Skip to main content

Algemeen onderzoeksprotocol PFAS definitief vanaf 19042022.pdf

Page 1

ONDERZOEKSPROTOCOL VERKENNEND BODEMONDERZOEK NAAR PFASVERONTREINIGING DOOR FLUORHOUDEND BLUSSCHUIM EN T.H.V. PFAS-VERDACHTE RISICOLOCATIES IN WERKING VANAF 19 APRIL 2022


DOCUMENTBESCHRIJVING Titel van publicatie:

Onderzoeksprotocol verkennend bodemonderzoek naar PFASverontreiniging door fluorhoudend blusschuim en t.h.v. PFAS-verdachte risicolocaties – in werking vanaf 19 april 2022 Wettelijk Depot nummer:

Verantwoordelijke Uitgever: OVAM

Trefwoorden: brandweer, PFAS, fluorcomponenten, blusschuim, PFAS-verdachte risicolocaties

Samenvatting: Deze richtlijn omvat een onderzoeksprotocol met beoordelingskader voor een verkennend bodemonderzoek naar bodemverontreiniging met fluorhoudende componenten op enerzijds brandweerkazernes, brandweeroefenterreinen en locaties waar in het verleden zware branden met fluorhoudend schuim zijn geblust en anderzijds andere PFAS-verdachte risicolocaties Aantal bladzijden: 61

Aantal tabellen en figuren: :

Datum publicatie: 4 april 2022

Prijs: /

Begeleidingsgroep en/of auteur: Sam Fonteyne (OVAM), Birgit Van Campenhout (OVAM), Nele Bal (OVAM), Nina Peeters (OVAM), Patriek Casier (OVAM), Nick Bruneel (OVAM), Griet Van Gestel (OVAM), Karen Van Geert (Arcadis), Nele De Groof (Arcadis), Lien Heynderickx (Arcadis), Anja Vandercappellen (Arcadis)

Contactpersonen: Sam Fonteyne (OVAM), Kristel Declercq (OVAM), Birgit Van Campenhout (OVAM), Nele Bal (OVAM)

Andere titels over dit onderwerp: /

2


INHOUDSTAFEL 1 2

Doel van de richtlijn ................................................................................................................. 5 Perfluorverbindingen en hun voorkomen ............................................................................... 6

2.1

Wat zijn PFAS?

6

2.1.1 2.1.2

Geperfluoreerde verbindingen Gepolyfluoreerde verbindingen

6 6

2.2

Eigenschappen van PFAS

7

3

Risico-activiteiten ..................................................................................................................... 8

3.1 3.2

Inzet fluorhoudend blusschuim PFAS in overige activiteiten

9 12

3.2.1 3.2.2

Galvanisatie Toepassing voor water- en vuilafstotend maken

12 12

3.2.3 3.2.4

Papierindustrie Cosmetica

12 12

3.2.5 3.2.6

Huishoudelijke artikelen Foto industrie

13 13

3.2.7 3.2.8

Stortplaatsen en waterzuiveringsinstallaties Grond recyclage centra, slibverwerking en afvalverbranding

13 13

3.2.9

Samenvattend overzicht

13

4

Uitvoering onderzoek............................................................................................................. 16

4.1 4.2

Administratieve gegevens Voorstudie

16 17

4.2.1 4.2.2

Omgevingskenmerken Geologische en hydrogeologische gegevens

17 17

4.2.3 4.2.4

Historisch onderzoek - inventarisatie risico-activiteiten Terreinbezoek

18 19

4.3 4.3.1

Bemonsteringsstrategie op basis van de verontreinigingshypothese De verontreinigingshypothese opstellen

19 19

4.3.2 4.3.3

Algemene richtlijnen voor bemonstering risicolocaties met inzet fluorhoudend blusschuim Algemene richtlijnen voor bemonstering van PFAS-verdachte risicolocaties

20 23

4.3.4 4.3.5

Algemene voorwaarden Veldwerk en analyses

26 26

4.4 4.4.1

Interpretatie en evaluatie Toetsingskader

27 27

4.4.2 4.4.3

Evaluatie van de analyseresultaten 27 Methodologie duidelijke aanwijzing voor een ernstige bodemverontreiniging (DAEB) voor PFAS-verontreiniging27

4.4.4 4.4.5

Prioriteitsklasse Veiligheidsmaatregelen en voorzorgsmaatregelen

35 40

4.5 4.5.1

Beoordeling Beoordelingskader

41 41

4.5.2

Verspreidingsperceel

42

5 6

Rapportage en gegevensoverdracht – algemeen .................................................................. 43 Het digitale rapport ................................................................................................................ 44

6.1

De titel van het digitale rapport

44

6.2 6.3

De opbouw van het digitale rapport PDF-administratieve gegevens

44 45

3


6.4

PDF-niet technische samenvatting

46

6.5 6.5.1

PDF-rapport Hoofdstuk “Inleiding”

49 49

6.5.2 6.5.3

Hoofdstuk “Voorstudie” Hoofdstuk “Bemonsteringsstrategie”

49 49

6.5.4 6.5.5

Hoofdstuk “Resultaten van terrein- en laboratoriumonderzoek” Hoofdstuk “Evaluatie van de resultaten”

50 53

6.5.6 6.5.7

Hoofdstuk “Samenvattend besluit” Hoofdstuk “Verklaring en ondertekening”

53 54

6.5.8

Bijlagen

56

7

DE ALFANUMERISCHE GEGEVENS .......................................................................................... 58

7.1 7.2

STRUCTUUR VAN DE DIGITALE ALFANUMERISCHE GEGEVENS JURIDISCH BINDENDE INFORMATIE

58 59

7.3 7.3.1

TECHNISCHE EN INHOUDELIJKE VEREISTEN Technische vereisten

59 59

7.3.2

Inhoudelijke vereisten

60

8

Bibliografie ............................................................................................................................. 61

4


1 DOEL VAN DE RICHTLIJN Deze richtlijn beschrijft het onderzoeksprotocol voor een verkennend bodemonderzoek voor PFAS op: - brandweerkazernes, brandweeroefenterreinen en locaties waar op basis van informatie van de gemeente of de brandweer in het verleden zware branden vermoedelijk met fluorhoudend schuim zijn geblust; - andere risico-locaties waar PFAS een verdachte stof betreft zoals PFAS verwerkende industrie, waterzuivering, stortplaats, afvalverbranding, grondreinigingscentra of tijdelijke opslagplaatsen. Terreinen waar PFAS zelf geproduceerd wordt of werd zijn niet opgenomen in deze richtlijn. Hiervoor wordt verwezen naar de bestaande standaardprocedure. Het doel van deze richtlijn is het verkrijgen van een standaard aanpak van een verkennend bodemonderzoek met indicatieve aantallen boringen/peilbuizen, diepte monstername/filterlocatie, keuze van locaties op deze terreinen en de besluitvorming op risicolocaties waar PFAS een verdachte stofgroep is. De strategie vooropgesteld in deze richtlijn betreft een minimale strategie. Het is de verantwoordelijkheid van de deskundige om na te gaan of bijkomende onderzoeksverrichtingen noodzakelijk zijn zoals bv. de analyse van diepere grondstalen. De locatie van de staalname dient per risico-locatie te worden geëvalueerd. Indien onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een decretaal oriënterend bodemonderzoek is steeds de uitgebreidere onderzoeksstrategie conform de standaardprocedure voor oriënterend bodemonderzoek van toepassing, zowel voor PFAS verdachte locaties als voor andere risicolocaties/verdachte stoffen. De doelstelling van het verkennend onderzoek omvat: - het nagaan of er verontreiniging met PFAS aanwezig is op de onderzoekslocatie; - het evalueren van mogelijke impact naar mogelijke receptoren in de omgeving; - het bepalen van de noodzaak en urgentie voor verder onderzoek; - het evalueren van eventuele voorzorgsmaatregelen/veiligheidsmaatregelen; - het bepalen van de noodzaak en urgentie voor verder onderzoek om de prioritair aan te pakken terreinen te identificeren. Een verkennend bodemonderzoek heeft niet de opzet van een oriënterend of een beschrijvend bodemonderzoek. We verwijzen eveneens naar volgende beschikbare documenten: - brandblusoefenterreinen- adviezen voor grondverzet en grondwateronttrekkingen (OVAM, mei 2020); - gebruik van fluorhoudend blusschuim door brandweer – preventieve maatregelen voor een gezonde bodem (OVAM, 2020); - verkennende studie PFAS “Onderzoek naar aanwezigheid van PFAS in grondwater, bodem en waterbodem ter hoogte van risicoactiviteiten in Vlaanderen” (OVAM, 2018); - Toetsingswaarden voor PFOS en PFOA in de bodem en voor PFAS in het grondwater - Aanvulling bij Basisinformatie voor risico-evaluaties publicatiedatum / 04.04.2022 (OVAM, april 2022); - Richtlijn PFAS-onderzoek Herziening - april 2022 (OVAM, april 2022).

5


2 PERFLUORVERBINDINGEN EN HUN VOORKOMEN 2.1 WAT ZIJN PFAS? De groep poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) omvat meer dan 6000 individuele stoffen. PFAS hebben als overeenkomst dat ze een compleet (per-) of gedeeltelijk (poly-) gefluoreerde koolstofketen bevatten, met een variërende lengte, normaal gesproken 2 tot 16 koolstofatomen.

2.1.1 Geperfluoreerde verbindingen PFOS (perfluoroctaansulfonzuur) en PFOA (perfluoroctaanzuur) zijn de twee meest bekende PFAS. Beide stoffen vallen onder de groep van de geperfluoreerde alkylzuren (perfluoralkylzuren; PFAA’s). De groep met geperfluoreerde alkylzuren kan weer worden onderverdeeld in verschillende groepen, zoals bijvoorbeeld de geperfluoreerde sulfonzuren (PFSA’s; waar PFOS onder valt), de geperfluoreerde carbonzuren (PFCA’s; waar PFOA en PFBA (perfluorbutaanzuur) onder vallen), maar ook andere geperfluoreerde alkylzuren zoals geperfluoreerde fosfonzuren vallen hieronder. De PFAA’s bestaan gewoonlijk uit een volledig gefluoreerde koolstofketen variërend in lengte, in het algemeen van C2 tot C16.

Figuur 1: Chemische structuur van PFOS (links) en PFOA (rechts)

Bij de productie van PFAS ontstaan vaak mengsels van stoffen, waaronder een mengsel van lineaire en vertakte isomeren. Daarnaast ontstaan ook kortere en langere PFAS als bijproducten.

2.1.2 Gepolyfluoreerde verbindingen Gepolyfluoreerde verbindingen zijn verbindingen waarvan de koolstofketen niet volledig gefluoreerd is, maar slechts gedeeltelijk. Gepolyfluoreerde verbindingen worden veelal ingezet als vervangers voor PFOS en PFOA. 2.1.2.1 Fluortelomeren Onder de gepolyfluoreerde verbindingen vallen de fluortelomeren. Deze bevatten een ethylgroep (CH2CH2) tussen de volledig gefluoreerde koolstofketen en de functionele groep. Ze hebben de naam fluortelomeren gekregen vanwege het productieproces genaamd fluortelomerisatie. Fluortelomeren worden geproduceerd met grote variëteit aan functionele groepen, zoals alcoholen, sulfonamides, sulfonamidoethylacrylaten, methylacrylaten en sulfonamido-azijnzuren. Het grootste deel van de fluortelomeren wordt gebruikt in productieprocessen, zoals bijvoorbeeld als bouwstenen voor polymeren, oppervlakte-actieve stoffen en polymeren met gefluoreerde zijketens. Vele van deze producten zijn zogenaamde PFAS-precursors (zie 2.1.2.2) en worden in het milieu omgezet in PFSA’s en PFCA’s, welke niet verder afgebroken worden (Lindstrom et al., 2011).

6


In Figuur 2 zijn twee voorbeelden van fluortelomeren gegeven, met links 8:2 fluortelomeer alcohol (FTOH) en rechts 6:2 fluortelomeer sulfonaat (FTS). 8:2 FTOH bestaat uit 8 volledig gefluoreerde koolstofatomen, een ethylgroep en een alcoholgroep. Het is een voorbeeld van een PFCA-precursor: een verbinding die in het milieu kan worden omgezet in o.a. PFOA (Parssons et al., 2008) en wordt frequent gebruikt om textiel waterafstotend te maken 6:2 FTS bestaat uit 6 volledig gefluoreerde koolstofatomen, een ethylgroep en een sulfonaatgroep. Het is tevens een voorbeeld van een PFCA-precursor en wordt voor verschillende doeleinden als vervanger van PFOS gebruikt, zoals in blusschuim (klasse B) en als oppervlakte-actieve stof bij industriële toepassingen

Figuur 2: Voorbeelden telomeren: 8:2 FTOH (links) en 6:2 FTS (rechts)

2.1.2.2 PFAS-precursors PFAS-precursors zijn stoffen die in het milieu kunnen afbreken naar PFSA’s en PFCA’s zoals PFOS en PFOA. Het gaat om een zeer grote groep van veelal onbekende en niet of moeilijk te analyseren verbindingen. Ook de telomeren, zoals hierboven omschreven, vallen hieronder. PFAS-precursors zijn significante bronnen van PFAS naar het milieu. De wereldwijde productie van polyfluorchemicaliën, waarvan de meeste precursors zijn, is vele malen groter dan die van PFOS en PFOA gezamenlijk (Liu et al., 2013). Bij commercieel gangbare analysemethoden voor PFAS worden voornamelijk PFCA’s en PFSA’s gemeten, en enkele precursors. Hierbij zijn vooral de PFOS-precursors EtFOSAA (N-ethylperfluoroctaansulfonamidoazijnzuur) en MeFOSAA (Nmethylperfluoroctaansulfonamidoazijnzuur) van belang: er is voldoende bewijs dat deze PFAS-precursors na toepassen in de bodem snel worden omgezet in PFOS (Fromel & Knepper, 2010; Nguyen et al., 2016; Osté, 2021). 2.1.2.3 Fluorpolymeren Fluorpolymeren vallen onder de PFAS indien ze perfluoralkylgroepen bevatten. Het fluorpolymeer polytetrafluoroethyleen (Teflon, PTFE) behoort tot de PFAS en wordt o.a. gebruikt als antiaanbaklaag in pannen. Het is zo goed als inert bij normale temperaturen en breekt af bij temperaturen boven de 260 °C. In textiel gecoat met PTFE (jassen, tafelkleden etc.) worden voornamelijk fluortelomeer alcoholen (FTOH’s) en fluortelomeer carbonzuren (PFCA) in relatief grote hoeveelheden aangetroffen (tot 11 mg/m2 FTOH’s en 0,4 mg/m2 PFCA) (Berger en Herzke, 2006). Daarnaast bestaan er ook polymeren met gefluoreerde zijketens. Deze worden vooral in de textielindustrie gebruikt. Bij afbraak van deze polymeren komen de gefluoreerde zijketens vrij en kunnen PFAA’s gevormd worden. Deze polymeren kunnen dus ook PFAS-precursors zijn.

2.2 EIGENSCHAPPEN VAN PFAS PFAS zijn wijdverspreid aanwezig in het milieu door hun hoge oplosbaarheid, lage tot matige sorptie aan bodem en sediment, en resistentie tegen hydrolyse, fotolyse, biologische afbraak en metabolisme.

7


Door hun persistente eigenschappen kunnen PFAS zich ver verspreiden in het milieu. PFAS komen niet van nature voor. Hoewel PFOS en PFOA relatief uitgebreid onderzocht zijn in vergelijking met andere PFAS, zijn de beschikbare data nog steeds relatief schaars en is het gedrag ook nog steeds niet volledig begrepen. Fluor-koolstofbindingen worden zelden aangetroffen in natuurlijk voorkomende organische stoffen. De fluorkoolstofbinding is één van de sterkste bindingen in de organische chemie. PFAS bestaan meestal uit een hydrofobe staart (gepolyfluoreerde of geperfluoreerde koolstofketen) en een hydrofiele kop (functionele groep bestaande uit bijvoorbeeld, sulfonzuur of carbonzuur en/of de zouten daarvan). Door deze amfifiele (zowel hydrofoob als hydrofiel) eigenschappen van PFAS zijn ze ideaal voor gebruik als oppervlakte-actieve stoffen. In tegenstelling tot conventionele oppervlakte-actieve stoffen heeft de staart van de PFAS ook lipofobe (vetafstotende) eigenschappen waardoor PFAS-coatings niet alleen bestendig zijn tegen water, maar ook tegen olie, vet, andere niet-polaire stoffen en vuildeeltjes. PFAS oppervlakte-actieve stoffen hebben de mogelijkheid om enerzijds te groeperen bij grensvlakken en anderzijds micellen te vormen. Daardoor kunnen PFAS in het milieu accumuleren in de grensvlakken tussen grondwater (hydrofiel) en bodemlucht (hydrofoob). Deze fysische en chemische eigenschappen bepalen het gedrag van PFAS in het milieu. Zo kunnen PFAS zich vanaf lozing of vrijkomen via de volgende routes verspreiden in het milieu: uitloging van grond naar grondwater, en vervolgens verspreiding via grondwater; verspreiding via de lucht (en depositie in of op de bodem of in het oppervlaktewater); verspreiding door (verontreinigd) slib, grondverzet of baggeren; verspreiding via oppervlaktewater; omzetting van precursors naar PFAS in het milieu. Meer achtergrondinformatie is beschreven in het rapport “Onderzoek naar aanwezigheid van PFAS in grondwater, bodem en waterbodem ter hoogte van risicoactiviteiten in Vlaanderen (OVAM, 2018)” of beschikbaar op www.vlaanderen.be/PFAS.

3 RISICO-ACTIVITEITEN PFAS zijn geproduceerd en verwerkt op diverse locaties. Het risico op verspreiding in het milieu is afhankelijk van de gebruikte hoeveelheden en onder welke condities de verbindingen zijn gehanteerd of verwerkt. Vooral bij brandblusactiviteiten ontbrak het veelal aan bodembeschermende voorzieningen. De risico-activiteiten worden onderverdeeld in: - brandweerkazernes, brandweeroefenterreinen en locaties waar op basis van informatie van de gemeente of de brandweer in het verleden zware branden vermoedelijk met fluorhoudend schuim heeft geblust; - andere risico-locaties waar PFAS een verdachte stof betreft zoals PFAS verwerkende industrie, waterzuivering, stortplaats, afvalverbranding, grondreinigingscentra of tijdelijke opslagplaatsen.

8


3.1 INZET FLUORHOUDEND BLUSSCHUIM Eerst een kort overzicht over de evolutie van de blusschuimen die gebruikt worden en werden door de brandweer: Er zijn enerzijds klasse A blusschuimen die gebruikt worden voor onder meer woningbranden en geen fluorcomponenten bevatten en anderzijds klasse B schuimen die voor vloeistofbranden (auto’s, opslagplaatsen voor brandstoffen,…) gebruikt worden. De samenstelling van blusschuim (klasse B) is doorheen de tijd geëvolueerd: - (fluorvrij) proteïneschuim; - Gefluoreerd proteïneschuim (om de bluseigenschappen te verhogen); - Gefluoreerde synthetische schuimen (AFFF-schuim). Momenteel zitten we in de fase van omschakeling van gefluoreerde synthetische schuimen naar fluorvrije schuimen (F3). Vanaf de jaren 60/70 van de vorige eeuw werden PFOS-verbindingen gebruikt in blusschuimen. In 2011 is het toevoegen van PFOS aan blusschuim verboden en is er in eerste instantie omgeschakeld naar het toevoegen van PFOA (zelfde eigenschappen als PFOS) en vervolgens overgeschakeld naar korte ketens (C6 ketens i.p.v. C8 ketens; bv PFHxS, PFHxA, 6:2 FTS, ….). In 2022 zal ook PFOA niet meer gebruikt mogen worden als het blusschuim niet opgevangen kan worden. Vanaf 2025 zal PFOA houdend blusschuim helemaal niet meer gebruikt mogen worden. Ten vroegste in 2027 zal er een complete uitfasering van PFAS-verbindingen in blusschuimen zijn. De toekomst is gegarandeerd fluorvrij blusschuim. Maar zelfs zogenaamd PFOS-vrij blusschuim mag volgens de EU-verordening uit 2006 nog een bepaalde fractie (grootteorde 0,001 %) aan PFOS bevatten. Men dient zich ervan bewust te zijn dat zelfs een vermelding van PFOS-vrij, PFOA-vrij of PFAS-vrij houdend blusschuim niet automatisch inhoudt dat het blusschuim effectief volledig PFAS-vrij is. In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de verschillende risico-activiteiten, de bron van de verontreiniging en de mogelijke verspreidingsroutes en geïmpacteerde media voor terreinen met huidige en voormalige risicoactiviteiten ten gevolge van het gebruik of de opslag van fluorhoudend blusschuim.

9


Gebruik terrein

Activiteit

Bron van verontreiniging

Brandweerkazernes / Brandweeroefenplaats, Brandweeroefenterreinen onverhard

Regelmatig, langdurig gebruik van o.a. fluorhoudend schuim

Brandweeroefenplaats, verhard (eventueel met brandplaat), zonder wateropvang en -zuivering

Regelmatig, langdurig gebruik van o.a. fluorhoudend schuim

Brandweeroefenplaats met brandplaat, waarop de oefeningen worden uitgevoerd incl. wateropvang en waterzuivering

Regelmatig, langdurig gebruik van o.a. fluorhoudend schuim

Opslag blusschuimen

Morsen bij op- en overslag of lekken blusschuim tanks met o.a. fluorhoudend schuim Morsen of niet opvangen van reinigingswater

Reinigen brandweertanks / -wagens

Verspreiding

Medium met mogelijke impact Grond Grondwater Sediment en oppervlaktewater (indien naastliggende waterloop) Grond Grondwater Sediment en oppervlaktewater (indien naastliggende waterloop) Grond Grondwater Sediment en oppervlaktewater (indien naastliggende waterloop of lozingspunt)

Toplaag van de bodem door insijpelen blusschuim in de bodem (1). Verspreiding via de lucht door blusschuim (en depositie op bodem of oppervlaktewater). Uitloging van grond naar grondwater, en vervolgens verspreiding via grondwater. Toplaag van de bodem rondom de verharding door afstromen en vervolgens insijpelen blusschuim in de bodem (1). Verspreiding via de lucht door blusschuim (en depositie in bodem of oppervlaktewater). Uitloging van grond naar grondwater, en vervolgens verspreiding via grondwater. Toplaag van de bodem rondom de verharding door insijpelen blusschuim (mogelijk beperkt door wateropvang) (1) Verspreiding via de lucht door blusschuim (en depositie in bodem of oppervlaktewater). Uitloging van grond naar grondwater, en vervolgens verspreiding via grondwater. Lozingspunt waterzuivering (2) Slib van waterzuivering/bezinkingsbekkens Toplaag van de bodem door insijpelen blusschuim (in geval Grond geen bodembeschermende maatregelen, inkuiping, Grondwater verharding). Uitloging van grond naar grondwater, en vervolgens verspreiding via grondwater. Toplaag van de bodem door insijpelen reinigingswater (in Grond geval geen opvang en verwerking). Grondwater Uitloging van grond naar grondwater, en vervolgens verspreiding via grondwater.

10


Gebruik terrein

Activiteit

Bron van verontreiniging

Locatie zware brand

Blussen met blusschuim

Eenmalig gebruik van o.a. fluorhoudend schuim

Verspreiding

Medium met mogelijke impact Toplaag van de bodem (eventueel rondom verharding) door Grond insijpelen blusschuim (1) Grondwater Verspreiding via de lucht door blusschuim (en depositie in Sediment en bodem of oppervlaktewater). oppervlaktewater Uitloging van grond naar grondwater, en vervolgens (indien naastliggende verspreiding via grondwater. waterloop)

Tabel 1 overzicht van risico-activiteiten waarbij PFAS-impact niet kan worden uitgesloten als gevolg van inzet fluorhoudend blusschuim.

(1) Blusschuim vertoont gedrag om op het maaiveld te blijven liggen en af te schuiven naar lagergelegen gebieden alvorens door neerslag te infiltreren in de bodem. Het afstemmen van de locatie van staalname op het reliëf ter plaatse is dus noodzakelijk. (2) Indien er een waterzuivering aanwezig is, dan is deze zuivering voornamelijk om oliën te zuiveren en niet specifiek voor PFAS.

11


3.2 PFAS IN OVERIGE ACTIVITEITEN Hieronder worden verschillende activiteiten opgesomd waar PFAS als verdachte stof aanwezig kan zijn. Voor meer gedetailleerde toelichting verwijzen we naar de Verkennende studie PFAS “Onderzoek naar aanwezigheid van PFAS in grondwater, bodem en waterbodem ter hoogte van risicoactiviteiten in Vlaanderen” (OVAM, 2018)

3.2.1 Galvanisatie Bij galvanisatie wordt PFOS vooral gebruikt om de blootstelling van medewerkers aan chroom-VI te reduceren bij het verchromen. PFOS wordt gebruikt om de oppervlaktespanning van het bad met chroomzuur te verlagen, waardoor de grootte van de bellen vermindert en minder bellen op het grensvlak barsten, waardoor minder chroom-VI in de lucht vrijkomt (i.e. mist surpressant) (Brunn Poulsen et al., 2011). Na het verchromingsbad wordt het verchroomde metaal in meerdere spoelbaden met water afgespoeld. Deze spoelbaden raken zo verontreinigd met PFOS. Als alternatief voor PFOS wordt momenteel voornamelijk 6:2 FTS gebruikt.

3.2.2 Toepassing voor water- en vuilafstotend maken PFAS worden gebruikt bij het water- en vuilafstotend maken van o.a. kleding, schoenen, tenten, paraplu’s, tapijten en meubels. Vaak worden polymeren van PFAS toegepast. Deze polymeren kunnen residuen van PFAS vanuit het productieproces bevatten of ze kunnen worden afgebroken tot fluortelomeren zoals FTOH’s, maar ook tot geperfluoreerde carbonzuren zoals PFOA en perfluorhexaanzuur (PFHxA). Er worden hoofdzakelijk twee soorten (polymeren van) PFAS toegepast voor het water- en vuilafstotend maken: polytetrafluorethyleen (PTFE of Teflon) voor het waterdicht maken van (buitensport)kleding en tenten; polymeren met gefluoreerde zijketens, zoals bijvoorbeeld fluortelomeeracrylaatpolymeren worden onder andere gebruikt in textiel, tapijten en leer vanwege de water- en vuilafstotende eigenschappen. Bij afbraak van het polymeer komen de gefluoreerde zijketens vrij.

3.2.3 Papierindustrie PFAS worden gebruikt bij de productie van vet- en waterafstotend papier dat bijvoorbeeld gebruikt wordt voor het verpakken van voedsel. Tijdens de productie worden voornamelijk polyfluoralkyl fosforzuren (PAP’s en diPAP’s) gebruikt. Ook andere PFAS worden of werden in de papierindustrie gebruikt.

3.2.4 Cosmetica In de cosmetica-industrie worden PFAS gebruikt om diverse redenen. Het kan in zonnebrandcrème en bodylotion zitten om de crème waterafstotend te maken. PFAS worden in cosmetica ook gebruikt als antiklontermiddel, antistatica, stabilisatoren, emulgatoren, oppervlakte-actieve stoffen, filmvormers, viscositeitsregelaars en oplosmiddelen.

12


Er worden vooral polyfluoralkyl fosforzuren (PAP’s of diPAP’s) gebruikt, maar uit een analyse van diverse cosmeticaproducten blijkt dat er ook PFCA’s (o.a. PFOA, PFHxA en perfluorheptaanzuur (PFHpA)) in cosmetica kunnen zitten (Fujii et al. 2013).

3.2.5 Huishoudelijke artikelen PFAS kunnen aanwezig zijn in hydraulische vloeistoffen, insecticiden, schoonmaakmiddelen, smeermiddelen, verf en lak en in was/wax voor vloeren, auto’s, vliegtuigen en snowboards. Ook anti-aanbak pannen kunnen PFAS bevatten (Teflon).

3.2.6 Foto industrie In de foto industrie werden PFAS-producten als oplosmiddel, pigmenten en ontwikkelvloeistof gebruikt.

3.2.7 Stortplaatsen en waterzuiveringsinstallaties Stortplaatsen kunnen een bron van PFAS zijn vanwege het uiteenvallen van PFAS-houdende materialen zoals tapijten, meubels, kleding, impregneermiddelen etc. Stortplaatsen die gesloten zijn voor 1970 zijn niet verdacht voor PFAS. Op andere stortplaatsen is de aanwezigheid van PFAS mogelijk. De mate waarin de stortplaats verdacht is voor het voorkomen van PFAS, hangt af van het materiaal dat gestort werd. Ook stortplaatsen waar PFAS-verdacht baggerslib of ruimingsspecie gestort werd zijn verdacht voor PFAS. U moet grondig evalueren of PFAS voor de betrokken stortplaats al dan niet als een verdachte stof te beschouwen is. Als slib of afval van PFAS-producerende of PFAS-verdachte activiteiten op de stortplaats terecht komen of kwamen, is onderzoek naar PFAS altijd noodzakelijk. In waterzuiveringsinstallaties komen de afvalstromen samen van de verwerkende industrieën, of de restanten van blusactiviteiten. Wanneer afvalwater afkomstig van PFAS-verdachte activiteiten geloosd wordt of werd, dan is onderzoek naar PFAS altijd noodzakelijk. U moet grondig evalueren of PFAS voor de betrokken waterzuiveringsinstallatie al dan niet als een verdachte stof te beschouwen is.

3.2.8 Grond recyclage centra, slibverwerking en afvalverbranding Ook grond recyclage centra (GRC’s), tijdelijke opslagplaatsen (TOP’s), slibverwerking- en afvalverbrandingsinstallaties kunnen verdacht zijn voor PFAS, wanneer gronden, slib of afval afkomstig van PFAS-verdachte activiteiten verwerkt wordt. U moet grondig evalueren of PFAS een verdachte stof is. Als PFAS-verdachte grond, slib of afval aanwezig is/was of verwerkt wordt/werd, is onderzoek naar PFAS altijd noodzakelijk.

3.2.9 Samenvattend overzicht In Tabel 2 wordt een overzicht gegeven van de verschillende risico-activiteiten, de bron van de verontreiniging en de mogelijke verspreidingsroutes en geïmpacteerde media voor risico-activiteiten met PFAS als verdachte stof (andere dan activiteiten met blusschuim). U moet steeds nagaan of er nog andere PFAS-verdachte bronnen aanwezig zijn.

13


Type locatie

Subcategorie Activiteit

Verwerkende industrie

Productie Teflon

Verspreiding

Medium met mogelijke impact

PFOA gebruikt tijdens productie Productieproces* + opslag PFAS

Via bodem (op onverharde/verharde delen) in Grond productie/opslagtanks. Grondwater Via grondwater ter hoogte van ondergrondse Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op bronnen en vervolgens verspreiding via oppervlaktewater) grondwater. Galvanische Mist surpressant (vernevelen, Via bodem (op onverharde/verharde delen) in Grond industrie chroombaden), vooral in omgeving van de metaal- en Grondwater chroomverwerkende industrie (maar ook spoelbaden/productie-units/opslag. Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op andere metalen) Via grondwater ter hoogte van oppervlaktewater) Productieproces + opslag PFAS (ondergrondse) productie-units/opslagtanks en vervolgens verspreiding via grondwater. Textiel Behandelen textiel, leer, waterafstotend Via bodem (op onverharde/verharde delen) Grond industrie maken, vernevelen ter hoogte van behandel-baden/productieGrondwater Bijvoorbeeld tapijten, meubelstoffering, units/opslagtanks. Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op outdoorkleding, schoenen Via grondwater ter hoogte van oppervlaktewater) Productieproces + opslag PFAS (ondergrondse) productie-units/opslagtanks en vervolgens verspreiding via grondwater. Halfgeleider Gebruik van PFAS in printplaatproductie Via bodem (op onverharde/verharde delen) Grond industrie (verdachte producten/chemicaliën: ter hoogte van productie-units/opslagtanks. Grondwater fotozuur, antireflectiecoating, fotolak en Via grondwater ter hoogte van Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op ontwikkelvloeistof). (ondergrondse) productie-units/opslagtanks oppervlaktewater) Productieproces + opslag PFAS-houdende en vervolgens verspreiding via grondwater. producten Foto industrie In de foto-industrie werden ook producten als oplosmiddel, pigmenten, ontwikkelvloeistof gebruikt. Productieproces + opslag PFAShoudende producten Papier- en PFAS werd/wordt toegevoegd aan de verpakkings- samenstelling van het papier om het industrie water en vetafstotend te maken (zoals ook bij levensmiddelenverpakkingen, bakpapier etc.) Productieproces + opslag PFAS

Via bodem (op onverharde/verharde delen) ter hoogte van productie-units/opslagtanks. Via grondwater ter hoogte van (ondergrondse) productie-units/opslagtanks en vervolgens verspreiding via grondwater.

Grond Grondwater Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op oppervlaktewater)

Via bodem (op onverharde/verharde delen) ter hoogte van productie-units/opslagtanks. Via grondwater ter hoogte van (ondergrondse) productie-units/opslagtanks en vervolgens verspreiding via grondwater.

Grond Grondwater Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op oppervlaktewater)

14


Lak- en Productie van lak en verf met gebruik Verwerkende verfindustrie van PFAS industrie (vervolg) Productieproces + opslag PFAS

Hydraulische PFAS als toevoeging aan hydraulische vloeistoffen vloeistoffen gebruikt bij het vullen en navullen van de vloeistof minstens sinds 1970. Voornaamste gebruik bij vliegtuigbouw en onderhoud. Fabricage van Voornamelijk gebruikt om de cosmetica en oppervlaktespanning te verlagen of de reinigingslevensduur van voornamelijk middelen cosmetische producten te verlengen Productieproces + opslag PFAS Stortplaatsen Waterzuiveringsinstallaties

Afvalverbrandingsinstallaties Grond recyclage centra en slibverwerking

Via bodem (op onverharde/verharde delen) ter hoogte van productie-units/opslagtanks. Via grondwater ter hoogte van (ondergrondse) productie-units/opslagtanks en vervolgens verspreiding via grondwater. Via bodem en grondwater ter hoogte van lokaal gebruik

Grond Grondwater Sediment lozingspunt en oppervlaktewater (indien lozing op oppervlaktewater)

Via bodem (op onverharde/verharde delen) ter hoogte van productie-units/opslagtanks. Via grondwater ter hoogte van (ondergrondse) productie-units/opslagtanks en vervolgens verspreiding via grondwater.

Grond Grondwater Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op oppervlaktewater)

Grond Grondwater Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op oppervlaktewater)

Afbraakmateriaal in stort (bv. behandeld Uitloging van stortmateriaal naar grondwater Grondwater textiel, papier), uitloging uit stort en vervolgens verspreiding via grondwater Vnl. waterzuivering van PFAS Impact door lozing op oppervlaktewater Sediment en oppervlaktewater (indien lozing op verwerkende industrie oppervlaktewater) Slib van zuiveringsinstallatie / geruimde waterloop PFAS worden afgebroken maar Via bodem in ruimere omgeving (depositie) Grond vermoedelijk niet volledig uit te sluiten Uitloging naar grondwater Grondwater als potentiële bron Grond/slib afkomstig van PFAS verdachte Hergebruik van gronden Grond locaties Uitloging naar grondwater Grondwater

* De deskundige bepaalt o.b.v. een terreinbezoek en historisch onderzoek wat de meest verdachte locaties in het productieproces zijn. Tabel 2: Overzicht verdachte risicolocaties

15


4 UITVOERING ONDERZOEK De onderzoeksstrategie bestaat uit een voorstudie en een beperkte staalname- en analyse campagne.

4.1 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS U verzamelt de volgende informatie over de onderzoekslocatie: - De kadastrale identificatie van de grond. Gronden die niet beschikken over een kadastraal perceelnummer beschrijft u door het adres. U vermeldt duidelijk de naam van de grond (voorbeelden: Stationsstraat, kanaal Leuven-Mechelen); - De gegevens van de huidige eigenaar(s), gebruiker(s) en exploitant(en). Bij een gedwongen medeeigendom vermeldt u de gegevens van de vereniging van mede-eigenaars en van de syndicus. Is er geen syndicus of vereniging van mede-eigenaars aanwezig? Geef dan de gegevens van de eigenaar en gebruiker; - De persoonlijke gegevens van de opdrachtgever en de hoedanigheid waarin hij de opdracht tot het verkennend bodemonderzoek geeft (voorbeelden: gemeente, exploitant, notaris, brandweer...); - Het bestemmingstype op basis van het gewestplan, een ruimtelijk uitvoeringsplan, …; - Het werkelijk gebruik van de onderzoekslocatie. De gegevens van de syndicus, eigenaars, gebruikers en exploitanten moeten correct en actueel zijn. U controleert de juistheid en volledigheid van de informatie die u daarover ontving. Hierbij houdt u bijvoorbeeld rekening met de brandweerhervormingen (onder meer begin 2015) en de huidige indeling van de hulpverleningzones en vermeldt u de correcte hoedanigheid (eigenaar/gebruiker/exploitant). U voegt ook alle huidige betrokkenen (gerelateerde klanten) toe in het xml-bestand (Mistral). Het rapport mag voor natuurlijke personen alleen persoonsgebonden informatie bevatten in het deel met de administratieve gegevens. Dit is immers het enige deel van het rapport dat niet vrij raadpleegbaar zal zijn. In het rapport zelf geeft u een unieke “lettercode” aan de natuurlijke personen en in de rest van het rapport verwijst u naar deze lettercode. Zo blijft de persoonsgebonden informatie beschermd. U voegt een kadastraal plan toe waarop de ligging en afbakening van de onderzoekslocatie is aangeduid. U voegt een kadastrale legger of een uitgebreide lijst van eigenaars van de huidige kadastrale toestand toe. U vermeldt ook de relevante kadastrale historiek. U moet geen nieuwe kadastrale legger of kadastraal plan toevoegen als de OVAM daarover al beschikt en als de kadastrale toestand ondertussen niet gewijzigd is. Volgende labels dienen aan de opdracht gegeven te worden indien van toepassing: - PFAS-verdachte (voormalige) brandweerkazerne; - PFAS-verdachte (voormalige) bedrijfsactiviteit; - PFAS-verdacht (voormalig) oefenterrein brandweer; - PFAS-verdachte brand; - PFAS-waterbodem (als in het kader van het bodemonderzoek ter hoogte van een waterbodem veldwerk werd uitgevoerd).

16


Als er effectief analyses op PFAS werden uitgevoerd en deze in het bodemonderzoek gerapporteerd worden, moet steeds het volgende label ‘PFAS-analyses’ aan het onderzoek (opdracht) gekoppeld worden. Verder voeg u ook volgende labels, afhankelijk van de conclusies/resultaten (zie hoofdstuk 4.4.4): Indien verder onderzoek (VO) nodig: - PFAS VO prioriteit 1; - PFAS VO prioriteit 2; - PFAS VO prioriteit 3; - PFAS VO prioriteit 4; - PFAS VO prioriteit 5; - PFAS VZ/VM (indien van toepassing). Indien van toepassing moeten ook de andere labels die vermeld worden in bijlage 2 van de standaardprocedure OBO toegevoegd worden.

4.2 VOORSTUDIE 4.2.1 Omgevingskenmerken Om de mogelijke risico’s en de verspreiding via luchtdepositie, grondwater of oppervlaktewater mee te kunnen evalueren bij de opmaak van de onderzoeksstrategie, is het belangrijk om omgevingskenmerken inzichtelijk te maken. U verzamelt de volgende gegevens: het gebruik van de onderzoekslocatie en de omliggende terreinen (woonzone, landbouw, individuele of collectieve moestuinen…). U evalueert specifiek bijkomend of er gevoelige receptoren in de buurt (scholen, kinderdagverblijven, jeugdbewegingen, speelpleinwerkingen, ziekenhuizen of zorginstellingen – limitatieve opsomming) zijn en waar ze gelegen zijn t.o.v. de onderzoekslocatie voor een perimeter van 500 m (t.o.v. centraal punt onderzoekslocatie en eventueel groter afhankelijk van terreingrootte) rondom de onderzoekslocatie. U verzamelt zoveel mogelijk gegevens aangaande deze gevoelige receptoren: naam, adres, contactgegevens, afstand tot de onderzoekslocatie (aanpalend, <100m, <500m),… en neemt deze op in een tabel in de pdf-administratieve gegevens (zie tabel 19) en vermeldt de ligging (nummer) op de topografische kaart (zie 6.5.7); de dominante windrichting; de aanwezigheid van oppervlaktewater binnen perimeter van 500 m (t.o.v. centraal punt onderzoekslocatie en eventueel groter afhankelijk van terreingrootte); luchtfoto’s; het plaatselijk reliëf, ophogingen.

4.2.2 Geologische en hydrogeologische gegevens Om impact op verspreiding via luchtdepositie, grondwater of oppervlaktewater mee te kunnen evalueren bij de opmaak van de onderzoeksstrategie, is het belangrijk om geologie en hydrogeologie inzichtelijk te maken. U verzamelt de volgende gegevens: de diepte van de grondwatertafel; een beschrijving van de geologie die relevant is om de onderzoeksstrategie te bepalen; vergunde grondwaterwinningen binnen een straal van 500 meter van de grens van de onderzoekslocatie, met vermelding van diepte, debiet, locatie en (effectief) gebruik;

17


voor zover mogelijk: uitspraak over de winbaarheid van het grondwater en de aanwezigheid van (al dan niet vergunde) grondwaterputten op en rondom de onderzoekslocatie op basis van visuele inspectie van de nabije omgeving (in deze fase dient er dus geen specifieke buurtrondvraag gedaan te worden); de ligging van de onderzoekslocatie binnen een drinkwaterwingebied of een beschermingszone; de vermoedelijke horizontale stromingsrichting van het grondwater; bemalingen die het grondwaterpeil op de onderzoekslocatie kunnen beïnvloeden; de kwetsbaarheid van het grondwater; drinkwaterwinningen, waterwingebieden en beschermingszones type I, II of III binnen een straal van twee kilometer. Deze gegevens zijn ook noodzakelijk voor de uitvoering van de DAEB-methodiek.

4.2.3 Historisch onderzoek - inventarisatie risico-activiteiten Het historisch onderzoek in het verkennend bodemonderzoek bevat de inventarisatie van de PFAS-verdachte risico-activiteiten op de onderzoekslocatie. U bespreekt alle informatie die relevant is voor het uitwerken van de bemonsteringsstrategie. U somt resultaten van PFAS-onderzoek uit eerder uitgevoerde bodemonderzoeken en bodemsaneringen op. Onderstaande voorbeeldtabel kan gebruikt worden bij de inventarisatie van de verschillende risico-activiteiten op het terrein. De verdachte locaties/zones worden aangeduid op een overzichtsplan. Kans op Geschatte omvang risicolocatie (m²)

Activiteit (huidige en voormalige)

vrijkomen Tijdsperiode Bodembeschermende activiteit (begin— PFAS in maatregelen aanwezig en eindjaar) grond of grondwater

Brandweeroefenplaats 1

Zone 1 Locatie (omschrijving)

Opslag blusschuimen

Zone 2

Baden galvanisatie

Zone 3

Opslag PFAS voor galvanisatie

Zone 4

J/N/type

J/N

Tabel 3 voorbeeldtabel inventarisatie risico-activiteiten

Inventarisatie en inzet fluorhoudend blusschuim Bij de inventarisatie van de risico-activiteiten op de onderzoekslocatie verzamelt u minimaal informatie over: - de locatie en een beschrijving van de potentiële risico-activiteiten, zoals brandweeroefenplaatsen, opslagtanks, leidingen van, naar en tussen oefenplaatsen en opslagzones, calamiteiten, … ; - voormalige en huidige locaties van brandweeroefenplaatsen, werkmethodes, gegevens van opslagtanks, historiek van activiteiten, …

18


-

types van blusschuimen die werden gebruikt en hoeveelheden; frequentie van voorkomen (eenmalige brand vs wekelijkse oefeningen); aan- of afwezigheid van bodembeschermende maatregelen zoals aanwezigheid verhardingen, opvang bluswater, … (zowel nu als in het verleden); aan- of afwezigheid van een waterzuiveringinstallatie voor het zuiveren van opgevangen bluswater (zowel nu als in het verleden), evenals het type waterzuivering; rioleringen; lozingspunten.

Inventarisatie en inzet PFAS-verdachte risicolocaties Bij de inventarisatie van de risico-activiteiten op de onderzoekslocatie verzamelt u minimaal informatie over: - de locatie en een beschrijving van de potentiële (voormalige en huidige) risico-activiteiten, zoals behandelingsbaden, opslagtanks, leidingen van, naar en tussen zones waar PFAS gebruikt of opgeslagen wordt, calamiteiten, …; - types van PFAS die werden gebruikt en hoeveelheden (hoeveelheden per jaar/per productieproces/ begin- en einddatum (jaar)); - aan- of afwezigheid van bodembeschermende maatregelen zoals verhardingen, lekbak, … (zowel nu als in het verleden); - aan- of afwezigheid van een waterzuivering voor het zuiveren van opgevangen productiewater (zowel nu als in het verleden), evenals het type waterzuivering; - opslag of hergebruik van PFAS-houdende materialen (vloeibare, vaste, …) of afvalstoffen op de onderzoekslocatie; - het aanbrengen/hergebruiken van of ophoging met PFAS-verdachte grond op de onderzoekslocatie; - rioleringen; - lozingspunten; - gebruik/depositie van sediment van waterloop/waterzuivering.

4.2.4 Terreinbezoek U voert een terreinbezoek uit samen met een betrokken persoon ter plaatse en verzamelt bijkomende informatie met betrekking tot de voorstudie. U illustreert het verslag van het terreinbezoek met foto’s van de risicolocaties en van de omgeving. Hierbij zijn verharding, afwatering, gebruik omgeving, … zeker van belang.

4.3 BEMONSTERINGSSTRATEGIE OP BASIS VAN DE VERONTREINIGINGSHYPOTHESE 4.3.1 De verontreinigingshypothese opstellen U stelt een verontreinigingshypothese op, op basis van de gegevens die u tijdens de voorstudie verzamelde: U bakent de verdachte zones af; U houdt ook rekening met de mogelijke verspreidingswegen van de verontreiniging (zie hoofdstuk 3);

19


4.3.2 Algemene richtlijnen voor bemonstering risicolocaties met inzet fluorhoudend blusschuim 4.3.2.1 Onderzoekslocatie Tabel 4 geeft een overzicht weer van het aantal boringen, peilbuizen en te analyseren stalen in het kader van het verkennend bodemonderzoek. De aantallen zijn o.a. gebaseerd op de ervaring uit de Verkennende PFAS studie (OVAM 2018) en de standaardprocedure voor oriënterend bodemonderzoek.

20


Activiteit (huidige en voormalige)

Brandweeroefenplaats, onverhard

Brandweeroefenplaats, verhard zonder opvang bluswater****

Geschatte omvang risico-locatie (m²)

Aantal boringen*

Aantal peilbuizen*

Aantal te analyseren stalen van het vaste deel van de aarde

Aantal te analyseren grondwaterstalen

≤ 500 m²

2 (0-0,3 m-mv)***

1 (centraal)

2

1

500 – 2.000 m²

3 (0-0,3 m-mv)***

2 (centraal, min. 1 stroomafwaarts)

3

2

>2.000 m² (1)

Te bepalen door EBSD

Te bepalen door EBSD

Verharding ≤ 500 m²

2 (0-0,3 m-mv) ***naast de verharding

1 (naast de verharding, stroomafwaarts)

2

1

Verharding tussen 500 – 2.000 m²

3 (0-0,3 m-mv) *** naast de verharding

2 (naast de verharding, min. 1 stroomafwaarts)

3

2

>2.000 m² (1)

Te bepalen door EBSD 2 (1 naast verharding, min 1 stroomafwaarts)

2

2

Verharding ≤ 500 m² Brandweeroefenplaats, verhard met opvang (en zuivering) bluswater****

Verharding tussen 500 – 2.000 m²

2 (0-0,3 m-mv)*** naast de opvanggoot Slibstaal thv lozingspunt** 3 (0-0,3 m-mv)*** naast de verharding

1 2 (naast de verharding, min. 1 stroomafwaarts)

Slibstaal thv lozingspunt** >2.000 m² (1)

3

2

1

Te bepalen door EBSD Slibstaal thv lozingspunt**

verhard, visueel geen verontreiniging

Visuele controle

/

/

/

onverhard of visueel verontreiniging

1 (0-0,3-m-mv)

1

1

1

Onverhard

2 (0-0,3 m-mv) (1 richting afvoer waswater)

1 (richting afvoer waswater)

2

1

Verhard

1 (0-0.3 m-v naast de verharding – richting afvoer waswater)

1 (naast de verharding, richting afvoer waswater)

1

1

Afvoer / lozingspunt waswater

1 (0-0-3 m-mv)

1

1

1

≤ 1000 m²

2 (0-0,3 m-mv)***

1 (centraal)

2

1

> 1000 m²

4 (0-0,3 m-mv)***

2 (centraal, min. 1 stroomafwaarts)

4

2

Opslag blusschuim****

Wasplaats blusvoertuigen*

Eenmalige brand

Tabel 4 Aantal boringen en peilbuizen per zone *Boringen en peilbuizen mogen gecombineerd worden. Indien bestaande peilbuizen aanwezig zijn dan kunnen deze gebruikt worden. Indien meerdere peilbuizen wordt er minimaal 1 peilbuis voorzien moet worden in de vermoedelijk stroomafwaartse richting en bijkomende peilbuizen nabij of in de richting van gevoelige receptoren moeten worden geplaatst ** Indien grenzend aan terrein en makkelijk toegankelijk *** in de kern/bron van blusschuimactiviteit tot 30 cm, bij verspreiding of depositie tot 15 cm **** indien uitgevoerd worden zoals voorzien onder ‘activiteit brandweerplaats, onverhard’

21


4.3.2.2 Impact op receptoren Indien er een brandweeroefenplaats aanwezig was/is op de onderzoekslocatie of er een brand heeft plaatsgevonden, en er op of in de onmiddellijke omgeving van de onderzoekslocatie (≤ 100 m) gevoelige receptoren aanwezig zijn (wonen, landbouw, individuele of collectieve moestuinen, school,… - niet limitatieve opsomming), dan neemt u bijkomende toplaagstalen/bodemmengmonsters. Indien deze receptoren op de onderzoekslocatie voorkomen neemt u aanvullende stalen ter hoogte van de betrokken receptor (zie

Tabel 5). Indien de receptoren op een naastliggend perceel gelegen zijn neemt u bijkomende stalen op de onderzoekslocatie ter hoogte van de perceelsgrenzen in de betreffende windrichting. Indien de oefenplaats of brand gelegen is naast een waterloop dan moet bijkomend een slibstaal van deze waterloop en/of een oeverstaal (mogelijke slibdeponie) geanalyseerd worden. Indien het bluswater opgevangen wordt en geloosd op oppervlaktewater, dan is een slibstaal ter hoogte van het lozingspunt noodzakelijk (zie

Tabel 5). Indien het nemen van een slibstaal niet mogelijk is (bv. bij bevaarbare waterlopen), dan wordt dit gemotiveerd in het rapport.

Receptoren

Strategie

Aantal boringen*

Aantal te analyseren stalen van het vaste deel van de aarde

Minimaal 1 Wonen, landbouw, Boringen uitvoeren ter bodemmengmonster moestuinen, hoogte van receptor en/of / topstaal bestaande 1 school, parkzone,… zo dicht mogelijk tegen de uit 10 deelstalen (0- bodemmengmonsterbestaande (type I, II, III en IV) perceelsgrens richting 15 cm-mv) per uit 10 deelstalen receptor windrichting (*) Industrie (Type V)

/

/

/

Waterloop

Slibstaal analyseren aan dichtstbijzijnde punt

1 slibstaal

1

(*) De deskundige bepaalt het aantal bodemmengmonsters in functie van de lengte van de perceelsgrens of andere locatiespecifieke terreinkenmerken Tabel 5 Boringen in de omgeving

Het is mogelijk om de staalnames in de richting van de omgeving in eenzelfde fase uit te voeren als de staalname ter hoogte van de vermoedelijke bronzone. Voor perfluorverbindingen is de conserveringstermijn 1 maand voor bodem (indien donker, luchtdicht en tussen 1 en 5°C bewaard). Van zodra verontreiniging in de bronzone bevestigd is, kunnen de stalen in de richting van de receptor bijkomend geanalyseerd worden. 4.3.2.3 Grondwater Voor grondwater dieper dan 5 m verwijzen we naar strategie 7 van de standaardprocedure OBO om te evalueren of het plaatsen van peilbuizen voor het bemonsteren van het grondwater al dan niet noodzakelijk is.

22


Indien u het grondwater niet bemonstert, voorziet u bijkomende boringen tot minimum 2 m-mv. Telkens wordt een diep staal (diepte afhankelijk van de terreinomstandigheden) geanalyseerd om mogelijke uitloging na te gaan. Dit om een zo volledig mogelijk beeld te bekomen van de aanwezige verontreiniging in het vaste deel van de aarde. Indien in de diepere stalen verontreiniging (boven toetsingswaarde richtwaarde) in het vaste deel van de aarde wordt vastgesteld dan moet in een volgende fase grondig geëvalueerd worden of onderzoek van het grondwater noodzakelijk is.

4.3.3 Algemene richtlijnen voor bemonstering van PFAS-verdachte risicolocaties 4.3.3.1 Onderzoekslocatie In deze richtlijn wordt een overzicht gegeven van het aantal boringen, peilbuizen en te analyseren stalen per activiteit in het kader van het verkennend bodemonderzoek ter hoogte van PFAS-verdachte risico-locaties zoals PFAS verwerkende of gebruikende industrie, waterzuivering, stortplaats, afvalverbranding, grond recyclage centra en slibverwerking. De aantallen zijn o.a. gebaseerd op de ervaring uit de Verkennende PFAS studie (OVAM 2018) en de standaardprocedure voor oriënterend bodemonderzoek. Indien echter een oriënterend onderzoek uitgevoerd wordt, dienen de voorschriften uit de standaardprocedure voor oriënterend bodemonderzoek gevolgd te worden. In het verkennend bodemonderzoek voert u boringen minstens uit tot een diepte van 1 m-mv en tot minstens een halve meter onder de verdachte bodemlaag. Bestaande, relevante (ondiepe) peilbuizen kunnen aangewend worden. 4.3.3.1.1

Verdachte zone waar de potentiële verontreinigingsbron aanleiding kan geven tot een heterogeen verspreide verontreiniging en de potentiële verontreinigingsbron gelokaliseerd kan worden

U past deze bemonsteringsstrategie toe als u op basis van de voorstudie een concentratiegradiënt in het horizontale vlak verwacht en u de potentiële verontreinigingsbron kan lokaliseren. De potentiële verontreinigingsbron is volledig of gedeeltelijk ondergronds U voert het aantal boringen, peilbuizen en te analyseren stalen uit volgens Tabel 6. Oppervlakte aaneengesloten inneming in m² 1

Aantal boringen (incl. peilbuizen)

Aantal te analyseren stalen van Aantal peilbuizen en aantal te het vaste deel van de aarde analyseren grondwaterstalen

< 20

1

1

1

20 – 500

2

2

2

Tabel 6: aantal boringen, peilbuizen en analyses als de potentiële verontreinigingsbron volledig of gedeeltelijk ondergronds is

Is de totale oppervlakte van de potentiële verontreinigingsbron groter dan 500 m²? Splits dan de oppervlakte op in delen van maximaal 500 m². 1

De individuele oppervlakte die de potentiële verontreinigingsbron aaneengesloten inneemt aan het maaiveld.

23


De potentiële verontreinigingsbron is een bovengrondse opslag of een bovengronds reservoir (bad) van vloeistoffen U voert het aantal boringen, peilbuizen en te analyseren stalen uit volgens Tabel 7. Oppervlakte aaneengesloten Aantal boringen Aantal te analyseren stalen van het Aantal peilbuizen en aantal te inneming in m² 2 (incl. peilbuizen) vaste deel van de aarde analyseren grondwaterstalen

< 100

1

1

1

100 – 2000

2

2

2

Tabel 7: aantal boringen, peilbuizen en analyses bij bovengrondse opslag of een bovengronds reservoir van vloeistoffen

Is de totale oppervlakte van de potentiële verontreinigingsbron groter dan 2000 m²? Splits dan de oppervlakte op in delen van maximaal 2000 m². De potentiële verontreinigingsbron is een bovengrondse bron maar geen opslag of reservoir van vloeistoffen U voert het aantal boringen, peilbuizen en te analyseren stalen uit volgens Tabel 8. Oppervlakte aaneengesloten inneming in m² 3

Aantal boringen (incl. peilbuizen)

Aantal te analyseren stalen van het vaste deel van de aarde

Aantal peilbuizen en aantal te analyseren grondwaterstalen

< 2000

1

1

1

Tabel 8: aantal boringen, peilbuizen en analyses bij een bovengrondse bron, anders dan een opslag of een reservoir van vloeistoffen

Is de totale oppervlakte van de potentiële verontreinigingsbron groter dan 2000 m²? Splits dan de oppervlakte op in delen van maximaal 2000 m². 4.3.3.1.2

Verdachte zone waar de potentiële verontreinigingsbron aanleiding kan geven tot een heterogeen verspreide verontreiniging en de potentiële verontreinigingsbron NIET gelokaliseerd kan worden

U past deze bemonsteringsstrategie toe als u op basis van de voorstudie een concentratiegradiënt in het horizontale vlak verwacht maar u de potentiële verontreinigingsbron niet kan situeren binnen een zone van 200 m². U voert het aantal boringen, peilbuizen en te analyseren stalen uit volgens Tabel 9.

2 3

De individuele oppervlakte die de potentiële verontreinigingsbron aaneengesloten inneemt. De individuele oppervlakte die de potentiële verontreinigingsbron aaneengesloten inneemt.

24


Oppervlakte aaneengesloten Aantal boringen inneming in ha 4 (incl. peilbuizen)

Aantal te analyseren stalen van het vaste deel van de aarde

Aantal peilbuizen en aantal te analyseren grondwaterstalen

< 0,5

3

3

2

0,5 – 2

4

4

3

2–6

6

6

5

Tabel 9: aantal boringen, peilbuizen en analyses bij heterogeen verspreide verontreiniging waarbij de bron niet kan worden gelokaliseerd

Is de totale oppervlakte van de potentiële verontreinigingsbron groter dan 6 hectare? Splits dan de oppervlakte op in delen van maximaal 6 hectare. 4.3.3.1.3 Lozing met of zonder waterzuivering Indien afvalwater afkomstig van PFAS-verdachte activiteiten geloosd wordt/werd op oppervlaktewater dan is bijkomend onderzoek ter hoogte van het lozingspunt noodzakelijk (indien grenzend aan terrein en makkelijk toegankelijk). U analyseert een slibstaal van deze waterloop en/of een oeverstaal (mogelijke slibdeponie) ter hoogte van het lozingspunt op PFAS. 4.3.3.1.4 Stortplaats Indien een stortplaats op de onderzoekslocatie aanwezig is waarvoor bijkomend PFAS-onderzoek noodzakelijk is, analyseert u 1 peilbuis met filter onder het stort en minimaal 3 peilbuizen rondom het stort, waarvan 1 stroomopwaarts en 2 stroomafwaarts5. 4.3.3.1.5 Afvalverbranding Indien een afvalverbrandingsinstallatie aanwezig is waarvoor bijkomend PFAS-onderzoek noodzakelijk is, wordt bemonstering uitgevoerd om (voormalige) depositie van PFAS als gevolg van mogelijke onvolledige verbranding te controleren. Er wordt minimaal 1 bodemmengmonster bestaande uit 10 deelstalen (0 - 15 cmmv) per windrichting genomen voor analyse op PFAS. Stalen worden genomen op het perceel. Indien er aanwijzingen zijn voor atmosferische depositie dan moet dit in het besluit van het rapport vermeld worden. 4.3.3.2 Omgeving Verontreiniging ter hoogte van PFAS-verdachte risicolocaties zal zich voornamelijk gravitair in de bodem en via het grondwater en niet via atmosferische depositie verspreiden. U moet steeds grondig evalueren of staalnames (zie 4.3.2.2) ter hoogte van de perceelsgrenzen in de fase van verkennend bodemonderzoek al dan niet relevant/noodzakelijk zijn (m.u.v. afvalverbranding, zie 4.3.3.1.5). Als er op de onderzoekslocatie gevoelige receptoren aanwezig zijn (zie 4.3.2.2), dan neemt u steeds bijkomende toplaagstalen/bodemmengmonsters.

4

De individuele oppervlakte die de verdachte zone inneemt. Voor een stortplaats is het voldoende om enkel het grondwater te onderzoeken op PFAS om na te gaan of uitloging aanwezig is vanuit de stortplaats. Het is niet noodzakelijk om het stortmateriaal zelf te onderzoeken op de aanwezigheid op PFAS omwille van het diffuus karakter van een stortplaats. 5

25


Indien er in onmiddellijke omgeving van de onderzoekslocatie (≤ 100 m) gevoelige receptoren (zie 4.3.2.2) aanwezig zijn en u bent van oordeel dat bijkomende toplaagstalen/bodemmengmonsters niet noodzakelijk zijn, neemt u een motivatie op in het rapport. 4.3.3.3 Grondwater Voor grondwater dieper dan 5 m verwijzen we naar strategie 7 van de standaardprocedure OBO om te evalueren of het plaatsen van peilbuizen voor het bemonsteren van het grondwater al dan niet noodzakelijk is.

4.3.4 Algemene voorwaarden Het is in een verkennend onderzoek niet de doelstelling om staalnames op buurterreinen uit te voeren, dit kadert in een beschrijvend bodemonderzoek. Enige uitzondering hiervoor is het eventuele onderzoek van het lozingspunt (zie 4.3.3.1.3). Peilbuizen worden niet-snijdend met de grondwatertafel geplaatst. Indien reeds snijdende peilbuizen aanwezig zijn van voorgaande onderzoeken, kunnen deze in het verkennend bodemonderzoek ook gebruikt worden. Indien de onderzoekslocatie een voormalige risico-locatie betreft die intussen een ander gebruik heeft gekregen, dan is het noodzakelijk om de situatie ter plaatse te evalueren (ophoging, nieuwe gebouwen, …) en de bemonsteringsstrategie aan te passen. Dit in functie van oppervlakte van het terrein om zo een homogeen mogelijke spreiding te krijgen van boringen op de onderzoekslocatie. 4.3.4.1 Grondwaterwinningen Indien vergunde of niet-vergunde grondwaterwinningen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, dan evalueert u of een bemonstering van deze winning relevant is, op basis van de ligging op de locatie en de diepte (ondiepe winningen tot minimaal 10 m-mv worden relevant geacht).

4.3.5 Veldwerk en analyses Voor de bepaling van per- en polyfluorverbindingen (PFAS) in bodem en sediment is CMA/3/D (ontwerpversie 11/2021) de referentie voor rechtsgeldige meetresultaten. Aan de labo’s wordt gevraagd volgende analyses op PFAS uit te voeren op het vaste deel van de aarde/slibstalen: - de kwantitatieve parameters (lijst Tabel 1 uit CMA/3/D); - de indicatieve parameters (lijst Tabel 2 uit CMA/3/D). U rapporteert zowel de kwantitatieve als de indicatieve parameters. Voor de bepaling van per- en polyfluorverbindingen (PFAS) in drink-, grond- en oppervlaktewater is WAC/IV/A/025 (ontwerpversie 11/2021) de referentie voor rechtsgeldige meetresultaten.

26


Aan de labo’s wordt gevraagd volgende analyses op PFAS op het grondwater uit te voeren: - de kwantitatieve parameters (lijst Tabel 1 uit WAC/IV/A/025); - de indicatieve parameters (lijst Tabel 2 uit WAC/IV/A/025). U rapporteert zowel de kwantitatieve als de indicatieve parameters. Bij grootschalige opdrachten kan de analyse van de indicatieve parameters op 50% van de stalen gebracht worden in overleg met de OVAM.

4.4 INTERPRETATIE EN EVALUATIE 4.4.1 Toetsingskader Voor de toetsingswaarden voor PFAS verwijzen naar het document ‘Toetsingswaarde voor PFOS en PFOA in bodem en voor PFAS in grondwater - Aanvulling bij Basisinformatie voor risico-evaluaties publicatiedatum / 04.04.2022’ (OVAM, 2022);

4.4.2 Evaluatie van de analyseresultaten U bespreekt de toetsing van de analyseresultaten en gaat na of de gemeten waarden overeenstemmen met de zintuiglijke waarnemingen (schuimvorming of andere viscositeit) en de verwachte verontreiniging op basis van de voorstudie.

4.4.3 Methodologie duidelijke aanwijzing voor een ernstige bodemverontreiniging (DAEB) voor PFAS-verontreiniging In volgende gevallen wordt de methodologie DAEB gebruikt: - Vaste deel van de aarde: - van zodra de 80% van een individuele toetsingswaarde bodemsaneringsnorm (BSN) voor één of meerdere individuele PFAS-parameters overschreden wordt; EN/OF - van zodra de som van (een deel van) kwantitatieve PFAS-parameters een van toepassing zijnde toetsingswaarde richtwaarde voor PFAS (som) overschrijdt; EN/OF - Indien geen toetsingswaarde richtwaarde voor PFAS (som) voor handen is: van zodra de detectielimiet van een individuele kwantitatieve PFAS-parameter overschreden wordt. -

Grondwater: - van zodra 80% van een individuele toetsingswaarde bodemsaneringsnorm (BSN) voor één of meerdere individuele parameters overschrijden wordt; EN/OF - van zodra de som van (een deel van) kwantitatieve PFAS-parameters een van toepassing zijnde toetsingswaarde richtwaarde voor PFAS (som) overschrijdt; EN/OF - Indien geen toetsingswaarde richtwaarde voor PFAS (som) voor handen is: van zodra de detectielimiet van een individuele kwantitatieve PFAS-parameter overschreden wordt.

27


Voor de toetsingswaarden die van toepassing zijn op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol verwijst de OVAM naar het document ‘Toetsingswaarden voor PFOS en PFOA in de bodem en voor PFAS in het grondwater - Aanvulling bij Basisinformatie voor risico-evaluaties publicatiedatum / 04.04.2022 (OVAM, april 2022)’. Bij het indienen van rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden6. U bepaalt of er sprake is van een duidelijke aanwijzing voor een ernstige bodemverontreiniging (DAEB). U gebruikt hiervoor de methodologie beschreven in de “Code van goede praktijk voor DAEB – risico-evaluaties”. In onderstaande paragrafen zijn specifieke aspecten voor de DAEB-methodologie voor een verontreiniging met PFAS opgenomen. Indien in de “Code van goede praktijk voor DAEB – risico-evaluaties” voor PFAS een DAEBmethodologie opgenomen is, past u deze toe. U doorloopt de DAEB methodologie per verontreinigingskern/verdachte zone. U doet dus een uitspraak per verontreinigingskern/verdachte zone. Als voor een verontreinigingskern/verdachte zone meerdere bestemmingstypes van toepassing zijn houdt u rekening met het strengste bestemmingstype. 4.4.3.1 Blok 1: verontreiniging in het vaste deel van de aarde U gebruikt blok 1 om na te gaan of er een duidelijke aanwijzing van een ernstige bodemverontreiniging is in het vaste deel van de aarde.

6

Op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol doorloopt u voor respectievelijk het vaste deel van de aarde de DEAEB-methodologie bij een overschrijding van de 80 % toetsingswaarde bodemsaneringsnorm voor PFOS en PFOA en bij overschrijding van de toetsingswaarde richtwaarde voor PFAS som kwantitatief (8 µg/kg ds) en voor respectievelijk het grondwater indien u een meetbare waarde (> detectielimiet) vaststelt voor een individuele kwantitatieve PFAS-parameter.

28


Index BID

Mogelijke aanwezigheid puur product Nee Vermoeden Ja

Waarde BID

Specifieke toelichting voor invulling PFAS verontreiniging 0 PFAS hebben echter amfifiele eigenschappen (zowel hydrofiel als hydrofoob, zie bespreking in hoofdstuk 2.2) waardoor ze de 75 mogelijkheid hebben om enerzijds te groeperen bij grensvlakken en anderzijds micellen te vormen. Hierdoor kunnen ze accumuleren in 100 de grensvlakken tussen grondwater (hydrofiel) en bodemlucht (hydrofoob). Door vorming van micellen kunnen ze eveneens samenklonteren bij concentraties ruim onder de kritische micelconcentratie. Als er specifieke vaststellingen gedaan worden (bv. de aanwezigheid van schuim, …) kent u een score van 75 toe voor index BID. Indien zintuiglijk geen specifieke vaststellingen worden gedaan, kent u score 0 toe.

Index BIO

Overschrijdingsfactor CIb (*) CIb < 0,8 0,8 ≤ CIb ≤ 2 2 < CIb ≤ 4 4 < CIb ≤ 6 CIb > 6

Waarde BIO 0 75 100 125 150

(*) Methode om CIb te bepalen: zie hoofdstuk 4.4.3.1.1

Index BIV

Voorzorgsmaatregelen nodig (*) Geen Nodig/handhaven

Waarde BIV 0 Voorzorgsmaatregelen zijn maatregelen om mens of milieu tijdelijk te beschermen tegen de gevaren van de bodemverontreiniging in 150 afwachting van bodemsaneringswerken. De voorlopige “no regret” maatregelen die opgelegd worden in de omgeving van PFAS verdachte locaties vallen niet onder deze index. De beoordeling van de noodzaak van voorzorgsmaatregelen gebeurt conform het bodemdecreet.

(*) Opgelegd door de overheid of vrijwillig uitgevoerd.

Index BIA

Andere criteria die aanleiding geven tot DAEB Nee Ja - argumenten tot beslissing DAEB Ja – argumenten tot beslissing geen DAEB

Waarde BIA 0 Indien op een terrein met bestemmingstype V een overschrijdingsfactor CIb wordt vastgesteld boven de 0.5 en de bestemmingstypes +50/100 (of het effectief gebruik) van de aanpalende terreinen betreft niet bestemmingstype V, dan kent U een waarde +100 toe. -50 Indien in het slibstaal een overschrijdingsfactor CIb wordt vastgesteld boven de 0.8, kent u een waarde +100 toe. Deze lijst is niet limitatief, zie ook de andere criteria zoals vermeld in de standaardprocedure voor OBO en/of de code van goede praktijk voor DAEB – risico-evaluaties.

29


4.4.3.1.1

Criterium overschrijdingsfactoren CIb (index BIO)

De concentratie-index CIb bepalen U bepaalt de concentratie-index voor het vaste deel van de aarde (CIb) door enerzijds rekening te houden met de individuele PFAS-parameters waarvoor een individuele toetsingswaarde BSN bestaat en anderzijds op het niveau van de som van de kwantitatieve PFAS-parameters waarvoor er geen individuele toetsingswaarde BSN bestaat. Enkel de concentraties boven detectielimiet worden in rekening gebracht. Voor de individuele PFAS-parameters waarvoor een individuele toetsingswaarde BSN bestaat, gebruikt u de maximaal vastgestelde individuele concentratie. Voor de individuele PFAS-parameters waarvoor er geen individuele toetsingswaarde BSN voor handen is, maakt u gebruik van de individuele concentraties uit het staal van het vaste deel van de aarde met de hoogste (deel)somconcentratie voor (een deel van) de kwantitatieve PFAS-parameters. Voor de toetsingswaarden die van toepassing zijn op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol verwijst de OVAM naar het document ‘Toetsingswaarden voor PFOS en PFOA in de bodem en voor PFAS in het grondwater - Aanvulling bij Basisinformatie voor risico-evaluaties publicatiedatum / 04.04.2022 (OVAM, april 2022)’. Bij het indienen van de rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden. U vermeldt de berekening van de CIb met bijhorende onderbouwing in het rapport. 𝐶𝑃𝐹𝐴𝑆 = ∑𝑛𝑖=1 𝐶𝑖𝑔𝑡𝑤𝑏 waarbij Cigtwb = concentratie in het vaste deel van de aarde voor de parameter i, behorende tot (een deel van) de kwantitatieve PFAS-parameters waarvoor geen individuele toetsingswaarde BSN voor het vaste deel van de aarde bestaat

30


De concentratie-index CIb wordt als volgt berekend:

𝐶

𝑃𝐹𝐴𝑆 𝐶𝐼𝑏 = ∑𝑛𝑖=1 𝑇𝑆𝑊

𝑎𝑡𝑤𝑏

+ ∑𝑛𝑖=1

𝐶𝑖𝑡𝑤𝑔𝑤 𝑇𝑆𝑊𝑖𝑡𝑤𝑏

waarbij CIb = concentratie-index PFAS in het vaste deel van de aarde CPFAS = (deel)somconcentratie voor (een deel van) de kwantitatieve PFAS-parameters waarvoor geen individuele toetsingswaarde BSN voor het vaste deel van de aarde bestaat TSWatwb = van toepassing zijnde toetsingswaarde BSN voor het vaste deel van de aarde, ofwel voor (een deel van) van PFAS-parameters, ofwel de strengste individuele PFAS-parameter Citwb = maximale concentratie voor de parameter i in het vaste deel van de aarde waarvoor wel een individuele toetsingswaarde BSN bestaat TSWitwb = individuele toetsingswaarde BSN vaste deel van de aarde voor parameter i

Voor de evaluatie van slibstalen wordt rekening gehouden met het bestemmingstype van het naastliggende perceel (strengste bestemmingstype als meerdere van toepassing zijn). Concreet voorbeeld7 Op de onderzoekslocatie gelegen in woonzone zonder aanwezigheid van moestuin of kippen met vrije uitloop worden voor het vaste deel van de aarde de volgende maximale concentratie vastgesteld: -

PFOS: 16 µg/kg ds (maximaal vastgestelde concentratie in een staal van boring B3); PFOA: 5 µg/kg (maximaal vastgestelde concentratie in een staal van boring B5); (deel)som PFAS (kwantitatieve parameters m.u.v. PFOS en PFOA): 113 µg/kg ds (maximale (deel)somconcentratie in een staal van boring B2); toetsingswaarde BSN PFOS (BS III zonder aanwezigheid van moestuin of kippen met vrije uitloop): 18 µg/kg ds; toetsingswaarde BSN PFOA (BS III zonder aanwezigheid van moestuin of kippen met vrije uitloop): 89 µg/kg ds;

Vermits er geen toetsingswaarde BSN voor handen is op het niveau van PFAS (som) wordt getoetst aan de strengste toetsingswaarde BSN voor een individuele parameter, in dit geval de toetsingswaarde voor PFOS. CIb = 16/18 (PFOS) + 5/89 (PFOA) + 113/18 (som PFAS kwantitatieve parameters m.u.v. PFOS en PFOA) = 7,2. 4.4.3.2 Blok 2: verontreiniging in het grondwater U gebruikt blok 2 om na te gaan of er een duidelijke aanwijzing van een ernstige bodemverontreiniging is in het grondwater.

7

De in de voorbeelden gebruikte toetsingswaarden zijn deze die van toepassing zijn op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol. Bij het indienen van de rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden.

31


Index ID of IZ

Mogelijke aanwezigheid drijflaag/zaklaag of puur product

Waarde ID

Nee Vermoeden Ja

Specifieke toelichting voor invulling PFAS verontreiniging 0 PFAS hebben amfifiele eigenschappen (zowel hydrofiel als hydrofoob, zie 75 bespreking in hoofdstuk 2.2) waardoor ze de mogelijkheid hebben om enerzijds 100 te groeperen bij grensvlakken en anderzijds micellen te vormen. Hierdoor kunnen ze accumuleren in de grensvlakken tussen grondwater (hydrofiel) en bodemlucht (hydrofoob). Door vorming van micellen kunnen ze eveneens samenklonteren bij concentraties ruim onder de kritische micelconcentratie. Als er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van hoge concentraties in het grondwater (bv. de aanwezigheid van schuim, een afwijkende viscositeit van het grondwater, …) kent u een score van 75 toe. Indien zintuiglijk geen specifieke vaststellingen worden gedaan, kent u score 0 toe.

Index IO

Overschrijdingsfactoren CIgw (*) CIgw < 0,8 0,8 ≤ CIgw ≤ 2 2 < CIgw ≤ 4 4 < CIgw ≤ 6 CIgw > 6

Waarde IO 0 20 50 75 100

(*) Methode om CIgw te bepalen: zie hoofdstuk 4.4.3.2.1

Index IE

Index IW

Kans op overschrijding van de perceelsgrens Nooit Mogelijke overschrijding Aanwezigheid grondwaterwinning (*) Type winning Vermoeden nadelig effect Gelegen op < 100 m van de potentiële verontreinigingsbron Gelegen op < 200 m van de potentiële verontreinigingsbron Gelegen op < 500 m van de potentiële verontreinigingsbron Gelegen op > 500 m van de potentiële verontreinigingsbron

Waarde IE 0 25 Waarde IW Drinkwater Andere 100 100 100 50 75 30 50 20 0 0

Zie code van Goede praktijk DAEB voor omschrijving criteria.

Zie code van Goede praktijk DAEB voor omschrijving criteria.

(*) U houdt rekening met elk type winning. Diepere winningen in duidelijk afgescheiden waterlagen neemt u niet mee op; U bepaalt de afstand tot de bron van de verontreiniging.

Index IM

Index IK

Mobiliteit van de verdachte stoffen in functie van de oplosbaarheid S Zeer mobiel (S ≥ 100.000 mg/l) Mobiel (S ≥ 1000 mg/l) Middelmatig mobiel (S ≥ 10 mg/l) Weinig mobiel (S > 0,1 mg/l) Zeer weinig mobiel (S < 0,1 mg/l) Onbekend Aard van de ondergrond – grondwaterkwetsbaarheidsgraad (*) Weinig kwetsbaar Matig kwetsbaar Kwetsbaar Zeer kwetsbaar Uiterst kwetsbaar

Waarde IM 50 40 30 20 10 40

Stoffen worden volgens hun oplosbaarheid ingedeeld in mobiliteitsklassen (zeer mobiel, mobiel, middelmatig mobiel, weinig mobiel, zeer weinig mobiel). Aangezien de oplosbaarheid niet voor alle PFAS gekend is en de oplosbaarheid veelal afhangt van de vorm waarin ze voorkomen (bv. de zoutvorm die voor sommige PFAS de meest voorkomende vorm is bij neutrale pH), worden deze stoffen ingedeeld in de categorie mobiel. Indien de oplosbaarheid gekend is uit de literatuur voor de aanwezige PFAS, wordt steeds rekening gehouden met de hoogste waarde.

Waarde IK 5 10 15 20 25

Zie code van Goede praktijk DAEB voor omschrijving criteria.

(*) U leidt de kwetsbaarheid niet enkel af van de kwetsbaarheidskaart maar ook aan de hand van de veldgegevens en uw interpretatie.

32


Index IP

Index IV

Bedreiging oppervlaktewater (*) Oppervlaktewater op minder dan 100 m van de verontreiniging Oppervlaktewater op minder dan 200 m van de verontreiniging Oppervlaktewater op meer dan 200 m van de verontreiniging Geen bedreiging Zeker bedreiging Voorzorgsmaatregelen nodig (*) Geen Nodig/handhaven

Waarde IP 20 10 0 0 30

Zie code van Goede praktijk DAEB voor omschrijving criteria.

Waarde IV 0 Voorzorgsmaatregelen zijn maatregelen om mens of milieu tijdelijk te 150 beschermen tegen de gevaren van de bodemverontreiniging in afwachting van bodemsaneringswerken. De voorlopige “no regret” maatregelen die opgelegd worden in de omgeving van PFAS verdachte locaties vallen niet onder deze index. De beoordeling van de noodzaak van voorzorgsmaatregelen gebeurt conform het Bodemdecreet.

(*) Opgelegd door de overheid of vrijwillig uitgevoerd.

Index IVL

Index IA

Risico door vervluchtiging Nee Ja

Waarde IVL

Andere criteria die aanleiding geven tot DAEB (*) Nee Ja - argumenten tot beslissing DAEB Ja – argumenten tot beslissing geen DAEB

Waarde IA

0 100

Minder van toepassing voor PFAS. Standaard score 0

0 +100 -100

Zie code van Goede praktijk DAEB voor omschrijving criteria.

Tabel 10: Bepaling van de waarde van de indices voor een verontreiniging met PFAS in het grondwater

33


4.4.3.2.1

Criterium overschrijdingsfactoren (CIgw) (index IO)

De concentratie-index CIgw bepalen U bepaalt de concentratie-index voor het grondwater (CIgw) door enerzijds rekening te houden met de individuele PFAS-parameters waarvoor een individuele toetsingswaarde BSN bestaat en anderzijds op het niveau van de som van de kwantitatieve PFAS-parameters waarvoor er geen individuele toetsingswaarde BSN bestaat. Enkel de concentraties boven detectielimiet worden in rekening gebracht. Voor de individuele PFAS-parameters waarvoor een individuele toetsingswaarde BSN bestaat, gebruikt u de maximaal vastgestelde individuele concentratie. Voor de individuele PFAS-parameters waarvoor er geen individuele toetsingswaarde BSN voor handen is, maakt u gebruik van de individuele concentraties uit het grondwaterstaal met de hoogste (deel)somconcentratie voor (een deel van) de kwantitatieve PFAS-parameters. Voor de toetsingswaarden die van toepassing zijn op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol verwijst de OVAM naar het document ‘Toetsingswaarden voor PFOS en PFOA in de bodem en voor PFAS in het grondwater - Aanvulling bij Basisinformatie voor risico-evaluaties publicatiedatum / 04.04.2022 (OVAM, april 2022)’. Bij het indienen van de rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden. U vermeldt de berekening van de CIgw met bijhorende onderbouwing in het rapport. 𝐶𝑃𝐹𝐴𝑆 = ∑𝑛𝑖=1 𝐶𝑖𝑔𝑡𝑤𝑔𝑤 waarbij Cigtwgw = concentratie in het grondwater voor de parameter i, behorende tot (een deel van) de kwantitatieve PFAS-parameters waarvoor geen individuele toetsingswaarde BSN voor het grondwater bestaat

De concentratie-index CIb wordt als volgt berekend:

𝐶𝐼𝑔𝑤 = ∑𝑛𝑖=1

𝐶𝑃𝐹𝐴𝑆 𝑇𝑆𝑊𝑎𝑡𝑤𝑔𝑤

+ ∑𝑛𝑖=1

𝐶𝑖𝑡𝑤𝑔𝑤 𝑇𝑆𝑊𝑖𝑡𝑤𝑔𝑤

𝑖

waarbij CIgw = concentratie-index PFAS in het grondwater CPFAS = (deel)somconcentratie voor (een deel van) de kwantitatieve PFASparameters waarvoor geen individuele toetsingswaarde BSN voor het grondwater bestaat TSWatwgw = van toepassing zijnde toetsingswaarde BSN voor het grondwater, ofwel voor (een deel van) van PFAS-parameters, ofwel de strengste individuele PFAS-parameter Citwgw = maximale concentratie voor de parameter i in het grondwater waarvoor wel een individuele toetsingswaarde BSN bestaat TSWitwgw = individuele toetsingswaarde BSN grondwater voor parameter i 34


Concreet voorbeeld8 Op een onderzoekslocatie gelegen in woonzone zonder aanwezigheid van moestuin of kippen met vrije uitloop worden voor het grondwater de volgende maximale concentratie vastgesteld: -

-

PFOS: 85 ng/l (hoogste individuele concentratie in grondwaterstaal van peilbuis PB3); PFOA: 26 ng/l (hoogste individuele concentratie in grondwaterstaal van peilbuis PB4); (deel)somconcentratie PFAS (20 EU DWRL / aandeel 16 kwantitatieve parameters9): 326 ng/l (hoogste (deel)somconcentratie in het grondwater ter hoogte van peilbuis PB1); (deel)somconcentratie PFAS (som kwantitatief m.u.v. 20 EU DWRL / aandeel 16 kwantitatieve parameters): 152 ng/l (hoogste (deel)somconcentratie in het grondwater ter hoogte van peilbuis PB2); toetsingswaarde BSN PFAS (20 EU DWRL): 100 ng/l. Hier toegepast voor de (deel)somconcentratie PFAS (20 EU DWRL / aandeel 16 kwantitatieve parameters); toetsingswaarde BSN PFAS (som totaal): 500 ng/l. Hier toegepast voor de (deel)somconcentratie PFAS (som kwantitatief m.u.v. 20 EU DWRL / aandeel 16 kwantitatieve parameters 10).

Vermits er momenteel voor geen enkele individuele PFAS-parameter een individuele toetsingswaarde BSN voor het grondwater bestaat (ook niet voor PFOS en PFOA) wordt er enkel getoetst voor de relevante groepsparameters. CIgw = 326/100 (20 EU DWRL / aandeel 16 kwantitatieve parameters) + 152/500 (som kwantitatief m.u.v. 20 EU DWRL / aandeel 16 kwantitatieve parameters) = 3,6.

4.4.4 Prioriteitsklasse U bepaalt per onderzoekslocatie de prioriteitsklasse, de prioriteit dient enkel bepaald te worden als er effectief sprake is van een DAEB voor het vaste deel van de aarde en/of het grondwater: - U baseert zich hiervoor op de DAEB-score blok 1 (vaste deel van de aarde) en blok 2 (grondwater); - U bepaalt een aanvullende score met betrekking tot (slechts eenmalig en niet afzonderlijk voor bodem en grondwater) volgende aspecten: - bestemmingstype omliggende percelen (score BS); - specifieke omgevingskenmerken (score OM); - overschrijdingsfactoren vaste deel (score OV); - overschrijdingsfactoren grondwater (score GW). De prioriteitsklasse zal bepaald worden door de som van de DAEB-scores en de aanvullende scores. In het rapport vermeldt u deze 4 aanvullende scores duidelijk.

8

De in de voorbeelden gebruikte toetsingswaarden zijn deze die van toepassing zijn op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol. Bij het indienen van de rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden. 9 Op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol zijn er van de 20 PFAS-parameters die opgenomen zijn in de groep ’20 EU DWRL’ 16 te beschouwen als kwantitatieve parameters en 4 als indicatieve parameters. Voor de weging aan de toetsingswaarde van 100 ng/l moet dan ook enkel rekening gehouden worden met deze 16 kwantitatieve parameters. De 4 indicatieve parameters moeten dus niet mee gewogen worden. 10 Op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol zijn er volgens het WAC 30 kwantitatieve PFAS-parameters. De 14 kwantitatieve parameters die niet opgenomen zijn in ’20 EU DWRL’ worden gewogen aan de toetsingswaarde van 500 ng/l.

35


De aanvullende score omvat: 1. Score BS bestemmingstype naburige percelen: de score is afhankelijk van het bestemmingstype én van de afstand waarop dat bestemmingstype voorkomt (aanpalend, <100 m, >100m) (zie Tabel 7). U evalueert de omgeving van de onderzoekslocatie in de verschillende windrichtingen en op verschillende afstand. U neemt de hoogste score voor verdere evaluatie, dus niet cumulatief voor verschillende windrichtingen. Bijvoorbeeld: de aanpalende bestemmingstypes van de onderzoekslocatie zijn industriegebied (score 0) maar in oostelijke en westelijke richting is op minder dan 100 meter landbouwgebied aanwezig (score +100) dan is eindscore BS +100.

aanpalend < 100 m < 500 m

Type I (natuur) +50 +50 0

Type II (landbouw) +100 +100 +50

Type III (woonzone) +100 +100 +50

Type IV (recreatie) +50 +50 0

Type V (industrie) 0 0 0

Tabel 11: aanvullende scores voor aanpalende bestemmingstypes

2. Score OM specifieke omgevingskenmerken- impact op receptoren: op basis van de terrein specifieke omstandigheden kent u een bijkomende score toe. U evalueert de aanwezigheid van oppervlaktewater en gevoelige receptoren in de omgeving. Voor oppervlaktewater hanteert u Tabel 12.

Op de onderzoekslocatie of aanpalend < 100 m < 500 m

Oppervlaktewater +150 +100 +50

Tabel 12: aanvullende scores voor aanwezigheid van oppervlaktewater

Voor de aanwezigheid van gevoelige receptoren in de omgeving hanteert u Tabel 13. U evalueert de aanwezigheid van deze receptoren en de afstand tot de onderzoekslocatie. Enkel de receptor die aanleiding geeft tot de hoogste score wordt verder in rekening gebracht. De waardes uit Tabel 13 dienen niet opgeteld te worden. School, kinderdagverblijf, Speeltuin, Moestuin (Klein)vee* ziekenhuis, sportterrein zorginsinstelling Op de onderzoekslocatie Aanpalend < 100 m < 500 m

+200

+200

+200

+200

+150 +100 +50

+150 +100 +50

+150 +100 +50

+150 +50 +25

*voor menselijke consumptie (incl. eieren van pluimvee) Tabel 13: aanvullende scores voor gevoelige receptoren

De score OM is de som van de score voor oppervlaktewater uit Tabel 12 en de maximale score voor de gevoelige receptor uit Tabel 13.

36


Bijvoorbeeld: aanpalend aan onderzoekslocatie komt oppervlaktewater en een moestuin voor. Op <100 m bevindt zich een speeltuin. De score OM is hier gelijk aan 300 (+150 voor aanpalend oppervlaktewater, +150 voor aanpalend moestuin (de hoogste score uit Tabel 13)). 3. Score OV (overschrijdingsfactoren vaste deel) De overschrijdingsfactor voor de som van de totale PFAS-parameters (de kwantitatieve + de indicatieve parameters) wordt telkens berekend op dezelfde manier zoals de CIb van de DAEB-methodiek. De overschrijdingsfactor bepaalt de aanvullende score (zie Tabel 14). Voor de individuele PFAS-parameters waarvoor er geen individuele toetsingswaarde BSN voor handen is, maakt u in dit geval gebruik van de individuele concentraties uit het staal van het vaste deel van de aarde met de hoogste (deel)somconcentratie voor (een deel van) de kwantitatieve en de indicatieve PFAS -parameters. -

Bodemgrensstaal: het sterkst verontreinigde grensstaal (toplaagstaal zo dicht mogelijk bij perceelsgrens): de overschrijdingsfactor van het desbetreffende grensstaal wordt bepaald op basis van de toetsingswaarden BSN voor het bestemmingstype van het naastliggende perceel (strengste bestemmingstype als meerdere van toepassing zijn). Bijvoorbeeld: aanpalend aan de onderzoekslocatie bevindt zich landbouwgebied (Type II). Op basis van de meest verontreinigde boring/bodemmengstaal het dichtst bij de perceelsgrens wordt een CIb (PFAS kwantitatief + indicatief) bepaald van 6,6. Er wordt een waarde toegekend voor het bodemgrensstaal van +15011. Indien er geen stalen dicht bij de perceelsgrens genomen werden, dan dient een waarde van +100 worden toegekend indien het bestemmingstype of werkelijk gebruik van het naastgelegen terrein lager of gelijk is aan type IV.

-

Slibstaal: wegens het ontbreken van een afzonderlijk kader voor de evaluatie van slibstalen wordt de overschrijdingsfactor van het desbetreffende slibstaal bepaald voor het bestemmingstype van het naastliggende perceel (strengste bestemmingstype als meerdere van toepassing zijn). Bijvoorbeeld: voor het slibstaal van de waterloop met een naastliggend perceel is gelegen in woongebied (type III) zonder de aanwezigheid van kippen met vrije uitloop of een moestuin). Er wordt een CIb (PFAS kwantitatief + indicatief) bepaald van 11,1. De toe te kennen waarde voor het slibstaal bedraagt dus +100.12 Indien er geloosd wordt op oppervlaktewater maar er werd geen slibstaal geanalyseerd, dan dient een waarde van +100 worden toegekend.

-

Bodem terreinstaal: het sterkst verontreinigde bodemstaal op de onderzoekslocatie: de overschrijdingsfactor van het desbetreffende bodemstaal wordt getoetst aan het bestemmingstype voor het effectief gebruik van het terrein (strengste bestemmingstype als meerdere van toepassing zijn). Dit is enkel van toepassing als op de onderzoekslocatie zelf receptoren zoals bedoeld in 4.3.2.2. (zoals scholen, kinderdagverblijven, zorginstellingen, individuele of collectieve moestuinen, landbouw, …) effectief aanwezig zijn.

11

de in de voorbeelden gebruikte toetsingswaarden zijn deze die van toepassing zijn op datum van publicatie van het document. Bij het indienen van de rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden 1212 zie vorige voetnoot.

37


Concreet voorbeeld13 Op de onderzoekslocatie is een woning gelegen met moestuin. Voor het vaste deel van de aarde worden de volgende maximale concentraties vastgesteld: -

PFOS: 16 µg/kg ds (maximaal vastgestelde concentratie in een staal van boring B3); PFOA: 5 µg/kg (maximaal vastgestelde concentratie in een staal van boring B5); (deel)somconcentratie PFAS (kwantitatief + indicatief m.u.v. PFOS en PFOA): 157 µg/kg ds (maximale (deel)somconcentratie in een staal van boring B2); toetsingswaarde BSN PFOS (BS III met aanwezigheid van moestuin): 3,8 µg/kg ds; toetsingswaarde BSN PFOA (BS III met aanwezigheid van moestuin): 4,3 µg/kg ds.

Vermits er geen toetsingswaarde BSN voor handen is op het niveau van PFAS (som) wordt getoetst aan de strengste toetsingswaarde BSN voor een individuele parameter, in dit geval de toetsingswaarde voor PFOS. CIb = 16/3,8 (PFOS) + 5/4,3 (PFOA) + 157/3,8 (som PFAS kwantitatief + indicatief m.u.v. PFOS en PFOA) = 42,9. Er wordt een waarde toegekend voor het terreinstaal van +250.14

Overschrijdingsfactor CIb ≤ 1 1 < CIb ≤ 5 5 < CIb ≤ 10 10 < CIb ≤ 15 15 < CIb

Bodem grensstaal (indien van toepassing) 0 +50 +150 +200 +250

Slibstaal (indien van toepassing)

Terreinstaal (indien van toepassing)

0 +50 +100 +100 +150

0 +100 +150 +200 +250

Tabel 14: aanvullende scores voor de overschrijdingsfactor

De score OV is gelijk aan de som van de score bodemgrensstaal, slibstaal en terreinstaal.

4. Score GW (overschrijdingsfactoren grondwater) De overschrijdingsfactor voor de totale som van PFAS-parameters (de kwantitatieve + de indicatieve) wordt telkens berekend op dezelfde manier zoals CIgw van de DAEB. De overschrijdingsfactor bepaalt de aanvullende score (zie Tabel 15).

13

De in de voorbeelden gebruikte toetsingswaarden zijn deze die van toepassing zijn op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol. Bij het indienen van de rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden. 14 zie vorige voetnoot

38


Voor de individuele PFAS-parameters waarvoor er geen individuele toetsingswaarde BSN voor handen is, maakt u gebruik van de individuele concentraties uit het grondwaterstaal met de hoogste (deel)somconcentratie voor (een deel van) de kwantitatieve en de indicatieve PFAS-parameters. Overschrijdingsfactor CIgw ≤ 1 1 < CIgw ≤ 50 50 < CIgw ≤ 150 150 < CIgw ≤ 500 500 < CIgw

grondwater 0 +50 +100 +150 +200

Tabel 15: aanvullende scores voor de overschrijdingsfactor grondwater (GW)

Concreet voorbeeld15 Op een onderzoekslocatie gelegen in woonzone zonder aanwezigheid van moestuin of kippen met vrije uitloop worden voor het grondwater de volgende maximale concentraties vastgesteld: -

PFOS: 85 ng/l (hoogste individuele concentratie in grondwaterstaal van peilbuis PB3); PFOA: 26 ng/l (hoogste individuele concentratie in grondwaterstaal van peilbuis PB4); (deel)somconcentratie PFAS (20 EU DWRL): 352 ng/l (hoogste (deel)somconcentratie in het grondwater ter hoogte van peilbuis PB1); (deel)somconcentratie PFAS (som kwantitatief + indicatief m.u.v. 20 EU DWRL): 242 ng/l (hoogste (deel)somconcentratie in het grondwater ter hoogte van peilbuis PB2); toetsingswaarde BSN PFAS (20 EU DWRL): 100 ng/l. Hier toegepast voor de (deel)somconcentratie PFAS (20 EU DWRL16); toetsingswaarde BSN PFAS (som totaal): 500 ng/l. Hier toegepast voor de (deel)somconcentratie PFAS (som kwantitatief + indicatief m.u.v. 20 EU DWRL17).

Vermits er momenteel voor geen enkele individuele PFAS-parameter een individuele toetsingswaarde BSN voor het grondwater bestaat (ook niet voor PFOS en PFOA) wordt er enkel getoetst voor de relevante groepsparameters. CIgw = 352/100 (20 EU DWRL) + 242/500 (som kwantitatief + indicatief m.u.v. 20 EU DWRL) = 4,0. Op basis daarvan wordt een waarde toegekend voor het score GW van +50.18 De prioriteitsindex is de combinatie van de DAEB-score blok 1 (vaste deel van de aarde), DAEB-score blok 2 (grondwater), BS, OM, OV en GW. Om de prioriteitsklasse te bepalen wordt de som van bovenstaande scores gemaakt. De verschillende scores en de bijhorende berekeningswijze (onderbouwing) worden kort toegelicht in het rapport.

15

De in de voorbeelden gebruikte toetsingswaarden zijn deze die van toepassing zijn op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol. Bij het indienen van de rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden. 16 Bij publicatie van het onderzoeksprotocol worden alle 20 PFAS-parameters (16 kwantitatieve + 4 indicatieve) uit de groep ‘20 EU DWRL’ gewogen aan de toetsingswaarde van 100 ng/l. 17 Op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol zijn er volgens het WAC 30 kwantitatieve en 13 indicatieve PFAS-parameters. De 23 parameters die niet opgenomen zijn in ’20 EU DWRL’ worden gewogen aan de toetsingswaarde van 500 ng/l. 18 De in de voorbeelden gebruikte toetsingswaarden zijn deze die van toepassing zijn op datum van publicatie van het document. Bij het indienen van de rapporten moeten steeds de op dat moment geldende toetsingswaarden gebruikt worden.

39


De prioriteitsindex en -klasse zullen gebruikt worden: - om de prioriteit voor het BBO te bepalen; - door Agentschap Zorg en Gezondheid (AZG) om te kunnen beoordelen of het noodzakelijk is om de ‘no regret’ maatregelen19 al dan niet aan te passen. Voor een overzicht van de ‘no regret’ maatregelen verwijzen we naar https://www.vlaanderen.be/pfas-vervuiling. Tabel 16 geeft een overzicht van de verschillende prioriteitsklassen. Totale score

Klasse

Som ≤ 500 500 < Som ≤ 700 700 < Som ≤ 850 850 < Som ≤ 1000 Som > 1000

5 4 3 2 1

Tabel 16: Overzicht prioriteitsklassen

U voegt een sub-index toe aan de prioriteitsklasse: sub-index ‘a’ voor locaties met een DAEB voor grondwater én een DAEB voor het vaste deel van de aarde; sub-index ‘b’ voor locaties met enkel een DAEB voor het vaste deel van de aarde, en sub-index ‘c’ voor locaties met enkel een DAEB voor het grondwater. Bijvoorbeeld: een locatie die op basis van Tabel 16 in prioriteitsklasse ‘2’ wordt ingedeeld, en waar zowel een DAEB voor grondwater als voor het vaste deel van de aarde is vastgesteld, krijgt als prioriteitscode: ‘2a’.

4.4.5 Veiligheidsmaatregelen en voorzorgsmaatregelen U evalueert de noodzaak tot nemen van veiligheids-en/of voorzorgsmaatregelen (conform het Bodemdecreet). U moet dus geen bijkomende beoordeling/uitspraak voorzien voor de ‘no regret’ maatregelen. Vindt u op basis van terreinwaarnemingen, analyseresultaten,… dat er maatregelen andere dan de ‘no regret’ maatregelen nodig zijn om de mens of het milieu tijdelijk te beschermen tegen de gevaren van de verontreiniging? Bezorg deze bevindingen dan meteen aan de OVAM. U motiveert uw standpunt en geeft aan of de maatregelen onmiddellijk en in afwachting van de bodemsaneringswerken moeten uitgevoerd worden. Bij onmiddellijk gevaar zijn er veiligheidsmaatregelen nodig. Zijn de maatregelen tijdelijk en in afwachting van de bodemsaneringswerken? Dan stelt u voorzorgsmaatregelen voor. Voor de ‘no regret’ maatregelen verwijzen we naar de website https://www.vlaanderen.be/pfasvervuiling-. Voorzorgsmaatregelen of veiligheidsmaatregelen dienen enkel te worden voorgesteld als u van oordeel bent dat de ‘no regret’ maatregelen zoals opgenomen op de hierboven vermelde website niet afdoende zullen zijn. In vele gevallen zullen de ‘no regret’ maatregelen immers al een belangrijk deel van de mogelijke blootstelling aan PFAS wegnemen. Hierbij is het dus zaak om ‘dubbele’ maatregelen zeker te vermijden.

19

no regret maatregelen zijn conservatieve adviezen, uitgevaardigd uit voorzorgsprincipe om mogelijke blootstelling van burgers aan PFAS te vermijden. Het is aan Agentschap Zorg en Gezondheid (AZG) om te beoordelen of het noodzakelijk is om de no regret maatregelen al dan niet aan te passen. De deskundige doet hierover geen uitspraak.

40


Bij de evaluatie van de nood aan voorzorgsmaatregelen houdt u rekening met de toelichting uit de standaardprocedure oriënterend bodemonderzoek, dit houdt in: - In de huidige omstandigheden is er een humaan toxicologisch risico: • Er zijn grondwaterwinningen aanwezig in de onmiddellijke omgeving; • De verontreiniging is aan het maaiveld aanwezig en bij rechtstreeks contact kunnen er schadelijke gevolgen zijn voor de gezondheid van mensen; • Kan de onderzoekslocatie haar huidige functie nog vervullen? -

-

Als er aanwijzingen voor een actueel humaan toxicologisch risico zijn dan toetst u uw bevindingen aan de metingen. Als u een effectief risico vaststelt dan stelt u maatregelen voor die een directe impact hebben op het risico en ingrijpen op de blootstellingsroutes. Voorbeelden: ruimtes afsluiten, terrein afsluiten, gebruik van grondwater verbieden, ... Als er een actueel verspreidingsrisico is dan gaat u na of de bron of oorsprong van de verontreiniging nog aanwezig is. Als de oorsprong nog aanwezig is, dan wordt die buiten gebruik gesteld.

4.5 BEOORDELING U interpreteert en evalueert de onderzoeksresultaten. U beoordeelt de volgende elementen per onderzochte verdachte zone: Is de ontwerp richtwaarde overschreden? Is een duidelijke aanwijzing voor een ernstige bodemverontreiniging (DAEB)? Wat is de bron en aard van de verontreiniging? Wat is de prioriteitsklasse? Zijn er voorzorgsmaatregelen/veiligheidsmaatregelen nodig? Voor elk perceel waarop bodemonderzoek werd uitgevoerd naar de aanwezigheid van PFAS, doet u een uitspraak volgens de doelstelling van dit onderzoeksprotocol.

4.5.1 Beoordelingskader U hanteert het beoordelingskader uit de standaardprocedure voor oriënterend bodemonderzoek. Vanaf u minstens een P-zin of U-zin toekent, onderbouwt u ook de aard van de verontreiniging. Indien aan een van de volgende situaties voldaan is moet u minstens een P-zin of U-zin toekennen:20 - Vaste deel van de aarde: o van zodra de toetsingswaarde richtwaarde voor één of meerdere individuele PFASparameters wordt overschreden; o van zodra de som van (een deel van) de kwantitatieve PFAS-parameters de toetsingswaarde richtwaarde voor (een deel van) PFAS (som) overschrijdt OF indien geen toetsingswaarde richtwaarde voor (een deel van) PFAS (som) voor handen is: van zodra de detectielimiet van een individuele kwantitatieve PFAS-parameter overschreden wordt.

20 20

Op datum van publicatie van het onderzoeksprotocol kent u voor respectievelijk het vaste deel van de aarde minstens een P-zin of U-zin toe bij een overschrijding van de toetsingswaarden richtwaarde voor PFOS (3 µg/kg ds) en PFOA (3 µg/kg ds) en bij overschrijding van de toetsingswaarde richtwaarde voor PFAS som kwantitatief (8 µg/kg ds) en voor respectievelijk het grondwater indien u een meetbare waarde (> detectielimiet) wordt vaststelt voor een individuele kwantitatieve PFAS-parameter.

41


-

Grondwater: o van zodra de toetsingswaarde richtwaarde voor één of meerdere individuele PFASparameters wordt overschreden; o van zodra de som van (een deel van) de kwantitatieve PFAS-parameters de toetsingswaarde richtwaarde voor (een deel van) PFAS (som) overschrijdt OF indien geen toetsingswaarde richtwaarde voor (een deel van) PFAS (som) voor handen is: van zodra de detectielimiet van een individuele kwantitatieve PFAS-parameter overschreden wordt.

4.5.2 Verspreidingsperceel Is de vastgestelde verontreiniging niet tot stand gekomen op de onderzoekslocatie? Dan kan u de onderzochte grond als een verspreidingsperceel aanduiden. Voorbeelden: onderstroming, afstroming, depositie, verwaaiing. U toont aan en onderbouwt dat de bron van de verontreiniging op een ander perceel aanwezig is en dat de vastgestelde verontreiniging bijgevolg op een ander perceel is ontstaan. U duidt het bronperceel of de bron van de verontreiniging aan. Als u op basis van de vastgestelde concentraties beslist dat er verdere maatregelen nodig zijn voor het verspreidingsperceel dan vermeldt u dat in het besluit (W-zin). U moet niet beoordelen of er voor het bronperceel verdere maatregelen nodig zijn.

42


5 RAPPORTAGE EN GEGEVENSOVERDRACHT – ALGEMEEN Het verslag van het verkennend bodemonderzoek bestaat uit: het digitale rapport in pdf-formaat; de alfanumerische gegevens in een xml-bestand (hiervoor wordt verwezen naar de standaardprocedure oriënterend bodemonderzoek). Het verkennend bodemonderzoek wordt als onderzoeksverslag ingediend via het e-loket voor bodemsaneringsdeskundigen. Deze gegevens bezorgt u aan de OVAM via het e-loket voor bodemsaneringsdeskundigen. Meer informatie over de werking van het e-loket vindt u op www.ovam.be. Het verslag van het verkennend bodemonderzoek is pas aan de OVAM aangeleverd als het rapport verschijnt in de lijst van “Doorgestuurde opdrachten”. Het e-loket wordt door de OVAM ter beschikking gesteld voor het aanleveren van digitale gegevens. De OVAM is in geen geval verantwoordelijk voor verlies van data door het gebruik van het e-loket of voor het tijdelijk niet functioneren van het e-loket.

43


6 HET DIGITALE RAPPORT 6.1 DE TITEL VAN HET DIGITALE RAPPORT Verkennend bodemonderzoek PFAS: karakteristieke naam, straat, nummer en gemeente van de onderzoekslocatie

6.2 DE OPBOUW VAN HET DIGITALE RAPPORT U deelt het digitale rapport op in verschillende pdf-bestanden: één pdf-administratieve gegevens één pdf-rapport één pdf-niet-technische samenvatting Technische vereisten voor de pdf-bestanden: Elk bestand moet een tekst-pdf zijn: het pdf-bestand kan worden afgedrukt en de inhoud kan worden geselecteerd en gekopieerd, de inhoud van het kaartmateriaal en de bijlagen moet niet geselecteerd en gekopieerd kunnen worden. Het “pdf - rapport”-bestand heeft een interactieve inhoudstafel met hyperlinks, zodat de lezer snel door het bestand kan navigeren.

44


6.3 PDF-ADMINISTRATIEVE GEGEVENS U brengt de persoonsgebonden informatie tabelmatig samen in het pdf- bestand “pdfadministratieve gegevens” Rapportgegevens Titel: Rapportreferentie: Rapportdatum:

Onderzoekslocatie Straat en nummer (of omschrijving): Postcode: Gemeente:

Opdrachtgever Naam Adres.: Telefoon: E-mail: Hoedanigheid:

☐ Eigenaar ☐ Gebruiker ☐ Exploitant ☐ Optredend in opdracht van de eigenaar/gebruiker/exploitant ☐ Andere:

Contactpersoon Naam: Telefoon: E-mail:

Contactpersoon ter plaatse Naam: Telefoon: E-mail:

Bodemsaneringsdeskundige Naam contactpersoon: Telefoon: E-mail: Label(s): Tabel 17 Administratieve gegevens van het rapport

45


U beschrijft de administratieve gegevens van de gronden volgens Tabel 18.

Gemeente

Periode

Adres

Perceelnummer

Sectie

Gemeentenummer

Persoon (eigenaar/gebruiker/exploitant)

Type1 Van

Naam

Adres

Lettercode2

Tot

Tabel 18 Identificatie van de betrokken gronden

U geeft de gegevens weer van de gevoelige receptoren volgens Tabel 19. Nummer receptor (topografische kaart)

Naam van de gevoelige receptor

Afstand tot de onderzoekslocatie

Adres en contactgegevens

Tabel 19 Gegevens van gevoelige receptoren binnen 500m van de onderzoekslocatie

In de PDF-administratieve gegevens neemt u ook de administratieve bijlage op. Voor alle gekadastreerde en niet-gekadastreerde percelen die u in het rapport opneemt, voegt u de volgende documenten toe: - de kadastrale legger of de uitgebreide lijst van eigenaars en gebruikers; - het kadastraal plan waarop de onderzoekslocatie is aangeduid.

6.4 PDF-NIET TECHNISCHE SAMENVATTING U vat het bodemonderzoek bevattelijk samen in een technische en een niet-technische samenvatting in het pdf-bestand “pdf – niet-technische samenvatting”. De niet-technische samenvatting moet toelaten om mensen, die niet vertrouwd zijn met de bodemmaterie, een beeld te geven van de verontreinigingssituatie. Vermijd het gebruik van technische termen. Afkortingen moeten in de niet-technische samenvatting worden vermeden of verklaard. In de niettechnische samenvatting vermeldt u enkel informatie die ook in het rapport aan bod komt. 46


U geeft deze informatie per kadastraal perceel. Percelen met dezelfde uitspraak mag u samennemen. Dit wordt opgemaakt volgens het volgende sjabloon. U past dit sjabloon toe om tot een heldere, leesbare tekst te komen.

A. TECHNISCHE SAMENVATTING <De OVAM of naam opdrachtgever> gaf opdracht tot het uitvoeren van een specifiek op PFAS gericht verkennend bodemonderzoek op het terrein gelegen aan <adres>. De onderzoekslocatie betreft een <type terrein> (voormalig brandweeroefenterrein/ voormalige brandweerkazerne/terrein waar geblust werd met fluorhoudend schuim bij een calamiteit/PFASverdachte activiteit (omschrijving)/andere (omschrijving)). Het terrein is gelegen <bestemmingstype> (beschrijving bestemmingstype) en wordt binnen een straal van 100 m omgeven door <beschrijving bestemmingstype en eventueel kwetsbare receptoren> (zoals woonwijk, school, speeltuin, scoutsterrein, kinderopvang, zorginstelling, individuele moestuin, collectieve moestuin, waterloop, waterwinning,…) XX m (ten zuiden), XX m (ten westen) en XX m (ten noorden en oosten). Er werden op <X> locaties stalen genomen van het vaste deel van de aarde. De maximale gemeten concentratie is <XXX> µg/kg ds. (individuele parameter) en betreft <een/geen> overschrijding van <de RW, TW met een factor XX>. (Ook verhoogde concentraties van andere PFAS-parameters aangeven + eventuele concentratie ter hoogte van de perceelsgrens richting kwetsbare receptoren. Er werden op <X> locaties stalen genomen van het grondwater. De maximale gemeten concentratie is <XX> ng/l (individuele parameter) en betreft <een/geen> overschrijding van de <de RW, TW, met een factor XX>. (Ook verhoogde concentraties van andere PFAS-parameters aangeven + eventuele concentratie ter hoogte van de perceelsgrens richting kwetsbare receptoren. Op basis van deze voorlopige resultaten is er <een/geen> noodzaak tot verder onderzoek (beschrijvend bodemonderzoek) voor PFAS . Op basis van de resultaten zijn <geen/volgende> voorzorgsmaatregelen/veiligheidsmaatregelen noodzakelijk: <duidelijk vermelden en toelichten>.

B. NIET TECHNISCHE SAMENVATTING Op het terrein gelegen aan <adres> werd een verkennend bodemonderzoek (datum rapport) uitgevoerd om na te gaan of er een PFAS-verontreiniging aanwezig is en of er bijkomend bodemonderzoek nodig is.

47


Kenmerken van de onderzochte locatie: De onderzochte locatie is een <type terrein> (voormalig brandweeroefenterrein/ voormalige brandweerkazerne/terrein waar geblust werd met fluorhoudend schuim), PFAS-verdachte activiteit (omschrijving)/andere (omschrijving)). De locatie is gelegen in <bestemmingstype> (natuurgebied, landbouwgebied, woongebied, industriegebied, recreatiegebied) Binnen een straal van 100 meter bevindt zich een <beschrijving van eventueel kwetsbare receptoren> (zoals woonwijk, school, speeltuin, scoutsterrein, kinderopvang, moestuin, waterloop, waterwinning, …). Resultaat van het verkennend bodemonderzoek: - er is <een/geen> PFAS-verontreiniging aangetoond in het vaste deel van de aarde - er is <een/geen> PFAS-verontreiniging aangetoond in het grondwater - er is <wel/geen> verder bodemonderzoek nodig voor de PFAS-verontreiniging - er zijn <wel/geen> voorzorgsmaatregelen volgens het Bodemdecreet nodig - er zijn <wel/geen> veiligheidsmaatregelen volgens het Bodemdecreet nodig Volgende verdere acties worden ondernomen op initiatief van de OVAM: - Er is geen PFAS-verontreiniging aangetoond, bijgevolg koppelt OAVM geen verdere acties aan het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek - Momenteel gaat de OVAM na wie moet instaan voor de uitvoering van het verder (beschrijvend) bodemonderzoek. Het doel van dergelijk bijkomend onderzoek is om een scherper beeld te krijgen over de omvang en de ernst van de verontreiniging. De doorlooptijd van dergelijke bodemonderzoeken wordt op minimum 8 tot 12 maanden geschat vanaf de opstart ervan. - In afwachting van verder bodemonderzoek worden de betrokkenen ingelicht over de voorzorgsmaatregelen/veiligheidsmaatregelen die voorgesteld werden door de bodemsaneringsdeskundige. Volgende verdere acties worden ondernomen op initiatief van het Agentschap Zorg en Gezondheid: - In afwachting van verder onderzoek wordt het gemeentebestuur geadviseerd over de (No Regret) maatregelen om eventuele blootstelling aan de PFAS-verontreiniging te verminderen. Algemene aandachtspunten voor de bewoners: <bij aanwezigheid van grondwaterverontreiniging > De OVAM verwijst nog naar de ‘Technische richtlijn grondwaterhandelingen’ dd. 28/11/2012 (lhttps://www.ovam.be/sites/default/files/Technische_Richtlijn_Grondwaterhandelingen_28nov201 2.pdf) in kader van meldingen en vergunningen aangaande bemalingen. Dit om de aanwezige grondwaterverontreiniging niet verder te verspreiden en om te vermijden dat verontreinigd grondwater hergebruikt of geloosd wordt.

48


6.5 PDF-RAPPORT U neemt minstens de volgende hoofdstukken op in het pdf-bestand “pdf – rapport”.

6.5.1 Hoofdstuk “Inleiding” U neemt minimaal de volgende gegevens op: de onderzochte gronden en hun adres kadastrale gegevens de aanleiding van het onderzoek

6.5.2 Hoofdstuk “Voorstudie” U geeft een volledig overzicht van de informatie die u verzamelde tijdens de voorstudie.

6.5.3 Hoofdstuk “Bemonsteringsstrategie” De verontreinigingshypothese en de bemonsteringsstrategie vat u samen in Tabel 20.. Eventuele afwijkingen/aanpassingen ten opzichte van het aantal boringen, peilbuizen en te analyseren stalen zoals voorzien in 4.3.2 en 4.3.3 motiveert u grondig. Perceel (opp) Perceel x (0,8 ha)

Perceel y (0,8 ha)

Samenvat ting

Verdachte zone + oppervlakte Brandweeroefenplaats 1 (30 m²) Opslag blusschuim Baden galvanisatie (16 m²) Bovengrondse opslag PFAS galvanisatie (4 m²) Totaal boringen 5

Bodembescherming

Verdachte bodemlaag

Aantal boringen*

Aantal PB* 1

Aantal analyses VDA /topstalen 2

Aantal analyses GW 1

Geen

0-0,3 m-mv

2

Geen Beton

0-0,3 m-mv 0-1 m-mv

1 1

1 1

1 1

1 1

Beton

0-1 m-mv

1

1

1

1

Totaal peilbuizen 4

Tabel 20 samenvatting van de verontreinigingshypothese en de bemonsteringsstrategieën (voorbeeld)

*Boringen en peilbuizen mogen gecombineerd worden.

49


6.5.4 Hoofdstuk “Resultaten van terrein- en laboratoriumonderzoek” U maakt een verslag van de monsternemingen en geeft een overzicht van de analyseresultaten. U neemt de volgende gegevens van de monstername op in het rapport of u verwijst naar de bijlage: de unieke naam van de meetlocatie; de locatie van de meting (voor boringen en peilbuizen is dat de X- en Y-coördinaat volgens het Lambert72-coördinatiestelsel met een maximale afwijking van één meter en de Z-coördinaat die is afgelezen van de topografische kaart); het type meting: boring, peilbuis, … de uitvoerder van de meting; de datum van uitvoering; de gehanteerde techniek; de (verdachte) zone; het perceel; de veldmetingen (voor grondwaterstaalname is dat minimaal de grondwaterstand, zuurtegraad, geleidbaarheid en temperatuur).

U neemt de volgende gegevens van de analyses op in het rapport of u verwijst naar de bijlage: het diepte-interval dat geanalyseerd is; de datum van staalname; het geanalyseerde medium; de naam van het laboratorium; de analyseresultaten; opmerkingen van het laboratorium, met een bespreking. Indien van toepassing toetst u de analyseresultaten aan de streefwaarden, de richtwaarden en de toetsingswaarde bodemsaneringsnormen. De toetsingstabel moet zowel de kwantitatieve als de indicatieve PFAS parameters vermelden. Daarnaast dient ook de som PFAS vermeld te worden: Som van de kwantitatieve PFAS parameters - xml ‘PFAS som (=som Kwantitatief)’; Som van de indicatieve PFAS parameters - xml ‘som PFAS Indicatief'; Som EFSA-421 (enkel voor het vaste deel van de aarde) – xml ‘PFAS (EFSA-4)’; Som 20 EU DWRL22 (enkel voor het grondwater) – xml ‘PFAS (EU DWRL-20)’. Enkele voorbeelden zijn terug te vinden in onderstaande tabellen.

21

4 PFAS parameters waarvoor de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (European Food Safety Authority, EFSA) een gezondheidskundige grenswaarde heeft gepubliceerd: perfluoroctaansulfonzuur (PFOS), perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluornonaanzuur (PFNA) en Perfluorhexaansulfonzuu r (PFHxS) 22 20 PFAS parameters uit de Europese drinkwaterrichtlijn (EU DWRL): Perfluorbutaanzuur (PFBA), Perfluorpentaanzuur (PFPeA), Perfluorhexaanzuur (PFHxA), Perfluorheptaanzuur (PFHpA), Perfluoroctaanzuur (PFOA), Perfluornonaanzuur (PFNA), Perfluordecaanzuur (PFDA), Perfluorundecaanzuur (PFUnDA), Perfluordodecaanzuur (PFDoDA), Perfluortridecaanzuur (PFTrDA), Perfluorbutaansulfonzuur (PFBS), Perfluorpentaansulfonzuur (PFPeS), Perfluorhexaansulfonzuur (PFHxS), Perfluorheptaansulfonzuur (PFHpS), Perfluoroctaansulfonzuur (PFOS), Perfluornonaansulfonzuur (PFNS), Perfluordecaansulfonzuur (PFDS), Perfluorundecaansulfonzuur (PFunDS), Perfluordodecaansulfonzuur (PFDoDS), Perfluortridecaansulfonzuur (PFTrDS)

50


Grondmonster

S

RW

80% BSN

BSN

Max. factor

Eenheid

B1

B2

Gebruikte organische stofgehalte

2

2

Gebruikte kleigehalte

10

10

pH-KCL

7

7

X-coördinaat

xxxxxx,xx

xxxxxx,xx

Y-coördinaat

yyyyyy,yy

yyyyyy,yy

Zone 1

Zone 2

Z-coördinaat Zone Kadastraal perceel

X

Y

Bestemmingstype

III

III

Diepte boring (m -mv)

0,3

0,3

Traject (m -mv)

0,0-0,3

0,0-0,3

Organoleptische waarneming

matig puin

matig puin

Datum bemonstering

xx-xx-xxxx

xx-xx-xxxx

% m/m

76,3

86,9

perfluorbutaanzuur (PFBA)

µg/kg ds

1

0,3

perfluorpentaanzuur (PFPeA)

µg/kg ds

0,3

< 0,2

perfluorhexaanzuur (PFHxA)

µg/kg ds

< 0,2

< 0,2

perfluorheptaanzuur (PFHpA)

µg/kg ds

< 0,2

< 0,2

BODEMKUNDIGE ANALYSES Droge stof PFAS Kwantitatieve parameters

Som perfluoroctaanzuur (PFOA)

3

71,2

89

µg/kg ds

0,9

0,4

Som perfluoroctaansulfonaat (PFOS )

3

14,4

18

µg/kg ds

5,3

3,1

µg/kg ds

7,5

3,8

perfluoroctadecaanzuur (PFODA)

µg/kg ds

< 0,5

< 0,5

perfluordodecaansulfonzuur (PFDoS)

µg/kg ds

< 0,5

< 0,5

bis[2-(perfluorhexyl)ethyl] fosfaat (6:2 diPAP)

µg/kg ds

< 0,5

< 0,5

som indicatieve parameters (som PFAS Indicatief)

µg/kg ds

< 0,5

< 0,5

SOM PFAS totaal

µg/kg ds

7,5

3,8

SOM EFSA-4

µg/kg ds

6,2

3,5

… … som kwantitatieve parameters (PFAS som (=som Kwantitatief))

8

Indicatieve parameters

… …

Legenda x boven streefwaarde x boven richtwaarde x boven toetsingswaarde bodemsaneringsnorm Tabel 21: samenvatting van de analyseresultaten voor het vaste deel van de aarde (voorbeeld) 51


Boring

S

80% RW BSN

BSN

Max. factor

Eenheid

P3

P4

X-coördinaat

xxxxxx,xx

xxxxxx,xx

Y-coördinaat

yyyyyy,yy

yyyyyy,yy

Z-coördinaat

z,z

z,z

Kadastraal perceel

X

Y

Waterwingebied

neen

neen

Diepte boring (m -mv)

4,20

4,20

Filterdiepte (m -mv)

3,2-4,2

3,2-4,2

Datum bemonstering

xx-xx-xxxx

xx-xx-xxxx

2,20

2,14

7,50

3,5

Zintuiglijke waarneming

neutraal

lichtbeige

Kleur

neutraal

lichtbeige

Helderheid

goed

matig

16,10

15,70

7,08

7,52

0,35

0,70

1329

777

‘

‘

Zone

IN SITU METINGEN Diepte grondwater (m-mv) Hoeveelheid voorgepompt

Temperatuur

l

°C

pH O2

mg/l

Redox

mV

Geleidbaarheid

µS/cm

Aanwezigheid puur product PFAS Kwantitatieve parameters perfluorbutaanzuur (PFBA)

ng/l

120

190

perfluorpentaanzuur (PFPeA)

ng/l

47

40

perfluorhexaanzuur (PFHxA)

ng/l

41

50

perfluorheptaanzuur (PFHpA)

ng/l

16

16

Som perfluoroctaanzuur (PFOA)

ng/l

208

72

Som perfluoroctaansulfonaat (PFOS)

ng/l

10

222

ng/l

1284

1450

perfluortridecaanzuur (PFTrDA)

ng/l

<1

<1

perfluorpentadecaanzuur (PFPeDA)

ng/l

<2

<2

perfluoroctadecaanzuur (PFODA)

ng/l

<2

<2

som indicatieve parameters (som PFAS Indicatief)

ng/l

< 0,5

< 0,5

SOM PFAS totaal

ng/l

1284

1480

SOM 20 EU DWRL

ng/l

685

742

… … som kwantitatieve parameters (PFAS som (=som Kwantitatief)) Indicatieve parameters

… …

52


Legenda x boven streefwaarde x boven richtwaarde x boven toetsingswaarde saneringsnorm Tabel 22 samenvatting van de analyseresultaten voor het grondwater (voorbeeld)

6.5.5 Hoofdstuk “Evaluatie van de resultaten” Evaluatie van de verzamelde gegevens per onderzochte verdachte zone U geeft een samenvatting en interpretatie van de gegevens die u verzamelde tijdens het veldwerk en de analyses. Referentienummer verontreiniging

Omschrijving van de Locatie verdachte zone (kadastraal perceel)

Verontreiniging waarvoor een vervolgonderzoek nodig is: Historische verontreiniging 1 BrandweerXX oefenplaats

Medium

PFAS in het grondwater

Gemengd overwegend historische verontreiniging 2 … Gemengd overwegend nieuwe verontreiniging Nieuwe verontreiniging Tabel 23 samenvatting verontreinigingssituatie op verontreinigingsniveau

6.5.6 Hoofdstuk “Samenvattend besluit” U vermeldt de volgende elementen in het besluit: - Het huidig gebruik van de onderzoekslocatie, met een beknopte historiek van de risicoactiviteiten. - De eventueel vastgestelde verontreiniging, met vermelding van: • de parameters; • de locatie (incl. kadastraal perceel); • de bron; • de aard; • besluit DAEB; • voorzorgsmaatregelen/veiligheidsmaatregelen (zoals bedoeld in het Bodemdecreet); • prioritering (prioriteitsklasse) – indien van toepassing.

53


De uitspraak aangaande de voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen gebeurt via volgend sjabloon: Geen voorzorgs- of veiligheidsmaatregelen nodig: “Voor de bodemverontreiniging met PFAS zijn geen voorzorgsmaatregelen of veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. Om de blootstelling aan de bodemverontreiniging met PFAS te beperken zijn er na advies van het Agentschap Zorg en Gezondheid mogelijk ‘no regret’ maatregelen van toepassing, die terug te vinden zijn op https://www.vlaanderen.be/pfas-vervuiling.” Wel voorzorgs- of veiligheidsmaatregelen nodig: “In afwachting van het beschrijvend bodemonderzoek en/of bodemsanering zijn voor de bodemverontreiniging met PFAS de volgende voorzorgsmaatregelen en/of veiligheidsmaatregelen noodzakelijk: (duidelijk specifiëren). Om de blootstelling aan de bodemverontreiniging met PFAS te beperken zijn er na advies van het Agentschap Zorg en Gezondheid mogelijk ‘no regret’ maatregelen van toepassing, die terug te vinden zijn op https://www.vlaanderen.be/pfas-vervuiling.”

6.5.7 Hoofdstuk “Verklaring en ondertekening” In elk rapport wordt de volgende verklaring opgenomen: De bodemsaneringsdeskundige verklaart: - dat dit rapport is uitgevoerd volgens de Onderzoeksprotocol verkennend bodemonderzoek naar PFAS-verontreiniging door fluorhoudend blusschuim en t.h.v. PFAS-verdachte risicolocaties; - dat al de noodzakelijke elementen zijn opgenomen in het rapport en dat hij van oordeel is dat de elementen die niet vermeld zijn in het rapport, ook niet van toepassing zijn; - dat hij voor het uitvoeren van deze opdracht niet in onverenigbaarheid verkeert of dat hij bij een situatie van onverenigbaarheid beheersmaatregelen heeft genomen; - dat voor wat betreft PFAS dit rapport representatief is voor de verontreinigingstoestand van de onderzoekslocatie; - dat de inhoud van het rapport overeenkomt met de digitale gegevens; - dat de volgende informatie – die in het xml-bestand aan de OVAM is aangeleverd – de juridisch bindende is: • administratieve gegevens; • voor wat betreft PFAS: de aard en ernst op niveau van het kadastraal perceel; • eerste bodemonderzoek op het kadastraal perceel: aard en ernst op niveau van de verontreiniging. Elk rapport wordt ondertekend door de personen die aan het rapport meewerkten. De ondertekening gebeurt volgens tabel 24. Ondertekening kan enkel door de personen die toestemming hebben gegeven om hun digitale handtekening te gebruiken. Ondertekening “in opdracht” is niet toegelaten.

54


Hoedanigheid De persoon die meewerkt aan het rapport De persoon die meewerkt aan het rapport De persoon die de bodemsaneringsdeskundige rechtsgeldig kan vertegenwoordigen tegenover derden

Naam en handtekening

Datum

Tabel 24 tabel voor ondertekening

Indien van toepassing vult u de volgende tabellen aan: Score DAEB blok 1 (VDA)

Score DAEB blok 2 (GW)

Score BS

Score OM

Score Score OV GW

Prioriteitsindex Klasse (som) (inclusief subklasse)

Tabel 25 samenvatting DAEB-methodiek en prioriteitsbepaling

Gegevens vaste deel van de aarde

xxxx µg/kg ds

Parameter met de maximale concentratie: (parameter vermelden) Som PFAS Indicatief Som PFAS kwantitatief (PFAS som (=som Kwantitatief)): Som EPSA-4 Som PFAS totaal: Gegevens grondwater:

xxxx ng/l

Parameter met de maximale concentratie: (parameter vermelden) Som PFAS indicatief: Som PFAS kwantitatief (PFAS som (=som Kwantitatief)): Som PFAS totaal: PFAS 20 EU DWRL: Tabel 26 samenvatting relevante numerieke gegevens

55


6.5.8 Bijlagen In het PDF-rapport neemt u ook de bijlagen op. Administratief deel dient apart ingediend te worden Boorbeschrijvingen Voor metingen van het type boring of peilbuis geeft u een beschrijving van de ondergrond. U neemt de beschikbare boorbeschrijvingen van het huidig bodemonderzoek en indien relevant ook van vorige bodemonderzoeken op. De boorbeschrijving bevat minstens de volgende gegevens: de unieke naam van de meetlocatie; het type meting: boring of peilbuis; diepte van de boring of peilbuis; aanduiding van de grondwaterstand; peilbuisconstructie, in een grafisch schema; de lithologie (zowel beschrijvend als grafisch): hoofd- en nevenbestanddelen en kleur; de boormethode; zintuiglijke waarnemingen, inclusief de diepte. Analyseverslagen U voegt de originele analyseverslagen van het erkend laboratorium toe. DAEB-methodiek De invullijst en een beknopte bespreking van de wijze waarop u de verschillende indices bepaalde, voegt u toe. Prioriteit Een beknopte bespreking van de wijze waarop u de verschillende scores bepaalde, voegt u toe. Foto’s U maakt foto’s van de potentiële risico-locaties, relevante zaken in de omgeving, … U verduidelijkt waar de foto’s genomen zijn. Kaarten U voorziet alle kaarten van een schaal(lat) en een noordpijl. Topografische kaart U voegt een fragment van de topografische kaart toe waarop de volgende zaken aangeduid zijn: - de onderzoekslocatie; - grondwaterwinningen in een straat van 500 m van de grens van de onderzoekslocatie; - drinkwaterwinningen, waterwingebieden en beschermingszones type I, II of III binnen een straal van twee kilometer; - aanduiding ligging en nummer gevoelige receptoren (Tabel 19) binnen een afstand van 500 meter van de grens van de onderzoeklocatie.

56


Detailplan van de onderzoekslocatie U voegt een detailplan van de onderzoekslocatie toe waarop de volgende zaken aangeduid zijn, indien relevant: de onderzoekslocatie; de kadastrale perceelgrenzen en de kadastrale nummers; de huidige en voormalige (indien relevant) gebouwen; de huidige en voormalige (indien relevant) verhardingen; de huidige en voormalige potentiële PFAS verdachte risico-locaties; de locatie en de nummers van de geplaatste boringen en peilbuizen; weergave van de onderzoeksresultaten: minimaal de concentratie voor PFOS, PFOA en som PFAS kwantitatief; de locatie van de gestaakte boringen; de vermoedelijke grondwaterstromingsrichting; de vermoedelijke overheersende windrichting. U voorziet het plan van een legende.

57


7 DE ALFANUMERISCHE GEGEVENS U bundelt de digitale alfanumerische gegevens in een xml-bestand. Het xml-bestand kan alleen in het Mistral2-formaat aangeleverd worden. Dit formaat is aan het eloket aangepast.

7.1 STRUCTUUR VAN DE DIGITALE ALFANUMERISCHE GEGEVENS Er zijn drie types van digitale alfanumerische gegevens: - de administratieve gegevens van het rapport - de analyseresultaten - de boorbeschrijvingen Het xml-bestand bundelt deze drie types in één bestand. Het xml-bestand moet minstens de administratieve gegevens bevatten om opgeladen te kunnen worden in het e-loket. De analyseresultaten en de boorbeschrijvingen kan u in aparte bestanden opslaan. In het e-loket kan u deze bestanden integreren in de Mistral2-xml via de profielnaam. De bestanden moeten dus de juiste profielnaam bevatten.

58


7.2 JURIDISCH BINDENDE INFORMATIE De volgende informatie in het xml-bestand is juridisch bindend Administratieve gegevens (*) Opdrachttype Titel Rapportdatum Opdracht adres Extra info onderzoek Hoedanigheid “opdrachtgever”

Hoedanigheid “Auteur”

Straat en nummer (of omschrijving) Postcode, gemeente, deelgemeente Aanleiding Naam Straat en nummer Postcode, gemeente, deelgemeente Naam Straat en nummer Postcode, gemeente, deelgemeente

Labels Aard en ernst op niveau van het kadastraal perceel – tabblad locaties (*) Uitspraak Historiciteit Classificatie Voor het eerste bodemonderzoek op het kadastraal perceel: aard en ernst op niveau van de verontreiniging – tabblad verontreinigingen (*) Lijst van verontreinigingen Detail-Algemeen Referentie Naam Medium Detail-Uitspraak voor deze opdracht Aard % Classificatie Detail-Beschrijving Bron/locatie Parameters Parameter (*) Op basis van de veldnamen in het e-loket Tabel 27 overzicht juridisch bindende informatie

7.3 TECHNISCHE EN INHOUDELIJKE VEREISTEN 7.3.1 Technische vereisten Het xml-bestand moet “valid” zijn. Dat betekent dat het bestand in overeenstemming moet zijn met de xsd-schema’s. Een xsd-schema is een sjabloon waaraan het xml-bestand technisch moet voldoen.

59


Het xml-bestand moet aan een aantal criteria voldoen om “valid” te zijn. De voornaamste criteria: - Alle elementen staan op de juiste plaats; - Alle verplichte elementen hebben een waarde; - Elke waarde voldoet aan de definitie voor dat element (tekst, getal, datum of een waarde uit een lijst). Het xsd-schema voor het xml-bestand met de administratieve gegevens is in het e-loket gepubliceerd. De technische specificaties voor het xml-bestand met de analyseresultaten vindt u op www.ovam.be. Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV) en de OVAM publiceerden een gezamenlijk formaat voor het xml-bestand. Het xsd-schema voor de uitwisseling van boorbeschrijvingen vindt u op www.ovam.be. De algemene boorgegevens en de gecodeerde lithologie zijn verplicht. De milieuhygiënische gegevens zijn verplicht als deze metingen zijn uitgevoerd. Andere gegevens zijn facultatief.

7.3.2 Inhoudelijke vereisten Verplichte velden worden altijd ingevuld. Niet verplichte velden worden ingevuld als hiervoor informatie beschikbaar is voor de specifieke opdracht waarvoor het rapport wordt opgesteld. In een veld is een verwijzing zoals “zie rapportage/pdf” niet correct. Volgende velden zijn verplicht: -

huidige en voormalige activiteiten; besluit deskundige; locaties; verontreinigingen; profielen en analyses; labels.

60


8 BIBLIOGRAFIE Berger en Herzke (2006). Per- ad polyfluorinated alkyl substances (PFAS) extracted from textile samples. Organohalogen compounds. Brunn-Poulsen, P., L.K. Gram, A. A. Jensen., A. A. Rasmussen, C. Ravn, P. Møller, C.R. Jørgensen, K. Løkkegaard (2011). Substitution of PFOS for use in non-decorative hard chrome plating. Danish Ministry of the Environment, Environmental Project no. 1371. Fromel, T., & Knepper, T. P. (2010). Biodegradation of fluorinated alkyl substances. Rev Environ Contam Toxicol, 208, 161-177. Fujii Y, K.H. Harada, A. Koizumi (2013). Occurrence of perfluorinated carboxylic acids (PFCAs) in personal care products and compounding agents. Chemosphere 93: 538–544. Lindstrom A.B., M.J. Strynar, E.L. Libelo (2011). Polyfluorinated compounds: past present and future, Environ. Sci. Technol. 45(19) 7954-7961. Liu, J., S.M. Avendaño (2013). Microbial degradation of polyfluoroalkyl chemicals in the environment: a review. Environment International. 61: 98-114. Nguyen, T. V., Reinhard, M., Chen, H., & Gin, K. Y. (2016). Fate and transport of perfluoro- and polyfluoroalkyl substances including perfluorooctane sulfonamides in a managed urban water body. Environ Sci Pollut Res Int, 23(11), 10382-10392. Osté, L. (2021). Onderbouwing grenswaarden voor definitief handelingskader PFAS Grenswaarden voor toepassen in zoet oppervlaktewater. In voorbereiding. Parsons, J.R., M. Sáez, J. Dolfing, and P. de Voogt, P. (2008). Biodegradation of perfluorinated compounds. In: D.M. Whitacre (ed.): Reviews of Environmental Contamination and Toxicology, Vol 196, Springer Science + Business Media, 53-71.

61


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook