HIVA – K.U.Leuven Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving Parkstraat 47 3000 Leuven
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel in antwoord op de VIONA-oproep voor een Onderzoeks& Ontwikkelingsopdracht dd. 6/5/2010
Dr. Caroline Gijselinckx (HIVA – K.U.Leuven)
i.s.m. Astrid Coates (UA)
26 mei 2010
De meerwaarde van het coĂśperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften - Onderzoeksvoorstel
Promotor (hoofdaannemer) Dr. Caroline Gijselinckx Onderzoeksleider Middenveld en Sociale Economie Hoofd Onderzoeksgroep Duurzame Ontwikkeling Parkstraat 47 3000 Leuven Tel. 016 32 33 28 Fax. 016 32 33 44 e-mail: caroline.gijselinckx@hiva.kuleuven.be Website: www.hiva.be
Partner (onderaannemer) Onderzoeker Astrid Coates (promotors: J. Van Steenberge & M. Denef) Faculteit rechten - UA Venusstraat 23 2000 Antwerpen Tel. 03 265 53 31 e-mail: astrid.coates@ua.ac.be
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coĂśperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften - Onderzoeksvoorstel
INHOUD
1.
2. 3. 4. 5.
Omschrijving van het onderzoeksproject 1.1. Probleemstelling 1.2. Onderzoeksvragen 1.3. Voorgestelde methodologie 1.4. Referenties Tijdschema Financieel plan Valorisatie en bekendmaking resultaten Bijlagen Bijlage1 Bondige omschrijving van het onderzoeksvoorstel Bijlage 2 CV Caroline Gijselinckx Bijlage 3 CV Astrid Coates
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
3
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
1.
4
Omschrijving van het onderzoeksproject
1.1 Probleemstelling 1.1.1
Nieuwe maatschappelijke uitdagingen & ambitieuze doelstellingen
Vlaanderen staat voor grote maatschappelijke uitdagingen op vlak van demografie, globalisering en milieu. In haar project Vlaanderen in Actie formuleert de Vlaamse overheid het ambitieuze doel een innovatiegedreven, ecologisch duurzame en sociaal warme samenleving te realiseren en Vlaanderen daarmee naar de top-5 van de Europese regio’s te brengen (www.vlaandereninactie.be). De overheid kan en wil dit niet alleen realiseren. Lokale overheden en publieke organisaties, maar ook private burgers en organisaties worden opgeroepen om samen te werken. Samen met meer dan 80 maatschappelijke organisaties en verenigingen ondertekende de Vlaamse overheid in 2009 het Pact 2020 waarin 20 doelstellingen, geclusterd in 5 thema’s, voor Vlaanderen werden geformuleerd die de visie van Vlaanderen in Aktie operationaliseren. De thema’s zijn (www.vlaandereninactie.be): Meer welvaart en welzijn Een competitieve en duurzame economie Meer mensen aan de slag, in meer werkbare jobs en in gemiddeld langere loopbanen Levenskwaliteit van een hoog niveau Een efficiënt en doeltreffend bestuur Gezien de grootorde van de onderliggende maatschappelijke uitdagingen, de budgettaire restricties waaronder overheden werken, alsook de uitdaging van de globalisering en de vraag naar participatie en behoud van toegankelijkheid en kwaliteit van de dienstverlening dienen voor elk van deze doelstellingen innovatieve organisatie- en financieringsvormen te worden gezocht. 1.1.2
Innovatieve organisatie- en financieringsvormen om in te spelen op deze maatschappelijke uitdagingen en ambitieuze doelstellingen
De ambitieuze doelstellingen nopen tot het zoeken naar nieuwe organisatie- en financieringsvormen waarbij niet de overheid de unieke of voornaamste financier of aanbieder is, maar waarbij privaat initiatief wordt genomen, ondersteund door de overheid, met garantie van kwaliteit, duurzaamheid, participatie en toegankelijkheid, én met kwalitatieve bijdrage op vlak van tewerkstelling. De overheid is kader scheppend, voorwaarden creërend, en stuurt sterk aan op samenwerking en zelfredzaamheid. Er wordt gezocht naar nieuwe manieren van samen behoeften bepalen en antwoorden erop formuleren, samen verantwoordelijkheid opnemen, samen organiseren-beheren-controleren, samen financieren. Hierdoor groeit de nood aan innovatieve organisatiemodellen die - op een alternatieve manier financiële middelen ophalen in de markt en dit op een manier die lokale financiële verankering waarborgt; - daarbij dienstverlening aanbieden op een manier die de kwaliteit, de toegankelijkheid en de duurzaamheid van de dienstverlening doen primeren op korte termijn financieel gewin; - beantwoorden aan de lokale noden van de gebruikers én de aanbieders; - participatie van diverse stakeholders vorm geven. - een kwalitatieve bijdrage op vlak van tewerkstelling bieden; - een (meer) optimaal antwoord bieden op huidige en toekomstige maatschappelijke noden binnen de principes van de sociale economie Ondertussen groeien van onderuit initiatieven op het vlak van - mobiliteit waarbij gezinnen bijvoorbeeld aan autodelen doen,
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
5
consumptie en productie van (duurzame) energie en nutsvoorzieningen, wonen, waarbij gezinnen hedendaagse vormen van groepswonen ontwikkelen om individueel maar tezelfdertijd solidair en vaak ook milieuvriendelijk te wonen - combinatie van wonen en zorg, - kinderopvang, - buurtinitiatieven gecombineerd met de bevordering van sociale cohesie, - zorg voor hulpbehoevende ouderen en minder validen. Vaak gebeurt dit op initiatief van het lokale middenveld, maar vaak ook op initiatief van losse verbanden van particuliere burgers. In een aantal gevallen wordt expliciet naar vormen van publiek-private samenwerking gezocht. -
Naast een oplossing voor het financieringsprobleem zoekt men tegelijkertijd participatie van gebruikers en werknemers te realiseren én gezamenlijke verantwoordelijkheid en solidariteit en meer sociale cohesie te bewerkstelligen. Men komt daarbij vaak uit bij het coöperatief model. 1.1.3
Het coöperatief ondernemingsmodel
Omwille van de inherente eigenschappen van het coöperatieve model, wordt dit, door mensen die het kennen of op zoek gaan naar dergelijke alternatieve organisatiemodellen, (her)ontdekt. Met name ook in combinatie met het statuut van ‘vennootschap met sociaal oogmerk’ (VSO) wordt de coöperatie als een mogelijk bedrijfseconomisch én maatschappelijk verantwoord initiatief gezien (Van Opstal, Gijselinckx & Develtere, 2008; Gijselinckx & Van Opstal, 2008; Van Opstal & Gijselinckx, 2008; Van Opstal, 2008). Coöperatief ondernemen is een manier van ondernemen die gepraktiseerd wordt in economische organisaties die op vrijwillige basis opgericht door personen (dit kunnen natuurlijke of rechtspersonen zijn, of een combinatie van beide), die hiermee gezamenlijk behoeften willen bevredigen en voordelen realiseren die ze ieder afzonderlijk niet of niet in dezelfde mate zouden kunnen bevredigen of realiseren (Gijselinckx & Van Opstal, 2008). Het unieke van een coöperatie is dat de leden financiële én sociale aandeelhouder van hun coöperatie zijn (Gijselinckx & Van Opstal, 2008): 1) Aandeelhouders van coöperaties hebben een dubbele identiteit, d.w.z. dat ze een dubbele band hebben met hun coöperatie. Ze zijn tegelijkertijd financieel aandeelhouder én gebruiker van hun coöperatie. Omwille van hun dubbele band met de coöperatie zijn ze niet alleen investor-driven, maar ook user-driven. Met andere woorden, coöperatieve aandeelhouders verwachten niet alleen een financiële return van hun aandelen. In hun hoedanigheid van gebruiker is de coöperatie voor hen in de eerste plaats een instrument om hun noden en behoeften te bevredigen. Maar omwille van hun financieel aandeelhouderschap delen ze in de risico’s en de opbrengsten van de coöperatieve organisatie. 2) Coöperatieve aandeelhouders zijn niet alleen in financieel opzicht, maar ook sociaal gezien ‘eigenaar’ van hun coöperatie. Het zijn leden van de coöperatieve organisatie die mee de koers uittekenen die de organisatie vaart. Ze bepalen de missie en de objectieven van de coöperatie en oefenen controle uit op de realisatie ervan. Ze hebben als eigenaar de ‘residuele controle’ over de organisatie. Dit wil zeggen dat ze alle beslissingen mogen nemen die niet contractueel elders gelegd zijn (Hart & Moore, 1998). Van Dijk en Klep (2005) ontleden de band die de leden van een coöperatie met hun organisatie hebben als een meervoudige relatie (in Gijselinckx & Van Opstal, 2008): 1) 2) 3) 4)
Coöperatieve aandeelhouders hebben in essentie een gebruikersrelatie met hun coöperatie De relatie is gebaseerd op transacties (transactierelatie) Maar tegelijk ook op een financiële inbreng (financiële relatie). En ze hebben ook een zeggenschapsrelatie met hun coöperatieve organisatie
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
6
Coöperaties zijn dus economische ledenorganisaties waar gemeenschappelijke behoeftebevrediging centraal staat. Het zijn economische instrumenten om dienstverlening ten aanzien van leden te voorzien. Ze organiseren economische activiteiten ten dienste van hun leden. De Belgische wetgeving kent specifieke rechtsvormen die deze coöperatieve manier van ondernemen kunnen structureren (Wet op de Coöperatieve Vennootschapsvorm, 1873, geamendeerd door de wetten van 20 juli 1991, 13 april 1995 en 7 mei 1999). Het gaat met name om de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (cvba) en de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (cvoa). Als het over coöperatie over de landsgrenzen heen gaat en de leden zijn afkomstig uit minstens twee landen van de Europese Unie, dan is er ook nog de Societas Cooperativa Europaea (sce) (Gijselinckx & Van Opstal, 2008). De wet van 20 juli 1991 voorzag eveneens in de mogelijkheid tot oprichting van een coöperatieve vennootschap bij wijze van deelneming (met eveneens een variant met beperkte en onbeperkte aansprakelijkheid), maar dit is in de wet van 13 april 1995 vervangen door het transversale statuut van vennootschap met sociaal oogmerk. De vennootschap met sociaal oogmerk (VSO) laat commerciële organisaties die dit statuut hebben toe te werken volgens een bedrijfseconomische logica, maar de eventueel gemaakte winst niet – of slechts gedeeltelijk – te gebruiken om de aandeelhouders te verrijken (Coipel, 1996). Als bedrijf kunnen ze geen aanspraak maken op het statuut van vzw (omwille van hun commerciële activiteit), maar tot het VSO-statuut in het leven geroepen werd konden ze ook het statuut van vennootschap niet voeren (door het ontbreken van een winstoogmerk als hoofddoel). Dankzij de wet op de VSO kreeg de term ‘vennootschap’ echter een nieuwe invulling in artikel 1 van het wetboek vennootschappen: “Een vennootschap wordt opgericht (…) met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. (…) In de gevallen bepaald in dit wetboek kan de vennootschapsakte bepalen dat de vennootschap niet is opgericht met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen.” Waar vroeger vennootschappen steeds gelinkt werden met het doel vennoten te verrijken, wordt nu de opening gemaakt dat ondernemingen ook opgericht kunnen worden zonder dit doel, i.c. om sociale objectieven te realiseren. Het statuut van vennootschap met sociaal oogmerk kan worden toegekend aan elke handelsvennootschap, ongeacht de rechtsvorm (coöperatieve vennootschap, naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, ...) op voorwaarde dat deze voldoet aan enkele statutaire verplichtingen die voornamelijk te maken hebben met de motivatie van het sociaal oogmerk en de participatie van de werknemers. 70% van de VSO’s in België zijn coöperaties. Een analyse van Dujardin, Mertens en Van Opstal (2008) leert verder dat de meesten onder hen werden opgericht om steun te verlenen aan personen en organisaties binnen hun professionele context: ze beogen de opleiding van de werknemers of de socioprofessionele inschakeling van personen die uitgesloten zijn van de arbeidsmarkt, ze verlenen hulp en advies aan bedrijven (vooral aan bedrijven in de sociale economie). In Wallonië is het statuut van VSO verplicht voor invoegbedrijven. Nog volgens Dujardin, Mertens en Van Opstal (2008) werden andere VSO’s opgericht voor de organisatie van culturele, religieuze of sportieve activiteiten. Sommige VSO’s verlenen diensten aan personen, zoals helpen zoeken naar huisvesting, opvang voor ouderen en toegang tot gezondheidszorg. Tot slot starten een aantal VSO’s een activiteit op waarbij de winst terug geïnvesteerd wordt in de gemeenschap (milieubescherming, lokale ontwikkeling, bevordering van de eerlijke handel, ontwikkeling van biologische landbouw). België telt circa 40.000 coöperatieve vennootschappen (Gijselinckx & Van Opstal, 2008), waarvan een 500tal een erkenning voor de Nationale Raad voor de Coöperatie hebben aangevraagd en verkregen, wat inhoudt dat ze expliciet verklaren een aantal principes van coöperatief ondernemen na te streven.1 In 1 De erkenningsvoorwaarden voor de NRC zijn geïnspireerd door de principes van coöperatief ondernemen die binnen de internationale coöperatieve beweging (de International Co-operative Alliance of kortweg ICA) worden gehanteerd. Hierover zo dadelijk meer. De vennootschapswetgeving zelf maakt geen melding van principes van coöperatief ondernemen. Veel coöperatieve vennootschappen hebben het statuut dan ook aangenomen om puur pragmatische redenen (het laat bv. een laag startkapitaal en een eenvoudige kapitaalsuitbreiding toe). Weinig adviseurs of notarissen die ondernemers bijstaan bij het oprichten van handelsvennootschappen zijn ook bekend met de coöperatieve principes en in onderwijs of vorming komt men er tot dusver ook amper mee in aanraking. Het dient ook gezegd dat bestaande coöperaties en verenigingen van coöperaties hun coöperatieve identiteit HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
7
tegenstelling tot het opportunistische gebruik van het vennootschapsstatuut, hanteren wij de term ‘coöperatief ondernemen’, en bijgevolg ook het ‘coöperatief model’, hier expliciet om te verwijzen naar de manier van ondernemen en de organisatievorm die gedreven wordt door de coöperatieve principes. Deze coöperatieve principes zijn het resultaat van zowat anderhalve eeuw coöperatief ondernemen in uiteenlopende economische sectoren. Anno 1995 werden ze op het wereldcongres van de internationale beweging van coöperatieve ondernemingen, de International Co-operative Alliance, in zeven door alle ledenorganisaties gedeelde principes samengevat (Gijselinckx & Van Opstal, 2008): 1.1.4
Vrijwillig en open lidmaatschap Democratische controle door de leden Economische participatie door de leden Autonomie en onafhankelijkheid Onderwijs, vorming en informatieverstrekking Coöperatie tussen coöperaties Renaissance van coöperatief ondernemen
Op dit ogenblik is er sprake van een renaissance van coöperatief ondernemen – internationaal zowel als in België (Develtere, Meireman & Raymaekers, 2005; Gijselinckx, Develtere & Raymaekers, 2006; Van Opstal, Gijselinckx & Develtere, 2008). De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties riep op 18 december 2009 het jaar 2012 uit tot het Jaar van de Coöperatie. De Algemene Vergadering van de VN vraagt daarbij om maatregelen en de creatie van een ondersteunende en faciliterende omgeving voor coöperatief ondernemen, om het bewustzijn van het publiek te verhogen dat coöperaties een belangrijke bijdrage leveren op vlak van tewerkstelling en socioeconomische ontwikkeling en om wetenschappelijk onderzoek en de verzameling van statistische data over de activiteiten van coöperaties en de socio-economische impact van coöperaties.2 Ook de Promotion of Cooperatives Recommendation No. 193 van de Internationale Arbeidsorganisatie (2002) erkent coöperaties als een belangrijk instrument voor het verbeteren van de levens- en werkomstandigheden van mannen en vrouwen. Door de specifieke eigenaarsstructuur van coöperaties zijn ze volgens de IAO van nature geneigd winststreven te combineren met het nastreven van welvaart en welzijn van hun leden en van de gemeenschap waarin hun leden leven. De IAO beveelt dan ook aan om de coöperatieve identiteit te versterken en te promoten en maatregelen en beleidskaders uit te werken om de ontwikkeling van coöperaties te ondersteunen.3 Eenzelfde oproep is te lezen in de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de bevordering van coöperatieve vennootschappen in Europa (COM(2004)18). Omwille van haar inherente kenmerken en met name omwille van de dubbele band van de coöperatie met haar leden (als gebruikers én als eigenaars) omschreef de Europese Commissie in haar Groenboek over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (18 juli 2001) de coöperatie als een ideaal instrument om op een maatschappelijk verantwoorde manier te ondernemen: “An enterprise that is free from the primary need to provide a return to investors is also free to take a longterm view of the interests of its stakeholders, be they customers, employees or the wider community”.4 De ICA heeft 223 ledenorganisaties (organisaties van coöperaties) in 84 landen wereldwijd, die samen meer dan 800 miljoen coöperatieve leden tellen, meer dan 100 miljoen jobs creëren en actief zijn in zowat alle denkbare economische sectoren. De top-300 van de coöperaties die door de ICA in de wereld lange tijd niet gepromoot, soms zelfs onderbenut hebben, en de NRC het coöperatief ondernemen de jongste decennia niet systematisch heeft gepromoot. 2 3 4
http://www.un.org/News/Press/docs/2009/dev2784.doc.htm http://www.ilo.org/ilolex/cgi-lex/convde.pl?R193 http://ec.europa.eu/employment_social/soc-dial/csr/index.htm
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
8
geïdentificeerd werden zijn samen goed voor een turnover die gelijk staat aan het bruto binnenlands product van Canada. CooperativesEurope, het Europese regionale bureau van de ICA, telt 178 ledenorganisaties uit 37 landen, gespreid over 6 Europese sectorale ledenorganisaties. Samen tellen ze 150.000 coöperaties, goed voor 110 miljoen leden en 5,5 miljoen jobs. Werknemerscoöperaties en sociale coöperaties in Europa stellen in totaal zo’n 1,5 miljoen mensen tewerk (www.ica.be). Internationaal gezien zijn de ontwikkelingen in Finland, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden bijzonder interessant en goed gedocumenteerd. Deze landen kenden de afgelopen decennia een boom van coöperatief ondernemen, waarbij dit ook sterk wordt gestimuleerd en ondersteund door de overheid. Italië staat bekend om zijn sociale coöperaties, ontstaan in de late jaren 1980 en geïnstitutionaliseerd in de wet op de sociale coöperaties van 1991, op een ogenblik van groeiende maatschappelijke noden en een beperkt en krimpend overheidsbudget (Thomas, 2004). Hun ontstaan en ontwikkeling wordt gevolgd en gedocumenteerd door verschillende Italiaanse wetenschappers (zie o.m. Thomas, 2004; Borzaga & Santuari, 2000; Borzaga, 2007; Borzaga, Galera & Zandonai, 2008). Anno 2008 telde Italië meer dan 7300 sociale coöperaties, voor het merendeel werknemerscoöperaties, die sociale doelstellingen realiseren op vlak van zorg, gezondheidszorg en onderwijs. Interessant aan de Italiaans sociale coöperaties is het, bij wet vereiste, multi-stakeholder karakter van deze ondernemingen (Borzaga, Galera & Zandonai, 2008). Het was een belangrijke inspiratiebron voor o.a. de ontwikkeling van de Franse ‘Sociétés Coopératives d’Intérêt Collectif (SCIC)’ (Fraisse, 2008). Ook het Verenigd Koninkrijk kende de jongste jaren een snelle groei van coöperaties in sectoren zoals duurzame energie, gezondheids- en welzijnszorg en kinderopvang. De coöperatieve sector met haar belangrijkste exponent CooperativesUK - een ledenorganisatie van coöperaties, federaties van coöperaties en ondersteuningsstructuren voor de coöperatieve sector in het Verenigd Koninkrijk – wordt hierin gesteund door de Britse overheid vanuit de idee van de ‘Derde Weg’. Een ‘Social Enterprise Unit’ werd opgericht binnen het Department of Trade and Industry, later overgeheveld naar de ‘Office of the Third Sector’ (Spear, 2008). Binnen CooperativesUK werd het Cooperative Business Development Panel (voordien The New Ventures Panel) opgericht dat de ontwikkeling en de groei van coöperaties in nieuwe sectoren en in het bijzonder deze van duurzame energie en de gezondheids- en welzijnssector promoot en ondersteunt.5 In Zweden zijn coöperaties een van de belangrijkste private alternatieven geworden voor de publieke voorziening van sociale diensten: “Cooperatives have rapidly become one of the most important alternatives to the public provision of social services in the current transformation of the welfare state and privatization of the public sector in Sweden” (Pestoff, 1995:153).” Zowat twee-derde van de Zweedse private non-profit kinderdagverblijven zijn coöperaties (Pestoff, 1995: 155). Een gelijkaardig beeld zien we in Frankrijk (Defourny & Nyssens, 2008). De Zweedse coöperatieve kinderopvangmodellen inspireren wereldwijd (zie o.a. Coontz & Esper, 2003). Zweden kent ook een sterke traditie van huisvestingscoöperaties (Pestoff, 1991, 1998). Ondertussen telt het onder meer ook twee coöperaties in de sector van wat in Vlaanderen ‘persoonlijke assistentiebudgetten’ heet. De coöperaties zorgen voor opleiding en werkorganisatie van de assistenten (Van Hauwermeiren, 2010). Finland kende de jongste 20 jaar eveneens een boom van coöperatief ondernemen, volgend op de economische recessie van de jaren 1990 en inspelend op stijgende maatschappelijke noden. Coöperaties stonden er al sterk in traditionele sectoren zoals financiën en landbouw, maar de jongste jaren werden meer dan 3000 nieuwe coöperaties opgericht in rurale gebieden zowel als steden, in de sfeer van de maatschappelijke dienstverlening en de nutsvoorzieningen. De grootste coöperaties zijn er werknemerscoöperaties en watercoöperaties. De confederatie van Finse coöperaties (Pellervo) monitort deze ontwikkelingen en ondersteunt ze ook programmatorisch (www.pellervo.fi).
5
Zie o.m. http://www.cooperatives-uk.coop/newventures
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
9
In België en Vlaanderen wordt het coöperatief model (her)ontdekt door steeds meer mensen en organisaties die op een bedrijfseconomische manier maatschappelijke noden willen lenigen. Zo ontstonden coöperaties in de domeinen van duurzame energie6 en duurzame productie en consumptie7, solidair wonen8, buurt- en nabijheidsdiensten9, welzijns- en gezondheidszorg10 en mobiliteit11, en hebben we weet van zich ontwikkelende initiatieven in de domeinen van kinderopvang en woon-zorg combinaties12. Steeds meer mature coöperaties uit traditionele sectoren als bank- en verzekeringswezen, landbouw en farmacie herontdekken en herbenutten ook hun coöperatieve identiteit. Ook nieuwe coöperaties die in de loop der jaren ontstonden, dragen de coöperatieve identiteit sterker uit. Een aantal coöperaties hebben zich verenigd in CoopKracht, een vereniging van mens- en milieuvriendelijke coöperaties en de Nationale Raad voor de Coöperatie die anno 1955 werd opgericht om het coöperatief ondernemen te promoten en te bewaken lijkt te ontwaken uit een lange winterslaap. Nieuwe advies- en ondersteuningsstructuren voor coöperaties zien het daglicht (bv. CoopConsult) en oude profileren zich sterker (bv. Febecoop). Uitwisselingen tussen coöperatieve ondernemers worden georganiseerd (o.a. de Themacafé’s van CoopKracht) en websites en toegankelijke uitgaven over coöperatief ondernemen zagen de jongste jaren het levenslicht (o.a. de CoopKrant van CoopKracht, maar ook de E-notes en CoopDirects van het Cera Steunpunt Coöperatief Ondernemen, een project van HIVA-K.U.Leuven, gefinancierd door Cera, dat in 2006 werd opgericht en dat zich tot doel stelt de ontwikkeling van het coöperatief ondernemen in België academisch te ondersteunen). Onder meer door deze evoluties in het veld van het coöperatief ondernemen en de academische wereld herontdekken meer en meer mensen en organisaties het coöperatief ondernemen – ook voor het tegemoetkomen aan maatschappelijke noden.
1.1.5
Ondersteuning van het potentieel van het coöperatief ondernemingsmodel
Wie echter vandaag de dag in Vlaanderen een coöperatie wil oprichten, dient momenteel nog al te vaak de coöperatieve formule opnieuw uit te vinden, zeker in het geval men zich op het terrein begeeft van nieuwe maatschappelijke uitdagingen en vormen van samenwerking. De concrete vertaling van de coöperatieve principes in bedrijfsmodellen bevindt zich momenteel in Vlaanderen nog in een prille ontwikkelingsfase. Bovendien leeft de perceptie dat verschillende sectorale regelgevingen het gebruik van het coöperatief model voor het lenigen van maatschappelijke noden niet stimuleren, soms zelfs niet toelaten.
6
7
8
9 10 11 12
O.a. Ecopower, Wase Wind, Beauvent. Er ontstaan ook veel plaatselijke initiatieven voor het produceren/aankopen van groene energie zoals bv. in Ittre, Maasmechelen, Menen, Houyet,…). Tevens bestaan er coöperaties van boeren die gezamenlijk energie opwekken op basis van mest, zoals bv. Biogas Vlaanderen en BioNoord. Zo kennen we bv. Oxfam op vlak van eerlijke handel, het Wereldcafé in Leuven, en zijn er talrijke coöperaties voor de vermarkting van duurzame landbouwproducten (zoals bv. de nieuwe coöperatie de Meester-Wroeterij). Interessant is ook de case van de natuurvoedingswinkel De Blauwe Bloem. Duurzame productie is ook het handelsmerk van de mens- en milieuvriendelijke coöperaties die zich verenigd hebben in CoopKracht. In Ohey kozen de bewoners van La Sève voor een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Elke bewonerbeheerder heeft aandelen gekocht. Andere initiatieven van groepswonen zoals de Molen van Rotselaar (in Rotselaar) en La Grande Cense (in Clabecq) kozen voor een vereniging van mede-eigenaars. In Brussel wordt op 25 mei het Charter ondertekend voor een Community Land Trust (het concept ervan is dat eigendom van grond en gebouw gescheiden worden en de grond eigendom is van de trust, waardoor een eigen woning betaalbaarder wordt). Wonen met inspraak en meer zekerheden als huurder en dus zonder noodzakelijke eigendomsverwerving wordt ook op coöperatieve wijze georganiseerd door de reeds langer in Vlaanderen en Brussel bestaande Huurdersunies, die hun model zelf in de jaren 1970 importeerden uit het Verenigd Koninkrijk. Wooncoöperaties zijn talrijk in onder meer het Verenigd Koninkrijk, Zweden en de Verenigde Staten, maar ook in Zwitserland en Frankrijk. Qua woon-zorg combinaties verwijs ik naar de cases die hoger werden vermeld in de paragraaf over zorg. Interessant is onder meer ook de PPS-formule Livingstones, een publiek-private samenwerking van 3 sociale verhuurkantoren en 4 private partners uit het Brusselse. O.a. ISIS vzw die erg participatief werkt met haar werknemers, of Buurtinitiatieven Kuurne (BIK vzw), en de coöperaties Proxemia en Landelijk Dienstencoöperatief. Het Sociaal Medisch Instituut der Zuiderkempen (Somedi) is bijvoorbeeld een interessant voorbeeld van een zorgcoöperatie. Cambio en autodeelgroepen zijn voorbeelden van coöperatieve organisatie van mobiliteit. Zoals bv. het initiatief Autiwoonzorg in Leuven en Maison Biloba Huis in Brussel.
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
10
In haar beleidsnota formuleerde Minister Van den Bossche de ambitie om het coöperatief ondernemen op te waarderen. “Coöperatief ondernemen kan een belangrijke rol spelen in de veranderde samenleving. Nieuwe behoeften vragen andere antwoorden. Zo stelt de vergrijzing andere eisen aan de manier van wonen, de doorgroei van ondernemingen uit de sociale economie alsook het coöperatief ondernemen in het voorzien van groen en hernieuwbare energie.” De minister wil maximaal inzetten op de innovatie-mogelijkheden die geboden worden door de principes van coöperatief ondernemen. Daarbij dient niet specifiek op de coöperatieve rechtsvorm gefocust te worden (de CVBA of CVOA, of enger, de door de NRC erkende CVBA of CVOA), maar wel op de definitie die de filosofie van het coöperatief ondernemen omvat: “Een coöperatie is een autonome groep van mensen die zich op vrijwillige basis verenigen om gemeenschappelijke noden en verwachtingen in te vullen op economisch, maatschappelijk of cultureel vlak, en dit via een onderneming die ze samen bezitten en die democratisch bestuurd wordt”(International Cooperative Alliance (ICA)). Dit onderzoek wil de strategie van de Vlaamse minister voor sociale economie ter verkenning en versterking van het coöperatief ondernemen als antwoord op hedendaagse en toekomstige maatschappelijke uitdagingen en verzuchtingen ondersteunen.
1.2 Onderzoeksvragen -
-
-
-
-
Welke coöperatieve modellen bestaan er momenteel op het vlak van kinderopvang, welzijns- en gezondheidszorg, buurt- en nabijheidsdiensten, duurzame productie en consumptie en mobiliteit in België? Welke buitenlandse coöperatieve modellen zijn succesvol (m.b.t. relevante parameters financiële leefbaarheid, toegevoegde waarde tewerkstelling, kwaliteit van tewerkstelling, duurzaam karakter van het ondernemingsmodel)? Welke kenmerken van deze binnen- en buitenlandse modellen maken hen geschikt om maatschappelijke noden te lenigen? Welke elementen hiervan zijn nuttig ter versterking van innovatief ondernemerschap ten behoeve van maatschappelijke uitdagingen? Welke uitdagingen dienen in de Vlaamse context nog te worden overwonnen en welke elementen kunnen aangereikt worden om deze uitdagingen te overstijgen? Welke aanbevelingen kunnen op basis van bovenstaande analyses geformuleerd worden voor een Vlaams beleid ter versterking innovatief coöperatief ondernemerschap in functie van het lenigen van hedendaagse maatschappelijke behoeften? Welke haalbare business cases kunnen worden geformuleerd?
1.3 Voorgestelde methodologie We stellen een onderzoek voor dat de ontwikkeling van pilootprojecten van coöperatief ondernemen in antwoord op hedendaagse maatschappelijke behoeften ondersteunt. Dit onderzoek verloopt in verschillende fasen: - Exploratie van coöperatieve modellen in België op gebied van kinderopvang, welzijns- en gezondheidszorg, buurt- en nabijheidsdiensten, duurzame productie en consumptie en mobiliteit - Exploratie van coöperatieve modellen als antwoord op maatschappelijke uitdagingen in het buitenland (focus op Finland, Zweden, Verenigd Koninkrijk en Italië) - Analyse van kritische succesfactoren, alsook van knelpunten en uitdagingen van het coöperatief model (we beperken ons hierbij tot model-interne factoren, i.c. kenmerken die eigen zijn aan het coöperatief ondernemingsmodel zelf. Model-externe factoren zoals de sectorale wet- en regelgeving waaraan coöperaties onderworpen zijn wanneer ze zich begeven op specifieke terreinen van de productie van specifieke goederen en diensten, zijn uiteraard medebepalend voor de geschiktheid en het welslagen van het coöperatieve model, maar vallen buiten het bestek van dit onderzoek)
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
-
11
Aanbevelingen voor een beleid ter ondersteuning en versterking van het innovatief ondernemerschap in functie van het lenigen van maatschappelijke behoeften Ontwikkeling van businessmodellen voor coöperaties die worden opgericht in antwoord op de hedendaagse maatschappelijke uitdagingen
1.3.1
Exploratie van coöperatieve modellen in Vlaanderen
De eerste fase bestaat uit een exploratie van bestaande coöperatieve modellen voor het lenigen van hedendaagse maatschappelijke behoeften in Vlaanderen. In wat voorafging maakten we reeds exemplarisch gewag van binnenlandse coöperaties op vlak van welzijns- en gezondheidszorg, buurt- en nabijheidsdiensten, duurzame productie en consumptie en mobiliteit. Dit eerste ruwe overzicht willen we ten behoeve van dit onderzoek verfijnen en systematiseren in een typologie van coöperatieve ondernemingen in de betrokken sectoren. We streven hierbij geen exhaustiviteit na, maar gaan voor zover er zich verschillende ondernemingstypes voordoen en voor zover informatie hierover beschikbaar is, wel op zoek naar voorbeelden die een diversiteit van types illustreren. De typologie wordt opgebouwd rond verschillende dimensies. Vooreerst is zijn er de verschillende types van coöperatieve ondernemingsvormen: gebruikerscoöperaties, werknemerscoöperaties, multistakeholdercoöperaties en tweede graadscoöperaties. Om een voorbeeld te geven uit de sfeer van de kinderopvang: • Een oudercoöperatie is een coöperatie waarin ouders lid (eigenaar en gebruiker) zijn van de coöperatie. De coöperatie huurt of verwerft een locatie, vraagt de nodige erkenningen aan, neemt personeel in dienst en rekent een dagprijs aan. Ouders kunnen bij het vertrek van hun kind uit de voorziening hun aandeel verkopen aan de coöperatie of aan een andere ouder (na goedkeuring door de andere leden). • In een werknemerscoöperatie zijn het de werknemers van de kinderopvangdienst die lid (en dus ook eigenaar) zijn van de coöperatie. Zij zorgen voor een locatie, voor de nodige erkenningen en werven ouders als klanten. • In een mengvorm – de multi-stakeholdercoöperatie –bestaat het ledenbestand uit meerdere partijen, zoals bv. de ouders-gebruikers, de werknemers, maar ook eventueel sociale organisaties, inrichtende machten van scholen en/of lokale besturen. Deze laatste kunnen bijvoorbeeld een gebouw ter beschikking stellen, zoals bv. een schoolgebouw voor de buitenschoolse opvang. • Een tweede graadscoöperatie is een coöperatie van initiatieven uit de kinderopvang. De leden van deze coöperatie zijn voorzieningen die hun krachten bundelen en schaalvoordelen realiseren bij de samenaankoop van materiaal of op het vlak van administratie en ICT, personeelsbeleid, vorming, kwaliteitszorg e.d. Naast deze coöperatie-types zijn andere relevante dimensies voor de coöperatie-typologie: de activiteitensector, de grootteklasse van de onderneming, gesubsidieerd versus niet gesubsidieerd, werkend met vrijwilligers of niet, (coöperatieve) rechtsvorm, lid van een federatie of niet. We leggen deze typologie voor aan koepels, federaties en vertegenwoordigende organisaties uit de coöperatieve sector en de sociale economie: de Nationale Raad voor de Coöperatie, CoopKracht, VOSEC, Febecoop, CoopConsult, alsook de solidaire financiers die voeling hebben met recente evoluties en initiatieven op vlak van coöperatief ondernemen… met de vraag voorbeelden te geven van coöperatieve ondernemingen volgens deze dimensies en binnen de domeinen van kinderopvang, welzijns- en gezondheidszorg, wonen, duurzame productie en consumptie, mobiliteit en duurzame energie.
1.3.2
Exploratie van coöperatieve modellen in het buitenland
Op basis van de ons bekende onderzoeksliteratuur en websites van ondersteuningsstructuren (zie supra) verzamelen we informatie over coöperatieve modellen in het buitenland. We focussen hierbij vooral op Finland, Italië, Zweden en de UK, omdat deze landen reeds een zekere traditie hebben opgebouwd op vlak van coöperatief ondernemen in de gevraagde domeinen. Hierbij stonden ze overigens model voor HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
12
gelijkaardige ontwikkelingen in andere landen, omdat het overheidsbeleid in deze landen erg stimulerend is ten aanzien van de ontwikkeling van coöperaties in deze domeinen en er sterke ondersteunende instanties voor coöperatief ondernemen aanwezig zijn. In het bijzonder zoeken we informatie over de genese van de coöperatieve modellen in de gevraagde sectoren, de vormen die de coöperaties aannemen (cf. 1.3.1), de financieringsstructuur, de plaats van de gebruikers en de werknemers in de modellen en de wijze waarop desgevallend multistakeholdership georganiseerd wordt.
1.3.3
Analyse van de kritische succesfactoren, drempels en hinderpalen eigen aan de modellen
Vervolgens gaan we, via de literatuur en via gerichte interviews met sleutelfiguren uit het coöperatieve veld in Finland (Pellervo Cooperative Group), Italië (Associazione Generale delle Cooperative Italiane, Confederazione delle Cooperative Italiane, Lega Nazionale delle Cooperative e Mutue), het Verenigd Koninkrijk (The Co-operative College, CooperativesUK, Cooperative Business Development Panel) en Zweden (HSB Rksförbund, Kooperativa Förbundet, Kooperativ Utveckling Sverige, Riksbyggen), dieper in op de vragen welke buitenlandse coöperatieve modellen echt succesvol kunnen genoemd worden (m.b.t. relevante parameters als de financiële leefbaarheid, de toegevoegde waarde inzake tewerkstelling en meer specifiek tewerkstelling van kansengroepen, de kwaliteit van de arbeid, de betrokkenheid van de gebruikers, het duurzaam karakter van het ondernemingsmodel) en welke kenmerken van deze modellen hen zo geschikt maken om maatschappelijke noden te lenigen. Dit ook in vergelijking met non-profit organisaties en andere ondernemingsvormen. We gaan ook na welke mogelijke knelpunten of hinderpalen men aan het coöperatieve model en haar specifieke vormen (cf. supra) onderkent en op welke wijze concrete cases deze hinderpalen of belemmeringen overwinnen. Te denken valt bv. aan het feit dat de besluitvorming van lange adem kan zijn in organisaties die, zoals coöperaties, alle leden willen betrekken bij het beleid, of de organisatie van de toegankelijkheid en universaliteit van de (publieke) dienstverlening voor alle bevolkingsgroepen wanneer ze als een ‘clubgoed’ wordt aangeboden, verdringingseffecten, de hoge governance-kosten van een multi-stakeholdermodel en het risico op overconsumptie en vrijbuitersgedrag, alsook de zoektocht naar de optimale schaalgrootte. Hierna organiseren we een studiedag in Vlaanderen waarin de informatie uit de internationale exploratieve studie wordt gepresenteerd en voor Vlaanderen doorgedacht in workshops per domein: kinderopvang, welzijn- en gezondheidszorg, duurzame productie en consumptie, duurzame energie. Dit om te kijken naar wat geschikte elementen zijn uit het buitenland die nuttig zijn om te kijken naar versterking van het innovatief ondernemerschap op deze terreinen in Vlaanderen. Doelgroep van de studiedag zijn sociale en coöperatieve ondernemers, ondersteunende organisaties (adviesbureaus voor de sociale en coöperatieve economie, solidaire financiers), sectorale koepels,… 1.3.4
Beleidsaanbevelingen en business-modellen
Op basis van dit alles worden tenslotte beleidsaanbevelingen geformuleerd en businessmodellen ontwikkeld. Input voor de businessmodellen is afkomstig van de exploraties in voorgaande onderzoeksfase. Een tussentijdse rapportering wordt vervolgens besproken binnen de stuurgroep (cf. infra). De business-modellen zoomen in op • de organisatorische aspecten: wie zijn de aandeelhouders en waar worden ze gevonden? Hoe wordt hun inspraak in het beleid van de coöperatie georganiseerd? Hoe verhouden natuurlijke en institutionele aandeelhouders zich tot elkaar? Zijn klanten/cliënten ook aandeelhouders, of gaat het veeleer om een werknemerscoöperatie, een productencoöperatie of een tweedegraadscoöperatie? Hoe wordt de betrokkenheid van de leden georganiseerd? Quid in het geval gebruikers geen aandeelhouders zijn? Wat met de participatie van (lokale) overheden en van sociale organisaties? • de juridische aspecten: welke vennootschapsvorm? Welke statuten? Rechtspersonen als bestuurder? Lokale overheden als bestuurder? Faillissementsaansprakelijkheid? Regeling in geval van ontbinding? Regeling van belangenconflicten en bestuurdersaansprakelijkheid?
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
• •
•
13
Vrijwilligerswerk in de coöperatie? Verzekeringsplicht ten aanzien van vrijwilligers? Juridische mogelijkheden van eigendomsverwerving? de dienstverlening: welke gebruikerswaarde wordt gegenereerd? de financiële haalbaarheid: maakt men onderscheid tussen types van aandeelhouders (type A, B, D, E)? Hoeveel dragen de (verschillende types van) aandeelhouders bij? Op welke wijze kunnen ze bijdragen? Mogelijkheden van toe- en uittreding? Betalen gebruikers naast een eventueel aandeel ook een vergoeding voor geleverde diensten? Minimumkapitaal en volstorting? Welke nietfinanciële middelen (bv. onroerende goederen) worden ingebracht? Welke externe middelen worden er gezocht? Wat is de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen? Wat is de (vooropgestelde) prijs van de dienstverlening? Welke voordelen worden er voor aandeelhouders gegenereerd? Bestemming van winst? de meerwaarde op vlak van tewerkstelling (in het bijzonder ook van kansengroepen) die door het initiatief gecreëerd wordt.
De beleidsaanbevelingen zoomen in op een Vlaams beleid ter versterking van innovatief coöperatief ondernemerschap in functie van het lenigen van hedendaagse maatschappelijke behoeften. Vanuit het onderzoek formuleren we voorstellen die worden teruggekoppeld naar een stuurgroep (cf. infra).
1.4 Stuurgroep In overleg met het kabinet van Vlaams Minister voor Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie en het departement Werk en Sociale Economie wordt een stuurgroep samengesteld die de werkzaamheden van het onderzoeksproject opvolgt, feedback geeft vanuit beleid en veld over de beleidsaanbevelingen en de businessmodellen die uit het onderzoek naar voren komen. We suggereren dat deze stuurgroep ook vertegenwoordigers omvat van de Nationale Raad voor de Coöperatie, adviesorganisaties voor coöperatief ondernemen (zoals CoopConsult en Febecoop), CoopKracht, de solidaire financiers, VOSEC, VVSG, VERSO en sociale bewegingen in Vlaanderen
1.5 Referenties -
-
Borzaga, C. (2007), ‘Social cooperatives and work integration in Italy’ Annals of Public and Cooperative Economics, 67(2): 209-234. Borzaga, C., J. Galera & F. Zandonai (2008), ‘Italy’ in: Defourny, J. & M. Nyssens (eds), Social Enterprise in Europe: new trends and developments. WP-08.01, EMES Working Papers. Borzaga, C. & A. Santuari (2000), Social Enterprises in Italy. The experience of social cooperatives. Working Paper 15, ISSAN, Trento. Coates, A. (2008), Juridische aspecten eigen aan de ondernemingen in de sociale economie. Onderzoeksdeel 1: onderzoek juridische statute. WSE report 2008. Coates, A. (2009), Juridische aspecten eigen aan de onderneming in de sociale economie. Onderzoeksdeel 2: harmonisatie van de statuten - Sociale economie en Europa. WSE Report 2009. Coates, A. & W. Van Opstal (2009), The Joys and Burdens of Multiple Legal Frameworks for Social Entrepreneurship. Lessons from the Belgian Case. Working Papers on Social and Co-operative Entrepreneurship, WP-SCE 09-03, 70 pp. Leuven: Cera Centre for Co-operative Entrepreneurship. Coontz , E.K. & E. Esper (2003), ‘Cooperative child care for rural residents: the experience from California’ Journal of Rural Cooperation, 31(2): 111-125. Defourny, J. & M. Nyssens (eds) (2008), Social Enterprise in Europe: new trends and developments. WP08.01, EMES Working Papers. Develtere, P., K. Meireman & P. Raymaekers (2005), Coöperatief en maatschappelijk verantwoord ondernemen. De plaats van de vennoot in de coöperatie. Leuven: HIVA/Cera. Fraisse, L. (2008), ‘France’ in: Defourny, J. & M. Nyssens (eds), Social Enterprise in Europe: new trends and developments. WP-08.01, EMES Working Papers.
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
-
-
-
-
-
-
14
Gijselinckx, C. (2009), Co-operative stakeholders: who counts in co-operatives, and how? Paper nd presented at the 2 EMES International Conference on Social Enterprises, Trento, 1-4 July 2009 (Working Papers on Social and Co-operative Entrepreneurship 09.05). Gijselinckx, C. & P. Develtere (2007), The co-operative trilemma. Co-operatives between market, civil society and state. Paper presented at the 8th Conference of the European Sociological Association on ‘Conflict, Citizenship and Civil Society’, sessions of the Economic Sociology Research Network, Glasgow, 3-7 september 2007 (Working Papers on Social and Co-operative Entrepreneurship 08.01). Gijselinckx, C., P. Develtere en P. Raymaekers (2006), Coöperatief ondernemen en duurzame ontwikkeling. Leuven: HIVA/ARCO. Gijselinckx, C. & W. Van Opstal (2010), Coöperatieve kinderopvang: een verkenning. CoopDirect 10.01, Cera Steunpunt Coöperatief Ondernemen, HIVA – K.U.Leuven (www.cooperatiefondernemen.be). Gijselinckx, C. & W. Van Opstal (2008), Coöperatief verantwoord ondernemen. E-note nr. 5 van het Cera Steunpunt Coöperatief Ondernemen. Leuven: HIVA – K.U.Leuven (www.cooperatiefondernemen.be). Pestoff, V.A. (1995), ‘Local Economic Democracy and Multi-Stakeholder Cooperatives’ Journal of Rural Cooperation, 23: 151-167. Pestoff, V.A. (1991), Between the Market and Politics. Cooperatives in Sweden. Frankfurt: Campus Verlag. Pestoff, V.A. (1998), Beyond the Market and State. Social Enterprises and Civil Democracy in a Welfare Society. Aldershot: Ashgate & Economic Editions. Pestoff, V.A. (2003), Making Citizenship Meaningful in the 21st Century: the Politics of Participation in the Welfare State. Östersund: Mid-Sweden University. Thomas, A. (2004), ‘The rise of social cooperatives in Italy’ Voluntas, 15(3): 243-263. Van den Broeck, G. & I. Vanhoren (2006), De sociale economie wil groeien. Marktniches en groeipotentieel van de sociale economie. Leuven: HIVA. Spear, R. (2008), ‘United Kingdom’ in: Defourny, J. & M. Nyssens (eds), Social Enterprise in Europe: new trends and developments. WP-08.01, EMES Working Papers. Van den Broeck, G., I. Vanhoren & I. Nicaise (2007), ‘De sociale economie wil groeien. Marktniches en groeipotentieel voor de sociale economie in Vlaanderen’ Over-Werk. Tijdschrift van het Steunpunt WSE, 2007-1, 31-39. Van Hauwermeiren, J. (2010), Bezoek van het Expertisecentrum Onafhankelijk Leven aan Zweden: een verslag. Gentbrugge: Expertisecentrum Onafhankelijk Leven. Van Opstal, W. (2008). Coöperaties in de Social Profit? Een verkenning. In: Social Profit Jaarboek Vlaanderen 2008-2009 (pp. 76-82). Brussel/Antwerpen: Vereniging voor Social Profit Ondernemingen / Standaard Uitgeverij. Van Opstal, W. & C. Gijselinckx (2008), The co-operative provision of public services in an evolving welfare state. Paper presented at the ISTR 8th International Conference / 2nd EMES-ISTR European Conference “The Third Sector and Sustainable Social Change: New Frontiers for Research”, Barcelona, Spain , July 9-13 2008. Van Opstal, W., C. Gijselinckx & P. Develtere (2008), Coöperatief ondernemen in België: theorie en praktijk. Leuven/Amersfoort: ACCO.
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften - Onderzoeksvoorstel
2.
15
Tijdsschema
09/10 Exploratie binnen- en buitenlandse cases o Verfijning en systematisering overzicht binnenlandse cases o Exploratieve analyse buitenlandse modellen en hun context (Italië, het Verenigd Koninkrijk, Zweden Literatuurstudie Interviews met sleutelfiguren uit de coöperatieve sector Doorlichting businessmodellen: o Modeleigen kritische succesfactoren o Modeleigen knelpunten en uitdagingen Tussentijdse rapportering als input voor de bespreking in de stuurgroep en de studiedag met workshops Organisatie studiedag met workshops Formulering beleidsaanbevelingen & businessmodellen Eindrapportering Artikel Over.Werk
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
10/10
11/10
12/10
01/11
02/11
03/11
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
3.
16
Valorisatie
We voorzien een studiedag over de meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften, een startersgids met de Algemene Bakens voor Coöperaties, met do’s en don’ts en geïllustreerd met cases. We voorzien tevens een eindrapport met beleidsaanbevelingen. Tevens plannen we een artikel in Over.Werk. Met verwijzing naar VIONA als financieringsbron en verwijzing naar de publicaties publiceren we tevens een samenvatting als CoopDirect op www.cooperatiefondernemen.be en vermelden we het in onze Nieuwsflash die we naar meer dan 1000 adressen uit het veld van coöperatief ondernemen en sociale economie versturen. Organisaties die nu reeds een link naar ons op hun website hebben (Cera cvba, VOSEC met de portaalsite www.socialeeconomie.be; VERSO, NRC,…) zullen de informatie eveneens verspreiden. Niet onbelangrijk is tevens dat een aantal cruciale actoren uit het veld bij het onderzoek betrokken worden waardoor ze uit eerste hand toegang hebben tot de opgedane kennis en zelf ook een actieve input zullen leveren tot het proces van kennisopbouw. Dit via de stuurgroep en de workshops tijdens de studiedag die we organiseren met stakeholders.
4.
Financieel plan
5.
Bijlagen Bijlage 1: Beknopte omschrijving van het onderzoeksvoorstel
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
BIJLAGE 1
1.
17
Bondige omschrijving onderzoeksvoorstel
Probleemstelling
Vlaanderen staat voor grote maatschappelijke uitdagingen op vlak van demografie, globalisering en milieu. In haar project Vlaanderen in Actie formuleert de Vlaamse overheid het ambitieuze doel een innovatiegedreven, ecologisch duurzame en sociaal warme samenleving te realiseren en Vlaanderen daarmee naar de top-5 van de Europese regio’s te brengen (www.vlaandereninactie.be). De overheid kan en wil dit niet alleen realiseren. Lokale overheden en publieke organisaties, maar ook private burgers en organisaties worden opgeroepen om samen te werken. In het in 2009 ondertekende Pact 2020 formuleren de Vlaamse overheid en meer dan 80 maatschappelijke organisaties en verenigingen 20 doelstellingen, geclusterd in 5 thema’s, die de visie van Vlaanderen in Aktie operationaliseren en waarvoor ze ieder hun verantwoordelijkheid willen opnemen (www.vlaandereninactie.be). Gezien de grootorde van de maatschappelijke uitdagingen, de budgettaire restricties waaronder overheden werken, alsook de uitdaging van de globalisering en de vraag naar meer participatie en behoud van toegankelijkheid en kwaliteit van de dienstverlening dienen voor elk van deze doelstellingen innovatieve organisatie- en financieringsvormen te worden gezocht. Omwille van de inherente eigenschappen van het coöperatieve model, wordt dit, door mensen die het kennen of op zoek gaan naar dergelijke alternatieve organisatiemodellen, (her)ontdekt. Met name ook in combinatie met het statuut van ‘vennootschap met sociaal oogmerk’ (VSO) wordt de coöperatie als een mogelijk bedrijfseconomisch én maatschappelijk verantwoord initiatief gezien (Van Opstal, Gijselinckx & Develtere, 2008; Gijselinckx & Van Opstal, 2008; Van Opstal & Gijselinckx, 2008; Van Opstal, 2008). Coöperatief ondernemen is een manier van ondernemen die gepraktiseerd wordt in economische organisaties die op vrijwillige basis opgericht door personen (dit kunnen natuurlijke of rechtspersonen zijn, of een combinatie van beide), die hiermee gezamenlijk behoeften willen bevredigen en voordelen realiseren die ze ieder afzonderlijk niet of niet in dezelfde mate zouden kunnen bevredigen of realiseren (Gijselinckx & Van Opstal, 2008). Het unieke van een coöperatie is de dubbel identiteit van de aandeelhouders met hun coöperatie: ze zijn tegelijkertijd aandeelhouder en gebruiker. Hierdoor zijn ze tegelijkertijd investor-driven en user-driven. Coöperatieve aandeelhouders hebben niet alleen een financieel aandeel, maar ook een aandeel in de besluitvorming van de coöperatie. Bovendien is coöperatief ondernemen een vorm van ondernemen die gedreven wordt door coöperatieve principes. Deze coöperatieve principes zijn het resultaat van zowat anderhalve eeuw coöperatief ondernemen in uiteenlopende economische sectoren. Anno 1995 werden ze op het wereldcongres van de International Cooperative Alliance in zeven door alle ledenorganisaties gedeelde principes samengevat (Gijselinckx & Van Opstal, 2008): -
Vrijwillig en open lidmaatschap Democratische controle door de leden Economische participatie door de leden Autonomie en onafhankelijkheid Onderwijs, vorming en informatieverstrekking Coöperatie tussen coöperaties
De Vlaamse Minister voor Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie wil maximaal inzetten op de innovatie-mogelijkheden die geboden worden door de principes van coöperatief ondernemen. Dit onderzoek wil de strategie van de Vlaamse minister voor sociale economie ter verkenning en versterking van het coöperatief ondernemen als antwoord op hedendaagse en toekomstige maatschappelijke uitdagingen en verzuchtingen ondersteunen.
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA
De meerwaarde van het coöperatief ondernemingsmodel voor huidige en toekomstige maatschappelijke behoeften Onderzoeksvoorstel
2. -
-
-
-
-
-
-
-
-
Onderzoeksvragen
Welke coöperatieve modellen bestaan er momenteel op het vlak van kinderopvang, welzijns- en gezondheidszorg, buurt- en nabijheidsdiensten, duurzame productie en consumptie en mobiliteit in België? Welke buitenlandse coöperatieve modellen zijn succesvol (m.b.t. relevante parameters financiële leefbaarheid, toegevoegde waarde tewerkstelling, kwaliteit van tewerkstelling, duurzaam karakter van het ondernemingsmodel)? Welke kenmerken van deze binnen- en buitenlandse modellen maken hen geschikt om maatschappelijke noden te lenigen? Welke elementen hiervan zijn nuttig ter versterking van innovatief ondernemerschap ten behoeve van maatschappelijke uitdagingen? Welke uitdagingen dienen in de Vlaamse context nog te worden overwonnen en welke elementen kunnen aangereikt worden om deze uitdagingen te overstijgen? Welke aanbevelingen kunnen op basis van bovenstaande analyses geformuleerd worden voor een Vlaams beleid ter versterking innovatief coöperatief ondernemerschap in functie van het lenigen van hedendaagse maatschappelijke behoeften? Welke haalbare business cases kunnen worden geformuleerd? 3.
-
18
Methodologie
Exploratie van coöperatieve modellen in België op gebied van kinderopvang, welzijns- en gezondheidszorg, buurt- en nabijheidsdiensten, duurzame productie en consumptie, wonen, duurzame energie en mobiliteit. Constructie van een typologie en bevraging van sleutelfiguren uit het veld. Presentatie van exemplarische cases. Exploratie van coöperatieve modellen als antwoord op maatschappelijke uitdagingen in het buitenland. Omwille van recente ontwikkelingen op vlak van coöperatief ondernemen en ondersteuning ervan door de overheid, focussen we op Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Italië. We verzamelen informatie over coöperatieve modellen ter leniging van maatschappelijke behoeften door middel van literatuurstudie. Analyse van kritische succesfactoren, alsook van knelpunten en uitdagingen van het coöperatief model. We beperken ons hierbij tot model-interne factoren, i.c. kenmerken die eigen zijn aan het coöperatief ondernemingsmodel zelf. Model-externe factoren zoals de sectorale wet- en regelgeving waaraan coöperaties onderworpen zijn wanneer ze zich begeven op specifieke terreinen van de productie van specifieke goederen en diensten, zijn uiteraard medebepalend voor de geschiktheid en het welslagen van het coöperatieve model, maar vallen buiten het bestek van dit onderzoek. Interviews met vertegenwoordigers van ondersteuningsstructuren voor coöperaties in Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Italië. Studiedag met workshops volgens de verschillende domeinen. Aanbevelingen voor een beleid ter ondersteuning en versterking van het innovatief ondernemerschap in functie van het lenigen van maatschappelijke behoeften. Input hiervoor wordt gevormd door de inzichten uit voornoemde onderzoeksstappen. Deze inzichten worden voor feedback voorgelegd aan de stuurgroep. Ontwikkeling van businessmodellen voor coöperaties ter leniging van maatschappelijke noden. De businessmodellen focussen op organisationele en juridische aspecten, alsook op financieringsaspecten, gegenereerde gebruikerswaarde en gegenereerde meerwaarde in termen van tewerkstelling (in het bijzonder ook van kansengroepen). 4.
Stuurgroep en gebruikersgroep
In overleg met het kabinet van Vlaams Minister voor Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie en het departement Werk en Sociale Economie wordt een stuurgroep samengesteld die de werkzaamheden van het onderzoeksproject opvolgt, feedback geeft vanuit beleid en veld over de beleidsaanbevelingen en de businessmodellen die uit het onderzoek naar voren komen en de gebruikersgroep samenstelt.
HIVA – K.U.Leuven i.s.m. Faculteit Rechten UA