Skip to main content

d_Samenvatting.pdf

Page 1

Samenvatting

Samenvatting ECKHART KUIJKEN, DICK VAN STRAATEN & KRIS DECLEER

Deel 1 Beschrijving en evaluatie van de natuur in Vlaanderen Het eerste deel geeft een bespreking van de actuele toestand van 'natuur' in Vlaanderen, behandeld op twee niveaus: groepen organismen (planten en dieren) en biotopen (een gebied met geringe oppervlakte gekenmerkt door de levensgemeenschap die er voorkomt in relatie met abiotische omgevingskenmerken (bodemgesteldheid, voedselrijkdom,…); waar mogelijk gebeurt een vergelijking met de toestand in het verleden. De bespreking van de organismegroepen (verder taxonomische groepen genoemd) verloopt volgens een vast stramien: de beschrijving van de huidige toestand en de veranderingen steunen op verspreidigingsgegevens waarna de soorten worden ingedeeld in zeldzaamheidscategorieën en Rode-Lijstcategorieën.Voor enkele groepen organismen zijn gegevens beschikbaar over hun vroegere spreiding wat toelaat de huidige toestand te vergelijken met het verleden en veranderingen in de grootte van het verspreidingsgebied te kwantificeren. De status van soorten wordt weergegeven in Rode-Lijstsoorten en geïnterpreteerd op het niveau Vlaanderen en per "ecoregio". Ecoregio's zijn geografisch afgelijnde gebieden op basis van geo(morfo)logische en landschappelijke karakteristieken en zijn relatief homogeen wat betreft abiotische kenmerken. De in dit rapport gedefinieerde ecoregio's verzamelen enkele ecodistricten waardoor ze goed te vergelijken zijn met deze van de traditionele landschappen. Het voorkomen van Rode-Lijstsoorten wordt per ecoregio besproken. A. Biotopen De bespreking van het voorkomen van biotopen in Vlaanderen steunt op de biotopen-typologie (de zgn. karteringseenheden) die gebruikt wordt in de Biologische waarderingskaart (afgekort als BWK), een gebiedsdekkend document waarbij aan de hand van vooraf gedefinieerde karteringseenheden, de aanwezigheid van biotopen in kaart werd gebracht op schaal 1/25.000. Deze ruimtelijke databank maakt het mogelijk een statistiek op te bouwen van het voorkomen van biotopen in Vlaanderen. Voor een beperkt deel van Vlaanderen bestaan twee versies van de BWK (veldopname 1978-1996 en veldopname 1997) waardoor recente veranderingen in de ingenomen oppervlakte bij benadering kunnen geschat worden. Hierdoor kunnen tendensen in de evolutie van de betreffende biotopen tijdens het afgelopen decennium weergegeven worden. De actuele oppervlakte ingenomen door de onderscheiden biotopen in Vlaanderen is samengevat in tabel (i). Op basis van deze actuele oppervlakte kunnen de biotopen in zeldzaamheidscategorieën ingedeeld worden. Hierbij worden 6 zeldzaamheidsklassen gehanteerd: (1) nagenoeg of geheel verdwenen; (2) uiterst zeldzaam; (3) zeer zeldzaam; (4) zeldzaam; (5) vrij zeldzaam en (6) minder algemeen. In wat volgt wordt dit per biotooptype behandeld. Heiden en vennen behoren tot de zeer zeldzame biotopen in Vlaanderen en worden vooral aangetroffen in de Kempen. De 'natte heiden met hoogveenelementen' en 'hoogvenen' komen nog nauwelijks voor. Meer dan de helft van de heiden en vennen zouden het laatste decennium verdwenen zijn vnl. door het achterwege blijven van beheer (o.a. verbossing) of door bosaanplant. Natte heiden en hoogvenen en vooral oligotrofe waters (vennen) vormen een groep met een hoog aandeel bedreigde plantensoorten (tot 10 % uitgestorven en tot 60 % bedreigd). Daarnaast zijn heel wat Rode-Lijstsoorten libellen, dagvlinders en spinnen kenmerken voor heiden en vennen, hoogvenen en oligotrofe waters. Moerassen in ruime betekenis nemen slechts 0,5-1,1 % in van de totale oppervlakte van Vlaanderen (tabel (i)), waarvan het grootste deel bestaat uit rietland, natte ruigten en elzenbos. De meeste andere moerastypen zijn 'nagenoeg verdwenen'. Moerassen worden verspreid over heel Vlaanderen aangetroffen, en zijn vooral gebonden aan valleien van rivieren en beken. Het areaal is zeer versnipperd. Zeer veel Rode-Lijstplantensoorten behoren tot de groep van de 'grote zeggevegetaties' en 'drijftillen', ' zuur en alkalisch laagveen'.Vooral deze laatste biotopen-groep bevat een zeer groot aantal soorten die nagenoeg zijn uitgestorven in Vlaanderen. De helft van de libellen van de Rode Lijst zijn kenmerkend voor moerassen en matig voedselrijke plassen (5 soorten zijn reeds uitgestorven). Broekbossen en bronbossen nemen een aparte plaats in (slechts 1730-3600 ha) en hun verspreiding is bijzonder gefragmenteerd, vnl. in de valleigebieden van de Kempen en het westelijk deel van de Leemstreek (bronbossen). Voedselrijke waters blijven zeer tot uiterst zeldzame biotopen die weliswaar over heel Vlaanderen verspreid aangetroffen worden. De oppervlakte slikken, schorren en brakke plassen bedraagt 1130-1580 ha en zilte graslanden 2100 ha. Deze biotopen zijn uiterst zeldzaam of nagenoeg verdwenen en bevatten veel bedreigde soorten planten (24 % van de karakteristieke soorten is reeds uitgestorven, 39 % is bedreigd). Ze komen vooral voor langs de kust, in de polders en langs de Beneden-Schelde. Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

IX


Samenvatting De biotopen-groep ‘historisch permanente graslanden’ omvat halfnatuurlijke graslanden, soortenrijke permanente graslanden en graslanden met verspreide natuurwaarden. - Halfnatuurlijke graslanden nemen amper 0,3-0,6 % van de oppervlakte van Vlaanderen in. Hiervan zijn de kalkgraslanden en kalkrijke duingraslanden nagenoeg verdwenen. Ze bevatten zeer veel Rode-Lijstsoorten in alle taxonomische groepen. Blauwgraslanden (‘onbemest, vochtig pijpestrootjesgrasland’) behoren tot de meest unieke biotopen in Vlaanderen en bedekken amper 0,01-0,02 % ; ze herbergen bijna 60 % bedreigde Rode Lijst-soorten en 10 tot 20 % van de soorten zijn reeds uitgestorven. De verspreiding van blauwgraslanden is beperkt tot enkele kleine percelen in de Kempen, ten noorden van de Leemstreek en de Vlaamse zand- en zandleemstreek. Mesofiele hooilanden en vochtige, licht bemeste graslanden komen iets meer voor (0,2-0,4 % van Vlaanderen), maar zijn zeer sterk gefragmenteerd en geconcentreerd in de valleien van rivieren en beken. De oppervlakte van deze biotopen is sterk achteruit gegaan door toenemende bemesting en verdroging. - De totale oppervlakte soortenrijk permanent grasland (d.i. met relicten van halfnatuurlijk grasland) kan momenteel moeilijk worden ingeschat. Tot deze categorie worden ook de biologisch zeer waardevolle zilte graslanden gerekend, die in Vlaanderen beperkt zijn tot de polders en slechts een zeer beperkte oppervlakte in beslag nemen (ca. 0,1 %). - De totale oppervlakte grasland met verspreide biologische waarde kan eveneens moeilijk worden ingeschat. Weilandcomplexen met veel sloten en/of microreliëf zijn vrij zeldzaam (0,9-1,3% van Vlaanderen). Vele van deze graslanden en soortenarme permanente cultuurgraslanden zijn van groot belang voor diverse fauna-elementen, zoals water- en weidevogels. De meest interessante typen van struwelen (Brem- en Gaspeldoornstruwelen, doornstruwelen en struwelen op kalkhoudende bodem) zijn nagenoeg verdwenen of uiterst zeldzaam (590-990 ha) en 70 % van de kenmerkende plantensoorten zijn bedreigd of uitgestorven. Tot de mesofiele bossen worden alle loofbostypes gerekend die voorkomen op relatief droge bodem; ze bedekken 1,7-2,8 % van Vlaanderen. Deze biotopen behoren tot de zeer tot uiterst zeldzame of nagenoeg verdwenen categorie, behalve de ‘zure eiken- en beukenbossen’ en eiken-berkenbossen’ die algemener zijn. Mesofiele bossen worden overal in Vlaanderen aangetroffen met uitzondering van de duinen en polders. Bedreigde plantensoorten kenmerkend voor deze biotopen zijn voornamelijk te vinden in grotere boscomplexen van de Leemstreek zoals het Zoniënwoud, het Meerdaalwoud en de Voerstreek.Vooral bij de dagvlinders zijn de helft van de Rode-Lijstsoorten kenmerkend voor mesofiele bossen en 8 soorten ervan zijn reeds uitgestorven. Waterlopen (beken, rivieren en kunstmatig aangelegde waterlopen zoals kanalen en poldergrachten) en hun valleigebieden zijn de laagst gelegen lijnvormige elementen in het landschap. Ze herbergen niet enkel een karakteristieke fauna en flora, maar vormen bovendien belangrijke migratieroutes voor heel wat soorten. Waterlopen op zich werden niet opgenomen als biotopen in de Biologische waarderingskaart, maar een systematisch onderzoek aan de UIA heeft geleid tot een ecologische typologie en een waardering van de ecologische kwaliteit. Naast de BWK vormt deze gegevenslaag belangrijke basisinformatie voor biotoopbeschrijvingen in Vlaanderen. De ecologische waardering steunt op de biologische waterkwaliteit en de fysische structuurkenmerken van de waterlopen. Het percentage waterlooptypen met een goede waterkwaliteit in combinatie met waardevolle structuurkenmerken is voor alle waterlooptypen zeer klein. In de zandleem- en leemstreek zijn de waardevolle beektrajecten meestal beperkt tot de geïnventariseerde bronbeken. Ze vertegenwoordigen samen echter slechts 1 % van de waterlopen in Vlaanderen, waarvan 20 % als ecologisch zeer waardevol kan beschouwd worden. De meeste van deze waardevolle beken ontspringen in een bronbosgebied wat een hogere garantie geeft voor bescherming. Buiten het bronbosgebied daalt de kwaliteit meestal zeer snel. De kleine beken in de Kempen scoren gemiddeld iets beter dan deze in de zandleem- en de leemstreek. Bij de kunstmatige waterlopen en nog sterker bij de getijrivieren wordt de ecologische kwaliteit vooral naar beneden getrokken door de meestal slechte waterkwaliteit.

Instituut voor Natuurbehoud X

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


Samenvatting Tabel (i): Oppervlakte van biotopen in Vlaanderen, gegroepeerd in hoofdeenheden. Aangezien in de gekarteerde percelen dikwijls meer dan één biotoop aangeduid werd, is in de tabel een minimum (‘zuiver’) en maximum (in complexen met andere biotopen) weergegeven. Oppervlakte Hoofdeenheid biotopen

minimum (ha)

maximum (ha)

minimum (%) maximum (%)

Heiden en vennen (inclusief hoogvenen)

9800

18900

0,72

1,4

Moerassen (incl. moerasbos en moerasstruweel)

5800

15400

0,42

1,1

Waterrijke gebieden (stilstaande wateren en schorren/slikken)

8925

11985

0,65

0,88

Duinvegetaties

1440

2940

0,11

0,22

29050

42630

2,1

3,1

• Halfnatuurlijke graslanden

4640

8870

0,34

0,65

• Soortenrijke grslanden

9270

11450

0,68

0,84

15140

22310

1,15

1,51

Ruigten

3750

6610

0,27

0,49

Struwelen

5710

11200

0,19

0,39

22550

56410

1,7

2,8

Historisch permanente graslanden, waarvan:

• Graslanden met verspreide biologiche waarde

Mesofiele bossen

B. Dieren en planten De bespreking van het voorkomen van planten- en diersoorten vormt het tweede luik van dit eerste deel van het natuurrapport 1999. De onderscheiden taxonomische groepen worden in eenzelfde stramien behandeld: een bespreking van het aantal soorten en de Rode-Lijstsoorten uitgesplitst per ecoregio (huidige toestand en veranderingen of trends) en op niveau Vlaanderen.Tabel (ii) geeft een samenvatting van het aantal soorten en Rode-Lijstsoorten in Vlaanderen weer, uitgesplitst per besproken taxonomische groep. Gebieden waar concentraties aan Rode-Lijstsoorten voorkomen worden aangeduid als ‘hot spots’. Zoogdieren In Vlaanderen worden 69 soorten zoogdieren waargenomen waarvan 60 als inheems worden beschouwd, 7 als uitheems en 2 als verwilderd. Nagenoeg de helft van de soorten behoort tot de Rode Lijst (voornamelijk vleermuis-soorten). Naast heel wat vleermuissoorten is de Hamster met uitsterven bedreigd en de verspreiding ervan is beperkt tot 3 regio’s (Zuid-Limburg, omgeving Tienen en ten zuiden van Leuven). De bedreigde Waterspitsmuis komt vooral nog voor in de Polders en de Das is beperkt tot de oostelijke Kempen. Broedvogels Van de vogelsoorten die in Vlaanderen broeden behoort een kwart tot de Rode Lijst en zijn in de laatste eeuw 4 soorten uitgestorven. Nog eens vier soorten komen in Vlaanderen recent niet meer tot broeden. Uit de waarnemingen blijkt een drastische achteruitgang van veel riet- en moerasvogels (zoals Roerdomp,Woudaapje, Snor en Grote Karekiet), grotendeels als gevolg van het verdwijnen van moerasbiotopen. Maar ook soorten van drogere habitats gaan sterk achteruit (zoals Tapuit, Korhoen, Kuifleeuwerik, e.a.); de Duinpieper bijvoorbeeld is als broedvogel volledig uit Vlaanderen verdwenen. Als illustratie wordt in dit eerste natuurrapport de evolutie van het aantal broedparen van vier zeer bedreigde broedvogels toegelicht: Woudaapje (5 broedparen, moerasgebied),Tapuit (30-35 broedparen, droge gronden), Paapje (20-25 broedparen, extensieve hooilanden) en de Grauwe Klauwier (enkele broedparen). Trekvogels en overwinterende vogels Vlaanderen vertoont voor heel wat vogelsoorten een belangrijke functie als overwinteringsgebied of tijdelijke stopplaats tijdens de trekperioden. De aanwezigheid van voedsel en rust zijn hierbij bepalende factoren, naast de klimatologische omstandigheden, de belangrijkste reden van vogeltrek. In het bijzonder overwinterende en trekkende watervogels worden sinds 1967

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

XI


Samenvatting nauwgezet gevolgd in talrijke telgebieden, momenteel 450. Er zijn 67 soorten vogels die in Vlaanderen als ‘wintergasten’ en/of ‘doortrekker’ worden beschouwd. Zeventien daarvan verblijven regelmatig met minstens 1 % van de Noordwest Europese populatie in Vlaanderen. De aantallen van deze soorten werden systematisch opgevolgd sinds 1993. Hieruit blijkt dat het aantal overwinterende watervogels in de laatste decennia sterk is toegenomen (140.000 begin 1990 tot 300.000 in 1997). Weersomstandigheden spelen hierbij een belangrijke rol, maar ook andere factoren kunnen hierin een rol spelen zoals een verbetering van de waterkwaliteit van waterlopen (zoals kanalen, de Zeeschelde), waardoor het voedselaanbod sterk toeneemt. Het aantal (overwinterende) watervogels is duidelijk het grootst in de Polderregio, gevolgd door de Vlaamse zand- en zandleemstreek en de Schelde.Vlaanderen heeft een grote internationale betekenis m.b.t. de overwinteringsfunctie van watervogels. Van zeven soorten werd in Vlaanderen tot meer dan 5 % van de volledige Noordwest Europese populatie geteld; de Vlaamse kustpolders herbergen elke winter tot meer dan 50 % van de volledige Spitsbergen-populatie van de Kleine rietgans. Uit tellingen blijkt ook dat deze internationale betekenis toeneemt. Dit eerste natuurrapport geeft een overzicht van de belangrijkste watervogel-gebieden. Amfibieën en reptielen In Vlaanderen komen 14 soorten amfibieën en 5 soorten reptielen voor (inheemse soorten). Bijna de helft behoort tot de Rode Lijst. De Kempen en de Leemstreek zijn voor het totaal aantal soorten en het aantal Rode-Lijstsoorten de belangrijkste ecoregio’s. In heel Vlaanderen zijn er weinig gebieden met opvallende concentraties van Rode-Lijstsoorten ("hot spots") en de verspreiding is vooral het gevolg van verschillen in habitatkeuze.Vuursalamander en Vroedmeesterpad worden vrijwel uitsluitend aangetroffen in de Leemstreek, terwijl de verspreiding van Adder, Gladde slang, Knoflookpad en Boomkikker zich hoofdzakelijk beperkt tot de Kempen. Naast de wettelijke bescherming van deze diergroep, die overigens goed geregeld is, is het behoud, aangepast beheer en aanleg of herstel van specifieke leefgebieden cruciaal om een kentering te krijgen in het toenemend aantal bedreigde soorten. Zoet- en brakwatervissen en rondbekken In Vlaanderen komen 26 inheemse zoetwatervissen voor en 29 zout- en brakwatervissen. Bijna 30 % hiervan behoort tot de Rode Lijst. Uit een systematische bemonstering van een aantal beek- en riviertrajecten in twee perioden (1983-87 en 199497) blijkt dat de verbetering van de waterkwaliteit in beektrajecten zonder migratieobstructies een spectaculaire toename van het visbestand tot gevolg heeft.Toch steeg het aantal beken zonder visleven in deze periode beduidend, vooral in bovenloopstelsels. Naast diverse vervuilingsbronnen heeft verdroging en ruilverkaveling een belangrijke tol geëist voor deze teloorgang. De gedane investeringen inzake waterzuivering hebben totnogtoe als gevolg dat het percentage "uiterst en zeer zwaar vervuilde waterlopen" afneemt en de categorie "waterlopen met slechte waterkwaliteit" toeneemt. Dit is nog altijd onvoldoende voor een wezenlijke verbetering van de visstand in Vlaanderen. Rode-Lijstsoorten komen in alle ecoregio’s voor. De soortenrijkste waterlopen zijn voor het grootste deel gelegen in de Kempen (Grote en Kleine Nete, Benedenloop van de Dommel, de Abeek en de Grensmaas) en de Beneden-Zeeschelde (regio Polders). Slankpootvliegen Slankpootvliegen behoren tot een vrij onbekende taxonomische groep, maar blijken goede bio-indicatoren te zijn voor terrestrische, maar vochtige habitats. In Vlaanderen komen 260 soorten voor waarvan 8 % is uitgestorven, 15 % bedreigd wordt en iets meer dan één derde zeldzaam is. Het grootste aantal wordt waargenomen in de Vlaamse Zand- en Zandleemstreek. Het aantal Rode-Lijstsoorten is evenwel het grootst in de duinen en de polders (voornamelijk slikken en schorren). Dagvlinders In Vlaanderen komen 64 inheemse dagvlinders voor, waarvan reeds een kwart is uitgestorven, één derde in mindere of meerdere mate bedreigd is en 5 % zeldzaam is. De afname van het aantal soorten is duidelijk sterker vanaf 1950.Vooral de Kempen en de Leemstreek zijn soortenrijk; de meeste Rode-Lijstsoorten komen voor in de Kempen. Andere ‘hot spots’ zijn gesitueerd in de Duinen, op enkele kleine heideterreinen in West en Oost Vlaanderen, in de Dijlevallei en op kalkgraslanden en kalkrijke bermen in Zuidoost-Limburg. Zandloopkevers en loopkevers Zandloopkevers en loopkevers behoren, samen met de dagvlinders en libellen, tot de best onderzochte insecten zowel wat betreft hun verspreiding als hun ecologie. In Vlaanderen worden 352 inheemse soorten loopkevers waargenomen waarvan meer dan een kwart behoort tot de Rode Lijst. De meeste Rode-Lijstsoorten komen voor in de Kempen (voornamelijk heidesoorten) en in de Leemstreek. Meer dan 40 % van de Rode-Lijstsoorten zijn kenmerkend voor droge graslanden en habitats op droge zandgrond.

Instituut voor Natuurbehoud XII

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


Samenvatting Libellen In Vlaanderen is 16 % van de oorspronkelijke, inheemse libellenfauna (58 soorten) uitgestorven, 34 % is in mindere of meerdere mate bedreigd en 10 % is zeldzaam. Opvallend is dat vooral de Kempen alle Rode-Lijstsoorten herbergt; deze soorten zijn voornamelijk gebonden aan vennen en matig voedselrijke plassen en aan talrijke waterlopen die gekenmerkt worden door een goede waterkwaliteit en goede structuurkenmerken. Spinnen De Rode Lijst van spinnen in Vlaanderen vermeldt 592 inheemse soorten waarvan de helft behoort tot de RodeLijstsoorten of zeldzame soorten. Ook voor deze diergroep herbergt de Kempen een groot aantal Rode-Lijstsoorten (vooral zandgronden), voornamelijk Midden en Noord-Limburg en de Antwerpse Noorderkempen. Ook in enkele duingebieden komen belangrijke "hot spots" voor. Hoge aantallen Rode-Lijstsoorten komen eveneens voor op de Antwerpse linkeroever (opgespoten zandgronden), het Oost-Vlaamse krekengebied, de Gulke Putten (Wingene) in de Zand- en Zandleemstreek en het Walen- en Zoniënbos in de Leemstreek. Hogere planten In Vlaanderen werden ooit 1.279 soorten hogere planten waargenomen die behoren tot de ‘wilde flora’, waarvan er 1.011 als inheems en 175 als "ingeburgerd" beschouwd worden. Ongeveer 6 % van de soorten is uitgestorven, een kwart is min of meer bedreigd en 15 % is zeldzaam. Plaatsen waar grote aantallen Rode-Lijstsoorten gevonden worden zijn de duinen (vnl. de Westkust), het Turnhouts vennengebied, de omgeving van Mol-Postel, de regio ten noorden van Neerpelt, de omgeving van Herselt, de vallei van de Zwarte beek, het vijvergebied van Midden-Limburg, het Torfbroek te Berg, de omgeving van Kanne, de St. Pietersberg en de Voerstreek. Ook verstedelijkte gebieden van Antwerpen en Gent herbergen een groot aantal Rode-Lijstsoorten. Dit natuurrapport geeft eveneens een overzicht van de ecologische groepen en de mate waarin ze bedreigde soorten bevatten. Hieruit blijkt o.a. dat soorten die vroeger algemener waren door veranderende milieuomstandigheden nu veel zeldzamer zijn. Gerichte beschermingsmaatregelen kunnen vooral bij deze ecologische groepen een belangrijk positief effect hebben. Mossen De verspreidingsgegevens van mossen werden nog niet systematisch verwerkt naar een Rode Lijst voor Vlaanderen. Een kwart van de 502 soorten mossen in Vlaanderen is in meerdere of mindere mate bedreigd en nog een kwart is zeldzaam, 7 % is uitgestorven. Korstmossen In Vlaanderen is iets meer dan 10 % van de korstmossen uitgestorven en ongeveer de helft is uiterst tot zeer zeldzaam (en kunnen beschouwd worden als Rode-Lijstsoorten). Vooral epifytische soorten zijn zeer sterk achteruitgegaan wat te maken heeft met de toenemende luchtvervuiling. Het is duidelijk dat de natuur in Vlaanderen in kwaliteit en waarde gestaag afneemt; de belangrijkste oorzaken zijn het verdwijnen van leefgebied van levensgemeenschappen of individuele soorten en een sterke achteruitgang van de omgevingskwaliteit. Eutrofiëring, verdroging, versnippering, verzuring e.d., welgekend onder de term milieuthema’s, zijn naast biotoopverlies de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van natuur. Dit eerste natuurrapport geeft een overzicht en analyse van de beschikbare kennis in Vlaanderen van biotopen en soorten, gegroepeerd in taxonomische groepen. De oorzaken van veranderingen, de reden van bedreigingen en conclusies omtrent oorzaak-gevolg-relaties worden enkel aangehaald indien gekend, maar moeten in veel gevallen verder onderzocht worden. Dit vergt een gerichte analyse van bestaande informatie en het opzetten van toekomstige monitoringsprojecten en wetenschappelijk onderzoek. In de volgende natuurrapporten, die in principe tweejaarlijks zullen gepubliceerd worden, zal dieper ingegaan worden op de oorzaken van de veranderingen van natuur in Vlaanderen, dikwijls in negatieve zin, maar evengoed zullen ‘succesverhalen’ aan bod komen, die het resultaat zijn van diverse beheermaatregelen en initiatieven inzake natuurontwikkeling. Een volledige naamlijst van alle Rode-Lijstsoorten wordt in Bijlage toegevoegd.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

XIII


Samenvatting

aantal RodeLijstsoorten

TOTAAL

7

6

5

1

30

29

60

Broedvogels

4

19

9

16

17

84

48

163

AmfibieĂŤn en reptielen

2

2

2

2

6

5

8

19

Vissen (zoet en brak) en rondbekken

11

2

-

1

22

-

14

55

Slankpootvliegen

22

10

14

16

86

73

62

260

Dagvlinders

16

8

6

7

3

23

37

64

Loopkevers

32

20

21

25

91

144

98

352

Libellen

9

6

9

5

6

21

29

58

Spinnen

5

52

83

58

58

286

198

592

Hogere planten

81

105

161

59

191

682

406

1279

Mossen (blad- en levermossen)

33

39

87

Korstmossen

50

170

niet bedreigd

11

zeldzaam

kwetsbaar

Zoogdieren

Taxonomische groep

uitgestorven

bedreigd

met uitsterven bedreigd

Tabel (ii): Aantal Rode-Lijstsoorten van de behandelde organisme-groepen in Vlaanderen (situatie 1999).

249 59

502 (220)

Instituut voor Natuurbehoud XIV

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

308


Samenvatting

Deel 2 Evaluatie van het gebiedsgericht natuurbeleid in Vlaanderen Dit tweede deel geeft op overzichtelijke wijze de cijfers inzake de beschermingstoestand van de natuur via de diverse beschikbare instrumenten, met nadruk op de mogelijkheden en knelpunten bij de invulling van het Natuurdecreet en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. De internationale status van natuurgebieden in Vlaanderen Vijf internationale wettelijke instrumenten zijn van wezenlijke betekenis voor het gebiedsgericht natuurbeleid in Vlaanderen: de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (resp. 1979 en 1992), de Conventies van Ramsar (1971) en Bern (1979) en de Beneluxovereenkomst op gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming (1982). Ook de Conventie van Bonn (1979) en het Verdrag inzake Biodiversiteit (1992) zijn door ons land onderschreven, maar komen in dit eerste Natuurrapport nog niet aan bod. Op de doelstellingen en juridische achtergronden van elk van deze instrumenten wordt dieper ingegaan. De relevantie en toegevoegde waarde van de verschillende instrumenten wordt kritisch onderzocht. In het kader van de Vogelrichtlijn werden in 1988 door de Vlaamse Regering 23 Vogelrichtlijngebieden afgebakend. Uit een analyse van de populaties van broedvogels van Bijlage I van de Richtlijn in Vlaanderen blijkt dat de 23 gebieden niet de verwachte beschermingsgaranties bieden. Belangrijke knelpunten zijn vooral het gebrek aan een globaal handhavingsbeleid en aan specifieke beschermingsmaatregelen. De onvoldoende habitatbescherming en het twijfelachtig statuut van de niet-integraal beschermde gebieden binnen ruime perimeters (vogels zijn nu eenmaal mobiel) zijn nauwelijks door planologische aanpassingen opgevangen (zie verder).Voor sommige Bijlage I-soorten ontbreken ondertussen belangrijke gebieden (de afbakeningen werden in 1979 voorbereid!). Teneinde de EG te voorzien van gevraagde rapportering dienen ook de huidige monitoringsprogramma's gevoelig uitgebreid.Tot slot is er de onvoldoende publieke bekendheid van de vogelrichtlijngebieden. In het kader van de Habitatrichtlijn werden in 1996 door de Vlaamse Regering 40 gebieden of gebiedscomplexen aangemeld. Deze werden afgebakend op basis van 44 habitattypes en 20 soorten, van belang of kwetsbaar op Europees niveau en opgenomen in de Richtlijn-annexen. Eén van de problemen bij deze Richtlijn is de sterke vertraging van de procedure voor het aanduiden van de gebieden door de Europese overheden. Een belangrijk knelpunt op niveau Vlaanderen is vooral de grote versnippering van de voorgestelde gebieden (complexen), die een afdoende duurzame, bescherming in de weg kan staan. Op termijn dienen zowel Vogelrichtlijn- als Habitatrichtlijngebieden samengevoegd te worden tot het Europese NATURA 2000 netwerk. Belangrijke verworvenheid van de Habitatrichtlijn is dat bij eventuele gebiedsinname door andere dan natuurbehoudsontwikkelingen vooraf een strenge compensatieprocedure dient doorlopen te worden. Deze bepaling werd ook voor de Vogelrichtlijn bindend gemaakt. In het kader van de Ramsar-Conventie, betreffende waterrijke gebieden van internationale betekenis, werden in 1984 door België 4 Ramsar-gebieden in Vlaanderen afgebakend. Volgende knelpunten en aanbevelingen kunnen geformuleerd worden: er wordt onvoldoende gestreefd naar een duurzaam gebruik en behoud van alle waterrijke gebieden en het ontbreekt bij deze aanduiding eveneens aan meer effectieve beschermende maatregelen. Naast de vier reeds aangeduide gebieden dienen ook de overige "wetlands" die voldoen aan de Ramsar-criteria dringend onder deze Conventie te worden geplaatst: een tiental zones zijn reeds door de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud voorgesteld. Daar een aantal van hogervernoemde gebieden van internationale betekenis een typische verweving met landbouwgebruik kennen (b.v. polders en valleien, water- en weidevogelgebieden, zilte graslanden) dringt een aangepaste planologische vertaling en functionele voorschriftenregeling zich op. Ondertussen heeft het morele gezag van deze internationale waarden wel een belangrijke strategische betekenis gekregen. Alhoewel de Conventie van Bern al in 1989 door ons land werd goedgekeurd, is in de praktijk van het Vlaamse natuurbeleid nooit of nauwelijks aandacht besteed aan haar potentiële ‘kapstokfunctie’ voor specifieke soort- of gebiedsgerichte beschermingsmaatregelen. Ook de Benelux-overeenkomst (in 1982 door België ondertekend) is onvoldoende geïmplementeerd, met uitzondering van de vergevorderde realisatie van het Grenspark Zoom-Kalmthoutse heide en het Grenspark Stamprooierbroek. Mogelijke toepassingen van bepalingen uit de Bonn-Conventie (in 1990 door België goedgekeurd) betreffende migrerende diersoorten kunnen hetzij rechtstreeks, hetzij via gerelateerde verdragen (vb. inzake vleermuizen, trekkende watervogels) uitgewerkt worden. De Biodiversiteitsconventie (in 1996 door Vlaanderen goedgekeurd) tenslotte kan eveneens bijdragen tot een betere opvolging en rapportering van knelpunten inzake actieplannen voor het behoud van de biologische diversiteit op diverse niveaus.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

XV


Samenvatting Het Duinendecreet : onze kustduinen beschermd ? Aanvullend op de ‘groene’ gewestplanbestemmingen werd het Duinendecreet van 1995 gestemd om de resterende, ecologisch (zeer) waardevolle duinzones van onze kust definitief te vrijwaren van bebouwing. 336 ha ‘beschermd duingebied’ en 769 ha ‘voor het duingebied belangrijk landbouwgebied’ werden afgebakend. Een duurzaam behoud en een verdere ontwikkeling van de natuurwaarden langs de Vlaamse kust vergt de uitbouw van een ecologisch samenhangende ‘natuurlijke structuur’. Daartoe zal nog een bijkomende afbakening van ongeveer 550 ha natuurgebied, gelegen langsheen de duin-polderovergang, noodzakelijk zijn. Anderzijds kent ruim driekwart van de Vlaamse duinen actueel geen adequaat beheer in functie van natuurbehoud. Daarom wordt aangedrongen op een verdere systematische uitvoering van het verwervingsplan voor de kust en het voeren of stimuleren van een beheer in overeenstemming met de richtlijnen van de Ecosysteemvisie Vlaamse kust, opgesteld in 1998. De gewestplannen: planologische hoeksteen voor een duurzame natuur in Vlaanderen? Uitgaande van de vaststelling dat de natuur in Vlaanderen nog op tal van plaatsen aanwezig is in herkenbare eenheden, dan wel versnipperde fragmenten van eens samenhangende complexen, is het de vraag in hoeverre de klassieke ruimtelijke ordening via de Stedenbouwwet van 1962 (later gecoördineerd in het Decreet van 1996) erin geslaagd is deze toestand op functioneel en kwalitatief niveau te behouden. Een van de doelstellingen is immers ‘s lands natuurschoon te bewaren. Het juridisch kader dat geboden werd en wordt heeft zowel betrekking op het toekennen van de voor natuurbehoud gepaste bestemmingen als de daarbinnen geldende algemene en bijzondere voorschriften. Een tweede luik bestaat uit het regelen van diverse (bouw)vergunningen, die ingrepen in sommige elementen van het natuurlijk milieu aan een voorafgaande vergunning onderwerpen (zoals reliëfwijziging, ontbossing, wijzigen van bepaalde vegetaties e.d.). Uit de analyses van dit hoofdstuk is duidelijk gebleken dat het bestemmen van ca. 157.000 ha als reservaat-, natuur- en bosgebied op een positieve, maar nog onvoldoende wijze heeft bijgedragen tot een duurzame én kwalitatief hoogwaardige natuur. Knelpunten daarbij zijn tekortkomingen bij de bestemmingsafbakeningen (in de jaren zeventig waren onvoldoende gebiedsdekkende inventarisatiegegevens voor Vlaanderen ter beschikking en had natuurbehoud nog niet het draagvlak van vandaag). Ook de interpretatie en toepassing van stedenbouwkundige voorschriften bleef te ondoorzichtig en te weinig gestroomlijnd. Over de gewestplangrenzen heen waren heel wat beslissingen sterk verschillend voor nochtans een zelfde type van natuurlijk milieu. Bovendien ontbrak in belangrijke mate de mogelijkheid om verweving van natuur met andere vormen van grondgebruik in te bouwen. Het kwantitatief overzicht van groene bestemmingen (aangevuld met de agrarische gebieden met ecologisch belang) toont aan dat de natuur in ca. 20 % van de open ruimte in Vlaanderen planologische bescherming geniet. Een onderzoek naar de verschillende vormen van grondgebruik binnen deze zones is onthullend, zeker wanneer dit wordt geplaatst in een tijdsperspectief. Zo kent 18,2 % van de natuur- reservaat- en bosgebieden en 61,2 % van de agrarische gebieden met ecologisch belang (nochtans speciaal afgebakend met het oog op verweving van landbouw met natuur) een intensief landbouwgebruik (akker of soortenarm grasland). Hiervan zijn in 4,8 % resp. 17,8 % van de oppervlakte bepaalde natuurwaarden nog in de perceelsranden en grachten terug te vinden. In de loop van de laatste jaren werd aan de hand van steekproeven vastgesteld dat de groene bestemmingen onvoldoende garantie voor het behoud -laat staan het herstel- van natuurwaarden heeft geboden. Naast landbouw zijn met name waterwinning, recreatie, aanplantingen en bebouwing de belangrijkste storende evoluties, evenals het plaatselijk afwezig zijn van een gepast natuurgericht beheer. De tekortkomingen in de regelgeving die hieraan ten grondslag liggen worden in het rapport kort besproken. Het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van de natuur heeft ook oorzaken buiten de beschermde groengebieden zelf, via diverse naastliggende maar onverenigbare bestemmingen.Vooral ook de factor versnippering op zich blijft een voortdurende bedreiging voor de natuur, gezien het steeds minder optimaal functioneren van ecologische processen als gevolg van isolatie tussen habitatfragmenten. Driekwart van de natuurgebieden op het gewestplan zijn kleiner dan 20 ha; bijna de helft is zelfs kleiner dan 5 ha. De gemiddelde aaneengesloten groene oppervlakte bedraagt nauwelijks 35 ha en slechts een 30-tal gebieden zijn groter dan 500 ha. Naast de cijfermatige vaststelling van op kaart aangeduide groene bestemmingen volgt in dit hoofdstuk een indicatieve inschatting van de manifest ontbrekende bescherming van de biologisch waardevolle tot biologische zeer waardevolle gebieden. Uit een "GIS-overlay" van de Biologische waarderingskaart en de gewestplannen blijkt inderdaad hoe voor deze categorieën resp. 60.000* en 15.000 ha onvoldoende planologische bescherming genieten. (Het betreft in hoofdzaak soortenrijke permanente graslanden, moerasgebieden en verspreide, mee in landbouwgebied opgenomen bosfragmenten). Dit is ruim * agrarische gebieden met veel kleine landschapselementen werden buiten beschouwing gelaten.

Instituut voor Natuurbehoud XVI

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


Samenvatting één vierde van het in oppervlakte meetbare globale ‘natuurpatrimonium’ van ca. 275.000 ha in Vlaanderen. Deze cijfers relativeren onmiddellijk de betekenis van de extra aanduiding van 38.000 ha bijkomend natuur- en reservaatgebied en 10.000 ha bijkomend bosgebied die in de bindende bepalingen van het Structuurplan Vlaanderen zijn vastgesteld. Wat betreft de planologische bestemming van de internationaal aangewezen beschermingsgebieden, dit in het raam van de Ramsar-Conventie inzake waterrijke gebieden (1971), de Europese Vogelrichtlijn (1979) en de Europese Habitatrichtlijn (1992), zijn eveneens een aantal dringende signalen te geven. Deze instrumenten moeten immers ten volle toelaten de grensoverschrijdende en Europese waarden van de natuur in Vlaanderen te beschermen. Hoewel het Vlaamse Gewest een op Europees vlak behoorlijke prestatie heeft geleverd qua aangeduide oppervlakte, dient aansluitend daarop de aanpassing van de betreffende bestemmingen binnen de afbakeningsperimeters een prioritaire beleidsinvulling te zijn, zeker voor een aantal habitats in de graslandsfeer. Momenteel blijft de internationale status te zeer een moreel bijkomend gezagsargument (met uitzondering van de vergunningsplicht voor vegetatiewijziging, die hier wel geldt). Uit de voorbeelden over de prioritaire zilte habitats en de te beschermen weidevogelpopulaties, die in belangrijke mate gebonden zijn aan historisch permanente graslanden, blijkt dat voor een ruimere oppervlakte (min. 25.000 ha) de bestemming als ‘natuurgebied’ of ‘agrarisch gebied met ecologisch belang’ noodzakelijk is. Dit statuut dient tevens betere uitwerking te krijgen van strengere stedenbouwkundige voorschriften. Deze ‘geelgroene’ gewestplanwijzigingen zijn tegelijk de meest evidente invulling van de natuurverwevingsgebieden (waar ook EG-Verordening 2078/92 dient toegepast), maar dit zal tevens bijkomend moeten doorwerken in de toepassing van het MAP-decreet, de afbakening van het VEN en een strenger toezicht bij vegetatiewijzigingen. Concluderend kan gesteld worden dat groene gewestplanbestemmingen wel degelijk hebben bijgedragen tot behoud van natuurgebieden, maar dat hierdoor een achteruitgang van de natuurkwaliteit vaak niet voldoende kon worden tegengegaan. Het handhavingsbeleid buiten de groene bestemmingen en het bereiken van de basis-natuurkwaliteit ligt nog moeilijker, maar kan eveneens een belangrijke planologische ondersteuning krijgen. Tot slot worden, in het kader van de herziening van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening, aanbevelingen gedaan om het gamma stedenbouwkundige voorschriften dat betrekking heeft op natuur te hervormen en te vereenvoudigen. De verwerving van natuurgebieden door het Vlaamse Gewest en de erkende terreinbeherende verenigingen De aankoop van natuurgebieden als reservaat, gevolgd door een deskundig beheer biedt de beste garanties voor de ontwikkeling, het herstel en de duurzame instandhouding van hoogwaardige natuur. Terreinverwerving draagt ook optimaal bij tot de sociale en wetenschappelijke functies van natuur. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op het aankoopbeleid van de overheid en de erkende terreinbeherende verenigingen. Verschillende statuten van beschermd natuurgebied zijn te onderscheiden. "Vlaamse natuurreservaten" (vroeger "staatsnatuurreservaten") worden beheerd door AMINAL Afdeling Natuur.Verschillende natuurterreinen zijn in huur of eigendom van terreinbeherende verenigingen (de aankoop wordt financieel betoelaagd door het Vlaamse gewest, de provincies en bepaalde gemeenten en soms kan op Europese steun gerekend worden). Deze natuurreservaten kunnen door de Vlaamse regering als "erkend natuurreservaat" worden aangeduid, wat o.m. inhoudt dat het beheersplan goedgekeurd is en het beheer financieel wordt ondersteund. Modaliteiten zijn in het Natuurdecreet (1997) of uitvoeringsbesluiten vastgelegd. Daarnaast kunnen - in uitvoering van het Bosdecreet (1993) en uitvoeringsbesluiten- door de Vlaamse regering ook "Bosreservaten" worden aangeduid. Het zijn bosgebieden met een hoofdfunctie natuur, die tevens van belang worden geacht voor het wetenschappelijk bosbouwonderzoek. Nagenoeg alle bosreservaten worden beheerd door AMINAL Afdeling Bos en Groen. Vlaanderen telde op 1/1/98 14.976 ha natuurreservaat, waarvan 5462 ha Vlaams natuurreservaat (123 gebieden), 1374 ha Bosreservaat (24 gebieden) en 8140 ha natuurreservaat, beheerd door terreinbeherende verenigingen (462 gebieden). De gemiddelde oppervlakte van een natuurreservaat in Vlaanderen is klein en bedraagt 24,6 ha. Slechts 30 natuurreservaten zijn groter dan 100 ha, terwijl 258 gebieden of 42 % zelfs kleiner is dan 5 ha. Het totale areaal natuurreservaat vertegenwoordigt 1,1 % van Vlaanderen of 7,25 % van de groengebieden (in de brede zin) op het gewestplan. In een internationale context scoort Vlaanderen hiermee aan de lage kant : het Europese gemiddelde bedraagt 3,33 % van het landareaal en in Nederland, met een vergelijkbare bevolkingsdichtheid en levensstandaard als Vlaanderen, is 6,9 % van het landareaal als natuurreservaat beschermd. Niet minder dan 45,5 % van het areaal natuurreservaat in Vlaanderen is geen eigendom van de verantwoordelijke beheersinstantie, wat voorzorgen vergt met betrekking tot duurzaamheid. In de periode 1/1/93-1/1/98 waren de erkende terreinbeherende verenigingen verantwoordelijk voor 65 % van de aangroei van het Vlaamse areaal natuurreservaat door aankoop.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

XVII


Samenvatting In de provincies Antwerpen en vooral Limburg is niet alleen een groter deel van het grondgebied beschermd als natuurreservaat dan in de overige provincies; het blijkt dat ook een proportioneel groter aandeel van de groengebieden op het gewestplan en de biologisch (zeer) waardevolle gebieden op de Biologische Waarderingskaart in deze provincies het statuut van natuurreservaat heeft. Andere factoren dan het "aanbod natuur" (planologisch en fysisch) blijken in Vlaanderen een belangrijke rol te spelen bij de verwerving van natuurterreinen. Vermoed wordt dat vooral de grondvraag (én hieraan gerelateerd de grondprijzen) mede bepalend zijn voor de verschillen in aangroeisnelheid van het areaal natuurreservaat in de verschillende provincies. Het geplande beleid (actie 108 MINA-plan 1997-2001) voorziet in de uitbouw van 50.000 ha natuurreservaat in Vlaanderen tegen 2007. Deze doelstelling kan alleen worden gehaald indien in de periode 1999-2006 een jaarlijkse aangroei van ca. 4375 ha kan gerealiseerd worden. Uitgaande van een aangroei van 4000 ha per jaar door aankoop werd berekend dat hiervoor een jaarlijks budget van 1,67 miljard BF (ongeveer het vijfvoudige van het budget 1997) nodig is, nog vermeerderd met ca. 300 miljoen extra vastleggingskredieten voor aankopen door AMINAL Afdeling Natuur. Een geringere investeringskost is mogelijk wanneer een grotere proportie van het budget besteed wordt aan betoelaging van aankopen door erkende terreinbeherende verenigingen en/of wanneer in een groter deel van de biologisch meest waardevolle "natuurdomeinen", beheerd door AMINAL Afdeling Bos en Groen een beheer gevoerd wordt gericht op een hoofdfunctie natuur, hetzij als Bosreservaat, hetzij als Vlaams natuurreservaat. Ook andere natuurterreinen eigendom van een openbaar bestuur (b.v. Administratie Waterwegen en Zeewezen, de militaire overheid, provincies, gemeenten, parastatalen) bieden kansen voor een versnelde uitbreiding van het areaal natuurreservaat in Vlaanderen. Deze cijfers zijn in dit rapport nog niet opgenomen. AMINAL Afdeling Bos en Groen beheert ca. 21.000 ha natuurgebied in Vlaanderen (in het rapport "natuurdomeinen" genoemd), waarvan een grote meerderheid bos (zogenaamde "domeinbossen"). Actueel heeft 6,5 % of 1374 ha een statuut van Bosreservaat. In de overige terreinen, vaak met grote actuele of potentiële natuurwaarde of andere waardevolle habitats dan bos, is de natuurfunctie meestal nevengeschikt aan andere functies (b.v. bosbouw, recreatie enz.) of is het beheer meestal niet specifiek gericht op behoud en ontwikkeling van biodiversiteit of populaties van rode lijst-soorten. In West- en Oost-Vlaanderen vormen de "natuurdomeinen" slechts 6 à 7 % van het totale areaal "natuurdomein" in Vlaanderen, terwijl in de overige provincies dit percentage schommelt tussen de 27 en de 33 %. Dit is ten dele ook de weerspiegeling van de spreiding van het bosareaal in Vlaanderen. Een zekere convergentie in beheersdoelstellingen tussen AMINAL Afdeling Bos en Groen en Afdeling Natuur is de laatste jaren merkbaar. Het geplande beleid (actie 108 MINA-plan 1997-2001) voorziet in de aankoop van minimaal 10.000 ha natuur- en bosgebied tegen eind 2001. Om dit streefdoel te halen moet in de periode 1999-2001 jaarlijks gemiddeld 2345 ha aangekocht worden door AMINAL Afdeling Natuur, Afdeling Bos en Groen en de erkende terreinbeherende verenigingen. Er werd berekend dat hiervoor een jaarlijks budget van ca. 1,2 à 1,5 miljard BF nodig is. Er kan ook worden aanbevolen om de aankoopprocedures voor het Vlaamse Gewest te versoepelen. Naar een functioneel ecologisch netwerk voor Vlaanderen Dit hoofdstuk vertrekt van de principes inzake functionele landschapsecologische relaties die duidelijk maken dat een strategie voor het bereiken van samenhangende groene netwerken de duurzaamheid van het natuurlijk milieu ten goede komt. Deze benadering werd voor het eerst voorgesteld in de Richtnota betreffende het ontwerp Groene Hoofdstructuur voor Vlaanderen (1991, 1993) en dit vanuit een wetenschappelijke invalshoek. Deze taakstelling is eveneens opgenomen in de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). In het Decreet Natuurbehoud is dit basisconcept omgezet in de aanduiding van o.m. een Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN). Het is een belangrijke verworvenheid dat beide instrumenten op elkaar werden afgestemd teneinde deze noodzakelijke gebiedssamenhang in de hand te werken. Hiermee wordt tevens aansluiting verzekerd met de EU-richtlijnen (Europees NATURA 2000 netwerk) en de vanuit de Raad van Europa bepleitte pan-Europese strategie voor behoud van landschappelijke en biologische diversiteit (EECONET). Het VEN zal bestaan uit grote eenheden natuur (GEN) en grote eenheden natuur in ontwikkeling (GENO), samen 125.000 ha of 9 % van Vlaanderen (ter vergelijking : in Nederland is 20 % van de landoppervlakte in de Ecologische Hoofdstructuur opgenomen). Daarnaast voorziet het Natuurdecreet en het RSV ook in het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON) bestaande uit natuurverwevingsgebieden (150.000 ha) en natuurverbindingsgebieden. In de gebieden van het VEN en het IVON is met het Decreet Natuurbehoud en uitvoeringsbesluiten een pakket van maatregelen voorhanden om versneld invulling te geven aan de geformuleerde natuurbehoudsdoelstellingen.

Instituut voor Natuurbehoud XVIII

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


Samenvatting Door het beleid werden een reeks criteria opgesteld waaraan natuurgebieden moeten voldoen voor opname in het VEN of IVON. Er is ook geopteerd om hun oppervlakte proportioneel te verdelen over de verschillende provincies, rekeninghoudend met de hoeveelheid planologisch aangeduide natuur en de hoeveelheid gewenste natuur. Op basis hiervan en van een aantal bijkomende consideransen en criteria werden in het rapport indicatieve, taakstellende oppervlakten voor afbakening van VEN en IVON per gewestplan en per provincie doorgerekend. De doeltreffendheid van de regelgeving inzake realisatie van VEN en IVON kan nog niet aan de praktijk worden getoetst. Vanuit ecologische inzichten en algemene beschouwingen dient echter gesteld dat de geplande aanpak niet optimaal is, onder andere omdat de realisatie strikt aan de huidige, vaak versnipperde groene bestemmingen (in de brede zin) op het gewestplan is gebonden. De geplande, maar beperkte uitbreiding van het areaal natuur- en reservaatgebied met 38.000 ha en het areaal bosgebied met 10.000 ha, in uitvoering van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, kan voor een deel van de hiaten wellicht min of meer corrigerend werken, maar het maakt ook een gefaseerde aanpak onvermijdelijk. De realisatie van de groene gewestplanherzieningen verloopt momenteel trouwens moeizaam. Bovendien ontbreekt het voorlopig aan een gedetailleerde en wetenschappelijk onderbouwde "gewenste natuurlijke structuur" voor de totaliteit van Vlaanderen, zodat niet naar een bepaald concreet einddoel toe kan gewerkt worden. Opvallend is ook dat een categorie "buffergebied" ontbreekt, die nochtans van belang is om een goede milieukwaliteit in de natuurgebieden beter te kunnen garanderen.Vanuit juridische hoek wordt nog opgemerkt dat de procedure tot vaststelling van VEN en IVON erg omslachtig is en aanleiding kan geven tot ongewenste juridische verwikkelingen. In hoeverre de geplande streefdatum (2002) voor afbakening van VEN en IVON zal gehaald worden valt af te wachten. Gehoopt wordt dat het afgebakende ecologisch netwerk een voldoende samenhang en functionaliteit zal vertonen en aldus een manifeste meerwaarde zal bieden. Naar het beleid kunnen alvast dringende aanbevelingen worden gedaan om snel werk te maken van een wetenschappelijk onderbouwde "gewenste natuurlijke structuur" voor Vlaanderen die, binnen het voorziene wettelijke kader, mee sturing kan geven aan de prioritaire groene gewestplanwijzigingen en een zo optimaal mogelijke afbakening van VEN en IVON. Naar een nieuw ruimtelijk beleid met betrekking tot natuur Bij besluit van 23 september 1997 werd door de Vlaamse Regering het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) vastgesteld. Dit beleidsdocument geeft het kader aan voor de gewenste ruimtelijke structuur in Vlaanderen. Een centrale doelstelling is o.a. het maximaal behoud van de open ruimte en het creëren van ruimtelijk samenhangende, goed gestructureerde gehelen voor landbouw, bos en natuur. De overheid dient de nodige maatregelen te nemen om de bestaande plannen van aanleg (gewestplannen) in overeenstemming te brengen met het RSV. In het RSV wordt het kader voor de gewenste natuurlijke structuur aangegeven. De kwantitatieve doelstellingen van het gebiedsgericht beleid van het Decreet op het Natuurbehoud stemmen hiermee overeen. Beide voorzien in de afbakening op Vlaams niveau van een Vlaams Ecologisch Netwerk (125.000 ha) en natuurverwevingsgebieden (150.000 ha). Daarnaast is in het RSV voor het buitengebied nog de aanduiding gepland van gebieden voor bosuitbreiding (10.000 ha), naast 750.000 ha agrarisch gebied. De realisatie van de RSV-doelstellingen vereist groene gewestplanwijzigingen. Naast 10.000 ha bosgebied dient bijkomend 38.000 ha N/R-gebied afgebakend te worden. Deze 48.000 ha is het resultaat van een politiek compromis en in het rapport wordt aangetoond dat deze oppervlakte maar gedeeltelijk beantwoordt aan de reële noden voor de bescherming en ontwikkeling van een duurzame natuur in Vlaanderen. Voor een "standstill" inzake verdere natuurverarming is naar schatting een toename van ca.100.000 ha planologisch beschermde oppervlakte nodig. Daarbij dient ook gestreefd naar verweving van de natuurfunctie met andere functies (vooral landbouw). De bestemming ’agrarisch gebied met ecologisch belang’ is bij uitstek gericht op deze functieverweving. Deze bestemming wordt noch expliciet voorzien, noch onmogelijk gemaakt in het RSV. In het rapport worden, binnen het wettelijk kader van het RSV, indicatieve, taakstellende oppervlaktes per gewestplan en per provincie doorgerekend voor de afbakening van de bijkomende 38.000 ha N/R-gebied, 10.000 ha bosgebied en van agrarisch gebied met ecologisch belang. Sinds 1997 werden zes gewestplannen (± 25 % van de oppervlakte van Vlaanderen) in herziening gesteld en de resultaten ervan worden in dit rapport kritisch geanalyseerd. De oppervlakte’winst’ voor de natuur blijft hierin relatief beperkt (2655 ha N- en R-gebied en 869 ha bos). Ongeveer 50 % van de groene gewestplanwijzigingen zijn echter het gevolg van een doorschuifoperatie binnen bestaande groene en geelgroene bestemmingen (b.v. parkgebied, buffergebied, agrarisch gebied met ecologisch belang). Wijzigingen van landbouwgebied verlopen ondanks wetenschappelijke onderbouwing en zelfs internationale status van gebieden uiterst moeizaam. De goedgekeurde groene gewestplanwijzigingen zijn dan ook vaak gereduceerd tot een versnipperde versie van de ecologisch gewenste samenhangende eenheden natuur.

Instituut voor Natuurbehoud Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid

XIX


Samenvatting Bovendien verlopen de herzieningen traag, zodat de vooropgestelde oppervlaktedoelstelling van het RSV aan dit tempo pas over ruim 25 jaar zal worden gehaald. Een strikte timing is van belang omdat enerzijds de natuurwaarde van sommige gebieden snel achteruitgaat en anderzijds concrete maatregelen voor herstel en (natuur)inrichting niet kunnen starten (o.a. via opname in het Vlaams Ecologisch Netwerk). Daarenboven dient opgemerkt dat groene bestemmingen alleen (nog) geen spijkerharde garanties bieden voor het behoud van de aanwezige natuurwaarden. Met de tijdshorizont van 2002, vooropgesteld in het Natuurdecreet voor de afbakening van het Vlaams ecologisch netwerk, zou in de periode 1999-2002 jaarlijks ca. 8800 ha bijkomend N- en R-gebied planologisch moeten worden vastgesteld. Positief is anderzijds dat de bepalingen van het RSV en het Natuurdecreet bewust op elkaar zijn afgestemd, wat een wederzijdse versterking van mogelijkheden moet bieden. Wel dient nog de aanvaarding vanuit diverse maatschappelijk sectoren voor verweving van hun activiteiten met het natuurbehoud te worden gestimuleerd.

Instituut voor Natuurbehoud XX

Natuurrapport 1999. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
d_Samenvatting.pdf by Vlaanderen-be - Issuu