SAMENVATTING ONDERZOEK
ONDERZOEK I.K.V.
VIONA STEUNPUNT WSE
TITEL: E‐LEREN IN VLAANDEREN
Auteur(s): Ella Desmedt, An De Coen & Kathy Goffin (IDEA Consult)
1. Korte samenvatting van het onderzoek (abstract) De transitie naar een digitale samenleving zorgt voor een fundamentele verandering in de manier waarop we (kunnen) leren. Naast leren in een klas met een lesgever vooraan, ontstaan nieuwe leervormen onder de noemer e‐ leren, afstandsleren, MOOC’s (massive open online courses), smart learning, … Met het Vlaams opleidingsverlof, de opleidingscheques en het Vlaams opleidingskrediet willen de Vlaamse overheid en de Vlaamse sociale partners de participatie aan vorming en opleiding verhogen als bouwsteen voor een sterk (einde)loopbaan‐ en arbeidsmarktbeleid in de context van het Pact 2020. Men wenst diverse nieuwe, flexibele vormen van leren een plaats te geven in dit nieuwe systeem en wil hierbij e‐leren actief stimuleren. Deze studie brengt de kenmerken van het aanbod aan e‐leren voor volwassenen in Vlaanderen in kaart, en dit zowel kwantitatief (huidige omvang en verwachte groei) als kwalitatief (aard en inhoud). Daarnaast wordt besproken wat er reeds geweten is over de meerwaarde van e‐leren en randvoorwaarden voor een succesvol aanbod met impact op het leren en op de loopbaan van volwassenen. Tot slot wordt aangegeven hoe het stimuleren van e‐leren in arbeidsmarktgerichte opleidingen beleidsmatig kan worden aangestuurd (o.a. via de nieuwe Vlaamse opleidingsincentives), met opvolging van de impact. De gegevens om deze onderzoeksvragen te beantwoorden, werden verzameld via een literatuurstudie, interviews en een workshop met experten en beleidsmakers om kwalitatieve informatie m.b.t. e‐leren in Vlaanderen te verzamelen. De kenmerken van het aanbod e‐leren werden in kaart gebracht via een online enquête. Aanvullend werd ook een internationaal vergelijkend onderzoek uitgevoerd met landen die al verder staan op het vlak van e‐ leren, nl. Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.
Key words: E‐leren, blended leren, online leren, opleidingsincentives, Vlaams opleidingsverlof, levenslang leren
2. Doelen van het onderzoek Het doel van deze opdracht is drieledig: 1. 2.
In kaart brengen van het aanbod: o.a. meten om te weten hoe ver Vlaanderen staat op het vlak van e‐leren. Lessen trekken uit het buitenland: o.a. nagaan hoe landen die al veel verder staan op dit vlak, e‐leren hebben ingebed in hun opleidingsbeleid.
3. Beleidsaanbevelingen formuleren: o.a. over hoe het beleid kan omgaan met e‐leren in het kader van de beleidsdoelstelling om levenslang leren en het loopbaandenken voor de werknemer te stimuleren (vb. in het kader van opleidingsincentives).
1
Verduidelijking van kernbegrippen + op welke wijze deze aansluiten bij de gangbare internationale definitie(s) + typisch Vlaamse begrippen en structuren
E‐leren Leren met de middelen van de informatie‐ en communicatietechnologie (ICT) en het internet.
E‐leren wordt als overkoepelende term gehanteerd voor:
Blended leren Een weloverwogen combinatie van een face‐to‐face aanbod en een online component.
Online leren Afstandsleren dat (quasi) volledig online verloopt: er zijn helemaal geen of slechts een minimaal aantal face‐to‐ face contactmomenten met de docent of medecursisten.
3. Methoden en data (voor meer methodologische toelichting kan je het kaderstuk gebruiken) Een mix van onderzoeksmethoden en –technieken werd ingezet om de onderzoeksvragen te beantwoorden: Een literatuurstudie van bestaand wetenschappelijk onderzoek en andere beschikbare informatie om in kaart te brengen wat reeds geweten is rond e‐leren Interviews met experten op het vlak van e‐leren en beleidsmakers om te achterhalen hoe zij aankijken tegen e‐ leren in Vlaanderen Een online enquête bij onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers om inzicht te krijgen in de kenmerken van het aanbod aan e‐leren voor volwassenen in Vlaanderen, zowel kwantitatief (omvang) als kwalitatief (aard en inhoud) Een internationale comparatieve analyse om inspiratie op te doen voor de beleidsmatige aansturing van het stimuleren van e‐leren in arbeidsmarktgerichte opleidingen in Vlaanderen, via een vergelijkend onderzoek van landen die al verder staan op het vlak van e‐leren, nl. Nederland, zweden en het verenigd koninkrijk. Een workshop om op basis van de verzamelde informatie te komen tot gedragen beleidsaanbevelingen
Methodische toelichting (bijvoorbeeld type van survey:statistische technieken)
We deden in totaal 9 interviews, met de volgende actoren: Departement Werk en Sociale Economie, een academisch expert leren en instructie, een e‐learning developer uit de private sector, een stafmedewerker onderwijsontwikkeling van een universiteit, VDAB en aanbieders van e‐leren uit het volwassenenonderwijs, hoger onderwijs, Syntra en de socio‐culturele sector
De enquête liep werd gelanceerd op 13/12/2018 en afgesloten op 22/01/2019. - Verspreiding ‐ De enquête werd enerzijds via e‐mail uitgestuurd naar de contactenbestanden die we ter beschikking hadden voor de Centra voor basiseducatie (n = 13), Centra voor volwassenenonderwijs (n = 83), Hogescholen (n = 16), met de vraag om ze te bezorgen aan de departementen, Universiteiten (n = 5), met de vraag om ze te bezorgen aan de faculteiten, Sectoren (n = 68, soms meerdere contacten per sector) en Organisaties in het socio‐cultureel vormingswerk (n = 134). Daarnaast werd een open link verspreid via uiteenlopende communicatiekanalen: de websites, sociale media en nieuwsbrieven van de Departementen Onderwijs & Vorming en Werk & Sociale Economie, en de website en LinkedIn van IDEA Consult. Ook aan de VLOR, VLHORA, VLIR, Federgon, SERV, VOKA, Socius en alle leden van de begeleidingsgroep werden gevraagd om de enquête te helpen verspreiden. - Respons ‐ 235 personen startten de survey: 42 werden afgedankt omdat ze toch geen e‐leren aanboden en 119 respondenten vulden de vragenlijst slechts gedeeltelijk in . Uiteindelijk leverde de enquête een respons van 74 volledig ingevulde vragenlijsten op.
Zweden, Nederland en het Verenigd Koninkrijk werden gekozen als benchmark voor de internationale comparatieve analyse. In 2013 behoorden deze landen volgens een studie voor de Europese Commissie reeds tot de future‐oriented cluster van landen die ICT op een succesvolle manier hadden geïntegreerd in opleidingen voor volwassenen.
Op 19 februari 2019 namen 13 personen deel aan deze workshop: enkele experten en beleidsactoren die tijdens de interviews werden bevraagd, enkele sociale partners uit de begeleidingsgroep, het Steunpunt Werk, enkele beleidsactoren uit het domein Onderwijs & Vorming, een pedagogisch begeleider uit het volwassenenonderwijs en een bedrijf dat online lesmateriaal ontwikkelt.
2
4. Bevindingen HET OPLEIDINGSAANBOD E‐LEREN IS SLECHTS BEPERKT GEDOCUMENTEERD Doorheen de studie was duidelijk dat het belang van e‐leren de afgelopen jaren sterk is toegenomen, vooral vanuit de vraag naar een flexibeler opleidingsaanbod. Het beschikbare aanbod is echter versnipperd en weinig zichtbaar: er bestaat geen globaal overzicht van alle onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers die in Vlaanderen vormen van e‐ leren aanbieden. De resultaten van de enquête die in het kader van deze opdracht werd georganiseerd, bieden bijgevolg eerste inzichten in de mate waarin de bevraagde onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers e‐leren aanbieden, maar ze zijn niet representatief voor het aanbod in Vlaanderen. Momenteel wordt ook niet geregistreerd in welke mate ondernemingen gebruik maken van e‐leren. Aangezien de enquête nauwelijks private ondernemingen bereikte, is het op basis van de verzamelde informatie niet mogelijk om in te schatten in welke mate e‐leren reeds ingeburgerd is in bedrijven. De interviews leren wel dat ondernemingen een eigen aanbod e‐leren ontwikkelen voor hun werknemers en/of klanten, die zowel laag‐, midden‐ als hooggeschoold zijn. HET AANBOD E‐LEREN IS EERDER BEPERKT, MAAR IN VOLLE ONTWIKKELING De onderzoeksresultaten tonen dat het aanbod e‐leren bij de bevraagde onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers in volle ontwikkeling is. De meeste respondenten met een aanbod aan e‐leren bieden enkel blended opleidingen aan, of een combinatie van blended en online opleidingen, terwijl slechts enkele respondenten enkel online opleidingen aanbieden. Het lesmateriaal voor e‐leren wordt voornamelijk intern ontwikkeld, waardoor er reeds heel wat materiaal beschikbaar is, zij het zeer versnipperd. Toch neemt bij de meeste respondenten naar schatting minder dan een kwart van de cursisten deel aan e‐leren. Het bereik is bijgevolg nog beperkt, al zijn er grote verschillen tussen opleidingsverstrekkers. Daarbij werd tijdens de interviews opgemerkt dat deelname aan e‐leren niet voor alle doelgroepen aangewezen is, o.a. door de vereiste zelfsturing en zelfdiscipline bij cursisten. Verschillende bevraagde onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers hadden nog geen specifiek beleid rond e‐leren, maar waren het aan het ontwikkelen. Dat geldt ook voor kwaliteitszorg: verschillende aanbieders hadden nog geen systeem voor kwaliteitsbewaking ingebouwd, maar hadden wel concrete plannen om dit te doen. HET POTENTIEEL VAN E‐LEREN WORDT NOG ONVOLDOENDE BENUT Verschillende vaststellingen leiden tot de conclusie dat het potentieel van e‐leren nog onvoldoende benut wordt: Het voorzien van interactie tussen cursisten onderling blijkt een grote uitdaging voor online opleidingen. Dat is nochtans belangrijk aangezien veel cursisten het sociaal contact binnen een opleiding waarderen. Slechts een beperkt aantal aanbieders voorzien dergelijke interactie in de meeste online opleidingen, hoewel voorbeelden illustreren dat het technisch ingebouwd kan worden. Hoewel e‐leren heel wat potentieel heeft op het vlak van personalisatie en maatwerk, blijkt dat deze mogelijkheden slechts in beperkte mate worden benut. Nochtans biedt e‐leren een interessant instrument om beter in te spelen op de capaciteiten en persoonlijke noden van de cursisten. Hoewel tussentijdse evaluaties vaak automatisch (door de computer) gebeuren, worden eindevaluaties van online opleidingen toch meestal ‘on campus’ georganiseerd en is het de docent/coach die ervoor instaat. De meeste bevraagde aanbieders van e‐leren bieden cursisten een vorm van erkenning voor het online leren. Die erkenning blijft echter vaak beperkt tot het uitreiken van deelnamebewijzen. Slechts enkele respondenten reiken ‘digitale badges’ uit of ontwikkelden e‐leren binnen partnerschappen/samenwerkingsverbanden waarbinnen de verworven competenties automatisch erkend worden. E‐LEREN BIEDT VOLDOENDE MANIEREN OM VOORTGANG EN RESULTAAT OP TE VOLGEN I.K.V. OPLEIDINGSINCENTIVES De overheid en de sociale partners verwachtten van dit onderzoek dat het input zou geven over hoe de voortgang en het resultaat van e‐leren op een gepaste manier kunnen opgevolgd worden in de context van het verstrekken van opleidingsincentives. Aanwezigheid is bij e‐leren immers niet relevant, en deelname aan de eindbeoordeling (het criterium in de nieuwe regelgeving) volstaat ook niet. De SERV wijst in deze context op het belang van een voldoende hoge intensiteit en interactiviteit, met periodieke uitwisseling van informatie tussen docent en cursist en tussentijdse ijkpunten of evaluatie (output/opdrachten). Hoewel we hebben vastgesteld dat het potentieel vandaag nog onvoldoende wordt benut, blijkt uit dit onderzoek tegelijk dat e‐leren technisch gezien voldoende mogelijkheden biedt om aan deze verwachtingen tegemoet te komen. Experts geven aan dat indien de beschikbare tools (vb. ingebouwde tests, gamification,…) kwaliteitsvol worden ingezet om een gericht cognitief proces te ondersteunen, leren online vaak intenser is dan klassikaal. In het huidige systeem van opleidingsincentives is de opleidingsverstrekker verantwoordelijk voor de attestering van de aanwezigheid en de deelname aan de eindbeoordeling. In het geval van e‐leren kan de activiteit technisch perfect door de opleidingsverstrekker gemeten worden via het Learning Management Systeem (LMS). Via ‘learning analytics’ kan worden opgevolgd hoe lang iemand ingelogd is, wat het percentage actieve tijd is, wat de voortgang is doorheen de verschillende onderdelen, wat de graad van voltooiing is van de modules, …
3
4. Bevindingen (vervolg) Ongeveer drie kwart van de bevraagde opleidingsverstrekkers gebruiken al een LMS voor de controle van de online activiteiten. Het gebruiken van gegevens uit het LMS voor grondigere ‘learning analytic’s zien we al bij 1/3 tot de helft van de respondenten. OOK BIJ E‐LEREN VORMEN LAAGGESCHOOLDEN EEN KWETSBARE GROEP Laaggeschoolden vormen een belangrijke doelgroep van het Vlaamse opleidingsbeleid: zij nemen systematisch minder deel aan opleiding dan hooggeschoolden. Om de opleidingsparticipatie bij deze doelgroep te verhogen, is er nood aan manieren om leren toegankelijker te maken. De literatuurstudie leerde dat e‐leren op dat vlak heel wat voordelen biedt, bijvoorbeeld door het mogelijk te maken voor de cursist om tijd‐ en plaatsonafhankelijk te leren en om een aanbod op maat van de individuele leerbehoeften te volgen. Digitale technologieën laten ook toe om een spelcomponent toe te voegen aan leren en om de geboekte vooruitgang in real time op te volgen, wat de gebruikerservaring aantrekkelijker maakt. Terzelfdertijd vergt e‐leren heel wat autonomie en zelfdiscipline van de cursist om het leerproces in eigen handen te nemen en de opleiding tot een goed einde te brengen. Dit verklaart waarom laaggeschoolden doorgaans een hoger risico op dropout uit online opleidingen hebben dan hooggeschoolden. Dat neemt echter niet weg dat laaggeschoolden wel degelijk hun weg vinden naar e‐leren, bijvoorbeeld via het opleidingsaanbod van CVO’s en de VDAB. Door de verschillende randvoorwaarden voor een succesvolle deelname aan e‐leren, kan evenwel worden verwacht dat e‐leren slechts één van vele manieren zal zijn om opleiding toegankelijker te maken voor laaggeschoolden. ER IS ALGEMENE CONSENSUS OVER DE VERWACHTE GROEI VAN E‐LEREN Negen op tien respondenten zijn van plan om het opleidingsaanbod via e‐leren in de toekomst verder uit te bouwen. Op basis van de gemaakte prognoses komen we tot de conclusie dat het aandeel e‐leren bij de respondenten zal stijgen ten koste van het aandeel face‐to‐face opleiding. Hun antwoorden zijn echter niet representatief voor alle onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers in Vlaanderen aangezien ze reeds opleidingen via e‐ leren inrichten en daardoor als ‘voortrekkers’ of ‘believers’ beschouwd kunnen worden. De geconsulteerde experten en aanbieders geloven vooral in de groei van blended leren, maar maken daarbij ook de kanttekening dat e‐leren niet voor alle doelgroepen geschikt zal zijn. Een basis aan digitale vaardigheden en de vereiste zelfdiscipline zorgt er immers voor dat slechts bepaalde groepen cursisten over de nodige competenties beschikken, en dat vele cursisten begeleiding nodig hebben voor een succesvolle deelname. Door de aanhoudende digitale (r)evolutie zou de technologie in de toekomst bovendien nog een grotere rol kunnen spelen bij e‐leren. Via artificiële intelligentie (AI) wordt het immers mogelijk om robots feedback te laten geven en cursisten op te volgen. Bovendien kan blockchaintechnologie helpen om de verworven competenties te laten erkennen ‘door de community’ en zo de rol van validerende/erkennende instanties over te nemen. INSPIRERENDE PRAKTIJKEN UIT HET BUITENLAND KUNNEN E‐LEREN IN VLAANDEREN VERDER STIMULEREN De comparatieve analyse m.b.t. e‐leren in Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk toont hoe aspecten uit verschillende cases kunnen worden samengebracht om te komen tot een ‘optimaal beeld’ voor e‐leren in Vlaanderen. Deze landenstudie leert in eerste instantie dat deelname aan e‐leren geen doel op zich mag zijn, maar een instrument is binnen het bredere opleidingsbeleid. Dat beleid maakt vaak gebruik van projectfinanciering om het online aanbod te stimuleren, en als incentive om de vraag te stimuleren wordt geëxperimenteerd met een meer outputgericht aanpak (vb. het experiment leeruitkomsten in Nederland) en systemen van vraagfinanciering. Dergelijke initiatieven kaderen binnen een samenhangende strategie die de verantwoordelijkheden voor alle betrokkenen duidt. De betrokken actoren worden daarbij ondersteund via een centraal platform en een ondersteunende organisatie met expertise rond levenslang leren in het algemeen of e‐leren in het bijzonder. Dergelijke inspirerende voorbeelden leiden samen met de onderzoeksresultaten en de input uit de workshop tot de beleidsaanbevelingen die in de volgende paragraaf opgenomen zijn.
4
5. Conclusies en beleidsimplicaties Uit deze studie blijkt dat e‐leren veel potentieel heeft. Om dat potentieel te kunnen realiseren, stellen we twee uitgangspunten voorop in onze aanbevelingen: 1. Kwaliteit centraal bij de verdere ontwikkeling van e‐leren – Het potentieel van e‐leren kan pas gerealiseerd worden indien een aantal randvoorwaarden vervuld zijn, die te maken hebben met de kwaliteit van het aanbod (zoals de geloofwaardigheid, transparantie, flexibiliteit, toegankelijkheid en personalisatie van de opleidingen die via e‐leren aangeboden worden). De deelnemers aan de workshop voegden begeleiding van cursisten nog toe als indicator voor de kwaliteit van opleidingen die via e‐leren worden aangeboden. 2. E‐leren is een instrument, geen doel op zich ‐ Conform de OESO ‘Skills Strategy’ voor Vlaanderen stellen we dat e‐leren één van vele manieren is om de flexibiliteit binnen het opleidingsaanbod te vergroten en finaal bij te dragen tot een hogere opleidingsdeelname van (werkende) volwassenen en een sterkere leercultuur in Vlaanderen. AANBOD STIMULEREN Zowel Vlaamse als buitenlandse onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers die inzetten op e‐leren, zijn het erover eens dat de ontwikkeling en het onderhouden van e‐leren veel tijd, geld en know‐how vragen. Om dit op een voldoende grote schaal te kunnen doen, is er nood aan samenwerking tussen actoren uit het onderwijs en de arbeidsmarkt. Dit kan op verschillende manieren ondersteund worden:
In lijn met buitenlandse voorbeelden is het aangewezen om bijkomende middelen te voorzien om het aanbod e‐leren verder uit te breiden. Wanneer dit via projectfinanciering gebeurt, kan het toekennen van financiering gekoppeld worden aan vereisten m.b.t. de herbruikbaarheid van het digitale leermateriaal en/of het modulair karakter van het opleidingsaanbod. Via de oproepen kunnen beleidsactoren – binnen een overkoepelende visie rond levenslang leren – accenten leggen qua kenmerken van het ontwikkelde aanbod. Aan de aanbodzijde van e‐leren moet ook geïnvesteerd worden in ondersteuning, in eerste instantie voor de docenten. Zij moeten de ruimte krijgen om e‐didactiek te ontwikkelen en de mogelijkheden van e‐leren te verkennen. Docenten hebben ook ondersteuning nodig om hun nieuwe rol te leren kennen: docenten zullen immers nodig zijn om inhoud te ontwikkelen, maar ook om cursisten als coach te begeleiden. Tijdens de workshop werd benadrukt dat deze evoluties omscholing van docenten vragen m.b.t. digitale didactiek, maar ook m.b.t. werken in multidisciplinaire teams. Zowel deze digitale pedagogisch‐didactische vaardigheden als de mogelijkheden van e‐leren dienen reeds aan bod te komen in lerarenopleiding. Daarnaast zouden onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers ook ondersteund kunnen worden om toegang te krijgen tot knowhow m.b.t. e‐leren. Ze zouden bijvoorbeeld financiële steun kunnen krijgen om zich te laten bijstaan door een digitale coach/expert e‐leren die het ontwikkelproces kan versnellen en hen met de juiste personen of organisaties in contact kan brengen. Dergelijke ondersteuning kan ook voorzien worden via een expertisecentrum, dat kennis rond e‐leren centraliseert en ter beschikking stelt van verschillende stakeholders. Tot slot kunnen onderwijs‐ en opleidingsverstrekkers ook elkaar helpen door kennis en materiaal uit te wissel via een digitaal platform voor het delen van expertise, online lesmateriaal, etc. Dit kan gekoppeld zijn aan het expertisecentrum, en het moet de ambitie hebben om aanbieders uit de domeinen onderwijs en arbeidsmarkt te ondersteunen (een platform als Toll‐net, dat geïntegreerd is in KlasCement en vooral gericht is op het volwassenenonderwijs, volstaat bijgevolg niet).
VRAAG STIMULEREN Aan de vraagzijde kunnen verschillende initiatieven ondernomen worden om e‐leren aantrekkelijker te maken voor (werkende) volwassenen en zo de opleidingsdeelname in Vlaanderen te vergroten.
Incentives – De verwachte groei van e‐leren bevestigt de nood aan opleidingsincentives die aandacht hebben voor nieuwe leervormen. - Op korte termijn is het belangrijk om deelname aan levenslang leren, en zo ook e‐leren, te stimuleren door cursisten te ondersteunen op het vlak van tijd, geld en begeleiding. Daarom zouden er in de context van de opleidingsincentives geen hogere eisen aan e‐leren gesteld mogen worden dan aan het klassikaal opleidingsaanbod. De enige minimale kwaliteitseis die zou moeten worden gesteld, is het gebruik van een learning management systeem. Op basis hiervan kunnen opleidingsverstrekkers de nodige informatie rapporteren i.h.k.v. de attestering van de deelname en activiteit.
5
-
Op lange termijn kan onderzocht worden hoe men de omschakeling kan maken naar een meer vraaggestuurde werking die meer gericht is op leeruitkomsten en zo ruimte laat voor gedifferentieerde leerwegen, waaronder e‐leren. Daarnaast kan op langere termijn ook geëvolueerd worden naar een individuele leerrekening of een leerkrediet, die volwassenen kunnen inzetten om deel te nemen aan opleiding. De verwachting is dat een dergelijke combinatie van vraagfinanciering en sturing op leeruitkomsten maakt dat het leerproces en de leerbehoeften van de lerenden centraal komen te staan, waardoor dit een boost geeft aan een aanbod dat hierop is afgestemd (waaronder e‐leren, maar vb. ook werkplekleren, begeleiding bij studiekeuze en leren,…).
Transparantie – Het publieke en private aanbod aan e‐leren in Vlaanderen is bijzonder versnipperd, maar ook zeer uitgebreid en nog steeds groeiend. Dit zorgt ervoor dat het voor (potentiële) cursisten bijzonder moeilijk is om het overzicht te bewaren en hun weg te vinden in het aanbod. De transparantie kan zowel ‘fysiek’ als ‘digitaal’ gerealiseerd worden: -
Fysieke leerwinkels – Leerwinkels op lokaal niveau kunnen volwassenen een laagdrempelig kanaal bieden om neutraal leeradvies en – begeleiding te verkrijgen. Bovendien zou het ‘leren’ zeer zichtbaar maken in het straatbeeld. Voor werkenden kan dit ook opgevangen worden via (interne) loopbaanbegeleiding.
-
Digitaal platform voor cursisten – Een centraal platform kan (potentiële) cursisten een overzicht bieden van het aanbod aan e‐leren dat door alle opleidingsverstrekkers voorzien wordt. Op dergelijk platform moet het bovendien mogelijk zijn om te kunnen inschatten op welke kwaliteitsdimensies een opleiding sterk of zwak scoort zodat voldoende transparant is wat een attest waard is.
Ook het erkennen van de via e‐leren verworven competenties mag niet uit het oog verloren worden. Dit vergt gezamenlijke inspanningen van werkgevers en sectoren op de arbeidsmarkt, maar ook binnen het formele onderwijs. Op Europees niveau wordt bijvoorbeeld gewezen op het belang van de gezamenlijke ontwikkeling van online opleidingen binnen partnerschappen zodat de verworven competenties via e‐leren ook automatisch erkend worden door de betrokken partners. Ook digitale badges vormen een interessant instrument om de verworven competenties van cursisten te erkennen. Ze maken het mogelijk om een e‐portfolio op te bouwen dat toont welke competenties via e‐leren verworven werden. Dit kadert ook binnen de evolutie naar meer modulaire opleidingsvormen, die leren beter combineerbaar maken met werken. Bovendien geven ze cursisten sneller het gevoel iets te leren en maken ze tussentijds leereffecten zichtbaar.
E‐LEREN COÖRDINEREN BINNEN BREDER KADER VAN LEVENSLANG LEREN Hoewel transparantie een belangrijke randvoorwaarde is voor het succes van e‐leren, blijkt het opleidingsaanbod dat via e‐leren verstrekt wordt, bijzonder versnipperd te zijn. De meeste aanbieders ontwikkelen hun materiaal intern, waardoor er veel dubbel werk gebeurt en mogelijke efficiëntiewinsten onvoldoende benut worden. Dat verklaart de algemeen ervaren nood aan coördinatie, bijvoorbeeld via een ‘regisseur’. Dergelijke coördinatie vergt betrokkenheid van alle opleidingsverstrekkers (publiek en privaat) over de grenzen van beleidsdomeinen heen, zoals dat ook voor andere domeinoverstijgende thema’s gebeurt, zoals STEM . Bovendien mogen de inspanningen zich niet beperken tot e‐leren: e‐leren maakt deel uit van de bredere aanpak om deelname aan levenslang leren te verhogen. Het vertrekpunt is een duidelijke visie en strategie rond levenslang leren en de rol van verschillende traditionele en nieuwe leervormen binnen deze strategie. Van daaruit kunnen gedragen afspraken gemaakt worden m.b.t. te maken technische keuzes en een kwaliteitskader voor kwalificerende opleidingen die via e‐leren georganiseerd worden. Het zou de geloofwaardigheid van e‐leren ten goede komen om afspraken te maken over de dimensies die bijdragen tot de kwaliteit van e‐leren. Om de kwaliteit van kwalificerende opleidingen zichtbaar te maken, achtten deelnemers aan de workshop het niet nodig om via een kwaliteitslabel te werken. Een alternatieve manier waarin meer potentieel gezien wordt, is werken met een schaal/barometer die toont op welke dimensies een bepaalde opleiding sterk of zwak scoort (zoals bijvoorbeeld voor het volwassenenonderwijs werd gedaan via het SBO project 'Adult Learners Online! Blended and Online Learning in Adult Education and Training', of kortweg 'ALO!', en voor MOOC’s via het ‘traffic light model’ door Witthaus et al., 2016). Daarbij dient ook aandacht te gaan naar de ingebouwde begeleiding. Dat zou de participatie aan e‐leren ten goede komen, vooral voor kwetsbare groepen zoals laaggeschoolden, wat op zijn beurt een stimulans kan zijn voor het uitbreiden van het opleidingsaanbod via e‐leren.
6
4. 5.
Conclusies en beleidsimplicaties (vervolg)
Daarnaast is het ook aangewezen om afspraken te maken over de technische keuzes die inherent verbonden zijn aan e‐leren, zoals de te hanteren technische standaarden en het Learning Management Systeem. Dergelijke keuzes hebben immers verstrekkende gevolgen omdat ze bepalen wat mogelijk is via e‐leren, en dit niet alleen vanuit technisch, maar ook vanuit pedagogisch/didactisch perspectief. Bovendien zou een gecoördineerde aanpak ervoor zorgen dat de uitwisseling van materiaal gefaciliteerd wordt, wat samenwerking tussen aanbieders kan stimuleren. Tot slot is het ook aangewezen dat het aanbod in kaart gebracht wordt, dat de deelname aan e‐leren zichtbaar wordt, en – via de beschikbare technologie – ook systematisch gemonitord wordt. Voor onderwijsinstellingen zo dat analoog kunnen gebeuren aan de monitoring die van STEM en duaal leren. Ondernemingen zouden deelname aan e‐leren van hun werknemers moeten kunnen registreren in de sociale balans . Zo kan niet alleen het bereik van e‐leren belangrijke beleidsinformatie opleveren, maar ook gegevens over het profiel van cursisten die een opleiding via e‐leren starten, die bijkomende begeleiding nodig hebben, of die de opleiding vroegtijdig stopzetten. In dit opzicht wezen we in bovenstaande paragrafen reeds op het belang van een expertisecentrum als kennispartner voor aanbieders, een platform voor aanbieders met online leermateriaal, en een platform voor cursisten dat een overzicht biedt van het aanbod aan e‐leren. Het is mogelijk – en zelfs wenselijk – dat deze drie aspecten gezamenlijk beheerd worden, bijvoorbeeld door een regisseur ‘levenslang leren’ die het overzicht bewaart, de transparantie van het aanbod aan e‐leren verhoogt en aanbieders en cursisten wegwijs maakt in het landschap.
Volledige referentie van onderzoeksrapport(en) of paper(s) en andere sleutelpublicaties van het hier samengevatte onderzoek Blieck, Y. & Pynoo, B. (2018) . Strategisch kiezen voor blended leren op instellingsniveau: succesfactoren en een kwaliteitszorgmethodiek waarin data‐gebaseerd werken centraal staat. In: Bram Pynoo, Chang Zhu, Bram De Wever & Jo Tondeur (Red.) “Aan de slag met blended leren in het volwassenenonderwijs”, p. 151‐178. Gent: Nevelland vzw European Commission (2013). Adult Learners in Digital Learning Environments (EAC‐2013‐0563). Final Report OECD (2019), OECD Skills Strategy Flanders: Assessment and Recommendations, OECD Skills Studies, OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/9789264309791‐en. Witthaus, G., dos Santos, A.I., Childs, M., Tannhäuser, A., Conole, G., Nkuyubwatsi, B. & Punie, Y. (2016). Validation of non‐formal MOOC‐based learning: an analysis of assessment and recognition practices in Europe (OpenCred). EUR 27660 EN; doi:10.2791/809371
7