naar de processen van de onderwijsinstelling te laten kijken. Een evaluatie van de processen is immers noodzakelijk om zinvolle uitspraken te doen over de output. De inspectie dient ook in staat te worden gesteld om scholen nog meer dan vandaag het geval is gedifferentieerd door te lichten. Dat wordt enerzijds gerealiseerd door een vernieuwde focus bij de doorlichting, en anderzijds door de identificatie, de verzameling en de koppeling van diverse beschikbare gegevens die relevant zijn voor het CIPO-referentiekader. De inspectie zal daardoor mogelijke risico’s op instellingsniveau beter kunnen detecteren, waardoor onderwijsinstellingen gerichter, sneller en, zo nodig, vaker doorgelicht kunnen worden. Ten slotte is het belangrijk dat onderwijsinstellingen duidelijk weten wat het kader en de processen zijn die gehanteerd worden voor de externe kwaliteitscontrole. Dat impliceert vooreerst dat de erkenningsen financierings- of subsidiëringsvoorwaarden waaraan ze moeten voldoen, duidelijker en scherper geformuleerd worden. Het probleem van onderwijsinstellingen die te maken hebben met meerdere systemen van externe kwaliteitscontrole, zoals de centra voor volwassenenonderwijs, moet dringend worden opgelost. Een integratie of afstemming van die systemen is noodzakelijk. Ten slotte dient het geïntegreerd kwaliteitskader voor beroepskwalificerende trajecten verder uitgewerkt en ingevoerd te worden, waardoor kwalificatiebewijzen die behaald zijn bij onderwijsinstellingen, de VDAB, Syntra of andere opleidings- en vormingsorganisaties, gelijkwaardig en dus makkelijker uitwisselbaar zijn.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

SD4. Het moderniseren en uitbreiden van de infrastructuur om te leren en het uitbouwen van innovatieve leeromgevingen De laatste twee decennia groeide de bevolking in Vlaanderen sterk aan. Dat leidde in bepaalde regio’s tot capaciteitsproblemen in het basisonderwijs. Die problemen zullen zich op korte termijn doorzetten naar het secundair onderwijs. Bovendien staan de capaciteitsproblemen in bepaalde regio’s of scholen op gespannen voet met de grondwettelijk verankerde vrije keuze voor ouders en leerlingen. De Vlaamse overheid staat dan ook voor de grote uitdaging om samen met de lokale besturen en de onderwijsverstrekkers naar adequate en duurzame oplossingen te zoeken voor dit probleem. Het is immers absoluut onaanvaardbaar dat een kind of een jongere geen stoel zou hebben in een school. Naast de acute capaciteitsnoden staat het Vlaamse onderwijs voor de even grote uitdaging om de bestaande infrastructuur te vernieuwen of om te bouwen tot 21ste-eeuwse eeuwse energievriendelijke, veilige, duurzame, innovatieve, gedigitaliseerde en moderne leeromgevingen. De wachtlijst voor infrastructuurprojecten is echter zeer lang geworden en bepaalde projecten zullen nog jaren moeten wachten op de nodige subsidies om van start te kunnen gaan. Er is dringend noodbehoefte aan een inhaaloperatie op het vlak van scholenbouw en -renovatie. Het beleidsvoorstel om dat te realiseren bestaat in

••

het realiseren van een school-, onderwijsniveau- en netoverschrijdende aanpak voor de opbouw en renovatie van duurzame infrastructuur.

Beleidsvoorstel 8:

Een geïntegreerde en multifunctionele aanpak inzake schoolinfrastructuur, ICT en innovatie De problemen op het vlak van van onderwijsinfrastructuur zijn van dien aard dat ze niet opgelost kunnen worden zonder een structurele verhoging van het budget. Bovendien moet het gaan om een meerjarig en volgehouden engagement. Een strategische aanpak en planning op lange termijn dringt zich op. De middelen die uitgetrokken werden om de capaciteitsproblematiek aan te pakken, dienen op termijn geïntegreerd te worden in de reguliere middelen voor de bouw van onderwijsinfrastructuur. De capaciteitsproblemen en de te lange wachtlijst voor subsidies voor scholenbouw en renovatie vragen een belangrijke investering die in deze economisch moeilijke tijden niet alleen via extra publieke middelen gefinancierd kan worden. Daarom moeten er alternatieve financieringsvormen opgezet worden. Net zoals bij het DBFM-programma is het aangewezen daarbij een tweesporenbeleid te hanteren, waarbij zowel PPS-modellen als reguliere systemen verkend worden. Zo dienen pistes onderzocht te worden waarbij spaartegoeden gemobiliseerd worden of waarbij een beroep gedaan wordt op pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen. Het lopende DBFM-programma is een grootschalige investeringsoperatie met als voordeel voor private partners dat het gaat om een interessant volume aan potentiële projecten. In de beginfase leende PPS zich niet voor kleinschaliger projecten. Bovendien waren banken toen meer dan nu in de mogelijkheid om grote investeringen te financieren op langere termijn. Sinds de start van het DBFM-programma is er meer expertise en ervaring opgebouwd op het vlak van PPS en is de kritieke drempel van het noodzakelijke private investeringsvolume gedaald. Dat maakt het mogelijk om ook kleinere projecten via DBFMmodellen te realiseren.


De Lerende Vlaming

De Vlaamse overheid treedt niet op als bouwheer en dient dus in nauw en constructief overleg met de koepels van inrichtende machten en het GO! om te komen tot een draagvlak en een netspecifieke benadering (bijvoorbeeld ten behoeve van de verschillende eigendomsstructuren). De bouw van nieuwe scholen of de renovatie van bestaande scholen is ook allang geen zaak meer die alleen het onderwijs aanbelangt: het raakt ook de lokale besturen en verschillende andere beleidsdomeinen. In de eerste plaats heeft de bouw van nieuwe scholen impact op de ruimtelijke ordening en moet rekening gehouden worden met effecten op het vlak van onder andere milieu, energie en mobiliteit. Daarnaast is het belangrijk dat scholen zich open stellen voor de buurt waarin ze zich bevinden, wat een nauwere samenwerking vraagt met onder andere de lokale socio-culturele verenigingen, buurtwerking, jeugdverenigingen, diensten voor kinderopvang en de welzijns- en integratiesector. Er is een geïntegreerde aanpak voor de ruimtelijke ordening gewenst om de schaarse beschikbare ruimte efficiënt en duurzaam te benutten. Binnen schoolinfrastructuur moeten er ook stimuli worden uitgewerkt waardoor de autonome schoolbesturen/bouwheren worden geprikkeld om aandacht te besteden aan gebouwen die multiinzetbaar zijn zonder dat hierdoor een meerkost zou ontstaan. Het inzetten op multifunctionele gebouwen in samenwerking met een andere overheid of een publieke actor kan heel wat win-win situaties opleveren. Gezien de hoge complexiteit van dergelijke dossiers is structurele (professionele) ondersteuning van de aanvrager cruciaal. AGIOn kent nu reeds een procedure met afwijking van de chronologie voor dossiers in samenwerking met een andere overheid of een publieke actor om te vermijden dat ze moeten wachten. Hierop kan in samenwerking met het GO! worden verdergewerkt. De focus ligt daarbij het best op het zo faciliterend mogelijk optreden zodat het juist makkelijker wordt om schoolgebouwen te realiseren en waarbij de overheid vooral stimulerend optreedt voor flexibele en multi-inzetbare gebouwen. In geval van schoolinfrastructuur zou een verhoogd subsidiepercentage kunnen voorgesteld worden. Het strekt tot aanbeveling om dit ook in andere beleidsdomeinen in de regelgeving te voorzien. De middelen van aanverwante sectoren voor infrastructuur (milieu, onroerend erfgoed en andere) zouden hierbij prioritair kunnen worden ingezet om schoolinfrastructuur te verbeteren. Om capaciteitsproblemen beter te kunnen opvolgen en te voorspellen is een capaciteitsmonitor in ontwikkeling. Daarnaast is het aangewezen om ook een databank van het bestaande onderwijspatrimonium te ontwikkelen. Dat vergt een grote investering in tijd en middelen aangezien het om duizenden vestigingsplaatsen gaat in Vlaanderen. Het in kaart brengen van de staat en de capaciteit van de bestaande infrastructuur moet een langetermijnbenadering van de problematiek en het meer oordeelkundig inzetten van het beschikbare budget mogelijk maken. De Vlaamse overheid dient samen met lokale besturen en de onderwijsverstrekkers de huidige en toekomstige capaciteitsnoden te coördineren en te monitoren, alsook te zoeken naar adequate en duurzame oplossingen. In budgettair krappe tijden is het noodzakelijk om meer kostenefficiënt te bouwen. Er dient onderzocht te worden of de regelgeving daarvoor moet worden aangepast en voor welke prikkels er kan worden gezorgd. Het biedt een onmiskenbare meerwaarde voor de overheid en de inrichtende machten om een studie te gunnen waarbij gekeken wordt naar de noodzakelijke randvoorwaarden om te komen tot duurzame onderwijsinfrastructuur voor een substantieel lagere prijs. Behalve bij noodsituaties dienen minder duurzame oplossingen als containerklassen en niet-permanente systeembouw vermeden worden. Hoewel die oplossingen een lagere kostprijs hebben per vierkante meter, hebben ze een veel kortere levensduur en hypothekeren ze daardoor het toekomstige budget voor de bouw van onderwijsinfrastructuur. De kostprijs en de kwaliteit van de onderwijsinfrastructuur wordt ook beïnvloed door regelgeving en bepalingen vanuit andere beleidsdomeinen en -niveaus, zoals op het vlak van energie, brandveiligheid, onroerend erfgoed … Daarom is het belangrijk dat op het ogenblik dat er nieuwe reglementaire initiatieven


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

worden ontwikkeld, dat in nauw overleg gebeurt met het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, en met de onderwijsverstrekkers. Naast de bouw van nieuwe scholen is het belangrijk dat alle bestaande scholen kunnen beschikken over een adequate ICT-infrastructuur. Een bijzonder aandachtspunt is het voorzien in voldoende internetconnectiviteit en brandbreedte voor alle onderwijsinstellingen. Daarvoor is een grootschalig initiatief van de overheid in samenwerking met de providers noodzakelijk. Daarnaast zijn de uitbouw en coördinatie van een globaal e-safetyprogramma dringend. Net als bij scholenbouw en -renovatie zal er bij de uitbouw van een goede ICT-infrastructuur voor scholen gezocht moeten worden naar de nodige middelen. Alternatieve systemen zoals raamovereenkomsten, leasing, Bring Your Own Device of bovenschools IT-beheer dienen verder te worden geëxploreerd.

SD5. Blijvend investeren in onderwijs De economische crisis dwingt veel landen ertoe om te besparen in de overheidsuitgaven. Vlaanderen is er tussen 2005 en 2010 desondanks in geslaagd om het onderwijsbudget te doen stijgen. Dat is een strategische keuze voor de toekomst want de economische en sociale opbrengsten van het onderwijs zijn aanzienlijk. Een hogere scholingsgraad levert op termijn besparingen op, zowel op economisch vlak als in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Het biedt bovendien meer sociale cohesie, bevordert burgerschap en voorkomt criminaliteit. Die opbrengsten leidden de Europese Commissie en de OESO ertoe te onderstrepen dat investeren in onderwijs een belangrijke bijdrage kan leveren om de huidige economische en financiële crisis te overwinnen. Daarom is het dan ook niet aangewezen om te besparen op het onderwijsbudget. Integendeel, heel wat maatregelen die voorgesteld worden in deze bijdrage aan het regeerakkoord vragen veeleer extra budget. Dat is niet evident omdat de budgettaire situatie voor de Vlaamse overheid ook de komende jaren moeilijk blijft. De noden op het vlak van de capaciteit en de vernieuwing van de onderwijsinfrastructuur kunnen niet opgelost worden zonder extra middelen. Ook andere maatregelen zoals de professionalisering van het onderwijspersoneel en de oplossing van het lerarentekort vragen een aanzienlijke investering. Toch zal in de eerste plaats gezocht moeten worden naar financiële ruimte die gecreëerd wordt door de huidige middelen die naar onderwijs gaan, efficiënter en effectiever in te zetten. Voor het niet-leerplichtonderwijs is een debat nodig over de verhouding tussen het aandeel publieke middelen dat ingezet moet worden om het onderwijs voor iedereen toegankelijk te maken en de gevraagde private investering van elke lerende. Dat debat mag er echter niet toe leiden dat het gegeven dat onderwijs een publiek goed is dat in hoofdzaak met publieke middelen wordt gefinancierd in vraag gesteld wordt. Twee beleidsvoorstellen worden hier naar voren geschoven:

•• ••

de toekenning en aanwending van voldoende overheidsmiddelen maximaal efficiënt en effectief maken; extra middelen genereren die het onderwijs betaalbaar en kwaliteitsvol houden.


De Lerende Vlaming

Beleidsvoorstel 9:

Efficiëntere en effectievere toekenning en aanwending van de overheidsmiddelen voor onderwijs realiseren De organisatie van onderwijs vraagt veel publieke investeringen. Hoewel die moeten gezien worden als een versterking van de toekomst van het onderwijs met duurzame economische en maatschappelijke opbrengsten, moet er gezorgd worden voor een efficiëntere toekenning en aanwending van die middelen. Spreken over zowel toekenning als aanwending betekent dat het hier om een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheid en onderwijsverstrekkers gaat. De elementen om te komen tot die efficiëntere aanwending zijn een billijker verdeling van de middelen tussen de verschillende onderwijsniveaus en sectoren, de realisatie van grotere, maar vooral sterkere besturen voor de onderwijsinstellingen, een betere balans tussen de autonomie en de responsabilisering van onderwijsinstellingen, een groeipad voor niet-leerplichtonderwijs en eventueel een grotere focus op de leerlingenkenmerken bij de toekenning van de middelen. Momenteel zijn er vrij substantiële verschillen in de toekenning van omkadering en werkingsmiddelen tussen de verschillende onderwijsniveaus. Tegelijkertijd vragen de uitdagingen en problemen waarvoor een oplossing dient gevonden te worden in het ene onderwijsniveau meer middelen dan in het andere. Daarom dient een globale oefening gemaakt te worden over de toekenning van de middelen over de verschillende onderwijsniveaus en -sectoren heen, waarbij een mogelijke verschuiving van middelen tussen die niveaus en sectoren, een hogere financiële inbreng van de gebruikers van het niet-leerplichtonderwijs en een verdere ontwikkeling van partnerschappen tussen de privésector en de overheid, geen taboe mogen zijn. De bestuurlijke schaalvergroting, de uitbouw van een gemotiveerd middenkader en de professionalisering van directies (zie beleidsvoorstel 5) zullen leiden tot een doelmatiger aanwending van de middelen door de onderwijsinstellingen. De overheid moet voldoende middelen uittrekken om de onderwijsinstellingen in staat te stellen hun pedagogische, administratieve en bestuurlijke opdrachten naar behoren uit te voeren. Sterkere schoolbesturen zijn in de mogelijkheid om een beleidskader, en een administratief en pedagogisch middenkader uit te bouwen. Dat moet toelaten dat ze de verkregen middelen beter en efficiënter kunnen inzetten. Sterkere schoolbesturen moeten voldoende beleidsruimte en autonomie hebben. Dat impliceert enerzijds onder andere een verdere ontkleuring van de aanwending van de ontvangen middelen, en anderzijds een grotere verantwoordingsplicht, waarbij in de toekomst de behaalde leerresultaten, leerprestaties en leerwinst, en het welbevinden van alle leerlingen in rekenschap gebracht worden (zie beleidsvoorstel 6). De overheid moet duidelijker doelen stellen om kwaliteitsvol onderwijs voor allen te verzekeren. Het is de verantwoordelijkheid van de besturen om ervoor te zorgen dat ze die doelen met hun onderwijsinstellingen realiseren en ze moeten daarover verantwoording afleggen tegenover de overheid. Kwaliteitsvol onderwijs impliceert dat een groei van het aantal lerenden tot een equivalente groei van de omkadering en werkingsmiddelen leidt. Voor het niet-leerplichtonderwijs is dat principe momenteel niet gegarandeerd. Voor het volwassenonderwijs moet erover gewaakt worden dat de kloof tussen de toegekende financiering en datgene waarop centra volgens het geldende financieringssysteem recht zouden hebben, niet groter wordt. Er zal echter weinig extra budgettaire ruimte zijn, waardoor er keuzes gemaakt moeten worden. Daarbij moet voortdurend gestreefd worden naar een rationalisatie van het aanbod en moeten nieuwe elementen in rekening worden gebracht zoals de gerealiseerde output. Voor het


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

hoger onderwijs worden het bestaande financieringssysteem en de voorziene groeipaden aangehouden. Onderzoek geeft aan dat de schoolse achterstand sterk samenhangt met een aantal kansarmoedeindicatoren. Vandaag al wordt een belangrijk deel van de werkingsmiddelen in het leerplichtonderwijs toegekend op basis van die socio-economische kenmerken van de leerlingenpopulatie van een school. Elke school heeft recht op een sokkel voor basisfinanciering die een volwaardige werking garandeert. Daarnaast moet onderzocht worden of in de toekomst bij de subsidiëring of financiering van onderwijsinstellingen meer rekening gehouden kan worden met leerlingenkenmerken.

Beleidsvoorstel 10:

Het billijk verdelen van de kosten tussen en binnen de Vlaamse overheid en derden Hoewel onderwijs een publiek goed is dat in hoofdzaak gefinancierd wordt met publieke middelen, moet nagedacht worden over de mate waarin extra middelen kunnen aangetrokken worden via een bijdrage van de lerende van het niet-leerplichtonderwijs of via investeringen vanuit de private sector. Daartegenover staat dat geld nooit een drempel mag zijn om te participeren aan onderwijs en vorming, en dat wie het financieel moeilijk heeft, maximaal ondersteund moet worden. Voor het niet-leerplichtonderwijs moet nagegaan worden in welke mate de eigen bijdrage aan de deelname aan onderwijs niet meer in balans gebracht kan worden met de investering vanuit de publieke middelen. Dat omvat de volgende elementen: een integrale aanpak van alle financiële incentives om te participeren aan levenslang leren, een aangepaste bijdrage voor de deelname aan het niet-leerplichtonderwijs, een geïntegreerd onderwijs- en gezinsbeleid, een versterking van het stelsel van school- en studietoelagen, en het aantrekken van privékapitaal. Met de overheveling van het betaald educatief verlof naar Vlaanderen in het kader van de zesde staatshervorming heeft de Vlaamse overheid voor het eerst alle instrumenten in handen om één globaal systeem van financiële incentives in het kader van levenslang leren uit te bouwen en de middelen daarvoor doelmatiger aan te wenden. Dat vraagt om een maximaal afgestemd of — beter nog — een geïntegreerd beleid inzake opleidingscheques, betaald educatief verlof, inschrijvingsgelden en vrijstellingen daarop, over alle publieke aanbodsverstrekkers heen. Belangrijk is om gerichter te werken naar die doelgroepen die de ondersteuning nodig hebben of om de nodige stimuli te creëren om bijvoorbeeld de instap in opleidingen die leiden naar knelpuntberoepen en/of onderwijskwalificaties, aan te moedigen (zie hoofdstuk ‘De werkende Vlaming’). Het automatisch toekennen van de rechten is een belangrijk principe in het armoedebeleid, dat tot doel heeft ervoor te zorgen dat de meest kwetsbare doelgroepen in onze samenleving effectief die rechten kunnen genieten. In dat kader dient de geautomatiseerde toekenning van school- en studietoelagen te worden gerealiseerd. De beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming, en Welzijn dienen het beleid op het vlak van de Vlaamse kinderbijslag en het systeem van een school- of studietoelage op elkaar af te stemmen. Daarnaast dient het stelsel van school- en studietoelagen uitgebreid te worden naar het tweedekansonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding zodat ook daar alle mogelijke financiële drempels tot participatie weggewerkt worden. In het hoger onderwijs, het DKO en het volwassenenonderwijs dient de verhouding tussen de publieke investering en de eigen bijdragen van de lerende herbekeken te worden. In het hoger onderwijs is een lineaire verhoging van het inschrijvingsgeld aangewezen, mits ook voldoende sociale correcties worden ingebouwd voor die doelgroepen voor wie dat een barrière tot participatie kan betekenen. Voor het DKO en het volwassenenonderwijs is een meer gedifferentieerde aanpak nodig waarbij onder meer het


De Lerende Vlaming

studieniveau, de al door de lerende behaalde kwalificaties en de kostprijs van de opleiding bepalen hoeveel de eigen bijdrage zal bedragen. Internationale vergelijking toont aan dat het percentage van de inzet van private middelen in onderwijs in ons land uitermate laag is. Als laatste randvoorwaarde wordt dan ook geformuleerd dat de private middelen meer en beter moeten worden aangesproken, bijvoorbeeld om nieuwe infrastructuur te bouwen of om contractonderwijs te organiseren. De bedrijfswereld moet worden betrokken om de reductie van het vroegtijdig schoolverlaten, het aantrekkelijker maken van opleidingen voor knelpuntberoepen en het werkplekleren mee te helpen financieren.


03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen

03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen

Onderwijs is één van de fundamentele factoren van de ontwikkeling. Geen enkel land kan een duurzame economische ontwikkeling bereiken zonder aanzienlijke investeringen in menselijk kapitaal. Zowel de OESO als de Europese Commissie geven aan dat investeren in onderwijs er mee kan voor zorgen dat de huidige economische en financiële crisis overwonnen wordt. Investeren in Onderwijs gaat over investeren in de toekomstige vorm van de samenleving. Op lange termijn werpen investeringen in Onderwijs altijd vruchten af. Het helpt de economische groei, verbetert de productiviteit, draagt bij tot persoonlijke en sociale ontwikkeling en vermindert sociale ongelijkheid. Het is evident dat het belang van onderwijs groter is dan ooit. De waarde van een (hoger) diploma is zeer hoog. Het levert op termijn besparingen op, zowel op economisch vlak als in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Een hogere scholingsgraad biedt bovendien meer sociale cohesie, bevordert het burgerschap en voorkomt criminaliteit. In het kader van constant beleid worden alle middelen die decretaal zijn voorzien en goedgekeurd, ook effectief gehonoreerd. De budgettaire weerslag ervan wordt in samenspraak met het departement Financiën en Begroting opgenomen in de meerjarenprognose van zijn rapport over de Vlaamse budgettaire toestand, dat eveneens deel uitmaakt van de bijdrage van de administratie aan het Vlaams regeerakkoord. De tabel op de volgende bladzijde geeft een eerste oefening meerjarenraming bij constant beleid weer over de verschillende jaren van de legislatuur. Het is het resultaat op basis van de gegevens zoals gekend op 30 april 2014. De parameters kunnen nog wijzigen en deze behoeften beïnvloeden. De index werd niet meegerekend voor de maatregelen die zich binnen de indexprovisie situeren.


categorie niveau Bestaansmiddelen globaal hoger onderwijs niveau-overschrijdend Provisionele kredieten niveau-overschrijdend Salarissen gewoon basisonderwijs buitengewoon basisonderwijs gewoon secundair onderwijs buitengewoon secundair onderwijs volwassenenonderwijs deeltijds kunstonderwijs niveau-overschrijdend Werking gewoon basisonderwijs buitengewoon basisonderwijs gewoon secundair onderwijs buitengewoon secundair onderwijs hoger onderwijs volwassenenonderwijs deeltijds kunstonderwijs niveau-overschrijdend Investeringen hoger onderwijs niveau-overschrijdend Toegewezen ontvangsten hoger onderwijs volwassenenonderwijs deeltijds kunstonderwijs niveau-overschrijdend Eindtotaal

Beleidskredieten in duizend euro 2014 109.701 1.201 108.500 4.000 4.000 7.304.401 2.569.185 424.499 3.172.992 368.953 361.986 210.591 196.195 3.000.467 453.505 41.773 469.196 27.976 1.683.639 15.332 5.708 303.338 380.758 64.475 316.283 88.673 897 44 15.665 72.067 10.888.000

2015 110.005 1.208 108.797 4.048 4.048 7.370.399 2.611.139 425.505 3.175.969 378.159 368.801 213.332 197.494 3.090.544 461.953 42.224 474.609 28.497 1.757.339 15.476 5.802 304.645 334.889 65.415 269.474 88.495 897 44 15.745 71.809 10.998.380

2016 110.311 1.215 109.096 4.097 4.097 7.408.463 2.644.595 426.006 3.162.944 386.570 373.902 215.825 198.620 3.164.025 469.893 42.729 479.023 29.023 1.812.945 15.621 5.906 308.885 239.074 66.372 172.702 88.564 897 44 15.825 71.798 11.014.534

2017 110.619 1.222 109.397 4.146 4.146 7.445.671 2.674.117 426.266 3.154.283 394.399 378.467 218.345 199.794 3.236.872 477.674 43.240 483.999 29.559 1.867.703 15.769 6.023 312.906 242.119 67.349 174.770 88.744 897 44 15.906 71.897 11.128.171

2018 110.930 1.229 109.701 4.196 4.196 7.497.071 2.697.748 426.753 3.164.731 402.705 383.267 220.891 200.976 3.301.832 484.917 43.755 490.017 30.103 1.914.699 15.918 6.148 316.276 245.210 68.349 176.861 88.973 897 44 15.987 72.045 11.248.212

2019 111.243 1.236 110.007 4.246 4.246 7.565.597 2.718.339 427.565 3.194.193 411.473 388.441 223.466 202.121 3.372.958 491.906 44.277 496.950 30.657 1.965.897 16.070 6.276 320.926 248.349 69.371 178.978 89.212 897 44 16.068 72.203 11.391.606

De Lerende Vlaming


03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen

Een aantal initiatieven die binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming aanzien worden als constant beleid, maar Financiën en Begroting er een andere mening op na houdt daar deze in het verleden werden door geschoven naar de politieke besprekingen, worden met akkoord van de administratie Financiën en Begroting als aandachtspunten bij de tabellen meerjarenraming gevoegd. Het gaat om de volgende initiatieven:

•• •• •• •• •• ••

••

Onderwijsinfrastructuur - capaciteit (80 mio euro). AGIOn –DBFM: de substitutie van de kredieten voor de wachtlijsten door de toelagen aan DBFM (100 miljoen euro op kruissnelheid). UZ Gent - aflossing schijf 2011 (4,707 mio euro) in het kader van de lening van 67,4 mio euro voor een nieuw centrum Locomotorische en neurologische revalidatie en uitbreiding van gebouw K12. Busbegeleiding wegens de leerlingenevolutie, de langere duurtijd van busritten en de extra busritten, die een beleidsbeslissing van De Lijn inhouden (een jaarlijkse gemiddelde stijging van 2,5% exclusief index is noodzakelijk zodat tegen 2019 de extra behoeften oplopen tot 5,8 miljoen euro inclusief het ongeveer 2 miljoen tekort in 2014). Tegemoetkoming openbaar vervoer en fietsvergoeding. In 2014 bedraagt het tekort 4,9 miljoen euro en tegen het einde van de legislatuur loopt dit op tot 54,8 miljoen euro. In de berekening wordt tevens rekening gehouden met de uitspraak van het grondwettelijk hof die zegt dat aan de universiteiten voortaan dezelfde vergoedingen moet toegekend worden als aan de hogescholen. De budgettaire impact van Onderwijsdecreet XXIV, bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering op 25 april 2014: 1. synchroon internet voor zieke kinderen met een meerkost van dat tussen 800.000 euro en 4,7 miljoen euro ligt, op basis van de thans beschikbare gegevens; 2. bij bepaling van concrete inwerkingsdatum door de Vlaamse regering van de vereenvoudiging geldstromen DKO i.v.m. de inschrijvingsgelden en de werkingsbudgetten zijn er eenmalig 3 miljoen euro minder inkomsten; 3. diensten met onderwijsbehoeften basis- en secundair onderwijs: ingevolge het optrekken van het totaalbedrag voor de K-diensten vanaf 1 januari 2015 zijn er jaarlijks 664.000 euro meer middelen nodig; Besluit van de Vlaamse regering – Zijinstroom met reeds een eerste goedkeuring op de Vlaamse regering. Tot maximaal 20 jaar privé-anciënniteit zal voortaan in het kleuter en leerplichtonderwijs worden gehonoreerd en dit voor alle ambten met uitzondering van de administratieve medewerkers. Dit moet nog onderhandeld worden en het advies van de Raad van State dient nog gegeven te worden. Bij de politieke afspraken werd verwezen naar de de budgettaire ruimte die vrijkwam naar aanleiding van de BS voorafgaand aan het pensioen. Dit wordt verder opgevolgd en waarschijnlijk verdwijnt deze zijinstroom bij de aandachtspunten en wordt ze volledig ingevoegd in de tabellen van constant beleid. De kostprijs wordt geraamd op 6,195 miljoen euro per jaar en cohorte.

Wij zijn er ons echter terdege van bewust dat binnen de huidige financieel-economische context waarin Vlaanderen zich bevindt, het echter een gezamenlijke verantwoordelijkheid is om de budgettaire mogelijkheden te laten sporen met een kwalitatief onderwijsbeleid. In de eerste plaats moet dan ook financiële ruimte gecreëerd worden door de huidige onderwijsmiddelen efficiënter en effectiever in te zetten. Hiermee kunnen dan nieuwe voorgestelde maatregelen in de bijdrage regeerakkoord ‘de lerende Vlaming’ gefinancierd worden. De voorliggende initiatieven situeren zich echter nog op strategisch niveau en zijn derhalve nog in onvoldoende mate geoperationaliseerd om op een doeltreffende wijze de budgettaire impact over de verschillende jaren van de legislatuur heen te kunnen ramen.


De Lerende Vlaming

Eén van de voorliggende opties betreft het ‘billijker verdelen van de middelen over de verschillende onderwijsniveaus en –sectoren heen’ (Beleidsvoorstel 9: efficiëntere en effectievere toekenning en aanwending van de overheidsmiddelen voor onderwijs realiseren). In dit kader kunnen richtinggevende rekeningeenheden mee gegeven worden, die per niveau een indicatie geven hoeveel 1% van het desbetreffend onderwijsniveau vertegenwoordigt in absolute cijfers: 1% Bao 1% SO 1% HO 1% VWO 1% DKO 1% niveauoverschrijdend

= 36,3 mio euro = 41,3 mio euro = 16,8 mio euro = 3,7 mio euro = 2,3 mio euro = 6 mio euro

Verder wordt binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming ook de huidige balans bekeken tussen het aandeel overheidsmiddelen en de bijdrage van de lerende in het hoger onderwijs, het DKO en het volwassenenonderwijs waarbij het sleutelen aan de inschrijvingsgelden een optie kan zijn (Beleidsvoorstel 10: het billijk verdelen van de kosten tussen en binnen de vlaamse overheid en derden). Hierna volgt voor deze niveaus een indicatie van enerzijds het totaal bedrag dat aan inschrijvingsgelden wordt ontvangen en anderzijds het individueel inschrijvingsgeld dat de lerende moet betalen.

DKO: Totaal bedrag inschrijvingsgelden: 15.600.000 euro (2013) Tarieven individueel inschrijvingsgeld op 1 oktober 2013: Volwassenen standaardtarief

200 euro

Volwassenen verminderd tarief voor werklozen, gehandicapten, politiek vluchtelingen,…

115 euro

Jongeren standaardtarief

61 euro

Jongeren verminderd tarief voor werklozen, gehandicapten, politiek vluchtelingen,…

40 euro

Volwassenenonderwijs Totaal bedrag inschrijvingsgelden: 35.704.682 euro (2012) hoofdstructuur hoger beroepsonderwijs + specifieke lerarenopleiding secundair volwassenenonderwijs basiseducatie TOTAAL

Som van betaald IG 5.869.214 euro 29.835.468 euro 35.704.682 euro


03 / raming van de budgettaire impact van de beleidsvoorstellen

Tarieven individueel inschrijvingsgeld in de Centra voor Volwassenonderwijs op 1 september 2014: Standaardtarief

1,15 euro per lestijd

Cursisten ingeschreven voor een opleiding in het studiegebied NT2

0,60 euro per lestijd

Cursisten met werkloosheidsuitkering, integratietegemoetkoming aan gehandicapten, verminderde zelfredzaamheid,…

0,30 euro per lestijd

Cursisten ingeschreven voor een opleiding van het studiegebied algemene vorming, asielzoekers, gedetineerden, inburgeraars,…

0 euro per lestijd

Tarieven individueel inschrijvingsgeld in de Centra voor Basiseducatie: 0 euro Hoger Onderwijs Totaal bedrag inschrijvingsgelden universiteiten: 44.322.088 euro (op basis van jaarrekeningen 2011) Het totaal bedrag inschrijvingsgelden hogescholen is niet beschikbaar; in tegenstelling tot de universiteiten wordt hierover niet gerapporteerd in hun jaarrekeningen. Na extrapolatie van het bedrag van de universiteiten naar het gehele hoger onderwijs op basis van het aantal inschrijvingen, komen we tot een ruwe schatting van 108 à 110 miljoen euro. Tarieven individueel inschrijvingsgeld hoger onderwijs (2014-2015):

Vast bedrag

Variabel bedrag

Totaal 60 studiepunten (in euro)

Niet-beursstudent

61,9

9,3

619,9

Bijna beursstudent

61,9

5,8

409,9

Beurstariefstudent

61,9

0,7

103,9

Tenslotte vergen de initiatieven in het kader van onderwijsinfrastructuur ‘nieuw’ supplementair budget voor zowel leerplichtonderwijs als hoger onderwijs. Voor de beide onderwijsniveaus volgt een toelichting voor deze extra noden. Investeringsmiddelen leerplichtonderwijs Niet budgetneutraal en vraagt een meerkost. Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015

budget op kruissnelheid in volgende legislatuur

120.960

316.780

De totale omvang van het schoolgebouwenpark (exclusief het DBFM-programma) wordt geraamd op 15,875 miljoen m2. Rekening houdend met een nieuwbouwwaarde aan de financiële norm voor scholenbouw, aanvullende kosten voor afbraak, omgevingswerken en eerste uitrusting hebben we het over een nieuwbouwwaarde van dit patrimonium van 33,27 miljard euro inclusief BTW en algemene onkosten. Aan een gewogen gemiddeld subsidiepercentage van de huidige subsidiegraden (van het gesubsidieerd


De Lerende Vlaming

onderwijs en het GO!) en een levensduur van 40 jaar kan op die manier becijferd worden dat voor het leerplichtonderwijs per jaar 583,9 miljoen euro subsidie moet voorzien worden (dus buiten DBFM waarvan de jaarlijkse subsidiekost op kruissnelheid geraamd kan worden op ca. 100 miljoen euro - en capaciteit). Deze berekening kan als vrij conservatief worden beschouwd vermits er nog geen rekening is gehouden met de middelen die jaarlijks moeten voorzien worden voor het eigenaarsonderhoud van de gebouwen. Tevens wordt in de berekening geen rekening gehouden met het niveau van de historisch opgelopen investeringsachterstand van de wachtlijst (ca. 2,7 miljard euro in subsidies voor het gesubsidieerd onderwijs -dus zonder de historische investeringsachterstand van het GO!). Het globale budget dat voor schoolinfrastructuur (leerplicht) is opgenomen in de begroting 2014 bedraagt 314,6 miljoen euro. Zonder de benodigde middelen voor de DBFM-inhaalbeweging (ca. 100 miljoen op kruissnelheid) en de behoeften inzake capaciteitsinvesteringen (ingevolge demografische prognoses) dienen de middelen voor schoolinfrastructuur voor het leerplichtonderwijs dus te worden verhoogd met 269,3 miljoen euro (583,9 miljoen – 314,6 miljoen). Indien de DBFM-beschikbaarheidsvergoedingen van de bestaande machtigingen moeten worden gefinancierd, stijgt de globale jaarlijkse behoefte aan bijkomende middelen naar ca. 370 miljoen euro. De volgende tabel geeft de budgettaire impact weer van de extra behoeften schoolinfrastructuur leerplichtonderwijs over de verschillende jaren van de legislatuur: In miljoen euro

2015

Betaalkalender van een verhoging van de MAC in 2014 met 269,3 miljoen euro

13,46

2016 53,86

2017 148,1

2018

2019

2020

242,35

255,82

269,28

Investeringsmiddelen hoger onderwijs Uit de gegevens van de jaarrekeningen 2011 blijkt dat de kapitaalsubsidies bij de hogescholen 26% van alle investeringen dekken en bij de universiteiten slechts 10%. Voor de hogescholen en universiteiten bedraagt het totaal investeringsbedrag respectievelijk 70.546.762 euro en 228.802.820 euro in 2011. Als we binnen het huidige volume van investering tot een hoger percentage kostendekking willen komen door middel van investeringssubsidies via de Vlaamse overheid, zijn hiervoor de volgende bijkomende middelen nodig, waarbij als mogelijke opties telkens 30%, 40% en 50% kostendekkend wordt genomen: Investeringsmiddelen overheid 2011

Dekkingspercentage 2011

30%

40%

50%

Hogescholen

18,370

26,04%

2,8

9,8

16,8

Universiteiten

23,662

10,34%

45,0

67,9

90,7

47,8

77,7

107,5

In miljoen euro

Totaal bijkomende investeringsmiddelen

Deze bedragen zijn gebaseerd op de rekeningen van 2011 en houden geen rekening met inflatie en de integratie.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Deel_3_01_Lerende_Vlaming.pdf by Vlaanderen-be - Issuu