Skip to main content

Financiële_analyse_dienstenchequebedrijven_2020.pdf

Page 1

Vlaamse Sociale Inspectie Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 BRUSSEL www.werk.be

Financiële analyse van de dienstenchequebedrijven //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////

Inhoudsopgave 1 2 3 4 5 6 7 8

Managementsamenvatting Situering en methodiek van het onderzoek Situering van de dienstenchequebedrijven Analyse van de jaarrekeningen van alle dienstenchequebedrijven met een Vlaamse erkenning Analyse van de rendabiliteit van organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten Analyse van de financiële gezondheid van organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten Blik op de toekomst Algemeen besluit


1. Managementsamenvatting Ter voorbereiding van een permanente financiële monitoring van de rendabiliteit van de dienstencheque-ondernemingen door het Departement werd opdracht gegeven aan de Vlaamse Sociale Inspectie om een financiële analyse uit te voeren van de sector van de dienstenchequebedrijven. De analyse wordt trapsgewijs opgebouwd. Eerst wordt een globaal beeld geschetst van de sector, vervolgens wordt er dieper ingegaan op de winstgevendheid van de dienstencheque-activiteiten en wordt naar verklaringen of verschillen gezocht. Het eerste luik van het onderzoek geeft inzicht in de leefbaarheid van de bedrijven die (ook) dienstencheque-activiteiten verrichten. De scope in dit luik is heel ruim genomen nl. alle bedrijven die in Vlaanderen een dienstencheque-erkenning hebben en voor alle activiteiten die zij uitvoeren in dit bedrijf. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van een bevraging van de jaarrekeningen van alle erkende dienstencheque-bedrijven bij de Nationale Bank. We stellen vast dat op het einde van het boekjaar 2018 bijna 70% van de ondernemingen een positief eindresultaat kunnen voorleggen. Als we echter vergelijken met de voorbije jaren zien we jaarlijks een globale daling van de rendabiliteit. De groep van vroegere PWA’s kan hier opvallend minder goede cijfers voorleggen, net iets meer dan de helft van deze organisaties behaalden een negatief eindresultaat. We kunnen stellen dat de erkende dienstenchequebedrijven globaal een financieel gezonde structuur hebben met voldoende liquiditeit en solvabiliteit. De sterkste liquiditeits-en solvabiliteitsposities zien we bij VZW’s en PWA’s. Bij de handelsvennootschappen merken we echter dat 20% van de ondernemingen met een liquiditeits- en/of solvabiliteitstekort kampen. Het tweede luik van het onderzoek geeft inzicht in de afzonderlijke rendabiliteit van de activiteiten die worden uitgevoerd in kader van de Vlaamse dienstencheques. Hiervoor hebben we de jaarrekeningen onderzocht van een selectie van erkende ondernemingen die uitsluitend activiteiten uitvoeren in kader van dienstencheques en hoofdzakelijk actief zijn in Vlaanderen. We stellen vast dat de organisaties met enkel dienstencheque-activiteiten in 2018 een nettobedrijfsresultaat realiseerden van gemiddeld 0,54 euro per dienstencheque, wat overeenkomt met een operationele marge van 2,3% ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. Er zijn evenwel opmerkelijke verschillen tussen verschillende types dienstenchequebedrijven. De VZW’s vertonen in het algemeen minder rendabiliteit dan de handelsvennootschappen, en de grote dienstenchequebedrijven vertonen een betere rendabiliteit dan de kleine en middelgrote organisaties. Bij de handelsvennootschappen was er nog een zekere netto bedrijfsmarge uit de dienstenchequesactiviteit te halen (gemiddeld 0,61€/dc), maar bij vzw’s en publieke vzw’s waren de marges in 2018 al naar nul herleid. Het aantal verlieslatende ondernemingen steeg navenant tot 25% oftewel één op vier ondernemingen. Bij handelsvennootschappen ligt dit aandeel met 14% substantieel lager; bij de gewone vzw’s is dit al opgelopen tot 41,7% en bij de publieke vzw’s zelfs tot 47,6%. In 2018 lijkt dus het kantelpunt voor een substantieel aantal dienstenchequebedrijven bereikt te zijn. We stellen vast dat de rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven vooral wordt bepaald door de omvang van de loonkosten per dienstencheque. De loonkost per dienstencheque was het hoogst bij de gemeentelijke VZW’s (veelal verderzetting van vroegere PWA’s), gevolgd door de andere VZW’s en tenslotte de handelsvennootschappen. De grootste dienstenchequebedrijven hadden gemiddeld ook een lagere loonkost per dienstencheque dan de middelgrote en kleine bedrijven. 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 2 van 41


Uit onze analyse van de balansen blijkt dat deze dienstenchequebedrijven globaal een gezonde financiële structuur vertonen maar dat er ook op vlak van liquiditeit en solvabiliteit opmerkelijke verschillen zijn tussen de verschillende types dienstencheque-bedrijven. Daarbij valt op dat de VZW’s, en vooral de gemeentelijke VZW’s, ondanks hun zwakkere rendabiliteit gemiddeld een sterkere liquiditeits- en solvabiliteitsgraad vertonen dan de handelsvennootschappen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat de VZW’s in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren waardoor hun winsten meestal integraal werden gereserveerd in de organisatie. We geven tenslotte ook nog een korte blik in de toekomst waarbij we het effect van indexeringen (0,12 euro/cheque per indexering) op de evolutie van de overheidssubsidie aan de dienstenchequeondernemingen simuleren en vergelijken met het effect van een loonsverhoging met 0,8% (+ 2% loonindexering). De stijging van de overheidssubsidie blijft -0,15 euro/cheque achter op de stijging van de CAO lonen en de vaste kosten. Deze simulaties geven aan dat, alle andere factoren constant houdend, de rendabiliteit van de dienstenchequeondernemingen structureel verder zal dalen en het aantal verlieslatende bedrijven zal stijgen. De verhoging van de indexaanpassing van 73% naar 100% zou overeen komen met een stijging van +/- 0,12 euro per cheque en een meeruitgave van +/-11 miljoen euro op jaarbasis (en per indexering). Het Departement WSE zal een permanent monitoringsysteem op basis van de jaarrekeningen opzetten om de evolutie van de rendabiliteit van dienstenchequeondernemingen structureel te monitoren.

2. Situering en methodiek van het onderzoek Vlaamse Sociale Inspectie voerde een financiële analyse uit van de sector van de dienstenchequebedrijven op basis van de jaarrekening die werden neergelegd bij de Nationale Bank. Voorliggend verslag betreft de resultaten van dit on-desk onderzoek van de jaarrekeningen. Activiteiten in kader van de Vlaamse dienstencheques worden uitgevoerd door organisaties die werden erkend als dienstenchequebedrijf door de Vlaamse overheid. Deze erkende dienstenchequebedrijven zijn erg divers en omvatten zowel commerciële organisaties als organisaties uit de non-profit. Het betreft onder meer uitzendkantoren, VZW’s, OCMW ’s, zelfstandige werkgevers,… De sector van de dienstenchequebedrijven omvat bovendien zowel organisaties die zich uitsluitend toeleggen op activiteiten die worden vergoed met dienstencheques als organisaties die daarnaast ook andere activiteiten uitvoeren die niet worden vergoed met dienstencheques. We hebben in eerste instantie een globale analyse gemaakt van de neergelegde jaarrekeningen van alle organisaties die werden erkend in kader van de Vlaamse dienstencheques. Dit betreft niet uitsluitend organisaties met maatschappelijke zetel in Vlaanderen, maar ook alle organisaties met maatschappelijke zetel in Brussel of Wallonië die erkend werden om activiteiten uit te voeren met Vlaamse dienstencheques, al dan niet in combinatie met een erkenning als dienstenchequebedrijf in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of in het Waals Gewest. In deze globale analyse hebben we onderzocht in welke mate de erkende dienstenchequebedrijven financieel gezond zijn en voldoende rendabiliteit vertonen.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 3 van 41


Vervolgens hebben we een selectie gemaakt van erkende ondernemingen die uitsluitend activiteiten uitvoeren in kader van dienstencheques en hoofdzakelijk actief zijn in Vlaanderen (Vlaamse dienstencheques). Op basis van een onderzoek van de jaarrekeningen van deze ondernemingen geven we inzage in de afzonderlijke rendabiliteit van de activiteiten die worden uitgevoerd in kader van het stelsel van de Vlaamse dienstencheques.

3. Situering van de dienstenchequebedrijven In onderstaande tabel en grafiek wordt de evolutie van het aantal erkende ondernemingen in het Vlaams Gewest weergegeven. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt naargelang het gewest van de maatschappelijke zetel van de onderneming. De aantallen op jaarbasis geven de situatie weer op het einde van het jaar. Aantal EO met Aantal EO met maatschappelijke zetel in het maatschappelijke zetel in Vlaamse Gewest een ander Gewest 916 937 892 867 831 591 786 496

Jaar 2016 2017 2018 2019

Totaal erkende ondernemingen in Vlaanderen 1853 1759 1422 1282

Evolutie Erkende ondernemingen in Vlaamse Gewest 2000 1500

937

867 591

1000 500

916

0 2016

892

831

2017

2018

496

786

2019

Aantal EO met maatschappelijke zetel in een ander Gewest Aantal EO met maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest

Sinds de regionalisering van het dienstencheque-stelsel in 2016, zien we het aantal erkende dienstencheque-ondernemingen in het Vlaams Gewest sterk dalen. Dit heeft 2 belangrijke oorzaken: - Enerzijds zijn er veel ondernemingen waarvan de erkenning federaal werd toegekend en die initieel dus ook in Vlaanderen waren erkend, die nadien hun erkenning zijn verloren omwille van inactiviteit in Vlaanderen. - Anderzijds merken we een toenemende consolidatiebeweging in de markt, waarbij spelers uit de markt verdwijnen bijvoorbeeld na een faillissement of door een overname.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 4 van 41


De grote sprong tussen 2017 en 2018 valt te verklaren doordat er omwille van technische redenen pas begin 2018 gestart kon worden met het intrekken van erkenningen wegens inactiviteit. Daarnaast legt de wetgeving ook op dat de intrekking van de erkenning wegens inactiviteit moet gebeuren na 12 maanden waarin geen dienstencheques werden ingediend te rekenen vanaf de datum van erkenning. Daardoor kan er pas sinds eind 2018, na verloop van een volledig jaar, een correcter en representatiever beeld gegeven worden van de ondernemingen die nog erkend zijn in Vlaanderen, maar met maatschappelijke zetel buiten het Vlaamse Gewest.

Om zicht te krijgen op de markt van de dienstencheques hebben we op basis van het aantal cheques per ondernemingsnummer het aantal ondernemingen en hun marktaandeel opgelijst. De indeling is gebaseerd op het aantal Vlaamse cheques ingediend tussen december 2018 en december 2019. Hieronder worden dus alle bedrijven opgenomen die minstens 1 Vlaamse dienstencheque hebben ingediend ongeacht de plaats van hun maatschappelijke zetel. Tabel: verdeling op basis van aantal Vlaamse cheques:

cheques - aantal meer dan 1 mio 500K - 1mio 250K - 500K 100K - 250K 50K-100K 10K-50K < 10K Totaal

onderneming – aantal 18 17 23 77 111 392 614 1252

markt – percentage 39,5 13,2 9,7 13,7 9,5 11,4 3

markt-cumul 39,5 52,7 62,4 76,1 85,6 97,0 100

We stellen vast dat 35 ondernemingen reeds meer dan de helft van de dienstencheques genereren in Vlaanderen. Als we er bovendien nog eens rekening mee houden dat een aantal groepen (bv. Poetsbureau, Trixxo) hun werking hebben opgesplitst over meerdere ondernemingen kan men stellen dat de markt zeer sterk geconcentreerd is bij een beperkt aantal ondernemingen. Het marktaandeel van de groep met 100.000 à 500.000 dienstencheques op jaarbasis is met 100 ondernemingen nog aanzienlijk. Zij bestrijken immers 23,4 % van de markt. Bijna eenzelfde marktaandeel (21%) wordt bereikt door de ondernemingen die tussen de 10.000 en de 100.000 cheques realiseerden op jaarbasis. Hiervoor zijn echter wel 5 keer meer ondernemingen nodig. De impact op het marktaandeel van de vele kleine ondernemingen met minder dan 10.000 cheques op jaarbasis kunnen we beschouwen als “marginaal” (3 %). Het betreft hier voornamelijk ondernemingen die in een ander gewest gevestigd zijn, erkend zijn in Vlaanderen maar slechts een handvol cheques in Vlaanderen indienen. Daarnaast gaat het over zeer kleine ondernemingen waarbij de zaakvoerder enkele familieleden of kennissen tewerkstelt.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 5 van 41


4. Analyse van de jaarrekeningen van alle dienstenchequebedrijven met een Vlaamse erkenning Gepubliceerde jaarrekeningen van dienstenchequebedrijven met een Vlaamse erkenning Gezien de ondernemingen op datum van dit onderzoek nog geen jaarrekening van boekjaar 2019 hebben neergelegd bij de Nationale Bank van België, hebben we de analyse uitgevoerd op basis van de jaarrekeningen van boekjaar 2018 en de twee voorgaande boekjaren. We hebben bij de Nationale Bank van België de jaarrekeningen van boekjaren 2016, 2017 en 2018 opgevraagd van alle organisaties die erkend werden in kader van het Vlaams stelsel van dienstencheques. In onderstaande tabel geven we een overzicht van het aantal erkende ondernemingen die een jaarrekening hebben neergelegd bij de Nationale Bank van België opgesplitst naar type onderneming op basis van de gegevens die de organisaties hebben opgegeven in hun aanvraag voor erkenning als dienstenchequebedrijf: 2016 Aantal jaarrekeningen Handelsven. (excl. uitzend) Uitzendbedrijven VZW (excl.PWA) PWA

1.370 1.028 27 211 104

2017 100% 75% 2% 15% 8%

1.345 1.006 27 211 101

2018 100% 75% 2% 16% 8%

1.254 944 26 205 79

100% 75% 2% 16% 6%

De overgrote meerderheid (> 75%) van deze dienstenchequebedrijven neemt de rechtsvorm aan van een handelsvennootschap. We stellen vast dat het aantal dienstenchequebedrijven de voorbije jaren een dalende trend vertoont. Deze daling situeert zich vooral bij de vroegere PWA’s (-24%) en bij de handelsvennootschappen (-8%). Een aantal van de vroegere PWA’s hebben zich hervormd en een nieuwe dienstenchequeonderneming opgericht. De onderlinge verhouding tussen het aandeel commerciële vennootschappen en VZW’s bleef de voorbije jaren nagenoeg stabiel met een ruime oververtegenwoordiging van commerciële vennootschappen. De meeste vennootschappen en verenigingen zijn verplicht om hun jaarrekening over het voorbije boekjaar neer te leggen bij de Nationale Bank volgens een standaardmodel maar het toepasselijke model van de jaarrekening verschilt evenwel naargelang de aard van de organisatie (vennootschap of vereniging) en de grootte. ‘Grote’ vennootschappen en ‘zeer grote’ verenigingen moeten hun jaarrekening neerleggen volgens een volledig schema, ‘kleine’ vennootschappen en ‘grote’ verenigingen volgens een verkort schema. Om een beeld te kunnen schetsen van de financiële gezondheid van alle dienstenchequebedrijven hebben we ons gericht op kengetallen die beschikbaar waren of konden worden afgeleid uit gegevens die zowel beschikbaar zijn voor organisaties die een volledige jaarrekening hebben neergelegd als voor organisaties die enkel een verkort schema van hun jaarrekening hebben gepubliceerd.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 6 van 41


Resultaten van de erkende dienstenchequebedrijven In onderstaande tabel geven we een globaal overzicht van het percentage winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven in boekjaren 2016, 2017 en 2018: E I N D R E S U L T AA T 2 0 1 6 - 2 0 1 8 ondernemingen met positief eindresultaat

ondernemingen met negatief eindresultaat

25,8%

28,6%

32,1%

74,2%

71,4%

67,9%

BOEKJAAR 2016

BOEKJAAR 2017

BOEKJAAR 2018

Het aantal dienstenchequebedrijven met een negatief eindresultaat vertoont de voorbije drie boekjaren een relatieve stijging. In 2016 sloten 353 dienstenchequebedrijven, zijnde ongeveer een vierde van alle 1.370 dienstenchequebedrijven die een jaarrekening hebben neergelegd, het boekjaar af met een negatief eindresultaat. In 2018 sloten 403 dienstenchequebedrijven, zijnde ongeveer een derde van alle 1.254 dienstenchequebedrijven die een jaarrekening hebben neergelegd, hun boekjaar af met een negatief eindresultaat. In onderstaande grafiek geven we een overzicht van de evolutie van het aantal winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven per type organisatie: % ondernemingen met positief eindresultaat 100,00% 90,00%

92,6% 88,9% 84,6%

80,00%

78,2% 74,0%

73,1% 69,2%

70,00% 60,00%

63,5%

VZW (excl.PWA) 69,8%

PWA

63,9%

Uitzend Handelsvenn.

55,4% 50,00%

49,4%

40,00% aantal positief eindresultaat 2016

3.06.2020

Aantal positief eindresultaat 2017

Aantal positief eindresultaat 2018

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 7 van 41


We stellen bij alle types dienstenchequebedrijven een daling vast van het percentage winstgevende organisaties. Bij de handelsvennootschappen is die daling evenwel minder sterk dan in de andere categorieën. Vooral bij de VZW’s en de PWA’s merken we een sterke toename van het aandeel verlieslatende dienstenchequebedrijven. In onderstaande tabel geven we een meer gedetailleerd overzicht van het aantal winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven in boekjaar 2018: Spreiding eindresultaat 2018 Aantal jaarrekeningen 2018 Aantal positief eindresultaat winst > 10.000.000 euro winst 1.000.000 - 10.000.000 winst 500.000 - 1.000.000 winst 100.000 - 500.000 winst 50.000 - 100.000 winst 10.000 - 50.000 winst < 10.000 euro Aantal negatief eindresultaat verlies < 10.000 euro verlies 10.000 - 50.000 verlies 50.000 - 100.000 verlies 100.000 - 500.000 verlies 500.000 - 1.000.000 verlies > 1.000.000 euro

Totaal 1.254 851 4 18 24 144 117 308 236 403 145 163 47 36 8 4

100% 67,9% 0,3% 1,4% 1,9% 11,5% 9,3% 24,6% 18,8% 32,1% 11,6% 13,0% 3,7% 2,9% 0,6% 0,3%

Handelsven. (excl uitzend) 944 659 0 4 13 94 93 246 209 285 120 117 28 17 3 0

100% 69,8% 0,0% 0,4% 1,4% 10,0% 9,9% 26,1% 22,1% 30,2% 12,7% 12,4% 3,0% 1,8% 0,3% 0,0%

VZW (excl.PWA) 205 131 1 8 7 40 16 43 16 74 12 29 13 11 5 4

100% 63,9% 0,5% 3,9% 3,4% 19,5% 7,8% 21,0% 7,8% 36,1% 5,9% 14,1% 6,3% 5,4% 2,4% 2,0%

PWA 79 39 0 0 1 4 6 17 11 40 13 16 6 5 0 0

100% 49,4% 0,0% 0,0% 1,3% 5,1% 7,6% 21,5% 13,9% 50,6% 16,5% 20,3% 7,6% 6,3% 0,0% 0,0%

Uitzend 26 22 3 6 3 6 4 0 0 4 0 1 0 3 0 0

100% 84,6% 11,5% 23,1% 11,5% 23,1% 15,4% 0,0% 0,0% 15,4% 0,0% 3,8% 0,0% 11,5% 0,0% 0,0%

Ongeveer een derde van alle dienstenchequebedrijven heeft boekjaar 2018 afgesloten met een negatief eindresultaat. Uit de opsplitsing per type organisatie valt op dat de uitzendkantoren relatief betere resultaten kunnen voorleggen: meer dan 80% van de uitzendkantoren-dienstenchequebedrijven sloot boekjaar 2018 af met een positief eindresultaat. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de vroegere PWA-kantoren. De ex-PWA’s kunnen beduidend minder goede resultaten voorleggen: meer dan de helft van deze organisaties sloot boekjaar 2018 af met een negatief eindresultaat. Bij de reguliere handelsvennootschappen en VZW’s is het aandeel organisaties met winst en verlies eerder gelijklopend. In beide categorieën sloot iets meer dan 30% van de dienstenchequebedrijven het boekjaar af met een negatief eindresultaat. Bij de beoordeling van de resultaten is het van belang niet enkel te kijken naar de omvang van het eindresultaat maar ook rekening te houden met de samenstelling van dit resultaat. Een organisatie kan bijvoorbeeld een positief eindresultaat realiseren maar toch een lage rentabiliteit vertonen omdat de winst werd gerealiseerd door uitzonderlijke of financiële opbrengsten. Het brutobedrijfsresultaat geeft inzage in het resultaat van de organisaties zonder rekening te houden met afschrijvingskosten, waardeverminderingen, financiële en uitzonderlijke resultaten.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 8 van 41


In onderstaande tabel geven we een overzicht van het aantal organisaties met een positief of negatief brutobedrijfsresultaat in 2018: Spreiding brutobedrijfsres. 2018

Totaal

Aantal jaarrekeningen Aantal positief brutobedrijfsres. winst > 10.000.000 euro winst 1.000.000 - 10.000.000 winst 500.000 - 1.000.000 winst 100.000 - 500.000 winst 50.000 - 100.000 winst 10.000 - 50.000 winst < 10.000 euro Aantal negatief brutobedrijfsres. verlies < 10.000 euro verlies 10.000 - 50.000 verlies 50.000 - 100.000 verlies 100.000 - 500.000 verlies 500.000 - 1.000.000 verlies > 1.000.000 euro

Handelsven. (excl uitzend)

VZW (excl.PWA)

PWA

Uitzend

1.254

100%

944

100%

205

100%

79

100%

26

100%

1.001 6 44 42 252 164 346 147

79,8% 0,5% 3,5% 3,3% 20,1% 13,1% 27,6% 11,7%

774 0 15 24 194 135 280 126

82,0% 0,0% 1,6% 2,5% 20,6% 14,3% 29,7% 13,3%

156 1 23 12 47 18 43 12

76,1% 0,5% 11,2% 5,9% 22,9% 8,8% 21,0% 5,9%

47 0 0 0 5 10 23 9

59,5% 0,0% 0,0% 0,0% 6,3% 12,7% 29,1% 11,4%

24 5 6 6 6 1 0 0

92,3% 19,2% 23,1% 23,1% 23,1% 3,8% 0,0% 0,0%

253 103 102 27 18 1 2

20,2% 8,2% 8,1% 2,2% 1,4% 0,1% 0,2%

170 80 67 14 8 1 0

18,0% 8,5% 7,1% 1,5% 0,8% 0,1% 0,0%

49 12 21 6 8 0 2

23,9% 5,9% 10,2% 2,9% 3,9% 0,0% 1,0%

32 11 13 6 2 0 0

40,5% 13,9% 16,5% 7,6% 2,5% 0,0% 0,0%

2 0 1 1 0 0 0

7,7% 0,0% 3,8% 3,8% 0,0% 0,0% 0,0%

Als we geen rekening houden met afschrijvingskosten, waardeverminderingen, financiële en uitzonderlijke kosten, kon ongeveer 80% van alle dienstenchequebedrijven een positief brutobedrijfsresultaat voorleggen in boekjaar 2018. Dit impliceert dat 80% van alle dienstenchequebedrijven voldoende omzet genereerde om de loon- en werkingskosten te kunnen dragen. Bij 20% van de dienstencheque-bedrijven was de exploitatie evenwel reeds verlieslatend zonder rekening te houden met afschrijvingskosten en financiële kosten. Wat betreft het onderscheid naar type organisatie zijn de vaststellingen bij de analyse van het brutobedrijfsresultaat gelijklopend als bij de bespreking van het eindresultaat. Hier valt evenwel nog meer op dat de ex-PWA-kantoren niet goed scoren op vlak van rendabiliteit: bij ongeveer 40% van de ex-PWA’s was het brutobedrijfsresultaat van boekjaar 2018 negatief. Evolutie van de globale rendabiliteit van de erkende dienstenchequebedrijven in 2016 - 2018 Rendabiliteit Totaal brutomarge Totaal brutobedrijfsresultaat Totaal nettobedrijfsresultaat Totaal eindresultaat Totaal uit te keren winst

2016 6.268.283.911 343.152.020 228.253.060 295.315.044 215.478.652

100% 5,47% 3,64% 4,71%

2017 6.575.006.031 338.392.196 220.228.727 163.189.809 62.618.204

100% 5,15% 3,35% 2,48%

2018 6.781.984.459 313.788.643 189.228.791 194.674.744 104.426.699

100% 4,63% 2,79% 2,87%

Brutomarge: bedrijfsopbrengsten min aankoopkosten en kosten van diensten en diverse goederen Brutobedrijfsresultaat: resultaat van de onderneming zonder rekening te houden met afschrijvingskosten, waardeverminderingen, financiële en uitzonderlijke resultaten. Nettobedrijfsresultaat: resultaat van de onderneming zonder financiële en uitzonderlijke resultaten 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 9 van 41


Alle erkende ondernemingen samen realiseerden de voorbije drie boekjaren telkens een brutomarge van meer dan 6 miljard euro. Deze totale brutomarge vertoont jaarlijks een stijging ten opzichte van het voorgaande jaar: in 2017 steeg de gerealiseerde brutomarge met +4,9% en in 2018 steeg deze brutomarge verder met +3,1% ten opzichte van het voorgaande jaar. De erkende ondernemingen realiseerden de voorbije drie boekjaren ook telkens een positief eindresultaat. We stelden vast dat het totale eindresultaat van de dienstenchequebedrijven op sectorniveau vertekend wordt door de omvang van financiële resultaten bij een beperkt aantal bedrijven. Er werd in boekjaar 2016 bijvoorbeeld door één organisatie een niet recurrente financiële opbrengst gerealiseerd van meer dan 115 miljoen euro. Bij de beoordeling van de rendabiliteit van de erkende dienstenchequebedrijven baseren we ons daarom vooral op het brutobedrijfsresultaat en het nettobedrijfsresultaat. We stellen vast dat alle erkende ondernemingen samen een brutobedrijfsresultaat realiseerden van meer dan 300 miljoen euro en een nettobedrijfsresultaat van ongeveer 200 miljoen euro. Zowel het brutobedrijfsresultaat als het nettobedrijfsresultaat vertonen - in tegenstelling tot de brutomarge - jaarlijks een daling ten opzichte van het voorgaande boekjaar. Het brutobedrijfsresultaat vertoont de voorbije twee jaar een relatieve daling ten opzichte van de brutomarge met -0,85%. De relatieve daling van de rendabiliteit wordt verklaard door een relatieve stijging van de loonkosten ten opzichte van de brutomarge. De loonkosten vertonen de voorbije twee jaar een relatieve stijging ten opzichte van de gerealiseerde brutomarge met 0,93%:

Totaal Brutomarge Totaal Bezoldigingen

2016 2017 2018 6.268.283.911 100,00% 6.575.006.031 100,00% 6.781.984.459 100,00% 5.895.789.989 94,06% 6.199.748.231 94,29% 6.441.949.003 94,99%

Ondanks deze relatieve stijging van de loonkosten ten opzichte van de brutomarge bleef de sector in zijn globaliteit niettemin winstgevend. Het totale eindresultaat van de voorbije drie boekjaren bedraagt op sectorniveau meer dan 650 miljoen euro. Ongeveer 60% van de gerealiseerde winst werd uitgekeerd aan de aandeelhouders of bestuurders, de resterende 40% werd gereserveerd in de ondernemingen. Rendabiliteit per type organisatie in boekjaar 2018 Bovenstaande cijfers geven een globaal beeld van de sector in zijn totaliteit. Gezien de grote diversiteit aan dienstenchequebedrijven, zijn er echter ook grote individuele verschillen in de rendabiliteit van de individuele dienstenchequebedrijven. In onderstaande tabel hebben we de rendabiliteit van boekjaar 2018 in kaart gebracht voor volgende types organisatievormen: uitzendkantoren, handelsvennootschappen (exclusief uitzendkantoren), VZW’s (exclusief PWA’s) en de (ex-)PWA’s.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 10 van 41


Rendabiliteit

Totaal

Handelsven. (excl uitzend)

Aantal jaarrekeningen 1.254 100% Totaal brutomarge 6.781.984.459 100% Totaal bruto bedrijfsres. 313.788.643 100% Totaal netto bedrijfsres. 189.228.791 100% Totaal eindresultaat 194.674.744 100% Totaal uit te keren winst 104.426.699 100%

944 2.105.265.588 96.831.180 66.646.734 41.996.465 22.346.935

VZW (excl.PWA)

PWA

Uitzend

75% 205 16% 79 6% 26 2% 31% 2.293.334.560 34% 70.957.626 1% 2.312.426.685 34% 31% 114.654.275 37% 1.035.630 0% 101.267.558 32% 35% 30.218.666 16% 135.706 0% 92.227.685 49% 22% 28.272.181 15% -457.447 0% 124.863.545 64% 21% 0 0% 0 0% 82.079.764 79%

Er zijn grote verschillen tussen de winst die werd gerealiseerd in de verschillende categorieën. De handelsvennootschappen exclusief uitzendkantoren omvatten 75% van alle erkende dienstenchequebedrijven, maar deze groep vertegenwoordigt slechts 22% van de totale winst die werd gerealiseerd op sectorniveau. We stellen vast dat de uitzendkantoren duidelijk het best scoren op het vlak van rendabiliteit. Meer dan 60% van de totale winst die werd gerealiseerd door de erkende dienstenchequebedrijven kan worden toegewezen aan de uitzendkantoren terwijl deze organisaties slechts 34% van de gerealiseerde brutomarge vertegenwoordigden. De (ex-)PWA kantoren vertonen daarentegen globaal een erg zwakke rendabiliteit met een globaal negatief eindresultaat. In onderstaande tabel hebben we de loonkosten vergeleken met de gerealiseerde brutomarge bij de verschillende types dienstenchequebedrijven: 2018 Brutomarge Bezoldigingen

Handelsven. (excl uitzend)

VZW (excl.PWA)

2.105.265.588 100% 2.293.334.560 1.999.292.503 94,97% 2.167.501.635

PWA

100% 94,51%

70.957.626 69.576.424

Uitzend 100% 98,05%

2.312.426.685 2.205.578.441

100% 95,38%

De loonkosten vertegenwoordigen globaal ongeveer 95% van de gerealiseerde brutomarge, maar bij de (vroegere) PWA-kantoren ligt dit evenwel 3% hoger dan bij de andere types dienstenchequebedrijven. In onderstaande tabel geven we een overzicht van de mediaanwaarde van de gerealiseerde brutomarge en het resultaat per onderneming in de verschillende deelsegmenten: Mediaanwaarden boekjaar 2018

Totaal

Handelsvenn. (excl uitzend)

VZW (excl.PWA)

PWA

Uitzend

Brutomarge

910.878

775.243

272.584

787.670

33.051.674

Bruto bedrijfsresultaat

32.061

30.346

47.685

6.503

809.272

Netto bedrijfsresultaat

15.049

15.823

13.725

1.181

678.225

Eindresultaat

8.764

8.211

15.917

-1.882

273.829

Financiële gezondheid van de erkende dienstenchequebedrijven De continuïteit van een organisatie wordt in eerste instantie bepaald door haar rendabiliteit en haar liquiditeit: organisaties moeten over een minimum aan rendabiliteit beschikken en zij moeten over voldoende liquide middelen beschikken om de schulden op korte termijn te kunnen terugbetalen. Bij de beoordeling van de financiële gezondheid van de ondernemingen wordt vervolgens rekening gehouden met de solvabiliteitsgraad van de onderneming als financiële buffer. 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 11 van 41


Volgende kerncijfers met betrekking tot de liquiditeit en de solvabiliteit werden afgeleid uit de neergelegde jaarrekeningen van alle erkende dienstenchequebedrijven: • Liquiditeit: Quick Ratio (acid test ratio) Formule: (vorderingen <1 jaar + geldbeleggingen en liquide middelen) / vreemd vermogen op korte termijn Liquiditeitsgraad sector Totaal vorderingen < 1 jaar Totaal geldbeleggingen Totaal liquide middelen Vlottende activa (berekend) Schulden korte termijn Liquiditeitsgraad

2016 2017 2018 1.042.280.004 1.116.359.241 1.178.886.484 463.059.676 371.486.188 331.404.799 833.542.388 771.279.810 738.338.532 2.338.882.068 2.259.125.239 2.248.629.815 1.400.875.586 1.457.185.286 1.511.969.642 1,67 1,55 1,49

De liquiditeitsratio geeft aan in welke mate aan de kortlopende schulden (max. 1 jaar) kan voldaan worden met de vlottende activa die normaal gezien binnen een termijn van één jaar zullen worden omgezet in kasmiddelen, zonder rekening te houden met de voorraad. Hoe hoger de ratio, hoe sterker de liquiditeitspositie van de onderneming. In het algemeen kan worden gesteld dat de organisatie over voldoende liquiditeit beschikt indien de quick ratio hoger is dan 1. De sector vertoont globaal een voldoende liquiditeitsgraad (quick ratio > 1). Gezien de grote diversiteit aan dienstenchequebedrijven, zijn er echter ook grote individuele verschillen in de liquiditeit van de individuele dienstenchequebedrijven. In onderstaande tabel geven we een overzicht van de liquiditeitsgraad per type organisatie op het einde van boekjaar 2018: Liquiditeit Vorderingen < 1 jr Geldbeleggingen Liquide middelen Vlottende activa Schulden korte termijn Liquiditeitsgraad

Totaal

Handelsvenn. (excl uitzend)

VZW (excl.PWA)

PWA

Uitzend

1.178.886.484 331.404.799 738.338.532 2.248.629.815

100% 100% 100% 100%

264.665.654 30.079.512 231.071.510 525.816.676

22% 9% 31% 23%

458.040.431 293.498.236 342.173.667 1.093.712.334

39% 89% 46% 49%

7.407.660 5.938.302 35.059.357 48.405.319

1% 2% 5% 2%

448.772.739 1.888.749 130.033.998 580.695.486

38% 1% 18% 26%

1.511.969.642 1,49

100%

422.108.562 1,25

28%

557.336.314 1,96

37%

12.149.638 1% 3,98

520.375.128 1,12

34%

Alle deelsegmenten vertonen globaal een voldoende liquiditeitsgraad. Opvallende vaststelling is dat de VZW’s en vooral de PWA’s op het vlak van liquiditeit beter scoren dan de handelsvennootschappen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat VZW’s in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren waardoor hun winsten meestal integraal gereserveerd werden.

Spreiding liquiditeit

>2 1,5 - 2 1 - 1,5 0,5 - 1

3.06.2020

Totaal 1.247 337 143 345 262

100% 27,0% 11,5% 27,7% 21,0%

Handelsvenn. (excl uitzend) 941 157 101 290 239

100% 16,7% 10,7% 30,8% 25,4%

VZW (excl.PWA) 204 120 28 40 13

100% 58,8% 13,7% 19,6% 6,4%

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

PWA 76 58 8 3 5

100% 76,3% 10,5% 3,9% 6,6%

Uitzend 26 2 6 12 5

pagina 12 van 41

100% 7,7% 23,1% 46,2% 19,2%


0 - 0,5

160

12,8%

154

16,4%

3

1,5%

2

2,6%

1

3,8%

Ongeveer 65% van de dienstenchequebedrijven vertonen per eind 2018 een voldoende liquiditeitsratio, wat aangeeft dat deze ondernemingen hun betalingsverplichtingen op korte termijn kunnen voldoen. Bij 21% van de dienstenchequebedrijven was de liquiditeitspositie evenwel verzwakt (ratio tussen 0,5 en 1) en bij ongeveer 13% was er sprake van een liquiditeitstekort (ratio < 0,5). Op individueel niveau zijn het vooral handelsvennootschappen die kampen met een liquiditeitstekort. • Solvabiliteit: solvabiliteitsratio Formule: Eigen middelen / Totaal Vermogen (balanstotaal) Solvabiliteitsgraad sector Totaal eigen vermogen Balanstotaal Solvabiliteitsgraad

2016 2017 2018 1.932.532.168 1.940.854.421 2.049.270.380 4.114.703.978 4.165.377.853 4.463.182.359 46,97% 46,59% 45,92%

Deze ratio geeft aan in welke mate de organisatie wordt gefinancierd met eigen fondsen/eigen vermogen en dus financieel onafhankelijk is. Het eigen vermogen vormt de financiële buffer voor het opvangen van risico's. Hoe hoger de ratio, hoe beter de solvabiliteitspositie van de organisatie. In het algemeen kan worden gesteld dat deze ratio best minstens 20% bedraagt en dat een solvabiliteitsratio boven de 40% gezond is. De sector vertoont globaal een voldoende solvabiliteit (ratio > 40%). Solvabiliteit Totaal eigen vermogen Balanstotaal Solvabiliteitsgraad

Totaal

2.049.270.380 100% 4.463.182.359 100% 45,92%

Handelsvenn. (excl uitzend) 301.951.990 840.134.112 35,94%

15% 19%

VZW (excl.PWA)

1.402.737.011 68% 2.582.804.825 58% 54,31%

PWA

Uitzend

37.183.892 58.596.104 63,46%

2% 1%

307.397.487 15% 981.647.318 22% 31,31%

Alle deelsegmenten vertonen globaal een aanvaardbare solvabiliteitsgraad. Net als bij de bespreking van de liquiditeit stellen we vast dat ook op vlak van solvabiliteit de PWA’s en de VZW’s globaal een hogere solvabiliteitsgraad vertonen dan de handelsvennootschappen en de uitzendkantoren, wat mogelijks kan worden verklaard doordat de VZW’s (en PWA’s) in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren waardoor hun winsten meestal integraal gereserveerd werden. Er zijn evenwel zeer grote verschillen tussen de individuele dienstenchequebedrijven: Spreiding van de solvabiliteit Aantal jaarrekeningen >40% 25%-40% 10%-25% 0%-10% negatief

3.06.2020

Totaal

1.254 500 191 240 123 200

Handelsven. (excl uitzend) 100% 39,9% 15,2% 19,1% 9,8% 15,9%

944 288 154 211 105 186

100% 30,5% 16,3% 22,4% 11,1% 19,7%

VZW (excl.PWA) 205 144 25 19 9 8

100% 70,2% 12,2% 9,3% 4,4% 3,9%

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

PWA

79 63 4 3 4 5

100% 79,7% 5,1% 3,8% 5,1% 6,3%

Uitzend

26 5 8 7 5 1

pagina 13 van 41

100% 19,2% 30,8% 26,9% 19,2% 3,8%


We stellen vast dat 80% van de PWA’s en 70% van de VZW’s een solvabiliteit halen van meer dan 40%. Bij de handelsvennootschappen en bij de uitzendondernemingen is dit respectievelijk 30% en 20%. Ongeveer 25% van alle dienstenchequebedrijven vertonen een erg zwakke (<10%) solvabiliteitsgraad. Er zijn relatief meer handelsvennootschappen dan VZW’s die kampen met een tekort aan eigen vermogen. Bijna 20% van alle erkende handelsvennootschappen vertonen een negatieve solvabiliteitsgraad, terwijl dit bij minder dan 4% van de VZW’s het geval is. Conclusies van de analyse van de jaarrekeningen van alle dienstenchequebedrijven met een Vlaamse erkenning We hebben op basis van de neergelegde jaarrekeningen van boekjaar 2016 tot en met boekjaar 2018 een globale analyse gemaakt van de evolutie van de resultaten en van de financiële gezondheid van de sector van de dienstenchequebedrijven. Hierbij dient opgemerkt dat deze neergelegde jaarrekeningen steeds betrekking hebben op de volledige organisatie, waardoor de onderzochte cijfers niet alleen betrekking hebben op dienstencheque-activiteiten maar ook op andere activiteiten die mogelijks binnen dezelfde juridische entiteit plaatsvonden. Deze analyse van de jaarrekeningen geeft dus enkel inzicht in de globale rendabiliteit en financiële gezondheid van de dienstenchequebedrijven, maar niet in de rendabiliteit van hun afzonderlijke dienstenchequeactiviteiten. Vaststellingen met betrekking tot de rendabiliteit De sector van de dienstenchequebedrijven vertoont globaal een positieve rendabiliteit, maar er zijn grote onderlinge verschillen tussen de verschillende dienstenchequebedrijven. Uit de jaarrekeningen blijkt een jaarlijkse stijging van het aantal dienstenchequebedrijven met een negatief eindresultaat. In boekjaar 2018 vertoonde 32,1% van alle neergelegde jaarrekeningen een negatief eindresultaat. In 2016 en 2017 was dit nog respectievelijk 25,8% en 28,6%. De globale rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven (verhouding bruto- en nettoresultaat ten opzichte van de brutomarge) vertoont een daling in de voorbije drie boekjaren. Deze daling van de rendabiliteit kan minstens deels worden verklaard door een relatieve stijging van de loonkosten ten opzichte van de brutomarge.

De uitzendkantoren vertonen globaal een hogere winstgevendheid dan het sectorgemiddelde. Meer dan 60% van de winst die werd gerealiseerd door alle dienstenchequebedrijven in 2018 kan worden toegewezen aan uitzendkantoren. De VZW’s scoren in het algemeen minder goed op vlak van rendabiliteit dan de handelsvennootschappen. De (ex-)PWA’s vertonen de zwakste rendabiliteit met een globaal negatief eindresultaat in 2018.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 14 van 41


Het aantal verlieslatende dienstenchequebedrijven steeg relatief sterker bij de (ex)PWA’s dan bij de andere dienstenchequebedrijven. Bij de (ex-)PWA’s sloot meer dan de helft van de dienstenchequebedrijven boekjaar 2018 af met een negatief eindresultaat. Vaststellingen met betrekking tot liquiditeit en solvabiliteit De sector van de dienstenchequebedrijven vertoont globaal een financieel gezonde structuur met een voldoende liquiditeit en solvabiliteit, maar er zijn ook grote onderlinge verschillen tussen de dienstenchequebedrijven op het vlak van financiële structuur. Ongeveer 65% van alle dienstenchequebedrijven vertoonden per eind 2018 een voldoende liquiditeitsratio, maar bij 21% van de bedrijven was de liquiditeit verzwakt en bij 13% was er sprake van een liquiditeitstekort. Ongeveer 25% van alle dienstenchequebedrijven vertoont een erg zwakke solvabiliteitsgraad. De dienstenchequebedrijven met liquiditeitstekort en/of een verzwakte solvabiliteitsgraad betreffen vooral handelsvennootschappen. De VZW’s en vooral de (ex-)PWA’s vertonen globaal een sterkere liquiditeit en solvabiliteit dan de handelsvennootschappen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat deze organisaties in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren.

5. Analyse van de rendabiliteit van organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten Bovenstaande analyse van de jaarrekeningen van alle erkende dienstenchequebedrijven geeft zicht op de rendabiliteit en financiële gezondheid van alle organisaties die werden erkend om dienstencheque-activiteiten aan te bieden in Vlaanderen. De rendabiliteit van deze organisaties kan echter ook deels het gevolg zijn van andere activiteiten die zij aanbieden naast hun activiteiten met dienstencheques. Om zicht te krijgen op de rendabiliteit van de afzonderlijke dienstencheque-activiteiten hebben we hieronder een analyse gemaakt van de jaarrekeningen van de organisaties die uitsluitend dienstencheque-activiteiten verrichten en hoofdzakelijk actief zijn in Vlaanderen. Bij de selectie van ondernemingen die uitsluitend dienstencheque-activiteiten uitvoeren hebben we ons beperkt tot de jaarrekeningen waarin de bedrijfsopbrengsten werden vermeld of waarvan de bedrijfsopbrengsten konden worden afgeleid op basis van andere gegevens in hun jaarrekeningen. We hebben de bedrijfsopbrengst in deze jaarrekeningen vervolgens vergeleken met het aantal dienstencheques dat de betreffende ondernemingen hebben ingediend bij het uitgiftebedrijf. Als de gerealiseerde bedrijfsopbrengst van het boekjaar 2018 in de buurt lag van de totale terugbetaalwaarde van de dienstencheques die werden ingediend voor prestaties van dat jaar, gaan we er van uit dat de activiteiten uitsluitend (of minstens hoofdzakelijk) betrekking hadden op dienstencheque-activiteiten. In boekjaar 2018 bedroeg de terugbetaalwaarde per dienstencheque 23,02 euro voor de cheques die werden uitgegeven na 1 september 2018 en 22,69 euro voor de cheques die werden uitgegeven voor die datum. Als de bedrijfsopbrengst van de organisatie zich 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 15 van 41


situeert tussen 22 euro en 27 euro per ingediende dienstencheque, gaan we er van uit dat de activiteiten van de onderneming hoofdzakelijk betrekking hadden op dienstencheques. Daarnaast hebben we de selectie beperkt tot organisaties die minstens 50% van hun dienstencheques hebben ingediend voor prestaties in het Vlaamse Gewest. Geselecteerde jaarrekeningen Op basis van bovenstaande criteria hebben we 90 organisaties kunnen weerhouden die in 2018 actief waren en waarvan de bedrijfsopbrengsten uitsluitend (of minstens hoofdzakelijk) betrekking hadden op dienstencheque-activiteiten in Vlaanderen. Voor deze organisaties hebben we de jaarrekeningen onderzocht van de voorbije drie boekjaren. In onderstaande tabel geven we een overzicht van het aantal onderzoeksobjecten per boekjaar en de totale omvang van deze selectie op vlak van tewerkstelling en ingediende dienstencheques: Onderzoeksobjecten aantal jaarrekeningen (organisaties) aantal VTE aantal gepresteerde uren aantal ingediende cheques

2016 85 27.403 38.161.116 33.402.552

2017 86 30.168 41.104.836 38.976.580

2018 90 32.839 44.964.335 42.958.394

Uit de gegevens van Sodexo blijkt dat er in totaal 85,3 miljoen Vlaamse dienstencheques werden ingediend voor prestaties in 2018. De geselecteerde 90 organisaties vertegenwoordigen iets meer dan 50% van het totaal aantal ingediende cheques. Hieronder geven we een meer gedetailleerd overzicht van de spreiding van deze organisaties in 2018 op vlak van grootte en organisatievorm. Naar organisatievorm hebben we in eerste instantie onderscheid gemaakt tussen de handelsvennootschappen en VZW’s. Gelet op het beperkt aantal uitzendkantoren in de selectie hebben we binnen de groep handelsvennootschappen geen onderscheid gemaakt tussen uitzendkantoren en andere handelsvennootschappen. Binnen de groep VZW’s hebben we wel een opsplitsing gemaakt tussen ‘gemeentelijke’ VZW’s en de andere ‘gewone’ VZW’s. De categorie ‘gemeentelijke VZW’s’ werd ruim gedefinieerd en omvat alle VZW’s die werden opgericht vanuit gemeentelijk initiatief, dit betreft veelal de verderzetting van vroegere PWA-kantoren. Onderzoeksobjecten 2018 aantal organisaties

totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

90

100%

57

63,3%

12

13,3%

21

23,3%

32.839

100%

28.822

87,8%

2.474

7,5%

1.543

4,7%

aantal gepresteerde uren

44.964.335

100%

39.684.798

88,3%

3.261.303

7,3%

2.018.234

4,5%

aantal dienstencheques

42.958.394

100%

37.946.803

88,3%

3.108.151

7,2%

1.903.440

4,4%

aantal VTE

Onderzoeksobjecten 2018

totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

aantal jaarrekeningen

90

100%

57

63,3%

12

13,3%

21

23,3%

meer dan 500K

25

100%

24

96,0%

1

4,0%

0

0%

100-500K

30

100%

22

73,3%

3

10,0%

5

16,7%

0-100K

35

100%

11

31,4%

8

22,9%

16

45,7%

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 16 van 41


De onderzochte dienstenchequebedrijven betreffen voor 63% handelsvennootschappen en voor 36% VZW’s. Deze verhouding sluit aan bij de verhouding van het totaal aantal erkende dienstenchequebedrijven (69% handelsvennootschappen). De 63% handelsvennootschappen vertegenwoordigen bijna 90% van de totale tewerkstelling van de 90 onderzochte ondernemingen. De gemiddelde tewerkstelling in de VZW’s is merkelijk lager dan in de handelsvennootschappen en dit verschil stelt zich nog scherper voor de afzonderlijke groep gemeentelijke VZW’s. Bij de onderzochte handelsvennootschappen werden gemiddeld 506 VTE tewerkgesteld, ten opzichte van gemiddeld 206 VTE bij de gewone VZW’s en gemiddeld 73 VTE bij de gemeentelijke VZW’s.

Globaal overzicht van de resultaten van de geselecteerde dienstenchequebedrijven Hieronder geven we een overzicht van de evolutie van het percentage winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven in boekjaren 2016-2018. EINDRESULTAAT 2016-2018 Aantal positief eindresultaat 12,9%

Aantal negatief eindresultaat

17,4% 25,6%

87,1%

82,6%

BOEKJAAR 2016

BOEKJAAR 2017

74,4%

BOEKJAAR 2018

Bijna 75% van de geselecteerde dienstenchequebedrijven behaalden in boekjaar 2018 een positief eindresultaat. Net als bij de analyse van alle erkende dienstenchequebedrijven stellen we ook bij de geselecteerde 90 bedrijven een jaarlijkse daling vast van het percentage organisaties dat het boekjaar kon afsluiten met een positief eindresultaat. In 2018 sloten 23 van de geselecteerde dienstenchequebedrijven het boekjaar af met een negatief eindresultaat. In 2016 waren slechts 11 van deze organisaties verlieslatend. In onderstaande grafiek geven we een overzicht van de evolutie van het aantal winstgevende en verlieslatende dienstenchequebedrijven per type organisatie:

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 17 van 41


% ondernemingen met positief resultaat 100,0% 90,0%

90,0% 87,5% 84,2%

90,0% 83,9%

86,0%

80,0% 75,0% 70,0% 60,0%

58,3% 52,0%

50,0% 40,0% Aantal positief eindresultaat 2016 Handelsven.

Aantal positief eindresultaat 2017 Gewone VZW

Aantal positief eindresultaat 2018 Gemeentelijke VZW

Uit de opsplitsing volgens type organisatie blijkt dat de handelsvennootschappen in 2018 veel vaker een positief eindresultaat behaalden dan de VZW’s. Bij de gemeentelijke VZW’s vertoonde bijna de helft van de onderzochte organisaties in 2018 een negatief eindresultaat. Bij de geselecteerde handelsvennootschappen bleef het percentage winstgevende bedrijven de voorbije drie jaar relatief stabiel op ongeveer 85% van de ondernemingen. Bij de VZW’s zien we daarentegen een daling van het percentage winstgevende organisaties. De sterke daling van het aantal winstgevende VZW’s in boekjaar 2018 geeft aan dat dit laatste boekjaar bij een relatief groot aantal van de geselecteerde VZW’s een kantelpunt was op het vlak van hun globale winstgevendheid. Deze vaststellingen sluiten aan bij de vaststellingen in onze eerdere analyse van de jaarrekeningen van alle erkende dienstenchequebedrijven. Ook daar stelden we vast dat de daling van het aandeel winstgevende bedrijven zich vooral situeerde bij VZW’s en (ex-)PWA’s. In onderstaande tabel hebben we voor boekjaar 2018 een verdere opsplitsing gemaakt naargelang de omvang van het behaalde eindresultaat:

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 18 van 41


Spreiding eindresultaat 2018

Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Aantal jaarrekeningen 2018

90

100%

57

100%

12

100%

21

100%

Aantal positief eindresultaat

67

74,4%

49

86,0%

7

58,3%

11

52,4%

winst > 1.000.000 euro

3

3,3%

3

5,3%

0

0,0%

0

0,0%

winst 500.000 - 1.000.000

6

6,7%

6

10,5%

0

0,0%

0

0,0%

winst 100.000 - 500.000

19

21,1%

17

29,8%

1

8,3%

1

4,8%

winst 50.000 - 100.000

11

12,2%

7

12,3%

1

8,3%

3

14,3%

winst 10.000 - 50.000

18

20,0%

8

14,0%

5

41,7%

5

23,8%

winst < 10.000 euro

10

11,1%

8

14,0%

0,0%

2

9,5%

Aantal negatief eindresultaat

23

25,6%

8

14,0%

41,7%

10

47,6%

verlies < 10.000 euro

3

3,3%

2

3,5%

0,0%

1

4,8%

verlies 10.000 - 50.000

9

10,0%

1

1,8%

1

8,3%

7

33,3%

verlies 50.000 - 100.000

6

6,7%

3

5,3%

2

16,7%

1

4,8%

verlies 100.000 - 500.000

4

4,4%

1

1,8%

2

16,7%

1

4,8%

verlies 500.000 - 1.000.000

1

1,1%

1

1,8%

0

0,0%

0

0,0%

verlies > 1.000.000 euro

0

0,0%

0

0,0%

0

0,0%

0

0,0%

5

In de situering van de dienstenchequebedrijven hebben we aangetoond dat de markt van de dienstenchequebedrijven sterk geconcentreerd is bij een aantal grote bedrijven. Om na te gaan of schaalgrootte een bepalende factor is voor de rendabiliteit van de dienstenchequeactiviteiten hebben we in onderstaande tabel de resultaten ook vergeleken op basis van het aantal ingediende Vlaamse dienstencheques op jaarbasis:

Spreiding eindresultaat

Totaal

> 500K cheques

100K- 500K cheques

< 100K cheques

Aantal jaarrekeningen 2018

90

100%

25

100%

30

100%

35

100%

Aantal positief eindresultaat

67

74,4%

21

84,0%

25

83,3%

21

60,0%

winst > 1.000.000 euro

3

3,3%

3

12,0%

0

0,0%

0

0,0%

winst 500.000 - 1.000.000

6

6,7%

6

24,0%

0

0,0%

0

0,0%

winst 100.000 - 500.000

19

21,1%

9

36,0%

9

30,0%

1

2,9%

winst 50.000 - 100.000

11

12,2%

1

4,0%

8

26,7%

2

5,7%

winst 10.000 - 50.000

18

20,0%

1

4,0%

5

16,7%

12

34,3%

winst < 10.000 euro

10

11,1%

1

4,0%

3

10,0%

6

17,1%

Aantal negatief eindresultaat

23

25,6%

4

16,0%

5

16,7%

14

40,0%

verlies < 10.000 euro

3

3,3%

0

0,0%

1

3,3%

2

5,7%

verlies 10.000 - 50.000

9

10,0%

0

0,0%

1

3,3%

8

22,9%

verlies 50.000 - 100.000

6

6,7%

1

4,0%

2

6,7%

3

8,6%

verlies 100.000 - 500.000

4

4,4%

2

8,0%

1

3,3%

1

2,9%

verlies 500.000 - 1.000.000

1

1,1%

1

4,0%

0

0,0%

0

0,0%

verlies > 1.000.000 euro

0

0,0%

0

0,0%

0

0,0%

0

0,0%

We stellen vast dat de kleinere dienstenchequebedrijven in de steekproef vaker een negatief resultaat vertonen dan de middelgrote en grote bedrijven.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 19 van 41


Bij de dienstenchequebedrijven met meer dan 100.000 dienstencheques op jaarbasis behaalde ongeveer 16% een negatief eindresultaat, terwijl dit het geval was bij 40% van de kleinere dienstenchequebedrijven. Analyse van de rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven in boekjaar 2018 In onderstaande tabel hebben we een vergelijking gemaakt tussen de opbrengsten en kosten per dienstencheque volgens de rendabiliteit van de organisaties, zijnde de verhouding tussen het gerealiseerde netto-bedrijfsresultaat en de bedrijfsopbrengsten in boekjaar 2018: Netto bedrijfsresultaat

Totaal

> 4% BO

>2% < 4% BO

>0% < 2% BO

<0% >-2% BO

<-2% >-4% BO

<-4% BO

aantal ondernemingen

90

15

17

34

12

5

7

42.958.394

12.635.989

9.078.855

13.947.622

6.735.655

364.501

195.772

Bedrijfsopbrengsten

23,33

23,29

23,04

23,47

23,44

23,93

23,64

Bedrijfskosten

22,79

22,05

22,37

23,23

23,65

24,56

25,39

Aankopen DG en D

1,75

1,55

2,09

1,72

1,69

1,79

1,59

Loonkosten

20,81

20,40

19,99

21,18

21,78

22,30

22,26

Andere Bedrijfskosten Afschrijvingen & waardevermind

0,08

0,02

0,08

0,14

0,05

0,13

1,34

0,17

0,09

0,21

0,21

0,15

0,36

0,14

Voorzieningen

-0,01

-0,01

0,00

-0,02

-0,03

0,00

0,07

Netto bedrijfsresultaat

0,54

1,24

0,67

0,24

-0,21

-0,63

-1,74

Resultaat boekjaar

0,38

0,95

0,41

0,18

-0,21

-0,73

-1,86

totaal aantal DC Per dienstencheque:

Het netto-bedrijfsresultaat is het resultaat van de onderneming zonder rekening te houden met financiële en uitzonderlijke opbrengsten en kosten en belastingen. Het verschil tussen het netto-bedrijfsresultaat en het eindresultaat wordt vooral bepaald door de belastingen op het resultaat. Enkel in de twee meest verlieslatende categorieën wordt het eindresultaat daarnaast ook noemenswaardig beïnvloed door financiële of uitzonderlijke resultaten, zijnde een financieel resultaat van -0,11 euro per dienstencheque in de categorie met nettobedrijfsresultaat lager dan -4% van de bedrijfsopbrengsten en een uitzonderlijk resultaat van -0,09 euro per dienstencheque in de categorie met netto-bedrijfsresultaat tussen -2% en -4% van de bedrijfsopbrengsten. Er kan geen lineair verband worden vastgesteld tussen het resultaat per dienstencheque en de omvang van de bedrijfsopbrengsten per dienstencheque. De meest winstgevende dienstenchequebedrijven boekten gemiddeld een bedrijfsopbrengst van 23,29 euro per dienstencheque, wat lager is dan de bedrijfsopbrengst per dienstencheque van de organisaties die boekjaar 2018 hebben afgesloten met een negatief bedrijfsresultaat. Er kan wel een duidelijk verband worden vastgesteld tussen de omvang van de bedrijfskosten per dienstencheque en het bedrijfsresultaat. Het resultaat per dienstencheque evolueert nagenoeg evenredig met de omvang van de bedrijfskosten per cheque. Bij de categorieën winstgevende dienstenchequebedrijven situeert de totale bedrijfskost zich tussen 22,05 euro en 23,23 euro per 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 20 van 41


dienstencheque. Bij de verlieslatende categorieën bedraagt de gemiddelde bedrijfskost tussen 23,65 euro en 25,39 euro per cheque. De totale bedrijfskosten bestaan voor meer dan 90% uit loonkosten. Het is dan ook vooral de omvang van de loonkost per dienstencheque die bepaalt of een onderneming rendabel of verlieslatend is. Bij de winstgevende dienstenchequebedrijven situeerde de totale loonkost zich tussen 19,99 euro en 21,18 euro per dienstencheque. Bij de verlieslatende organisaties bedroeg de gemiddelde loonkost tussen 21,78 euro en 22,30 euro per cheque. De categorie van de meest verlieslatende bedrijven vertoont naast een relatief hoge loonkost per dienstencheque ook een hogere omvang van de andere bedrijfskosten. Analyse van de rendabiliteit volgens omvang van de organisatie Uit onderstaande tabel blijkt dat er grote verschillen zijn tussen de rendabiliteit van de dienstencheque-activiteiten naargelang de grootte van de organisatie: Rendabiliteit

Totaal

Bedrijfsopbrengsten 1.002.168.013

> 500K cheques 100%

776.707.667

100%

100-500K cheques 185.766.855

100%

< 100K cheques 39.693.491

100%

Brutomarge

927.117.183

92,51% 715.806.309 92,16% 174.528.322 93,95% 36.782.552 92,67%

Bruto bedrijfsres.

30.370.606

3,03%

25.694.741

3,31%

4.239.348

2,28%

436.517

1,10%

Netto bedrijfsres.

23.213.796

2,32%

20.105.692

2,59%

2.857.253

1,54%

250.851

0,63%

Eindresultaat

16.262.210

1,62%

14.155.142

1,82%

1.884.655

1,01%

222.413

0,56%

De verhouding tussen de bedrijfsresultaten en de bedrijfsopbrengsten vertoont een correlatie met de omvang van de dienstencheque-activiteiten: de rendabiliteit stijgt nagenoeg evenredig met de omvang van de dienstenchequebedrijven. De ondernemingen met meer dan 500K cheques op jaarbasis behaalden in totaal een brutobedrijfsresultaat ten belope van 3,31% van hun bedrijfsopbrengsten. Bij de middelgrote ondernemingen (100-500K cheques op jaarbasis) was dit nog 2,28% en bij de kleinere ondernemingen (<100K cheques op jaarbasis) bedroeg het brutobedrijfsresultaat nog slechts 1,10% van de bedrijfsopbrengsten. In onderstaande tabellen hebben we de bedrijfsopbrengsten en -kosten per dienstencheque in kaart gebracht per grootte van de organisaties (aantal ingediende cheques): Totaal aantal organisaties aantal VTE werknemers totaal aantal DC

>500K cheques

100K-500K cheques

<100K cheques

90

25

30

35

32.839

25.442

6.054

1.343

42.958.394

33.455.572

7.832.811

1.670.011

Per dienstencheque: Bedrijfsopbrengsten

23,33

100%

23,22

100%

23,72

100%

23,77

100%

Bedrijfskosten

22,79

97,7%

22,62

97,4%

23,35

98,5%

23,62

99,4%

Aankopen DG en D

1,75

7,5%

1,82

7,8%

1,43

6,0%

1,73

7,3%

Loonkosten

20,81

89,2%

20,57

88,6%

21,65

91,3%

21,60

90,9%

Andere Bedrijfskosten Afschrijvingen & waardevermind

0,08

0,3%

0,07

0,3%

0,11

0,5%

0,18

0,8%

0,17

0,7%

0,17

0,7%

0,18

0,7%

0,11

0,5%

Voorzieningen

-0,01

-0,1%

-0,01

-0,1%

-0,02

-0,1%

0,00

0,0%

Netto bedrijfsresultaat

0,54

2,3%

0,60

2,6%

0,36

1,5%

0,15

0,6%

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 21 van 41


Resultaat boekjaar

0,38

1,6%

0,42

1,8%

0,24

1,0%

0,13

0,6%

De bedrijfsopbrengst per dienstencheque blijkt omgekeerd evenredig te evolueren met de grootte van de organisatie. De grootste organisaties (> 500K cheques op jaarbasis) realiseerden de laagste bedrijfsopbrengst per dienstencheque (23,22 euro). Dit lijkt er op te wijzen dat kleinere organisaties eerder geneigd zijn om bijkomende kosten aan hun gebruikers aan te rekenen. De gemiddelde totale bedrijfskost per dienstencheque daalt daarentegen recht evenredig met de grootte van de organisatie. Bij de grootste organisaties (>500K cheques op jaarbasis) was de totale bedrijfskost per dienstencheque (22,62 euro), zijnde één euro per cheque lager dan bij de organisaties die minder dan 100K cheques indienden. Uit de opsplitsing van de totale bedrijfskosten blijkt dat het verschil in totale bedrijfskost per cheque kan worden verklaard door een lagere loonkost per dienstencheque bij de grootste organisaties. De grootste dienstenchequebedrijven hadden 20,6 euro loonkosten per dienstencheque terwijl deze loonkost bij de middelgrote en kleinere dienstenchequebedrijven 21,6 euro bedroeg. Bij de andere bedrijfskosten is het onderscheid tussen de verschillende categorieën minder uitgesproken. Deze kosten lagen in het algemeen iets hoger bij de grootste organisaties maar de impact van deze verschillen op het resultaat blijft eerder beperkt. Door de lagere loonkost per dienstencheque realiseerden de grootste dienstenchequebedrijven – ondanks een lagere bedrijfsopbrengst per cheque – betere resultaten dan de middelgrote en kleine dienstenchequebedrijven. Aan de hand van de gegevens in de jaarrekeningen en de sociale balansen hebben we nagegaan wat de verklarende factoren zijn voor de lagere loonkost per dienstencheque bij de grootste dienstenchequebedrijven. We hebben de loonkosten vergeleken met het aantal gewerkte uren dat wordt vermeld in de sociale balansen van de betreffende organisaties: Totaal

> 500K cheques

100-500K cheques

< 100K cheques

Totaal gewerkte uren

44.964.335

34.862.202

8.345.184

1.756.949

Loonkosten

893.843.344

688.224.509

169.549.185

36.069.650

Loonkost per gewerkt uur

19,88

100%

19,74

99,3%

20,32

102,2%

20,53

103,3%

Loonkost per dienstencheque

20,81

100%

20,57

98,9%

21,65

104,0%

21,60

103,8%

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de lagere loonkost per dienstencheque bij de grootste dienstenchequebedrijven deels kan worden verklaard door een lagere loonkost per gewerkt uur. Bij de dienstenchequebedrijven met meer dan 500K cheques op jaarbasis lage de gemiddelde loonkost per gewerkt uur 0,58 euro lager dan bij de bedrijven die tussen de 100K en 500K cheques indienden. Bij de kleinste bedrijven lag de loonkost per gewerkt uur nog iets hoger. De hogere loonkost per gewerkt uur is evenwel niet de enige verklaring gezien het verschil in loonkost per dienstencheque groter is dan het verschil in loonkost per gewerkt uur. In onderstaande tabel hebben we het totaal aantal gewerkte uren vergeleken met het aantal ingediende dienstencheques: 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 22 van 41


Totaal

> 500K cheques

100-500K cheques

< 100K cheques

Totaal gewerkte uren

44.964.335

100%

34.862.202

100%

8.345.184

100%

1.756.949

100%

Aantal dienstencheques

42.958.394

95,5%

33.455.572

96,0%

7.832.811

93,9%

1.670.011

95,1%

Bij de grootste dienstenchequebedrijven werd het hoogste % van de gewerkte uren (96%) vergoed met een dienstencheque. Bij de middelgrote bedrijven was dit % het laagst (93,9%). Deze verschillen kunnen bijvoorbeeld worden verklaard door een relatief hogere personeelsinzet voor omkadering of opleidingstijd bij de middelgrote bedrijven.

Analyse van de rendabiliteit volgens type organisatie Rendabiliteit Bedrijfsopbrengsten

Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

1.002.168.013

100%

884.002.523

100%

73.360.003

100%

44.805.487

100%

Brutomarge

927.117.183

93%

816.500.659

92%

68.156.417

93%

42.460.107

95%

Bruto bedrijfsres.

30.370.606

3,03%

29.590.278

3,35%

417.396

0,57%

362.932

0,81%

Netto bedrijfsres.

23.213.796

2,32%

23.127.390

2,62%

40.311

0,05%

46.095

0,10%

Eindresultaat

16.262.210

1,62%

16.188.734

1,83%

-74.752

-0,10%

148.228

0,33%

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er grote verschillen zijn tussen de rendabiliteit van de dienstencheque-activiteiten naargelang het type organisatie. De 90 onderzochte bedrijven realiseerden in totaal een winst van +16.262.210 euro. Deze winst kan voor 99% worden toegeschreven aan de 57 onderzochte handelsvennootschappen. De 21 gemeentelijke vzw’s realiseerden samen slechts een winst van +148.228 euro en de 12 onderzochte gewone vzw’s vertonen zelfs een negatief eindresultaat. Uit vergelijking van het bedrijfsresultaat blijkt dat de handelsvennootschappen globaal een operationele winstmarge (nettobedrijfsresultaat in % van de bedrijfsopbrengsten) behaalden van +2,62% van de bedrijfsopbrengsten. Bij zowel de gewone VZW’s als bij de gemeentelijke VZW’s was de operationele winstmarge nog net positief. De vaststellingen uit de analyse van de 90 geselecteerde bedrijven met uitsluitend dienstenchequeactiviteiten sluiten aan bij de resultaten van ons globale onderzoek van alle erkende dienstenchequebedrijven. Ook in het globale onderzoek stelden we vast dat de handelsvennootschappen in boekjaar 2018 globaal voldoende winstmarge vertoonden om hun loonkosten te kunnen dragen maar dat de marges bij de VZW’s erg verzwakt waren.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 23 van 41


In onderstaande tabellen hebben we de bedrijfsopbrengsten en -kosten per dienstencheque in kaart gebracht per type dienstenchequebedrijf: Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

aantal ondernemingen

90

57

12

21

aantal VTE werknemers

32.839

28.822

2.474

1.543

42.958.394

37.946.803

3.108.151

1.903.440

totaal aantal DC Per dienstencheque: Bedrijfsopbrengsten

23,33

100%

23,30

100%

23,60

100%

23,54

100%

Bedrijfskosten

22,79

97,7%

22,69

97,4%

23,59

99,9%

23,52

99,9%

Aankopen DG en D

1,75

7,5%

1,78

7,6%

1,67

7,1%

1,23

5,2%

Loonkosten

20,81

89,2%

20,67

88,7%

21,71

92,0%

22,07

93,7%

Andere Bedrijfskosten Afschrijvingen & waardeverminderingen

0,08

0,3%

0,08

0,3%

0,15

0,6%

0,08

0,3%

0,17

0,7%

0,17

0,7%

0,12

0,5%

0,17

0,7%

Voorzieningen

-0,01

-0,1%

-0,01

0,0%

-0,06

-0,3%

-0,03

-0,1%

Netto bedrijfsresultaat

0,54

2,3%

0,61

2,6%

0,01

0,1%

0,02

0,1%

Resultaat boekjaar

0,38

1,6%

0,43

1,8%

-0,02

-0,1%

0,08

0,3%

Het nettobedrijfsresultaat is het resultaat van de onderneming zonder rekening te houden met financiële en uitzonderlijke opbrengsten en kosten en belastingen. Het verschil tussen het nettobedrijfsresultaat en het eindresultaat wordt vooral bepaald door de belastingen op het resultaat. Enkel bij de gemeentelijke VZW’s was het eindresultaat iets hoger dan het nettobedrijfsresultaat door positieve impact van financiële en uitzonderlijke resultaten. De dienstenchequebedrijven realiseerden in 2018 gemiddeld 23,33 euro bedrijfsopbrengsten per dienstencheque. De VZW’s realiseerden de hoogste bedrijfsopbrengst per dienstencheque, respectievelijk 23,60 euro per dienstencheque in de gewone VZW’s en 23,54 euro per dienstencheque bij de gemeentelijke VZW’s. Bij de handelsvennootschappen lag de gemiddelde bedrijfsopbrengst per dienstencheque lager (23,30 euro). De totale bedrijfskosten bedroegen gemiddeld 22,79 euro per dienstencheque, zijnde 97,7% van de gemiddelde opbrengst per cheque. Deze bedrijfskosten bestonden gemiddeld voor 89,2% uit loonkosten en voor 7,5 % uit kosten van aankopen, diensten en diverse goederen. De totale bedrijfskost per dienstencheque was hoger bij de VZW’s dan bij de handelsvennootschappen. Bij zowel de gewone VZW’s als de gemeentelijke VZW’s bedroeg de totale bedrijfskost 99,9% van de gerealiseerde bedrijfsopbrengst, waardoor deze dienstenchequebedrijven gemiddeld bijna geen winstmarge hebben gerealiseerd in 2018. Bij de handelsvennootschappen bedroeg de totale bedrijfskost 97,4% van de bedrijfsopbrengst per cheque, zodat deze bedrijven gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat konden realiseren van +2,6% van de bedrijfsopbrengsten. De hogere bedrijfskost bij de VZW’s ten opzichte van de handelsvennootschappen wordt verklaard door een hogere loonkost per dienstencheque. De loonkost per dienstencheque was het hoogst in de gemeentelijke VZW’s (22,07 euro). De gewone VZW’s vertonen een iets lagere loonkost per 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 24 van 41


cheque (21,71 euro). Bij de handelsvennootschappen was de loonkost per cheque merkelijk lager (20,67 euro). De andere werkingskosten (aankoopkosten, diensten en diverse goederen) waren het hoogst bij de handelsvennootschappen en het laagst bij de gemeentelijke VZW’s. Dit verschil was echter onvoldoende groot om de hogere loonkost te kunnen compenseren zodat de totale bedrijfskosten van de VZW’s merkelijk hoger bleven dan de totale bedrijfskosten van de handelsvennootschappen. Uit bovenstaande analyse blijkt dat de lagere rendabiliteit van de VZW’s ten opzichte van handelsvennootschappen vooral wordt verklaard door een hogere loonkost per dienstencheque. Aan de hand van de gegevens in de jaarrekeningen en de sociale balansen hebben we nagegaan wat de verklarende factoren zijn voor deze hogere loonkost per cheque. We hebben de loonkosten vergeleken met het aantal gewerkte uren dat wordt vermeld in de sociale balansen van de betreffende organisaties. Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Totaal gewerkte uren

44.964.335

39.684.798

3.261.303

2.018.234

Loonkosten

893.843.344

784.367.031

67.476.325

41.999.988

Loonkost per gewerkt uur

19,88

100,0%

19,76

99,4%

20,69

104,1%

20,81

104,7%

loonkost per dienstencheque

20,81

100,0%

20,67

99,3%

21,71

104,3%

22,07

106,1%

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de hogere loonkost per dienstencheque bij de VZW’s deels kan worden verklaard door een hogere loonkost per gewerkt uur. Bij de gemeentelijke VZW’s lag de loonkost per gewerkt uur 1,05 euro hoger dan bij de handelsvennootschappen. Bij de gewone VZW’s was de loonkost per gewerkt uur 0,93 hoger dan bij de handelsvennootschappen. De hogere loonkost per gewerkt uur is evenwel niet de enige verklaring gezien het verschil in loonkost per dienstencheque groter is dan het verschil in loonkost per gewerkt uur. In onderstaande tabel hebben we het totaal aantal gewerkte uren vergeleken met het aantal ingediende dienstencheques: Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Totaal gewerkte uren

44.964.335

100,0%

39.684.798

100,0%

3.261.303

100%

2.018.234

100%

Aantal dienstencheques

42.958.394

95,5%

37.946.803

95,6%

3.108.151

95,3%

1.903.440

94,3%

Hieruit blijkt dat bij de handelsvennootschappen een hoger % van het totaal aantal gewerkte uren werd vergoed met een dienstencheque dan bij de VZW’s en vooral de gemeentelijke VZW’s. Dit kan bijvoorbeeld worden verklaard door een relatief hogere personeelsinzet voor omkadering of opleidingstijd bij de gemeentelijke VZW’s.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 25 van 41


Evolutie van de rendabiliteit in 2016 - 2018 Evolutie rendabiliteit aantal ondernemingen Bedrijfsopbrengsten Bedrijfskosten Aankopen DG en D Loonkosten Andere Bedrijfskosten Afschrijvingen & waardevermind Voorzieningen Netto bedrijfsresultaat Resultaat van het boekjaar

2016 85 829.940.521 796.324.172 54.511.062 734.846.531 1.863.379 4.390.783 712.417 33.616.349 25.244.885

2017 100% 100,0% 95,9% 6,6% 88,5% 0,2% 0,5% 0,1% 4,1% 3,0%

86 905.462.599 873.087.971 61.101.243 803.122.547 3.484.196 5.538.384 -158.399 32.374.628 24.837.228

2018 100% 100,0% 96,4% 6,7% 88,7% 0,4% 0,6% 0,0% 3,6% 2,7%

90 1.002.168.013 978.954.217 75.031.246 893.843.344 3.482.387 7.152.993 -555.753 23.213.796 16.262.210

100% 100% 97,7% 7,5% 89,2% 0,3% 0,7% -0,1% 2,3% 1,6%

De onderzochte dienstenchequebedrijven realiseerden de voorbije jaren een omzetgroei maar de bedrijfskosten stegen relatief sneller dan de bedrijfsopbrengsten. Het nettobedrijfsresultaat (resultaat voor uitzonderlijke kosten, financiële kosten en belastingen) daalde van 4,1 % van de opbrengsten in 2016 naar 3,6% in 2017 en 2,3% in 2018. In onderstaande tabellen hebben we voor 2017 en 2018 de evolutie van de opbrengsten en kosten per dienstencheque vergeleken1: Totale steekproef aantal bedrijven aantal dienstencheques per dienstencheque: Bedrijfsopbrengsten Bedrijfskosten Aankopen DG en D Loonkosten Andere Bedrijfskosten Afschrijvingen + waardevermind Voorzieningen Netto bedrijfsresultaat Resultaat van het boekjaar

Handelsvennootschappen aantal bedrijven aantal dienstencheques Per dienstencheque: Bedrijfsopbrengsten Bedrijfskosten Aankopen DG en D Loonkosten Andere Bedrijfskosten Afschrijvingen + waardevermind Voorzieningen Netto bedrijfsresultaat Resultaat van het boekjaar

1

2017 86 38.976.580 23,23 22,40 1,57 20,61 0,09 0,14 0,00 0,83 0,64

2018 90 42.958.394 100,0% 96,4% 6,8% 88,7% 0,4% 0,6% 0,0% 3,6% 2,8%

2017 56 34.767.119 23,16 22,28 1,57 20,51 0,05 0,14 0,00 0,89 0,67

23,33 22,79 1,75 20,81 0,08 0,17 -0,01 0,54 0,38

100,0% 97,7% 7,5% 89,2% 0,3% 0,7% 0,0% 2,3% 1,6%

2018 57 37.946.803 100,0% 96,2% 6,8% 88,6% 0,2% 0,6% 0,0% 3,8% 2,9%

23,30 22,69 1,78 20,67 0,08 0,17 -0,01 0,61 0,43

100,0% 97,4% 7,6% 88,7% 0,3% 0,7% 0,0% 2,6% 1,8%

Door het ontbreken van de juiste kengetallen van 2016 hebben we ons beperkt tot de jaren 2017 en 2018.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 26 van 41


Gewone VZW's aantal bedrijven aantal dienstencheques Per dienstencheque: Bedrijfsopbrengsten Bedrijfskosten Aankopen DG en D Loonkosten Andere Bedrijfskosten Afschrijvingen + waardevermind Voorzieningen Netto bedrijfsresultaat Resultaat van het boekjaar Gemeentelijke VZW's aantal bedrijven aantal dienstencheques Per dienstencheque: Bedrijfsopbrengsten Bedrijfskosten Aankopen DG en D Loonkosten Andere bedrijfskosten Afschrijvingen + waardevermind Voorzieningen Netto bedrijfsresultaat Resultaat van het boekjaar

2017 10 2.771.552 23,49 23,11 1,72 21,26 0,10 0,10 -0,08 0,38 0,36

2018 12 3.108.151 100,0% 98,4% 7,3% 90,5% 0,4% 0,4% -0,3% 1,6% 1,5%

2017 20 1.437.909 24,38 24,00 1,31 21,61 0,92 0,15 0,01 0,38 0,43

23,60 23,59 1,67 21,71 0,15 0,12 -0,06 0,01 -0,02

100,0% 100,0% 7,1% 92,0% 0,6% 0,5% -0,3% 0,0% -0,1%

2018 21 1.903.440 100,0% 98,4% 5,4% 88,6% 3,8% 0,6% 0,0% 1,6% 1,8%

23,54 23,52 1,23 22,07 0,08 0,17 -0,03 0,02 0,08

100,0% 99,9% 5,2% 93,8% 0,3% 0,7% -0,1% 0,1% 0,3%

Het netto-bedrijfsresultaat per dienstencheque vertoont globaal een daling en bedroeg in 2018 nog gemiddeld 0,54 euro per dienstencheque. Bij zowel de handelsvennootschappen als bij de gewone VZW’s stellen we vast dat de bedrijfsopbrengst per dienstencheque licht steeg in 2018. De bedrijfskosten per cheque stegen in beide gevallen echter sterker dan de opbrengsten waardoor de rendabiliteit daalde. Bij de gemeentelijke VZW’s stellen we vast dat de opbrengsten en kosten per dienstencheque het voorbije jaar anders evolueerden: bij deze organisaties merken we zowel een daling van de opbrengst per dienstencheque als van de kost per dienstencheque. Mogelijks wordt dit verklaard doordat een deel van deze organisaties in 2017 nog andere activiteiten uitvoerden naast hun dienstencheque-activiteiten (o.a. PWA-activiteiten). Ook bij de gemeentelijke VZW’s stellen we evenwel een relatieve toename vast van de bedrijfskosten ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. Door de relatieve stijging van de bedrijfskosten konden zowel de gemeentelijke VZW’s als de gewone VZW’s gemiddeld in 2018 bijna geen winst meer realiseren. De handelsvennootschappen realiseerden een beter netto-bedrijfsresultaat ten bedrage van gemiddeld 0,61 euro per dienstencheque. Verruimde steekproef van organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten In bovenstaande analyse kregen we zicht op de rendabiliteit van een steekproef van organisaties die op de Vlaamse markt actief zijn en uitsluitend of minstens hoofdzakelijk dienstencheque-activiteiten verrichten. Deze ondernemingen werden geselecteerd omdat zij gegevens in hun jaarrekening gepubliceerd hebben waarin de bedrijfsopbrengsten vermeld stonden of konden worden gereproduceerd. 3.06.2020 Financiële analyse dienstenchequebedrijven pagina 27 van 41


Er zijn echter ook ondernemingen op de Vlaamse markt die louter dienstencheque-activiteiten uitvoeren maar die hun bedrijfsopbrengsten niet hebben vermeld in hun jaarrekening en waarvan de bedrijfsopbrengsten ook niet konden worden afgeleid uit andere vermelde gegevens. Vaak hebben deze ondernemingen enkel een verkort model van jaarrekening ingediend. In het verkort model van de jaarrekening wordt wel de brutomarge opgenomen. Deze brutomarge is samengesteld uit de bedrijfsopbrengsten verminderd met aankopen, diensten en diverse goederen. Uit onze bovenstaande analyse weten we dat -voor het uitvoeren van dienstencheque-activiteitende kosten van aankopen, diensten en diverse goederen 1 à 2 euro per cheque bedraagt. Hierdoor kunnen we ook organisaties met hoofzakelijk dienstencheque-activiteiten selecteren op basis van hun brutomarge. We vermoeden immers dat de organisaties voornamelijk dienstenchequeactiviteiten uitvoeren als de brutomarge van de organisatie in de buurt ligt van de inruilwaarde van een cheque (of iets lager). Van deze organisaties kunnen we in tegenstelling tot de bovenstaande steekproef evenwel geen analyse maken over de rendabiliteit per dienstencheque. Om alle organisaties op de Vlaamse markt met uitsluitend (of minstens hoofdzakelijk) dienstencheque-activiteiten zo goed mogelijk in kaart te brengen hebben we een filter ingesteld waarbij we ons beperkten tot de organisaties die minstens 50% van hun dienstencheques ingediend hebben in het Vlaamse gewest en een brutomarge realiseerden tussen 20 en 26 euro per ingediende cheques. Bij het uitvoeren van deze filter op de 1254 beschikbare jaarrekeningen voor het jaar 2018 houden we nog 274 organisaties over. Deze groep representeert ongeveer 55 miljoen cheques ofwel 64% van de markt. Uit de analyse van de cijfers van deze organisaties blijkt dat de tendensen die geschetst werden in de vorige hoofdstukken volledig terugkomen. - Het merendeel van de dienstencheque-bedrijven maakt winst nl. 70% op basis van eindresultaat en 80% op basis van brutobedrijfsresultaat. - Er is een dalende tendens van de winstmarge over de jaren 2016 tot 2018 - We zien dezelfde tendensen bij type organisaties, grootte, … Om herhaling van steeds gelijkaardige tabellen te vermijden hebben we besloten deze niet toe te voegen aan de analyse. We hebben deze resultaten wel gebruikt als controlegroep naar zowel de analyse van alle erkende ondernemingen als naar de rendabilteitsanalyse per cheque van de 90 ondernemingen in vorig hoofdstuk. Het enige bijkomende resultaat van deze verruimde steekproef dat eerder nog niet aan bod kwam heeft betrekking op de mini-ondernemingen (minder 10.000 Vlaamse dienstencheques op jaarbasis). Bij de 13 dienstencheque-bedrijven die minder dan 10.000 dienstencheques hebben ingediend op jaarbasis stelden we vast dat deze ondernemingen gemiddeld een beter netto-bedrijfsresultaat behaalden ten opzichte van de brutomarge dan de organisaties in de categorie 10K-100K dienstencheques. Dit heeft te maken met een lagere loonkost ten opzichte van de brutomarge bij deze kleinste ondernemingen.

Conclusies van de analyse van de rendabiliteit van organisaties met uitsluitend dienstenchequeactiviteiten Om inzage te krijgen in de rendabiliteit van de afzonderlijke dienstencheque-activiteiten hebben we een analyse gemaakt van de jaarrekeningen van de dienstenchequebedrijven waarvan de 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 28 van 41


bedrijfsopbrengsten aansluiten bij het aantal ingediende dienstencheques en die hoofdzakelijk in Vlaanderen actief zijn. Bijna 75% van de geselecteerde dienstenchequebedrijven behaalden in 2018 een positief eindresultaat. We stellen sinds 2016 een jaarlijkse daling vast van het aandeel dienstenchequebedrijven dat het boekjaar kon afsluiten met een positief eindresultaat. De daling van het aandeel winstgevende dienstenchequebedrijven situeert zich vooral bij de nonprofit organisaties. Bij de handelsvennootschappen bleef het percentage winstgevende bedrijven de voorbije drie jaren relatief stabiel op ongeveer 85% van de ondernemingen. Vooral in boekjaar 2018 merken we een sterke stijging van het aandeel verlieslatende VZW’s. Meer dan 40% van de VZW’s en bijna 50% van de gemeentelijke VZW’s sloten boekjaar 2018 af met een negatief eindresultaat. De ondernemingen met enkel dienstencheque-activiteiten realiseerden in 2018 een nettobedrijfsresultaat van gemiddeld 0,54 euro per dienstencheque, wat overeenkomt met een operationele marge van 2,3% ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. De ondernemingen met enkel dienstencheque-activiteiten realiseerden in 2018 gemiddeld 23,33 euro bedrijfsopbrengsten per dienstencheque. De ondernemingen met enkel dienstencheque-activiteiten hadden in 2018 gemiddeld 22,79 euro bedrijfskosten per dienstencheque. De handelsvennootschappen vertonen een betere rendabiliteit dan de VZW’s. De handelsvennootschappen realiseerden in 2018 gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat van 0,61 euro per dienstencheque. Bij de gemeentelijke VZW’s en de gewone VZW’s was dit respectievelijk slechts 0,02 euro en 0,01 euro per dienstencheque. De grote dienstenchequebedrijven vertonen een betere rendabiliteit dan de kleine en middelgrote organisaties. Bij de dienstenchequebedrijven met minder dan 100.000 dienstencheques op jaarbasis sloot 40% het boekjaar 2018 af met een negatief resultaat, bij de grotere ondernemingen was dit slechts 16%. De gemiddelde rendabiliteit stijgt nagenoeg evenredig met de omvang van de dienstenchequeactiviteiten. De dienstenchequebedrijven met meer dan 500K cheques op jaarbasis realiseerden gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat ten belope van 0,60 euro per dienstencheque, bij de middelgrote en kleine dienstenchequebedrijven was dit respectievelijk slechts 0,36 euro en 0,15 euro per dienstencheque. Er werd geen lineair verband vastgesteld tussen de omvang van de bedrijfsopbrengsten per dienstencheque en de rendabiliteit van de organisatie. De verlieslatende bedrijven realiseerden gemiddeld een hogere opbrengst per cheque dan de winstgevende bedrijven. De bedrijfsopbrengst per cheque blijkt ook omgekeerd evenredig te evolueren met de grootte van de organisatie, waarbij de grootste dienstenchequebedrijven gemiddeld een lagere bedrijfsopbrengst per cheque realiseerden dan de kleinere organisaties. Dit lijkt er op te wijzen dat vooral kleinere organisaties of bedrijven met een krappere rendabiliteit geneigd zijn om bijkomende kosten aan te rekenen aan de gebruikers. 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 29 van 41


De rendabiliteit wordt bepaald door de omvang van de bedrijfskosten per dienstencheque. In de onderzochte categorieën winstgevende bedrijven situeerde de gemiddelde totale bedrijfskost zich tussen 22,05 en 22,23 euro per dienstencheque. Bij de verlieslatende bedrijven situeerde de totale bedrijfskost zich tussen 23,65 en 25,39 euro per cheque. De grote dienstenchequebedrijven hadden gemiddeld minder bedrijfskosten per dienstencheque dan de middelgrote en kleine organisaties. De handelsvennootschappen hadden gemiddeld minder bedrijfskosten per dienstencheque dan de VZW’s. De totale bedrijfskosten bestaan voor meer dan 90% uit loonkosten, waardoor de rendabiliteit vooral wordt bepaald door de omvang van de loonkost per dienstencheque. In de categorieën winstgevende bedrijven situeerde de gemiddelde loonkost zich tussen 19,99 en 21,18 euro per dienstencheque. In de categorieën verlieslatende bedrijven situeerde de gemiddelde loonkost zich tussen 21,78 en 22,30 euro per dienstencheque. De verschillen in rendabiliteit tussen VZW’s en handelsvennootschappen en tussen de grote en kleinere organisaties worden vooral verklaard door verschillen in de loonkost per dienstencheque. De loonkost per dienstencheque was het hoogst bij de gemeentelijke VZW’s (22,07 euro), gevolgd door de andere VZW’s (21,71 euro) en de handelsvennootschappen (20,67 euro). De grootste dienstenchequebedrijven hadden gemiddeld 20,6 euro loonkost per dienstencheque terwijl deze loonkost bij de middelgrote en kleine bedrijven gemiddeld 21,6 euro bedroeg Uit vergelijking van de loonkosten met de gewerkte uren blijkt dat de hogere loonkost per dienstencheque wordt verklaard door een hogere loonkost per gewerkt uur en een hoger aantal gewerkte uren waarvoor geen dienstencheque werd ingediend.

6. Analyse van de financiële gezondheid van organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten In onderstaande tabellen geven we een overzicht van de liquiditeit en solvabiliteit van de 90 organisaties waarvan de bedrijfsopbrengsten uitsluitend (of minstens hoofdzakelijk) betrekking hadden op dienstencheque-activiteiten in Vlaanderen. •

Volgens type organisatie

Liquiditeit 2018

Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Vorderingen < 1 jr

128.915.072

100%

116.655.594

90%

8.301.979

6%

3.957.499

3%

Geldbeleggingen

8.351.374

100%

6.230.285

75%

780.000

9%

1.341.089

16%

Liquide middelen

97.051.223

100%

76.311.203

79%

6.994.409

7%

13.745.611

14%

Vlottende activa

281.194.604

100%

245.001.750

87%

16.708.279

6%

19.484.575

7%

Schulden korte termijn

173.498.466

100%

160.007.231

92%

8.368.642

5%

5.122.593

3%

Liquiditeitsgraad

3.06.2020

1,35

1,24

1,92

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

3,72

pagina 30 van 41


Spreiding liquiditeit

Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Aantal organisaties

90

100%

57

100%

12

100%

21

100%

>2

34

37,8%

8

14,0%

6

50,0%

20

95,2%

1,5 - 2

10

11,1%

7

12,3%

3

25,0%

0

0,0%

1 - 1,5

24

26,7%

22

38,6%

2

16,7%

0

0,0%

0,5 - 1

21

23,3%

19

33,3%

1

8,3%

1

4,8%

0 - 0,5

1

1,1%

1

1,8%

0

0,0%

0

0,0%

Solvabiliteit 2018

Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Totaal eigen vermogen

131.075.310

100%

106.964.090

82%

9.183.985

7%

14.927.235

11%

Balanstotaal

326.922.721

100%

285.853.864

87%

18.967.998

6%

22.100.859

7%

Solvabiliteitsgraad

40,09%

Spreiding solvabiliteit

37,42%

Totaal

48,42%

Handelsven.

67,54%

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Aantal organisaties

90

100%

57

100%

12

100%

21

100%

> 40%

47

52,2%

19

33,3%

9

75,0%

19

90,5%

25% - 40%

12

13,3%

11

19,3%

1

8,3%

0

0,0%

10% - 25%

19

21,1%

17

29,8%

1

8,3%

1

4,8%

0% - 10%

9

10,0%

8

14,0%

0

0,0%

1

4,8%

negatief

3

3,3%

2

3,5%

1

8,3%

0

0,0%

Alle deelsegmenten vertonen globaal een gezond financieel evenwicht. Ongeveer 75% van de dienstenchequebedrijven vertoonden per eind 2018 een voldoende liquiditeitsratio, wat aangeeft dat deze ondernemingen hun betalingsverplichtingen op korte termijn kunnen voldoen. Bij 23% van de dienstenchequebedrijven was de liquiditeitspositie evenwel verzwakt (ratio tussen 0,5 en 1) en bij 1 onderneming was er sprake van een liquiditeitstekort (ratio < 0,5). Het zijn vooral handelsvennootschappen die kampen met een verzwakte liquiditeitspositie. Bij de VZW’s en de gemeentelijke VZW’s vertoont de overgrote meerderheid een ruime liquiditeitsgraad. Meer dan 90% van de gemeentelijke VZW’s en 75% van de gewone VZW’s hebben een solvabiliteitsgraad van meer dan 40%. Bij de handelsvennootschappen behaalt slechts 33% een solvabiliteitsgraad van meer dan 40%. Ongeveer 13% van de dienstenchequebedrijven vertonen een erg zwakke (<10%) solvabiliteitsgraad. Het zijn vooral handelsvennootschappen die kampen met een tekort aan eigen vermogen. Net als bij de analyse van alle erkende bedrijven valt ook bij de geselecteerde ondernemingen op dat de VZW’s en vooral de gemeentelijke VZW’s globaal een sterkere liquiditeits- en solvabiliteitsgraad vertonen dan de handelsvennootschappen. De dienstenchequebedrijven uit de non-profit sector zijn ondanks hun lagere winstgevendheid relatief sterker gekapitaliseerd dan de handelsvennootschappen waardoor deze organisaties in hun totaliteit over een ruimere financiële buffer beschikken om eventuele toekomstige verliezen te kunnen ondervangen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat de VZW’s in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren en hun winsten meestal integraal gereserveerd werden. 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 31 van 41


In onderstaande tabellen geven we de evolutie van de liquiditeit- en solvabiliteitsgraad per type organisatie weer in de voorbije drie jaar: Liquiditeit

Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Liquiditeitsgraad 2018

1,35

1,24

1,92

3,72

Liquiditeitsgraad 2017

1,51

1,43

1,78

3,58

Liquiditeitsgraad 2016

1,49

1,40

1,89

3,67

Solvabiliteit

Totaal

Handelsven.

Gewone VZW

Gemeentelijke VZW

Solvabiliteitsgraad 2018

40,09%

37,42%

48,42%

67,54%

Solvabiliteitsgraad 2017

43,59%

41,75%

47,82%

66,06%

Solvabiliteitsgraad 2016

41,72%

36,69%

45,23%

67,85%

De liquiditeit en de solvabiliteit op het einde van boekjaar 2018 vertoont globaal een lichte daling ten opzichte van einde boekjaar 2016, maar de ratio’s bleven ook per eind 2018 voldoende. De globale solvabiliteitsgraad was elk jaar voldoende voor de verschillende types organisaties. De gemeentelijke VZW’s vertonen jaarlijks de sterkste financiële structuur. De liquiditeitsgraad van zowel de gemeentelijke VZW’s als de gewone VZW’s was eind 2018 iets hoger dan eind 2016. Bij de handelsvennootschappen was er daarentegen een daling van de liquiditeitsgraad ten opzichte van 2016. •

Volgens grootte van de organisatie

Liquiditeit

Totaal

> 500K cheques

100-500K cheques

< 100K cheques

Vorderingen < 1 jr

128.915.072

100%

100.484.161

78%

23.038.630

18%

5.392.281

4%

Geldbeleggingen

8.351.374

100%

2.180.728

26%

5.390.625

65%

780.021

9%

Liquide middelen

97.051.223

100%

67.887.122

70%

18.838.870

19%

10.325.231

11%

Vlottende activa

281.194.604

100%

213.596.997

76%

48.920.030

17%

18.677.577

7%

Schulden korte termijn

173.498.466

100%

141.821.543

82%

26.664.569

15%

5.012.354

3%

Liquiditeitsgraad Solvabiliteit

1,35

1,20

Totaal

1,77

> 500K cheques

3,29

100-500K cheques

< 100K cheques

Totaal eigen vermogen

131.075.310

100%

92.409.572

71%

25.438.585

19%

13.227.153

10%

Balanstotaal

326.922.721

100%

251.802.423

77%

53.868.648

16%

21.251.650

7%

Solvabiliteitsgraad

40,09%

36,70%

47,22%

62,24%

Bij de opsplitsing volgens omvang van de dienstencheque-activiteiten valt op dat de kleinere organisaties globaal de sterkste financiële structuur vertonen. De grootste ondernemingen scoren iets lager op vlak van solvabiliteit en liquiditeit dan de middelgrote organisaties, maar beide categorieën vertonen niettemin globaal een voldoende financieel evenwicht. In onderstaande tabellen geven we de evolutie weer van de liquiditeit- en solvabiliteitsgraad volgens grootte van de organisatie in de voorbije drie jaar:

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 32 van 41


Liquiditeit

Totaal

> 500K cheques

100-500K cheques

< 100K cheques

Liquiditeitsgraad 2018

1,35

1,20

1,77

3,29

Liquiditeitsgraad 2017

1,51

1,44

1,53

2,99

Liquiditeitsgraad 2016

1,49

1,40

1,55

3,00

Solvabiliteit

Totaal

> 500K cheques

100-500K cheques

< 100K cheques

Solvabiliteitsgraad 2018

40,09%

36,70%

47,22%

62,24%

Solvabiliteitsgraad 2017

43,59%

42,63%

41,37%

60.68%

Solvabiliteitsgraad 2016

41,72%

40.56%

39,41%

63,40%

De liquiditeit en solvabiliteit was elk jaar voldoende in alle categorieën. Bij de grootste en kleinste dienstenchequebedrijven was er een lichte daling van de solvabiliteitsgraad ten opzichte van 2016. De liquiditeitsgraad van de kleine en middelgrote organisaties was eind 2018 hoger dan per eind 2016. Bij de grote ondernemingen was er daarentegen een daling van de liquiditeitsgraad ten opzichte van 2016.

Conclusies van de analyse van de financiële gezondheid van organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten De bedrijven met enkel dienstencheque-activiteiten vertonen globaal een gezonde financiële structuur. Uit de opsplitsing volgens grootte blijkt dat de kleinere organisaties gemiddeld een sterkere financiële structuur vertonen dan de grote dienstenchequebedrijven, maar ook de grote organisaties vertonen gemiddeld nog een voldoende financieel evenwicht op vlak van liquiditeit en solvabiliteit. We stellen vast dat de VZW’s, en vooral de gemeentelijke VZW’s, een sterkere liquiditeits- en solvabiliteitsgraad vertonen dan de handelsvennootschappen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat de VZW’s in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren waardoor hun winsten meestal integraal werden gereserveerd in de organisatie.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 33 van 41


7. Blik op de toekomst Er zijn meerdere redenen die een daling van de rendabiliteit van een onderneming kunnen veroorzaken. In reguliere ondernemingen kijkt men dan vaak naar een resem aan factoren als productiviteit, aankoop-en verkoopprijs, vaste kosten, loonkosten,… Bij dienstenchequeondernemingen zijn de mogelijkheden van de ondernemingen beperkter om de rendabiliteit te versterken via een verhoging van de omzet of verlaging van de kosten. De omzet wordt immers in belangrijke mate bepaald door de inkomsten en dus de terugbetaalwaarde van de dienstencheques. In dit deel kijken we naar de evolutie van de bedrijfskosten en bedrijfsinkomsten. We merken uit de financiële analyse dat vooral de lonen/loonkosten doorslaggevend zijn in de kostenstructuur; zij maken 90% uit van de bedrijfskosten. De loonkosten worden door verschillende factoren beïnvloed. Zo zijn er in eerste instantie de brutolonen van de huishoudhulpen. Voor de private sector worden deze vastgelegd in de CAO PC 322.01. Vzw’s in social profit en in publieke sector werken (soms) met hogere loonbarema’s dan de private bedrijven. Gegeven de anciënniteitopbouw van de lonen zorgt de vergrijzing van het werknemersbestand voor oplopende loonkosten. De brutolonen zijn onderhevig aan de automatische loonindexering, dat bij overschrijding van de spilindex de lonen automatisch met +2% doet stijgen. Daarnaast worden de loonkosten niet enkel bepaald door de brutolonen, maar ook door de sociale lasten en de taxshift. Door de taxshift werd de generieke werkgeversbijdrage verlaagd (van 33% naar 25% werkgeversbijdrage) én werden de werkgeversbijdragen verder verlaagd via de structurele vermindering. Daarnaast zullen ook het gebruik van de doelgroepverminderingen een verdere verlaging van de loonkost betekenen. Andere loonkostfactoren zijn het vakantiegeld, opleiding, uren voor begeleiding, ziekteverzuim 2 en niet productieve uren (bv. wanneer uren van een gebruiker worden geannuleerd en er geen vervanging van deze uren kunnen worden voorzien). Het aantal gewerkte uren per dienstenchequewerknemer heeft een invloed op de verhouding tussen loonkost en andere kosten. Er is immers een verband tussen het aantal gewerkte uren per dienstenchequewerknemer en de rendabiliteit (zie studie Idea Consult 2020). Zo zal een 2

In de Dienstencheque-sector wordt het stijgend aantal zieken als een groeiend probleem ervaren met een aanzienlijke impact op de bedrijfskosten (Idea Consult studie 2018). In geval van kortdurig ziekteverzuim (<1 jaar) komen de kosten van het gewaarborgd loon immers rechtstreeks ten laste van de werkgever. Kennis over ziekteverzuim bestaat vandaag enkel o.b.v. enquêtes. Gecentraliseerde administratieve statistieken over ziekteverzuim bij dienstenchequewerknemers is volgens onze kennis niet beschikbaar Bij arbeiders (meeste DC werknemer zijn arbeider) dient de werkgever gedurende de eerste maand het maandloon degressief te waarborgen (de eerste week volledig loonwaarboring; de tweede week voor ca. 86% en de laatste 2 weken slechts 25% beperkt tot en bepaalde loongrens. Bij bedienden is er volledig gewaarborgd loon de eerste maand. Ziekte cijfers bestaan vandaag enkel o.b.v. enquêtes. In een enquete iov VORMDC ((Idea Consult, Studie Wendbaar en Werkbaar werk 2018) bij 36 bedrijven onder PC 322.01 uitgevoerd bij dienstenchequewerknemers in de periode 30 november 2017 tot 9 januari 2018 bleek dat dat 69% van de huishoudhulpen het laatste jaar afwezig was wegens ziekte. Voor 53% betrof het de eerste maand en voor 16% was dat langer dan 1 maand. Onderzoek op basis van de Vlaamse werkbaarheidsmonitor bevestigt dat het ziekteverzuim in de dienstenchequesector in Vlaanderen gemiddeld hoog ligt. 16% was in het voorbije jaar frequent (minstens 3 keer) afwezig op het werk door ziekte of ongeval, terwijl dat op Vlaamse arbeidsmarkt gemiddeld slechts 9% is. Op basis van cijfers van SD Worx bleek dat in 2016 63% van de werknemers in alle sectoren minstens een dag afwezig was. Voor de dienstenchequesector bedraagt dit aandeel 69% (met wellicht een onderschatting gezien de ondervertegenwoordiging van langdurige zieken in de enquête).

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 34 van 41


onderneming, die hetzelfde aantal dienstencheques krijgt terugbetaald als een andere onderneming, maar die minder werknemers telt omdat deze gemiddeld meer uren werken, in overigens gelijkblijvende omstandigheden, gemiddeld minder omkaderingskosten hebben voor begeleiding en coaching van huishoudhulpen en voor administratieve opvolging van de cheques. Bij een goede administratieve omkadering kan een bedrijf ook het aantal niet productieve uren drukken, waarbij er toch loon moet betaald worden maar waar geen inkomsten tegenover staan bv. het organiseren van vervangingen bij ziekte van de huishoudhulp. Naast personeelskosten zouden ook de schaalvoordelen en digitalisering als een belangrijke factor voor de rendabiliteit van de DC ondernemingen kunnen worden beschouwd. Schaalvoordelen drukken de vaste kosten en digitalisering kan leiden tot een efficiëntere inzet van personeel. Aan de inkomstenzijde heeft de (evolutie van) terugbetaalwaarde (of inruilwaarde) van de dienstencheques een belangrijke invloed op de rendabiliteit. In de jaarrekeningen vinden de feitelijke bedrijfskosten, die worden beïnvloed door bovenstaande kostencomponenten en door de bedrijfsinkomsten hun neerslag. Bij opmaak van dit rapport, beschikken wij echter maar over de jaarrekeningen tot en met 2018. Om enige blik te kunnen werpen op de periode daarna kijken we in volgende paragraaf naar twee indicatoren: de evolutie van de bruto CAO lonen PC 322.01 aan de kostenzijde en de evolutie van de overheidssubsidie en het indexeringsmechanisme aan de inkomstenzijde. Deze analyses geven ons een zeker inzicht in de evolutie van belangrijke determinanten voor de rendabiliteit van de dienstenchequeondernemingen, maar ze geven slechts een partieel en theoretisch beeld. Verschillende kostencomponenten (zie supra) kunnen moeilijk in dit type van berekeningen worden opgenomen. Onderstaande berekeningen laten ons wel toe om een aantal hypothesen te formuleren naar de toekomst, maar deze dienen uiteindelijk getoetst te worden aan de empirische bevindingen uit recente jaarrekeningen.

De evolutie van de loonkosten De kostenzijde wordt doorslaggevend bepaald door de loon(kost)evoluties. In onderstaande standaardsimulaties (zie tabel) houden we rekening met de stijging van het bruto CAO loon (bij het nieuw sociaal akkoord met +0,8%) uit PC 322.01 (dus lonen in de private sector), de taxshift en het automatisch loonindexeringsmechanisme. Een indexering van de lonen betekent immers een bijkomende stijging van de loonkost. Zo werden de CAO lonen geïndexeerd in juni 2016; juni 2017; 1 september 2017 en op 1 november 2018. In 2019 was er geen indexering. In de sectoronderhandelingen werd een loonstijging voorzien van +0,8%. Samen met een loonindexering van +2% (vanaf 1 april) zou dit neerkomen op een loonstijging van +2,8%. We houden in de standaardsimulatie ook rekening met de opname van een gemiddeld verbruik van de doelgroepverminderingen, die de loonkosten verder doen dalen. Deze laatste gegevens zijn gebaseerd op werkelijke RSZ gegevens. Enkel die werkgevers die er effectief gebruik van maken, zullen deze loonkostdaling voor de betreffende doelgroepen voelen3. Deze doelgroepverminderingen komen neer op een bijkomende subsidie (bovenop de WSE subsidie) aan de Dienstenchequesector Uit cijfers voor het 2de kwartaal 2019 weten we dat gebruik wordt gemaakt van een doelgroepvermindering voor 1 op 4 dienstencheque werknemers. Het gaat dan vooral over doelgroepverminderingen voor aanwerving en vooral aan het werk houden van oudere werknemers (Vlaamse bevoegdheid). De tweede meest gebruikte doelgroepvermindering is de collectieve arbeidsduurvermindering (federale bevoegdheid). 3

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 35 van 41


die op jaarbasis om en bij de 3 mio euro bedraagt (cijfers 2de kwartaal 2019 geëxtrapoleerd voor gans 2019). We houden in onderstaande standaardsimulatie geen rekening met andere loonkosten zoals ziekteverzuim, vakantiegeld, premies, begeleiding en opleiding en andere niet productieve uren), noch met andere vaste kosten (huur, water- en elektriciteit,..) . Tabel: Evolutie van de bruto CAO (minimum)lonen PC 322.01 *, loonindexering en de impact van de taxshift op de totale loonkost

Bruto uurloon 2015 2016 2017 2018 **2019 ***2020

10,68 10,77 11,02 11,24 11,46 11,78

Generieke RSZ Structurele Totale DGV PC 322.01 werkgeversbijdrage vermind. loonkost Berekening 3,46 3,23 3,31 2,81 2,87 2,95

Berekening Observatie**** Berekening 1,16 0,36 12,62 1,46 0,34 12,20 1,43 0,36 12,54 0,93 0,38 12,74 1,04 0,35 12,94 0,99 0,35 13,39

*ongewogen gemiddelde van de vier anciënniteitsbarema’s in het CAO loon, zie bijlage 1 **sinds 1 november 2018, geen indexering in 2019 ***simulatie indien +2,8% loonsverhoging (+0,8% zie sociaal akkoord + 2% index) **** gebaseerd op RSZ cijfers van Vlaamse en federale (enkel de collectieve arbeidsduurvermindering) doelgroepverminderingen. De vermindering wordt hier uitgedrukt per uur per VTE (62 werkdagen x 7,6 uren per werkdag = 471,2u/VTE kwartaal), gegeven dat er in Q2 43.479 VTE dienstenchequewerknemers waren, waarvan 11.013 recht op een doelgroepvermindering voor een totaal kwartaal bedrag van 7.601 mio euro.

De CAO lonen PC 322.01 stegen tussen 2015-2018 met + 5,2% terwijl de loonkost slechts steeg met ca. +1%. De loonkost binnen PC 322.01, waar 91% of de overgrote meerderheid van dienstenchequewerknemers onder vallen, steeg in deze periode dus aanzienlijk minder sterk dan de bruto lonen en dit omwille van de taxshift. Wanneer we de afgesproken +0,8% loonstijging simuleren voor 2020 houden we in onderstaande tabel rekening met het feit dat per 1 april 2020 ook een nieuwe loonindexering van +2% wordt doorgevoerd. Samen komt dit neer op een loonstijging met +2,8%. Concreet zouden de CAO lonen PC 322.01 van 12,94 in 2019 naar 13,39 euro/uur stijgen in 2020 of uitgedrukt met +0,45 euro per cheque.

De evolutie van de overheidssubsidies Terwijl de CAO lonen van 12,94 naar 13,39 euro/uur zouden stijgen (+0,45 euro per cheque) stijgt de inruilwaarde van 23,02 naar 23,36 euro/uur (+0,34 euro per cheque). Dit zijn de belangrijkste bedrijfsinkomsten van een dienstenchequeonderneming, waarbij het gebruikersaandeel €9/cheque bedraagt en de overheid legt 14,36€ per dienstencheque bij. We hebben geen empirisch zicht op andere inkomsten, maar we vermoeden dat deze beperkt blijven. Zo weten we op basis van enquêtes dat ca. 12% van de gezinnen vandaag een bijkomende kost aangerekend krijgt van zijn dienstencheque onderneming bovenop de aankoopprijs van een cheque (Idea Consult, Studie Dienstencheques 360 graden, 2018). De inruilwaarde van een cheque wordt door de Vlaamse overheid geïndexeerd, maar er bestaat een onvolledig indexeringsmechanisme. In art 8§1 van het KB van 12/12/2001 met betrekking tot de 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 36 van 41


dienstencheques wordt vermeld dat bij de overschrijding van de spilindex het bedrag van de inruilwaarde “verhoogt met 2% van 73% [van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming]”. Bij elke indexering wordt de kost volledig gedragen door de overheid, terwijl de bijdrage voor de gebruiker niet stijgt (9€ sinds 2014 onveranderd). De federale overheid heeft aanvankelijk dit mechanisme geïntroduceerd en de Vlaamse overheid heeft dit sinds de regionalisering in 2014-2016 overgenomen. In de andere gewesten werd ondertussen een verschillend beleid gevoerd: Wallonië kent sinds 2016 een 100% indexeringsmechanisme; Brussel sinds 2017 een voorwaardelijk mechanisme met een basisindex van 2% van 73% + een “bijkomende” indexatie tot 100% onder voorwaarden 4. De Vlaamse niet-volledige indexaanpassing heeft tot gevolg dat structureel zowel de bedrijven aan inkomsten reeds verloren hebben sinds 2016 als evenzeer hoeveel ze extra zullen verliezen bij een volgende indexering bij niet aangepast beleid (zie onderstaande tabel). De ‘inkomstenderving‘ per cheque in vergelijking met een 100% indexering liep bij elke onvolledige indexering verder op tussen 2016 (referentiejaar) en maart 2020 van -0,12€ in 2016 tot -0,50€ per dienstencheque (de inruilwaarde van de cheques werden per 1 maart 2020 geïndexeerd). Ook bij alle toekomstige indexeringen blijft bij ongewijzigd beleid de inruilwaarde van de cheques verder dalen in vergelijking met een 100% indexering. Bij een vierde indexering zou (t.o.v. de waarde in 2016) de achterstand al zijn opgelopen tot ruim één euro verlies. Tabel: de hoogte van de inruilwaarde, simulatie van het (gecumuleerd) verlies bij 73% indexering t.o.v. 100% Vlaanderen 2016-2020 en geïndexeerde hoogte aan 100% vanaf 1 maart 2020 indexering op:

Januari 2016 Juni 2016 Juni 2017 September 2018 1 maart 2020 voor alle volgende indexeringen (referentie 2016) 1ste indexering 2e indexering 3e indexering 4e indexering

Inruilwaarde Inruilwaarde 73% indien 100 % indexering indexering

verlies aan inkomsten bij een 73% indexering in vergelijking met 100%

Bedrag indien indexering aan 100% vanaf 1 maart 2020

22,04 22,36 22,69 23,02 23,36

22,48 22,93 23,39 23,86

-

0,12 euro/cheque 0,24 euro/cheque 0,37 euro/cheque 0,50 euro/cheque

23,48

23,70 24,04 24,39 24,75

24,33 24,82 25,32 25,82

-

0,63 euro/cheque 0,82euro/cheque 0,93 euro/cheque 1,07 euro /cheque

23,95 24,43 24,92 25,42

Hierbij dient opgemerkt te worden dat we in de simulatie van een verder indexering aan 73% naar de toekomst ervan uitgaan dat de kosten en opbrengsten beiden met 2% zullen stijgen, alsook dat de kosten en de opbrengsten voor alle bedrijven quasi hetzelfde zijn. We maken hierbij dus abstractie van o.a.

4

Er zijn in Brussel drie voorwaarden: a) een vormingsplan wordt ingediend door de DC onderneming, b) minstens 60% van de dienstenchequewerknemers, die in de loop van het jaar worden aangeworven, moeten werkzoekende of begunstigde van het leefloon zijn en c) een ondertekend « Brussels diversiteitscharter in de dienstenchequesector wordt ingediend door de DC onderneming.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 37 van 41


-

Dat sterk winstgevende ondernemingen minder kosten hebben dan opbrengsten en het verlies door de indexatie daardoor iets getemperd wordt. Dat er bij sommige kosten zoals afschrijvingen geen effect is van indexatie.

Indien we de inruilwaarde van maart 2020 zouden hebben geïndexeerd met een 100% index dan had de inruilwaarde 23,43 euro/cheque bedraagt i.p.v. 23,36€ oftewel een bijkomende stijging van +/- 0,12 euro per cheque. Hiertegenover zou een meeruitgave van +/-11 miljoen euro op jaarbasis (en per indexering) hebben gestaan.

Vergelijking evolutie van de loonkost versus de evolutie van de inruilwaarde Een verhoging van de bruto lonen met +2,8% betekent een stijging van de loonkost van 12,94 naar 13,39 euro/uur ofwel +0,45 euro/cheque. Naast de loonkosten stijgen bij een indexering ook de andere vaste kosten (huur, elektriciteit, water, verzekeringen, ..). Deze worden op ca. 2€/cheque geraamd oftewel een 8,7% van alle bedrijfskosten (voor 2018 1,98€/cheque oftewel het verschil tussen de totale bedrijfskosten en de loonkosten). Bij een indexering met 2% stijgt de vaste kost per cheque met + 0,04 euro/cheque. Samen met de loonkost dus een stijging van +0,49 euro/uur. Anderzijds zou de inruilwaarde bij een onvolledige indexering aan 73% stijgen van 23,36 naar 23,70 euro/uur ofwel +0,34 euro/cheque. Bij onvolledige indexering blijven de stijging van de inkomsten van de onderneming dus achter bij de stijging van de uitgaven voor loonkosten en andere vaste kosten (met -0,15 cent/cheque). We wijzen erop dat de loonkost geen één op één relatie kent met de inruilwaarde. De dienstencheque- werknemers worden niet betaald per uur geleverde dienstenchequeprestatie, maar o.b.v. een arbeidscontract voor een bepaalde arbeidsduur. De “niet productieve” uren (uren waartegenover geen prestatie staat en dus geen inruilwaarde wordt geïnd terwijl het loon wel blijft doorlopen) wegens bv. opleiding, ziekte of het niet vervangen van een weggevallen uur bij de gebruiker zullen zwaar doorwegen op de rendabiliteit, want voor deze uren ontvangt de dienstencheque onderneming geen inruilwaarde en zijn er dus enkel kosten en geen inkomsten. Bovenstaande analyses zijn complementair aan de analyses van de jaarrekeningen. Ze geven ons een beter inzicht in de evolutie van een aantal indicatoren, die een grote invloed hebben op de rendabiliteit van de ondernemingen. Ze helpen ons ook om bepaalde hypothesen naar de toekomst te formuleren. Wanneer we weten dat tot 2018 de feitelijke netto bedrijfsmarge van bepaalde dienstenchequeondernemingen (vnl vzw’s) al quasi herleid zijn tot nul en alle andere factoren constant houdend, dan zal een verdere loonstijging (plus stijging van andere kosten) bij een onvolledig indexeringsmechanisme het aantal verlieslatende ondernemingen (thans 25%) verder doen stijgen (zie pagina 18). En op langere termijn verwachten we dat de rendabiliteit van alle ondernemingen structureel verder zal dalen en dat voor die bedrijven die nu al aan zeer beperkte marges functioneren hun rendabiliteit ondermaats zal zijn. Bovenstaande berekeningen geven evenwel een eerder theoretisch beeld voor 2019 en 2020 Volgende aspecten kunnen zeker een invloed hebben op de rendabiliteit: -

Een indexering doet niet noodzakelijk alle kosten uit de jaarrekening in de praktijk met 2 % stijgen. het reële effect van de opgenomen doelgroepverminderingen op de loonkosten hangt af van de mate waarin men de doelgroepen effectief aanwerft of aan het werk houdt. De globale sector ontving in 2018 en 2019 ca. 30 mio euro aan bijkomende loonkostsubsidies voor

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 38 van 41


-

doelgroepen ofte wel een gemiddeld gebruik van ca 25% van alle dienstencheque werknemers. Het grootste aandeel van de doelgroepkortingen gaat naar oudere werknemers (Vlaams) en naar collectieve arbeidsuurvermindering (federaal). We hebben momenteel geen zicht op de spreiding van dit gebruik over de diverse type en grootte van dienstencheques ondernemingen. De vergrijzing van het werknemersbestand beïnvloed mede de loonkosten Er kunnen geen gegevens van het boekjaar 2019 worden meegenomen. De loon(kost)evolutie voor de periode 2015-2020 werd hierboven berekend uitsluitend voor de loonvoorwaarden van dienstenchequewerknemers PC 322.01. Diegene die onder andere PC’s vallen, onder de social profit (gezins- en aanvullend thuishulp) of onder de lokale besturen (OCMW’s, zorgbedrijven) worden in deze berekeningen niet gevat.

Enkel een empirische toets o.b.v. jaarrekeningen zal kunnen aantonen of over de tijd de rendabiliteit van de bedrijven verder zal afnemen. We zullen dus de evolutie van de rendabiliteit structureel moeten monitoren telkens er een nieuwe jaarrekening beschikbaar komt. Het Departement WSE zal dan ook een permanent monitoringsysteem op basis van de jaarrekeningen opzetten.

8. Algemeen besluit In dit onderzoek hebben wij een financiële analyse uitgevoerd van de sector van de dienstenchequebedrijven op basis van de jaarrekeningen die werden neergelegd bij de Balanscentrale van de Nationale Bank. We hebben in eerste instantie een globale analyse gemaakt van de neergelegde jaarrekeningen van alle organisaties die werden erkend in kader van de Vlaamse dienstencheques. Vervolgens hebben we een selectie gemaakt van erkende ondernemingen die uitsluitend activiteiten uitvoeren in kader van dienstencheques en hoofdzakelijk actief zijn in Vlaanderen. Op basis van de jaarrekeningen van deze ondernemingen hebben we onderzoek gedaan naar de rendabiliteit van de activiteiten die worden uitgevoerd in kader van het stelsel van de Vlaamse dienstencheques. Hieronder geven we een overzicht van de belangrijkste conclusies van het onderzoek. Uit de analyse van de jaarrekeningen van boekjaren 2016 tot en met 2018 blijkt dat de rendabiliteit van de sector van de dienstenchequebedrijven de voorbije jaren telkens globaal positief was maar dat de gemiddelde rendabiliteit een dalende trend vertoonde. Zowel uit de analyse van de jaarrekeningen van alle erkende dienstenchequebedrijven als uit de analyse van de jaarrekeningen van de organisaties met uitsluitend dienstencheque-activiteiten bleek ook dat het aantal verlieslatende dienstenchequebedrijven de voorbije jaren is toegenomen. De ondernemingen met enkel dienstencheque-activiteiten realiseerden in 2018 een nettobedrijfsresultaat van gemiddeld 0,54 euro per dienstencheque, wat overeenkomt met een operationele marge van 2,3% ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. Uit onze analyse van de jaarrekeningen blijkt dat er opmerkelijke verschillen zijn tussen verschillende types dienstenchequebedrijven waarbij VZW’s in het algemeen minder rendabiliteit vertonen dan handelsvennootschappen en waarbij grote dienstenchequebedrijven een betere rendabiliteit vertonen dan kleine en middelgrote dienstenchequebedrijven. De handelsvennootschappen realiseerden in 2018 gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat van 0,61 euro per dienstencheque. Bij de gemeentelijke VZW’s en de gewone VZW’s was dit respectievelijk slechts 0,02 euro en 0,01 euro per dienstencheque. 3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 39 van 41


De dienstenchequebedrijven met meer dan 500.000 cheques op jaarbasis realiseerden gemiddeld een netto-bedrijfsresultaat ten belope van 0,60 euro per dienstencheque. Bij de middelgrote en kleine dienstenchequebedrijven was dit respectievelijk slechts 0,36 euro en 0,15 euro per dienstencheque. We stelden vast dat de rendabiliteit van de dienstenchequebedrijven vooral wordt bepaald door de omvang van de bedrijfskosten per dienstencheque. Deze bedrijfskosten bestaan gemiddeld voor meer dan 90% uit loonkosten, waardoor de rendabiliteit van de organisaties vooral wordt bepaald door de omvang van de loonkosten per dienstencheque. De verschillen in rendabiliteit tussen VZW’s en handelsvennootschappen en tussen de grote en kleinere organisaties worden bijgevolg vooral verklaard door verschillen in de loonkost per dienstencheque. De (globale)loonkost per dienstencheque was het hoogst bij de gemeentelijke VZW’s (22,07 euro), gevolgd door de andere VZW’s (21,71 euro) en de handelsvennootschappen (20,67 euro). De grootste dienstenchequebedrijven hadden gemiddeld 20,6 euro loonkost per dienstencheque terwijl deze loonkost bij de middelgrote en kleine bedrijven gemiddeld 21,6 euro bedroeg. Uit vergelijking van de loonkosten met de gewerkte uren blijkt dat de hogere loonkost per dienstencheque wordt verklaard door een hogere loonkost per gewerkt uur en door een hoger aantal gewerkte uren waarvoor geen dienstencheque werd ingediend. Uit onze analyse van de balansen in de jaarrekeningen blijkt dat de dienstenchequebedrijven globaal een gezonde financiële structuur vertonen maar dat er ook op vlak van liquiditeit en solvabiliteit opmerkelijke verschillen zijn tussen de verschillende types dienstenchequebedrijven. Daarbij valt op dat de VZW’s, en vooral de gemeentelijke VZW’s, ondanks hun zwakkere rendabiliteit gemiddeld een sterkere liquiditeits- en solvabiliteitsgraad vertonen dan de handelsvennootschappen. Dit kan mogelijks worden verklaard doordat de VZW’s in tegenstelling tot de handelsvennootschappen geen winst mogen uitkeren waardoor hun winsten meestal integraal werden gereserveerd in de organisatie. Uit een simulatie van een loonsverhoging met 2,8% voor paritair comité 322.01 (index + 0,8%) en gegeven dat de taxshift niet langer zorgt voor een verdere daling van de RSZ lasten, leren we dat de stijging van de loonkost neerkomt op een stijging van 12,94 naar 13,39 euro/uur ofwel +0,45 euro/cheque. Hierbij worden andere loonkosten (ziekteverzuim, vakantiegeld, opleiding, onproductieve uren, uren voor begeleiding; premies) niet in beschouwing genomen. Overige (vaste)kosten worden geraamd op een stijging met +0,04 euro per cheque. Deze kost wordt slechts deels gecompenseerd door de indexaanpassing van de inruilwaarde. Bij een indexering van 73% (stijging van de inruilwaarde toegekend met 1,46% ipv 2%.) stijgt de overheidssubsidie immers slechts met 0,34 euro per cheque. De stijging van de overheidssubsidie blijft dus 0,15 euro achter bij de stijging van de wettelijke CAO loonkost. De verhoging van de indexaanpassing van 73% naar 100% zou een meeruitgave van +/-11 miljoen euro op jaarbasis (en per indexering) betekenen. Dit komt overeen met een bijkomende stijging van +/- 0,12 euro per cheque. De rendabiliteit van de onderneming daalt dan in principe ook met 0,12 euro per cheque indien de indexering niet volledig wordt toegekend.

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 40 van 41


Colofon

Samenstelling Vlaamse overheid Departement Werk en Sociale Economie Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel 02 553 42 56 beleid.wse@vlaanderen.be www.vlaanderen.be/departement-wse

Verantwoordelijke uitgever Dirk Vanderpoorten Secretaris-generaal

Uitgave 2020

3.06.2020

Financiële analyse dienstenchequebedrijven

pagina 41 van 41


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook