Skip to main content

Vlaams_ODA_rapport_2015.pdf

Page 1

HET VLAAMS ODA RAPPORT 2015 ONTWIKKELINGSRELEVANTE UITGAVEN VAN DE VLAAMSE OVERHEID IN 2015

1


2


HET VLAAMS ODA RAPPORT 2015 ONTWIKKELINGSRELEVANTE UITGAVEN VAN DE VLAAMSE OVERHEID IN 2015

3


Inhoudsopgave 1. Inleiding 5

1.1 1.2

Vlaamse ODA ≠ begrotingsuitgaven voor ontwikkelingssamenwerking Projectinformatie raadplegen via de online databank

5 6

2. De Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling van de Verenigde Naties

7

2.1 2.2

De 17 duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) De betrokkenheid van Vlaanderen bij de SDG’s

8 9

3. Bestedingspatroon Vlaamse ODA 12

12 16 23

4. Overzicht van de begrotingsuitgaven voor ontwikkelingssamenwerking

26

3.1 3.2 3.3

26 28 30

5. Internationale klimaatfinanciering

36

4.1 4.2 4.3

Overzicht van de ODA volgens Noord- en Zuidwerking Beleidsindicatoren over de Vlaamse ODA De Vlaamse ODA in internationale context

5.1 5.2 5.3 5.4

De begroting voor ontwikkelingssamenwerking en de ODA Inleiding: een gefocust beleid op ontwikkelingssamenwerking Beleidsindicatoren over de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking

Wat is internationale klimaatfinanciering? Niet te verwarren met emissierechtenhandel Hoe meet Vlaanderen zijn bijdrage aan internationale klimaatfinanciering? Samenstelling van de Vlaamse internationale klimaatfinanciering

36 37 37 38

4


1. INLEIDING Het Vlaams ODA rapport 2015 biedt een overzicht van alle betalingen van de Vlaamse overheid voor ontwikkelingssamenwerking. ODA is de afkorting voor ‘Official Development Assistance’ – wat staat voor ‘officiële ontwikkelingshulp’. Een uitgave is ODA1 als ze aan volgende criteria voldoet: 1. Official: het gaat om ontwikkelingshulp, gefinancierd door overheidsinstellingen 2. Development: economische en sociale ontwikkeling is de hoofddoelstelling 3. Assistance: de bijdrage is echte hulp – geen commerciële transactie aan marktvoorwaarden 4. De hulp gaat naar een land of internationale instelling die is opgenomen in de erkende lijst. Het kaderdecreet inzake ontwikkelingssamenwerking beschouwt het jaarlijkse ODA rapport als een decretaal verplichte rapportering aan het Vlaams Parlement. Het rapport lijst de Vlaamse regeringsmaatregelen op die bijdragen tot de internationale doelstelling om 0,7% van het Bruto Nationaal Inkomen aan ODA te besteden (Kaderdecreet, art. 23, 24).2 De Vlaamse overheid bezorgt dit rapport aan de federale overheid, meer bepaald de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp (DGD). Die bundelt op zijn beurt alle ODA afkomstig uit het Belgisch grondgebied, en maakt een volledige rapportering over aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

1.1 VLAAMSE ODA ≠ BEGROTINGSUITGAVEN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

De totale ODA is de som van de begrotingsuitgaven voor ontwikkelingssamenwerking en andere ODA aanrekenbare uitgaven van de Vlaamse overheid. De uitgaven vanuit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking vormen een deelverzameling van de totale ODA.

Het beheer van het Vlaams ontwikkelingsbeleid is in handen van het Departement internationaal Vlaanderen. Het Vlaams kaderdecreet voor ontwikkelingssamenwerking voorziet in een eigen begrotingsprogramma voor ontwikkelingssamenwerking, waarvan het Vlaams Parlement jaarlijks het bedrag bepaalt. Alle uitgaven vanuit dit begrotingsprogramma dienen te beantwoorden aan de internationale criteria voor ODA. Met deze publicatie rapporteert de Vlaamse Regering over de bestedingen vanuit dat begrotingsprogramma (Kaderdecreet, artikel 22).3 Naast uitgaven vanuit het Vlaams ontwikkelingsbeleid, bieden ook andere Vlaamse overheidsentiteiten ondersteuning aan organisaties, projecten en programma’s gericht op het versterken van ontwikkeling in het Zuiden. Indien ze voldoen aan de criteria voor ODA, zijn ook deze uitgaven vervat in dit rapport. Om verwarring te voorkomen tussen de verzameling van ODA en de deelverzameling van de begrotingsuitgaven voor ontwikkelingssamenwerking, deelt het ODA rapport beide verzamelingen op per hoofdstuk. De schuine kleurstrook in de kop- en voetruimte geeft aan of het hoofdstuk handelt over: - Overzicht van de totale ODA (blauwe kleur) - Overzicht van de begrotingsuitgaven voor ontwikkelingssamenwerking; (rode kleur) - Overzicht van de Vlaamse bijdrage voor klimaatfinanciering (groene kleur).

1  Lijst landen en organisaties beschikbaar op http://www.oecd.org/dac/stats/daclist.htm 2  Kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking, online beschikbaar op http://codex.vlaanderen.be/Portals/Codex/documenten/1016071.html 3  Meer informatie beschikbaar op http://www.vlaanderen.be/int/ontwikkelingssamenwerking

5


1.2 PROJECTINFORMATIE RAADPLEGEN VIA DE ONLINE DATABANK Om gericht gegevens over de Vlaamse ODA te consulteren, kunnen geĂŻnteresseerden onderstaande online databank raadplegen. Via meerdere indicatoren kan men een zoekstrategie ontwikkelen. De zoekresultaten bieden naast de financiĂŤle informatie ook het doelstellingenkader en (waar beschikbaar) de eigenlijke planningsdocumenten van de projecten. Deze digitale module versterkt op die manier de transparantie over het Vlaamse ontwikkelingsbeleid. De zoekmodule is tevens bereikbaar via de website van het Departement internationaal Vlaanderen (weblink: http://www.vlaanderen.be/int/vlaamse-oda). Op deze website vindt u hyperlinks naar de databank.

KEUZE VAN DE ZOEKINDICATOR

Begunstigden:

opdeling volgens het statuut van de begunstigde (overheid, NGO, VN instelling,...)

Sector:

opdeling volgens de beoogde sectoren waar de hulpstroom op gericht is

Regio:

opdeling volgens de ontvangende regio

Land:

opdeling volgens het ontvangende land

Type uitgave:

opdeling volgens beleidsfinaliteit (bilaterale -, indirecte -, multilaterale hulp,..)

Jaar: (ODA jaar)

opdeling volgens jaar van betaling

Beleidsdomein:

opdeling volgens Vlaams beleidsdomein (en onderliggende entiteiten) van waaruit de ODA vertrok

Meerdere indicatoren combineren:

elk van de bovenstaande indicatoren kunnen, gezamenlijk of apart, worden gefilterd

WEBADRES http://www.vlaanderen.be/int/oda/begunstigde

http://www.vlaanderen.be/int/oda/sector

http://www.vlaanderen.be/int/oda/regio http://www.vlaanderen.be/int/oda/land http://www.vlaanderen.be/int/oda/indeling

http://www.vlaanderen.be/int/oda/jaar http://www.vlaanderen.be/int/oda/beleidsdomein

http://www.vlaanderen.be/int/oda/combineren

6


2. DE AGENDA 2030 VOOR DUURZAME ONTWIKKELING VAN DE VERENIGDE NATIES Op 25 september 2015 verleende de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zijn goedkeuring aan de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling van de Verenigde Naties. De Agenda 2030 biedt een universeel kader voor alle landen om armoede uit te bannen en tot duurzame ontwikkeling te komen tegen 2030. De agenda omvat 17 duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen. problemen zijn universeel, denk bij het streven naar De 2030 Agenda bouwt voort op de succesfactoren duurzame voeding bijvoorbeeld aan het gelijktijdig van de Millenium-ontwikkelingsdoelen die afliepen in voorkomen van ondervoeding en zwaarlijvigheid. 2015. Uit de voorbije jaren leerde de internationale Alle landen in de wereld verbinden zich ertoe om gemeenschap dat het nastreven en opvolgen van de duurzame-ontwikkelingsdoelen landenspecifiek concrete, meetbare internationale doelstellingen in te vullen. Deze nieuwe, uiterst brede agenda indrukwekkende resultaten kan opleveren. Vandaag is veronderstelt ook dat men van een strikt sectorale er beduidend minder armoede, honger, analfabetisme, naar een multisectorale aanpak evolueert. Zo kan men kinder- en moedersterfte in de wereld dan in 1990. alle bouwstenen van de oplossing van zeer complexe Aanzienlijk meer mensen hebben toegang tot drinkbaar problemen tezelfdertijd aanreiken. water, malarianetten en aidsremmers. Bij de uitvoering van de Agenda moet men dan ook Daarnaast wil de 2030 Agenda voor duurzame op de kruisverbanden tussen de verschillende doelen ontwikkeling ook lessen trekken uit de tekortkomingen mikken. Bijvoorbeeld gezondheid is niet enkel een van het voorgaande doelstellingenkader. Zo waren de kwestie van kwaliteitsvolle medische diensten. Vele Millenium-ontwikkelingsdoelen zeer sterk gefocust factoren bepalen goede gezondheidsresultaten: toegang op sociale indicatoren, en kwamen de ecologische en tot zuiver water, betere hygiënische praktijken, gezonde economische dimensies van ontwikkeling onvoldoende voedingsgewoonten, een gezonde stedelijke omgeving aan bod. Daarnaast hadden de Millennium- zonder schadelijke emissies of geluidshinder, etc… Dit ontwikkelingsdoelen enkel betrekking op streefcijfers voorbeeld geeft aan dat de sectorale aanpak niet langer voor ontwikkelingslanden en verplichtingen voor volstaat om complexe mondiale uitdagingen het hoofd donoren. Tenslotte lieten ze te veel ruimte om te bieden. enkel symptomen te bestrijden en nodigden ze dus onvoldoende uit om de structurele oorzaken van Tenslotte wordt onderkend dat het succes bij de uitrol armoede en ongelijkheid aan te pakken. van deze agenda afhangt van de (financiële) inzet van alle actoren. Van alle overheden (Europees, federaal De nieuwe 2030 Agenda gaat uit van het onlosmakelijk en subnationaal) over verbond tussen de sociale, economische en de privé-sector en ecologische dimensies van duurzame ontwikkeling. het middenveld Armoedebestrijding is immers niet louter een kwestie tot en met de van sociale maatregelen. Ook economische groei is kennisinstellingen en noodzakelijk om welvaart te creëren, maar die groei is zelfs de individuele alleen duurzaam als ze de draagkracht van de aarde burger, allen zullen respecteert. De succesvolle samensmelting van deze hun krachten en hun dimensies biedt perspectief voor alle landen om de materiële middelen welvaart en het welzijn van hun burgers op lange moeten bundelen om termijn te verbeteren en te handhaven. de beoogde maatschappelijke transitie De opdeling ontwikkelingsland – naar een duurzame industrieland vervaagt in het planeet in te zetten. nieuwe kader. Veel

7


2.1 DE 17 DUURZAME-ONTWIKKELINGSDOELSTELLINGEN (SDG’S) Hieronder vindt u een overzicht van de 17 SDG’s. Elke SDG bevat ook onderliggende doelen, die meer specifiek ingaan op belangrijke elementen om de SDG te bereiken. De gehele 2030 Agenda bestaat uit 17 duurzameontwikkelingsdoelstellingen en 169 bijhorende subdoelen.4 SDG 1: Beëindig armoede in al zijn vormen overal

SDG 2: Beëindig honger, bereik voedselveiligheid, verbeterde voeding en bevorder duurzame landbouw

SDG 3: Verzeker een gezond leven en bevorder welzijn voor iedereen op elke leeftijd

SDG 4: Verzeker inclusief kwaliteitsonderwijs voor allen en bevorder levenslang leren

SDG 5: Bereik gendergelijkheid en geef meer macht aan vrouwen en meisjes

SDG 6: Verzeker toegang tot water en sanitair voor iedereen

SDG 7: Verzeker toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen

SDG 8: Bevorder inclusieve en duurzame economische groei, tewerkstelling en degelijk werk voor iedereen

SDG 9: Bouw veerkrachtige infrastructuur, bevorder duurzame industrialisering en stimuleer innovatie

SDG 10: Verminder ongelijkheid binnen en tussen landen

SDG 11: Maak steden inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam

SDG 12: Verzeker duurzame consumptie en productiemethodes

SDG 13: Neem dringend actie om de klimaatverandering en zijn impact te bestrijden

SDG 14: Bewaar en maak duurzaam gebruik van de oceanen, de zeeën en de maritieme hulpbronnen

SDG 15: Beheer de bossen duurzaam, bestrijd woestijnvorming, stop de verarming van de bodem, stop het verlies van de biodiversiteit

SDG 16: Bevorder rechtvaardige, vreedzame en inclusieve maatschappijen

SDG 17: Revitaliseer het wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling

4  Meer informatie over de samenstelling van de doelen en subdoelen is online beschikbaar op: https://sustainabledevelopment.un.org/content/documents/21252030%20Agenda%20for%20Sustainable%20Development%20web.pdf

8


2.2 DE BETROKKENHEID VAN VLAANDEREN BIJ DE SDG’S Van bij het begin was de Vlaamse overheid betrokken bij de onderhandelingen over de SDG’s. Een vroege betrokkenheid draagt ertoe bij dat de doelen insijpelen in het buitenlands en binnenlands beleid. De Vlaamse overheid was betrokken via verschillende kanalen en instrumenten: • Vlaanderen oefende invloed uit op de Belgische positie in multilaterale instellingen en de EU binnen de intern-Belgische coördinatievergaderingen. • Vlaamse experts namen deel aan het internBelgisch technisch platform (op ambtelijk niveau) rond de SDG’s, namelijk de internationale werkgroep van de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (afgekort: ICDO) en aan de verschillende voorbereidende vergaderingen op VN-niveau. • Een vertegenwoordiger van het Departement internationaal Vlaanderen maakte deel uit van de Belgische delegatie voor de 70ste editie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die gedeeltelijk gewijd was aan dit proces. • Ook naar aanleiding van het indicatorenkader voor de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s), heeft de Vlaamse overheid meegewerkt aan het in kaart brengen van mogelijke indicatoren. De vroege betrokkenheid zorgt ervoor dat de Vlaamse overheid de nodige voorbereidingen kan treffen voor een eerste rapportering over de SDG’s. De Studiedienst van de Vlaamse Regering is hierbij een belangrijke actor binnen Vlaanderen.

Na de officiële bekrachtiging door de Algemene Vergadering van dit nieuwe kader voor duurzame ontwikkeling gaat de Vlaamse overheid verder aan de slag om de doelen om te zetten in beleid. • In de beleidsnota van de minister voor ontwikkelingssamenwerking (2014-2019) is het concreet engagement naar voor geschoven om het ontwikkelingsbeleid te richten op de 2030 Agenda. Binnen de afdeling Mondiale Uitdagingen van het departement internationaal Vlaanderen is sinds het najaar van 2015 een breed beleidsproces opgezet om de doelstellingen te vertalen in het Vlaamse beleid. Op 18 april 2016 worden daartoe de externe stakeholders geconsulteerd tijdens de staten-generaal voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking. • Ook wat betreft de binnenlandse bevoegdheden in Vlaanderen is een omslag nodig naar een meer duurzame samenleving. De “Visie 2050: Een langetermijnstrategie voor Vlaanderen” - die tegelijk ook de nieuwe Vlaamse Strategie voor Duurzame Ontwikkeling (VSDO) is - heeft de SDG’s sterk verankerd in de langetermijnstrategie. Zo vormen de SDG’s mee een toetssteen voor het reguliere beleid de komende jaren. Op 8 juni 2016 organiseert het expertisecentrum Duurzaamheid een event dat specifiek gaat over de concrete implementatie en engagementen van de SDG’s in Vlaanderen.

9


10


OVERZICHT VAN DE VLAAMSE ODA

11


3. BESTEDINGSPATROON VLAAMSE ODA 3.1 OVERZICHT VAN DE ODA VOLGENS NOORD- EN ZUIDWERKING Dit hoofdstuk biedt een overzicht op de onderverdeling van de ODA volgens Zuidwerking (3.1.1), Noordwerking (3.1.2) en administratieve kosten.

De Vlaamse ODA in het jaar 2015 bedraagt 55.399.743 euro. Daarvan valt 30.062.996 euro of 54% onder Zuidwerking. Met deze middelen investeert Vlaanderen in projecten, programma’s en fondsen in ontwikkelingslanden. Binnen de Zuidwerking gaat: - 70,1% naar de concentratieregio Zuidelijk Afrika1 - 16,1% naar ongeoormerkte steun (multilaterale samenwerking) - 13,8% naar andere regio’s in de wereld De Noordwerking bedraagt 24.110.005 euro of 44% van de totale ODA. Deze bijdragen komen ten goede aan binnenlandse actoren die een belangrijke rol spelen op vlak van ontwikkelingssamenwerking. De fondsen verlaten in eerste instantie het land niet, maar kunnen wel indirect een effect hebben op de socio-economische ontwikkeling in het zuiden. Ten slotte boekt het Departement internationaal Vlaanderen ook administratieve kosten, noodzakelijk om het beleid en de uitvoering van de ontwikkelingssamenwerking tot stand te brengen. In 2015 beliep deze kost 2,2% van de totale ODA. 1  De uitgaven aan de regio ‘Zuidelijk Afrika’ in 2015, exclusief administratieve kosten, bedragen 21.069.759. Deze uitgaven zijn te consulteren op http://www.vlaanderen.be/int/oda/regio

12


3.1.1

Zuidwerking

Onderstaande tabel biedt een overzicht van alle bestedingen die rechtstreeks ten goede komen aan ontwikkelingslanden. Deze bijdragen vallen onder de categorie ‘Zuidwerking’.

Zuidwerking (euro)

Totaal: 30.062.996

Soort uitgaven binnen de Zuidwerking (euro)

Zuid-Afrika Mozambique Malawi Zuidelijk Afrika (regio) Andere

Totaal

Bilateraal (direct)

Bilateraal (indirect)

Bi-Multi

6.536.569

5.366.406

11.415.592

23.318.568

87.500 2.314.069 4.135.000

1.042.795 2.414.409 1.081.946 705.255 122.000

3.575.576 693.449 3.302.649 1.700.250 2.143.668

4.705.871 5.421.927 8.519.595 2.405.505 2.265.668

Multilaterale samenwerking (ongeoormerkte bijdragen) Green Climate Fund (GCF) Central Emergency Response Fund (Ocha) Unicef International Joint United Nations Programme on HIV/AIDS (UNAIDS) Financiering milieuverdragen (UNFCCC, UNEP, UNECE) International Seed Testing Organisation (ISTA) Indirecte samenwerking Toegepast wetenschappelijk onderzoek in ontwikkelingslanden Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling Studies, studiebeurzen en opleiding (in ontwikkelingslanden) Vlaams Fonds Tropisch Bos Humanitaire hulp (exclusief Bi-Multi of multilaterale bijdragen aan WFP, CERF, UNRWA)

4.853.084 3.500.000 600.000 250.000 250.000 247.444 5.640 1.446.515 378.880 738.989 154.060 174.586 444.828

De bilaterale samenwerking betreft vormen van samenwerking die gebaseerd zijn op een overeenkomst tussen de Vlaamse Regering en een partnerland van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking. Vlaanderen focust haar beleid op Zuid-Afrika, Mozambique, Malawi. De samenwerking is beschreven in de vijfjarige strategienota’s, die de prioriteiten van de samenwerking bepalen. Voor regionaal georiënteerde en grensoverschrijdende programma’s ligt de focus op Zuidelijk Afrika. De directe bilaterale samenwerking – dat is steun van overheid tot overheid – bedraagt 6,5 miljoen euro. Bij indirecte bilaterale samenwerking (5,4 miljoen euro) worden lokale, internationale of Vlaamse organisaties ingezet bij de uitvoering van de strategienota met een partnerland. De categorie Bi-Multi (11,4 miljoen euro) omvat alle bijdragen aan multilaterale instellingen die ofwel geografisch ofwel thematisch geoormerkt zijn. Onder Bi-Multi vallen zowel VN programma’s van de bilaterale samenwerking als flankerende initiatieven gericht op meerdere landen.

13


Binnen de Bi-Multi is in totaal 9,3 miljoen euro besteed in de partnerlanden of de regio van Zuidelijk Afrika. De overige 2,1 miljoen voor Bi-multi betreft programma’s die niet geografisch maar wel thematisch geoormerkt zijn, zoals bijvoorbeeld de Trust Funds met de Internationale Arbeidsorganisatie en UNESCO. Onderstaande tabel biedt inzicht in de verdeling van de Bi-Multi volgens organisatie. Bi-Multi: in 2015 geoormerkte middelen per VN-organisaties (euro)

Internationale Arbeidsorganisatie (IAO)

11.415.592

3.400.000

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO)

2.277.995

Food and Agricultural Organization of the United Nations (FAO)

1.300.000

World Agroforestry Centre (ICRAF)

1.183.949

World Health Organisation

750.000

One UN Fund Malawi

694.500

Joint United Nations Programme on HIV/AIDS (UNAIDS)

500.000

Unicef

500.000

United Nations World Food Programme (WFP)

628.149

One UN Fund Mozambique

164.500

Raad van Europa

16.500

De multilaterale samenwerking – waarbij bijdragen opgaan in de begroting van een multilaterale organisatie – bedraagt 4,9 miljoen euro. Ongeoormerkte hulp laat toe dat de betrokken organisaties de Vlaamse bijdragen op een flexibele manier kunnen inzetten in functie van de voortdurend wijzigende noden.

realisatie van de watergerelateerde ontwikkelingsdoelstellingen na. Het Vlaams Fonds Tropisch Bos zet in op de baten van bosbouw en -beheer voor economische ontwikkeling, aanpassing aan klimaatverandering, het behoud van biodiversiteit en het terugdringen van verwoestijning.

De in het zuiden ingezette indirecte samenwerking in 2015 is goed voor 1,4 miljoen euro. Bij indirecte samenwerking draagt de expertise van een indirecte speler (bv. een NGO, een wetenschappelijke instelling of een VZW) bij tot totstandkoming en uitvoering van een concreet project, maar dan buiten het raamwerk van de bilaterale strategienota’s met de partnerlanden. Binnen de Zuidwerking onderscheiden we een aantal samenwerkingsinitiatieven die gericht zijn op het nastreven van een specifieke doelstelling. Het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling streeft de

Vlaanderen verleent in het kader van de internationale samenwerking ook bijstand aan gebieden die getroffen zijn door rampspoed van natuurlijke of menselijke oorsprong. In totaal is in 2015 1,8 miljoen euro besteed binnen de sector humanitaire hulp. Daarvan is 1,4 miljoen euro besteed via VN organisaties (CERF, de One UN Fondsen, Wereldvoedselprogramma en UNESCO). De betalingen voor humanitaire hulp – exclusief Bi-Multi en multilaterale samenwerking – bedragen 0,4 miljoen euro.

In 2015 ontvangen multilaterale instellingen 31% van de Vlaamse ODA, in de vorm van multilaterale steun (€ 4,85 miljoen euro) of als Bi-Multi steun (€ 11,42 miljoen)

Hoofdkantoor UNESCO, Parijs 14


3.1.2

Noordwerking

Onderstaande tabel biedt een overzicht van alle bestedingen die ten goede komen aan binnenlandse actoren, die indirect een positieve invloed uitoefenen op de ontwikkelingsproblematiek.

Noordwerking (euro)

totaal: 26.073.748

Soort uitgaven binnen de Noordwerking (euro) Wetenschappelijk onderzoek en onderwijs

16.843.000

Instituut voor Tropische Geneeskunde Antwerpen (ITG)

13.186.000

Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB)

2.697.000

Universiteit van de Verenigde Naties (UNU)

960.000

Ontwikkelingseducatie en sensibilisatie

1.439.020

Steun aan NGO’s en/of vzw’s

2.222.833

Gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking Gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking

2.857.727 2.661.606

Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten VZW

196.121

Studiebeurzen en opleiding (uitgevoerd in donorland) Ongeveer 70% van de middelen voor de Noordwerking komt tegemoet aan ontwikkelingsrelevant wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Het Instituut voor Tropische Geneeskunde specialiseert zich in onderzoek, onderwijs en dienstverlening in de tropische geneeskunde en de organisatie van gezondheid in ontwikkelingslanden. Het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB) is actief op het vlak van voortgezet academisch onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke dienstverlening op het gebied van de economische, politieke en sociale aspecten van ontwikkelingsbeleid en -beheer. De Universiteit van de Verenigde Naties (UNU) onderzoekt de mondiale problemen die binnen de belangstelling van de VN vallen: vrede en goed bestuur, ontwikkeling, milieu, wetenschap en technologie. Uitgaven in kader van ontwikkelingseducatie en sensibilisatie bedragen 1,4 miljoen euro. Dit beleid heeft tot doel om burgers te betrekken bij Noord-Zuidrelaties en om bij te dragen tot een groter bewustzijn over de ontwikkelingsproblematiek. Door het draagvlak voor armoedebestrijding te ondersteunen werken we aan

3.1.3

747.425

een sterkere verantwoordelijkheidszin bij de Vlaamse burger. Steden en gemeenten staan dicht bij de burger en hebben een specifieke meerwaarde bij het sensibiliseren van moeilijk bereikbare doelgroepen. 2,9 miljoen euro ging uit naar het impulsbeleid voor gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking. Ook binnen zijn Noordwerking voorziet de Vlaamse overheid in de ondersteuning aan NGO’s (2,2 miljoen euro) in de vorm van loon- en werkingssubsidies. Als actoren van de civiele samenleving op vlak van ontwikkelingssamenwerking hebben deze een belangrijke rol te spelen op het vlak van draagvlakversterking, als waakhond over het overheidsoptreden en als innovatieve ontwikkelaars van projecten in het zuiden. Door studenten in het zuiden de kans te bieden een specifieke opleiding te volgen in Vlaanderen, versterkt indirect de capaciteit in de landen van herkomst. Beurzen uitgevoerd in Vlaanderen vertegenwoordigen 0,7 miljoen euro in 2015.

Meer weten?

Wie meer gedetailleerde informatie zoekt over de samenstelling van de ODA volgens de hierboven afgebakende uitgavetypes, kan de online lijst ‘type uitgave’ raadplegen op de website: http://www.vlaanderen.be/int/oda/indeling

15


3.2 BELEIDSINDICATOREN OVER DE VLAAMSE ODA De bovenstaande onderverdeling – Noordwerking, Zuidwerking en administratieve kosten – biedt nog geen inzicht in de sectorale verdeling, de keuze van partners, de herkomst van de middelen, en andere beleidsinformatie. Dit hoofdstuk neemt een aantal bijkomende indicatoren onder de loep. Waar mogelijk wordt de evolutie tijdens de afgelopen 5 jaar weergegeven.

3.2.1

Verdeling van de ODA volgens ontvangende regio en land

De begunstigden van de Vlaamse ODA zijn actief in meerdere regio’s in de wereld. Om een zicht te krijgen op de geografische spreiding van de ODA, groepeert onderstaande tabel de begunstigde regio’s.1 De onderliggende projecten en programma’s, geordend volgens regio en land, zijn online raadpleegbaar op deze webstek: http://www.vlaanderen.be/int/oda/regio Ontvangende regio’s van Vlaamse ODA 2015

bijdrage (€) relatieve aandeel

Onbepaald (Zuidwerking)

4.853.084

15,9%

Afrika

22.351.296

73,1%

Noord-Afrika

147.000

0,5%

Sahel

164.104

0,5%

256.829

0,8%

Centraal Afrika

81.160

0,3%

Oost-Afrika

91.078

0,3%

21.366.127

69,8%

Malawi

8.532.967

27,9%

Zuid-Afrika

5.421.928

17,7%

Mozambique

4.770.180

15,6%

Subregionaal / andere landen in de regio

2.641.053

8,6%

1.447.570

4,7%

Azië

792.342

2,6%

Meerdere regio’s op niveau van programma’s

693.566

2,3%

Midden-Oosten /Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA)

381.000

1,2%

72.500

0,2%

Waarvan:

West-Afrika

Zuidelijk Afrika Waarvan:

Latijns-Amerika / Caraïben

Centraal en Oost Europa

1  Deze totaalbedragen per land in Zuidelijk Afrika omvatten alle ODA: voor zowel (in)directe bilaterale samenwerking, Bi-Multi, indirecte samenwerking, administratieve kosten, beurzen voor het volgen van een opleiding in Vlaanderen en noodhulp. Daarom kunnen deze totaalcijfers per regio en land afwijken van de cijfers uit de tabel uit hoofdstuk 3.1.1 Zuidwerking (blz 13), die enkel de uitgaven voor (in)directe bilaterale samenwerking en Bi-Multi geografisch uitsplitst.

16


3.2.2 Verdeling van de ODA volgens begunstigde Onderstaande grafiek groepeert de begunstigden van de Vlaamse ODA. De onderliggende projecten en programma’s, geordend volgens groepen van begunstigden, zijn online beschikbaar op: http://www.vlaanderen.be/int/oda/begunstigde

Vlaanderen kanaliseert traditioneel een groot aandeel – gemiddeld ongeveer 30 procent – van haar ODA via wetenschappelijke instellingen. In 2015 schrijven ze 32,9% van de Vlaamse ODA 2015 op hun conto, goed voor een besteding van 18,2 miljoen euro. Het Instituut voor Tropische Geneeskunde ontvangt in 2015 in totaal 13,3 miljoen euro in de vorm van structurele ondersteuning en als uitvoerder van structurele samenwerking met een Mozambikaanse wetenschappelijke gezondheidsinstelling. Het aandeel aan multilaterale instellingen blijft in de periode 2011-2015 constant tot 27 à 28% van de totale bestedingen. In 2015 tikt het aandeel aan multilaterale instellingen af op 31,1%. Het betreft zowel coresupport die rechtstreeks in de algemene begroting van de instelling terechtkomt (gecategoriseerd als ‘multilaterale steun’), als bijdragen met een geografische of thematische oormerking (gecategoriseerd als ‘BiMulti’). Om zoveel mogelijk synergieën te creëren met het bilaterale ontwikkelingsbeleid in de partnerlanden, concentreert Vlaanderen zijn bijdragen op de landen in Zuidelijk Afrika. VN agentschappen treden ook op als uitvoerende partner van de bilaterale samenwerking met de partnerlanden.

NGO’s of VZW’s ontvangen in 2015 samen 16,6% van de ODA, ofwel 9,2 miljoen euro. Dit percentage is de som van het aandeel Vlaamse NGO’s en VZW’s (11,6%), lokale NGO’s (1,4%) en internationale NGO’s (3,6%). Deze actoren treden op als uitvoerende partners van ontwikkelingsprogramma’s, maar krijgen ook ondersteuning voor algemene loon- en werkingskosten. In totaal gaat 12% van de Vlaamse ODA in 2015 rechtstreeks naar de overheden van Zuid-Afrika, Mozambique en Malawi. De samenwerking met overheden in partnerlanden is quasi integraal gefinancierd met middelen uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Ten slotte gaat 4,8% van de ODA in 2015 naar binnenlandse steden en gemeenten, in het kader van draagvlakversterking voor ontwikkelingssamenwerking. Ook deze subsidies zijn volledig afkomstig van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. De categorie ‘andere’ bundelt alle uitgaven die niet thuishoren bij elk van de andere begunstigdecategorieën. Het gaat voornamelijk over beheerskosten voor de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid.

17


3.2.3 Verdeling van de ODA volgens sector Hieronder volgt de besteding van de Vlaamse ODA per sector. Het Ontwikkelingscomité van de OESO zette deze codering van de sectoren op punt. Het is belangrijk te weten dat de finaliteit van een project de sectorcodering bepaalt; en niet de manier waarop een project zijn doelstellingen nastreeft. Zo krijgt bijvoorbeeld het voorzien van een woonplaats voor landbouwexperts niet de sectorcode voor huisvestiging, maar wel voor landbouw. Onderstaande verdeling per sector en de onderliggende projecten en programma’s zijn te raadplegen op de webstek http://www.vlaanderen.be/int/oda/sector

De totale ODA is sectoraal minder geconcentreerd dan de ODA afkomstig uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking (zie hoofdstuk 4.1.1). De Vlaamse ODA 2015 concentreert zich op de sectoren gezondheid, inclusief seksuele en reproductieve gezondheid (31%), milieubescherming, watervoorziening, energie en bosbouw (14%), landbouw, visserij en voedselhulp (11%), en onderwijs (8%). Deze vier grootste clusters van sectoren vertegenwoordigen samen 64% van de uitgaven. Sinds 2010 stellen we een toenemend belang vast van de sectoren milieubescherming, watervoorziening, energie en bosbouw. In 2015 stijgt dit aandeel tot 14% van de totale ODA (terwijl dit aandeel in 2009 nog 3% was). Mogelijks hebben de doelstellingen rond internationale

klimaatfinanciering tot deze stijging geleid. De heroriëntering in Zuid-Afrika naar jobcreatie door middel van sociaal ondernemerschap en KMMOontwikkeling is ook af te lezen uit de stijging (sinds 2013) van de uitgaven voor handel, industrie en ondernemingen (8% in 2015). In 2015 gaat 2,2% van de totale ODA naar administratieve kosten. Deze middelen zijn bestemd voor evaluaties, audits en personeelskosten van dossierbehandelaars voor ontwikkelingssamenwerking. Op 13 januari 2016 stemde het Vlaams parlement een resolutie over het belang van onderwijs in de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking − beschikbaar op: https:// docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2014-2015/g439-3.pdf

18


De aandacht voor onderwijs valt niet louter af te lezen uit het aandeel van de ODA (8%) binnen de hoofdsector voor onderwijs. Sectorcodes meten de globale doelstelling van een interventie en niet de operationele strategie om tot die doelstelling te komen. Ook projecten met een andere sectorale finaliteit dan onderwijs zetten in op opleidingen, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. In 2015 was 46,6% van de ODA gericht op onderwijs in de brede zin (levenslang leren, educatie, hoger onderwijs, onderzoek,…)1

1  De verschillende OESO DAC subsectoren relevant voor onderzoek, vorming en opleiding (groene balk in de grafiek) zijn de volgende: 12261 Gezondheid – Educatie basisgezondheid; 12281 Gezondheid – Vorming gezondheidspersoneel; 13081 Bevolking & Reproductieve Gezondheid – Opleiding gezondheidspersoneel; 31166 Landbouwvoorlichting; 31181 Landbouw en veeteelt – Opleiding en vorming; 31182 Landbouw en veeteelt – Onderzoek; 31281 Bosbouw – Opleiding en vorming; 31282 bosbouwonderzoek; 41082 Onderzoek i.v.m. het leefmilieu

3.2.4 Herkomst van de Vlaamse ODA volgens beleidsdomein In 2015 was 98% van de ODA afkomstig van vier beleidsdomeinen: Internationaal Vlaanderen (IV), Onderwijs en Vorming (OV), Economie, Wetenschappen en Innovatie (EWI) Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE). Het relatieve aandeel van IV neemt tussen 2013 en 2015 af van 62 naar 54,7 procent door twee trends.

Enerzijds besteedt IV 4,7 miljoen euro minder in 2015 dan in 2013, en anderzijds neemt de bijdrage van de overige drie grootste beleidsdomeinen tussen 2013 en 2015 toe met 4 miljoen euro. Een groot deel van die stijging is toe te schrijven aan een eenmalige bijdrage van beleidsdomein LNE van 3,5 miljoen euro aan het Green Climate Fund.

Deze onderverdeling van de ODA per beleidsdomein is online te raadplegen op: http://www.vlaanderen.be/int/oda/beleidsdomein 19


Belize Barrier Reef De beleidsdomeinen Internationaal Vlaanderen en Economie, Wetenschappen en Innovatie werken samen met UNESCO rond de bescherming van onderwatererfgoed en kustbeheer.

Š Catlin Seaview Survey 20


3.2.5 Globale samenstelling van de Vlaamse ODA Departement IV is het beleidsdomein dat de ODA uitgaven uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking beheert. Op basis van de uitgaven van enerzijds de beleidsdomeinen EWI, OV en IV en anderzijds de resterende beleidsdomeinen kunnen we de ODA ruwweg in vier blokken opdelen (zie volgende grafiek).

Het blauwe staafdiagram in bovenstaande grafiek stelt de bestedingen voor uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Deze uitgaven in 2015 bedragen bijna 3,5 miljoen euro minder dan in 2013. In 2015 is een besparing van ruim 10% doorgevoerd op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking (zie hoofdstuk 4 over de begrotingsuitgaven voor ontwikkelingssamenwerking). De financiering van wetenschappelijke instellingen en universiteiten (rode staafdiagram) blijft de afgelopen vijf jaar vrij constant. Deze steun is grotendeels vastgelegd in overeenkomsten die voorzien in een jaarlijkse indexatie, wat leidt tot een meer stabiel verloop van de uitgaven. De subsidies zijn voornamelijk afkomstig uit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (OV) en Economie, Wetenschappen en Innovatie (EWI). Wetenschappelijk onderzoek wordt vooral verricht in de sectoren gezondheid en milieubescherming. Het groene staafdiagram verwijst naar de extra uitgave van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) in het kader van internationale klimaatfinanciering: in 2014 steunde LNE het Adaptation Fund. In 2015 gaat de steun uit naar het Green Climate Fund. Aangezien deze beide door de OESO zijn erkend als een 100% relevante ontwikkelingsinstelling, dient elke OESO-DAC donor zijn bijdragen aan die organisaties aan te melden binnen zijn ODA rapportering. In hoofdstuk 5 gaan we dieper in op het thema van internationale klimaatfinanciering.

Het paarse staafdiagram is een restcategorie. Het gaat om alle overige inspanningen van de Vlaamse overheid (buiten de begroting voor ontwikkelingssamenwerking). Dit aandeel, betaald door meerdere beleidsdomeinen, kent als gevolg van besparingen binnen de Vlaamse overheid een continue dalende trend. In 2009 viel nog 11,9 miljoen euro binnen deze categorie. De bescheiden stijging in 2014 van deze uitgaven, blijkt in 2015 terug te worden tenietgedaan. De oranje lijn geeft de evolutie weer van het aandeel ‘programmeerbare landenhulp’ (CPA). Het gaat om middelen die de partnerlanden kunnen programmeren, en die afkomstig zijn uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Deze indicator focust op de essentie van ontwikkelingssamenwerking. Uitgaven die voortvloeien uit de 5-jarige strategienota’s met de partnerlanden behoren tot CPA, dit in tegenstelling tot nietlandenprogrammeerbare uitgaven zoals humanitaire hulp, noodvoedselhulp, werkingskosten voor Vlaamse NGO’s, draagvlakversterking en administratieve kosten. Na een daling van de CPA in 2014, veert het aandeel CPA in 2015 terug op tot 40%.

21


3.2.6 Typologieën van de hulp

Sinds de Verklaring van Parijs aangaande de effectiviteit van de hulp (2005) hecht de internationale donorgemeenschap een groter belang aan de afstemming van hulp van donoren op bestaande beleidsdoelstellingen van de ontvangende landen. Ook de harmonisatie onder donoren van de procedures voor het uitvoeren van hulp vormt een aandachtspunt. Om de vooruitgang van donoren op dat vlak op te meten, ontwikkelde de OESO typologieën van de hulp, die informatie bevatten over de wijze waarop de projecten, programma’s en fondsen tot stand komen.

Zo komen we onder meer te weten of een donor vooral gebruik maakt van afzonderlijk gestuurde projecthulp, dan wel of de donor zijn hulp inzet via bestaande programma’s of fondsen van de ontvangende overheid, VN instellingen en/of van een groep van donoren. Afzonderlijke projecthulp gaat vaak gepaard met relatief hogere kosten op vlak van identificatie, opvolging en andere vormen van het beheer. Anderzijds biedt projecthulp meer mogelijkheden om de hulp te concentreren op de bilaterale prioriteiten. Onderstaande tabel geeft zowel de verdeling voor 2013, 2014 en 2015 weer.

TYPOLOGIEËN VAN DE HULP A02 Sectorale begrotingssteun

ODA 2013 4 700 000 €

ODA 2014 2 996 300 €

ODA 2015 2 971 086 €

16 796 564 €

18 915 405 €

18 105 833 €

2 742 141 €

3 582 725 €

5 813 084 €

3 140 000 €

6 144 936 €

2 609 000 €

500 000 €

0€

0€

19 135 187 €

16 406 644 €

18 887 023 €

1 215 483 €

928 417 €

742 803 €

E01 Beurzen / training in het donorland

1 098 568 €

1 023 300 €

747 425 €

G01 Administratieve kosten

3 030 565 €

1 471 411 €

1 226 742 €

3 731 678 €

5 078 043 €

4 296 746 €

Ongeoormerkte bijdragen aan NGO’s, andere private en-

B01 titeiten, publiek-private partnerschappen en onderzoek-

sinstellingen

B02

Ongeoormerkte bijdragen aan multilaterale instellingen Bijdragen aan specifieke programma’s en fondsen,

B03 beheerd door internationale instellingen (internationale

NGO’s en multilaterale instellingen)

B04

Gepoolde bijdragen (niet beheerd door multilaterale instellingen)

C01 Projecthulp D0

Experten en technische assistentie

H01 Draagvlakversterking voor ontwikkelingssamenwerking Vlaanderen steunt, samen met andere internationale donoren, sectorale fondsen in Malawi en in Mozambique (typologie A02). De donoren stemmen hun bijdrage via dit mechanisme af op de beleidsplannen van het ontvangend land, en kijken toe op een doelmatig financieel beheer van het ministerie. In 2015 neemt het aandeel ongeoormerkte hulp aan multilaterale organisaties (B02) toe. Naast de bijdragen voor multilaterale samenwerking (Zuidwerking), ontvangt ook de Universiteit van de Verenigde Naties (UNU) een ongeoormerkte bijdrage (Noordwerking). De ongeoormerkte bijdragen aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde en het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (samen 15,8 miljoen euro) en de loonsubsidies voor Vlaamse NGO’s (2,2 miljoen euro) verklaren het hoge aandeel voor ongeoormerkte bijdragen aan NGO’s en onderzoeksinstellingen (B01). Bij subsidies aan specifieke programma’s en fondsen van internationale organisaties (typologie B03) oefent

de donor geen invloed uit op de uiteindelijke toewijzing van de fondsen aan projecten. Vlaanderen steunde bestaande programma’s van het VN Ontwikkelingsfonds (UNDP), het Wereldkinderfonds (UNICEF), UNAIDS en de Wereldgezondheidsorganisatie. Projecthulp (C01) is de grootste hulpcategorie binnen de Vlaamse ODA. Onder ‘een project’ verstaat OESO: “een set van input, activiteiten en output, die in onderlinge overeenstemming met de uitvoerende partner(overheid) bepaalde doelstellingen of outcomes nastreeft binnen een bepaald tijdskader, met een bepaald budget, in een bepaald geografisch gebied”. De omvang van projecten varieert sterk. Heel wat samenwerkingsvormen tussen de Vlaamse overheid en de partnerlanden verlopen volgens projectovereenkomsten. Ten slotte voorziet Vlaanderen technische assistentie, beurzen en draagvlakversterking in het Noorden. Het beheer van het gehele ontwikkelingsbeleid brengt ook een administratieve kost met zich mee. 22


3.3 DE VLAAMSE ODA IN INTERNATIONALE CONTEXT De bijdrage van Vlaanderen maakt deel uit van een groter geheel. In de partnerlanden zijn heel wat internationale bilaterale donoren actief. Onderstaande tabel biedt een inzicht in de grootteorde van de Vlaamse bijdrage in verhouding tot de totale bilaterale ODA (d.i. exclusief bijdragen van multilaterale VN instellingen, ontwikkelingsbanken en de EU). Op basis van een rangschikking van grootste donor naar laagste, geeft onderstaande tabel de plaats weer die Vlaanderen inneemt in de bilaterale rangorde. Gezien de ODA van andere donoren in 2015 op het moment van schrijven nog niet beschikbaar is, loopt de vergelijking tot 2014. VLAAMSE ODA IN DE PARTNERLANDEN 2011 2012

2013

2014

Zuid-Afrika Vlaamse ODA (€)

3.540.573

5.455.376

4.668.102

2.218.664

Positie donor rangorde

16

12

14

15

% v/d bilaterale ODA

0,51%

0,81%

0,53%

0,30%

Vlaamse ODA (€)

7.930.012

2.952.536

8.713.647

4.547.828

Positie donor rangorde

18

21

19

20

% v/d bilaterale ODA

0,64%

0,25%

0,67%

0,41%

Vlaamse ODA (€)

4.924.518

9.308.656

7.394.682

6.166.842

Positie donor rangorde

9

8

9

8

% v/d bilaterale ODA

1,51%

1,85%

1,50%

1,46%

Mozambique

Malawi

De nachtelijke skyline van Tete, Mozambique © Veronique Schotte

23


24


OVERZICHT VAN DE BEGROTINGSUITGAVEN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

25


4. OVERZICHT VAN DE BEGROTINGSUITGAVEN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING De bestedingen vanuit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking vormen een deel van de totale Vlaamse ODA. Dit aandeel kende sinds 2008 een sterke groei tot voorbij de helft van de ODA. De afgelopen 5 jaren stabiliseert dit aandeel rond de 55 procent.

In dit hoofdstuk gaan we dieper in op het bestedingspatroon uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Het Departement internationaal Vlaanderen (DiV) beheert deze begroting. In 2015 besteedt DiV in totaal 29.026.835 euro ODA-aanrekenbare uitgaven vanuit deze begroting.

4.1 DE BEGROTING VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING EN DE OFFICIËLE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING (ODA) De begroting voor ontwikkelingssamenwerking bestaat uit vastleggingskredieten en betalingskredieten. Vastleggingskredieten zijn de middelen om nieuwe engagementen voor projecten, programma’s en fondsen aan te gaan. Eenmaal de totaalsom van de projecten, programma’s en fondsen zijn vastgelegd op de begroting, vertaalt men dit engagement in betalingskredieten. Een project met een vastleggingsbedrag van 900.000 euro kan bijvoorbeeld bestaan uit drie betalingsschijven verspreid over drie jaar. De begroting voorziet bijgevolg tijdens die drie jaren een betalingskrediet van 300.000 euro. Aangezien de ODA effectieve uitbetalingen opmeet, lijken de jaarlijkse betalingskredieten een goede indicatie van de te verwachten ODA in dat jaar. Dat blijkt in de praktijk niet altijd zo te zijn: - Zo kan een vertraging bij de uitvoering van een project of programma ertoe leiden dat de in dat jaar voorziene betalingsschijf niet wordt uitbetaald. - Daarnaast hanteren betalingskredieten en ODA een ander tijdskader. De ODA focust op de betalingen tijdens de periode van 1 januari tot 31 december binnen een bepaald jaar. Betalingskredieten kunnen daarentegen ook nog tijdens de eerste maand van het volgend jaar worden aangesproken.

De volgende grafiek toont het verloop van de betalingskredieten, vastleggingskredieten en de ODA vanuit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Aangezien apparaatskredieten (middelen voor personeel en werking) buiten deze begrotingscijfers vallen, is de ODA binnen deze grafiek verminderd met de administratieve kosten. Dit laat toe dat de vergelijking gelijk opgaat. Binnen de begroting voor ontwikkelingssamenwerking is in 2015 ruim 10 procent bespaard ten opzichte van 2014 (ofwel 3 miljoen euro). Toch is de ODA vanuit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking in 2015 niet met 3 miljoen euro gedaald. Dat komt omdat er begin 2015 een aantal ODA-aanrekenbare uitgaven zijn uitgevoerd met kredieten uit de begroting voor 2014.

26


De daling van de vastleggingskredieten in 2015 en 2016 leidt op termijn ook tot een daling van de betalingskredieten (en dus ook tot een daling van de ODA). Naarmate de beleidsruimte voor meerjarige engagementen inkrimpt, dalen ook de betalingskredieten in de hierop volgende jaren. De besparingen op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking in 2015 en 2016 komen daardoor vooral in de komende jaren tot uiting.

Mozambique heeft een kustlijn van maar liefst 2.500 km. Visserij staat in voor 4 procent van het Bruto Binnenlands Product en 28 procent van de instroom aan buitenlandse valuta. 27


4.2 INLEIDING: EEN GEFOCUST BELEID OP ONTWIKKELINGSSAMENWERKING De uitvoering van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking is gebonden aan: 1. Het wettelijk kader, namelijk het Kaderdecreet voor ontwikkelingssamenwerking, dat de voorwaarden en principes van dit beleid bepaalt. 2. De door het Vlaams Parlement goedgekeurde beleidsnota (2014-2019) van de minister, die de prioriteiten vastlegt tijdens deze legislatuur 3. De onderling overeengekomen samenwerkingsakkoorden (Memoranda of Understanding en strategienota’s) met de partnerlanden Eén van de belangrijkste principes binnen de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking is dat van geografische en thematische concentratie. Dit principe belet dat de schaarse middelen voor ontwikkelingssamenwerking versplinteren, wat de duurzaamheid van de het Vlaams engagement ten aanzien van het Zuiden zou ondergraven. Door te focussen op een beperkt aantal

landen en thema’s kan Vlaanderen met de autoriteiten in de ontwikkelingslanden en met andere donoren afspraken maken over een internationale taakverdeling rond ontwikkelingssamenwerking. Dit is dan ook een centraal aandachtspunt binnen de Verklaring van Parijs aangaande de effectiviteit van de hulp en de Europese Arbeidsdeling aangaande ontwikkelingssamenwerking.

De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking is geografisch geconcentreerd op Zuidelijk Afrika (70% van de uitgaven in 2015). Ongeveer 4 procent van de begrotingsuitgaven in 2015 is niet geografisch geoormerkt: het gaat om budgetsteun die internationale organisaties zelf kunnen toewijzen in functie van de noden. Bijna één vierde van de uitgaven in 2015 speelde in op de noordwerking in Vlaanderen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ondersteuning van NGO’s in Vlaanderen, het impulsbeleid rond gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking, educatie en sensibilisatie rond de ontwikkelingsproblematiek,…. Slechts 1,5% van de uitgaven gaat naar een andere regio in de wereld. Het betreft humanitaire fondsen, die worden toegekend in functie van acute noodsituaties en bijgevolg niet onderhevig zijn aan het principe van geografische concentratie.

In Zuidelijk Afrika engageerde de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking zich tot structurele, bilaterale samenwerking met Zuid-Afrika, Mozambique en Malawi. De samenwerking met een partnerland is steeds geformaliseerd binnen een Memorandum of Understanding (MOU), die het kader biedt waarbinnen Vlaanderen inzet op de ontwikkelingsprioriteiten van het partnerland. De strategienota’s bepalen de samenwerkingsprioriteiten over een periode van vijf jaar. Deze documenten dragen bij tot de voorspelbaarheid van de hulp. De volgende kadertekst biedt inzicht in de thematische prioriteiten van de samenwerking met de partnerlanden in 2015.

28


De bilaterale samenwerking met Vlaamse partnerlanden

De Vlaamse ontwikkelingssamenwerking startte in 1994 met Zuid-Afrika als eerste partnerland. De Vlaamse Regering keurde op 15 juli 2011 de tweede strategienota 2012-2016 inzake ontwikkelingssamenwerking goed. Focus ligt op twee prioritaire sectoren van de Zuid-Afrikaanse overheid: landbouw & voedselzekerheid, en jobcreatie & ondernemerschap. De ontwikkelingssamenwerking tussen Vlaanderen en Mozambique is in 2002 formeel van start gegaan. De tweede strategienota (2011-2015), zet volledig in op het bevorderen van het recht op gezondheid van de Mozambikaanse bevolking. Binnen de sector gezondheid zet de samenwerking in op: (1) de verdere ontwikkeling van een kritische massa van goed opgeleide en gemotiveerde gezondheidswerkers; (2) het leveren van gedegen gezondheidsonderzoek en -monitoring van ziekten en epidemieën; (3) het promoten van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; (4) het promoten van goede voeding(-spraktijken). Op 28 april 2006 koos de Vlaamse Regering Malawi als derde partnerland van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking. De tweede strategienota (2014-2018) zet integraal in op landbouw & voedselzekerheid. Binnen de sectorbrede steun voor landbouw & voedselzekerheid (ASWAp) fungeert Vlaanderen als ‘lead donor’ op vlak van landbouwvoorlichting. De ASWAp zet voornamelijk in op: (1) voedselzekerheid en risicobeheer; (2) commerciële landbouw, de verwerking van landbouwproducten en marktontwikkeling; (3) duurzaam beheer van landbouwgrond en water.

© Guy Stubbs

Vlaanderen stimuleert de formele tewerkstelling in Zuid-Afrika, onder meer via steun aan de uitbouw van een fonds voor sociale bedrijven, het zogenaamde Social Enterprises Fund (SEF). Via het fonds worden sociale en milieuvriendelijke bedrijven ondersteund die een grote sociale impact hebben op de lokale gemeenschappen. African Honey Bee is één van die sociale bedrijven die ondersteuning 29 krijgen vanuit dit fonds.


4.3 BELEIDSINDICATOREN OVER DE VLAAMSE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING 4.3.1

Sectorale samenstelling van de begrotingsuitgaven voor ontwikkelingssamenwerking

In de beleidsnota 2014-2019 kiest de minister voor Ontwikkelingssamenwerking ervoor om de concentratie van de hulp te verhogen. Om synergieën na te streven in de regio van Zuidelijk Afrika, voorziet Vlaanderen ook flankerende projecten en programma’s die op regionaal niveau aansluiten bij één van de bilaterale focussectoren. Zo kan de opgedane kennis en ervaringen voor een

kruisbestuiving zorgen binnen andere landen in de regio. Voor humanitaire hulp geldt daarentegen geen geografische afbakening, om flexibel te kunnen reageren op dringende noden.

Gezondheid en reproductieve gezondheid is de belangrijkste sector binnen de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking, goed voor 27,5% van alle uitgaven. Het is de concentratiesector in Mozambique. Ook op regionaal niveau verleent Vlaanderen steun (via de Wereldgezondheidsorganisatie en UNAIDS). De bijdrage voor gezondheid in Malawi vloeit voort uit een uitdovend engagement uit de eerste strategienota (2009-2013).

(sector: sociale infrastructuur). De Internationale Arbeidsorganisatie leidt een tewerkstellingsproject rond publieke aanbestedingen in Zuid-Afrika. Bij het nastreven van waardig werk zet Vlaanderen strategisch in op de ontwikkeling van ondernemingen (14,6% van de uitgaven). Ook op regionaal niveau krijgt die benadering navolging, met de uitbouw van het SEED-initiatief in Mozambique, Malawi en Namibië. In Vlaanderen gaat algemene steun naar Business Plan 2014-2016 van Ex-change, een organisatie die inzet op capaciteitsopbouw voor de uitbouw van ondernemingen in ontwikkelingslanden. Democratische participatie en mensenrechten

De sector landbouw en voedselzekerheid vertegenwoordigt 19,6% van de uitgaven. Steun binnen deze sector is maximaal geconcentreerd op Malawi. De samenwerking in Zuid-Afrika focust op tewerkstelling

De volgende grafiek toont aan dat deze sectorale en geografische beleidskeuzes ook zijn af te lezen uit de effectieve bestedingen.

30


(sector overheid en civiele maatschappij; 2,9%) zijn ondersteund in Mozambique (meer bepaald gericht op een civiele organisatie die opkomt voor seksuele en reproductieve rechten) en in Zuid-Afrika (democratische inspraak op vlak van klimaatbeleid, tewerkstellingsbeleid, landbouw). Via UNICEF zet Vlaanderen in op kinderrechten in Zuid-Afrika en Malawi. UNICEF ontving ook ongeoormerkte steun. 4,5% van de uitgaven gaat naar de sectoren milieubescherming en bosbouw. World Agroforestry Centre staat in voor programma’s rond agrobosbouw in Malawi en de regio Zuidelijk Afrika. In Malawi zet Vlaanderen in op de implementatie van het Nationaal klimaatplan. Steun voor humanitaire hulp (5,5%) gaat uit naar

Malawi, Mozambique en andere regio’s dan Zuidelijk Afrika. In 2015 ontvangt CERF 600.000 euro in ongeoormerkte steun, waarmee de organisatie zeer snel kan ingrijpen op dringende noden. Uitgaven die in Vlaanderen zijn uitgevoerd zetten in op ontwikkelingseducatie en sensibilisatie (14,8%), administratieve kosten (4,2%), algemene steun aan NGO’s (sector onbepaald; 3,0%), algemene steun aan Ex-change (KMMO-ontwikkeling) en de Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelingssamenwerking en Technische Bijstand (onderwijs).

Onderliggende projecten en programma’s gekoppeld aan de hierboven beschreven sectoren zijn te raadplegen op de webstek http://www.vlaanderen.be/int/oda/sector

© Mieke Govaerts In samenwerking met World Agroforestry Centre en het Malawiaanse ministerie van landbouw steunt Vlaanderen innovatieve agrobosbouwprogramma’s. Agrobosbouw leidt tot een grotere productiviteit, minder gebruik van bemesting op basis van fossiele brandstoffen en een afname van de uitputting van de gronden. 31


4.3.2 Samenstelling volgens begunstigde van de begrotingsuitgaven voor ontwikkelingssamenwerking Binnen de bilaterale of regionale ontwikkelingssamenwerking is het aangewezen om een brede variëteit aan actoren in te schakelen: - Het is een vorm van risicospreiding, rekening houdend met de uitvoeringscapaciteit van verschillende actoren; - De ondersteuning van de overheid in het partnerland is essentieel om op lange termijn de capaciteit te versterken van het partnerland; - Ondersteuning van NGO’s kan bijdragen tot een sterkere betrokkenheid van de civiele samenleving bij het beleid van het partnerland en het verhogen van de participatie van burgers tot het beleid; - Samenwerking met multilaterale organisaties kan leiden tot leereffecten in andere landen waar die organisatie actief is. Onderstaande grafiek biedt een overzicht op de actoren die vanuit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking zijn ondersteund.

Multilaterale instellingen vertegenwoordigen 34% van de bestedingen voor ontwikkelingssamenwerking in 2015. Deze actoren treden op als uitvoerder in alle partnerlanden en de concentratieregio Zuidelijk Afrika. De instellingen van de Verenigde Naties ontvingen ook ongeoormerkte steun (regio onbepaald). Overheden in Mozambique en Malawi maken aanspraak op 22,2% van alle bestedingen uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking in 2015. In beiden landen gaat het gros van deze middelen naar de sectorale fondsen voor gezondheid (beide landen) en landbouw en voedselzekerheid (in Malawi). NGO’s in binnen- en buitenland nemen samen ongeveer 26,3% in van de totale besteding. Naast uitvoerder in de partnerlanden en de concentratieregio ontvingen NGO’s ook algemene steun en een bijdrage voor de uitvoering van sensibilisatieprojecten in Vlaanderen.

Wat betreft de noodhulp in andere regio’s dan Zuidelijk Afrika waren NGO’s de unieke uitvoerder (Rode Kruis Vlaanderen, UNICEF België, Caritas en Artsen Zonder Grenzen). Het geringe aandeel voor wetenschappelijke instellingen (4,2%) contrasteert met het groot aandeel binnen de totale ODA (33%), dat voornamelijk afkomstig is van de vakdepartementen EWI en OV. In Mozambique steunt het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) de capaciteit van het Instituto Nacional de Saúde (INS). In Zuid-Afrika werkt Vlaanderen samen met de Universiteit van Kaapstad en de Business School van de universiteit van Pretoria. Vlaamse steden en gemeenten ontvangen 9,2% van de uitgaven. Administratieve kosten (4,3%) zijn weergegeven in de categorie andere.

De onderliggende projecten en programma’s volgens begunstigden zijn online beschikbaar op: http://www.vlaanderen.be/int/oda/begunstigde 32


ersema rten Bo taal.nl. a a M Š ld mabee boerse Met behulp van rattentechnologie zet Apopo VZW in op het verhogen van de Mozambikaanse detectiegraad voor tuberculose.

De Clinica Nocturna (Mozambique) is een gezondheidscentrum met een beperkte scope, vnl. aanbod van HIV-testing, diagnose en behandeling van seksueel overdraagbare aandoeningen en gezinsplanningsdiensten. De nachtkliniek heeft gedifferentieerde openingsuren waardoor ook sekswerkers makkelijker toegang hebben tot de dienstverlening.

Š International Centre for Reproductive Health (ICRH)

33


34


OVERZICHT VAN DE VLAAMSE INTERNATIONALE KLIMAATFINANCIERING

35


5. INTERNATIONALE KLIMAATFINANCIERING De jaarlijkse ODA rapportering voorziet in een overzicht van de Vlaamse bijdragen voor internationale klimaatfinanciering. In wat volgt schetsen we de specifieke context van internationale klimaatfinanciering, waarna we kort ingaan op een aantal indicatoren die een beeld schetsen op de samenstelling van die bijdragen. Om de transparantie over de samenstelling van de Vlaamse internationale klimaatfinanciering te verhogen, is een online dataportaal opgezet. Deze kunt u consulteren via deze webstek: http://www.vlaanderen.be/int/klimaatfinanciering

5.1 WAT IS INTERNATIONALE KLIMAATFINANCIERING? Klimaatfinanciering heeft tot doel om ontwikkelingslanden te steunen bij de door de mens veroorzaakte klimaatuitdagingen. De financiering kan steun voor adaptatie, mitigatie of een combinatie van beide doelen omvatten. Hieronder bieden we duiding bij deze globale categorieën van klimaatfinanciering.

5.1.1

Adaptatie (aanpassing aan klimaatverandering)

Klimaatfinanciering voor adaptatie heeft tot doel de negatieve impact van klimaatverandering op de leefomstandigheden in ontwikkelingslanden te beperken. Een heel concreet voorbeeld van adaptatie is bijvoorbeeld het bouwen van dijken aan de kust. Adaptatiemaatregelen versterken de weerbaarheid van ontwikkelingslanden ten aanzien van klimaat. Zo zijn heel wat Afrikaanse landen nog erg afhankelijk van de opbrengsten van kleinschalige landbouw – een economische activiteit die erg kwetsbaar is voor klimaatverandering, bodemerosie en natuurrampen. Investeringen in droogteresistente gewassen, betere irrigatietechnieken, aangepaste teelttechnieken, integraal waterbeheer, enz helpen boeren om zich aan te passen aan het veranderende klimaat. Adaptatie gebeurt niet alleen in de landbouwsector en heeft niet noodzakelijk een economische inslag. Het kan gaan om aanpassingen in verschillende sectoren.

5.1.2

Mitigatie (voorkomen van klimaatverandering)

Mitigatiemaatregelen zijn gericht op het beperken van de uitstoot van broeikasgassen. Klimaatfinanciering voor mitigatiemaatregelen kan bijvoorbeeld gericht zijn op groene energie, energie-efficiëntie, oogsten en opslag van koolstof,… We kunnen niet om de vaststelling heen dat het aandeel van ontwikkelingslanden in de mondiale uitstoot toeneemt, naargelang deze landen sterke economische groeicijfers optekenen. Indien ontwikkelingslanden op dezelfde wijze een industrialiseringsfase zouden doormaken als Westerse landen tijdens de 19e eeuw, dan stevent ons klimaat af op een enorme opwarming. Omdat ontwikkelingslanden over minder technische en financiële middelen beschikken om hun groeiende economieën af te stemmen op koolstofluwe groei, vragen zij klimaatfinanciering.

5.1.3

Combinatie van mitigatie en adaptatie

Klimaatfinanciering kan ook inspelen op beide doelstellingen (voorkomen van en aanpassen aan klimaatverandering). Denk bijvoorbeeld aan multilaterale bijdragen aan het Green Climate Fund, het fonds van de Verenigde Naties dat zowel investeert in adaptatie als in mitigatie. Een ander voorbeeld is het investeren in agrobosbouw: dit laat ontwikkelingslanden toe klimaatbestendige economische activiteiten te ontwikkelen, werpt een dam op tegen verdere verwoestijning van het land en draagt bij tot een daling van de uitstoot van broeikasgassen. 36


5.2 INTERNATIONALE KLIMAATFINANCIERING: NIET TE VERWARREN MET EMISSIERECHTENHANDEL Klimaatfinanciering is niet hetzelfde als emissierechtenhandel. Het internationaal klimaatbeleid voorziet dat wanneer industrielanden de uitstoot in ontwikkelingslanden terugdringen, ze die uitstootreductie mogen verrekenen bij het behalen van hun uitstootnorm. Overheden kunnen emissierechten aankopen om hun interne klimaatnormen te realiseren. Emissierechten zijn op die manier één van de vele instrumenten van het binnenlands klimaatbeleid. Bij klimaatfinanciering daarentegen gaat het om een bijkomend engagement om ontwikkelingslanden financieel bij te staan, echter zonder dat de financier daarvoor emissierechten opstrijkt. Het engagement kadert in het internationaal milieu- en ontwikkelingsbeleid van traditionele industrielanden. De beoogde effecten zijn: 1/ een verminderde mondiale uitstoot van broeikasgassen 2/ een grotere betrokkenheid van ontwikkelingslanden in het internationaal klimaatbeleid 3/ het versterken van de ontwikkelingskansen in het Zuiden, in de context van klimaatverandering

5.3 METHODOLOGIE: HOE MEET VLAANDEREN ZIJN BIJDRAGE AAN INTERNATIONALE KLIMAATFINANCIERING? Binnen België is de grondslag voor het engagement op vlak van klimaatfinanciering het intern-Belgisch klimaatakkoord van december 2015 (over de uitvoeringsperiode 2013-2020). Hierin verbindt Vlaanderen zich om vanaf 2016 jaarlijks 14,5 miljoen euro te investeren in klimaatfinanciering. Onder impuls van internationale engagementen uit de VN klimaattoppen maken lidstaten meer middelen vrij voor klimaatfinanciering. Op dit moment zijn er echter geen internationaal uniforme methodologische voorschriften voor het opmeten van klimaatfinanciering. Het is de verantwoordelijkheid van iedere individuele lidstaat om toe te kijken op een relevantie van elke bijdrage voor klimaatverandering in ontwikkelingslanden. Vlaanderen sluit zich aan bij de benadering van vele andere Europese donoren. Volgens die methode screent de donor elk project zorgvuldig op relevantie voor klimaatadaptatie en –mitigatie. Op basis van die inschatting quoteert Vlaanderen haar steun volgens drie scores voor klimaatfinanciering. Elke score bepaalt ook het hulpvolume dat relevant is voor de rapportering over klimaatfinanciering.

INSCHATTING 0 1 2

Niet relevant voor klimaatfinanciering Klimaatmitigatie en -adaptatie zijn niet de hoofddoelstelling van het project, maar zijn op ernstige wijze geïntegreerd in de planning en implementatie van (en rapportering over) het project Klimaatmitigatie en -adaptatie zijn de hoofddoelstelling van het project

Aandeel aanrekenbaar 0% 40% 100%

37


5.4 SAMENSTELLING VAN DE VLAAMSE INTERNATIONALE KLIMAATFINANCIERING Dit hoofdstuk gaat dieper in op de samenstelling van de internationale klimaatfinanciering. Een gedetailleerde lijst van de onderliggende projecten en programma’s sinds 2013 kunt u via de website van het Departement internationaal Vlaanderen raadplegen: www.vlaanderen.be/int/klimaatfinanciering

5.4.1

Verdeling klimaatfinanciering 2015 volgens beleidsdomein

De Vlaamse klimaatfinanciering in 2015 bedraagt 7.151.927 euro. Deze bijdrage is voornamelijk afkomstig van de beleidsdomeinen Internationaal Vlaanderen (IV), Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) en Economie, Wetenschappen en Innovatie (EWI).

Ongeveer de helft van de middelen komt van het beleidsdomein LNE. Tijdens de klimaattop van Parijs (COP 21) in december 2015 engageerde de minister voor Leefmilieu Joke Schauvliege zich tot een bijdrage van 3,5 miljoen euro aan het Green Climate Fund. Dit fonds heeft de ambitie om uit te groeien tot wereldwijd het belangrijkste financieringskanaal voor internationale klimaatfinanciering. Daarnaast dragen ook het Vlaams Fonds Tropisch Bos en het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling bij tot de aanpak van klimaatverandering in ontwikkelingslanden. Ten slotte zijn ook vrijwillige bijdragen (UNFCCC Trust Fund for Supplementary Activities) relevant voor klimaatfinanciering. Verplichte bijdragen voor milieuverdragen en –instellingen zijn niet aangemeld, aangezien de additionaliteit hiervan onzeker is.

Beleidsdomein IV besteedt ongeveer één derde de klimaatfinanciering in 2015. De begroting voor ontwikkelingssamenwerking neemt het gros van de bijdragen vanuit beleidsdomein IV op zich. Bij de totstandkoming van klimaatprojecten richten deze bijdragen zich op aanknopingspunten met het bilaterale beleid. Zo is in Malawi ingezet op agrobosbouw en voedselzekerheid, en in Zuid-Afrika op de ontwikkeling van milieuvriendelijke ondernemingen. Tenslotte draagt ook het beleidsdomein EWI bij tot klimaatfinanciering in 2015. In samenwerking met UNESCO versterkt EWI klimaatrelevant onderzoek in ontwikkelingslanden. Daarbij ligt een focus op water (voorbereiding op rampen, aangepast kustbeheer, aanpak van watertekorten, strijd tegen verwoestijning,…).

38


5.4.2 Verdeling klimaatfinanciering 2015 volgens type Twee derde van de klimaatfinanciering in 2015 is gericht op zowel mitigatie als adaptatie. Het Green Climate Fund bijvoorbeeld werkt tegelijk op beide doelstellingen.

EĂŠn vijfde van de klimaatfinanciering in 2015 focust op de aanpassing aan klimaatverandering (adaptatie). Het aanpassen van de voedselproductie aan toenemende klimaatgerelateerde stressfactoren is een goed voorbeeld van een adaptatieproject.

Het terugdringen van de uitstoot (mitigatie) vertegenwoordigt 12% van de klimaatfinanciering. Vanuit de samenwerking van departement EWI met UNIDO is bijvoorbeeld onderzoek verricht naar een meer milieuvriendelijke tweede generatie bio-ethanol.

5.4.3 Verdeling klimaatfinanciering 2015 volgens regio De helft van de middelen voor klimaatfinanciering in 2015 zijn niet geoormerkt op een specifieke regio (wereldwijd). Het betreft voornamelijk de fondsen voor het Green Climate Fund.

Klimaatprojecten in Zuidelijk Afrika (35%) zijn voornamelijk afkomstig van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking, en zoeken aansluiting met de samenwerking in de partnerlanden.

De samenwerking van beleidsdomein EWI met UNESCO op vlak van water is voornamelijk gericht op Latijns Amerika en de CaraĂŻben (10%).

39


5.4.4 Verdeling klimaatfinanciering 2015 volgens kanaal De helft van de Vlaamse klimaatfinanciering in 2015 verliep via multilaterale financiering (in casu Green Climate Fund en het UNFCCC Trust Fund for Supplementary Activities).

Onder financiering via het Bi-Multi kanaal (41%) verstaan we geoormerkte hulp (projecten en programma’s) via multilaterale instellingen. De organisaties waarmee Vlaanderen in 2015 samenwerkt zijn World Agroforestry Centre, UNESCO, UNDP (One UN Fund). Het SEEDinitiatief is een samenwerkingsprogramma tussen UNEP, UNDP en IUCN.

De bilaterale klimaatfinanciering bestaat voornamelijk uit de projecten van het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling en het Vlaams Fonds Tropisch Bos.

5.4.5 Verdeling klimaatfinanciering 2015 volgens thema Bijna 60 procent van de middelen richt zich globaal op klimaatbeleid. Het gaat onder meer om de bijdrage aan het Green Climate Fund, het nationaal klimaatplan in Malawi, de uitbouw van een kennisnetwerk voor klimaatverandering in Zuid-Afrika,….

Daarnaast is ook specifieke aandacht aan klimaatuitdagingen besteed binnen bepaalde thema’s. Zo is de landbouw en de voedselzekerheid in Zuidelijk Afrika erg kwetsbaar voor klimaatverandering. Vlaanderen zet zowel in op het versterken van de weerbaarheid van de landbouw (7%) als het versterken van landbosbouw (6%), met oog op het veiligstellen van de voedselzekerheid.

Via de Internationale Arbeidsorganisatie en het SEED-initiatief is ingezet op duurzame tewerkstelling (green jobs) (9%). UNESCO is een belangrijke partner voor de adaptatieprojecten rond kustbeheer (4%), landbeheer en water (7%). Toegang tot zuiver water en sanitatie is ook een prioriteit van het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling.

40


Š CIF Action In zuidelijk Afrika oefent klimaatverandering een negatieve impact uit op de landbouwproductie. Omdat de meerderheid van de bevolking in zuidelijk Afrika sterk afhankelijk is van landbouw (om te voorzien in voedselzekerheid en als bron van inkomsten), oefent het klimaat dan ook een sterke impact uit op de ontwikkeling in deze regio.

41


Verantwoordelijke uitgever Koen Verlaeckt, secretaris-generaal, Departement internationaal Vlaanderen Boudewijnlaan 30, 1000 Brussel Redactie en grafische vormgeving Simon Calcoen, Departement internationaal Vlaanderen Druk Agentschap Facilitair Management, digitale drukkerij Depotnummer D/2016/3241/070 Uitgave Maart 2016 42


43


www.vlaanderen.be/int/vlaamse-oda

44


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaams_ODA_rapport_2015.pdf by Vlaanderen-be - Issuu