MONUMENTEN & LAN
B
OVENGRONDS EN ONDERGRONDS MILIEUBEWUST AKTIEF
DENYS
™j*l? ^ • Pijpleidingen, waterleidingen en collectoren • Industriële leidingen en electromechanische uitrustingen • Pompstations en waterzuiveringsinstallaties • Renovatiewerken en speciale technieken • Grondwerken en burgerlijke bouwkunde • Tunnels, buisdoorpersingen en boringen.
DENYS
Industrieweg 124 - 9032 GENT (WONDELGEM) Tel. 091/54 01 11 - Fax 091/26 77 71 - Telex 11515 Denys B
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948
•
11 jaargang Nr. 1 •
januari-februari 1992
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen, Afdeling Pers & Voorlichting. Zandstraal 3.1000 Brussel. Tel.: (02) 209 27 37. Eindredactie: M.M. Celis. Productie en promotie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns. Vormgeving: L. Tack.
Redactiecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden: H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.). A. Bergmans, J. Braeken. M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn. P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. P. Van den Bremt.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73. 8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89.
Druk Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35.
Inhoud Het steengelaag te Stekene Een beschermd landschap Regi De Meirsman Het provinciaal archiefgebouw te Antwerpen Linda Van Langendonk, Bilde Vermolen en Anne Malliet
2(1
De Brugse Begijnhofkerk: een behoedzame restauratie Jean-Pierre Esther
28
Het geboortehuis van René Declercq te Deerlijk als museum gerestaureerd Miek Goossens
40
Vlaamse en Brusselse monumenten in het plannenfonds van het repertorium van het cultureel bezit Thomas Coomans
46
Summary
58
M&L Binnenkrant
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor hel reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Abonnementsvoorwaarden 1992 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fir.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Zandstraal 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1992". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
De Begijnhofkerk te Brugge (foto 0. Pauwels)
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
P F W Z I I T n XT VOCHTWERING & INSTANDHOUDING VAN GEVELS - Chemisch reinigen van de ondergrond - Waterafstotend maken met WTCB-goedgekeurde produkten - Verstevigen van de verzande ondergrond Wij helpen u vrijblijvend aan het gepaste advies.
. ' ' ' - ' " • '
• ALGEMENE BOUWONDE RNENCN^ • VERNIEUWBOUW ' > N • RESTAURATIEWa \LP^ , > . r ' ' 1 • GEVELWERKEN 1 é^ • NATUURSTEENliÖISTCLMNGEN • BETONREPAK.^Tffi SEN SPECIALE TECHNI
1^
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sim-Komboutskathedraal zijn tonnenzware heiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Kenofors-Bêta systeem. Voor jaaaren. Kenofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatiefvoor dure en moeilijke vervangingswerken. Kenofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar
Klmne Breedstiaal 33 9100 St Niklaas
Ook sterk in gevelreiniging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.
Ex machina
Met hun storend jonge leeftijd en afhankelijkheid van immer werkende pompinstallaties horen de Gelaagputten te Stekene tot de zeldzame contradictorische natuurgebieden. Regi De Meirsman onderkent hierbij terecht het artificiële en arbitraire van elk - nochtans onontbeerlijk - beheersplan.
temere
Ook toeristische kaskrakers vragen hun regelmatige onderhoudsbeurt, al zijn een verfbeurt of het herstellen van glas-in-loodramen niet meteen spectaculair. Hoe het de Brugse Begijnhofkerk verging vernemen we - in behoedzame bewoordingen - alvast van Jean-Pierre Esther.
High Tech Als onbrandbaar materiaal bij uitstek drongen ijzer en gietijzer zich halverwege de 19de eeuw haast vanzelfsprekend op bij de conceptie van een Provinciaal Antwerps archiefdepot. Naar aanleiding van de restauratie - na ruim een halve eeuw leegstand, menen Linda Van Langendonck, Hilde Vermolen, Anne Malliet en Aimé Stroobants deze ingenieuze vernuftige constructie - alle verhoudingen in acht genomen - een plaats te mogen gunnen naast het legendarische Crystal Palace.
Poëem
Meer dan eens toonde Miek Goossens vanuit West-Vlaanderen in deze kolommen aan dat monumenten bij restauratie niet beter zijn gediend dan door eenvoud en geduld. Het tot lokaal museum ingerichte geboortehuis van volksdichter René Declercq, te Deerlijk, heeft overigens niets van de alexandrijn.
Groep 21 Waarden maken in de loop van de geschiedenis wel eens onvoorziene bokkesprongen. Neem nu die vele plans van 'nationale monumenten' die tien jaar lang met het vooruitzicht op een niet denkbeeldige heropbouw werden gehamsterd... Bij hun herontdekking en inventarisatie brengt Thomas Coomans een stutus questionis.
4
iir
HET PROVINCIAAL ARCHIEFGEBOUW TE ANTWERPEN
ALGEMENE ONDERNEMINGEN E.G. VERSTRAETE & VANHECKE N.V. DICHTERSSTRAAT 115, 2610 WILRIJK
H'llife
KÏTHR
fjJPm tL ..;y*=^
:"~"1 . I
P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ ESLaan 49 - 9800 DEINZE Tel. : (091)86 07 6 3 - 8 6 61 50 Fax: (091)86 04 15 Restauratie : 'De Vijfsterren' Gent
Smederij
IMPERPLEX De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Perfekte vochtbestrijder. Inlichtingen: Mechelsestraat 121, 3000 Leuven Tel. (016) 23 98 25
De drastische middelen
[RESTAURATIE
MOLENBAAN 18 2160 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • •
Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tafels
Gediplomeerd restaurateur
de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:
n H H
Spectron nv doet aan bouwchirurgle ; het herstellen van beschadigingen aan betonen metselwerkconstructies, De bouwchirurg gaat daarbij te werk als zijn medische broer. Hij neemt zijn lijd voor een correcte diagnose, maakt gebruik van een aangepast instrumentarium, en vindt in de ervaring en de vakkennis van zichzelf en zijn medewerkers de nodige garanties om tot een doeltreffende behandeling te komen. Met de zekerheid van een duurzaam herstel. Een specialisme apart.
.€>
De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
H
Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa[ SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
Injecteren, vochtwering en waterdichtmaken vormen een pijler in Spectron's activiteiten. Diverse operaties worden feilloos uitgevoerd : injecties met cement en speciale harsen in scheuren, grindnesten, dilatatievoegen, enz. Dé definitieve remedie tegen vocht en lekken. Bent u geïnteresseerd in de methodes van de bouwchirurgie ? Verwittig ons telefonisch, schriftelijk of per fax. Wij verstrekken u graag de nodige info.
^ Spectron nv - Liersesteenweg 36 - 2800 Mechelen • Tel: 015/2199 02 • Fax: 015/2185 44
Solar
Kleine Breedstraat 33.9100 St -Niklaas
voor meer informatie belt u.' otf/jógi. 61
Fragment Gemeentehuis Schaarbeek.
NATUURSTEEN VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. 03/325.03.83 TELEFAX 03/325.68.66
êipAMINCK
GASSTRAAT11A 9100LOKEREN TEL. 091/48.12.17 TELEFAX 091/48.96.61
GILLEBERTUSSTRAAT 32 1090 BRUSSEL TEL. 02/772.15.85
M&L
HET STEENGELAAG TE STEKENE. EEN BESCHERMD LANDSCHAP. REGI DE M E I R S M A N
Het boegbeeld van hetSteengelaag: de "excavateur" tussen bijna twintigjarige bomen en struiken (foto 0. Pauwels)
Is er iets veranderd in het Steengelaag de Gelaagputten - na 10 jaar bescherming als landschap? In deze periode is de excavateur of kleibagger - in de Stekense volksmond "schomateui" genoemd - het uithangbord van het Steengelaag geworden. Naast de kleiput zelf is dit het enige overblijfsel van wat eens een gans complex met
industriële toestellen was. Een industrieel-archeoloog kan er alleen nog van watertanden. Toch is de kleiput op zichzelf de moeite waard, maar dan wel als natuurgebied. Om die waarde te behouden wordt het gebied natuurtechnisch beheerd. Het beheer van een zo jong natuurgebied roept natuurlijk vragen op.
M&L
EEN NIEUWE TREURZANG ? Het bestaan van het Steengelaag of de Gelaagputten is een logisch gevolg van de ontwikkeling van onze cultuur en de geologische omstandigheden. Omstreeks het begin van onze tijdrekening was er in het Land van Waas een vorm van klei-ontginning; verschillende vondsten van Romeinse dakpannen wijzen hier op (Thoen, 1975). Ook in Stekene moeten reeds van oudsher stenen gemaakt zijn. Thiron (1983) vermeldt dat er in de 16de eeuw een vijftigtal steen- en tichelbakkerijen in Stekene werkzaam waren. Rond 1880 werd de basis gelegd voor de industriële uitbating van de Gelaagputten, die echt vleugels kreeg toen de exploitatie door de families Morel de Westgaever en de Hemptinne overgenomen werd: zij bezaten de financiële middelen. Zij stelden Jan Van der Steichel aan als manager. Gedurende meer dan een halve eeuw 'runde' de familie Van der Steichel de steenbakkerij van Stekene {Tuilerie de Sainte-Marie genoemd) en maakte er een bloeiend bedrijf van, totdat door gebrek aan financiële middelen het bedrijf stilaan achterop geraakte. In 1960 verlaat de familie dan ook de Stekense steenbakkerij (Thiron, 1983).
De excavateur in het noorden van de jongste kleiput haalt de laatste klei weg. De steenbakkerij in hel westen is nog volop in werking (Aero Survey, 1972) • • De steenbakkerij werd afgebroken, op de plaats wordt een nieuwe woonwijk opgetrokken. Een pioniersvegetatie heeft zich ontwikkeld in de Jongste Kleiput (Eurosense, 1989)
de bestaande uitrusting onrendabel was. Na het bouwen van een nieuwe steenbakkerij overwogen te hebben werd het ganse complex, Gelaagputten incluis, overgemaakt aan de n.v. Matexi. Ondertussen was voor het geheel een rangschikkingsprocedure ingeleid. In 1981 werden de Gelaagputten bij Koninklijk Besluit als landschap beschermd. Voordien waren alle industrieel-archeologische sporen verwijderd op de gronden waar een nieuwe wijk gepland werd. Enkel de excavateur was de dans ontsprongen omdat hij zich in de Gelaagputten bevond. Dit bijna 80-jarige werktuig werd het boegbeeld van het Steengelaag.
EEN WAARDEVOL NATUURGEBIED: EEN PLEISTER OP EEN HOUTEN BEEN ?
Een opsomming in de tijd van alle industriële vernieuwingen zou te ver leiden. Enkel dit: de excavateur, een machine die automatisch klei uit de put haalt, werd in 1913 in bedrijf genomen.
Leden van de natuurvereniging Wielewaal v.z.w. hadden ter voorbereiding van de rangschikking een omstandig onderzoek uitgevoerd van dier- en plantegroepen die in het gebied voorkomen. De inventarisatie van deze natuurelementen toonde aan dat het gebied een heel uitzonderlijke plaats innam in onze nog resterende natuurgebieden. Onder de vaatplanten, mossen, paddestoelen, vogels, amfibieën en vlinders komen soorten voor die zeldzaam tot zeer zeldzaam zijn. De variatie aan milieuomstandigheden speelde bij de (her?)kolonisatie een grote rol. Het geheel van de Gelaagputten bevat immers diverse gradiëntsituaties, zoals:
Rond 1977 werd de steenbakkerij door de p.v.b.a. Hoeke overgenomen. Uit het onderzoek van deze firma bleek dat het voortzetten van het bedrijf met
- taluds variërend in hellingsgraad en beschaduwing, - het voorkomen van insijpelend grondwater, - de gradiënt droog-nat in allerlei schakeringen.
p%.
*-"cf''
WKÊÊM-M"-
** -m v V -
i
A
• ',2slii^' Jk| | / ' ^ j P ^ ^ , TT '
i
>
f'
I. I'
M- -
10
M&L
De beschikbare kennis en ervaring met jonge natuurgebieden is in Vlaanderen nog eerder beperkt aanwezig. Vaak beschikt men enkel over ellenlange inventarisatielijsten over plant- en diersoorten. Voor de evolutie en samenstelling van jonge natuurgebieden is weinig interesse. Het beheer kwam dus vaak neer op koffiedik kijken. Toch moeten de Gelaagputten beheerd worden, maar...
ONDER WELKE VORM? Tijdens de exploitatie werden de putten drooggehouden door een pompinstallatie. Na de stopzetting van het bedrijf zorgden de organisatoren van de Internationale Motorcross der Gelaagputten voor het pompen. Dit betekende voor hun v.z.w. een vrij grote financiële inspanning. Na het stopzetten van de motorcross nam de gemeente deze taak op zich.
Een deel van de verdwenen steenbakkerij. Algemeen gezicht op de voorbewerkingsatelier en de Hofmann-oven (foto J, De Schepper)
de verschillende ouderdom van de bebossing, het voorkomen van pioniersvegetaties zowel op naakte klei als op aangestort natuurlijk materiaal. Het door de mens gecreëerde gebied was op betrekkelijk korte tijd tot een erg interessant natuurgebied geëvolueerd. De bescherming als landschap lag dan ook voor de hand.
10 JAAR BESCHERMING EN BEHEER Op 29 mei 1980 werd de gemeente Stekene eigenaar van de putten. Samen met de bescherming als landschap en de bestemming op het gewestplan SintNiklaas-Lokeren schijnt het voortbestaan van de putten als natuurgebied goed verzekerd te zijn. Toch ondervond het Bestuur enig onbegrip voor de bescherming. Niet iedereen kon er zich mee verzoenen dat een dergelijk gebied als natuurgebied beheerd moest worden. Dit onbegrip vond zijn oorsprong in de jonge leeftijd van het gebied: de Oudste Kleiput is iets meer dan een eeuw oud. Ook natuurbeschermingskringen zijn het al eens oneens over het voortbestaan van jonge natuurgebieden. Bij de evaluatie van een natuurgebied is men immers nogal geneigd de ouderdom (rijping) van een landschap als criterium te nemen. Een gelijkaardige polemiek werd ook in de monumentenzorg gevoerd: tot voor enkele jaren moesten gebouwen meer dan een eeuw oud zijn om het etiket monument te krijgen. Nu vallen ook jongere gebouwen die eer te beurt: ook andere criteria dan ouderdom worden hier gehanteerd.
Het pompen - "pompen of verzuipen" geldt ook hier - is een belangrijk gegeven in het voortbestaan van het natuurgebied in zijn huidige vorm. De bescherming als landschap is er immers gekomen omdat dit gebied over een rijke variatie van planten en dieren beschikte. Een inventarisatiestudie toonde dit uitvoerig aan. Een dergelijke variatie wordt niet teruggevonden in kleiputten die ondergelopen zijn, of ondertussen volgestort zijn met allerhande afval. In het Land van Waas zijn er geen kleiputten aanwezig die een bestemming als natuurgebied gekregen hebben en waar er na de exploitatie nog gepompt wordt om het waterpeil op een kunstmatige hoogte te houden. Enigszins vergelijkbaar zijn de kleiputten in Steendorp (gemeente Temse); ze staan echter in verbinding met de Schelde, zodat het overtollige water gravitair wordt afgevoerd. Water blijft evenwel een voorname milieufactor voor plant en dier. Natuurlijk zijn er vaatplanten die enkel in het water kunnen leven. Hun aantal is echter beperkt, ze worden stilaan zeldzamer - de verontreiniging van onze oppervlaktewateren zit hier wel voor iets tussen. Daarnaast is er echter een grotere hoeveelheid vaatplanten die met hun wortels in de bodem groeien zonder dat ze behoefte hebben om permanent onder water gedompeld te zijn. Een bepaalde hoeveelheid water heeft iedere plant wel nodig. Ellenberg (1974), een Duitse onderzoeker, heeft de vaatplanten in hun natuurlijk milieu bestudeerd. Dit onderzoek leverde een cijfermatig verband op dat onder meer de indicatorwaarde van specifieke planten voor water aangeeft.
M&L
11
Het vochtgetal volgens Ellenberg (1974):
Het Steengelaag
Het Vlaamse District
120 =
i
100
m
ï 60
lV 9
Figuur 1
1 = zeer droge bodems (ook rotsen) 2 = tussen 1 en 3 3 = droge gronden 4 = tussen 3 en 4 3 = frisse gronden, niet te nat niet te droog 6 = tussen 5 en 7 7 = in vochtige gronden die niet uitdrogen 8 = tussen 7 en 9 9 = in natte, dikwijls niet goed van lucht voorziene gronden 10 = waterplanten die een lange tijd niet ondergedompeld zijn kunnen verdrogen 11 = waterplanten waarvan de bladeren meestal in contact zijn met de atmosfeer 12 = volledig ondergedompelde waterplanten.
De mate van de behoefte voor water bepaalt samen met andere milieufactoren de samenstelling van vegetaties. Westhoff en Den Held (1975), Nederlandse onderzoekers, hebben baanbrekend werk verricht voor het opstellen van een vegetatietypologie. In de Gelaagputten is het echter moeilijk zoniet onmogelijk afgelijnde vegetatietypes terug te vinden. De milieufactoren wijzen erop dat dit gebied voor het beboste gedeelte thuishoort in het ElzenVogelkersverbond (het Alno-Padion). Het is echter niet zo verwonderlijk dat de Gelaagputten zich niet willen schikken naar een typologie. Het oudste gedeelte bestaat met moeite honderd jaar, terwijl de typologie in hoofdzaak gebaseerd is op onderzoek van vegetaties waarvan verondersteld wordt dat ze door de mens gedurende honderden jaren op dezelfde manier werden beheerd.
10
11
12
Figuur 2
In de Gelaagputten werden in 1986 205 soorten geïnventariseerd door het B.M.L en de Wielewaal Land van Waas-Noord. In Figuur 1 werd het aantal soorten t.o.v. het vochtgetal van Ellenberg uitgezet. In Figuur 2 werd in hetzelfde verband het aantal plantesoorten uitgezet, die volgens De Langhe et al. (1983) in het Vlaamse District aangetroffen kunnen worden. Op deze manier werden 162 soorten voor het Steengelaag (op een totaal van 684 voor het Vlaamse District) gecatalogeerd, de overige zijn indifferent ten opzichte van het vochtgehalte van de bodem ofwel zijn ze niet opgenomen in de lijst van Ellenberg. Van de gecatalogeerde soorten uit de Gelaagputten (voornamelijk in de categorieën 6 en hoger) worden 19 soorten als indicator beschouwd voor een wisselende waterstand 30 als soorten die indicator zijn omdat ze op plaatsen voorkomen dieregelmatigoverstroomd worden.
Het beheer van een zo jong gebied stelt problemen, omdat men zich niet kan laten leiden door vroegere traditionele beheersactiviteiten. Voorbeelden van dergelijke terreinen zijn legio: waterrijke hooilanden, heiden of hakhoutbosjes. Als de natuurwaarde of de landschapswaarde van dergelijke gebieden als maatstaf genomen wordt, mag men volgens het traditionele beheer: - een heide niet laten dichtgroeien om op langere termijn een bos te bekomen; - een hooiland (of meers) in onze valleigebieden niet beplanten met bomen; - een hakhout- of middelhoutbos zijn gang niet laten gaan (precies nu het oerbos-idee zo goed inslaat!). De Gelaagputten hebben geen enkele andere traditie dan klei-winnen. Deze beheersvorm is inmiddels
12
M&L
Het grootste gedeelte van de Jongste Kleiput is water. Planten van de gradiënt droog/nat komen voor in smalle linten langsheen de landtongen, eilandjes en grillige oevers (foto 0. Pauwels)
om economische redenen opgeheven, fiet beheer kan er dan ook in bestaan het gebied gewoon zijn gang te laten gaan.
WAARHEEN? Een bos zoals in oeroude tijden kan het niet echt worden. We ontberen daarvoor alleen al een aantal (grotere) dieren zoals herten, wolven, vossen... Er zal wel een bos ontstaan dat zich vermoedelijk in de richting van het Elzen-Vogelkersverbond gaat ontwikkelen. Een aantal ontbrekende kensoorten kunnen er zich bijvoorbeeld vestigen doordat ze meegebracht zijn door dieren, zoals vogels. Om te weten waar het naar toe gaat, kan het gebied echter wel gevolgd worden. De Wielewaal Land van Waas - Noord heeft hiervoor in samenwerking met de gemeente de eerste stappen gezet. Het volgt het vogelbestand op. Een tussentijds verslag van deze jaarlijkse studie werd hier opgenomen. Een vegetatiekundige studie staat nog maar in de startblokken.
Bijkomende informatie over andere dier- en plantegroepen wordt nog opgezocht. In 1991 werden de libellen geïnventariseerd (dieren die voor een groot gedeelte van hun leven gebonden zijn aan water, maar dan wel in poelen of vijvers die niet al te diep zijn). Een beperkte mosseninventarisatie werd in 1979 (Leten et al., 1981) uitgevoerd. Over andere groepen zoals korstmossen, zwammen, wantsen, vlinders,... bestaan er slechts sporadische gegevens. Een aantal korstmossen en zwammen zullen vermoedelijk het best floreren bij het huidige beheer: nietsdoen (afgezien van het kunstmatige waterpeil).
DE VORM VASTGELEGD : HET BEHEERSPLAN Overzicht Het beheersplan goedgekeurd door de gemeenteraad van Stekene èn de gemeenschapsminister bevoegd voor monumenten en landschappen voorziet in nietsdoen voor het grootste gedeelte van dit 30 hectaren grote natuurgebied. De enige milieufactoren die door
M&L
13
Het wandelpad "verhard" met verhakseld hout ligt op de foto langsheen de Open Ruimte aan de Uzerhandstraat (foto 0. Pauwels)
De Oudste Kleiput in wintertooi. Tussen de wirwar van bomen en struiken is het wateroppervlak versteven (foto 0. Pauwels)
de mens in dit gebied beïnvloedbaar zijn, werden vastgelegd: het waterpeil en de aanwezigheid van de mens zelf. In principe is niemand toegelaten in de Oudste Kleiput, het Elzenbos en de Jongste Kleiput. Uitzondering wordt gemaakt voor educatieve en wetenschappelijke opdrachten in samenspraak met de gemeente. Regelmatig worden door de plaatselijke verantwoordelijken van het Centrum voor Natuureducatie (C.V.N.) wandelingen doorheen het gebied geleid. Door de gemeente werden bovendien reeds enkele educatieve folders uitgegeven. Daarnaast wordt ook de wandelaar niet vergeten. Rondom het gebied en er gedeeltelijk doorheen wordt een wandelcircuit voorzien. Het wandelpad dat zich voornamelijk bevindt op de normale maaiveldhoogte aan de rand van de putten, is heel eenvoudig uitgerust. Verhakseld hout zorgt voor een duidelijk afgelijnd tracé. Op enkele plaatsen ligt het pad langsheen open waterplassen. Om verstoring van de pleisterende en broedende watervogels tegen te gaan wordt schermgroen aangebracht.
Meer in detail (naar De Meirsman et al., 1986) De Oudste Kleiput bestaat in het zuidwestelijk gedeelte uit een stelsel van grachten en ruggen. Op de ruggen werden populieren aangeplant, daarnaast komen natuurlijk uitgezaaide bomen en struiken voor.
Buiten de ruggen wordt de vegetatie sterk beïnvloed door de wisselende waterstand, die geregeld wordt met behulp van de oude pompinstallatie. Met deze pomp werd tijdens de exploitatie op dezelfde manier het waterpeil beheerst. De pompinstallatie is wel aan vervanging toe. De kruidenvegetatie wordt gekenmerkt door plantesoorten die aangepast zijn aan een dergelijke milieuomstandigheid (Valse cyperzegge, Moeraswalstro, Wolfspoot, Gele waterkers. Penningkruid, Valse voszegge, Gewone valeriaan. Gewone dotterbloem en Gewone wederik). Op de ruggen en de benedenzijde van de taluds worden een aantal kensoorten aangetroffen die wijzen op de Eiken-Beukenklasse (zie Westhoff en Den Held, 1975), met soorten zoals Drienerfmuur, Speenkruid, Mannetjesvaren en Wijfjesvaren in de kruidlaag; Ruwe berk, Zwarte els, Zomereik, Klimop, Wilde kamperfoelie en Rode aalbes in de boom- en struiklaag. De wisselende waterstanden - een hoge waterstand in de winter en een lagere waterstand in de zomer - vormen echter wel het voornaamste element in het voorkomen van de plantesoorten. Gebaseerd op deze gegevens werd in het beheersplan de wisselende waterstand bestendigd. Voor het overige werd gekozen voor het nietsdoen. Tijdens de exploitatie werd - na op deze plaats de klei geëxploiteerd te hebben - de Grote Vijver aangelegd door aan de noordelijke zijde een dam op te
14
M&L
Volgens Weslhoff en Den Held (1975) is vegetatie te definiëren als ruimtelijke massa van plantenindividuen, in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij uit zichzelf hebben aangenomen. Z£ rekenen door de mens aangeplante soorten (zoals bomen van een arboretum, bieten op een bietenveld,...) niet tot de vegetatie. Wel rekenen ze daartoe het geheel van een bos, waarvan de bomen aangeplant kunnen zijn door de mens, omdat de ondergroei (kraidenlaag en struiklaag) onder gelijkaardige condities moeten groeien als in een volkomen natuurlijk bos.
In onze streken worden vegetaties door de mens in hoge mate beïnvloed. Een grasland wordt beheerd als hooiland, maai weide of graasweide, zodat het niet kan evolueren naar bos. Een bos wordt beheerd als een hooghoutbos, middelhoutbos of hakhoutbos.
basisch zijn; bodemprofiel homogeen of gehomogeniseerd. Aan de oppervlakte vindt directe afbraak van het afgevallen loof plaats, zodat er geen veen of aan de oppen-lakte liggende humus kan worden gevormd: Muil-bodems. Periodiek onder water staand of onder invloed van rondwater dat vertikaal beweeglijk is. Vaak antropogeen beïnvloed; in Nederland meestal fragmentarisch ontwikkeld".
Deze beschrijving voor wat betreft de milieufactoren is heel goed toepasbaar op het Steengelaag. Opvallend is echter dat slechts één enkele kensoort (Wijfjesvaren) van dit bostype in het gebied aanwezig is en slechts vijf kensoorten gevonden werden die wijzen op het Querco-Fagetea (Eiken-Beukenklasse), waarvan het Alno-Padion een onderverdeling is. De aanwezige kensoorten van deze klasse zijn: Hazelaar, Drienerfmuur, Gewone es. Speenkruid, Klimop. Slechts een beperkt aantal soorten kon dus het gebied tot nu toe (her?)koloniseren.
Betreffende het Alno-Padion geven ze als structuur en synoecoiogie aan: "Azonale, in het algemeen rivier- of heekbegeleidende gemengde loofbossen met een praevernaal aspect van vmegbloeiende rhizoom- en knolgeofyten. De kmidlaag is meestal rijk aan migtkmiden. Op primaire of op secondair jonge, voedselrijke, minerale gronden, Se zwak zuur tot
De Grote Vijver in het voorjaar van 1986. De canadapopulieren stonden toen nog rechtop. Foto genomen ter hoogte van de Gelaagwijk (foto R. De Meirsman)
werpen waarin een uitlaatconstructie werd aangebracht. Deze vijver deed dan verder dienst als waterspaarbekken in de zomermaanden. Het water werd dan gebruikt in de steenbakkerij. Gedurende de zomer daalde het peil tot ongeveer 50 cm onder het maximale peil (de Hemptinne, mondelinge mededeling). Op het einde van de Jaren '70 bevond zich in het ondiepe gedeelte van de vijver een uitgestrekte verlandingsvegetatie gedomineerd door Kleine lisdodde. Op enkele jaren tijd werd deze vegetatie sterk teruggedrongen. Opdat deze begroeiing zich zou kunnen herstellen, opteerde men voor het nabootsen van het vroegere waterpeilbeheer. De begroeiing vormt immers een wijkplaats voor de watervogels bij verstoring. Daarenboven vormt ze voor bepaalde vogels een interessant broedgebied. Bovendien moest ervoor gezorgd worden dat de taluds verstevigd werden. Op enkele plaatsen drong verontreinigd water binnen in de put. De troebelheid van het water in de Grote Vijver kan hieraan te wijten zijn. Een verminderde doorzichtigheid kan dan weer een negatief effect hebben op de groei van Kleine lisdodde.
Naast regeling van het waterpeil voorziet hetbeheersplan in een strooksgewijze, tienjaarlijkse kapping van de struiklaag die zich langs de oever heeft ontwikkeld. Aan de zuidzijde zal de betere bezonning van de vijver die hiervan het gevolg is, mede een stimulans betekenen voor de ontwikkeling van Kleine lisdodde.
M&L
15
veenmosbegroeiing (Sphagnum fimbriatum, S. palustre, S. squarrosum) (Leten et al, 1981). De hoge vochtigheid van de bodem wordt veroorzaakt door stagnerend voedselarmer regenwater op de kleibodem, dit in tegenstelling met het westelijk gedeelte waar voedselrijker water uit de Grote Vijver wordt aangevoerd. Deze zone staat ook onder de grootste druk. De aanwezigheid van de wegeltjes en een bunker uit Wereldoorlog I die op een getuigeheuvel op het niveau van het vroegere maaiveld staat, trekt een massa kinderen aan. Hun activiteiten hebben het vertrappelen van de waardevolle vegetatie en verstoring van de vogels tot gevolg.
Situering van de verschillende delen van het Steengelaag (J. Van Dooren) 1. Oudste kleiput 2. grote vijver 3. "elzenbos" a. westelijk deel b. oostelijk deel c. open ruimte 4. jongste kleiput 5. delen buiten de putten
De Open Ruimte in het voorjaar van 1986. De grazige vegetatie op de voorgrond; op de achtergrond over een kleine oppervlakte: Riet (foto R. De Meirsman)
Doorheen een aangestorte dijk in het noordwestelijk deel staat het Elzenbos in verbinding met de Oudste Kleiput. Doorheen deze verbinding wordt het overtollige water van de Grote Vijver afgevoerd en wordt het waterpeil in dit gedeelte ook geregeld door de pompinstallatie. De dominerende boomsoorten zijn Zwarte els en Populier. De laatste soort werd door de familie de Hemptinne aangeplant. Op enkele plaatsen nemen natuurlijk uitgezaaide berken en wilgen de bovenhand. In vergelijking met de Oudste Kleiput bevat de kruidenlaag minder kensoorten van de EikenBeukenklasse. Ook hier worden planten aangetroffen die duiden op de gradiëntsituatie droog/nat. Dat het oostelijk gedeelte van het westelijk gedeelte verschilt wordt duidelijk wanneer de kenmerken worden beschreven: - de ontginning is van recentere datum zodat de begroeiing jonger en lager is; - het bodemoppervlak is minder geaccidenteerd, er zijn geen ruggen en laagten; - het gebied ligt iets hoger zodat het normaal niet overstroomd wordt door het water uit het westelijk gedeelte; - het gebied wordt doorkruist door verschillende wegeltjes. De begroeiing van bomen en struiken op klei wordt voornamelijk gekenmerkt door de aanwezigheid van Ruwe berk en Wilg, in mindere mate van Zwarte els. Hieronder wordt een grazige vegetatie aangetroffen, op de vochtigste en venige plekken aangevuld met
In de bovenvermelde delen van het Elzenbos wordt geopteerd voor het nietsdoen. De verschillende uitgangssituaties doen een andere ontwikkeling naar de toekomst veronderstellen, varianten binnen het Alno-Padion? Een zaak die te volgen is. In de Open Ruimte komen geen houtige gewassen voor zoals de typering reeds doet uitwijzen. Ten behoeve van de motorcross (tot in het begin van de jaren '80 was hier de startplaats van de Internationale Motorcross der Gelaagputten) werd een ontwikkeling tot bos steeds verhinderd. Sinds enkele jaren wordt door de gemeente dit gedeelte in het najaar gemaaid. Dit beheersaspect wordt voortgezet als duidelijk contrast met het beboste gedeelte. Er wordt een vrij homogene vegetatie aangetroffen die in het Zilverschoonverbond kan geplaatst worden met onder andere Geknikte vossestaart, Ruige zegge, Valse voszegge, Pitrus, Zeegroene rus. Penningkruid, Gewone wederik. Zilverschoon, Heelblaadjes, Kruipende boterbloem en Witte klaver. Langs de rand van deze ruimte wordt veel Riet aangetroffen. Het wordt alternerend en om de twee
.',. r ',-
&
&
tl—
.»>•
Sttii
m
M&L
Nietsdoen... (foto 0. Pauwels)
Het waterpeil zal in de Jongste Kleiput opgetrokken worden om meer zachthellende oevers le bekomen. De gradiënt droog/nat zal daardoor beter tot zijn recht komen
Voorjaarsvegetatie (Speenkruid) aan de voet van een talud van de Oudste Kleiput (foto R. De Meirsman)
17
jaar gemaaid, om de insekten die in de rietstengels overwinteren de kans te geven een volledige ontwikkeling door te maken. De excavateur werd achtergelaten in de Jongste Kleiput, een aanwijzing dat daar het meest recent klei ontgonnen werd. Op een paar jaar tijd heeft zich ook hier een pioniersbos ontwikkeld. Ruwweg geschat beslaat het wateroppervlak nog een 60 % van de totale oppervlakte van deze put. Via één afwateringspunt staat de put in contact met de rest van het Steengelaag. In deze kleiput wordt ook een grote variatie van plantesoorten aangetroffen. In het water komen kranswieren en verschillende vaatplanten voor die gebonden zijn aan een leven onder water: Gekroesd fonteinkruid en andere fonteinkruidsoorten, waterranonkels en sterrekroossoorten. Op verschillende ondiepe plaatsen groeien plantesoorten uit de verlandingszone, zoals Grote en Kleine lisdodde, verschillende zeggesoorten en russen. De kenmerkende vegetaties van de gradiënt nat/droog komen veelvuldig voor, doch ze zijn meestal beperkt in ruimte tot heel smalle linten langsheen de grillige oevers. Om deze vegetaties nog iets meer te accentueren zal het waterpeil in deze put iets verhoogd worden. Met deze uitgangspositie zal ook hier gekozen worden voor het nietsdoen. Een probleem vormde het noordelijk talud van deze put. Reeds enkele jaren stond deze op het punt in te storten. Tijdens een zware regenbui boorde het kolkend water van de beek die er langs liep doorheen de wand en stortte zich in het Gelaag. Herstellingswerken werden toen in ijltempo uitgevoerd.
Een beperkte oppervlakte van het gebied bevindt zich nog op de hoogte van het normale maaiveld. De ondergrond is ofwel natuurlijk ofwel met allerlei materiaal aangevuld (voornamelijk ter hoogte van de Oudste Kleiput). Op dit niveau bevindt zich het grootste gedeelte van het wandelpad. De onderbegroeiing van de populieren bestaat voornamelijk uit hoogopgaande kruiden met dominantie van Grote brandnetel. De randen van de paden bieden een grotere variatie omdat de verstikkende invloed van de netels door betreding of door maaien wordt vermeden. De optie werd genomen om het populierenbestand in fasen te kappen en nadien een meer aangepast beheer uit te werken.
De uitvoering Mits enkele verschuivingen in de vooropgestelde uitvoeringstijden wordt het beheersplan uitgevoerd. Op enkele plaatsen werd de wand van de kleiputten verstevigd om verzakkingen tegen te gaan. Het vellen van kaprijpe en gevaar opleverende populieren in de eerste faze en in een gedeelte van de tweede faze werd ondertussen uitgevoerd. Heraanplanting van voornamelijk struiken en enkele bomen ter vervanging is gebeurd.
VOGELINVENTARISATIE 1987-1989 Jan Van Dooren
Beschouwingen Algemeen beschouwd zijn er in het Steengelaag grote aantallen broedgevallen van Winterkoning, Koolmees, Merel, Zwartkop, Wilde eend, Tjiftjaf. Roodborst.
Waargenomen soorten
Kleinere aantallen (3 tot 10 broedgevallen)
Bergeend
Kauw
Staartmees*
Blauwe reiger
Kievit*
Tafeleend
werden geïnventariseerd van: Pimpelmees,
Tjiftjaf*
Grote bonte specht. Ekster, Spreeuw, Meerkoet, Waterhoen,
Bontbekplevier
Kleine bonte specht*
Boomklever
Kleine karekiet
Toppereend
Boomkruiper, Zanglijster. Heggemus. Houtduif, Fuut, Vlaamse
Boomkruiper*
Kleine plevier
Tortelduif*
gaai. Grote lijster, Fitis, Slobeend, Vink. Tuinfluiter, Holenduif,
Bosrieizanger*
Koekoek*
Tuinfluiter*
Eén of twee broedgevallen keerden jaarlijks terug van:
Ekster*
Kokmeeuw
Turkse tortel*
Groene Specht, Wielewaal, Nachtegaal, Ijsvogel. Hun biotoop
Fazant
Koolmees*
Tureluur
was vrij duidelijk afgebakend, en beperkte zich tot de Oudste
Fitis*
Kuifeend*
Vink*
kleiput waar omgevallen populieren, waterplassen, brandnetels
Fluiter*
Matkop*
Vlaamse gaai*
en bramen op de hellingen, en opslag van onder andere elzen de
Fuut*
Meerkoet*
Waterhoen*
biotoop bepalen. De Oudste Kleiput wordt het minst betreden.
Goudhaantje
Merel*
Wielewaal*
Vermeldenswaardig is een broedgeval van Kleine bonte specht
Grasmus
Nachtegaal*
Wilde eend*
in 1988.
Groene specht*
Oeverloper
Winterkoning*
Het oostelijk gedeelte van het Elzenbos is de biotoop bij uitstek
Groenling*
Pimpelmees*
Wintertaling
voor de kleine zangvogels, waaronder de verschillende mezen,
Grote bonte specht*
Regenwulp
Witgatje
Roodborst, Winterkoning, Heggemus, Fitis, Tjiftjaf,
Grote lijster*
Rietzanger
Witte kwik
Goudhaantje, Fluiter, Tuinfluiter, Zwartkop. Door de dichte
Heggemus*
Ringmus*
Wulp
begroeiing kunnen deze vogels zich vlug verbergen bij onraad.
Holenduif*
Roodborst*
Zanglijster*
Het is daarom van belang om in dit deel geen wandelwegen aan
Houtduif*
Sijs
Zilvermeeuw
te leggen, teneinde de rust te behouden. Het nog iets jongere bos
Huismus*
Slobeend*
Zwarte kraai
van de Jongste Kleiput sluit hierop aan en vraagt dezelfde
Huiszwaluw
Sperwer
Zwartkop*
beschermingsmaatregelen.
Ijsvogel*
Spreeuw*
De laatste grote biotoop vormt de Grote Vijver, waar 's winters honderden eenden zitten, en die een broedgebied is voor Wilde
In totaal werden 68 vogelsoorten waargenomen waarvan 42 als
eend, Slobeend, Kuifeend, Fuut, Meerkoet en Waterhoen.
broedvogel (aangeduid met *).
Opvallend was dat het aantal pleisterende en fouragerende
De toegepaste inventarisatie gebeurde overeenkomstig Hustings
blauwe reigers elk jaar steeg: in 1989 was de Grote Vijver een
et al. (1985).
pleisterplaats voor een tiental exemplaren.
Tussen maart en juni werden de gegevens genoteerd op kaarten, telkens bij zonsopgang, omdat op dit tijdstip de vogels het meest
Er is een duidelijke relatie vast te stellen tussen de aanwezige
zingen.
vogelsoorten en de ingrepen in het gebied :
Door de beperkte periode waarin werd geïnventariseerd
• In de winter van 1987 werden een 500-tal canadapopulieren
(enkel het voorjaar), is deze lijst van vogelsoorten enkel
geveld. Door de ingrepen ontstonden enkele kale vlaktes,
representatief wat betreft de broedgevallen, en niet wat betreft
wat voor bepaalde vogels een vermindering van het aantal
de vogels die in het gebied verblijven of fourageren buiten het
broedgevallen betekende: Houtduif, Fitis, Zanglijster, Heggemus. De zangposten van de meeste kleine zangvogels
voorjaar.
verschoven naar het aanpalende deel van het Elzenbos. • In maart 1988 werd het waterpeil in de Grote Vijver drastisch
Overzicht van de broedvogels
verlaagd waardoor grote slikplaten ontstonden. Dit had een Niet alle broedvogels broedden elk jaar opnieuw; volgende vogels broedden één of twee seizoenen: Boorakruiperl988 Kievit 1988 Bosrietzanger 1987 Huiter 1987 Groenling 1988
Kleine bonte specht 1988 Kuifeend 1987 Staartmees 1987
positieve invloed op waadvogels, die een nieuw fourageergebied ontdekten: Oeverloper, Wulp. Witgatje. Kleine plevier. Kievit, Bontbekplevier, Rietzanger, Tureluur, De inventarisatiegegevens van 1990 en 1991 worden momenteel nog verwerkt.
M&L
19
Watervogels vinden een geschikt biotoop op de Grote Vijver. Eilandjes met Kleine lisdodde zorgen voor bescherming bij onraad (foto R. De Meirsman)
Een degelijke afsluiting met aangepaste beplanting langsheen de nieuwe woonwijk, De Gelaagwijk, is voor de helft van haar lengte opgericht. Het laatste gedeelte van de afsluiting dat mede bestaat uit het graven van een brede gracht, werd nog niet uitgevoerd en verkeert nog in de planningsfase. In samenwerking met de Provinciale Technische Dienst worden de modaliteiten van de uitvoering vastgelegd. Aan de ingangen werden constructies gemonteerd die fietsers en bromfietsers uit het gebied moeten weren. Het wandelpad is voor het grootste gedeelte aangelegd. Er is voorzien in enkele eenvoudige houten rustbanken mèt afvalbak. Concluderend kunnen we stellen dat de gemeente werk maakt van een gericht natuurbeheer van de Gelaagputten nu de polemiek omtrent de bestemming van het gebied enigszins geluwd is. Er is echter nog heel wat inventarisatie- en studiewerk te verrichten om de invloed van het beheer op planten en dieren te kunnen nagaan. Deze taak kan een gemeente als Stekene niet alléén op zich nemen zodat gezocht wordt naar een nieuwe beheersvorm onder controle van het gemeentebestuur.
Bibliografie - De Langhe J.E. et al. (1983), Flora van België, hel GrootHertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pleridofyten en Spermalofylen). Patrimonium van de Nationale Plantentuin van België. Meise. 970 pp. - De Meirsman R., Van Doeren J. & Pilaet E.F. (1986), Beheersplan voor het Steengelaag Ie Slekene (aanpassing januari 1987), Niet-gepubliceerd, archief B.M.L. - El lenberg H. (i 979). Zeigerwerle der Gefdsspflanzen Miiieleuropas. in Scripta Geohoianica. 9. Verlag Erich Goltze KG, Göttingen, 122 pp. - Leten M., Saman F. & Van Rompu W. (1981), Ekshtrsie naar "De Slroopers" (Sint-Gillis-Waas) en de "Gelaagputten" (Stekene) (9.12.1979), in Muscillania. 1, p. 39-43. - Hustings M.F.H.. Kwak R.G.M., Opdam P.F.M., Reijn M.J.S.M. (1985), Natuurbeheer in Nederland, deel 3. PUDOC. Wageningen. 495 pp. - Thiron J. (1983), Bijdrage tot de geschiedenis van hel Steengelaag te Slekene. D'Euzie 2, p. 64-71. - Thoen H. (1915), Het Land van Waas in de Romeinse tijd. Annalen Federatie van Kringen voor Oudheidkundige Geschiedenis van België, XVlIle Congres, Sint-Niklaas-Waas, 1974. - Westhoff V. & Den Held A.J. (1975). Plantengemeenschappen in Nederland. B.V. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 324 pp. - De Wielewaal v.z.w. (z.d.), Klasseringsaanvraag voor het Steengelaag Ie Stekene, 15 pp.
20
M&L
PROVINCIAAL ARCHIEFGEBOUW TE ANTWERPEN LINDA VAN LANGENDONK, HILDE VERMOLEN EN ANNE MALLIET
Het archiefgebouw, vóór de gevelrestauratie (foto 0. Pauwels)
Met het oog op het jaar 1993, waarin Antwerpen tot culturele hoofdstad van Europa zal worden uitgeroepen, worden in de Scheldestad talrijke restauraties van openbare gebouwen uitgevoerd: het koor en de kruisbeuk van de kathedraal, het centraal station, de Bourlaschouwburg en het bisschoppelijk paleis met het voormalig provinciaal archiefgebouw.
HET PROVINCIAAL GOUVERNEMENTSCOMPLEX Het voormalig bisschoppelijk paleis werd in 17781781 in Lodewijk XVI-stijl opgericht op de hoek van de Schoenmarkt en de Geefsstraat. Het gebouw vervulde slechts 13 jaar zijn oorspronkelijke functie. Achtereenvolgens werd het ingericht als residentie van het Centraal Bestuur (1795-1798), als prefectuur (1800-1814) en als gouvemementshotel (1815-1983). Spoedig bleek de beschikbare ruimte te beperkt voor de huisvesting van de provinciale administratie. Door uitbreiding werd systematisch de volledige
M&L
• De Dobbeler, grondplan en gedeeltelijke opstand van het provinciaal gouvernementscomplex in 1825. Dein het zwart aangeduide pnvé-woning van de heer Van Voorst werd in 1851 afgebroken voor de oprichting van het nieuw archiefdepot (Antwerpen.Provinciaal Archief, 15: Gouvernementshotel, 16 april 1825)
21
T5 Jx-Trii—I--;
E
n ,uJ
i—i
felOlllIlCl.lE
-—-ju.-ijj'
1
•
.
. .
• • T. Lebens, ontwerp voor aanpassmgswerken aan het provinciaal gouvernementscomplex met grondplan en opstand van het archiefdepot in 1852 (Antwerpen, Provinciaal Archief, 44: Gouvernementshotel,24februari1852)
Geefsstraat ingepalmd (1). In 1851-1852 bouwde men op de plaats van de gesloopte privé-woning van de heer Van Voorst een nieuw provinciaal archiefdepot met een ijzeren binnenskelet, gietijzeren vloerroosters, gietijzeren archiefplanken en een gietijzeren trap. De vormgeving bleef traditioneel; de materiaalkeuze was revolutionair.
GIETIJZER IN DE 19DE EEUW Vanaf 1783-1784 werd in Engeland de produktie van gietijzer door nieuwe technieken aanzienlijk vergemakkelijkt en verbeterd. Aanvankelijk werd dit materiaal in de architectuur hoofdzakelijk gebruikt voor de uitvoering van bruggen, serres en aparte onderdelen zoals kolommen, liggers, consoles, korbelen en spanten. Het Crystal Palace, in 1851 opgericht voor de wereldtentoonstelling in Londen, werd een belangrijk prototype van gietijzerconstructies in Engeland en op het Europese vasteland.
De zolderruimte van het archiefgebouw, wachtend op restauratie (foto 0 . Pauwels)
Antwerpse voorbeelden van gebouwen met gietijzeren onderdelen zijn de in 1858 afgebrande handelsbeurs van 1853 met ijzeren koepel door ingenieur Ch. Marcelis en het nieuwe ontwerp door architect J. Schadde met neogotisch getinte overkapping van hetzelfde materiaal. Voorts het stapelhuis Sint-Felix (1863) en het boekenmagazijn van de stadsbibliotheek (1880). Het Antwerpse provinciaal archiefdepot dateert uit 1851-1852. Ongeveer een halve eeuw later werden in Nederland een aantal gelijkaardige archiefconstructies met een inwendig ijzerskelet en ijzeren vloerroosters gebouwd: de (gesloopte) uitbreiding van het bibliotheekdepot van de Rijksuniversiteit te Groningen (1898), het depot van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage (1900) en de maga-
zijnen van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden (1910) (2). Het boekenmagazijn van de Parijse Bibliothèque Nationale, gebouwd door Henri Labrouste gedurende het derde kwart van de 19de eeuw (3), vertoont een ruime gietijzeren structuur met een erin opgenomen boekenrekkensysteem en beglaasde vloeren die het bovenlicht tot op de begane grond laten doordringen. Deze innovatie, op grote schaal en in de gemelde combinatie uitgevoerd, wordt doorgaans als uitzonderlijk en 'modem' functioneel beschreven. Een recente publikatie (4) ziet er de eerste toepassing in van inwendige gietijzerbouw voor boekenmagazijnen.
22
—
M&L
' ' M , ' •'••
ir1
';^&'-*sr
(fe4
Het provinciaal gouvernementscomplex in de Geefsstraat met van links naar rechts het voormalig bisschoppelijk paleis (1778-1781), het archiefdepot (1851-1852) en het administratief bureelgebouw (1824-1825) (verzameling M.J, Van Oostenrijck. circa 1928)
EEN VERRASSENDE IJZERCONSTRUCTIE Het archiefdepot van de Provincie Antwerpen is aan de buitenzijde een onopvallende constructie van vijf bouwlagen met neoclassicistisch uitzicht. Brandveiligheid was de meest dominerende factor bij de inplanting van het gebouw en de keuze van de materialen. Naast en achter het archief liet men een brandgang vrij; het gebruik van hout werd volledig vermeden. Met uitzondering van de eerste bouwlaag, werd het interieur volledig in ijzer uitgevoerd. Het gelijkvloers werd uitsluitend gebruikt als stookruimte. Centraal bevindt zich een stookketel. De spil van de bovengelegen gietijzeren trap fungeerde als verwarmingselement en schoorsteen. Zware bakstenen kolommen en gewelven dragen de stenen vloer van de eerste verdieping. Een luik vormt de enige verbinding tussen de eerste en de tweede bouwlaag. De vier verdiepingen werden geconcipieerd en steeds gebruikt als archiefruimte. Via passerelles was dit depot toegankelijk vanuit het gouvemementshotel aan de achterzijde en vanuit het bureel van de archivaris aan de linkerzijde. Binnen het gebouw bereikt men vanaf de eerste etage de verschillende niveaus via de centrale spiltrap met gietijzeren spijlen en geperforeerde gietijzeren treden. Het inwendige ijzerskelet draagt de vloeren, de archiefplanken en het dak. Consequent werden alle delen in ijzer uitgevoerd: de rasters van I-profielen, de vertikale ronde staven, de vloerroosters.
de archiefrekken en de spanten met spantbenen, trekkers en schoren. Als leilatten gebruikte men platte bandijzers. De volledige ijzerconstructie vormt één geheel. Door geleiding werd de warmte in de centrale spiltrap tot in de archiefrekken gebracht. Op de eerste verdieping voerden vier luchtroosters, die in verbinding stonden met de stookketel, warme lucht aan. Deze procédés bevorderden de droge bewaring van de documenten. Het gebruik van 'gevaarlijk' gaslicht werd zo veel mogelijk vermeden. De opengewerkte structuur met geperforeerde vloerroosters en archiefplanken bood de mogelijkheid hoofdzakelijk met daglicht te werken. Buiten de kantooruren werd door het afsluiten van de ijzeren ramen met ijzeren binnenluiken overdreven belichting van de archiefstukken vermeden. Door het volledige vrijstaan van het gebouw, de brandvrije materialen en de onbereikbaarheid van de eigenlijke archiefruimte vanop de straat, was het depot optimaal beveiligd tegen brandoverslag en inbraak.
BOUW EN FABRIKATIEPROBLEMEN Het provinciaal archiefgebouw werd in 1850 ontworpen door provinciaal ingenieur T. Lebens. Uit deze periode is met betrekking tot de oprichting van het depot enkel correspondentie bewaard;
M&L
Dwarsdoorsnede, gelijkvloers en eerste verdieping van het archiefgebouw (tekeningen H. Vermolen)
23
de zeven plannen en het bestek zijn uit het dossier verdwenen (5). Een plan van T. Lebens voor de aanpassing van het gebouw aan de linkerzijde van het archief toont de straatgevel van het depot en het grondplan van het gelijkvloers in 1852 (6). De openbare aanbesteding vond plaats op 13 juni 1851. Hoewel men aan deze opdracht zeer veel ruchtbaarheid had gegeven - in totaal waren 300 bestekken gedrukt - boden slechts vier aannemers zich aan voor de uitvoering van de werken: Smeur-Durieux (32.900,-fr.), Van de Leemput (34.000,-fr.), Lefebvre (35.900.-fr.) en de gebroeders Hertogs (36.900,-fr.). De oprichting werd toegekend aan de laagste inschrijver: Th. Smeur-Durieux uit Antwerpen. Het lastenboek legde als voltooiingsdatum 1 november 1851 op. Op verzoek van de aannemer werd deze termijn tweemaal verlengd. De voornaamste reden van de vertragingen waren de vele moeilijkheden die men ondervond bij het fabriceren van de platen en traptreden in gietijzer. De stukken werden gegoten in het atelier van Galler te Luik. Tijdens een bezoek ter plaatse kon provinciaal ingenieur Zuber zich persoonlijk vergewissen van de problemen: "M' l'Ingénieur Zuber a pu se convaincre, en visitant les ateliers du Sr Galler, quil aeua surmonter les plus grandes difficultés pour ohtenir, sans défauts, lesfeuilles du parquet; Ces pieces ont une surface considerable et ne présentent que 0,006 d'épaisseur; Ie retrait queues premient, par suite d'un trap fort refroidissement, lesfaisaientfendre, et ce n'est qu'après plusieurs essais infructueux, que Ie Sleur Galler en a pu neutraliser les effets". De vorm van de traptreden was zeer gecompliceerd: "...d'un cöté elles sajustent avec lefeuille du parquet de l'étage et de f autre avec la marche suivante de t'escalier". Pas nadat op 20 juli 1852 de volledige trap gemonteerd en geassembleerd was, kon het model van de bovenste trede worden afgewerkt (7).
doorsnede ab
r D
m X
A J.
JARENLANGE LEEGSTAND Het provinciaal archiefgebouw behield steeds zijn oorspronkelijke bestemming. In december 1944 werd de omgeving van de Antwerpse Schoenmarkt, Geefsstraat en Lombardenvest zwaar getroffen door een V~-bom. Verscheidene huizen in de buurt waren totaal vernield of moesten wegens bouwvalligheid worden gesloopt (8). Een deel van het provinciaal gouvemementshotel en het archiefdepot ontsnapten aan verwoesting en afbraak.
D
1ste VEHOIEFING
24
M&L
DE RESTAURATIE De restauratie van het archiefgebouw gebeurt naar ontwerp van de architecten H. Vermolen, J. Roosemont, F. Ponette en M. Gluts in opdracht van de Regie der Gebouwen. De werken worden tegelijkertijd met de restauratie van het bisschoppelijk paleis uitgevoerd door aannemer Verstraete & Van Hecke. De eerste fase van de restauratie van het archiefgebouw betreft de buitenrestauratie aan gevel en dak. Deze functioneel gebouwde 'archiefkast' met architecturale dimensies, voegde zich mooi in het 19de-eeuwse straatbeeld doordat ze aan alle zichtbare geveldelen is afgewerkt als een 'pronkmeubel'. Hoewel het gebouw door de brandgang eigenlijk vrijstond, waren toch alleen de voorgevel, de zijtopgevels en de kroonlijst aan de achterzijde goed zichtbaar. Deze delen zijn rijk afgewerkt met plinten, rustica-hoekblokken, waterlijsten, raamomlijstingen en kroonlijstconsoles, alle in blauwe hardsteen.
Binnengezicht in het archiefgebouw. Let op de I-profielen met tussenliggende looproosters (foto 0. Pauwels)
Het archiefgebouw werd ontruimd en definitief verlaten. De documenten vonden een voorlopig onderdak in het provinciaal gouvemementshotel. In 1980 verhuisden de archieven naar het nieuwe provinciehuis aan de Koningin Elisabethlei. Het archiefdepot werd op 17 juli 1981 als monument beschermd. In 1983 kwamen het voormalig provinciaal gouvemementscomplex en het archiefgebouw door ruil in handen van de Staat. De Regie der Gebouwen startte in november 1989 onder leiding van ingenieur G. Denissen de restauratie van het voormalig bisschoppelijk paleis en het archief. In november 1990 werd het voormalig provinciaal gouvemementshotel opnieuw aangekocht door de Provincie Antwerpen. Een gedeelte wordt opnieuw ingericht als bisschoppelijk paleis; de provincieraadzaal zal worden gebruikt als accommodatie voor Antwerpen congresstad. Het provinciaal archiefgebouw bleef eigendom van de Belgische Staat.
De straatgevel was bepleisterd en zowel de pleister als de arduin waren geschilderd. Het wetenschappelijk onderzoek naar de afwerking van het gebouw leverde onvoldoende betrouwbare gegevens voor een reconstructie van het oorspronkelijk voorkomen. Er werd geopteerd voor een nieuwe interpretatie met ongeschilderde arduinen elementen en een gele kleur op de nieuwe pleister. De herstelling van het dak begon met het verwijderen van de gepleisterde valse zoldering onder het dak. Deze was later aangebracht omdat de oorspronkelijke constructie niet stof- en tochtdicht was; de leien waren immers zonder schalieberd of onderdak met haken aan de metalen leilatten bevestigd. Door de afbraak van de zoldering kwam het dakgebinte terug in zicht. De ijzeren dakspanten bleken één geheel te vormen met de draagstructuur van de archiefrekken. De staanders van de rekken zijn met gietijzeren knooppunten verbonden met de dakspantjes, die daardoor buitengewoon slank gefabriceerd konden worden. In de middenzone dienden vier nieuwe spantjes tussengeplaatst om te voldoen aan de huidige stabiliteitsnormen. Voor het overige kon de gehele structuur behouden blijven en hersteld worden. Proefondervindelijk werd vastgesteld dat het ijzer van alle gewalste platijzers en rondstaven lasbaar is zodat alle breuken konden worden hersteld. Het probleem van stof- en tochtdichtheid werd opgelost door het gebruik van hedendaagse geïsoleerde stalen dakplaten als dakbedekking, in de plaats van leien. Het vasthaken van leien op de leilatten zou immers door toevoeging van een onderdak onuitvoerbaar worden. Door deze optie bleef de
M&L
Het archiefgebouw, na restauratie van de voorgevel en het dak (foto 0. Pauwels)
25
oorspronkelijke structuur - op de leien na - bewaard en werd de exclusieve toepassing van brandvrije materialen gerespecteerd. De toepassing van een hedendaags materiaal zoals dergelijke sandwichplaat zou in veel monumenten ongepast zijn, doch bleek in deze ingenieursconstructie een logische oplossing. Aan dit gebouw zijn ook de bakgoten uitgevoerd in gietijzer. De slechte staat van het ijzer maakte evenwel dat deze alleen nog met een zinken bekleding functioneel konden blijven. De aangename verrassing bij de restauratie was de perfecte staat van de ijzeren profieltjes waaruit de ramen zijn samengesteld. Alleen de vaste raamkaders waren te zeer geroest en moesten worden vervangen. De raamvleugels, samengesteld uit kleinijzers met een verfijnd afgeronde buitenzijde, konden behouden blijven. Klein herstel, zandstralen, verzinken en herschilderen van zowel de ramen als de binnenluiken en het beslag volstond. De binnenrestauratie maakt een volgende fase van werken uit en is nog niet in uitvoering. Deze restauratie stelt op zich geen belangrijke problemen, daar de gehele binnenstructuur van I-profielen met tussenliggende looproosters en de archiefrekken in behoorlijke staat verkeert. Het schilderen van alle ijzerwerk na een goede reiniging en anti-roestbehandeling is het voornaamste werk. Alleen de spil van de draaitrap is op enkele plaatsen beschadigd. Deze vormt zoals reeds vermeld ook de kachelpijp en de enkele breuken zijn mogelijk veroorzaakt door overmatige verhitting, ofwel door de schok van de bominslag of door zetting van de constructie. De trapspil vormt één deel met de geperforeerde trapdelen en is gefabriceerd in gietijzer, een zeer broos materiaal. Het vervangen van zo één element maakt de demontage van alle trapelementen erboven noodzakelijk. Daar de meeste breuken zich in het hoogste deel van de trap bevinden wordt deze optie uitvoerbaar geacht. De geplande binnenrestauratie behelst alleen de restauratie van de bestaande structuur, zonder ingrepen voor een nieuwe functie. Een geschikte bestemming, of nog beter een geschikte gebruiker van de voorhanden archiefruimte heeft zich nog niet aangediend. Het wijzigen van de bestemming ligt lang niet voor de hand. Het gebouw is immers alleen via een ladder bereikbaar vanop de begane grond en is door zijn 'ijzeren' aard niet geschikt voor een publieke bestemming. Nochtans is de verleiding, zowel bij de bouwheer als bij de ontwerpers, zeer groot om dit fraaie staaltje ingenieurskunst aan het publiek te tonen. Moge deze bijdrage aan dit verlangen voldoende tegemoetkomen.
Voetnoten (1) Van Langendonck L, Het voormalig bisschoppelijk paleis te Antwerpen, onuitgegeven bouwhistorische studie, Mecheien, 1986. (2) O.l.v. Oosterhoff J., Bouwtechniek in Nederland, Constructies van ijzer en beton. Gebouwen 1800-1940. Overzicht en typologie, 1, Delft, 1988. (3) De aangehaalde data zijn ietwat uiteenlopend; zo melden: Joedicke J. "1858-1868", in Geschichte der moderne Architectur, Teufen, 1958, p. 20; Hilcock H.-R. "1862-1868" in Architecture: Nineteenth & Twentieth Centuries, Harmondswordth-Baltimore, 2de uitgave, 1963, p. 128; Pevsner N. "1865-1868", in A History of Building Types, London, 1976, p. 108-109; Dewitt D.J.-Dewitt E.R. "1853-1869", in Modern Architecture in Europe, London, 1987, F 7 (gegevens aangereikt door S. Van Aerschot). (4) Dewitt D.J.-Dewitt E.R., op. cit., F 7 (gegevens aangereikt door S. Van Aerschot). (5) Antwerpen, Rijksarchief, Archief van hel Provinciaal bestuur van Antwerpen, K 301: Archieven. Provinciaal archiefgebouw, (28 juni 1851-24 april 1852); Antwerpen, Rijksarchief, Arc/ü'e/ van het Provinciaal bestuur van Antwerpen, L 165: Openbare werken. Verslag van hoofdingenieur J. Kümmer, (25 mei 1851). Antwerpen, Stadsarchief, Modern archief, 20.064: Bouwaanvraag, (28 juni 1851). (6) Antwerpen, Provinciaal Archief, 44: Gouvernementshotel, (24 februari 1852); Antwerpen, Stadsarchief, Modern archief, 20.064: Bouwaanvraag, (goedgekeurd op 24 april 1852). (7) Antwerpen, Rijksarchief, Archief van hel Provinciaal bestuur van Antwerpen, K 301: Archieven. Provinciaal archiefgebouw. Brief van hoofdingenieur Guioth aan de gouverneur, (12 augustus 1852). (8) Cels J., V-bommen op Antwerpen, Antwerpen-Weesp, 1984, p. 54 en 76.
M&L
VAN IJZER TOT ARCHITECTUUR Aimé Stroobants
Uzer is een sedert het 4de millennium vóór Christus bekend
Matthew Boulton. Tot in 1813 slaagden de Engelsen er
materiaal. Als "hemelmetaal" of meteoorijzer werd het in
bovendien in. de toepassing van stoomkracht als een bijna-
bepaalde culturen soms hoger geschat dan goud. Vanaf het
monopolie in hun eigen voordeel te gebruiken. Een nieuwe
2de millennium ging men op diverse plaatsen ijzer winnen
sprong voorwaarts was de invoering van het puddelprocédé,
uit haematiet, magnetiet en moerasijzererts.
waardoor gesmolten ruwijzer op een veel grotere schaal dan
Dit in relatief kleine ovens via de directe methode
vroeger tot smeedijzer kon omgezet worden. Beslissende
geproduceerde ijzer had een laag koolstofgehalte en werd
verbeteringen (1783-1784) werden aan dit procédé aange-
door hameren tot bruikbaar smeedijzer (koolstofgehalte
bracht door Peter Onions en Henry Cort. welke laatste in
minder dan 0.5 %) verwerkt. Het produceren van ijzer met
1783 ook zijn verbeterde snij- en profielwalsen liet
een hoger koolstofgehalte en een lagere smelttemperatuur
patenteren. Hierdoor kon hij voortaan op grote schaal allerlei
zou pas eeuwen later ontdekt worden.
formaten van staven en platen produceren.
De techniek van het verstalen van ijzer is vermoedelijk
Al deze elementen zorgden ervoor dat, naast enkele andere
herkomstig uit het gebied tusen Kaukasus- en het
nijverheidstakken, ook de Engelse ijzerindustrie met grote
Taurusgebergte. De produktie van gietijzer (koolstofgehalte
sprongen vooruit ging. Onbeperkte produktiemogelijkheden,
2,5 tot 5 %) was in China reeds bekend in de 4de eeuw vóór
gekoppeld am een steeds grotere mobiliteit (wegen,
Christus. Men maakte er gebruik van door waterkracht
bruggen, kanalen, spoorwegen), brachten aldus een wereld-
aangedreven cilinderblaasbalgen en van steenkool met een
wijde export op gang. die de motor zou zijn voor de indus-
zeer hoog fosforgehalte. waardoor de smelttemperatuur
triële revolutie in Engeland, en enkele decennia later ook in
daalde tot slechts 980oC, in de plaats van 15370C voor
de rest van Europa.
zuiver ijzer. In het Middellandse Zeebekken produceerde
Een eerste belangrijke realisatie op architecturaal vlak was
men toen slechts occasioneel gietijzer.
de 380 ton zware gietijzeren brug over de Severn, in 1779 te
De indirecte methode, voor het eerst vermeld in de 13de
Coalbrookdale door Abraham Darby III en John Wilkinson
eeuw in Noord-Italië. raakte in de 14de eeuw over de rest
gerealiseerd, naar een ontwerp van architect Thomas
van Europa verspreid. Via het vergroten van de ovens en de
Famolls Pritchard. Ze verwierf vrij snel een grote bekend-
toepassing van waterkracht, leverde deze methode vloeiend
heid en werd enkele jaren later reeds in miniatuur nage-
ru wijzer of gietijzer op, dat in frishaarden tot staal of smeed-
bouwd op hel Europese vasteland. Daar kwam de eerste voor
ijzer geraffineerd werd. Door oxidatie verminderde men
het verkeer geschikte ijzeren brug pas in 1796 tot stand in
geleidelijk het koolstofgehalte, zodat het produkl steeds
Laasan (Duitsland). Voordien maakte men wel reeds
beter smeedbaar werd. Vanaf het einde van de
gebruik van smeedijzer voor de realisatie van brandvrije
14de eeuw ontstonden in het gebied tussen Rijn en Maas de
overwelvingen, zoals die van de Passage des Petits-Pères
eerste hoogovens, waardoor de produktie van gietijzer steeds
(1779) en van het Theatre Francais te Parijs (1786).
belangrijker werd. De eerste walserijen zorgden vooral
In Engeland uitte de vooruitgang van de ijzemijverheid zich
sedert de 16de eeuw voor een beter afgewerkt basisprodukt.
aanvankelijk vooral in meer utilitaire gebouwen en
Een volgende belangrijke periode voor de metaalnijverheid
installaties. Vooral het grote brandgevaar vormde er een
situeert zich in het Engeland van de 18de eeuw en vormt er
doorslaggevend argument om op steeds grotere schaal
een belangrijke schakel in de "'industriële revolutie". In het
smeed- en gietijzer te gebruiken. Zo werd bijvoorbeeld
nauw gedreven door een nijpend houttekort, was men er
Derby in 1792 nog geteisterd door 12 grote
reeds in de 16de eeuw voor de produktie van ijzer
fabrieksbranden, vooral in de textielnijverheid.
overgeschakeld op gezuiverde steenkool als brandstof. In het
In 1792-1793 kwam juist in die stad de Calico Mill tot stand,
begin van de 18de eeuw zette Abraham Darby (1678-1717)
het eerste nutsgebouw ter wereld met een volledig giet-
de stap naar de toepassing in de ijzerindustrie van een
ijzeren structuur.
procédé, dat reeds in de 17de eeuw in de brouwnijverheid bekend was. Als brandstof gebruikte hij cokes, waarvan de echte doorbraak nog tot circa 1750 op zich liet wachten. Ben tweede belangrijke stap was het gebruik van stoommachines voor het aandrijven van hoogovens en van grote staarthamers. Voor allerlei verbeteringen en nieuwe toepassingen tekenden hier James Watt, John Wilkinson en
Nadien ging men in de fabrieksarchitectuur steeds meer overschakelen op een ijzeren skelet, bestaande uit gietijzeren kolommen en smeedijzeren ankers en dragende elementen. Het resultaat was steeds een lichter en sterker bouwwerk, met een vrije binnenruimte en grote ramen, meer brandveiligheid en een relatief korte leverings- en montagetijd. Om vooral dit laatste mogelijk te maken ging men verder
27
werken in de richting van de standaardisering.
gewalst ijzeren staven overspande een ruimte van 563 op
In Shrewsbury ontwikkelde men rond 1800 de eerste
124 meter. Het kon na gebruik bovendien elders
gestandaardiseerde gietijzeren liggers en kolommen.
heropgericht worden. Veelzijdige toepassingsmogelijkheden,
In combinatie met bakstenen tongewelven, gaven ze de
een korte tijdsperiode voor montage of demontage, een grote
fabrikanten de lang verwachte mogelijkheid om brandvrije
brandveiligheid en maximale beglazingsmogelijkheden met
fabrieken op te richten.
de daaraan verbonden verlichtingsvoordelen, dit alles lag aan
Het waren de Britse ingenieurs Thomas Tredgold en William
de basis van de spectaculaire bloei van de ijzerarchitectuur
Fairbaim die uiteindelijk het hedendaagse ijzerprofiel
in het midden en de tweede helft van de 19de eeuw.
zouden omwikkelen. Uitgaande van T-vormige spoor-
Ondanks een soms jarenlange afkeer voor dit materiaal
profielen ontwikkelden zij lussen 1824 en 1830,
vanwege de architecten, kon niemand uiteindelijk blind
aanvankelijk nog in gietijzer en later in gewalst smeedijzer.
blijven voor de vele voordelen. Zo mocht de Franse architect
de bekende balken met het I-profiel. In 1835-1839
Henri Labrouste (1801-1875) uiteindelijk zelfs in de
realiseerde Robert Stephenson voor het Londense Euston
Bibliothèque Nationale (1858-1868) te Parijs op een
Station het eerste gewalste smeedijzeren dakspant.
zichtbare wijze ijzeren structuren gebruiken. De oprichting
Toen zich na de slag van Waterloo (1815) ook op hel
van de Eiffeltoren (1887-1889) door Gustave Eiffel
coniinent een drastische daling van de ijzerprijs begon door
(1832-1923) maakte nog wel veel protest los, maar zou
te zetten, ging ook daar de wagen pas voorgoed aan het
uiteindelijk deze kritiek met steeds stijgend succes
rollen. Alhoewel gietijzer reeds in de tweede helft van de
overleven.
18de eeuw als luxe-produkt werd aangewend voor het
Ook in eigen land, waar in 1824 Cockerill de eerste cokes-
maken van gietijzeren balkon- en trapleuningen, zou zich
hoogoven installeerde, werden deze internationale tendensen
pas vanaf het begin van de 19de eeuw een geweldige bloei
vrij snel opgevolgd.
doorzetten op elk terrein van de architectuur. Van zeer groot
We denken hierbij onder meer aan de serre van de Brusselse
belang voor de ontwikkeling van de gietijzeren klein-
Kruidtuin (1828) van architect Tilman Suys, de ontwerpen
architecluur was de Britse architect Lewis Nockalls
van Louis Roelandt (1786-1864) voor een zichtbare ijzeren
Cotdngham (1787-1847), die via zijn in 1823-1824
spantenstructuur voor de Genste Sint-Annakerk (1848-1853)
verschenen publikatie The Ornamental Metal Workers
en zijn gietijzeren belfortspits (1851) te Gent, aan het door
Director zeer veel navolging kreeg in Europa en elders.
Auguste Payen gerealiseerde Zuidstation te Gent (1850),
In het tweede en derde kwart van de 19de eeuw verschenen
aan het ontwerp van Duval (1848) voor de overkoepeling
ook de eerste verkoopscatalogi, waarin de klant een ruime
van het beursgebouw te Antwerpen (1853), aan de ijzeren
keuze geboden werd van in allerlei formaten, smaken en
kerk van R. Carlier te Ohain (1855-1864), en vele andere.
stijlen te leveren architectuuronderdelen en sierelementen.
Bovendien zagen op het einde van de 19de en in het begin
Door de uilvinding van de pantograaf door Achille Colas,
van de 20sie eeuw in ons land enkele hoogstaande
was het sedert 1837 bovendien een koud kunstje om het even
architecturale meesterwerken het licht, waarin architecten als
welk beeldhouwwerk op een perfecte manier na te bootsen.
Paul Saintenoy, Victor Horta, Paul Hankar en Henry Van de
De Amerikaanse constructeur James Bogardus (1800-1874)
Velde het ijzer als geen ander materiaal naar hun
specialiseerde zich rond het midden van de 19de eeuw reeds
architecturale wensen hebben weten te gebruiken.
in de serieproduktie van gietijzeren gordijngevels in Ionische, Dorische, renaissance- of barokstijl. Hij realiseerde in 1848-1849 te New-York zijn eigen fabriek
Beknopte bibliografie
in geprefabriceerde ijzeren elementen, waarvoor hij gebruik maakte van een gepatenteerd klinksysteem. Ook aan de andere zijde van de oceaan ging het gebruik van gietijzer en gewalst smeedijzer in stijgende lijn. Naast toepassingen als sierelementen. leuningen en verlichtingselementen in de woningbouw, kwamen er ook steeds meer realisaties in de fabrieks- en stationsarchitectuur, bruggen, warenhuizen, loodsen, ateliers, beursgebouwen, bibliotheken, serres en reusachtige hallen voor de wereldtentoonstellingen. We denken hier uiteraard aan het overbekende Crystal Palace, in 1851 door Joseph Paxton {1803-1865) op 7 maand tijd rechtgetrokken in het Hyde Park te Londen. Dit gigantische gestandaardiseerde skelet van gietijzeren en
- Badger D.D., Badger's Illustrated Catalogue of Cast-iron Architecture. New York, 1865 (herdruk 1981) - Baele J. & De Herdt R., Vrij gedacht in ijzer. Een essay over de architectuur in het industriële tijdperk 1779-1913, Gent, 1983. - Eisen Architectm. DieRolle des Eisens in der historischen Architektur der ersten Halfte des 19. Jahrhunderts. Mainz, 1979. - En toen kwam de machine. Ontmoeting met de Industriële Archeologie, Brussel, 1975. - Gayle M., Cast-Iron Architecture in New-York, New York, 1974. - Graeme Robertson E. & Robertson J., Cast Iron Decoration. Londen, 1977. - Marrey B. & Chemetov P., Familièrement inconnues Architectures. Paris, 1848-1914, Parijs, 1976. - Renard J.-C, L'age de lafonte. Un art, une industrie /SÖ0-/9W. Parijs. 1985.
28
M&L
DE BRUGSE BEGIJNHOFKERK: EEN BEHOEDZAME RESTAURATIE J E A N - P I E R R E ESTHER
De Begijnhofkerk gezien vanop het middenplein (foto 0. Pauwels)
Niemand zal de cultuurhistorische waarde ontkennen van het Brugse Begijnhof. Met een geschiedenis die opklimt tot het begin van de 13de eeuw behoort het met de kerk en de witgekalkte huizen, geschikt rond een groen middenplein, tot de meest geliefde en bezochte sites.
De niet te stuiten opmars van het commerciële toerisme in de historische monumentenstad stopt aan de ingangsbrug en het classicistisch poortgebouw. Binnen de omslotenheid ervaren we een oase van rust en authentieke schilderachtigheid.
M&L
29
Na de Franse Revolutie kwam het Begijnhof in bezit van de Burgerlijke Godshuizen, later de Commissie voor Openbare Onderstand. Toen de laatste begijn in 1928 overleed zorgde kanunnik Rodolphe Hoomaert voor de vrijwaring van de geestelijke en spirituele waarden. Hij trok de Dochters van de Kerk aan om er een kloostergemeenschap te stichten volgens de regels van de Heilige Benedictus. In de jaren '30 verbouwde men een rij panden tot de nieuwe behuizing van het Monasterium van de Wijngaard. De overige conventen werden verhuurd aan alleenstaande dames. Tot op heden is dit nog steeds het geval. De kloostergemeenschap, die 22 zusters telt en het habijt van de vroegere begijnen draagt, heeft het domein in erfpacht en staat borg voor de verstilde sacrale sfeer (1). Naar Belgische normen werd het Begijnhof vrij vroeg op de monumentenlijst geplaatst volgens de wet van 7 augustus 1931. Dat gebeurde bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1939, nadat het jaar ervoor een eerste reeks van 8 monumentale gebouwen - waaronder het stadhuis en de voornaamste kerken - officieel waren beschermd.
De rondboogingang in de noordgevel dateert uit het midden van de 13de eeuw en is nog opgevat in een laatromaanse vorm (foto 0. Pauwels)
Bij akte van 2 augustus 1972 kocht het Brugse stadsbestuur het Begijnhof aan van het OCMW voor de som van 720.000,-fr. Het gebouwenpatrimonium stond er toen wat verwaarloosd bij. De eerste jaren werden door de nieuwe eigenaar dringende beveiligingswerken uitgevoerd aan schouwen en daken. Vanaf 1978 kon men beginnen met de pandgewijze restauratiewerken. Het Begijnhof telt zo'n 35 panden (2). Tot nu toe zijn er 13 huizen hersteld en aangepast aan het modem wooncomfort. In 1992 zullen de restauratie- en renovatiewerken starten aan de huizen nummers 44 en 48-50. Deze werken gebeuren met overheidstoelagen. In deze tijdspanne gaf het stadsbestuur ongeveer zo'n 50 miljoen frank uit en ontving daarnaast 21 miljoen van het Vlaamse Gewest en 2 miljoen van het Westvlaamse Provinciebestuur. Op de stadsbegroting 1992 is nogmaals 6 miljoen frank voorzien voor instandhoudingswerken aan een 10-tal huizen.
RESTAURATIE VAN DE KERK Van mei 1990 tot augustus 1991 onderging de SintElisabethkerk een grondige restauratiebeurt. Over deze werken zullen we het hier verder hebben. De eerste gesprekken in verband met de nodige onderhouds- en opfrissingswerken aan de Begijnhofkerk dateren van oktober 1981. Vooral de
binnenwanden smeekten om een verfbeurt. Het initiatief kwam tot stand in samenspraak met het stadsbestuur, het Monasterium en het Bestuur Monumenten en Landschappen. Administratieve verwikkelingen bij de aanvraag voor overheidstoelagen vertraagden het project aanzienlijk (3).
BOUWGESCHIEDENIS. DE VROEGGOTISCHE KERK UIT HET MIDDEN VAN DE 13DE EEUW De eerste bouwfase kan worden gesitueerd in het midden van de 13de eeuw, kort na de stichting van het Begijnhof. De driebeukige bakstenen kerk, toegewijd aan de Heilige Elisabeth van Hongarije, heeft een rechthoekige middenbeuk met in het verlengde een recht afgesloten koor, opgetrokken met grote bakstenen (28 x 13,5 x 6,5/7 cm) in kruisverband. De kerk had een basilikale opbouw. De drie traveeën diepe middenbeuk werd verlicht door zes ronde bovenvensters - een zeldzaamheid in de vroeggotische kerkelijke architectuur in Vlaanderen. Deze zijn nog aanwezig, maar aan de binnenzijde dichtgemuurd. Door de verhoging van de zijbeuken, met lessenaarsdaken tot tegen de gootlijst van het hoofddak, zijn deze oculi van buitenuit aan het gezicht onttrokken. Ze zijn alleen zichtbaar vanop de zolders boven de zijbeuken.
30
M&L
De middenbeuk meet binnenwerks 9 op 36 m, een verhouding van 1 op 4. Het schip is over drie traveeën geflankeerd door twee zijbeuken, telkens 4,50 op 19,50 m. De 12,30 m hoge beukmuren dragen het spitse zadeldak, dat een nokhoogte van 20,20 m bereikt. Naast het koor en in het verlengde van de zuidelijke zijbeuk bevindt zich de sacristie, waarvan twee vakken overkluisd zijn met lage, beschilderde bakstenen kruisgewelven - die nog uit de oudste bouwfase kunnen stammen - en twee vakken met analoge gewelven, doch uitgevoerd in hout- en pleisterwerk. Deze torenloze driebeukige kerk, met diep en vlak afgesloten koor en zonder transept, is een uitzondering in de Vlaamse vroeggotiek. Meestal hadden de parochiekerken een middentoren (zoals de SintGilliskerk in Brugge) of een hoge westertoren als merkteken in het landschap (zoals in Damme en Lissewege). Veelal was de aanleg kruisvormig. De eenvoud van het begijnenleven zal hierbij wel richtinggevend zijn geweest. Ook in opstand is de kerk bescheiden. Het is de minst rijzige 13de-eeuwse kerk in West-Vlaanderen (4). In het natuursteenarme poldergebied ten noorden van het graafschap Vlaanderen was het uit klei
gebakken bouwmateriaal algemeen in gebruik vanaf de beginjaren van de 13de eeuw. De moefen van groot formaat in het muurwerk van de Begijnhofkerk getuigen van gedegen vakmanschap. Bakstenen kunnen eeuwen trotseren. Enkel voor het hoogstnodige werd natuursteen aangevoerd. Het was een moeilijke en dure onderneming om gehouwen onderdelen in Doornikse kalksteen over slechte landwegen naar de bouwplaats te versjouwen. Alleen de vier zuilen en de vier halfzuilen tussen midden- en zijbeuken zijn samengesteld uit trommels uit de groeven in het Doornikse. Deze natuurstenen zuilen zijn nu bepleisterd en voorzien van eenvoudige klassieke kapitelen. In de eerste travee van de noordelijke zijgevel steekt een rondboogpoortje met halfzuilen met natuurstenen haakkapitelen. De vormgeving leunt nog volledig aan bij de Romaanse traditie en is bijvoorbeeld analoog met het westportaal van de kerk in Varsenare. Steunberen in baksteenmetselwerk markeren de buitengevels. De zijgevels van de zijbeuken zijn per travee geleed met driemaal verjongende steunberen met afzaten. De zijgevels van het koor hebben telkens een hoek- en een middensteunbeer. De oostgevel heeft op de hoeken gelijkaardige steunberen. Ter hoogte van de eerste schoot loopt een bakstenen lijst over de drie koorgevels. Ook de westelijke eindgevel is op de hoeken met steunberen versterkt. Te oordelen naar het grote baksteenformaat kunnen deze steunberen grotendeels uit de eerste bouwfase dateren. In de oostelijke tuitgevel steekt een hoge spitsboognis - oorspronkelijk een venster met tracering; later werd het dichtgemetseld. In het veld is met een afwijkende baksteensoort een cirkelmotief gemetseld. Kwartronde zuiltjes, bekroond met knopkapitelen in kalkzandsteen, flankeerden dit koorvenster. Alleen aan de rechterkant bleven de kapitelen bewaard. Erboven zien we een blindnis met drie spitsbogen op kraagsteentjes. Een gelijkaardige nis bevindt zich onder meer in de achtergevel van de voormalige ziekenzaal van Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie aan de Potterierei, eveneens gebouwd in de 13de eeuw. In de blindnis steekt een kleine zolderopening. De top is afgelijnd met een halfronde baksteenlijst en afgedekt met afgeschuinde moefen. De Begijnhofkerk kwam tot stand in een periode toen in Brugge en omgeving belangrijke kerkgebouwen werden opgetrokken, zoals de westbouw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (tweede kwart van
M&L
De segmentbogige poort, gevat in een Tudorboognis. aan de westgevel (foto 0. Pauwels)
31
de 13de eeuw), de Sint-Gilliskerk (circa 1240), de Sint-Jacobskerk (circa 1250) en delen van de monumentale dorpskerken van Damme (circa 12201250) en Lissewege (circa 1225-1250).
HEROPBOUW IN HET BEGIN VAN DE 17DEEEUW In de "beroerlycke tyden" moesten de begijnen hun omsloten hof verlaten. Dat gebeurde in september 1582. Sinds 24 mei 1581 was de katholieke eredienst in de stad verboden. Dit duurde tot in mei 1584. Intussen gebruikte men de kerk als hooischuur - een niet al te passende bestemming want op 9 januari 1584 werd het vroeggotische gebouw door brand geteisterd. Het dakgebinte ging volledig in de vlammen op. Het duurde twintig jaar voordat de begijnen de middelen vonden om de kerk te herstellen en deels herop te bouwen. Om de nodige fondsen te verzamelen verkochten ze landerijen in Koolkerke. De werken duurden van 1604 tot 1609 onder het bestuur van grootjuffrouw Barbara van Bassevelde. De namen van de ambachtslui en de respectieve kosten staan keurig genoteerd in de bewaarde rekeningen (5). Pieter Joos stond samen met zijn zoon Pieter junior op de steigers om een "nieuwen hentghevele" aan de westzijde op te trekken. De hoge bakstenen tuitgevel die met haar silhouet zo sterk het gezicht van het Begijnhofplein bepaalt, is doorbroken door een segmentbogige poort gevat in een Tudorboognis. In het hoogveld steekt een beeldnis, nu gevuld met een beeld van de Heilige Elisabeth van Hongarije. Erboven zien we een groot spitsboogvenster. Op de makelaar van de poort komt het jaartal 7605 voor. Pieter Joos verhoogde de langsgevels van schip en koor ongeveer 0,70 m. Kwartrond geprofileerde bakstenen die uit het metselwerk steken in de zone boven de twee rechtervensters in de zuidgevel van het koor, geven nog de plaats aan van de 13de-eeuwsegootlijst. Ook de zijgevels en de oostelijke eindgevel van het koor waren doorbroken door hoge spitsboogvensters. Sporen in het metselwerk boven de twee rechter segmentboogvensters aan de zuidgevel van het koor geven nog de vroegere vorm aan. Volgens de rekeningen kregen ze bakstenen traceringen. Charles Debeste zorgde voor het herstellen van het nog bestaande metselwerk, het verleggen van enkele grafstenen en het bepleisteren van de binnenmuren.
De uitgaven voor het metselwerk (ongeveer 130 ponden grootte) viel mee in vergelijking met het totaal nieuwe daktimmerwerk (390 ponden grootte). De timmerlieden Michiel Verbrugghe en Jacques Truwaut maakten de nieuwe kap. Deze bestaat uit een reeks van zeven dubbele schaargebinten met nokgebinten die steunen op de muurplaten. De dubbele schaargebinten altemeren met enkele schaargebinten die steun vinden op de zware gordingen ter hoogte van de onderste schaargebinten van de dubbele spanten. Dit is een eerder ongewone constructiewijze. De onderlinge afstand tussen de dubbele schaargebinten bedraagt ongeveer 4,50 m en de plaatsing heeft geen verband met de traveeindeling van de eigenlijke kerk. Op de muurplaten en de gordingen steunen de eikehouten kepers (circa 10 op 10 cm, h.o.h. 35 cm). Het dak werd met schallen gedekt door Jan Petnuck, die ook voor het loodwerk zorgde. Dit kostte samen ongeveer 330 ponden grootte, dus bijna evenveel als het timmerwerk. De vroeggotische bovenvensters boven de zijbeuken, die toen nog vrij waren en de middenbeuk verlichtten, werden voorzien van nieuwe smeedijzeren roeden door Jan de Reulx en van glas-in-loodramen
32
M&L
door Mattheus de Kinder, wat samen ongeveer 17 ponden grootte kostte. Een zeshoekige dakruiter met spits dakje en open kiokkenhuis vervolledigde de herstelde kerk. Adam van de Zande leverde het klokje en de weerhaan.
VERFRAAIINGWERKEN IN DE 18DE EEUW Terwijl de herstelling in de jaren 1604-1609 nog in een sobere laatgotische trant gebeurde onderging de Begijnhofkerk een eeuw later een aanpassing in late barokstijl. Men verhoogde de zijbeuken, zodat de kenmerkende basilicale opbouw verdween en de 13de-eeuwse bovenvensters hun functie verloren. De vensters van het koor en de zijbeuken werden verbouwd in segmentboogvorm, met een vlakke bepleisterde omlijsting en een geprofileerde waterlijst. De koorvensters kregen aan de binnenzijde een geprofileerde omlijsting (6). De vlechtingen in de eindgevels van de zijbeuken geven nog de dakhelling van 1604-1609 aan. Het voegwerk van het metselwerk van de verhoogde zijbeuken is voorzien van dagstrepen. De zijbeuken werden overkluisd met graatgewelven op gordelbogen die in de buitenmuren rusten op kraagstenen met gebeeldhouwde engelenkoppen.
De zuidgevel van de Begijnhofkerk, gezien vanop de reien (foto 0. Pauwels)
De bepleisterde bakstenen gewelven van de zuidelijke zijbeuk zijn versierd met geometrische motieven. In de oostelijke travee van de zuidelijke zijbeuk zien we in spiegelbeeld het jaartal 1707 - een aanduiding van de voltooiing van deze bouwfase. Bij deze wijzigingen zaagde men de onderste trekbalken van de dakstoelen door en werden schip en koor overkluisd door een korfboogvormig pleistergewelf, gevat onder de reeks onderste schaargebinten van de kap. Door deze erg onconstructieve ingreep zocht men naar een gave ruimtewerking van het schip, zonder de toen mogelijk als storend ervaren reeks dwarsbalken. Om te vermijden dat de kap de buitenmuren naar buiten zou wegduwen plaatse men zes smeedijzeren trekkers op ankers gevat in de langsmuren. Ze zijn nog steeds aanwezig. Ze stemmen echter niet overeen met de positie van de dakstoelen. Dit leverde op termijn problemen op die pas bij de recente restauratiewerken zijn opgelost. In de loop van de 17de en 18de eeuw werd het kerkgebouw verrijkt met altaarstukken, meubilair en schilderijen. We vestigen hier de aandacht op enkele muurvaste kunstwerken. De drie wandvullende, in hout gesneden en beschilderde altaren zijn kenmerkend voor de Vlaamse barok. Het eikehouten koorgestoelte is opgevat in een sobere Lodewijk XIV-stijl. De Brugse beeld-
ML Nr. 55 Bijlage bij M&L11/1 jan.-feb. 1992
Begraafplaats Schoonselhof, Antwerpen (foto M.M.C.)
BINNENKRANT
M8d Maaseik Grote Markt 38 'Den Swaen' (foto M. Lorez)
BESCHERMINGEN MAASEIK BESCHERMD Op 21 september 1990 werd de beschermingsprocedure ingeleid voor zesendertig monumenten in Maaseik. Tevens werd een gedeelte van de binnenstad en de voormalige stadsomwalling op het voorontwerp van lijst geplaatst. Het ontwerp van lijst werd op 31 mei 1991 ondertekend en op 16 december 1991 gevolgd dooreen definitief beschermingsbesluit. Het beschermd patrimonium in de Maaseiker binnenstad bevat nu drieënzestig items. De motivatie voor de bescherming van een gedeelte van de stad Maaseik als stadsgezicht is zowel historisch als esthetisch.
Maaseik Bosstraat 24 (foto D. Stemgée)
Historisch gezien is Maaseik een zeer oude stad die haar ontstaan dankt aan het Munster van Aldeneik, waarvan de stichting opklimt tot de 8ste eeuw. Ten zuidwesten van Aldeneik ontwikkelde zich in de 13de eeuw een
"»
nieuwe nederzetting, Nieuw-Eyck, dat eerst onder de Loonse graven en vanaf 1366 onder het prinsbisdom Luik ressorteerde. De middeleeuwse stadsstructuur bleef vrijwel intact bewaard in het huidige stratenpatroon. De stad vertoont een langgerekt, zeshoekig grondplan (400 m x 700 m) met radio-concentrische structuur met het marktplein als centrum. De hoofdassen zijn de belangrijkste invalswegen, die in de middeleeuwse vesting elk op een stadspoort uitmondden: de Bosstraat op de Bospoort, de Bleumerstraat op de Bleumer- of Maaspoort, de Hepperstraat op de Hepper- of Maastrichterpoort en de Eikerstraat op de Eiker- of Roermondse poort. De stad was omringd met wallen en grachten, waarvan een gedeelte bewaard bleef tussen de Prinsenhoflaan en de Hepperpoort. Tengevolge van de grote stadsbranden van 1650 en 1684 bleven weinig gebouwen van voor deze periode bewaard, maar een relatief groot aantal in Maasstijl uit de periode tussen 1690 en 1710. Het esthetisch belang is vooral gelegen in het feit dat het geheel zich presenteert als een duidelijk afgebakende entiteit met grote gaafheid en homogeniteit. Dit is vooral waarneembaar binnen de als stadsgzicht afgebakende zone, waar zich trouwens de grootste concentratie aan waardevolle, monumentale gebouwen en beeldbepalende architectuur bevindt. De bebouwing is kleinschalig en behelst zowel religieuze als profane architectuur. De monumentale kloostergebouwen van de Capucijnen (barok), de Minderbroeders (barok) en de Kruisheren (rococo) zijn naast de schaarse resten van het voormalig Agnetenklooster en de Sint-Catharinakerk (neo-classicisme) belangrijke getuigen van het religieus verleden van Maaseik. De architectuurhistorische waarde is de belangrijkste motivatie voor de bescherming van zesendertig gebouwen als monument. Het monumentaal patrimonium vertegenwoordigt nagenoeg alle periodes uit de bouwgeschiedenis, vanaf de houtbouw tot en met de 19de eeuw.
Houtbouwfase De zeldzame restanten van vakwerkbouw zijn zeer belangrijk omdat, na de grote stadsbranden van 1650 en 1683, zeer weinig overbleef van de
skeletbouw (panden Markt 51 en Schillingstraat 35).
Einde 15de- 16de eeuw De renaissance-architectuur is slechts schaars vertegenwoordigd. Het pand Bosstraat 46 is een zeldzaam voorbeeld van renaissance-architectuur uit het einde van de 16de eeuw.
Maasstijl Deze Maasstijl wordt opgedeeld in vijf fasen. Eerste helft van de 17de eeuw; gekenmerkt door een sterk horizontalisme, gotische reminiscenties, veelvuldig gebruik van mergel, drukke opeenvolging van negblokken, getrapte zijgevels en krulgevels (panden Bosstraat 50, 68-70 en Markt 30). Tweede helft van de 17de eeuw circa 1690: gekenmerkt door een minder uitgesproken horizontalisme, het verdwijnen van mergel en de opkomst van Maaskalksteen, minder negblokken (pand Bosstraat 58). Circa 1690-1710; symmetrische gevelopbouw met een streven naar evenwicht tussen horizontalisme en vertikalisme, groepering van vensters en structurele decoratie (panden Bleumerstraat 22, Bosstraat 24 en 42,
B I N N E N K R A N T
M8d Kerkstraat 32, Hepperstraat 2 en 3, Markt 26 en 27, Pelserstraat 56-58). Eerste helft van de 18de eeuw tot circa 1740: versobering, vlakke vensteromlijstingen zonder negblokken (pand Munnikenstraat 9). 1740-1750: overgang naar de classicistische stijlen; natuurstenen skelet met uitsluiting van baksteenvlakken (panden Bosstraat 1 en 16). Classicisme 1750-1790: invloed van de Lodewijk XV stijl; het gebruik van natuursteen vermindert, uniforme gevelordonnantie, sobere decoratie (panden Bosstraat 8 en 44 en Markt 40). 1790-1820: invloed van de Lodewijk XV stijl (panden Eikerstraat 6, Markt 32 en Monnikenstraat 6-7).
19de eeuw
Bonheiden, landschap gevormd door de vallei van de Bruine Beek met de bossen van Zellaer en Berentrode (foto's J. Wijnants)
1800-1850: periode van het historicisme (pand Markt 42 en de Sint-Catharinakerk). 1850-1900: neoclassicisme (panden Bleumerstraat 29, Hepperstraat 4, Kapel Kleine Kerkstraat, Markt 4 en 48-49, Prinsenhoflaan 11, Pelserstraat 14-16).
rode". Dit landschap dat de dorpskern van Bonheiden in het noordwesten, het noorden en het noordoosten omringt, omvat de hiervoor geciteerde zone. Op 30 december 1991 werd het gebied definitief als landschap gerangschikt, gelet op zijn uitzonderlijke natuurwetenschappelijke, historische en esthetische waarde. Dit landschap, meer dan 500 ha groot, biedt een gesloten uitzicht, typisch voor oude ontginninigsgebieden. Ook de aanwezigheid van plaggenbodems en oude, cultuurhistorisch waardevolle hoeven, zoals de Cranckhoeve, de Blijdenberghoeve, de Vredesteinhoeve, de Gasteelhoeve en andere hoeven die in de Oude baan, de Zellaerdreef, de Pelgrimstraat en de Kathofweg staan, wijzen erop dat dit gebied de oorspronkelijke landbouwkern van Bonheiden was.
De historische waarde van dit landschap wordt voor een groot deel gevormd door deze hoeven en door een aantal kastelen zoals het kasteel van Zellaer, het kasteel van Berentrode en het kasteel Vredenstein. Alhoewel een aantal van deze gebouwen in aanmerking komen voor een bescherming als monument, zijn momenteel alleen het Kasteel van Berentrode en de Cranckhoeve beschermd als monument en hun omgeving als dorpsgezicht en landschap. In het esthetisch waardevol landschap bevindt zich het complexe en bijzonder rijk geschakeerde Zellaerbos. Dit bosgebied bestaat ten dele uit een kasteelbos met arboretum. Hiernaast treft men grote gedeelten aan met een natuurlijke vegetatie. Delen hiervan vertonen kenmerken van een Eiken-Haagbeukenbos met het voorkomen van onder meer Zomereik, Beuk, Tamme kastanje.
J. Gijselinck
DE VALLEI V A N DE BRUINE BEEK MET DE B O S S E N V A N ZELLAER E N BERENTRODE "Zeer belangrijk zijn de natte natuurgebieden die zich bevinden tussen het Mecheis Broek en Rijmenam, evenals de noordoostelijke uitloper ervan te Bonheiden (Bruine Beek). Deze zone zou dringend tot beschermd gebied moeten verklaard worden en bepaalde delen ervan zouden zelfs het statuut van natuurreservaat moeten krijgen". Dit is één van de vaststellingen uit een interdisciplinaire studie Ecologische evaluatie van natuurgebieden in het Mechelse, opgemaakt in 1974 door Prof. dr. H. Hublé van de Rijksuniversiteit Gent in opdracht van het Mechelse stadsbestuur. Op 16 juli 1990, wordt de rangschikkingsprocedure ingezet voor het landschap "De Va//e/ van de Bruine Beek met de bossen van Zellaer en Berent-
B I N N E N K R A N T
M&L Haagbeuk, Hazelaar, Pontische rhododendron, Gelderse roos, Robertskruid, Lieve-vrouwe-bedstro, Lelietjeder-dalen, Klimoperprijs, Grote bevernel, Dalkruid, Breedbladige wespenorchis, Bosanemoon, Veelbloemige salamonszegel. Wilde kamperfolie. In de nitrofiele bosgedeelten treft men Gewone vlier. Zwarte els, Ratelpopulier, Boswilg, Es, Engelwortel, Kattestaart, Moerasvergeet-mij-nietje, Hemelsleutel, Moeraskers aan. Het zuidelijke deel is droger en voedselarmer. Hier treft men plantesoorten aan als Hengel, Bochtige smele, Valse salie aan. Het Zellaerbos heeft omwille van zijn grote oppervlakte, zijn diversiteit van bosvegetaties en zijn hoge ecologische rijping, een zeer hoge biologische waarde.
Koekoeksbloem, Geknikte vossestaart. Gewone brunel. Ruige zegge. Penningkruid, Pinksterbloem, Reukgras, Grasmuur. Door de grote verscheidenheid in biotopen bezit dit gebied een rijke avifauna. Vernoemenswaardig zijn volgende broedvogels: Ijsvogel, Kleine bonte specht. Torenvalk, Kievit, Bosuil. Ransuil, Grauwe Klauwier, Staartmees, Roodborsttapuit, Nachtegaal, Boompieper, Gele kwikstaart. Grauwe vliegenvanger, Braamsluiper, Graspieper, Geelgors, Veldleeuwerik. Als wintergasten en doortrekkers zijn volgende soorten vermeldenswaardig: Sperwer, Ooievaar, Buizerd, Koperwiek, Grote lijster, Kramsvogel, Rode wouw, Draaihals. J. Wijnants
Rondom het Zellaerbos vinden we een biologisch en landschappelijk waardevol gebied dat opvalt door de talrijke aanwezigheid van heggen, houtwallen en bomenrijen (waarin veel knoteik voorkomt, een karakteristiek gegeven in deze streek) die graasweiden en akkers omgeven en door de aanwezigheid van een aantal kleinere bossen (grotendeels langs Bruine beek en Zennekensbeek). Door de veschillende bodemtypen en de verschillen in waterhuishouding komt een gradiëntrijk milieu tot stand. Verscheidene bostypen en hun onderlinge overgang worden aangetroffen. Ninove-Appelterre, de Wildermolen (foto J. De Schepper)
Vochtige wilgenstruwelen met Geoorde wilg, Sporkehout, Gele lis, Penningskruid, Kleefkruid, Valse ciperzegge, Scherpe zegge, elzenbroeken met Zwarte els, Boswilg, Sporkehout, Bitterzoet, Wolfspoot, Moeraswalstro, Kattestaart, Muskuskruid, Elzezegge, Wederik, Moerasspirea, en vochtige, verruigde populierbestanden met Ganadapopulier, Vlier, Schietwilg, Boswilg, Hondsdraf, Grote brandnetel, Zevenblad, Braam, Holpijp, Dotterbloem, Moesdistel bevinden zich naast drogere eike-berkenbossen en half-natuurlijke of aangeplante naaldbossen.
Naast intensief beweide en bemeste kultuurgraslanden valt de aanwezigheid op van waterzieke hooilanden en ruige schraalgraslanden met een belangrijke potentiële vegetatiekundige waarde door het voorkomen van
Restauraties DE 'WILDERMOLEN' TE NINOVE-APPELTERRE Deze molen is beschermd bij Koninklijk besluit van 4 mei 1973 en bevindt zich in het bezit van de Stad Ninove. In 1571 is in Appelterre reeds sprake van een weduwe Jan Bogaerts, die een windmolen in pacht houdt van de prelaat van Ninove "metier behuysder stede daartoe behoirende", tegen 72 Parijse ponden per jaar. Het is mogelijk dat de huidige molen de opvolgster is van de windmolen van de abdij.
I-profielen zijn, werden betonnen sokkels gegoten. Het instortingsgevaar was daarmee slechts tijdelijk ondervangen. Meer ingrijpende maatregelen waren dringend noodzakelijk. Binnenin is de molen nog in behoorlijke staat. Aan dit interieur is overigens weinig of niets veranderd sedert de dag waarop René Vanderhaeghe in 1953 het gemaal heeft stilgelegd. Dit is één van de zeldzame molens waarin de sfeer van het oude muldersambacht nog wat is blijven hangen. Op de steenlijst aan de vangzijde staat E.V. Daelem 1810. De naam V. Daelem komt ook voor in verband met de voormalige oliewatermolen te Ninove en in verband met de staakmolen te Sint-Antelinks. Vermoedelijk betreft het hetzelfde molenaarsgeslacht. Op de linker deurstijl staat gebeiteld: "Fran(s) Menschaert 1817". In strijd met een vrij algemeen gebruik liggen de overigens zeer lage, hoogteteerlingen niet in de noordzuid - maar wel in de oostwest - as van de windroos. Zoals in de streek vanaf circa 1910 wel meer gebeurde, werden ook hier de oorspronkelijke eiken kruisplaten vervangen door ijzeren I-profielen (vergelijk met de molens te Mater, Sint-Antelinks en andere), ledere kruisplaat bestond uit twee zulke profielen, die naast elkaar werden gelegd. Onderaan duwen de steekbanden tegen een op het profiel vastgeklonken hoekijzer. De meesterbanden zitten met de muil tegen de zetel aan.
De thans nog bestaande molen werd aangekocht te Elingen bij Halle door Adrien D'Hauwerdie hem verhuisde en in Appelterre opnieuw optrok in 1801. De laatste molenaar overleed in 1976. Nadien werd de molen verkocht aan de stad Ninove, die nu tot de restauratie overgaat. In 1981 werd het geklinknageld gevlucht om veiligheidsredenen verwijderd. Vooral aan de westkant is het gebinte in bedenkelijke staat. Onder de kruisplaten, die ijzeren
B I N N E N K R A N T
BBBBM——MM—
M&L klein 15der rood steenkoppel uit Sèvres (1.30 m). De drie koppels hebben tweetakrijnen met een ijzeren hoed op het peerijzer. De steenkisten met toebehoren zijn nog volledig en goed bruikbaar. De stenen worden opengetrokken door middel van een steenreep, die nog ter plaatse is. Om het zakkentransport naar het steenkoppel tegen de windweeg gemakkelijker te maken, had de molenaar een plat wagentje op houten wielen ontworpen, dat op houten sporen tot tegen de graanbak geduwd kan worden (1)
De Restauratie
•
Ninove-Appelterre, De Wildermolen. Vangwiel en lantaarn achtermolen Zakkenwagentje
De Wildermolen heeft een traditioneel kapelledak. dat net als de windweeg met vrij grote kunstleien is beschoten. Het overige van het schuddeberd is van grenehout. Ten behoeve van een derde steenkoppel werd de molen, vermoedelijk rond 1920, van een buik voorzien. Iets gelijkaardigs treft men nog aan te Mere. De in 1983 omgewaaide molen te Oosterzele had dit ook. Te Mater is de buik verwijderd. Voor het aanbrengen van een buik moest de constructie van de windweeg worden gewijzigd. De graat werd middendoor gezaagd en vanaf de steenzolder werd de windweeg uitstulpend gemaakt. In de loop der jaren werden de oorspronkelijke middenlijsten (circa 40 x 20 cm) met een daarop gelegde tweede lijst verstevigd. In veel staakmolens diende men naar dit soort van oplossing te grijpen om het euvel van de te kleine steenlijsten te herstellen. Deze ontoereikende steenlijsten (meestal circa 45 x 25 cm) waren één van de overigens niet zo talrijke zwakke punten in de Vlaamse molenmakerij. Op de voormolen ligt een Frans 16der (1.40 m) steenkoppel en het koppel van de achtermolen is een Frans 19der (1.80 m). In de buik ligt een
Het restauratiedossier omvat in hoofdzaak volgende punten: het hermetsen van de teerlingen, het herstellen van de voet, het herstel van molenkottrap en kap, het operationeel maken van alle gaande werk en het plaatsen van een nieuw gevlucht (wieken). De restauratie beoogt een maximaal behoud van het bestaande. Waar toch onderdelen moeten vervangen worden, wordt de grootst mogelijke authenticiteit nagestreefd. Zo worden de bestaande kruisplaten, die uil samengevoegde ijzeren l-poutrellen bestaan als kenmerkend element hernomen. Hetzelfde geldt voor de 'geklinknagelde' Verhaegheroeden en de bekleding van kunstleien. Ook inwendig dienen de interessante details die verwijzen naar het eigen karakter van de molen en naar de inzichten van vroegere molenaars, zoals onder andere het zakkenwagentje, maximaal gerespecteerd te worden. Uiteraard moet na het beëindigen van de werken de molen maalvaardig opgeleverd worden. Deze restauratie wordt voor 60 %, hetzij 3.347.720,-fr., door het Vlaamse Gewest gesubsidieerd. Het aandeel van de Provincie Oost-Vlaanderen bedraagt 20 %. De Stad Ninove betaalt dus zelf 20 % van de rekening. (1) Gegevens geput uit P. Bauters Eeuwen onder wind en wolken, Gent, 1985. J. De Schepper
RESTAURATIE VAN HET HOEKHUISZAND 17-19, TE ANTWERPEN De stad aan de stroom is sinds kort een statig hoekpand rijker. Het beekhuis van 't Zand en de Stoofstraat staat er natuurlijk niet pas van gisteren, maar de erbarmelijke staat maakte dat het pand er onbenut bij stond. De geschiedenis van deze straat voert terug tot circa 1400 toen deze zandbank tussen Suikerrui, Hoogstraat, Sint-Jansvliet en de Schelde werd verkaveld. Het gedeelte palend aan de "potstove"oi huidige Stoofstraat werd "Sanfsfrate"genoemd. Op het Zand gaven vier rivierpoorten uit: het "Sandersgat" aan de Sandersstraat, de "Koninklijke Poort" oi "Maaigat"\er hoogte van de Vlasmarkt en twee poorten van het "Bierhoofd" aan de Haverstraat. In 1846 kocht de familie Havenith, handelaars in tabak, het pand aan en in 1849 werd de bouwaanvraag ingediend voor de neo-rococogevel. Het huidig voorkomen dateert evenwel van nog tien jaar later toen door architect H. Leclef het pand met een verdieping verhoogd werd. Het statige hoekhuis is een samenvoeging van oudere panden. Na het afhakken van de cementering van de zijgevel werden restanten van een typische baken-zandsteen-constructie zichtbaar. Het huis is sinds 1979 in handen van de N.V. Jan Van Rijswijck en werd beschermd op 17 juli 1981. Slechts in 1988 werden op initiatief van nieuwe aandeelhouders plannen opgemaakt door architect W. Cogge voor de ruwbouwwerken en de restauratie van de gevel. De werken werden in eigen beheer uitgevoerd zonder toelage van de overheid. De gevelwerken behelsden behalve het vernieuwen van alle schrijnwerk ook het vervangen van de gevelbepleistering. De gevels werden met een nieuw, licht isolerend, pleistersysteem op basis van hydraulische kalk afgewerkt. Ook de geprofileerde raamomlijstingen konden in deze specie worden getrokken. Aan de zijgevel in de Stoofstraat werd kost noch moeite gespaard om de vroeger afgehakte blauwstenen lateien en witstenen sluitstenen en dorpelconsoles te reconstrueren. Het geheel werd met verf afgewerkt en mag een geslaagde realisatie genoemd worden. Anne Malliet.
B I N N E N K R A N T
M&L Gelet op het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten;
Wet- en Regelgeving Tijdens de periode van de jaarwisseling 1991-1992 hebben de Vlaamse Executieve en de bevoegde Gemeenschapsminister een aantal reglementaire besluiten genomen die voor de monumenten- en landschapszorg en inzake archeologie van belang zijn. Daarom een beknopt overzicht.
Premiestelsel en subsidiëring Met betrekking tot de invoering van de restauratiepremie verwijzen wij naar de met M&L 10/6 meegestuurde brochure daarover. Een ander, zeer belangrijk besluit, is dit van de Vlaamse Executieve van 18 december 1991 houdende vaststelling van de procedure inzake de subsidiëring van werken aan beschermde monumenten, die door of op initiatief van regionale of lokale besturen worden uitgevoerd. De tekst van dit besluit, dat in werking is getreden op 1 januari 1992, gaat hierbij. Ingevolge de besluiten van 5 juni 1991 tot het instellen van een restauratiepremie, gewijzigd bij besluit van 4 december 1991, en voormeld besluit inzake de subsidiëringsprocedure, werd ook de regeling van de delegatie aan ambtenaren aangepast bij de ministeriële besluiten van 6 december 1991 en 6 januari 1992.
Gelet op het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 juni 1989 houdende vaststelling van de procedure inzake de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989;
DE VLAAMSE EXECUTIEVE,
c. de behandeling van waardevolle elementen van het monument onder meer door verharding, houtworm- en zwambestrijding; d. het herstel van nog aanwezig waardevolle elementen van het monument;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het dringend noodzakelijk is om de procedure inzake de subsidiëring van restauratiewerken aan beschermde monumenten door of op initiatief van regionale of lokale besturen te versoepelen, aangezien het decreet van 20 maart 1991 betreffende het investeringsfonds en de besluiten van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 tot uitvoering van dat decreet op deze restauratiewerken niet van toepassing zijn, evenmin als het besluit van de Vlaamse Executieve van 5 juni 1991 tot het instellen van een restauratiepremie; Overwegende dat het aangewezen is om bij de uitvoering van het subsidiëringsbeleid inzake restauratiewerken aan beschermde monumenten, een beroep te doen op de medewerking van de provinciale overheden; Op voorstel van de Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting; Na beraadslaging,
BESLUIT VAN DE VLAAMSE EXECUTIEVE VAN 18 DECEMBER 1991 HOUDENDE VASTSTELLING VAN DE PROCEDURE INZAKE DE SUBSIDIERING VAN WERKEN AAN BESCHERMDE MONUMENTEN, DIE DOOR OF OP INITIATIEF VAN REGIONALE OF LOKALE BESTUREN WORDEN UITGEVOERD
b. de beveiliging van het monument tegen ongunstige weersomstandigheden en natuurrampen door: het dichten van daken, sluiten van muuropeningen, aanbrengen en herstellen van voorzieningen voor afwatering, goten en aflopen en rioleringen, beveiliging tegen insijpelingen, bestrijding van opstijgend grondwater, beveiliging tegen blikseminslag en stormschade;
BESLUIT: HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen. Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1" werken:
a. de algehele beveiliging en stabiliteit van het monument, inzonderheid Gelet op de wet van 7 augustus 1931 op onderstuttingen, afschermingen, het behoud van de monumenten en schoringen, verstevigingen, consolilandschappen, inzonderheid op artikel 2; deringen, onderkappingen;
e. de vervanging van nog aanwezige elementen van het monument, die niet meer hersteld kunnen worden; f. het opnieuw aanbrengen van niet meer aanwezige waardevolle elementen; g. verwijderen van storende elementen, wegwerken van onoordeelkundige uitgevoerde ingrepen, wegwerken of aan het zicht onttrekken van misplaatste toevoegsels; h. beschermen van een publiek toegankelijk monument tegen intens gebruik door versteviging van vloerplaten, bijkomende stabiliteitswerken, aanbrengen van detectiesysteem, aanbrengen van isolatie ter voorkoming van condensatie; i. de beveiliging tegen brand, vandalisme en diefstal van het eventueel aanwezige kunstbezit eigen aan het monument; j. ingrepen die niet anders dan naar aanleiding van restauratie- en instandhoudingswerken kunnen uitgevoerd worden, die meerkosten met zich meebrengen omdat ze met omzichtigheid ten overstaan van het monument moeten uitgevoerd worden, mogelijke oorzaken van vernietiging, verval of abnormale slijtage wegnemen, inzonderheid het vervangen of aanbrengen van installaties voor centrale verwarming en elektriciteit. Voor werken in verband met centrale verwarming en elektriciteit kunnen enkel de bouwkundige werken en de basisinstallatie gesubsidieerd worden, met uitsluiting van toestellen en armaturen ;
B I N N E N K R A N T
M8d k. dringende voorlopige instandhouding van het monument, wanneer gevaar bestaat voor verder en snel verval, in afwachting dat kan begonnen worden met de eigenlijke werken; I. de studie(s) vereist voor het opmaken van een definitief dossier, inzonderheid historisch onderzoek, stabiliteitsberekeningen,geo-technisch onderzoek, proefkappingen, laboratoriumproeven, drukkings- en weerstandproeven, plaatsen van voorlopige stellingen. 2° de initiatiefnemer: een gemeente, een vereniging van het intercommunaal centrum voor maatschappelijk welzijn, een provincie, een polder, een watering, een vereniging van polders en wateringen, een bisschoppelijk seminarie, een kerkfabriek en elke andere rechtspersoon die voor de uitoefening van een openbare eredienst of voor verenigingen van vrijzinnigen onroerende goederen beheert; 3° het ontwerpdossier: het dossier op basis waarvan de subsidieaanvraag geschiedt door de initiatiefnemer; 4° de gunningsprocedure; de procedure waarbij wordt overgegaan tot één van de vormen van gunning zoals bepaald in de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, tot aan het voorstel van gunning van de opdracht. 5° de Gemeenschapsminister; de Gemeenschapsminister bevoegd voor monumenten. HOOFDSTUK II. Procedure. Afdeling 1 - Ontwerpfase.
Hij geeft in voorkomend geval kennis van het standpunt dat de provinciale overheid die belast is met de uitoefening van het administratief toezicht heeft ingenomen, of dat hem is medegedeeld door een andere daartoe bevoegde overheid. § 2.- Indien de provincie initiatiefnemer is, zendt haar bestuur het ontwerpdossier rechtstreeks aan de Gemeenschapsminister, zodra de termijnen voorzien in artikel 125 van de provinciewet zijn verstreken, zonder dat het besluit over het ontwerp in haar uitvoering werd geschorst of werd vernietigd. Artikel3. De Gemeenschapsminister geeft op basis van het ontwerpdossier al dan niet de belofte van subsidie en stelt hiervan de initiatiefnemer en de overheden die bijdragen in de kostenverdeling in kennis. Het verlenen van de belofte van subsidie houdt in dat de kredietvastlegging op naam van de initiatiefnemer en op basis van het goedgekeurd ramingsbedrag van het ontwerpdossier, wordt doorgevoerd. Afdeling 2 - Gunningsfase. Artikel 4. De ontvangst van de belofte van subsidie geeft de initiatiefnemer het recht de gunningsprocedure in te zetten. De procedure dient afgewerkt en het gunningsdossier wordt verstuurd zoals bepaald in artikel 6, binnen de 300 kalenderdagen na de ontvangst van de subsidiebelofte. Op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer, in te dienen vóór het verstrijken van deze termijn, kan de Gemeenschapsminister een termijnverlenging toestaan.
Artikel 2. §1.-De initiatiefnemer, met uitzondering van een provincie, zendt het ontwerpdossier aan de provinciegouverneur.
Bij het verstrijken van voormelde termijn en in voorkomend geval van de toegestane termijnverlenging, vevalt de belofte van subsidie.
Binnen de 100 kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het ontwerpdossier, stuurt de provinciegouverneur dit dossier aan de Gemeenschapsminister.
Artikels. §1.-De initiatiefnemer, met uitzondering van een provincie, zendt de met redenen omklede beslissing omtrent de keuze van de inschrijving, samen met het gunningsdossier, aan de provinciegouverneur.
De provinciegouverneur vult het dossier aan met het verslag over het nazicht van het ontwerpdossier en met een voorstel tot het toekennen van een subsidiebelofte.
Binnen de 50 kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het gunningsdossier, stuurt de provinciegouverneur een voorstel tot aanpassing
van het subsidiebedrag aan de Gemeenschapsminister. De Gouverneur geeft in voorkomend geval kennis van het standpunt dat de provinciale overheid die belast is met de uitoefening van het administratief toezicht heeft ingenomen, of dat hem is meegedeeld door een andere daartoe bevoegde overheid. De Gouverneur stelt de initiatiefnemer in kennis van het resultaat van de uitoefening van het administratief toezicht op de gunningsbeslissing. De ontvangst van de kennisgeving dat er geen bezwaar is tegen de uitvoering van de gunningsbeslissing, geeft de initiatiefnemer het recht deze beslissing te betekenen aan de gekozen inschrijver. § 2. Indien de provincie initiatiefnemer is, zendt haar bestuur de met redenen omklede beslissing omtrent de keuze van de inschrijving, samen met het gunningsdossier, aan de Gemeenschapsminister, zodra de termijnen voorzien in artikel 125 van de provinciewet zijn verstreken, zonder dat het gunningsbesluit in haar uitvoering werd geschorst of werd vernietigd. Door het verstrijken van deze termijnen verkrijgt de initiatiefnemer hei recht om voornoemde beslissing te betekenen aan de gekozen inschrijver. Artikels. Indien het gunningsbedrag niet hoger is dan 110% van de goedgekeurde raming wordt de voorgestelde keuze van de inschrijving door de Gemeenschapsminister aanvaard en de eerder genomen vastlegging aangepast. Indien het gunningsbedrag gelegen is boven de bovenvermelde maximumgrens, beslist de Gemeenschapsminister in welke mate de eerder genomen vastlegging wordt aangepast. De initiatiefnemer en de overheden die bijdragen in de kostenverdeling worden in kennis gesteld van de beslissing omtrent het goedgekeurde subsidiebedrag. HOOFDSTUK III Opheffings- en overgangsbepaling. Artikel 7. Het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 juni 1989 houdende vaststelling van deproce-
B I N N E N K R A N T
M8d s dure inzake de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd, wordt opgeheven, wat de subsidieaanvragen betreft voor werken waarop dit besluit van toepassing is.
BESLUIT VAN DE VLAAMSE EXECUTIEVE VAN 7 JANUAR11992 BETREFFENDE DE SAMENSTELLING, DE ORGANISATIE, DE BEVOEGDHEDEN EN DE WERKING VAN DE KONINKLIJKE COMMISSIE VOOR MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN VAN HET VLAAMSE GEWEST
Voornoemd besluit blijft echter van toepassing op alle subsidieaanvragen voor werken waarvan het ontwerpdossier werd ingediend vóór 1 januari 1992.
DE VLAAMSE EXECUTIEVE,
HOOFDSTUK IV Slotbepalingen. Artikel 8. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1992. Artikel 9. De Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gelet op de wet van /augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, gewijzigd bij decreet van 13 juli 1972; Gelet op het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Brussel,
• 4° de wet: de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten \ en landschappen, gewijzigd bij decreet van 13 juli 1972; 5° het decreet: het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten;
\
6° monumenten, stads- en dorpsgezichten : de monumenten, stads- en dorpsgezichten bepaald in artikel 2, 2° en 3° van het decreet. Art. 2.§1.Er wordt een Commissie ingesteld die bestaat uit een centrale \ commissie, bevoegd voor het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest, en uit vijf provinciale commissies, respectievelijk bevoegd voor het grondgebied van: de provincie Antwerpen, de provincie Limburg, de provincie Oost-Vlaanderen, de provincie West-Vtaanderen en voor \ het grondgebied van de administratieve arrondissementen HalleVilvoorde en Leuven. i
De Voorzitter van de Vlaamse Executieve, Gaston Geens.
De Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting,
Overwegende dat de hersamenstelling van de provinciale commissies en de centrale commissie van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een dringende coördinatie en actualisatie van de algemene reglementering vereist; Op voorstel van de Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting;
Louis G. Waltniel.
Na beraadslaging, BESLUIT: HOOFDSTUK 1. Algemeen.
Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
De Vlaamse Executieve heeft ook een nieuw besluit genomen betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Dit besluit coördineert en actualiseert de (zes!) reglementaire besluiten die voorheen de werking van de Commissie regelden, maar bevat ook enkele nieuwe bepalingen. Zo krijgen de Provinciale Commissies voor Monumenten en Landschappen ook bevoegdheid inzake de landschapszorg.
: § 2. De interne taakverdeling tussen de \ centrale commissie en de provinciale \ commissies respecteert het hiërarchisch vaband en de eigen bevoegdheden die bij wet en decreet zijn vastgesteld. \ § 3. De centrale commissie en de vijf \ provinciale commissies bestaan elk uit \ drie afdelingen: 1° een afdeling monumenten, stadsen dorpsgezichten, hierna te noemen eerste afdeling; 2° een afdeling interieur van monumenten en de zich erin bevindende roerende zaken, onroerend door bestemming, hierna te noemen tweede afdeling; 3° een afdeling landschappen, hierna te noemen derde afdeling.
1° de Gemeenschapsminister: de gemeenschapsminister bevoegd voor de monumenten en landschappen;
\ \
\ \
\
§ 4. De voorzitters, ondervoorzitters \ en leden van de Commissie worden \ door de Gemeenschapsminister be2° het Bestuur: het Bestuur Monunoemd voor een termijn van vier jaar. \ menten en Landschappen van de Hun mandaat is verlengbaar met Administratie Ruimtelijke Ordening en nieuwe termijnen van vier jaar. Huisvesting van het Departement Leef- Eens de leeftijd van 65 jaar bereikt, milieu en Infrastructuur van het Miniszijn de leden ontslagnemend. In uitzon: larie van de Vlaamse Gemeenschap; derlijke omstandigheden kunnen zij in hun mandaat worden bevestigd door 3° de Commissie: de Koninklijke Com- de Gemeenschapsminister, voor een \ missie voor Monumenten en Landtijdsduur door hem te bepalen, en dit \ schappen van het Vlaamse Gewest; tot de maximum teeftijd van 75 jaar.
B 1 N N E N K R A 1^ T
M8cL 9 § 5. De centrale commissie en de provinciale commissies kunnen eikaars leden uitnodigen tot het bijwonen van eikaars vergaderingen. In dat geval zijn de bezoekende leden niet stemgerechtigd. § 6. Elk lid van een afdeling kan de vergaderingen van een andere afdeling bijwonen met raadgevende stem. § 7. Elk lid dat niet deelneemt aan drie opeenvolgende vergaderingen zonder geldige verantwoording is van rechtswege ontslagnemend. § 8. De Gemeenschapsminister voorziet in de vervanging van overleden of ontslagen leden. Wanneer een lid vervangen wordt voor het verloop van de vierjarige termijn wordt zijn mandaat voleindigd door zijn vervanger. § 9. De leden van de Vlaamse Raad en de ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap kunnen geen deel uitmaken van de Commissie. Art. 3. Het Bestuur staat in voor het secretariaat en de verslaggeving van de vergaderingen van de Commissie. De secretarissen worden door de Gemeenschapsminister aangewezen onder de ambtenaren van het Bestuur. Art. 4.§1.De Commissie dient de Gemeenschapsminister en hem alleen, van advies: 1° in de gevallen en rekening houdend met de termijnen bepaald door de wet en het decreet; 2° in andere gevallen, wanneer de Gemeenschapsminister of zijn gemachtigde daarom verzoekt en binnen de door hen gestelde termijnen; 3° in andere gevallen uit eigen beweging, wanneer de Commissie dat wenselijk acht. § 2. De adviezen van de Commissie zijn met redenen omkleed. De adviezen uitgebracht door de afdelingen van de Commissie gelden als adviezen van de Commissie. § 3. De centrale commissie kan de zaken die de provinciale commissies in behandeling nemen tot zich trekken, met uitzondering van de adviezen bepaald in artikel 5 §2,1° van het decreet. § 4. De adviezen van de Commissie
worden vastgesteld met een meerderheid van twee derden van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen. Het quorum wordt gevormd door de meerderheid van de leden van de Commissie of één of meer afdelingen, met inbegrip van de voorzitter(s). Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de vergadering beslissend. § 5. Het Bestuur brengt de Commissie op de hoogte van de beslissingen van de Gemeenschapsminister waaraan een advies van de Commissie is voorafgegaan. § 6. Ter vervulling van haar opdracht kan de Commissie alle nodige informatie inwinnen. Art. 5. §1. Na de Commissie te hebben gehoord, stelt de Gemeenschapsminister het huishoudelijk reglement van de Commissie vast. § 2. De Commissie vergadert plenair of per afdeling. De vergaderingen worden voorgezeten door de voorzitter en bij diens afwezigheid door de ondervoorzitter en bij diens afwezigheid door een lid dat door de vergadering wordt aangewezen. § 3. De centrale commissie en de provinciale commissies vergaderen elk, plenair of per afdeling, minstens éénmaal per maand. De agenda van de vergaderingen wordt vastgesteld door de voorzitter in overleg met de secretaris met inachtneming van de in artikel 4, § 1 bepaalde rangorde van voorrang en rekening houdend met de termijnen bepaald door de wet en het decreet. § 4. De vergaderingen van de Commissie zijn in principe besloten. Zij kunnen worden bijgewoond door de Gemeenschapsminister of zijn afgevaardigde, enkel tijdens de besprekingen, alsmede door zijn gedelegeerden - ambtenaren van het Bestuur • in een adviserende hoedanigheid. § 5. De Commissie kan het Bestuur vragen om schriftelijk of mondeling toelichting te geven bij bepaalde agendapunten. De gedelegeerde ambtenaren wijzen de ambtenaren van het Bestuur aan die op de vergaderingen toelichting geven.
nemen aan haar vergaderingen ten einde hen te raadplegen over bijzondere vraagstukken. Ze verlaten de vergadering vóór de besluitvorming. § 7. De Commissie kan, wanneer zij zulks nodig acht voor de uitvoering van haar taak, uit haar midden bijzondere werkgroepen samenstellen met een welomschreven opdracht van tijdelijke aard. § 8. De verslagen van de vergaderingen van de Commissie vermelden: 1. de aanwezigheden; 2. de essentie van de besprekingen; 3. de adviezen die over de verschillende aangelegenheden werden geformuleerd; 4. de uitslag van de eventuele stemmingen. Art. 6. De Commissie stelt ten behoeve van de Gemeenschapsminister jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden, dat openbaar wordt gemaakt. Art. 7. De leden van de Commissie zijn gehouden tot discretie met betrekking tot de aangelegenheden die de Commissie behandelt en de adviezen die zij verstrekt. Wanneer in de vergaderingen zaken aan de orde zijn waar persoonlijke belangen van een lid mee gemoeid zijn of die zijn ambtelijke bevoegdheid raken, dan moet dat lid de vergadering verlaten. Art. 8. De adviezen mogen niet aan derden worden bekendgemaakt, tenzij met instemming van of door de Gemeenschapsminister. Art. 9. De leden mogen geen publieke verklaringen afleggen die het normale verloop van de door de wet en het decreet ingestelde procedures kunnen hinderen of die op de besluitvorming anticiperen. Art. 10. De leden van de Commissie alsmede de externe deskundigen vermeld in artikel 5§6van dit besluit, genieten presentiegelden, reis- en verblijfkosten overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Executieve van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen.
§ 6. De Commissie kan te allen tijde externe deskundigen uitnodigen om in een adviserende hoedanigheid deel te
B I N N E N K R A N T
M8cL
10
• lijk besluit van 13 december 1968 betreffende de samenstelling. de organisatie en de bevoegdheid \ van de Koninklijke Commissie voor Art. 11. De centrale commissie Monumenten en Landschappen; bestaat uit vierendertig leden, van wt 5 \ - het koninklijk besluit van 16 novem- \ een voorzitter, drie ondervoorzitters - \ 4° het horen van organisaties en \ besturen die betrokken zijn bij het ber 1976 tot uitvoering van het één per afdeling - en dertig gewone \ beleid van monumenten, stads- en decreet tot bescherming van monu- \ leden, verdeeld als volgt: \ dorpsgezichten en landschappen. menten en stads- en dorpsgezichten - eerste afdeling: 12 van 3 maart 1976 betreffende de - tweede afdeling: 8 \ HOOFDSTUK III. samenstelling, organisatie en be- derde afdeling: 10. Provinciale Commissies. voegdheid van de Koninklijke Com- \ missie voor Monumenten en LandArt. 12. §1. Onverminderd haar opdracht bepaald in artikel 4§1,1° en \ Art. 13. § 1. De provinciale commissies schappen, Nederlandse autonome \ sectie, voor wat de provinciale com2° van dit besluit, brengt de centrale \ bestaan elk uit éénentwintig leden, van j wie een voorzitter, drie ondervoorzitters missie betreft; commissie bij de Gemeenschapsminister uit eigen be- \ • één per afdeling - en zeventien - het koninklijk besluit van 8 april 1977 \ : \ gewone leden, verdeeld als volgt: tot intrekking van artikel 11 van het \ weging advies uit, inzonderheid over - eerste afdeling: 8 koninklijk besluit van 16 november 1" de conservatie en de bestemming i - tweede afdeling: 4 1976 tot uitvoering van het decreet tot bescherming van monumenten en '\ van monumenten en hun kunstbezit; \ - derde afdeling: 5. stads- en dorpsgezichten van 2° de ontwerpen betreffende nieuw- j § 2. Provincieraadsleden en ambtena3 maart 1976 betreffende de samen- \ \ ren van de provinciebesturen kunnen bouw of verbouwing van openbare stelling, organisatie en bevoegdheid gebouwen, met inbegrip van gebou- \ geen deel uitmaken van de provinciale van de Koninklijke Commissie voor \ wen bestemd voor de eredienst; \ commissies. Monumenten en Landschappen, Nederlandse autonome sectie, voor wat \ 3° de ontwerpen die van aard zijn de i Art. 14.- §1.De provinciale commisde provinciale commissies betreft; 1- i sies brengen advies uit over de aangaafheid of het bestaan van een lanc - het koninklijk besluit van 24 januari I \ vragen voor werken in gerangschikte schap in het gedrang te brengen. 1979 tot bepaling van de taken van alsmede de ontwerpen die de onmid \ landschappen bepaald in artikel 6, de Koninklijke Commissie voor dellijke omgeving van een monumen t \ vierde lid van de wet. Monumenten en Landschappen, raken; Nederlandse sectie; \ § 2. Zij brengen advies uit over de - het koninklijk besluit van 17 juli 1979 \ 4° de archeologische herstellingen \ voorontwerpen van lijst bepaald in tot wijziging van het koninklijk besluit van monumenten; \ artikel 5 §2,1° van het decreet. van 24 september 1974 betreffende de samenstelling, de organisatie en 5° het beheer van landschappen; \ § 3. Onverminderd hun opdracht bede bevoegdheid van de Koninklijke I paald in artikel 4§1 van dit besluit. Commissie voor Monumenten en 6° belangrijke dossiers met betrekkin g \ hebben zij de taak: Landschappen. tot problemen over bescherming en \ - bij de centrale commissie verslag uit restauratie of over gevallen die als \ te brengen over de ontwerpen van Art. 17. Dit besluit treedt in werking de \ precedenten kunnen beschouwd wor - \ voorstellen tot het rangschikken van dag waarop het in het Belgisch den inzake monumenten, stads- en landschappen; Staatsblad wordt bekendgemaakt. dorpsgezichten en landschappen. l - de centrale commissie voor te lichten betreffende de aangelegenheden Deze dossiers worden geagendeerd \ Art. 18. De Gemeenschapsminister door de Voorzitter of door een gedevermeld in artikel 12 § 1 van dit van Ruimtelijke Ordening en Huislegeerd ambtenaar in overleg met de \ besluit; vesting is belast met de uitvoering van Voorzitter. \ - de centrale commissie bij te staan in dit besluit. \ haar werkzaamheden, vermeld in \ § 2. De centrale commissie verricht \ artikel 12 §2 van dit besluit. Brussel, voorts de volgende werkzaamheden HOOFDSTUK IV. De Voorzitter van de Vlaamse n j Opheffings- en slotbepalingen. 1° het formuleren van beleidsinzichte Executieve, die de monumenten, de stads- en dorpsgezichten en landschappen eei i I Art. 15. De volgende besluiten worden Gaston GEENS. continue leefbaarheid, op de eigen- i opgeheven : heid ervan betrokken, waarborgen; I - het koninklijk besluit van 13 decemDe Gemeenschapsminister van \ ber 1968 betreffende de samenRuimtelijke Ordening en Huisvesting, 2° de studie en formulering van de \ stelling, de organisatie en de methodes en middelen om de geforbevoegdheid van de Koninklijke Louis G. WALTNIEL muleerde doelstellingen te bereiken, \ Commissie voor Monumenten en Landschappen; 3° de voorbereiding van beleidsdocu I - het koninklijk besluit van 24 septemDe provinciale Commissies voor menten, onder meer betreffende teef - \ ber 1974 tot wijziging van het konink- Monumenten en Landschappen werHOOFDSTUK II. Centrale Commissie.
• < j nische problemen, en de coördinatie \ van de zorg voor monumenten. i stadsen dorpsgezichten en landschap| pen, met aanverwante beleidsvelden;
|
B 1 N N E N K R A rM T
M8cL
ii
[ den - eindelijk - opnieuw samengesteld als volgt: Antwerpen Voorzitter: * de heer A. Kinsbergen, Gouverneur van de Provincie Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, 2018 Antwerpen Ondervoorzitter: * de heer P. Gevers, Kempenstraat 9,2460 Kasterlee Leden: * de heer R. Baetens, A. Dineurlaan 40,2900 Schoten * Mevr. H. Bussers, Leysstraat 19,2000 Antwerpen ' de heer A. Calders, Buizegemlei 41,2520 Edegem * de heer G. Deheyder, Beekstraat 17,2800 Mechelen * de heer H. De Kok, Bisschopslaan 94,2340 Beerse * de heer A. De Naeyer, Plantinkaai22bus1, 2000 Antwerpen * de heer M. Depreeuw, Ranstsesteenweg 62,2531 Vremde * de heer H. De Winter, Zoerselbosdreef 53,2980 Zoersel * mevr. M. Eeman, Fr. Halsvest 33,2800 Mechelen * de heer L. Fomoville, A. Bijnsstraat 27,2600 Berchem * de heer R. Groothaert, Boekenberglei 129,2100 Deurne * de heer F. Hellemans, Hoge Akker 64,2550 Kontich * de heer R. Herbosch, Harmoniestraat 41,2018 Antwerpen * de heer F. Lens, Berlaarsesteenweg 51,2560 Kessel * mevr. P. Maclot, Korte Brilstraat 7,2000 Antwerpen ' mevr. 1. Nuyens, Kerkstraat 2,2500 Lier * de heer G. Persoons, Guldensporenstraat123, 2140 Borgerhout *deheerJ. Smeyers, Italiëlei 84,2000 Antwerpen * de heer R. Steenmeyer, Vloeiende 16,2950 Kapellen Brabant Voorzitter: * de heer A. Van Lent, Vice-Gouverneur van de Provincie Brabant, Gasthuisstraat 31/5, 1000 Brussel Ondervoorzitter: * de heer M. Franssens, Steenstraat 33 a, 1500 Halle Leden: * de heer G. Ballet, Woestijnstraat 9,1755 Gooik
•
• * de heer H. Cornells, F. Vandersteenstraat 30,1750 Lennik * mevr. D. De Brouwer, Leuvensebaan 257, 3040 Huldenberg *deheerJ. DeGelas, Kerkeveldweg 92, 1620Sint-Genesius-Rode * mevr. M. De Gendt, Papendaalstraat 10,3300 Tienen * Mevr. B. de Ghellinck d'Elseghem, Oelegembaan 109,2240 Zandhoven * de heer J. Delauré, Kortrijksebaan 66,3220 Holsbeek * mevr. A.M. Draye, Winkelsesteenweg 80,3020 Herent * de heer R. Feyfer, Bergenstraat 47,3044 Oud-Heverlee * mevr. K. Limpens, Kerkveldstraat 78,1650 Beersel *deheerj. Lievens, Neerveldlaan 8,1740 Ternat * de heer L. Magits, K. Van Lotharingenstraat 23,' 3000 Leuven * de heer M. Smeyers, Bruineveld 96,3010 Kessel-Lo * mevr. K. Stals, Merelnest 11,3210 Linden * de heer L. Van Herck, Willemsstraat 16,3000 Leuven * mevr. L. Van Santvoort, Vredelaan 69,1982 Weerde * de heer D. Vansintjan, Molenstraat 2,3110 Rotselaar * de heer L. Verpoest, Bankstraat 56,3000 Leuven Limburg Voorzitter: * de heer H. Vandermeulen, Gouverneur van de Provincie Limburg, Dr. Willemsstraat 33, 3500 Hasselt Ondervoorzitter: * de heer A. Nivelle, Zestienbunderstraat 47, 3500 Hasselt Leden: * de heer L Berghmans, Molhemstraat 35,3990 Peer * de heer R. Berten, Halveweg 45,3600 Bokrijk (Genk) * mevr. 1. Desmedt, Heidestraat 118,3580 Diepenbeek * de heer F. Dethier, Kapelstraat 7,3540 Herk-de-Stad * de heer W. De Wijngaert, Torenstraat 21,3500 Hasselt * de heer W. Driesen, Dekkenstraat 22,3800 Zepperen 'deheerW. Eckelmans, Piepelpoel 21,3700 Tongeren * de heer J. Gerits, Groenstraat 56,3941 Eksel
B 1 N
• * de heer P. Ketsman, Bevrijdingslaan 7,3665 As * de heer L. Peeters, Broederspad 36, 3550 Heusden-Zolder * de heer M. Roosen, Tongersesteenweg126, 3840 Borgloon * de heer R. Van De Konijnenburg, Bocholterkiezel 120,3960 Bree * mevr. E. Vandenabeele, Veurzerveld 28a, Sint-Maartens-Voeren * de heer E. Vandeplas, Kellenstraat 6,3700 Tongeren * mevr. L. Van Dijck, Berentrodedreef 17, 2820 Bonheiden * de heer F. Van Winkel, Oude Markt 10,3900 Overpelt * de heer T. Waegeman, Heidestraat 118,3580 Diepenbeek * de heer S. Weuts, • 1 Ramskapellelaan 4, 3970 Leopoldsburg "deheerJ. Wiertz, Universiteitslaan 1, Lok. Blok Dl -11, 3500 Hasselt Oost-Vlaanderen Voorzitter: * de heer H. Balthazar, Gouverneur van de Provincie Oost-Vlaanderen, | Gouvernementstraat 1,9000 Gent j Ondervoorzitter: * de heer L. Daels, Kwakstraat 5,9830 Sint-Martens-Latem | Leden: * de heer K. Baert, Sint-Kamielstraat 36,9140 Temse *deheerJ.Baeyens, Langestraat 49,9473 Welle * de heer F. Beun, Sparrenlaan 8,8670 Koksijde * de heer M. Boel, Scheldestraat 104,9140 Temse * de heer P. Bosteen, Coupure 10,9000 Gent * de heer G. Couck, Populierenlaan 23, 9470 Denderleeuw ' de heer P. De Pessemier 's Gravendries, Brakelbosstraat 29,9669 Brakel * de heer A. De Witte, Mispellaan 9,2740 Melsele * de heer M. Dietens, Sint-Michielsstraat 25,9000 Gent * de heer M. Dubois, Holstraat 89,9000 Gent * de heer B. Eeman, G.Gezellestraat105, 9470 Denderleeuw * mevr. M. Heyse, Bredestraat2,9600Ronse
N E N K R A r^ T
|
M8d
12 * mevr. M.-Chr. Laleman, Holdaal 49,9000 Gent * mevr. M. Lenssens, Begijnhof 33,9200 Dendermonde * de heer F. Mees, Blote 18,9700 Oudenaarde * de heer B. Van de Steene, Stoepestraat 34,9940 Ertvelde * mevr. A. Van Driesche, Dreef 19,9400 Ninove * de heer F. Vermeulen, Hooglatemweg 12, 9830 Sint-Martens-Latem * de heer F. Willems, Broekkantstraat 37,9200 Baasrode
Tienen, Groot Begijnhof 59, achtergevel
West-Vlaanderen Voorzitter: * de heer O. Vanneste, Gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen, Brug 3,8000 Brugge Ondervoorzitter: * de heer C. Vermeersch, Moerkerkesteenweg 4,8340 Damme Leden: * de heer Bernolet, Koolkerkesteenweg 12, 8000 Brugge * de heer E. Boterberge, Jameslaan 11,8370 Blankenberge * de heer J. Christiaens, Christinastraat 2/6,8400 Oostende * de heer L. Constandt, Vlamingstraat 90,8000 Brugge * de heer R. Corijn, Stationsdreef 151,8800 Roeselare * de heer F. Coulier, Stationsstraat 24, 8790 Waregem * de heer G. De Béthune, Patersmotestraat 40,8500 Kortrijk * de heer G. Delrue, Strubbeslag 4,8210 Zedelgem * mevr. C. De Zegher Erasmuslaan 32,8500 Kortrijk * de heer R. Dubaere, Tieltstraat 143a, 8760 Meulebeke * de heer L. Dugardyn, Spinolarei 10,8000 Brugge * de heer H. Markey, Molenmeers 48,8000 Brugge * de heer M. Pyck, Van Maria Van Boergondiëlaan 41, 8820 Torhout * de heer F. Ramault, Stijn Streuvelsstraat 5,8000 Brugge * de heer M. Rijckaert, Heirbergkaai 42, 9000 Gent * de heer E. Schepens, Langerei 1,8000 Brugge * de heer J. Van Acker, Sasstraaat19, 8630Veurne * mevr. L. Van Óverbeke, Sint-Annareil 1,8000 Brugge * de heer L. Wante, Vichtsesteenweg 183, 8570 Anzegem
Instituut voor het Archeologisch Patrimonium Bij besluit van de Vlaamse Executieve van 11 december 1991 werd een wetenschappelijke raad ingesteld bij het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium. Tot leden van die raad werden bij ministerieel besluit van 6 januari 1992 benoemd: * als inrichtingshoofd van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium: Dr. G. De Boe * als wetenschappelijke personaliteiten van buiten de inrichting: Dr. F. Vermeulen, bevoegd verklaard navorser N.F.W.O. Dr. F. Verhaeghe, bevoegd verklaard navorser N.F.W.O., docent V.U.B. Dr. H. De Vijver, hoogleraar U.I.A. enK.U.L
Buitenkfant MONUMENT TE KOOP Tienen, Groot Begijnhof 59, voormalig conventgebouw van het begijnhof (opgetrokken in de 16de eeuw). Vanaf 1844 Dominikanenklooster, verbouwd en aangepast in 1854. Beschermd als monument op 20 augustus 1946.
MONUMENTEN- EN LANDSCHAPSZORG IN WALLONIË De structuur van de monumenten- en landschapszorg in Wallonië en die van Vlaanderen sluiten nauw bij elkaar aan. Ze ressorteren beide onder één directeur-generaal die drie besturen {"divisions') coördineert: Ruimtelijke Ordening en Stedebouw; Huisvesting; Monumenten, Landschappen en Archeologie. In Vlaanderen is er echter een zelfstandig wetenschappelijk archeologisch Instituut, verbonden met het Bestuur Monumenten en Landschappen, terwijl in Wallonië de archeologie één (niet-wetenschappelijke) dienst ("direction') is van het bestuur monumenten en landschappen en archeologie ("Mes'). Het Waalse bestuur voor Monumenten en Landschappen en Archeologie heeft zoals het Vlaamse 5 provinciale directies. Nuttige adressen: Direction générale de lamenagement du territolre et du logement (D.G.A.T.L.) Rue des Brigades d'lrlande 1 5100 Jambes tel.: 081/33.21.11 fax.: 081/33.21.10 Directeur-generaal: Mevrouw Danielle Sarlet Division des monuments, sites et fouilles (D.M.S.F.) Inspecteur-generaal: De Heer André Matthys tel.: 081/33.21.60
Voor inlichtingen zich wenden tot het kantoor van notaris P. Kuijpers, Schreursvest 3,3001 Heverlee, 016/23.00.25.
B I N N E N K R A N T
M8d
13
Provinciale directies Namen: Rue des Brasseurs 145 5000 Namen tel.: 081/22.46.98 Luik: Rue des Guillemins 16/34 4000 Luik tel.: 041/54.10.01 Bergen: Esplanade du Dragon 423 7000 Bergen tel.: 065/35.30.75 Charleroi: Rue Tumelaire 80 6000 Charleroi tel.: 071/30.20.70 Aarlen: Palais Abbatial 6900 Saint-Hubert tel.: 061/61.26.14 Waver. (Waals Brabant) Rue de Nivelles 88 1300 Waver tel.: 010/23.12.11 Galerie des Carmes 72 b (opgravingen) 1300 Waver tel.: 010/24.10.62 E. Goedleven.
OPENBAAR KUNSTBEZIT IN VLAANDEREN De Sint-Baafskathedraal in Gent. Monument en heiligdom (Jaargang 1991, aflevering nr. 4) is opgevat als een tweeluik. Het eerste deel belicht de ontstaansgeschiedenis van de Sint-Baafskathedraal, de buitenarchitectuur en de architecturale aspecten van het interieur. Speciale aandacht gaat ook naar de vierledige functie van de huidige kathedraal: kerk, monument, concertzaal en museum.
Met deze laatste functie is dan ook meteen de brug gelegd naar de eerstvolgende aflevering. In het tweede deel zullen de kunstwerken uit de Sint-Baafskathedraal aan bod komen, met speciale aandacht voor het meesterwerk van de gebroeders Van Eyck: Het Lam Gods. Deze aflevering zal als eerste nummer van de jaargang 1992 verschijnen (eind januari 1992).
Tekeningen in Vlaamse openbare verzamelingen Tekeningen zijn door hun soberheid en beknoptheid op het eerste gezicht misschien minder aantrekkelijk dan bijvoorbeeld een schilderij. Nochtans geldt 'kunnen tekenen' nog steeds als de basis voor een goed kunstenaarschap. De kern van deze aflevering is de presentatie van openbare collecties met tekeningen in Vlaanderen. Het overzicht bestrijkt een periode tot en met de 18de eeuw.
jllen kan door storting van
180 Bfr. (in België) op 48-0007361-87 of 11 gulden op 35.20 (in Nederland) met ermelding "Sint-Baafskathedraal. bnument en heiligdom".
Ook in de jaargang 1992 komen erfgoed en architectuur ruim aan bod, getuige: De Sint-Baafskathedraal van Gent. Een kunstenaar Deze aflevering sluit aan bij de laatste aflevering van de vorige jaargang waarin de architecturale aspecten van de kathedraal uitvoerig aan bod kwamen. Dat de Sint-Baafskathedraal een immense rijkdom aan kunstschatten bezit, zal in deze editie duidelijk worden.
Museum Plantin-Moretus Christoffel Plantin, één van de grootste drukkers aller tijden, vestigt zich in 1576 in een pand aan de Antwerpse Vrijdagmarkt: De Gulden Passer. In 1589 wordt hij er opgevolgd door zijn schoonzoon Jan Moretus. In 1876 wordt het huis verkocht aan de Stad Antwerpen en als museum ingericht. Na beschadiging door een V-bom werd het huis gerestaureerd en in 1951 opnieuw als museum opengesteld.
U stort 600,-fr. (zonder opbergband) of 870,-fr. (met opbergband op rekeningnummer 448-0007361 87 van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, Tielt. CJ.P.-ers genie ten een gunsttarrief: 500,-fr. i.p.v. 600,-fr. Vanuit Nederland kan U ook abon nee worden uitsluitend óoor storting van 36 gulden (zonder opberg band) of 54 gulden (met opbergband) op gironummer 135.20 van OKV in Tielt. Vanuit het buitenland (behalve Nederland) kost een abonnement 900,-fr. (zonder opbergband) of 1.220,-fr. (met opbergband) uitslui (end te betalen op PCR 0000099920-10 van OKV in Tielt of vi internationale postwissel. Graag vermelden "199;
Het Stripmuseum in Brussel In 1903 tekende Victor Horta de plannen voor het Waucquez warenhuis aan de Brusselse Zandstraal. Thans biedt het gerestaureerde warenhuis onderdak aan het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal, de officiële benaming voor het Stripmuseum: een huwelijk van de art nouveau met de 'negende kunst".
EEN NIEUWE GEWELFSCULPTUUR IN DE ANTWERPSE KATHEDRAAL Het provinciebestuur van Antwerpen schreef in april 1991 een prijsvraag uit voor een ontwerp van een nieuwe sluitsteensculptuur voor het gewelf van het hoogkoor van de Antwerpse kathedraal.
B I N N E N K R A N T
M8d
14
r
BELLEVUE MUSEUM PHILIPPE & MARCEL WOLFERS - VAN ART NOUVEAU TOT ART DECO
Eén van de 15de-eeuwse gepolychromeerde reliëfs van de vier sluitstenen van het koorgewelf ging verloren. Wanneer dit gebeurde en hoe dit reliëf eruit zag, kon niet achterhaald worden. De ontwerpers stonden voor de complexe opdracht om een hedendaags ontwerp te bedenken voor een halfverheven gepolychromeerd beeldhouwwerk dat qua algemeen uitzicht en kleurgeving integreerbaar is in de reeks van de drie andere gepolychromeerde sculpturen. Op voorstel van de jury kende de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen de prijs van 75.000,-fr. toe aan Dirk Janssen uit Antwerpen. Zijn ontwerp, een OnzeLieve-Vrouw met kind, is origineel en hedendaags. Binnen de context van zijn bouwkundige activiteiten is architect Janssen ook werkzaam op het gebied van de plastische kunsten. Het winnende ontwerp zal nu gelijktijdig met de restauratie van de drie oude sculpturen gerealiseerd worden. Een en ander kadert in de huidige binnenrestauratie van hoogkoor en kruisbeuk. In 1993, na afloop van deze werken, zal de kathedraal weer volledig opengesteld kunnen worden.
Vanaf 15 februari loopt in het Brusselse Bellevuemuseum een tentoonstelling gewijd aan de Brusselse kunstenaars Philippe en Marcel Wolfers, beiden edelsmid, juwelier en beeldhouwer. Deze expositie is opgedragen aan de nagedachtenis van Janine Schotsmans-Wolfers, dochter en kleindochter van deze kunstenaars en ereconservator van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Dankzij de vrijgevigheid van de familie Wolfers en steun van buitenaf, kwamen de Musea in het bezit van het winkelmobilair van hun juwelierszaak in de Arenbergstraat 11-13, ontworpen door Victor Horta in 1906. In het Bellevuemuseum worden meer dan 200 juwelen, beeldhouwwerken en tafelobjecten tentoongesteld afkomstig uit privé- en publiek bezit. Deze kunstwerken, die evolueren van Art Nouveau naar Art Deco, getuigen stuk voor stuk van een volmaakte technische vituositeit die de vormschoonheid paart aan de luxe der materialen. Philippe Wolfers, evenals zijn tijdgenoot Lalique, brak met de traditionele juweelcreaties en probeerde nieuwe vormen, onderwerpen en materialen. Zijn zoon Marcel Wolfers, gevormd in het atelier van zijn vader, vervolmaakte zich in de Aziatische laktechnieken.
Bij deze tentoonstelling hoort een rijk geïllustreerde catalogus, uitgegeven in samenwerking met het Gemeentekrediet.
Philippe & Marcel Wolfers. Van i Nouveau tot Art Deco. Bellevue Museum, Paleizenplein 7, 1000 Brussel. Tel.: 02/511.44.25. Dagelijks behalve op vrijdag, van 10 u. tot 16 u15. 45. •
ETIENNE SABBEPRIJS VOOR GESCHIEDENIS 1992 De Etienne Sabbeprijs voor Geschiedenis 1992, uitgeschreven door de vzw De Gulden Sporen, ten bedrage van 75.000,-fr. wordt opengesteld voor Belgische historici, jonger dan 45 jaar. De Prijs is bestemd voor het bekronen van een al dan niet gepubliceerd en niet bekroond werk over algemene, regionale of lokale geschiedenis, met uitsluiting van literatuur- en kunstgeschiedenis. Het ingediende werk moet in het Nederlands geschreven zijn, door een auteur die de Belgische nationaliteit bezit en die op het ogenblik van het indienen van de studie de leeftijd van 45 jaar nog niet heeft bereikt. De Prijs kan ook worden toegekend voor een werk dat werd geschreven door meerdere auteurs die allen voldoen aan de gestelde voorwaarden. Het werk moet in drie exemplaren worden ingediend bij de secretaris van de vzw De Gulden Sporen, op de maatschappelijke zetel van de vzw De Gulden Sporen, vóór 1 april 1992. De proklamatie en de officiële uitreiking van de Prijs zullen plaatshebben tijdens de maand december 1992.
Inlichtingen: vzw De Gulden Sporen, Grote Markt 50, 8500 1500 Kortrijk, tel.: 056/23.24.42.
B I N N E N K R A N T
M8cL
is
BML oktiviteiten "BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN", deel 11N3. PROVINCIE WEST-VLAANDEREN. ARRONDISSEMENT IEPER, KANTONS MESENWERVIK-ZONNEBEKE
Wervik, Leiestraat
Op 18 december 1991 stelde Gemeenschapsminister L.G. Waltniel te Wervik het afsluitende deel voor van de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het arrondissement leper. Uit zijn uiteenzetting blijkt de constante zorg om het bouwkundig erfgoed van Vlaanderen verder op te tekenen en regelmatig te publiceren in een voldoende ruime geografische en historische samenhang: enge grenzen dienen immers overschreden om het beoogde overzicht te bekomen, vergelijkingen door te trekken en de grote lijnen duidelijk te stellen.
Het arrondissement leper is het eerste dat niet naar alfabetische volgorde van alle gemeenten van het gebied wordt uitgegeven, maar wel naar de splitsing volgens (kies)kantons. Het overschakelen naar een kleinere administratief-geografische eenheid laat toe afzonderlijke delen te publiceren en te verspreiden: in 1988 verscheen het Kanton leper, in 1989 het Kanton Poperinge. Samen met het lijvige deel 8n van het Arrondissement Veurne (1982) is hiermee de westzijde
van de provincie afgewerkt, van de Noordzee tot aan de zuidelijke grens; samengerekend betekent dit een gepubliceerde basisdocumentatie van 2.570 bladzijden, zowat 1.300 zwartwit illustraties, 40 kleurenreprodukties en een fotoregister van 3.549 items. Stof genoeg dus voor verdere uitdieping en verwerking onder meer in het kader van grensoverschrijdende projecten die precies nu opnieuw aan de dag zijn wat Noord-Frankrijk betreft. Zoals het kanton leper horen de kantons Mesen-Wervik-Zonnebeke tot het tijdens de "Grote Oortofif" vernielde gebied. Het inventariseren van de wederopbouwarchitectuur in Stad en ommeland heeft specifieke problemen met zich meegebracht: naast het gebruikelijke veldwerk diende meer aanvullend archiefonderzoek verricht om de wederopgebouwde toestand te relateren tot de vooroorlogse en aldus de impact van de reconstructie naar waarde te schatten. In de publikatie vertaalt zich dit werk in een meer analytische benadering gedragen door visualiserende elementen als oude plans, kaarten, foto's en prentkaarten. Specifiek voor het behandelde gebied van het deel 11 n 3, zijn wel uitzonderlijke realisaties van de "modernistische aanpak"ó\e zich hier duidelijk aftekent ten opzichte van de alomverspreide "h/storiserencte"wederopbouw. Het gegroepeerde werk van de Brugse architect Huib Hoste en zijn lokale confraters komt duidelijk aan bod in de tekst en illustraties; bedoeling is uiteraard aandacht te vragen om deze kwaliteitsvolle architectuur en markante tijdsdocumenten die deel uitmaken van ons "jong bouwkundig erfgoed". In deze context was het dan ook verheugend dat de Gemeenschapsminister kon melden dat hij juist de beschermingsprocedure had ingezet voor het dorpsgezicht van Zonnebeke met de "moderne" kerk en pastorie als monumenten.
Inventarissen vormen een belangrijke schakel in dit proces: naast hun essentiële rol als werkinstrument voor monumentenzorg hebben ze ook een populariserende funtie".... en verder "Het populariserende ligt eerst en vooral in het 'openbarende' en 'verklarende'aspect, in het overbrengen via woord en beeld van een preciese, gewild bondig gehouden informatie die hoort bij elk naslagwerk". Het lijkt goed eraan te herinneren dat elk boek deel uitmaakt van een grote basisreeks die sinds 1971, voor het eerst in ons land, systematisch wordt uitgewerkt en gepubliceerd, aan beide kanten van de taalgrens, op een nagenoeg eenvormige wijze. Samen gaat het nu reeds om meer dan 50 delen. Hopelijk weerklinkt alom en tot waar nodig de vurige, door de gemeenschapsminister geuitte wens: "deze eerste, homogene inventarisatie- en publikatiecampagne te zien verder verlopen en eindigen volgens de vooropgestelde doelstellingen en vorm". S. Van Aerschot-Van Haeverbeeck
Het dossier werd eerder voorbereid door de betrokken inventarismedewerkers: het verband tussen inventariseren, evalueren en systematisch beschermen wordt hiermee nogmaals onderstreept. De minister zelf heeft verder uitgewijd over het belang en de betekenis van de inventaris: "Elke vorm van 'redelijk' monumentenbeleid kan alleen worden doorgevoerd dankzij de gelukkige combinatie van specialistenwerk en de helpende druk van een bewuste, zich betrokken voelende bevolking.
B I N N E N K R A N T
gemene gegevens: Titel: Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen Deel 11 n 3. Provincie West-Vlaa, deren. Arrondissement leper. Kantons Mesen-Wervik-Zonnebek Auteurs: AM Delepiere en M. Huys; veldwerk in samenwerking met M. Lion Leiding en coördinatie: S. Van Aerschot-Van Haeverbeeck XL + 408 p., 8 kleurenreprodukties 250 zwart-wit foto's, een fotoregis ter van 688 items, 9 plans, 1 ingekleurde plattegrond van Wervik. Een publikatie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Departement Leefmilieu en Infrastructuur. Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting. Bestuur Monumenten en Lanschappen Een uitgave van Brepols-Turnhou, december, 1991.
M&L CITAAT
"Monsieur Ie Gouverneur, A diverses reprises, man attention a été appelée sur l'état de délabrement dans lequel certaines administrations communales laissent tomber des edifices anciens dont ellesjugent ne pouvoirtireraucun profit. J'estime, Monsieur Ie Gouverneur, qu'il serail utile de faire remarquer a ces autorités qu'en agissant de la sorte elles vont a l'encontre des interets qu'elles croient sauvegarder. Non seulement les monuments anciens doivent être considérés comme constituant un heritage dont les édilités ont Ie devoir d'assurer la conservation et dont la destruction peut être comparée a Varrachement d'une page dans l'histoire de leur cité, mais encore en les laissant disparaitre, elles suppriment pour leur commune une source importante de revenus, en éloignant les artistes, les touristes et les nombreux étrangers qui s'intéressent aux choses du passé. Une administration communale qui laisse un monument tomber en ruines est done aussi coupable que si elle lefaisait démolir."
De Minister van Landbouw en Openbare Werken, (get.) Léon De Bruyn, 26 juni 1897.
Mijnheer de Gouverneur, Herhaaldelijk werd er mijn aandacht op gevestigd dat sommige gemeentebesturen oude gebouwen die zij niet meer van nut achten laten vervallen. Ik ben van mening dat het zinvol is die besturen erop te wijzen dat zij zodoende ingaan tegen de belangen die zij denken te vrijwaren. De oude monumenten moeten worden beschouwd als een erfgoed waarvan de gemeenteraden het behoud moeten verzekeren en waarvan de vernieling kan worden vergeleken met het wegscheuren van een blad uit hun lokale geschiedenis. Door ze te laten verdwijnen beroven de gemeenten zichzelf bovendien van een belangrijke bron van inkomsten, want zij verjagen aldus de kunstenaars, de toeristen en de talrijke vreemdelingen die zich aan het verleden interesseren. Een gemeentebestuur dat een monument laat vervallen is dus even schuldig als wanneer het dat laat afbreken.
M&L
33
gooftpsfsnl 3i/21S gaotbodem I.S/IZ0
ata M i mutmtoj
Dwarsdoorsnede van midden- en zijbeuken (tekening Mare Meulemeester)
Detailtekening van de dakvoet ter hoogte van de muurplaat (tekening Mare Meulemeester)
houwer Jan van Hecke vervaardigde de eikehouten preekstoel in de traditie van de laatbarok met duidelijke invloed van de Lodewijk XIV-stijl. Het doksaal met een in hout gesneden balustrade in Lodewijk XIV-stijl is gedateerd 1754. In dezelfde periode zorgde de Brugse orgelbouwer J.A. Berger voor het kleine pijporgel. De doorlopende lambrizeringen aan de zijmuren en de achterwanden van de zijbeuken vertegenwoordigen hier de aanwezigheid van een zwierige rococostijl met fraaie schelpmotieven. Ze zijn gedateerd 1761 en 1763. Vervaardigd uit dennehout zijn ze echter beschilderd in een imitatie van eikehout.
DE RESTAURATIEWERKEN IN 1990-1991. CONSOLIDATIE VAN DE DAKCONSTRUCTIE Na het plaatsen van de steigers tegen de koorgevels stelde men vast dat de bovenste baksteenlagen onder de goot in zeer slechte toestand verkeerden. Bij het plaatselijk ontmantelen van de muurplaten en het onderste gedeelte van de kepers, de kapspanten en de "hondjes" zag men dat de kap - door het onoordeelkundig wegzagen van de onderste trekbalken de muurplaat en het bovenste gedeelte van het metselwerk had weggeduwd. De trekkers - die kort voor 1707 waren geplaatst ter vervanging van deze trekbalken - waren niet verbonden met de dakstoelen; de in het metselwerk verdoken ankers waren zelfs slordig aangebracht. Ten gevolge van waterinfiltratie en onvoldoende onderhoud verkeerden de
doorsnede 01 nieuwe toostend
rofitate onder meUue gontng
mefzler ictuxnlgebnteliiier sffUpMf
r7
\. -^^
randplanh 60/35
doorsnede 02 nieuwe toestand
muurplaten en het onderste gedeelte van het daktimmerwerk in een verrotte en vermolmde toestand. Doorzakkingen en zelfs instortingsgevaar waren niet denkbeeldig. Een kleine eeuw geleden had men deze toestand ook opgemerkt. In 1902 maakte stadsarchitect Charles De Wulf een restauratieontwerp (7). Het bewaarde bundel bevat twee voorstellen voor een nieuwe dakconstructie boven de middenbeuk en het koor. Het eerste ontwerp voorzag een - voor die tijd als
34
M&L
Door deze werken - die niet waren voorzien in het oorspronkelijke bestek en belangrijke meerkosten betekenden - kon de 17de-eeuwse dakconstructie en de nog gave dakbedekking met schaliën behouden blijven. Alleen de onderkant van de bebording en van het schaliedak moest worden vernieuwd. Boven de houten draagconstructie van het korfbogige pleisterplafond dat schip en koor overspant, werd een thermische isolatie aangebracht. Een deken rotswol zorgt ervoor dat de verwarmingskosten voor de kerkruimte in de hand kunnen worden gehouden. De daken van de zijbeuken en de sacristie zijn herlegd met herbruikpannen. Het plat dak boven de vergaderzaal aan de zuidzijde is volledig vernieuwd. Ook alle goten, afleiders, ontvangers en loden muurslabben waren aan vernieuwing toe. Het spreekt voor zich dat een wind- en waterdicht dak en een goede waterhuishouding de eerste voorwaarden zijn voor een goed beheer van het historisch monument.
HERSTEL VAN HET BAKSTEENMETSELWERK
-•W, ; . /
• Na het wegnemen van de lessenaarsdaken boven de 13de-eeuwse sacristie, gebouwd tegen de zuidgevel van het koor, kwamen de gewelfkappen zichtbaar (foto Stad Brugge, Jan Termont) • Na het ontmantelen van de gootmuur stelde men vast dat de muurplaat en de onderste delen van het daktimmerwerk sterk aangetast waren. Detail aan de zuidkant van het koor (foto Stad Brugge. Jan Termont)
modem en doeltreffend beschouwde - metalen gebinte. Het andere ontwerp stelde voor om een vereenvoudigde houten kap te maken. Geen van beide voorstellen werd uitgevoerd. Mogelijk vond men de kostprijs te hoog en vergenoegde men zich met het aanbrengen van metalen beugels aan de spanten om verdere verzakkingen te vermijden. De blokdelen werden toen ontdubbeld en/of vernieuwd en plaatselijk werd de nieuwe goot op een vernieuwde en verhoogde muurplaat gezet. Bij de recente herstellingswerken werden ter hoogte van de muurplaten nieuwe balken in gewapend beton geplaatst (0,40 m hoog en 0,30 a 0,40 cm breed). Om een monoliet geheel te bekomen kregen de eikehouten spantpoten stalen "schoenen", met metalen doken verbonden met de betonbalk.
Ongeveer 1350 m2 parament werden gereinigd, plaatselijk hersteld en hervoegd. Alle buitengevels vertoonden sporen van vroegere beschilderingen: de westgevels met een eindlaag in een lichtgrijze kleur, de overige gevels in baksteenrood. Vroeger slordig uitgevoerde herstellingen van het metselwerk werden op die manier gesaust en weggewerkt. Het is niet duidelijk of dit reeds in de 17de eeuw gebeurde of later in de 18de of 19de eeuw. In ieder geval hadden de buitengevels de jongste eeuw geen nieuwe verfbeurt meer gekregen. Het metselwerk werd gereinigd met water onder druk en natte verzadigde stoom (120 tot 160° C). Het resultaat was onvoldoende. Het parament werd ingestreken met chemische reinigingsprodukten en na kortstondige inwerking nagespoeld met natte verzadigde stoom. Men zag nauwlettend toe dat deze reinigingsmethode geen mechanische aantasting van het parament veroorzaakte. Restanten van kalkverf die niet zonder schending van de baksteenhuid konden verwijderd worden bleven behouden. Dit komt bovendien ten goede aan de historische afleesbaarheid van het monument. Na het reinigen van de gevels werd het metsel- en voegwerk nagezien en waar nodig hetseld of vernieuwd. Vooral de afzaten van de steunberen waren door vorstschade sterk verweerd en moesten
M&L
35
Vóór de restauratie waren de afzaten van de steunberen sterk verweerd. Detail van de hoeksteunbeer aan de noordgevel van het koor (foto Stad Brugge. Jan Termont)
bevatten glas-in-loodramen, gevat in horizontale en vertikale smeedijzeren raambruggen, ingewerkt in de dagzijden van de vensteropeningen. De raambruggen hebben als functie om de buigzame glas-in-loodpanelen te verstijven en om weerstand te bieden aan de winddruk. Ze bestaan uit een vaste brug (4,5 op 4,5 cm) en een losse brug of klemlat. De klemlatten waren verdwenen en vervangen door een met koehaar gewapende cementspecie. De nog aanwezige neuzen en wiggen, die de glas-in-loodpanelen bij middel van de klemlatten tegen de vaste brug moeten aandrukken deden geen dienst meer. Daar de vaste smeedijzeren raambruggen nog voldeden werden ze gedemonteerd, volledig ontroest en gemetaliseerd, waarna het smeedwerk werd teruggeplaatst. De raambruggen werden voorzien van opgelaste neuzen. Er werden nieuwe bronzen klemlatten, wiggen en bindroeden gemaakt.
worden hermetseld. Alleen deze delen kregen een behandeling met een waterafstotend produkt om - althans de eerstvolgende jaren - mosgroei te voorkomen. Meerdere delen van de koorgevels waren destijds gevoegd met een zogenaamde broyémortel; een voegmortel op basis van kalk en zand met toevoeging van gemalen baksteen en pannen om een bijna egaal uitzicht met de bakstenen te bekomen. Deze voegspecie werd mogelijk bij de herstelling in 1902 aangebracht toen het beschilderen van de buitengevels in onbruik was geraakt. Voor het nieuwe voegwerk betrachtte men een passende kleurnuance, zowel bij de broyémortel als bij de oudere wit-beige kalkmortel. Hiervoor gebruikte men de volgende samenstelling: 4 delen gewassen duinzand; 2 delen gravel (gruis van gemalen rode dakpannen); 2 delen schelpkalk; 1 deel witte cement; 1 deel zavel.
HERSTEL VAN DE GLAS-IN-LOODRAMEN De acht koorvensters, de zes vensters in de zijbeuken en het hoge spitsboogvenster in de westgevel
De glas-in-loodvullingen in de vensters van de zijbeuken hebben gebrandschilderde religieuze taferelen in de vier middenvakken en neobarokke patronen met loodstrippen in de overige delen met klaar glas. Volgens een opschrift zijn ze van de hand van de Brugse glazenier Jules Dobbelaere en werden ze in 1913 geplaatst. De glas-in-loodvullingen in de koorvensters zijn in 1958-1959 vernieuwd en hebben alleen een gebrandschilderde randversiering. Het venster in de westgevel is onversierd. Het klaar glas werd gereinigd met water en een detergent. Gelet op de broosheid van de grisaille werd het gebrandschilderde glas zeer voorzichtig gereinigd met zuiver water. De glas-in-loodramen waren in horizontale richting tussen de raambruggen verstevigd met ijzeren bindroeden. Door de oxydatie van deze bindroeden hadden zich roestsporen afgezet op de buitenzijde van het glas. Deze oxydatie kon niet worden verwijderd zonder het glas te schenden. De loodstrippen waren in slechte toestand. Alle panelen werden opnieuw in het lood gezet. Gebroken blanke ruitjes werden vernieuwd. Op advies van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium werden de gebroken gebrandschilderde ruitjes van de figuratieve panelen gelijmd met azijnzuurvrije silicone om de oorspronkelijke tekening niet te storen met bijkomende loodstrippen. De glas-in-loodpanelen werden in de raamvakken gemonteerd en met opgedraaide strippen - de zogenaamde "roosjes" - aan de nieuwe roodkoperen bindroeden bevestigd. Vier tuimelraampjes verzekeren een betere luchtcirculatie in de kerk wanneer dit nodig blijkt. Aan de basis van de ramen zijn
36 •
M&L
^•jttoi ^Wl ^ëMl^^i: L ^Ysi^f 11 >vk ^
v&iwmmm'&ï
«vvrnmmm
^^^ÖK! M
\W
H
41
r Mkt\. wm ; * •• r-.
r3S ii/l; \|. TPJL iet' iiiml
? i,fr^ 11 ai -
.^f
li -
^i «• i .
'd-^
i mm\!
KI;
- ;-t~J| -'H-
'^^i-^-#fi i^m iK^a i r r f ^ l/U
SI;
nk?^
^^ 5S^
Een gebrandschilderd raam door glazenier J. Dobbelaere (foto 0. Pauwels)
Het interieur na de schilderwerken (foto 0. Pauwels)
^rHttlfl 55f 5 _ ^ ; : . 3~ ,![
afvoeropeningen gelaten, zodat het condenswater langs loden gootjes naar buiten kan worden afgevoerd. Nog steeds zijn de vroegere afvoeropeningen te zien in de horizontale raamomlijstingen aan de buitenzijde. Bij het demonteren van het grote glasin-loodraam in de westgevel stelde men vast dat de raambruggen in een ietwat gebogen vorm waren gesmeed, zodat de gehele raamtracering naar buiten was gebuikt. Deze efficiënte constructiewijze zorgde voor een goede weerstand tegen de winddruk die op die plaats erg hevig kan zijn.
HET SCHILDERWERK VAN HET INTERIEUR
• •
Het barokaltaar in de zuidelijke zijbeuk met op de achterwand de ontdekte schaduwschilderingen (foto 0. Pauwels)
Eerst werd de ondergrond onderzocht. Het bestaande schilderwerk, dat dateerde van de herstelbeurt in 1958-1959, was sterk vervuild en vertoonde op vele plaatsen afschilferingen. Waterinfiltraties hadden het pleisterwerk plaatselijk aangetast. De opbouw van de verschillende lagen zag er als volgt uit: op het metselwerk was een aanbrandingsiaag aangebracht bestaande uit een met de borstel gestreken geruwde kalk-zandbepleistering; ongetwijfeld is dit nog de bepleistering van de heropbouw in 1604-1609. Daarop zat een eerste dunne laag kalkpleister en talrijke later aangestreken lagen kalkverf in verschei-
dene kleuren, gaande van wit, lichtblauw, lichtgrijs tot crème. De jongste lagen waren op basis van olie. De losse en verweerde pleisterlagen werden vernieuwd. Met staalwol werd de ondergrond geschuurd. Met in de plamuur aangebrachte wapeningsnetjes van polyestergaas herstelde men zorgvuldig de vele barsten. De afwerkingslaag bestaat uit een verf samengesteld uit oliën en een spanningsneutralisator, met als pigment rutiel titaandioxyde met terpentijnolie als oplosmiddel. Deze verflaag mag na het aanbrengen op de onderliggende kalklagen geen oppervlaktespanningen veroorzaken en moet dampdoorlatend zijn. De eindlaag heeft een egaal mat uitzicht om het aspect van kalkverf te benaderen. De kloostergemeenschap was erg begaan met de uiteindelijke kleurafwerking van de Begijnhofkerk. De zuster zijn trouwens intense gebruikers van de kerk voor hun dagelijkse officies en erediensten. De ivoorkleurige eindlaag, die aanleunt bij een baroktraditie, werd gekozen in overleg met het Monasterium en het Bestuur Monumenten en Landschappen. Na meerdere proeven bekwam men een passende tonaliteit door toevoeging van kleine
#c
j
*'4
Myr^afc-n
I
1 f
1/ l'ISi
- •-
•
B •
*
^ V
•
,
r
r^Sl
38
M&L
hoeveelheden pigmenten rood, geel en gele oker aan de witte basismassa. De bestaande beschildering van de 18de-eeuwse lambrizering is in een zeer kwaliteitsvolle imitatie van eikehout. Dit aspect werd geërbiedigd. Waar nodig is de tekening door een bekwaam vakman hernomen met lijnolie, gepigmenteerd met gebrande omber en getrokken met een marterharen penseel. Daarna werd het houtwerk in de was gezet. Bij het wegnemen van losse verflagen op de eindmuur van de rechter zijbeuk, boven het SintJozefaltaar, vond men sporen van een mogelijk 17de-eeuwse schaduwschildering. Deze zwartschildering werd verder blootgelegd en gefixeerd door de Conserveringsploeg van het Bestuur Monumenten en Landschappen. Dit tijdrovende werk nam in het voorjaar 1991 enkele weken in beslag. Deze grauwzwarte beschildering is gedacht als "repoussoir" om het gebeeldhouwde en gepolychromeerde barokaltaar te benadrukken. De omtrek van deze schaduwschildering laat vermoeden dat vroeger twee knielende engelen het altaar vervolledigden. Verankeringspunten bovenaan het altaarstuk bevestigen dit. Dergelijke zwartschilderingen kwamen méér voor in onze kerkgebouwen in de 16de en 17de eeuw (8).
Detail van de zuidgevel van het koor op de hoek met de oostgevel. Sporen boven het segmentboogvenster duiden het vroegere gotische venster aan. De uitstekende baksteentjes herinneren aan de middeleeuwse dakrand. Bij de herstelling in het begin van de 17de eeuw werden de zijmuren verhoogd. Tijdens de recente restauratiewerkzaamheden is het bovenste gedeelte van het metselwerk vernieuwd, alsook de uitkragende goot en de afleiders. Een goede waterhuishouding is essentieel voor een efficiënt monumentenbeheer. (foto Stad Brugge, Jan Termont)
Nadien raakte deze bijkomende versiering in onbruik. Deze ontdekking wijst er nogmaals op hoe zorgzaam men moet zijn bij het herstellen van oud pleisterwerk en het verwijderen van verflagen. Naar aanleiding van de opfrissing van het interieur werden de schilderijen nagezien en gereinigd in het restauratieatelier van de Stedelijke Musea van Brugge. Ook de barokaltaren werden gereinigd en geretoucheerd. Op initiatief van het Monasterium zijn de rouwborden met wapenschilden van voormalige grootjuffrouwen van het Begijnhof gereinigd en teruggeplaatst en werd het 18de-eeuwse orgel grondig ontstoft. Tenslotte vermelden we nog dat het houten en totaal verweerde sacramentspaneel tegen de oostgevel volledig vernieuwd werd naar een ontwerp van de Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg. Het paneel (1,05 x 0,64 m), dat de gelovige voorbijgangers wijst op de aanwezigheid van het Heilig Sacrament in de kerk, stelt een gouden torenmonstrans voor tegen een azurietblauwe achtergrond met de tekst "ECCE PANIS ANGELORIUM" ("Zie het Brood van de Engelen") (9). Deze restauratiewerken - die zoals bleek bij de ontmanteling van de gootmuren en delen van het daktimmerwerk hoogdringend waren - beoogden in eerste instantie een behoedzaam herstel van buitenen binnenwerk, zonder wezenlijke vormwijzigingen aan te brengen. Dit gebeurde met een gevoelige eerbied voor de vergroeide bouwsubstantie en een vernieuwde aandacht voor de teruggevonden sporen van de schaduwschilderingen achter het rechter zijaltaar (10).
Voetnoten (1) Voorde geschiedenis en het kunstpatrimonium van het Brugse Begijnhof verwijzen we onder meer naar: Hoomaert R., Ce que c'esi un béguimge, Brugge,1921; Idem, Les béguines de Bruges. Leur histoire. leur reglement, leur vie, Brugge, 1924; Idem, Le béguimge pnncier de Bruges. Le passé. Le présent, Brugge,1938; Vromman F., Kunstwerken in de Brugse Kerken en Kapellen. Brugge, 1986. p. 213-220. (2) Devliegher L, De huizen le Brugge, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, dl. 2-3, Tielt-Den Haag, 1968 (1), p. 40-50, Tielt-Amsterdam. 1975 (2),p. 18-24. (3) Als eerste fase maakte de Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg en Stadsvernieuwing een dossier op voor onderhoudswerken aan kerk en sacristie, waarbij de aandacht vooral ging naar schilderwerken en herstel van de daken. Dit dossier werd op 25 oktober 1983 door de Gemeenteraad goedgekeurd en op 13 december 1983, met de vraag voor overheidstoelagen, overgemaakt aan het Ministerie van de
M&L
39
Het nieuwe sacramentspaneel tegen de oostgevel. (foto Stad Brugge, Jan Termont)
(4)
(5)
(6)
(7) (8)
Vlaamse Gemeenschap, met name het Ministerie van Justitie, Bestuur der Erediensten, bevoegd voor het betoelagen van restauratiewerken aan kerkgebouwen. Op 12 december 1985 ontving het stadsbestuur de principiële belofte van toelage, die echter op 28 oktober 1987 werd ingetrokken om nogal verwarrende administratieve redenen. Intussen werd als tweede fase een dossier opgemaakt voor het herstellen van de buitengevels, dat op 28 oktober 1986 werd goedgekeurd door de Gemeenteraad en kort nadien aan de hogere overheid werd overgemaakt. Beide dossiers werden - samengevoegd - in november 1988 ter subsidiëring overgemaakt aan de Algemene Technische Diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, echter zonder gunstig gevolg. Om de zaak verder niet meer te bezwaren met administratieve vertragingen werd, volgens een beslissing goedgekeurd door de Gemeenteraad op 31 oktober 1989, afgezien van overheidstoelagen en kon reeds op 14 december 1989 de aanbesteding doorgaan. De N.V. Gebroeders G. en ir. J. Vandekerckhove uit Ingelmunster was de laagste bieder voor de som van 10.059.507,-fr, (BTW inbegrepen). Onderaannemer PVBA Decruy uit Izegem voerde de schilderwerken uit. De werken startten op 15 mei 1990 en waren op 13 augustus 1991 beëindigd. Door meerwerken aan de dakconstructie liep de uiteindelijke kostprijs op tot 14.399.914,-fr. (BTW inbegrepen). Deze restauratiekosten werden volledig gedragen door het Brugse stadsbestuur. Zie Devliegher L, De opkomst van de kerkelijke houwkunst in West-Vlaanderen gedurende de Xllle eeuw, in Bulletin van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, V, 1954, p. 177-345, VII, 1956, p. 7-12, overdruk Brugge, Genootschap voor Geschiedenis "société d'émulation", 19551957, 2 dln. Brugge, Archief OCMW, Fonds van het Begijnhof, rekeningboek nr. 80,1601-1645, fol. 10r.-15v. De gegevens werden gebundeld door lic. P. Chr. De Baere in een nota Aantekeningen over de bouwgeschiedenis van het Begijnhof te Brugge, Brugge, Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg, Monumenten en Landschappen, jg. 9 nr. 5, september-oktober 1973'. 1990, p. 232-31). Ook is een voorbeeld gekend van een In de periode oktober 1958 - januari 1959 werden de omlijstinschaduwschildering rond het 17de-eeuws barokaltaar in het gen van de koorvensters vernieuwd in kalkzandsteen door aangodshuis Lantschot aan de Falconrui te Antwerpen (zie nemer Camiel Van Acker uit Assebroek, die ook de gevels Manderyck M., Restauratie en herinrichting van de kapel van plaatselijk herstelde en de dakbedekking vernieuwde. Dit kostte het Godshuis Lantschot te Antwerpen, in Monumenten en bijna 5 miljoen frank en werd ten gevolge van de oorlogsLandschappen, jg. 7, nr. 3, mei-juni 1988. p. 34-41. schade door de overheid vergoed. (9) Meulemeester J.L., Sakramentspanelen in Brugge, in Brugge Bundel bewaard in het archief van de Stedelijke Dienst voor die scone, herfst 1991, nr. 3, p. 13. Monumentenzorg, Bruge, Oostmeers 17. (10) De restauratieplannen werden opgemaakt door de Stedelijke Bij de restauratiewerken in het voormalige DominikanenDienst voor Monumentenzorg van de Stad Brugge klooster te Gent vond men sporen van schaduwschilderingen (bouwkundig tekenaar Mare Meulemeester; architect Willy rond de barokke deuromlijstingen in de oostelijke pandgang. Van Daele; diensthoofd ir. architect Luc Constandt). De uitDergelijke versieringen werden reeds in de 16de eeuw voering door het restauratiebedrijf N.V. Gebroeders G. en toegepast, zoals de zwartschildering die in 1567-1568 door ir. J. Vandekerckhove werd op de werf geleid door Carlos Van Jan Leijs werd aangebracht achter het transeptorgel in de Weynsberghe. Met veel interesse volgde Zuster Felicitas van Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (zie Declercq L. het Monasterium van de Wijngaard dagelijks de werkzaamHet materieel-wetenschappelijk onderzoek ter plaatse, in heden. Haar persoonlijke inbreng werd erg op prijs gesteld.
40
M&L
HET GEBOORTEHUIS VAN RENE DECLERCQ TE DEERLIJK ALS MUSEUM GERESTAUREERD MIEK GOOSSENS
"Auch kleine Dinge können uns entzücken..." (Hugo Wolf, Italienisches Liederhuch) De keuken, met doorzicht naar de berging met herstelde broodoven. Bemerk de vloer van aangestampte aarde (foto 0. Pauwels)
In 1979 werd het geboortehuis van de dichter René Declercq te Deerlijk door het gemeentebestuur aangekocht met de bedoeling het als herdenkingsmuseum in te richten. Kort voordien was het huisje om historische redenen als
monument beschermd. De restauratie nam de bescheidenheid van een 18de-eeuwse volkswoning als uitgangspunt. Een puike realisatie van het onderhoudspersoneel van de gemeente.
M&L
41
EEN VOLKSWONING UIT 1790 Dichter René Declercq (1877-1932) werd geboren te Deerlijk in een eenvoudige volkswoning uit de late 18de eeuw, die behoorlijk gaaf tot ons is gekomen. De voorgevel van de sobere baksteenbouw met twee bouwlagen onder zadeldak vertoont twee voordeuren, welke op eenzelfde wijze geaccentueerd worden door een omlijsting van blauwe baksteentjes. Boven de ovale bovenlichten werd de bouwdatum ingewerkt, eveneens met blauwe klompjes: 1790. Mogelijk verwijzen de twee naast elkaar geplaatste voordeuren naar oorspronkelijk twee éénkamerwoningen. Meer waarschijnlijk echter verwijst de dubbele voordeur naar een van bij de oorsprong dubbele functie: een combinatie van woonhuis met winkel/café bijvoorbeeld. De oudste gekende kadastrale gegevens dateren van 1830 en spreken van "een huis en een plaats". Op dat moment is het huis eigendom van een brouwer, wat een aanwijzing is in de richting van een café-functie. Wij weten ook dat in 1876 en in 1888 wijzigingen en verbouwingen aan het huis werden uitgevoerd (1). Wij nemen aan dat het huis toen zijn huidige uitzicht en oppervlakte heeft gekregen. De indeling van het huisje is sindsdien niet meer gewijzigd en bestaat voor de gelijkvloerse verdieping uit twee kamers, elk rechtstreeks toegankelijk vanop de straat, en achteraan een kleine keuken annex berging, waarin een vrij grote broodoven. Een eenvoudige steektrap leidt naar de verdieping die twee slaapkamers omvat en een zolder.
Buste van René Declercq, door beeldhouwer Luc Van Parijs, met op de achtergrond het geboortehuis (foto 0. Pauwels)
Wanneer René Declercq er in 1877 geboren wordt is deze woning bekend als café " Het Damberd" en wordt zij bewoond door een gezin met 16 kinderen. René Declercq heeft slechts 5 jaar in de toenmalige Leegstraat gewoond. De familie betrok algauw een grotere woonst. Sindsdien is het huisje steeds bewoond gebleven maar onderging weinig veranderingen. In de woonkamer werd, vermoedelijk kort na de laatste Wereldoorlog, de vloer vernieuwd en een modieuze kleine schouw geplaatst, geschikt voor een kachel, in vervanging van een grote haard. De laatste bewoonster verliet het huis in 1983. Sindsdien kon werk worden gemaakt van één van de doelstellingen van de ondertussen opgerichte v.z.w. "Stichting René Declercq", gesteund door het gemeentebestuur: René Declercq een passend herdenkingsmuseum geven in zijn geboortehuis.
EERST HET DAK Gezien de slechte toestand van de bedaking werden reeds in 1981 gesubsidieerde dringende herstellingswerken aan de bedaking uitgevoerd. De aanwezige gegolfde Vlaamse pannen werden afgenomen en "geklonken", dit is geselecteerd met het oog op herbruik. De herstelde dakstructuur werd voorzien van een onderdak. De brede dakoverstek aan de voorzijde diende volledig vernieuwd. Er werd geen goot aangebracht, naar bestaande. Hierop deed architect P. Vandekerkhove grondig opmetingswerk. Alle onderdelen, alle details werden opgetekend, zowel binnen als buiten. De woning werd hiertoe binnenin volledig ontmanteld en ontpleisterd, wat precieze observatie en scherpe analyse van de bestaande toestand mogelijk maakte. Hierbij kwamen een aantal interessante sporen aan het licht van verdwenen bouwonderdelen, onder meer van de haard. Bouwfysisch bleken geen onoverkomelijke problemen te bestaan. Wel diende de lage achtergevel, vermoedelijk gebouwd in de late 19de eeuw, te worden gesloopt en hermetseld, gelet op zijn nauwelijks bestaande funderingen. Van de roosteringen met eenvoudige moer- en kinderbalken, bleek slechts één balkkop verrot.
EEN PROGRAMMA EN HOE HET OOK KAN Knelpunt echter werd het programma dat men dacht te kunnen realiseren in de bescheiden volkswoning. De idee was namelijk gegroeid om de verdieping in te richten als een "polyvalente ruimte voor circa 30 personen", met mogelijkheid tot vergaderen.
42
M&L
inqj IJ Bi lifm
OOORSNEDE BB
(tekeningen P. Vandekerkhove)
expo, projectie en dia-vertoningen. Hiertoe dienden n i e t enkel de scheidingsmuren tussen de beide slaapkamers verwijderd; men opteerde om de ruimte open te maken tot in het dak met verwijdering van de zoldervloer. Afgezien van de financiële consequenties, had deze vrij ambitieuze optie een aantal negatieve implicaties op de authenticiteit van een volkswoning. Vooreerst zou de roostering van moer- en kinderbalken moeten verstevigd worden in functie van een draagkracht voor 30 personen. Mogelijk hadden deze verstevigingswerken ook repercussies op de eenvoudig uitgewerkte funderingen, die te zwak zouden blijken voor een bijkomende belasting. Verder waren er de noodzakelijke isolatiewerken van het zichtbaar te laten dakgebint. De eenvoudige steile steektrap bleek onveilig voor intens publiek gebruik. Eén kamer van de gelijkvloerse verdieping zou aldus opgeofferd dienen te worden voor de realisatie van een veilige trap. Daarenboven eiste de brandweer minstens één bijkomende vluchttrap, waartoe een buitentrap zou gebouwd worden tegen de thans vrijstaande zijgevel. Aansluitend aan de functie deed zich de nood gevoelen aan uitgebreid sanitair en vestiaire, en aan een complex verwarmings- en verluchtingssysteem... De in wezen goede bedoeling om dit monument een nieuwe bestemming te geven bleek een te ambitieus programma en zou de volkswoning teveel geweld aangedaan hebben. Aangezien het Bestuur ervan
overtuigd was dat de integriteit en het karakter van het huisje zouden worden aangetast, werd het voorontwerp dan ook geweigerd. Ook plaatselijk groeide het inzicht dat zulk programma niet te verzoenen was met het karakter van het monument. De realisatie van deze optie leverde misschien een bruikbaar vergaderlokaal op, maar zou de sfeer van het geboortehuis van de Vlaamse volksdichter hebben vernietigd. Na vruchtbare gesprekken, zowel met het gemeentebestuur als met de leden van de Stichting René Declercq, werd aanvaard om de gegeven toestand van het huisje als vertrekpunt te nemen en de bestaande indeling en karakter van de kamers niet te wijzigen. Aldus kon de gelijkvloerse verdieping gemakkelijk de leefomstandigheden evoceren van eenvoudige mensen in de late 19de eeuw, periode waarin het huis bewoond was door de familie Declercq. In de grote woon/gelagkamer kunnen niet enkel de bezoekers worden ontvangen; hier kan ook een beperkte vergadering doorgaan in een stemmig kader. In de kleinere ruimte rechts van de woonkamer zouden meubelen geplaatst worden die aan René Declercq persoonlijk hebben toebehoord. In de keuken werd de aanvankelijk ontworpen installatie niet gerealiseerd daar deze niet paste in het kader. De aanwezige blauwe steen met pomp voldoet voor het sporadisch gebruik. De broodoven in de
M&L
43
berging werd beschouwd als bijkomende attractie voor de bezoekers. De verdieping werd voorbehouden voor het archief van René Declercq, dat er tentoongesteld zou worden in kaders en in kijkkasten. De verwijdering van de scheidingsmuur tussen beide slaapkamers zou dan een verlies van ophangmogelijkheden betekenen.
de vloer. Voor het uitzicht en de afwerking werd gewerkt naar analogie met nog bewaarde open haarden in de onmiddellijke omgeving (3). Uit prospectie bleek dat de achterwand van dergelijke haarden, evenals de zijwangen, steeds bepleisterd waren, en dat de gedisselde houten schouwbalk afgedekt werd met een eenvoudig schouwberd, beide geschilderd. Aldus geschiedde.
HET MINI-CONCEPT GEREALISEERD
De balkenlaag van moer- en kinderbalken van de eerste roostering werd enkel gereinigd met water en met een lichte toeslag St-Marc; er werden geen sporen van beschildering op aangetroffen. De roostering van de verdieping was bepleisterd en bleef zo.
De realisatie van dit bescheiden programma bleek binnen de eigen mogelijkheden van de gemeente te liggen, en er werd beslist af te zien van alle verdere subsidiëringsaanvragen en dossieropmaak. Jaarlijks werd een som van 250.000,- frank voorzien op de gemeentebegroting voor werken aan het museum René Declercq. Op voor hen passende tijdstippen, voornamelijk tijdens de kalmere winterperiodes, werden de werken uitgevoerd door het onderhoudspersoneel van de gemeente. Het Bestuur Monumenten en Landschappen werd verzocht de begeleiding te doen. Deze vrij ongewone werkwijze kende een aarzelende aanpak in de winter van 1987, maar groeide gaandeweg naar een plezierige werksfeer waarbij de progressief bekomen resultaten voor onverwachte voldoening zorgden. De periodische uitvoering maakte bijsturing mogelijk. Naarmate het enthoesiasme groeide kon de kwaliteit van het werk worden opgedreven, waarbij een zelden gekende aandacht voor het detail en de "Originalsubstanz" werd bekomen. Gelet op het bescheiden karakter van de gebruikte materialen was dit een niet zo evidente zaak. Alhoewel niet "gespecialiseerd" bleken deze werklieden een buitengewone gevoeligheid aan de dag te leggen voor de oude materie en over een onvermoede kennis te beschikken van het oude ambacht (2). In de woonkamer en de keuken werd een recent geplaatste vloer verwijderd. Naar het voorbeeld van de bestaande vloer in de kleine voorkamer werd zij vervangen door een blauwe recuperatie-tegel van hetzelfde formaat (13 x 13 cm) en eveneens geschrankt geplaatst zonder voeg, gedreven in de volle kalkmortel. In de grote woon/gelagkamer werd een grote Vlaamse haard de blikvanger. De reconstructie ervan was perfect mogelijk gelet op de belangrijke, tijdens het vooronderzoek teruggevonden sporen: behouden raveelconstructie in de zoldering die de grootte van de boezem bepaalde, sporen in de achterwand waardoor de exacte hoogte van de wangen kon worden afgelezen. De breedte ervan werd bepaald door de teruggevonden funderingen onder
In de berging naast de keuken, werd het gescheurde en deels ingestorte gewelf van de broodoven hermetseld over een formeel van aangestampte zavel. Een recuperatie klinkaartsteen (15 x 6,5 x 4 cm) werd verwerkt met refractaire cement. Over het gewelf werd een leemlaag gestreken ter dichting van alle openingen, waarover een laag grof zand ter isolatie. De balkkop die in dezelfde berging verrot bleek, werd traditioneel verschoeid en verstevigd met een ijzeren las. De lemen bevloering bleef er behouden. Voor de restauratie ervan werd te rade gegaan bij één van de zeldzaam wordende "bollehanen" te Deerlijk (4). De gebruikte samenstelling
44
^^^^H
M&L
-m"*'" WÊÊÊgM
Pfe^ p^. tmt
1 t ± M \ -jj m \ ^
^
«
1
UffJI'VL
^Ëtom In de kleine kamer vonden meubelen en voorwerpen die persoonlijk aan René Declercq hebben toebehoord een plaats (foto 0. Pauwels)
In de voormalige galag- en woonkamer vormt de gereconstrueerde haard de blikvanger (foto 0. Pauwels)
van de harde afdekkingslaag van dergelijke leemvloeren is als volgt: leemgrond, ter plekke te Deerlijk opgegraven, met toevoeging van een deel roggemeel en een deel ossebloed. Dit mengsel werd bewerkt met een platte rakel en stevig aangedamd. De eenvoudige steektrap naar boven bleef behouden. Zijn betimmering werd ontdaan van vele lagen behangpapier en herschilderd naar de oudste laag. Op de verdieping werd een aanwezig 18de-eeuws schouwtje van blauwe klompjes als open haard gerestaureerd. Alle binnendeuren, in hun armoedige verscheidenheid, bleven behouden. Zij werden gereinigd en herschilderd naar de onderste laag: een vaal grijs-groen. De binnenmuren werden drooggelegd en daarna herpleisterd; na het aansmeren uit de hand met de troffel werd de pleisterlaag geborsteld en afgewerkt met een laag witselkalk. Naar oude gewoonte werd geen plint geplaatst. De verlichting van de gelijkvloerse verdieping gebeurt met gloeilampen, "peertjes" onder glazen kapje, één per kamer. Enige laag geplaatste stopcontacten zorgen voor bijkomende mogelijkheden voor bepaalde gelegenheden. De verdieping kreeg verlichting met kleine spots op de documenten. De verwarming gebeurt met bescheiden elektrische elementen die onder de vensters werden geplaatst. Een standaard sanitair werd gerealiseerd in het
kleine stalletje. De oude houten "plee" bleef als merkwaardigheid bewaard. In het kleine tuintje werd een gazonnetje gezaaid als omlijsting voor de aanwezige hortensiastruik en de seringenboom. Als laatste werd de voorgevel gerestaureerd. Deze vertoonde vele opeenvolgende lagen van afwerking in verschillende kleuren. De jongste lagen waren baksteenrood. Op de deuromlijstingen en het jaartal daarentegen zat één afwerkingslaag van felgroene olieverf. Ook uit oude foto's bleek dat deze afwerking niet ouder was dan de jongste Wereldoorlog. Aangezien de elementen van blauwe klompjes opvallend gaaf konden worden gereinigd, werd beslist deze niet opnieuw van een afwerkingslaag te voorzien. Het bakstenen parament werd echter - na reiniging met water onder lage druk opnieuw rood geschilderd, aangezien deze felle kleur hoorde bij het vertrouwde beeld dat we van het huisje Declercq hebben. Er werd wat geëxperimenteerd met baksteengruis en met in de handel verkrijgbare universele pigmenten, gemengd in witselkalk, doch deze gaven nooit de vereiste
M&L
45
De voorgevel van het geboortehuis van René Declercq, na restauratie (foto 0. Pauwels)
De voorgevel van het geboortehuis van René Declercq, na restauratie (foto 0. Pauwels)
dieprode nuance in de kleur. Uiteindelijk werd het parement herschilderd met een minerale verf, in twee lagen aangebracht naar het voorschrift van de fabrikant. Het schrijnwerk werd volledig vernieuwd naar bestaande, met uitzondering van de twee ramen op de gelijkvloerse verdieping, die nog in behoorlijke staat verkeerden. Alle houtwerk werd met olieverf geschilderd in de aanwezige wit/groene kleuren.
wijzen hebben deze voornaamste karakteristiek benadrukt, hetgeen ook voor het spaarzaam ingebrachte meubilair geldt. Moraal van dit verhaal: eenvoud siert. Te onthouden voor gebieden waarin chronisch geldgebrek heerst.
Op 9 juni 1991 kon het museum René Declercq worden geopend (5).
(1) Deze gegevens zijn ontleend aan het voorontwerp van architect P. Vandekerkhove. (2) Wij vernoemen: Jacques Goeminne, metser en Raf Labeeuw, schrijnwerker, bijgestaan door Jacques Lamont; werkleider Frans Van Wynsberge. Een speciale vermelding van de inzet voor dit project van Arnold Van Tieghem, Schepen van Openbare Werken is hier op zijn plaats. (3) Met dank aan de speurzin van onze collega Jos Stroobants. Meer bepaald werd hier als voorbeeld genomen, een schouw in een 18de-eeuwse hoeve te Deerlijk die onveranderd was gebleven, in een kamer omgevormd tot bergruimte. (4) Zijnde volksspelen waarbij houten schijven op een terrein van aangestampte aarde worden uitgespeeld. (5) Contactadres voor museum en documentatiecentrum: Gemeentebestuur Deerlijk - 056/71.44.02 vragen naar Gemma Defraeye.
BESLUIT Een volkshuisje uit 1790 is niet langer een woning, maar werd gerestaureerd als herdenkingsmuseum voor een dichter die er geboren werd. De ietwat armoedige eenvoud, eigen aan volkse architectuur, bleef hierbij gerespecteerd. De reconstructie van enkele bouwonderdelen en de oude afwerkings-
VOETNOTEN
46
Sint-Pieterskerk te Leuven, ontwerp voor een altaar, opstand, architect P, Langerock, 1912 (RBC, 67/11/9, detail, foto 0. Pauweis, copyright KMKG)
M&L
VLAAMSE EN BRUSSELSE MONUMENTEN IN HET PLANNENFONDS VAN HET REPERTORIUM VAN HET CULTUREEL BEZIT Thomas Coomans (1)
In het raam van de preventieve maat-
er enige systematische ordening
regelen ter bescherming van het
doorgevoerd. Toen de oorlogsdreiging
roerend en onroerend patrimonium in
afnam, werd de dienst opgeheven en
geval van een gewapend conflict,
kwam haar archief in de vergetelheid
werd door de Belgische staat een
terecht. Onlangs ontdekte men de
"Dienst voor het Cultureel Bezit"
plannen in de Koninklijke Musea voor
opgericht. Die bestond van 1952 tot
Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark
1960. Het was de bedoeling voor de
te Brussel, en een wetenschappelijke
nationale monumenten een zo volledig
inventarisatie ging van start. Het fonds
mogelijke documentatie aan te leggen
telt 2730 documenten, grotendeels
om de restauratie, eventueel de recon-
daterend uit de periode 1850-1930.
structie mogelijk te maken van
Ze hebben betrekking op 125 monu-
beschadigde of vernielde gebouwen.
menten, zowel burgerlijke als religieuze
De dienst verzamelde wel plannen,
gebouwen, 11 gelegen in Brussel,
maar geen enkel samenhangend
94 in het Vlaamse land.
dossier werd gerealiseerd, noch werd
M&L
Paleis van de Grote Raad (heden Stadhuis) te Mechelen, reconstructie, westgevel en langsdoorsnede, architecten P. Langerock en Ph. Van Boxmeer, 1906 (RBC, 77/1/5, foto 0 . Pauwels, copyright KMKG)
47
OORLOG EN CULTUREEL ERFGOED IN DE JAREN VIJFTIG Het roerend zowel als het onroerend patrimonium had in Europa zwaar te lijden van de Tweede Wereldoorlog. Elk land voor zich had schuilkelders ingericht en beschermende maatregelen genomen, die, ondanks hun individueel en geïmproviseerd karakter, toch vrij afdoende waren gebleken (2). Na 1945, tegen de achtergrond van de gespannen internationale verhoudingen tijdens de koude oorlog, vaardigde de UNESCO internationaal geldende richtlijnen uit, om gezamenlijk van de opgedane ervaringen te leren, maar ook om de meest doeltreffende maatregelen te kunnen nemen. De referentietekst in dit verband is de Conventie van Den Haag, die in 1954 werd geratificeerd (3). In deze specifieke context stelde de Belgische staat een interministeriële cel samen, "Groep 21" genaamd, belast met het treffen van de nodige maatregelen ter bescherming van het nationaal erfgoed (4). Enerzijds moesten ondergrondse schuilkelders gebouwd worden, waarin de meesterwerken van het roerend kunstbezit een veilig onderkomen zouden krijgen. Voor het onroerend patrimonium anderzijds, moest er in situ beschermend materiaal ter beschikking staan, en diende men restauratiedossiers samen te stellen. De eerste stap, in 1952 al, was de oprichting van de Dienst voor het Cultureel Bezit, die inventarissen
j J| J i Urjni, , „ , S, pul,, £,:,. „I, J,!,J|
gtasgigip:,-.
opstelde van het te beschermen patrimonium (5). Op basis van thematische inventarissen, die het bezit naar gelang de belangrijkheid in 3 categorieën indeelde (6), en ook van topografische repertoria (7), werden tussen 1953 en 1956 een vijftal schuilkelders gebouwd, twee in Brussel en verder één in Brainel'Alleud, Antwerpen en Mariemont (8). Wat de 'nationale monumenten' betreft, kregen negen gebouwen preventie-materiaal tegen brand ter beschikking (9), maar het Ministerie van Openbare Werken startte ook met een systematische foto-
Kasteel van Laarne. opmeting van de plattegrond, vóór de werken, architect P. Langerock. 1912. (RBC. 61/1/1, foto 0 . Pauwels. copyright KMKG)
• • Onze-LieveVrouwekerk te Vilvoorde, niet gerealiseerd schetsontwerp van een nieuwe torenspits, architect P. Langerock. zonder datum (RBC. 114/3/5, foto 0 . Pauwels. copyright KMKG)
t
Hl é
nr^ir
f
48
M&L
>^HMU »
Sint-Amanduskerk te Geel, restauratieontwerp noordergevel, architect P. Langerock, 1900 (RBC, 31/2/5, foto 0 . Pauwels, copyright KMKG)
Sint-Pieterskerk te Leuven, Kapittelzaal, restauratieproject, noorderzijde, architect P. Langerock. 1907 (RBC, 67/1/6, foto 0 . Pauwels, copyright KMKG)
grammetrische opnamecampagne (10). Het was de bedoeling dat de documentatie vervolledigd zou worden met plannen, foto's, en bouwhistorische rapporten, om zodoende restauratiedossiers samen te stellen, die een restauratie of reconstructie zouden mogelijk maken van door oorlogsschade getroffen gebouwen. Tijdens haar tienjarig bestaan realiseerde Groep 21 slechts ten dele haar doelstellingen. Wrijvingen tussen diensten onderling, budgettaire problemen, de evolutie van het internationale klimaat en de politieke verwikkelingen te lande in de jaren 19541960, zijn zeker niet bevorderlijk geweest voor de realisatie van het ambitieus maar vooruitziend programma. Er werd dan ook in 1963 definitief van afgestapt.
HET PLANNENFONDS VAN HET REPERTORIUM VAN HET CULTUREEL BEZIT • • Smt-Walburgakerk te Oudenaarde, perspectief van de toren na het bombardement van november 1918, architect P. Langerock, 1921 (RBC, 87/9/1, foto 0. Pauwels, copyright KMKG)
De 'Dienst van het Repertorium van het Cultureel Bezit', onder leiding van Jean Helbig (11), vond onderdak in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark te Brussel. Eerst werden de repertoria opgesteld (12), nadien verzamelden de paar personeelsleden die de dienst toen nog telde, de plannen voor de beoogde, nog samen te stellen restauratiedossiers. Slechts één dossier blijkt volgens model gerealiseerd te zijn. Toen de dienst dan in 1960 opgeheven werd, beland-
den de plannen in wanorde in de kelders van de Koninklijke Musea, waar wij ze in 1989 ontdekten. Een vluchtige kennismaking bewees de belangrijkheid van het fonds. Wij begonnen daarop met de ordening en de wetenschappelijke inventarisatie (13). We hadden een dubbel doel voor ogen: de waarde van de plannen belichten, maar ook hun bruikbaarheid en toegankelijkheid voor onderzoekers optimaliseren. Het fonds bezit 2730 documenten over 125 zowel burgerlijke als religieuze monumenten in België. Het grootste deel zijn plannen van restauraties, uitgevoerd in de loop van de tweede helft van de 19de en het eerste kwart van de 20ste eeuw. De doorgevoerde ordening verzamelde rond ieder gebouw de betreffende documenten. De grootte van de verzamelde documentatie varieert: soms is er slechts één document, voor andere gebouwen zijn er meerdere. De documentatie over grotere gebouwen werd in coherente reeksen geordend, soms vertrekkend van de ontwerpen van architecten, dan weer van de bouwonderdelen (vensters, sacristie, koor, doksaal, mobilair, enzovoort), of ook de aard van de plannen (opmetingsplans, uitvoeringsplans). In sommige gevallen wordt het restauratieverloop gevolgd, van de plannen van de bestaande toestand tot de uitvoeringsplannen, over schetsen en ontwerpen. De kwaliteit van de documenten varieert
I
: .
50
Onze-LieveVrouwekerkte Aarschot, niet gerealiseerd ontwerp voor een nieuwe torenspits, zuid- en westgevel, architect P. Langerock, 1901 (RBC, 1/4/20, foto 0. Pauwels, copyright KMKG)
M&L
a. ,.„.„.1.,:;J,^^...-..a,.
Architectuurplannen zijn gewoonlijk verspreid over verschillende instellingen, zelden zijn ze geïnventariseerd (14) en nooit als gedetailleerde inventarislijsten gepubliceerd. In dit geval hebben we een zo volledig mogelijke inventaris willen opstellen. Naast de beschrijvende steekkaart per document (15) heeft de gebruiker voor elk gebouw eveneens archivale en bibliografische correlatieverwijzingen naar andere archieffondsen, uitgegeven bronnen of publikaties te zijner beschikking. Een algemene bibliografie en indices, opgesteld volgens de normen van het Algemeen Rijksarchief, vervolledigen de inventaris.
HERKOMST VAN DE DOCUMENTEN IN HET PLANNENFONDS De dienst van het Repertorium van het cultureel bezit blijkt weinig methodisch te werk te zijn gegaan in haar zoektocht naar documentatiemateriaal voor de beoogde restauratiedossiers. Immers voor belangrijke gebouwen zijn er nauwelijks documenten aanwezig, en minder belangrijke zijn dan weer overvloedig gedocumenteerd. Ter verontschuldiging weze aangestipt dat de dienst haar werkzaamheden moest staken zonder dat het einddoel nog maar in zicht was. Dat verklaart de lacunes en het onevenwicht in het fonds. Hoe dan ook, de oorsprong van het samengebrachte materiaal is uiteenlopend. De dienst blijkt zowel gemeentebesturen als architecten aangesproken te hebben. Zo leverde de technische dienst van de stad Gent de copies van een stel plannen van een vijftiental gebouwen. Architecten als Luc Viérin of Victor Martiny of de gezaghebbende kunsthistoricus kanunnik Thibaut de Maisières bezorgden opmetingsplannen van gebouwen die onder hun leiding waren gerestaureerd of die ze hadden bestudeerd. Toch tasten we in het duister voor wat de herkomst van een groot deel van het plannenfonds betreft. eveneens: originele, gekleurde plannen, afdrukken op papier en kalk, of fotografische reproduktie. Een aantal plans draagt het visa van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, van de Minister van Justitie of van de kerkfabriek. In sommige reeksen komt niet alleen de architectuur, maar ook het religieus mobilair aan bod: altaar, koorgestoelte, doksaal, glasramen, orgelkast en uitrustingen van allerlei aard. In zeldzame gevallen werden ook archiefstukken teruggevonden, zoals lastencohiers, quantabestekken, borderellen of correspondentie.
Hoe te verklaren dat het fonds de originele plannen bezit van Joseph Poelaert voor het Justitiepaleis in Brussel? Hoe kwam het zonderlinge project van 1847 voor een nieuwe gevel voor de Onze-LieveVrouwekerk te Brugge, van de hand van Pierre Buyck er in terecht? Hoe belandden er de restauratieplannen van de Onze-Lieve-Vrouw-tenPoelkerk te Tienen, opgesteld in 1876 door Auguste van Assche? Maar, veruit het omvangrijkste lot van het plannenbezit is afkomstig uit het door architect Pierre Langerock nagelaten atelier.
M&L
Kinderen Alynshospitaal (heden Museum voor Volkskunde) te Gent, restauratieproject, gevel van de kapel aan de Binnenplaatszijde, architect V. Vaerwijck, 1909 (RBC, 34/4, foto 0. Pauwels, copyright KMKG)
Sint-Michielskerk te Hekelgem, niet gerealiseerd ontwerp voor de reconstructie van de zuidergevel, architect G. Hansotte, 1876 (RBC, 50/1/4, foto 0 . Pauwels, copyright KMKG)
51
Inhoudstafel van het archieffonds volgens de ordening van de inventaris: seriemimmer, plaatsnaam, identificatie van het gebouw en, tussen haakjes, het aantal documenten in de reeks. I. Aarschot, Onze-Lieve-Vrouwekerk {206); 2. Aarschot, Villa Persy (1); 3. Alsemberg, Onze-Lieve-Vrouwekerk (5j; 4. Anderlecht, Sint-Pieters- en Guidokerk (111); 5. Antwerpen, Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (18); 6. AnWerpen, Sint-Jacobskerk (!); 7. Antwerpen, Sint-Pauiuskerk (6); 8. Antn'erpen, Boerenbond (1); 9. Binche, Sint-Ursmerkerk {165); 10, Binche. Stadhuis en station (2); 11. Blamberg (Herselt), Onze-Lieve-Vrouwekerk (1); 12. Bosvoorde, SintHubertuskerk (5); 13. Brugge, Onze-Lieve-Vrouwekerk (86); 14. Brugge, Sint-Salvatorskathedraal (3); 15. Brugge, Stadhuis (1); 16. Brugge, Gentpoort (17): 17. Brugge, Smedepoort (7); 18. Brussel, Sint-Goedele- en Michielskathedraal (11); 19. Brussel, Kapellekerk (2); 20. Brussel en Eisene, Terkamerenabdij (5); 21. Brussel, Stedebouwontwerp (10): 22. Brussel, Herenhuis d'Ursel (4); 23. Brussel, Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (36); 24. Brussel. Justitiepaleis (8): 25. Deurne (Diest), Sint-Engelbertuskerk (l); 26. Diest, Onze-Lieve-Vrouwekerk (1): 27. Diest. Sint-Sulpitiuskerk (1); 28. Diksmuide. Sint-Niklaaskerk (5): 29. Dilbeek, Sint-Ambrosiuskerk (4); 30. Floriffoiu. Sint-Geertruidekerk (1); 31. Gee/, Sint-Amanduskerk (42); 32. Cenr, Sint-Baafskafhedraal (6): 33. Gent, Sint-Baafsabdij (5); 34. Gent. Kinderen Alijnshospitaal (10); 35. Gent, Gemeentelijk archief (2); 36. Gent, Bijloke (3); 37. Gent, Beurs (8); 38. Genf. Grote Sikkel (7); 39. Gent, Gravensteen (4); 40. Gent, Lakenhalle en Belfort (17); 41. Ge«J, Stadhuis (22); 42. Gent, Hotel d'Haene-Steenhuyse (4); 43. Gent, Museum voor Sierkunst (16); 44. Gent, Gemeentelijke gebouwen (2); 45. Geraardsbergen, Stadhuis (1); 45bis. Grand-Reng, OnzeLieve-Vrouwekerk (1); 46. Grote-Brogel, Sint-Trudokerk (9); 47. Hakendover, Sint-Salvatorskerk (20); 48. Halle. SintMartinusbasiliek (2); 49. Ham-sur-Heure, Kasteel (1): 50. Hekelgem. Sint-Michielskerk (30); 51. Hoksem, Sint-JanEvangelistkerk (1): 52. Holsbeek, Sint-Mauruskerk (6); 53. Houtem, Onze-Lieve-Vrouwekerk (12); 53bis. SintMargriet-Houtem, Sint-Margrietkerk (3); 53ter. Huizingen, Sint-Jan-Baptistkerk (1); 54. Hoei, Bethléemportaal (3); 55. henberge, Sint-Mildrethakerk (2); 56. Kortenaken, Sint-Araorkerk (2); 57. Kortrijk, Onze-Lieve-Vrouwekerk (7); 58. Kortrijk. Onze-Lieve-Vrouwegasthuiskapel (6); 59. Kortrijk. Postkantoor (2); 60. Kortrijk, Stedebouwontwerp (2); 61. Laarne, Kasteel (12); 62. t a Converserie (Tenneville), Sint-Hubertuskape! (4): 63. Laken. Voormalige Onze-Lieve-
Vrouwekerk (1); 64. Lampernisse. Heilige Kruisverheffingskerk (4); 65. La Roche-en-Ardeme^ Sint-Niklaaskerk (2); 66. Leefdaal, Sint-Lambertuskerk (1); 67. Leuven, SintPieterskerk (23); 68. Leuven, Sint-Jacobskerk (53); 69. Leuven, Onze-Lieve-Vrouw-Ten-Predikherenkerk (1); 70. Leuven, Sint-K wintenskerk (I); IX.Luik. Sint-Jacobskerk (23): 72. Luik, Sint-Maartenskerk (1); 73. Luik, Hotel d'Ansembourg (4); 74. Lier. Sint-Gummaruskerk (5); 75. Mechelen, SintRomboutskathedraai (14); 76. Mechelen, Onze-Lieve-VrcwwOver-de-Dijlekerk (18); 77. Mechelen, Paleis van de Grote Raad (38); 78. Mechelen, Marie Coloma Instituut (2); 79. Mélin. Onze-Lieve-Vrouwekerk (1); 80. Messelbroek, Sint-Michielskerk (2); 81. Bergen, Sint-Waudrakerk (3): 82. Neerijse, Sint-Pieters- en Pauluskerk (1); 83. Nieuwpoort, Onze-LieveVrouwkerk (5); 84. Onze-Lieve-Vrouw-Lomheek, Onze-LieveVrouwekerk (14): 85. Oplinter, Sint-Genovevakerk (47); 86. Opvelp, Sint-Lambertuskerk (3); 87. Oudenaarde, SintWaiburgakerk (229); 88. Oudenaarde, Onze-Lieve-Vrouwkeik van Pamele (1); 89. Oudenaarde, Stadhuis (179); 90. Oudenaarde, Lakenhalle (17); 91. Outgaarden, Sint-Niklaaskerk (1); 92. Oud-Heverlee, Sint-Annakerk (16); 93. Overijse, Sint-Maartenskerk (3); 94. Poperinge, Sint-Bertinuskerk (4); 95. Ronse, Sint-Maartenskerk (7); 96. Rumbeke, Sint-Pieters-en Pauluskerk (4); 97. Saint-Hubert, Sint-Hubertusbasiliek (7); 98. Saint-Séverin-en-Condroz, Sint-Pieters- en Pauluskerk (40): 99. Schaffen, Sint-Hubertuskerk (1); 100. Scherpenheuvel, Onze-Lieve-Vrouwebasiliek (4); 101. Scherpenheuvel, Pastorie (2): 102. Schilde, Schuur (1): 103. Stalhille, Sint-Jan-Baplistkerk (4); 104. Steenhuffel. Sint-Genovevakerk (1); 105. Tienen, Sint-Germanuskerk (64); 106. Tienen, Onze-Lieve-Vrouw-tenPoelekerk (28); 106bis. Tienen, Aartsbischoppelijk College (1); 107. Tongeren, Onze-Lieve-Vrouwebasiliek (3); 108. Tongerlo, abdij (1); 109. Doornik, Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (18); 110. Doornik, Onze-Lieve-Vrouwekapel (14); 111. Doornik, Sint-Bricekerk (1);! 12. Doornik, Sint-Niklaaskerk (1); 113. Vertrijk, Onze-Lieve-Vrouwekeric (36); 114. Vilvoorde, Onze-Lieve-Vrouwekeric (87); 115. Vilvoorde, Ursulinen Instituut (1); 116. Wakourt, Onze-Lieve-Vrouwebasiliek (625); 117. Waver, Sint-Jan-Baptistkerk (13); 118. Westerlo, Nieuw Kasteel (1): 119. Wtnksele-Delle. Heilig Hartkerk (1); 120. Wintershoven. Sint-Pietersbandenkerk (3); lll.SintLambrechts-Woluwe, Kapel Lenneke Mare (1); 122. Niet geïdentificeerde dokumenten (37).
52
Sint-Genovevakerk te Oplinter, restauratieontwerp van het koor, doorsnede, architect P, Langerock, 1912 (RBC, 85/2/4, foto 0. Pauwels, copyright KMKG]
m 0 a 1, Sint-Germanuskerk, niet gerealiseerd neoromaans restauratieontwerp van de westpartij, opstand en doorsneden van de noordgevel, zonder naam, zonder nummer (RBC, 105/1/9, foto O, Pauwels, copyright KMKG) 2, Sint-Germanuskerk te Tienen, project van een koperen kandelaar op gas, architect P, Langerock, 1905 (RBC, 105/3/17, toto 0. Pauwels, copyright KMKG) 3, Stadhuis van Oudenaarde, restauratie van de voorgevel, opstand, architect P, Langerock, 1922 (RBC, 89/1/3, foto O, Pauwels, copyright KMKG)
M&L
ARCHITECT PIERRE LANGEROCK EN DE MONUMENTENZORG Circa 1955 schonken de erfgenamen van architect Pierre Langerock aan de dienst van het Repertorium het archief dat betrekking had op de historische gebouwen die hij restaureerde. Tot nu toe kende de kunstgeschiedenis Langerock voornamelijk als auteur van een monumentaal ontwerp voor de basiliek van Koekelberg of van het nieuwe kasteel te Westerlo (16). Een recente studie (17) telde een 130-tal realisaties en projecten van Pierre Langerock in de periode 1884 -1923. In het plannenfonds komen slechts een 60-tal werken van Langerock voor, en het zijn nagenoeg allemaal restauraties (18). Langerock, in 1859 te Gent geboren en gevormd in de neogotische architectuur, zoals die in de Gentse Sint- Lucasschool werd onderwezen, werkte tot 1889 in het architectenatelier van Joris Helleputte te Leuven. Daar start hij een zelfstandig atelier, dat zijn activiteiten tot het hele land zal uitbreiden. Na zijn dood in 1923 worden zijn opdrachten voltooid door zijn zonen Julien en Arthur, beiden architect. De belangrijkste realisaties van Pierre Langerock in het Vlaamse landsgedeelte zijn de kastelen van Westerlo, van Retie en van Hovorst, het gemeentehuis van Desteldonk, van Wezemaal, van Retie, het postgebouw van Oudenaarde en van Kortrijk,
}!«£• ^ p j f e I " . , ft-p. , - — . t 4 :1 V,.- — .,:.
de kerken te Bosvoorde, Heultje, Holsbeek, Sint-Pieters-Rode, Wilsele- Putkapel, WinkseleDelle en Wintershoven, evenals talrijke pastorieën, scholen, kloosters en woonhuizen. Aan de hand van de bewaarde plannen weten we hoe hij ook de belangrijkste gotische monumenten te lande restaureerde. Zo leidde hij de werven van het stadhuis van Oudenaarde, van de Onze-LieveVrouwekerk te Aarschot, de Sint-Walburgakerk te Oudenaarde, de Sint-Pieter-en-Guidokerk te
M&L
53
Anderlecht, de Sint-Amanduskerk te Geel, de SintPieterskerk te Leuven, de Sint-Germanuskerk te Tienen en de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Vilvoorde. Ook het kasteel van Laame en het Paleis van de Grote Raad te Mechelen staan op zijn actief.
Al deze restauraties zijn uitzonderlijk goed gedocumenteerd in het plannenfonds. Bovendien zijn er de opmetingsplannen die ons informeren over de toestand vóór de restauratie, en ontwerptekeningen lichten ons in over het mobilair (19). Andere paradepaardjes van zijn restauraties, zoals het stadhuis van Leuven, van Geraardsbergen of van Borgloon, de Sint-Kwintenskerk te Leuven, de kastelen van Ruilingen en van Grimbergen komen dan weer niet in het fonds voor. Hij was door de kerkelijke overheid officieel aangesteld als ontwerper voor het diocees Mechelen, en in die hoedanigheid leidde hij gedurende een kwart eeuw nagenoeg alle restauraties van de kerken of hun vergroting, in het arrondissement Leuven.
Sint-Walburgakerk te Oudenaarde, voorontwerp orgel, vooraanzicht, architect P. Langerock, 1914 (RBC, 87/7/5, foto 0. Pauwels, copyright KMKG)
miU-btr
faaF\Oi%%irïLE~
n>&- _^OiS
W/«LftO^CrE-
n-/ = ltJrofcl-lfiF\-nï&:..-
Zijn 'archeologische' kennis van de gotische stijl (20) liet Langerock toe het gebouw zo getrouw mogelijk zijn 'oorspronkelijke' vorm terug te geven. In zijn voorkeur voor de gotische stijl (20) bezondigde hij zich wel eens aan een te ver doorgedreven 'eenheid van stijl' die toen, gezien de tijdgeest, aan de verwachtingen beantwoordde. Het voorbeeld bij uitstek is ongetwijfeld de reconstructie van het Paleis van de Grote Raad te Mechelen, die hij in samenwerking met Ph. van Boxmeer realiseerde, op basis van het ontwerp van Rombout Keldermans plus enige overblijfsels in situ (21). De ontdekking van een deel van zijn archief in het plannenfonds laat toe Pierre Langerock te belichten als één der belangrijkste ontwerpers van de tweede generatie neogotiekers in België en als promotor van een 'nationale' stijl, die de Brabantse gotiek als voorbeeld koos. Voor zijn tijdgenoten gold hij in elk geval als één der beste ontwerpers van deze richting (22). Voor de monumentenzorg en voor de geschiedenis van de restauratiepraktijk in ons land is hij dan ook een belangrijke figuur.
"Pl^Ojt-T
rat-
OüP-PfrT'b
ia O^^Ufc^b...
r-c-'jen.i.e- = • . O . C Ï M . p n n
r-itT»lt.
• • ' !
ë fnctr Jzy* i
54
M&L
v-Ul^LncalALCr^tUlSjVAn ÖIMT^QOMMAHU.S TC LICQ:.' ^pR5TCLUMq VAK ZUIDCO MJUISBCUK. hOOtjC fiCÜK tM Zli&eU^. • ,.
Sint-Gummaruskerk te Lier, restauratieproject, zuidergevel van het schip en de zuiderzijbeuk, architecten J. en L.Vierin,1937 (RBC,74/1, foto 0. Pauwels, copyright KMKG) •
Sint-Salvatorskathedraal te Brugge, niet gerealiseerd ontwerp van een nieuwe westgevel, plattegrond en opstand, architect P.Buyck, 1847 (RBC,14/1, foto 0. Pauwels, copyright KMKG)
bezorgden aan de dienst van het Repertorium hun opmetings- en restauratieplannen voor de OnzeLieve-Vrouwekerk te Brugge, de Sint-Niklaaskerk te Diksmuide, de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Houtem, de Sint-Mildrethakerk te Izenberge, de Onze-LieveVrouwekerk te Kortrijk, de kerk van de Heilige Kruisverheffing te Lampemisse, de Sint-Gummaruskerk te Lier, de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Nieuwpoort, de Sint-Bertinuskerk te Poperinge, de Sint-Petrus-en-Pauluskerk te Rumbeke, de SintGenovevakerk te Steenhuffel, en naast al deze kerkgebouwen, ook de Gentpoort, de Smedenpoort en het stadhuis van Brugge. Al deze restauraties dateren van het interbellum. Van de bekende neogotische ontwerper Louis dela Censerie bezit het fonds 9 plannen. Ze geven het verloop van de restauratie van de gevel van de OnzeLieve-Vrouwekerk te Brugge in 1905. Er zit ook correspondentie bij over de verplaatsing van het doksaal van de Sint-Salvatorkathedraal te Brugge, uit circa 1885.
/ „ i r w jrjvvj |
••
i é \
Van de Gentse ontwerper Octave Van Rysselberghe bezit het fonds restauratieplannen, van rond 1900, betreffende de Grote Sikkel, de Handelsbeurs, de Lakenhal, en het Belfort te Gent. Het Belfort werd in samenwerking met Auguste Van Assche gerestaureerd. Van deze laatste is er een ontwerp van 1876 en van 1891 aanwezig voor de vergroting van de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Poel in Tienen, aangevuld met de plannen van zijn opvolger Herman Lemaireuit 1911. Hier alle architecten, hun projecten en restauratieplannen opnoemen die het fonds bezit, zou evenwel te langdradig worden(23).
POELAERT EN HET JUSTITIEPALEIS TE BRUSSEL
VIERIN, DELA CENSERIE, VAN RYSSELBERGHE EN DE REST Het fonds bezit ook plannen van andere ontwerpers. De Westvlaamse architecten Jos en Luc Viérin
Bij de klassering van het fonds was de vondst van 8 originele plannen van Joseph Poelaert voor het Justitiepaleis te Brussel een onverwachte verrassing. Tot nu toe ging men er immers van uit dat deze plannen vernield waren (24). Zes plannen zijn door Poelaert zelf ondertekend en gedateerd maart-mei 1862, en sommige dragen het visa van minister van justitie V. Tesch. Het zijn dus vrij vroege documenten en ze zouden dan ook behoren tot het eerste voorontwerp dat in 1862 aan de regering is voorgelegd (25). Het algemeen voorkomen van het gebouw ligt nagenoeg vast, maar de opstand vertoont belangrijke variaties in de ornamentiek en twee zeer verschillende oplossingen voor de centrale bekroning: dat van 1862, op een vierkante basis, is eigenlijk vrij
M&L
55
•
, . . . : - . .
CQLLEGIALX ftCPli ^A^ Oi,\"ï?OL^ TE KOR^RUli. ONTwrm» TOTMöJSTtijjNü^ti:- Gr.TE:i5TL»Qr.j)tüXN. ^MLLE
DE
3CHA*I.: ti
GflMD
EkI
•
BBUOOCO JLL! iittc
e>
ABCKITCCTCK "
T "Jkf
Kwi 1 —
HALLEAUXIXAPS
het voorstel van Suys. Een tiental plannen gaat over de stedebouwkundige aanleg en de uitwerking van verschillende monumenten die de nieuwe grote as van de hoofdstad moesten afbakenen (26).
BESLUIT
Lakenhalle te Gent, restauratie-ontwerp, dwarsdoorsnede, architecten A, Van Assche en Ch, Van Rysselberghe, 1901 (RBC,40/7, loto O, Pauwels, copyright KMKG) • Onze-Lieve-Vrouwekerk te Kortrijk, restauratieproject, oostgevel, architecten J, en L, Viénn, 1946(RBC, 57/5, foto O, Pauwels, copyright KMKG)
bescheiden in vergelijking met dat van 1872 dat een koepel voorziet ter bekroning van vier slanker wordende verdiepingen, eerst op vierkante, dan op cirkelvormige basis. Een ander plan met perceelsaanduiding geeft een voorstel voor de aanleg van het plein en de omgeving van het Justitiepaleis. Onderzoek van deze documenten zou de wordingsgeschiedenis van één der meest controversiële monumenten in elk geval al kunnen verfijnen. Poelaerts naam, naast die van Adolphe Engels, vinden we ook terug op een project voor verfraaiing van de Brusselse benedenstad, een alternatief voor
Het plannenfonds van de dienst voor het Repertorium van het Cultureel Bezit, hoewel onevenwichtig en disparaat qua inhoud, is niettemin een kostbare bron èn voor de architectuurhistoricus èn voor de monumentenzorgen Het hoort bij een wetenschappelijke instelling van de Staat (27) en het is voortaan, dankzij de ordening en de inventarisatie, toegankelijk voor wetenschappelijk onderzoek. Het fonds illustreert wat een gigantische onderneming de zoektocht naar documentatie moet geweest zijn voor de Dienst, die er zonder twijfel met vertrouwen aan begon, maar er vrij plots moest mee breken. Het project had een ongelooflijke iconografische gegevensbank voor de monumenten kunnen worden, maar is eigenlijk slechts een archieffonds gebleven. Dat het bestaat is op zich al een verdienste. Bovendien mag het prat gaan op het feit dat het een deel van het oeuvre van architect Pierre Langerock aan de vergetelheid onttrekt; ten slotte bezit het de verloren gewaande plannen van Poelaert. Het probleem van de bescherming van het patrimonium in geval van een gewapend conflict was aan de orde van de dag in de jaren vijftig en kwam ter discussie in de Groep 21, maar naderhand werd het totaal verwaarloosd. Het ontstaan van een aantal instellingen, de evolutie van de internationale politiek,
56
Justitiepaleis te Brussel, voorontwerp, noordgevel, architect Joseph Poelaert, 1862, (RBC, 24/5, foto 0. Pauwels, copyright KMKG)
M&L
de technische mogelijkheden van beschermingsmaatregelen en van de krijgskunst zelf, zijn de laatste dertig jaar dermate veranderd dat het probleem zelf zich niet meer op dezelfde wijze stelt. De oplossing die in 1986 voor de beveiliging van het Lam Gods te Gent werd uitgewerkt (28), toont de complexiteit ervan aan, en dan gaat het hier nog alleen maar om een geïsoleerd kunstwerk...
VOETNOTEN (1) Thomas Coomans, assistent aan de Université Catholique de Louvain, Centre d'Histoire de 1'Architecture et du Batiment, College Erasme, Place Blaise Pascal, 1348 Louvain-la-Neuve. Vertaling uit het Frans door Chris De Maegd, Bestuur Monumenten en Landschappen. (2) Coremans P., La protection scientifique des oeuvres dart en temps de guerre, L'experience européenne pendant les années
/959 a 7945, Brussel, 1946. (3) De Conventie, en andererichtinggevendeteksten zijn gepubliceerd in, Noblecourt A., Protection of Cultural Property in the Event of armed Conflict (Museums and Monuments. VIII), Parijs, Unesco, 1958, p. 3-41. (4) 'Groep 21' was samengesteld uit hoge ambtenaren van het Ministerie van Openbaar Onderwijs - Algemene Directie Schone Kunsten en Letteren, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken -Burgerlijke Veiligheid, van het Ministerie van Openbare Werken, van het Ministerie van Defensie en uit deskundigen van onder meer de nationale
wetenschappelijke instellingen. Zie Van Hoof Th., Beveiliging kunstbezit in geval van gewapend konflikt. Conservatie van dit bezit, ongepubliceerd rapport. Bestuur Monumenten en Landschappen, juni 1981,91 p. Zie ook: Coomans Th., Le programme de protection du patrimoine culturel en cas de conflit armé après la seconde guerre mondiale en Belgique et le fonds de plans de monuments nationaux rassemblé par le Service du Répertoire des Biens culturels (1950-1960), in Revue des Archéologues et Historiens d'Art de Louvain, 24, 1991, in voorbereiding. (5) Helbig J., Repertorium van het Cultureel bezit, in Archief- en Bibliotheekwezen in België, 24,1953, p. 157-160. (6) Koninkrijk België, Ministerie van Openbaar Onderwijs, Algemene Directie van Schone Kunsten en Letteren, Ministerie van Binnenlandse Zaken, Burgerlijke Veiligheid. Repertorium van het cultureel bezit (ontwerp), deel 1: Gebouwen en kunstwerken, 2 vol., Brussel, januari-mei 1953. Repertorium van het belangrijk cultuurbezit. Gebouwen en Kunstwerken, vol. 1: Bouwkunst; vol. 2: Schilderkunst; vol. 3: Gravure, vol. 4: Beeldhouwkunst; vol. 5: Kunstnijverheid; vol. 6: Vaderlandse oudheidkunde; vol. 7: Uitheemse oudheidkunde; vol. 8: Vaderlandse geschiedenis; vol. 9: Volkenkunde; vol. 10: Folklore; vol. 11: Muziek (Organologie), Brussel, zonder datum. (7) Repertorium van hel belangrijk cultuurbezit, vol. 1: Brussel; vol. 2: Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België; vol. 3: Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis; vol. 4: Antwerpen; vol. 5: Brugge; vol. 6: Gent; vol. 7: Liège; vol. 8: Mons-fournai, Brussel, zonder datum. Sart-Moulin (2471 m3); Brussel, Jubelpark (8) Brain-l'Aleud, (749 m5); Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (468 m3); Brussel, Regentschapsstraat (?) (432 m3) en Mariemont, Museum (380 m3). Hetzij 5400 m3, wat een investering vergde van 26,7 miljoen Belgische Frank. Details, foto's en plannen in Noblecourt A., o.c, p. 195 en 253-260, pi. 77-82 en 97-100.
M&L
57
(9) Doornik. Onze-Lieve-Vrouwekathedraal; Brussel, SintMichielskathedraal en Stadhuis; Leuven, Stadhuis; Oudenaarde, Stadhuis; Gent, Sint-Baafskathedraal; Bergen, Sint-Waldetrudiskerk; Zinnik, Sint-Vincentiuskerk; Mechelen, Sint-Romboutskathedraal. Budget: 14.894.000,-fr. Details in Noblecourt A., o. c, p. 138-140 en 196, pi. 26-28. (10) Cattelain F.J.G. en Vermeir P., Relevés photogrammétriques de monuments historiques. Mémoire présenté au VUIe Congres international de photogrammétrie, Stockholm 1956, Ministerie van Openbare Werken. 1956. Deze fotogrammetrische opname werd evenwel niet in plannen omgezet. (11) Mariën-Dugardin A.M., Jean Helhig, in Bulletin des Musées royaux d'Art el d'Hisloire. Pare du Cinquantenaire. Bruxelles, 4de reeks, 32e jg., 1960, p. 129-132. (12) Zie noot 6 en 7. (13) Coomans Th., Les plans des monuments heiges rassemhlés par Ie Service du Répertoire des Biens Culturels (1952-1960) et conserves aux Musées royaux d'Art et d'Histoire d Bnaelles (Archives générales du Royaume, Fonds conserves hors des Archives de l'Etat, 2), Brussel, 1992. (14) Libois A., Les archives de l'architecture conservées par l'Etat, en Belgique (Archives générales du Royaume et Archives de l'Etat dans les Provinces. Miscellanea Archivistica, 7), Brussel, 1974. (15) Elk document heeft een eigen codenummer en een beschrijving met de identificatie, schaal, naam van de auteur, jaartal, techniek, drager, afmetingen, en eventueel de er op voorkomende visa en de data ervan. (16) Bral G.J., in Vlaanderen, 29/174, 1980„p. 17-18; Een eeuw zorg om monumentenzorg, tentoonstellingscatalogus, Gent, 1982, p. 27 en 75; Rion P., La basilique de Koekelherg, Louvain-la-Neuve, 1986, p. 45-50; Verpoest L , in De SintLucasscholen en de Neogotiek, Leuven, 1988, p. 262-263 en 422-423; Van Cleven J., in Vlaanderen, 40/237, 1991, p. 200-201. (17) Coomans Th., Pierre Langerock (1859-1923). architecte et restaurateur néo-gothique. in Revue des Archéologues et Historiens d'Art de Louvain, 24, Louvain-la-Neuve, 1991, in voorbereiding. Zie ook: Coomans Th., Langerock, Pierre, in Nouvelle Biographic nationale, in voorbereiding. (18) Voor zover mij bekend is het archief van Langerock's nieuwbouwprojecten nog niet ontdekt. We danken de heer J. Langerock, kleinzoon van de ontwerper, voor de biografische inlichtingen. (19) Het fonds bezit natuurlijk ook belangrijke documenten over werven in Wallonië, zoals van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Walcourt (625 plannen). Sint Ursmarus van Binche, Sint-Jande-Doper van Waver of de Sint-Pieter-en-Pauluskerk van Saint
(20)
(21)
(22)
(23)
(24)
(25) (26) (27)
(28)
Séverin-en-Condroz. Anderzijds ontbreken gegevens over belangrijke restauraties als het stadhuis van Binche of het kasteel van Ham-sur-Heure. Die kennis is te danken aan niet minder dan 24 opmetingen van middeleeuwse gebouwen, die hij publiceerde: Langerock P. en Van Houcke A., Oude bouwwerken in Vlaanderen Burgerlijke houwkunst. Gent, 3,1887 en 4,1888. Van Tyghem Fr., Bestuursgebouwen in Brabant en Vlaanderen, in Keldermans. Een architektonisch netwerk in de Nederlanden, 'sGravenhage/BergenopZoom, 1987, p. 123-129. Deze opdracht voor de basiliek van Koekelberg heeft Langerock te danken aan zijn talent, maar evenzeer aan de goede relaties die hij onderhield met de kerkelijke overheid en met invloedrijke personen uit de Belgische adel, zoals ondermeer gravin de Merode. Hier volgt de alfabetische lijst van in het fonds aanwezige architecten: Almain-De Hase G, Bourgault, Buyck P.F., Coulon E., Dela Censerie L., Delpy A., Delsaux J.Ch., De Waele J.. De Wulf Ch., Dhuicque E., Engels A., Fivez A., Gife E., Hansotte G, Helleputte 1, Lacoste H., Langerock A., Langerock J., Langerock P., Lemaire H., Lemmens R., Leonard Cl., Lohest F., Mahieu E., Martiny V.G, Piron L, Poelaert J., Richir E.. Rombaux J., Sonneville C, Vaerwyck V., Van Assche A., Van Boxmeer Ph., Vandendael Fr., Vandendael R., Van Hamme E.. Vanhoenacker J., Van Rysselberghe Ch., Van Ysendyck M., Veraart Ch., Veraart G, Verhaegen A., Viérin J. en Viérin L. In P. Loze (ed.) et al., Poelaert, ses professeurs, ses contemporains et ses émules, in Poelaert et son temps. Brussel. 1980, p.190 staat onomwonden dat geen enkel origineel plan van het Justitiepaleis bewaard is, omdat het archief met plannen en al verloren ging bij de brand die het Justitiepaleis en het ministerie van Justitie teisterde. De plannen verschillen overigens van wat gepubliceerd is in L'Emulation in 1894. Leblicq Y., LM deux Palais de Justice de Bruxelles au XlXe siècle, in Poelaert et son temps, Brusel, 1980, p. 272. Over dit project bereidt H. Morelle, als kunsthistorica een licentiaatsverhandeling voor aan de UCL. De plannen kunnen ingekeken worden in de Bibiotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Jubelpark 10 te Brussel. Goedleven E., De prijs van de veiligheid: 8 jaar palaver, 5 maand werk; Cnops J.L., De beveiliging van het Lam Gods, Van Balen K., De Witte E. en Buelens R., De beveiliging van kerken en hun kunstbezit, in Monumenten en Landschappen, 5/4, 1986, p. 21-28, 31-36 en 41-48.
Onze-LieveVrouwekerk te Aarschot, sacristie, voorontwerp zuiden oostzijde, architect P. Langerock, 1908 (RBC, 1/5/10, foto 0. Pauwels, copyright KMKG)
M&L
58
SUMMARY
THE "STEENGELAAG O " IN STEKENE During the Gallo-Roman period there was a certain form of clay exploitation in the Land of Waas. Already in a very early stage the clay from the Rupel was exploited in Stekene. At the end of the 19th century industrial clay digging was started in the Steengelaag. At the end of the nineteen-seventies the clay industry was suspend ed for economic reasons. The precious industrial-archaeological heritage was then demolished so only the scientifically intersting clay-pits have been preserved. The Steengelaag (or "de Gelaagputten (**)") are protected as a landscape by royal decree since 1981. In I980themunicipality of Stekene had already acquired this terrain. Not everybody agreed with the protection, thus endangering the protection as nature reserve. After the management plan had been approved the polemic somewhat cooled down, although not all of the problems have been solved. The management of such a young reserve, the oldest part is approximately 100 years old. raised quite a few questions as one could not depend on traditional methods of preservation. Eventually it was decided to leave the mayor part of the Gelaagputten alone, apart from maintaining an artificial waterlevel by means of a pumping station. The final goal of the managment is to stimulate a spontaneous evolution of the reserve into an alder and bird cherry thicket or something similar. An important aspect of the management is following this evolution. Apart from the strictly scientifical management, the management plan provides a number of social and educational elements. A hiking trail was traced out on the - mainly existing - pathways. The educational facility consists of nature guides who are allowed, with permission of the community, to enter the area beyond the trails. Concerning these aspects of the management the community has already published a few brochures.
(*) straticulate rock (**) straticulate pits
THE PROVINCIAL ARCHIVE BUILDING IN ANTWERP Among other important historical public buildings the episcopal palace in Antwerp, annex provincial archive building will be restored by 1993. During 1778-1781 the episcopal palace was rebuilt in a Louis XVI style, but it only was used as such for 13 years. From 1815 till 1983 it served as provincial building. For the sake of the provincial administration the archive building was added in 1851-1853. It is a peculiar building, traditional from the outside, but the interior is most revolutionary for its time, an iron skeleton of floor framing and archive racks. Similar examples in Holland date from half a century later. Only the Bibliothèque Nationale in Paris by H. Labrouste also has a cast-iron structure with an integrated bookracksystem from approximately the same period. The functional and fire-proof design of the building is by the engineer T. Lebens. It is a freestanding building with a surrounding fire corridor. The ground floor consists of an entirely masoned construction, thus safeguarding the archive against theft and water damage. No combustible materials have been used for the construction. As from the first floor on stands a four-storeyed, entirely iron structure with cast-iron floor frames and plates on iron columns and girders and in the centre a castiron spiral staircase. The axis of the staircase is the chimney of the heating on the ground floor. The floor plates are perforated as to let through daylight so no dangerous gaslight has to be used. The interior hatches make it possible to keep the archives in the dark. The archive building has been safeguarded from the bombings in 1944. The building has been disused since 1980 and so far no suitable user has been found.
THE BEGUINAGE FROM BRUGES: A DELICATE RESTORATION During the past decades the authorities have incessantly strived for repairing the building patrimony of the famous Beguinage in Bruges. The houses have systematically been adapted to modem living comfort. In 1980-1991 it was the turn of the church of St. Elisabeth. Built in a simple early gothic style in the middle of the 13th centruy, it was thoroughly changed during the 17th and 18th century. The interior decoration was done in a sobre Flemish baroque style. The roofs, the oak truss, the brick outside-walls and the leaded glass have been restored carefully, without adding any change of style. Wallpanels of cement and metal elements consolidate the 17th century roof truss, which had been pushing away the upper walls. An ivory finishing layer was applied to the interior walls - a most suiting colour tone which fully supports this precious work of art. The shadow paintings, which have been rediscovered behind the side-altar on the right, have been restored as a historic relic - an incentive to be careful when removing old layers of paint.
DEERLIJK, THE RESTORATION OF R. DECLERCQ'S BIRTH HOUSE The Flemisch popular poet Rene Declercq (1877-1932) was bom in Deerlijk in a small house, now protected, dating from 1790. A local organisation, supported by the municipality, wanted to provide a decent memorial museum in his birth house. Starting point for the restoration of the house and the installation of the museum were the restraint and the poor modesty, typical for this popular architecture. Seen the function as a museum, a suitable reconstruction had to be carried out for the missing building elements, as well as for the missing Flemish fire place in the living room. Also the traditional finishing methods, the sobre fumiture as well as the way of heating and lighting are in accordance with the character of the house. The works were carried out by municipal personnel, supervised by the Administration for Monuments and Landscapes. Although not "specialised", these people have shown a great love for the old matnal in all its simplicity. This is the main reason for the success of this entrerprise, both for the budget and the concept.
PLANS OF FLEMISCH AND BRUSSELS MONUMENTS IN THE COLLECTION OF THE "REPERTOIRE DES BIENS CULTURELS" The recent discovery of an important collection of Belgian monuments restauration plans decides us to elaborate a scientific inventory. The collection is made by 2730 documents drawn between 1850 and 1930. 125 civil and religious monuments are concerned. A large part of the plans comes from the succession of architect Pieter Langerock (1859-1923). The restaurations of other main Flemish architects as L. and J. Viérin, A. Van Assche, L. dela Censerie or Van Rysselberghe are also represented. The most exciting discovery is a set of eight original plans for the Brussels Palace of Justice drawn by J. Poelaert in 1862. All those plans were collected by the "Service du Répertoire des Biens Culturels". an administration especially created by the State in 1952 in order to realise an index of cultural property and restoration files. In the context of the "cold war", great programs of protection of cultural property in the event of armed conflict were elaborated in the mind of the Unesco's The Hague Convention (1954). In Belgium five shelters for cultural property were builded and a few monuments equiped against fire and collapse. Unfortunately the State stops the program ca 1960 before any restoration file was done and the plans disappeared until the recent discovery.
SUPPORT - SURFACE 'RESTAURATIE +
CONSERVATIE.
Duiven zijn Inderdaad zo vervelend dat u lk-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervullen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktlef mee aan het verval ervan.
Depiqeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer Informatie over Deplgeonal en gebouwenconservatie en -restauratie In het algemeen bij 4Atu>,
Maatsch. zetel: Kortrijkse Steenweg 382,9000 Gent (091) 23 87 03 Bedrijfszetel: Wapenstraat 12B. 2000 Antwerpen (03) 248 12 97
S;
Solar
Kleine Breedstraat 33, 9100 Slnt-Niklaas. Of bel (03) 776 91 62.
DEPIGEQNALI
Closter, Originele Engelse Teakmeubelen ^ *
leakhouten tuinmeubelen? Van "Closter" natuurlijk Omdat "Closter" je de zekerheid biedt van jarenlange Engelse traditie, op klassieke wijze gebouwd in eerlijke plantage-teak. En omdat je bij "Closter" ook de kussens en houtstok-parasols vmdt. Omdat "Closter" je laat kiezen uit meer dan 70 originele modellen, die voor iedere plaats en elke smaak een gepaste oplossing weten te bieden. C-iö
TUINMEUBELEN, OOK OM NAAR TE KIIKEN. Voor dokumentatte en een verdeler in uw buurt, bel, schrijf of fax: AFRA, Kerkstraat 10, 2330 Merksplas, Tel: 014/63 36 39 - Fax: 014/63 50 90
i^^
^
^
iil iv
^
l"H
m
^ .
N.V. MODERN RENOVATION TECHNICS S.A.
%.
STABILITEIT
RENOVATIE - RESTAURATIE
-
- Droogleggen van muren. - Reinigen van gevels. - Verharden en waterwerend maken van natuur- en baksteen. - Restauratie van natuursteen. - Betonherstelling - Zwambestrijding - Houtwormbestrijding.
Technische studie-Berekeningen. Scheurinjekties van steen en beton. Consolidatie van muren. Plaatsen van chemische verankeringen. Plaatsen van trekkers-vijzeltechniek. Opvijzelen van konstrukties. Polymeerchemische restauratie van hout.
SOUVERAINESTRAAT 38/42 - 9800 DEINZE - TEL. 091/86.97.67 - FAX 091/86.98.26
Monumentenwacht Vlaanderen v.z.w. wenst aan te werven :
MONUMENTENWACHTERS (m/v) Taken : * Systematische inspectie van de onderhoudstoestand van waardevolle gebouwen. * Indien nodig, uitvoeren van kleine onderhoudswerken. * Op basis van de bevindingen tijdens de inspectie, opmaken van een toestandsrapport. * De monumentenwachters onderhouden persoonlijke contacten met de eigenaars/gebruikers van deze gebouwen. Waar nodig moeten zij basisinformatie kunnen verstrekken. Profiel: * gewenste voorkennis : opleiding of ervaring in bouwsector en/of monumentensector - 1e monumentenwachter: diploma technisch of hoger onderwijs, nadruk op algemene inzichten - 2e monumentenwachter : diploma beroeps of technisch onderwijs, nadruk op gedegen vakmanschap * in bezit van rijbewijs voor lichte bestelwagen * interesse voor en/of affiniteit met het specifieke karakter van monumenten * bereid een opleidingscursus en stages (eventueel in Nederland) te volgen * kunnen werken in teamverband * in bezit van sterke sociale vaardigheden Inlichtingen en kandidaturen : Monumentenwacht Vlaanderen v.z.w. Brederodestraat 21 1000 Brussel tel.: 02/511.18.40
^
Restauratie HH. Petrus & Pauluskerk te Oostende - 2de fase : Torens De torens werden gerestaureerd met de natuursteen Vinalmont
ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V, Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (091) 22 22 39 - 22 20 48 / Fax (091) 20 27 75
Smederij Rombout
RESTAURATIESIERSMEEDWERK METAALVORMGEVING
Rijksstraatweg 9 4197 BA Buurmalsen/Holland Tel.: 00 31 3455-72284 Fax: 00 31 3455-74847 Kasteel Groeneveld te Baam - Toegangshekken.
Restauraties o.a.: Paleis Noordeinde, Paleis het Loo, Nieuwe Kerk te Amsterdam, Vredespaleis te Den Haag, Domkerk, Nagasaki Holland Village te Japan,
Kunstatelier
lt
Gerard Thienponti Konservatie en Restauratie van Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen Beeldhouwwerken • hout en steen Decoratieve schilderwerken
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG
Polycromeerwerken • Bladgoud Kerkmeubilalr Rozenstraat 6 - 9 8 1 0 NAZARETH (Eke) Tel. (091) 85 54 32 - Fax (091) 85 45 52
ONDERZOEK Kunsthistorisch • Technisch • Bouwkundig BEHANDELING
België's enigste, oudste en wereldbetaamde goudslager
AL. BUGGENHOUT BVBA BLADGOUD en accessoires voor het vergulden (mixtion, rode bolus, messen, borstels...) ARTIST OIL COLOURS SCHEVENINGEN Olieverven en pigmenten speciaal voor kunstschilders en restauraties Uitsluitend Groothandel. Voor informatie voor het adres van uw dlchtstbijgelegen verkooppunt: VAN ARTEVELDESTRAAT 139 - 1000 BRUSSEL Tel. 02/512 71 19 - Fax 02/502 14 55
Muurschilderingen • Stuc -Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten ( hout en leder) Schilderijen ( paneel en doek) Oost veld kouter 26 • 9920 Lovendegem DekoninckL 091/25 31 72 Van Malle M. 016/22 67 06 Van Der Biest L 03/771 4466 Vandenborre H. & Lauwers M.
Van DIjckL 015/52 09 32 HuetP, 03/233 0957 091/7263 03
Toestand vóór restauratie
Toestand na restauratie
Gemeentehuis Sint-Gillis Brussel Bouwonderneming: Sintra SA, Les Bons Villers Architect: Mr. Willems Droogreiniging: Procédé Peeling
EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg . WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING • DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT
EXHYDRO® : goedkeuring - BUTGB - ATG/H606 EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie
. VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...
REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)
. CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...
REMAL : - volledig gamma
RENOVATION MAINTENANCE Avenue Galilee 5 - Zoning Nord 1300 WAVRE
Tel. (010)22 82 88 Fax (010) 22 84 58
PVBA
cottenier ondernemingen nv
bergstraat 42 8511 kortrijk-aalbeke
Tel. (056) 41 37 25 - 41 41 36 Fax. (056) 41 67 59 stelt volgende diensten ter uwer beschikking: 1. ruwbouw en afwerking 2. timmer- en schrijnwerk 3. sleutel op de deur 4. industriebouw 5. utiliteitsbouw 6. residentiële bouw 7. restauraties 8. vernieuwbouw 9. winkel- en interieurinrichting 10. gevelreiniging Molen "Ter Claere" (Molenaar André Taelman) te Sint-Denijs (Zwevegem) volledig gerestaureerd in 1987. Bakstenen grondmolen uit het jaar 1923 aan de Beerbosstraat 22.
Zo kan de
geschiedenis zich blijven
Zo treedt op een dag ons patrimonium uit de schaduw. Zo maken we op een dag kennis met ons verleden. Zo verruimen we op een dag onze blik met kunst. Al die dagen komen er mede dankzij de Nationale Loterij. Want telkens wanneer iemand
herhalen\
speelt, is dit een steuntje voor een monument, een stukje verleden of een kunstwerk. Zo komen elk jaar tientallen miljoenen vrij om onze geschiedenis te bewaren. En betekent een kans met de Nationale Loterij tegelijk een kans voor talrijke opgravingen, restauraties of ontdekkingen.
De Nation a Ie Loterij. Een kans hebben is teg e lijk een kans
geven.
STRAATMEUBILAIR (SfB 90.7) VAN AGREF o P r o d u c t s Limited
1
WÊsm mmmèa wsm w leBBKttSsaS
H
H^w
fl^^
1 H ^H I^B ^EQGJS fiSx^fw^LMpOM
BPS^^fWwM'Wa^fc V.--WA-V---•--•- - ^ I H K
SS
•
Gamma straatmeubilair in geperforeerd plaatijzer.
^
11
i
^
^
Trio-zit : 159 cm lang, 60,3 cm breed, 80,5 cm totale hoogte en zithoogte : 44,5 cm
Bank (L = 180 cm, Br = 40,8 cm, H = 44 cm)
Dubbelzijdige zitbank en ronde afvalhouder met voet
standaard zitbank
BALTIMORE Gamma straatmeubilair in gietijzer. Tijdloze design.
Een nieuw zitelement in het Baltimore gamma is de bank (zonder rug)
Zitbank en afvalhouder in gietijzer en
AGREF Tragelweg 4 B-9230 Wetteren Tel. (091)69 19 11 Fax (091) 69 07 04
AGREFN.V
RESTAURATIE VAN DE SINT-NIKLAASKERK TE GENT
N.V. VANDEKERCKHOVE mmm Herstelling monumenten en openbare werken
OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37
GROUP Tl «•