Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
116
1.1 Economie, wetenschap en innovatie 1.2 Duurzaam ondernemen 1.3 Landbouw 1.4 Toerisme 1.5 Cultuur en creativiteit 1.6 Media-innovatie en sociale media
116 119 120 121 122 123
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1 Algemene ambitie en visie 2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
BELEIDSTHEMA ‘OPEN ONDERNEMER’ SD1. Ondernemen alle kansen geven Beleidsvoorstel 1: Positieve attitude Beleidsvoorstel 2: Begeleiding van de ondernemers en van het bedrijf in zijn diverse levensfases met het oog op groei, verduurzaming en internationalisering Beleidsvoorstel 3: We stimuleren maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en zetten in op sociaal ondernemerschap Beleidsvoorstel 4: Land- en tuinbouwers en vissers als ondernemers Beleidsvoorstel 5: Geïntegreerd ecosysteem voor de culturele en creatieve sectoren SD2. Meer gerichte internationalisering van de Vlaamse economie Beleidsvoorstel 1: We voeren een proactiever en gerichter acquisitiebeleid voor buitenlandse investeringen, dat aansluit bij de slimme specialisatiestrategie van Vlaanderen en het nieuwe industriële beleid, en waarbij we ook instrumenten aanreiken ter verbetering van de algemene kostenpositie van de ondernemingen. Beleidsvoorstel 2: Het (financieel en operationeel) instrumentarium voor de bevordering van internationaal ondernemen wordt gerichter ingezet op (prioritaire) doelgroepen en markten en we ondersteunen bedrijven bij het opnemen van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (MVO) in het buitenland.
124 124 124
124 124 125
125 126 127 128
128
128
129
Inhoudstafel
Beleidsvoorstel 3: Alle actoren (van de overheid en het middenveld) handelen vanuit een gemeenschappelijke visie en strategie voor de internationalisering van de Vlaamse economie (outward & inward). SD3. In afstemming met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zorgen voor een adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling, inclusief brownfieldontwikkeling. Beleidsvoorstel 1: Vlaanderen als topregio door verhoogde competitiviteit van de economie en door het versnellen van investeringen Beleidsvoorstel 2: Verweven waar kan, scheiden waar moet met het oog op een zuinig ruimtegebruik
130
130 130 131
SD4. Stroomlijnen, professionaliseren en versterken van de internationale promotie en reputatie ontwikkeling van Vlaanderen door het uitbouwen van Toerisme Vlaanderen tot de internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid 132 Beleidsvoorstel 1: Internationale promotie-en reputatie ontwikkeling 132 Beleidsvoorstel 2: Toerisme Vlaanderen als internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid 133
BELEIDSTHEMA ‘INNOVATIECENTRUM VLAANDEREN’ SD1. Meer middelen (mensen, opleiding en vorming, kapitaal) voor O&O beter inzetten Beleidsvoorstel: Tegen 2020 besteedt de Vlaamse overheid 1% aan O&O en we zetten de middelen efficiënt in (het slimme specialisatiekader van de OESO) SD2. Innovatie stimuleren in ondernemingen Beleidsvoorstel 1: Een doelgroepgerichte mix van instrumenten uitbouwen en systeeminnovatie in strategische domeinen versnellen Beleidsvoorstel 2: SOC’s (strategische onderzoekscentra) en valorisatie van onderzoek versterken SD3. Excellentie van onderzoek bevorderen Beleidsvoorstel 1: FWO-onderzoeksprojecten voor jonge onderzoekers op de sporen zetten en elke stap in de wetenschappelijke carrière ondersteunen Beleidsvoorstel 2: Inzetten op internationale samenwerking door: Beleidsvoorstel 3: Een Vlaams openaccessbeleid uitbouwen Beleidsvoorstel 4: Het belang van interuniversitaire attractiepolen (IUAP’s) Beleidsvoorstel 5: Wetenschappelijke integriteit bevorderen Beleidsvoorstel 6: De financiering van universiteiten vereenvoudigen
133 133
133
134
134 135
135 135 136 137 138 138 138
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
SD4. Onderzoeksinfrastructuur om kennis te verankeren en innovatie te stimuleren Beleidsvoorstel: Door een hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur zorgen we ervoor dat uitstekende onderzoekers in Vlaanderen blijven, dat buitenlands talent naar Vlaanderen komt en stimuleren we de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven..
SD5. Een antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen Beleidsvoorstel 1: Focus op Sociale innovatie, op maatschappelijke valorisatie en op wetenschappelijke onderbouwing van het beleid Beleidsvoorstel 2: Focus op duurzaamheid SD6. Bewaken en stimuleren van kwaliteit binnen een veranderend innovatief media-ecosysteem Beleidsvoorstel 1: Een pluriform, divers en kwaliteitsvol media-aanbod staat centraal Beleidsvoorstel 2: Rekening houden met de nieuwe (sociale) media, met crossmedialiteit SD7. Mediawijsheid, sociale media als kanaal voor burgerparticipatie en het belang van een stimulerend privacybeleid
138
138
139 139 140
141 141 141
142
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
143
BELEIDSTHEMA ‘OPEN ONDERNEMER’
143
SD 1. Ondernemen alle kansen geven
143
SD 2. Meer gerichte internationalisering van de Vlaamse economie 145
SD 3. In afstemming met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zorgen voor een adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling, incl. brownfield ontwikkeling.
146
SD 4. Stroomlijnen, professionaliseren en versterken van de internationale promotie en reputatieontwikkeling van Vlaanderen.
146
Samenvatting voor Open Ondernemer
146
Inhoudstafel
BELEIDSTHEMA ‘INNOVATIECENTRUM VLAANDEREN’ SD1. Meer middelen (mensen, opleiding en vorming, infrastructuur, kapitaal) voor O&O inzetten.
SD2. Innovatie stimuleren in ondernemingen.
148
148
148
SD3. Excellentie van onderzoek bevorderen. 149
SD4. Onderzoeksinfrastructuur om kennis te verankeren.
151
SD5. Een antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen.
152
SD6. Bewaken en stimuleren van kwaliteit binnen een veranderend innovatief media-ecosysteem.
152
SD7. Mediawijsheid en sociale media als kanaal voor burgerparticipatie en het belang van een stimulerend privacybeleid
153
Samenvatting voor Innovatiecentrum Vlaanderen
153
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.1 Economie, wetenschap en innovatie
1.
Enkele basisgegevens
Onder invloed van de internationale economische crisis kromp het Vlaamse bruto binnenlands product (bbp) in 2012 met 0,3%. Voor 2013 wordt een beperkt herstel verwacht, namelijk een groei van 0,2%. Voor 2014 wordt gerekend op een reële groei van het Vlaamse bbp tot 1,2%. Voor 2015-2018 wordt een gemiddelde verwacht van 1,7%. Het Vlaamse bbp per inwoner, gecorrigeerd voor de pendelstromen, bedroeg 32.700 euro koopkrachtpariteit (KKP) in 2012. Daarmee bevestigt Vlaanderen een topvijfpositie in de groep van innovatiegedreven regio’s in de EU. Die welvaart is grotendeels te danken aan een hoge arbeidsproductiviteit. In 2012 bedroeg de arbeidsproductiviteit per inwoner in Vlaanderen (na de correctie voor pendelstromen) 74.200 euro KKP. De werkgelegenheidsgraad, een tweede belangrijke component van het bbp per inwoner, bedraagt in Vlaanderen 67,8% in 2012, na de correctie voor pendelstromen. Vlaanderen heeft een inhaalbeweging gemaakt ten opzichte van de EU27. Terwijl Vlaanderen voor de werkgelegenheidsgraad in 2008 (na de correctie voor pendelstromen) nog op de achttiende plaats staat in de EU27, bekleden we in 2012 een elfde plaats. In absolute cijfers blijft het werkgelegenheidspercentage echter ongeveer constant. Anno 2012 zijn er 71,5% Vlamingen op beroepsactieve leeftijd (20-64 jaar) aan het werk; dat zijn er 0,3 procentpunt minder dan in het jaar voordien. Hoewel Vlaanderen het aanvankelijk beter deed dan gemiddeld in Europa, zakt de werkzaamheidsgraad sinds 2011 sneller dan die van de EU27. In 2012 steeg de globale ILO-werkloosheidsgraad (15-64 jaar) in het Vlaamse Gewest jaar op jaar tot 4,6%. Net zoals de voorgaande jaren waren Vlamingen op beroepsactieve leeftijd minder vaak op zoek naar een job dan gemiddeld genomen in de Europese Unie. Vlaanderen telt eind december 2013 229.570 niet-werkende werkzoekenden. Op jaarbasis groeit de werkloosheid met 19.543 of 9,3%. De Vlaamse werkloosheidsgraad (ruimere definitie dan de ILO) komt uit op 7,76%, de mannelijke (7,77%) en vrouwelijke (7,75%) zijn nagenoeg identiek. Zowel op het vlak van bruto toegevoegde waarde als van tewerkstelling neemt het belang van de secundaire sector snel af. Terwijl de secundaire sector in 2003 nog 29,5% van de totale bruto toegevoegde waarde in Vlaanderen realiseert, bedraagt dat percentage in 2011 nog 26,1%. 73,0% van de Vlaamse toegevoegde waarde wordt gerealiseerd in de tertiaire sector, ten opzichte van 69,2% in 2003. Ook voor de tewerkstelling zien we dezelfde trend: in 2003 werkt nog 25,3% van het totale aantal werkenden in de secundaire sector, maar in 2011 neemt dat cijfer af tot 21,9%. Het aandeel van het aantal werkenden in de tertiaire sector evolueert tussen 2003 en 2011 van 72,4% naar 76,4%.
2.
O&O als motor voor innovatie
In 2012 besteedde Vlaanderen 5,204miljard euro aan O&O (= 2,42% van het bbp), waarvan 3,483 miljard euro in de private sector: 67% van het totaal in 2012, gevolgd door de Vlaamse universiteiten en hogescholen met 21%; de rest van het budget werd besteed door instellingen uit de sectoren overheid en not-for-profit.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
In 2014 bedroeg het totale wetenschaps- en innovatiebudget van de Vlaamse overheid 2.177 miljoen euro, waarvan 1.354 miljoen euro voor O&O . Van die 1,35 miljard euro was 48% bestemd voor niet-gericht en 52% voor het gericht onderzoek. Dat bedrag vertegenwoordigt ongeveer de helft van alle overheidskredieten in België. In het ‘Innovation Union Scoreboard’ (IUS) 2014 van de EU staat België als zevende gerangschikt, en maakt deel uit van de groep van ‘innovatievolgers’. Het staat na Zweden, Denemarken, Duitsland, Finland, Luxemburg en Nederland, maar voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Die rangschikking wordt opgemaakt op basis van een samengestelde index van criteria, bijvoorbeeld human resources, economische effecten en intellectuele eigendom, zodat ze een goed globaal overzicht van de relatieve positie weergeeft. Bovendien maakt de EU ook een ‘Regional Innovation Scoreboard’ (RIS) 2014 op. Daarin wordt Vlaanderen gerangschikt bij de ‘regionale innovatievolgers’. Het totale aantal O&O-personeel bedroeg 40.883 in 2012, tegen 39.282 in 2011. Zowel voor de publieke onderzoekscentra als voor het hoger onderwijs zien we tussen 2010 en 2012 een stijging van het O&Opersoneel ten opzichte van 2009. Voor de bedrijven zien we een lichte daling in 2010, gevolgd door een duidelijke stijging in 2011 en 2012. Als gemeten wordt ten opzichte van de totale werkende bevolking scoort Vlaanderen boven België en boven het EU-gemiddelde. Het aandeel werkenden in de (medium) HTindustrie en HT-diensten in het Vlaamse Gewest ligt boven het EU27-gemiddelde. In 2011 was 9,1% van de Vlamingen werkzaam in dergelijke bedrijfstakken, tegenover gemiddeld 8,3% in de EU27. De instroom en de uitstroom in het hoger onderwijs en het aantal gegradueerden en personen met een doctoraat namen sterk toe in het voorbije decennium. Ondanks de talrijke initiatieven waarmee men die richtingen wil promoten, blijkt het jaarlijkse aantal W&T-gediplomeerden in Vlaanderen niet beter te worden dan één op de vijf van de nieuwe lichting hogergeschoolden. In 2012 was dat aantal met 19,1% zelfs lager dan tien jaar geleden. Sinds 2000 steeg het aantal publicaties sterk tot 20,3 Vlaamse publicaties in het SCIE-bestand per 10.000 inwoners voor 2011 waardoor Vlaanderen nu tot de subtop behoort. Het aantal aangevraagde EPO-octrooien met Vlaamse uitvinder per miljoen inwoners bedraagt 255,3 in 2008 en blijft ongeveer stabiel na een jarenlange stijging. De internationale positionering van Vlaanderen blijft ook gelijk. Het aantal innoverende bedrijven (product- en procesinnovatie) bedraagt 52%. Uit een historische vergelijking van alle CIS-bevragingen (Community Innovation Surveys) lijkt de trage daling in het percentage ondernemingen dat product- of procesinnovatieactiviteiten uitoefent, te stabiliseren. Vooral grote bedrijven, industriebedrijven en hoogtechnologische bedrijven doen aan innovatie. Er is dus nog ruimte om kmo’s, dienstenbedrijven en laag-technologische bedrijven te betrekken bij die vormen van innovatie. Meer dan 62% van de Vlaamse bedrijven introduceerde in de periode 2008-2010 een product-, proces-, organisatorische, of marketinginnovatie. Vlaanderen scoort daarmee zeer goed ten opzichte van het EU27-gemiddelde. De uitdagingen voor het O&O-landschap van Vlaanderen zijn: het landschap van de actoren en de steuninstrumenten verder uitbouwen, het aantal afgestudeerden in wetenschap en technologie verder opdrijven, de aanwezigheid van uitstekende onderzoekers in alle disciplines op peil houden in Vlaanderen, de onderzoekscapaciteit in het hele economische weefsel versterken, met speciale aandacht voor de kmo’s, private O&O bij (grote) (buitenlandse) bedrijven stimuleren, een geïntegreerde strategie voor vraaggedreven innovatie uitwerken, zorgen voor focus in het innovatiebeleid en inzetten op de verkoop van NTM- (newto-market) en NTF- (new-to-firm) innovaties.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
3.
Het belang van ondernemerschap
Via de Global Entrepreneurship Monitor-enquête 2012 werd gepeild naar de houding in de samenleving ten opzichte van ondernemerschap. Ondernemerschap wordt in Vlaanderen steeds meer gezien als een haalbare en wenselijke stap. In 2012 zag 33% van de ondervraagden voldoende opportuniteit om een bedrijf op te richten, 37% meent over voldoende kennis, bekwaamheid en ervaring te beschikken om een nieuw bedrijf op te richten. Bovendien had 8% effectief de intentie om binnen drie jaar een nieuw bedrijf te starten. De GEM-enquête peilde ook naar de waardering voor ondernemerschap. In 2012 vond 60% van de bevraagde Vlamingen dat succesvolle starters een hoge status hebben en veel respect genieten, 66% zag de stap naar ondernemerschap als goede carrièrekeuze en 55% vond dat er veel media-aandacht is voor ondernemerschap. Die indicatoren vertonen sinds 2009 een duidelijk positieve evolutie. Ondanks de economische crisis blijft het aantal ondernemingen toenemen in het Vlaamse Gewest. Bij de aanvang van 2012 zijn er 484.000 btw-plichtige ondernemingen actief in het Vlaamse Gewest. Het jaar 2012 telt 41.900 oprichtingen. Voorts zijn er 32.900 stopzettingen en 5400 faillissementen. Van alle ondernemingen die in 2006 het levenslicht zagen, is 74,2% vijf jaar later nog in leven. Veranderingen van vennootschapsvormen en overnames worden beschouwd als stopzetting. Het aandeel snel groeiende ondernemingen in het Vlaamse Gewest is gestegen met 7%. Op 1 januari 2012 realiseerden 1134 ondernemingen met minstens tien personeelsleden in dienst de voorgaande drie jaar een cumulatieve groei van jaarlijks 20% in het aantal personeelsleden. In 2011 waren dat er maar 1059. In relatieve cijfers betekent dit dat 3,52% van de ondernemingen met minstens tien personeelsleden in dienst een dergelijke groei verwezenlijkt heeft. De investeringsratio van de private sector bedroeg 21,4% in het Vlaamse Gewest in 2012. Dat is meer dan in 2009 of 2010, maar de precrisisniveaus van 2006 en 2007 (tussen 22 en 23%) worden nog niet bereikt. De investeringsratio is traditioneel hoog in het Vlaamse Gewest. Alle buurlanden en de EU27 als geheel noteren lagere waarden. De beslissing om al dan niet te investeren is van veel zaken afhankelijk. Drie factoren worden steevast aangehaald: het niveau van de voorraden, de bezettingsgraad van het productievermogen en de vraagvooruitzichten. Die factoren tonen allemaal prille tekenen van een betere investeringsomgeving.
4.
Groeien en versterken door internationalisering
Internationaal ondernemerschap heeft een positieve impact op de overlevingskansen en de groei van bedrijven. Kmo’s die internationaal actief zijn, groeien sneller qua werkgelegenheid, toegevoegde waarde en arbeidsproductiviteit. 17.800 Vlaamse bedrijven rapporteerden een goederenuitvoerverklaring in 2012. In 2013 exporteerde Vlaanderen voor 293,64 miljard euro 2013, de exportratio bedraagt 133,6%. Er is een substantiële verschuiving waar te nemen van de Vlaamse uitvoer weg van de EU28 (van 75,8% in 2003 naar 67,5% in 2013), waarbij de export buiten de EU in 2013 ook sterker steeg dan binnen de EU. Het aandeel van Duitsland is teruggevallen tot 17%, dat van de BRICS-landen staat inmiddels op 7,97% van de Vlaamse jaaruitvoer, hoewel de resultaten in deze landen in 2013 wat tegenvielen (-1,15%). Afrika is inmiddels goed voor 4,20% van de totale export. Het belang van de belangrijkste 10 exportmarkten is teruggevallen van 77,7% in 2003 tot 68,7% in 2013, Vlaamse uitvoerproducten vinden dus hun weg naar ‘kleinere’ partners. De export “uit eigen productie” met een hoger gehalte aan Vlaamse toegevoegde waarde (de export exclusief de heruitvoer) steeg in 2013 sterker dan vorige jaren (+1,81%).
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
5.
Buitenlandse directe investeringen die het Vlaamse economische weefsel versterken
Uit cijfers blijkt dat in 2013 191 nieuwe investeringsprojecten in Vlaanderen zijn gerealiseerd, voor een bedrag van 1,91 miljard euro en een jobcreatie van 4076 arbeidsplaatsen. Dit is de beste score sinds 10 jaar. Greenfieldinvesteringen blijven de dominante investeringsvorm met 44% van het totale aantal investeringen, terwijl uitbreidingsinvesteringen goed zijn voor 28%. Er werd vooral geïnvesteerd in nieuwe of uitbreiding van bestaande productieactiviteiten. De helft van de projecten komt uit Europa en een kwart uit de Verenigde Staten, maar vooral Azië en het Midden-Oosten zijn aan een opmars bezig. Grote buitenlandse investeerders spreiden hun activiteiten over verschillende landen. In die beslissing spelen de voorwaarden en incentives die worden geboden, een belangrijke rol. De EU-publicatie ‘2012 Industrial R&D Scoreboard’ noemt België een van de beste locaties binnen Europa voor O&O-investeringen, vanwege de uitstekende O&O-faciliteiten en heel wat unieke O&O-incentives. Toch leeft in het buitenland ook de indruk van fiscale onstabiliteit en onzekerheid in België.
6. Eén weefsel De Vlaamse Regering hecht veel belang aan de creatie en het behoud van welvaart en welzijn. Daartoe investeert ze in onderzoek en ontwikkeling, stimuleert ze innovatie en ondernemerschap en ondersteunt ze een modern industriebeleid. Een sterke onderzoeksbasis met goede wetenschappers en een dynamische economie met aangepaste bedrijven zijn basisvoorwaarden voor een sterk weefsel dat de welvaart nu en in de toekomst schraagt. Daarbij worden zoveel mogelijk synergieën nagestreefd en wordt ingezet op het ondersteunen van de transformatie van de economie door gerichte innovatie en het aanwenden van de kennis van uitstekende onderzoekers. Dat zijn ook de steunpijlers van een kennismaatschappij en -economie waarbinnen Vlaanderen zijn positie moet versterken. In het Vlaamse steunlandschap is door de jaren naar een evenwicht gestreefd tussen top-down- en bottomuponderzoek, in een veelheid aan steun voor onderzoekers en bedrijven. Die tweeledige focus is wenselijk en doelmatig en moet in die richting verder uitgebouwd worden. De transformatie van de economie door innovatie en kennis, en een innovatiebeleid dat gericht is op maatschappelijke en economische uitdagingen, zijn belangrijke randvoorwaarden.
1.2 Duurzaam ondernemen
Vanuit Vlaamse bedrijven en organisaties is er steeds meer aandacht voor duurzaamheid. Steeds meer start-ups en gevestigde waarden profileren zich op duurzaamheid en integreren duurzaamheid in hun strategie. Duurzaamheid staat ook bij de Vlaamse bedrijven steeds hoger op de agenda vanuit de persoonlijke waarden van de ondernemer of de organisatie, vanuit noodzaak of onder druk van consumenten, ngo’s of bedrijven die hoger in de keten staan en door de sensibilisering van verschillende overheidsinitiatieven. Dat blijkt ook uit de MVO-barometer, het succes van de duurzaamheidsnetwerken Kauri en B&S, de toename van het aantal inschrijvers voor ‘Best Belgian sustainability report’, en het succes van verschillende initiatieven van de overheid of door de overheid geïnspireerd (bijvoorbeeld Plan C, MVO Vlaanderen, start-to-mvo). Vlaanderen heeft in het Pact 2020 zijn ambitie uitgesproken om tegen 2020 maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) algemeen te verspreiden door meer en meer organisaties en ondernemingen
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
maatschappelijke verantwoordelijkheid te laten opnemen. Het is niet eenvoudig om zicht te krijgen op het aantal ondernemers in Vlaanderen die al op een duurzame manier ondernemen. Er zijn bijvoorbeeld geen cijfers over het aantal Vlaamse ondernemingen met een duurzaamheidsverslag zoals GRI of ISO 26000. Duurzaam ondernemen heeft zijn plaats in innovatie en de uitbouw van het economisch weefsel. Duurzaam ondernemen betekent een aanpak van verschillende facetten van bedrijfsvoering die in de praktijk ook een invloed hebben op elkaar. Uit de IOA-enquête (Innovatie, Organisatie, inzet van Arbeid) van de SERV blijkt dat ondernemingen die een (positieve) innovatie doorvoeren in hun productie of diensten, communicatiestrategie, logistiek of andere activiteiten, daarbij zeer vaak ook een innovatie in hun arbeidsorganisatie en/of personeelsbeleid doorvoeren. Procesinnovatie kan dus niet los gezien worden van organisatie- en personeelsbeleidsinnovatie. In het nieuwe Wapenhandeldecreet wordt de ethische toets uit de toepasselijke Europese regels nog uitgebreid met een aantal specifieke Vlaamse criteria (onder andere aandacht voor kinderrechten en gendergerelateerd geweld).
1.3 Landbouw
1.
Landbouwondernemer
In 2012 telde Vlaanderen 25.217 landbouwbedrijven, waarvan 72% met beroepsmatig karakter. Het aantal landbouwbedrijven neemt jaarlijks met 4% af (vooral kleine bedrijven stoppen). De gemiddelde bedrijfsoppervlakte is in tien jaar tijd wel aanzienlijk gestegen, met 46% tot gemiddeld 24,5 ha. De land- en tuinbouw realiseerde in 2013 een eindproductiewaarde van 5,8 miljard euro. België neemt de vierde plaats in het EU-klassement van agro-exporteurs in; de agrovoedingssector is dus een enorme troef. Vlaanderen neemt 81,5% van de Belgische landbouwexport voor zijn rekening. De gemiddelde leeftijd van de bedrijfsleiders van beroepslandbouwbedrijven in Vlaanderen bedraagt in 2011 51 jaar. In 2005 was dat nog maar 49 jaar. Slechts 2% van de bedrijfsleiders van Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven was jonger dan 30 jaar in 2011 en slechts 14% van de Vlaamse bedrijfsleiders ouder dan 50 jaar beschikt in 2011 over een vermoedelijke opvolger. Hoe groter het bedrijf, hoe groter de kans op een vermoedelijke opvolger. Door het familiale karakter zijn het voornamelijk de kinderen die het bedrijf overnemen, maar door de leeftijd, een gebrek aan interesse of buitenshuis werkende kinderen komt de opvolging in het gedrang.
2.
Duurzaamheid in de primaire sector en de agrovoedingssector
De productie, verwerking, distributie en bereiding van voeding levert een belangrijke bijdrage aan onze economische welvaart, werkgelegenheid en export. De Vlaamse voedingsindustrie onderzoekt de haalbaarheid van milieuneutraliteit tegen 2030. De consument geeft duurzaamheid in voeding een steeds prominentere plaats. Om die positie te behouden en zelfs te verbeteren, zijn de preventie van voedselverliezen en het optimaliseren van de reststromen uit de agrovoedingsketen beleidsprioriteiten. Wereldwijd verliezen en verspillen we een derde van al het voedsel dat we produceren, ook in Vlaanderen.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
Wat de primaire sector betreft, is er voor de meeste milieu-indicatoren een daling vastgesteld tussen 2001 en 2008, terwijl de eindproductiewaarde steeg. Drijvende krachten daarachter zijn het gevoerde mestbeleid en de conjunctuur, die een afname van de veestapel veroorzaakten. Sinds 2008 is er voor de meeste milieu-indicatoren veeleer een stagnatie opgetreden.
3.
Investeren in innovatie
Het aantal innoverende land- en tuinbouwbedrijven neemt jaar na jaar toe in Vlaanderen. Zo hebben meer dan 50% van de landbouwbedrijven en 64% van de tuinbouwbedrijven de voorbije jaren geïnvesteerd in innovatie. Daarbij staan verbeteringen in het productieproces, maar ook product-, vermarktings- en organisatorische innovaties voorop. Ondersteuning van de primaire en secundaire sector is essentieel om de bedrijven verder te kunnen laten investeren in die innovaties en de Vlaamse landbouw verder op een hoog concurrentieel niveau te houden. Volgens het Witboek Landbouwonderzoek zijn er drie tendensen in en rond de landbouw: een toenemende competitieve druk, een toenemende druk van milieu en klimaat en een toenemende volatiliteit van de omgeving. Daarom moet het landbouwonderzoek zich richten op drie innovatiegebieden: het verdiepen van de bestaande competenties in intensieve en efficiënte landbouw, het verbreden van het waardecreatiemodel en het verduurzamen van de productie.
4.
Platteland en stad
De korte afstand tussen stad en platteland zorgt voor economische groeimogelijkheden van het platteland. Typische plattelandsproducten en snelle dienstverlening voor de omliggende stedelijke gebieden zorgen voor opportuniteiten. De korte afstand tussen stad en platteland zorgt dan ook voor economische groeimogelijkheden van het platteland en geeft ook aanleiding tot een verhoogde aandacht voor de belevingswaarde van het platteland in al zijn facetten. Naast de ‘harde’ verstedelijking, die de bebouwing en de verharde oppervlakte doet toenemen, treedt in Vlaanderen ook een ‘zachte’ verstedelijking op door de functiewijzigingen en het multifunctionele gebruik van de bestaande bebouwde en onbebouwde ruimte. De nieuwe functies op het platteland leiden tot ruimtelijke transformaties die in toenemende mate beslag leggen op landbouwgrond en de ruimtelijke kwaliteit onder druk zetten.
1.4 Toerisme
Toerisme heeft een aanzienlijke economische betekenis. Het aandeel van de toeristische bedrijfstakken in de bruto toegevoegde waarde bedroeg in 2010 5,0% of 12,2 miljard euro. Qua werkgelegenheid komt dit in 2011 neer op 233.361 (niet-delokaliseerbare) jobs, waarvan 51.390 jobs voor zelfstandigen en helpers (7,4% van totale tewerkstelling voor zelfstandigen en helpers) en 281.971 jobs voor loontrekkenden (6,4% van totale tewerkstelling voor loontrekkenden). Het toeristisch ondernemerschap wordt wel gekenmerkt door relatief kleine winstmarges, een grote arbeidsintensiteit, gebrek aan voldoende geschoold personeel, seizoensgebondenheid en een strikte regelgeving – vaak vanuit het perspectief van consumentenbescherming.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Toerisme is ook een groeisector. In Vlaanderen nam de toeristische vraag (gerekend in aantal overnachtingen in het commerciële verblijfstoerisme) toe met gemiddeld 1,7% per jaar in de periode 2008-2012. In aantal aankomsten geteld zijn de buurlanden de belangrijkste buiten-landse markten. De grootste groei wordt echter genoteerd in de verre markten, die ook nog eens een enorm groeipotentieel hebben. De internationale reputatie-ontwikkeling van Vlaanderen staat nog in zijn kinderschoenen. In vergelijking met andere bestemmingen besteedt Vlaanderen slechts een klein deel van het toerismebudget aan internationale marketing. Uit de nulpuntmeting naar het internationaal imago van Vlaanderen als bestemming van baanbrekend vakmanschap (2012) blijkt enerzijds dat de bekendheid van Vlaanderen in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de BRIC-landen en bij jongeren dient geoptimaliseerd te worden en anderzijds dat Vlaanderen geassocieerd wordt met vakmanschap maar niet zozeer met ‘baanbrekend’.
1.5 Cultuur en creativiteit
1.
Enkele basisgegevens
De culturele en creatieve sectoren (CCS) gaven in 2008 werk aan 121.800 Vlamingen (vte) of 4,3% van de totale werkgelegenheid, en dat percentage geldt zowel binnen de profit- als de non-profitsector. Ze hadden een omzet van 23,9 miljard euro en realiseerden een toegevoegde waarde van 7 miljard euro. Niet alleen in Vlaanderen maar ook op Europees vlak wordt het maatschappelijk en economische belang van de CCS steeds meer benadrukt. 6,7 miljoen mensen vinden er werk (3% van de totale Europese tewerkstelling) en zij vertegenwoordigen 3,3% van het Europese bbp. Ze zijn een van de snelst groeiende sectoren op het vlak van toegevoegde waarde en werkgelegenheid (in sommige Europese regio’s voor meer dan 10 %). Tussen 2008 en 2011 is gebleken dat de werkgelegenheid in de CCS beter dan gemiddeld overeind bleef in de Europese economie.
2.
Cultuur en creativiteit koesteren
Naast hun rechtstreekse impact zorgen de CCS voor de vermarkting van culturele en creatieve innovatieve diensten en producten en spelen ze een rol in de toelevering van creativiteit en innovatie voor de traditionele economie. De CCS zijn ook bij uitstek het uithangbord van Vlaanderen in het buitenland. De CCS hebben specifieke eigenschappen: intellectuele eigendom speelt vaak een essentiële rol, multiple job holding van werknemers in verschillende statuten is meer regel dan uitzondering en veel activiteiten zijn vooral gebaseerd op projectwerking. Daarnaast is de waarde van een creatief of cultureel werk vaak (deels) immaterieel en is zo’n werk meestal maatwerk. Die combinatie van eigenschappen maakt dat ze moeilijke toegang krijgen tot investeringsmiddelen, mede omdat het bestaande instrumentarium niet is afgestemd op hun veelal vernieuwende businessmodellen. Het marktfalen is groot in de CCS, waardoor veel inspirerende initiatieven het levenslicht niet zien en het potentieel ervan onbenut blijft.
01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE
1.6 Media-innovatie en sociale media
1.
Herverdeling van de bestaande rollen, met de consument als drijfveer
Crossmedialiteit en convergentie zorgen ervoor dat dienstenverdelers (Telenet, Belgacom, TV Vlaanderen) ook als omroepen actief kunnen worden en vice versa, wat het bestaande ecosysteem onder druk zet. Via nieuwe distributievormen zoals internet, via nieuwe toepassingen zoals apps, en door middel van micropayment-systemen kunnen omroepen ook rechtstreeks, zonder tussenkomst van een dienstenverdeler, hun content aanbieden en verkopen aan de eindgebruikers. Tegelijkertijd brengen dienstenverdelers eigen inhoud (bijvoorbeeld voetbal of film) en zorgen ze ook voor nieuwe gebruiksfaciliteiten (bijvoorbeeld uitgesteld kijken). De consument wil zijn media-inhoud meer en meer verbruiken waar en wanneer hij wil, waardoor de klassieke media-inhoud wordt gefragmenteerd en geatomiseerd en via tweede schermen en met verrijkte diensten wordt verpakt en aangeboden. Klassieke media worden gekoppeld aan interactie en community’s (sociale media), waar de individuele gebruiker zijn media gaat delen, beoordelen en verspreiden. Tegelijkertijd genereren diegenen die via nieuwe media sociale media-applicaties, zoekmachineproviders enzovoort aanbieden, een enorme hoeveelheid aan informatie over de gebruiker, waardoor die bedrijven potentieel kunnen inspelen op de individuele wensen van de gebruiker, door hem diensten en een op maat gemaakt media- en nieuwsaanbod te bezorgen van zaken die hem interesseren, inclusief reclame, wat dan weer voor de gebruikers nieuwe uitdagingen met zich meebrengt op het gebied van ‘mediawijze’ vaardigheden en attitudes.
2.
Aanpassen om te groeien
In die onvermijdbaar veranderende omgeving komen de bestaande modellen onder druk: omroepen, dienstenverdelers, contentproviders, internetapplicatieproviders, maar ook nieuwe bedrijven uit de creatieve industrie bevinden zich op een nieuw speelveld waar nieuwe spelregels gelden, maar waar ook nieuwe bedrijven uit de creatieve industrie kansen krijgen. Dat alles leidt tot onduidelijkheden bij de interpretatie van basisregels voor de media, tot spanningen in het bestaande ecosysteem, en tot risico’s wanneer socialemedia-informatie verkeerd wordt gebruikt. Anderzijds leidt dat alles tot een groter aanbod, tot nieuwe opportuniteiten voor ontwikkeling van toepassingen en samenwerking tussen actoren, en tot meer mogelijkheden voor burgers in hun digitale ontwikkeling om te communiceren en hun netwerk uit te breiden.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
2.1 Algemene ambitie en visie
Vlaanderen zal in de regeerperiode 2014-2019 uitzonderlijk sterk inzetten op verantwoorde economische groei en creatie van maatschappelijk toegevoegde waarde, vanwege de ervaringen die opgedaan zijn na een moeilijke periode van financieel-economische crisis en recessie en met het doel om in te spelen op de eerste tekenen van pril herstel. De voornaamste instrumenten daartoe zullen zijn:
•• •• •• •• ••
een optimalisatie van het O&O- en innovatiebeleid, de verdere vergroening van onze economie en landbouw en het opnemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid door bedrijven, het bevorderen van duurzaam ondernemerschap om bedrijfsleiders te steunen en de groeiende impact van de globalisering positief te kunnen aanwenden, maatregelen die georiënteerd zijn op competitiviteitsgroei, op rendabiliteitsversterking en op het weerbaarder maken tegen de crisis, het versterken van het economisch weefsel en toekomstgerichte clusters om internationaal te kunnen doorgroeien en competitief te blijven.
De Vlaamse Regering blijft geloven in de toekomstmogelijkheden van alle sectoren, ook de primaire en secundaire sectoren, en wil via het nieuwe industriële beleid het weefsel met de tertiaire en quartaire sector nog versterken.
2.2
Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen
Beleidsthema ‘open ondernemer’
SD1. Ondernemen alle kansen geven De Vlaamse overheid creëert een omgeving waarin ondernemers zich kunnen concentreren op de kerntaken van het ondernemen. Een klimaat van respect en een geïntegreerde benadering zijn daarvoor cruciaal. Wij zetten in op administratieve vereenvoudiging, een toegankelijk aanbod van steun-, financierings- en begeleidingsmaatregelen, aandacht voor doelgroepen en specifieke noden van bepaalde economische sectoren en segmenten.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 1: Positieve attitude
Via initiatieven in onder andere de media en het onderwijs creëren wij een positieve attitude tegenover ondernemerschap, zowel bij het brede publiek als binnen de diensten van de Vlaamse overheid (zie ook het actieplan Ondernemend Onderwijs). ‘Respect voor ondernemerschap’ is het motto. Een positieve perceptie van het ondernemen kan een invloed hebben op de beroepskeuze van jongeren.
Beleidsvoorstel 2:
Begeleiding van de ondernemers en van het bedrijf in zijn diverse levensfases met het oog op groei, verduurzaming en internationalisering We nemen maatregelen om de talent- en competentieontwikkeling van (potentiële) ondernemers in de volledige levensloopbaan van de ondernemer te stimuleren. Geïnteresseerden, zowel werkzoekenden, werkenden als al actieve ondernemers werken hun hele loopbaan aan de verdere ontwikkeling en versterking van hun competenties op het vlak van ondernemerschap. Samen met intermediaire organisaties bouwen wij beleidsdomeinoverschrijdend (zie ook ‘Werkgeversservice’) een begeleidingsaanbod uit voor de diverse levensfases van de onderneming: steun bij de ontwikkeling van een ondernemingsplan, het opstarten van een onderneming, groei en opvolging. Bij de ontwikkeling van dat dienstenaanbod besteden wij aandacht aan de noden van doelgroepen als vrouwen, allochtone ondernemers, 50-plussers en arbeidsgehandicapten, maar ook aan de specifieke noden in bepaalde economische segmenten (zoals culturele en creatieve sectoren, toerisme, horeca, kleinhandel, zorg, landbouw) en aan thema’s als maatschappelijk verantwoord ondernemen, milieu- en energie-efficiëntie. De kennis van kmo’s en ondernemers over sociale media moet gestimuleerd en verhoogd worden. Op de markt van apps en toepassingen van sociale media in een (hyper)lokale context is er nog veel ruimte voor nieuwe initiatieven. De nieuwe media kunnen een grote rol spelen in de verdere groei en export van die ondernemingen in een internationale competitieve omgeving. Daarnaast stimuleren wij de uitwerking en toepassing van Vlaamse apps met een lokale meerwaarde en werken wij aan het openstellen van datasets die met publiek geld werden betaald (overheidsinformatie, musea). Nieuwe strategieën om bedrijven te ondersteunen die met deze opendatasets aan de slag gaan, worden onderzocht. Daarnaast ondersteunen wij de vorming over en het gebruik van sociale media in de bedrijfsstrategie en -processen. De Vlaamse overheid wil de bevoegdheden ‘toegang tot het beroep’ en ‘participatiefonds’, die geregionaliseerd worden in het kader van de zesde staatshervorming, optimaal inzetten om de Vlaamse economie te versterken. We willen komen tot een mentaliteitswijziging bij Vlaamse ondernemers. Daartoe nemen we initiatieven rond het belang van groei, verduurzaming en internationalisering, om zo te bouwen aan internationale groeiondernemingen van de toekomst. Ook de noodzakelijke instrumenten worden ontwikkeld om ondernemingen beslissende stappen naar groei, verduurzaming en internationalisering te laten zetten: begeleiding, coaching, ondersteuning bij het inhuren van externe expertise. In dit verband vereist ook de bevoegdheid ‘Erkenning van toeristische centra’, die met de zesde staatshervorming overgedragen wordt, specifieke aandacht.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 3:
We stimuleren maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en zetten in op sociaal ondernemerschap Mvo biedt een kader aan bedrijven die rekening houden met goede economische resultaten, milieu en sociale aspecten. Mvo brengt voordelen in termen van kostenbesparing, betere klantrelaties, betrokken personeel en nieuwe inzichten voor producten en diensten. Steeds vaker zien andere landen mvo als een middel om competitief en concurrentieel voor de dag te komen op de wereldmarkt. Ondernemers worden blijvend gestimuleerd en gesensibiliseerd om – in lijn met het Pact 2020 – hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op te nemen. Acties moeten daarom bedrijven concrete mvo-handvatten geven in het algemeen en moeten internationale standaarden in het bijzonder hanteerbaar maken voor ondernemers en organisaties. Mvo is en blijft immers een vrijwillig engagement van de ondernemingen en de ondersteuning moet bijgevolg laagdrempelig en gebruiksvriendelijk zijn. Daarbij hanteren we een integrale aanpak. De overheid heeft hier uiteraard een voorbeeldfunctie. We stimuleren mvo via het hanteren van duurzaamheidscriteria bij de beoordeling of als uitvoeringsvoorwaarde in het brede instrumentarium van subsidies, premies en overheidsopdrachten voor ondernemingen. Aandacht voor het milieu en het streven naar een vergroening is cruciaal als bedrijven hun maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen. Dat betekent dat bij het design van de producten en gedurende de volledige levensduur van de producten rekening wordt gehouden met de effecten op het milieu. Er is aandacht voor duurzaam materialenbeheer, grondstoffenverbruik, effecten op de gezondheid, op de natuur en een efficiënt energiegebruik. De onderneming heeft een uitgebouwde interne milieuzorg, zet in op eco-innovatie en streeft naar lokale en milieuvriendelijke productie. Dat alles biedt opportuniteiten voor ecologie én economie en kan leiden tot een nieuwe economische dynamiek. Zo kan Vlaanderen mee inspelen op de internationaal groeiende cleantechmarkt en wordt onze industrie competitiever door energie- en grondstoffenbesparing. Daarvoor is het ondersteunen van de jonge en groeiende milieusectoren en -bedrijven van cruciaal belang. Het gaat bijvoorbeeld over bedrijven die inzetten op bio-economie, groene mobiliteit, kringloopeconomie, duurzame woningen, hernieuwbare energie, milieuvriendelijke product-dienstcombinaties. Om die sectoren te ondersteunen, moeten we inzetten op innovatie (cfr. doorbraak ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’). Daarnaast moeten we zorgen dat er voldoende kapitaal voorhanden is. Naast het gericht inzetten van de bestaande portefeuille van subsidies en andere ondersteuningsmaatregelen wordt de mogelijkheid van een ‘groene obligatie plus’ (GOplus) grondig bekeken. Demo- en voorbeeldbedrijven blijven daarbij belangrijk. Maatschappelijke verantwoordelijkheid is echter meer dan milieu en energie en kan niet los gezien worden van andere maatschappelijke uitdagingen. De combinatie van een vergrijzende beroepsbevolking en een mismatch tussen vereiste en beschikbare profielen, bemoeilijkt het economisch herstel en ondergraaft op middellange termijn de concurrentiepositie van de ondernemingen in Vlaanderen. Bedrijven mogen niet door een tekort aan arbeidskrachten afgeschrikt worden om zich in Vlaanderen te vestigen of om er te blijven. Ondernemerschap mag niet gehinderd worden door moeilijkheden op het vlak van rekrutering of retentie. Vandaag al zet het tekort aan (opgeleide) arbeidskrachten een rem op de ontwikkeling van toekomstgerichte sleutelsectoren. Ondernemers alle kansen geven betekent daarom dat wordt ingezet op de activering van arbeidsreserves, talentontwikkeling in ondernemingen, de omscholing van werknemers naar toekomstgerichte beroepen en sectoren, en innovatieve praktijken op de werkvloer. Het doel is om knelpunten om te buigen tot concurrentiële voordelen.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Om organisaties te stimuleren zich via advies en het inhuren van externe expertise verder te professionaliseren, wordt, naar het model van de kmo-portefeuille, een vzw-portefeuille ontwikkeld. Vlaanderen wordt geconfronteerd met enkele maatschappelijke uitdagingen en ontwikkelingen waarvoor onze overheidsmiddelen beperkt zijn: productinnovatie, het aanboren van nieuwe niches, innovatieve ondernemingsmodellen. De afgelopen jaren is gebleken dat sociaal ondernemerschap, inclusief coöperatief ondernemerschap, op het vlak van innovatie een pioniersrol speelt. We moeten die specifieke vorm van innovatie verder stimuleren, bijvoorbeeld door ook in de sociaal-culturele sectoren (zie ook ‘De Warme Samenleving’) synergieën aan te moedigen en als overheid een voorbeeldrol op te nemen. In vele landen maken coöperaties een aanzienlijk deel uit van de economie, en zorgen ze voor stabiliteit en een massa jobs. In sommige sectoren en regio’s vormen ze zelfs de economische ruggengraat. In vergelijking daarmee staat het coöperatief ondernemen in Vlaanderen een pak minder ver. We stimuleren coöperatieve organisatiemodellen, omdat ze erin slagen om op een efficiënte manier in te spelen op lokale noden, en daarbij een kwaliteitsvolle en toegankelijke dienstverlening waarborgen in eigen de regio. De voorbije legislatuur werden er een aantal concrete initiatieven genomen om het coöperatief ondernemen weer op de kaart te zetten. Maar om het potentieel van coöperatieve initiatieven ten volle te benutten, moeten we meer structurele antwoorden bieden. Zo is er nood aan geschikte opleidingen voor coöperatieve ondernemers, en aan een adequate begeleiding en ondersteuning van innovatieve start-ups.
Beleidsvoorstel 4:
Land- en tuinbouwers en vissers als ondernemers We stimuleren land- en tuinbouwers en vissers als ondernemers van de toekomst, door in te zetten op een innovatieve, duurzame en multifunctionele bedrijfsvoering. Kennisopbouw en begeleiding zijn daarbij sleutelwoorden. Ondersteuning van innovatietrajecten, met name via partnerschappen en investeringen, zullen de Vlaamse landbouw verder laten groeien in een mondiale context. De stevige exportpositie van bepaalde landbouwproducten en de afgeleiden ervan moet verder doorgang kunnen vinden en waar mogelijk moeten nieuwe sectoren of markten aangeboord worden. Jonge ondernemers moeten optimaal begeleid worden, ook bij overnames en in de uitbouw van hun strategie. Dat alles moet sterk gelinkt zijn aan de Europese context waarbinnen het landbouwbeleid zich grotendeels afspeelt. Voor de verhoging van de weerbaarheid van onze landbouwbedrijven stellen we zowel economische, sociale als ecologische aspecten voorop. De sector wordt verder gestimuleerd om natuurlijke grondstoffen doordacht te beheren en blijvende aandacht te hebben voor biodiversiteit en klimaataspecten in de bedrijfsvoering. Met name het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling 2014-2020, ter uitvoering van het Europese Gemeenschappelijk landbouwbeleid, zal de sector verder ondersteunen en begeleiden. De zeevisserijsector wordt gestimuleerd en gesensibiliseerd om in de transitie een versnelling hoger te schakelen door meer duurzame en selectievere technieken te stimuleren. Samen met een meer marktgeoriënteerd beheer zetten we daarmee in op groene en slimme visserij. In het kader van de zesde staatshervorming zullen diverse landbouwmateries toegewezen worden aan Vlaanderen: de opdrachten van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, de pacht, het landbouwrampenfonds en het beleid rond dierenwelzijn. Een maximale onderlinge afstemming van economie- en landbouwstimuleringsmaatregelen is aangewezen.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 5:
Geïntegreerd ecosysteem voor de culturele en creatieve sectoren Voor de culturele en creatieve sectoren zet de Vlaamse overheid in op een geïntegreerd ecosysteem. De volgende Vlaamse Regering erkent de atypische loopbaan van de culturele en creatieve ondernemers en wil hen economisch weerbaarder maken door hun ondernemerschapsvaardigheden en zakelijke deskundigheid te vergroten. Daartoe wordt een interactief ecosysteem geïntroduceerd waarin zowel de overheidsinstanties, de intermediaire organisaties als de spelers zelf met elkaar in dialoog gaan om elkaar te versterken tijdens de verschillende levensfasen van de culturele en creatieve ondernemingen. Door het geïntegreerde ecosysteem van steunmaatregelen (advies, coaching, financiering) wil Vlaanderen de kloof verkleinen tussen starters en doorgroeiers. Daarmee wordt ook de overlevingsgraad van organisaties verhoogd en het falen van de markt teruggedrongen. Het is belangrijk dat de culturele en creatieve ondernemers alle beschikbare maatregelen ten volle benutten. Dit betekent dat eerst en vooral de bestaande maatregelen meer gepromoot moeten worden. Daarnaast moeten maatregelen die niet afgestemd zijn op hun innovatieve businessmodellen verfijnd en aangepast worden aan het specifieke karakter van ondernemen in de CCS, waarbij groei niet alleen in financiële en economische termen gedefinieerd wordt maar vooral op symbolisch, immaterieel vlak. Ten slotte moeten er gepaste instrumenten worden aangereikt waar er lacunes zijn. Op die manier zal de toegang tot financiering voor de CCS duidelijk verbeteren. De Vlaamse overheid en de CCS zijn zich bewust van het belang van ondernemen in een internationale context aangezien de afzetmarkt binnen Vlaanderen te klein is. De Vlaamse overheid erkent uitdrukkelijk dat een aantal sectoren binnen de CCS van nature internationaal zijn, onder andere games en mode. Samen met de verschillende bevoegde structuren ontwikkelt de volgende Vlaamse Regering een internationaal actieplan dat de CCS zowel aanzet tot internationaal ondernemen als de internationale verkoop stimuleert. Een op maat gemaakt actieplan oormerkt enerzijds de grote evenementen die door de CCS erkend worden als een belangrijk internationaal platform, maar heeft ook oog voor kleinere initiatieven en andere methodieken die geïnteresseerde kleinere actoren de stap laten zetten naar het internationaal ondernemen. De volgende Vlaamse Regering zal de CCS systematisch uitnodigen om mee te bouwen aan het promoten van het merk ‘Vlaanderen’. De volgende Vlaamse Regering voert een gericht beleid dat gebaseerd is op een mentaliteitswijziging waarbij ondernemingszin en ondernemerschap in de CCS positief gewaardeerd worden. Ze erkent daarbij het economische belang van zowel de commerciële als de niet-commerciële spelers en beklemtoont dat culturele en creatieve ondernemers ook respect verdienen voor hun economische activiteiten binnen een niet op winst georiënteerde context. Daarbij gaat ze na waar culturele en creatieve ondernemers uitgesloten worden van instrumenten die hen juist kunnen versterken.
SD2. Meer gerichte internationalisering van de Vlaamse economie
Beleidsvoorstel 1:
We voeren een proactiever en gerichter acquisitiebeleid voor buitenlandse investeringen, dat aansluit bij de slimme specialisatiestrategie van Vlaanderen en het nieuwe industriële beleid, en waarbij we ook instrumenten aanreiken ter verbetering van de algemene kostenpositie van de ondernemingen. Vlaanderen kon zich tot nu toe nog vrij goed positioneren voor het aantrekken van buitenlandse investeringen door het uitspelen van een aantal sterke troeven, onder andere op het vlak van ligging,
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
opleiding, arbeidspotentieel, logistiek en leefklimaat. In het huidige prangende klimaat van concurrentie tussen buurregio’s blijkt dat echter niet meer voldoende te zijn. Een nieuwe differentiatiestrategie die gericht is op de gekozen speerpuntclusters (zie ‘Nieuw Industrieel Beleid’), dringt zich op. Via kloofanalyses worden hiaten in Vlaamse clusters opgespoord en businesscases ontwikkeld, waarmee in het buitenland investeerders en partners voor toekomstgerichte sectoren met maximale toegevoegde waarde voor Vlaanderen worden gescout. Die methodologie kan deels door de bestaande actoren (F.I.T.,VLAM, clusters en sectorfederaties) uitgevoerd worden, maar deels is daar ook onderzoek door specialisten voor nodig, waarvoor momenteel de capaciteit niet bestaat. Er is behoefte aan een kader om externe, wereldwijd actieve experten te kunnen inschakelen voor onderzoeksopdrachten op korte termijn. Snelheid van informatie is vaak het determinerende competitieve voordeel. Meer aandacht is nodig voor de impact en risico’s van Vlaamse administratieve verplichtingen en regelgeving op de finale beslissing van potentiële investeerders om in Vlaanderen of elders te investeren. Buitenlandse investeringen aantrekken is meer dan ooit een salesactiviteit waarbij het risico om een potentiële klant of buitenlandse investeerder te verliezen, voorkomen moet worden. Dat vereist een gezamenlijk en structureel engagement van de betrokken Vlaamse administraties. Om Vlaanderen aantrekkelijker te maken als vestigingsplaats voor internationale ondernemingen en een effectief acquisitiebeleid te kunnen voeren, worden bovendien instrumenten ontwikkeld ter verbetering van de algemene kostenpositie van ondernemingen. Die instrumenten kunnen betrekking hebben op het verlagen van de energiekosten, zoals de maatregel met betrekking tot carbon leakage, loonkosten en andere lastenverlagingen.
Beleidsvoorstel 2:
Het (financieel en operationeel) instrumentarium voor de bevordering van internationaal ondernemen wordt gerichter ingezet op (prioritaire) doelgroepen en markten en we ondersteunen bedrijven bij het opnemen van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (MVO) in het buitenland. Het financiële instrumentarium en het netwerk van F.I.T. (VLAM) in het buitenland worden gerichter door differentiatie naar doelgroepen en door een grotere focus op groeilanden. Dat voorstel past in de ViA-doelstellingen over het aantal exporterende kmo’s en het Vlaamse marktaandeel in de wereldhandel. Middelen moeten ingezet kunnen worden bij de groepen van bedrijven die er het meeste behoefte aan hebben. Extra capaciteit in het volledige buitenlandse netwerk is ook nodig om flexibel te kunnen inspelen op opportuniteiten in bijvoorbeeld nieuwe opkomende en snelgroeiende markten. De export van Vlaamse kennis en expertise over het beleid in bepaalde domeinen (bijvoorbeeld milieu, energie, zorg) ondersteunt en versterkt het internationaal ondernemen vanuit Vlaanderen. In de internationale context wordt mvo steeds vaker uitgespeeld als een concurrentieel voordeel bij export dat bijdraagt tot het imago van de bedrijven. In verschillende Europese landen is er uitgebreide ondersteuning voor de internationale keten van bedrijven met het oog op risicobeperking en waardemaximalisatie.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 3:
Alle actoren (van de overheid en het middenveld) handelen vanuit een gemeenschappelijke visie en strategie voor de internationalisering van de Vlaamse economie (outward & inward). In een steeds meer concurrentiële omgeving wordt een eenduidige Vlaamse aanpak in het buitenland belangrijker om de concurrentiepositie van Vlaanderen te versterken. Meer en meer actoren nemen in het buitenland initiatieven. Een versnipperd optreden in het buitenland kan leiden tot imagoschade voor Vlaanderen, verlies van buitenlandse investeringen en het missen van kansen op buitenlandse markten. Een coherente aanpak is daarom noodzakelijk voor een effectief beleid voor het internationaal ondernemen en het aantrekken van buitenlandse directe investeringen. De actoren erkennen dat het agentschap Flanders Investment & Trade (F.I.T.) een coördinerende rol speelt:
•• •• ••
in het afstemmen met overheids- en middenveldpartners over strategische keuzes voor doelgroepen en markten, en de daaraan gekoppelde acties; in een meer performante benadering van buitenlandse bedrijven of partners; in het gezamenlijk verhogen van de visibiliteit en herkenbaarheid van Vlaanderen in het buitenland.
SD3. In afstemming met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zorgen voor een adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling, inclusief brownfieldontwikkeling.
Beleidsvoorstel 1:
Vlaanderen als topregio door verhoogde competitiviteit van de economie en door het versnellen van investeringen Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen stelt terecht dat we concurrentieel moeten blijven en vlot moeten inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen in economie, energie en klimaat. Vlaanderen is gezien zijn ligging een belangrijke logistieke hub in Europa. Om concurrentieel te blijven, zetten we in op ruimte voor speerpuntsectoren, kennisclusters in de buurt van instellingen, universiteiten en ziekenhuizen, en ruimte met een goede connectiviteit voor logistieke activiteiten en landbouw. Onze open economie moet immers functioneren in een internationale context. Vanuit de economie willen we inzicht krijgen in de manier waarop speerpuntsectoren zich in de ruimte organiseren en de vestigingsfactoren die voor hen essentieel zijn. Dat is iets wat we niet alleen topdown (uit bestaande initiatieven zoals VRWB, GAP-analyses van F.I.T., slimme specialisatie van het NIB) maar ook bottom-up (via de streekpacten) willen vormgeven. We willen inzicht krijgen in de specifieke vestigingsfactoren van die speerpuntsectoren om een gericht aanbodbeleid te kunnen ontwikkelen. Door dergelijke initiatieven spelen we vlot in op plotse economische evoluties, zoals in Limburg met het SALK. Voor de logistiek werken we een gelijkaardige aanpak uit. Ook daarbij willen we een zicht krijgen op hoe logistiek zich ruimtelijk manifesteert, wat de vestigingsvoorwaarden zijn en hoe we daar vanuit het ruimtelijk economisch beleid beter op kunnen inspelen om zowel ruimte als een goede connectiviteit te garanderen. Daarbij betrekken we private marktspelers, zodat we tot een realistische aanpak komen. Dat alles moet leiden tot een aanbodbeleid dat gebaseerd is op verschillende logistieke profielen van gronden en panden. Er is dus meer nodig dan het afbakenen van poorten. Er moet een locatiebeleid komen voor verschillende types van logistieke activiteit. Een noodzakelijke randvoorwaarde is dat alle vervoersmodi (spoorweg, water, luchthaven) goed functioneren. Een locatiebeleid moet ook streven naar een beheersing
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
van het aantal voertuigkilometers. Groene modi verdienen daarbij de voorkeur (cfr. Groen en dynamisch stedengewest). Een goede bereikbaarheid is cruciaal voor de logistieke sector maar ook voor de hele economie. Vanuit de landbouw kan een gedragen locatiebeleid uitzicht bieden op rechtszekerheid en een duurzame vernieuwing en investering, noodzakelijk voor het behoud van onder andere intensieve veehouderij, glastuinbouw en het eraan gerelateerde agrobusinesscomplex. Om te voorzien in voldoende ruimte voor ondernemen en om de bestaande ruimte efficiënt te benutten, wil de Vlaamse overheid maximaal gebruikmaken van de nieuwe mogelijkheden die de regionalisering van het handelsvestigingsbeleid in het kader van de zesde staatshervorming biedt. De staatshervorming biedt ook hefbomen voor een gedeeltelijke verlaging van de loonlasten. Ook de loonlasten hebben immers een belangrijke impact op de competitiviteit van onze ondernemingen. De overheveling van een aantal bevoegdheden voor arbeidsmarktbeleid biedt een kans om daarop in te spelen. Bij het beleidsthema ‘Werkende Vlaming’ staat een voorstel om een algemene RSZ-korting voor laaggeschoolden in te voeren. Die maatregel moet laaggeschoolde jobs behouden, de aanwervingskans van kwetsbare groepen ondersteunen en de concurrentiekracht van de private sector verhogen. Bovendien betekent de maatregel een belangrijke vereenvoudiging tegenover het huidige instrumentarium, met meer impact op de verhoging van de werkzaamheidsgraad. Vanuit het beleidsthema ‘Open Ondernemer’ wordt dit voorstel ondersteund als een belangrijke hefboom om de concurrentiepositie van onze bedrijven te verbeteren. Daarnaast moet aandacht besteed worden aan de energiekosten en kunnen voor de verlaging van de globale kosten fiscale instrumenten ingezet worden. Het is een terechte ambitie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen om in te zetten op het vereenvoudigen en transparanter maken van procedures en op de samenwerking tussen bestuursniveaus en beleidsvelden. Het sneller of flexibeler maken van planningsprocessen en het ontwikkelen van gebiedsgerichte ontwikkelingsprogramma’s zijn lang niet voldoende om ontwikkelingen te faciliteren. Naast een grotere slagkracht op het terrein (door een volwaardig grond- en pandenbeleid) en een proactief milieubeleid is een vraaggericht aanbodbeleid (met breed draagvlak) hier essentieel. Voor het uitwerken van een locatiebeleid is een beleidsdomeinoverschrijdend vooroverleg nodig. Daarbij is een flankerend beleid voor de ingenomen ruimte voor landbouw en andere economische activiteiten primordiaal, in het kader van de versnelling van administratieve procedures. Bij de locatiekeuze maken we gebruik van de beschikbare ruimtelijk-economische informatie en de landbouwimpactstudie kan daarbij waardevolle informatie verstrekken. Een belangrijk vertrekpunt voor dit beleid vanuit het standpunt van het beleidsdomein Economie zijn de resultaten van de studie ‘ruimte behoefteraming voor (niet-verweefbare) economische activiteiten’ en de resultaten van de studie ‘inventarisatie en monitoring van economische activiteiten (buiten bedrijventerreinen, stedelijke gebieden en economische knooppunten)’, uitgewerkt in relatie tot een nieuwe themawerkgroep Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO).
Beleidsvoorstel 2:
Verweven waar kan, scheiden waar moet met het oog op een zuinig ruimtegebruik In ons bedrijfshuisvestingsbeleid geldt het principe ‘verweven waar kan en scheiden waar moet’. Heel wat uiteenlopende economische activiteiten hebben er immers baat bij dicht bij de gebruiker te zitten.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Ze hoeven niet afgezonderd te worden in een zogenaamde economische intensiveringsruimte (of een bedrijventerrein). Dat geldt alleen voor de activiteiten die geen verlaging van de leefkwaliteit met zich meebrengen of hinder veroorzaken. De culturele en creatieve sectoren (bijvoorbeeld webdesign) aarden het best in stedelijk gebied. Kleinschalige detailhandel hoort thuis in de kern. Primaire landbouwproductie manifesteert zich in diverse vormen; naargelang van omvang en aard is verweefbaarheid na te streven of kan een koppeling met andere economische activiteiten wenselijk zijn, bijvoorbeeld in het kader van toelevering, afzet of de complementariteit (warmte-krachtkoppeling (wkk), warmtenetten). Landbouwgerelateerde economische activiteiten functioneren dan weer het best in de nabijheid van hun afzetmarkt op het platteland. We onderzoeken welke activiteiten succesvol verweven kunnen worden met andere activiteiten (zoals wonen), en welke factoren daarin van belang zijn. We hebben oog voor bedrijfsactiviteiten die buiten de stedelijke gebieden, economische knooppunten en bedrijventerreinen voorkomen, omdat die een groot deel van de economie uitmaken. Vanuit een goed zicht op vraag en aanbod streven wij daarom naar een globale visie die de beleidsdomeinen overschrijdt. Zo brengen we voor de ondernemer een transparanter en meer gedragen verhaal, dat leidt tot een aangepast bedrijfshuisvestingsbeleid. Binnen dat bedrijfshuisvestingsbeleid moet er voldoende aandacht uitgaan naar problematische ‘ruimtevragers’ en het tegengaan van ruimtelijke versnippering. Gerichte bundeling en herlokalisering met het oog op de leefbaarheid van het platteland moeten globaal worden aangepakt. Omdat de diverse economische actoren niet steeds op dezelfde lijn staan en elkaar beconcurreren in de schaarse beschikbare ruimte, moet de overheid een zuinig ruimtegebruik aanmoedigen en ervoor zorgen dat zwakkere economische actoren toch voldoende kansen krijgen bij verlies van economische productieruimte. Daartoe wordt een flankerend beleid uitgewerkt (cfr. havenontwikkeling). Op basis van het huidige ruimtelijk-economisch beleid (onder andere decreet ruimtelijke economie en bijbehorend beleidskader) is het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik en het verhogen van de ruimteproductiviteit een belangrijke doelstelling. Zuinig ruimtegebruik houdt ook in dat nieuwe marktideeën (zoals logistieke concepten) naar boven gehaald worden en onderbenutte ruimte verder geactiveerd wordt. Het voortzetten van de activeringsteams, het terugkooprecht, en het evalueren en bijsturen van de regeling rond de brownfields kunnen daarbij een belangrijke bijdrage leveren.
SD4. Stroomlijnen, professionaliseren en versterken van de internationale promotie en reputatieontwikkeling van Vlaanderen door het uitbouwen van Toerisme Vlaanderen tot de internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid
Beleidsvoorstel 1:
Internationale promotie-en reputatie ontwikkeling Internationale promotie en reputatieontwikkeling zijn cruciaal voor de beeldvorming van Vlaanderen in het buitenland en leiden tot investeringen in Vlaanderen (door toeristen, bedrijven, studenten, culturele
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
actoren). Het internationale promotie- en reputatiebeleid is nu echter versnipperd over verschillende entiteiten van de Vlaamse overheid. Om efficiëntiewinsten te genereren op het vlak van internationale marketing en om een hogere return on marketing investment te bereiken, zijn drie acties noodzakelijk:
•• •• ••
een stroomlijning van de internationale marketingstrategie en de uitvoering ervan, het professionaliseren van het internationale marketingbeleid, het versterken van de internationale promotie en reputatieontwikkeling van Vlaanderen.
Beleidsvoorstel 2:
Toerisme Vlaanderen als internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid Toerisme Vlaanderen wordt uitgebouwd tot de internationale marketingorganisatie van de Vlaamse overheid met een verruiming van de scope van ‘toeristische marketing’ naar ‘internationale marketing’ en van ‘toerist’ naar ‘bezoeker’. De kernopdracht van de internationale marketingorganisatie is drieledig:
•• •• ••
het centraal aansturen van de merkstrategie en reputatieontwikkeling van de hele Vlaamse overheid en het aanreiken van de nodige marketinginstrumenten aan economische, culturele en andere partners om zo op een coherente wijze de reputatie van Vlaanderen te ontwikkelen (Brand Flanders); de bestemmingsontwikkeling en -promotie (salesactiviteiten) voor internationale toeristen (Visit Flanders); het coördineren van alle initiatieven van de Vlaamse overheid voor de prospectie van en bidding op internationale evenementen die in Vlaanderen kunnen plaatsvinden en die de reputatie en positionering van Vlaanderen kunnen versterken (Event Flanders).
In het kader van de zesde staatshervorming zal een samenwerkingsakkoord met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest over de promotie van Brussel als toeristische bestemming afgesloten worden.
Beleidsthema ‘innovatiecentrum vlaanderen’
SD1. Meer middelen (mensen, opleiding en vorming, kapitaal) voor O&O beter inzetten
Beleidsvoorstel:
Tegen 2020 besteedt de Vlaamse overheid 1% aan O&O en we zetten de middelen efficiënt in (het slimme specialisatiekader van de OESO) De ambitie uit het Vlaamse regeerakkoord en VIA/Pact 2020 om tegen 2020 3% van het Bbp aan O&O te besteden – opgesplitst in 2% private en 1% publieke financiering – wordt onverminderd nagestreefd. De Vlaamse overheid heeft het engagement genomen om de 1%- norm voor publieke financiering te bereiken tegen 2020. Resoluut inzetten op wetenschap en innovatie is een expliciete keuze, die leidt tot een collectieve verantwoordelijkheid en draagvlak moet hebben binnen de Vlaamse Regering. De uitdagingen in
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
andere beleidsdomeinen, zoals de klimaat- en milieuproblematiek, de schaarste van grondstoffen, de onderbenutting van het arbeidspotentieel, de vergrijzing, zijn van die aard dat ze zonder wetenschap en (sociale) innovatie geen afdoende oplossing vinden. De extra investeringen in W&I hebben dan ook een positieve impact op diverse beleidsdomeinen. Om de 1%-norm tegen 2020 te bereiken, zijn aanzienlijke extra investeringen in W&I noodzakelijk. Extra middelen worden evenwichtig over de hele innovatieketen ingezet, vanaf fundamenteel onderzoek tot en met valorisatie. Tegelijk met het vergroten van de financiële middelen moeten we er ook over waken dat de middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet en dat het hefboomeffect maximaal is. Naast de focus op het verhogen van de input is het even belangrijk om de middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten en de effecten te maximaliseren. Een hefboom daarvoor is de implementatie van het slimme specialisatiekader dat door de OESO (via een samenwerking tussen het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie en het Expertisecentrum O&O Monitoring (ECOOM)) is uitgewerkt en dat een belangrijk referentiekader wordt voor de gerichte dimensie van het Europese innovatiebeleid. De hefboomwerking tussen het publiek en het door de privésector gefinancierde onderzoek wordt continu bekeken. Het expertisecentrum ECOOM voert samen met het IWT en de andere relevante innovatieactoren op regelmatige basis additionaliteitsstudies uit. Verder wordt ingezet op de uitbouw van onderzoeks- en openinnovatie-infrastructuur in een internationale context, zoals in de eerder genoemde ESFRI-projecten.
SD2. Innovatie stimuleren in ondernemingen
Beleidsvoorstel 1:
Een doelgroepgerichte mix van instrumenten uitbouwen en systeeminnovatie in strategische domeinen versnellen In 2012 werd de directe bedrijfssteun al aangepast zodat de benadering meer op maat van de bedrijven is en het hefboomeffect van de steunverlening in economische en maatschappelijke meerwaarde voor Vlaanderen gemaximaliseerd wordt. Door zoveel mogelijk in te zetten op innovatieprojecten die echt het verschil kunnen maken voor de betrokken bedrijven en voor Vlaanderen, is de directe bedrijfssteun sterk complementair aan de federale fiscale steun die louter gericht is op het goedkoper maken van O&O. Voor innovatie-intensieve, vaak grote en internationale bedrijven betekent een meer doelgroepgerichte en selectieve aanpak dat de steunverlening nog meer ingezet moet worden voor de projecten die echt additioneel zijn voor het bedrijf en waarvoor de toegevoegde waarde ook voor Vlaanderen duidelijk aangetoond kan worden. Samenwerking tussen die bedrijven en andere innovatiestakeholders is daarbij een essentieel element. Open innovatie en cocreatie moeten verder worden aangemoedigd. Zowel via de directe bedrijfssteun als via het SBO-programma (strategisch basisonderzoek door universiteiten en andere onderzoeksorganisaties) zal samenwerking maximaal worden versterkt. Voor kapitaal- en O&O-intensieve jonge groeiondernemingen zijn de mogelijkheden voor het aantrekken van kapitaal zeer belangrijk. De interactie tussen het aanbod aan risicokapitaal en de steunverlening van de overheid aan deze groeibedrijven moet zelfversterkend zijn. Voor de minder innovatie-intensieve bedrijven, vooral kmo’s, betekent het maximaliseren van de hefboom van het overheidsoptreden vooral dat we prioritair de toegankelijkheid van de steunverlening verder moeten verbeteren zodat meer en vooral meer strategische innovaties in de kmo’s met innovatiepotentieel
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
worden gerealiseerd. Ook het betrekken van specifieke groepen die zich niet spontaan richten tot innovatiesteun, moet verder versterkt worden. In dat verband erkent de Vlaamse Regering de cruciale rol die de culturele en creatieve sectoren spelen in de toelevering van creativiteit en innovatie in andere sectoren. De culturele en creatieve sectoren zijn een belangrijke katalysator voor creatief ondernemerschap en daarom werkt de Vlaamse overheid een structureel samenwerkingsprogramma uit voor crosssectorale innovatie (innovatie tussen de CCS en de traditionele sectoren) met aandacht voor de menswetenschappen. Naast de vermelde doelgroepen is er ook een ruime groep van kmo’s die wel innovaties toepassen maar zelf niet de mogelijkheid hebben om innovatie te initiëren, de zogenaamde innovatievolgers. Voor die groep van bedrijven moeten prioritair de collectieve innovatieschema’s verder worden uitgewerkt. Naast projectmatige innovatie op initiatief van individuele of een beperkt aantal ondernemingen is er ook behoefte aan een meer programmatorische aanpak, waarbij op basis van strategische innovatieagenda’s of roadmaps bedrijven, kenniscentra en andere stakeholders met gemeenschappelijke innovatiebehoeften de krachten bundelen. De internationale, Europese agenda geeft daarin de richting aan. Op het Vlaamse niveau moeten aspecten als kritische massa, kwaliteit, groeipotentieel, absorptievermogen en internationalisering naar een zeer selectief selectiekader leiden voor de prioritering van strategische domeinen, thema’s en sectoren. Bestaande initiatieven moeten daaraan getoetst worden. Tijdens de vorige legislatuur werden initiatieven met proeftuinen voor zorginnovatie en voor elektrische voertuigen geïntroduceerd. Daaruit moeten de nodige lessen worden getrokken voor een effectieve aanpak. Voldoende aandacht voor demonstratie en uitbouw van infrastructuur moet ingebouwd worden. De in het kader van de slimme specialisatie opgezette piloottrajecten moeten worden voortgezet en moeten tot een werkbare aanpak leiden, zodat de geselecteerde sectoren en de overheid over de beleidsdomeinen heen samen de vooropgestelde vooruitgang kunnen realiseren.
Beleidsvoorstel 2:
SOC’s (strategische onderzoekscentra) en valorisatie van onderzoek versterken Om de valorisatie binnen de onderzoeksinstellingen te bestendigen en versterken, zullen we verder inzetten op onderlinge samenwerking, zowel binnen Vlaanderen als internationaal. Ook moet in de middelen worden voorzien om extra strategische onderzoekscentra te erkennen in kennisdomeinen waar Vlaanderen een economische meerwaarde kan creëren. Om fundamentele onderzoeksresultaten met groot potentieel sneller te valoriseren voor de maatschappij moeten middelen voorzien worden voor demonstratie- en Proof of Concept projecten.
SD3. Excellentie van onderzoek bevorderen
Beleidsvoorstel 1:
FWO-onderzoeksprojecten voor jonge onderzoekers op de sporen zetten en elke stap in de wetenschappelijke carrière ondersteunen Nadat onderzoekers de fase van doctoraal en postdoctoraal onderzoek doorlopen hebben, is de volgende stap in de academische carrière het instappen in een tenure track of gelijkaardig systeem. Na een aantal jaren én een gunstige evaluatie kunnen de onderzoekers dan de stap naar het ZAP-kader van de universiteit.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
De FWO-onderzoeksprojecten vormen een belangrijke schakel in die ketting. Ze stellen de jonge onderzoekers in staat om een eigen onderzoekslijn uit te bouwen en met de hulp van wetenschappelijke medewerkers de eigen expertise uit te diepen en te valoriseren. Ook in de latere loopbaan van de meer gevestigde academische onderzoekers spelen de FWO-onderzoeksprojecten een belangrijke rol. Ze zorgen ervoor dat een onderzoeksgroep verder kan functioneren en zich ook kan verdiepen in nieuwe mogelijkheden die tijdens het onderzoek opduiken. Om de kwaliteit van het onderzoek op langere termijn te verzekeren en jonge onderzoekers de kans te geven een eigen onderzoeksgroep uit te bouwen, die de internationale competitie aankan, is een aanvaardbaar slaagpercentage voor het aanvragen van FWO-onderzoeksprojecten onontbeerlijk. Om de grens van 33% te halen, is het belangrijk dat de volgende jaren de investeringen in extra FWO-onderzoeksprojecten worden versterkt. Als we uitgaan van een groeitraject waarbij het slaagpercentage naar 23% wordt gebracht in 2014, naar 25% in 2015, 27% in 2016, 30% in 2017, om in 2018 het doel van 33% te behalen, is een jaarlijkse stijging van het budget van bijna 4 miljoen euro per jaar nodig. De meeste Vlaamse toponderzoekers starten hun carrière als aspirant bij het FWO. Na een dergelijke periode is een postdoctoraal mandaat van het FWO de volgende stap in het uitbouwen van de zelfstandigheid van de onderzoeker. De laatste jaren komen beide financieringskanalen echter steeds meer onder druk te staan. Het groeiend aantal studenten op de universiteiten en hogescholen brengt met zich dat meer jongeren de smaak van het onderzoek te pakken krijgen, wat een goede zaak is. Het betekent echter ook dat het aantal kandidaten voor een FWO-mandaat de afgelopen jaren sterk is gestegen. Als men die groep niet wil ontmoedigen, moeten inspanningen geleverd worden om voldoende financiering ter beschikking te stellen en zo de talenten van de jongeren optimaal te ontplooien. Om hun kansen te verbeteren is er voor de mandaten een jaarlijkse stijging van het budget van bijna 6 miljoen euro per jaar nodig vanaf 2014. Ook extra ondersteuning via de middelen van het Bijzonder Onderzoekfonds (BOF) is essentieel. De BOFfinanciering kan als complementair beschouwd worden aan de FWO-financiering, zodat beide kanalen samen met de IWT-beurzen elkaar versterken om zo tot de beste resultaten te leiden.
Beleidsvoorstel 2:
Inzetten op internationale samenwerking Bilaterale onderzoeksprojecten stimuleren Het FWO-programma ‘Bilaterale Onderzoekssamenwerking’ is sinds begin 2010 op kruissnelheid. Na een start met vijf preferente partnerlanden/partnerregio’s (China, Zuid-Afrika, Quebec, Vietnam en Ecuador) bewees het succes van de eerste oproepen dat dat programma tegemoet kwam aan een vraag die leefde bij heel wat Vlaamse onderzoeksgroepen. In 2012 werd de groep van partnerlanden uitgebreid met Brazilië. Het FWO wil ook de volgende jaren op de ingeslagen weg verdergaan en akkoorden afsluiten met de overige BRIC-landen of met andere interessante partnerlanden. Grensoverschrijdend samen werken: ERA en joint calls Europees onderzoek wordt zeker niet alleen mogelijk gemaakt door de Europese Commissie: liefst 85 procent van de inspanningen zijn nog steeds op nationaal niveau te situeren. In het kader van de Europese
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Onderzoeksruimte (European Research Area, ERA) bieden de onderzoeksfinancierende instanties van de Europese lidstaten en geassocieerde landen aan hun onderzoekers de kans om grensoverschrijdend samen te werken. Ook bestaande projecten kunnen via top-up-geld geïntegreerd worden in JPI-calls, wat aan de geest van de joint programming beantwoordt. Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek op Europees niveau brengen De European Research Council (ERC) is ontwikkeld in het kader van het zevende Kaderprogramma en specifiek gericht op fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Het FWO heeft al in 2007 zijn volle steun aan de ERC verleend en wil dat ook in de toekomst blijven doen.
Beleidsvoorstel 3:
Een Vlaams openaccessbeleid uitbouwen Bij open access gaat het over de fundamentele keuze om onderzoek dat betaald wordt met publieke middelen, ook publiek toegankelijk te maken. Anders betaalt de bevolking (ondernemingen, onderzoekers, de overheid) via abonnementsgelden tweemaal voor onderzoek dat van oorsprong publiek is. Het FWO verplicht zijn onderzoekers nu al om de groene weg te volgen en publicaties die voortkomen uit onderzoek dat door het FWO betaald is, na maximaal één jaar in een publieke databank op te slaan. Ze worden aangemoedigd dat ook voor hun andere publicaties te doen. Hun werkingsmiddelen kunnen aangewend worden om de publicatiekosten die gemoeid zijn met een OA Green/Gold-publicatie te betalen.
Beleidsvoorstel 4:
Het belang van interuniversitaire attractiepolen (IUAP’s) Het dossier van de interuniversitaire attractiepolen (IUAP’s) sluit aan bij bevoegdheden die nu nog federaal zijn. Op 22 juni 2011 heeft de ministerraad de uitvoering goedgekeurd van de zevende fase van dat programma voor de periode 2012-2017, waarvoor de federale staat en de gemeenschappen een samenwerkingsakkoord afgesloten hebben. De huidige federale samenwerkingsovereenkomst loopt tot 30 juni 2017, waarbij het beheer van de IUAP’s aan BELSPO is toevertrouwd. Nadien zullen de gemeenschappen over een nieuw protocol moeten onderhandelen om de IUAP’s te kunnen voortzetten. Op dit ogenblik maakt het FWO deel uit van het IUAP-stuurcomité. De IUAP’s vormen een belangrijke schakel in het uitbouwen van (inter)nationale wetenschappelijke netwerken, waarbij er niet alleen ruimte is voor het inrichten van workshops en congressen, maar er ook budget beschikbaar is om echte onderzoeksprojecten uit te bouwen. Het is aangewezen om dit financieringskanaal na 2017 verder te laten bestaan. Het nieuwe artikel 47/11 van het voorstel van Bijzondere Financieringswet van 24 juli 2013 voorziet in een dotatie die vanaf het begrotingsjaar 2018, bij de afloop van fase VII voor de middelen die verbonden zijn met de interuniversitaire attractiepolen, jaarlijks aan de Vlaamse Gemeenschap wordt toegekend.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Na 2017 kan overwogen worden om de IUAP’s om te vormen en uit te breiden tot een financieringskanaal op supraregionaal niveau, beheerd door het FWO, waarbij er op een eenvoudige wijze samenwerkingsverbanden kunnen worden uitgebouwd met de ons omliggende landen en regio’s, naar het voorbeeld van het bilaterale onderzoeksprogramma, dat vooral de focus legt op samenwerking met niet-Europese landen.
Beleidsvoorstel 5:
Wetenschappelijke integriteit bevorderen Het FWO heeft het initiatief genomen om in de schoot van de KVAB een Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit (VCWI) op te richten. In de herfst van 2013 zijn de werkzaamheden gestart. De commissie fungeert als een tweede opinie bij vermoedelijke inbreuken en kan daarnaast algemene adviezen over deze materie leveren. Binnen onderzoeks- en universitaire instellingen wordt de oprichting van autocontrolesystemen gestimuleerd.
Beleidsvoorstel 6:
De financiering van universiteiten vereenvoudigen Wat de vereenvoudiging van de financiering van het onderzoek binnen de Vlaamse universiteiten betreft, zullen we de mogelijkheid van bilaterale overeenkomsten tussen de Vlaamse Regering en de universiteiten nagaan. Daarbij moet de eigenheid van de universiteiten worden gerespecteerd, maar tegelijk kunnen er afspraken gemaakt worden over de samen te behalen resultaten naar fundamenteel en toegepast onderzoek en de valorisatie ervan, naar analogie met de vijfjaarlijkse convenanten met de andere gefinancierde onderzoeksinstellingen. In de directe onderzoeksfinanciering van de universiteiten (het gedeelte onderzoek in de werkingstoelagen en de flankerende financiering zoals BOF en IOF) wordt afgestapt van een gesloten enveloppe die tussen de instellingen wordt verdeeld op basis van competitie. Elk instelling krijgt voortaan een financiering op basis van haar eigen prestaties zoals die weerspiegeld wordt in de evolutie van de gewogen input-, output- en impactindicatoren.
SD4. Onderzoeksinfrastructuur om kennis te verankeren en innovatie te stimuleren Voor de ontwikkeling van nieuwe kennis en afgeleid van erop gebaseerde innovatieve toepassingen is toegang tot hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur onmisbaar. De onderzoeksinfrastructuur staat in het centrum van de kennisdriehoek die gevormd wordt door onderzoek, opleiding en innovatie.
Beleidsvoorstel:
Door een hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur zorgen we ervoor dat uitstekende onderzoekers in Vlaanderen blijven, dat buitenlands talent naar Vlaanderen komt en stimuleren we de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven. We vernieuwen en breiden de basisuitrusting van de onderzoeksgroepen aan de universiteiten en de kennisinstellingen uit. Om internationaal competitief onderzoek te kunnen verrichten, moeten de
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
onderzoekers over de meest recente uitrusting beschikken. Het gaat daarbij om gespecialiseerd materiaal dat voltijds gebruikt wordt en waarvan de overhead te groot is om het voor andere groepen open te stellen. Tussen de basisuitrusting en de pan-Europese onderzoeksinfrastructuren bevinden zich onderzoeksplatformen waarvan de investerings- en exploitatiekosten een universiteit of onderzoeksinstelling te boven gaan maar die een krachtige impuls kunnen geven aan de regionale kennisontwikkeling en -toepassing. Bij de uitbouw van Vlaamse onderzoeksplatformen wordt gestreefd naar samenwerking met andere regio’s en landen. Vlaanderen neemt vandaag deel aan de bouw van vier ESFRI-infrastructuren en speelt op Europees niveau bij twee ervan een centrale rol. Daarnaast neemt Vlaanderen deel aan PRACE, het Europese netwerk voor supercomputing. We stimuleren verder de Vlaamse deelname aan de bouw en de exploitatie van panEuropese ESFRI-onderzoeksinfrastructuren in domeinen die voor de Vlaamse onderheid prioritair zijn. De huidige Vlaamse Regering beschouwt grote rekencapaciteit voor onderzoek en innovatie als een prioriteit. Steeds meer onderzoeksdomeinen maken er gebruik van en Vlaamse bedrijven willen er toegang toe krijgen. Om op de ingeslagen weg verder te gaan, zijn extra middelen nodig voor investeringen in hard- en software, maar ook in gespecialiseerd personeel dat de onderzoekers opleidt en ondersteunt in het gebruik ervan.
SD5. Een antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen
Beleidsvoorstel 1:
Focus op Sociale innovatie, op maatschappelijke valorisatie en op wetenschappelijke onderbouwing van het beleid Pijlers in dit domein zijn werkplekinnovatie, sociaal ondernemerschap, zorginnovatie en brede ondersteunende sociale innovatie (zie ook thema ‘Warme Samenleving’). Voor elk ervan werden de afgelopen jaren initiatieven genomen die de eerstkomende jaren op hun merites beoordeeld en desgewenst uitgebreid of bijgestuurd worden. De communicatie over wetenschap en innovatie is van belang om het maatschappelijk draagvlak voor onderzoek, technologie en innovatie te versterken en het belang ervan voor de economie en de maatschappij te duiden. Meer en meer wordt van de overheid een wetenschappelijk onderbouwd beleid verwacht. De steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek leveren daartoe een belangrijke bijdrage. Daarnaast is het wetenschappelijk onderzoek voor sommige beleidsvelden ingebed in de organisatiestructuur van de Vlaamse overheid in de vorm van Vlaamse wetenschappelijke instellingen. Die specificering als Vlaamse wetenschappelijke instelling is van cruciaal belang om zowel binnen als buiten de Vlaamse overheid voldoende zichtbaarheid en erkenning als volwaardige wetenschappelijke partner te kunnen krijgen. Binnen het algemene kader van hun kernopdracht, het uitvoeren van beleidsgericht onderzoek, moeten die instellingen zich op gelijke voet met hun wetenschappelijke partners kunnen inpassen in nationale en internationale onderzoeksnetwerken en -programma’s, zodat ze de hoge kwaliteit van hun onderzoek kunnen blijven verzekeren en hooggekwalificeerd wetenschappelijk personeel kunnen blijven aantrekken en behouden.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 2:
Focus op duurzaamheid Duurzame energie promoten Het innovatieknooppunt Groene Energie wil de wetenschappelijke en technologische sterktes in het domein van de energietechnologie in Vlaanderen ten dienst stellen van de transitie naar een koolstofarme economie. Die omschakeling is noodzakelijk voor het realiseren van onze klimaatdoelstellingen, voor onze energieonafhankelijkheid en voor het vrijwaren en versterken van de Vlaamse industrie. Duurzaam materialenbeheer als basis voor een efficiënte economie Het is de uitdaging om als een van de eerste Europese regio’s te evolueren naar een economie die gebaseerd is op gesloten kringlopen. De versnelde transformatie van de economie naar een duurzaam beheer van grondstoffen en materialen vermindert de importafhankelijkheid en zal ons concurrentievermogen versterken, nieuwe jobs creëren en de internationale valorisatie en de vermarkting van knowhow, innovaties en nieuwe technologie op de kaart zetten. Doorgedreven samenwerking tussen de transities Duurzaam Materialenbeheer, Nieuw Industrieel Beleid en Innovatiecentrum Vlaanderen is nodig voor de realisatie van een materiaalzuinige en competitieve economie in Vlaanderen. Op basis van een gezamenlijke roadmap voor de realisatie van een kringloopeconomie willen we de juiste randvoorwaarden creëren op het vlak van regelgeving, publiek-private financiering, onderzoek en ontwikkeling, potentieel voor pilot plants om materiaalkringlopen te sluiten in de bouwsector, de chemische en kunststoffenindustrie, de bio-economie (inclusief voeding) en de metaalsector (inclusief elektronica en transport). Duurzame voeding en de inzet op de bio-economie verminderen de impact op het milieu Duurzame voeding houdt in dat er voldoende, veilige en gezonde voeding voorhanden is tegen een marktconforme maar betaalbare prijs. De ecologische en sociale voetafdruk van voeding moet in de productie- en consumptieketen worden geminimaliseerd. Om de juiste keuze te kunnen maken, moet de consument zich bewust worden van de impact die zijn consumptiepatroon met zich meebrengt. Hij moet daarover worden geïnformeerd. Daarbij zoekt de Vlaamse overheid aansluiting bij lopende Europese initiatieven. Om de consument verder in de juiste richting te sturen, moet de prijs zowel de productiekosten als de internalisering van milieu- en maatschappelijke kosten en baten weerspiegelen. Duurzame voedselproductie vereist een coherent beleid op Vlaams en Europees niveau, waarbij het ILVO samen met de praktijkcentra en Flanders Food een voortrekkersrol moet spelen. Voedselverspilling, dat tot heden in de interdepartementale werkgroep vooral als studiethema werd benaderd, moet evolueren naar een horizontaal beleidsthema, rekening houdend met de Europese beleidsontwikkelingen ter zake.
02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN
Duurzame mobiliteit vereist coördinatie De in 2011 opgerichte ‘proeftuin elektrische voertuigen’ loopt eind 2014 af. Op dat moment moeten de resultaten ervan worden benut. Voor de nodige opschaling met het oog op de transitie naar groene voertuigen is er een gecoördineerd beleid nodig voor de uitrol van elektrische voertuigen. Een op te richten e-team moet die doorbraak coördineren, zodat de vooropgestelde doelstellingen tegen 2020 en nadien kunnen worden gehaald (cf. Groen en dynamisch stedengewest). Duurzaam wonen bespaart energie Duurzaam wonen en bouwen is een transitie die een uitdaging voor een gericht innovatiebeleid is. Deze transitie is een systeeminnovatie op het vlak van energie- en materiaalgebruik en nieuwe woonvormen, die aangepast zijn aan de duurzaamheidsuitdaging en de demografische evolutie, die nog een substantiële stijging van het aantal wooneenheden in het vooruitzicht stelt. Een vooruitstrevend innovatiebeleid op dat vlak is een aanmoediging voor de transformatie van de bouwsector tot een echte bouw-, milieuen energiecluster, die zijn binnenlandse en buitenlandse concurrentiepositie zal versterken en nieuwe sectoroverschrijdende waardeketens met de toeleverende sectoren kan ontwikkelen.
SD6. Bewaken en stimuleren van kwaliteit binnen een veranderend innovatief media-ecosysteem
Beleidsvoorstel 1:
Een pluriform, divers en kwaliteitsvol media-aanbod staat centraal In de volgende regeerperiode wordt blijvend ingezet op het bewaken van het diverse en kwaliteitsvolle media-aanbod. Dat gebeurt met een faciliterend en stimulerend beleid voor de audiovisuele sector en voor de geschreven pers, dat gebaseerd is op gerichte subsidiëring en specifieke ondersteuningsmechanismen in combinatie met een sterke openbare omroep. Ook wordt de mogelijkheid onderzocht om respectievelijk kwaliteitsvereisten en cross-ownership-beperkingen in te voeren. De rol van de openbare omroep als baken voor kwaliteit enerzijds en hefboom voor duurzame innovatie in de mediasector anderzijds is een van de kernonderdelen van de nieuwe beheersovereenkomst met de openbare omroep vanaf 2017. Een publieke omroep die sterk verankerd is in de samenleving, is immers een middel om onze culturele identiteit te versterken, mee te bouwen aan een sociale, respectvolle en positieve samenleving, de democratie en een pluralistische uitwisseling van ideeën te stimuleren, en de diversiteit in de samenleving aan bod te laten komen. Ten slotte zet de volgende Vlaamse regering maximaal in op digitalisering, bewaring en ontsluiting van de audiovisuele archieven, verder bouwend op de verwezenlijkingen van het Vlaams Instituut voor digitale Archivering en ontsluiting van Audiovisueel Erfgoed.
Beleidsvoorstel 2:
Rekening houden met de nieuwe (sociale) media, met crossmedialiteit Het referentiekader van waaruit de media vandaag benaderd worden en waarop het regelgevende kader is gebouwd, is aan herziening toe. Met de introductie van nieuwe digitale faciliteiten en in navolging van Europese ontwikkelingen zal de volgende regering een nieuw regelgevend beleidskader ontwikkelen dat
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
zo veel mogelijk rechtszekerheid biedt. Daarbij wordt ingezet op co- en zelfregulering, bijvoorbeeld op het gebied van nieuwe media-applicaties en sociale media. Vlaanderen voert ook een hertekend regelgevend kader in voor de radio-omroep, met het oog op een nieuwe erkenningsronde voor privéradio’s in 2016. De opdeling van mediacontent tot in de kleinst mogelijke delen, waarbij programma’s worden verknipt tot kleine programmaonderdelen en (zeer) korte fragmenten en daarna verkocht en verdeeld worden via verschillende netwerken, platformen en diensten, moet gebeuren in samenwerkingsverbanden tussen omroepen en dienstenverdelers, ter versterking van de kwaliteit van ons Vlaamse omroepbestel. In navolging van Europese ontwikkelingen zal de volgende regering een nieuw regelgevend beleidskader ontwikkelen dat zo veel mogelijk rechtszekerheid biedt. Daarbij wordt ingezet op co- en zelfregulering, bijvoorbeeld op het gebied van nieuwe media-applicaties en sociale media. Vlaanderen voert ook een hertekend regelgevend kader in voor de radio-omroep, met het oog op een nieuwe erkenningsronde voor privéradio’s in 2016. Vlaanderen blijft in de toekomst inzetten op zowel bestaande structuren (bijvoorbeeld MIX, Mediafonds, IWT, PMV) met extra aandacht voor de samenwerking tussen de verschillende spelers. We zorgen er ook voor dat het overheidsinstrumentarium voor innovatie synergetisch wordt ingezet. Gelet op het belang van sociale media als onderdeel van media-innovatie worden middelen ingezet voor onderzoek, opvolging en stimulering van (de effecten van) sociale media. Zo wordt er, binnen het innovatiepalet van het MIX, ook gekeken naar de ondersteuning voor kleine spelers, die elk hun eigenheid hebben. In dezelfde optiek worden meetsystemen ontwikkeld om een duidelijker beeld te hebben van het mediagebruik en wordt de monitoring van de media-inhoud verder uitgebouwd.
SD7. Mediawijsheid, sociale media als kanaal voor burgerparticipatie en het belang van een stimulerend privacybeleid Om de mogelijkheden van (sociale) media ten volle te benutten, heeft de mediagebruiker een waaier aan vaardigheden nodig om op een wijze manier ermee om te gaan. De Vlaamse overheid zet sterk in op het aanleren van diverse competenties waarbij rekening wordt gehouden met de eigenheden van de diverse doelgroepen. Het Kenniscentrum Mediawijsheid is daarbij een belangrijke speler. Verder verkleint intergenerationeel leren de digitale kloof tussen de burgers die over de vaardigheden beschikken om (sociale) media te gebruiken en de burgers die die vaardigheden niet hebben. Alle ambtenaren geven een stem aan het beleid en aan de overheid. We gebruiken sociale media als middel tot beleidsinnovatie en actieve communicatie, en onderzoeken of we op een participatieve manier kunnen werken of nieuwe diensten kunnen ontwikkelen en zo in interactie met de burger kunnen gaan (bijvoorbeeld door vraag-en-antwoordfora). Ook werkt de overheid aan de harmonisering van haar technologische systemen zodat een burger met één elektronische ID gebruik kan maken van alle diensten. Als sociale media transparante en redelijke privacyvoorwaarden hanteren, groeit het vertrouwen van de gebruiker, die geneigd zal zijn er meer mee te werken. Daarom worden burgers gesensibiliseerd en gestimuleerd met betrekking tot privacy en het delen van persoonsgegevens. De overheid vervult een voorbeeldrol op het vlak van een innovatief en ethisch verantwoord privacybeleid.
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsthema ‘Open Ondernemer’
SD 1. Ondernemen alle kansen geven
Beleidsvoorstel 1:
Positieve attitude tegenover ondernemerschap:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door Hermesfonds.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
25.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Vork 25.000-50.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds recurrent
Beleidsvoorstel 2:
Begeleiding van ondernemers en het bedrijf in zijn diverse levensfasen met het oog op groei, verduurzaming en internationalisering:
••
kan deels binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door Hermesfonds. Bijkomend is jaarlijks 25.000 Keuro nodig voor EFRO-cofinanciering.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
125.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds + 25.000 Keuro
Vork 125.000-150.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds Recurrent + 25.000 Keuro Recurrent
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsvoorstel 3:
We stimuleren maatschappelijk verantwoord ondernemen en zetten in op sociaal ondernemerschap:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd o.a. door vzw portefeuille via huidige budgetten betrokken BD.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
20.000 Keuro binnen huidige budgetten WSE/ CJSM/WVG
20.000 Keuro binnen huidige budgetten WSE/CJSM/ WVG
Beleidsvoorstel 4:
Land-en tuinbouwers en vissers als ondernemers:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd van Landbouw en Visserij.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Huidig 215.000 Keuro
Huidig 215.000 Keuro recurrent
Beleidsvoorstel 5:
Geïntegreerd ecosysteem voor de Culturele en Creatieve Sectoren:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door Hermesfonds
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Vork 1.000-10.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Vork 1.000-10.000 Keuro, binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds recurrent
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
SD 2. Meer gerichte internationalisering van de Vlaamse economie
Beleidsvoorstel 1:
Een pro-actiever en gerichter acquisitiebeleid voor buitenlandse investeringen voeren dat aansluit bij de Slimme Specialisatie Strategie (SSS) en het NIB en instrumenten ter verbetering van de algemene kostenpositie van de ondernemingen aanreiken:
••
niet- budgetneutraal: Carbon Leakage wordt geschat in een vork van 40 tot 200 mio euro. In principe zou dit door Klimaatfonds gedragen moeten worden. Voor Internationaal Vlaanderen is er een meervraag van minimum 5 mio euro recurrent. Indien voor Carbon Leakage minder uitgegeven dan begroot, kan 5.000 Keuro hierin verrekend worden.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Klimaatfonds 40.000 Keuro +5.000 Keuro
Vork Klimaatfonds 40.000 – 200.000 Keuro recurrent +5.000 Keuro recurrent
Beleidsvoorstel 2:
het (financieel en operationeel) instrumentarium voor de bevordering van internationaal ondernemen gerichter inzetten en MVO in het buitenland:
••
Niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag van in totaal min. 5 mio euro recurrent. budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Zit vervat in vorig voorstel +5.000 Keuro
Zit vervat in vorig voorstel +5.000 Keuro recurrent
Budgettaire uitgave (in Keuro)
Beleidsvoorstel 3:
alle actoren van (overheids-en middenveld) handelen vanuit een gemeenschappelijke visie en strategie m.b.t. internationalisering:
••
Niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag van in totaal min. 5 mio euro recurrent.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Zit vervat in vorig voorstel +5.000 Keuro
Zit vervat in vorig voorstel +5.000 Keuro recurrent
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
SD 3. In afstemming met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zorgen voor een adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling, incl. brownfield ontwikkeling.
Beleidsvoorstel 1:
Competitiviteit verhogen en versnellen van investeringen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door o.a. Hermesfonds voor bedrijventerreinen.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
40.000 Keuro binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Vork 40.000-50.000 Keuro binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds recurrent
Beleidsvoorstel 2:
Verweven waar kan scheiden waar moet en de ruimte zuinig gebruiken:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd door o.a. Hermesfonds voor bedrijventerreinen. budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Budget voor dit beleidsvoorstel zit vervat in vorig beleidsvoorstel: 40.000 Keuro binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Budget voor dit beleidsvoorstel zit vervat in vorig beleidsvoorstel: vork 40.00050.000 Keuro binnen huidige 220.000 Keuro Hermesfonds
Budgettaire uitgave (in Keuro)
SD 4. Stroomlijnen, professionaliseren en versterken van de internationale promotie en reputatieontwikkeling van Vlaanderen.
Beleidsvoorstel 1:
de internationale promotie-en reputatie ontwikkeling van Vlaanderen versterken:
••
kan binnen de huidige kredieten Toerisme Vlaanderen worden gerealiseerd + nietbudgetneutrale meervraag die gecompenseerd kan worden door herclustering budgetten en gebruik van FFEU/PPS.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
20.000 Keuro binnen huidig budget
20.000 Keuro binnen huidig budget recurrent
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 2:
Toerisme Vlaanderen als internationale marketingorganisatie van de VO:
••
niet- budgetneutrale meervraag die gecompenseerd kan door herclustering budgetten en gebruik van FFEU/PPS: 100.000 Keuro voor de hele legislatuur
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
20.000 Keuro binnen huidig budget +20.000 Keuro
20.000 Keuro binnen huidig budget recurrent +20.000 Keuro recurrent
Samenvatting voor Open Ondernemer
•• •• •• •• •• ••
De beleidsvoorstellen worden in grote mate gerealiseerd binnen bestaande budgetten. EFRO-cofinanciering vereist een budget in meer van 25.000 Keuro op jaarbasis. Voor maatschappelijk verantwoord ondernemen kunnen ook andere beleidsdomeinen dan EWI (Hermesfonds) bijdragen. Er is meervraag van recurrent 5.000 Keuro voor SD2 Internationalisering +40.000 – 200.000 Keuro voor Carbon Leakage. Dit laatste moet in principe door Klimaatfonds gefinancierd worden. Voor adequate duurzame ruimtelijke ontwikkeling kunnen ook andere beleidsdomeinen dan EWI (Hermesfonds) bijdragen. Voor Toerisme wordt een ‘herclustering’ van budgetten gevraagd + gebruik van FFEU/PPS ten bedrage (supplementair) van 20.000 Keuro jaarlijks recurrent.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Beleidsthema ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’
SD1. Meer middelen (mensen, opleiding en vorming, infrastructuur, kapitaal) voor O&O inzetten.
Beleidsvoorstel 1:
1% norm aan publieke financiering bereiken tegen 2020 en slimme specialisatiekader:
••
niet-budgetneutraal en vereist een budgettaire meervraag (inclusief ook Landbouw en Visserij: landbouwonderzoek).(*)
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Meervraag 150.000 – 23.600 = 126.400 Keuro
Meervraag jaar na jaar 2016: 133.900 Keuro; 2017: 132.400 Keuro; 2018: 131.500 Keuro; 2019: 131.000 Keuro
(*) In de periode 2014-2019 worden reeds ‘opstappen’ voorzien in de begrotingen van de beleidsdomeinen Onderwijs en EWI in het kader van het Decreet Integratie Hoger onderwijs, beleid rond Hoger Onderwijs (klik + 45/55 onderzoek + TBS besparing) en het op kruissnelheid brengen van de subsidiëring van de in de universiteiten ingekantelde hogeschoolrichtingen. Het gedeelte van die opstappen dat als O&O kan gerekend worden en dus in mindering kan worden gebracht van de meervraag van 150.000 Keuro, is als volgt: 2015: 23.600 Keuro; 2016: 16.100 Keuro; 2017: 17.600 Keuro; 2018: 18.500 Keuro; 2019: 19.000 Keuro.
SD2. Innovatie stimuleren in ondernemingen.
Beleidsvoorstel 1:
een doelgroepgerichte mix van instrumenten uitbouwen en versnellen van systeeminnovatie in strategische domeinen:
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag van 30 mio euro, vervat in 150 mio euro recurrent ( zie beleidsvoorstel 1 van SD1).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 30.000 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag SD1
+30.000 Keuro. Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 2:
SOC’s en valorisatie van onderzoek versterken.
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag. De meervraag wordt geraamd op 30 mio euro en is vervat in de geraamde meerkost van van 150 mio euro recurrent van beleidsvoorstel 1 van SD1.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 30.000 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
+ 30.000 Keuro. Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
SD3. Excellentie van onderzoek bevorderen.
Beleidsvoorstel 1:
FWO-projecten voor jonge onderzoekers op de sporen zetten en elke stap in de wetenschappelijke carrière ondersteunen:
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag . De meervraag is vervat in de 150 mio euro recurrent geraamd voor beleidsvoorstel 1 van SD1. De geraamde meerkost is met inbegrip van de 150 mio euro recurrent van beleidsvoorstel 1 van SD1 en is in een groeitraject gevat.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 10.000 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
2016: + 20.000 t.o.v. 2014 2017: + 30.000. t.o.v. 2014 2018: + 40.000. t.o.v. 2014 2019: + 50.000. t.o.v. 2014 Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Beleidsvoorstel 2:
inzetten op internationale samenwerking.
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag. Europese samenwerking FWO (ERA + JPI): 6 mio euro per jaar (totaal 30 mio euro) en bilaterale onderzoeksprojecten FWO: extra 300.000 euro/jaar per nieuw partnerland (totaal 1,5 mio euro) en stimuleren internationale mobiliteit: extra in totaal 11 mio euro. De meervraag is vervat in de 150 mio euro recurrent van beleidsvoorstel 1 van SD1.
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
+ 6.000 Keuro + 300 Keuro + 2.200 Keuro Zitten vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
6.000 Keuro per jaar (totaal 30.000 Keuro) + 300 Keuro /jaar per nieuw partnerland (totaal 1.500 Keuro)+ 2.200 Keuro per jaar (totaal 11.000 Keuro) Zitten vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Beleidsvoorstel 3:
een Vlaams Open Accesbeleid uitbouwen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd afhankelijk van het gekozen beleid.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
500 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
8.000 Keuro voor de hele legislatuur. Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Beleidsvoorstel 4:
het belang van interuniversitaire Attractiepolen (UIAP’s):
••
niet-budgetneutraal maar kan gefinancierd worden via een extra ontvangst van 17,7mio euro vanaf 2018 + index (overdracht federale middelen 6 SH).
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
nihil
In 2018 extra ontvangst van 17.700 Keuro (6e Staatshervorming)
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 5:
wetenschappelijke integriteit bevorderen:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
200 Keuro. Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
200 Keuro recurrent. Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Beleidsvoorstel 6:
de financiering van de universiteiten vereenvoudigen.
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidig budget ‘Kredietlijnen programma Beleidsdondersteuning en Academisch Beleid’: 448.000 Keuro
Idem als voor 2015 recurrent
SD4. Onderzoeksinfrastructuur om kennis te verankeren.
Beleidsvoorstel 1:
Vernieuwen en uitbreiden van de basisuitrusting van de onderzoeksgroepen aan de universiteiten en de kennisinstellingen.
••
niet-budgetneutraal en vraagt een budgettaire meervraag. De meervraag is vervat in de 150 mio euro recurrent van beleidsvoorstel 1 van SD1. De meervraag betreft 16-22 mio euro voor bottop up vragen vanuit de universiteiten, SOC’s en wetenschappelijke instellingen alsook voor Vlaamse deelname aan ESFRI en de uitbouw HPC-infrastructuur.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015 16.000-22.000 Keuro Zit vervat in 126.400 Keuro meervraag van SD1
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur 16.000-22.000 Keuro recurrent Zit vervat in de jaar na jaar meervraag van SD1 recurrent
Open Ondernemer en Innovatiecentrum Vlaanderen
SD5. Een antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen.
Beleidsvoorstel 1:
focus op sociale innovatie, op maatschappelijke valorisatie en op wetenschappelijke onderbouwing van het beleid:
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd: 2.560.000 euro voor innovatiefabriek 2013-2016.
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
640 Keuro
2013-2016: 2.560 Keuro
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Heroriëntering binnen bestaande budgetten
Heroriëntering binnen bestaande budgetten recurrent
Beleidsvoorstel 2:
focus op duurzaamheid. Budgettaire uitgave (in Keuro)
SD6. Bewaken en stimuleren van kwaliteit binnen een veranderend innovatief media-ecosysteem.
Beleidsvoorstel 1:
een pluriform, divers en kwaliteitsvol media aanbod staat centraal. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidig budget: 306.000 Keuro (VRT Idem als 2015. Verschuiving mogelijk afhankelijk van 292.000 Keuro, Mediafonds het beleid. Vork tussen 300.000 en 310.000 Keuro 4.000 Keuro, regionale recurrent 2.000 Keuro, andere 8.000 Keuro)
03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN
Beleidsvoorstel 2:
rekening houden met de nieuwe (sociale) media, met crossmedialteit. Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidig budget: 2.500 Keuro (1.500 Keuro VRM, 450 Keuro werking, 550 Keuro gaming)
Idem als 2015. Verschuiving mogelijk afhankelijk van het beleid. recurrent
SD7.Mediawijsheid en sociale media als kanaal voor burgerparticipatie en het belang van een stimulerend privacybeleid
••
kan binnen de huidige kredieten worden gerealiseerd: budget CJSM + budget BZ + budget DAR
Budgettaire uitgave (in Keuro)
budget in 2015
budget op kruissnelheid in volgende legislatuur
Binnen huidig budget: 750 Idem als 2015. Verschuiving mogelijk afhankelijk van Keuro het beleid. recurrent
Samenvatting voor Innovatiecentrum Vlaanderen
•• ••
Voor ‘Meer middelen voor O&O’ wordt recurrent 150.000 Keuro minus de door Onderwijs en EWI jaarlijks reeds vastgelegde ‘opstappen’ gevraagd. Deze meervraag dekt verschillende beleidsvoorstellen van ICV. Voor SD7 ‘Mediawijsheid, burgerparticipatie, privacy’ wordt ook inbreng verwacht van DAR en BZ.