Skip to main content

Samenwerking_op_de_proef_projectoproep.pdf

Page 1

VIONA-OPROEP VOOR EEN ONDERZOEKS- EN ONTWIKKELINGSOPDRACHT 20/07/2011 De proeftuinen VDAB-OCMW’s. Een analyse van een meer structurele samenwerking tussen de VDAB en de OCMW’s in functie van het opzetten van geïntegreerde werk- en welzijnstrajecten. 1. Probleemstelling Het verhaal van de sluitende aanpak botste op de grenzen van het activeringsbeleid. Ook met het sluitend maatpak zullen bepaalde moeilijkere groepen ofwel nog niet geactiveerd worden, ofwel er niet in slagen door te stromen naar werk. De instanties die voor de activering instaan, de VDAB en de OCMW’s, zien zich gesteld voor een gelijkaardige vraag: in welke mate zijn deze moeilijke categorieën nog activeerbaar, en op welke wijze? De algemene doelstelling van de proeftuinen is om – gegeven het werkwinkelconcept en de respectievelijke regiefuncties van VDAB en OCMW voor arbeidsmarktbeleid en welzijnsbeleid, – te komen tot succesvolle trajecten waarin welzijn en werk aan elkaar worden gekoppeld, – via vernieuwende vormen van lokale samenwerking, – zowel op beleidsniveau, als op niveau van instellingen en cliënten. In de proeftuinen VDAB – OCMW’s gaan we uit van de idee dat alle cliënten (leefloners en niet-werkende werkzoekenden) baat hebben bij een kwalitatieve ondersteuning en een goed en coherent geregisseerd traject van toeleiding, intake, screening en uitvoering. Alle bij het OCMW ingeschreven leefloners en niet-werkende werkzoekenden bij de VDAB behoren tot de potentiële doelgroep van de proeftuinen (niet enkel de leefloners die ook bij de VDAB ingeschreven zijn als werkzoekende bij de VDAB). Een groep van werkzoekenden bij de VDAB kampen met niet-arbeidsmarktgerelateerde problemen waar de VDAB-consulenten niet over de geschikte begeleidingsinstrumenten beschikken. Daartegenover staat dat een deel van de leefloners een kleinere afstand tot de arbeidsmarkt heeft (of reeds overbrugd heeft) waardoor de begeleiding naar werk van start kan gaan. De “klantenbestanden” van beide instellingen kennen reeds een zekere overlap, soms is dit geweten, soms ook niet. We vertrekken dus duidelijk vanuit tweerichtingsverkeer: een persoon die zich bij de VDAB inschrijft kan beter gebaat zijn bij een begeleiding toegewezen aan de regie van een OCMW en vice versa. We vermoeden dat in de nasleep van de economische crisis mogelijk sterkere profielen zullen aankloppen bij de OCMW’s terwijl ze voor hun begeleiding mogelijk meer gebaat zijn bij een begeleiding door de VDAB. Voor een aantal cliënten zal een ideaal traject echter bestaan uit een combinatie van modules van VDAB en OCMW, en modules van andere publieke of private partners rond werk en welzijn.

20-07-2011

1 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


Internationale ervaringen en onderzoek leren dat voor het in kaart brengen van doelgroepen voor activering en het toewijzen van trajecten wordt afgestapt van een benadering louter op basis van objectieve, ‘harde’ administratieve kenmerken zoals leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en werkloosheidsduur. Andere factoren zoals werkzoekgedrag en ‘zachte’ factoren zoals motivatie, zelfvertrouwen, gezondheid, netwerk en zorgtaken hebben op zich ook voorspellende waarde. Diagnose- en intake-instrumenten voor activering brengen deze factoren meer en meer in kaart. De gegevensbestanden van de VDAB en OCMW bevatten reeds heel wat informatie, maar mogelijk is deze ontoereikend voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijk instrument. Dit instrument kan in de proeftuinen getest worden, maar moet op termijn ook in de rest van Vlaanderen geïmplementeerd kunnen worden. De bedoeling is om in een vijf à zevental proeftuinen te experimenteren rond: - doelgroep: identificatie, toewijzing,… - gemeenschappelijk instrument voor toeleiding/intake - toewijzing van werk- en welzijnstrajecten - partners in het netwerk - ontwikkeling van een gemeenschappelijk opleidingsprogramma voor OCMW en VDAB consulenten. - ontwikkeling van criteria voor trajecttoewijzing. Gezien de mogelijke beleidsimpact van dit experiment is er nood aan vormen van academische omkadering op verschillende vlakken. De academische omkadering zou moeten bestaan uit: – De ontwikkeling van een instrument voor doelgroepanalyse; – Analyse van de samenwerking VDAB – OCMW’s (procesmatig); – Monitoring van de invloed van de samenwerking op de doelgroepen; – Beleidsaanbevelingen. We willen dit onderzoek kaderen binnen de proeftuinen VDAB-OCMW. Deze zullen begin december 2011 bekend zijn om op 1/1/2012 van start te gaan. De proeftuinen lopen tot 31/12/2012. De looptijd van het onderzoek wordt afgestemd op de looptijd van de proeftuinen. De evaluatie van de eerste fase proeftuinen VDAB-OCMW’s is beschikbaar via http://www.werkwinkel.be/content/Extranet/site/1437

2. Onderzoeksvragen Ontwikkeling van een instrument voor doelgroepanalyse – onderzoeksvraag 1: Op welke manier kan de identificatie van de doelgroep gebeuren? Een instrument voor doelgroepanalyse zou de VDAB en het OCMW (de OCMW’s) in staat moeten stellen een betere analyse te maken van hun cliëntbestanden. Dit instrument moet voor een eerste filter zorgen en als een eerste knipperlicht dienen voor wie in aanmerking zou kunnen komen voor een W2-traject. In de eerste maanden van de proeftuin wordt een eerste versie van een instrument verwacht (half februari 2012). Tegen het einde van de proeftuin (eind 2012) wordt een getest en afgewerkt instrument verwacht.

20-07-2011

2 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


Procesmatige analyse van de samenwerking VDAB – OCMW’s (procesanalyse) – Onderzoeksvraag 2: Hoe worden processen van VDAB en de OCMW’s op elkaar afgestemd? – Onderzoeksvraag 3: Aan welke randvoorwaarden moet hier worden voldaan, intern VDAB/OCMW? – Onderzoeksvraag 4: Aan welke randvoorwaarden moet hier worden voldaan, extern (Vlaams, federaal)? – Onderzoeksvraag 5: Worden respectievelijke partners (in voldoende mate) betrokken? Aan welke randvoorwaarden moet worden voldaan om partners van OCMW en VDAB bij trajecten te kunnen betrekken? Monitoring van de invloed van de samenwerking op de doelgroepen – Onderzoeksvraag 6: Wat is de invloed van de samenwerking voor de doelgroep die in de respectieve experimenten werden geselecteerd? In welk soort trajecten komen deze mensen terecht? Wat is de output van deze projecten op cliëntniveau? De output dient te worden bekeken vanuit diverse levensdomeinen en dus ruimer dan enkel arbeid (zie bijvoorbeeld de W2-cirkels uit het rapport van Sannen, Driessens en Verboven (2011) “Werk & Welzijn verankerd. Krachtgerichte, integrale trajectbegeleiding voor werkzoekenden in armoede of andere instrumenten”) Bovenstaande onderzoeksvragen leiden tot beleidsaanbevelingen over: – Hoe deze projecten (zowel naar regierollen, identificatie en toewijzing van cliënten, indicering, opbouw van lokale netwerken, uitvoering van trajecten) gemainstreamd kunnen worden naar het Vlaamse niveau? – Welke voorwaarden het centrale beleid moet scheppen voor een ontgrenzende benadering van activeringstrajecten? 3. Beleidsrelevantie Vlaams Regeerakkoord: “We investeren in een systematische samenwerking tussen de OCMW’s en de VDAB voor een betere doorstroming van leefloners naar de arbeidsmarkt. We investeren in geïntegreerde welzijn-werk-trajecten voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan. Op het lokale niveau wordt vanuit de Lokale Werkwinkel een systematische samenwerking opgestart met de relevante regisseur voor het welzijnsdeel.” 4. Timing Projectvoorstellen moeten uiterlijk op woensdag 14 september 2011 om 14u worden ingediend. De Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek zal in de loop van de maand oktober een advies formuleren over het te gunnen project aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk. In de loop van de maand november 2011 zullen de projectindieners worden geïnformeerd over de beslissing van de minister. Het project dient uiterlijk op 1 december 2011 op te starten en dient uiterlijk op 31 december 2012 te worden afgerond.

20-07-2011

3 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


5. Kandidaatstelling Projectvoorstellen bevatten een inhoudelijk en een financieel onderdeel en beantwoorden aan de richtlijnen die u in bijlagen bij de oproep vindt. In die bijlagen vindt u tevens informatie over de selectiecriteria en -procedure en over de financiële en administratieve opvolging van het project. 6. Informatie Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij Patricia Vroman, Departement Werk en Sociale Economie (02/553 39 45, patricia.vroman@wse.vlaanderen.be)

20-07-2011

4 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


Bijlage 1 bij VIONA-projectoproepen voor onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten

SITUERING EN GUNNINGSPROCEDURE

1.

HET VIONA-ARBEIDSMARKTONDERZOEKSPROGRAMMA

Het initieel opzet en doel van VIONA (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) werd meer dan 15 jaar geleden binnen het VESOC en in het kader van de Vlaamse werkgelegenheidsconferentie in het protocol van 17 maart 1993 als volgt vastgelegd: Het verwerven van wetenschappelijke betrouwbare kennis over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt opdat men verantwoorde beleidskeuzes kan maken (vaststellen, registreren en onderzoeken van de ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt teneinde het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen de nodige wetenschappelijke ondersteuning aan te bieden). Een impuls geven aan wetenschappelijk onderzoek (komen tot een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van het beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek op het domein van de arbeidsmarkt). Naar aanleiding van een nieuwe oproep voor de steunpunten beleidsrelevant onderzoek (waaronder het Steunpunt WSE), de hervormingen in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid en de evaluatie van 10 jaar VIONA werd in 2006 een nieuw operationeel model voor strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen uitgetekend (“Vlaams Programma Strategisch Arbeidsmarktonderzoek”). Onder de adviserende bevoegdheid van de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek lopen twee initiatieven: het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma en het Steunpunt Werk en Sociale Economie. Verder wordt ook onderzoek betreffende de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen en ander relevant strategisch arbeidsmarktonderzoek maximaal ontsloten binnen het Vlaamse programma. Binnen dit nieuwe model worden de VIONA-middelen doorheen het jaar ingezet voor het uitbesteden van studieopdrachten of onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten met het oog op wetenschappelijke ondersteuning van het werkgelegenheidsbeleid. Op het programma Werkgelegenheid is in 2011 in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma 348.000 € beschikbaar voor studieopdrachten en onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten. Die opdrachten zijn complementair aan de opdrachten die het Steunpunt WSE opneemt. Vanaf 2007 schrijven we niet langer één algemene oproep per jaar uit, maar, voor zover de middelen reiken, meerdere specifieke oproepen doorheen het jaar. De projectoproepen in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma worden beheerd door het departement Werk en Sociale Economie. De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, de heer Philippe Muyters, keurt -rekening houdend met het advies van de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek- de VIONA-oproepen en -projecten goed.

20-07-2011

5 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


2.

MODALITEITEN EN GUNNINGSPROCEDURE

2.1 De deelnemers Oproepen voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten (O&O-projecten) staan open voor onderzoekers en onderzoeksgroepen uit de universiteiten en hogescholen én voor andere (onderzoeks)instellingen. 2.2 De projectvoorstellen Een projectvoorstel dient deze elementen te bevatten: 1) titel van het O&O-project 2) vermelding van de promotor(en): naam, instelling, onderzoekseenheid, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres 3) een uitgebreide omschrijving van het projectvoorstel, dat met inbegrip van het tijdspad (zie 4)* én de begroting (zie 5)* , maximaal 10 pagina’s mag bedragen; in bijlage wordt een bondige omschrijving van het O&O-project toegevoegd (max. 2 blz.) 4) *een gedetailleerd tijdschema 5) *een financieel plan per kalenderjaar en een verduidelijking van de additionele financiering (facultatief); de financiering van onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten door VIONA bedraagt altijd minder dan 200.000 euro (exclusief BTW) Voor deze onderzoeksopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 75.000 euro (inclusief overhead en/of BTW) vooropgesteld. Overeenkomstig een beslissing van de FOD Financiën d.d. 28 oktober 2009 vallen de VIONA-onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten buiten de werkingssfeer van de BTW. 6) een beschrijving van de wijze waarop de resultaten zullen worden gevaloriseerd en bekend gemaakt; in de begroting moet expliciet een bedrag voor de valorisatie worden voorzien 7) een beknopt curriculum vitae van de onderzoeksverantwoordelijken (max. 3 blz. per persoon), met vermelding van de relevante lopende onderzoeksprojecten (met naam van de financierende organisatie en einddatum van het onderzoeksproject) en de vijf belangrijkste publicaties. 2.3 Evaluatie en selectie van de projectvoorstellen De ingediende voorstellen worden beoordeeld op hun beleidsmatige relevantie. De beoordeling van de beleidsmatige relevantie gebeurt door de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. Die Stuurgroep bestaat uit de volgende stemgerechtigde leden: de Vlaamse regering (afgevaardigden van de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk, de Vlaamse Minister bevoegd voor Sociale Economie en de Vlaamse Minister bevoegd voor Wetenschapsbeleid), de sociale partners (ABVV, ACV, ACLVB, VOKA, UNIZO en BB) en de Vlaamse departementen Werk en Sociale Economie en Onderwijs en Vorming. De evaluatie en selectie verlopen als volgt: - de stemgerechtigde stuurgroepleden krijgen alle projectvoorstellen toegestuurd en scoren de projectvoorstellen op basis van vier criteria (aansluiting bij de onderzoeksvragen uit de oproep, helderheid van de aanpak en de planning, beleidsrelevantie en kwaliteit van de valorisatievoorstellen);

20-07-2011

6 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


- de stuurgroepleden drukken over elk projectvoorstel een globaal oordeel uit in één eindscore gaande van A tot C: A: zeer goed, met daarbinnen een kopgroep (A1), ter onderscheiding van andere zeer goede projecten (A2) B: goed, met daarbinnen ook weer een onderscheid tussen B1 en B2 C: onvoldoende Bovendien staat het de stuurgroepleden vrij om bij elk projectvoorstel, ongeacht de score, suggesties voor bijsturing te formuleren. Enkel projectvoorstellen met een gemiddelde score B+ of meer worden tijdens de eerstvolgende vergadering van de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek besproken. De Stuurgroep beslist tijdens de vergadering en rekening houdend met de beleidsscore welk voorstel ze aan de minister voor gunning adviseert. Projectvoorstellen kunnen een hoger gewicht krijgen al naargelang de geplande valorisatie-initiatieven. Voor dringende beleidsvragen kan de Stuurgroep ook via een schriftelijke procedure selecteren. Het best gekwalificeerde projectvoorstel met een gemiddelde score van minstens B+ wordt dan voor gunning aan de minister geadviseerd. Indien de minister akkoord gaat met het advies, wordt het projectvoorstel gegund volgens de regels van de overheidsopdrachten. 2.4 Kandidaatstelling De projectvoorstellen dienen het departement Werk en Sociale Economie elektronisch via mail (Word) (ann.vandencruyce@wse.vlaanderen.be + johan.troch@wse.vlaanderen.be) én in drie schriftelijke niet-ingebonden versies uiterlijk te bereiken op het tijdstip vermeld in de oproep. De schriftelijke niet-ingebonden versies worden geadresseerd ter attentie mevrouw Ann Van den Cruyce, afdelingshoofd afdeling Werkgelegenheidsbeleid, departement Werk en Sociale Economie, Ellipsgebouw, Koning Albert II-laan 35 bus 20, 1030 Brussel.

20-07-2011

7 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


Bijlage 2 bij VIONA-projectoproepen voor onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten

FINANCIEEL PLAN EN RAPPORTERING

In deze bijlage worden de richtlijnen voor de budgetplanning van projectvoorstellen en de inhoudelijke en financiële rapportering door de promotoren toegelicht. 1.

KWALIFICATIE VAN DE OPDRACHT

Binnen het VIONA-onderzoeksprogramma maken we een onderscheid tussen twee soorten dienstenopdrachten, nl. studieopdrachten en O&O-opdrachten. Deze oproep betreft een O&O-opdracht. Bij O&O-opdrachten in antwoord op arbeidsmarktvraagstukken verwachten we van de opdrachtnemer een analyse van een algemeen geformuleerd probleem of domein binnen een lange of middellange termijn met het oog op het verhogen van innovatieve kennis in dat onderzoeks- en beleidsveld. De financiering van O&O-opdrachten door VIONA bedraagt altijd minder dan 200.000 euro. Voor deze onderzoeksopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 75.000 euro (inclusief overhead en/of BTW) vooropgesteld.

2.

FINANCIËLE PLANNING EN RAPPORTERING

In het financieel plan en de financiële rapportering van VIONA-projecten maken we een onderscheid tussen drie soorten kosten. -

Loonkosten wetenschappelijk personeel: raming in het financieel plan op basis van geschatte onderzoekersmaanden en bij afrekening op basis van bewijsstukken van de personeelskost voor wetenschappelijk personeel dat daadwerkelijk werd ingezet op het project.

-

Persoonsgebonden werkingskosten: werkingsmiddelen, administratieve ondersteuning en universitaire overhead. De persoonsgebonden werkingskosten worden forfaitair begroot en afgerekend op maximaal 33% van respectievelijk de begrote en de reële personeelskosten wetenschappelijk personeel en omvat de overhead van maximum 10% die de universiteiten gewoonlijk aanrekenen.

-

Projectspecifieke werkingskosten: exceptionele en projectspecifieke werkingsmiddelen (bv. kosten voor een grootschalige survey (postenquête, webbevraging, …), kosten buitenlandse studiereis,…). Het betreft uitzonderlijke kosten waarvoor een specifiek budget moet worden uitgewerkt. Die kosten zijn inherent aan de opdracht en zijn altijd te bewijzen. Ze worden in detail begroot in het voorstel en afgerekend op basis van bijhorende bewijsstukken.

20-07-2011

8 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


Bij de afrekening wordt de mogelijkheid voorzien van een transfer van de persoonsgebonden werkingskosten naar de loonkosten wetenschappelijke personeel ten bedrage van maximum 10 % van de oorspronkelijk voorziene werkingsmiddelen en dit op voorwaarde dat het globaal aanvaarde projectbudget behouden blijft. Bv.: voor een VIONA-project met een aanvaarde projectbegroting van 99.750 euro bestaande uit 75.000 euro aan personeelskosten en 24.750 euro (33% van 75.000 euro) aan werkingskosten, mag maximaal 2.475 euro worden getransfereerd van de werkingsmiddelen naar de personeelskosten. Op die manier kunnen hogere personeelskosten dan begroot worden opgevangen, bijvoorbeeld na aanwerving van een meer gekwalificeerde en ervaren onderzoeker dan aanvankelijk verhoopt. De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een financiële eindrapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) bezorgen. Tussentijdse uitbetaling is enkel mogelijk voor projecten die meer dan 12 maanden doorlooptijd in beslag nemen en gebeurt op basis van een tussentijdse financiële en inhoudelijke rapportering. De tussentijdse financiële rapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) moet na afloop van de eerste fase aan de opdrachtgever worden bezorgd. Indien het onderzoek door meerdere instanties wordt uitgevoerd, treedt één instantie op als opdrachtnemer. De opdrachtnemer moet alle facturen en interne verrekeningen bundelen en bij de opdrachtgever indienen. Voor de loonkosten wetenschappelijk personeel moeten bij de betalingsaanvraag de namen worden vermeld en worden gestaafd d.m.v. loonfiches (indien intern personeel) of facturen én betalingsbewijzen (indien extern personeel). Uitsluitend kosten gemaakt binnen de uitvoeringsperiode, die is bepaald in de overeenkomst, worden aanvaard.

3.

INHOUDELIJKE RAPPORTERING

De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een inhoudelijke eindrapportering bezorgen, samen met een Nederlandse én Engelstalige samenvatting. Het concept van eindrapport wordt besproken op en goedgekeurd door de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONA-project. De Nederlandse samenvatting (met opzet, bevindingen, aanbevelingen en valorisatie) telt minimaal 2 en maximaal 5 bladzijden. De Engelstalige samenvatting telt een 2-tal bladzijden. Van het eindrapport en van de samenvatting wordt ook een elektronische versie geleverd met het oog op de mogelijke verspreiding via de VIONA-website. Van dit inhoudelijke eindrapport worden vijftig gedrukte exemplaren aan het Departement WSE bezorgd. De opdrachtnemer verbindt er zich toe, tegelijkertijd met de indiening van het eindrapport, de voorgeschreven samenvattingen van het onderzoeksproject te bezorgen.

20-07-2011

9 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


In het geval van tussentijdse uitbetaling moet een tussentijdse inhoudelijke rapportering samen met een financieel rapport na afloop van de eerste fase van het project aan de opdrachtgever worden bezorgd. In die tussentijdse inhoudelijke rapportering dienen ook eventuele bijsturingen in het project te worden weergegeven. Deze rapportering wordt verspreid aan al de leden van de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONAproject. De verspreiding gebeurt via het VIONA-secretariaat.

4.

CONTACTPERSONEN

Financiële en inhoudelijke rapporten moeten worden ingediend op het volgende adres, op de wijze zoals hierboven beschreven: Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie – Afdeling Werkgelegenheidsbeleid t.a.v. mevrouw Ann Van den Cruyce (afdelingshoofd) Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping 1030 Brussel Inhoudelijke vragen over de concrete opdracht: Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij Patricia Vroman, Departement Werk en Sociale Economie (02/553 39 45, patricia.vroman@wse.vlaanderen.be) Contactpersonen m.b.t. de procedure en inhoudelijke rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02-553 44 18 Ann Van den Cruyce, tel. 02-553 44 58 Contactpersoon m.b.t. de financiële rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02-553 44 18

20-07-2011

10 VIONA-oproep O&O-opdracht Proeftuinen VDAB – OCMW’s


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Samenwerking_op_de_proef_projectoproep.pdf by Vlaanderen-be - Issuu