M&L
5/5 • SEPTEMBBR-OKTOBER J986 • TWEEMAANDEl I.IKS
samÊmi
Toen gebouwd voor eeuwen, nu ook duurzaam te beschermen.
Aan de traditionele bescherming van natuursteen tegen zure regen kleeft een groot nadeel. Ze zijn van veel te korte duur. Met IMLAR Clear Protective Coating van Du Pont kan u die bescherming veel langer laten duren. IMLAR CPC is een elastische, kleurloze bescherming met vochtregulerende eigenschappen, die elke soort natuursteen blijvend tegen zure regen en andere industriële vervuiling beschermt. IMLAR CPC wordt aangebracht met een kwast, rol of spuit op een vochtige ondergrond. Ideaal dus als laatste onderdeel van een reiniging, restauratie of renovatie. Stuur nu de onderstaande bon in. En ontdek de duur* ^ame bescherming voor alles wat gebouwd werd voor eeuwen.
1
1
1 1 1 1 1 1 1 1
i
i
i
I 1 1 1 K i i1 i ' i i i j / ^\ l i 1 , 1 1 , 1/
II
i
l
I I I
l un
i
j ^ |
J
®, i ^ l 1
|
i
i
i
i
i
i
m • r\^
i
i.MVsn i c n c o i M U H M I I C \ltVM fl C D n i l U / C M C M M n M I I M C M T P M
[
I
i
i
\..
HEDENDAAGSE - . A ^ . . - ^ . - n METHODEN . - ^ - F A . . » * ^ . . - BIJ DE 1 i
1
Jb-V-1 '^
i
i i ^ F ^ r ~ i L i r \ A A ^ c*^ nu ^ ^ • • f\ rs^Kt
w^
1'1'!'1'/_ l
i
. J . I..
vr-ii«
1
vjii—i^v^ u « N I _ I «
^ i «
r-M 1
I W I « ^ I « v / i « i k . i « i &_• « |
|
!
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 -T-l i i • oo n s t r u c t i e v e scheurinjectie i i i i i . c i i i n D n s o l i d a t i e v a n hout en s t e e n 1 1 l l c , 1 1 1 1 !• pa s t a u r a t i e van s t e e n en i1 i i i /A /ft/A 1 ' 1 ' 1 1 , s e l d h o u w w e r k [ '1 1 1 1 1 1 ^ 1 1 1 1 * Rs h a n d e l i n g t e g e n m u u r v o c h t 1 \ • nD n s t r u c t i e v e r e s t a u r a t i e v a n 4 1 1 1 1 h Duten d r a a g b a l k e n en b a l k IE EI k Dppen 1 ' 1 ' 1 ' AA /AS i l 1 l c a r a t i e v e en p r e v e n t i e v e Y 1 1 1 1 hshandeling van hout • n ritizwambehandeling 1 1 [—u T - 1 — A 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 II 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 T 1 1 , ' ' • onderzoek I I C 1 1 • a d v i e s . . ! 1 , 1 1 1 1 • f a b r i k a t i e van produkten 11.^^ 1'1 , 1 1 - u i , Ulm . iïllllllllllil, • u i t v o e r i n g van werken 1 1 ,1 mirnmmmittmtffliil 1, H 1
c
1
1 1 i—' s t e e r '—i muura f d i c h t i n g met EPISIL C 55. ' • ' i ' • ' , ' • ' i ' .
1
•
B II r
r' i
i
IIM
11.
1
1
1
i i i i
i i i
i 'i'i i'i' i'i'i' 1
nv resiplast sa
LH ./lallekotstraat 63, 2500 Lier - Tel. 03/489.04.4i,J 1 I 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
1 1 1 1 1 1 1
TIENJARIGE WAARBORG
SPECIALE WERKEN WATERDICHTHEID INJECTERINGEN GUNITERING DROOGMAKING VAN MUREN tegen opstijgend vocht door transfusie onder lage druk (Brevet Peter Cox).
DRY WORKS Gesar Franckstraat 53-55 1050 BRUSSEL
© 02/647 05 26 02/647 52 29
i
r i
i
i
1
Arthur VANDENDORPE s Algemene Bouwonderneming
Groene Poortedreef 40 8200 Brugge 2 Tel. (050) 31 72 96 - 33 03 88
Restauratie en vernieuwbouw
verkoop oude dakgebinten - Gevelstenen Moefen - Balken Vloeren, enz.
VOOR DE M&L-LEZER EEN EXTRA EINDEJAARSCADEAU
de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:
n
H H
ZIE P. 6 RIETEN DAKEN
WILLY IBENS P.V.B.A.
De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiematerlaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
H
Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratlemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en miektiemortels van hoogwaardige kwa1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45
* < ^ ,/( /»'
Solar
Kleine Breedslraat 51. 2700St -Niklaas
wor meer informatie belt u.' oyyyóyi. 61
multlprolect
Spinnerijkaai 47 8500 KORTRIJK - Tel. 056/22 23 21
„UW PARTNER VOOR TOTALE BOUWBESCHERMING"
Bouwproblemen zijn veelzijdig - Wij ook ! - 500 produkten voor bouwsanering
Beter b |
de bank van hier De Kredietbank, de bank die hier groot geworden is. Samen met u. De bank van hier die zich inzet voor de mensen van hier. De bank die ook morgen, en iedere dag opnieuw, haar belofte hard zal maken : "Beter bij de bank van hier".
• • • • •
ALGEMENE BOUWONDERNEMING RESTAURATIEWERKEN GEVELWERKEN NATUURSTEENHERSTELLINGEN BETONREPARATIES EN ANDERE SPECIALE TECHNIEKEN Erkenningen Klasse 5 D24 Klasse 4 Klasse 1 D21
ADMINISTRATIKVI- ZETEL: LIEVEN BAUWENSTRAAT 20 S200 BRUGGE 2 TEL. 050/31.55.81 TELEX 82476 b-c-b
BOUWONDERNEMING
GOETINCK
*
>
p.v.b.a.
VENNOOTSCHAP VOOR DE CONSERVATIE EN DE RESTAURATIE VAN KUNSTWERKEN DIEPESTRAAT 18 3061 BERTEM (Leefdaal) 02/767 97 80 ERKENNING NR. 04 28 01
- Restauratie van schilderijen - Doublering op vacuümtafel - Behandeling van : gepolychromeerde beelden en meubels binnendecoratie van kerken en openbare gebouwen muurschilderingen Oosters lakwerk Conservatie van kunstwerken op papier en zijde
REEDS MEER DAN 10 JAAR AKTIEF IN SAMENWERKING MET DE OFFICIËLE INSTANTIES.
Reiniging van een schilderij
:
I
*<*%
1• f *& P
•*
J
H^ Gepolychromeerd altaar
Retouche
Doublering op vacuümtafel
M&L 5
M&L
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen
Inhoud.
ISSN 0770-4948 5 e jaargang Nr. 5 september-oktober 1986
M&L
Generiek Torhout. 'In 't Hof van Engeland' M. Goossens 'Elzenwalle': een 'selfmade' kasteel van na de Eerste Wereldoorlog 14 in Voormezele A.M. Delepiere en M. Huys Brussel 1640-1980. Evolutie van het stratennet in zeven fasen synthesekaart Sint-Lukasarchief
24
Gent, Gewad 33 : een pronkgevel 'tot cieraet ende decoratie deser stede' H. Van den Bossche
26
De Vernieuwing van het koninklijke salon in de gerestaureerde Muntschouwburg F. Strauven
41
De Koninklijke Muntschouwburg in data J. Braeken en L. Mondelaers
48
Summary
54 [1-16]
M&L Binnenkrant
Abonnementsvoorwaarden 1986. België : 840 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 150 fr.). CJP'ers betalen : 720 fr. Buitenland : 980 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 0002001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding „M&L-jaarabonnement 1986". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Advertentiewerving : D e G a n z e r i k , J. C a s i e r , Philipstockstraat 3 9 , 8000 Brugge - T e l . 050/33.82.20. Druk : die K e u r e , Brugge
MINISTERIE
VAN DE
VLAAMSE
Het 'Elzenwallekasteel' in Voormezele 'selfmade'-architektuur van E. Blerot (foto M. Lorrez). Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmillieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. 02/513.99.20. Eindredactie : M.M. Celis. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie en promotie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Produktie en vormgeving : M. Ramakers. Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), E. Box (Kabinet Gemeenschapsminister Dewael), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, M. Hoflack, C. Lievens, G. Ostyn, M. Ramakers, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
GEMEENSCHAP
ABONNEER NU OP M&L-JAARGANG '87 EN ONTVANG EEN EXTRAEINDEJAARSCADEAU Duiven zijn Inderdaad zo vervelend dat u lk-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervullen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen: zij werken aktief mee aan het verval ervan.
MAM HET KM Depigeonal Is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij
BDUMEL6 DETAIL M
Solar
Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-NIklaas. Of bel 03/776 91 62.
DEPIGEONALI
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sim-Romboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst' Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaiiaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatiefvoor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie, Bel 03/776.91.62 U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
is de naam van een serie van zes reprodukties op prentbriefkaartformaat, die de aandacht willen vestigen op het art-nouveau- en art-décopatrimonium, dat Brussel rijk is. Het uitgangspunt van deze reeks was een aantal akwarellen van Myriam Dierickx. Zij koos enkele architecturale details en verwerkte er menselijke figuratie in. De reeks, opgeborgen in een handig mapje, kan besteld worden door overschrijving van 120 fr. op rek. nr. 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumentenen Landschapszorg met vermelding 'Brussels detail'. Wie vóór 31 december 1986 840 fr. stort op rek. nr. 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten en Landschappen met vermelding 'M&L-jaarabonnement '87, ontvangt deze kunstmap gratis.
Mevrouw, Mijnheer wonende
schrijft nu in op een M&L jaarabonnement 1987 en stort nu ook 840 fr. op bovenvermeld nummer met vermelding 'M&L '87 + Brussels Detail'. Indien ik vóór 31 december heb overgeschreven, ontvang ik gratis 'Brussels Detail'. Datum,
Handtekening,
Solar Ook sterk in. gevelreimging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.
Terug ie sturen naar A.R.O.L., Bestuur Monumenten en Landschappen, t.a.v. L. Tack, Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel.
Ei zo na verdween 't Hof van England zoals het mocht ontstaan: bij wegeniswerken. Spijts 2 eeuwen onverpoosde activiteit nog immer stoer en gastvrij, eisten 20 jaar onteigeningsgeruchten nochtans merkelijk hun tol. Miek Goossens volgde van nabij de grote schoonmaak.
Art Növö Groot is de verleiding om in de pinhelmbekroning van Elzenwalle een vingerwijzing te zien naar het tragisch gebeuren van '14-'18 dan wel het warrige geknutsel van een lokale facteur Cheval. Niets hiervan of misschien toch al deze dingen door elkaar, maar stellig het kroonstuk op het oeuvre van Ernest Blerot. Zo blijkt althans in woord en beeld uit de bouwkroniek van Anne-Marie Delepierre en Martine Huys.
In de ban van de ring Het historische puzzelwerk van Jos Hogenes naar de groei van het Brusselse stratennet, vond thans zijn neerslag in een kleurrijke synthesekaart. Jos Vandenbreeden verzorgt de presentatie.
Over imitatie: een meditatie
Een Gentse klokgevel ditmaal. Archivalisch uitgepluisd, bouwtechnisch terdege onderzocht, de opties duidelijk omlijnd: kortom een restauratie volgens het boekje. Tot dan het onverhoedse falen bij de afwerking Hedwig Van den Bossche een kwade dag bezorgt.
Operationeel
Aan het woord is Francis Strauven. Geen vrijblijvend salondiscours, maar kritische - hoewel hoofse - beschouwingen bij metamorfoses van een Koninklijke Muntschouwburg. Te nemen noch te laten, doch het - nader - bekijken waard. In de schaduw van de decors schikken Lydie Mondelaers en Jo Braeken hierop nog even de oude programma's.
8
M&L
Torhout. 'In 't Hof van Engeland' Miek Goossens, B.M.L.
De afspanning 'In 't Hof van Engeland' — ook 'Engels Hof genoemd — werd om cultuurhistorische en artistieke redenen beschermd als monument bij Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 juni 1983. Hiermee werd een jarenlange strijd om het behoud van de 18de-eeuwse afspanning beslecht. Dit gebouw was immers gedoemd om gesloopt te worden voor een verbreding van de weg TorhoutOostende. Hierdoor was het, hoewel nog bewoond en gebruikt als herberg, in een deerlijke staat van verval geraakt. Een restauratie drong zich hoognodig op. Op het erf was reeds een annexe schuur-bergplaats ingestort, een lot dat de afspanning zelf werd bespaard door het plaatsen van voorlopige stuttingen.
'In 'l Hof van Engeland'; de voorgevel na restauratie (foto M. Lorrez).
M&L
9
bouwde hij een afspanning voor paarden. Die tolhuizen kregen de naam van één van zijn bezittingen. Zo werd het 'barrière-huys' in Loppem, sterk verwant met 'In 't Hof van Engeland' en rond 1763 te dateren, genoemd naar de stad Heydelberg in Duitsland. Het is tegen deze achtergrond dat het ontstaan van de herberg-afspanning 'In 't Hof van Engeland' moet worden gesitueerd. Het gebouw moet tussen 1750 en 1760 gerealiseerd zijn. Een andere typologisch sterk verwante afspanning, 'De Engel' genoemd, bevindt zich in Ichtegem; ze is door middel van muurankers 1766 gedateerd.
Een sobere aanwezigheid
18de-eeuwse wegen in West-Vlaanderen mei aanduiding van 'In 't Hof van Engeland'. Overgenomen uit: R. Haelewijn, Oostenrijkse banen in West-Vlaanderen, Studiën en Berichten, 67 (1970) p. 69 e.v.
Langs Oostenrijkse wegen... Zoals bekend werd in de Oostenrijkse tijd werk gemaakt van de verbetering en aanleg van goede verbindingswegen. In 1751 wou de toenmalige Heer van Wijnendale — wiens kasteel slechts op een boogscheut van de afspanning verwijderd lag — de 'kalsijde' Brugge-TorhoutRoeselare-Menen op eigen kosten aanleggen, mits hij er het tolrecht van bekwam en mits hij op deze nieuwe verkeersader een aftakking mocht voorzien gaande van Torhout naar zijn slot Wijnendale. Hij liet deze onderneming zelfs starten met deze aftakking, die gerealiseerd werd tusen 1751 en 1754. Het verdere verloop van de aldus tot stand gekomen Oostendestraat, met name de verbinding tussen Wijnendale en Oostende, kwam pas in 1775 tot stand en wel op verzoek en op kosten van de stad Oostende, die hiermee haar visserijprodukten beter en sneller hoopte te kunnen afzetten in het hinterland. Deze vroeg-kapitalistische investering van de Heer van Wijnendale was op de eerste plaats een middel om door tolinning de geïnvesteerde gelden te doen renderen, alsook om de houtexploitatie van zijn Wijnendaals bos mogelijk te maken. Aldus was van die tijd af het kasteel met Torhout verbonden door een steenweg — voordien was het een aardeweg. Op 1 april 1751 kreeg Karl Theodor van Wijnendale de toestemming van keizerin Maria-Theresia om tolbarelen te plaatsen en tolgelden te innen. Nabij de tolbarelen
Het gebouw is in al zijn soberheid een indrukwekkende aanwezigheid en een herkenningspunt bij uitstek in de Oostendestraat, net bij het verlaten van de weg BruggeMenen, richting Oostende. Het hoofdvolume telt twee bouwlagen onder zadeldak; oorspronkelijk was dit geflankeerd door twee parallelle lagere aanbouwen, eveneens onder zadeldak. De aanbouw rechts verdween omstreeks 1960 om verkeerstechnische redenen, bij de verbreding van een zijstraatje. Hierdoor kon bij de restauratie de reconstructie wel overwogen maar niet uitgevoerd worden. De voorgevel van het hoofdvolume is statig geritmeerd door rechthoekige openingen; de vensters op de begane grond zijn beluikt. Middenin de gevel bevindt zich de deur; een eenvoudige omlijsting uitgevoerd in kleine donkerblauwe baksteentjes, 'klompjes' genoemd, vormt de enige versiering van dit volledig in baksteen opgetrokken gebouw. De aanwezige schuiframen moeten nog de originele zijn geweest; zij droegen wel sporen van inkepingen voor kleinhouten, die later verwijderd werden voor grotere glasvlakken. Zij waren geschilded in helder groen-wit. De deur is van recentere datum, en is grotendeels beglaasd. Enkel de voorgevels zijn geschilderd in een kenmerkend oker, boven een geteerde plint. Typisch zijn tenslotte nog de ronde ringen boven de plint, waar de paarden aan werden vastgebonden. Op de verdieping was het venster uiterst links verbouwd tot een laaddeur. De poort van de aanbouw links werd gedicht; tegen de achtergevels verrezen in de loop der tijden een aantal bijgebouwen. Verder kwam dit gebouw opvallend gaaf tot ons, ook het interieur: de voordeur leidt tot een grote gelagzaal met een grote haard tegen de buitengevel. De gelagzaal staat via een brede vleugeldeur in verbinding met de 'feestzaal' die eveneens getooid is met een brede Vlaamse haard, waarvan de boezem bekleed is met (bruin-gele) Torhoutse tegels. Aan de achterzijde liggen de woonvertrekken en de oude trapkast. Op de verdieping bevinden zich 5 ruime slaapkamers. Vooral de 3 kamers aan de voorzijde werden duidelijk voor verhuring geconcipieerd: zij zijn onderling verbonden door een gang die met een deur kan worden afgesloten van de rest van de
10
M&L
'In 't Hof van Engeland': een stripverhaal.
Toestand in juli 1977 vóór de (foto B.M.L).
restauratiewerkzaamheden
verdieping. De scheidingsmuren op de verdieping zijn niet gemetseld doch gemaakt van vrij ruwe stijlen waartussen verdiept gepleisterd werd op latwerk, om nadien geheel overkalkt te worden. De beide hoekslaapkamers zijn verwarmbaar door een eenvoudige, zij het originele schouw. Boven de gelijkvloerse verdieping kregen de plafonds een bepleistering. Op de verdieping is de constructie van onversierde moer- en kinderbalken gaaf bewaard. Zij is vermoedelijk uit olm. Vermeldenswaard zijn de ruime onderkelderingen, die vrijwel onder het hele gebouw onder gedrukte tongewelven gerealiseerd zijn. Alhoewel het gebouw tot op vandaag nog steeds in gebruik is als herberg — ook tijdens de werken kon men er zijn dorst lessen — bleef het interieur gespaard van ingrijpende aanpassingswerken, wat voor dit soort gebouwen als een grote uitzondering kan worden beschouwd.
Een sobere restauratie
Toestand in mei 1984 tijdens de voorlopige stuttingswerken (foto B.M.L.).
Toestand in 1985 na volledige restauratie (foto M. Lorrez)
Een documentair gaaf, doch zeer verwaarloosd gebouw diende dus in 1983 dringend gerestaureerd. Aangezien de eigenaars vele jaren geleefd hebben in afwachting van een eventuele onteigening, werden vrijwel 20 jaar lang zelfs geen elementaire onderhoudswerken uitgevoerd. De restauratiewerken — naar het ontwerp van architect Daan Laethem — konden van start gaan in 1984; de gebroeders De Ketelaere uit Torhout voerden de werken voortreffelijk uit. Het ontwerp voorzag de restauratie van het dak en de gevels; aan het interieur werd niet geraakt, wat alvast een voorlopige waarborg is voor de authenticiteit. De uitgevoerde restauratiewerken omvatten: - een grondig nazicht en versteviging van het dakgebinte; - het afnemen van de pannen, het leggen van een onderdak en het herleggen van de oude gegolfde pannen; de courante rode pan was gemengd met een bruin-paars geglazuurde pan. Dit systeem werd hernomen volgens de verhouding 1 tot 6, ook op de plaatsen waar de oorspronkelijke dakbedekking was vervangen door recentere pannen; daarnaast werden de schouwen tegen en boven de zijpuntgevels hermetseld, evenals een groot gedeelte van de top van de rechterzijgevel; - de schouwen werden vroeger reeds hermetseld in machine-steen en waren bijkomend in slechte staat. Zij werden thans opgetrokken in steen afkomstig van afbraak. De rechtertopzijgevel werd om stabiliteitsredenen hernomen; - de voorgevel werd ontdaan van de veelvuldige kalklagen door middel van waterbespuiting. De toestand van het paramentwerk eronder was verrassend slecht. De gebruikte veldovenbaksteen was duidelijk van slechte kwaliteit; vervanging zou tot een quasi volledig vernieuwen van het parament geleid hebben. Er werd daarentegen geopteerd voor het aanbrengen van een kaleilaag op basis van cement als beschermingslaag en als vorm van afwerking tegelijkertijd. Hierop werd acrylaat-verf geschilderd naar de bestaande kleuren;
'In 't Hof van Engeland' anno 1985 na restauratie (foto M. Lorrez).
12
M&L
Toeslaiiil metselwerk mei 1984 (zijgevel). Bij de bouw werd een veldovensteen gebruikt van minderwaardige kwaliteit die sterk onderhevig is aan weersinvloeden. Aangezien de voorgevel gekalkt was, werd bij de restauratie de voorgevel na reiniging gekaleid met een verdunde metselspecie. Zodoende konden vervangingen tot een minimum worden herleid. Hierop werd geschilderd. De zijgevels werden plaatselijk hersteld en hervoegd daar geen enkel spoor er op wees dat zij ooit afgewerkt werden (foto B.M.L.)-
Op een beschutte plaats van de zijgevel — op de zolder hoven de lagere aanbouw — werd dit onverweerd parament aangetroffen, zoals het er oorspronkelijk moet hebben uitgezien. Bemerk de 'dag' die in de voegen getrokken werd (foto B.M.L.).
- alle ramen van de voorgevel werden vernieuwd, zorgvuldig gekopieerd wat profileringen en afwerking betreft. Zo ook de luiken. Enkel de deur kon behouden blijven. De levendige groen-wit beschildering in olieverf werd hernomen, en werd eveneens gebruikt voor de vernieuwde dakoverstek; - op te merken valt dat het gebouw aan de voorzijde nooit voorzien was van goten, en er nu ook geen kreeg; - de gedichte rondboogopening in de aanbouw links werd opnieuw geopend en voorzien van een houten poort; - de deuromlijsting van blauwe 'klompjes' werd van een rode verflaag gereinigd. Het viel ons op dat deze omlijsting slechts één verflaag bevatte; het baksteenparament daarentegen had verscheidene kalklagen, wat ons laat vermoeden dat de beschildering van de omlijsting eerder van recente datum was. Het metselwerk was gaaf bewaard zodat het ons weinig aangewezen leek om het opnieuw te overschilderen. Het kreeg een behandeling met lijnolie. Tenslotte werden de letters herschilderd op de borstwering: 'In 't Hof van Engeland Estaminet', zij het met lichtjes verbeterde schikking op het gevelvlak; - beide zijgevels werden grondig nagekeken op te vervangen metselwerk — sommige partijen waren sterk uitgekankerd — en hervoegd met een bastaardmortel op basis van kalk; tegen de achtergevel werden later toegevoegde en in zeer slechte staat verkerende aanbouwen gesloopt. De vrij gekomen muurgedeelten werden gecementeerd met imitatie-voegen als verderzetting van de reeds bestaande bepleistering. Hier kregen de aanwezige ramen — alhoewel niet meer de originele — enkel een schilderbeurt. Om opportuniteitsredenen werd niet overgegaan tot al te drastische veranderingen: de cementlaag hecht te vast aan de baksteen om verwijderd te worden zonder onherstelbare schade aan het parament toe te brengen. De vensteropeningen op de verdieping zijn
weliswaar verkleind in vergelijking met de oorspronkelijke, doch er was verder geen reden om de bestaande openingen te wijzigen; - de kelders werden gedicht tegen waterindringing; - het ingestorte schuurtje op het erf — dat dienst doet als fietsenbergplaats voor pendelaars die van hieruit de bus nemen — werd herbouwd naar de opmetingsplannen; - toiletten werden ingericht in de voormalige ovenbuur; - ook de onmiddellijke omgeving werd enigszins in het project betrokken met het aanleggen van een kassei-verharding. De restauratie van de 18de-eeuwse afspanning 'In 't Hof van Engeland' in Torhout slaagde in haar opzet, met name het instandhouden van een gaaf tot ons gekomen gebouw, dat in een toestand van verval was gekomen. Dit verval was uitsluitend toe te schrijven aan een jarenlang gebrek aan onderhoud, dat het resultaat was van een verwachte onteigening, in het kader van geplande wegeniswerken. Overigens deden zich geen ernstige constructieve of vormelijke problemen voor, evenmin als problemen van bestemmingswijziging met eventueel daaraan verbonden bouwkundige ingrepen. Dit naar materiaalgebruik en vormgeving uiterst sobere gebouw kreeg een passende restauratie, namelijk een pretentieloze aanpak, die niet ver verwijderd is van het begrip grondige 'onderhoudswerken'. Dit is begrijpelijk omdat de jarenlange onzekerheid omtrent de toekomst verantwoordelijk was voor het achterwege blijven van het normale onderhoud. Het 'Engels Hof' is in al zijn monumentale eenvoud opnieuw een positief herkenningspunt en uitnodigende halteplaats voor de reiziger. In al zijn statige eenvoud bewijst dit gebouw dat monumentenzorg niet noodzakelijk buitensporig of onbetaalbaar hoeft te zijn en tegelijkertijd toch een grote zichtbepalende betekenis kan hebben. 'In 't Hof van Engeland'; detail uit de voorgevel (foto M. Lorrez).
ENGELAND
14 M&L
'Elzenwalle': een 'selfmade' kasteel van na de Eerste Wereldoorlog in Voormezele A.-M. Delepiere en M. Huys, B.M.L., Afdeling Inventarisatie West-Vlaanderen
"Vormizele is een Dorp, in de Nabuurschap van Ipren op den weg na Warneston of Waasten, en Rijssel, gelegen, zijnde die weg tot aan het Dorp met Keisteenen gestraet. Zijne Landerijen bestaan in Akkers, Beemden, en Bosschen, die voornamelijk des Zomers, zeer vermaakelijk zijn... . Men ziet'er insgelijks Visrijke Vijvers en Poelen; ... ; alsmede verschelde Boomgaarden, en andere vruchtdragende beplantingen, en Tuinen, welke door de Natuur en de kunst versiert zijn". Aldus Sanderus in zijn 17de-eeuwse beschrijving van de heerlijkheid Voormezele. Het is eigenlijk pas vanaf de 18de en in de 19de eeuw dat de adel en de hogere burgerij de landelijke charmes van het leperse ontdekten. Gegoede families verlieten hun stedelijke residenties in Kortrijk, Rijsel en leper, om te genieten van een zomerse rust in hun buitenplaats. Dit vredig tafereel werd echter verstoord...
Tussen droom en werkelijkheid... . Een breed uitgesponnen betonnen gebouw met rijzige koepel, als gemeerd tussen groene beemden (foto M. Lorrez).
M&L
Elzenwalle aan de weg van leper naar de Kemmelberg, en op een boogscheut van Dikkebus-vijver.
15
De Eerste Wereldoorlog herleidde het leperse tot een woestenij. Dit ingrijpend gebeuren deed echter geen afbreuk aan het doorzettingsvermogen van de plaatselijke bevolking, want zoals Sanderus reeds opmerkte: 'Uit de Huisgezinnen (indien men misschien eenige weinige uitzondert) word de lui- en leedigheid, als de Pest van den Staat, de Voedster van alle Ondeugden, en het Verderf der Geslachten, van de eerste jaren der Kinderen afgebannen... . Wat hen ook zoude moogen overkoomen, in staat zijn om zich op eene eerlijke wijs te geneeren'. Vrij snel na de wapenstilstand werd met de wederopbouw gestart. In deze Westhoek, bijzonder gehecht aan eigen bouwkundige tradities, vormen en materialen, was het haast vanzelfsprekend dat de enorme bouwnood na de Eerste Wereldoorlog in traditionele, regionale, historiserende architectuur werd opgevangen; dit werd eigenlijk minder als een teruggrijpen naar een ver verleden beschouwd dan als het heropnemen van een draad die door de oorlog werd onderbroken. Hetzelfde gold voor het herstel van het landschap. Na 1918 voltrok zich een intensieve wederopbouw naar het vooroorlogse patroon van bodem, wegen, afwateringen en beken. De bouwkoorts werkte aanstekelijk; de meeste 'kasteelheren' besloten tot de wederopbouw van hun buitenplaats. Sommigen opteerden voor een prestigieuze wederopbouw die nog volkomen aansloot bij het 19deeeuwse leven op ' 't kasteel'; anderen lieten zich verleiden door het intieme karakter van een landhuis in cottage-stijl. Het naoorlogse Elzenwallekasteel valt echter buiten reeks; dit architecturaal curiosum doorbreekt door zijn vorm en materie, het stereotiepe beeld van de gelijktijdige kastelen en landhuizen.
Vóór de 'groote oorlog'. Het kasteel Elzenwalle ligt aan de weg leper-Kemmel in Voormezele aan de voet van de Westvlaamse bergen.
Een 'kokette' cottage in Kemmel of 'Loire'-allures in Elverdinge: twee naoorlogse alternatieven (foto's B.M.L,).
16
M&L
Blerol in zijn 'mobile home': een verlengde en verbrede automobiel (foto familiearchief Ie Fevere de ten Hove - Blerot).
De benaming Elzenwalle zou ontleend zijn aan de vochtige omgeving, geschikt voor de groei van elzenstruiken. Het vooroorlogse kasteel had een 19de-eeuws uitzicht en was eigendom van de familie de Gheus. Het was gebouwd op een rechthoekige plattegrond, met twee vierkante hoektorens en een ingebouwde achthoekige middentoren. De enige bouwlaag was afgedekt met een mansardedak, gedomineerd door de spitse bedaking van de torens. De toenmalige eigenaar, Leon de Gheus d'Elzenwalle, bezat een steenbakkerij in de onmiddellijke omgeving. Elk jaar liet hij met het baksteenoverschot een huis optrekken, wat uiteindelijk resulteerde in het gehucht 'De Plas' gelegen rechttegenover het kasteeldomein. In totaal stonden er twaalf huizen waaronder een grote smidse met wagenmakerij, een bakkerij, een cichorei-ast en een herberg. Zij werden na de Eerste Wereldoorlog niet wederopgebouwd. Toen in 1908 Leon de Gheus d'Elzenwalle kinderloos stierf, erfde zijn Brusselse nicht Yvonne de Gheus het landgoed. In 1910 trouwde zij met Ernest Blerot.
Een succesvol architect in de hoofdstad Ernest Blerot (1870-1957), een geboren en getogen Brusselaar, stamde uit een katholiek burgerlijk milieu.
Hij liep school in het Sint-Bonifaciuscollege dat hij verliet met de vermelding 'élève polyvalent pouvant accéder a tous types d'études'. Na zijn middelbare studies aan het Sint-Lodewijkcollege opteerde hij voor de opleiding architectuur aan de Sint-Lucasschool. Blerot kende een korte maar zeer intense beroepscarrière; van 1897 tot 1904 bouwde hij ruim 60 woningen waarvan er nog verschillende bewaard zijn. Zijn succes als architect kadert in de architectuursituatie van het Brussel rond de eeuwwisseling. De verstedelijking en de bouw van nieuwe wijken waren het meest zichtbare resultaat van de uitbreiding die de hoofdstad in deze periode kende; de toenmalige demografische expansie zorgde voor de uitwijking van de vermogende bevolking naar meer comfortabele kwartieren in de randstad. Anderzijds was Brussel het mekka van de art nouveau, een benaming die de architecten zelf aan hun stijl gaven en waarin ze overduidelijk hun nieuwe intenties lieten blijken: de breuk met het verleden gedomineerd door eclectisch academische formules, en het opbouwen van iets totaal nieuws. De vernieuwde tijdsgedachte waarin het oeuvre van art-nouveautenoren als V. Horta en P. Hankar wortelde, werd slechts door een avant-garde elite gekoesterd. Velen echter werden aangetrokken tot de nieuwe vormgeving zonder zich te bekommeren om de ideologische context. De kleine burgerij ervaarde de art nouveau als een mode-
M&L
verschijnsel; in nieuwe wijken als Eisene en Sint-Gillis was de 'Modern Style' in trek. Ernest Blerot speelde in op de verlangens van zijn Brussels cliënteel: hij bouwde snel en goedkoop burgerwoningen met een 'excentrieke' gevel, waarachter er een traditionele levensstijl op nagehouden werd. Het grondplan en de indeling blijven die van de burgerwoning uit de tweede helft van de 19de eeuw. Toch trachtte Blerot iedere gevel te individualiseren door middel van het alternerend en contrasterend gebruik van venstervormen, bow-windows, puntgevels, smeedwerk en graffito. Na een aanvankelijk louter formalistische beoefening van de art nouveau ten dienste van zijn cliënteel, bouwde hij voor zichzelf een art-nouveauwoning in Eisene, waarin hij zijn vroegere stijloefeningen overstijgt. Het hoekperceel met zijn mogelijkheden en zijn beperkingen, werd op een vindingrijke manier benut. In tegenstelling tot zijn vroegere ontwerpen vertonen de gevels en de inwendige opbouw een grote samenhang. Het algemeen concept van het grondplan en de vormgeving kan enigszins vergeleken worden met het huis O. Aubecq van V. Horta. Beide hoekgebouwen was hetzelfde lot beschoren: het huis Aubecq werd gesloopt in 1949, de woning van Blerot in 1962. De bouw van zijn eigen woning betekende ook een keerpunt in zijn loopbaan als architect. Vanaf 1901 tot 1904 bouwde hij voor een meer gegoede klasse, waarna hij zijn beroepsactiviteiten stopzette. Zijn welstand liet hem immers toe te rentenieren, op een ogenblik overigens dat de art nouveau ineenschrompelde. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog trouwde Ernest Blerot met Yvonne de Gheus d'Elzenwalle en hield hij zich onledig met reizen, knutselen en uitvinden. Hij was immers een geboren uitvinder; reeds op 14-jarige leeftijd zette hij een deurslot op punt dat de vergelijking kon doorstaan met het huidige alomgekende Yalesysteem. Zijn diverse uitvindingen waren vernuftig: zij betroffen zowel het op punt stellen van een overspanningssysteem voor koetspoorten, als de omvorming van een automobiel tot een 'mobile home avant la lettre'. Een ander exponent van zijn ingeniositeit is het kasteel Elzenwalle. Dit architecturaal curiosum is het resultaat van zijn originele ingesteldheid, in de lijn van het moderne 'do it yourself.
De wederopbouw Gebruikmakend van de schadevergoeding, — elke eigenaar had recht op een schadeloosstelling evenredig met de waarde van zijn 'vooroorlogse' goed — startte Ernest Blerot in 1921 met de wederopbouw van het kasteel Elzenwalle. Dit bouwwerk is zijn laatste realisatie als architect-aannemer en tevens zijn levenswerk. Als een soort van pionier in deze 'verwoeste gewesten' wist hij 'van de nood een deugd te maken'. Dit weerspiegelt zich zowel in het concept als in de aangewende bouwmaterialen. Het gebouw is in twee gedeelten geconcipieerd: een appartement van één bouwlaag voor de schoonvader enerzijds, de woonvertrekken met twee verdiepingen voor de
17
Het vooroorlogse Elzenwallekasteel: enerzijds, een architecturale antipode van het huidige gebouw; anderzijds vormden de centrale toren en het rechthoekige grondplan een uitgangspunt voor de wederopbouw (foto familiearchief Ie Fevere de ten Hove - Blerot).
Ernest Blerot, architect-aannemer-uitvinder, vóór zijn levenswerk; de zuilenresten en het wapenschild de Gheus d'Elzenwalle zijn afkomstig van het vooroorlogse kasteel en maken thans nog deel uit van de tuinornamentiek. Schilderij van 1928 door J. Quisthoudt, ingewerkt in de salonlambrizering van het Elzenwallekasteel (foto familiearchief Ie Fevere de ten Hove - Blerot).
18
M&L
1921: het puin wordt tot biksteen geslagen om nadien in het beton verwerkt te worden (foto familiearchief Ie Fcvere de ten Hove - Blerot).
1922: de eerste bouwlaag staat in de bekisting (foto familiearchief Ie Fevere de ten HoVe - Blerot).
|
familie Blerot anderzijds. Tussen de beide vleugels onder plat dak, is er een gemeenschappelijke hal en een achtzijdige ontvangstruimte, bekroond met een open koepel waarin oorspronkelijk een windgenerator voorzien was. Laatstgenoemde, een rad met schoepen, zou het gebouw van elektriciteit voorzien. Zover is het echter nooit gekomen: de aansluiting op het elektriciteitsnet werd buiten Blerots verwachtingen een feit. Voorts heeft de lage vleugel een dakterras met pergola, met uitzicht op het park en de Westvlaamse bergen. Blerot besliste het project uit te voeren in gewapend steenslagbeton. De betonnen bunkers uit de frontstreek hebben vermoedelijk een diepe indruk op hem gemaakt; zijn betonnen kasteelconstructie zou hem en zijn familie beveiligen tegen een volgende oorlog. Dat het bouwwerk aan de vooropgestelde weerbaarheid voldeed, bleek tijdens de Tweede Wereldoorlog toen het 14 obusinslagen relatief goed doorstond. Bovendien was de grondstof voor het vervaardigen van beton ter plaatse aanwezig. Hij hergebruikte het bouwmateriaal van het vorige kasteel: het puin werd tot biksteen geslagen en in het beton verwerkt. Blerot werkte als architect-aannemer met 300 werklieden, zonder enige ervaring 'in de beton'. Zij pendelden wekelijks vanuit het Brugse naar Elzenwalle, alwaar zij bivakkeerden in tentjes en barakken, terwijl hun Brusselse werfleider huisde in zijn 'mobile home'. Het kasteel werd voor een groot deel wederopgebouwd op de oude funderingen; ze werden daartoe met drie meter metselwerk verhoogd. Voor de verdere constructie werd uitsluitend beton gebruikt. Dit gebeurde in opeenvolgende bouwfazen; respectievelijk één bekisting per bouwlaag, waartussen twee muren van gewapend steenslagbeton en een spouw
werden geconstrueerd. Ook alle terrasvloeren en platte dakconstructies werden van een luchtspouw voorzien. De koepel werd opgetrokken uit geprefabriceerde elementen die met wapeningsijzers aan elkaar waren bevestigd; om het gewicht ervan op te vangen werden in de kelder zware steunmuren voorzien. Alle muuropeningen waren korfbogig; dit verwijst naar het gebruik van een aantal gestandaardiseerde moules en formelen. De wapening bestond uit ronde draden. De betonwanden waren zowel van binnen als van buiten met een similibepleistering bestreken. De bijkomende houten lambrizering die sommige plaatsen van het interieur typeert werd, evenals de aanwezige parketvloeren, gerecupereerd uit resterende boomstronken en afbraak van het vorige kasteel. De deuren — glasvlakken met een smalle omlijsting van hout of metaal — werden voorzien van een trekstang, die bij eventuele zettingen aangespannen kon worden door middel van een moer. Dit uitvindsel 'op zijn Blerots' bewijst nog steeds zijn diensten.
De weerbaarheid van beton Niettegenstaande het kasteel een enigszins vervallen indruk geeft, verkeert het bouwfysisch nog in goede staat. Hier en daar is de betonconstructie echter wel aangetast; zij heeft toch te lijden gehad onder de obusinslagen van 1940: in enkele kamers is het plafond beschadigd, het pleisterwerk plaatselijk losgekomen en is er vochtpenetratie. Ook enkele balustrades, een gedeelte van de dakrand en de koepel zijn aangetast. Van de open koepelconstructie is één van de boogarmen voor het grootste deel verdwenen.
M&L
De beschadigde open koepel (foto M. Lorrez).
19
Ook de weersomstandigheden hebben hun tol geëist. Om algemene vochtindringing te vermijden is het dak geasfalteerd. Tengevolge van vorstschade zijn op verschillende plaatsen, onder meer aan de koepel, brokstukken beton afgesprongen. Voorts zijn de pergola en de colonnades sterk aangetast. In tegenstelling tot de rest van de betonconstructie zijn laatstgenoemde nooit gecementeerd geweest; dit ter bevordering van de beoogde begroeiing met klimplanten. Door de werking van het wapeningsijzer is het minder dikke beton afgevallen en zit het roestig ijzer bloot. Het is opmerkelijk dat, ondanks vernoemde problemen, deze constructie van gewapend beton nog relatief goed bewaard is gebleven. Dit heeft vermoedelijk te maken met de gebruikte steenslag, die een goede weerstand garandeert. Ook de aard van het wapeningsstaal is daar
Het Elzenwallekasteel: dwarsdoorsnede door A. Delahaye. Resultante van een vormelijke continuïteit.
en C
•^3 " ^
& .2
11 es
5
. o
tl 60
Si -Si JJ
c
S 1 SI o * <3
-2 "53 5
6e
S = •* "S IJ
e
5
s
ai & §
S 5
fi g
^ I- ^
§ so
I-S e
0 ei a
g ^
6 -§ a o* Ei, ^ j
-C
"^ i: C <u
3 3
-3 1
S Si "^ "« .£ ï i 3 5
3 ||
111
M&L
niet vreemd aan; het bestaat niet uit staven maar uit draden. Die zitten, dank zij hun geringe afmetingen, dieper in het beton ingewerkt, waardoor ze minder vlug onderhevig zijn aan roestvorming en de daaruitvolgende uitzetting, wat dus uiteindelijk ook een minder vlugge afstoting van beton impliceert. Binnenin zorgt de spouw voor een voldoende graad van isolatie, die op sommige plaatsen wordt verhoogd door een bijkomende lambrizering van eikehout. De bepleisterde plafonds vertonen scheuren noch barsten. Terwijl toenmalige vlakke betonconstructies nogal dikwijls de neiging vertoonden om door te hangen, is dit in Elzenwalle niet het geval, omdat het beton ten vroegste na één maand van de bekisting ontdaan werd en de plafonds zo lang mogelijk onderstut werden.
21
1923: de vier dochters Blerot met vakantie op de bouwwerf. De passerelies dienden voor de aanvoer van de bouwmaterialen van de ene bouwlaag naar de andere; hefkranen kwamen er niet bij te pas (foto familiearchief Ie Fevere de ten Hove - Blerot).
De technische vindingrijkheid in combinatie met een welhaast 'surrealistische' vormgeving, typeren het Elzenwallekasteel. De kleinere muuropeningen, en de toegangsbrug onder luifel over de behouden vooroorlogse gracht, verlenen aan de noordzijde het 'officiële' karakter van een voorgevel. Ook de oostgevel met de uitgebouwde huiskapel, herinnert aan de traditionele kasteelbouw. In de tuin van Elzenwalle herinneren enkel deze steenfragmenten aan Blerots eigen woning in Eisene (foto M. Lorrez).
De klok boven het bordes riep de spelende kinderen aan tafel (foto M. Lorrez).
My home is my castle Het Elzenwallekasteel weerspiegelt de epicuristische levenshouding van Blerot. Hij greep de niet alledaagse kans om zijn eigen kasteel te bouwen, wat tegelijkertijd een uitstekende gelegenheid was om zich uit te leven als architect, aannemer en uitvinder. Dit heeft geresulteerd in een origineel staaltje van individualistisch bouwen, dat de toen gangbare bouwmaterialen en stijlen overstijgt.
22
M&L
De slotgracht met toegangsbrug (foto M. Lorrez).
De overwoekerde pergola (foto M. Lorrez).
Daarentegen biedt de zuidzijde een verademing; het spel der loggia's bekroond met de centrale 'pinhelm', de colonnades en de pergola maken van Elzenwalle een bekoorlijk oord. De lommerrijke terrassen bieden uitzicht over het park. Beemden met grazende koeien, omzomende beken, struiken en bos vormen er een idyllisch tafereel. De tuinornamentiek bestaat uit brokstukken afkomstig van het vooroorlogse landgoed; sommige zijn samengevoegd tot monumentjes — onder meer een bruggetje en een zuil — ter herinnering aan de bruiloften op het kasteel.
Bibliografie
De 'groote oorlog' bracht slechts een onderbreking in het bestaan van Elzenwalle. Het herrees uit zijn puinen als het levenswerk van een originele Brusselaar. De huidige kasteelvrouw, 'dochter van haar vader', bewoont Elzenwalle, met een charmante nonchalance, wellicht de gepaste ingesteldheid om vandaag dit kasteel te 'beleven'.
Art Nouveau België. Europalia 80. België 150, Vereniging voor Tentoonstellingen, Brussel, 1980. Antoine Pompe et l'effort moderne en Belgique 1890-1940, Editions du musée d'Ixelles, 1969. Delahaye A., Elzenwalle, Onuitgegeven proefschrift, H.A.I.S.L.G., 1983-1984. Desodt W., Voormezele, Voormezele, 1982. Donck X., Elzenwalle, Onuitgegeven proefschrift nr. 154, H.A.I.S.L.G., 1975-1976. Felliers S., Kasteel Elzenwalle. Beknopte studie in verband met de praktische studie monumentenzorg, H.A.I.S.L.G., 1982. Fornari B., Het hotel Blerot te Brussel, in De Woonstede door de eeuwen heen, nr. 82, 1984, p. 72-75. Resurgam. De wederopbouw in België na 1914, Brussel, Gemeentekrediet, 1985 (tentoonstellingscatalogus) Sanderus A., Verheerlijkt Vlaendre, Leiden-'s Gravenhage-Rotterdam, 1735. Thirionet D., Ernest Blerot Architecte, Onuitgegeven proefschrift I.S.A. Saint-Luc Bruxelles, 1983-1984. Vandenbreeden J., Een straat volgens de regels der kunst, in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, jg. 19, 1981, nr. 3.
De esthetiek van een open koepel ten behoeve van een windgenerator (foto M. Lorrez).
24 M&L
BRUSSEL 1640-1980 BRUXELLES 1640-1980 Evolutie van het stratennet in zeven fasen
Evolution de la voirie en sept phases
Ik^c»,^. Mc- 1 ,.n.nl 5
arnop.'Wn
E«»c«v.n>
IHMNfpmMlMI
s-t™..-,
Chronologie
Chronoiogl*
TOMVKMMXITW) mntmi
, : , . . . . , . . . . . . . . : . , , . • . , . ,
.TWITT?
MuHIMl
',-• IfiV,
MuIIKH l«3S. I S U MUM!
IM«-I».
MuUI«
HUMn. 1S3I .MO
93. TSBO
Sw a.».™. Encw..»
VanM^.1 «•!« SlKttmuw
MM 0
00
1 3SO0
™
EcMM "i
m
M&L
25
Brussel 1640-1980 Evolutie van het stratennet in zeven fasen synthesekaart Sint-Lukasarchief. Studie en basisdocumenten: Jos Hogenes, stedebouwkundige, Amsterdam Samenstelling synthesekaart: Sint-Lukasarchief v.z.w., Brussel : Jan Apers, Herwig Delvaux, Jos Vandenbreeden, Pol De Prins en Linda Van Santvoort. Uitgave: Kunst en Architectuur v.z.w.. Groenstraat 160, 1210 Brussel Druk: Carto, Gaucheretstraat 139, 1210 Brussel Copyright: Sint-Lukasarchief v.z.w., 1210 Brussel Formaat: 70 x 100, schaal 1/3.500 12-kleurendruk op 250 gr. mat, machinegestreken papier prijs: 850,-fr. verzendingskosten: 100,-fr. bestellen bij Sint-Lukasarchief v.z.w., Paleizenstraat 70, 1210 Brussel - Tel.: 02/217.65.99
Het was de Amsterdamse stedebouwkundige, Jos Hogenes, die het plan opvatte om een historische studie te wijden aan de evolutie van het Brusselse stratennet. Jarenlang legde hij zich toe op het perceelsgewijze detecteren, vergelijken, op elkaar passen en hertekenen van alle bruikbare stadsplattegronden om op die manier de stedebouwkundige geschiedenis van Brussel te doorgronden. De studie Hogenes omvat negen evolutiekaarten die stapsgewijze de ontwikkeling van de Brusselse vijfhoek illustreren. Het is aan de hand van dit basisonderzoek dat het SintLukasarchief een synthesekaart heeft opgesteld. Ze geeft een globaal stedebouwkundig overzicht van 1640 tot 1980 en is de superpositie van zeven referentiekaarten: 1640: 'Bruxella, Nobilissima Brabantiae Civitas', Martin de Tailly (heruitgegeven in 1748); 1777: 'Plan Topograhique de la Ville de Bruxelles', Joseph de Ferraris; 1835: 'Plan Géométrique de la Ville de Bruxelles', Willem-Benjamin Craan; 1866: 'Plan Parcellaire de la Ville de Bruxelles', Philippe-Christian Popp; 1894: 'Bruxelles & ses environs', Institut Cartographique Militaire; 1931: Luchtfoto, Sabena 1980: Kaarten van de Technische Dienst van Openbare Werken, Stad Brussel, Stedebouw. De kleurencode, gaande van lichtgeel voor de oudste toestand overeenkomstig de kaart van 1640, over geel en oranje tot karmijnrood voor de toestand anno 1980, laat toe om, waar men zich ook in Brussel bevindt, de stedebouwkundige geschiedenis van die plek af te lezen. Ook de verdwenen waterpartijen (de Zenne, de drooggelegde dokken) zijn in kaart gebracht en lichtblauw ingekleurd, de nog bestaande waterpartijen kregen een helblauwe kleur. De stadsmuren — zowel de 13de-eeuwse als de 14de-eeuwse wal — zijn over hun volledige tracé in stippen aangezet.
Alle parken en plantsoenen zijn aangeduid, de bouwblokken zijn grijs gekleurd en de voornaamste monumenten werden geaccentueerd in een donkergrijze kleur. De woongebieden die een bewogen stedebouwkundige geschiedenis achter de rug hebben, zijn in één oogopslag te herkennen door de kleur- en lijnenconcentratie. De synthesekaart geeft dus een direct inzicht in de ontwikkeling van het stratennet gedurende de laatste 340 jaar. Zo blijkt dat het middeleeuwse stadsweefsel van kronkelende straten — toestand 1640 — in het huidige stratennet nog duidelijk herkend kan worden, en hoe anderzijds oude structuren, die inmiddels al lang uit het stadsbeeld verdwenen zijn, nog altijd voelbaar zijn in het stadsweefsel. De belangrijkste as door de stad liep in oost-westrichting van de Vlaamse Poort via de Vlaamsesteenweg, de Kiekenmarkt, de Grasmarkt, de Magdalenasteenweg en de Naamsestraat tot de Naamse Poort: een kronkelende 'Steenweg' door Brussel van laag- naar hoogstad tegen de helling op (fase 1640). In de verdere stedebouwkundige ontwikkeling van Brussel werd die oost-westverbinding tot driemaal toe doorbroken en werden nieuwe assen in noord-zuidrichting aangelegd: de monumentale as van de Koningsstraat en de daarbij aansluitende Parkwijk (fase 1777), de Centrale lanen, aangelegd op de overwelfde Zenne (fase 1894) en tot slot de noord-zuidverbinding (fase 1931 tot 1980). Zowel de synthesekaart als de studie Hogenes waarop zij gebaseerd is, zijn niet alleen waardevolle historische en toeristische documenten. Zij vormen ook een wetenschappelijke basis waarop toekomstige stedebouwkundige en architecturale ontwikkelingen in de binnenstad kunnen worden gestaafd. Zij kunnen in het beleid ingeschakeld worden om met kennis van zaken beslissingen te nemen en in de toekomst 'stedebouwkundige vergissingen of misgrepen' te voorkomen.
26
M&L
Gent, Ge wad 33: een pronkgevel 'tot cieraet ende decoratie deser stede' H. Van den Bossche, B.M.L. Het versteningsproces dat uit angst voor brandgevaar sedert de 14de eeuw het beeld van de stadswoning is beginnen wijzigen, kent in het 17de-eeuwse Gent een versnelde evolutie. Nu komt ook het aspect 'stadsverfraaiing' in toenemende mate centraal te staan en worden bouwsubsidies mede uit hoofde van „ciraet ende decoratie deser stede,, toegekend. Een minimum gabariet wordt vastgelegd en de aandacht voor het 'decor' zorgt van dan af voor een versnelde doorbraak van tijdseigen bouwstijlen. Tot één van de realisaties uit die tijd behoort de kleine vroeg-18de-eeuwse hoekwoning van het Gewad met de Abrahamstraat. Met bevindingen uit onderzoek ter plaatse, de toenmalige stedelijke verordeningen en de 'modelle' als uitgangspunt, is dit pand nagenoeg geheel in zijn oorspronkelijk uitzicht gerestaureerd. Ofschoon dit aspect van betrekkelijk korte duur was, wil de restauratie een weerspiegeling zijn van de geest van de toenmalige bouwpolitiek. Een momentopname als het ware. Een vermenging van traditie en eigentijdse barok Voor rekening van Theodor Ignace vander Meersche, heere van Ten Hooghe, werd in 1703 aan de Schepenen van de Keure een aanvraag gericht tot het slopen van een bestaand hoekhuis aan het Gewad en het bouwen aldaar van een nieuwe woning „... in conformiteyte vande medegaende modelle, om teviteren het groot pericle,...,, (1). De aanvraag werd pas op 28 april van het daaropvolgende jaar goedgekeurd. Van het gebouw dat zich bevond op de plaats waar de nieuwbouw zou worden opgetrokken, vermeldt de aanvraag enkel de gevaarlijke staat („om teviteren het groot pericle,,) en een plaatsomschrijving „ghestaen ende gheleghen teynden het Ghewat op het plaetsken houdende den houck recht over den heere president vander Piet,,). Met het in de aanvraag vermelde gevaar werd niet noodzake-
lijk bouwfysisch verval bedoeld, maar veeleer het brandrisico, eigen aan houtbouw. De aanvraag kan dan ook in verband worden gebracht met het versteningsproces van de woonhuizen, een ontwikkeling die reed in de 16de eeuw werd gestimuleerd door subsidies van overheidswege en in de loop van de 17de en 18de eeuw op grote schaal werd doorgevoerd (2). Twee eeuwen later zou de nieuwe woning met haar pronkerige decorgevel echter op haar beurt door „groot pericle,, worden bedreigd. Te oordelen naar een aantal stadsgezichten moet de bouwfysische toestand reeds rond onze eeuwwisseling zorgwekkend geweest zijn. De belangstelling van grafische kunstenaars en schilders (waaronder Jules De Bruycker, Fritz Van Den Berghe, Jacques Bergmans, Geo Langie) voor dit pand was in de eerste plaats te danken aan zijn pittoreske ligging op de hoek van het Gewad met de Abrahamstraat, één van de beeldbepalende stadsperspectieven, met visuele relaties ten
Gent, Gewad. Reconstructietekening van de oostelijke gevelwand van het Gewad. Toestand op het einde van de 18de eeuw (tekening arch. Dirk Steyaert).
ffl ft
te
Ü
r
n n
_ • BURGSTRAAT
DDDDD pooorgl i ÖÖOD
M&L
overstaan van de omliggende Prinsenhofstraat, Tinnenpotstraat, Braderijstraat en Lievekaai, een typische stadsstructuur in functie van het voorhoofde des keizers dreve (3).
27
Gent, Gewad 33. 'Modelle' bij de bouwaanvraag uit 1703-1704, waarvan tijdens de uitvoering enigszins werd afgeweken (S.A.G., reeks 535, bundel 74, nr. 2).
Deze oude benaming verwijst naar het 'Prinsenhof, voordien genoemd 'Hof ter Wallen', waar de straat op uitmondde en waar de graven van Vlaanderen van het midden van de 14de tot het begin van de 17de eeuw verblijf hielden. Het in oorsprong minstens 16de-eeuwse straattracé van het Gewad bleef ongewijzigd, wat van het rijke 17de- en 18de-eeuwse huizenbestand helaas niet meer kan worden gezegd. In de loop van de 19de eeuw werden, zoals in de belendende straten, ook hier de huizen verbouwd of aan een winkelfunctie aangepast, wat niet zelden op grondige verminkingen neerkwam en later verder evolueerde tot de leegstand en verkommering die thans de Prinsenhofwijk kenmerkt. Ook deze aanblik van bouwfysische aftakeling zal de kunstenaars hebben geboeid, zodat verschillende afbeeldingen als het ware met elkaar wedijveren in de evocatie van de bouwval. De nieuwbouw, een handelspand (bakkerij) met woning, was ontworpen als een in wezen traditioneel gebouw met bakstenen gevelparament en vensterkruisen, lijsten, negen boekblokken in zandsteen. Aan de smaak van de periode werd hoofdzakelijk tegemoetgekomen bij de klokgevel met driehoekig fronton en siervaas aan de kant van het Gewad, gekenmerkt door een S-vormige belijning met vleugelstukken in de vorm van spiraal- en haakvormige voluten. In hun afwerking verschillen de gevels merkbaar van het bouwontwerp: niet alleen bezit de gevel aan de kant van het Gewad een rijkere vormgeving dan die in de Abrahamstraat, doch is ze ook, volgens het sedert de late middeleeuwen gangbare principe van skeletbouwachtige maximale geveldoorbreking, meer opengewerkt en zijn de beide venstertraveeën niet meer door een bakstenen penant maar door een smalle zandstenen middenstijl gescheiden. Baksteenmetselwerk is ook afwezig op de hoek van de gelijkvloerse verdieping, waar een zandstenen pijler de
dubbele deur scheidt, conform het typische winkelbeeld uit die tijd (4). Opmerkelijk zijn de op de bouwtekening symmetrisch voorgestelde, vrij grote hoek- en negblokken in beide gevels. Voor de restauratie is deze voorstelling een belangrijke hulp geweest bij het bepalen van een optie voor de verdere gevelafwerking.
28
M&L
Gent, Gewad 31 en 33. Restauratie-voorstudie uit 1936 door arch. Fr. Van Hove. Tekening. Blijkbaar zou men (onbewust) weer aanknopen bij een situatie van vóór 1704, toen beide panden waarschijnlijk één geheel hebben gevormd, wat kon worden afgeleid uit de aanwezigheid van sporen van doorgangen in het huis nr. 33 (archief van de Stedelijke Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten).
•
1
Gesubsidieerde pronk- en decorarchitectuur De vergunning werd door het College verleend mits „commende inder straete vanden Bergh een veijnster mette crollen eende andere ciraet te grootte ende conforme den point van den gevel bij deselve modelle wijtgedruct,,. Er zou dus aan de gevel in de Abrahamstraat (straat van de 'Berg van Barmhartigheid') een (stand)venster met voluten en driehoekig fronton moeten worden bijgebouwd, alsook een sierbekroning naar het model dat voor de gevel aan het Gewad was ontworpen.
t=
i
Dergelijke voorwaarden vormden geen uitzondering, want naast de subsidie die voor vervanging van houten door stenen gevels zou worden toegekend „naar rato van de qualiteit ende importantie van de wercke,,, schreef een stadsreglement van 1671 voor dat de stenen gevels minstens twee bouwlagen moesten tellen en versierd dienden te zijn met goede witte 'arduin', bogen, kantelen (d.i. trapgevels) en snijwerk (5). Uit dergelijke voorschriften blijkt dat de stedelijke overheid met het subsidiëren van stenen gevels niet alleen de
Gent, Gewad. Reconstructietekening van de westelijke gevelwand van het Gewad. Toestand op het einde van de 18de eeuw (tekening arch. Dirk Steyaert).
/~-
ifflfflffiffiffl
mwmi
- P R I N S E N H O F - TINNEN POTSTRA AT
ST- WIDOSTRAAT
— GEWAD -
EEN JOURNAAL MET RECENTE INFORMATIE OVER DE MONUMENTEN- EN LANDSCHAPSZORG
Jubelpark, 'Autoworld Brussels', Dodge uit 1949. Zie ook het relaas p. X.
Inhoud nr. 26 / Bijlage bij M&L 5/5 - September-Oktober 1986 Literatuur
n
Rfistanratifi
TV
Rnitenkrant
V
R.M.T..-AntivitGiten
YTTT
Monument te koop
XVT
c
} . De Ploey (1986). Bodemerosie in de lage landen - Een Europees milieuprobleem. Leuven, Uitgeverij Acco, 108 blz., ing., 290,-Bfr.
Verwoestijning Toen in het voorjaar 1985 het bodemerosieprobleem de Vlaamse massamedia en dus d e actualiteit haalde, werd door menigeen de vraag gesteld waarmee het hier besproken boek aanvangt: „Js Vlaanderen nu inderdaad op weg om een 'woestijn' te worden? Dramatiseren de 'geleerden' de toestand niet om aan meer onderzoeksfondsen te geraken? Is bodemerosie nu eenmaal geen natuurlijk verschijnsel dat men moet aanvaarden?,, (p. 7). De term verwoestijning of desertificatie was gevallen en een impliciete verwijzing naar de dramatische ontwikkelingen in bepaalde delen van Afrika lag voor de hand. De auteur, professor in d e fysische aardrijkskunde aan de K.U.Leuven, internationaal erkend erosie-expert en een van de voornaamste gangmakers in de mediacampagne, verdedigt zich uitvoerig en m.i. overtuigend tegen eventuele verwijten van paniekzaaierij. Hij toetst de gevolgen op lange termijn van de bodemerosie in onze contreien aan de gangbare definities van woestijn en besluit dat de versnelde aanvreting van de lössleemmantels, de toenemende verstuiving op zandakkers en d e effecten hiervan op hydrologie en microklimaat mettertijd miljoenen hectare akkergrond in noordwestelijk Europa tot woestijncondities zullen leiden, zij het dan een 'natte woestijn'. Herhaaldelijk wordt benadrukt dat het gaat om een onomkeerbaar proces, een onherstelbare aantasting van een belangrijke natuurlijke hulpbron. Een op basis van literatuurgegevens, rapporten en terreinervaring opgestelde kaart van Noordwest-Europa geeft een idee van de omvang van het probleem. De directe en indirecte schadeposten worden opgesomd en besproken. Pagina's 30 en 81 bevatten ramingen van de erosieschade in België. Op grond van uiteenlopende cijfers en weinig doorzichtige berekeningen wordt die op ruim 1 miljard Bfr. per jaar geschat. De kankermetafoor De Ploey gaat ervan uit dat bodemerosie vergelijkbaar is met een ziekte en „elke ziekte wordt principieel geanalyseerd in termen die behoren tot het domein van de fysiologie, de biochemie of de moleculaire biologie,, (p. 45). Medisch gezien lijkt een dergelijk standpunt hoogst betwistbaar en achterhaald, evengoed als men mag stellen dat een diagnose omtrent erosieverschijnselen die uitsluitend gesteld wordt in „een taal die fundamenII
^&l teel natuurkundig, fysico-chemisch of biologisch is„ aan belangrijke componenten van de problematiek voorbijgaat, zeker wanneer men peilt naar diepere oorzaken. In tegenstelling tot andere auteurs (1), wordt het belang van sociaal-economische randvoorwaarden en ontwikkelingen door de auteur uitsluitend erkend bij het uitwerken van een strategie van erosiebestrijding. Als het inderdaad zo is dat bijvoorbeeld onzeker eigendomsrecht, lage prijzen voor landbouwprodukten en hoge interesten mede bevorderlijk kunnen zijn voor diverse vormen van bodemdegradatie (2), dan horen dergelijke elementen ook integraal thuis in de diagnose. In talrijke passages, onder andere het eerder zwak uitgewerkte overzicht van het verband landbouw/erosie vanaf de prehistorie tot heden, d e impacten van de naoorlogse 'agrarische revolutie' en de EG-landbouwpolitiek, wordt dit credo trouwens consequent verloochend. Bovendien wordt bij de bespreking van het survey- en karteringswerk gesteld dat een evenwichtige diagnose pas mogelijk is wanneer men beschikt over „een geheel van natuurwetenschappelijke, agronomische, historische en sociaal-economische gegevens,, (p. 65). De moeilijkheden van een omvattend onderzoek worden treffend geïllustreerd in de passage waar de representativiteit van de proefpercelen ter sprake komt. Een trefzekere locatiekeuze kan volgens De Ploey slechts gebeuren als men beschikt over een brede achtergrondinformatie, waarbij onder meer ook extreme gebeurtenissen achterhaald worden die niet direct in het huidige landschap afleesbaar zijn. Enquêtes bij d e betrokken landbouwers worden in dit verband als de meest geëigende techniek aangewezen, maar niet zelden stuit de erosie-expert hierbij op 'drempelvrees', 'struisvogelhouding'. Met de terloopse opmerking: „De boer zit echter enigszins klem in het hele systeem dat erop gericht is quasi-onvoorwaardelijk maximale meeropbrengsten te realizeren,, (p. 76) laat de auteur uitschijnen dat de kanker meer dan alleen maar fysische, fysico-chemische of biologische kanten heeft, maar dit aspect komt in het boek slechts sporadisch en weinig systematisch aan bod. Modelbouw „Men is goed op weg om bepaalde basisprocessen in kwantitatieve modellen te verwerken,,, aldus het besluit. Dit optimisme wordt echter getemperd door andere uitlatingen, zo bijvoorbeeld op p. 63 naar aanleiding van beschouwingen omtrent d e ambivalente effecten
7 van gewassen op de regenerosie: „Ai deze voorbeelden mogen aantonen dat voor modelbouw vaak nog stevige funderingen ontbreken en dat enige wetenschappelijke nederigheid bij de momenteel nog uiteraard probabilistische uitspraken geboden is„. Of als gewaarschuwd wordt voor een ongenuanceerd e toepassing van tekstboekmodellen zonder dat uit een algemene verkenning van het agrarisch milieu gebleken is dat deze modellen inderdaad op de concrete situatie toepasbaar zijn (p. 68). En wanneer gewezen wordt op het soms wispelturige gedrag van rivierbekkens — „vooral wanneer menselijke interventies de globale afvoer van water en sediment hebben gecompliceerd,, (p. 65) — rijst de vraag of dit niet geldt voor het hele erosiegebeuren op welk niveau men het ook beschouwt, of het überhaupt mogelijk is om modellen te bouwen met een prognosewaarde die boven het probabilisme uitstijgen. Erosiemechanismen Zoals reeds gezegd wordt de bespreking van de erosiemechanismen en erosieprocessen beperkt tot de fysische, fysico-chemische en biologische componenten. Dit is het terrein waarop de auteur sinds jaar en dag zijn onderzoekswerk heeft toegespitst en menig proefschrift heeft geinspireerd. Dit gedeelte van het boek bevat de neerslag van al dat onderzoek — een combinatie van laboratoriumwerk (voornamelijk bij middel van regensimulator) en veldwaarnemingen, vooral in het leemplateau bij Huldenberg — en is tevens het best gedocumenteerde deel. De diverse erosieagenten, -mechanismen en -verschijnselen worden overzichtelijk en systematisch besproken. Veel van wat ook niet ingewijde waarnemers intuïtief vermoeden, wordt wetenschappelijk bevestigd, zo mogelijk gekwantificeerd en in mathematische modellen vastgelegd. Het hoofdstuk bevat echter ook minder evidente vaststellingen, bijvoorbeeld de bevinding dat geulerosie op steile hellingen meestal aanvangt op zeer korte afstand van de bovenrand van het perceel en dat bijgevolg de hellingsgraad doorslaggevender is dan de hellingslengte, een belangrijk feit bij het beoordelen van erosiebestrijdingsprojecten waarin strokenbouw wordt overwogen. Ook niet voor de hand liggend is de ambivalente rol van de gewasbedekking op akkers, die in bepaalde omstandigheden kan bijdragen tot de concentratie Vein de neerslag in grote druppels of 'stemflow" of de turbulentie en de erosiviteit van het afstromend water verhoogt. De bodemfauna speelt evenmin
een eenduidige rol: enerzijds bevordert zij een goede, kruimelige bodemstructuur, anderzijds kan zij los, erodeerbaar materiaal naar boven woelen en ook 'pijperosie' veroorzaken, volgens de auteur een sterk onderschat fenomeen dat een belangrijke rol speelt bij de ondermijning van holle wegen, graften en bermen, en dat in de toekomst een meer systematisch onderzoek verdient. Het biologisch luik van het erosiegebeuren wordt overigens vrij rudimentair behandeld. Over de rol van bijvoorbeeld de diverse golven van iepeziekte in de aftakeling van lineaire landschapselementen en de toename van de erosiegevoeligheid van de leemplateaus, wordt met geen woord gerept. Men kan zich afvragen of het gebrek aan belangstelling voor biologische en (landschaps)ecologische aspecten, bewust of onbewust, het oordeel van de auteur over bepaalde erosiebestrijdingsconcepten heeft beïnvloed. Erosiebestrijding Zo verwacht hij weinig heil van het hergebruik, het herstel of de aanleg van lineaire landschapselementen, niet alleen omdat hij een terugkeer naar de 'half gesloten tot gesloten landschappen van d e voorbije eeuwen' om landbouwkundige en economische redenen onwaarschijnlijk acht, maar ook omdat hij maar half overtuigd is van him bodemconserverend effect (pp. 78, 87-88). Niet iedereen denkt daar zo over (3). Een dergelijke uitspraak is mijns inziens slechts verdedigbaar als men de door vervuiling, gebrek aan onderhoud, overpopulatie en iepeziekte geteisterde holle wegtaluds en graften die wij nu kennen als norm neemt, als men de huidige conjunctuur inzake brandstofvoorziening en de prijzenpolitiek met betrekking tot landbouwprodukten als onveranderlijke gegevenheden beschouwt. Opvallend in het hoofdstuk over bodembescherming en erosiebestrijding is dat de onder 'Erosiemechanismen' geëtaleerde kennis nog slechts heel sporadisch aan bod komt. Dit is niet noodzakelijk een tekort; het is best mogelijk dat kennis omtrent de morfologische basisprocessen pas relevant wordt bij het uitwerken of evalueren van concrete projecten. Als de auteur het hoofdstuk echter aanvat met de belofte „te komen tot vrij scherp afgelijnde uitspraken die rekening houden met de complexiteit van het landbouwbedrijf als fysisch, technisch en sociaal-economisch gegeven,, (p. 71), impliceert dit wèl dat hij zich ver buiten het eigenlijke terrein van de bodemwetenschapper of fysich-geograaf waagt. De diverse oplossingen — de auteur gebruikt herhaaldeijk het woord 'medicamentatie', neologisme of slip of the pen? — worden inderdaad vooral op hun (sociaal-)economische haalbaarheid getoetst. Dat deze uitspra-
ken misschien wel scherp afgelijnd maar desondanks vaak dubbelzinnig of ronduit sibiUijns uitvallen, is reeds min of meer gebleken naar aanleiding van de eventuele rol van lineaire landschapselementen. Erosiebestrijdingsprogramma's dienen volgens De Ploey aan volgende eisen of criteria te beantwoorden: 1. De voorgestelde oplossingen moeten voor de betrokken landbouwers aanvaardbaar zijn. Concreet betekent dit dat zij uitvoerbaar moeten zijn ponder belangrijke beheersmatige of structurele veranderingen of ingrepen in de betrokken landbouwbedrijven,, (p. 83). 2. De kosten, eventueel het inkomensverlies ten gevolge van opbrengstdaling, mogen niet alleen door de landbouwers gedragen worden. Bodembescherming is een collectieve aangelegenheid. Hiermee schaart de auteur zich achter het in 1981 door de FAO gepubliceerde 'World Soil Charter". 3. Bodemerosie is een ernstige, wijdvertakte kwaal en vergt ook een navenante aanpak: „Zvrare kwalen vragen zware medicamenten,, (p. 91). Dit neemt niet weg dat alle baten zoals bijvoorbeeld kleine verbeteringen in de grondbewerking, kunnen helpen. Hoezeer ik intuïtief de idee van een collectieve verantwoordelijkheid voor ons 'bodemkapitaal' ook onderschrijf, het boek bevat geen explicitering van de ethische grondslag van een dergelijk uitgangspunt. Dit uitgangspunt heeft echter logisch tot gevolg dat de eerste premisse moet worden uitgebreid: de voorgestelde oplossingen moeten niet alleen voor de landbouwers maar voor de hele gemeenschap aanvaardbaar zijn. Concreet betekent dit dan dat ook andere dan landbouw- of economischutüitaire overwegingen relevant kunnen worden. Dat bijvoorbeeld de terugkeer naar een enigszins kleinschaliger landschap via het herstel van landschapselementen — zelfs al „roepen ze nostalgische herinneringen op aan de Middeleeuwen,, (p. 87) — niet noodzakelijk als onrealistisch moet worden weggewuifd. In verband hiermee te brengen, wordt een idee geopperd die op het eerste gezicht nogal evident lijkt, maar zelden kan worden uitgesproken zonder in officiële landbouwmiddens gefronste wenkbrauwen op te roepen: „Aan de subsidiëring van graanoverschotten besteedde en besteedt de (Europese) Gemeenschap per jaar ongeveer 100 miljard tank of ongeveer 4.500,-fr. per hectare graan! Indien nu bodemconservatie in de kritische gebieden slechts zou mogehjk zijn mits een beperkte produktievermindering dan zou dit meteen ook betekenen dat men langs die weg kan komen tot een vermindering van de overtollige
graanproduktie. Meteen zouden EGfondsen kunnen vrijkomen om de bodemconservatie mogelijk te maken,, (p. 96). Een voorstel dat ook voor uitbreiding vatbaar is en waarbij tevens de eerste premisse (eerbied voor structurele gegevenheden) enigszins op de helling komt. Het hoeft geen betoog dat daarbij zal worden gesleuteld aan het „systeem dat erop gericht is quasi-onvoorwaardelijk maximale meeropbrengsten te realiseren,, en dat wijzigingen hieraan onvermijdelijk een diepgaande weerslag zullen hebben op de beheersmatige en structurele kenmerken van de individuele bedrijven. Wat nu precies de door de auteur aanbevolen 'zware medicamentatie' inhoudt, komt in het boek niet scherp afgelijnd uit de verf. Dat zogenaamde contourbewerking (akkerbewerking evenwijdig met de hoogtelijnen) alleen maar soelaas biedt op niet al te steile hellingen, was ons reeds eerder bekend. De omschakeling van erosiegevoelige gronden naar weiland wordt zowel om economisch-pohtieke (melkoverschotten) als om bedrijfseconomische redenen verworpen. Dat herbebossing van kleine oppervlakten of streeksgewijze niet altijd doelmatig is, konden we zelf meermaals op het terrein vaststellen. Zoals reeds gezegd worden de mogelijkheden van holle wegen, graften en diverse vormen van terrassering, waarbij al of niet gebruik wordt gemaakt van residuele landschapselementen, door de auteur eerder minimaal geacht, mijns inziens niet helemaal terecht. De aanleg van protectieve grazige of braakliggende stroken op steile hellingen vindt evenmin genade, omdat uit het onderzoek van erosiemechanismen is gebleken dat de hellingsgraad belangrijker is dan de hellingslengte. De zoektocht spitst zich ten slotte toe op twee technieken: 1. structuurverbetering van de bodem, waardoor de aggregaatstabiliteit wordt verhoogd; dit wordt voornamelijk bereikt door kalkverzorging, voldoende drainage en toevoer van organisch materiaal. 2. de in de USA ontwikkelde praktijk van minimale (conservation tillage) of zero-grondbewerking (no-tillage farming). Het paardemiddelkarakter ontgaat mij echter, tenzij men de bij een veralgemeende toepassing van minimale grondbewerking noodzakelijke reconversie van machinepark en mentaliteit als systeemdoorbrekend beschouwt. Experimenten, waterbeheersing en besluit Uitgaande van het principe dat wie een alternatieve oplossing voorstelt, die ook proefondervindelijk op haar deugdelijkheid moet testen, legt De Ploey terecht de nadruk op het belang van experiIII
menteel werk, dat mettertijd zal leiden tot het op punt stellen van streekgebonden, aangepaste bestrijdmgsmodellen. De bemoeienissen van de auteur rond het Hof ten Bos in Huldenberg kunnen in dit opzicht als exemplarisch gelden. Pertinent is ook de paragraaf waarin het verband wordt gelegd tussen erosiebestrijding en waterbeheer. Aanbevolen lectuur voor de ambtenaren van de AROL-werkgroepen die zich momenteel over diverse waterbeheersingsprojecten buigen en waar dit besef blijkbaar nog geen gemeengoed is. Met deze min of meer uitgebreide bespreking wü ik in de eerste plaats het belang van dit boek onderstrepen. Voor zover ik weet, is het een eerste, eerlijke en goed gedocumenteerde poging om de veelzijdige erosieproblematiek op een omvattende manier voor een ruimer publiek open te leggen.
Hove: Kapelstraat 6, het 'Kostershuis' gerestaureerd Op 8 augustus 1986 werden de restauratiewerken aan het Kostershuis voorlopig aanvaard en op 20 augustus werd deze eigendom van het gemeentebestuur van Hove plechtig heropend. Het Kostershuis (+ 1830) kreeg zijn wettelijke bescherming op 20 januari 1981 samen met de voornaamste historische kastelen van Hove: Weyninckhoven, Rattennest en Cappenberg, de in het begin van deze eeuw opgerichte residenties Rodenburg, Hoveberg, de Modelhoeve, de Lauwhoeve en enkele herenhuizen in de Meylstraat en de Edegemstraat. Deze monumentenlijst markeert een ommekeer in het ruimtelijk beleid van de gemeente. Voordien werd in het centrum van Hove alleen maar gesloopt. In de Kapelstraat moesten verschillende hui-
zen wijken voor een wegverbreding. Zo verdwenen ook de voortuin en het hekwerk van het Kostershuis en kwam die voorgevel op de nieuwe rooilijn te liggen. Op het kruispunt van de Kapelstraat, de Mortselse-, de Boechoutse-, de Lintsesteenweg en de Geelhandlaan werd het huidige Sint-Laureysplein gecreëerd door de ruiming van het kerkhof (1950) en de afbraak van de pastorie met tuin (?), het gemeentehuis (1962), d e oude afspanning 'de Markgraaf (1969) en enkele andere huizen. De aldus overgebleven open ruimte mist evenwel de ruimtelijke kwaliteiten van een historisch ontstaan dorpscentrum. Waar in de 19de eeuw het centrum van Hove bepaald werd door een zeer gevarieerd groen straatbeeld waar huisgevels af-
Voetnoten (1) o.m. P. Blaikie (1985). The political economy of soil erosion in developing countries (New York, Longman); T.P. Huber (1986). Anthropic erosion: an example of the holistic approach, ƒ. Environmental Systems 15(3), 269-279. (2) R. Dudal (1985). Bodemerosie in wereldperspectief. 9 pp., in Bodemerosie: oorzaken, gevolgen en mogelijke oplossingen. Studiedag K.V.I.V., Sint-Truiden, 16 oktober 1985. (3) H. Gulinck (1985). Landbouw, bodembescherming en landschapszorg. Landbouwtijdschhft 38(1), 37-47. - ld. (1985). De invloed van landschapselementen. 2 pp., in Bodemerosie: oorzaken, gevolgen en mogelijke oplossingen. Studiedag K.V.I.V., Sint-Truiden, 16 oktober 1985.
*
Annick Destanberg, Achille Meert, Antwerpen, een stadsgeografische excursie, Antwerpen, 1986. Onlangs verscheen bij het Geografisch informatie- en documentatiecentrum van Vlaanderen een excursiegids over Antwerpen ten behoeve van leerlingen van 14-16 jaar. Een eerste deel 'Voorbereiding' situeert de stad verkeersgeografisch, historisch en stadsgeografisch. Het tweede deel 'Excursie' omvat de eigenlijke tocht door de stad, het zuidnoordtraject volgend van de Vlaamse Kaai tot de Lange Koepoortstraat. Dit deel bevat tevens info-teksten en een invultekst voor de leerlingen. 62 p., Din A4 formaat Prijs: 100,-fr. + 30,-fr. verzendkosten Bestellen door storting op rekeningnummer 410-0S71241-31 van het C.I.D. met vermelding van het aantal G.I.D.-gidsen. G.I.D. Koningin Astridplein 26, 2018 Antwerpen - tel: 03/234.19.16 IV
.4»C^ —•
. . ; • » # - -
;*-
,..,., s,
t
•
••
Het "Kostershuis'tijdens tijdens (boven) (boven) en en na na (onder) (onder)de de restauratie restauratie (foto's (foto's BML). BML).
wisselden met door hekwerken afgesloten hovingen, werd sindsdien gestreefd naar eenvormige rooilijnen. Waar Hove gekenmerkt was precies door de afwezigheid van een historisch gegroeid dorpsplein, werd een grote, open dorpskern geschapen met een vrijstaand, weinig contextueel gebouw achter de kerk als gemeentelijk cultureel centrum. In dit lege centrum nam het behouden gebleven Kostershuis, hoe weinig monumentaal ook, een centrale plaats in en verdiende (eer-)herstel. De restauratie gebeurde naar ontwerp van architect R. De Bruyn en was opgevat als een grote herstelbeurt. Het kostershuis was weliswaar verwaarloosd doch niet in verkrotte toestand. Zodoende kon het met beperkte ingrepen en eenvoudige middelen in orde gesteld worden als gemeentelijk ontmoetingscentrum. De werken werden toegewezen aan aannemer Borgmans uit Vosselaar. Vermelding verdient de zachte behandeling van de gevels. De gepleisterde kooflij st van de voorgevel werd niet vernieuwd maar plaatselijk hersteld. Het baksteenparament werd zeer omzichtig met water gereinigd zodat de 'patine' bleef. Ook de binnenbepleistering werd met zorg uitgevoerd volgens de traditionele methode met kalkmortel. Het herstel van alle binnenschrijnwerk en alle schilderwerken gebeurden in eigen beheer door gemeentepersoneel. Het landelijk tafereel op de schouw van de voornaamste kamer, ontdekt bij het verwijderen van het behangsel, werd gereinigd, gefixeerd en plaatselijk geretoucheerd door de conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Van groot belang bij deze restauratie was dat men dit bescheiden en relatief jonge monument met de gepaste eenvoud zou herstellen omdat deze eenvoud juist het karakter ervan uitmaakt. Voortgaand op de aanvragen van particulieren om het huis te betrekken, kan stellig aangenomen worden dat men hierin is geslaagd. A. Malliet
Mo-(nu)mentjes op het water. Belgische binnenschepen anno 1900: klippers Een bericht over 'klippers' heeft geen andere pretentie dan het roerend patrimonium met betrekking tot schepen uit de binnenvaart, onder de aandacht te brengen. De herwaardering van rond de eeuwwisseling gebouwde ijzeren zeil-
vrachtschepen wordt een dringende noodzaak omwille van hun slinkend aantal dat nog voor behoud en restauratie in aanmerking kan komen. Klippers worden inderdaad niet aangekocht omwille van de zeil- of bouwhistorische kwaliteiten, maar omwille van de geboden ruimte, de stevigheid en de opbouwmogelijkheden. Dit rond 1900 relatief veel voorkomende schip was dienstig in de
baksteenindustrie rond Boom, in het zandvervoer, in het beurtverkeer waar het een vaste dienst verzekerde tussen steden en dorpen. Het had zijn deel in de voorziening van Brussel van bakstenen, hout, arduin, granen ..., dit via het kanaal Willebroek-Brussel-Charleroi. Als magazijn van een baggermaatschappij lag de "Yvonne' in Zemst, goed onV
De Josée', een klipper van 1906, zoals de auteur baar ontdekte in Cent. Het oude, ranke zeilschip is onmiddellijk — mits wat oefening — herkenbaar. Afmetingen 4,40 bij 18,S0 m. Het scheepje was gedurende jaren een mazoutbevoorrader, eerst rond Boom, dan in Cent. De Zeekadetten verbouwen het momenteel tot motorschip. Bemerk de typische klipperkop.
derhouden en nog steeds zonder motor — gelukkig — zelfs nog met een mastkoker die de ijzeren laadmast steunde. Bouwjaar 1910, 18 m lang, 4,90 m breed, stoer dus en volumineus voor die jaren. Met ijzeren roefje en dito luiken, en een grote ankerlier op voorschip. Het schip was zwart en lelijk grijs geverfd maar verkeerde in een gezonde toestand. Sta hoogte midden 1,90 m. Geboortedorp: Boom. Het werd inmiddels van een 14 m lange mast uit lork voorzien, van een helmstok uit essehout, en aan de zwaarden wordt gewerkt. Het schip is gezeegd, met relatief hoog hek (ovalen achterschip) en breed in de steven. Zo waren er vele.... De hedendaagse binnenschepen gelijken nog maar weinig op hun voorgangers, de breuk is het grootst met de zeilschepen van rond de eeuwwisseling. Vanaf pakweg 1920 verdrong de motor de windkracht, en mét de zeilen verdween een wereld van kunde en schoonheid uit de landschappen van Rupel, Schelde, Maas, Dijle en uit de vele vaarten en kanalen. Op het einde van de 19de eeuw werd hout door ijzer verdrongen voor de bouw van binnenschepen, en meteen was het gedaan met de pleiten en otters die men nog slechts aantreft in studies of prentkaarten. Niet één van deze schepen kwam tot ons; alleen de hoogaars en een hengst, beide vissersschepen van de Schelde, bestaan nog in enkele houten uitvoeringen, zij het vooral in Nederland. Men kan gerust stellen dat Vlaanderen een povere erfgenaam is op dit vlak en alle redenen heeft om Nederland te benijden. Het klipperras evenwel is nog niet totaal uitgestorven. Deze in ijzer gebouwde schepen op werven langs de VI
In de vaartkom in Leuven ligt de Yvonne', een stoer schip vit 1910, ook in Boom gebouwd, met als afmetingen 4,90 bij 18 m, ± 50 ton. Het heelt nog geen 'moderne' opbouwsels en werd nog niet door motorinbouw verstoord; de mastkoker is nog aanwezig. Op de foto links is duidelijk het achterschip te zien dat uit het water rijst, om dit water Toeter los te laten' bij het zeilen. Het achterste roefje is er ook (woninkje van de schipper), de laadruimte is bedekt met ronde (Vlaamse) ijzeren luiken. Bemerk de mooie zeeg van de zeiler. Tegen het roefje een oog en een klamp dienstig voor het giekbeslag. Er wordt gestreefd naar een originele 'herbouw", want in zijn eerste staat toen het besteld was door schipper Bal uit Niel, was het het mooist. De breedte is die van een kleine rijwoning en de lengte kan ook een woning met koertje bevatten, dus inrichtingsmogelijkheden te over. Rechts: de Yvonne' uit een andere hoek. Ondertussen werd het van een lorkehouten mast van 14,50 m voorzien, van een giek in Rode Noorse den, en van een helmhout (stuurbalk) in es. Resten nog de eikehouten zwaarden om de drift te beperken, de gaffel in essehout (horizontale zeilhouder aan de masttop) en ... de katoenen zeilen, blokken, lieren, touwen ... . Of hoe een oud magazijnschip weer een Bere zeiler wordt.
OVtCIjAlXjEtJO
Pre*.
'yVMME
fSooH
HticXeH
tffo)
vn
Rupel in het Boomse, maar ook elders in Vlaanderen, en op enkele plaatsen in Wallonië, danken hun naam aan de Clippers die Engeland, Amerika en Duitsland op het einde van de 19de eeuw bouwden en die alle zeeën bevoeren. Naar schatting konden de eerste Wippers de werf rond 1875 verlaten, de laatste rond 1920-1925. Dit scheepstype moet in die tijd een hele omwenteling teweeggebracht hebben, met zijn eerder scherp voorsteven, lepelvormig en vooral in Nederland sterk vooruitstekend, en zijn uit het water rijzende achterschip om 'het water beter los te laten' bij het zeilen. De aanblik deed modem aan en week af van het zware en ronde karakter van tjalk en otter. Zeilend waren ze sneller dan tjalken precies omwille van de nieuwe kenmerken. Duidelijk anders was het roer, waarvan de 'koning' door het achterschip stak in plaats van aangehangen te zijn. Bij de oudere klippers wordt nog met helmstok gestuurd, een essehouten balk die met een mooie kromming door een beugel gaat. Hoe langer de helmstok, hoe lichter het stuurkarwei, en het achterdek ter plaatse is dan ook ruim lang tussen woonroefje en roerkoning. Na 1910 maakt de helmstok plaats voor het stuurwiel waardoor het roefje naar achteren schuift en het laadruim vergroot. Op die manier verdwijnt veel 'luchtigheid' uit het achterschip, maar ook schoonheid, dit terwijl het stuurwiel de zeilkunst niet dient omdat windkracht en lei- of loefgierigheid aldus minder aanvoelbaar zijn dan met een helmstok. De scheepsbodem is plat, de kimmen zijn rond; om de 45 cm staan de spanten en wrangen waarop de ijzeren platen worden geklonken van 6 en 8 mm of meer (afkomstig o.m. van Clabecq). Het woonroefje is van hout of ijzer en bevat vier raampjes met ijzeren voorschuifluiken, soms een houten dakhchtraam, met naar voren een ovalen raampje boven de luiken. Typisch voor Vlaamse klippers is de afdekking van het laadruim met abeelhouten luiken, gebogen en in één stuk dwars gelegd. Later worden de luiken uit ijzer vervaardigd, ze zijn tevens gebogen, en wateren af in ijzeren U-profielen. De afronding van de luiken vult mooi de gebogen zeeg en de ronding van het achterschip aan. Die 'zeeg' — de vloeiing van hoog voorschip naar laag midden, en verder terug naar hoog achterschip — kenmerkt het zeilschip dat wat ruwer water als de Schelde bevaart. De toename van het aantal bruggen noodzaakte strijkmasten (neerlegbaar) die soms tot op de bodem (het vlak) doorgingen in een gebogen kast, soms bovendeks bleven in de mastkoker. Met de lier werd de mast gestreken of rechtgezet, bij middel van een stalen kabel liggend in een 'bokkepoot', een om-
VIII
Een klipper aan de 'Blauwe Kei' in Limburg. Lang en smal van aspect, en hoog, dus minder fraai, op het water liggend. Op de Schelde in Dendermonde ligt de 'Annie', tussen twee ijzeren werkboten. Bouwjaar 1900, Boom, met een breedte van 4,50 m en een lengte van 23 m. Opnieuw die licht 'lepelvormige' voorsteven met de kluisgaten van de ankerketting en de witte driehoek, veel voorkomend bij klippers.
gekeerde V uit ijzer of hout. Deze bokkepoot zorgde voor de hoek nodig voor de trekkracht van de kabel, en was meestal vastgezet aan de overloop van de fok, vóór de mast. Doorgaans hadden Belgische klippertjes één mast uit lork of Amerikaans grenen, 14 m lang en meer, met een dikte in de mastkoker van 26 a 30 cm. Langs de mast werd het grootzeil gehesen met kralingen, houten bollen, terwijl het verder werd vastgezet aan de bovengaffel
en aan de giek onderaan, zij het hier slechts aan het giekeinde: het zeil had een 'losse broek'. Vóór de mast kwam de fok en, vast aan de kluiverboom, het kluiverzeil. Wie zeilen zegt, zegt afdrijven met de wind. Om toch in de goede richting of koers te blijven, werden aan bak- en stuurboord eiken zwaarden gemonteerd, die het water in en uit konden worden gedraaid met hertjes. Klippers waren platbodems, dus schepen zonder
kiel, en konden bijgevolg lekker droogvallen aan de kant, zo bijvoorbeeld bij laag water voor onderhoud. Die zwaarden waren vlakken van zo'n 7 can dik over ongeveer de scheepsbreedte lang (± 4 m) en manshoogte breed. Alleen aan de lijkant ging het zwaard in het water. Onze klippers waren 18 tot 25 m lang, 4 tot 5,5 m breed en hadden een geringe diepgang, dit omwille van de ondiepe waters. Hun voorsteven waaierde minder ver uit dan de Nederlandse en het boeisel aan het achterschip stond rechtop, terwijl het Nederlandse (Friese) boeisel bijna in de lijn van de huidgangen liep. In het Boomse werden ze veel gebruikt voor het overnemen van ladingen van grote schepen, die anders niet over d e zandbanken konden komen. Natuurlijk laadden ze bakstenen, suikerbieten, zand van Mol, riviermodder, en soms ook wel springstoffen, die voor het motorschip gevaarlijk waren. Oude prentkaarten vertellen van hun reisplekken: Gistel, Willebroek, Herentals, Antwerpen, Boom, Eikevliet, Antoing, . . . . Ze werden schuiten genoemd, klipperkopjes, ijzeren aakjes, klipperaakjes, terwijl de laatste benaming wel een klipperkop bedoelde, maar dan met de achtersteven van een aak, dus vol en rond, en niet overhellend.
Ook de materiële getuigen krijgen niet de belangstelling die ze verdienen.
N.v.d.r. Het Bestuur voor Monumenten en Landschappen is eveneens bevoegd voor de bescherming van het roerend cultureel patrimonium (decreet van 17 november 1982). Ook vaartuigen kunnen als roerende goederen gerangschikt worden en dit omwille van hun industrieel-archeologische waarde. In eerste instantie wordt door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen een inventaris aangelegd van nog bestaande klippers, spitsen en andere types. U kunt ons hierbij helpen door te schrijven of te telefoneren naar: Bestuur voor Monumenten en Landschappen Afdeling Industrieel Erfgoed Belhardstraat 14-18 1040 Brussel tel.: 02/513.99.20 of Recollettenlei 16 9000 Cent tel: 091/24.19.57.
Ieder initiatief dienaangaande is dus méér dan welkom. ]. Fellemans
Woordenlijst fok: driekantig voorzeil op vaartuigen, tussen mast en boegspriet of voor de mast gehesen hengst: klein, sterk vissersvaartuig met name op de Schelde, half gedekt, met schuine steven hoogaars: klein zeilvaartuig met hoog uit het water liggende boeg, vroeger in gebruik voor visserij op de rivieren koning (roerkoning): spil waar het roer om draait otter. Vlaams binnenvaartzeilschip van hout pieif: lang en plat vaartuig voor de binnenvaart, vroeger ook voor de vaart over zee gebezigd. tjalk: zeilvaartuig voor zee- en riviervaart met ronde boeg, platte bodem en zijzwaarden, 50 tot 70 ton groot zwaard: eivormig schild van zware planken, ter zijde van platbodem zeilvaartuigen of ook wel in de bodem beweeglijk (bij hedendaagse zeilschepen) bevestigd, om afdrijven of omslaan te voorkomen.
Het klipperras van Belgische en Nederlandse makelij leeft nog, zij het vermomd, verminkt, soms voorzien van drukke opbouwsels die er jachten van moeten maken, soms als onherkenbaar werkschip of magazijn, op sterven na dood. De klipper, die ooit zo een substantieel deel van de scheepvaart heeft uitgemaakt, móet kunnen overleven, bijvoorbeeld in enkele zo getrouw mogelijk gerestaureerde exemplaren, zeilvaardig tot het laatste houten blok. Maar er zijn nog andere mogelijkheden. Nasst onder meer het culturele genoegen dat men aan een dergelijke verbouwing beleeft, biedt dit soort schepen ook goede mogelijkheden met het oog op een meer eigentijdse bestemming: er is immers evenveel ruimte voorhanden als in een kleine rijwoning, met het bijkomende voordeel dat het geheel overzichtelijker en compacter kan worden ingericht. Op voorwaarde dat men een schip, via een goed gedocumenteerde en getrouwe restauratie weer laat 'spreken', draagt men met de redding van een vaartuig bij tot de kennis van ons verleden. Hierbij mag niet vergeten worden dat de geschiedschrijving betreffende de Belgische scheepvaart tot op heden nog al te zeer verwaarloosd werd. Het enorme werk dat de heer J. Van Beylen — voormalig directeur van het Scheepvaartmuseum in Antwerpen — terzake verricht heeft, moet hier als uitzonderlijk beschouwd worden.
Klein Willebroek, waai veel klippers hun thuishaven hadden. De heer en mevrouw Roef wonen op hun 'Chpper", die goed in de verf zit, en die zijn ouderdom niet verraadt. Hij dateert al uit 1895 en heeft een puik voorschip en een mooi gerond hek. Het meet 4,25 bij 20,50 men is dus eerder gestrekt. De geveegde lijnen van de romp komen nog beter uit door het dieper Uggen van dit schip. De vorm vertoont verwantschap met de Josée'. Dit is niet verwonderhjk, want ook hier is Boom de bouwplaats. Beide schepen bezitten aan bak- en stuurboord een decoratieve versterkingsplaat op zo'n 3 m van de voorsteven. De werf was bijgevolg dezelfde: De Ridder, De Wachter? Helaas geven de meetbrieven wel bouwplaats en bouwjaar doch zelden of nooit de werf aan. Vandaar ook de moeilijkheid om bouwplannen en tekeningen te achterhalen. Roefis schipper geweest en heeft nog de laatste zeiljaren van de klipper meegemaakt. Niet ver van zijn schip werd het Spaans huis gerestaureerd, bij de oude sluis naar de Rupel. Hier is de plaats waar een origineel heropgebouwde khpper zijn thuishaven moet krijgen naast een tjalk, een khpperaak en een brabander-volgboot. Hier horen manifestaties thuis die de oude zeütijd oproepen. IX
Autoworld Sinds 29 september laatstleden is het land een museum rijker; en niet zomaar een museum, maar wél de schitterende collectie old-timers van de Gentenaar Ghislain Mahy in perfecte symbiose met het overweldigend voormalig Wereldpaleis van het Brusselse Jubelpark. Het gigantische gebouwencomplex dat sedert 1850, en dit 25 jaar lang, onder het niet aflatend aandringen van Leopold II, op de Linthoutvlakte zou verrijzen, is in zijn uitzonderlijk voorkomen reeds alom bekend. De reusachtige hal, waarvan het stalen gebint een ononderbroken spanwijdte haalt van 48 m, werd aldus door Gédéon Bordiau ontworpen voor de tentoonstelling van 1888, maar nog door hemzelf reeds in 1897 herleid tot twee symmetrische helften. Eén van deze hallen, palend aan het Koninklijk Legermuseum, biedt al geruime tijd onderkomen aan het Lucht- en Ruimtevaartmuseum. De tweede hal, langszij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, herbergde onder meer van 1920 tot ruim 1924 een facet van Paul Otlets' visionaire Wereldstadproject. Vanwaar de naam Pa/ais Mondial (Wereldpaleis). Zowat de helft van de fenomenale, ruim 900 wagens-allerhande tellende verzameling Mahy, heeft hierin vanuit het afgeschreven Gentse wintercircus een definitieve standplaats naar maat gevonden. Deze gereputeerde collectie haalt haar uitzonderlijk belang niet uitsluitend uit de nauwelijks overtroffen kwantiteit, maar op de eerste plaats uit de aanwezigheid van een schier compleet assortiment binnen- én buitenlandse modellen. Vrijwel alle tentoongestelde voertuigen, waaronder een aantal motorrijtuigen en enkele toegevoegde topstukken uit de collectie De Pauw, worden uitvoerig ingeleid in een uitbundig geïllustreerde catalogus.
Luchtfoto van het Brusselse Jubelpark met het voormalig Wereldpaleis, waar de collectie in is ondergebracht.
Het is, in afwachting van een ruimere kennismaking, alleszins verblijdend vast
te stellen dat aldus een wettelijk moeilijk vatbaar roerend patrimonium met internationale klasse door gebundelde inspanningen de verdiende aandacht krijgt, maar tevens een in marginale activiteiten wegkwijnend onroerend — maar niet beschermd — monument een glorieuze tweede jeugd mag beleven. M.M. Celis
De catalogus van de verzameling.
Mercedes, 1939.
X
Autoworld is toegankelijk alle dagen van 10 tot 18 u. (1 april tot 31 oktober) van 10 tot 17 u. (1 november tot 31 maart) Esplanade van het Jubelpark 1040 Brussel.
Horch, 1939.
Monumentenwandelingen in Torhout en Leuven In de maand september organiseerde de Stichting Monumenten- en Landschapszorg twee monumentenwandelingen, een eerste in Torhout op 21 september, en een tweede in Leuven één week later, op 28 september. De bedoeling van deze manifestaties was gedurende één dag promotie te voeren rond een monument of een groep van monumenten die bij het brede publiek minder gekend zijn. De nadruk werd hierbij gelegd op de historisch-culturele achtergrond en het huidige gebruik van het monument. Op deze manier werd gepoogd het publiek aan te tonen dat monumentenzorg heel wat meer is dan het uitvoeren van (vaak dure) restauraties. Ter gelegenheid van deze monumentenwandelingen werden, in co-produktie met de B.R.T., twee televisie-uitzendingen van 25 minuten uitgewerkt over Torhout en Leuven. Hierin werd aandacht besteed aan de diverse monumenten en bezienswaardigheden die beide steden rijk zijn. Tegelijkertijd werd voor elke stad een nieuwe, kleurrijke wandelbrochure opgesteld, die tijdens de monumentenwandeling officieel werd voorgesteld. Bijna vijfduizend 'monumentenliefhebbers', waaronder ruim drieduizend wandelaars, namen aan de monumentenwandelingen deel. Genietend van het prachtige herfstweer maakten ze o.a. kennis met 'In 't Hof van Engeland', de dreven van Torhout, de Leuvense universiteitscolleges en het Groot Begijnhof. Na de wandeling was er telkens animatie voorzien, in Torhout in het kasteel van Wijnendale, en in Leuven op de Oude Markt. In 1987 organiseert de Stichting opnieuw dergelijke monumentenwandelingen, onder meer in Maaseik en in Hasselt. De wandelbrochures over Torhout en Leuven zijn overigens nog steeds verkrijgbaar bij de Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w., Nijverheidsstraat 23, 1040 Brussel (tel.: 02/230.38.76) en dit tegen 50 fr. (+ verzendkosten) per brochure.
boven: de wandeling in Leuven midden en onder sfeerbeelden van de monumentenwandeling in Torhout (foto's D. Stemgée).
Architectures de bande dessinée In 1985 ontworpen door het Parijse Institut Frangais d'Architecture, is de tentoonstelling Architectures de bande dessinée — na Angoulême en Parijs — thans te gast in de Brusselse Fondation pour 1'Architecture. Een soepel scenario kristalliseert rond zeven suggestieve thema's het subjectieve — vaak beangstigend tijdstyperende — beleven van architectuur door de striptekenaar. Zo staat Une histoire ancienne voor de klassieke oudheid van Alix (Martin) en Asterix (Uderzo), maar ook voor de tropische exotiek van Kuifje en de Zonnetempel (Hergé), de beklemmende lokaties van Blake & Mortimer (Jacobs) of de Far West van Lucky Luke (Morris). Vers 7900; une faim de siècle ontwaakt uit de rookwalmen van de industriële revolutie; een fascinerend decor van ijzeren bruggen en viaducten, de marginale wijken van de Parijse belle-époque (Tardi), de verbluffende, utopische artnouveaustad (Schuiten). Ongetwijfeld vertrouwder klinkt Cinquante et des..., de rationele naoorlogse design van de immer optimistische Robbedoes en het blinde vertrouwen van Guust Flater in de onbeperkte mogelijkheden van de techniek (Franquin); kraaknette bouwwerven en betonmolens alom, glinsterende benzinestations voor hypergestroomlijnde auto's. En dan, Naguère et parallèlement, diezelfde jaren vijftig, maar gezien vanuit een met heimwee geladen heden, geciteerd, gerecycleerd, geparodieerd door Swarte, Torres, Benoit... . De sfeer wordt ijziger. Par les temps qui courent verwordt de stad tot een beklemmende grisaille. Nog immer bouw-
Alam Cofün, 'Plagiat' (album in voorbereiding); men herkent bier het huis van dokter Dirickx (Sint-Genesius-Rode), gebouwd in 1935 door architect Marcel Leborgne.
werven en kranen, maar verlaten, roestig, met dreigende palissaden en schimmige storten, termen als 'banlieue, HLM, zone, graffiti, bidonville' die weinig aan de verbeelding overlaten. Lieux d'ici et d'ailleurs biedt hierop een intermezzo. De striphelden dwalen in het mistige Londen, lezen moordberichten in een café tabac langs de Seine, kuieren of rennen door spoorwegstations en luchthavens alom, van Venetië tot Barcelona, in Las Vegas, Tibet, door de broeierige soeks van Cairo, immer verwikkeld in intriges, vaak onafwendbaar gedetermineerd door de lokale bebouwing. Maar ook de toekomst biedt weinig bemoedigende perspectieven. Oh ;our futur...peut-être tekent de geluidloze ruimte, de diepten van de oceanen, de ruïnes van de aardse beschavingen, nu bevolkt door humanoïde gemeenschappen en hypertechnologische architecturen dan
wel biologische, zichzelf onstuitbaar vermenigvuldigende organismen, een vaak schroomvallig, ritueel betreden, onbekende wereld. Deze onnoemlijk boeiende stripcollage wordt gebracht in visueel verleidelijke, kleurrijke opstellingen, nu eens met metershoge eigenhandig te doorbladeren stripalbums, dan weer in intimistische, zigzagvormige vitrines. De reuze-albums zelf worden integraal, met een inleidende commentaar, overgenomen in de bijhorende, ruim 120 pagina's tellende catalogus. Van de gelegenheid nuttig gebruik makend werd de tentoonstelling daar bovenop verrijkt met een eigen 'Belgisch' luik, een co-produktie van de Fondation pour l'Architecture en het Centrum van het Belgisch Beeldverhaal. Enigszins afwijkend opgevat van het Franse pakket.
Pjotr en Meynen, de terugkeer- van Roxanne'; een lofbetuiging aan de imposante architectuur van het Centraal Station, gebouwd in 1899 door architect Delacenserie. Tekening door Alain CofBn, 1986.
XII
Nieuw orgelinitiatief Na de systematische inventarisatie, d e bescherming en de restauratie van de Vlaamse historische orgels, is thans een nieuw initiatief van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen in uitvoering. Van een aantal historische orgels werden, na de restauratie — dus in de beste omstandigheden — klankopnamen gemaakt. De hele opname was erop gericht al de kwaliteiten van het gerestaureerde instrument vast te leggen. De keuze van de uitgevoerde literatuur en van de registraties werd volledig bepaald door de aard en de mogelijkheden van het betrokken orgel. Tot nog toe werden de opnamen verwezenlijkt voor volgende orgels: — Semmerzake en Sint-Lievens-Houtem (organist Joris Verdin); — Gent: de orgels van de Karmelietenkerk en van Onze-Lieve-Vrouw-SintDe catalogus, getekend door/. Swarte opgePieters (organist Johan Huys); vat als een ... stripverhaal. — Antwerpen: Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (organist Stanislas Deriemaeker). wordt hier een confrontatie uitgelokt van Wegens de zeer grote klankrijkdom van architectuurtekeningen en getekende de verschillende orgels, heeft het Bearchitectuur, vaak aan de hand van oristuur voor Monumenten en Landschapginele documenten. De reële, tastbare pen er de voorkeur aan gegeven de diinspiratiebron hangt aldus oog in oog gitaal opgenomen en gemonteerde met de grafische transposities van een klankbeelden te publiceren op compact Schuiten, Goffin, Carin, Ever Meulen, disc. Chaland, ja zelfs Vandersteen. Niet ten onrechte stelt de ook hierbij hoNa een zeer ruime raadpleging van rende catalogus-brochure dat architecVlaamse bedrijven, instellingen en veretuur als het ware het troetelkind is van nigingen die platen uitgeven, werd een het (Belgische) beeldverhaal. Ongetwijovereenkomst afgesloten met 'René feld kan dit bogen op een lange traditie Gailly - International Production'. waarin althans één constante aanwezig is: vrijwel zonder uitzondering wordt d e De compact discs zullen normaal te verarchitectuur herleid tot haar essentie, krijgen zijn in de handel tegen 980,-fr.. ontdaan van storende vergroeiingen, Personeelsleden van het Ministerie van gezuiverd van verminkingen, geïsoleerd de Vlaamse Gemeenschap en de abonvan storende omgevingen, ja zelfs vernees van M&L zullen deze compact disc volledigd, gecorrigeerd. bij het Bestuur voor Monumenten en Landschappen kunnen bestellen voor de prijs van 750,-fr. de platen moeten Na de strips voor volwassenen, lijkt de wel afgehaald worden op het hoofdbestrip zelf nu wel degelijk volwassen. De stuur of op de provinciale directies. Van dubbeltentoonstelling mikt dan ook ruizodra de juiste datum van uitgifte bemer dan uitsluitend op de onvoorwaarkend is, zal die in M&L bekend worden delijke fanaten. gemaakt. MM. Celis
ARCHITECTURES^ BANDE DESSINEE
ArchitectuTes de bande dessinée Fondation pour l'Architecture Kluisstraat 55 1050 Brussel van 3 oktober tot 29 november 1986 toegankelijk van 12.30 tot 19 u., van dinsdag tot en met vrijdag, zaterdags van 11 tot 19 u..
Openbare besturen of culturele verenigingen die interesse hebben om kopieen van deze geluidsbanden te verkrijgen voor uitgave op zwarte platen, kunnen deze kopieën bij het Bestuur bestellen tegen de kostprijs van de kopie en mits publikatie van de door het Bestuur geformuleerde bronvermelding. E. Goedleven
Ook dit nog. De Vlaamse Leeuw op compact disc. In juni verschenen bij de uitgeverij Eufoda op maxi-single de zes voor het Bestuur voor Monumenten en Landschappen opgenomen versies van de Vlaamse Leeuw, het Volkslied van de Vlaamse Gemeenschap. Thans komt de versie door het Groot harmonie-orkest der gidsen op compact disc, vervolledigd met werken van de volgende Vlaamse componisten. 1. K. Miry (arr. J. Van Hoof revisie H. Swinnen): De Vlaamse Leeuw. 2'25" 2. P. Benoit (arr. A. Prévost): Derde fantasie. 5'22" 3. L. De Meester: Gitanerios. 6'00" 4. F. D'Haeyer: Fantasie op oude Vlaamse volksmelodieën (Het daghet in den Oosten). 12'30" 5. J. Van Hoof: — Oproepen voor fanfare. 4'35" — Oproepen der vijf Vlaamse provincies. 6'55" 6. J. Segers: Muziek voor een plechtige gelegenheid. 6'20" 7. J. Louel: Treurmuziek. T25" 8. A. De Greef: (arr. K. Torfs) Vier oude Vlaamse Volksliederen. 6'45"
De eerste, volledig digitaal opgenomen Vlaamse compact disc verschijnt in november 1986 en zal in de handel te verkrijgen zijn voor de prijs van 980,-fr.. De personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap en de abonnees van M&L kunnen deze compact disc tot en met 28 februari 1987 verkrijgen door overschrijving van 750,-fr. op rekeningnummer 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met de vermelding 'Compact disc Volkslied'. De compact discs worden niet verzonden maar dienen afgehaald te worden bij het hoofdbestuur BeUiardstraat 18, 1040 Brussel, tel.: 02/ 513.99.20 of bij de provinciale directies: — Antwerpen: Leysstraat 27, 2000 Antwerpen; teL 03/231.77.64 — Brabant: Naamsestraat 39, 3000 Leuven; tel. 016/22.74.04. — Limburg: Minderbroedersstraat 6, 3800 Sint-Truiden; tel. 011/68.45.40. — Oost-Vlaanderen: Recollettenlei 16, 9000 Gent; tel. 091/24.19.57. — West-Vlaanderen: Oude Gentweg 75, 8000 Brugge; tel. 050/33.57.87. E. Goedleven XIII
De aanbidding van het Lam Gods: het retabel officieel ingehuldigd. Na jaren van voorbereiding en discussies werd het Lam Godsretabel eindelijk goed en wel geïnstalleerd in de beveiligde ruimte van de Doopkapel in de Sint-Baafskathedraal. De grote belangstelling die dit beveiligingsproject genoot gedurende de hele voorbereidingsperio-
de — van voor- zowel als van tegenstanders — werd andermaal bevestigd door de massale opkomst op de persconferentie op 16 september 1986. Na een verwelkoming en speeches van achtereenvolgens de heren Monsaert, De Wolf, Rozwadowski en Dewael, werd een bezoek gebracht aan de vernieuwde Doopkapel en het retabel. De menigte kon de toelichtingen van Monseigneur De Kesel, Prof. ir. Cnops en Mevr. Masschelein volgen via T.V.-
schermen opgesteld in de kathedraal. Sommigen onder het publiek konden het niet nalaten de thans ledige Vijdkapel nog een ultiem bezoek te brengen, om te aanschouwen waar het befaamde retabel zo lang — met interrupties weliswaar — heeft staan prijken. De persvoorstelling werd gevolgd door een bootlunch. In de avond werd in aanwezigheid van Eerste Minister W. Martens een nieuw bezoek gebracht aan het Lam Gods. Bezoek aan het Lam Gods in de beveiligde Doopkapel. Van links naar rechts: de heren J. Rozwadowski, algemeen directeur van American Express België; de heer A. Vermeulen, directeur-generaal van AROL; de heer K. Poma, voormalig Gemeenschapsminister van Cultuur, onder wiens ambtstermijn de sponsoring tot stand kwam; de heer P. Dewael, Gemeenschapsminister van Cultuur; de heerj. Monsaert, burgemeester van Gent.
De burgemeester, de Gemeenschapsminister, de directeur-generaal van AROL en de ontwerper]. Cnops in gesprek.
XIV
Eerste Minister W. Martens met tal van prominenten tijdens zijn avondbezoek, op weg van het stadhuis naar de Sint-Baafskathedraal.
De premier in gesprek met Monseigneur De Kesel.
De premier in het gezelschap van Mevr. L. Masschelein, directeur van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium.
XV
Het instandhouden van monumenten vereist vooreerst een geregeld onderhoud, zo luidt artikel 4 van het Charter van Venetië. Geregeld onderhoud is pas verzekerd als het gebouw bewoond of anderszins gebruikt wordt. Leegstaand betekent verval. Nu gebeurt het wel meer dat eigenaars van beschermde momunenten, of van goederen gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht, geen geschikte bestemming voor hun eigendom vinden en het wensen te verkopen of verhuren. Anderzijds zijn er ook mensen die graag een 'monument' willen bewonen of in gebruik nemen.
Aspirant-verkopers of -verhuurders en aspirant-kopers of -huurders, kunnen in deze rubriek volledig kosteloos een beschermd monument te koop aanbieden respectievelijk te koop vragen. De voorwaarden: - het gaat om het kopen/verkopen of huren/verhuren van een beschermd monument of een goed gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht; - de aspirant-koper of -huurder moet de bedoeling hebben te kennen te geven het goed zelf te bewonen of in gebruik te nemen;
- de aanvraag moet, vergezeld van de getypte tekst van het bericht en een duidelijke zwart-witfoto, worden ingezonden bij de redactie van M&L, ter attentie van L. Tack, Belliardstraat 18, 1040 Brussel; - inlichtingen over prijs, verkoopsvoorwaarden ... worden niet opgenomen; - de redactie behoudt zich het recht voor het bericht al dan niet op te nemen en eventueel in te korten. Nadere inlichtingen kunnen telefonisch worden ingewonnen bij L. Tack, tel. 02/513.99.20 toestel 339.
TE KOOP
TE KOOP
- 'De Min' Katelijnevest 63 2800 Mechelen - Beschermd monument bij K.B. van 19 augustus 1980 Gevelpartij gedateerd 1773 - Inlichtingen: 015/24.62.97
- Fabrieksgebouw Konanderstraat 2 9000 Gent - Beschermd bij K.B. van 12 januari 1978 - 520 m2 bebouwde oppervlakte; 2 vleugels van 5 verdiepingen + kelders en zolders; trapzaal met smeedijzeren trap. Met beschermde stoomketel uit 1910 - Inlichtingen: 091/25.20.54 van maandag tot vrijdag, tijdens de kantooruren.
'S l i
XVI
M&L
Gent, Gewad 33. Toestand in 1940. Op de klokgevel is het fronton nog aanwezig (foto archief van de Stedelijke Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten).
veiligheid op het oog had, doch ook streefde naar een stadsverfraaiing. Uiteraard werd die nagenoeg uitsluitend gerealiseerd door decorbouw, bij voorkeur in het zicht van straten en pleinen. Dit laatste kunnen wij illustreren aan de hand van reconstructietekeningen van de gevelwanden in het Gewad en de met de even huisnummers corresponderende watergevels aan de Lieve, gebaseerd op gegevens uit bouwaanvragen, het Napoleontisch kadaster (1799) en het stadsplan van Devreese (6). Men merkt hierbij op dat de 17de- en 18de-eeuwse kloken halsgevels van het Gewad niet zijn vertegenwoordigd
Gent, Gewad 33. Gezicht uit de Abrahamstraat. Toestand in 1942 (foto A.C.L., Brussel).
bij de watergevels en dat laatstgenoemde, op een paar oudere trapgevels na, bijna alle pas in het tweede deel van de 18de eeuw werden opgetrokken en bovendien het allure missen van hun tegenhangers in het Gewad (7). Een en ander toont aan hoe het stedelijk beleid sedert de 17de eeuw een traditie van gevelarchitectuur heeft gestimuleerd, die ook bij de aanvang van onze eeuw weerklank vond in de stadsverfraaiing ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1913, zij het dan met een ruimer stedebouwkundige dimensie.
r -^
.A\
/D
••DDDD
CC CD co rnmm
'93 J
l»J
29
MJ
197 J
196 J
30
M&L
Gent, Gewad 33. Verdieping met standvenster in de Abrahamstraat (a), detail van het standvenster (b) en van de klokgevel in het Gewad (c). Toestand in 1977. Vergeleken met de toestand in 1940 is de bouwfysische staat er merkbaar op achteruitgegaan, (foto arch. Dirk Steyaert).
M&L
Een uitvoering niet conform het bouwontwerp Bij het onderzoek dat aan de restauratie voorafging, bleek nochtans dat het voorschrift om alleen degelijke witsteen te verwerken, niet al te nauw werd genomen. Voor de spiegels in de gevels, de voluten bij klokgevel en standvenster en voor de frontons was een zachte witte krijtsteen van twijfelachtige kwaliteit gebruikt. Daarenboven was de uitvoering van enkele onderdelen niet conform het oorspronkelijk ontwerp. Aldus bezit de klokgevel minder gedrukte proporties ten gevolge van een verhoging van het bovenste deel van de gevel in het Gewad met een twaalftal lagen baksteen, waardoor de aanzet van de klokgevel ietwat hoger reikt dan de kroonlijst van de gevel in de Abrahamstraat. De S-vormige gevelbelijning werd vloeiender door een minder zware uitvoering van de voluten en de 'verzachting' van hun uitgesproken haakvorm. Ook werd tussen de vleugelstukken en het driehoekig fronton nog een klein baksteenfries gevoegd. De raamomlijsting in het vlak van de klokgevel werd niet met oren, doch met holle boogdelen uitgevoerd, een vorm die herhaald werd in de uitgespaarde hoeken van de spiegels op de gevelstroken tussen de verdiepingen. De bouwtekening voorzag slechts drie van dergelijke spiegels zonder hoekuitsparingen in de gevel van het Gewad, waaronder een steen met jaaropschrift onderaan de klokgevel. Men zou kunnen suggereren dat het zandstenen moneel, dat blijkens de bouwtekening oorspronkelijk in het klokgevelraam was voorzien, qua stijl bezwaarlijk bij het met holle boogdelen gewijzigde raam te integreren was. Men moet deze beoordeling evenwel laten voor wat ze in werkelijkheid is, namelijk een post factum esthetische bedenking, want allicht is een dergelijke overweging bij de bouwer niet opgekomen. Wel past het middenmoneel, waarvan een origineel spoor werd ontdekt, beter bij de rechthoekige vorm van het standvenster dat aan de zijgevel werd toegevoegd.
31
hamstraat. Dit was zeker te wijten aan de gebrekkige structuur van de aanpalende panden met hun in de loop van de 19de eeuw ingebrachte winkelpuien, doch ook en vooral aan de overhellende gemene muur met het links aanpalende huis. Deze bij de bouw in 1704 overgenomen muur draagt sporen waaruit af te leiden valt dat het vroegere hoekhuis ongeveer 1,30 m lager was dan het huidige. Met inbegrip van de monelen, waarvan er enkele hergebruikmateriaal bleken te zijn, was de zandsteen tot in de kern verweerd, terwijl de poreus geworden ornamentele onderdelen in krijtsteen (frontons, voluten, spiegels) verkorreld waren, de siervaas op de klokgevel verdwenen was en de verweerde dorpels op de verdieping verwijderd waren. In het archief van de Stedelijke Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten berust een potloodtekening met gevelplan uit 1936 van de hand van architect Fr. Van Hove. Het is onwaarschijnlijk dat aan deze restauratievoorstudie, die naast het hoekhuis ook de links aanpalende woning tot voorwerp heeft, bouwhistorisch onderzoek is voorafgegaan. Toch geeft de ontwerper in een commentaar toe dat de schikking van de benedenverdieping voorlopig en twijfelachtig is en is hij verder van oordeel dat een herstelling in feite zou neerkomen op een reconstructie (8). Deze tekening kon bezwaarlijk een uitgangspunt bieden voor het opmaken van een restauratie-ontwerp. Het gebouw bood dus helemaal geen bemoedigende aanblik toen het bij Besluit van de Vlaamse Executieve op 8 september 1981 als monument werd beschermd. In datzelfde jaar vatte architect Dirk Steyaert als nieuwe eigenaar het plan op om het pand in zijn oorspronkelijke luister te restaureren om het dan zelf als woning te betrekken. De eerste opties werden globaal geformuleerd en met het Bestuur voor Monumenten en Landschappen besproken. De restauratiewerken gingen op 13 februari 1984 van start nadat ze waren toegewezen aan de firma Mengé uit Gent en onderaannemer G. Deraedt uit Drongen.
Opties voor restauratie en reconstructies Verval, bescherming, restauratie Zoals gezegd blijkt de slechte staat waarin het gebouw zich sedert de 19de eeuw bevond, uit diverse iconografische bronnen. De bestemming van de vroegere bakkerij werd gewijzigd tot drankgelegenheid, eethuis en tenslotte weer tot woning, een evolutie waarbij ook de bouwfysische toestand gestadig achteruitging. Omstreeks onze eeuwwisseling werden het kruisvenster en de bolkozijnen op de gelijkvloerse verdieping weggenomen en vervangen door ramen met kleinhouten onderverdeling en rolluikkasten. Uit onderzoek is gebleken dat het gebouw, in weerwil van toch degelijke funderingen, aanzienlijk overhelde in de richting van de Abra-
Naast de aanpak van stabiliteitsproblemen of structurele consolidatie, de hoofdopgave van elke restauratie, blijft herstel van het monument in zijn oorspronkelijk uitzicht een aanlokkelijk perspectief, ook indien dit om budgettaire redenen niet haalbaar blijkt of wanneer te veel onbekende factoren een wetenschappelijk verantwoorde restauratie in de weg staan. Ook in het onderhavig geval ontbrak de zekerheid omtrent het oorspronkelijk uitzicht van enkele onderdelen, die slechts met behulp van stijlen tijdsanalogieën of van beschikbare iconografie, c.q. het oorspronkelijk gevelontwerp, gereconstrueerd zouden kunnen worden. Het voetstuk van het driehoekig fronton bij de voorgevel werd na opmeting door de eigenaar gedemonteerd.
32
M&L
De dekstenen van het fronton waren reeds door de vorige eigenaar weggenomen. Het fronton bevatte een pengat met restanten van een stang voor de siervaas. Aangezien de fijne detaillering was verdwenen, was men voor de reconstructie aangewezen op de originele bouwaanvraag en op elementen van gebouwen in dezelfde stijl en uit dezelfde periode. De oorspronkelijke geveltekening zou ook bruikbaar zijn voor de reconstructie van de siervaas die, zoals de bekroning op het standvenster, reeds vroeger was verdwenen en waarvan geen andere iconografische voorstelling is bekend. Minder duidelijk was de aard van de bekroning van het standvenster in de Abrahamstraat, die als voorwaarde in het rapport van de Schepenen aan de eigenaar „confor-
me den point van den gevel bij deselve modelle,, was gesteld. Het was immers de vraag of, gelet op de diverse afwijkingen van de bouwtekening, de siervaas op het standvenster qua vorm en afmetingen identiek was geweest aan die op de klokgevel. De architect stelde echter voor om ter bekroning van het aan de Gewadgevel ondergeschikte standvenster een bescheidener pijnappelmotief te plaatsen. Tot staving van dit voorstel werd gerefereerd aan een ontwerp uit 1712 voor een (verdwenen) gevel aan het Gewad (9), een gevel in de Hoogstraat (10) en een nog originele pijnappel als bekroning van een fontein op de binnenkoer van het Hotel Reylof (1718) in de Hoogstraat (11). De nieuwe pijnappel en pronkvaas zouden worden vervaardigd uit Westerwaldklei, gebakken en geglazuurd met goudpoeder.
Gent. Voorbeelden van pijnappelornamenten. Links: als bekroning op het fronton van de halsgevel van een (verdwenen) huis in het Gewad, volgens een bouwtekening uit 1712. Rechts: als (verdwenen) sierelementen op de voluten bij de vleugelstukken van een klokgevel in de Hoogstraat 5, volgens de bouwtekening uit 1712 (S.A.G., reeks 535. bundel 74, nr. 3B; reeks 535. bundel 102. nr. 7).
r
Gent, Hoogstraat 24. 'Hotel Reylof (1718). Detail van een pijnappel op de fontein op de binnenkoer. Het gaal waarschijnlijk om een hergebruikt element, van een gevel afkomstig (foto B.M.L.).
mm B
IfT'iTnrTrTr^
j
Gent, Sint-Michielshelling. Pronkvazen bij reconstructies van laat-17de-eeuwse gevels, gebouwd in 1912 ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling. De gevel van het huis nr. 2 werd gebouwd volgens de bouwaanvraag van een thans gesloopt huis in de Plotersgracht uit 1700; die van hel huis nr. 6 werd geïnspireerd op een houwontwerp uit 1698 (foto's B.M.L.).
jfc j|fik
<
iM é^nfl^liinfc
Gent, Gewad 33. Detail van de pronkvaas op de klokgevel in het Gewad volgens de 'modelle' die bij de bouwaanvraag was gevoegd (1703-1704). (S.A.G.. reeks 535. bundel 74. nr. 2).
M&L
33
Genl, Gewad. Reconstructietekening van de met de westelijke huizenrij corresponderende watergevels aan de Lieve. Toestand op het einde van de 18de eeuw (tekening arch. Dirk Steyaert).
GEWAO - tWTERGEVELS L,
De datumsteen in de voorgevel, nog in verweerde toestand aanwezig, zou worden hermaakt met een schrifttype analoog aan dit op de bouwtekening en naar het voorbeeld van sculpturale jaaropschriften bij andere gebouwen (o.a. een huis uit 1706 in de Jan Breydelstraat). Geen enkel origineel kraagstuk onder de bolkozijnen bij raam en deuren van de gelijkvloerse verdieping was nog aanwezig, wel de getuigen ervan. Ze waren uit één stuk met het negblok gekapt, behalve bij de hoekpenant waar ze als los element waren vastgezet met smeedijzeren pen en lood. Voor hun profilering ging de voorkeur uit naar een kopie van de voorstelling op de bouwtekening, boven een meer 'eigentijdse' oplossing.
Aan het benedengedeelte van het venster in de Abrahamstraat werden sporen aangetoffen van een raamkorf van het hangkorftype met vast doorlopend kader, met in lood vastgezette pennen. Een dergelijk type treft men in de buurt van het Gewad nog als recuperatie-element aan bij een gereconstrueerde gevel in de Bonifantenstraat (hoek met de Abrahamstraat). De optie om terug een raamkorf te plaatsen motiveerde de architect door het laten aanvoelen van het verschil tussen oorspronkelijk winkel- en woongedeelte. Daar in alle bovenlichten, ook boven de deuren, nog sporen van diefijzers aanwezig waren, zouden ook die worden teruggeplaatst.
Gent, Gewad 33. Toestand in 1980-1981 (foto arch. Dirk Steyaert).
Gent, Gewad 33. De gevels na de restauratie. Een frisse toets in een teloor gegane huurt: voorbode van heropleving? (foto B.M.L.).
34
M&L
Teneinde de nieuwe woonfunctie te optimaliseren, werd beslist het later tot venster gereduceerde rechter deurelement in de Abrahamstraat — ofschoon eigen aan de oorspronkelijke winkelfunctie — niet opnieuw open te werken. Wel zou de baksteenopvulling onder de raamdorpel ten opzichte van de hoekpenant en de deurneg enigszins in terugsprong worden geplaatst om zo de vroegere situatie van een doorgang beter te laten aanvoelen. Veruit de belangrijkste restauratie-optie was het weer in kleur stellen van de gevels. Dit aspect komt aan het slot van dit artikel iets uitvoeriger ter sprake.
Inrichting van winkel- en woongedeelte Bij de bouw van het nieuwe hoekpand bleven elementen van het vroegere gebouw, namelijk de linker gemene muur met talrijke oudere bouwnaden en een bakstenen haard op de verdieping bewaard. Van laatstgenoemde waren de haardvoeten door verhoging van de balkenlagen met ongeveer 68 cm op de gelijkvloerse verdieping zichtbaar geworden. Onder het winkelgedeelte aan het Gewad werd een bakoven aangetroffen, die werd gestookt vanuit een kelder die via de winkel bereikbaar was maar zich onder het huis van de linker buur bevindt (12). In de bakoven vond men twee laat-18de- of vroeg-19de-eeuwse vuurpotjes, gebruikt voor het aansteken van pijpen. Archeologische steekproeven toonden aan dat de winkel van het woongedeelte gescheiden was door een houten vakwerkwand. De scheiding van woon- en winkelgedeelte spreekt ook uit het niveauverschil tussen de raamopeningen in de Abrahamstraat en die aan de kant van het Gewad. De raamopeningen in de voorgevel zijn lager en deden dienst als overluifeld uitstalraam, waarvan nog diverse haken en ringen getuigen. Het voor de tijd typische winkelbeeld werd door de dubbele deur op de hoek bepaald. De woonruimte bezat een drinkwaterput en een open naard, waarvan slechts een fragment bestaande uit rode Boomse tegeltjes (13 bij 13) en grijs-blauwe gereduceerde klompjes (13 bij 06) werd teruggevonden. De plaats van de gootsteen kon worden gesitueerd aan de hand van enkele tegeltjes in Delfts blauw. Het reeds genoemde venster, waarvan de raamkorf was verdwenen, was de enige doorbreking die de woonruimte van natuurlijk licht kon voorzien. Onder een recente cementtegelbevloering werd een laag steengruis aangetroffen, afkomstig van een gebakken tegelbevloering (15 bij 15), waaronder een tweede vloer zich bevond, bestaande uit rode tegels (20 bij 20). Nog daaronder werden een opvullingslaag en een afvalkuil aangetroffen die potscherven bevatten, te dateren in de 13de, 14de of het begin van de 15de eeuw. Via een kleine, in het plafond uitgespaarde opening boven de winkeldeur bereikte men de verdieping, waar twee kleine plaatsjes zich bevonden, samen amper 28 m 2
£bd
ï*^ *
1 11 tf
T
murnw
[il
Hfel
Kt; j
•
i1 Gent, Gewad 33. Foto genomen in 1985 tijdens de restauratie, voordat de geschilderde gevelafwerking weer werd aangebracht. Een deel van het publiek had liever dit uitzicht bestendigd gezien (foto arch. Dirk Steyaert).
M&L
in oppervlakte, oorspronkelijk gescheiden door een met lichtgebakken roze steentjes (18 bij 7,5 bij 3,5) gevulde vakwerkwand. Toen de trap werd verplaatst, vermoedelijk in de vorige eeuw, werd uit de achterste plaats een traphal uitgespaard die bij de restauratie behouden zou worden om dienst te doen als eetplaats, keuken en overloop.
37
Gent, Gewad 33. Verbouwd, wit gekaleid, ingericht tot herberg ('Het Tonnetje') en verwaarloosd. Toestand omstreeks 1940. Ongedateerd schilderij door Jacques Bergmans (private verzameling).
Geschilderde gevelafwerking en haar problemen Bij het onderzoek van de gevel werden sporen gevonden van een oorspronkelijk geschilderde gevelafwerking en van voegwerk met dagstrepen, een techniek die erin bestond tijdens het metselen met een dagsnedeijzer in de platvolle voeg 'dagstrepen' te snijden. Deze werkwijze, waarbij men het strakke werk van rechtgebakken baksteen poogde te imiteren, vergde een zorgvuldige uitvoering. Het baksteenparament van de woning aan het Gewad was, met inbegrip van sommige delen van de natuursteen, na platvol voegen met een schrale kalkmortel en na insnijden, geheel ossebloedkleurig gepigmenteerd. Hier waren de voegen scherp ingesneden (gedagd), gemiddeld 3 tot 5 mm hoog en 3 mm diep, en na inkleuring met ossebloed opnieuw ingevoegd met witte fijne kalkspecie (marmermeel). Hetzelfde streven naar strak werk kwam ook tot uiting in de dunne hoek-, neg- en bandbepleistering die met de traceernaald was getrokken en als imitatie van zandsteen licht okergeel gepigmenteerd. Zoals men zich bij de ossebloedschildering geenszins liet leiden door de plaatsing van de bak- en zandsteen, zo ook werd bij de bepleistering het onregelmatig en veeleer willekeurig formaat van de natuursteenblokken genegeerd. De weergave van grote neg- en boekblokken op de modelle van de originele bouwaanvraag bevestigde de ter plaatse gedane vaststellingen en vice versa.
Gent, Gewad 33. De gevels na het aanbrengen van de parament- en natuursteenbeschildering en het inkleuren van de dagstrepen. Het beoogde effect van strak werk werd niet tenvolle bereikt, zoals vooral blijkt bij
Reeds kort daarop, vermoedelijk rond het midden van de 18de eeuw, werden de gevels geheel in okerkleur overschilderd en in de 19de eeuw werd het gebouw met kalkmelk gekaleid. Toch werd gekozen voor een maximaal herstel van het oorspronkelijk aspect, dus met ossebloedschildering en zandsteenkleurige bepleistering als imitatie van regelmatige blokken natuursteen. Als resultaat van de bevindingen in situ werd de oude techniek van het dagvoegen in het restauratiebestek beschreven. Het resultaat van de gerestaureerde gevels heeft evenwel een oude controverse weer centraal gesteld, namelijk die van het onvoorwaardelijk vóór en tegen het gebruik van gevelpolychromie bij restauraties (13). Hoewel de tegenstanders ervan doorgaans ongenuanceerd zijn in hun veroordeling, kan niet worden ontkend dat bij de uitvoering
Vorige pagina: Gent, Gewad 33. Algemeen gezicht na volledige restauratie (foto M. Lorrez).
38
M&L
van de dagstrepen iets fout is gegaan. De architect bleek namelijk onvoldoende rekening te hebben gehouden met het feit dat op diverse plaatsen het gevelparament met recuperatiemateriaal was gemetseld. Het sporadisch onregelmatige beloop van het metselwerk verhinderde recht en strak inkrassen van de dagsnede, met als gevolg dat het wit invoegen achteraf de verstoringen in het parament bijzonder heeft geaccentueerd. Het feit dat halve en driekwart recuperatiestenen in de gevel waren verwerkt verhinderde het inbrengen van een regelmatig patroon van verbandvormende loop- en stootvoegen en noodzaakte tot retouches. Per baksteenlaag moest dus noodgedwongen een opeenvolging van koppen en strekken worden gesuggereerd, door voegen weg te schilderen en té brede voegen met verfwerk weer op dikte te brengen. Daar bovendien was gebleken dat in bestaande stenen voegen waren bijgekapt, mag worden aangenomen dat men hier destijds ook voor deze gulden middenweg heeft moeten kiezen. In onderhavig geval weerleggen de feiten wel enigszins de aanvankelijk veronderstelde nabootsing van strak metselwerk. Ook werd afgezien van het gebruik van de kalkspecie waarmee het gevelparament oorspronkelijk werd ingekleurd. In de plaats ervan werd een zuivere minerale verf gebruikt, waarmee kon worden vermeden dat door weersomstandigheden kalk zou vrijkomen waardoor het kleurpigment zou gaan vervuilen. Anderzijds bleek het gebruik van minerale verf ook niet zonder enig bezwaar, want bij het inbrengen van de verf liep de dagstreep vol en ging de verf erin verpoederen, zodat ze weer uit de dagstreep moest worden gekrast. Zo is hier nogmaals aangetoond dat het vinden van enkele fragmentarische sporen van oude technieken niet volstaat om deze bij restauraties zonder meer veralgemeend en probleemloos te kunnen reproduceren. Dat men dan in het beste geval min of meer geslaagde nabootsingen mag verhopen, ligt dus voor de hand, gelet op de nog tot voor kort nauwelijks bestaande belangstelling bij het publiek. Anderzijds zijn systematische analyse, registratie en vergelijkende studie van analoge voorbeelden primordiale eisen die de architect-restaurateur zich moet stellen. In dit geval ontbrak het onderzoek naar analoge voorbeelden van origineel gedagd en geschilderd voegwerk, dat analyse en vergelijking van diverse verf- en kaleitechnieken veronderstelt. Zonder historisch onderzoek immers verschaft de chemische samenstelling alleen slechts technische informatie. Bij deze kritische noot mag echter niet over het hoofd worden gezien dat de restauratie zeker tot de betere realisaties kan worden gerekend. Met enkele andere restauraties waar gevelpolychromie aan te pas kwam, doorbreekt ook onderhavige een bij ons reeds té lang gevestigde traditie van louter gevoelsmatige overwaardering ten opzichte van het natuurlijke, 'zuivere' aspect van het bouwmateriaal. Het herstellen van dit gebouw in zijn vroegere — wellicht kortstondige — praal, kan een uitnodigende wenk betekenen aan de, om het met de modeterm te zeggen, 'kansarme' buurt.
Gent, Gewad 33. Toestand in 1980-1981 (foto arch. Dirk Sleyacrt)
M&L
Voetnoten (1) (Stempel '1703') / ,Aan mijn edele heeren Schepenen vander Keure. I Supplierende vertoont reverentelick joncheer Theodor Ignace vander Meersche, heere van Ten Hooghe, proprietaris van een vierde deel deurgaende ende ten surpluse crediteur hypoticaire van eene huyse, stede ende erve, ghestaen ende gheleghen teynden het Ghewat op het plaetsken houdende den houck recht over den heere president vander Piet, dat hij van intentie (es) tselve huys te laeten afbreken ende wederom op te bouwen in conformiteyte vane medegaende modelle, om teviteren het groot pericle, ende alsoo het selve niet en vermagh te ghebeuren sonder consent van M. Edelheden, cause den suppliant hem keert tot de selve. I MIGNOTprocureur,,. (In de marge) / „Schepenen committeren ten effecte van deser joncheer Gillis de Lichtervetde ende heer en meester Nictays Liheers beneffens den onderschreven secretaris die dagh prefigieren op den 28en deser ten neghen uren naervolghens. Actum in het collegie den 26en april 1704. I P. PAPEJANS.,. (In de marge) / „Schepenen ghehoort het rapport van haeren ghecomiteerden consenteren in maeken vanden gevel ende het werck commende inder straete vanden Bergh eene veijnster mette crollen eende andere ciraet te grootte ende conforme den point van den gevel bi deselve modelle wijtgedruct. Actum in het collegie den 28en april 1704. I P. PAPEJANS,,. (Tekst bij de tekening) / „Dient op de annexe modelle vander huyse ten deele competerende joncheer Theodor Ignace vander Meersche, heere van Ten Hooghe ende ten anderen deele als crediteur hypothicaire, ghestaen ende gheleghen teynden het Ghewat op het Plaetsken. I PAPEJANSIDE CLERCQ,,. (S.A.G., reeks 535, bundel 74, nr. 2). (2) Vooraf ging in 1374 een algemeen verbod om stro als dakbedekking voor houten huizen te gebruiken. In 1950 begon men strenge controle uit te voeren op de gebruikte materialen. Op 14 juli 1618 werd een verbod afgekondigd om nog houten gevels te gebruiken, te herstellen of te schilderen. Subsidies werden toegekend voor het vervangen van houten door stenen gevels aan de straatzijde of uitgevend op het water, dit „naar rato van de qualiteit ende importantie van de wercke,,. {cl. Franse franje naar Gentse maat. De burgerbouwkunst te Gent in de 18de eeuw, Gent, 1984, p. 45). (3) Het voorhoofde des keizers dreve was de oude benaming voor het Gewad; de keizers dreve zelf was de huidige Prinsenhofstraat. Op de kaart van Devreese (kadaster) van 1799 worden beide respectievelijk genoemd 'Avenue de la Cour' en 'Cour des Princes'. (S.A.G., Ll/43, Atlas Goetghebuer). (4) Dit blijkt ook uit een verbouwing aan 'Huize de Rave' (hoek Schepenhuis- en Onderstraat) uit 1746: „... soude veranderen ende bringhen ontrent den hoeck vanden selve huyse eene deure in de voorseijde ende eene andere inde Onderstraete ... omme te connen dienen voor eene backerije (S.A.G., reeks 535, bundel 270, nr. 2).
39
(5) Deze bepalingen werden in het stadsreglement van 8 januari 1671 overgenomen uit de voorschriften die Justus Billet in 1662 in zijn Politye-boek optekende. In het stadsreglement werd verder ook bepaald „ende er sal niemandt vermoghen eenighe nieuwe ghevels te bauwen, ten sij an de scepenen alvooren oock overbrijnghen de modelle, omme daerop ghedelibereert te worden of de zelve ghemaekt worden naer den heesch van de weercke,,. In de tentoonstellingscatalogus Franse franje naar Gentse maat wordt verder beknopt het verloop van de procedure voor bouwaanvragen geschetst ( o . c , p. 45). (6) De reconstructietekening die de oneven huizenrij aan het Gewad voorstelt zoals ze er op het eind van de 18de eeuw moet hebben uitgezien, werd door architect Dirk Steyaert samengesteld. (7) Wij vermelden het voorbeeld van het Gewad slechts in samenhang met het monument dat onze aandacht gaande houdt, wat betekent dat de hier geïllustreerde straat-decorgevels geen eenmalig voorbeeld zijn voor het gehele stedelijke gebied. Eenzelfde contrast tussen enerzijds representatieve straatgevels met enig allure en anderzijds in de regel bescheidener, momenteel niet zelden onverzorgde, zelfs bouwvallige watergevels, valt onder meer ook op bij de bebouwing aan de Oudburg en de Lange Munt. (8) De potloodtekening van de hand van 'bouwmeester Fr. Van Hove Sen.', is 22 maart 1936 gedateerd. De commentaar bij de tekening zegt over de gevel langs het 'Groot Gewad' dat hij 'zeer eenvoudig' is, 'niet belangwekkend' en 'in slechte staat' verkeert in bouwkundig opzicht. Over de gevel langs de Abrahamstraat wordt geoordeeld dat 'deze belangwekkende gevel in slechte staat' verkeert en 'eene herstelling een herbouwing' zou zijn. Ook worden de kleine oppervlakte en het ontbreken van een koer als ongezond beschouwd. (Archief van de Stedelijke Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten). (9) S.A.G., reeks 535, bundel 74, nr. 3B. (10) De klokgevel van het huis in de Hoogstraat 5 bezat, blijkens de bouwaanvraag van 1712, te weerszijden een pijnappel en was bekroond met een vuurpot. (S.A.G., reeks 535, bundel 102, nr. 7). (11) De fontein en de muur waartegen ze is opgesteld maakten niet het voorwerp uit van de bouwaanvraag. Beide werden blijkbaar later toegevoegd, ofschoon de pijnappel zelf een oorspronkelijk element is, mogelijk recuperatie. (S.A.G., reeks 535, bundel 102, nr. 11, nr. 16). (12) Er werden nog sporen aangetroffen van vroegere doorgangen naar de naastliggende woning. Hier zou men uit kunnen afleiden dat beide panden ooit één geheel hebben gevormd. Ook de tekening uit 1933 van architect Fr. Van Hove brengt beide woningen met elkaar in verband. (13) De waardering voor het uiteindelijke resultaat van de restauratie, i.e. de geschilderde gevelafwerking, is bij Nederlandse en Duitse toeristen vrij algemeen gebleken. Gelet op de belangstelling en de realisaties in deze landen op het gebied van architecturale polychromie, is dit niet verwonderlijk.
M&L
41
De vernieuwing van het koninklijk salon in de gerestaureerde Muntschouwburg Francis Strauven,
De werken die onlangs in de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel ten uitvoer werden gebracht, waren oorspronkelijk opgezet als louter functionele ingrepen en rehabilitaties. Het gebouw moest plaatselijk opnieuw gefundeerd worden, en waar nodig moesten muren en vloeren worden verstevigd of vernieuwd. De oude, nog uit hout vervaardigde toneelmechaniek diende vervangen te worden door een nieuwe, in staal uitgevoerde technische uitrusting, die meteen een verhoging van de toneeltoren vergde. Deze plannen, die in eerste instantie waren ingegeven door veiligheidsoverwegingen, stonden reeds geruime tijd op stapel. Ze werden uitgewerkt door het architectenbureau URBAT, dat sedert een twintigtal jaar de bouwkundige opdrachten van de Muntschouwburg behartigt, en waren er in hoofdzaak op gericht de bestaande structuur op te frissen en technisch te verbeteren. Ze lieten de ruimtelijke opbouw en de vormentaal van het 19de-eeuwse gebouw in principe ongemoeid. Deze opzet dateerde echter van vóór 1981, toen de Munt een directiewisseling kende die in deze schouwburg een ware omwenteling teweegbracht. Het is bekend hoe Gerard Mortier, sedert hij directeur van de Nationale Opera werd, het beleid van deze instelling krachtig ter hand nam, haar fundamenteel vernieuwde en haar in enkele jaren tijd tot een van de brandpunten van de eigentijdse operacultuur transformeerde; en het wekt dan ook geen verwondering dat hij met de bestaande restauratieplannen geen genoegen nam, maar van de gelegenheid gebruik maakte om zijn vernieuwingsdrang ook in bepaalde architectonische transformaties tot uitdrukking te brengen. Hij stelde er naar zijn eigen zeggen prijs op de eigentijdse architectuur en beeldende kunst plaatselijk hun stempel te laten drukken op de renovatie van het oude gebouw. Hiertoe deed hij in eerste instantie een beroep op het bureau 'A.2R.C', een team van jongere architecten dat zich herhaaldelijk, maar tot dusver vooral met papieren projecten, op de post-moderne scène deed opmerken. Dit team, dat zich voor de gelegenheid associeerde met URBAT, schoof het idee naar voren de schouwburg te overbouwen met een nieuwe repetitiezaal, een ingreep die erop neerkwam de hoogte van de nieuwe toneeltoren door te trekken over het hele theatervolume. Wellicht voorziet deze nieuwe ruimte in een behoefte, maar jam-
mer genoeg is de vorm waarin ze uiteindelijk werd uitgevoerd, de uiterlijke verschijningsvorm van de Munt niet bepaald ten goede gekomen.
Een post-moderne ingreep De Muntschouwburg werd in de loop van zijn bestaan weliswaar meer dan eens getransformeerd, het eerst in 1856 door Poelaert die aan de theaterruimte een volledige verdiepinghoogte toevoegde, en daarna, in 1876, door Bordiau die ook de omgevende galerij bouwen met een nieuwe verdieping overbouwde. Maar deze verbouwingen deden geen afbreuk aan het neo-klassieke karakter van het gebouw, ze hielden zich binnen de perken van de klassieke vorm- en proportiecanons - perken die de huidige postmoderne overbouwing nu juist in menig opzicht negeert en te buiten gaat. Het nieuwe bouwvolume, dat zich ruim 10 meter boven het hoofdvolume verheft en waarvan de kroonlijst nogal doortastend onderstreept wordt door een soort fries uit donkerblauw geëmailleerd plaatstaal, dient zich niet aan als een verdere uitbouw van het bestaande gebouw, maar als een ander, onderscheiden bouwwerk dat zich op het oude heeft neergeplant. Hoewel het zich door quasi-klassieke allusies op
Links: De hagelwitte toegangshal van de Koninklijke Muntschouwburg, thans gemarkeerd door de hardstenen vloer van Sol Lewitt en de plafondschildering van Sam Francis (foto G. Charlier). Volgende pagina's: het koninklijk salon, ontworpen door Charles Vandenhove in samenwerking met de beeldende kunstenaars Daniel Buren en Giulio Paolini (foto G. Charlier).
1
I I I I I
44
M&L
de oude vormentaal poogt af te stemmen, manifesteert het zich precies door zijn centraal geplaatst segmentraam als een autonoom bouwlichaam dat zich op de rug van het oude heeft vastgezet en dat het tempelfront van de toegang — de meest beeldbepalende vorm van het gebouw — als een zware last op de schouders drukt: een last die de klassieke gestalte van het gebouw geweld aandoet en er de proporties van ontregelt.
Charles Vandenhove Een gelukkiger initiatief daarentegen was Mortiers beslissing om daarna ook de Luikse architect Charles Vandenhove bij de renovatie te betrekken. Vandenhove, die thans algemeen als een van de meest prominente Belgische architecten wordt beschouwd, heeft zich sedert het eind van de jaren '70 intens toegelegd op een verzoening van moderne architectuur en klassieke traditie - een intentie die hij met meesterschap waarmaakte in projecten als de reconstructie van de wijk Hors-Chateau en de restauratie van Hotel Torrentius, beide te Luik. Voor de Munt maakte hij een drietal projecten: een nieuw door
zuilen afgebakend toegangsplein waarmee hij het visuele zwaartepunt van het bouwvolume opnieuw naar het toegangsportico wil verleggen, de inrichting van de toegangshal, en de transformatie van het koninklijk salon. De twee laatstgenoemde interieurprojecten concipieerde hij telkens in samenwerking met twee beeldende kunstenaars, de hal met Sam Francis en Sol Lewitt, het salon met Daniel Buren en Giulio Paolini. Hiervan werd tot dusver enkel het laatste project volledig uitgevoerd. Over het plein werd nog geen beslissing genomen, en in de toegangshal bleef zijn inbreng beperkt tot een coördinerende rol.
Het koninklijk salon Dit koninklijk salon bevindt ?ich achteraan rechts op de tweede verdieping van het gebouw, in onmiddellijke verbinding met de koninklijke loge, en was oorspronkelijk de plaats waar de vorstelijke bezoekers zich tijdens de pauze konden terugtrekken. Maar zowel loge als salon waren reeds sedert geruime tijd in onbruik geraakt. De Belgische vorsten die thans nog voorstellingen bijwonen.
Opengeklapt bovenaanzicht van het koninklijk salon (tekening Ch. Vandenhove).
• • • • • K B
I S Wk Wm ™ Wm
M&L
45
Studie van Giulio Paolini voor zijn bijdrage tot de inrichting van het koninklijk salon.
stellen er niet langer prijs op om, zoals hun voorouders, in de loge vooraan bij de scène als componenten van het theatrale gebeuren te figureren, maar geven er de voorkeur aan achteraan in een centrale loge plaats te nemen. Mortier vatte dan ook het idee op het verwaarloosde salon een nieuwe bestemming te geven. Hij besloot er een bijzondere receptieruimte van te maken, een salon om hoge gasten te ontvangen en meteen een plaats die kan worden gebruikt als pauzeruimte voor de sponsors van de opera: de personen of instellingen die in ruil voor hun steun over een van de loges zullen beschikken. Hoe transformeerde Vandenhove deze eenvoudige rechthoekige kamer van amper 8 bij 4,20 meter tot een bijzonder kernachtige plaats? Wezenlijk is dat hij deze inrichting van meet af aan opvatte als een samenwerking met de twee genoemde kunstenaars. Hij had weliswaar reeds eerder met kunstenaars gewerkt, met name in projecten als Hors-Chateau en het Universitair Hospitaal van Sart Tilman. Maar terwijl de beeldende kunst in deze projecten noodgedwongen a posteriori werd ingeschakeld, nam hij in deze opdracht de kans waar een project te ontwikkelen in nauwe wisselwerking met de gekozen kunstenaars. Deze aanpak bracht met zich mee dat de architectuur zich hier a priori intoomde. Ze beperkte zich tot enkele eenvoudige ingrepen die, hoe geraffineerd ook, op zichzelf een incomplete, nogal lege indruk zouden maken. Ze poneert enkele elementaire architectonische tekens die ruimte ontsluiten, een ruimte die de twee betrokken kunstenaars elk op hun manier interpreteren en uitwerken. De architectuur stelt, geheel overeenkomstig haar oudste tradities, een ordening in. Ze vestigt een centrum, of in casu twee centra, gemarkeerd door twee forse, vrijstaande volumes: twee bijna identieke witmarmeren zuilen met vierkante doorsnede, de ene bovenaan bekroond met een koperen pyramidale spits, de andere met een
soort van opwaarts geopend kapiteel, uitgevoerd in hetzelfde metaal. De ene, die omhoog wijst, kan als een obelisk worden beschouwd, de andere, die zich met zijn elementair kapiteel openstelt voor een mogelijke belasting, als een pijler. Deze tekens belichamen als het ware twee tegengestelde polen en roepen een axiale ordening op: een centrale langs-as met haaks daarop drie intervalassen. Deze laatste assen worden telkens gemarkeerd door twee tegenover elkaar opgestelde deuren: twee maal drie identieke deuren die alle geperforeerd zijn met twee rijen vierkante raampjes, voorzien van gebronzeerd glas (de drie deuren in de buitenwand stemmen overeen met de oorspronkelijke vensters van het salon, en laten het buitenlicht gefilterd naar binnen dringen; in de tegenoverliggende wand betreft het twee deuren van inbouwkasten en een derde die toegang geeft tot de gang van de loges). De twee zuilen en de twee aan twee tegenover elkaar staande deuren, die alle bekroond worden met een eenvoudige lichtkoof, vestigen samen een elementaire architectonische ordonnantie. Ze stichten een primaire, statische ordening, een loodrechte kruising van twee richtingen, waar de twee andere beeldende uitingen op inhaken. Elk van beide, de vloer van Buren en de plafondcompositie van Paolini, concretiseert op zijn eigen wijze de dynamiek die beide richtingen oproepen. Buren ontwierp een vloer die, hoe zou het anders kunnen, eens te meer uit witte en rode strepen bestaat. Maar deze ledige tekens, die in hun 'autonome' toepassingen behoorlijk irritant kunnen zijn, krijgen hier, in dit kader getraceerd door Vandenhove, een ongewone beeldende betekenis. Uitgevoerd in witte marmer uit Carrara en rode uit Philippeville, markeren ze de dwarsrichting van de ruimte, vormen ze als het ware een krachtveld dat zich tussen de langswanden uitstrekt en die met elkaar relateert. Dit krachtveld is echter, opmerkelijk genoeg, niet geheel gelijkmatig. Het wordt beïnvloed door de elementen die zich op de vloer bevinden, in de eerste
46
M&L
plaats door de twee zuilen. Deze tegengestelde polen brengen, als waren ze magnetisch geladen, in het strokenverloop bepaalde vervormingen teweeg. Ze doen in hun onmiddellijke nabijheid breuken en verschuivingen ontstaan. De verschuivende rode stroken laten blanco's achter en 'plooien' zich aan weerszijden van de ruimte opwaarts om zich plaatselijk voort te zetten op de muren. Ze haken als het ware op de muren in en suggereren ter hoogte van beide polen een intensivering van het krachtveld dat de twee langswanden aan elkaar bindt.
rechterhand nagenoeg de wand raken. Vanaf deze twee punten, vanaf de twee rechterhanden, spande hij daarop vergulde kabels naar de tegenoverliggende hoeken van de ruimte. De spanning tussen beide polen, die hij aldus figuratief tot uitdrukking bracht, concretiseerde hij bovendien nog op een andere wijze, namelijk met de brokstukken van een derde, stukgevallen replica. Hij legde elk der efeben een brokstuk in de hand en verspreidde de andere — hoofd, stukken romp en ledematen — over het plafond.
Van een heel verschillende orde is de interpretatie van het andere krachtveld, dat zich in de langsrichting, dwars over het vorige heen uitstrekt. Het werd door de Italiaanse kunstenaar Giulio Paolini letterlijk in beeld gebracht. Hij reproduceerde de twee polen in de vorm van beelden: twee Griekse sculpturen, althans twee replica's van eenzelfde sculptuur, met name de Efebe van Marathon uit de 4de eeuw voor Christus. Dit klassieke beeld stelt een jongeman voor die, terwijl hij met de rechterhand ergens op steunt, naar zijn opengespreide linkerhand blikt. Paolini plaatste beide replica's op het eind van de langs-as bij elk van de dwarswanden — op sokkels die overigens eens te meer verschuivingen teweegbrengen in Burens stroken — en keerde ze zo dat ze met hun
Deze geheelde spanningen, de verzoening van tegendelen op drie verschillende beeldende niveaus, en de wisselwerking tussen deze niveaus, maakte het nieuwe salon tot een pregnante ruimte, een plaats waar klassiek en modern blijmoedig in elkaar vloeien. Noot: Een duplicaat op ware grootte van het koninklijk salon vormde het kroonstuk van een tentoonstelling over het werk van Charles Vandenhove in de Beurs van Berlage in Amsterdam, van 6 juli tot 24 augustus 1986. Naar aanleiding hiervan werd door de Stichting Wonen de brochure 'Charles Vandenhove' uitgegeven, met onder meer de hier op pagina 44 en 45 gereproduceerde documenten.
Volgende pagina: zicht op de toneelloge aan de noordzijde (foto G. Charlier).
wl
H ^
Kr<
WR
aC
y-
i ^
k vm i
•*>.
48
M&L
De Koninklijke Muntschouwburg in data In de golf van stedebouwkundige vernieuwingen die — reeds ingezet in het laatste kwart van de 18de eeuw met de aanleg van het Koningsplein, de Warande en het Martelaarsplein — in een versneld tempo verwezenlijkt werden tijdens de 19de eeuw, bracht ook de realisatie van het Muntplein en de centraal ingeplante Muntschouwburg met omringende pleinwandvormende bebouwing van 1817 tot omstreeks 1822, een opvallende wijziging in het bestaande, historisch gegroeide stadsweefsel binnen de Brusselse Vijfhoek.
J. Braeken en L. Mondelaers, B.M.L. 'Theatre Royal de. Bruxelles'. Goetghebuer PJ., Choix des monumens edifices et maisons les plus remarquables du royaume des Pays Bas, Gent, 1827, Plaat XLIV.
L.E.A. Damesme: 1817-1819 Voorheen was het bouwblok binnen de Wolvengracht, de Warmoesberg, de Schildknaapstraat en de vroegere trechtervormige Muntstraat, voor een groot gedeelte ingenomen door het in 1700 wederopgebouwde dominicanenklooster en de meer westelijk gelegen 'GrandOpéra', in 1700 voltooid door de Italiaanse architect Gia-Paolo Bombarda, geadviseerd door architect Paolo Bezzi. Gezien de bouwvallige toestand van dit gebouw in 1785, besloot de Stad een nieuwe schouwburg op te richten. Gharles de Wailly (1730-1798), befaamd Frans architect, diende in 1785 reeds een ontwerp in voor de plaatselijke wederopbouw van de schouwburg, en in 1791 een tweede ontwerp voor de wederopbouw ter hoogte van het voormalige Gerechtsplein, nabij de Zavel. Het project
van zijn landgenoot, architect Fran§ois Joseph Belanger (1744-1819) uit 1804 (1), voorzag op de plaats van het oude klooster een ruim complex met winkels, een beursgebouw, een handelsrechtbank en een 'salie de spectacle'. Om diverse redenen werden al deze plannen echter niet uitgevoerd. Op 19 mei 1810 werd bij keizerlijk decreet de Stad de verplichting opgelegd
Doorsnede door architect L.E.A. Damesme. z.d. Stadsarchief Brussel. Plans Portefeuilles, 549.
/V
f-Tf
[3D
1^-1-!
de bouw aan te vatten van de nieuwe schouwburg. De opdracht werd toevertrouwd aan de Franse architect LouisEmmanuel-Aimé Damesme (17571822), maar werd ingevolge de val van Napoleon uitgesteld. In 1811 kocht de Stad de gronden op van het in 1797 afgebroken dominicanenklooster. Ter hoogte van de voormalige kerk (huidige Leopoldstraat) bouwde Damesme een ma-
M&L
nège. Na sloping van deze manége en de oude schouwburg ging de Stad in 1819 over tot de openbare verkoop van de verkavelde terreinen (2). De diverse gedateerde en door Damesme gesigneerde ontwerpen (3) met inplanting van de manége (1812) en de nieuwe schouwburg (1817) evenals latere verkavelingsplannen (1819-1821), tonen duidelijk het ensemble volgens een karakteristiek geometrisch rechthoekig aanlegpatroon: twee rechtlijnige straten (Prinsenstraat, Koninginnestraat) aan weerszijden van de schouwburg, haaks geprojecteerd op een verbindingsstraat (Leopoldstraat) tussen Wolvengracht en Schildknaapstraat. Een blijkbaar geplande — doch niet gerealiseerde — uitgebouwde galerij omzoomde de verschillende straatwanden. Het eigenlijke plein, opgevat als een voorplein, werd gecreëerd op de plaats van de vroegere schouwburg. Qua opstand tonen iconografische bronnen uit de eerste 19de eeuwhelft (4) een evenwichtig gesloten geheel, opgetrokken in streng neoclassicistische stijl, waarbij de onder leiding van architecten Jean-Baptiste Vifquain (1789-1854) en
JU.
r
«
m
t
.
•
(
. . m m m . . .
i^'
•k • 1^7 ~~-~
i
, m i
Lj
NIT Reccipilulatum 6ejn'rnlf da Jiimilirp des places CUIÜTIIUL'S dans la baJli
Doorsnede door architect-decorateur C. Séchan, 1853. Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 555.
w
r
49
•
ijl; 1 •
m m m m m a^JI
Plattegrond gelijkvloerse verdieping door architect L.E.A. Damesme, 1817, Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 549.
Henri-Louis-Fran§ois Partoes (17901873) opgetrokken (5) omringende huizenrijen, homogene pleinwanden vormen ten opzichte van de schouwburg. Typerend is het sobere, witbepleisterde en uniforme uitzicht van de twee identieke, drie bouwlagen hoge straatgevels van de Prinsenstraat en de Koninginnestraat, met kopgebouwen opgevat als paviljoenen. Vanop het plein fungeren de symmetrische risalietpartijen met frontonbekroning van de Leopoldstraat, als oostelijke eindperspectieven. Na de goedkeuring door de regerende autoriteiten van de in 1817 door Damesme voorgelegde ontwerpen voor de 'Koninklijke Muntschouwburg' (6), werd in datzelfde jaar nog gestart met de bouwwerkzaamheden. De plechtige opening vond plaats op 25 mei 1819 met de opvoering van 'la Caravane du Cake' van A.E.M. Grétry. Damesme bouwde zijn schouwburg in een strakke — toen heersende — neoclassicistische stijl: een sobere, vrij functioneel opgevatte en nagenoeg decoratieloze architectuur, met evenwichtige opbouw en horizontale accenten. Het rechthoekig gebouw, met puntvormige voor- en achtergevels in top geopend door rondbogige drielichten, werd afgedekt met een zadeldak. De imposante lagere toegangspartij werd deels opgevat als een portiek, onder gecombineer-
de zadel- en lessenaarsbedaking. Acht Ionische zuilen ondersteunen het brede entablement en het markante driehoekige fronton met aflijnende, getande lijst. Het tympaan, waarvoor oorspronkelijk een gebeeldhouwd reliëf was voorzien, bleef onversierd. De hoofdgevel telde vijf omlijste rondboogvormige toegangen en rechthoekige bovenvensters met hoofdgestellen en balkons. Rondom de lange noord- en zuidgevels en de korte achtergevel loopt een wandelgalerij onder lessenaarsdak, met rondbogige arcadenstructuur op de begane grond, bijna vierkante, omlijste bovenvensters en een markerend kordon onder het mezzanino. In totaal gaven zeven deuren toegang tot het gebouw. Volgens doorsneden en plattegronden (7) was de voorbouw verticaal opgedeeld in een ruime toegangshal en een foyer, met Dorische en Corinthische zuilen. De toeschouwersruimte — met een capaciteit van 1500 zitplaatsen — werd geconcipieerd als een halve, uitgelengde cirkel met beneden een licht hellend grondvlak met parket en parterre omgeven door loges; erboven vier rangen balkons in loodrechte opstelling met loges gescheiden door colonnetten, aan het voortoneel een koninklijke en prinselijke loge verfraaid met kariatiden door Francois Rude.
50
M&L
Tenslotte was het geheel afgedekt met een met goud geornamenteerd, koepelvormig plafond. Tijdgenoten prezen de zaal als '.„que l'on peut compter parmi les plus belles de l'Europe,, (8). De verkommerde toestand van het interieur in 1845, maakte een aantal verfraaiingswerken noodzakelijk, die toevertrouwd werden aan de Parijse decorateurs Charles Séchan (1803-1874) en Ed. D J . Despléchin (1802-1870). Het betrof voornamelijk herschilderingen in wit en rood van plafond en zaal, vernieuwing van het verguldsel en mobilair, vervanging van het toneelgordijn, vergroting van de orkestbak en herinrichting van de grote foyer.
Ch. Séchan: 1853
Tegen het einde van 1852 besliste de Stad de toeschouwersruimte grondig te vernieuwen. Ondanks de ingreep van 1845 werd de Munt reeds geruime tijd zijn titel van 'Koninklijke Schouwburg' onwaardig bevonden — „L'étranger d la capitate, qui n'était pas familiarise avec eet intérieur sombre, triste et glacial, ne pouvait se défendre d'une impression désagréable en s'asseyant dans Ie premier thé&tre du royaume,, (9) — zeker in vergelijking met de rijke en elegante aanblik die de nieuwere schouwburgen in de 'provinciesteden' Antwerpen, Gent en Bergen boden. De opdracht werd opnieuw toevertrouwd aan de gerenom'architect-decorateur' Charles Plattegrond gelijkvloerse verdieping door meerde arSéchan, die meerdere ontwerpen indienchitect-decorateur C. Séchan, 1853. Stadsarde. In de loop van mei 1853 werd het chief Brussel, Plans Portefeuilles, 555.
project goedgekeurd, waarbij de oude zaal volledig werd gesloopt en wederopgebouwd, mits behoud van de bestaande trappen. Begin juni, onmiddellijk na de beëindiging van het theaterseizoen, werden de werken aangevat, en reeds op 6 september werd de nieuwe zaal ingehuldigd met de opvoering van 'Lucia di Lammermoor' en 'Les Noces de Jeannette'. Het interieur met zijn SecondEmpiredecor in rode en gouden tinten, vertoonde als belangrijkste vernieuwingen de getrapte amfitheatervormige opstelling van de vier balkons, met sterk vooruitspringend eerste balkon, en de monumentale uitbouw van de twee toneelloges — waaronder de koninklijke — over de gehele zaalhoogte. De zaalcapaciteit bedroeg evenwel nog slechts 1225 plaatsen (10). Op 24 september 1854 werd het bas-reliëf dat het fronton van het portiek siert, onthuld. De uitvoering van dit beeldhouwwerk, voorstellende 'De Harmonie der menselijke Driften', was in 1851 toevertrouwd aan Eugène Simonis (18101882) (11).
M&L
51
toeschouwersruimte, gedragen door vier paar kolommen, hernam hij grosso modo de dispositie van Séchan, doch verbreed en verdiept, en met bijkomende amfitheaters op de hoogste twee rangen, wat de capaciteit weer op 1575 plaatsen bracht. Het circulatie- en trappensysteem, evenals het toneelhuis en de machinerie werden verbeterd en uitgebreid. De Parijse schilders Nolau en Rubé stonden in voor de versiering; hun belangrijkste realisatie was de plafondschildering van de toeschouwersruimte voorstellende 'België als beschermer van de Kunsten', naar kartons van Henri Hendrickx (1817-1894), Frans Verheyden (1806-1889), Edouard Hamman (1819-1888) en Karel Wauters (18091869) (14). De muurschilderingen van de toegangshal en de eretrap werden pas van 1909 tot 1930 uitgevoerd door Emile Fabry (1865-1966) (15).
G. Bordiau; 1873-1878 Van 1873 tot 1878 werd de Muntschouwburg uitgerust met een voor de tijd op-
iLIALi Lt. _.". RECöN.TPiaiH
Doorsnede van het foyer door architect J. Poelaert, z.d. Stadsarchief Brussel, Nouveaux Plans. 27.
J. Poelaert: 1855-1856 In de ochtend van 21 januari 1855 brak een felle brand uit in het toneelhuis, die slechts het portiek en de buitenmuren overeind liet (12). Reeds op 25 januari kondigde de Stad de modaliteiten voor de wederopbouw af: de bestaande perimeter diende te worden gerespecteerd, het gebruik van onbrandbare materialen werd vooropgesteld, het ontwerp zou het voorwerp vormen van een wedstrijd, zonder beperkingen qua ruimte-indeling, vorm of stijl, doch wel qua budget, waar twee miljoen frank als maximum werd aangenomen. Uit eenendertig inzendingen, waaronder enkele in opdracht, werden op 26 februari de twaalf belangrijkste besproken, met name van de architecten Gottfried Semper (18031879), Joseph Poelaert (1817-1879), Frangois Derre, J.F. Deconchy (18271911), Charles Séchan (1803-1874),
Pierre Bouria (1783-1866), Louis Spaak (1804-1893) en Frangois Coppens (17991873). De voorkeur ging uit naar Joseph Poelaert, wiens gewijzigd project op 24 maart werd goedgekeurd (13). De inhuldiging van de nieuwe schouwburg vond precies één jaar later plaats, op 24 maart 1856, met de opvoering van 'Jaguarita l'Indienne'. Poelaert betrok de omlopende galerij bij het interieur, voegde de twee paviljoenen aan weerszijden van het portiek toe — versierd met cartouches met de jaartallen 1819 en 1856 en kariatiden door Egide Mélot (1816-1885) en Victor Poelaert (1820-1859) —, schoof de westgevel vooruit onder een doorlopende balustrade, doch behield de oostelijke puntgevel. Het gebruik van gietijzer in de constructie, voornamelijk voor roosteringen en dakspant, kwam tegemoet aan Je brandveiligheidsvoorschriften. Het interieur kreeg een somptueuze aankleding in Second-Empirestijl. In de
• "-a • ,,,
•*-*—!
Ti,
j J ,':>rL.i
':•-.*•
» 'f'''
•
•
-'•'.-*'
Plattegrond eerste verdieping door architect J. Poelaert, 1855. Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 566.
52
M&L
sekte in een hoog oplopende en breed uitkragende, modernistische mantel (20). Aangezien het gebouw niet meer beantwoordde aan de huidige veiligheidsvoorschriften en de toneeltechnische installaties sinds geruime tijd niet meer efficiënt bleken te zijn, werd in juli 1985 gestart met modemiseringswerken. Voor dit grootse renovatieproject werd een beroep gedaan op twee architectengroepen, met name A.2R.C (Brigitte D'Helft, 0 1955; Mare Libois, 0 1935; Patrice Neirinck, 01954; Michel Verliefden, 0 1953) en URBAT (Jacques Aron, 0 1933; Frederic De Becker, 01934; Pierre Puttemans, 01933) en op architect Charles Vandenhove (01927) (21). Doorsnede door architect J. Poelaert, 1855. Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 566. merkelijk verwarmings- en verluchtingssysteem, ontworpen door architect Gédéon Bordiau (1832-1904) — die hiervoor een gouden medaille ontving op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1878 — en uitgevoerd door de Parijse constructeurs Geneste, Herscher et Cie (16). Eveneens naar ontwerp van Gédéon Bordiau werd in 1876 een verdieping met dienstlokalen toegevoegd in eclectische stijl, opgevat als een zuilengalerij met risalieten, zonder veel rekening te houden met de ordonnantie van de onderliggende gevels (17).
De restauratie en uitbreiding van de Muntschouwburg werden reeds vanaf het begin van deze eeuw voorbereid, getuige daarvan projecten gaande van een discrete verhoging van de toneeltoren door Gédéon Bordiau in 1902 (18), tot een kolossale uitbouw in Beaux-Artsstijl door ingenieur Albert Morglia in 1909 (19). In 1942 werd zelfs een wedstrijd georganiseerd waarbij portiek en toeschouwersruimte dienden te worden bewaard. De eerste prijs werd toegekend aan architect Louis Herman De Koninck (1896-1984), die het oude gebouw inkap-
Opstand zuidgevel door architect G. Bordiau, 1873. Stadsarchief Brussel, Nouveaux Plans, 27.
Voetnoten (1) Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 546 (1-6) (2) Stadsarchief Brussel, Propriétés Communales, 9087 (3) Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 922 (1-3), 554, 549 (1/8,8/8) (4) Lithografie Dewasme, 1822, Collection des principales vues des Pays-Bas chez Dewasme et compagnie, 5de aflevering, Doornik, s.d. Goetghebuer P.J., op. cit., pi. XLIV Aquarel J.B. De Noter en J.B. Madou, Martiny V.G., Bruxelles. L'architecture des origines è 1900, Brussel, 1980, pi. XU-l
M&L 53
Opstand westgevel door de bureaus A.2R.C en URBAT, 1986.
(5) Stadsarchief Brussel, Actes Administratives, vol. 1819-1820, rep. 1647; Plans Portefeuilles, 552 (1-2) (6) Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 549 (1-8), 554 (7) Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles 549 (32-7/8); Goetghebuer P.J., op. cit. , pi. XLV, XLVI; Journal Beige de l'Architecture, 4de jg., 1851, pi. XXIII, XXIV (8) Goetghebuer P.J., op. cit., p. 32 (9) Journal Beige de l'Architecture, 6de jg., 1854, p. 10 (10) Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 555 1-22/22. Journal Beige de l'Architecture, 6de jg., 1854, p. 10-15, pi. I en II (11) Stadsarchief Brussel. Openbare Werken, 30093. Marchal E., Louis-Eugène Simonis, Brussel, 1876, p. 30-38 (12) Journal Beige de rArchitecture, 7de jg., 1855, p. 19-20
(13) Bulletin Communal de Bruxelles, 1855, 1ste semester, p. 43-45, 152-180, 204-230 (14) Stadsarchief Brussel, Plans Portefeuilles, 566 1-4/4; Nouveaux Plans, 27; Openbare Werken, 33457-33480. Journal Beige de l'Architecture, 7de jg., 1855, p. 46-49 (15) Stadsarchief Brussel, Schone Kunsten, 272 en 347 (16) Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, 33482-33483. L'émulation, 4de jg., 1878, kol. 72, pi. VI-VIII (17) Stadsarchief Brussel, Nouveaux Plans, 27; Openbare Werken, 13621 (18) Stadsarchief Brussel, Nouveaux Plans, 27 (19) ld. (20) L.H. De Koninck, Archives d'Architecture Moderne, 1980, p. 329-335 (21) Paysages d'architecture, tentoonstellingscatalogus. Archives d'Architecture Moderne, Brussel, 1986, p. 106, 144.
Beknopte literatuuropgave — Goetghebuer P.J., Choix des monumens, edifices et maisons les plus remarquables du royaume des Pays-Bas, Gent, 1827 — Henne A. en Wauters A., Histoire de la Ville de Bruxelles, Brussel, 1975, dl. III, p. 250-264 — Isnardon 3., Le Theatre de la Monnaie depuis sa fondation jusqu'i nos jours, Brussel, 1890 — Journal Beige de l'Architecture, 4de jg., 1851, p. 188-189; 6de jg., 1854, p. 10-15; 7de jg., 1855, p. 19-20, p. 46-49 — Martiny V.G., Charles de Wailly, architects du roi de France et les premiers projets de construction d'un nouveau Theatre a Bruxelles, Etudes sur Ie XVIIle siècle, dl. IV, 1977, p. 87-99.
54
M&L
Summary An Inn Called 'In 't Hof van Engeland' at Torhout (Western Flanders) A 20 years ago the 18th-century inn called 'In 't Hof van Engeland", was threatened with demolition when plans emerged for widening the Torhout-Ostend road. The connection Bruges-Torhout-Menen came into being in the Austrian times, when the local lord of Wijnendale decided on financing the realization of this road in order to enable the exploitation of his Wijnendale forest. He was allowed to construct toll bars along this road - as a compensation for his investment - in the vicinity of which he erected halting-places for horses. 'In 't Hof van Engeland' must have originated in this context, sometime between 1750 and 1760. This plain building provides a landmark in the area. Remarkably enough it has been spared from any drastic alterations, its interior even having survived almost unmodified. Its two-storeyed main volume was flanked by two lower annexes, the right one of which was torn down in 1960. The front is pierced by rectangular windows and a central door with a surround composed of small, decorative dark blue bricks. The brick front is painted in ochre above a tarred plinth. The sash windows are likely still the original ones, painted in green and white. Of the first floor the utmost left window has been rebuilt into a loading door. The gate of the left annex has been boarded up. Since the future of this road house became insecure as a result of the threatening expropriation, even the elementary works of upkeep were suspended. Consequently, its condition in 1983 was one of advanced dilapidation. Restoration had become unavoidable, though the works would very much resemble a thorough overhaul. The option for subsidizing works of upkeep could in this case be justified because of the abovementioned insecurity as to the building's further existence. The works mainly comprised revision and repair of roofs and facades. The original situation was approached as much as possible, to the extent that data were available and that omission of certain later additions did not harm the original materials. This restoration proves that Monument Conservation need not be excessive or unpayable in order to be valuable.
Elzenwalle, a Selfmade Castle at Voormezele (Western Flanders) from after the First World War The Ypres area, situated in the western part of Flanders, called 'De Westhoek', was a charming rural area in the 18th and 19th century attracting many people from peerage and bourgeoisie to build their countryhouse there. The First World War came to disturb the serenity, but soon after Armistice was proclaimed the reconstruction could start of the innumerable destroyed buildings. In most cases a traditional, regional and historicist architecture was preferred. But not so for Elzenwalle castle. The pre-war castle, deriving its name from the abundantly growing adlers (elzen) in the area, was conceived on a rectangular ground-plan as a one-storeyed construction under a mansard roof, dominated by a built-in octagonal mid-tower and two square corner towers. In this condition it passed into the ownership of the niece of the first proprietor, Leon de Gheus d'Elzenwalle, who married the Brussels architect Ernest Blerot in 1910. He would be the architect to reconstruct Elzenwalle castle. Blerot's career as an architect can be related on the one hand to the urbanization and town extension characterizing 19th-century Brussels, and to the arising of Art Nouveau as a new 'Modern Style' on the other hand. The building of his own Art-Nouveau house at Eisene (near Brussels) meant an architectural climax in his career.
In 1921 Blerot began work on the reconstruction of Elzenwalle castle, making use of a financial war compensation. The influence of the prewar castle on Blerot's creation remained restricted to the ground plan and the central tower. Blerot divided the new castle into two parts: a one-storeyed apartment for his father-in-law, and two-storeyed livingquarters for him and his family. Both wings are linked by means of a common hall and an octagonal reception room, which is crowned by an open dome. The entire project was realized in reinforced rubble concrete — reusing the material of the pre-war construction — except for brickwork that was used to heighten the foundation. The choice of concrete as the building material might be prompted by his aspiration to protect his family in case that another war breaks out. In the meantime the Second World War and weather conditions have affected the building but only to a minor extent. The solid construction has not been impaired. The castle is still inhabited at present by one of Blerot's daughters.
Brussels 1640-1980. The Evolution of the Street-pattern in Seven Phases — A Charted Synthesis The Amsterdam town-planner, Jos Hogenes, conceived the idea to devote a historical study to the evolution of the Brussels street-pattern. His study includes nine maps step by step showing the development of the Brussels pentagon. Hogenes' inquiry was used by the St Luke's Archive of Brussels as a basis for the composition of a new overview map. Seven maps of reference are involved, dating from 1640 to 1980. The colouring allows to read from the map the town planning history of every spot. The disappeared water parts are coloured in light blue, the existing ones in vivid blue. The plan of the 13th and 14th-century walls is entirely dotted. The parks, building blocks, the most salient monuments and the dwelling quarters all got an own colour. It appears from the map that the medieval urban tissue of winding streets can still be recognized in the present street-pattern, and that disappeared structures, on the other hand, can still be 'felt' in the present urban tissue. The most important axis in Brussels in 1640 was in east-western direction, a 'paved' road from the lower to the higher area. This axis has trice been interrupted in the course of history; new axes in northsouthern direction were laid out: the Koningsstraat (1777), the Central avenues (1894) over the vaulted Zenne and, finally, the north-southern connection (1931-1980). Apart from being a historical and touristic document this charted synthesis has a scientific value, as it provides a basis for future town planning and architectural developments in the town centre.
The Facade of the House Gewad 33 in Ghent. A Showpiece The petrification process of houses that had started in the 14th century in view of diminishing the risk of fire, experienced an accelerated development in the 17th century. Town-embellishment had become one of the prime endeavours by the town council, for the sake of which they even granted a building subsidy. In return the beneficiary had to take into account a number of building regulations (restrictions), one of which was the use of brick as building material. The origin of the house Gewad 33 in Ghent, at the corner of Gewad and Abrahamstraat, is to be situated in this context. This brickwork house, built at the beginning of the 18th century on the spot of a former wooden construction, was to accommodate a baker's shop and a dwelling. Originally it was conceived as a traditional building with brick-
M&L
work cladding, cross-bar windows and sandstone blocks punctuating the door surround. The design included a shaped gable with a triangular fronton and an ornamental vase, in answer to the fashionable style of the day. The realization did, however, differ from this design. The facade in the Gewad was not only more richly decorated, but also it displayed a more skeleton-like facade articulation, with only a small sandstone mullion between the window bays. As to the Abrahamstraatfacade the town council requested to add a window with volutes and a triangular fronton, this in return for the subsidies. This case is one of the many in Ghent to illustrate that apart from the town's safety the town council also had embellishment in mind. In spite of the prescriptions the realization of this house was not entirely in conformity with the building design. Differences mainly concern the use of materials. Due to the shifts in function the house Gewad 33 was several times adapted, what added to its decay. By the 19th century already the house found itself in a deteriorated condition. A preliminary study for restoration in 1936 makes mention of the need for repair that would be very close to a reconstruction. This situation had not at all improved by 1981, when the house was legally protected as a monument. The new proprietor intended to restore his monument in its former splendour, and to occupy it himself. One opted for a restoration that would approach the original situation as much as possible, as this always remains a very enticing prospect. Research on the spot, the original building design, the then municipality ordinances and comparative study were all very helpful in recomposing the likely original situation. Yet a problem did emerge. Traces were found of an oxblood paint on the brickwork and of a specific kind of jointing called 'dagstrepen', that aimed at imitating the rigid pattern of straightly baked bricks. Some parts were painted in ochre so as to suggest regular blocks in stone. This outlook should be restored, but something went wrong with the jointing: the rigid pattern could not easily be re-established, due to the use of recuperation material. For this aspect a comparative study was lacking. This illustrates that a mere reproduction based on the discovery of fragmentary traces, is not always successful. Nevertheless the restoration as a whole belongs to the better ones in Ghent, if only because it breaks with the tradition of a merely instinctive overestimation of the natural, 'pure' aspect of the building material.
The Restoration of the Royal Salon in the Restored 'Theatre de la Monnaie' Recent works at the Royal 'Theatre de la Monnaie' at Brussels were mere functional interventions and rehabilitations, in view of enhancing the building's safety. The physical features of the 19th-century building were not affected. But this was before 1981. In this year a new president was appointed, who would comprise in his urge for innovation the theatre's architecture. A new rehearsal room is now built on top of the theatre, an intervention that, unfortunately, does not add to the aesthetic outlook. Though the theatre has been transformed before, the Neoclassical character always remained untouched upon. Yet, this recent addition does not seek any integration into the building, but presents itself as an autonomous construction upon an older one, thus disturbing the nice proportions of the whole. Another renovation concerns the Royal Salon, for which the Liège architect Ch. Vandenhove was contacted. This prominent Belgian architect is renowned for his endeavour to reconcile modern architecture with classical tradition. He designed three projects for this theatre: an entrance square encompassed by columns so as to shift the visual centre to the entrance portico; the design of the entrance lobby;
55
the transformation of the Royal Salon. Since the latter was no longer used by the Royal Family it would be turned into a reception room for special guests. How could Vandenhove, together with two visual artists. Buren and Paolini, make a core place of this relatively small salon ? In accordance with its oldest tradition the architecture would — here too — establish an organization. It creates two centres in the shape of detachted white marble columns, one crowned with a cupper pyramidal spire, one with a kind of opened capital, also in cupper. They embody two poles and evoke an axial disposition: a central, longitudinal axis with three transverse interval axes. Each of the latter is marked by two opposing doors pierced by two rows of square windows. As such a primary, static disposition is created, a square intersection of two directions, which will be taken up by both the other visual expressions: the floor and the ceiling. The red and white stripes of the floor by Buren mark the transverse direction of this space, they form a kind of force field yet influenced by the physical presence of the columns, which cause a deformation in this field: red stripes continue onto the walls in a bended movement, leaving behind a white gap on the floor. They thus link the two longitudinal walls. The longitudinal field force, on the other hand, is of an entirely different kind. Paolini reproduced the two poles in the form of two replica's of one sculpture, viz the Greec Efebe of Marathon. They represent a young man his right hand almost leaning on something, and staring at his open left hand. They are put on a pedestal — also influencing Buren's force field — at the end of the longitudinal axis near the transverse walls. Their right hands almost touching the walls, serve as the juncture for gilded cables which run towards the opposite corners. The tension between the two poles is furthermore enhanced by means of fragments of a third broken replica, the pieces being shattered over the ceiling.
The visualized tension, the conciliation of oppositions on three visual levels, and the interaction between these levels, make a pregnant room of the Royal Salon, a place where classic and modern cheerfully blend into each other.
The 'Theatre de la Monnaie' in dates This theatre was erected in replacement of a more westerly situated 'Grand Opera', completed in 1700. The decay of the latter at about 1785 led to the decision to build a new one. A first project was designed by Ch. De Wailly, but not realized. The commission was ultimately passed on to L.E.A. Damesme. He designed a rigidly Neoclassical building, situated on a square that was lined with homogeneous, whitewashed facades. The theatre was completed in 1817. The audience hall was counted among the most beautiful in Europe. The somewhat languished interior by 1845 necessitated works of repair, carried out in 1853 by Ch. Séchan: the old audience hall was demolished and reconstructed, the stepped, protruding amphitheatrelike composition of the four balconies and the monumental protrusion of the two stage loges being the most conspicuous innovations. A fire in 1855 destroyed the entire theatre, except for portico and exterior walls. The Town offered a prize for the reconstruction, that was won by J. Poelaert. The project included some measures answering to fire safety prescriptions. A — for that day — revolutionary system for heating and air-conditioning was installed in 1873-8, to a design by G. Bordiau. The restoration and extension of the theatre were prepared already at the beginning of our century, as appears from projects by Bordiau and Morglia. The recent works of modernization, started in 1984, were enthrusted to two groups of architects, A.2R.C and URBAT, and to the architect Ch. Vandenhove.
DOCUMENTATIEMAP LANDSCHAPSONDERZOEK 14 = KUSTDUINEN VERSUS WATERWINNING & VEGETATIE VAN EEN RIVIERDUIN Een uitgave van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu - BESTUUR VOOR MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN - 65 bladzijden - offset - talrijke kaarten en diagrammen - uitgebreide Franse en Engelse résumés formaat 21 X 29,7 cm - prijs : 100 Bfr.
Documentatiemap Landschapsonderzoek nr. 14 (juni 1986) bevat volgende bijdragen : • Flora en geomorfologie versus waterwinning in het duingebied Groenendijk te Oostduinkerke door G. Ostyn. 'Groenendijk' is een van de weinige duingebieden aan de Belgische kust waar de overgang van strand via duinen naar polders nog duidelijk aanwezig is en waar nog tijdelijk onder water staande pannen voorkomen. Deze situatie wordt echter ernstig bedreigd door een geplande waterwinning. (33 pagina's) • Geomorfologie en vegetatie van een rivierduinrelict : het Speelbos te Weiteren door P. van den Bremt. Het Speelbos, het best bewaarde restant van de stuifduinmassieven langs de Schelde in OostVlaanderen, herbergt een aantal vegetatietypen die buiten het Kempisch district zeer zeldzaam zijn geworden. Deze vegetaties kunnen slechts in stand gehouden worden indien bepaalde beheersmaatregelen worden getroffen. (20 pagina's) • Genoteerd in de Marge (6 pagina's) Een selectie van opmerkelijke citaten uit recente aanwinsten van het Documentatiecentrum voor Landschapsecologie en Milieuplanning.
De Documentatiemap kan bekomen worden door 100 Bfr te storten of over te schrijven op de rekening nr. 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg.
TIEN HOMMAGES AAN BELGISCHE ARCHITECTEN
HOMMAGE NUMBER ONE - VIKTOR HORTA TASSELHUIS, 1893-1897 DEZE POSTER TOONT EEN NIET-KONVENTIONEEL BEELD UIT HET PAS GERESTAUREERDE TASSELHUIS, VIKTOR HORTA 'S EERSTE MEESTERWERK IN ART-NOUVEAU-STIJL. HET IS DE EERSTE AFFICHE IN EEN SERIE VAN TIEN, ALS HOMMAGE AAN BEKENDE BELGISCHE ARCHITECTEN UIT HET VERLEDEN EN HET HEDEN. OOK DE TWEEDE AFFICHE VAN DE SERIE (HOMMAGE NUMBER TWO - JOSEPH POELAERT - JUSTITIEPALEIS, 1866-1883 - BRUSSEL, POELAERTPLEIN) IS INDRUK. ZE STELT DE BEKENDE MINIMENTRAP VOOR VAN HET BRUSSELSE JUSTITIEPALEIS. UITGAVE:PLAIZIER, SPOORMAKERSSTRAAT50,1000BRUSSEL DRUK: CARTO, BRUSSEL COPYRIGHT: SINT-LUKASARCHIEFvzw FORMAAT: 60 X 80 cm, zevenkleurendmk, 250gr. FOTO: PA UL DE PRINS PRIJS: 550 fr. PER AFFICHE / VERZENDINGSKOSTEN: 100 fr. TE BESTELLEN BIJ : KUNSTWINKEL PLAIZIER SINT-LUKASARCHIEF vzw SPOORMAKERSSTRAAT 50 PALEIZENSTRAAT 70 1000 BRUSSEL 1210 BRUSSEL
CEMENTINJECTIE
POLYMEERCHEMISCHE HOUTRESTAURATIE
EPOXYINJECTIE
ONDERWATERINJECTIE
Slopen hoeft niet: N.V. E.C.C, restaureert oude metselwerken, houten balken, natuursteen, beton, enz... Ook uitwendig gelijmde wapeningen en verlij mingen. Lost extreme problemen probleemloos op. En brengt tevens het herstelde op zijn oorspronkelijke sterkte terug. Zonder hak- en breekwerk. Snel en zeker.
NEEM LIEVER DE TELEFOON EN BEL N.V. E.C.C. 03-828.94.95 (5L) N.V. E.C.C. Terbekehofdreef 50-52 - 2610 Antwerpen Tel. 03/828.94.95 (5 I.) - Telex 73332 ECC