Raad Hoger Onderwijs 9 maart 2021 RHO-RHO-ADV-2021-003
Opvolging van het Bolognaproces Advies over het Romecommuniqué en aandachtspunten voor Vlaanderen
Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be
Advies op eigen initiatief Uitgebracht door de Raad Hoger Onderwijs op 9 maart 2021 met eenparigheid van de stemmen. Voorbereiding: werkgroep Internationale tendensen hogeronderwijsbeleid op 3 december 2020, 14 januari 2021 en 5 februari 2021 onder voorzitterschap van Frederik De Decker Dossierbeheerder: Tine Degrande
Vlaamse Onderwijsraad – Koning Albert II-laan 37 – BE-1030 Brussel – info@vlor.be – www.vlor.be
1 SITUERING
2
2 BESCHERM EN BEVORDER DE FUNDAMENTELE WAARDEN IN DE EUROPESE HOGERONDERWIJSRUIMTE (EHEA)
2
3 INHOUDELIJKE PRIORITEITEN ROMECOMMUNIQUÉ
3
3.1 ‘INCLUSIVE EHEA’: REALISEER EEN INCLUSIEF HOGER ONDERWIJS DOOR…
3
3.1.1 … zicht te krijgen op de sociale dimensie van hoger onderwijs
3
3.1.2 … de toegang tot en doorstroom in het hoger onderwijs te versterken
3
3.1.3 … de aandacht voor sociale inclusie door te trekken
4
3.2 ‘INNOVATIVE EHEA’: REALISEER EEN INNOVATIEF HOGER ONDERWIJS DOOR… 5 3.2.1 … studentgecentreerd leren te implementeren
5
3.2.2 … flexibele trajecten te realiseren in het kader van levenslang leren 5 3.2.3 … inter- en transdisciplinariteit te realiseren in onderwijs en onderzoek
6
3.2.4 … de ontwikkeling van 21steeeuwse vaardigheden te ondersteunen 6 3.2.5 … digitale competenties te bevorderen
3.3 ‘INTERCONNECTED EHEA’: REALISEER EEN VERBONDEN HOGER ONDERWIJS DOOR…
6
7
3.3.1 … fysieke naast virtuele en ‘blended’ internationale mobiliteit te behouden
7
3.3.2 … internationale studentenmobiliteit ook te bevorderen naar het Verenigd Koninkrijk en het globale zuiden toe
7
3.3.3 … internationalisering ruimer te bekijken dan internationale mobiliteit
8
3.3.4 … structurele samenwerkingen tussen instellingen te ondersteunen8 3.3.5 … de brug te maken met andere domeinen 4 IMPLEMENTATIE VAN HET COMMUNIQUÉ
8 9
4.1 IMPLEMENTATIE VAN DE ‘KEY COMMITMENTS’
9
4.2 RANDVOORWAARDEN VOOR DE IMPLEMENTATIE IN VLAANDEREN
9
4.2.1 Behoud de positie van Vlaanderen als voortrekker in het Bolognaproces en bewaak de discrepantie tussen landen 4.2.2 Zorg voor een adequate financiering en regelgeving
9 10
4.2.3 Garandeer inbedding in de Vlaamse internationaliseringsstrategie 10 5 VERKEN DE EUROPESE HOGERONDERWIJSRUIMTE IN EEN GLOBALE SETTING
11 1
1 Situering De ministers verantwoordelijk voor hoger onderwijs van 49 Europese landen komen elke twee à drie jaar samen om een stand van zaken op te maken van het Bolognaproces: het creëren van een Europese ruimte voor hoger onderwijs. Omwille van de coronapandemie vond die ministeriële conferentie op 19 november 2020 uitzonderlijk online plaats.1 De conclusies van de ministers worden traditiegetrouw vastgelegd in het Romecommuniqué en bijhorende annexen. Daarin worden de toekomstvisie, de prioriteiten en werkpunten voor een Europese hogeronderwijsruimte (European Higher Education Area, EHEA) geduid. De Vlor heeft het Bolognaproces de voorbije 20 jaar nauw opgevolgd en heeft de traditie om advies uit te brengen ter voorbereiding van of in navolging van een ministeriële conferentie. In het voorliggend advies reageren we op het Romecommuniqué en op de bijhorende drie annexen (2020). We focussen daarbij op aandachtspunten en kansen voor de Europese hogeronderwijsruimte en voor Vlaanderen in het bijzonder. Hoewel het hoger onderwijs steunt op de drie pijlers onderwijs, onderzoek en dienstverlening, focust dit advies in eerste instantie op de pijler onderwijs. Die pijler heeft sinds de Bolognaverklaring van 1999 steeds centraal gestaan in de creatie van de Europese hogeronderwijsruimte. Onderzoek (en dienstverlening) vormen de focus van de Europese onderzoeksruimte. Het advies volgt de structuur van het communiqué, zoals het werd uitgebracht, met verwijzingen naar de annexen indien relevant. Naast de inhoud van het communiqué wordt ook ingegaan op de implementatie ervan in Vlaanderen. De tekst van het communiqué wordt ook aangegrepen om bijkomende aandachtspunten rond de Europese hogeronderwijsruimte te benadrukken.
2 Bescherm en bevorder de fundamentele waarden in de Europese hogeronderwijsruimte2 (EHEA) De Vlor is tevreden dat het communiqué de bevordering en bescherming van de gedeelde fundamentele waarden in de Europese hogeronderwijsruimte herbevestigt. We onderschrijven het belang van die fundamentele waarden, maar merken op dat ze momenteel vaag worden omschreven. De Vlor vindt het dan ook belangrijk om die fundamentele waarden verder te concretiseren. Ook in de mededeling van de Europese Commissie over de Europese Onderwijsruimte van september 2020, waarover de Vlor recent advies uitbracht3, wordt er aandacht besteed aan die democratische waarden. Wat het Bolognaproces op dit vlak echter uniek maakt, is de aandacht voor academische vrijheid, die centraal staat in het hoger onderwijs. Die gaat nog een stap
De voorgaande conferenties vonden voorheen (fysiek) plaats in Parijs (2018), Yerevan (2015), Bucharest (2012), Budapest/Wenen (2010), Leuven/Louvain-la-Neuve (2009), Londen (2007), Bergen (2005), Berlijn (2003), Praag (2001) en Bologna (1999). 2 ‘Fundamental values’ in EHEA Rome 2020 (2020). Rome Ministerial Communiqué 19 november 2020. Rome: EHEA; EHEA Rome 2020. (2020). Rome Ministerial Communiqé Annex I: Statement on academic freedom. Rome: EHEA. 3 European Commission (2020). Communication from the Commission to the European Parliament, The Council, The European Economic and Social Committee and the Committee of the regions on achieving the European Education Area by 2025. COM(2020) 625 final. Brussels: European Commission; ook zie 3 Vlor, Algemene Raad. ‘Naar een Europese Onderwijsruimte?’ Advies over de Mededeling van de Europese Commissie. 17 december 2020. 1
2
verder dan de aandacht voor burgerschap en democratische waarden en dient dan ook in het bijzonder bewaakt te worden. De raad onderschrijft het belang van academische vrijheid in het kader van de kwaliteit van het hoger onderwijs. De definitie van academische vrijheid in het communiqué is een goede basis om verder mee te werken in het hoger onderwijs, maar we mogen de institutionele autonomie niet veronachtzamen. De omschrijving van academische vrijheid houdt niet enkel stand voor academisch personeel, maar is van toepassing op al het personeel in de hogeronderwijsinstellingen.
3 Inhoudelijke prioriteiten Romecommuniqué4 Het communiqué stelt voorop om tegen 2030 een Europese hogeronderwijsruimte uit te bouwen rond drie centrale begrippen: ‘inclusive’, ‘innovative’ en ‘interconnected’. De Vlor drukt zijn waardering uit voor het langetermijnperspectief dat wordt geboden om die doelstellingen te realiseren. Daarnaast benadrukt de Vlor het belang van een ‘resilient European Higher Education Area’, wat wordt vooropgesteld in het communiqué.5 De huidige coronapandemie heeft meer dan ooit het belang van een veerkrachtig hoger onderwijs aangetoond, met voldoende oog voor het welzijn van alle actoren in het hogeronderwijsveld.6
3.1 ‘Inclusive EHEA’: Realiseer een inclusief hoger onderwijs door… 3.1.1
… zicht te krijgen op de sociale dimensie van hoger onderwijs
De Vlor onderlijnt het belang van de sociale dimensie van hoger onderwijs. We waarderen dat het communiqué de nood erkent aan dataverzameling in alle partnerlanden rond participatie tot hoger onderwijs, mobiliteit van kansengroepen, etc. Die data zijn essentieel om de sociale dimensie in kaart te brengen en te versterken. De Vlor heeft gedurende vele jaren werk verricht rond diversiteit in hoger onderwijs 7 en heeft bijgedragen aan het uitwerken van mogelijkheden tot uniforme dataverzameling daarrond in Vlaanderen8. Het is zijn ambitie om dat te blijven doen in lijn met de verdere ontwikkelingen in het Bolognaproces, dus ook specifiek met betrekking tot inclusieve mobiliteit (zie 3.1.3). 3.1.2
… de toegang tot en doorstroom in het hoger onderwijs te versterken
In lijn met het communiqué benadrukt de Vlor het belang van het versterken van de toegang tot het hoger onderwijs in Vlaanderen. Dat omvat zowel de toegang tot traditionele bachelor- en masteropleidingen als tot het bredere aanbod levenslang leren in het hoger onderwijs 9. Die toegang is zeker een aandachtspunt voor kansengroepen10, met name studenten met een
‘Fundamental values’ in EHEA Rome 2020 (2020). Rome Ministerial Communiqué 19 november 2020. Rome: EHEA; EHEA Rome 2020. (2020). Rome Ministerial Communiqé Annex II: Principles and guidelines to strengthen the social dimension of higher education in the EHEA. Rome: EHEA. 5 EHEA Rome 2020 (2020). Rome Ministerial Communiqué 19 november 2020, Rome: EHEA, p. 3. 6 Vlor, Algemene Raad. Voluit voor weerbaar onderwijs: Wat leren we uit de coronacrisis voor onderwijsbeleid? 26 november 2020. 7 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het diversiteitsbeleid in het Vlaamse hoger onderwijs, 11 september 2018. 8 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de registratie van kansengroepen in het hoger onderwijs (actualisering), 21 april 2015. 9 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Drempels wegwerken voor het levenslang leren in het hoger onderwijs: advies voor het Vlaams actieplan levenslang leren, 9 maart 2021. 10 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de registratie van kansengroepen in het hoger onderwijs (actualisering), 21 april 2015; Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over registratie van kansengroepen in het hoger onderwijs, 15 april 2008. 4
3
migratie-achtergrond, anderstalige en meertalige studenten, maar ook voor bijvoorbeeld werkstudenten, ‘herintreders’, studenten met een gezinslast, etc. Naast de toegang tot het hoger onderwijs vergt voornamelijk de doorstroom in het hoger onderwijs, in het bijzonder van kansengroepen, de nodige aandacht in Vlaanderen. Er moet worden gewaarborgd dat studenten die instromen het uiteindelijk ook zo ver mogelijk brengen in het hoger onderwijs. De Vlor verwijst daarvoor naar het principe van het ’Universal Design‘, nl. het ontwerpen van het onderwijs op zo’n manier dat alle studenten kunnen participeren en optimale leerkansen krijgen.11 Daaraan kan op verschillende wijzen worden gewerkt: ¬ De Vlor waardeert dat het communiqué voorbij formele clausules wil gaan die de toegang tot hoger onderwijs verbeteren, en dat in plaats daarvan het concept ‘Leaving No One Behind’ naar voren wordt geschoven. Op die manier moet de studenten- en stafpopulatie van de hogeronderwijsinstellingen de samenstelling van de maatschappij reflecteren. ¬ Hogeronderwijsinstellingen kunnen daarin zelfs nog verder gaan en hun onderzoek, onderwijs en dienstverlening inzetten om de socio-economische factoren te analyseren die maatschappelijke ongelijkheid teweegbrengen en in stand houden. Het volstaat dus niet om kansengroepen louter te representeren, men moet de grondoorzaken aanpakken die die ongelijkheid teweegbrengen en in stand houden. Hogeronderwijsinstellingen kunnen daarvoor de wetenschappelijke inzichten en beleidsaanbevelingen leveren. ¬ Daarnaast zijn ook ondersteunings- en stimuleringsmaatregelen onontbeerlijk om de diversiteit in het hoger onderwijs in Vlaanderen verder uit te bouwen. Het is belangrijk dat beleidsdoelstellingen focussen op het verruimen van de toegang tot hoger onderwijs en op het ondersteunen van participatie, zodat ook de doorstroom wordt versterkt. Men dient daarvoor ook (1) de barrières voor deelname aan en doorstroom in het hoger onderwijs weg te werken voor kansengroepen in het bijzonder, en (2) voldoende middelen te voorzien zodat instellingen hoger onderwijs die groepen in een vroeg stadium kunnen bereiken en sensibiliseren rond het belang van hoger onderwijs. ¬ Voor de strategieën rond inclusie en diversiteit, onderschrijven we het belang van een brede, multistakeholder-gebaseerde dialoog tussen overheid, hogeronderwijsinstellingen, studenten en stafleden, maar ook sociale partners, NGO’s en mensen uit kwetsbare en ondervertegenwoordigde groepen. We waarderen het belang dat wordt gehecht aan het versterken van ‘community engagement’ en het betrekken van andere actoren dan de hogeronderwijsinstellingen zelf bij onderwijs, onderzoek en dienstverlening. Dat engagement dient echter niet te worden beperkt tot de onmiddellijke omgeving van de hogeronderwijsinstelling. Een belangrijke component van de diversiteit van onze maatschappij en de internationalisering van ons hoger onderwijs bestaat immers uit zijn connectie met het globale zuiden. ‘Community engagement’ dient daarom een mondiale dimensie te vertonen. 3.1.3
… de aandacht voor sociale inclusie door te trekken
De Vlor wijst erop dat de aandacht voor sociale inclusie moet worden doorgetrokken naar diverse domeinen in het hoger onderwijs. Zo moeten we erover waken dat de inzet van technologie in hoger onderwijs gebeurt op een manier die inclusie bevordert en niet contraproductief werkt. In lijn met een inclusieve agenda dient de ‘digital divide’ die ook in Europa bestaat, te worden
11 Steunpunt
4
Inclusief Hoger Onderwijs (n.d.). Leidraad Universeel Ontwerp: van beleid naar praktijk.
aangepakt. Dat impliceert het wegnemen van infrastructurele en financiële barrières die de toegang tot digitale middelen bemoeilijken. Ook op het vlak van mobiliteit verdient inclusie de nodige aandacht. De inspanningen die Vlaanderen leverde om inclusie op de Vlaamse mobiliteitsagenda te zetten, hebben effect gehad. Inclusieve mobiliteit12 moet echter meer zijn dan prioritaire selectie en hogere beurzen voor drie afgelijnde categorieën van studenten die ‘controleerbaar’ zijn door Vlaanderen. Daarbij kan het echter geenszins de bedoeling zijn om voor die groepen vooral in te zetten op virtuele of ‘blended’ mobiliteit. In eerste instantie moeten we blijven inzetten op fysieke mobiliteit (zie ook 3.3.1) en dienen we die meer inclusief te maken. Laagdrempelige fysieke mobiliteitsprogramma’s bieden immers kansen om grote aantallen studenten op een bereikbare manier een buitenlandervaring te bieden: ‘summer schools’, projectweken, begeleide groepsreizen, etc. Daarnaast biedt ook ‘blended’ mobiliteit, nl. de combinatie van een periode van fysieke mobiliteit en een periode van online leren, kansen tot het aantrekken van een meer diverse groep participanten.
3.2 ‘Innovative EHEA’13: Realiseer een innovatief hoger onderwijs door… 3.2.1
… studentgecentreerd leren te implementeren
De Vlor drukt zijn appreciatie uit voor de handvaten die worden aangereikt voor het innovatief vormgeven van het hoger onderwijs. Zo wordt de implementatie van studentgecentreerd leren naar voren geschoven. Het Romecommuniqué komt op die manier tegemoet aan de eerder geformuleerde bezorgdheden van de Vlor rond de invulling van het concept van studentgecentreerd leren en de wijze waarop dat geïmplementeerd kan worden.14 De term wordt gedefinieerd en er worden richtlijnen geformuleerd voor de implementatie ervan.15 3.2.2
… flexibele trajecten te realiseren in het kader van levenslang leren
Daarnaast is de raad tevreden dat levenslang leren, in tegenstelling tot voorgaande communiqués, een belangrijke plaats inneemt.16 Ook voor het hoger onderwijs is er een belangrijke rol weggelegd voor het uitbouwen van trajecten in levenslang leren.17 De huidige initiatieven rond micro-credentials bieden opportuniteiten om kortere leerervaringen beter te valoriseren. De raad adviseert om de uitwerking van die initiatieven verder te verkennen, ook in Vlaanderen. In de Europese trendsetting is het Vlaamse hoger onderwijs op dat vlak immers een koptrekker geweest (cfr. creditbewijzen). Er zijn echter nog te veel openstaande vragen over de concrete implementatie van die micro-credentials om er nu al concrete aanbevelingen over te formuleren. Daartoe behoren ook de algemene aandachtspunten omtrent flexibilisering zoals het verbeteren van het studierendement en het beperken van de
Zie ook het Erasmus+ KA3 project EPFIME-project (Enhancing a thought-out Policy and Framework on Inclusive Mobility across Europe), dat de noden, verwachtingen en mogelijkheden bekijkt voor het realiseren van inclusieve mobiliteit. 13 ‘An innovative EHEA’ in EHEA Rome 2020 (2020). Rome Ministerial Communiqué 19 november 2020. Rome: EHEA; EHEA Rome 2020. (2020). Rome Ministerial Communiqé Annex III: Recommendations for the enhancement of higher education learning and teaching in the EHEA. Rome: EHEA. 14 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het Yerevancommuniqué. 30 april 2015. 15 Ook zie: Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies studentgecentreerde curricula, 13 november 2018; en Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over studentgecentreerd leren, 13 december 2011. 16 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het Yerevancommuniqué. 30 april 2015. 17 Ook zie Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Drempels wegwerken voor het levenslang leren in het hoger onderwijs: advies voor het Vlaams actieplan levenslang leren, 9 maart 2021. 12
5
studieduur.18 In een vervolginitiatief neemt de Vlor de implementatie van deze micro-credentials onder de loep en wordt het debat breder gevoerd dan enkel het hoger onderwijs.19 3.2.3
… inter- en transdisciplinariteit te realiseren in onderwijs en onderzoek
De Vlor onderschrijft het belang van de sociale, humane en creatieve wetenschappen en kunsten. In tegenstelling tot wat het communiqué vooropstelt, zien we het belang ervan echter niet beperkt tot de rol die ze kunnen spelen in het versterken van de gemeenschappen waarin hogeronderwijsinstellingen zich situeren. Die rol kan en moet veel breder, ook wetenschappelijk, ingevuld worden. We pleiten er daarnaast voor om meer mogelijkheden vrij te maken om die disciplines te verbinden met de exacte wetenschappen. Interdisciplinair en transdisciplinair onderzoek20 en onderwijs zijn immers van cruciaal belang om grote maatschappelijke uitdagingen van deze eeuw aan te gaan. De raad denkt daarbij aan initiatieven om meer verbinding te maken tussen de domeinen van de sociale en humane wetenschappen enerzijds en STE(A)M anderzijds. 3.2.4
… de ontwikkeling van 21steeeuwse vaardigheden te ondersteunen
De Vlor ondersteunt het belang van de 21steeeuwse vaardigheden21 en benadrukt dat ze goed omschreven moeten zijn in het kader van hun overdraagbaarheid. De ontwikkeling van die 21steeeuwse vaardigheden bij studenten kan ondersteund worden door ze te vertalen naar specifieke studiedomeinen. Via een gedeelde verantwoordelijkheid van de instelling en de student kan de zelfsturing van de studenten hierbij gestimuleerd worden, mits voldoende leer- en oefenmomenten, feedback en begeleiding. 3.2.5
… digitale competenties te bevorderen
Het hoger onderwijs heeft naar aanleiding van de coronapandemie massaal gebruik gemaakt van digitale vormen van onderwijs. Zoals het communiqué aanhaalt, moet dat momentum worden omgezet in meer duurzame vormen van digitalisering in onderwijs en internationale samenwerking. De Vlor benadrukt dat het van belang is dat de hogeronderwijsinstellingen via professionalisering sterk inzetten op digitale geletterdheid, vertaald naar de context van de specifieke opleiding. Om een ‘blend’ van fysiek en digitaal onderwijs te realiseren, blijven digitale competenties van didactische teams immers noodzakelijk – naast didactische en vakinhoudelijke competenties. Zo kan via multidisciplinaire ‘design teams’, in lijn met het TPACKmodel22, digitalisering in het hoger onderwijs worden ondersteund. Het project POWERHEAD23 (Empowering Higher Education in Adopting Digital Learning) wil daar op inspelen door een digitaliseringsstrategie voor het Vlaamse hoger onderwijs uit te werken. Het project beoogt richtlijnen te ontwerpen om de digitalisering in hoger onderwijs verder te ondersteunen, zowel op Vlaams niveau als voor de hogeronderwijsinstellingen.
Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies: De grenzen van de flexibilisering?, 20 augustus 2020. European Commission (2020). A European approach to micro-credentials output of the micro-credentials higher education consultation group. Luxembourg: EC. 20 Ook zie https://www.ssh-impact.eu/horizon-europe/, waar het belang van interdisciplinair onderzoek wordt benadrukt. 21 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Uitdagingen voor het Vlaamse hoger onderwijs in de 21ste eeuw, 13 november 2012, en Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Uitdagingen en kansen voor een toekomstgericht hoger onderwijs, 11 juni 2019. 22 Koehler, M. J. (2006). Technological Pedagogical Content Knowledge: A framework for teacher knowledge. Teachers College Record, 108(6), 1017-1054. doi:10.1111/j.1467-9620.2006.00684.x. 23 https://www.vlor.be/powerhead-project 18 19
6
Zoals hierboven aangehaald, is het daarbij belangrijk dat ook alle studenten voldoende geoutilleerd worden om te kunnen de digitale aansluiting te maken.
3.3 ‘Interconnected EHEA’24: Realiseer een verbonden hoger onderwijs door… 3.3.1
… fysieke naast virtuele en ‘blended’ internationale mobiliteit te behouden
Het Romecommuniqué schuift de verbondenheid binnen de Europese hogeronderwijsruimte naar voren. De mobiliteit van studenten en personeel neemt daarin een belangrijke rol. De raad waarschuwt echter voor een doorgedreven verschuiving van mobiliteit van het fysieke naar virtuele vlak. Er duiken steeds meer vormen op van ‘digitally enhanced’ en ‘blended’ mobiliteit. Hoewel dergelijke vormen kansen bieden tot duurzame samenwerking met wereldwijde partners en ook bijdragen tot het ‘vergroenen’ van de internationale mobiliteit, benadrukt de Vlor dat het belang van fysieke mobiliteit buiten kijf staat (zie ook 3.1.3 voor sociale inclusie in het kader van mobiliteit). Fysieke mobiliteit voor studenten en personeel is cruciaal voor de algemene ontwikkeling van (wereld)burgerschap en voor het versterken van het Vlaamse hoger onderwijs in zijn geheel. Anders dan bij fysieke mobiliteit, brengen dergelijke ‘blended’ en virtuele mobiliteit bovendien specifieke uitdagingen met zich mee voor de valorisatie. Het communiqué herhaalt de doelstelling dat minstens 20% van de studenten die afstuderen in de EHEA een buitenlandse studie-ervaring moet hebben opgedaan. De Vlor blijft echter voorstander van het vooropstellen van een benchmark voor wat de fysieke mobiliteit betreft. Wanneer virtuele en ‘blended’ mobiliteit wordt ingericht, wijst de Vlor op het belang van het coöperatieve element en van ‘community-building’ (cfr. ‘Cooperative Online Active Learning’). Daarnaast vraagt de Vlor aandacht voor substantiële financiering van studenten- en stafmobiliteit. Voor de organisatie van virtuele en ‘blended’ mobiliteit is er immers geen Vlaamse financiering beschikbaar. Ook de financiering van fysieke stafmobiliteit schiet tekort. Vlaanderen financiert momenteel enkel studentenmobiliteit. De bestaande acties voor de financiering van gezamenlijke onderwijsprogramma’s en onder andere de organisatie van ‘summer schools’ volstaan niet om aan de grote vraag te voldoen. Andere bronnen van financiering voor stafmobiliteit zijn vaak gebaseerd op (fundamenteel) onderzoek, waardoor ze voor staf in hogescholen moeilijk toegankelijk zijn. 3.3.2
… internationale studentenmobiliteit ook te bevorderen naar het Verenigd Koninkrijk en het globale zuiden toe
De Vlor vraagt aandacht voor het effect van de Brexit-situatie op de interconnectiviteit met hogeronderwijsinstellingen in het Verenigd Koninkrijk. De meer dan 1000 Vlaamse uitwisselingsstudenten per jaar verdienen een werkbare oplossing die duurzame garanties biedt voor de toekomst. Vlaanderen zou druk moeten uitoefenen op de beleidsmakers in de EU om te voorzien in financiering die complementair werkt aan het ‘Turing Scheme’25. Daarnaast pleit de Vlor ook voor bijkomende Vlaamse financiering om inkomende en uitgaande studentenuitwisseling met het Verenigd Koninkrijk te realiseren. De Vlor wijst erop dat uitwisselingsactiviteiten met partners in het globale zuiden een onevenwicht vertonen. Er bestaat vooral een grote nood aan financiering van semestermobiliteit
‘An interconnected EHEA’ in EHEA Rome 2020 (2020). Rome Ministerial Communiqué 19 november 2020. Rome: EHEA. 25 Zie: https://www.turing-scheme.org.uk/ 24
7
van studenten uit het globale zuiden. Wat de studentenmobiliteit in omgekeerde richting betreft, stelt de Vlor vast dat het aantal studenten dat op uitwisseling gaat buiten Europa het aantal beschikbare beurzen overstijgt. De Vlor pleit dus voor een toename van de fondsen voor semestermobiliteit buiten Europa. 3.3.3
… internationalisering ruimer te bekijken dan internationale mobiliteit
Met het actieplan ‘Brains on the move’ beoogde de Vlaamse overheid in 2013 26 al om het hoger onderwijs te internationaliseren via studentenmobiliteit en in mindere mate ook via stafmobiliteit. Hoewel dat ongetwijfeld heeft gezorgd voor een nieuwe dynamiek op vlak van mobiliteit, heeft de Vlor die enge focus altijd betreurd.27 De Vlor juicht dan ook toe dat het communiqué internationalisering ruimer ziet dan mobiliteit. Ook automatische erkenning, internationale kwaliteitszorg, etc. worden meegenomen als manieren om de positie van het Vlaamse hoger onderwijs te bewaken en versterken. De Vlor steunt de oproep naar meer aandacht voor en erkenning van internationale/interculturele competenties en vraagt ondersteuning voor de uitbouw van bijkomende instrumenten daarvoor. 3.3.4
… structurele samenwerkingen tussen instellingen te ondersteunen
De Vlor onderschrijft de strategische structurele samenwerking tussen instellingen hoger onderwijs (via joint teaching, de creatie van internationale studieprogramma’s met componenten van blended learning, het ‘European student card initiative’, etc.). Daarbij wordt gedacht aan samenwerkingsverbanden tussen hogescholen en universiteiten op Europees vlak en aan de European Universities. Dat laatste concept wordt slechts zijdelings vermeld in het communiqué, hoewel het een tastbaar voorbeeld is van een innovatief onderwijs- en onderzoeksmodel dat de afgelopen jaren op de sporen werd gezet door de Europese Commissie. Bovendien voldoet Vlaanderen niet aan de verwachting van de Europese commissie om de European Universities voldoende te co-financieren. We pleiten ervoor dat de overheid ondersteuning biedt bij het aanpakken en wegwerken van hinderpalen die op het vlak van die transnationale samenwerkingen momenteel nog bestaan. We roepen de Vlaamse overheid op om financiering beschikbaar te maken voor dergelijke strategische structurele samenwerkingen, om ze te verduurzamen en minder afhankelijk te maken van competitieve oproepen. Ook aanpassingen van de wetgeving zijn wenselijk, voor de inrichting van Engelstalige bachelors, erkenning van micro-credentials, etc. 3.3.5
… de brug te maken met andere domeinen
Het communiqué slaat de brug naar andere beleidsdomeinen. Zo wordt er bijvoorbeeld verwezen naar de ‘Green New Deal’ en de ‘Sustainable Development Goals (SDG)’. Dat wijst op de belangrijke rol die de Europese hogeronderwijsruimte kan spelen op andere domeinen, maar stemt ook tot nadenken over hoe hogeronderwijsinstellingen zelf willen omgaan met bijvoorbeeld duurzaamheidsvraagstukken. De Vlor wijst erop dat het integreren van een veelheid aan perspectieven en wetenschappelijke inzichten daarbij cruciaal is, met bijzondere aandacht voor kennis uit het globale zuiden. De SDG en de klimaatproblematiek zijn immers niet beperkt tot Europa maar moeten op een globale wijze worden beschouwd. We pleiten er daarom voor om curricula te diversifiëren of uit te breiden met deze inzichten en om nog meer instrumenten en
26 27
8
Vlaamse overheid (2013). Brains on the move: Actieplan mobiliteit, december 2013. Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over een internationaliseringsstrategie voor het Vlaamse hoger onderwijs, 14 maart 2017.
middelen te voorzien om op een wederkerige manier aan onderzoek te doen met partners uit het zuiden. Professionalisering van docenten op dit gebied is ook hierbij cruciaal.
4 Implementatie van het communiqué28 4.1 Implementatie van de ‘key commitments’ De Vlor drukt zijn appreciatie uit voor de vooruitgang die werd geboekt doorheen de voorbije 20 jaar in het Bolognaproces. Het is een zeer ingrijpend proces dat op grote schaal een ommekeer heeft teweeggebracht in het hoger onderwijs, ook in Vlaanderen. De Vlor steunt de verdere implementatie van de drie kerndoelstellingen binnen de Europese hogeronderwijsruimte: de kwalificatiestructuur en het ‘European Credit Transfer and Accumulation System’ (ECTS), het implementeren van de Lisbon Recognition Convention en het diplomasupplement en kwaliteitszorg. Dat past binnen het eerdere pleidooi van de Vlor voor het beperken van het aantal doelstellingen, aansluitend bij de oorspronkelijke Bolognadoelstellingen, en het consolideren van de behaalde resultaten.29 Er is echter nog werk aan de winkel om te komen tot de beoogde harmonisatie binnen de drie kerndoelstellingen (‘key commitments’). De raad stelt de volgende thema’s voorop: ¬ Er is al meer dan 30 jaar ervaring met ECTS. Dat principe heeft dus zijn deugdelijkheid bewezen wanneer het gaat over ‘periods of study’. De Vlor merkt op dat er vragen leven over de mate waarin en de wijze waarop dit kan worden toegepast op andere vormen van erkenning, zoals werd aangehaald in 3.2.2 rond micro-credentials. De Vlor is van mening dat het systeem zoals het in Vlaanderen ingang heeft gevonden, ook daarvoor een goede basis vormt. ¬ Sinds vorig academiejaar richten hogescholen de graduaatsopleidingen in, die zich bevinden op niveau 5 van de Europese kwalificatiestructuur. Om die opleidingen in Vlaanderen verder te kunnen uitbouwen, is het belangrijk om te kunnen ‘benchmarken’. De Vlor stelt vast dat het niet evident is om ‘benchmarking partners’ te vinden, gezien de graduaatsopleidingen in de verschillende Europese landen anders worden gedefinieerd. De raad vraagt dan ook voldoende aandacht daarvoor binnen de kwalificatiestructuur voor de Europese hogeronderwijsruimte. ¬ De Vlor vindt het belangrijk om bij kwaliteitszorg in Europa uit te gaan van de ‘appreciative inquiry approach’ en dus via een open dialoog ook verbeterpunten aan te reiken. Tot slot wil het communiqué de link met de ‘European Research Area’ versterken. De raad onderschrijft de versterking van die samenwerking.
4.2 Randvoorwaarden voor de implementatie in Vlaanderen 4.2.1
Behoud de positie van Vlaanderen als voortrekker in het Bolognaproces en bewaak de discrepantie tussen landen
Het Bolognaproces heeft een bijzonder grote impact gehad op het Vlaamse hoger onderwijslandschap. Het is immers een sterke katalysator geweest voor de modernisering en internationalisering ervan. Dankzij het Bolognaproces hebben we het Vlaamse hoger onderwijs kunnen positioneren binnen het Europese hogeronderwijsveld. Dat blijkt uit tal van belangrijke
28 29
‘Implementation’ in in EHEA Rome 2020 (2020). Rome Ministerial Communiqué 19 november 2020. Rome: EHEA. Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de toekomst van het Bolognaproces, 9 oktober 2017.
9
veranderingen – ook op decretaal vlak – die het Bolognaproces heeft teweeggebracht. Zo heeft Vlaanderen het voortouw genomen op vlak van kwaliteitszorg, kwalificatieraamwerken, automatische erkenning van buitenlandse diploma’s 30, flexibilisering, etc. Om zijn hoger onderwijs kwaliteitsvol en dus internationaal aan de maat te houden, moet Vlaanderen een voortrekkersrol blijven spelen in het Bolognaproces. De Vlor wijst er ook op dat het Bolognaproces in de partnerlanden met verschillende snelheden wordt geïmplementeerd. Dat komt deels doordat er steeds nieuwe landen aansluiten. Daarnaast is het Bolognaproces nog steeds een vrijwillig proces waarbij geen sancties worden opgelegd wanneer landen de doelstellingen niet halen.31 De raad onderschrijft het belang van de ‘Peer Support Method’ die aan alle landen de nodige leerkansen biedt. Enkel via een circulair leerproces waarbij alle landen naar een minimaal niveau worden opgetild, kunnen de discrepanties tussen landen worden beperkt. Zo kunnen partners die een voortrekkerspositie bekleden, zoals Vlaanderen, de opgebouwde expertise delen met de achterhoede en toch tegelijk op andere vlakken nog heel wat opsteken van andere landen. Via specifieke begeleidingstrajecten voor bepaalde landen kan er gericht worden gewerkt aan bepaalde ‘key commitmens’. 4.2.2
Zorg voor een adequate financiering en regelgeving
De Vlor wees er al eerder op dat een adequate financiering een belangrijke randvoorwaarde is om dergelijke samenwerkingsinitiatieven blijvend te ondersteunen, alsook om de vertaling te maken naar het Vlaamse niveau en zo mee te helpen om de doelstellingen te halen.32 De speerpunten van dat Vlor-advies uit 2017 winnen ondertussen aan belang in het Bolognaproces: inclusieve mobiliteit, internationale/interculturele competenties, samenwerking op het vlak van studentenmobiliteit en onderwijs, etc. Daarnaast herhaalt de Vlor zijn vraag om de belemmeringen in de regelgeving weg te werken die internationalisering in het hoger onderwijs in de weg staan. Zo werkt de taalregeling contraproductief bij het aantrekken van buitenlandse studenten en docenten.33 4.2.3
Garandeer inbedding in de Vlaamse internationaliseringsstrategie
Naar aanleiding van het actieplan ‘Brains on the move’ waar de Vlaamse overheid de focus legde op studentenmobiliteit, pleitte de Vlor in een eerder advies al voor een meer omvattende internationaliseringsstrategie voor het hoger onderwijs. 34 Die moet instellingsoverschrijdend tot stand komen en leiden tot een gezamenlijke langetermijnvisie, waar strategische en operationele doelstellingen tegenover worden gezet. De raad vraagt dat de breedte van de aandachtspunten in dit advies naar aanleiding van het Romecommuniqué wordt meegenomen bij het vormgeven van die internationaliseringsstrategie voor het Vlaamse hoger onderwijs.
Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies academische erkenning van buitenlandse diploma’s, 9 juni 2020. Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de toekomst van het Bolognaproces, 9 oktober 2017. 32 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over een internationaliseringsstrategie voor het Vlaamse hoger onderwijs, 14 maart 2017. 33 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de implementatieproblemen van de taalregeling hoger onderwijs, 29 januari 2015; Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het taalbeleid in het Vlaamse hoger onderwijs, 14 februari 2017. 34 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over een internationaliseringsstrategie voor het Vlaamse hoger onderwijs, 14 maart 2017. 30 31
10
5 Verken de Europese hogeronderwijsruimte in een globale setting35 Heel wat zaken die een plaats krijgen binnen de Europese hogeronderwijsruimte, zoals studenten- en personeelsmobiliteit, fundamentele waarden en erkennen van kwalificaties krijgen intussen ook een meer globale invulling. De Vlor steunt het engagement om de internationale dialoog aan te gaan rond deze aspecten. We zouden gebaat zijn bij een meer globaal afstemmingskader. De Vlor waardeert dan ook de stappen die werden gezet in de ‘UNESCO Global Convention’ rond wereldwijde erkenning van kwalificaties hoger onderwijs en vraagt om te bekijken wat dat betekent voor het Vlaamse hoger onderwijs. De raad merkt echter op dat de tendens wordt waargenomen dat landen zich steeds meer terugplooien op het nationale niveau. Die tendens wordt weerspiegeld in het onderwijs van de partnerlanden en op zijn beurt in het onderwijs binnen de Europese onderwijsruimte. Actieve samenwerking op het globaal niveau moet daarvoor een tegengewicht bieden. Daarnaast rijst de vraag naar de verhouding van de Europese hogeronderwijsruimte (EHEA) ten opzichte van andere onderwijsprocessen, zoals de Europese onderwijsruimte (EEA). De Vlor pleit voor zoveel mogelijk synergie tussen beide processen 36, al blijft het van cruciaal belang om de belangen van het hoger onderwijs te blijven behartigen. Ook de synergie tussen de EHEA en het ‘ASEM Education-proces’ (‘Asia-Europe Meeting’) moet worden bewaakt. Het blijft immers een uitdaging om te zoeken naar manieren van samenwerking tussen ministeriële conferenties in, in het bijzonder op het globale niveau.
Tine Degrande secretaris Raad Hoger Onderwijs
‘The EHEA in a global setting’ in EHEA Rome 2020 (2020). Rome Ministerial Communiqué 19 november 2020. Rome: EHEA. 36 Vlor, Algemene Raad. ‘Naar een Europese Onderwijsruimte?’ Advies over de Mededeling van de Europese Commissie. 17 december 2020. 35
11