'"""' KifMUM-MTEN & LANDSéHAPPEN 6/4 f /. /
JULFAUGUSTUS 1987
TWEEMAANDELIJKS-
• iiilll^ ra • •
IJ •
••
n ii
De gevels van de Pauw, de kleine Vos en de Eik aan de Grote Markt te Brussel werden gerestaureerd. Gevels van bijna driehonderd jaar oud, terug mooi met Levis. We zijn er trots op.
N.V. LEVIS Leuvensesteenweg 167 • 1800 Vilvoorde • Tel. (02) 254 22 11
1 1 1 1 i i i i i i i i i i i i i i i i i i i i i i 1 1 1 1 1 1 ' ' ' L J n ^ n k i r \ A A ^ ^ o ^ i n i ^ T I I / ^ I ^ ^ M m i FM- 1 . 1 1 1 1 I u i i 1 i HEDENDAAGSE METHODEN BIJ DE i ^ A / ^ L I T C D C O T A I ID A T I C 1 • 1 1 1 1 1 y^S 1 1 1 1 1 1 1 / \ l l l Z A U n l t HbblAUKAMh i i l l ! / A l |.il | iI X /AM n PROIIW FN F N M O N IUIVICIN I M F N T1Ft_l>l N 1 1 1 M o ^^>— r—1.1 VMIN VJlCDVsU VVCIN CIN IVIWIM | | L® ^LL L i 11 ' ' ' • constructieve scheurinjectie 1 1 1 MC 1 Irr i i i i t c D n s o l i d a t i e v a n h o u t en s t e e n —X 1 1 1 1 ^ ,1 1 1 1 !• p e s t a u r a t i e v a n s t e e n en 1 l I \faf}\ /A 1 ' 1 ' 1 ' 1 ' , eeldhouwwerk l i l i 11 " I l 1 1 1 ' R s h a n d e l i n g tegen muurvocht 1 1 1 1 1. r D n s t r u c t i e v e r e s t a u r a t i e v a n 1 1 1 1 h Duten d r a a g b a l k e n en b a l k 1 1 1 1 y oppen 111111 AN 1 1 1 1 C a r a t i e v e en p r e v e n t i e v e A /9\ l l 1 l h s h a n d e l i n g van h o u t • a itizwambehandeling 1 1' 1' 1' 1'1 1 1 1 1 1 II 1 1 i 1 1 1 1 1 1 1 I 1 ' • onderzoek i i r,_! i 1 • a d v i e s • f a b r i k a t i e van p r o d u k t e n i •i ' r ^üi m 1 1 • u i t v o e r i n g v a n werken i i m\ ih 1 liiHtttmttmtimw\\\ i, r1—I is t e e r i i 1 1 •l—i muura f d i c h t i n g met EPISIL C 55| ! i ! • ' • ' • ! • < i ' i 1
II
1
"i 1 . 1 Lm,
\ \\\M M\\ II i'
r i i i i i i i ii' r r r r r r r i
i
1li,
1
nv resiplast sa
| | | | | | IWIdlIKKUlijUdrfl 1 1 I1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
D E N E E F ENGINEERING
^
UO, ^ÜUU L i e i - m i . UO/HUa.UH.HU
i J
1 1 1 1 1 1 1 1
RESTAUREREN VAN HISTORISCHE
GEBOUWEN EN MONUMENTEN MET KUNSTSTOFFEN
-
ONZE SPECIALISATIE
Injekteren van baksteen metselwerk Konstruktieve en dichtende scheurinjektie Droogleggen van muren Polymeerchemische restauratie van steen Ontzwambehandeling Gelijmde wapeningen en chemische ankers Kuratieve of preventieve behandeling van hout en konstruktieve restauratie van houten draagbalken Funderingsverbetering - DNE injektiepaal met kleine diameter
i l l d e n e e f ENGINEERING & Industriepark 8. B - 3100 Heist o/d Berg Tel. (015) 24 62 31 - TX 62926 - FAX (015) 24 80 72 Gelieve t e n o t e r e n dat o n s t e l e f o o n n u m m e r , v e r m e l d in h e t januari-februarinummer verkeerdelijk w e r d afgedrukt.
ZONDER RENOFORS-BETA 2AG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft LI zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren-' Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Komboutskathedraal zijn lonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Ken o fors-Bèta systeem. Voor jaiiaren. Kenofors-lièta is een (kostenbesparend) alternatiefvoor dure en moeilijke vervangingswerken Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureertVraag nu vrijblijvend documentatie Bel 03/776.91.62
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar Breedstraai51,2700Si Niklaas
Ook sterk in: gevelreinigmg - steenverharding - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie • houtbehandeling - brandremmmg.
Uitvoering met anorganische produkten. Levering en verwerking van: MINEROS en KEIM produkten BETONSANERING SPUITBETON GEVELKOSMETIKA WATERDICHTING STEENRESTAURATIE BETONREPARATIES
bagnat ISO-isoleertechniek BAGRAT BELGIUM p.v.b.a. Dr. Van de Perrestraat 289 2440 GEEL Tel. 014/58 04 90
In het labyrint van bouwspecialiteiten wijzen wij de weg
Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van Den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. : 015/24 19 68 ^OAUjr
- inbraak- en kogelwerende installaties - brandwerende beglaasde deuren - toonkasten voor musea
t
_J
" 1 pB
G
Byl
Kwaliteitsprodukten van Ateliers
MEYVAERT ^
DOK NOORD 3 • 9000 GENT TEL. (091) 25 54 27 • TELEX 11397 • FAXNR. 256875
«
EEUWENOUDE KAPGEBINTEN voor living, tentoonstellingsnümtes, opmetingen en plannen zijn beschikbaar
0
aN^
ARTHUR VANDENDORPE Groene Poortedreef 40 8200 Brugge 2 Tel. (050) 38 32 96 - 33 03 88
J i l l l i i i i : : Spectron herstelt, ondeitioudt ^ ^ H en injekteert alle soorten I bouwwerken. Spectron N.V. Injekteerbedrijf Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen Telefoon (015) 21.99.02
„...daar waar de natuur ophoudt zich te vormen, begint de mens met de hulp en de materialen der natuur zijn scheppen van een eindeloze verscheidenheid aan vormen." Leonardo da Vinci
NATUURSTEEN
Ê [{LAMINCK J
VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN Tel. (03) 325 03 83
GASSTRAAT11 A 9100 LOKEREN Tel. (091) 48 12 17 Telex 32158 NA VLAM
Kleuren verrij
Een dak in kleur is de zon... op uw huis! Is het leven al niet grijs genoeg? Geef dan eens een tintje kleur aan uw omgeving! Uw dak bijvoorbeeld: hoeveel vrolijker zou het niet staan in kleur? Bent u éénmaal zo ver, dan komt u al gauw terecht bij leien of pannen gekleurd met Bayferrox ®. Nieuwbouw
of vernieuwbouw, een vrijstaand huis of een hele stadswijk, een kantorencomplex of een historisch gebouw: de enorme keuze in kleuren en vormen garandeert een resultaat die elke stijl tot zijn recht laat komen, een totale harmonie van smaakvolle creativiteit.
Bayferrox laat uw
ken het leven
Sneldek dakpannen 600 en Neroma. herfst (Eternit)
En omdat het pigment is geïmpregneerd in de dakelementen zijn ze uitstekend bestand tegen de tand des tijds, tegen weer en wind. Architecten en stedebouwkundigen, aannemers en dakdekkers weten het allemaal: Bayferrox geeft blijvend mooie daken.
dak kleur bekennen.
r
—
Informatie van Bayer
Wilt u gratis dokumentatie en een lijst van de fabrikanten van leien en dakpannen gekleurd met Bayferrox. bevestig dan deze bon aan uw visitekaartje of briefpapier en stuur hem op naar: ^ ^
U^i\
tr\r
ri^Hx/l-^i L^ciy wi
BAYER BELGIUM S A . - N V Divisie pigmenten en keramiek - Louizalaan 143 1050 Brussel Vermelding van verzender noodzakelijk. /^B^\ A / \ (BAYER) E \ /
3 S
5 1
• ALGEMENE BOUWONDERNEMING • RESTAURATIEWERKEN • GEVELWERKEN • NATUURSTEENHERSTELLINGEN • BETONREPARATIES EN ANDERE SPECIALE TECHNIEKEN Erkenningen Klasse 5 D24 Klasse 4 Klasse 1 D21 ADMINISTRATIEVE ZETEL: LIEVEN BAUWENSTRAAT 20 8200 BRUGGE 2 TEL. 050/31.55.81 TELEX 82476 b-c-b
BOUWONDERNEMING
GOETINCK. RIETEN DAKEN
WILLY IBENS P.V.B.A.
Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45
N.V. LAMINOIRS dakbedekking st.-pieterskaai 31 8000 brugge S (050) 32 29 44 tx81 316lamino b
bladlood loden buizen soldeer- en diverse loodspecialiteiten ZINK met koper en titaan gelegeerd SPAANSE natuurleien met homologatie BLADKOPER ruiTLT GOLFPLATEN l J KUNSTLEIEN
LAIVHIMOIRS dakbedekking
BEBCKSfflE K ! /V1INERALMRBE
é iK
Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.
MAAR HET KAN Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij
•x •>; W '
Solar Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-Niklaas. Of bel 03/776 91 62.
DEPIGEONAL
Volgens DIN 18363/2.4.5 Zonder kunststoffen 100 % dampdoorlatend Volledig UV- en weerbestendig Onbeperkte levensduur
Invoer en advies : W. MERTENS St. Jan Baptiststraat 7 2040 Antwerpen Tel. : 03/568.00.91
BEVEILIG UW WONING
VEILIGHEID
SLEUTELS - SLOTEN - BRANDKASTEN ALARMSYSTEMEN - TOEGANGSCONTROLE „KOGEL-BRAND-INBRAAKWERENDE „ . . „, DEUREN
Toekomststraat 60
9110 St.-Amandsberg
BWO erkend lid Belg. Slotenmakersgilde
091/28.91.91
In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. Fl. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bois. Les techniques modernes sent tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus -1934
Kerk Eine -1918
M&L
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen
ISSN 0770-4948 6 e jaargang Nr. 4 juli-augustus 1987
Inhoud. Generiek
11
Het 'Stadhuis' van Mechelen. Groei, verval en restauratie F. Brenders
12
Gent-Zuid, een stationswijk S. Binst en M. Verschaffel
22
'Een restauratie met beperkte middelen'. De Sint-Eligiuskerk in Ettelgem C. Lievens, J.L. Meulemeester en W. Slock
42
GEBODEN TOEGANG
Van Crombez ... tot Nieuwpoort-aan-zee M. Lion
53
Summary
62
M&L Binnenkrant Nieuwpoort-aan-zee, zeedijk nr. 12 ,,Kindervreugde". Zicht op de hoofdingang, kant Albert I-taan (foto D. Stemgée)
Abonnementsvoorwaarden 1987. België : 840 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 150 fr.). CJP'ers betalen : 720 fr. Buitenland : 980 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 4700278201-29 van Monumenten- & Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel met vermelding ,,M&L-jaarabonnement 1987". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Advertentiewerving : De Ganzerik, J. Casier, Philipstockstraat 39, 8000 Brugge - Tel. 050/33.82.20. Druk : die Keure, Oude Gentweg 108, 8000 Brugge - Tel. 050/33.12.35
MINISTERIE
VAN E>E VLAAMSE
Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmillieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. 02/513.99.20. Eindredactie : M.M. Celis. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie en promotie ; L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Produktie en vormgeving : M. Ramakers. Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), E. Box (Kabinet Gemeenschapsminister Dewael), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, M. Hoflack, C. Lievens, G. Ostyn, M. Ramakers, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
GEMEENSCHAP
GEVELRENOVATIE : • • • • • • • •
reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven
DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem
Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. De uitvoering van al deze werken kan toevertrouwd worden aan Bodima n.v., tel. (03) 485 77 77. Vraag gratis deskundig advies en prijzen. WÊÊÊÊt
Nijverheidsweg 24
Zandhoven
Vormingsinstituut KMO Centrum Brugge Spoorwegstraat 14 8200 Brugge 2 Gedurende een 8-tal jaren wordt in bovenvermeld instituut de cursus RESTAURATEUR van GEBOUWEN georganiseerd. Programma-inhoud: • • • • •
Restauratiefilosofie Kennis der lokale architectuur Restauratietechnieken voor hout, steen, metaal, glas, enz. Curatieve en preventieve ingrepen Bouwpatologie
Docenten : L. Gonstandt, Ir.-architect, Directeur Dienst Monumentenzorg stad Brugge B. Vanden Houte, Adviseur Bouwchemie en vochtproblemen E. Clauwaert, Ingenieur; research houtbeschermingsmiddelen A. Meyer, Architect P. Dewispelaere, restaurateur; Artigiani Restaura Unesco M. Verwatermeulen, restauratie glas G. Vandenabeele, architect R. Loeys, Verantw. kostprijsber. bouwonderneming Organisatie: Aanvang 14 september 1987 Duur2jaar, 1 lesavond (maandag 19.00 u. tot 22.30 u.) per week Inschrijvingen en/of inlichtingen : tel. (050) 38.35.81 vragen naar G. Werbrouck.
Tel. (03) 485 55
de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:
n H H
De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticitelt van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiematenaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
H
Het restauratiematenaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektlemortels van hoogwaardige kwaliteit [SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
^
Solar
KieneBreedsl-aal51,2700St-Niklaas
wor meer informatie belt u'. 03/776.91.61 M&L 10
Langademige feuilletons delen als gemeenschappelijke noemer een onmerkbaar optredende metaalmoeheid. De welles-nietes bouwgeschiedenis van het Mechelse 'Stadhuis' bleef hier niet van gespaard. Bij de beëindiging van de zoveelste restauratie sinds de aanvang van de bouwwerken rond 1311, verdient het overzicht door Francis Brenders meteen ook méér dan de gewone aandacht.
Waar de trein blijft stillestaan ... Er is méér dan een aanwijzing om vol te houden dat de uitbouw van de Muinkmeersen tot de respectabele woon- en handelswijk Gent-Zuid niet zonder meer de euforie na 1830 tot reden heeft. S. Binst en M. Verschaffel achterhaalden een veeleer weloverwogen strategie met winst als onverbloemde eindbestemming. Het startte hoe dan ook met een station ...
Geen puin Wat nu „dringende instandhoudingswerken" in werkelijkheia valse schaamte de Westvlaamse gemeente Ettelgem. Is het oude Romaanse kerkje de finale instorting nabij ? Geen nood ! De kassa-bodems worden bij elkaar geschraapt, elk steekt de eigen handen uit de mouwen, en wat vandaag niet kan wordt uitgesteld tot morgen. Hierover meer van Christa Lievens, Jean Luc Meulemeester en Walter Slock.
let zelfbewuste ,,Grand Hotel des Bains" alleen reeds had moeten borg staan voor de mondaine dromen van baron Crombez. Maar waar zelfs de vernielingen van WO I met man en macht al gauw uit het geheugen worden weggewist blijft het publiek onvatbaar, wispelturig, achterwege. Een prentbriefkaart uit Nieuwpoort-Bad met zilte groeten van Mimi Lion.
Het 'stadhuis' van Mechelen Groei, verval en restauratie F. Brenders, B.M.L.
Beeld en sfeer van de Grote Markt van Mechelen worden in grote mate bepaald door de gevels van het stadhuis die de volledige oostzijde beslaan. In feite omvat het gebouw het volledige bouwblok tussen de Grote Markt, de Hallestraat, de Reuzenstraat en de Befferstraat. De huidige verschijning heeft voor de aandachtige toeschouwer een hybride karakter dat het resultaat is van een lange en complexe geschiedenis gekenmerkt door verval, restauratie en afbraak. Bouwgeschiedenis van de 14de tot de 18de eeuw Het huidige gebouw werd pas in het begin van deze eeuw als stadhuis in gebruik genomen. Voordien en tot 1474 was het stadhuis gevestigd in het Schepenhuis, thans stadsarchief. Na 1474 verhuisde het naar het nabijgelegen huis 'De Beyaert', het huidige postgebouw, tot tenslotte in 1912, als gevolg van een bestemmingswijziging, de stadsdiensten verhuisden naar de oude lakenhalle en het paleis van de Grote Raad aan de overzijde van de Grote Markt.
De lakenhalle werd vermoedelijk tussen 1311 en 1326 gebouwd, in de plaats van een ouder maar niet langer aangepast gebouw. Volgens het model van de Brugse halle kreeg dit bouwwerk vier vleugels rond een open binnenplein met boven de hoofdingang een belforttoren. Resten van de eerste halle werden nog gevonden aan de hoek van de Befferstraat en de Reuzenstraat bij verbouwingswerken in 1900-1911. Later, bij de werken van 1975, werd in de Reuzenstraat nog een groter gedeelte van deze muur herkend, die thans volledig verdwenen is.
De Lakenhalle op het einde van de 19de eeuw. Van het Paleis van de Grote Raad bestond enkel de gelijkvloerse verdieping. Het zou pas tussen 1900 en 1911 verder worden afgewerkt (tekening J.B. De Noter)
M&L 12
Schepenhuis, thans stadsarchief. Tot 1474 gebruikt als stadhuis (foto B.M.L.)
Huis 'De Beyaert', thans postgebouw. Tussen 1474 en 1912 gebruikt als stadhuis (foto B.M.L.)
Bij een grote stadsbrand in 1342 werd ook de halle beschadigd, en in de daarop volgende jaren hersteld en met een verdieping uitgebreid. Teneinde de voorgevel een minder streng karakter te geven werd de oude toegangspoort vervangen door een spitsboog geflankeerd door nissen. De belforttoren bleef echter onafgewerkt, wellicht ten gevolge van de achteruitgang van de lakenhandel en een daaruitvolgende vermindering van de activiteit.
In ieder geval zou het Bourgondische hof, dat zich reeds eerder uit Mechelen naar Brussel teruggetrokken had, na de ontploffing niet meer naar Mechelen terugkeren. Een ander gevolg van de ontploffing was dat de stadsmagistratuur haar aandacht in de eerste plaats ging toespitsen op de hulp aan de getroffen bevolking. In 1547, toen de gelijkvloerse verdieping van het nieuwe paleis van de Grote Raad amper was afgewerkt en de verdieping ten dele tot op halve hoogte was opgetrokken, werden de werken stilgelegd. De stad kocht het verlaten Hof van Savoye als definitieve vestiging voor de Grote Raad. Vanaf dat ogenblik bestond er geen behoefte meer aan een nieuw paleis op de Grote Markt: het werk werd tenslotte definitief opgegeven.
In 1473 richtte Karel de Stoute in Mechelen de Grote Raad op, het parlement van het Bourgondische Rijk. De stadsmagistratuur was uiterst tevreden met de uitverkiezing van Mechelen als hoofdstad en deed sedertdien al het mogelijke om het de Bourgondiërs naar hun zin te maken. Grote sommen geld werden uitgetrokken om het hof te Mechelen in te richten. Vanaf 1526 werd begonnen met de bouw van een definitieve behuizing voor de Grote Raad. Het moest een paleis worden in de beste laat-gotische traditie volgens een ontwerp van de befaamde bouwmeester Rombout II Keldermans (14601531). Met dit doel werd de noordvleugel van de lakenhalle prijsgegeven. De gevels aan de Befferstraat werden afgebroken en vervangen door een nieuwe constructie. In de nacht van 6 op 7 augustus 1546 ontplofte de Zandpoort, het kruitmagazijn van de troepen die in de stad gelegerd waren. Het omgevende gedeelte van de stad werd verwoest en waarschijnlijk werd ook het Hof van Savoye, het paleis van Maria van Hongarije dat niet ver van de Zandpoort verwijderd lag, ernstig beschadigd.
Om de reeds opgerichte constructie toch nog enigszins bruikbaar te maken verleende de stedelijke overheid vanaf 1551 verschillende particulieren de toelating zich te vestigen tussen de zuilen van de galerij en in de halle. Het onafgewerkte paleis van de Grote Raad werd als gevolg hiervan opgedeeld in verschillende percelen waarop woon- en handelshuizen werden opgericht. Weliswaar werd bij deze toelating de mogelijkheid ingebouwd dat de concessie te allen tijde door de stad kon worden ingetrokken om het paleis verder af te werken. Deze versnipperde toestand zou toch blijven bestaan tot de tweede helft van de 19de eeuw. Tegelijk met het stilleggen van de werken aan het paleis van de Grote Raad werd ook het plan opgegeven om de belforttoren van de halle verder af te werken. De be13 M&L
staande constructie werd met een schilddak afgedekt en de bovenverdieping van de toren werd tot stadsgevangenis ingericht. Rond dezelfde tijd werden ook de hoektorentjes toegevoegd en werd de doorgang achter de kantelen afgedekt met een lessenaarsdak. In de 17de eeuw ondergingen de gebouwen andermaal een aantal wijzigingen. Van een deel van de zuidvleugel en het aansluitende deel aan de Grote Markt, tot tegen de belforttoren, werd de verdieping afgebroken. Een nieuw dak, lager dan het oorspronkelijke, werd opgericht en de zuidvleugel werd aan de zijde van de Grote Markt afgewerkt met de zogenaamde Spaanse Gevel, een krulgevel volgens de mode van de tijd. In dezelfde sfeer en tijdsgeest kadert de monumentale dakkapel die op het dak van de belforttoren werd bijgeplaatst. Mogelijk werd het verbouwde gedeelte toen ingericht als reuzenhuis. Om dit mogelijk te maken moest de balklaag tussen de gelijkvloerse en de afgebroken verdieping worden gedemonteerd en hogergelegd, en moest in de kopgevel aan de Grote Markt een grote poort worden aangebracht. Deze poort zou blijven bestaan tot in 1873, toen ze vervangen werd door de oorspronkelijke ordonnantie bestaande uit twee spitsboogvormige openingen. Na deze 17de-eeuwse aanpassingen zou het duren tot de 19de eeuw vooraleer nieuwe activiteit en vooral nieuwe belangstelling te noteren viel.
De 19de en 20ste eeuw Rond het midden van de 19de eeuw werden beschrijvingen van de halle gemaakt en historisch onderzoek toonde de hoge ouderdom van dit gebouw aan. Meer en meer werden het vervallen en onafgewerkte karakter en de disparate aanblik van de verschillende gevelpartijen als storend ervaren in de stad. In deze periode werden dan
ook verschillende voorstellen tot reconstructie van de oude halle uitgewerkt. Een eerste voorstel kwam van architect F. Bauwens. Naar aanleiding van plannen tot overbrenging van het stadhuis naar de lakenhalle maakte hij in 1844 een restauratieontwerp dat eerder beschouwd moet worden als een historiserende verbouwing vertrekkend van de bestaande resten en volgens de toen heersende ideeën van de middeleeuwse bouwkunst. Het onafgewerkte paleis van de Grote Raad werd in dit ontwerp volledig afgebroken, het geheel werd met een verdieping verhoogd en op de hoeken werden vierkante hoektorens voorzien. In feite werd alleen de toren op de hoek van de HallestraatReuzenstraat gebouwd om er de tekenacademie in onder te brengen. De overige werken werden nooit uitgevoerd. Deze 'Bauwenstoren'die te Mechelen qua stijl niet al te hoog werd geschat, zou tenslotte wegens zijn extreme bouwvalligheid en imminent instortingsgevaar, in 1968 worden afgebroken. Een variante op het plan Bauwens werd gemaakt door M. Pluys. Beide ontwerpen werden in hun tijd weinig gewaardeerd, niet zozeer omdat ze het onafgewerkte paleis van de Grote Raad lieten verdwijnen, maar veeleer omdat de hallegebouwen zelf op ingrijpende wijze werden verbouwd in een historiserende stijl die totaal afweek van de originele. In een tegenvoorstel pleitte G. Bernaerts in 1869 voor het behoud van de oude delen van de halle en voor een terugkeer naar de oudste plannen. Maar ook dit voorstel omvat nog de verdwijning van het paleis van de Grote Raad en beoogt een historiserende reconstructie van de volledige halle. In 1886 werd in Mechelen een commissie opgericht om voorstellen tot restauratie en reconstructie van de oude halle te bestuderen en verder uit te werken.
Ontwerp van F. Bauwens uit 1844 voor de verbouwing en vervollediging van de Lakenhalle. Het Paleis van de Grote Raad is hier verdwenen en het gebouw wordt op fantasievolle wijze uitgebreid (Stadsarchief Mechelen, foto D. Stemgée)
M&L 14
Maquelle van hel ontwerp van Ph. Van Boxmeer uil 1889. Het Paleis van de Grote Raad is hier verder afgewerkt. Naar hel voorbeeld van Brugge wordt een hoge belforttoren voorzien.
In 1889 kwam architect Ph. Van Boxmeer ten tonele met een volledig nieuw voorstel. De aanwezige resten moesten worden behouden en aangevuld. In deze optiek was hij de eerste architect die het historische en architecturale belang van het onafgewerkte paleis van de Grote Raad naar voren schoof. Een zeker utilitair belang was ongetwijfeld niet vreemd aan dit voorstel. In zijn verdediging zag hij immers het gebouwencomplex als stadhuis fungeren. In deze context had hij nood aan een representatief gedeelte met grote en goed verlichte zalen. Dit kon niet worden gerealiseerd in de oudere hallegebouwen zonder een grondige wijziging van uitzicht, terwijl de Keldermansvleugel zich buitengewoon goed tot deze functie leende. Vandaar dat het behoud van deze vleugel dan ook bijzonder goed van pas kwam. Van Boxmeer ging echter nog verder in zijn houding van behoud en aanvulling. Waar de vorige plannen zich beperkten tot het behoud van de bestaande onderbouw van de onafgewerkte centrale toren in de voorgevel, bouwde Van Boxmeer deze consequent verder naar het model van de belforttoren van Brugge. In zijn visie is de oude halle slechts volwaardig als dusdanig te herkennen met deze toren die bij het initiële architecturale concept hoort. Aangezien oude plannen ontbraken, copieerde Van Boxmeer in grote lijnen het Brugse voorbeeld waarin hij enkele verbeteringen aanbracht. Zo bouwde hij de trap in de hoog-
ste geleding uit als een afzonderlijke traptoren aan de buitenkant van de toren en voegde hij hoektorens toe als typisch Mechels detail, zoals die ook voorkomen aan het Schepenhuis. Ook de halle moest in de visie van Van Boxmeer verder worden afgewerkt. Zo verdween in zijn ontwerp de Spaanse Gevel uit de 17de eeuw en werd het oude dakvolume hersteld. De kroonlijst werd een doorlopende lijn die aansloot bij de weergang met kantelen in de voorgevel van de belforttoren. Dit gegeven was voor Van Boxmeer aanleiding om de weergang uit te breiden over de volledige omtrek van de halle. De hoeken werden hierbij extra gemarkeerd door een rond hoektorentje eveneens volgens het model van het schepenhuis. In voordrachten en bijdragen in de 'Handelingen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van Mechelen' verdedigde Van Boxmeer dit project met buitengewone verbetenheid. Uiteindelijk kreeg hij in 1899 de opdracht van Minister Vanden Peereboom om, in samenwerking met de sterk neogotisch denkende Leuvense architect Langerock, de vleugel van het paleis van de Grote Raad verder af te werken volgens het oorspronkelijke gevelconcept met als doel er een nieuw postkantoor in onder te brengen. Deze werken zouden duren van 1900 tot 1911. Tijdens deze periode en nadien nog bleef Van Boxmeer zijn oorspronkelijk project verdedigen. Dit leidde tot een fel15 M&L
IQWTP
^QQCMIBU
^ZclTgfifo.oi pjn
ii1-,.-.-i-.Darj.,Oy..(U.f,f...1. "•''' ' •'•• •'i&ycti.nJtiA.m
"W"6ra-r
—
-GavgL -"Riiziza^koeiR- Q s s l ^ s v s L
Het omwerp van Ph. Van Boxmeer (1889): westgevel, binnenkeer en oostgevel (planarchief K.C.M.L.)
M&L 16
fê'&jit) Sfecfegte n BnailsffisS J^R flsiïÏG for & a D M i l inqgmchr juchnnl
0,01 p.Ti
QwT&h forgs B^fe^tRflfll^r
//e( ontwerp van Ph. Van Boxmeer (1889); gevel langs de Hallestraat (planarchief K.C.M.L.)
17M&L
Restawatieontwerp voor het huis 'De Beyaert'
Ie en gepassioneerde pennestrijd tussen de behoudsgezinden enerzijds en de groep rond Van Boxmeer anderzijds. De behoudsgezinden pleitten voor een status quo. De afwerking van het paleis van de Grote Raad was nog te aanvaarden vermits hiervoor de historische bronnen aanwezig waren; de reconstructie van de halle was in hun ogen echter volledig onaanvaardbaar omdat de nodige historische documenten ontbraken. De felste tegenstander van Van Boxmeer was kanunnik G. Van Caster, die in 1912 een tekst liet verschijnen waarin hij het project ten gronde bekritiseerde. Het jaar voordien had de „Vereniging tot behoud van natuur en stedenschoon" van Antwerpen zich in het debat gemengd met een referendum bij de Belgische kunstenaars onder de titel 'De Halle van Mechelen bedreigd!'. Dit referendum vond een brede respons; bij de antwoorden treffen we de namen aan van Jan Blockx, Cyriel Buysse, Max Elskamp, Willem Geets, Victor Horta, Pol de Mont, Jozef Muls, Alfred Ost, Stijn Streuvels, August Vermeylen en vele anderen. Ook in 1911 schreef Alfred Ost een manifest waarin hij zich met de kracht die ook uit zijn tekeningen spreekt, verzette tegen de plannen van Van Boxmeer. De groep rond Van Boxmeer verdedigde zich door te wijzen op de mengeling van stijlen en een totaal gebrek aan eenheid. Sommigen betreuren de opbouw van het paleis van de Grote Raad. Het is een gebouw in een decadente laat-gotische stijl waarvan slechts een schets bewaard is gebleven, en dat volledig indruist tegen het karakter van de oude halle. De Spaanse Gevel moet verwijderd worden omdat hij architectonisch en vormelijk M&L 18
misplaatst is op het hallegebouw. De voorstanders van het status quo wordt verweten dat ze zich enkel kunnen beroepen op gevoelsargumenten en dat ze alle begrip van architectuur a priori negeren. Tijdens de opbouwwerken van het paleis van de Grote Raad was de stad harerzijds begonnen met de restauratie van het huis 'De Beyaerd', het toenmalige stadhuis aan de overkant van de Grote Markt. Dit gebouw werd echter stilaan te klein om alle diensten te huisvesten. Daarom knoopte het stadsbestuur reeds tijdens de werken onderhandelingen aan met het Ministerie van Verkeer, onder wiens bevoegdheid de post ressorteerde, om een ruil tot stand te brengen: de postdiensten naar het stadhuis, het stadhuis naar de in opbouw zijnde post. Deze ruil kwam uiteindelijk tot stand bij de beëindiging van de bouwwerken van het paleis van de Grote Raad. Door deze bestemmingswijziging werd de discussie omtrent behoud of reconstructie uiteindelijk verwezen naar de Koninklijke Commissie voor Monumenten, waarin de behoudsgezinden Van Leemputten en kanunnik Van Caster zetelden. De Commissie bracht op 29 december 1913 een vernietigend advies uit over de plannen van Van Boxmeer. Dit advies en uiteraard ook de oorlogsomstandigheden van 1914, betekenden het einde van een lange periode van redetwisten waarin de passies soms hoog oplaaiden. Een nieuwe periode van discussie begon in 1965. De voortdurende uitbreiding van de stadsdiensten maakte een uitbreiding van het stadhuis noodzakelijk. De archi-
tecten Faes en Levrier kregen de opdracht een ontwerp te maken dat deze uitbreiding mogelijk zou maken binnen de bestaande vierhoek. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wees onmiddellijk op het historische en kunsthistorische belang van de gebouwen, en gaf het stadsbestuur de aanbeveling de diensten te decentraliseren liever dan de bestaande gebouwen te verbouwen en uit te breiden. Een jaar later, in 1966, kwam de Commissie enigszins op dit standpunt terug. De vleugel aan de Reuzenstraat tot tegen de neogotische delen, de Bauwenstoren inbegrepen, mocht volledig worden afgebroken; van de zuidvleugel mocht het deel van de gevel dat bij de Bauwenstoren aansluit, worden afgebroken met uitzondering van de gelijkvloerse verdieping; de binneninrichting mocht worden aangepast; de ordonnantie van de gevels langs de Hallestraat moest ongewijzigd blijven. De ontwerpen die hierop naar voren werden gebracht, konden geen goedkeuring vinden bij de Koninklijke Comissie zodat tenslotte een van de leden werd aangewezen om de vormgeving te begeleiden. Dit leidde uiteindelijk tot de goedkeuring van het voorontwerp op 9 september 1971. Het ontwerp deed op zijn beurt heel wat stof opwaaien, vooral toen bleek dat voor de realisatie ervan de volledige zuidvleugel langs de Hallestraat tot tegen de Spaanse Gevel moest worden gesloopt om de funderingen te verbeteren. De tegenstanders wezen erop dat op deze wijze uiteindelijk niets van de oude halle overbleef. Dat de buitenmuren later opnieuw zouden worden opgericht, kon geen bevrediging schenken aangezien het hier enkel ging om een buitenparement terwijl inwendig een betonstructuur werd ingebouwd. Ook het ontwerp voor de nieuw-
bouw werd fel aangevallen. Het voorgestelde volume van vier verdiepingen en een schuin dak werd te hoog bevonden; de trapgevel die de scheiding moest vormen tussen het herbouwde oude deel en de nieuwbouw, zou te hoog worden en van ver boven de Spaanse Gevel zichtbaar zijn. Ondanks dit verzet zette het stadsbestuur de plannen door. De werken werden gestart in 1975 en duurden tot 1980.
De restauratie van het paleis van de Grote Raad Reeds tijdens de verbouwingswerken werden in 1977 de architecten E. Welch en J. Roosemont belast met de restauratie van de Keldermansvleugel en de belforttoren met de aansluitende gevels aan de Grote Markt. Architect Welch werd na zijn overlijden opgevolgd door de inmiddels eveneens overleden architect Van Meerbeeck. De oudste delen waren opgericht in Balegemse steen. Waar de steen tot het begin van de eeuw tamelijk goed weerstand had geboden aan de erosie, is de aftakeling, vooral de laatste vijftig jaar, in versneld tempo verdergegaan. De vlakke parementen boden nog wel een aanvaardbaar uitzicht. Maar lijstwerken, gebeeldhouwde delen, uitkragende elementen, dekstenen en alle detailleringen daarentegen, hadden fel te lijden gehad en waren stilaan herleid tot vormloze stenen zonder veel structuur. Voor de restauratie werd, na een aanvankelijke aarzeling, geopteerd voor een vervanging van de te ver verweerde elementen. De vormgeving werd samengesteld uit nog enigszins gaaf gebleven onderdelen, terwijl
Grote Markt. Voormalige Lakenhal en Paleis van de Grote Raad, huidig Stadhuis. Plattegrond naar architecten J. Roosemont, E. Welch, J. Faes en J. Levrier.
19M&L
voor andere delen een beroep gedaan moest worden op vergelijkingsmateriaal. In de Keldermansvleugel lagen de problemen anders. Het gebouw was in 1900-1911 verder afgewerkt in Euville en Balzac steen. Deze steensoorten werden toen algemeen gebruikt en men nam aan dat ze voor restauratie best geschikt waren. Dit is echter volledig anders geëvolueerd, vooral voor wat de Euville steen betreft. In de loop der jaren had zich op een groot gedeelte van deze Euville steen een harde buitenkorst gevormd waarachter de steen elke samenhang en structuur mist. In een aantal gevallen was deze buitenkorst onder invloed van vocht gedeeltelijk afgestoten, zodat het onderliggende zichtbaar was. Dit gaf de gevels een pokdalig uitzicht. Een verder effect van verwering en ontbinding was de vaststelling dat veel onderdelen ogenschijnlijk nog gaaf waren maar dat ze zonder enige moeite manueel konden worden afgebroken en tot gruis te herleiden waren. De constructiewijze was de oorzaak van nog een ander schadebeeld. De stenen waren met ijzeren doken aan elkaar gezet. Door de grote porositeit van de Euville steen tastte vocht de doken aan, die roestend uitzetten en aldus een groot aantal stenen op de plaats van de doken deden barsten. De schade was het sterkst aan de beeldhouw-
werken en de lijstwerken. Aangezien de gevel aan de Befferstraat in overgrote mate bestaat uit beeldhouw- en lijstwerk en het vlakke parement slechts een gering aandeel heeft, bleek weldra dat de schade hier ontzettend groot was, groter dan op het eerste gezicht en zelfs na grondige opmeting en waarneming kon worden vermoed. De aanvankelijke gedachte om alle aangetaste delen te vervangen werd afgewezen vermits dit zou neerkomen op een totale vernieuwing van de gevel. Anderzijds bleek het onmogelijk, gezien de omvang en de aard van de schade, de Euville steen chemisch te verharden. Onderzoek wees evenwel uit dat deze methode wel bruikbaar was voor het vlakke werk en voor niet al te zeer aangetast lijstwerk. Uiteindelijk werd gekozen voor een combinatie van de twee methoden: de beeldhouwwerken die er algemeen het ergst aan toe waren en andere te zeer beschadigde delen, zouden worden vervangen door Chauvigny steen. Overige delen zouden worden behandeld met een steenverharder en waar nodig en mogelijk bijgewerkt met een restauratiemortel. Tijdens de uitvoering werd de toepassing van deze laatste techniek nog gevoelig uitgebreid en werd uiteindelijk beslist, omwille van de gaafheid van het geheel, ook de kleinere details te herstellen. Zij bleken immers binnen het gerestaureerde geheel — met zijn overvloed aan detaillering die geen
Lakenhalle en Paleis van de Grole Raad. Huidige toestand na restauratie (foto D. Stcmgée)
M&L20
Het tussen 1900 en 1911 oude afgewerkte Paleis van de Grote Raad. Huidige toestand na restauratie (foto D. Stemgée)
fouten verdraagt — storend te werken op de appreciatie van het bouwwerk. Naast de gevels werden ook de daken aan een ernstige herstelbeurt onderworpen. De leibedekking werd vernieuwd, de bebording hersteld waar nodig, de goten en aflopen werden vervangen en de daktimmer werd hersteld. Bij de afname voor restauratie bleken de loden nokversieringen bij de opbouw in 1900-1911 op een gebrekkige wijze te zijn bevestigd. Een verbetering van deze bevestiging drong zich dan ook op. Ter gelegenheid van de restauratiewerken werd, ten behoeve van de brandveiligheid, een aantal compartimenteringen in het gebouw uitgevoerd. De meeste aandacht ging hierbij naar de zolders die bij brand meestal als doorgeefluik fungeren. Ze werden van de rest van het gebouw gescheiden en zelf in drie compartimenten onderverdeeld. Deze restauratie vormt het sluitstuk van de renovatiewerken die in 1977 werden aangevat, en het — voorlopige? — einde van een lange, ingewikkelde en bewogen bouwgeschiedenis waarbij het paleis van de Grote Raad — in feite een volgens oude plannen opgericht neogotisch gebouw — weliswaar ruime aandacht kreeg, maar waardoor de oude lakenhalle steeds meer op de achtergrond werd geschoven.
Bibliografie — Bernaerts G., La Halle de Malines, in Messager des sciences historiques de Belgique, 1869, p. 3-16. — Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 9n. Stad Mechelen. Binnenstad, Gent, 1984. — Boxmeer Ph. Van, De la Restauration des Halles et du Palais du Grand Conseil a Malines, in Bulletin du Cercle Archéologique de Malines, 1 (1889), p. 16-22. — Boxmeer Ph. Van, L'ancien Palais du Grand Conseil de Malines, s.l., 1904. — Boxmeer Ph. Van, Ce que révèlent les Ruines du Palais du Grand Conseil, in Bulletin du Cercle Archéologique de Malines, 14, (1904), p. 173-182. — Boxmeer Ph. Van, Mémoire sur les maisons de la Rue de Beffer. in Bulletin du Cercle Archéologique de Malines, (1904) p. 187-209. — Caster G. Van, Projet d'Appropriation et de Restauration des Halles de Malines, Malines, 1912. De Halle van Mechelen bedreigd. Referendum uitgegeven door de Vereeniging tot Behoud van Natuur- en Stedeschoon te Antwerpen, Antwerpen, 1911. — Goossens A., Het stilleggen van de bouwwerken van het paleis van de Grote Raad in de XVIe eeuw, in Handelingen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van Mechelen, 53 (1949), p. 67-73. — Installé H., De Mechelse Belfortstrijd (1911), in Vlaanderen, 33 (1984), p. 242-250. — Roo R. De, Het stadhuis van Mechelen, in Tijdschrift van het Gemeentekrediet van België, 74 (1965), p. 199-212. — Vandenberghe S., Kroniek, in Handelingen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van Mechelen, 80 (1976), p. 183-187. — Verheyden P., Tot behoud van stadhuis en halle te Mechelen, s.l., 1911. — Wouters De Bouchout De, Vieille Halle ou nouvel Hotel de Vitte a Malines, in Bulletin des Métiers d'Art, 12 (1911), p. 353-371.
21 M&L
Gent-Zuid, een stationswijk S. Binst, ir. arch., cert. Monumentenzorg KUL M. Verschaf fel, ir. arch., stedebouwkundige
Toen de jonge Belgische Staat besloot tot de aanleg van een nationaal spoorwegnet, betekende zulks in de praktijk een eerste ernstige inbreuk op de uitgesproken autonomie van de steden. In Gent werd bovendien — voor de eerste maal — besloten het station binnen de stadswallen aan te leggen. Dit heeft verder aanleiding gegeven tot een belangrijke reorganisatie van de stedelijke structuur en tot het ontstaan van een nieuwe (prestige-)wijk: Gent-Zuid. Hoewel het station zelf omstreeks 1930 verdwenen is en vervangen werd door het Koning Albertpark, heeft deze, nog steeds merkwaardige wijk veel van haar oorspronkelijk opzet behouden. In dit artikel wordt gepoogd een beeld te schetsen van deze wijk, van de factoren en personen die haar ontstaan bepaald hebben, samen met haar globale evolutie in de periode van 1835 tot 1870 (1). Een station in de Muinkmeersen
De spoorlijn uit Mechelen bereikt Gent vanuit het zuidoosten, nadat ze met een grote bocht via Wetteren de
Schelde ontweken heeft. Aan deze zijde van de stad liggen de Muinkmeersen, een strook laaggelegen braaklanden 'intra muros'. Ingesloten tussen de Sint-Lievenswal, de Schelde en de (thans overwelfde) Oude Schelde, snijden deze terreinen tot diep in het stadshart. Tot om-
Genl in de 16de eeuw : detail uil het plan opgenomen in G. Braun en F. Hogenberg, 1576. De onbebouwde bleekweiden van de laaggelegen Muinkmeersen zullen bij de omwalling van 1577-1581 „intra muros" opgenomen worden (S.A.G., Atlas Goetghebuer)
M&L22
Uittreksel uit het stadsplan van Tessaro (midden 19de eeuw). 1: Muinkmeersen; 2: Schelde; 3: Oude Schelde; 4: Brabantdam; 5: Lange Violettestraat met de oude Sint-Annakerk; 6: Brusselse Poort; 7: de Nieuwbrug over de Reep; 8: Vrijdagmarkt; 9: Kouter; 10: Huidevettershoek met Lammerstraat; 11: Sint-Pietersplein; 12: het stationsplein met (fictieve) stationsgebouwen; 13: Stationsstraat; 14: het geplande Van Arteveldeplein; 15: tracé van de geplande Keizer Karelstraat; 16: de oude Citadel; 17: Handelsdok. Het plan is naar het oosten georiënteerd (S.A.G., Atlas Goetghebuer)
streeks 1835 werden ze hoofdzakelijk gebruikt als bleekweiden voor de katoenindustrie. Wie er ook het initiatief toe genomen mag hebben, het voorstel om het station in de meersen in te planten werd zowel door de nationale als de stedelijke overheid zeer gunstig onthaald. Als voordelen golden voor de reizigers: de ligging op wandelafstand van het stadscentrum, voor de stad: de garantie dat alle uitgaven van de reizigers haar ten goede komen. Verder liet het zo goed als onbebouwde karakter van de Muinkmeersen toe de spoorweg in de stad te brengen zonder al te grote uitgaven of afbraakwerken. Een ander — en mogelijk doorslaggevend — argument voor het stadsbestuur was de mogelijkheid op deze wijze relatief goedkoop een verbinding te realiseren tussen het Sint-Pieterskwartier ten westen en de Sint-Annawijk (rond de Lange Violettestraat) ten oosten van de meersen. Dit kaderde tevens binnen ruimere stedelijke ontsluitingsplannen uit 1836, waarin het trekken van een straat van de Lange Violettestraat (tegelijk een deel van de zuidelijke invalsweg uit de richting van Brussel) naar de Nieuwbrug (2) voorzien werd, teneinde een recht-
streekse doorsteek te bekomen naar het Sint-Jacobskwartier en de Vrijdagmarkt, en zelfs via de Ottogracht en Kromme Wal tot de noordelijke Eerste Wijk. Tenslotte rekende het stadsbestuur er ook op dat de inbreng van het station in de meersen de eigenaars ertoe zou aanzetten hun onbebouwde weilanden te transformeren tot een nieuwe, prestigieuze stadswijk (3).
De conventie van 24 juli 1837: een krachtmeting Met betrekking tot de aanleg van een station richt hoofdingenieur De Ridder van de spoorwegen begin maart 1837 een eerste voorstel tot conventie aan het stadsbestuur. Na een oorspronkelijk zeer veeleisend, maar later gematigd tegenvoorstel vanwege de Stad, schuift De Ridder de zaak op de lange baan. Wanneer hij eind juni uiteindelijk toch een nieuwe tekst aan de gemeenteraad voorlegt, wordt zij goedgekeurd uit tijdsnood. De definitieve overeenkomst wordt bekrachtigd in het Koninklijk Besluit van 24 juli 1837; de spoorwegsectie Dendermonde-Gent zal plechtig ingereden worden op 28 september. 23M&L "
De Muinkmecrsen met links de Sint-Lievenswal, bovenaan de Schelde en onderaan de oude Schelde en de Lange Violetteslraal. In de horizontale hand zijn de terreinen aangegeven die onteigend dienen te worden voor de aanleg van het Station met het Stationsplein en zijn grachten (Plan gevoegd bij de Conventie van 24 juni 1837. S.A.G. G 2/ A8 (9)).
In de conventie wordt bepaald dat de regering op haar kosten een station zal aanleggen in de Muinkmeersen. Deze terreinen zullen voortaan geheel ontheven zijn van alle stedelijke taksheffingen. Verder zal de Staat instaan voor aanleg en onderhoud van een stationsplein en van grachten aan weerszijden van het hele spoorwegemplacement. Ter hoogte van het eigenlijke station zal de westelijke gracht verbreed worden tot een dok, met een aansluiting op de Schelde. De primaire functie van deze grachten is echter louter administratief: de afbakening en afsluiting van de enclave Staatsgrond binnen de wallen, met als voornaamste doel de vrijwaring van het stedelijke octrooirecht (4). Dit laatste aspect had het stadsbestuur tijdens de onderhandelingen zeer sterk benadrukt, maar in de definitieve conventie werd precies in deze eisen zo drastisch gesnoeid dat dit aanleiding zou geven tot polemieken die meer dan tien jaar aansleepten.
Station en stationsterreinen De gronden van de Muinkmeersen waren opgedeeld in — naar stadsnormen — buitengewoon grote percelen.
Het Gentse stationsgebouw naar een ontwerp van A. Payen (1845) : de oorspronkelijke hoofdgevel aan het Graaf van Vlaanderenplein. (S.A.G., Atlas Goetghebuer D 83 F 146/ 15 (a)).
M&L24
Ook waren verschillende percelen meestal in het bezit van één eigenaar. Bij de onteigeningen voor de spoorlijn en het station in het oostelijk deel van de meersen, bleven de westelijke opvallend grotere, percelen quasi onaangeroerd. Oorspronkelijk was het Gentse station — net als alle vroege stations — niet veel meer dan een terrein waarover een aantal sporen liepen. Op enige afstand bevonden zich dan enkele gebouwtjes: het bureau van de spoorwegen, het wachthuisje van de stadsdiensten en het 'bureau de bagage' en, een eindje verderop, een technische loods en een waterreservoir. Het geplaveide stationsplein, dat in het noordoosten de stationsterreinen flankeerde, behoorde ook aan de Belgische Staat toe. In 1842 wordt een aanvang gemaakt met plannen voor de definitieve uitbouw van een prestigieus station. Hierbij wordt onder meer vanuit het gemeentebestuur een ontwerp voorgesteld dat afstapt van het zijdelingse plein, ten gunste van een kopse toegang tot het station. Om spoorwegtechnische redenen wordt dit plan echter verlaten en eind november 1845 worden de definitieve plannen voor het stationsemplacement goedgekeurd in de
Het verlengde van de Stationsstraat (thans President Wilsonplein), mei de na 1860 voltooide kop van het station, gezien vanuit hel noordwesten (Prentbriefkaart omtrent de eeuwwisseling, verzameling S.B.)
Gentse gemeenteraad (5). De resolutie van de gemeenteraad wordt ten slotte bekrachtigd bij Koninklijk Besluit van 18 april 1846. De werken gaan eind 1846 van start, in 1849 zijn ze voltooid (6). Aan weerszijden van de sporen zijn de hoofdgebouwen symmetrisch opgetrokken: in het oosten, langs het stationsplein, het reizigersgebouw; aan de westzijde de goederenloods. Voor deze laatste werd een deel van het westelijk dok gedempt en vervangen door een muur. Aan de noordzijde wordt het station beëindigd door een met hekwerk afgesloten open ruimte met de draaischijven voor de locomotieven. In 1843 was hier reeds een strook van 16 meter afgestaan voor de aanleg van een verbindingsstraat met de Sint-Pieterswijk. Ten slotte wordt aan de noordelijke toegang tot het stationsplein een octrooigebouwtje opgetrokken voor de stadsdiensten. De gebouwen zijn uitgevoerd in de standaard-neoclassicistische 'stationsstijl' uit die periode, naar een ont-
werp van spoorwegarchitect A. Payen. De sporen worden overspannen door een driebeukige hal. Na enkele kleinere wijzigingen, zoals de verdere demping van het westelijke dok voor de aanleg van goederensporen (1854), of het verplaatsen van de toegang tot het stationsplein naar de oostzijde, recht vóór de hoofdingang van het stationsgebouw (1858), dateert de laatste grote ingreep uit 1860, met het 'Plan d'Aménagement de la station de Gand et de ses Abords'. Hierbij zal de kop van het station — op dat ogenblik nog steeds een open terrein met sporen — geheel ombouwd worden, zodat het station zijn definitieve aanblik verwerft.
De dragende structuur van de wijk: nieuwe verbindingswegen Reeds op 8 juli 1837 — 2 weken na de goedkeuring van de definitieve conventie met de Belgische Staat — stemt
Het President Wilsonplein in zijn huidige vorm. De stationsgebouwen werden gesloopt in 1930 en zijn ondertussen vervangen door het complex van het z.g. 'Propagandacentrum'.
25 M&L
De gevelwand van het Graaf van Vlaanderenplein, zoals door het Gentse Stadsbestuur en het Ministerie van Openbare Werken aan de eigenaars opgelegd (Tekening R. De Meerleer naar het goedgekeurde plan van 1847. S.A.G., G2 / C 10)
Het Graaf van Vlaanderenplein omstreeks de eeuwwisseling en in zijn huidige vorm. Het oorspronkelijke stationsplein is links nog herkenbaar in de aanleg van de 'square' mei zijn beplanting. De nagenoeg intacte gevelwand weerspiegelt zijn oorspronkelijke, gefragmenteerde eigendomsstructuur ook nu nog in de bepleistering en de variërende toestand van het schilderwerk (Prentbriefkaart : S.A.G. Album Minnaert, 45; foto D. Stemgée) Gand — La PUce du Comlf ir I Ijnjrc
de gemeenteraad een resolutie die voorziet in de aanleg van verbindingen van het station met de Brabantdam, van de Brabantdam met de Nieuwbrug en van het station met de Huidevettershoek (7). Naast de reeds hoger aangehaalde argumenten van stedelijke ontsluiting en stadsverfraaiing, wordt in deze context ook gewezen op het belang van de openbare hygiëne, en op de sanering van de schamele volkswijken door ze te doorsnijden met ruime, nieuwe straten. Dat dit een drogreden was blijkt onder meer wanneer de latere Keizer Karelstraat voornamelijk aangelegd wordt doorheen de grote, onbebouwde, binnenterreinen van enkele Gentse notabelen. Aldus worden ze ontsloten voor verkaveling en uiteindelijk zal dit alles enkel leiden tot een prestigieuze 'schermarchitectuur', waarachter de volkswijken onaangetast blijven voortbestaan (8). Op de — noodzakelijke — onmiddellijke aanleg van de 'Statiestraat' na, wordt reeds in augustus 1837 het hele project bevroren, in eerste instantie waarschijnlijk om interne, (partij-)politieke redenen (9). Na een nieuwe bestuurswisseling in 1840, neemt burgemeester Van Crombrugghe de plannen, die voor een groot deel gebaseerd waren op zijn voorstellen, terug op. Hierna komt het vrij snel tot een akkoord met de nationale regering. Keizer Karelstraat, 14 (1850) : de hoofdingang van de voormalige katoenspinnerij van F. Lousbergs (foto B.M.L.)
M&L26
De Zuidstaüonstraat: D. Stemgée)
een oorspronkelijke
bouwaanvraag en de noordelijke stationswand in zijn huidige toestand (S.A.G. G.12/ 5754; foto
waarbij onder meer de staatsbijdrage in de werken bepaald wordt. Het betreft zowel een gedeeltelijke subsidiëring als materiële hulp (onder andere de bestratingswerken). In ruil hiervoor zullen de nieuwe straten opgenomen worden in het Nationale Wegennet. Zo zullen zowel de 'route de 1" classe N 6', van Antwerpen naar Kortrijk, als de weg Brussel-Oostende (route N 1) voortaan gebruik maken van deze nieuwe doorgangswegen doorheen de Stad. Dit alles wordt bekrachtigd bij Koninklijk Besluit van 30 maart 1841 en in een aanvullende conventie van 21 april van hetzelfde jaar (10). De Statiestraat (11) De overhaaste aanleg van deze straat in 1837 vormde een 'conditio sine qua non' voor de openstelling van het station, om reden van toegankelijkheid. Ze liep van de noordoostelijke hoek van het Stationsplein in rechte lijn naar het zuidelijke einde van de Brabantdam, waarlangs een snelle verbinding met de Kouter gerealiseerd werd. Bovendien naderde de Brabantdam op deze plaats de Oude Schelde tot op minder dan 10 meter, zodat voor de aansluiting van de nieuwe straat slechts een geringe bouwdiepte moest worden doorbroken. Het definitieve tracé van de Statiestraat werd tenslotte georiënteerd op de tuinen van het oude Capucijnenklooster, aan de overzijde van de Brabantdam (12). In de meersen snijdt de straat midden door de terreinen van één eigenaar: Poelman-Hamelinck, die de gronden tot dan toe gebruikt had als bleekweiden voor zijn katoendrukkerij. Door de nieuwe doorsteek wordt hij eigenaar van twee ruime percelen, aan weerszijden van een 150 meter lange straat. Zij zijn totaal ongeschikt voor de uitbating van een grote 'fabrique d'indiennes', maar zullen een prima basis vormen voor verdere verkaveling en bebouwing. Van Arteveldeplein (13) en Keizer Karelstraat: de verbinding met Sint-Jacobs In een vroege fase van het ontwerp, bij het afwegen van een aantal alternatieven, opteerde het gemeentebestuur voor de aanleg van een rechtstreekse straat tussen de Nieuwbrug en het einde van de Brabantdam, zonder een plein ter hoogte van deze laatste. De straat zou vertrekken aan de Krommen Esch (14) en achter de Protestantse Tempel en het Capucijnenklooster door lopen tot tegenover de Statiestraat. Daar de nationale regering
echter, als voorwaarde voor haar steun, de aanleg van het plein eiste, werd voor de straat uiteindelijk een rechtlijnig tracé goedgekeurd dat uitmondde op de weilanden van de Hooie (15). Voor het verwerven van de gronden wordt met de voornaamste eigenaars (waaronder 'katoenbaron' F. Lousbergs) een minnelijke schikking uitgewerkt, die zeer gunstig uitvalt voor deze laatsten en die achteraf formeel bekrachtigd wordt in een 'onteigening voor openbaar nut'. De Keizer Karelstraat wordt eind juni 1842 opengesteld voor het verkeer; omstreeks 1850 is ook de bebouwing voltooid. De geschiedenis van het Van Arteveldeplein daarentegen is heel wat complexer. Op een werkdocument van de gemeenteraad, vermoedelijk uit 1837, is een rechthoekig plein getekend dat met de lange zijde gecentreerd is op het einde van de Statiestraat (16). Vanuit de noordwestelijke en noordoostelijke hoek vertrekken respectievelijk de Brabantdam en de Keizer Karelstraat. Dit plein ligt voor een belangrijk deel op de gronden van het Capucijnenklooster, terwijl van de Hooie slechts de kop afgesneden wordt. Nadat dit plan werd afgewezen en — op verzoek van hogerhand — terug opgenomen, wordt in het Koninklijk Besluit van 30 maart 1841 alleen een principiële aanduiding van het plein gegeven. Wanneer op het einde van dat jaar de Gentse stadsarchitect L. Roelandt een definitief plan voorstelt, blijkt het plein anders georiënteerd, en zuidwaarts verschoven te zijn (17). De tuinen van het Capucijnenklooster blijven aldus grotendeels ongeschonden en het plein situeert zich essentieel op de terreinen van de Hooie. Dit zal in de loop van het jaar 1842 aanleiding geven tot zware juridische conflicten met de eigenaars van de weide, voornamelijk met betrekking tot de onteigeningsvergoedingen. Uit het hele verloop van deze geschiedenis kan met een redelijke zekerheid afgeleid worden dat één der argumenten van de stad voor deze gewijzigde inplanting, van speculatieve aard was. Door de aanleg van het plein en de Keizer Karelstraat verwierven de tuinen van het oude Capucijnenklooster een aanzienlijke meerwaarde en werden ze voor de eigenaar — het stadsbestuur — zeer geschikt voor verkaveling en verkoop. Een andere bepalende factor bij de inrichting van het plein was de bouw van een nieuwe Sint-Annakerk. 27 M&L
J. Van Arteveldeplein (huidig Sint-Annaplein) : de in 1841 goedgekeurde definitieve inplanting aangebracht op een kadastraal plan. Bovenaan : de Stationstraat; rechts bovenaan . einde van de Brabantdam met vroeger capucijnenklooster; midden rechts : de nieuwe Keizer Karelstraat; onderaan de Nederschelde; midden links de voorziene inplanting van de nieuwe Sint-Annakerk, met erachter het klooster van Nieuwenbos; links bovenaan : de Lange Violettestraat (S.A.G. G 2 / A 8 (9))
Reeds vanaf 1829 hadden de inwoners van deze parochie bij het gemeentebestuur hun beklag gedaan over de ontoereikendheid van de oude kerk, gelegen aan de Lange Violettestraat ter hoogte van het klooster van Nieuwenbos, een beetje vóór het Klein Begijnhof. Pas in 1841 echter zou de gemeenteraad opnieuw aandacht besteden aan deze zaak en op dat ogenblik beslissen een nieuwe kerk op te trekken aan het geplande plein. Opnieuw doken hierbij de argumenten op van verfraaiing en prestige van de wijk, samen met de overtuiging dat dit openbare gebouw een extra stimulans zou geven aan het privé-initiatief. De kerk wordt gesitueerd in het midden van de zuidelijke pleinwand en het geheel wordt zodanig getekend dat zowel de Keizer Karelstraat als het nieuw getraceerde uiteinde van de Brabantdam georiënteerd zijn op de kerkgevel. Het gebouw zelf, naar een oorspronkelijk ontwerp van L. Roelandt maar later versoberd door J. Van Hoecke, zal opgetrokken worden in een eclectische stijl, te omschrijven als een kruising tussen Romaanse en Byzantijnse architectuur (18). Uiteindelijk zal het totaalbeeld mee bepaald worden door het feit dat de toren — om financiële redenen — niet uitgevoerd wordt. De zuidelijke begrenzing van het J. Van Arteveldeplein met de in de pleinwand gemonumentaliseerde Sint-Annakerk (1859) S.A.G. G 2/ AB
(D).
Intussen hadden de onteigeningen plaatsgevonden van terreinen voor de kerk en een pastorie, en was in de periode 1852-1853 een aanvang gemaakt met de bouwwerken van de kerk. Verder wordt vóór 1859 echter hoegenaamd geen aandacht meer besteed aan de zuidwand van het Van Arteveldeplein (19). Het zuidwestelijk deel wordt nog steeds afgeboord door de kleine, lager gelegen huisjes van het oude Nieuwenbosschestraatje, langs de vroegere Hooie. In 1859 besluit de gemeenteraad dan tot een wijziging van de — nog steeds theoretische — zuidelijke rooilijn van het plein. Aan weerszijden van de kerk zal de gevelwand 6 meter achteruit gebracht worden, met een negentien meter brede 'rondweg' langs de kerk. Het monumentaliseren van de kerk en — daarmee samenhangend — de pleinwand, is het doel. Hierbij zal de pastorie verhuizen naar de huidige Nieuwenbosstraat, terwijl voor de huisjes ten westen van de kerk besloten wordt tot een algemene onteigening, afbraak en herverkoop (20). De bekrachtiging van de resoluties in een Koninklijk Besluit vindt plaats op 8 augustus van datzelfde jaar.
m
Umi imt- 5 5 --ini- --hri --Irnil • 4mi^L^ M&L28
p aArJa . 6%.-
De Sint-Annakerk (1852-1862) : links het oorspronkelijk ontwerp van stadsarchitect L. Roelandt; rechts haar huidige, onvoltooid gebleven vorm (S.A.G., Atlas Goetghebuer, D 78, F 136/1; foto B.M.L.)
In 1862 beslist de gemeenteraad echter nergens meer een beroep te doen op onteigeningen, en alle werken waarvoor onteigeningen vereist zijn, op te schorten. De zuidwestelijke hoek van het plein zal tenslotte tot stand komen na een zone-onteigening in 1884 (21). Ondertussen was in 1862 — na een eerder problematische bouwgeschiedenis — de nieuwe Sint-Annakerk ingewijd, en in 1869 werd beslist tot de aanleg van een plantsoen ('square') in het midden van het plein, zodat het gehele Van Arteveldeplein omstreeks 1886 voltooid mag heten.
Een laatste bemerking geldt hier nog de Nieuwbrug. De verkeerscapaciteit van de oude brug, gelegen op de drukke verkeersweg tussen het station van de staatsspoorwegen en dat van de lijn 'Land van Waes', blijkt reeds in de vroege jaren vijftig ontoereikend te zijn. Daarom wordt in 1852 beslist tot de aanleg van een nieuwe, bredere brug. Met de werken wordt een aanvang gemaakt in 1853; in 1855 wordt de brug opengesteld voor het verkeer.
w« De oostelijke gevelwand van het J. Van Arteveldeplein : een tweede voorbeeld van de door de overheid opgelegde 'programma-architectuur' ? (Tekening O. Vereecke)
29 M&L
De Schelde vanuit de Muinkmeersen, mei de Marcellisbrug en de opgehoogde Lammersiraat. Achterin ligt de Huidevetlershoek (Litho, S.A.G. Atlas Goetghebuer)
De westelijke ontsluiting: Lieven Bauwensplein (22), Marcellisbrug en Lammerstraat Aan de samenvloeiing van Schelde en Ketelvest, ten oosten van de Sint-Pietersnieuwstraat, lag de Huidevettershoek. Het zuidelijke deel, aan de Kleine Huidevettershoek, de Lammerstraat en de Parijsberg, bestond voornamelijk uit kleine huurhuisjes. Tevens had men hier af te rekenen met grote niveauverschillen in de nauwe straatjes. In 1840 keurt de gemeenteraad het ontsluitingsplan goed van stadsarchitect Roelandt, dat voorziet in een brug over de Schelde, de verbreding van de Lammerstraat en een gedeeltelijke demping van de monding van het stationsdok (23). In juli 1842 beginnen de werken aan de nieuwe brug in gietijzer, naar een ontwerp van Duval en Marcellis geleverd door de ijzergieterijen van Seraing; anderhalf jaar later zijn ze voltooid (24). Hierop sluit de nieuwe Lammerstraat aan. Door het niveauverschil zijn de verbindingen verloren gegaan met de Kleine Huidevettershoek en de Parijsberg: op haar talud, tussen twee steunmuren, ligt de nieuwe straat geïsoleerd van haar omgeving. Maar reeds van bij de openstelling is Gent niet tevreden met het resultaat. De brug is loodrecht over de Schelde aangelegd, en ligt hierdoor schuin ten opzichte van de straatas van de Lammerstraat. Verder zijn ook de wegbreedte en de helling verschillend. Daarom wordt in de gemeenteraad meermaals gesuggereerd het tracé van de straat te herzien. Uiteindelijk zal men trachten deze smet op het prestige van de nieuwe wijk op te vangen in de aanleg van het Lieven Bauwensplein. M&L 30
In 1845 wordt het plan goedgekeurd voor een vierkant plein, loodrecht op de Scheldeoever, gecentreerd op de as van de brug. Uit de vier hoeken vertrekken straten: in het westen de twee Scheldekaden, in het oosten een nieuwe laan, evenwijdig met het station, en de verlenging van de Statiestraat. Een jaar later worden nog enkele kleinere wijzigingen aangebracht, die de indruk van een zelfstandig, besloten plein echter nog meer terugdringen, in ruil voor een nauwer aansluiten bij de openheid van de stationsterreinen. Het Lieven Bauwensplein wordt zo veeleer een sas naar het omringende stedelijke weefsel toe. Drie jaar na de goedkeuring van de grote voltooiingswerken van het station en omstreken, besluit de gemeenteraad in 1863 tot de afbraak en de vervanging van de Marcellisbrug. De nieuwe brug zal in de aslijn van de Lammerstraat komen te liggen en zal hellend aangelegd worden. Hierdoor wordt het eveneens mogelijk het niveau van het Lieven Bauwensplein en het verlengde van de Statiestraat te verlagen, waardoor tenslotte de mogelijkheid gecreëerd wordt het terrein vóór de kop van het station te nivelleren en de afsluiting te verwijderen (25). Op deze wijze is de aanzet geleverd tot de aanleg van het huidige President Wilsonplein en begint ook dit deel van het stationskwartier zijn definitieve vorm aan te nemen. De spoorlijn naar het handelsdok Reeds in 1840-1841, bij het opstellen van de globale ontsluitingsplannen voor de nieuwe wijk, was principieel voorzien in de aanleg van een verbindingsspoorweg naar het nieuwe handelsdok, ten noordoosten van de stad.
Het President WUsonplein {voorheen Lieven Bauwensplein) (foto D. Stemgée)
Dit project wordt echter pas opnieuw opgenomen in 1848. In België heerst op dat ogenblik de crisis en de aanleg van de Gentse spoorlijn wordt door de Stad geciteerd als één van de openbare werken die het meest in aanmerking komen om arbeid te verschaffen aan de werklozen (26). Nadat in datzelfde jaar het Gentse gemeenteraadslid Rolin bovendien tot Minister van Openbare Werken benoemd is, komen de — voorheen vastgelopen — onderhandelingen met de regering opnieuw op gang: twee jaar later, in 1850, wordt de definitieve conventie afgesloten.
1857 uiteindelijk in gebruik genomen. Doordat de nieuwe weg en de twee bruggen over Nederschelde en Visserij ook opengesteld worden voor gewoon verkeer, is het Gentse stadsbestuur er — eens te meer — in geslaagd met geringe kosten een nieuwe verbinding te realiseren met de relatief ontoegankelijke Antwerpse Poortwijk en het ondertussen voltooide slachthuis aan de 'Oude Citadel' (29). De Tweebruggenstraat volgt het oorspronkelijk traject van de verbindingsspoorweg. De toegang aan het Graaf van Vlaanderenplein werd in 1884 met een arcade overbouwd (foto D. Stemgée)
De onteigeningen en aanlegwerken zullen door de nationale overheid uitgevoerd worden, tot een bepaald maximaal bedrag. De meerkost valt ten laste van de Stad die, in ruil hiervoor, het recht op de ultieme goedkeuring toegewezen krijgt, tesamen met uitgebreide tussentijdse interventiemogelijkheden en een optie op de restgronden van de onteigeningen. Het traject dat in 1851 uiteindelijk gekozen wordt, ligt voor het overgrote deel aan de overzijde van de Visserij. Hier doorsnijdt het voornamelijk onbebouwde akkerlanden; en loopt ten oosten langs de 'Oude Citadel' (27). Voor het deel tussen het station en de Visserij wordt een tracé uitgewerkt dat in het noorden langs het klooster van Nieuwenbos buigt. Een jaar later wordt dit laatste echter verlaten voor een rechtlijnig traject dat, op voorstel van de oversten van Nieuwenbos zelf, dwars doorheen het klooster gaat (28). Tenslotte wordt in 1853 — op verzoek van de spoorwegen — naast de voorziene draaischijven, aan het station een rechtstreekse aansluiting op de hoofdlijn goedgekeurd, langs een grote boog naar het zuiden. Na heftig protest van de eigenaars wordt hier nog een overweg gepland, teneinde de bereikbaarheid van de zuidelijker gelegen percelen in de meersen te vrijwaren. Nadat de Gentse publieke opinie reeds meermaals hierop aangedrongen had, wordt de verbindingsspoorweg in 31 M&L
Het privé-initiatief als motor voor de uiteindelijke stedelijke structuur De politiek van de stedelijke overheid blijkt succesvol geweest te zijn: terwijl zij het 'geraamte' van de nieuwe wijk vorm geeft in de grote ontsluitingswegen, wordt de verdere 'aankleding' van deze structuur snel overgenomen door de betrokken eigenaars. Meestal gaat het initiatief hier uit van laatstgenoemden, en vaak zijn ook zij de eigenlijke uitvoerders. Alle voorstellen tot het openen van een straat op privégronden moeten voorgelegd worden aan de gemeenteraad, die tevens gemachtigd is wijzigingen aan te brengen in tracé, straatbreedte... . Verder wordt een uitspraak gedaan over het openbare belang van de geplande werken: indien de nieuwe straat enkel de eigenaar zelf ten goede komt, doordat zijn gronden ontsloten worden en hij zijn eigendommen kan verkavelen, vallen de volledige aanlegwerken te zijnen laste. Wanneer echter ook openbaar nut kan worden aangevoerd, doordat nieuwe verbindingen gecreëerd worden, neemt de Stad een deel van de werken op zich. Op deze wijze komen een aantal kleinere straten tot stand doorheen de wijk: de Poelmanstraat (30) door Poelman-Hamelinck (1840); de verlenging van de Belgradostraat tot aan de Keizer Karelstraat, door Mechelynck (1841); de Vijf Windgaten- en Antheunisstraat, door de gebroeders Antheunis (1844); de Vander
Doncktdoorgang door Vander Donckt (1846); en in de westelijke meersen: de Bénardstraat door L. Benard (aanvraag: 1841). Hierbij valt meermaals op dat de eigenaars tot zeer grote persoonlijke inspanningen bereid zijn om de goedkeuring te bekomen (31). Naast deze kleine, relatief geïsoleerde initiatieven, doen zich echter ook enkele processen op grotere schaal voor. De stationsboulevards en het Graaf van Vlaanderenplein Het betreft hier het enige project dat later door de overheid gerecupereerd zal worden. Dit gebeurt mede door de aanwezigheid van — precies — het station en door de gemengde belangen in de betrokken terreinen: Staat, Stad en privé-eigenaars. Reeds in de periode 1840-1842 bereiken de privé-eigenaars een onderlinge overeenkomst voor de afstand van gronden, teneinde de dienstwegen langsheen de grachten te kunnen verbreden tot publieke promenades (32). De regering had er zich reeds bij de onteigeningen voor het station toe verplicht de aanpalende eigenaars een vrije doorgang te laten voor de uitbating van hun restgronden. Eind 1842 keurt de gemeenteraad het voorstel voor de lanen dan ook principieel goed, maar onmiddellijk blijken de onderhandelingen met de nationale overheid, in verband met een gedeeltelijke financiering van het project, onherroepelijk vast te zitten. Ook het herhaalde argument van werkverschaffing in de daaropvolgende periodes van economische crisis, zal niet in staat zijn de gesprekken opnieuw op gang te brengen.
De door Mechelynck doorgetrokken Betgradostraat naar de Keizer Karelstraat toe. De verbreding vooraan is het gevolg van een latere rooilijnherziening (foto D. Stemgée)
M&L32
Inhoud nr. 31 / Bijlage bij M&L 6/4 - Juli-Augustus 1987 Literatuur 2 B.M.L.-activiteiten 3 Beschermingen 6 8 Buitenkrant Tentoonstellingen 13
LITERATUUR Kunst en Oudheden in Limburg. 'Barokarchitectuur' en 'Behoud van het restauratieambacht', Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium, Borgloon - Rijkel, 1986. De Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium geeft als onderbouwing van zijn werking sinds 1970 werkschriften uit in de reeks 'Kunst en Oudheden in Limburg'. Ze zijn illustratief voor de thematische opdrachtterreinen van de Dienst: cultuurgeschiedenis, monumentenzorgbeleid, monumentenzorgtechniek en cultuurtoerisme. In het voorjaar verscheen reeds de publikatie 'Sint-Servatius, bisschop van Tongeren-Maastricht. Het vroegste Christendom in het Maasland en Herkenrode, oord van herbronning". De volgende nummers in deze reeks behandelen thema's uit de architectuurgeschiedenis en de monumentenzorgopleiding. Het werkschrift nummer 31, Barokarchitectuur: fenomeen, architect, gebouw. Een verkenning", geeft verslag van een werking rond bouwheer en bouwmeester in de 18de eeuw, meer specifiek de figuur van JJ. Couven. Een rijke keuze van ontwerptekeningen van deze Akense architect werd in 1985 tentoongesteld in de Rijschool van de voormalige landcommanderij Alden Biesen. C.G. De Dijn geeft een commentaar bij de vormgeving van de tentoonstelling in relatie tot het fenomeen ontwerptekening. Bij die gelegenheid ging in samenwerking met het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut een studiedag rond barokarchitectuur door. De artikels in het werkschrift attenderen de lezer op
de resultaten van deze activiteiten en geven tevens verslag van de cultuurtoeristische werking van de Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium. Dr. S. De Bleeckere behandelde de barok cultuurfilosofisch, terwijl C.G. De Dijn het thema belichtte vanuit het gebouw, met name Alden Biesen, de voormalige landcommanderij van de Duitse Orde. K. Köver belicht het onderwerp via het oeuvre van architect J.J. Couven. Meer bepaald wordt ook aandacht gevraagd voor de inbedding van ons patrimonium in het grensoverschrijdend gebied van het Maasland. Uitgewerkte cultuurhistorische verkenningen van de hand van C.G. De Dijn geven een beeld van de smeltkroes van architecten, opdrachtgevers en invloeden. Het nummer 29 van de reeks vormt de neerslag van de Internationale Monumentendag, georganiseerd op 18 april 1985 in de voormalige landcommanderij Alden Biesen, rond het onderwerp 'Behoud van het restauratieambacht'. In recente periodes werd gedacht dat techniek en grootschaligheid alles zouden oplossen en dat ambachtelijk vakmanschap achterhaald was. Nu blijken de restauratieambachten bij de monumentenzorgers weer in het brandpunt van de belangstelling te staan. Het probleem van de opleiding, vroeger een kwestie van spontane overlevering tussen meester-vakman en leerling, tekent zich bijzonder scherp af. Een aantal oude technieken en vaardigheden dreigen verloren te gaan. In dit werkschrift wordt ingegaan op opleidingscentra in Dulda (BRD) (M. Gemer) en Venetië (W. Elbert), op de mogelijkheden in het Bokrijkse Openluchtmuseum (M. Laenen), op het profiel van de opleiding (D. Ostyn) en op de sociaal-economische betekenis van het restauatieambacht 0- Schellevis).
BAROKARCHITECTUUR fenomeen atrhitect f^ebouw Een verkenning.
M&L-Binnenkrant
Kunst en Oudheden in Limburg: Werkschrift nr. 31. Prijs: 400,-fr. Werkschrift nr. 29. Prijs: 200,-fr. Verkrijgbaar bij de Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium - Kasteel Rijkel - Dionysius Van Leeuwenstraat 23 3856 Borgloon-Rijkel. & 011/68.66.76. C.G. De Dijn
Te kust en te kuur. Badplaatsen en kuuroorden in België/16de-20ste eeuw, tentoonstellingscatalogus, Brussel, 1987
Onder de titel 'Te Kust en te kuur" — de Franse woordspeling 'Histoire d'eau' is nog leuker — organiseerde de ASLK deze en volgende zomer een uitgebreide tentoonstelling met als thema: de Belgische badplaatsen en kuuroorden van de 16de eeuw tot nu. Traditiegetrouw hoort bij zo'n tentoonstelling een catalogus, die als 'verheldering' en TDlijvend document' werd samengesteld door een wetenschappelijke stuurgroep. Het onderwerp is boeiend; de catalogus ook. Een tweeledige rode draad komt in de 13 opgenomen artikels naar voren: architectuur en urbanisatie, toerisme en ontspanningsleven. Er werd immers op zoek gegaan naar de 'wortels' van het hedendaagse toerisme, en of het nu gisteren of vandaag is, achter de reisbestemmingen gaat dat meest bevreemdende wezen schuil dat de mens is en dat zich hier verbergt achter een van zijn meest onthullende vermommingen: die van vrijetijdsreiziger en toerist! Wat vooral opvalt is de grote documentaire waarde van de catalogus, die niet alleen in de tekst uitgedrukt en verwerkt is, maar ook door de boeiende illustratie wordt waargemaakt.
Na de inleidende en eerder 'situerende' artikels, volgen een aantal bijdragen die elk een facet van deze ontwikkeling behandelen: het ontspanningsleven, de hotels, het sociaal toerisme, de kustarclütectuur, de kunstenaar aan zee en de urbanistische ontwikkelingen in de verschillende badplaatsen, om er maar enkele te noemen. Een document dus, dat men op een terras van een overgebleven 'Grand Hotel' op de dijk tijdens een opkomende zon rustig kan aansnijden tussen de heetgebakken croissants en de café-glacé in, de overgeleverde belevenissen der grootouders indachtig. Dat naast de ontwikkeling van de badsteden ook de kuuroorden er werden bijgenomen — en dan vooral Spa — heeft méér te maken met de betrachting naar een communautair evenwicht dan met een doordachte keuze van een 'afgelijnde thematiek'. In ieder geval is deze praktische catalogus met uitgebreide bibliografie een standaardwerk geworden voor wie interesse heeft voor of zich wil verdiepen in de ontwikkeling, de urbanisatie en het toerisme van onze Belgische kust. 'Te kust en te kuur; formaat 21 x 21 cm ; 316 pagina's; talrijke kleurenfoto's. Prijs: 400,-fr. De tentoonstelling liep in Brussel (ASLKgalerij) en in het Kursaal van Oostende tot 30 augustus. Ze wordt in de zomer 1988 hernomen in Spa. M. Ramakers.
Paviljoen van de Belgische Spoorwegen te Parijs in 1923 (Oostende, stadsarchief)
B.M.L.-ACTIVITEITEN :TIVITEITEN Studiereis van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen naar het Rijnland op 30 april 1987 Sedert 1983 onderhoudt het Bestuur voor Monumenten en Landschappen nauwe betrekkingen met het Rheinisches Amt für Denkmalpüege, de dienst die bevoegd is voor de monumentenzorg in het Land Nordrhein-Westfalen. Op vaktechnisch gebied zijn deze contacten zeer interessant gebleken. In 1985 werden de collega's van de Duitstalige Gemeenschap voor het eerst bij de uitwisselingen betrokken toen de Rijnlanders in Vlaanderen te gast waren. De wederzijdse studiereizen zijn steeds zo opgevat dat de delegaties de gelegenheid krijgen met elkaar van gedachten te wisselen over actuele problemen inzake monumentenzorg en geconfronteerd worden met eikaars 'veldwerk'.
Bovendien zijn deze ontmoetingen gekenmerkt door een zeer vriendschappelijke sfeer die een directe, onomwonden confrontatie van meningen en ervaringen mogelijk maakt. Het thema van de studiereis die het Bestuur op uitnodiging van het Rheinisches Amt für Denkmalpüege maakte op 30 april 1987 luidde: 'Probleme der praktischen Denkmalpüege in Monschau und Bad Münstereifel'. Vooral werd dus aandacht besteed aan de restauratieproblematiek, geïllustreerd aan de hand van concrete realisaties. Na de begroeting te Monschau, gaf Dr. Zalm, conservator, een uiteenzetting over het ontstaan en de ontwikkelingsgeschiedenis van de stad. Vervolgens werd de delegatie in Haus Troisdorf ontvangen door Burgemeester Isaac en de stedelijke directeur voor Monumentenzorg, Dr. Etschenberg. Monschau en het Rote Haus Monschau, oonspronkelijk 'Montjoie' (Berg van vreugde), wordt bijzonder ge-
koesterd door het Rheinisches Amt for Denkmalpüege, omwille van zijn zo goed als gaaf bewaarde barokke stadsbeeld. Ter bescherming van dit oude stadsbeeld vaardigde de Stadraad in 1972 een aantal bouwvoorschriften uit voor nieuwbouw en verbouwingswerken. Tevens werd een commissie van deskundigen opgericht om de overheid bij de beoordeling van bouwaanvragen bij te staan. Niet het minst omdat het toerisme er de enige bron van inkomsten is, zijn de inwoners van Monschau zich bewust van de cultuurhistorische waarde van htm stad. De samenwerking met het Amt für Denkmalpüege, is thans zo hecht dat de stedelingen uit eigen beweging om raad komen vragen... . Het stadje kwam pas tot grote bloei rond 1600, toen een groep protestantse lakenproducenten uit Aken naar Monschau afzakte omwille van het heldere water van de Laufenbach en de schapenteelt. De welvaart weerspiegelt zich in de vele patriciërswoningen. Boven op de Lau-
fenbach, in het centrum van de stad, liet een van de belangrijkste lakenfabrikanten, J.H. Scheibler, zich een indrukwekkend woon- en kantoorhuis bouwen met in de kelder een geheime wolwasserij en ververij: 'das Rote Haus', een vakwerkhuis met een baksteengevel bekleed en in een rode kleur 'verputzt'. Niet alleen de kleur echter, maar meer nog de monumentale architectuur en de ligging in het midden van de stad, verheffen dit huis tot een monument van burgerlijke welstand. 'Das rote Haus' is een dubbelhuis, met links de woning van de fabrikantenfamilie en rechts de werkplaats. De aankleding van het interieur is bijna volledig bewaard en geeft een goed beeld van het leven en de wooncultuur van de gegoede burgerij in de 18de en 19de eeuw. Het huis wordt sinds 1963 beheerd door een stichting die de opdracht heeft het huis en de inrichting te bewaren, als museum uit te bouwen en voor het publiek te ontsluiten. In 1972 moest het huis wegens stabiliteitsproblemen, — die zich onder andere uitten in de verzakking van de vrij zwevende staatsietrap — ontruimd worden. Het constructieve vakwerkgedeelte werd van kelder tot dak vernieuwd. Ook het interieur werd grotendeels vernieuwd en soms ingrijpend gereconstrueerd. In de imposante hal, versierd met stucco lustro, supraporten en marmerimitatie, is de monumentale trap de blikvanger. Hij loopt in een elegante, ovale beweging over drie verdiepingen en is overvloedig versierd met figuratief en decoratief rococo-snijwerk. Een curiosum is de wandbekleding in de zogenaamde 'Herrenzimmer': langs de vier muren is linnen doek gespannen waarop kopieën van beroemde en minder beroemde meesters zijn geschilderd: mythologische en pastorale taferelen, genrestukken, landschappen en portretten. Zelfs de lijst en de ophanging aan de wand zijn geschilderd, wat het trompe l'oeileffect perfect maakt. Na dit interessante bezoek werd een gezamenlijk middagmaal gebruikt, tijdens hetwelk onder meer de organisatie van de monumentenzorg in het Rijnland werd besproken. Het namiddagprogramma begon met een busrit langs hofsteden in het Eifelgebied, met onder meer een bezoek aan een typisch, onlangs gerestaureerd 'Venngehöft'. De burchttoren van Arloff Op weg van Montjoie naar Munster-Eifel, in het agrarische, lichtglooiende landschap van de Erft-vallei, staat de vroegmiddeleeuwse vierkante woontoren van Arloff. Evenals hun prehistorische voorgangers — de vluchtburger — en later de Romeinse wachtposten, hadden middeleeuwse donjons een militairstrategische functie. Zij speelden een belangrijke rol in de erfenisoorlogen tussen clerus en adel. Zo moet de woontoren van Arloff een gegeerd rustpunt
M&L-Binnenkrant
geweest zijn voor de hertogen van Jülich bij het doorkruisen van het vijandig gebied van de aartsbisschop van Keulen. Nu staat hij als een erewachter bij een complex van boederijgebouwen rond een binnenerf. De 'Denkmalpflege' is erin geslaagd de nodige fondsen (300 000 D.M.) bijeen te krijgen om dit unieke gebouw, dat tot ruïne dreigde te vervallen, voor de toekomst te vrijwaren. Het leien dak werd hersteld en de natuurstenen buitenmuren grondig 'geputzt'; deze bepleistering die over de vier verdiepingen werd uitgesmeerd, ontlokte reactie van een aantal Vlaamse monumentenzorgers: of het niet wat minder hard had gekund, want die cement komt er zonder ernstige beschadiging van het parament nooit meer af...?". Net als in de middeleeuwen klommen we langs een optrekbare buitenladder naar de 2de verdieping. Het gaaf bewaarde interieur (dendrochronologisch onderzoek dateerde de hier nog aanwezige moederbalken in 1269, de onderbouw blijkt nog ouder) met kruipkelder, open haarden, zitnissen en toilet, werd bij de instandhoudingswerken veel zachter en met meer respect aangepakt, met uitzondering van de betonplaat die men uit stabiliteitsoverwegingen bovenop een gewelf heeft gegoten: een onomkeerbare ingreep waar — zo voelden we — ook onze collega's uit het Rijnland moeite mee hadden. Duivenmest zal men in de toekomst niet meer moeten opruimen; een mazendraad werd immers in alle openingen aangebracht en zo blijft de toren bovendien constant verlucht. De rit ging toen verder naar Bad Münstereifel, waar Dr. Zahn op de Klosterplatz de geschiedenis van de stad belichtte en ons naar de restauratiewerf bracht van de Stiftskirche. De Stiftskirche HH. Chrysanthus en Daria De Romaanse, aan Sint-Chrysanthus en Sint-Daria gewijde Stiftskirche in Bad Münstereifel, kreeg in het begin van de 12de eeuw een nieuw, vlak afgedekt basüicaal schip, dat in de tweede helft van de eeuw reeds van een stenen kruisribgewelf werd voorzien. Anders dan bij de West-Romaanse kerkbouw, waar de geleedbaarheid van de wand — die de latere gewelfbouw anticipeerde — reeds van meet af aan werd begrepen, werden hier als uitbreiding diensten voor de pijlers geplaatst in functie van overwelving. Door het behoud van het oude dakgebinte en de bovenlichten kreeg dit gewelf noodgedwongen een gedrukt profiel dat herhaaldelijk scheuren in de langsrichting van het schip veroorzaakte. De laatste jaren was dit fenomeen in nog sterkere mate opgetreden. Het verder inknikken van de schedellijn van het gewelf, en het uit het lood geraken van de muren konden niet langer worden verholpen met het oude lapmiddel, het dichtpleisteren van de scheuren. Op basis van het 'Charter van Venetië' werd geopteerd voor het behoud van de
geëvolueerde toestand, dus het herstel of herplaatsen van het stenen gewelf. Na het wegnemen van het bouwvallig gewelf kwamen echter in de zwikken boven de triomfboog van de koorapsis Romaanse, kwalitatief vrij goede wandschilderingen aan het licht die figuren van de Tetramorf voorstelden. Daarnaast bleken de oorspronkelijke kapbalken onderaan van sponningen voorzien, waarin de nu verdwenen vloerdelen van de vlakke zoldering werden geplaatst en aangedreven. Niettemin werd toch beslist om, met het vernieuwen van de funderingen en de versteviging van de muren van het middenschip, ook het stenen gewelf te reconstrueren, nadat andere restauratiemethoden, zoals het ophangen van de reeds op zich slecht geconstrueerde gewelfvlakken, als niet realiseerbaar waren afgewezen. Om het nieuwe gewelf van een constructief verantwoorde kromming te voorzien werd een verhoging van de dakstoel met ca 20 cm noodzakelijk geacht. Hier werd dus geen rekening gehouden met het feit dat de Stiftskirche, met de nog grotendeels aanwezige oorspronkelijke dakstoel en met het behoud van de oorspronkelijke vlakke afdekking, kon worden beschouwd als het nog enige, gaaf bewaarde exemplaar van een dergelijk bouwtype in het Rijnland. Nu zal de oude dakstoel wel behouden blijven, maar de kapbalken zullen aan het oog worden onttrokken door het nieuwe gewelf. De oorspronkelijk continu doorlopende reeks bovenlichten blijft onderbroken wegens de aanwezigheid van de diensten voor de gewelfaanzetten, en de muurschilderingen in de triomfboogzwikken zullen elders in de kerk worden opgesteld en aldus uit hun verband worden gerukt. Uit dit alles blijkt hoe het beleidsmatige aspect hier in grote mate wordt bepaald door de instanties die de grootste financiële inbreng in het restauratieproces voor hun rekening nemen, i.e. het bisdom en het kerkbestuur. De adviezen van de monumentenzorger zijn dus wel zeer vrijblijvend en ondergeschikt aan de zienswijze van de ontwerper, hetzij architect, hetzij ingenieur, die vaak niet in voldoende mate beschikt over het historisch en artistiek inzicht dat voor een dergelijke opdracht is vereist. De monumentenzorg in Vlaanderen gaat wel eens te gemakkelijk bij voorbeelden uit het buitenland te leen. Dat systematische zelfkritiek en onredelijke overwaardering van buitenlandse restauraties de appreciatie van eigen realisaties in de weg staat, wordt door het voorbeeld van de Stiftskirche, nogmaals aangetoond. De studiedag eindigde in het stadhuis van Bad Münstereifel. Daar werd onze delegatie vriendelijk ontvangen door 'Landesrat' Dr. Schönfeld van het Landschaftsverband Rheinland en door de stedelijke directeur voor monumentenzorg Dr. Ahrend.
De gemeenschappelijke slotbespreking was gewijd aan de relatie tussen (orthodoxe) restauratie-opties en de bestemming die aan het monument wordt gegeven, meer bepaald wanneer commerciële en toeristische belangen in het geding zijn. L. Dekoninck, M. Fierlafijn, R. Hermans, H. Van den Bossche, C. Vanthillo.
Studiereis 16 juni 1987 in de provincie Namen, ingericht door de Westvlaamse Vereniging voor de Vrije Tijd Deze studiereis kaderde in de beleidsvorming rond recreatie, landschapszorg en natuurbehoud, en had tot doel de deelnemers kennis te laten maken met drie hiermee in verband staande initiatieven in de provincie Namen. Het eerste excursiepunt was het provinciaal domein 'Valéry Cousin' in Chevetogne, 40 km ten zuiden van Namen. Dit oude, adellijke landgoed met een oppervlakte van meer dan 500 ha werd door de provincie Namen aangekocht en geleidelijk als polyvalent recreatieoord uitgebouwd. De nodige infrastructuur hiertoe (zwembad, restaurant, camping, manége, motel, speeltuin, chalets, sportterrein) werd niet geconcentreerd maar verspreid over een ruim deel van het domein ingeplant. Het administratief centrum vond een onderkomen in het opgeknapte kasteel. De mogelijkheid tot het inrichten van bosklassen werd voorzien en ruim 120 ha heeft de bestemming rust- en stiltegebied en is exclusief voorbehouden voor natuurexploratie. De conclusie na een eerste en vluchtige kennismaking met het domein is dat het aspect recreatie hier duidelijk overheerst, wat ongetwijfeld nadelig was voor de waarde van het gebied zelf maar ruimer bekeken (op provinciaal vlak) de recreatiedruk op andere gebieden heeft verlicht. Het volgende reisdoel was het domein Les Mazures in Han-sur-Lesse, meer in het bijzonder het Centre d'Initiation a ÏEcologie, opgericht in 1975 op initiatief van het Waalse Gewest. In opdracht van het (Franstalig) Ministerie van Onderwijs verzorgt het Centrum schoolstages in het kader van ecologisch en natuureducatief onderricht en dit zowel voor het basis- en middelbare onderwijs als voor de lerarenopleiding. De uitrusting van dit centrum is ruim omvattend met onder andere een labo, een microscopenzaal,... zodat het op het terrein verzameld e materiaal (bodem, gesteenten, planten, water, dieren,...) tot in de kleinste details kan worden onderzocht. Dat het Centrum een groot succes kent, wordt bewezen doordat 10.000 leerlingen en 2.000 leraars er tussen 1975 en 1985 stage hepen, en door het feit dat het Centrum reeds tot in 1989 volgeboekt is.
In de nabije omgeving van het Centrum werd nog halt gehouden in het nationaal park Lesse en Lomme, waar de kenmerkende vegetatie van enkele kalkgraslanden nader werd bekeken. Het laatste excursiepunt betrof het natuurreservaat van Furfooz, eigendom van de stad Dinant en beheerd door de v.z.w. Ardenne et Gaume. Dit reservaat bestaat uit twee delen; het natuurpark en het eigenlijke natuurreservaat. Dit natuurreservaat dat ongeveer 50 ha van de totale oppervlakte van 65 ha inneemt, is niet toegankelijk voor het publiek. Het natuurpark-gedeelte werd op een weinig storende wijze natuureducatief uitgebouwd (onthaalpaviljoen, wandelpad met begeleidende brochure, trappen,...) en laat de bezoeker kennismaken met alle elementen van dit park. Het parkgedeelte, gelegen boven op een rots aan de rand van de Lesse, is van in het voorhistorisch tijdperk tot in de middeleeuwen strategisch van belang geweest. Restanten van vroegere bewoning en versterkingen zijn nog duidelijk waarneembaar de in het laat-paleolithicum en het neolithicum bewoonde grotten Trou du Frontal' en 'Trou des Nutons', het Romeinse en het middeleeuwse fort, de gerestaureerde Romeinse Baden. Ook de natuurelementen nemen een bijzondere plaats in: de 'Trou de Grand Due', een vroegere onderaardse aftakking van de nu 75 m lager stromende Lesse, de Trou qui Fume' waar 's winters bij vorst massa's waterdamp uit opstijgen en 's zomers lucht wordt aangezogen, een gevolg van de constante inwendige temperatuur van de holte, de specifieke vegetatie van kalkgraslanden, beboste hellingen, rivierbegeleidende bossen,... . G. Ostyn
Decreet houdende uitroeping van het IJzermonument en het omringende domein te Diksmuide tot Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding Op 23 december 1986 werd het decreet uitgevaardigd houdende uitroeping van het IJzermonument en het omringende domein te Diksmuide tot Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding. De Gemeenschapsminister van Cultuur, P. Dewael, heeft thans beslist dat de uitvoering van het decreet door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen zal gebeuren. De tekst luidt als volgt: De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Executieve, bekrachtigen hetgeen volgt: Artikel 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 59bis van de Grondwet. Artikel 2. Het IJzermonument te Diksmuide met de IJzertoren, de Paxpoort en het omringende domein wordt uitgeroepen tot Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding.
Artikel 3. Teneinde de instandhouding, de herstelling en het onderhoud van het Memoriaal te verzekeren, wordt op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks een toelage van een miljoen frank ingeschreven. Dit bedrag van de subsidie wordt om de drie jaar aan de indexstijging aangepast. Artikel 4. Op het globale subsidiebedrag wordt jaarlijks een voorschot van negentig procent toegekend. Het saldo wordt toegekend na voorlegging van rekeningen voor het globale subsidiebedrag. Artikel 5. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 1987.
De kist die zich niet laat kisten.... vervolg Verwijzend naar het vorige nummer van M&L met de bijdrage over de Kist van Oxford en de polemieken omtrent de authenticiteit ervan, kan thans nog een argument pro de authenticiteit worden toegevoegd. De heer Warlop vond, toen hij de Stoet van Vlaanderen op 11 juli in Kortrijk bekeek, een nieuwe aanwijzing dat de Kist van Oxford niet van het einde van de 19de eeuw kan zijn. Wij citeren: „Op de Kist hebben de leeuwen geen tong, op de schilderijen in de gotische zaal van het Brugse stadhuis (einde 19de eeuw) wél. Ca. 1900 stond het dus voor iedereen als een paal boven water dat ca. 1300 heraldische leeuwen getongd waren. Nu schijnt dat nog het geval te zijn... In de Stoet van Vlaanderen droegen krijgers van 1302 schilden met getongde leeuwen. En dan zeggen dat één der breinen achter de Stoet van Vlaanderen ook één der auteurs is van 'De Kist van Oxford...'. U ziet dat op het einde van de 19de eeuw en ook nu de misvatting dat ca. 1300 de leeuwen getongd waren, er diep in zat. Dat op de kist van Oxford de leeuwen géén tong hebben bewijst dus mijn inziens dat de kist niet op het einde van de 19de eeuw gemaakt kan zijn".
BESCHERMINGEN De Minderbroederskerk in Sint-Truiden De minderbroedersorde werd in SintTruiden gesticht tussen 1220 en 1230. Het eerste huis van de orde bevond zich op de hoek van Minderbroeders- en de Luikerstraat. In 1258 werd de eerste kerk, de Sint-Annakerk voltooid, die anders georiënteerd was als de huidige: de ingang lag bij de Naamsestraat, wat een zuiver oost-westoriëntering gaf. Het klooster was onmiddellijk naast de stadswal gelegen, vlak bij de Clockempoort. De vestingwal vormde de zuidelijke grens van de kloostertuin. In 1730 werd de kerk gesloopt. Mogelijk onder leiding van monnik Bolgrez werd de huidige kerk gebouwd van 1731 tot 1735. Ze werd in 1780 verlaagd. In 1797 werd de orde opgeheven en werden de goederen verkocht, maar de franciscanen slaagden erin ze op te kopen. In 1830 heropenden zij het klooster. Tijdens de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog in 1940 werd het grootste deel van het klooster verwoest; het dak en een gedeelte van het meubilair van de kerk gingen verloren. In hetzelfde jaar nog werd de kerk volledig gerestaureerd en tot zijn oorspronkelijke hoogte opgetrokken. De bakstenen zaalkerk met noordoostzuidwestoriëntering heeft een smaller koor met driezijdige sluiting, aan de noordwestzijde door een sacristie geflankeerd. Imposant is de monumentale, barokke voorgevel op een hoge sokkel met bolronde lijst. Het oorspronkelijk gebogen fronton werd tijdens de restauratie vervangen door een fronton met kornis en timpaanvulling. Boven het portaal is een centrale rondboognis met een beeld van Franciscus Solanus, de patroon heilige van de kerk. Het gebouw is voor het overige erg sober van constructie. Het interieur van de kerk is volledig bepleisterd. De pilasters en gordelbogen zijn met stucwerk versierd. In de kerk staan een Piëta en een Madonna, allebei van gepolychromeerd hout en uit de 16de eeuw. De Sint-Antonius, tevens van gepolychromeerd hout, dateert uit de 18de eeuw. Uit dezelfde periode stammen de barokke zijaltaren en de eiken preekstoel. De eveneens eiken biechtstoelen zijn in Lodewijk XV-stijl. Achter het koor van de kerk en hierbij aansluitend ligt de Portiunculakapel uit 1732-1735. Het bakstenen gebouwtje heeft mergelstenen hoekbanden en een leien zadeldakje. Het interieur is volledig bepleisterd en heeft een fraaie stucversiering. Onder de kapel bevindt zich een crypte uit dezelfde periode.
M&L-Binnenkrant
De alleenstaande sacristie is een eenvoudig classicistisch gebouw dat in dezelfde periode werd gebouwd als de kerk, maar na 1940 gedeeltelijk werd heropgericht. De Minderbroederskerk werd op 21 januari 1987 als monument beschermd omwille van haar historische en artistieke — in casu architectuur-historische en esthetische — waarde. Tegelijkertijd werd het resterende deel van de stadswal in de kloostertuin als monument en het kloostercomplex als stadsgezicht beschermd. P. Van Lindt
Het wachttorentje 'De Peperbus' op de Hertogin IsabeUakaai in Gent De Hertogin IsabeUakaai werd in 1901 aangelegd langs de rechteroever van de
Schelde tussen de Terplatenbrug en het Stalhof. Het is een geplaveide straat met bochtig tracé waarvan de oever beplant is met platanen. In de bocht bleef een wachttorentje bewaard dat aanvankelijk deel uitmaakte van een supplementaire vestingmuur van het Sint-Pietersdorp, daterend uit 1658-1659. Het ronde, zandstenen hoektorentje, wordt doorbroken door schietgaten en vertoont een waterlijst onder het koepeldakje. Deze vorm verleende het torentje zijn naam: 'De Peperbus'. De geprofileerde overkraging onderaan evenals de sporen van een bakstenen muur wijzen nog op de oorspronkelijke functie als wachttorentje langs de Schelde. De bakstenen vestingmuur verdween in 1900-1901 bij de aanleg van de kaai. Het torentje is op 12 januari 1987 als monument beschermd omwille van zijn historische waarde.
Het landschap gevormd door de Hoge Mouw en het Koningsbos in Kasterlee voorlopig gerangschikt Het Koningsbos is gelegen ten zuidwesten van d e dorpskern van Kasterlee. Het wordt begrensd door de Lichtaartsebaan in het noorden, het dorpscentrum en de Geelsebaan in het oosten, de vallei van de Kleine Nete in het zuiden en de grens met Lichtaart in het westen. Het landschap maakt volledig deel uit van de heuvelrug die zich uitstrekt tussen Herentals en Kasterlee, een tweetal kilometer ten noorden van de Kleine Nete. De hoogte varieert van 20 tot 35 meter. Opvallend is de vrij steile helling (ongeveer 10%) langs de zuidrand van het gebied. Een geologisch waardevol landschap Volgens de bodemkaart bestaat de noordelijke helft van het Koningsbos volledig uit duinen. In het zuiden van het Koningsbos ligt een zone van podzolachtige bodem, en van het westen tot aan het centrum van Lichtaart en het gehucht Hukkelbergen strekt zich een zone van plaggenbodems uit, wat wijst op een eeuwenoud gebruik van plaggenmest. De ondergrond van de Hoge Mouw en het Koningsbos wordt gevormd door het Kasterliaan zand, een mariene afzetting van het Boven Mioceen (Tertiair). Gescheiden door een dunne laag basisgrint rust hierop het Poederliaan, een ijzer- en fossielhoudende mariene afzetting van een transgressie die zich over de Kempen en in oostelijke richting uitstrekte tijdens het Plioceen (Tertiair). Deze afzetting is onder andere weer te vinden in de holle weg tussen Hukkelbergen en Lichtaart op een hoogte van ongeveer 27,5 meter. Tijdens het Pleistoceen (Kwartair) werden de oudere afzettingen bedekt met dekzand, van niveo-eolische oorsprong gedurende de ijstijden en van fluviatiele oorsprong gedurende de tussenijstijden. Uit het beschikbare materiaal kan afgeleid worden dat dit pleistoceen dekzand weinig of niet werd afgezet op de 'interfluviatiele rug' tussen Herentals en Kasterlee. Het dekzand in de Netevallei diende wel als zandbron voor de duinen in het Koningsbos. Het werd opgestoven door de toen overheersende zuidwestenwinden in de koudere en droge Dryasperioden van het Tardiglaciaal (laatste fase van de Weichselijstijd). De duinen werden vastgelegd door de plaatselijke aanwezigheid van geschikte plantengroei. Gedurende het Holoceen (vanaf 10 000 jaar geleden) bleven de toppen het langst onderhevig aan verstuivingen, waardoor de hellingen verzwakten; ook de regenerosie had een reële betekenis bij de herwerking van het duin. Beheerd en bedreigd... Het landschap 'de Hoge Mouw-het Koningsbos' omvat het Provinciaal Domein
'de Hoge Mouw* (eigendom van het Provinciebestuur) en een aantal private percelen waarvan sommige ingericht zijn als weekendgrond. Sinds 1972 wordt het domein beheerd door de Dienst Groen, Waters en Bossen van het Bestuur Landinrichting (AROL). Het bestaat vooral uit aanplantingen van Grove en Corsicaanse den, Zomereik en Amerikaanse eik. De kapregeling is gericht op een geleidelijke uitbreiding van het Zomereikenbestand.
leverd voor de eerste sectie van de expresweg Tumhout-Aarschot: het traject Tumhout-Kasterlee. Op 16 maart jl. werden deze werken aangevat. Om het aansluitingsconcept met de Lichtaartsebaan niet te compromitteren, werd door het Bestuur der Wegen besloten om de werken slechts tot op ongeveer 300 meter van deze rijksweg uit te voeren. Een afbuiging naar Lichtaart, om een gedeelte van het centrumgerichte verkeer op te vangen, behoort nog tot de mogelijkheden.
Het landschap wordt in zijn kem bedreigd door de geplande westelijke omleidingsweg rond Kasterlee, een onderdeel van de expresweg Tumhout-Aarschot. Op het gewestplan Turnhout (K.B. van 30 september 1977) werd hiervoor een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied ingetekend op ongeveer 300 meter ten oosten van de Hoge Mouw. Vanzelfsprekend zou de eventuele aanleg van deze weg een onomkeerbare verminking van het stuifduincomplex betekenen. Het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen bepaalt dat in reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden perken kunnen worden gesteld aan de handelingen en werken, teneinde de nodige ruimte te reserveren voor de uitvoering van werken van openbaar nut, of om deze werken in stand te houden. Op het gewestplan wordt niet aangegeven hoe de weg er kan komen, bijvoorbeeld boven of onder de grond. Op 17 maart 1986 werd door de Provinciale Directie van het Bestuur Ruimtelijke Ordening de bouwvergunning afge-
... en voorlopig beschermd Op 26 februari jl. werd op initiatief van Gemeenschapsminister P. Dewael de rangschikkingsprocedure ingezet voor het landschap 'de Hoge Mouw, fase I: Het Koningsbos', omwille van de wetenschappelijke en de esthetische waarde. Hierdoor werden voor een periode van 9 maanden bijkomende beperkingen opgelegd aan de rechten van de eigenaars, teneinde de waarde van het landschap te vrijwaren. Het is de bedoeling om in een tweede fase deze eerste te vervolledigen tot één groot geheel tussen de grens met Lichtaart en het centrum van Kasterlee. Momenteel ligt dus de beslissingsbevoegdheid tot instandhouding van het landschap duidelijk in het kamp van de Vlaamse Gemeenschap: bij Gemeenschapsminister P. Dewael voor wat de definitieve rangschikking van het landschap betreft, en bij Gemeenschapsminister J. Pede voor wat de bouwvergunning van de tweede sectie (KasterleeGeel) van de expresweg betreft. L. Meesters
Afbakeiung van het landschap 'De Mouw", fase I: 'Koningsbos' met intekening van het tracé i ; iief van de geplande expresweg
BUITENKRANT Colloquium 'Monumentenzorg... ieders zorg' Het park en het kasteel de Renesse in Malle vormde het decor voor het colloquium 'Monumentenzorg... ieders zorg!', dat op vrijdag 5 juni 11. door Domein de Renesse, v.z.w. en de Stichting Monumenten- en Landschapszorg, v.z.w. ingericht werd. Het kasteel, voor het grootste deel in Vlaamse neorenaissancestijl, werd in 1920 opgetrokken door graaf Maximiliaan de Reness-Breidbach. In 1983 kocht het gemeentebestuur van Malle het samen met het twintig hectaren grote park aan. Twee jaar geleden werd dit domein in concessie gegeven aan de inmiddels opgerichte v.z.w. 'Domein de Renesse'. Het doel van de vereniging omvat vijf actiepunten: instandhouding, restauratie en verfraaiing van het domein, het behoud van de historische context, de inrichting van een gemeent ehjk museum, de organisatie van culturele en vormingsactiviteiten en het bevorderen van de toeristische functie. Na een welkomwoord door M. Van den Cloot, voorzitter van de v.z.w. 'Domein de Renesse', werd het woord verleend aan M. Fierlafijn, adjunct-adviseur bij het
Het kasteel van Renesse, potloodtekening
M&L-Binnenkrant
Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Hij schetste het kader waarbinnen de monumentenzorg in Vlaanderen is georganiseerd, zowel op wettelijk als op organisatorisch niveau. Hierna verhaalden M. Van den Cloot en E. Vermeiren over de ontstaansgeschiedenis en de werking van de plaatselijke vereniging. Belangrijk hierbij is de beheersstructuur, waarin het gemeentebestuur, dat nog steeds eigenaar is van het domein, en de heemkundige kring, die zal instaan voor de inrichting van het gemeentelijk museum, participeren. Alhoewel het gemeentebestuur van Malle optreedt als bouwheer bij de restauratiewerkzaamheden, wordt de helft van het gemeentelijk aandeel in de kostprijs — in dit geval 20 % — gedragen door de v.z.w. 'Domein de Renesse'. Na de middagpauze en een rondleiding in het kasteel, werd het grootste deel van de namiddag besteed aan een discussie in drie werkgroepen. In een eerste groep 'Bescherming en restauratie: dossiersamenstelling' ging F. Brenders, inspecteur bij het Bestuur, in op de praktische procedure die gevolgd moet worden bij een eventuele beschermings- en/ of restauratieaanvraag. G. Knops, adviseur bij de Koning Boudewijnstichting, schetste in een tweede werkgroep 'Kan-
sen voor verenigingen' welke mogelijkheden er in Vlaanderen bestaan voor verenigingen die zich bekommeren om het culturele erfgoed. In de derde groep tenslotte hield P. Jaspaert, hoofd publicrelations van de Kredietbank, een referaat rond het thema 'Monumentenzorg en sponsoring', waarbij de nadruk werd gelegd op het feit dat sponsoring niet als een vorm van liefdadigheid mag worden beschouwd, maar dat we hier als het ware te maken hebben met een contract tussen twee partijen die beide voordeel halen uit hun samenwerking. E. Goedleven, adviseur-hoofd van dienst van het Bestuur, sprak vervolgens over 'Monumentenzorg in de toekomst'. Hij ging hierbij vooral in op de fiscale mogelijkheden voor particulieren en verenigingen. Privé-eigenaars van monumenten kunnen voortaan in vele gevallen een aantal maatregelen (verlaagd
BTW-tarief, verlaagd registratierecht, bijkomende aftrek voor hypothecaire leningen en aftrek voor onderhouds- en restauratiekosten) combineren, waardoor een situatie ontstaat waarbij restauraties vaak ook zonder overheidssubsidies mogelijk worden. Voor verenigingen en openbare besturen zijn er de samenwerkingsakkoorden die zowel met de Koning Boudewijnstichting als de Stichting Monumenten- en Landschapszorg, v.z.w. afgesloten kunnen worden. Hierdoor kunnen lokale besturen en verenigingen eveneens werken met fiscaal aftrekbare giften. Het slotwoord van dit colloquium werd uitgesproken door B. Doucet, attaché bij de Gemeenschapsminister van Cultuur, waarna de aanwezigen een receptie werd aangeboden.
Opendeurdagen in het Natuurgebied Tort van Oelegem': zaterdag 26 en zondag 27 september 1987 'Natuur 2000' organiseert een opendeurweekend in het natuurgebied 'Fort Oelegem' In Oelegem (gemeente Ranst) in de Antwerpse Voorkempen staat bij het zogeheten Antitankkanaal een 77 jaar oud fort dat ooit diende om Antwerpen te verdedigen tegen de vijand. Het omringende fortdomein (ca. 5 ha) is in de loop der jaren een klein natuurreservaat geworden en dat geeft het gebied, zeker in deze groen-arme tijden, terug een grote waarde: vogels als bergeend, fuut, kleine bonte specht, bonte vliegenvanger en nachtegaal broeden hier, plantenkenners verbazen zich over de kruidenrijkdom en de fortgebouwen zelf vormen één van de belangrijkste vleermuizenreservaten van Vlaanderen: niet minder dan zeven verschillende soorten vleermuizen overwinteren er, waaronder de zeldzame ingekorven vleermuis en de franjestaart. Sedert 'Natuur 2000', met de steun van het Ranstse gemeentebestuur en van het Coördinatiecomité voor Vogelbescherming, het fort in beheer nam, werden een aantal maatregelen genomen waardoor de waarde van het terrein nog aanzienlijk verhoogd is. Dank zij die maatregelen kon de vleermuizenpopulatie op twee jaar tijd bijna verdriedubbelen en door de creatie van bijkomende nestgelegenheid nam ook de broedvogelstand toe. Verder is er vorig jaar een educatief natuurleerpad aangelegd (met bijbehorende lesbrochures voor bezoekende scholen) en worden wandelingen en informatie-avonden georganiseerd. Bovendien trachten de leden van de lokale afdeling van 'Natuur 2000' er zo spoedig mogelijk een permanent natuur-informatiecentrum in te richten, maar dat is gebonden aan het droogkrijgen van de nodige tentoonstellingsruimte.
Het 'Fort van Oelegem' derlijk behandeld. Recente architectuur 'Natuur 2000' organiseert in samenwerkomt weinig of niet aan bod, tenzij in king met het Coördinatiecomité voor gespecialiseerde tijdschriften. ArchitecVogelbescherming en met het gemeentuurposters over het thema zijn nog zeldtebestuur van Reinst, een opendeurzaam, de interesse voor architectuurweekend op 26 en 27 september 1987, telkens van 10 tot 12 u en van 14 tot 17 u. prenten en tekeningen of voor architectuurfotografie in het algemeen is nog in Onder de begeleiding van gidsen worvolle opgang. den de ondergrondse kazematten, de De uitgave van een reeks van tien archigeschutstorens, de voormalige troepen-, tectuurposters gewijd aan belangrijke munitie- en machinekamers, de dienarchitecten, moet gezien worden als een stenafdeling, ... bezocht. De natuurwebijdrage om het eigen patrimonium, zotenschappelijke waarde van het domein wel het hedendaagse als de architectuur zal worden aangetoond via een aangeuit de vorige eeuw naar een geïnterespaste route en een tentoonstelling over seerd publiek toe beter kenbaar te onder meer de vleermuizenrijkdom. maken. De bezoekers worden verzocht zich te voorzien van waterdicht schoeisel (soms 10 cm water), een goede zaklamp en De eerste 'hommage-poster' is gewijd voldoende warme kledij. aan Victor Horta, die in 1893 met het huis De tussenkomst in de organisatiekosten dat hij voor Emile Tassel ontwierp een bedraagt 50,-fr., kinderen betalen 20,-fr. totaal vernieuwende stap zette in de Belmaar dienen wel vergezeld te zijn van gische architectuur. Op wereldvlak een volwassene. kreeg de architectuur met zijn werk totaal nieuwe impulsen. Op enkele jaren Voor meer inlichtingen over dit opentijd werd Brussel de stad van de art deurweekend, kan contact worden opnouveau. nemen met het nationaal secretariaat De Horta poster toont een zicht van het van Natuur 2000, Bervoetstraat 33, 2000 gerestaureerde interieur van het TasselAntwerpen, ÏÏ 03/231.26.04 (werkdagen huis. Het is dank zij de inzet van archi9 - 18 u). tect Jean Delhaye, oud-medewerker van Horta zelf, dat het huis van aftakeling werd gered en opnieuw in zijn oorspronkelijke rijkdom werd hersteld. Hommages aan tien
Belgische architecten Internationaal gezien worden de Belgische architecten doorgaans stiefmoe-
„Toen ik, zeer jong, naar Brussel kwam was ik verrast het ontstellend grote bouwwerk van het Justitiepaleis dat in volle afwerking was, te ontdekken.
iVu nog telkens heb ik eenzelfde ontstellende indruk van bewondering, die geen enkele kritiek, hoe terecht ook, kan weerleggen...", zo schrijft Victor Horta rond 1927 over het grootste monument van de 19de eeuw, het Justitiepaleis van Joseph Poelaert, in een nota bewaard in het Horta-museum. 1 De tweede 'hommage-poster is dus aan Joseph Poelaert gewijd. Een ingekleurde doorsnede over de 171 treden hoge en monumentale Minimentrap en over de ruimte van de enorme 'Wandelgalerij' onder de 97 m hoge koepel, geeft een inzicht in de merkwaardige ruimtewerking en de zeer goed afgewogen lichtinval die heel het monument doorspoelt. ,rR]les wat ik bereikte, heb ik van de meest zuivere onder de klassiekers (en ook de meest originele) Alphonse Balat; aan hem heb ik het te danken", zo schrijft Victor Horta in zijn testament dat hij in 1944 opstelde. Niet alleen Horta, maar duizenden bezoekers hebben jaarlijks zeer grote bewondering voor de Koninklijke Serres te Laken, één van de belangrijkste realisaties van architect Alphonse Balat. Of in deze belangstelling voor wintertuinen ook een bewondering vervat ligt voor de architectuur van deze gebouwen, blijft een open vraag. De derde 'hommage-poster* die nog dit jaar zal verschijnen, toont een nachtopname van dat indrukwekkende monument uit ijzer en glas. Minstens evenveel hedendaagse architecten verdienen met hun recent werk opgenomen te worden in deze 'hommage-galerij' van de Belgische architectuur, naast de belangrijkste trendsetters uit het verleden. De toekomst zal uitwijzen of ze kunnen standhouden! Homage number one - Victor Horta Tasselhuis, 1893-1897 60 x 80 cm, zevenkleurendruk, 250 g foto Pol De Prins Prijs: 550,-fr + 100,-fr verzendkosten Homage number two - Joseph Poelaert Justitiepaleis, 1866-1883 60 x 80 cm, zeskleurendruk, 250 g uit: Revue de I'Architecture en Belgique, 1882 Kleurpotloodtekening Jos Vandenbreeden foto Pol De Prins Prijs: 850,-fr. + 100,-fr. verzendkosten te bestellen bij: Kunstwinkel Plaizier Spoormakersstraat 50 - 1000 Brussel Sint-Lukasarchief, v.z.w. - Paleizenstraat 70 - 1210 Brussel J. Vandenbreeden
M&L-Binnenkrant
Internationale Duinendag in Nieuwpoort Op 2 mei jl. organiseerde de v.z.w. Belgische Natuur- en Vogelreservaten (B.N.V.R.) een duinendag. De problematiek werd in samenwerking met de Noordfranse vereniging Nord Nature en Adelfa en de Nederlandse Stichting Duinbehoud in een Europees kader geplaatst. Het Duinencongres, dat de voormiddag vulde, bestond uit twee delen: de bespreking van de kustduinproblematiek door vertegenwoordigers van diverse wetenschappelijke instellingen, en toelichtingen door vertegenwoordigers van het officiële beleid. De rij van sprekers werd geopend door E. Kuyken, directeur van het Instituut voor Natuurbehoud. Na een schets van de historische evolutie van de kustgebieden in Frankrijk, Nederland en België, stelde hij dat een coherent nationaal beleid dat vertrekt vanuit een ecologisch-ruimtelijke visie zich los moet maken van enge economische motieven. Op termijn moet worden gestreefd naar een verenigbaarheid van de veelzijdige functies en sectoren en dit in een dynamisch perspectief. Hij pleitte tenslotte voor een permanent interlandenoverleg over de kustduinproblematiek van Somme tot Rijn. F. De Raeve, verbonden aan de Nationale Plantentuin, lichtte tegen een achtergrond van voorbijflitsende dia's, het duinecosysteem als functionele eenheid toe. De vorming van jonge duintjes op het hoogstrand, de evolutie van strandduin tot volwaardig duin, de invloed van het zoute water, erosie en accumulatie, de aanwezigheid van een zoetwaterlens, het ontstaan van duinpannen, de kolonisatie door Duindoom, ... tonen duidelijk aan dat het landschap 'de duinen' een De 'Doompanne' zeekant (foto BML)
agglomeraat is van een groot aantal landschappen, milieutypes, levensgemeenschappen, die onderling sterk verschillen wat soortensamenstelling, vestigings- en overlevingsstrategie en reactie op invloeden van buiten af betreft, maar tevens van oudsher in voortdurende wisselwerking met elkaar staan en complexe ruimtelijke gradiënten
J.C. Bruneel, voorzitter van Adelfa, gaf nadere uitleg over de verscheidenheid en de kwetsbaarheid van de Europese kust. De kustvegetatie varieert naargelang van de geologische, de geomorfologische en de klimatologische factoren. Bovendien is er nog het onderscheid tussen erosie- en gesedimenteerde kusten waarbij laatstgenoemde gekenmerkt worden door de meest complexe levensgemeenschappen. Ook hij onderstreepte de noodzaak van een wetenschappelijk en rigoureus beheer van de nog resterende kustduingebieden. A Salman van de Nederlandse Stichting Duinbehoud, ging nader in op de randvoorwaarden voor een effectief duinbeheer. De duinen zijn het resultaat van natuurlijke ontwikkelingen en menselijke beïnvloeding waarin het tijdsaspect van groot belang is. Heel wat menselijke activiteiten zoals opgraving, bebouwing, waterwinning, aanleg van golfterreinen, recreatie, ... hebben een verwoestend effect gehad, zeker in Vlaanderen. In Nederland werd ruim 10 jaar geleden de hoofdfunctie 'natuur' aan alle duingebieden toegekend: plannen hiermee strijdig kunnen slechts uitgevoerd worden als de noodzaak ervan aangetoond is en er buiten de duinen geen alternatieven voor bestaan. Hij stelde dat in Frankrijk en België een grote behoefte bestaat aan de wetenschappelijke onderbouwing en begeleiding van het natuurbeheer en aan een verbetering van de recreatieopvang en -voorlichting.
«M-.
^sf "üidüi
, tiaÊÊ M
É^fe
Het Mariapark in Oostduinkerke (foto BML)
Het tweede deel van het congres werd ruim opgevuld door vertegenwoordigers van het officiële beleid. J. Foubert, kabinetschef van Gemeenschapsminister J. Lenssens, handelde over de geplande initiatieven met betrekking tot het aankopen van natuurgebieden, het ter beschikking stellen van subsidies, ... Hij deed ook een oproep tot de kustgemeentebesturen zich bewust te worden van de waarde van het kustlandschap en de toeristische betekenis die de duinen kunnen spelen. B. Doucet, attaché voor Monumenten en Landschappen bij Gemeenschapsminister van Cultuur P. Dewael, wees op de mogelijkheden en de gebreken van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. Het aspect 'beheer' is in deze wetgeving niet voorzien zodat een aanpassing zich opdringt. Namens de Staatssecretaris voor Leefmilieu Smet, ging de heer Van Nijverzeel dieper in op de betrokkenheid van de nationale regering bij de kustduinproblematiek. B. Wélcomme, delegué regional a i'architecture et è l'environnement NordPas-de-Calais, stelde dat zeker in dit jaar van het leefmilieu, de zorg om het behoud van het duinenlandschap in NoordFrankrijk de noodzakelijke aandacht vereist. De heer Van Haperen, vertegenwoordiger van de Nederlandse regering, gaf toelichting bij enkele concrete problemen in duingebieden in ZeeuwsVlaanderen.
Ter afsluiting formuleerde ƒ. Van Gompei namens de duinenwerkgroep van B.N.V.R. een tien-punten-eisenprogramma: — geen nieuwe verkavelingen of bebouwingen in de kustduinen; — neen aan de aanleg van marina's, golfterreinen of andere grondopslorpende toeristische projecten in de kustduinen; — geenszins prijsgeven van planologische en klasseringsbescherming; — verwerving van duingebieden door het Vlaamse Gewest is noodzakelijk; — geen planschadebeteugeling zonder daaraan gekoppelde verwering; — meer natuurgericht beheer binnen de overheidsduinen; — beheersplicht voor de private duingebieden; — meer aandacht moet besteed worden aan het externe beheer; — duinwaterwinningen moeten op termijn worden afgebouwd; — een werkelijk herstel van het Vlaamse duinlandschap is noodzakelijk. Na een korte receptie aangeboden door de stad Nieuwpoort voorzag het programma wandelingen in een aantal duingebieden en een duinfeest. G. Ostyn.
Belgische Natuur- en Vogelreservaten v.z.w., opgesplitst Sinds 11 mei 1987 werden twee nieuwe v.z.w.'s opgericht binnen de B.N.V.R.: Natuurreservaten, v.z.w. en Réserves Naturelles, a.s.b.1.. Aldus verkrijgen de twee regionale besturen binnen de B.N.V.R. een eigen rechtspersoonlijkheid. Deze administratieve opsplitsing is een uitloper van de wetten van 1980 waarbij natuurbehoud een regionale materie werd. De regionale v.z.w.'s zijn bevoegd voor het beheer van de reservaten, het publikatie- en uitgavenbeleid, de actie rond het overheidsbeleid en de promoties. De verenigingsstructuur ziet er thans als volgt uit: de nationale vereniging B.N.V.R. is de koepelvereniging van de Vlaamse en Waalse v.z.w.'s. De bestaande reservaten blijven volledig eigendom van de nationale v.z.w.. Toekomstige verwervingen zullen ook door de nationale (Reservatenfonds) gebeuren voor zover geen speciale voorwaarden worden gesteld. Er is tenslotte een mechanisme voorzien van overleg tussen de regionale en nationale v.z.w.'s. Het Nationaal Directiecomité wordt gevormd door vertegenwoordigers van de beide regionale v.z.w.'s en van de Nationale Raad van Bestuur.
De tuinkunst tussen formeel en informeel De Vereniging voor Ecologische Leefen Teeltwijze (VELT) organiseert op 19 september een debat over de tuinkunst. De aanhangers van de formele tuin die met zijn rechtlijnigheid en symmetrie eerder artificieel aandoet, en de vertegenwoordigers van de informele tuin die vertrekken vanuit de ecologische inzichten (streekeigen beplantingen, harmonie met het landschap,...) zullen hun visie op de tuinkunst toelichten. Het aspect tuinkunst geniet bij VELT ruime aandacht: sinds april 1986 is de vereniging gestart met cursussen 'Initiatie in de Tuinkunst en de Landschapsrestauratie'. De ecologische siertuin was een van de hoofdthema's tijdens de laatste Algemene Vergadering en om het belang van dit onderwerp aan te tonen wordt nu een debat georganiseerd waarvan de deelnemers stuk voor stuk naam hebben gemaakt in de tuinarchitectuur: Arend Jan Van der Horst, mede-auteur van het boek 'Tuinen in Vlaanderen', tuinarchitect J. Wirtz, die verschillende tuinen uit hogervermeld boek op z'n actief heeft. Dr. Londo, auteur van het boek 'Natuurtuinen en Parken', en tuinontwerper J. Rigaux, die een ecodynamische tuinstijl heeft ontwikkeld. Gil Claes treedt op als moderator van dit debat. Samen met de deelnemers zal worden gezocht naar de toekomst van de tuinkunst, naar een mogelijke democratisering, naar de impact van de ecologie op de tuinkunst.... Dit debat richt zich tot alle tuinarchitecten en -ontwerpers evenals de geïnteresseerde tuinüefhebbers.
ke geschiedenis van België, die een plaatselijke en/of gewestelijke vereniging voor geschiedenis gedurende de jongste tien jaar heeft ontplooid. Artikel 4. - Elke Prijs bedraagt 50.000,-fr. Hij mag niet worden verdeeld en wordt niet verhoogd indien hij gedurende één of verscheidene jaren niet werd toegekend. Artikel 5. - Kandidaturen voor de Prijs, bedoeld onder artikel 3, worden ingediend door voorlegging van een beknopte historiek, samen met een gedetailleerd verslag over de activiteiten gedurende de jongste tien jaar van de betrokken vereniging alsmede alle publikaties tijdens dezelfde periode verschenen. Artikel 6. - Alle documenten in te dienen krachtens artikel 5, moeten opgestuurd worden naar het Cultureel Departement van het Gemeentekrediet, Pachecolaan 44 - 1000 Brussel, en dit vóór de datum die elk jaar wordt bekendgemaakt. Artikel 7. - Het onderzoek van de kandidaturen wordt toevertrouwd aan een door het Geschiedeniscomité van het Gemeentekrediet gekozen jury. Ieder lid van de jury brengt schriftelijk verslag uit over de kandidatuur die hem is voorgelegd. Artikel 8. - Het Geschiedeniscomité van het Gemeentekrediet neemt kennis van de verslagen en spreekt zich uit over de toekenning van de prijzen. Artikel 9. - Alle bijzondere, in dit reglement niet voorziene gevallen, worden beslecht door het Gemeentekrediet, na overleg met het Geschiedeniscomité.
Het debat vindt plaats in het Europahotel, Gordunakaai 59 te 9000 Gent op zaterdag 19 september om 15 uur. Inlichtingen: secretariaat VELT, Welkomstraat 18, 2220 Wommelgem, & 03/353.80.53.
De kandidaturen worden ingediend vóór 1 oktober 1987. Voor alle bijkomende inlichtingen: Cultureel Departement van het Gemeentekrediet, Pachecolaan 44, 1000 Brussel. & 02/214.46.17 - 214.48.13.
Geschiedenisprijs van het Gemeentekrediet
Onze inlandse boomsoorten... het behouden waard
Artikel 1. - Door het Gemeentekrediet wordt een Geschiedenisprijs uitgeloofd ter bevordering van een betere kennis van de plaatselijke en gewestelijke geschiedenis van België. De prijs is in 1987 voorbehouden voor een plaatselijke en/ of gewestelijke vereniging voor geschiedenis.
Onder deze titel richt de initiatiefgroep Bosbouw van de Vlaamse Bosbouwvereniging een dia-wedstrijd in in het kader van het Europees jaar van het Milieu. Ze beoogt hiermee het gebruik van onze streekeigen boomsoorten te promoten. Twintig eeuwen geleden was Vlaanderen bijna volledig met natuurlijke bossen bedekt. Naargelang van de bodemgesteldheid varieerden deze bossen naar opbouw, structuur en soortensamenstelling. De dominerende elementen werden gevormd door een aantal inheemse boomsoorten zoals eik, beuk, es, esdoom, els, berk, boskers, e.a., met een ondergroei
Artikel 2. - Een Prijs wordt, in de loop van de maand december, gelijktijdig toegekend voor elke landstaal. Artikel 3. - Elke Prijs bekroont de activiteit ter bevordering van een betere kennis van de plaatselijke en/of gewestelij-
M&L-Binnenkrant
van streekeigen struiken zoals vlier, hazelaar, lijsterbes en vele andere. Het grootste deel van deze bossen werd in de loop der eeuwen gekapt ten voordele van landbouw, bewoning, wegenbouw en industrie. Ook de bossen die overbleven of die werden heraangeplant dragen in min of meerdere mate de stempel van de mens. Toch blijven onze inheemse boomsoorten een belangrijke rol spelen in onze bossen: — ze zijn in natuurlijk evenwicht met hun groeiplaats; — ze vormen op het vlak van natuurbehoud zeer interessante bosgezelschappen met een gevarieerde fauna en flora; — ze kunnen daarbij nog een belangrijke economische functie vervullen. Reglement Diawedstrijd 1. De wedstrijd staat open voor iedereen. De deelname is gratis. 2. Het thema van de wedstrijd is 'Onze inlandse boomsoorten... het behouden waard'. 3. Er zijn 3 reeksen: 'De Boom', 'Bomen in het Bos of Landschap' en 'Macro-opnamen'. 4. Iedereen mag slechts éénmaal aan de wedstrijd deelnemen. Per reeks kunnen maximum 3 dia's ingeleverd worden. Indien niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, wordt de deelname geweigerd. 5. Het duidelijk ingevulde inschrijvingsformulier zal bij de dia's gevoegd worden, terwijl iedere dia in de rechterbovenhoek een duimmerk zal dragen. Dit duimmerk draagt het persoonlijk inschrijvingsnummer (vermeld op inschrijvingsformulier), gevolgd door de reeks en het volgnummer van de dia. Per dia worden de boomsoort en de gemeente (waar de dia genomen werd) vermeld op het wedstrijdformulier. Formulieren zijn gratis te bekomen op onderstaand adres. 6. Technische kenmerken: — ingeraamd zonder glas in raampjes 5 x 5 cm; — alle fotografische technieken zijn toegelaten. 7. Inzendingen moeten — samen met het deelnemingsbulletin — binnen zijn op 30 november 1987 bij: Initiatiefgroep V.B.V. - Diawedstrijd Geraardsbergse steenweg 267 9231 Melle-Gontrode 8. Zorg dat uw inzending degelijk verpakt en voldoende gefrankeerd is. Alhoewel de dia's met de meeste zorg zullen worden behandeld, kan de V.B.V. niet verantwoordelijk worden gesteld voor verhes of beschadiging. 9. De jury bestaat uit leden van de V.B.V. en deskundigen uit de wereld van kunsten natuurfotografie. 10. Volgende prijzen worden voorzien: — een eremedaille voor de eerste drie gerangschikten per reeks. — de hoofdprijs per reeks ten bedrage van 10.000,-fr. — de 2de en 3de prijs per reeks ten bedrage van respectievelijk 5000,en 3000,-fr.
11. De uitslag wordt via de pers bekendgemaakt. De piijswiimaars worden persoonlijk uitgenodigd voor de prijsuitreiking. 12. Zoals gebruikelijk, kan over de uitslag niet worden gecorrespondeerd. 13. De inzenders blijven eigenaar van de inzendingen, doch verlenen de V.B.V., alleen reeds door hun deelname, de vrije reproduktie van de ingezonden
dia's. De eigenaars worden persoonlijk op de hoogte gebracht indien hun dia's gebruikt worden voor tentoonstelling, poster of andere doeleinden. 14. Ingezonden opnamen kunnen aan de VJ.V. worden geschonken. Wie echter zijn dia's terug wil hebben, kan deze afhalen op bovenstaand adres, tussen 15 april en 30 mei 1988. Niet afgehaalde dia's worden beschouwd te zijn geschonken.
15. De deelnemer verklaart zich akkoord met het huidige reglement. Uit de ingezonden dia's zal een selectie gemaakt worden voor de samenstelling van een kleurenposter ter promotie van onze inlandse boomsoorten. Naar aanleiding van het afsluiten van het Jaar van het Milieu in maart 1988, zullen de laureaten worden bekroond.
TENTOONSTELLINGEN Europalia 87 — Österreich Europalia 87 — Österreich in Mechelen Naast een muzikale agenda wordt in Mechelen een tentoonstellingsluik voorzien, waaronder een tweeledige expositie: 'De Habsburgers en Mechelen' in het Hof van Busleyden en het Hof van Margareta van Oostenrijk. 'De Habsburgers en Mechelen' is een concept van de Stad Mechelen. Deel 1, 'De Dynastie', is opgesteld in het Stedelijk Museum Hof van Busleyden. Dit is een presentatie van de voornaamste Oostenrijkse Habsburgers, die over de Nederlanden geregeerd hebben als vorst of als gouvemeur-generaal en hun specifieke band met Mechelen. Onder de eerste Habsburgers speelde Mechelen een belangrijke politieke en culturele rol. Door het huwelijk van Maria van Bourgondië met Maximiliaan I van Oostenrijk kwamen de Nederlanden onder de heerschappij van de Habsburgers. Onder Margareta van Oostenrijk werd Mechelen het culturele en kunstcentrum van de Nederlanden. Het hof van de landvoogdes werd een zeer belangrijk trefpunt voor vele kunstenaars, onder meer Albrecht Dürer. Enkele prachtige portretten uit voornamelijk Oostenrijkse musea geven een levendig beeld van deze machtige dynastie. Deel 2, 'Binnenhuis van gotiek naar renaissance', is opgesteld in de troonzaal van het Hof van Margareta van Oostenrijk (Gerechtshof). Hier wordt de aandacht gevestigd op de architectuur en binnenhuisinrichting uit de eerste Habsburgse periode (einde 15de - eerste helft 16de eeuw). De recente restauratie van het Hof van Margareta heeft een grote inbreng in het opzet van dit tentoonstellingsgedeelte .
Laat-goüsche kaarsenkroon, ca. iSOO (Copyright Hugo Maertens)
Openingsuren: van dinsdag tot en met zondag: 10 - 18 u woensdag: 10-21 u gesloten op maandag Info: Directie Stedelijke Musea, Minderbroedersgang 5, 2800 Mechelen, S- 015/20.21.25.
Jan Gossait, 'Eleonora van Oostenrijk' (Copyright Hugo Maertens)
Dit laat-gotische gebouwencomplex met birmentuin werd in het begin van de 16de eeuw opgericht door de beroemde bouwmeesters Keldermans. Het paleis is vooral bekend omwille van zijn straatvleugel waar Itahaniserende renaissance-elementen zijn toegepast. Aan de hand van enkele representatieve elementen zal in Margareta's troonzaal een sfeerbeeld opgehangen worden van een rijk binnenhuis uit de betreffende periode. Hierbij aansluitend zullen ook luxe- en beveiligingsvoorwerpen te bewonderen zijn, zoals enkele zeldzame juwelen en wapens. De vormgeving van meubilair en gewoon huisraad bleef in de eerste helft van de 16de eeuw bleef nog sterk traditie-gebonden (gotisch). Daarentegen werden in de decoratieve kunstnijverheid, zoals de edelsmeedkunst, de wandtapijtweverij, het kleine sculptuurwerk in albast of palmhout, de renaissancevormen vrij vlug toegepast. Het is zeker niet de bedoeling om een authentiek interieur te reconstrueren of de pracht en praal van een adellijk hof als dat van Margareta te evenaren. Toch zal deze tijdelijke tentoonstelling in Margareta's residentie een idee geven van de verfijnde woon- en leefcultuur tijdens de belangrijke overgangsperiode van gotiek naar renaissance. Dit dank zij enkele uitgelezen stukken uit Oostenrijk en Belgische musea en verzamelingen. Praktische inlichtingen 'De Habsburgers en Mechelen': 'De Dynastie' Stedelijk Museum Hof van Busleyden Fred, de Merodestraat 65-67 2800 Mechelen 'Binnenhuis van gotiek naar renaissance' Troonzaal van het Hof van Margareta van Oostenrijk (Gerechtshof) Keizerstraat 20 2800 Mechelen Data: van 25 september tot en met 13 december 1987
M&L-Binnenkrant
Euiopalia 82 — Österreich in Tienen Kunstschatten uit de benedictijnerabdij van Admont Reeds sedert 1967 bestaan tussen de Oostenrijkse gemeente Admont, gelegen in het hart van de Ennstaler Alpen op 640 m hoogte en de stad Tienen, vriendschappelijke banden. Het dal waarin Admont ligt wordt volledig beheerst door de immense abdij, die zowel op religieus, cultureel als economisch vlak vandaag nog een toonaangevende rol speelt. Haar geschiedenis klimt op tot de hoge middeleeuwen en blijft verbonden met de heilige Hemma van Gurk, die uitgestrekte gronden in het Obersteirische Ennstal voor een kloosterstichting voorbestemde. In 1074 werd de eerste benedictijnergemeenschap plechtig geïnstalleerd door aartsbisschop Gebhard van Salzburg. Hij plaatste het 'Stift' onder de bescherming van de heilige Blasius. In het stedelijk museum 'het Toreke' en in de Paribas loopt ter gelegenheid van Europalia 87 een tentoonstelling onder de titel Kunstschatten uit de benedictijnerabdij van Admont. In een eerste deel wordt de abdijgeschiedenis geïllustreerd aan de hand van bezienswaardige archivalia, zoals de oorkonden met zegel van onder meer keizer Frederick (30 november 1443), paus Urbanus IV (4 april 1264) en Eberhard II, aartsbisschop van Salzburg (1242). Prenten en
schilderijen tonen de verschillende etappes in de bouwgeschiedenis en de rol van d e benedictijnen wordt beschreven vanuit een magistrale gravure (H 217 cm x B 157 cm) met voorstelling van een zogeheten 'Gloria Benedicti'. Een evocatie van de kloosterbibliotheek vormt het onderwerp van het tweede deel van de tentoonstelling. De abdijbibliotheek is de grootste ter wereld. Grote kleurenfoto's tonen de in 1776 afgewerkte pronkzaal met indrukwekkende plafondschilderingen en levensgrote sculpturen van Josef Stammel. Uit het fabelachtige boekenbezit — 90.000 banden van vóór 1800 en 1500 middeleeuwse handschriften — wordt een exclusieve selectie geëxposeerd. Tot de mooiste behoren ongetwijfeld een Parijse codex uit het einde van de 12de eeuw met commentaren op de brieven van de H. Paulus verzameld door Petrus Lombardus, en een manuscript uit het abdijscriptorium (ca. 1775) van abt Irimbert. Het hoogtepunt van de tentoonstelling vormen de werken uit de rijke schatkamer van de abdij, waaronder het beroemde gotische draagaltaar en de gotische miskelk uit de 14de eeuw. Uit het al even bekende textielatelier onder leiding van Benno Haan (ca. 1650-1720) worden een viertal gewaden getoond en natuurlijk mogen beelden van Josef Stammel (1695-1765) niet ontbreken. Praktische inlichtingen Deze tentoonstelling loopt van 26 september tot 13 december 1987 in het Stedelijk Museum 'het Toreke' en Paribas Bank België n.v. Openingsuren: alle werkdagen van 8.30 u. tot 12.30 u. - van 1.30 u. tot 17.00 u., zaterdagen, zondagen en feestdagen van 1.00 u. tot 18.00 u.
Pentekening op perkament van een ideaalplan voor de nieuwbouw van een abdij (Abdijarchief)
DE STICHTING MONUMENTEN- EN LANDSCHAPSZORG VZW, HET STADSBESTUUR VAN HASSELT EN HET NATIONAAL JENEVERMUSEUM VZW ORGANISEREN OP ZATERDAG 26 SEPTEMBER 1987 EEN MONUMENTENWANDELING IN HASSELT. ER IS MOGELIJKHEID TOT VERTREK AAN HET STADSMUSEUM (THONISSENLAAN 73-75) VANAF 10u, EVENTUEEL ONDER BEGELEIDING VAN EEN GIDS. VERDER IS ER NOG ANIMATIE VOORZIEN IN DE BINNENSTAD EN IN HET NATIONAAL JENEVERMUSEUM. CONTACTTELEFOON : (011) 22 22 35 DE BRT-TELEVISIE WIJDT EEN PROGRAMMA VAN EEN HALF UUR AAN DEZE MONUMENTENWANDELING. OP 23 SEPTEMBER 1987 OP TV 1 VAN 19uI0 TOT 19u40
Het definitieve plan (1860) voor de voltooiing van het slation en de stationsboulevards, met onderaan in het midden de terreinen van de nieuwe Dierentuinlaan en, links hiervan, de ontsluiting der percelen tussen Dierentuinlaan en Schelde door de Hofslraat en de (huidige) Gulden Spoorslraat (S.A.G., Atlas Goetghebuer, D 83 / F 146 (155))
Zo blijft de oostelijke boulevard — op de uiteindelijke bepaling in 1849 van de rooilijn langsheen het stationsplein na — nog geruime tijd een eerder abstract begrip. In het westen wordt echter stilaan het deel langs de eigenlijke stationsterreinen gerealiseerd. Hiertoe werd de eerste aanzet gegeven in 1844, toen voor de aanleg van het definitieve station een gedeeltelijke demping van het stationsdak nodig bevonden werd. De restgronden hiervan zouden aan de stad afgestaan worden voor de aanleg van de boulevard. Een tweede belangrijke stimulans is de Gentse Dierentuin, in 1851 aan deze zijde van het station opgericht, ongeveer halfweg de meersen en met zijn toegang aan de zijde van het station (33). Uiteindelijk komt hier op het einde van de jaren vijftig, een twintig meter brede, met bomen beplante laan tot stand, van het Lieven Bauwensplein tot de Dierentuin. In 1860, temidden van de economische relance, keurt de Gentse gemeenteraad dan de prestigieuze plannen voor de voltooiing van het station en omgeving goed (34). In het westen zal de Dierentuinlaan nogmaals verbreed worden, en wordt ter hoogte van de ingang van de Dierentuin een plein voorzien. Verder zal de laan doorgetrokken worden tot aan de Sint-Lievenswal (35). Aan de oostzijde zal het stationsplein met ongeveer de helft verlengd worden, zodat het symmetrisch komt te liggen ten opzichte van de centrale colonnade van het stationsgebouw. Evenwijdig met de sporen loopt de tweede boulevard in rechte lijn van het nieuwe plein tot de stadswal: de toekomstige Frère-Orbanlaan. Tenslotte wordt op een driehonderdtal meter van de wal een nieuwe oversteek voorzien over de sporen, ter vervanging van de bestaande overweg aan de Bénardstraat (36). Wanneer eind 1861 de katoenindustrie een nieuwe crisis doormaakt, wordt uiteindelijk toch tot de uitvoering van de stationsboulevards besloten. De Frère-Orbanlaan is over de halve breedte afgewerkt in 1868, terwijl de voltooiing van de Dierentuinlaan geregeld wordt in een Koninklijk Besluit van 11 oktober 1869 (37). Het Graaf van Vlaanderenplein tenslotte wordt voltooid halfweg de jaren tachtig, tijdens de grote saneringsplannen van de Ne-
derscheldewijk: het Zollikofer-Devigneplan, met de aanleg van de Vlaanderenstraat. De Meersen (38) Stadsarchitect Roelandt stelt een eerste, algemeen stratenplan voor de Muinkmeersen voor in 1842. Hiertegen komt echter uitgebreid bezwaar van L. Beyaert, één van de betrokken eigenaars (39). In zijn commentaar laat hij zich zowel leiden door persoonlijk belang als door een uitgesproken esthetische bekommernis. Hij stelt voor het — licht onregelmatige — oorspronkelijke plan te vervangen door een perfect rechthoekig raster, waarbij voor de dwarsstraten o.m. rekening gehouden wordt met de loop van de Oude Schelde en waarbij de langsstraten georiënteerd worden op de torens van het Belfort en de Sint-Niklaaskerk. Bij deze bemerkingen voegt hij iets later op eigen initiatief een nieuw plan. Het definitieve plan voor de Muinkmeersen, eind 1842 in de gemeenteraad goedgekeurd, zal duidelijk geïnspireerd zijn op dit voorstel (40). In 1843, bij de verdere administratieve afhandeling van de gemeentelijke resolutie, stelt de provinciegouverneur voor een vrije boord te voorzien langsheen de Oude Schelde. De gemeenteraad wil hiermee akkoord gaan, maar de eigenaars L. Beyaert en Ségaert stellen hun veto, behoudens een grondige herziening van de gehele plannen. Hierop neemt de gemeenteraad het negatieve advies zonder veel discussie over: de vrije boord zal er niet komen. In 1851 vestigt zich dan de Dierentuin in de Muinkmeersen, ten noorden van de Bénardstraat. Hij neemt in totaal ongeveer één derde in van de beschikbare terreinen. Niet alleen wordt hierdoor een groot deel van de gronden 'bevroren', maar veroorzaakt zulks ook wijzigingen in het algemeen stratenplan: straten worden afgeschaft, andere verplaatst. Het noordelijke deel van de meersen, met de Hofstraat, Hertstraat en Dwarsstraat (41), neemt stelselmatig vorm aan in de eerste helft van de jaren zestig. Tot circa 1870 blijft het zuidelijke deel, met de eigendommen van Beyaert en Ségaert, echter onaangeroerd. 33M&L
Panorama van Gent vanuil de Muinkmeersen.
Links de Sint-Pietersabdij; in het midden, boven het station : de torens van de Sint-Niklaaskerk,
Verkaveling van de ontsloten percelen Als de straten in het gebied eenmaal aangelegd zijn, kunnen de eigenaars overgaan tot het verkavelen van hun percelen. Het verkavelingsproces is een verfijningsproces, zowel van de ruimtelijke als van de eigendomsstructuur (42). De eerste stap bestaat erin dat de eigenaars hun gronden verdelen in verkoopbare kavels. De grote, ontsloten binnenterreinen worden verkocht. In een tweede stap worden de kavels verder opgesplitst tot terreinen die ook interessant zijn voor de kleinere investeerders. De derde stap is de bebouwing. De bouwheren trekken vaak meerdere woningen op op één bouwkavel, zodat ook hier de verfijning zich nog doorzet. Het verkavelingsproces verloopt niet steeds strikt volgens het driefasige schema. Soms worden een aantal stappen samengevoegd, en verkoopt de eigenaar zijn ontsloten binnengronden onmiddellijk aan de bouwheer. De afwijkingen op het algemene verfijningsproces zijn echter beperkt, en de karakteristieken van het verkavelingsproces zijn zo goed als op alle percelen van toepassing.
De omvang van de woningen wordt bepaald door de straat waaraan ze gelegen zijn. Éénzelfde perceel wordt aan de Dierentuinlaan opgedeeld in drie woningen, terwijl de achterzijde aan de Hofstraat plaats biedt voor vier huizen. Bouwaanvragen uit 1859 (S. A.G., G 12 / 9437 en G 12 / 9446).
Karakteristieken van het verkavelingsproces In de Zuidwijk komen enerzijds doorbraken voor op de grote binnentuinen, dus op vrijliggende gronden, en anderzijds — in een beperkt aantal gevallen — vormen Verkaveling in rechthoekige stroken van onbebouwde terreinen aan de westzijde van het station (tekening M. Verschaffel) boulevarc i/an de
IJ
CT)
t£
CD
CN
CN
c
en
Ol
<N
De ren tuin
CN
o
CN
(_
C L
cn
CT;
in
Cs|
yfi
Ol
CM
• ««fc r ftru^iin •'"ftiiiAi I J M I *
HoFstraal:
M&L34
^ C ^ f i É t jft
at«4 > * » <
^•tA~/M
Belfort en
int-Baafs; rechts vooraan : de stationsgracht (Kleurenlitho, S.A.G., Atlas Goetghebuer, L 33/36 e)
M
f
•'
•
.•.
A
*. A, ****'"
Twee opeenvolgende bouwaanvragen voor dezelfde opslagplaats in de Hofstraat, 1863. De tweede, die beter paste bij het neoclassicistisch straatbeeld, werd door de gemeenteraad goedgekeurd (S.A.G., G 12 I 9448 en G 12 / 9449).
.--fErap»-^»*
a
*~:7ïzTt f'
j n-^:
nieuwe straten een doorbraak in een bestaand stuk stadsweefsel, onder andere in de Lamstraat, de Abeelstraat en de Krommen Esch. De karakteristieken van het verkavelingsproces zijn in beide gevallen dezelfde. De kavelgrenzen worden steeds loodrecht op de straten getrokken. Soms is daar een overeenkomst tussen eigenaars voor nodig, eventueel gekoppeld aan een onderling akkoord voor de verkoop van een deel van de terreinen. Het resultaat van dit loodrecht verkavelingsproces komt in de meest extreme vorm naar voren op plaatsen waar bij de ontsluiting parallelle wegen zijn aangelegd. Hier wordt een strokenstructuur bekomen met zuiver rechthoekige percelen. In de tweede fase van het verfijningsproces blijken de private 'verdelers' er twee onderscheiden handelswijzen op na te houden. Een eerste groep richt zich op een globaal beeld van de omgeving: de kavels hebben dezelfde breedte, dezelfde diepte, dezelfde oppervlakte,... . Daartegenover staat dan een groep eigenaars die, vermoedelijk vanuit een streven naar een maximale opbrengst, zorgt voor een gevarieerd aanbod van kavels en beter inspeelt op de vraag van grotere en kleinere investeerders. In hoeverre de eerste groep handelt vanuit een bepaalde visie op de stad (uniformiteit in het beeld) of met het oog op een bewust aantrekken van een bepaalde sociale groep, en in hoeverre de tweede groep bestaat uit speculanten die zoeken naar eigen profijt, is moeilijk te zeggen. De eerste groep zal ook wel de nodige financiële argumenten voor haar acties hebben gehad. Het stadsbestuur sluit zich aan bij de eerste groep verkavelaars, wat duidelijk blijkt bij de verkoop van de gronden van het oude Capucijnenpand, dat vrijkwam door de ontsluiting van de Keizer Karelstraat en het Van Arteveldeplein. De Stad verkoopt percelen waarvan de breedte een module van 7,5 meter volgt. De argumentatie daarvoor is dat 7,5 meter toelaat een goede woning met een deur en twee ramen te bouwen, terwijl 2 modules (15 m) geschikt zijn voor een woning met een inrijpoort en vier ramen (43). Naast de financiële voordelen, hygiënische en gezondheidsmotieven,... kan hier wellicht ook zijn gehandeld vanuit de wens een nieuwe burgerwijk te creëren langs de belangrijke nieuwe wegen en pleinen - in competitie met de andere stationssteden die op dat ogenblik in uitbouw zijn, onder andere Brugge. 35M&L
De aanzet van de Keizer Karelstraat aan hel J. van Arteveldeplein : een voorbeeld van de verkavelingen die zich inpassen in een reeds bestaande structuur. Het bouwblok links onderaan bevat de opgedeelde stadseigendommen van het capucijnenklooster (kadastrale reconstructie 1845, tekening M. Verschaffel)
Eenheidsbebouwing aan de Keizer Karelstraat (1846) : typisch voorbeeld van de neoclassicistische stijl toegepast op doorsnee-rijhuizen (S.A.G. G 12 / 6780). _^
Een volgende karakteristiek van het verkavelingsproces is het onderscheid in aanpak van de kavels gelegen aan de hoofdstraten en deze in de nevenstraten. De kavels langs de grote assen zijn doorgaans breder en dieper dan de andere: een koppeling dus van hiërarchie van straten aan vormgeving van de aanpalende woningen, en indirect dus ook aan een sociale stratificatie. Vergeleken bij de verkaveling tengevolge van doorbraken in een bestaand weefsel, laat de verkaveling op braakliggende gronden een grote variatie van perceels-
grootte toe. In het eerste geval vormt de bestaande structuur enge grenzen, die uitbreiding van kavels bemoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt. Daardoor zijn de nieuwe percelen hier — ook in verhouding tot hun breedte — beperkt in oppervlakte, al zijn ze in doorsnee groter dan de percelen waaruit ze oorspronkelijk gegroeid zijn. De eigenaars die werken op onbebouwde percelen bepalen zelf de graad van verfijning die ze willen bereiken. De eigenaars die herstructureren, werken binnen grenzen van een reeds verfijnde structuur.
Keizer Karelstraat nr. 130 (1847), 226, 128 (1859). De homogene straatwand wordt geritmeerd door variaries op het neoclassicistische basisthema of door een geïndividualiseerde decoratie (foto's D. Stemgée)
M&L 36
De zuidwestelijke hoek van de Keizer Karelstraat, gezien vanop hetJ. Van Arteveldeplein (thans Sint-Annaplein). Huidige toestand (foto D. Stemgée)
De eigendomsstructuur Zoals reeds aangegeven gaat de verfijning tijdens de verkaveling gepaard met de verkoop van gronden. Kadastergegevens en bouwaanvragen die over deze operatie beschikbaar zijn, laten toe inzicht te krijgen in de sociale aspecten van een dergelijke ingreep. Op basis daarvan is een onderscheid mogelijk tussen drie groepen van bouwheren: de 'eigenbouwers' (of zij die 1 of 2 woningen bouwen voor eigen behoefte), de kleine speculanten (3 tot 5 woningen in de wijk), en de grote speculanten (6 of meer woningen in de buurt) (44). De 'eigenbouwers' die 60% van de groep investeerders uitmaken, leveren slechts een vierde van het woningbestand in de buurt, terwijl de 15 % grote speculanten eigenaar zijn van 50 % van het nieuwe huizenpark. Te oordelen naar het beroep van deze groep eigenaars lijkt speculatie toch wel een rol gespeeld te hebben bij de uitbouw van het
kwartier. Een belangrijk deel van de grote speculanten zijn op één of andere manier bij de bouwsector betrokken (metselaar, bouwmeester, bouwkundige, timmerman, schrijnwerker,...): een verkapte vorm van promotorschap. De sociale classificatie van de bewoners is minder eenduidig. Toch lijken vier punten zich te manifesteren: een duidelijke toename van het aantal handelaars; een uitbouw van de horeca-sector (herbergiers, hotelhouders,...) in de Zuidwijk; een toenemende aanwezigheid van de rijkere burgerij en de adel; tenslotte, samenhangend met de voorgaande verschijnselen, de vermindering van het aantal eigenaars werkzaam in de bouwsector: zij hebben hun werk geleverd en hun geld verdiend.
Bebouwing van de wijk Opnieuw op basis van de bouwaanvragen en kadastergegevens kan een schema worden opgesteld betreffende de
Twee bouwaanvragen voor woningen in de Stationsstraat (ca. 1838-1841). De uniformiteit van de straat werd nog in de hand gewerkt doordat meerdere gevels 'alle naer één model' getekend werden (S.A.G. G 12 / 5756 en O 12 / 5757) teq=B=3 S-. U
V/ T.r—C—ET -„,,..„„ xj —
«=: j
•
p"
L l
.
—«1
u
u .
TJ u
u
IST^,
u
u
tj-
,,
,
„
TJ-7 L
-^--^-
1 _L_-1
-
i — I
#
37M&L
/Jy grotere percelen werd de eenheid van de bebouwing soms geaccentueerd door een symmetrische opbouw met rijker uitgewerkte hoekrisalieten, zoals hier in de Keizer Karelstraat. Bemerk tevens de winkelpui die van bij het begin (1843) links werd voorzien (S.A.G. G 12 / 2852)
bouwactiviteit in de wijk. In een eerste fase, omstreeks 1840, werden de Statiestraat en de Keizer Karelstraat en omgeving (de noordoostelijke hoek van de Zuidwijk) bebouwd. De tweede fase betreft de opbouw van het zuidelijk deel van de wijk, de invulling van de Muinkmeersen, het eerst in het zuidwestelijk deel (rond de Boulevard van de Dierentuin), enkele jaren later in het zuidoostelijk deel (in en rond de Frère Orbanlaan). Het stadsbestuur kon de vormgeving van de nieuwe straatwanden in de hand houden door bouwvoorschriften die via de bouwvergunning (45) aan de bouwheren opgelegd worden. Aanvankelijk waren de voorschriften vooral van esthetische aard: ze bepaalden volume (bouwhoogte en -diepte), detailleringen en materiaalgebruik. Doorgaans wordt in de voorschriften gerefereerd aan een bestaande woning, aan een voorbeeld. In een latere fase worden voorschriften toegevoegd die de hinder op het openbaar gebied beogen te beperken (uitspringende delen, aantal treden van buitentrappen,...) (46). Uit deze bepalingen komt het beeld naar voren dat het stadsbestuur in de nieuwe wijk graag gerealiseerd wil zien. Deze verwachtingen worden echter niet vertaald in een bouwreglement. De enige reglementering die hier van belang is naast het reglement van 1838 in verband met de aanleg van wegen en stegen (47) is het 'Reglement sur les trottoirs' van 1844 (48), waarin een aantal voorschriften met betrekking tot hinder op het openbaar gebied opgenomen zijn. De andere voorschriften worden telkens geval per geval bekeken en vastgelegd, vanuit het verwachtingspatroon van het bestuur, dat in de praktijk niet sterk afwijkt van de wensen van de bouwheren. De bouwaanvragen (in die periode nog enkel geveltekeningen) tonen neoklassieke geveltypes — rond 1840 vrij sober, rond 1860 meer gedecoreerd en gevarieerd — die aanleunen bij de bouwtrant die, meer monumentaal, gehanteerd wordt door stadsarchitect L. Roelandt, de ontwerper van het Operagebouw en het Justitiepaleis. Programma-architectuur Programma-architectuur slaat op een tussenvorm in de bebouwing, tussen de bouwaanvraag van de private bouwheer enerzijds, en de publieke gebouwen ander-
zijds. De overheid legt de eigenaars de verplichting op hun woning te realiseren als onderdeel van een globale, vooraf getekende gevelwand. Binnen het bestudeerde stadsdeel komt deze gang van zaken twee keer voor. Op het Graaf van Vlaanderenplein, met name de wand tegenover het station, moet rekening gehouden worden met een aanvullende conventie tussen stadsbestuur en ingenieur Noël van het Ministerie van Openbare Werken. Dit bepaalde dat alle nog op te trekken bebouwing in overeenstemming moest zijn met een plan dat de stadsadministratie zou opstellen en door de nationale overheid goed te keuren was (49). Hieruit blijkt de bekommernis van de nationale regering voor de stedelijke omgeving waarin zij haar stations wil bouwen. Het plan voor de programmawand wordt in 1847 getekend door de Gentse architect Leclerc-Restiaux, terwijl de werken aan het nieuwe station volop aan de gang zijn. De uitvoering van de wand is, en dat is eigen aan de procedure, afhankelijk van de bouwactiviteit van de eigenaars, die elk instaan voor hun eigen perceel. Voor de woningen worden geen bouwaanvragen meer ingediend: de bouwheren zijn officieel op de hoogte gebracht van het bestaan en de inhoud van het programma-plan, en dit blijkt bindend genoeg voor de beide partijen om van een goede realisatie overtuigd te zijn. Heel restrictief is het plan eigenlijk niet. Het ondergaat de nodige veranderingen en aanpassingen aan de effectieve eigendomsstructuur op die plaats: het aantal deuren wordt in overeenstemming gebracht met het aantal woningen dat de bouwheer op zijn perceel wil realiseren, een eigenaar mag aan het zuidelijke deel van de wand een — overigens volledig identieke — woning toevoegen, ook al doorbreekt hij daarmee de symmetrie van het geheel. Dank zij de betrokkenheid van de nationale overheid, en het bestaan van de aanvullende conventie, zijn vrij veel gegevens bewaard van wat aan het Graaf van Vlaanderenplein gebeurd is. Dat is veel minder het geval met het programma dat bestond — of althans vermoedelijk bestaan heeft — voor (een deel van) het Van Arteveldeplein.
Hier bleek het programma in eerste instantie gekoppeld aan de verkoop van de stadseigendommen van het Capucijnenpand, gelegen tussen de Brabantdam en de Keizer Karelstraat. Vanuit een streven naar 'grandeur' bij de bebouwing van het plein — dat de Stad als tegenhanger voor het Graaf van Vlaanderenplein voor eigen rekening wou realiseren — legde het bestuur bij de verkoop van de percelen voorschriften op om het plan te verwezenlijken. Dit plan is nog meer dan in het eerste geval een principetekening, die als voorbeeld staat voor wat moet worden gebouwd (en een bouwaanvraag dus overbodig maakt) zonder dat de tekening zelf direct gekoppeld is aan de strikte kavelstructuur, of zelfs maar aan een duidelijk gelokaliseerde plaats. Het plan is niet door één of ander besluit bekrachtigd en is als dusdanig niet bindend (50). Met betrekking tot de andere wanden van het plein is het al dan niet bestaan van een programma minder duidelijk. In elk geval werden voor deze wanden wel bouwaanvragen ingediend. Toch zijn er de verwijzingen in gemeenteverslagen en in de bouwvergunningen naar een 'plan'. Vermoedelijk wordt hier verwezen naar de principe-tekening die opgesteld is en die model staat voor de opbouw van het volledige plein. Globaal zou gesteld kunnen worden dat met de programma-architectuur gezocht werd naar garanties voor de monumentaliteit die de overheid in een bepaalde buurt wou verwezenlijken. Het kan doorgaan voor een bouwreglement voor de beperkte, elitaire en exemplarische site die de stationswijk is.
Besluit Het Gentse stadsbestuur heeft op handige wijze gebruik gemaakt van de aanleg van de spoorweg in Gent en de beslissing tot de aanleg van een station intra muros, en heeft dit alles ingepast in een eigen ruimtelijk stedelijk beleid. Door in te spelen op — enerzijds — de vereisten en mogelijkheden van dit nieuwe station en — anderzijds — op de hierbij gevormde belangendriehoek staat-stadprivé-eigenaars, is het erin geslaagd, binnen het uitgesproken liberale bestel van het midden van de 19de eeuw, in een periode van een dertigtal jaren de onbebouwde weilanden van de Muinkmeersen te (doen) transformeren tot een nieuw, algemeen geapprecieerd, stedelijk kwartier, met een impact die reikt tot diep in de omliggende wijken.
Voetnoten (1) Dit artikel is gebaseerd op Gent-Zuid, 1835-1870. Een stedebouwkundig-historisch onderzoek naar de aanleg van het Zuidstation en de invloed hiervan op de verdere ontwikkeling van de omgeving, eindverhandeling ingediend door de auteurs tot het verkrijgen van het diploma van burgerlijk ingenieur-architect (KUL, 1983, niet gepubliceerd). De latere hervorming van de aanpalende Nederscheldewijk in het 'Zollikofer-Devigne plan' werd in deze studie niet behandeld. Geïnteresseerde lezers verwijzen we naar R. Pillen, Het Zollikofer-Devigne Projekt, Gent 1837-1900 : een stedebouwkundig-historisch onderzoek naar motieven, resultaten en gevolgen van de sanering van de Nederscheldewijk, (diss. lic. stedebouw en ruimtelijke ordening KUL, Leuven, 1986, n.p.)
Een curiosum in de stationswijk : de eclectische gevelwand (1851) van de Lammerstraat nr. 1-11, door L. Roelandt in een overwegend italianiserende, neoromaanse stijl ontworpen (S.A.G., Atlas Goetghebuer, L 29/3)
rumnn
I:....I:....I;....II....:I....:I....;)
Keizer Karetslrual nr. 75, hel z.g. huis 'de Hemplinne' met neoclassicistisch hoofdgebouw van ca. 1846 en nrs. 77-79 als merkwaardig voorbeeld van Louis-Philippeslijl, 1850 (foto M.O.W.)
(2) De Nicuwbrug lag aan het zuidelijke einde van de Sint-Jacobsnieuwstraat, over de — nu gedempte — Reep. (3) Zie in verband met deze argumentatie onder meer Rapport annuel sur I'administration et la situation des affaires de la Ville de. Gand, anno 1836, 1837, 1839, 1840. (4) Het octrooirecht liet de steden toe toegangsgelden te vorderen op goederen die voor 'interne consumptie' binnen de wallen gebracht werden. Zulks betekende een belangrijke bron van inkomsten en in de meeste gevallen — enkele 'militaire steden' zoals Antwerpen niet te na gesproken — was één van de voornaamste functies van de 19de-eeuwse stadswal precies de controle van de import. Wanneer in 1860 de wet Frère-Orban het octrooirecht afschaft, worden ook in Gent de grachten gedempt en aangelegd als 'boulevards'. (5) SAG, Gemeenteraadsverslagen 21 december 1844 - 20 december 1845. Zitting (29 november 1845). (6) 1849 was tevens het jaar van de 'Exposition Industrielle' in Gent. (7) SAG, Gemeenteraadsverslagen 1837. Zitting (8 juli 1837). De Huidevettershoek bood zowel aansluiting op de Sint-Pietersnieuwstraat als op de Kouter (via de Walpoortbrug). (8) De voornaamste arbeidersbuurt was het Nederscheldekwartier, ook later nog één der ziektehaarden bij de cholera-epidemies. Voor de eigenlijke sanering van deze wijk moest nog gewacht worden tot de jaren tachtig van de 19de eeuw, met het 'Zollikofer-Devigneplein', en de doorsteek van de Vlaanderenstraat. (9) Na de verkiezingen van 1836 had de Koning geweigerd de orangistisehe liberaal Van Crombrugghe opnieuw te benoemen tot burgemeester. Wanneer dan uiteindelijk Minne-Barth bereid gevonden wordt op de treden als vervangend burgemeester, stuit zulks binnen de gemeenteraad op heftige tegenkanting. In 1840 dient hij tenslotte ontslag in en wordt opgevolgd door — opnieuw — Van Crombrugghe. Deze laatste was permanent in de gemeenteraad aanwezig gebleven als — onder meer — voorzitter van de Commissie van Budgetten. (10) SAG, bundels G2/AB(1): K.B. en G7/4. Conventie. (11) De huidige Zuidstationstraat.
M&L40
(12) Deze vroegere kloostergebouwen deden dienst als magazijnen van de stedelijke militie. De gronden waren eigendom van de Gentse Hospitiën. Dit betekende voor de Stad dat ze deze terreinen snel en zonder veel problemen in eigendom kon krijgen. (13) Thans Sint-Annaplein. (14) De Krommen Eseh was een kleine, volkse buurt aan de Nieuwbrug. Hier bevindt zich momenteel het R.T.T.-gebouw. Wat van dit straatje nog rest, is opgenomen in de huidige Gebroeders Van Eyckstraat en de F. Aekermansstraat. (15) Zie in dit verband de resolutie van de Gentse gemeenteraad van 1 maart 1841 (SAG, Gemeenteraadsverslagen 1841 - 25 mei 1842). De Hooie was een grote weide, gelegen voorbij het oude Capucijnenklooster, die zich uitstrekte van de Brabantdam tot de Nederschelde. Ze was privé-eigendom. (16) SAG, bundel G2/C10. (17) Dit plan werd goedgekeurd in de gemeenteraadszitting van 12.10.1841, en door de Minister van Openbare werken op 17.01.1842. (SAG, bundel G2IA8 (9)). (18) Cf. V. Fris, Gand monumental et historique (Gent 1923). Het grootste belang van dit ontwerp situeert zich echter in het interieur, met zijn — indertijd ronduit vernieuwende en door Van Hoecke gecamoufleerde — gietijzeren rondboogstruetuur. De vervanging van de orangist Roelandt door laatstgenoemde was — eens te meer — het resultaat van een politieke rel. (19) Dit in tegenstelling tot de noordzijde, die — samen met de Keizer Karelstraat — in hoofdzaak in de loop van de jaren veertig tot stand kwam. (20) Dit was kort voordien mogelijk gemaakt door de wet van 1 juli 1858, die voorzag in verplichte onteigeningen voor de sanering van ongezonde kwartieren. Wel moest dit nog steeds gekoppeld zijn aan wijzigingen van het (openbare) wegennet. (21) De 'zone-onteigening' werd gereglementeerd in een wet van 1867. Oorspronkelijk konden enkel de terreinen binnen het tracé van de openbare wegen en pleinen onteigend worden, overeenkomstig de
— vooraf opgestelde — plannen. Omstreeks 1845 werd de mogelijkheid tot gedwongen onteigening uitgebreid tot de ganse percelen die door de werken getroffen zouden worden. In 1867 wordt het dan mogelijk een hele zone (c.q. wijk) ineens te onteigenen. Het toepassingsgebied voor deze procedures ondergaat hierbij ook een belangrijke uitbreiding: naast de werken van 'openbaar nut' en de 'sanering van ongezonde wijken', wordt nu ook de notie ingevoerd van 'verbeteringswerken', en kan deze reglementering tevens toegepast worden op nieuwe wijken. Een van de befaamdstc gevallen van zone-onteigening te Gent betreft het Nederscheldekwartier. met het Zollikofer-Devigneplan uit de jaren tachtig van de vorige eeuw (doorsteek van de Vlaanderenstraat enz...). (22) Het huidige Frankrijkplein. (23) SAG, Gemeenteraadsverstagen 1840, zittingen 4 augustus en 28 november 1840. (24) Tot hiertoe vormde de Muinkbrug, aan de Sint-Pietersabdij, de toegang tot de westelijke Muinkmeersen. Ze bood echter niet de gewenste snelle, ruime verbinding met het station. (25) De afschaffing van de octrooirechten in 1860 door de wet van Frcre-Orban, had de hermetische afsluiting van de stationsterreinen overbodig gemaakt. (26) SAG, Gemeenteraadsverslagen 20 februari 1847 - 6 september 1848. Zitting (21 juni 1848). In deze context wordt het thema van werkverschaffing aan werkloze arbeiders nog hernomen in de loop van de wintermaanden van 1853-1854. (27) Ook 'Spaans Kasteel' genoemd. In 1827 was dit vervangen door de nieuwe citadel aan de Kortrijkse Poort. Oorspronkelijk zou de spoorlijn doorheen het 'Spaans Kasteel' lopen, maar aangezien dit stadseigendom was en de stad Gent — krachtens een vroegere overeenkomst — verplicht was alle stadsgronden binnen het tracé gratis af te staan, werd de weg een weinig oostwaarts verschoven. Dit deel van de verbindingsspoorweg is de huidige Kasteellaan geworden. Zowel de tracering als de uitvoering van deze sectie verliepen blijkbaar zonder verdere noemenswaardige problemen. (28) Het officiële argument luidde dat dit de veiligheid van de kinderen van de armenschool van het klooster verhoogde. Dit deel van de spoorweg werd uiteindelijk de huidige Twee Bruggenstraat. (29) SAG, Gemeenteraadsverslagen, 12 januari 1850 - 29 maart 1851: Rapport van de Commissie van Werken (25 januari 1851). (30) De huidige Schepenenvijverstraat. (31) Zo besluit bijvoorbeeld Poelman-Hamelinck spontaan tot de aankoop van de vereiste gronden (en huizen) van aanpalende eigenaars, teneinde het gewenste tracé en de gewenste straatbreedte te kunnen bieden. (32) SAG, bundel G2IZ1(2). Conventie tussen eigenaars (22 april 1842). (33) Voor het beheer van deze dierentuin was het 'Comité d'Administration du Jardin d'Histoire Naturelle' opgericht. Dit is echter geen lang leven beschoren: reeds in het eerste decennium van de 20ste eeuw worden de gronden, na sluiting, opnieuw openbaar verkocht. Momenteel vindt men hiervan nog enige sporen terug in het Muinkpark, en in de straatnamen.
(34) SAG, Gemeenteraadsverslagen 5 maart 1859 - 12 november 1860. Rapport en Conventie (31 maart 1860). (35) Het gaat hier om de huidige Fr. Rooseveltlaan & G. Callierlaan. (36) Tussen de kop van het station en de Sint-Lievenswal was oorspronkelijk iedere oversteek over de sporen verboden. In de praktijk echter had Beyaert — één der voornaamste eigenaars in de meersen — walletjes opgeworpen in de stationsgrachten, zodat een privé-doorgang ontstond die tegelijk door derden gebruikt werd. Na de uiteindelijke opheffing hiervan in 1850, verleent de Minister van Openbare Werken op verzoek van de inwoners van Gent, twee jaar later de toelating tot het openen van de overweg aan de Bénardstraat. (37) SAG, Gemeenteraadsverslagen 14 juni 1869 - 27 maart 1872. Zitting (6 december 1869). (38) Vanaf de inbreng van het station in de meersen, in 1837, wordt met de 'Muinkmeersen' nog enkel het deel bedoeld ten westen van de spoorweg. (39) Beyaert was eigenaar van de volledige zuidelijke meersen voorbij de diagonaal van de Oude Schelde. (40) SAG, Gemeenteraadsverslagen 16 juni 1842 - 2 augustus 1843. Zitting (17 december 1842). Bekrachtigd bij het K.B. van 10 mei 1844. (41) De laatste, de 'rue Traversière', is thans de Gulden Sporenstraat. (42) De informatie in deze en volgende paragrafen is de weerslag van een studie van de kadasterarchieven te Gent, aangevuld met die van de bouwaanvragen (SAG, reeks G 12). (43) SAG, Gemeenteraadsverslagen 16 juni 1842 - 2 augustus 1843. Rapport van de Commissie van Werken en Rooilijnen (11 februari 1843). (44) De gegevens slaan enkel op het grond- en woningbezit in het door ons afgebakende onderzoeksdomein. Eigendommen in andere wijken van de stad, of in andere steden of gemeenten, laten we buiten beschouwing. (45) De bouwvergunning is als middel tot bescherming van het stedelijk beeld, ter beschikking gesteld van de gemeentebesturen in de gemeentewet van 1836 (art. 78 en art. 90). (46) In een verdere evolutie worden in de bouwvergunningen ook voorschriften opgenomen die een weerspiegeling zijn van het bureaucratiseringsproces binnen de (stedelijke) administraties. Gezien het geringe effect hiervan laten we ze hier buiten beschouwing. (47) In 1838 stelt de Gemeente een voorschrift in dat bepaalt dat elke straat, steeg of weg pas na goedkeuring van het plan door het schepencollege van de Stad mag worden aangelegd. (48) 'Reglement sur les trottoirs'. Gent, SAG, Gemeenteraadsverslagen 21 december 1844 - 20 december 1845. Zitting (1 februari 1845). (49) SAG, Gemeenteraadsverslagen 2 augustus 1843 - 21 december 1844. Aanvullende conventie tussen schepencollege en Noël (16 maart 1844). (50) Plan voor de (noord)gevel van het Van Arteveldeplein (SAG, Atlas Goetgebuer, D79.F138/12).
S.A.G.: Stadsarchief Gent.
41 M&L
'Een restauratie met beperkte middelen'. De Sint-Eligiuskerk in Ettelgem Christa Lievens (B.M.L.), Jean Luc Meulemeester, Walter Slock (B.M.L.)
Tal van polemieken, adviezen en gesprekken zijn voorafgegaan aan de beslissing in 1986 tot dringende instandhoudingswerken aan de Sint-Eligiuskerk in Ettelgem (Oudenburg). Dit sinds jaren verwaarloosde monument was dringend aan een ultieme reddingspoging toe. Omdat het voorziene budget ontoereikend was om de eerste fase van de instandhoudingswerken ten uitvoer te brengen, werd uitgekeken naar sponsoring. Dank zij bijkomende financiële steun van de Koning Boudewijnstichting, een extra inspanning van de gemeente, de logistieke steun van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen en de welwillendheid van de betrokken aannemer, werd in december van hetzelfde jaar de eerste fase van dit project afgewerkt. Uit een korte historische schets moge blijken dat deze kerk jarenlang een echt zorgenkind is geweest. De Sint-Eligiuskerk na de instandhoudingswerken;
M&L42
algemeen gezicht (foto D. Stemgée)
Het gebouw vóór de ingreep; een desolate puinhoop (foto B.M.L.)
De geschiedenis van de kerk De oudste sporen van de bidplaats klimmen op tot het begin van de 11de eeuw. Toen behoorde het patroonschap van de kerk toe aan de bisschop en aan de abt van Sint-Bertijn in Poperinge. Omstreeks 1028 schonk de Doornikse prelaat Harduinus de Croy (t 1029/1030), enkele altaren van verschillende nederzettingen — waaronder Ettelgem — op aanvraag van Roderic, abt van Sithiu van Sint-Omaars, aan de voormalige Sint-Bertinuspriorij van Poperinge. De vermelding van een altaar is hier belangrijk; in elk geval bevestigt dit de aanwezigheid van een bidruimte. Vermoedelijk ging het om een houten, rechthoekige zaalkerk, waarvan de bediening gebeurde door monniken van het Poperingse convent. Deze paters boden trouwens nog hun diensten aan in de omgeving. In de 12de eeuw lieten de bewoners een nieuwe kerk bouwen. De aanleiding hiertoe laat ons in het ongewisse. Had een verruiming van de christelijke geloofsgemeenschap meteen een uitbreiding van de bidplaats noodzakelijk gemaakt? Of was een solidere constructie onvermijdelijk geworden? Of werd het oude gebouw door brand verwoest, waardoor de bevolking de kans kreeg een nieuw, stenen gebouw op te trekken? Merkwaardig is dat dit stenen gebouw buiten de dorpskern ligt, palend aan de open landbouwvlakte. De inplanting ervan op een hoger gelegen zandrug verkleinde in elk geval de kans op overstromingen, die toen nog geregeld voorkwamen in de polderstreek.
Prof. F. De Smidt veronderstelt eerst de bouw van een kapelletje met een rechte afsluiting. Dit laatste wordt bevestigd door de archeologische opgravingen en een naad ontdekt tijdens de jongste restauratiecampagne. Van dit veldstenen gebouwtje kwamen, na het wegnemen van de bepleistering in 1931, bepaalde delen vrij. Vooral de noordelijke muur met kleine en ronde vensteropeningen herinneren hieraan. Vervolgens zou uit dit kapelletje de kerk zijn gegroeid: midden- en zijbeuken werden toegevoegd en de oorspronkelijke kleine ruimte deed dienst als koor. De in ruïne verkerende noordelijke pijlerarcade is hiervan het enige overblijfsel. Het middelste deel van het schip werd bedekt met een zadeldak, de zijbeuken met een lessenaarsdak. Het geheel vertoonde een basilicale vorm. Vermoedelijk was er geen dwarsbeuk aanwezig. Op het einde van de 13de eeuw of in het begin van de 14de eeuw werden enkele grondige verbouwingen uitgevoerd. De rechthoekige koorafsluiting werd afgebroken en vervangen door een driezijdige koornis. Ook de westgevel onderging toen een verjongingskuur: getuige de bakstenen van gelijke grootte als die van het koor (30/29 X 7/8 X 15/14 cm). De nieuwe muren werden opgetrokken op de oude grondvesten. Tijdens een recente, korte opgravingscampagne werd de oude vloer van deze bidplaats teruggevonden. Uit die tijd dateert ook de stoere toren. Hij rust op een rechthoekig grondplan, dat versneden werd om het vierkant te bekomen: de toren zelf heeft een vierkante vorm met ronde galmgaten en dak43M&L
BUSTPUATB VAN WW""»»
IRMA
SCHRAMME 907-1955 VAWHEEB
tam DEfirs
K*MIEL ISD'
USD
iliHin
i iM m sii(i,t.n
l
kapellen. Deze laatste verdwenen tijdens recente, minder gelukte 'restauratiewerken'. Ook uit de 14de eeuw dateert de thans totaal verwoeste Onze-Lieve-Vrouwekapel, opgetrokken aan de noordzijde van het koor waar het mee in verbinding stond door een grote spitsboog. Het bestaan van een dergelijke bidruimte is niet uitzonderlijk en houdt verband met de aanwezigheid van een Mariaal broederschap en dito devotie. Op het einde van de 14de of het begin van de 15de eeuw werden de stoere pijlers met rondbogen, die de scheiding vormden tussen de middenbeuk en de zuidelijke zijbeuk, vervangen door twee spitsbogen. Ze rusten op een sierlijke zuil in het midden en op twee halve bakstenen zuilen aan de kanten. Wijst dit meteen op een uitbreiding van die zijbeuk? De godsdiensttroebelen in de 16de eeuw moeten de kerk sterk geteisterd hebben, voortgaand op de veelvuldige herstellingswerken in de daaropvolgende eeuw. Ook in de 18de en 19de eeuw gingen de herstellingen verder. Het gebouw takelde voortdurend verder af. De kerkelijke overheid maakte dan ook plannen op tot een grondige verbouwing en uitbreiding. Hiervoor kan het katholieke réveil van de 19de eeuw eveneens als reden aangehaald worden. Ook de belemmering van het zicht op het hoofdaltaar door de al te stoere steunpijlers van de toren kan als aanleiding worden vernoemd. Het bleef echter bij plannen. In 1908 werd beslist tot de bouw van een nieuwe kerk op een meer centrale plaats in het dorp. De pittoreske en landelijk gesitueerde oude bidplaats zou als congregatie- en vergaderruimte in gebruik worden genomen. De bevolking had het monument liever als kerkhofkapel gezien, maar aan een dergelijk gebouw bestond geen behoefte. Langzaam zette het verval van de oude kerk zich verder, in de hand gewerkt zowel door de mens als door de natuur. Omstreeks 1930 was de situatie schijnbaar hopeloos geworden. Een groot gedeelte van het gebouw werd afgebroken, de rest verviel tot een ruïne. Enkel het vroegere koor werd in stand gehouden. Toch was de lijdensweg niet ten einde: een gat in het dak werd niet gedicht, stenen brokkelden verder af en de sacristie bezat geen schaliebedekking meer.
1
ni; OOSTdWB vu
Hoogdringende instandhoudingswerken Het mag een geluk heten dat in de laatste maanden, dank zij de samenwerking van verschillende instanties, een eind werd gesteld aan het verval en de gebouwen uit de puinen werden gered. Nochtans bleef het een initiatief met beperkte middelen, waardoor bij de werfcontrole en bij het opmaken van het lastenboek met de meeste omzichtigheid moest worden tewerkgegaan. Het totale budget voor de eerste fase van de werken aan het koor en de sacristie bedroeg 2.500.000,-fr. Daarvan werd 1.000.000,-fr. ter beschikking gesteld door de Koning Boudewijnstichting met de steun van de Nationale Loterij. De gemeente participeerde in dit project voor 750.000,-fr.. Daarnaast stond zij ook in voor infrastructuurwerken als verwarming en verlichting, gerealiseerd met eigen personeel. Een bijkomend budget werd vrijgemaakt voor het plaatsen van glas-in-loodramen.
De Sint-Eligiuskerk: opmetingsplan (Afdeling Architectuur, BML) Vorige pagina: algemeen gezicht op de zuidoostelijke partij van de kerk na de instandhoudingswerken (foto D. Stemgée)
45 M&L
nok balk 7/9
\
De muur- en dakparüjen vóór de instandhoudingswerken
(foto B.M.L.)
«- #-z
M&L46
Het aandeel van de Vlaamse Gemeenschap bedroeg 600.000,-fr., meteen de maximale tussenkomst bij dringende instandhoudingswerken, net als de 200.000,-fr. van de provincie.
Uitvoeringsplan: doorsnede (ontwerp Afdeling Architectuur, BML) A: doorsnede CD B: doorsnede AB
De Sint-Eligiuskerk tijdens de herstellingswerken (foto B.M.L.)
Enerzijds had deze restauratie een functioneel gericht karakter, anderzijds was het de bedoeling dit unieke voorbeeld van Romaanse bouwkunst in Vlaanderen als historische en archeologische getuige te bewaren. Het vooropgestelde budget was net toereikend om de nog beschikbare ruimte van koor en sacristie op te knappen tot een bruikbaar geheel. Verdere restauratiefasen moeten er een actief, volwaardig archeologisch en kunsthistorisch centrum van maken. Het plaatselijk bestuur heeft reeds diverse functies gesuggereerd, die zich duidelijker aftekenen naarmate het project vordert. In de huidige fase van de werken werd een rudimentair systeem voor verwarming en verlichting voorzien zodat — zij het niet tijdens strenge winters dan toch in het tussenseizoen — een verlengde zomeractiviteit kan worden verzekerd. De rechthoekige ruimte is ideaal voor allerlei culturele manifestaties, zoals dia-avonden, voordrachten, tentoonstellingen, kleine concerten en gespreksavonden. Dit naast het uitbouwen van een archeologische site ter plaatse van de nog resterende delen van het kerkschip, waarvan het dossier nu in de maak is. De belangrijkste werken in de eerste fase beoogden het constructief gezond maken van het gebouw. Dit betekent dat onderdelen van timmer- en metselwerk, vervangen werden enkel en alleen waar dit voor de stabiliteit nodig bleek.
Hervoegen gebeurde enkel ter plaatse van hermetselde onderdelen; de aanwezige voegen voldeden ruimschoots aan de gewenste waterdichtheid. Reinigingswerken of speciale muurbehandelingen werden niet toegepast.
Dakplan van het kerkschip (ontwerp Afdeling Architectuur, BML)
Volgende pagina: het interieur na de (foto D. Stemgée)
instandhoudingswerken
Bedenkelijke toestand van de dakbedekking vóór de werken (foto B.M.L.)
De 100 jaar oude dakbedekking aan de noordkant — een uniek voorbeeld van dakdekkerskunst — die in goede staat verkeerde, bleef liggen. De resterende verweerde leien op de andere dakvlakken werden gedemonteerd en vervangen door leien van dezelfde kwaliteit, kleur en dikte als de oude groengetinte leien. Naast deze constructieve ingrepen diende eveneens gezorgd te worden voor een goede waterhuishouding en moesten alle openingen gedicht worden, onder meer door het herstellen van de houten toegangspoort en het inbrengen van glas-in-loodramen in de bestaande vensteropeningen, na het opkuisen ter plaatse van de nog aanwezige raambruggen. Van het interieur van de oude kerk was ter plaatse niets meer aanwezig. Het pleisterwerk in de sacristie en in de ruimte onder de toren werd hersteld, zo ook tussen de gebogen gewelflatten. De koorruimte werd gekaleid zodat de ruimtelijkheid van de vroeger bepleisterde kerkruimte herschapen werd. Bij een steekproef naar de fundering van de oude verdwenen Romaanse pijler stootte het gemeentepersoneel op restanten van de oude vloer van het kerkschip. Meteen werd de archeologische afdeling van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen bij deze fase van de werken ingeschakeld om een onderzoek te starten. Een tweede fase omvat de restauratiewerken aan de ruïne, die vooral op een consolidatie neerkomen. De vroegere omtreklijnen van de kerk zullen hertekend worden door de aanleg van een pad op de oude funderingen; zo zal ook de opgegraven, oude kerkvloer vastgelegd worden. In dit verband wordt eveneens gedacht aan een sanering van het omliggende kerkhof en de herstelling van de oude kerkhofmuur. Gezien dit project een proces is dat stapsgewijze groeit met de bewustwording van de plaatselijke bevolking en de diverse instanties, wordt weliswaar gewerkt naar eenzelfde doel doch in de mate van de beschikbare budgetten. Tussentijdse vergaderingen met alle betrokken partijen zorgen ervoor dat het onderwerp levendig gehouden wordt en dat de uitwerking van het totaalconcept binnen de realiseerbare mogelijkheden blijft. Bibliografie — Englisch M., Het schema der zijbeuken in de West-Vlaamsche romaansche dorpskerk, in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis van Brugge, 1939, p. 43-51. — Englisch M., Romaanse Bouwkunst in West-V laanderen, Brugge, 1939, p. 55-57. — Goossens M., De oude kerk van Etlelgem of de tijdensweg van een monument naar ruïne, in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 1986, nr. 4, p. 140-143. — Leurs L., Vandalisme te Eltelgem. Het reddend optreden van den V.T.B., in Toerisme, XI, nr. 4, 16 februari 1932, p. 144-146. — Meulemeester J.L., Van Romaans naar neo-goliek: de twee Ettelgemse parochiekerken, in de catalogus van de tentoonstelling Kerkschatten uit Ettelgem, Oudenburg, 1985, p. 11-30. — Smidt F. De, De Oude Kerk van Ettelgem, in Jaarboek van de gilde van Sint-Lukas en Sint-Jozef, Gent, 1928-1932, p. 82-93. — Smidt F. De, De romaansche kerkelijke bouwkunst in West-Vlaanderen. Gent, 1940, p. 82-86.
M&L48
*
/ ._
^ém^^,
li
INVENTARIS VAN HET ORGELPATRIMONIUM
HET HISTORISCH ORGEL IN VLAANDEREN
NIEUW DEEL DEEL IV A : A. Fauconnier P. Roose
"Het Historisch Orgel in Vlaanderen" Provincie West-Vlaanderen Arrondissement Brugge en Oostende (prijs : 650,- fr.)
REEDS VERSCHENEN DELEN DEEL I
: G. Potvlieghe
"Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, Provincie Oost-Vlaanderen (uitgeput)
DEEL II A : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Brabant, Arrondissement Halle-Vilvoorde (uitgeput) DEEL II B : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Brabant, Arrondissement Leuven (prijs : 400,- fr.) DEEL III A : A. Fauconnier "Het Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen (prijs : 600,- fr.)
Te bestellen bij Monumenten & Landschappen Belliardstraat 18 • 1040 Brussel • Rekening nummer : 470-0278201-29
public design
public design maakt milieu-vormgeving tastbaar. In Frankfurt van 14 t/m 17 oktober 1987
De internationale vakbeurs voor milieuvormgeving, public design '87, wordt van 14 t/m 17 oktober voor de tweede keer gehouden. Fabrikanten uit binnen- en buitenland bieden een kompleet marktoverzicht van produkten en diensten op het gebied van de inrichting van openbare gebouwen enz. Het omvangrijke aanbod wordt ingedeeld naar
de 7 belangrijkste gebruiksmogelijkheden en is overzichtelijk gepresenteerd. Speciale tentoonstellingen en workshops kompleteren het programma. De tentoonstelling ter gelegenheid van de 100e geboortedag van Le Corbusier en diskussies over de thema's stedebouwkunde, verkeerstechniek en milieu zijn daar voorbeelden van.
Bon a u b. uptkmppen en sturen aan Messe Frankfurt - Vertegenwoordiging Beigie en Luxemburg, J Kronenwerth. Lied van Sotternieenlaan 2. 1050 Brussel, Tel: 02/64048 11. Telex 65009 messef b - Vertegenwoordiging Nederland Messe Frankfurt - Trimbos. Keizersgracht 690 NL, 1017 EV Amsterdam. Tel 020/23 87 44. Telex 14431 frame NL !k ben geïnteresseerd in: O informatie over public design 87 O lijst deelnemers O informatie over het omlijstende programma Firmanaam:
INTERNATIONALE KUNSTBEURS 20e EEUW [7/ FOIRE D'ART INTERNATIONALE 20lème SIÈCLE ^ INTERNATIONALE KUNSTMESSE 2QJAHRHUNDERT ( INTERNATIONAL ART FAIR 20 th CENTURY V
GHENT FLANDERS EXPO
INFO:
OPENINGSUREN: dogelijks van 10 -19 u. zonder onderbreking HEURES D'OUVERTURE: iournellemenl de 10 a 19 h sans interruption ÖFFNUNGSZEITEN: jeden Tag von 10 - 19 Uhr durcbgehend OPENING HOURS; every day from 10 a.m. to 7 p.m. non-stop
I.J.V. vzw Internationaal Congrescentrum B-9000 Gent (Belgium) S (091) 22 40 22 Telex 12666 ijg icc-b Art director: Prof. Jan Pieter Ballegeer
EN NET
FISCUS
CULTUREEL ERFGOED
Het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft over de fiscale voordelen bij cultuursponsoring een brochure ,,De fiscus en het cultureel erfgoed" uitgegeven waarvan op een maand tijd reeds meer dan 5.000 exemplaren werden verspreid. Deze brochure kost 100 frank en kan besteld worden door overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel.
G E B O D E N
T O E G A N G
Van Crombez... tot Nieuwpoort-aan-zee
M&L
Sinds 1865 verbond de 'Route des Bains' de jonge badplaats met Nieuwpoort-Stad. Het vervoer van de vakantiegangers werd toen nog verzekerd door een regelmatige koetsendienst. Pas in 1869 werd de spoorlijn Diksmuide-Nieuwpoort tot 'Nieuwpoort-Zeebaden' met aftakking over de Zeedijk verlengd en werden de badgasten per stoomtrein tot vóór hun logies afgezet. Vanaf 1893 reden er tijdens het badseizoen directe treinen Brussel-Nieuwpoort. Bemerk tevens de lineaire aanleg van de 'nieuwbakken' badplaats (A.R.A., Mission du Ministère des Sciences et des Arts', ca. 1916)
De huidige parcelenng refereert nog duidelijk aan de opsplitsing van B. Crombez' duinengebied m grote 'blokken' waarvoor, naargelang hun ligging t.o.v. het Hendrikaplein, een specifieke bebouwing was vooropgesteld. De bouwgronden aan de Zeedijk liepen oorspronkelijk door tot aan de Albert-I-laan, eertijds 'Voie Auguste'. De grondprijzen, door B. Crombez zelf vastgelegd op 12,9 frank per m2, waren erg democratisch in vergelijking met andere badplaatsen (tekening R. De Mcerlccr)
De luxueuze residentie met aansluitende wintertuin werd gebouwd naar plannen van de Doornikse architect De Man-Bogaert voor rekening van B. Crombez. Konijnen die op allerlei plaatsen en in allerlei vormen voorkwamen, gaven haar de naam 'villa des lapins'. Bij aanwezigheid van de eigenaar verrees op het dak een geelkleunge vlag met een konijnfiguur, toen de vlag van Nieuwpoort-Zeebaden (verzameling S. Van Aerschot)
Het 'Grand Hotel des Bains' was gelegen op de hot havengeul en de staketsels. Kamers waren er te hu frank per dag, naargelang van de verdieping. In i Aerschot)
"4
•""fiiul
|.m
.
-^MMMÏttitt^l S^^^^^PWP*
M&L54
m
,*
m m m mi
•
•
•
'
•
Van Crombez... tot Nieuwpoort-aan-zee De teloorgang rond 1850 van de Nieuwpoortse visserij, samen met de afdanking als garnizoenstad in 1856, waren onrechtstreeks aanleiding tot het ontstaan van Nieuwpoort-Bad. De Stad zag in de toen opkomende 'zeebaden' immers een nieuwe bron van inkomsten. Op 21 juli 1864 werd 'Nieuport-Bains', toen letterlijk vertaald als 'Nieuwpoort-(Zee)baden', feestelijk ingehuldigd. Een Koninklijk Besluit van 26 augustus 1864 wettigde de oprichting van een zeebadendienst over een lengte van 500 m ten westen van de havengeul. Benjamin Crombez (Doornik), eigenaar van de duinenstrook van Westende tot Oostduinkerke, speelde een belangrijke rol in de uitbouw van de nieuwe badplaats. Deze diende, naar zijn mening, uit te groeien tot een exclusief vakantieoord met aristocratische standing, afgestemd op een elitair publiek. Om deze reden verkocht B. Crombez enkel grond aan gegoede personen die hem gunstig leken, dicteerde hij strenge bouwvoorschriften en weigerde resoluut iedere handelsuitbating en drankgelegenheid op de Zeedijk. De te koop aangeboden terreinen deelde hij op in 'blokken' — de basis van het dambordschema dat de huidige badplaats kenmerkt — waarvoor hij een specifieke bebouwing voorschreef. Op zijn privé-duinen creëerde hij het latere Hendrikaplein. In 1867 liet hij zich op de Zeedijk een riant zomerverhlijf oprichten, waar hij tal van prominente gasten ontving. Twee jaar later verscheen op de hoek bij het Hendrikaplein, het imposante 'Grand Hotel des Bains'. Dit 'schoon etablissement' — zoals in toenmalige krantenrecensies vermeld staat — beschikte over ruime veranda's, lees-, conversatie- en banketzalen, badkamers, elektriciteit en telefoon. Anno 1870 verrees naast de villa Crombez het 'Kursaal Casino', ook 'Pavilion de la Presse' genoemd, waar tijdens het badseizoen talrijke concerten en voorstellingen plaatsgrepen. met het Hendrikaplein, en bood uitzicht op de r vanaf drie frank, pension kostte negen of tien verte, de villa Crombez (verzameling S. Van
Trieste overblijfselen van het 'Grand Hotel des Bains' en resterend gietijzeren skelet van Crombez wintertuin na de Eerste Wereldoorlog (verzameling J. Callenaere)
Ruines de Nieuport-Baln The ruins al Hieuport
I9l4-i8
^ r a n s ) M * t « ' dts Bains. Grand Hdlel des Bains
mm
il l u "jgfag^^v-
De 'naoorlogse' villa Crombez, sinds 1948 bezit van de S.V. 'Kindervreugde', verschaft thans een onderkomen en 'ontspannen zeevakantte' aan talrijke jongerengroeperingen en '50-plussers' (foto D. Stemgée)
De fraaie inkomhal van 'kindervreugde' met neorenaissancisttsch getint houtwerk en een breed brandvenster op de overloop (foto D. Stemgée)
M&L56
Ondanks de goede bedoelingen van B. Crombez en de troeven eigen aan de jonge badplaats, kwam deze laatste slechts moeizaam van de grond. In 1890, 26 jaar na de stichting, telde het badoord amper zes hotels en een dertigtal villa's. O m de stagnatie, die het gevolg was van B. Crombez' eigenzinnige visie inzake de uitbouw van de badplaats, een halt toe te roepen, werd in 1893 in Brussel overgegaan tot de oprichting van een 'Société Anonyme de Nieuport-Bains'. Deze vennootschap stelde zich de exploitatie van de badplaats tot doel door in het Brusselse de bouw van villa's en hotels te promoten. Een verkavelingsplan werd opgesteld, evenwel gebaseerd op B. Crombez' strakke dambordschema. Prijsverlagingen en versoepelingen van de oorspronkelijke reglementen en bouwvoorschriften ten spijt, kwam de badplaats moeilijk tot expansie. N a 40 jaar bestaan telde ze 83 villa's, 7 hotels, 7 winkels, 3 herbergen en één casino. Stagnerende verkoopcijfers tenslotte veroorzaakten de faling van vermelde N . V . in 1908. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bracht de verdere ontplooiing van de badplaats bruusk ten einde. Tijdens de Slag aan de IJzer (14 oktober tot 2 november 1914) nam Koning Albert zijn intrede in de 'Villa Crombez', terwijl de beraadslagingen van de Generale Staf plaatshadden in het 'Grand Hotel des Bains'. O p 11 november 1914 moest de badplaats worden ontruimd; oorlogsgeweld vernietigde de 'Villa Crombez' en het 'Grand Hotel des Bains' en herleidde het badoord tot één puinhoop. De wederopbouw van de badplaats — sinds de dood van B. Crombez in 1902 eigendom van diens neef, Henri Crombez — kwam moeizaam op gang. In 1920 waren de ruïnes nog niet opgeruimd. Tegen de verdere uitbouw van de badplaats volgens het door B. Crombez ingevoerde en door H . Crombez overgenomen dambordschema rees hoe langer hoe meer protest, gebundeld door de toen opgerichte 'Société Coöperatieve des Sinistrés de NieuportBains', die een meer speelse en 'ongekunstelde' aanleg genegen was. Zij moest het evenwel afleggen tegen H . Crombez, de belangrijkste grondeigenaar. H e t voormalige zomerverblijf van B. Crombez werd in 1923 als dusdanig herbouwd naar plannen van architect L. David, maar nu in een Normandische bouwtrant, die 'overgewaaid' was vanuit Deauville, toen een toonaangevend badoord. H e t bestond uit een
grote en kleine villa met aansluitende serre en had een laag ommuurde tuin aan de kant van de Albert-I-laan. In december 1948 werd de villa — tot dan uitsluitend in privé-bezit — verkocht aan de S.V. 'Kindervreugde', die ze openstelde voor een breder, sociaal publiek, dat voornamelijk sinds de wet van 1936 op het jaarlijks betaald verlof, opkwam en het elitaire toerisme van weleer geleidelijk verving. De verdere uitbouw van de badplaats was in hoofdzaak het werk van promotiemaatschappijen — waaronder de 'Compagnie Immobilière du Littoral Ouest' (C.I.L.O.) — die het uiteindelijke uitzicht van Nieuwpoort-Bad bepaalden. Onder impuls van de C.I.L.O. werden vanaf 1924 twee prestigieuze art-décogebouwen opgetrokken, naar het ontwerp van de Brusselse architect A. Lagache: het 'Grand Hotel' op dezelfde plaats als en ter vervanging van het vooroorlogse 'Grand Hotel des Bains', en het 'Petit Casino', nu gesitueerd in het derde 'blok'. De bouw van het 'Grand Hotel' sleepte aan tot in 1929. Op 20 juli 1929 werd het luxe-hotel plechtig en met veel luister geopend; de elite werd een groot banket aangeboden. Het hotel — toegankelijk van pasen tot september — kende een onmiddellijk succes, terwijl het restaurant erg in trek kwam — voornamelijk tijdens de weekends — mede door de uitbouw van de elektrische tramlijn, die toen tot De Panne was doorgetrokken. De economische crisis van de jaren dertig noopte evenwel tot een prijzenreductie. Anno 1934 werd de hoteluitbating gereorganiseerd. Publiciteitscampagnes werden opgezet in België en Frankrijk. Minerva-bussen werden aangeschaft voor het vervoer van hotelgasten tussen Oostende — Nieuwpoort-Bad en Brussel — Nieuwpoort-Bad; zo nodig werden ook Roubaix en Lille aangedaan. Tijdens de zomermaanden liep voor een bedrag van 250,-fr. een driedaagse reis- en verblijfsformule, waarbij de klanten per Sabena-vliegtuig, — via Antwerpen — naar Oostende werden overgevlogen met oponthoud in het 'Grand Hotel des Thermes' — met dezelfde directie als het Nieuwpoortse 'Grand Hotel' — vanwaar ze per bus naar het 'Grand Hotel' werden overgebracht. Het meer excentrieke 'Petit Casino', getypeerd door pagodevormige hoektorentjes, herbergde op de begane grond een patisserie, een bodega, een dancing, een bowling en een cinema; de boven-
Het stijlvolle interieur van het 'Grand Hotel': gezicht op het salon en het restaurant, gelegen aan de dijkzijde (verzameling J. Callenaere)
De 'herrijzenis', de glorietijd en de geleidelijke verkommering van het 'Grand Hotel', respectievelijk tijdens de wederopbouw, de jaren dertig en anno 1987 (verzameling]. Callenaere; verzameling S. Van Aerschot)
.1 l a i rifi
f! ! •
! ! | lui !• Jiit
ü wi l Ela
laf \m mt
mui 59 M&L
''
De nog behouden met slingermotief
inkomhal van het voormalige (foto D . Stemgée)
'Grand Hotel'.
Het opengewerkte
trappenhuis
onder de lichtkoepel
bezit rijk gestileerde gietijzeren
leuningen
verdiepingen waren als 'appartements francais' ingericht. Pas later zou het volledig afgewerkt worden zodat het aanvankelijk — buiten enkele handelszaken aan de Lefebvrestraat en de 'Garage du Petit Casino' aan de Albert-I-laan, weinig rendeerde. Op 4 april 1940 werden het 'Grand Hotel' en de 'Casino' met inboedel en toebehoren, samen met vier percelen bouwgrond, openbaar verkocht. In mei 1940 werd het 'Grand Hotel' tot krijgshospitaal herschapen — een functie die toen aan tal van palacehotels werd opgedrongen. Beide hogervermelde elitaire gebouwen ondergingen in de jaren vijftig een reconversie tot meer sociaal gerichte logiesvormen: het 'Grand Hotel' werd als appartementsgebouw heringericht met horeca- en winkeluitbatingen over de hele begane grond, terwijl het 'Petit Casino' als 'sociaal-hotel' werd afgewerkt, ten dienste van gepensioneerden, gehandicapten en mutualiteiten. Benjamin Crombez' nobele betrachtingen als grondlegger van de badplaats zijn tenslotte postuum en naar de noden van de tijd, omgebogen naar meer sociale en democratische normen. Thans reflecteren grootse openbare en private gebouwen als het 'Grand Hotel' en de 'Villa Crombez' — getuigen van een vervlogen, exclusieve 'vakantie-architectuur' — de verschuiving van een elitair naar een sociaal publiek in hun innerlijke aanpassingen. Bibliografie — — — — — — — — —
Middenpartij van het in 1958 tot 'White Residence' herdoopte 'Grand Hotel', kant Hendrikaplem. De art-décostijl uit zich hier voornamelijk in de wisselende vormgeving van de muuropeningen, het concept van de frontons en de plastische gevelbenadering met talrijke decoratieve details (foto D. Stemgée)
Billiet L., Nieuwpoort-Bad in woord en beeld. De Panne, 1982. Callenaere J., Verzameling oude prentkaarten. Courrier Du Littoral, 1925, IV - 1938, XVII. Declercq P., Nieuwpoort-Bad. Geschiedkundige schets van de badplaats en van de Sint-Bernardusparochie. Nieuwpoort, s.d. Gordts P., Nieuwpoort-Bad 1864-1914. Historische schets van het ontstaan en de ontwikkeling van een badplaats, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, K.U.L., 1984. Gordts P., Nieuwpoort, Te kust en te kuur. Badplaatsen en kuuroorden in België 16de-20ste eeuw, Brussel, 1987. Gordts P., Persoonlijk Archief. Inventaris van het cultuurbezit m België. Architectuur. Deel Sn. Provincie West-Vlaanderen. Arrondissement Veurne, Gent, 1982. Messiaen M., Nieuwpoort in oude prentkaarten, deel 1 en 2, Zaltbommel, 1973 en 1982.
Summary
The Malines 'Town Hall' In 1912 the Malines authorities moved to a building the history of whieh started in the beginning of the 14th century. Between 1311 and 1326 the town built a cloth hall according to the Bruges model: four wings enclosing a yard, a belfry marking the main entrance. When the cloth hall was ravaged by a fire in 1342, it was repaired and extended with a storey , yet the belfry was left untouched. In 1473, when Charles the Bold founded the Great Council, he selected Malines as the capital of the Burgundian Empire. In exchange for the honour the town planned to erect a palace in late-Gothic style, a design by master-builder Rombout II Keldermans. It would replace the northern wing of the cloth hall. An explosion in 1546 of the powder magarzinc thwarted the plans for the palace: the attention of the authorities was diverted to the afflicted areas; besides the Burgudian Court would never return to Malines, and the town bought their former abode, the 'Hof van Savoye', as the house for the Great Council. Hence, the need to complete the palace did no longer exist. In the 17th century the facade of the southern wing that looked on the Market Square was built into the so-called 'Spanish facade', a shaped gable. At about the same time a monumental dormer was added on the belfry. The mid-19th century considered the unfinished aspect of the cloth hall as a disturbing element in the town. Proposals for reconstruction were made and ... discussed. F. Bauwens designed a historiating reconstruction respecting the principles of medieval architecture, so popular at the time. Of his project only one tower was realized, at the southeastern corner of the complex; it was demolished in 1968. Ph. Van Boxmeer proposed to preserve the remains of the cloth hall, including the uncompleted palace of the Great Council. He planned to reconstruct the belfry after the Bruges model. Eventually he was commissioned to complete the wing of the palace after the original concept. When the work was finished in 1912 the town council occupied the building. The expansion of its services necessitated an extension of the accommodation: parts of the other wings of the cloth hall were demolished and/or adapted. In spite of fierce opposition the entire southern wing had to be torn down for the amelioration of the foundations; a new four-storeyed building and a corbie-step gable between old and new were realized as well. In 1977, simultaneously with the rebuildings, the restoration was started of the Keldermans-wing, the belfry and the abutting facades on the Market Square. The oldest parts were much affected by weathering and had to be restored by means of replacement. For the younger elements, the damage was worse than was to be expected at first sight. Especially the sculptures and cornices were deteriorated. They were treated by a combination of 2 techniques: replacement and chemical hardening. The spectator might well detect in the present appearance of the complex the traces of the long history of decay, restoration and demolition. This cannot but confer on the whole a more or less hybrid character.
A Development in the south part of Ghent. A Railway Station Quarter When about the mid-thirties of the 19th century the young Belgian nation decided to constructing a national railway system the authority of cities was for the first time severely infringed. In Ghent the railway station would even be implanted within the town walls, in a fallow area to the south of the town called the "Muinkmeersen". The plan tallied extremely well with the object of the local authorities to open up the southern part of the town. They expected the construction of a station to bring about the transformation of a meadowy area into a new, prestigious town quarter.
M&L 62
The railway station at Ghent was financed by the national authorities. At first the station was no more than a site and a few tracks running through it; some small buildings were set at a close distance. In 1846 work started on the construction of a prestigious station in the standard Neoclassical 'railway architecture', a design by A. Payen, a famous railway architect at the time. In 1860 the head of the station — until then an open site with tracks — was enclosed by buildings. Since its location was in waste land streets connecting the station with the town were an absolute necessity. Plans for the layout of connecting streets came about almost simultaneously with the plans for the station. The national government rendered financial and material help for the realization of the streets. The 'Statiestraat', laid out in 1837, was to make the station accessible. It connects the station with the southern end of the Brabantdam. The 'Keizer Karelstraat' (1850) provides the opening up to the east, to St. Jacobs. The 'Van Artevelde' Square, on which the 'Statiestraat', 'Brabantdam' and 'Keizer Karelstraat' eonverge, was laid out mainly on meadows. A new church, St. Anne's, was erected on the square. The link with the west was provided by the 'Marcellis' Bridge over the River Scheldt. Lieven Bauwens' Square, with streets departing from the 4 corners, acted as a 'lock' to the surrounding urban tissue. Finally, a railway to the new 'Handelsdok' in the northeast of the town, was inaugurated in 1857. Whereas the realization of the connections in the new quarter must be imputed to the town council, the proprietors took the initiative to refining the structure. They enjoyed a subsidy by the town for the layout of new streets on their property if they could adduce "public benefit'. A largeseale process concerned the planning of the large boulevards and the 'Graaf van Vlaanderen' Square in which State, Town and private owners were involved. Furthermore, a whole network of streets came about in the Muinkmeersen in 1842. It displayed a perfectly rectangular grid-pattern. In 1851 the zoo was built in the Muinkmeersen, occupying one third of the land and entailing changes in the street-pattern. The allotment of the land along the new streets occurred as a process of refinement. In general there may be talk of 3 phases. The land is devided by the owner into saleable lots. Then are the lots cut up into smaller lots that can be purchased by small investors. Finally the lots are built upon. In the South of Ghent the allotment manifested itself either in waste land (large courtyards) or — only in a few cases — in the existing urban tissue. As a rule the lots were traced perpendicularly on the streets. Private 'partitioners' either considered the overall image of the street, what is reflected in the regularity of the lots they sell. Or they catered for the needs of larger and small investors by selling lots of different seizes. When allocating the lands of the Capuchin monastery the town council joined the first group: the parcels answer to a module of 7,5 m. The lots in the main streets distinguish themselves from those in subsidiary streets in that they are wider and deeper, at the same time presenting a social stratification. Another distinction shows up between the allocation on waste land and in the existing urban tissue. As a rule the lots in the former are larger, since the urban tissue automatically implies a restriction. As to the ownership three groups of private owners occur in the south: the builders of an own house, small speculators and large speculators. The first group, constituting 60% of the owners, are ascribed 25% of the houses only. Large speculators, 15% of the owners, built 50% of the houses, what might be explained by the fact that most speculators were related by profession to the building industry: they were mason, architect, carpenter... . Building in the South occurred roughly in 2 phases: at about 1840 in the 'Statiestraat', 'Keizer Karelstraat' (the northeastern part); a few years later in the southern part and the Muinkmeersen.
The architecture of the 1840s was mainly Neoclassical, whereas in the 1860s a more decorated and variagated style got through, inclining more to the monumental style of L. Roelandt, town architect. The town council expressed its vision on the outlook of the new quarter in building prescriptions — not regulations included in the building permit. Yet in some cases they translated their endeavour for monumentality in so-called program-architecture: buildings are to be realized as part of a facade that has been designed beforehand. This kind of architecture in Ghent occurred on the 'Graaf van Vlaanderen' Square and (part of) the 'Van Artevelde' Square. Our conclusion today may be that the Ghent authorities gracefully integrated into their urban physical planning the construction of a railway and the implantation of a station intra muros. They have seized the opportunity as an impetus to transforming the meadows of the Muinkmeersen into a new, prestigious town quarter, the impact of which reached far into the surrounding parts of the town.
The Restoration of St. Eligius' Church at Ettelgem (Province of WestFlanders) St. Eligius' Church at Ettelgem, a protected monument since March 25, 1938, saw an end to its many years of neglect and abandonment in 1986 when a collective attempt was made to ameliorate its wretched condition. The very first traces of a house of prayer in the village, probably a wooden, oblong hall church, dated back to the beginning of the 11th century. In the 12th century already the population built a new church, a brick Romanesque construction implanted outside the village nucleus, on a higher sand-ridge. At first there must have been a small chapel that was gradually extended with a nave and aisles; the chapel became the choir. The whole looked like a basilica church. At the end-13th or at the beginning of the 14th century the church was rebuilt. A sturdy tower was added in the 14th century, so too Our Lady's chapel, situated to the north of the choir, and now demolished. The rounded arches between nave and southern aisle were replaced by pointed arches probably in the beginning of the 15th century. The religious quarrels in the 16th century did not spare the church: many works of repair had to occur in the subsequent centuries. The catholic réveil of the 19th century and the advanced decay of the church were factors that generated plans for rebuilding and extension. Those plans would never get through; a new church was built instead, in the centre of the village. In the meantime the old church left without a function, became derelict. Parts of it were demolished, the rest became a ruin. Only the choir and the tower were kept in repair.
constructed on 'Hendrika' Square in 1869. A 'Casino' emerged next to Villa Crombez in 1870. In 1890, 26 years after its foundation, the resort had not yet fully expanded. A 'Société Anonyme de Nieuport-Bain' was founded with the aim of promoting villa's and hotels to be erected at Nieuport-Bain, but neither this initiative yielded the success that was hoped for. In the first World War 'Villa Crombez' became the abode of king Albert I, whereas the 'Grand Hotel des Bains' accommodated the General Staff. Both buildings were torn down later in the war. The reconstruction of the resort came about with difficulty, not in the least retarded by fierce opposition against the checkerboard scheme advocated by the Crombez'. 'Villa Crombez' was rebuilt in the Norman Style, its organization being such as to answer the needs of expanding social tourism. An Art-Deco 'Grand Hotel' emerged in the stead of the 'Grand Hotel des Bains' and enjoyed immediate success. The depression of the thirties dictated the reorganization of the hotel exploitation. The managers proved themselves very inventive in devising publicity stunts: they hired 'Minerva' buses from Brussels and Ostend to 'Nieuport-Bain' and organized three-day trips to the coast for 250 BF, plain, bus and hotel costs included. The hotel was turned into a military hospital at the beginning of the Second World War. In the fifties it was reorganized as an apartment house, with restaurants and shops on the floor level. Another Art-Deco building, the 'Petit Casino', was left uncompleted for quite some time and as such it remained a non-remunerative business. It was ultimately finished as a social hotel for aged and disabled people and for the Health Services. The history of both the 'Grand Hotel' and the 'Petit Casino' illustrates how the aristocratic considerations of B. Crombez, the founder of the seaside resort, have in the end been adapted to more social and democratic standards.
The ill-fated evolution was finally averted in 1986, when several official bodies decided to rally forces in view of saving the ruin of the church, as a rare example in Flanders of a Romanesque, three-aisled church. The church has now been structurally sanitated, the choir and vestry have been repaired as a place that can again be used. In a future phase the partly demolished nave and aisles will be consolidated as a ruin.
'Nieuport Bain'. A Seaside Resort When in the 1850s Nieuwpoort saw some of its revenues declining, she bet on the emerging phenomenon of 'seaside-resorts' as a new source of income. 'Nieuport-Bain' was inaugurated as soon as 1864. B. Crombez, who owned the strip of dunes from Westende to Oostduinkerke, envisaged the future resort as an exclusive holiday resort for an elite public. He imposed rigid building prescriptions and prohibited all kinds of commerce on the dyke. Besides he was the one to lay the basis for the checkerboard pattern — a main feature of the resort today — by cutting up into blocks the land for sale. In 1867 he built a spacious villa to himself on the dyke. The stately 'Grand Hotel des Bains' was
63 M&L
the sky the limit"...
Verhuur - Verkoop - Montage - Demontage
H EUftOSTEIGER Eurosteiger n.v. - Uilenstraat 232 - B-2700St. Niklaas - Tel. (03) 777 70 35
SOCATRA N.V. RESTAURATIEWERKEN
Restauratie Abdij Ter Kamerenbos - Blok D
SOCATRA N.V. • Roodebeeklaan 24 • 1040 BRUSSEL Tel. (02) 735 40 14 • Telex : 22 062 • Klasse 6 Kategorie D
TIEN HOMMAGES AAN BELGISCHE ARCHITECTEN
ustitiepaleis-Brussel
Palais de Justice-Bruxelles i-m ioe Ta b \i ciWf! tr aa \ F
HOMAGE NUMBER TWO - JOSEPH POELAERT JUSTITIEPALEIS, 1866-1883 DEZE POSTER TOONT EEN INGEKLEURDE DOORSNEDE OVER DEI 71 TREDEN HOGE EN MONUMENTALE MINIMENTRAP EN OVER DE RUIMTE VAN DE ENORME 'WANDELGALERIJ' ONDER DE97M HOGE KOEPEL. HET IS DE TWEEDE AFFICHE IN EEN SERIE VAN TIEN, ALS HOMMAGE AAN BEKENDE BELGISCHE ARCHITEKTEN. UITGAVE:PLAIZIER, SPOORMAKERSSTRAAT50, 1000BRUSSEL • DRUK: CARTO, BRUSSEL COPYRIGHT: SINT-LUKASARCHIEF vzw • FORMAAT: 60 x 80 cm, zevenkleurendmk, 250 gr. DOKUMENT: UIT'REVUEDEL'ARCHITECTURE ENBELGIQUE, 1882' • KLEURPOTLOODTEKENING : JOS VANDENBREEDEN • FOTO : PAUL DE PRINS PRIJS : 550 fr. PER AFFICHE • VERZENDINGSKOSTEN: 100 fr. TE BESTELLEN BIJ: KUNSTWINKEL PLAIZIER SINT LUKASARCHIEF vzw SPOORMAKERSSTRAA T 50 PALEIZENSTRAA T 70 1000 BRUSSEL 1210 BRUSSEL
HET PROFESSIONEEL EN AFDOEND MIDDEL TEGEN OPSTIJGEND VOCHT Dit middel, al jaren gebruikt door renovatie- en saneringsbedrijven, is nu binnen het bereik van de doe-het-zelver. De Freezteq® behandeling tegen capillair opstijgend vocht bestaat uit het inbrengen van silikonaatverbindingen onder de vorm van diepgevroren vloeistofpatronen in boorgaten, gemaakt in de voegen van het te behandelen metselwerk. Door het geleidelijk smelten van deze vloeistofpatronen wordt een ononderbroken waterwerende zone gevormd. Een afdoende behandeling die tegelijk eenvoudig is en slechts een minimum aan kosten vergt.
Eenvoudig De patronen zijn gevuld met een Ka-methylsilikonaatoplossing. Ze moeten minimaal een dag voor de behandeling in een diepvriezer gelegd worden. De oplossing is een licht bijtende stof, maar door de diepgevroren toestand is de kans op lichamelijk kontakt gering (geen morsen, bv.). Ook daardoor is de gewoonlijk uitgebreide injektie- of dosageapparatuur hier niet nodig. Bij het verwijderen van de plastic huls, alvorens de patronen in te brengen in het boorgat, moeten veiligheidshandschoenen gedragen worden. De patronen zijn ± 18 cm lang en hebben een diameter van 19-20 mm. Een steenboor ( 0 22 mm) volstaat voor het boren van de gaten. Voor een behandeling met afdoend effekt moet elk boorgat volledig opgevuld worden met patronen. De boorgaten worden in de mortelvoeg op een onderlinge afstand van 100-110 mm geplaatst, waarbij tot op 25 mm van de wanddikte wordt geboord. (Gedetailleerd installatievoorschrift, ook inzake afwerking, herbepleistering en behangen bijgevoegd).
Werking De geleidelijke verdeling van de vloeistof gebeurt door diffusie, waarvan onderzoek uitgewezen heeft dat het de meest probate methode is voor de verspreiding van vloeistoffen in metselwerk. Precies door het capillariteitseffekt volgen de vrijgekomen silikonaten het opstijgend vocht zelf, waardoor verzekerd wordt dat de silikonaatverbindingen daar afgezet worden, waar ze het meeste effekt sorteren.
Toepassingen Het Freezteq® systeem kan als watera/erend scherm tegen capillair opstijgend vocht gebruikt worden bij volle muren, gewone spouwmuren en spouwmuren waarvan de spouw met breuksteen opgevuld is. Bij binnenmuren dient de behandeling aan één van beide zijden van de wand uitgevoerd te worden. Bij paramentvlakken de behandeling uitvoeren aan de buitenzijde van de wand. Bij zware vochtopstijging is het aangewezen binnenbepleistering te verwijderen en kan derhalve de behandeling aan de binnenzijde worden toegepast. Spouwmuren worden langs beide zijden behandeld.
Voor de probate wering van opstijgend vocht in metselwerk Een kwaliteltsproduktvan N.V. - ECC Terbekehofdreef50-52 2610Antwerpen
Tel.: 03 8289495
Professioneel Freezteq* wordt door professionele bedrijven al jaren met sukses toegepast. In Engeland zijn er bijvoorbeeld in 1973 hele woonwijken, gebouwd in 1935, mee gesaneerd. Bij een routine-inspektie negen maanden later bleken de behandelde muren droog en de oorspronkelijk bepleistering nog geschikt voor dekoratieve bekleding. Dit middel staat thans ter beschikking van de doe-het-zelver! Behandeling 4 maal herhalen binnen de 24 uur, of sneller, na de eerste inbreng! Bij langere wachttijd gaat Freezteq® zó efficiënt werken dat de volgende behandelingen door het eerste ingebrachte produkt worden afgestoten.