Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium! UNILIT
CORIDECOR • CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk. marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen
• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren
• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK
• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk
• Hecht-, grond- en afwerkmortels • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels
HD SYSTEM GRUPPO TASSULLOspa
Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax : 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 E-mail : chris.voet^ compaqnet.be
Maud BONNEVIE Tel./Fax:081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 H-mail : maud.bonnc\ ie <; sk\ ncl.be
• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering
\liniere /i San (Rfmedio
Arte (Zatt* Arte Constructo bvba Molenbergiei 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 K-mail : inlcw arteconstructo.be Web : www.arteconstructo.be
24 jaargan januari-februari
MONUMENTEN, LANDSCHAPPEN EN ARCHEOLOGIE
Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel Celis Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Secretariaat: Diane Torbeyns
Cover: Het atelier voor zeljbestatigers La Lédoise, in Lede (foto 0. Pauweh)
Abonnementsvoorwaarden 2005 België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "MftL-jaarabonnement 2005". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
n hou 6
Internet
Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Redactiecomité Verantwoordelijke uitgever
Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Celis, L. Tack, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, J. Gijselinck, E. Hofkens, C. Metdepenninghen, M. Michiels, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, P. Van den Hove, Ch. Vanthillo, L. Wylleman
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Joris Scheers Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 12
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscali.be - www.jancasier.be
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
i
Herbestemmen van industrieel erfgoed Hilbrand De Vuyst, Jo De Schepper en Kathy Stevens
51
De vuurtorens Hoog Licht en Laag Licht in Knokke-Heist (Heist) en Brugge (Zeebrugge) Jan Strynckx en Jan Meersman
2 2 De brouwerij Rodenbach in Roeselare Bernard Lambert
6 7 De Duitse comtnandopost in het park Den Brandt in Antwerpen Frank Philippart
3 7 Een nieuwe functie voor een oude kaasmakerij Ignace Onraet
7 5 Summary
CEPRO", DE NIEUWE NAAM VOOR EEN HISTORISCHE TRADITIE. Gebruiksklare pleistermortels op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.
Loofde Heer.,. De vloerverrijzenis bestaat. Een oude natuursteen- of terracottavloer en een versleten parket zijn niet verloren. Solar nv renoveert vloeren en parket zonder breken. Het resultaat is vaak beter dan nieuw en toch blijven de kosten be-
Kasteel te Wannegem - Lede
Traditionele kaleimortel "Cepromill" op basis van zuivere, natuurlijk hydraulische kalk.
perkt tot een fractie hiervan. Solar nv beschikt over het gespecialiseerde vakmanschap en hoogstaande technologie om uw vloer opnieuw in haar oorspronkelijke staat te brengen of te reanimeren met behoud van
Verrebeekmolen te Brakel
Kalkverf"Fresco"op basis van geselecteerde vette luchtkalk en inerte pigmenten. Bijgebouwen, Klein Seminarie te Sint-Niklaas
het historisch aspect.
Natuursteen-, terracotta- e n parketvloeren... mat geworden, beschadigd, loopsporen,... Wij brengen het verleden m e t glans terug .'.' BEL nu 03-766.11.66
Voeg- en metselmorteh, basispleisters, afwerkpleisters, zoutbestendige, vochtregulerende en isolerende pleistersystemen. Traditionele afwerkingen: Marmorino, Arriccio, Silicato, Silicaatverf, ...
P.E.C. INTERNATIONALr Voor informatie over onze Cepro producten of proiectadvies, neem vrijblijvend contact op;
T l . (\ri/yjA &A T O ' ©1 • • U O / / / O . O * * . O T
slijpen - schuren - herpolijsten - kristalliseren - restaureren van natuursteen-, terracotta- en parketvloeren - wanden - trappen
Restauratie en Monumentenzon
WOITIM S C H I L D E R S B E D R I J F
^
ISO 9001
Schildersbedrijf WOUTIM nv Nijverheidsstraat 7 Industrieterrein 'BOKT' 3990 Peer Tel.: 011-61 0 8 0 8 Fax: 011-61 0 8 0 9 Website: www.woutim.be info: info@woutim.be
£
VCA*
Generiek En toen kwam de machine... • L e i - JHBriSB--"
De slagzin waarmee in 1975 de tentoonstelling werd aangekondigd beloofde een Ontmoeting met de Industriële Archeologie, toen een primeur voor België en voor de monumentenzorgers-van-het-eerste-uur een ware revelatie. Een duizend industrieel-archeologische monumenten later, nu erfgoed de oude waarden heeft vervangen en herbestemming herontdekt wordt, kijken Jo De Schepper, Hilbrand De Vuyst en Kathy Stevens terug op drie decennia omgaan met aanlegsteigers tot zinkfabrieken.
D'heeren Alexander Rodenhach en compagnie Einde 19de eeuw wellicht diende het traditioneel donker bier uit Roeselare te wijken voor het gelagerd bier met zurige smaak waar Rodenbach nog steeds voor staat. Aanvankelijk een familiebedrijf, nadien vennootschap en heden deel van een groep, bleef de brouwerij onverdroten functioneren in een nauwelijks gewijzigd gebouwenbestand. Maar wat een last leek blijkt nu een troef: selectieve sloping, reconstructie en een nieuw dienstengebouw leidden, aldus Bernard Lambert, tegelijk tot een optimaliseren van de productie en een optimaal onthaal van de bezoekers.
Zoveel is zeker: Possendo/e staat heden voor méér dan één der meest moorddadige slagvelden van Wereldoorlog I. Opgestart in een wederopgebouwde hoeve, diende het familiale kaasbedrijf nog tijdens het interbellum uit te wijken naar een heus bedrijfsgebouw. Een nieuwe verhuizing en vele jaren later blikt Ignace Onraet terug op de Oude Kaasmakerij, voortaan een museum met hedendaagse ontsluitingsinfrastructuur.
Sinds de vroegste 14de-eeuwse vierboete in de duinen bij Heist, bestendigden het Hoog Lichten bijbehorend Laag Licht vanaf 1907 een niet aflatende zorg om veilige scheepvaartroutes langs de Noordzeekust. Een 70 jaar later op hun beurt onaangepast bevonden, deden beide torens nauwelijks nog moeite om de littekens te verhullen van het barre zeeklimaat. Hun jongste rehabilitatie bood Jan Strynckx en Jan Meersman tegelijk de gelegenheid om met enig ontzag op te kijken naar één der allereerste betonconstructies in Vlaanderen.
Bunkerdorp Op veilige afstand van het krijgsgewoel had het hoofdkwartier van het Duitse LXXXIXste Korps zich vanaf 1942 ingegraven in het Antwerpse park Den Brandt. Her en der verspreide commandobunkers, schuilplaatsen voor manschappen, een lazaret e.a., bleven zomer 1944 als stille maar veelzeggende getuigen achter. Frank Philippart verklaart hun reden van bestaan, organisatie en belang, doch niet zonder aandacht voor initiatieven ot ontsluiting door verknochte vrijwilligers.
Hilbrand Jo De Schepper
De
Vuyst,
en Kathy
Stevens
HERBESTEMMEM VAN INDUSTRIEEL EREGOEÜ
Beringen, westgevel van de voormalige elektrische centrale (foto K. Vandevorst)
Vlaanderen
telt een duizendtal
die zijn beschermd eelarcheologische
omwille waarde.
is rijk aan diversiteit:
cichorelfabrieken zeepziederijen
en
uitersten
varieert
staal,
beton,
Erfgoed
aanlegsteigers,
boten,
brouwerijen, tot 'Z':
zinkfabrieken. industrieel
enorm, met als
de dorpssmidse
kolenwasserij
industri-
Industrieel
en droogdokken,
Ook de schaal waarop voorkomt
van hun
van 'A':
asten, baksteenfabrieken,
monumenten
erfgoed ultieme
van Meeswijk
en de
van Beringen: een doolhof baksteen
meer dan 400.000
en
m
s
wasinstallaties,
groot.
van
Wat deze gebouwen gemeenschappelijk hebben is dat ze ooit gebouwd zijn als werkplek voor een uitgesproken ambachtelijke, industriële of semi-industriële activiteit. In vele gevallen zijn de bedrijvigheid, samen met een aanzienlijk deel van de oorspronkelijke uitrusting verdwenen. De nuchtere ondernemer talmde niet te lang om zijn machinepark te vernieuwen. Ook bij uitbreiding en nieuwbouw werd niet lang stilgestaan bij wat aanwezig was en verloren ging. Industriële sites werden tijdens hun bouwgeschiedenis vaak gekenmerkt door een eigen dynamiek. Het machinepark van textielfabrieken bijvoorbeeld werd onder druk van productiviteit en het snoeien in de loonkosten, tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw na minder dan tien jaar vernieuwd. Bin-
•4 j Beringen, bmnenaanzicht van de kolenwassenj (foto 0. Pauwels)
nen deze context werd enkel het 'karkas' van fabrieksgebouwen hergebruikt. In die zin zijn 'herbestemmen' en 'vernieuwen' processen die inherent zijn aan industriële sites met een dynamische groei. De industrietakken die uit de schijnwerpers van de conjunctuur bleven, kenden een meer stapsgewijze en behoudsgezinde ontwikkeling. De overblijvende getuigen van deze industrieën zijn dan ook veeleer aan een slepende ziekte dan aan een snelle doodsteek ten onder gegaan. Industrieelarcheologische sites zoals de brouwerij Rodenbach en Elexir d'Anvers waarop nog steeds in belangrijke mate de oorspronkelijke activiteit en uitrusting aanwezig zijn, vormen hierop een uitzondering.
HERBESTEMMEN Het herbestemmen van een monument houdt in dat er naar een evenwicht moet worden gezocht tussen het behoud van de aanwezige erfgoedwaarden en het binnenloodsen van een nieuwe bestemming. De herbestemming die het dichtst aanleunt
bij de oorspronkelijke bestemming is het minst bedreigend voor het behoud van de aanwezige erfgoedwaarden. Ook een museale herbestemming vrijwaart maximaal de functionele leesbaarheid van een industrieelarcheologische site. Deze musea vormen echter uitzonderingen; vaak hebben de nieuwe bestemmingen die worden voorgesteld nog weinig aanknopingspunten met het verleden van het monument. Bij het zoeken naar een nieuwe bestemming binnen een materie als de industriële archeologie, is het vrijwaren van de 'functionele leesbaarheid' essentieel. Hierbij dient niet noodzakelijk de gehele uitrusting te worden bewaard. Wel dienen de aanwezige relicten te worden bewaard die helpen de essentie van de oorspronkelijke verhaallijn te lezen en te interpreteren. De meest boeiende sporen zijn deze die vragen oproepen, doordat ze oneigentijds zijn en niet onmiddellijk worden herkend. Ter illustratie: ook na zijn herbestemming dient een spoorwegstation 'drager' te blijven van de sporen van zijn gebruik. Er kan een verhaallijn worden opgehangen rond een loketvenster, de verschillende
• Koekelare,
Antwerpen,
de brouwerij
het Zuiderpershuis
Chrlstiaens
(foto 0. Pauwels)
(foto 0. Pauwels)
waarop een station in exploitatie heeft gefunctioneerd. Niet alleen het behoud op zich, maar het expliciteren van de functionele leesbaarheid, vormt het meest essentiële uitgangspunt in de begeleiding van een herbestemmingsproces binnen een materie als industrieel erfgoed. Binnen de monumentenzorg klinkt de verwachting steeds luider om het verlenen van premies te koppelen aan maatschappelijk relevante herbestemmingen. Het is één van de belangrijkste betrachtingen die voor de monumentenzorg is ingeschreven binnen het regeerakkoord van de huidige Vlaamse regering en de beleidsnota van de Afdeling Monumenten en Landschappen,
• Antwerpen, de Haringrokerij (foto's 0. Pauwels)
wachtzalen die verschillende categorieën van reizigers onderdak verschaften, het patroon van cementtegels met koude voeg, de toegang tot het perron met zijn luifel, het magazijn, de vertrekken van de inwonende stationschef, en dergelijke meer. De sterkste verhaallijn en de kwaliteit van het toetsingsproces tussen oud en nieuw worden haast meetbaar aan de hand van het aantal stapstenen die de bezoeker toelaten voeling te krijgen met de wijze
M&L
Hierna wordt aan de hand van een aantal recente voorbeelden een selectie getoond van herbestemmingsmogelijkheden van het industrieel erfgoed. Voorbeelden zijn immers belangrijk. Pioniersprojecten in Vlaanderen waren de brouwerij Christiaens in Koekelare die werd herbestemd tot bibliotheek, de brouwerij De Snoeck -nu brouwerij museum- in Alveringem, de Haringrokerij en het Zuiderpershuis in Antwerpen, herbestemd tot respectievelijk woningen en cultureel centrum, en de Hasseltse Jeneverstokerij, herbestemd tot museum (1).
•mmr. t.
l
Hasselt, de Jeneverstokerij
Bij de voorliggende selectie van erfgoedprojecten werd gestreefd naar een representatieve mix naar schaal, typologie, eigendomsstructuur en omvang van de restauratie. Na een korte weetgave van de bouwgeschiedenis, wordt telkens één specifiek aspect dat verband houdt met de hetbestemming, toegelicht. Maar eerst nog de twee randbemerkingen: Niet alle restauraties monden uit in economisch haalbare herbestemmingen. Havenkranen, vuurtotens, fabrieksschoorstenen, koeltorens en dergelijke kunnen nauwelijks of niet worden herbestemd. Met het behoud ervan blijven ze getuigen van een eertijds industrieel landschap. O p zich mag de signaalfunctie van een baken niet worden onderschat. Zo wordt bijvoorbeeld binnen het restauratiepro-
ject van de voormalige textielfabriek Sanitary, gelegen in het centrum van Zottegem, de overweging gemaakt om de ingekorte fabtieksschoorsteen opnieuw op te trekken tot zijn oorspronkelijke hoogte. Zo wordt de schoorsteen opnieuw een oriënterend baken in het stadsweefsel en symboliseert hij de herwaardering van de site. Het behoud van industriële bakens blijft hierdoor maatschappelijk relevant. Ook zonder economisch nut zal de symboolwaarde van de havenkraan van de Boelwerf in Temse zal in de toekomst enkel toenemen. Dit geldt misschien nog méér voor beschermde schachtbokken, als beeldbepalende bakens voot een mijnontginning.
Smeets (foto 0 . Pauwels)
En wat met de herbestembaarheid van molens? De voorbije 15 jaar werd in Vlaanderen meer dan
M&L
1 de helft van het molenpatrimonium maalvaardig gerestaureetd of onderhouden. Houten staakmolens zijn door hun aard niet herbestembaar. Alleen een herstel van de maalvaardigheid en het daarmee bestendigen van de oorspronkelijke functie waarborgen een behoud en een belevingswaarde op langere termijn. Stenen windmolens daarentegen bevatten onderaan voldoende ruimte voor bestemmingen die aanvullend kunnen zijn aan het maalvaardig herstel en geen afbreuk doen aan de functionele leesbaarheid van het monument.
en guillotineramen. De silo's, de vierkante fabrieksschouw en de installatie van een Francis-turbine (1880) zijn getuigen van een reeks opeenvolgende fasen in de verdere mechanisatie.
TFR II lUSTRATIF: HFRRFSTEMD INDUSTRIFFL FRFGOED
Wat is specifiek aan dit project, waarin een projectontwikkelaar als initiatiefnemer optreedt, in relatie tot erfgoedzorg? Enerzijds is het wenselijk dat een projectontwikkelaar zich niet in een erfgoedproject engageert zonder voeling of ervaring met de materie. Hij dient tevens rekening te houden met ambtelijke procedurestappen en het tempo waaraan de overheid restauratiepremies ter beschikking kan stellen. Anderzijds is het vanuit de erfgoedzorg van belang de commerciële haalbaarheid van de investering als bezorgdheid mee te nemen.
Harelbeke, herbestemd
• De Banmolens in Harelbeke, herbestemd tot lofts (foto 0. Pauwels)
de tot
'Banmolens' lofts
Bouwheer: Lofting Groep, Gent — Architect: Restyling groep/Asa BVBA, Gent. Naar aanleiding van het Open Monumentendagthema Arbeid, in 1997 trad deze voormalige industriële maalderij, gelegen aan de boorden van de Leie, opnieuw in de belangstelling. De molensite waaruit later de industriële maalderij is gegroeid werd reeds vermeld in 1198. In 1820 bestond de structuur uit twee parallelle watermolens met een gemeenschappelijk sluiswerk. Dertig jaar later kreeg het gebouw zijn huidig uitzicht met 6 bouwlagen, 13 traveeën, een houten vloeropbouw
Kort na de bescherming op 14 juli 1998, koopt de Gentse Lofting-Groep de site om er 10 lofts in onder te brengen. Het geheel oogt op dat moment sterk verwaarloosd. De bouwkundige toestand van het karkas is saneerbaar. De dakconstructie, qua concept het resultaat van een hele reeks verbouwingen, is sterk vervallen.
Met het oog op de herbestembaarheid, werden na evaluatie van de erfgoedwaarden, een reeks concessies gedaan: de oninteressante dakopbouw werd vervangen door een eigentijdse architectuur en materiaalkeuze. De achterzijde van het gebouw werd opgewaardeerd met terrassen. Het als dorpsgezicht beschermde molenaarshuis en de stallingen werden als volume heropgebouwd maar kregen als programma een woonunit en tien garages mee. De bouwheer startte het project op met de betrachting de Francis-turbine werkend te herstellen, zodat de energie-behoefte van de tien lofts kon worden ingevuld met hernieuwbare energie. Vanuit industrieelarcheologisch oogpunt kan deze optie een toegevoegde waarde betekenen omdat het opwekken van energie de historische band van een mechanische maalderij die is gegroeid uit een klassieke watermolensite, aanzienlijk versterkt. Ook past het herstellen van het oorspronkelijke tracé van de Leie perfect in het watergebonden beleid van hermeanderen, het verhogen van de buffercapaciteit tegen overstromingsgevaar en het herstel van de biodiversiteit van de waterloop. De restauratiepremie voor het werkend herstel van de turbine is inmiddels vastgelegd. Het blijft enkel nog wachten op het tijdstip waarop ook de andere adviesverlenende partners in dit watergebonden verhaal hun schouders mee onder het project zetten.
M&L
buitenzijde te isoleren. De opbouw van de nieuwe buitenhuid diende te worden afgestemd op het herplaatsen van de belettering "REMV. De letters waren uitgevoerd in geglazuurde ceramische tegels. De Italiaanse tegelfabriek Cemmica Di Sirone leverde de nieuwe tegels aan die qua kleur, textuur en maatvoering (slechts 1 m m afwijkend) sterk aanleunden bij de oorspronkelijke betegeling. De ondergrond werd gereinigd en de betonherstellingen werden uitgevoerd waar nodig. Daarop werd een 10 cm dikke PS- isolatieplaat aangebracht met een hechtmortel. Hierop werd dan weer een gewapende mortellaag aangebracht om de scheurvorming en de spanningen in de ondergrond te overbruggen. Finaal werden de nieuwe tegels volgens het oorspronkelijke patroon aangebracht door middel van een vorstbestendige lijm. De 'Remytoren'
kantoren, loft en
In Leuven
themacafe
(Wijgmaal).
(foto 0. Pauwels)
herbestemd tot
Leuven (Wijgmaal), de herbestemd tot kantoren,
Grimbergen herbestemd 'Remytoren', loft en themacafe
Bouwheer: Immo De Meyer, Drongen Architect: Atelier 33, Leuven. Het deegwarenbedrijf was voor Vlaanderen een zeer vroeg voorbeeld van een multinational. Met de schaal en de architectuur van haar silotoren en haar opschrift "REMV gaf het bedrijfin 1920 aan dat het een belangrijke 'speler' was op de wereldmarkt. De koepel in gewapend beton met lantaarn werd een onuitwisbaar industrieelarcheologisch baken. Onder de silo's en de kuiserij bevindt zich een halve kelderverdieping met bakstenen troggewelven en vierkante pijlers.
(Humbeek), het tramstation, tot ééngezinswoning
Bouwheer: Familie Huysmans-Knop, Humbeek Architect: Luc Binst, Humbeek. Dit voormalige tramstation bevond zich op de lijn Brussel-Humbeek en werd in 1887-1888 opgericht door de Nationale Maatschappij van de Buurtspoorwegen. Aan de achterzijde van het station bevindt zich een depot. Kort na de bescherming op 18 november 1997 werd het station verkocht aan de familie Huysmans-Knop. Het kenmerkend uitzicht van het station van het type A', bleef ook na de restauratie grotendeels gaaf. Als er een raneorde zou moeten worden opgesteld o ro van industrieelarcheologische monumenten volgens hun graad van herbestembaarheid, dan zou-
„Het.,tramstation .. m Grimbergen (Humbeek), herbestemd tot
De Remytoren werd beschermd op 16 januari 1987. Immo De Meyer trad op als projectontwikkelaar van de Remytoren en was de eerste bouwheer die een 'promotionele restauratiepremie' aanvroeg. Deze vertegenwoordigt slechts een beperkt premiepercentage van 10%. Deze formule biedt echter aan de bouwheer de mogelijkheid tot onmiddellijke verkoop van het monument na de restauratie. De herbestemming van de Remytoren is gemengd: bovenaan een loft, kantoren in het silogedeelte en een themacafe (in ontwikkelingsfase) in de halve kelderverdieping Een specifieke, restauratietechnische uitdaging bestond erin de gewapende betonstructuur aan de
ééngezinswoning (foto 0. Pauwels)
• Het tramstation in
Hoeilaart, herbestemd tot themacafé rond de stripfiguur Nero (foto 0. Pauwels)
den stations helemaal bovenaan de lijst staan. Ook dit station bleek met een zeer beperkte reeks ingrepen perfect herbestembaar. De functionele leesbaarheid werd bewaard door onder meer de schouw in het woongedeelte te behouden als compartimenterend element tussen het publieksgedeelte en het magazijn. Deze ruimte werd geïntegreerd in het nieuwe woongedeelte. Bij het vernieuwen van de dakstructuur hield de ontwerper de uitvoeringswijze van de oorspronkelijke bouwplannen aan; met inbegrip van de dakoverkraging en de decoratief uitgewerkte dakrand met consoles en klossen. Voor het voegwerk werd opnieuw een samenstelling toegepast met natuurlijk hydraulische kalk als bindmiddel. De lisenen werden vroeger zwart in de massa gekleurd. Deze kleurstelling accentueerde de oorspronkelijke architectuur. Tijdens de restauratie werd er opnieuw gebruik gemaakt van alkalibestendige zwart pigment als kleurstof voor de voegmortel. In 2003 kende het Provinciebestuur van VlaamsBrabant aan dit privé initiatief de provinciale monumentenprijs toe.
Hoeilaart, het tramstation, herbestemd tot themacafé rond de figuur Nero
strip-
Bouwheer: Gemeentebestuur van Hoeilaart Concessiehouder en bouwheer: de brouwerij Haacht - architect: Zjef Van Uytsel, Huldenberg. Het tramstation werd in 1894 op de lijn Groenendaal-Overijse gebouwd. De bouwgeschiedenis van deze stoomtramlijn is gelijklopend met de opgang - en in mindere mate met de achteruitgang — van de druivenindustrie in de streek. Dit station bezat twee sporen: een smalspoor (1 m) voor personenvervoer en een breedspoor (1,435 m) voor goederenvervoer. Bijgevolg konden de goederenwagons voor het transport van mest, steenkool en druiven via het station van Groenendaal aansluiten op de spoorweg Namen-Brussel. Ook de bouwmaterialen voor serreconstructies werden via deze lijn aangevoerd. In 1958 reed de goederentram zijn laatste rit. Het stationsgebouw met magazijn (opslag van kolen, watervoorraad en lampenkamer), weegbrug en smeedijzeren hekken onderging sindsdien geen noemenswaardige wijzigingen. De spo-
ren werden opgebroken en de bedding werd voor het overgrote deel een fietspad. Dit station werd beschermd op 24 april 1997.
•4 Tlelt-WInge, De Gempemolen in Tielt-Winge (Sint-Jons-Winge), herbestemd
In het album De Verschrikkelijke Tweeling (1990) krijgt Nero door een duistere vastgoedmakelaar het tramstation van Hoeilaart als nieuwe woning aangeboden. Nero hapt toe. Vreemd genoeg is dit de rechtstreekse aanleiding geweest voor het Gemeentebestuur van Hoeilaart om het stationsgebouw als themacafé rond de stripfiguur uit te bouwen. De brouwerij Haacht nam het themacafé in concessie. De grootste uitdaging bij de herbestemming van het station tot themacafé bestond erin een balans te vinden tussen de commerciële uitbating en de leesbaarheid van de bouwgeschiedenis en de verscheidenheid aan functies. Vooral de sterk gecompartimenteerde opbouw diende te worden afgestemd op de nieuwe functie. Het loketvenster, de met zwarte marmer uitgewerkte schouwmantels, de weegbrug en de vloeren in cementtegelpatroon werden behouden. Een beperkt aantal binnenmuren werd gesloopt met behoud van de afleesbaarheid van deze ingreep in het vloerpatroon. Verder werd het sanitair gedeelte dat zeer bouwvallig was, vervangen door een nieuwbouwvolume waarin de ontwerper de breukstenen plint en de speklagen van het oorspronkelijke volume overnam.
tot themacafé (foto 0. Pauwels)
Het oorspronkelijke perron, heraangelegd met 'platines', doet dienst als commerciële buitenruimte. De oorspronkelijke ramen aan de perronzijde met enkele beglazing werden, gelet op hun goede bouwkundige toestand, bewaard. De ramen aan de noordzijde zijn vernieuwd naar oorspronkelijk model, maar voorzien van dubbele beglazing.
De Gempemolen werd op 12 april 1944 beschermd. Een grondige hydraulische en bouwhistorische studie vormde één van de uitgangspunten bij het herstel van de maalvaardigheid van de molen in 1999. In functie van voldoende lichtinval werd de dakkapel aan de zuidzijde teruggeplaatst. Het plafond in stukwerk en de betegeling van de 'beste kamer' werden behouden en hersteld. Het vloerpatroon in Boomse tegels van de gelagzaal geeft de oorspronkelijke indeling van deze ruimte met centrale gang weer. De vakwerkgevel met lemen invulling tussen het molengedeelte en het horecagedeelte werd bewaard en hersteld.
Tielt- Winge (Sint-JorisWinge), de watermolen 'Gempemolen', herbestemd tot themacafé
De restauratie van de Gempemolen illustreert dat aanvullende herbestemmingen van de molenaarswoning zoals horeca, niet noodzakelijk afbreuk doen aan de aanwezige erfgoedwaarden.
Bouwheer: Brouwerij Haacht Architect: Archidee en Partners NV, Niel. De oudste vermelding van de Gempemolen dateert uit 1129. Hertog van Brabant Hendrik I schonk in dat jaar de molen met omliggende moerassige gronden en spaarvijvers aan een religieuze gemeenschap die er haar klooster zou oprichten. De watervoorziening die aanvankelijk werd aangestuurd via een netwerk van beekjes en spaarvijvers bleef een constante bezorgdheid doorheen de hele bouwgeschiedenis.
leper (Vlamertinge), het hopmagazijn, herbestemd tot atelier voor het vervaardigen van wassen en beitsen, en loft Bouwheer: Familie Edwards, Vlamertinge Architect: Erik De Bruyn, Aalst. De regio's rond Poperinge en Aalst-Asse vormden de twee voornaamste teeltgebieden voor hop in Vlaanderen. Behoudens de kleinschalige hopasten die vaak terug te vinden zijn in combinatie met een
lijks een herbestemming worden genoemd, veeleer een bestendigen van de oorspronkelijke bestemming als werkplaats en opslagruimte. Deze bestemming laat de aanwezige erfgoedwaarden totaal ongemoeid. Zelfs de paardenstallen werden bewaard en doen dienst als ingang. De ruime dakverdieping wordt ingericht tot loft.
Lede, het atelier 'La Lédoise', herbestemd tot
Het hopmagazi|n. leper (Vlamertlnge) herbestemd tot atelier voor het vervaardigen van wassen en beitsen, en loli (foto 0. Pauwels)
landbouwbedrijf, werd hop op een aantal bedrijven op grotere schaal gedroogd en verhandeld. Dit was onder meer het geval voor de hopmagazijnen van Vlamertinge en van Poperinge (deze laatste was in feite de stadswaag, stadsschaal of hopwaag en is nu het hopmuseum). Het Hopmagazijn telt drie centrale verdiepingen die werden benut voor opslag. O p het gelijkvloers stonden de persen nodig om de hopbalen te vervaardigen. Aan de twee buitenzijden van het gebouw bevinden zich de hopasten. Enkel van de ast aan rechterzijde zijn sporen van gebruik afleesbaar. Onder de hopast aan linkerzijde werden de paarden gestald, nodig voor het transport. Het volume aan de straatzijde werd opgericht in 1832. Dit werd verdubbeld met de bouw van een achterliggende b e u k i n 1876. Het belang van de hophandel door de familie Veys blijkt onder meer uit het voeren van een eigen handelsmerk (V.B.) en het verhandelen van hop op de Engelse beurs. Hop, verhandeld voor export, werd omwille van de plaatsbesparing geperst in rechthoekige balen. De andere hoppersen waren ontworpen om ronde, cylindrische balen te persen. Vermits Vlamertinge grotendeels buiten de perimeter van het oorlogsgeweld lag, kreeg het van 1916 tot 1918 een bestemming als hospitaal. Later diende het hopmagazijn voor de opslag en het drogen van tabak. O p 16 januari 1987 werd het hopmagazijn als monument beschermd. Christopher Edwards richtte het hopmagazijn in tot werk- en opslagplaats voor het vervaardigen van watergebonden wassen en beitsen. Dit kan nauwe-
M&L
voor
zelfbestatigers
museum
Bouwheer: familie Fransen-Nijs, Lede — Architect: Erik De Bruyn, Aalst. Elke seconde telt. Het probleem bij de duivensport was lange tijd het exact vastleggen van de aankomsttijd van de vluchtduiven. O p het einde van de 19de eeuw ontwikkelden Jozef Van Nerum en Theodore Corthals de eerste 'constateur' of zelfbestatiger. Dit toestel maakte een nauwkeurige registratie (uur, minuut, seconde) mogelijk en werd gebrevetteerd door het pioniersbedrijfje La Lédoise in Lede. In 1900 werd de eerste constateur op de markt gebracht. Daarnaast maakte het bedrijfje alle mogelijke duivensportartikelen die een wereldwijde verspreiding kenden. Na de stopzetting van de activiteiten in 1965 koesterden de erfgenamen het atelier. De volledige uitrusting met veelal vernuftige machines en installaties van eigen makelij werd integraal bewaard. Het atelier werd omwille van zijn industrieelarcheologische en zijn volkskundige waarden beschermd op 10 juni 1999. In 2001 drong zich een reeks van restauratiewerken op: het plaatsen van doorgaande trekkers om de spatkrachten van het dak op te vangen, het vervangen van de dakbedekking, de regenwaterafvoer en een houtbehandeling. De uniciteit van een uitgesproken ambachtelijk atelier en kleinschalig fabricatieproces, gekoppeld aan een integraal bewaarde uitrusting en bedrijfsarchief lieten geen andere dan een museale herbestemming toe. In dit soort van kader past ook enige terughoudendheid ten aanzien van ingrepen die de openstelling voor het publiek beogen. Hier past enkel de restauratie-ethiek van de onthouding, het niets-méér-willen-doen dat wat verder reikt dan de instandhouding. Deze site wordt geen dienst bewezen door het aanbrengen van een lift, isolatie of sanitair ten behoeve van bezoekers. Het project werd genomineerd voor de Vlaamse Monumentenprijs 2003.
Het tolkantoor en vredegerecht in
Zelzate, het tolkantoor herbestemd tot atelier, tentoonstellingsruimte
en vredegerecht, woning, en Bed & Breakfast
Zelzate, herbestemd tot atelier, woning, tentoonstellingsruimte en Bed & Breakfast
Bouwheer: familie Betsens-Van Dijck, Zelzate Architect: Atelier 4, Gent Dit gebouw werd ontworpen door architect Josse Van Kriekinge en gebouwd in 1910 als tolkantoor op de rechteroever van het kanaal Gent-Terneuzen. In 1954 werd het omgebouwd tot Vredegerecht. De architectuur en de gebruikte materialen, met onder meer een overdaad aan Henegouwse blauwe hardsteen, zijn getuigen van een openbaar gebouw in eclectische stijl. In deze context ook 'staatsstijl' genoemd; symmetrisch opgebouwd, rijk aan stilistische details en niet wars van een zekere monumentaliteit, diende het gebouw het prestige van de natie (aan een grensovergang) uit te stralen.
(foto 0. Pauwels)
Vanaf 1999 stond de eigenaar Carlos Betsens eigenhandig in voor de restauratie en de herbestemming van het tolkantoor. De herbestemming is gemengd: atelier, privaat woongedeelte, tentoonstellingsruimte voor de metaalsculpturen gemaakt door de eigenaar en Bed & Breakfast.
Zottegem, de voormalige 'Sanitary Underwear', in herbestemming tot centrum
textielfabriek administratief
•AA Het atelier voor zelfbestatigers to Léöoise, in Lede (foto 0. Pauwels)
Bouwheer: stad Zottegem in samenwerking met Dexia Architecten: Eddy Francois, Deurle en Thierry Ferfers, Landskouter.
1VI&L
Nu wordt overwogen om de oorspronkelijke hoogte van 30m opnieuw weer te geven zodat de oriënterende bakenfunctie ervan wordt hersteld. Met de herbestemming van de voormalige textielfabriek tot administratief centrum, de sanering en de geplande ontwikkeling van de naastliggende fabrieksterreinen, komt dit project als geen ander tegemoet aan de beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering inzake stadskernherwaardering en het zoeken naar maatschappelijk relevante herbestemmingen voor beschermde monumenten. Met de herbestemming van de mechanische maalderij de Vuurmolen, in Overijse, tot administratief centrum kreeg het project Sanitary inmiddels navolging.
Gent (Muide) - voorhaven. Loods 20, herbestemd tot outlet factory
Het gebouw geldt, samen met de Vuurmolen in Overijse en de vuurtoren van Knokke-Heist (haven van Zeebrugge) als één van de oudste toepassingen van gewapend beton in Vlaanderen. De centrale productiehal werd opgevat als een ranke toren. De naastliggende paviljoenen herbergden onder meer de elektriciteitscentrale met eigen stoomturbineaandrijving en de stoomketels. De textielproductie werd pas in 1992 stilgelegd. Eind 1997 verwierf het Stadsbestuur de inmiddels beschermde gebouwen met de bedoeling ze in te richten als administratief centrum. De gefaseerde werkzaamheden zijn in uitvoering. Het vlotte verloop hiervan dient te worden toegeschreven aan de kwaliteit van het multidisciplinair samengesteld bouwteam en de mate waarin, via een reeks gerichte en diepgaande vooronderzoeken, de restauratieopties ondubbelzinnig in kaart werden gebracht: de stabiliteit, het herstel van de gietijzeren ramen, de betonrestauratie en de nieuwe technieken (verwarming en ventilatie). De fabrieksschoorsteen (van het type Monnoyer) werd in het verleden om stabiliteitsreden ingekort.
Bouwheer: De Gentse Voorhaven BVBA, Gent Architect: Architektenburo Romain Berteloot, Gent De omvorming van de Sassevaart tot het kanaal Gent-Terneuzen in 1827 betekende de start voor de grootschalige uitbouw van de haveninfrastructuur met onder meer havenloodsen, droogdokken en nieuwe sluizen. De voorhaven kreeg een lengte van 1,1 km en werd 80 tot 100 m breed. O p de Linkeroever kwamen zich vooral textielfabrieken vestigen: Filature La Nouvelle Orleans ( F N O ) , Parmentier, • Loods 20, in de
23 herbestemd tot
voorhaven te Gent
outlctcentrum,
(Mulde), samen met
lofts en kantoren
de loodsen 22 en
(foto 0. Pauwels)
Van Hoegaarden & Ge (later herbestemd door Vynckier, Vyncolite) en Galveston. O p de rechteroever werden in de periode van 1885 tot 1892 zes havenloodsen opgetrokken aan de voorhaven. Emile Braun, die op dat ogenblik bij de stad in dienst was als ingenieur, tekende de plannen voor deze loodsen. De eerste loods, loods 22, werd volledig uit nieuwe materialen opgetrokken. Voor de ander vier loodsen (23, 24, 21 en 20 in bouwvolgorde) hergebruikte men recuperatiematerialen van de loodsen opgetrokken door Cockerill voor de wereldtentoonstelling van 1885 in Antwerpen. De loodsen vormden een belangrijke overslagplaats voor katoen. In diezelfde periode werd de ringspoorlijn over het kanaal aangelegd. Voorhaven en spoorweg hadden een grote impact op de Muide. Door deze transportfaciliteiten en industrieën ontstond een typisch haven- en industrielandschap. Dit voor Vlaanderen unieke industrielandschap werd in belangrijke mate als monument beschermd. Bij de bescherming van de havenloodsen op 20 november 1996 werd, om de herbestembaarheid van de verschillende loodsen te maximaliseren, volgende gradatie gehanteerd: loods 20 werd integraal beschermd, met inbegrip van de havenkranen. Van loodsen 22 en 23 werd enkel de stalen hoofdstructuur beschermd. Inmiddels zijn de masterplannen wat herbestemming van de loodsen betreft, afgerond. Loods 20 zal worden herbestemd tot outlet factory. Loodsen 22 en 23 krijgen een gemengde herbestemming met lofts op de bovenverdieping en kantoor- en commerciële ruimtes op de benedenverdieping. Niet alleen de schaal van een havenloods met een grondoppervlakte van 4.000 m 2 vormt een aanzienlijke financiële drempel. Ook de bouwkundige vertaling van een metalen hoofdstructuur in combinatie met het invulmetselwerk zorgt voor de nodige uitdagingen tijdens de restauratie. Bovendien is een plaatselijk herstel van een geklinknagelde en samengestelde metaalstructuur enkel onderaan de kolommen mogelijk. Omwille van de verregaande roestvorming werd de eerste rij van 13 kolommen aan de zijde van het kanaal integraal vervangen. Hierbij werd opnieuw gebruik gemaakt van de klinknageltechniek. De eerder verwijderde lichtstraten op het dak worden teruggeplaatst. Bij de restauratie van de dakbedekking wordt de bestaande bebording in oregon bewaard. Hierop worden isolerende sandwichpanelen en zinken leien aangebracht.
A Het station in As,
AANZFTTOT FFN ANAIYSF VAN HFT HFRBFSTEMMINGSPROrFS
nu themacafé en slaapplaats voor fietsers (foto 0. Pauwels)
Wanneer is een herbestemmingsidee 'voldragen' of 'prematuur'? Waarom leidt de evaluatie van de herbestembaarheid van de elektriciteitscentrale van Zwevegem binnen de daartoe opgerichte stuurgroep tot snelle resultaten en blijft het zoeken naar nieuwe bestemmingen voor de centrale van Gent (Langerbrugge) achterwege? Ondanks het feit dat deze laatste site door zijn ligging en architecturale vertaling over ten minste evenveel troeven beschikt. Welke factoren beïnvloeden de slaagkansen van een uniek herbestemmingsidee? In vele opzichten is deze vraagstelling relevant: vanuit het oogpunt van de erfgoedconsulent biedt een dergelijke analyse een mogelijke inschatting over de aansturing nodig om een monument tot herbestemming te leiden. Er dienen onmiddellijk twee kanttekeningen te worden gemaakt. Enerzijds is de erfgoedconsulent slechts één van de vele partijen die de slaagkansen van een herbestemming kan aansturen. Anderzijds is het illusoir ervan uit te gaan dat de 'kritische succesfactoren' in die mate tastbaar en meetbaar zouden zijn dat een herbestemmingsscenario vanuit een soort 'mathematisch model' kan worden aangestuurd. Uit de voorgaande voorbeelden blijkt dat stationsgebouwen een aantal onmiskenbare troeven in zich dragen om te kunnen worden herbestemd: centrale
M&L
-dl
ligging, goede ontsluiting en bereikbaarheid (vaak nog stopplaats met parking), bouwkundig saneerbaar, qua schaal beheersbaar, met de bestaande compartimentering kan creatief worden omgegaan en 'drager' van een historische en een functionele verhaallijn met een uitgesproken lokale verankering. Waarom verloopt de opstart van de herwaardering van het beschermde stationsgebouw (architect Jean Pierre Cluysenaer, 1854) van Zandbergen, deelgemeente van Geraardsbergen zo moeizaam? Aan ideeën is er geen gebrek. Door de Koning Boudewijnstichting werd aan het Davidsfonds van Zandbergen een prijs toegekend voor het ingediende herbestemmingsscenario. Hierin zou het stationsgebouw de uitvalbasis en het knooppunt gaan vormen voor een hele reeks van cultuurtoeristische troeven die de streek te bieden heeft. Ondanks overleg, een ruim draagvlak, ... resulteerde de inzet van velen nog steeds niet in een herwaardering. Waarom niet? Welke zijn de ontbrekende schakels in het herwaarderingsproces? Niet het stationsgebouw op zich, maar de onmiddellijke omgeving ervan vormt één van de voornaamste knelpunten. De attractiviteit en de
historische leesbaarheid van de omgeving als sta- 4 tionsbuurt werden sterk uitgehold. Het stationsge- ^ L36™*"in •
.
.
• 1
1r 1
•
Hoogstraten, een
bouw staat immers met op zichzelr, net staat er in
. watermolen herrelatie t o t zijn o m g e v i n g . D e m e e r k o s t v a n d e h e r - bestemd tot museum waardering van het station kan slechts worden en olleslagmolen t e r u g v e r d i e n d o p v o o r w a a r d e d a t eerst d e o n m i d - *00 auwes' dellijke stationsomgeving wordt verfraaid met beplanting, verlichting, parking, fietsstallingen, en dergelijke. Deze zorg voor de herwaardering van de omgeving, nodig om de slaagkansen van dit erfgoedproject te vergroten, vergt een sterker engagement van het lokale bestuur. r
FACTOREN DIF BEPALEND KUNNFN ZIJN VOOR DF SLAAGKANSEN OP EEN HERWAARDERING Wat nu volgt is een aanzet tot de analyse van het herbestemmingsproces aan de hand van een reeks factoren die kunnen bijdragen tot de slaagkansen ervan. Ze werden onderverdeeld in twee niveaus, al naargelang ze toe te schrijven zijn aan het project op zich (microniveau), dan wel de onmiddellijke context van de herbestemming overstijgen (macroniveau)
•4 Het voormalig station in Gent (Sint-DenijsWestrem), herbestemd tot architectenbureau (foto 0. Pauwels)
Macro-economische factoren kansen op herwaardering
die de slaagbeïnvloeden
Dit zijn factoren die het globale kader vormen waarbinnen een herwaardering kan worden ingebed. • Beschikbaarheid van financiële hefbomen - restauratiepremie, onderhoudspremie, fiscale aftrek - specifieke programma's en fondsen, onder meer het Stedenfonds (ter ondersteuning van stadskernvernieuwende projecten) - Europese structuurfondsen (uitdovend) • Ruimtelijke ordening en ruimtelijke planning - art. 195 bis van de wetgeving op de Ruimtelijke Ordening maakt het opheffen van de zonevreemde (her)bestemmingen van monumenten mogelijk - de opmaak van bijzondere plannen van aanleg voor erfgoedsites - de opmaak van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen • Stadsvernieuwing met onder meer het (industrieel) erfgoed als: - ruimtelijk structurerend gegeven - speerpunt van reconversie - 'baken' voor de periferie - identiteitsversterkende factor van een stad • Tewerkstelling - rechtstreeks: restauratie, projectteam - indirect: bij de invulling van de herbestemming • Conjunctuur • Projectontwikkeling; als initiatiefnemer tot herbestemmingen van beschermde monumenten treden projectontwikkelaars sinds het begin van de jaren '90 op in Vlaanderen. Projectontwikkelaars zijn, omwille van hun financiële draagkracht, vaak de 'motor' achter grootschalige projecten.
Rendabel - duurzaam - commercieel onderbouwd • Meerwaarde van een herbestemming binnen een beschermd monument door: - de eigenheid - het unieke - de functionele leesbaarheid - de bouwgeschiedenis - de sporen van gebruik - het fenikseffect: herwaardering na een periode van langdurige verwaarlozing - speculatie • Visie of creativiteit: het vermogen om achter een vaak aftakelende bouwkundige toestand een eindbeeld en herbestemmingsopportuniteit te ontwaren
• Draagvlak waarbinnen de herbestemming wordt ingebed: politiek, ambtelijk en maatschappelijk. Zonder ruim draagvlak is de kans op slagen van een voorstel tot herbestemming vaak gering.
• Een project heeft nood aan ten minste één sterke voortrekker - eigenaar - projectcoördinator - investeerder of projectontwikkelaar - lokale of regionale overheid • Grootschaligheid wordt vaak als problematisch ervaren. Hiervoor zijn echter oplossingen: - tijdelijk hergebruik - hergebruik van een gedeelte van het beschermde volume - faseren van de inhaalbeweging - verval bevriezen in afwachting van een definitieve herbestemming - gemengd hergebruik binnen één beschermde site - (industrieel) erfgoed als 'decor' en belevingsruimte • Ligging en ontsluiting • Stabiliteit; belasting door nieuwe bestemming in relatie tot initiële belasting • Brandveiligheid - evacuatiemogelijkheden • Harde versus zachte, conserverende restauratie. Deze optie beïnvloedt de projectkostprijs • Compartimentering in functie van toekomstig hergebruik • Historische vervuiling • Actief vermarkten
Micro-economische
AFWFGING VAN DE SLAAGKANSEN
factoren
Dit zijn veeleer factoren die kunnen worden toegeschreven aan het project zelf. Elk op zich zijn het factoren die een invloed kunnen hebben op de slaagkansen van de herwaardering. • Herbestemming op zich: museaal versus commercieel
Vermits een hele reeks van de hierboven opgesomde factoren onvoldoende 'meetbaar' en 'objectiveerbaar' zijn, kunnen de slaagkansen van een voorstel niet louter worden geëvalueerd of becijferd in termen van economische haalbaarheid en rendabiliteit.
Winterslag, de electrlclteils-
de compressorenzaal
centrale
(foto K. Vandevorst)
(foto K. Vandervorst)
Ervaring en intuïtie moeten helpen bij risicoanalyse van een herbestemmingsvoorstel. Als erfgoedconsulent is het bemoedigend vast te stellen dat vaak dure restauraties van industrieelarcheologische monumenten worden vergezeld van duurzame herbestemmingen. Ook grootschalige sites, zoals een reeks mijnsites en het industriële 'erfgoedlandschap' van de Gentse Voorhaven, blijken herbestembaar.
Laten wij in de zoektocht naar maatschappelijk relevante herbestemmingen, niet te snel de moed verliezen.
EINDNOTEN (1) Zie: GOOSSENS M., Leven in de brouwerij of hoe iets audi iets nieuws werd, in M&L, jg. 12, nr. 6, p. 6-16; DEBRUYN M. en VERMEULEN P., Van haringrokerij tot woonproject, in M&L, jg. 19, nr. 1, p. 39-62; HIMLER A., Het Zuiderpershuis en de zeven
De levensloop van een monument is cyclisch: dynamische groei, leegstand en verval, loutering en bewustwording, verkoop en herwaardering, ... ledere processtap op zijn beurt vergt de nodige tijd. Met een recent stappenplan voor de 's Hertogenmolens in Aarschot, de start van de eerste restauratiefase en de opmaak van een masterplan voor de scheepswerven Van Praet-Dansaert in Baasrode, de herbestemming van de stoomzagerij Beyens in Vorst-Laakdal tot bibliotheek, of de herbestemming van de mijnzetel van Winterslag tot vrijetijdsen cultuurcentrum, worden de eerste concrete stappen gezet in een nieuwe generatie van herbestemmingen waarvan de voorbereidingstermijn, elk dossier op zich, meer dan vijftien jaar in beslag nam.
andere hydraulische stations in Antwerpen, in M&L, jg. 4, nr. 6, 1985, p. 290-39.
Hilbrand De Vuyst en Jo De Schepper zijn erfgoedconsulenten bij de Afdeling Monumenten en Landschappen. Kathy Stevens is medewerker van het vakgebied industrieel erfgoed Afdeling Monumenten en Landschappen.
Bernard
Lambert
DE BROUWERIJ ROÜENBACH 1M ROESELARE
Gezicht op de brouwerl| (foto 0. Pauwels)
In tegenstelling
tot de meeste
waar de brouwers eeuw massaal gisting,
beperkte
in de loop van de
overschakelden
20ste
op bier van lage
van hoge gisting
Die bieren hadden afzetmarkt
doorgaans
regionale
behoorlijk meestal
als gevolg
typisch Belgische situatie: namelijk
landen,
konden in België een aantal
biersoorten houden.
andere
Deze kunstmatig langzaam
afgeschermde
kwaliteiten
brokkelt brouwerij-
brouwerij
van traditioneel
gerijpt
schaal, koos zij in het
en herbestemming
voor de van haar
trieel erfgoed.
Een nieuw
met aandacht
voor de geschiedenis
familie en de brouwerij een traject langsheen processen.
van hun
lag de keuze voor de hand.
kader haar marketingstrategie
gewijzigd.
maar zeker verder af, de
Bij Rodenbach
ontsluiting
en de consu-
overtuigen.
bier op industriële
waren
markt
bieren te
lokale,
een
van de
grondig
ment van de specifieke
Ais laatste
brouwers. Sindsdien is de toestand
zich te profileren
stand-
van een
de cafés
eigendom
en proberen
indus-
bezoekerscentrum van de
werd gekoppeld de specifieke
aan
brouw
BEKNOPTE GESCHIEDENIS De geschiedenis van de brouwerij Rodenbach is exemplarisch voor het lot van menig familiebedrijf. In het begin van de 19de eeuw verwerft een welgestelde familie een bestaande brouwerij, die zij tot rond de eeuwwisseling zelf uitbaat. Vanaf dan vertrouwt zij het dagelijks bestuur toe aan een directeur. Tenslotte blijft het bedrijf honderd jaar als naamloze vennootschap opereren en neemt zo nu en dan een concurrent over. Tenslotte wordt de brouwerij zelf opgenomen in een grotere brouwerijgroep. Maar het is ook het verhaal van een bier, dat ondanks de steeds sneller vernieuwende technologie en al even sterk evoluerende marktomstandigheden, min of meer trouw bleef aan het originele recept. Dit verhaal, opgehangen aan de nog aanwezige sporen op de site, is de leidraad geweest tijdens aanpassingswerken en de realisatie van een bezoekerscentrum. In 1821 en 1822 kocht Alexander Rodenbach (1786-1869) van een zekere Norbert David een bestaande brouwerij, gelegen ten noorden van de Spanjestraat (1), nabij de brandewijnstokerij van zijn vader, Pieter Ferdinand Rodenbach. Hij kwam regelmatig in aanvaring met het Hollands bewind en wordt best omschreven als een pragmatisch revolutionair met een Franstalige katholieke achtergrond (2) en met een grondige afkeer van het betalen van belastingen (3). Na een militaire loopbaan in het Napoleontisch en het Nederlandse leger kwam Pedro Rodenbach (1794-1848), de jongere broer van Alexander, in 1818 terug naar Roeselare, om in de stokerij van zijn vader aan de slag te gaan. Bij diens overlijden in 1820 werd hij enige eigenaar en zaakvoerder. In 1836 nam hij ook de brouwerij over. Omdat Pedro Rodenbach als kolonel in Brussel verbleef, was het dagelijks beheer van de stokerij en de brouwerij in handen van zijn echtgenote Regina Wauters, zelf afkomstig uit een Mechelse brouwersfamilie. De stokerij werd rond 1900 verkocht aan een zekere Honoré Talpe, die er een cichoreifabriek in onderbracht. Later vervangen door een veevoederfabriek, vertegenwoordigt het een ander hoofdstuk uit de industriële geschiedenis van Roeselare. De brouwerijgebouwen uit de aankoop van 18211822 zijn in de loop van de jaren nagenoeg geheel verdwenen. Vanaf 1858 beheerde Edward Rodenbach ( 1 8 2 3 1902), zoon van Pedro, samen met zijn moeder de
A De mout-ast uit 1872,
brouwerij. Hij kocht ze over op 12 januari 1864 (4), en baatte ze verder uit onder de firmanaam Brasserie Malterie Saint-Georges, EdouardRodenbach-Mergaert. Edward was een ondernemend zakenman (5). Tussen 1864 en 1872 bouwde hij een volledig nieuwe brouwerij naast de bestaande gebouwen. In 1878 bedroeg de oppervlakte van het complex ruim 7.500 m 2 en stelde het bedrijf een twintigtal arbeiders en bedienden te werk. Uit die periode dateren de oude brouwzaal, de oude gistkelders, delen van de voormalige mouterij en het oudste deel van de lagerkelders, alle sinds 1998 als monument beschermd. In 1888 verhuisde Edward naar een appartement aan de Louisalaan in Eisene, in de overtuiging dat zijn zoon Eugeen hem zou opvolgen aan het hoofd van de brouwerij.
met rechts delen van de oude brouwzaal (foto 0. Pauwels)
Vanaf 1878 nam Eugeen Rodenbach (1850-1889) het dagelijks beheer van de brouwerij van zijn vader over tot aan zijn overlijden in 1889. De firmanaam luidde Brouwerij-Mouterij Eugeen Rodenbach. Uit die periode zijn verschillende magazijnen bewaard en nog steeds in gebruik als lagerkelders, de zogenaamde 'gangen' of 'foederzalen' 1, 2 en 3 met inbegrip van de originele houten vaten.
M&L
A Gang 2 in de lagerkelders, de oorspronkeli|ke vaten uit 1893 zijn nog steeds in gebruik (foto 0. Pauwels)
Na het plotse overlijden van Eugeen kwam Edward naar Roeselare terug, niet zonder eerst het Rodenbachkasteeltje aan de zuidkant van de Spanjestraat, recht tegenover de brouwerij te hebben laten bouwen. Dit kasteel is nog grotendeels in oorspronkelijke staat bewaard en werd in 2002 beschermd. Vanaf 1892 verhuurde Edward Rodenbach de brouwerij aan zijn schoonzoon Emiel Vandromme, zijn twee dochters en de weduwe van Eugeen. Toen trad Emiel Vandromme (6) als directeur in dienst van de Brasserie & Materie St.-Georges - Roulers sa. Na het overlijden van Edward Rodenbach in 1902 veranderde de firmanaam in nv Brouwerij-Mouterij Sint/ ö m (1902-1920).
1VI&L
Na de Eerste Wereldoorlog werd een nieuwe vennootschap opgericht onder de naam nv Brouwerij Rodenbach (1920-2003). Als gevolg van de productiestop tijdens de oorlog was de specifieke gemengde gistcultuur verloren gegaan en slaagde men er niet in het traditionele bruine bier, de zogenaamde 'speciale', opnieuw te brouwen. In 1925 werd daarom een jonge ingenieur aangetrokken, Léon Lambert, die tot in 1972 de feitelijke leiding over de brouwerij zou hebben. In die periode kende de brouwerij Rodenbach haar grootste expansie. Enerzijds werd de capaciteit van de bestaande installaties uitgebreid, door alle afdelingen gevoelig uit te breiden. Anderzijds werden nieuwe technologieën ingevoerd, waarvan het koel-
bleke mout leveren die voldoende gedroogd was om te bewaren. Er zijn foto's uit het einde van de 19de of het begin van de 20ste eeuw bewaard, waarop - weliswaar zonder vermelding van de merknaam in het Frans reclame gemaakt wordt voor donker bier uit Roeselare. De omvang en de indeling van de oudste bewaarde delen van de brouwerij, gebouwd door Edward Rodenbach tussen 1864 en 1872, doen vermoeden dat men er in het midden van de 19de eeuw op traditionele wijze werkte: na het brouwen en afkoelen in open lucht werd het wort ingeënt met zetgist in gijlkuipen, om daarna verder te laten gisten in houten staanders. Zodra de gisting ten einde was werd het bier overgetapt in kleinere houten tonnen en naar de cafés gebracht.
Stalen lagertanks
wordt in de
ïoor jong bier,
komende jaren
uit 1935, nog in
gerestaureerd
gebruik. Dit deel
(foto 0. Pauwels)
van de lagerkelders
schip uit 1937 ongetwijfeld het meest tot dee verheelverbeeleld op op de ding spreekt. Tenslotte werd er ook ingespeeld de evoluerende marktomstandigheden. Vanaf de de TweeTweede Wereldoorlog werd steeds meer bier inn flessen flessen en. afgevuld, ten nadele van de traditionele vaten. O p haar hoogtepunt telde de brouwerij 180 80 arbeiders en bedienden, en bedroeg de jaarproductie Droductie 180.000 hectoliter, vrijwel uitsluitend bruinn bier. In 1998 beslisten de erfgenamen van Edwardd Rodenbach om de vennootschap te verkopen. De; brouwerij Palm ging op het aanbod in. De distributie itie en de commerciële diensten zijn gecentraliseerd in Steenhuffel en ook het afvullen van flessen is sinds nds 2000 overgebracht naar het moederbedrijf.
HET VERHAAL VAN EEN BIER Welk bier er in 1821 gebrouwd werd is niet geweten, maar het zal wel een bruin bier van hoge ;e gisting geweest zijn. In die tijd was nog geen sprake irake van Bock, Export, Munich oi Pils. De lage gistingg kon pas volop doorbreken vanaf het einde van de 19de )de eeuw, na de ontwikkeling van de koeltechniek. Bovendien ovendien kon de gemiddelde mouter slechts met moeite oeite een
O p het einde van de 19de eeuw gebeurt echter iets merkwaardigs: terwijl de mouterij en de brouwzaal nauwelijks aanpassingen kenden, werd in 1886, in 1893 en in 1898 telkens een grote lagerkelder bijgebouwd. Dit zou er kunnen op wijzen dat vanaf dan beslist werd om het bier langer te lageren in de brouwerij en dat pas toen het Rodenbach-bier, zoals we het nu kennen, ontwikkeld werd: een versneden bier, voor drie vierden bestaande uit jong bier en voor een vierde uit verzuurd, gelagerd bier. Misschien een gevolg van de stages die Eugeen Rodenbach in 1875 in Engelse brouwerijen liep, waar men al sedert het begin van de 18de eeuw dergelijke bieren schonk onder de naam porter, Verzuurd bier had zeker voordelen, zowel voor de brouwer als voor de consument: Tot halfweg de 19de eeuw ontbrak de wetenschappelijke kennis van gisten en bacteriën. Wel wist men dat gegiste voedingswaren minder onderhevig zijn aan bederf, wat zeker geldt voor gelagerd bier. Door de langdurige verzuring onder invloed van azijnzuur- en melkzuurbacteriën blijven er in het eindproduct immers geen restsuikers meer over, wat niet het geval is na een eerste hoofdgisting. Een ander voordeel van de lange lagering is dat een aantal storende smaakcomponenten tijdens de rijping verdwijnen, zodat een veel zachter en gelijkmatiger eindproduct verkregen wordt. Opnieuw in het licht van de gebrekkige kennis over de scheikundige reacties was dit voor de brouwer, die regelmatig bedrogen uitkwam, een bijzonder interessante oplossing. Een derde reden voor het succes van zurig bier bij de consument was het ontbreken van koeltechnieken, O p warme dagen smaakte een lauwe zure pint ongetwijfeld frisser dan een lauwe zoete pint. Overigens
PORTER, HET BETERE - EN DUURDERE - ENGELSE BIER Alle bieren in de vroege jaren 1700 waren donkere bieren, gebrouwen met donkere moutsoorten. Porter vormde daarop geen uitzondering. Wat Porter echter onderscheidde van de andere bieren uit die tijd was dat het doelbewust verzuurd werd door toevoeging van een deel stale bier aan het jonge bier. De originele porters waren niet, zoals algemeen wordt aangenomen, gitzwart maar doorschijnend bruin. Zoals alle bieren uit die tijd combineerde het rijk, rookachtig aroma afkomstig van het bruine mout met een wijnachtige afdronk veroorzaakt door de gewilde verzuring. Dat verzuringsproces vond soms plaats in de brouwerij, waarbij de drank dan als Entire bekend stond. Het was echter meer de gewoonte om die verzuring in de pub te laten plaatsgrijpen. De twee soorten bier, mild en stale, werden dan in aangepaste proporties in de bierkruik van de consument gemengd, zodat deze bier met een optimale zurigheid geserveerd kreeg.
heeft de brouwerij herhaaldelijk geprobeerd andere biersoorten (7) op de markt te brengen, maar nooit met succes. Blijkbaar werd de naam Rodenbach bij het publiek geassocieerd met bruin bier.
EEN FACE-LIFT VQQR DE BROUWERIJ TE ROFSELARF Dat de brouwerij Rodenbach als industrieel-archeologisch monument tot ons gekomen is, heeft alles te maken met dit, wars van alle evoluties op de biermarkt, nogal koppig vasthouden aan de zogenaamde traditionele Zuid-Vlaamse bierstijl. Vermits het product op zich nauwelijks gewijzigd werd, konden de oudste delen van de brouwerij steeds in gebruik blijven, en werden de uitbreidingen als het ware in concentrische cirkels rond de oude kern opgetrokken. Pas na het stilleggen van de mouterij in 1975 kwam daar verandering in. Het grootste deel van de oude kiemvloeren werden gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe expeditiehal en outdoor gisttanks. Dit is zondermeer jammer, omdat het nu de ontbrekende schakel van de site is. De oudste — nu beschermde - ast werd in 1982 slechts op het nippertje gered. Intussen speelt de brouwerij echter het historisch karakter van de site als commerciële troef uit.
In 1760 schreef Obadiah Poundage, een 86-jarige Engelse brouwer, verwijzend naar de brouwerspraktijk ten tijde van Queen Anne (1702-1714): "5o little idea had the brewer or his customer incurring the charge of great stocks of beer, that some moneyed people made a trade of purchasing their mild beers at the first hand, keeping them some time and when stale to dispose of them to the publicians for £ 1,50 and £ 1,60 per barrel. Some drank mild beer and stale mixed, at threepence per quart (= 1,136 liter), but many used all stale at fourpence per pot." Hieruit blijkt duidelijk dat stale bier geen waardeloos spul was, gevolg van gebrekkige hygiëne en wanpraktijken van gewetenloze caféhouders, maar integendeel een waardevol artikel, en dat et al bij al meer geld te verdienen viel met het lageren van bier dan met het brouwen ervan.
De inrichting van een nieuw bezoekerscentrum paste in het strategisch marketingconcept. Vroeger werden bezoeken aan de brouwerij afgerond met een proeverij op een oude graanzolder. Deze locatie was door de vele trappen echter moeilijk toegankelijk en miste het specifiek brouwerijkarakter. Oude zolders zijn er overal, de houten staanders van de lagerkelders echter zijn uniek. Daar moeten bezoekers ontvangen worden.
Selectieve sloop Van bij de aanvang was duidelijk dat niet alle gebouwen op de site zouden kunnen bewaard worden. Hiervoor werden criteria als de budgettaire beperkingen en de praktische eisen inzake gebruik en bereikbaarheid gehanteerd. Met de leesbaarheid van de site als geheel werd ook bewust rekening gehouden en van elke afdeling en uit elke periode werd minstens een representatief onderdeel behouden. De oude brouwzaalis bijna integraal behouden, met uitzondering van de houten passerelle naar de zolders boven de lagerkelders. Zij was te laag om een vlotte toegang naar de koer van het bezoekerscentrum mogelijk te maken.
• De vrijgekomen
Rodenbach-kasteel
gevel van de oude
uit 1892
gisttoren; op de
(foto 0. Pauwels)
achtergrond het
Van de oude gisting, die buiten gebruik gesteld was in 1982 met de overschakeling op grotere outdoor gisttanks, werden de oorspronkelijke gebouwen uit het midden van de 19de eeuw en de eerste uitbreiding uit 1934 behouden. De gisttorens uit 1950, 1952 en 1963 werden gesloopt omdat de kostprijs van hun behoud niet verhouding stond tot de intrinsieke waarden. Het overgehouden gedeelte is wel interessant. Het sluit aan op de oude brouwzaal en bevat zowel open als gesloten (8) gistbakken, de kleinste op de eerste verdieping daterend uit 1925 en de grotere, rechthoekige koperen bakken met deksel uit roestvrij staal uit 1934 op de tweede verdieping. In de gesloopte torens bevonden zich vooral bakken van het tweede type, behalve vier merkwaardige bakken uit 1950, met geïntegreerd gebogen deksel en ingebouwde roodkoperen ladder. Deze bakken werden tijdens de afbraak zorgvuldig uit het gebouw verwijderd. Twee ervan staan nu opgesteld in een reconstructie van de oude gistkelders langs het
De gerestaureerde Lancashire-ketel uit 1937
bezoekerstraject. De gisttoren wordt immers niet bezocht wegens de moeilijke toegankelijkheid. De bakken zijn exact zoals in de gisttorens opgesteld met een zelfde onderlinge afstand en hoogte tot plafond. Een spiegelwand suggereert de oorspronkelijke dubbele rij. Een van de twee ketels is opengewerkt, zodat ook het binnenwerk met ladder en koelleiding zichtbaar is.
(foto 0. Pauwels)
Bij de uitbreiding van de gisting in 1950 werden in de westgevel van de oudste gisttoren grote openingen gemaakt, om slechts één zaal per verdieping te hebben. Na de afbraakwerken werden deze openingen behouden en afgesloten met schrijnwerk, zodat de gistkelders vanaf de koer zichtbaar zijn. De gevelindeling geeft de verschillende niveaus weer, inclusief de tussenverdiepingen voor de klimaatregeling. Het geheel vormt een fraai contrast met de aanpa-
M&L
lende outdoor gisttanks en illustreert de evolutie van de brouwtechnologie in de afgelopen honderd jaar.
Oude en nieuwe trappen langs het bezoekerstraject
De ast en de resterende gevel van de mouterij uit 1864 werden al in 1986 gerestaureerd. Het aangepast traject zorgt ervoor dat de bezoekers nu onder in de ast doorheen de kelk langs de vuurhaard komen. De kap boven op de ast werd tijdelijk verwijderd. De originele assen en lagers werden behouden, maar alle delen uit staalplaat werden vervangen. De metalen delen werden gemetalliseerd en gelakt en ten slotte boven op de ast geplaatst.
(foto 0. Pauwels)
• Het bezoekerscentrum in de voormalige gang 3 uit 1886 (foto 0. Pauwels)
De voormalige stookplaats bestond uit drie naast elkaar ingeplante loodsen, gebouwd tussen 1937 en ca 1960. De oudste twee waren oorspronkelijk voorzien van ingemetselde Lancashire-httós, gestookt met kolen. De recentste was vanaf het begin uitgerust met een vrijstaande oliegestookte ketel Meurabloc. Rond 1980 werd de ketel gesloopt en vervangen door een vrijstaande, gasgestookte ketel. Bij de recente restauratiewerken werd enkel de ingemetselde Mahy-stoom\xtc\ die aan het einde van de 20ste eeuw met gasbranders uitgerust was, gedeeltelijk behouden. De voorkant werd gerestaureerd in de
VATEN EN KUIPEN Het essentieel verschil tussen een kuip en een vat of een ton is dat de duigen van een kuip recht zijn en de kuip haar conische vorm geven, terwijl de duigen van een vat of een ton, gebogen staan en hierdoor aan het vat of de ton de ronding geven.
- hetpress-vat met duigen tot 4 cm dikte. Inhoud: 1, 1/2, 1/3, 1/4 hectoliter. Werd ook gebruikt als transportvat. Het bier werd hier onder druk bewaard in de kelder en met de tapkraan verbonden.
De verschillende namen voor biervaten verwijzen zowel naar de functie als naar de inhoud: - de pijp of picardijn: volgens het land van herkomst een vat van 500 tot 700 liter. Veel gebruikt type. Origineel een wijnvat dat maar eenmalig was gebruikt voor wijn en nadien als biervat dienst deed. De naam verwijst naar het Frans departement Picardië. Ook gebruikt als halfpijp van 300 liter. Ook verschillende duigdikten: gewone dikte 1", halve transport-dikte: 1/2", transportpijpen: dikte duigen 2" ( 1 " = 25,4 mm ).
- de lambiekton: inhoud 240 liter. Ook 1/2 en 1/4 ton. Dit vat verdient een speciale vermelding omwille van zijn mooie ronde buikvorm. Nog in gebruik bij geuze- en lambiekbrouwers. Komt regelmatig in beeld op schilderijen van Breughel
- gewone biertonnen: in allerlei maten van 200, 160, 150 en 100 liter. Voor transportvaten de zogenaamde halve tonnen van 80 a 75 liter en ook nog de kwartjes van 40, 30 en 25 liter. De maten verschilden soms van kuiper tot kuipet, van streek tot streek.
- de grote lagervaten: staanders en feeders van meerdere hectoliters inhoud. Vanaf een inhoud van 1.000 liter kan men over grootwerk beginnen spreken. De conische roerkuipen, vroeger veelvuldig in gebruik in verffabrieken, de zuivelnijverheid, de brouwerijen, ... behoren ook tot het grootwerk. Overigens ligt de verhoudingen tussen de inhoud en de afmetingen van houten kuipen wel degelijk vast, zoals blijkt uit onderstaande tabel:
inhoud in hectoliter
duiglengte in c m
diameter onder in
diameter boven in cm
aantal banden
10 20 30
120 140 170 200
133 166 182
118
6
150
6
162
6
168
7
177
7
188
8
40 50 60 70 80 100 120 150 200 400 500
220 230 240 250 285 300 310 340 400 420
193 203 216 228 238 248 264
198
8
207
8
214
9
227
10
287 314 402
250
10
273
11
354
13
437
385
14
bron: WAELPUT E., Eer het van in duigen valt. Garant, Antwerpen-Apeldoorn, 2004.
^ oorspronkelijke toestand, de binnenkant van de Het oude J^gtel werd opengewerkt en afgedekt met een glazen toecanpssas naar
,
i
j
i •
i
i
i
. vloer, zodat de werking van een oude stoomketel de kantoren werd
^
opgenomen in een tijdens de rondleiding aanschouwelijk kan voorgeruimer geheel s teld worden. (foto 0. Pauwels)
Boven de stookplaats bevindt zich de panoramatoren, waar drie schaalmodellen de opeenvolgende ontwikkelingsfasen van de site tonen. De ramen bieden een fraai uitzicht op de oude kern van de brouwerij en op het Rodenbachkasteel met tuin aan de overkant van de Spanjestraat. Aan de lagerkelders zelf werd niet veel veranderd. Waar nodig werd een nieuwe trap of een nieuwe doorgang gemaakt, deels om een logische rondgang voor de bezoekers te realiseren, deels als verbinding met de kuiperij die van de voormalige bottelarij overgebracht is naar een gebouw palend aan de lagerkelders. Een rij in onbruik geraakte stalen tanks die dienden om 'zwaar bier' te bewaren, werden verwijderd. O p hun plaats werden de houten staanders gezet die in de jaren '50 van de vorige eeuw tussen de oorspronkelijke feeders van de oudste gangen opgebouwd werden. De oudste kelders hadden hun authentiek uitzicht herwonnen zoals blijkt uit oude foto's. Het werk van kuipers en brouwers werd meteen een stuk gemakkelijker en aangenamer. Het bezoekerscentrum zelf werd ondergebracht in de gang uit 1886. Eén van de twee rijen feeders werd gedemonteerd en de vervallen koelcellen uit de jaren 30 werden gesloopt. De nog aanwezige productieapparatuur voor klaring en koeling werd overgebracht naar de nieuwe gisting.
OUD FN NIEUW. ARCHITECTUUR EN MATERIALEN O p de site is het bezoekerscentrum duidelijk onderscheiden van de historische gedeelten. De oorspronkelijke gebouwen zijn alle uit traditionele bouwmaterialen opgetrokken: baksteenmetselwerk voor muren en vloeren, houten zolderingen, dakpannen en houten schrijnwerk. De hedendaagse invullingen zijn duidelijk herkenbaar: de zichtbare wanden zijn bekleed met koper in combinatie met aluminium buitenschrijnwerk. Het was belangrijk om dit onderscheid aan te houden, omdat de nieuwe gebouwen wezenlijk verschillen van de productiegebouwen. Overigens werden de nieuwe ingrepen qua schaal en vormgeving strak
en bescheiden gehouden. De klemtoon ligt immers op het erfgoed. In de praktijk bleek op enkele plaatsen reconstructie noodzakelijk: de topgevel van de oudste keldergang langs de Spanjestraat was door opeenvolgende verbouwingen zwaar verminkt. De originele indeling kon na afbraak van de passerelle naar de oude brouwzaal, aan de hand van opmetingen gereconstrueerd worden. O m pragmatische redenen werd geopteerd voor reconstructie in plaats van restauratie. O m de doorgang vanaf de straat naar de binnenkoer te verbreden werd beslist om het gebouw met één travee in te korten. De gevel van de oude stookplaats was eveneens bouwvallig. Bij voorbereidende grond- en rioleringswerken was hij al licht gaan overhellen. Bijgevolg werd ook deze gevel gesloopt en heropgebouwd. Hierbij werd de algemene gevelopbouw behouden, maar werden de vlakke gevelvelden opengewerkt, waardoor de oude stoomketel naar buiten toe beter zichtbaar werd. In de topgevel werd een raam voor het spant geplaatst in plaats van het spant zelf te beglazen. Roest had de dakspanten zo sterk aangetast, dat het dak uiteindelijk toch volledig moest ontmanteld worden. Van het spant in de topgevel werden vrijwel alle delen vervangen, van het tweede enkel de onderregel. Beide spanten werden gezandstraald, verzinkt
en gelakt. Van de kleinste stookplaats uit 1960 werd enkel de gevel behouden, om de ritmiek van de drie kleine loodsen te bewaren en om te vermijden dat het volume van het nieuwe dienstengebouw de industrieel-archeologische site zou domineren.
Alle trappen, passerelies en staalstructuren die in de gebouwen aangebracht werden zijn uit onbehandeld of gegalvaniseerd staal, een materiaal dat tegelijk hedendaags en industrieel oogt en zich moeiteloos integreert in de industriële omgeving.
In het bezoekerscentrum werden de muren opgefrist. O p de meeste plaatsen was de vervuiling oppervlakkig en volstond reiniging met zuiver water; enkel ter plaatse van de oude koelcellen werden vooraf teerlagen mechanisch en verflagen chemisch verwijderd. De stalen kolommen werden licht gestraald om loszittende verf te verwijderen. Daarna werden ze in hun oorspronkelijke staat behouden door afwerking met matte vernis. De vloer bestond uit gietasfalt. Dit was niet te verzoenen met de nieuwe bestemming wegens de te sterke helling en de aanwezigheid van diepe afvoergoten. In de onthaalruimte en langs alle muren werden gietijzeren tegels gelegd, afkomstig uit de kelders onder de oude brouwzaal, waar ze boven op een oude tegelvloer lagen. Het is niet geweten of dit de oorspronkelijke vloerafwerking was, wellicht niet, hoewel er plaatselijk kleine vlakken mee afgewerkt waren tussen het gietasfalt. Onder de bewaarde rij foeders werd een baksteenvloer gelegd, zoals die onder het asfalt aangetroffen werd. Voor het overige werd de zaal, omwille van de nieuwe bestemming, afgewerkt met een vloer uit massief eikenhout, een verwijzing naar de 294 staanders.
Er werd geen moeite gedaan om technische ingrepen te verdoezelen of een 'historisch' uitzicht te geven. Bierleidingen zijn uit roestvrij staal, de ventilo-convectoren staan opgesteld waar ze het beste rendement geven (wel discreter dan de voorziene ventilatiekokers) en de verlichting bestaat uit hedendaagse armaturen. Dit houdt verband met het verhaal dat de brouwerij hier wil vertellen, namelijk dat de foeders geen stoffig erfgoed zijn, maar integendeel nog steeds de aangewezen tools (9) om dit type bier te maken. De afsluiting tussen de koer en de straat moest ook vernieuwd worden. In de oorspronkelijk smalle en lage doorgang bevond zich een dubbel opendraaiende poort uit staalplaat. Deze poort was sterk door roest aangetast en niet te behouden. Het leek aangewezen om bij renovatie voor een poort te kiezen die het zicht op de koer vanaf de straat niet zou belemmeren. In tegenstelling tot de algemene optie, werd hier gekozen voor een wat archaïsche vormgeving, geïnspireerd op de poort van de kasteeltuin. Ondertussen werd trouwens een gelijkaardige poort geplaatst aan de productiekoer, aan de andere kant van de oude brouwzaal. Deze keuze is misschien
fit
wat minder principieel, maar ze verleent een duidelijke eenheid aan de site vanaf de straat, en geeft een juiste eerste indruk aan bezoekers: Rodenbach is een complexe site, brouwerij, museum, kasteel en park tegelijk.
DF TOEKOMSTVAN DF RODFNBACH-SITE De werken op de Rodenbach-site sedert 1999 hadden twee bedoelingen: het verbeteren van het onthaal van bezoekers en het optimaliseren van de productie. Het eerste kwam hierboven al uitgebreid aan bod. Het tweede werd onder andere bekomen door het uitwerken van synergieën met de andere brouwerijen uit de groep. Zo zijn het bottelen en de distributie sinds 2000 gecentraliseerd bij Palm in Steenhuffel. Anderzijds werd in Roeselare een volledig nieuwe brouwzaal opgetrokken. Als gevolg van deze aanpassingen staan een aantal gebouwen leeg, en is men momenteel op zoek naar zinvolle herbestemmingen voor enkele belangrijke delen van de site. De voormalige bottelarij, met een vloeroppervlakte ca 5.000 m 2 over drie niveaus is ondertussen al
Contrast tussen oud en nieuw: het koelschip uit 1937, weerspiegeld in de gevel van de nieuwe brouwzaal (foto 0. Pauwels)
M&L
volledig ontruimd. De brouwerij zoekt voor deze gebouwen een culturele bestemming, liefst in samenwerking met gemeente of provincie. Van de oude brouwzaal en gisting, met een vloeroppervlakte ca 3.000 m 2 over vijf niveaus blijft ongeveer de helft als waardevol industrieel erfgoed in de huidige staat bewaard. Voor de andere helft wordt, gezien de complexe structuur van het gebouw, gezocht naar een kleinschalige invulling. Voor de herbestemming van het Rodenbach kasteel, met een vloeroppervlakte 400 m 2 over vier verdiepingen en de bijhorende tuin van 1,5 ha, beide beschermd, stelt zich een specifiek probleem. Immers, ook nu nog wordt het brouwwater betrokken uit de steenput in de parkvijver. Er zal dus nauwlettend moeten op toegezien worden dat deze waterwinning niet in gevaar komt. In elk geval zal slechts een deel van de tuin voor het publiek toegankelijk kunnen zijn. Slaagt de brouwerij in haar opzet, dan wordt de site Rodenbach een stedelijke locatie met historische, culturele en toeristische troeven, opgebouwd rond een bestaande en behouden brouwerijactiviteit.
ONDERHOUD EN HERSTELLING VAN DE VATEN: EEN GESPREK MET KUIPER POL In de lagerkelders van de brouwerij Rodenbach staan 294 houten 'foeders', met een inhoud variërend van 120 tot 690 hl. De oudste dateren uit het midden van de 19de eeuw, de jongste uit 1960. Hoewel de staanders telkens in hun geheel aangekocht werden, en er dus bij Rodenbach geen foeders 'gemaakt' worden, vergen de vaten heel wat onderhoud. Hiervoor heeft de brouwerij twee kuipers in dienst.
Stap 1: diagnose Elke morgen, ook op zondag, doet één van hen een ronde, om alle vaten te inspecteren. Problemen treden vooral op bij plotselinge temperatuurschommelingen of bij tocht. Dit is weliswaar fel verminderd sinds de oorspronkelijke verwarming met stoombuizen naar aanleiding van de renovatiewerken vervangen werd door gecontroleerde klimaatregeling met ventiloconvectoren. Soms gaat een vat 'lekken', wat betekent dat er bier tussen twee duigen naar buiten druppelt. Dit is een gevolg van het uitrekken van de banden, waardoor de spanning op het vat vermindert. Een lek kan meestal eenvoudig hersteld worden door de voeg tussen de duigen met ingevet wolgaren op te stoppen. De draad wordt eerst door keldermastiek {Superex rouge- mastic de cave) getrokken en dan met een plamuurmes tussen de duigen geperst. Meestal volstaat deze herstelling en kan het vat nog jaren gebruikt worden. Een andere oplossing is om de spanning op het vat te verhogen, hetzij door de duigen naar beneden te drijven - de kuipen zijn immers conisch - , maar men kan dit niet eindeloos blijven doen, hetzij door tussen de banden en het hout spieën of een bijkomend stukje band van ongeveer 50 cm lengte te steken. Dit is de aangewezen oplossing wanneer het lek onbereikbaar is, bijvoorbeeld in de kuipbodem boven een steunmuur. Andere vaten 'weien', wat betekent dat er bier dóór het hout van een duig naar buiten sijpelt. Deze duig is van buitenaf aangetast door houtrot of houtworm en moet vervangen worden. Dit kan enkel door de foeder volledig te demonteren, een tijdrovend karwei.
Stap 2: demonteren Eerst wordt de foeder geleegd en laat men hem ongeveer drie maanden drogen. Dit is belangrijk om twee redenen: enerzijds vermindert de spanning door het krimpen van het hout, zodat het demonteren vlotter gaat, anderzijds hebben de kuipers ondervonden dat het hout veel te sterk vervormt wanneer het pas droogt na het demonteren, wat dan weer problemen oplevert bij het heropbouwen. De eigenlijke demontage verloopt als volgt: - rond de foeder wordt een stelling gebouwd. - de duigen worden -voor zover dit nog niet het geval is, meestal bij oudere staanders- bovenaan genummerd, waarbij de duig met de staalkraan steeds het nummer 1 krijgt. Gemiddeld bestaat een foeder uit ongeveer zestig duigen. Ook de banden worden genummerd, vermits ze van onder naar boven kleiner worden. - het vat wordt aan de binnenzijde op een viertal plaatsen afgeschoord en men nagelt om de halve meter grote spieën tussen de duigen en de bovenkant, om te voorkomen dat de hemel naar beneden zou vallen bij het wegnemen van de banden. - de bovenste vijf banden worden dan afgeklopt. Hierdoor gaat de foeder bovenaan wat openstaan. - zodra er tussen de hemel en de duigen een speling is van ongeveer 1 cm wordt de bovenkant eruit gehaald, te beginnen met de middenste twee planken. - dan worden er op de bovenkant van de duigen latjes genageld, om te beletten dat de foeder verder zou opengaan. - alle overblijvende banden behalve de onderste worden vervolgens afgeklopt. - vervolgens worden alle duigen onderaan geschoord met houten blokjes. - pas daarna wordt de onderste band ook afgeklopt en worden alle duigen een voor een losgewrikt. - ten slotte wordt de bodem uit elkaar gehaald. Als alles vlot verloopt zijn vier mannen één tot anderhalve dag bezig met dit karwei. Het kan ook tegenvallen: bij het demonteren van een nietgedroogd vat had men ooit een volle dag nodig om de onderste band los te krijgen ...
Stap 3: herstellen Alle stukken worden samen naar de kuiperij gebracht. Het is uiteraard van het grootste belang dat hierbij geen verschillende 'bouwpaketten' door elkaar gemengd worden. Daarom bestaat de nummering van de duigen uit twee getallen: het nummer van de foeder en het nummer van de duig. Eerst worden alle houten delen grondig gereinigd. De buitenkant is doorgaans stoffig en licht beschimmeld, terwijl er zich tegen de binnenwand een afzetting van 'biersteen' heeft gevormd. Ook vaten die in gebruik blijven worden om de tien jaar aan de binnenkant geschuurd. Door deze grondige reiniging worden alle gebreken van het hout duidelijk zichtbaar: houtworm, houtrot, slechte herstellingen uit het verleden (bijvoorbeeld het vastschroeven van afgebroken stukken aan de kim). Het is vrijwel altijd de onderkant van de duigen die gebreken vertoont, zelden de bovenkant. Daarom worden ze niet in hun geheel vervangen. Het slechte deel wordt schuin afgezaagd, en wel zodanig dat de las precies in het midden onder een band komt te liggen (de afdruk van de banden is duidelijk zichtbaar op de duigen). Het nieuwe en het oude deel worden glad geschuurd, ingesmeerd met keldermastiek, voorzien van biezen en tegen elkaar gezet. Dan worden ze zijdelings aan elkaar vastgemaakt met roestvrij stalen nagels. Deze nagels zullen later dus niet in contact komen met het bier. Bij aanvang moet het nieuwe stuk overigens altijd te lang en te breed zijn. Pas na de nageling wordt het geschaafd op maat van het originele deel en wordt de kim erin gezaagd. Gemiddeld worden bij een dergelijk 'groot onderhoud' een derde van de duigen hersteld. Het heeft immers geen zin om een wat twijfelachtig stuk te behouden, om dan tien jaar later de foeder opnieuw te moeten demonteren. Ook de bodem en de hemel worden nagezien en waar nodig hersteld.
Het hout dat gebruikt wordt is continentale eik, dat niet gegroeid heeft in een gematigd zeeklimaat (10). Het hout moet gesloten zijn en mag geen knopen bevatten. Kleine knopen worden uitgekapt en opgegoten met kokende zwavel.
Stap 4 : heropbouwen Het heropbouwen van de feeders gaat als volgt in zijn werk: - De bodem wordt in de kuiperij voorbereid: op de zijkant van alle planken worden biezen aange-
M&L
bracht. Het betreft zogenaamd 'gele biezen' afkomstig uit Nederland. Elke bies wordt overlangs doorgesneden en vlak op het hout bevestigd met roestvrijstalen nieten. - Dan wordt de bodem op de steunmuren samengesteld. Daarna wordt de eerste duig — die met de staalkraan — in de kim geplaatst en langs binnen en afgeschoord. Elke duigen wordt ook van biezen voorzien, maar enkel aan de uiteinden. In het midden niet, omdat daar het vat bij de opbouw beter kan opgespannen worden. - Vanaf de tweede duig wordt bovenaan telkens een voorlopig verbindingslatje genageld en onderaan een ondersteuningsblokje geplaatst. Na ongeveer een kwart van de duigen te hebben geplaatst wordt een tweede schoor geplaatst aan de binnenkant. - Wanneer de laatste duig geplaatst wordt is deze steeds te smal. Immers, men heeft alle andere duigen geschaafd. Indien de opening klein is, wordt de laatste duig vervangen door en bredere, op maat gemaakt om de foeder te sluiten. Is de opening groot, dan worden alle duigen behouden en wordt een bijkomende duig ingepast, uiteraard eveneens op maat gemaakt. - Wanneer alle duigen geplaatst zijn worden ze een voor een onderaan eventjes naar buiten getrokken. Aan de binnenzijde wordt lijnzaadmeel met een plamuurmes in de kim gestopt, waarna de duigen weer aangeklopt worden. Dit meel dient als dichting, vermits in de kim geen biezen aangebracht zijn. - Dan wordt de eerste band met hamer en drijver opgeklopt, maar niet zonder hem vooraf op te meten. De omtrek van het vat wordt nauwkeurig gemeten, en de lengte van de band nagezien. Gemiddeld zijn de banden bij heropbouw 5 cm te lang. Daarom worden ze ingekort, en wel zo dat de uiteindelijke lengte 4 cm kleiner is dan de gemeten omtrek van het vat. Bij de oudste vaten, waar de banden een dikte hebben van 10 mm moet dit heel nauwkeurig gebeuren. Bij de nieuwere vaten hebben de banden slechts een dikte van 6 of 4 m m en mag men een zekere marge inrekenen. Bij het opspannen rekken die banden immers uit (men kan er de verf zien afschilferen tijdens het opspannen van de banden). - Na het aanbrengen van de vier of vijf onderste banden (telkens ingekort) moet de hemel geplaatst worden. Eerst worden opnieuw spieën genageld op de bovenkant van de duigen, net onder de bovenste kim. Dan worden bovenop het vat twee houten
EINDNOTEN balken gelegd. Hierop wordt de h e m e l (met toegangsluik) volledig geassembleerd. D a n tillen vier
(1)
Deze ligging is niet toevallig: de Spanjestraat bevond zich buiten
m a n n e n de ene kant o p , wordt één van de twee
de poorten van de stad Roeselate, en men kon er dus biet brou-
balken w e g g e n o m e n , en laat m e n de hemel o p de
wen en jenevet stoken zondet accijnzen te betalen. De straat telde
spieën zakken. Dezelfde handeling wordt herhaald
om diezelfde reden talloze hetbetgen en had in die tijd een beden-
aan de andere kant.
kelijke reputatie in de stad.
- Vervolgens worden alle resterende banden o p g e -
(2) Vanaf 1829 werkte Alexander mee aan het Gentse dagblad Le
klopt. D e bovenste band is een geval appart. Hij wordt met een hydraulische p o m p o p de foeder ge-
Catholique des pays-Bm. (3)
Omwille van het bier raakten Alexander en zijn broers in harde
perst, tot hij r o n d o m ongeveer 2 c m over het hout
strijd met de Roeselaarse tegentie. In november 1824 voerde het
zit. D a n pas wordt hij met de hamer verder naar
- doot Willem I benoemde - stadsbestuut een belasting in van
beneden geklopt.
1,25 gulden per vat bier in de stad gesleten. De Roeselaarse brouwers richtten daarop een verzoekschrift tot de koning. Het stads-
Als de m o n t a g e vlot verloopt zijn 4 m a n n e n hier één
bestuur antwootdde afwijzend, verwijzend naar eigenbelang en
tot twee w e k e n m e e bezig, afhankelijk van de groot-
tegenkanting. Het meningsverschil escaleerde, en op 3 maart 1828 werd een proces-verbaal opgesteld tegen "d'heeren Alexander
te van de foeder.
Rodenbach en compagnie' betreffende overtreding van de plaatse-
Stap 5: vullen
lijke belastingen: de Rodenbachs brouwden immers hun bier
Maar n o g is de foeder niet klaar voor gebruik. Eerst
langs de Spanjestraat, buiten de stad, en voetden het binnen in de
m o e t hij gesteriliseerd worden. D i t n o e m t m e n het
stad zonder betaling van de stadsbelasting. Overigens vroeg
'sulferen'.
papier,
Alexander Rodenbach op 24 april 1829 nogmaals de afschaffing
schaafkrullen en ten slotte zwavelpoeder. H e t papier
van de stedelijke accijnzen op de bieren aan de Sraten-Genetaal,
Een e m m e r wordt gevuld met
wordt in brand gestoken en m e n laat de e m m e r aan
nadat een koninklijk besluit van 10 april 1829 de staatsbelasdng
een ketting langs het mangat in de foeder zakken.
op het bier merkelijk had verhoogd.
H e t deksel wordt afgesloten en m e n laat de e m m e r
(4)
In de verkoopakte werd het bedtijf als volgt beschreven: "Plusieurs
een ganse nacht roken. N a d i e n laat m e n het vat één
corps de hdtiments servant de Brasserie avec des oustensiles et le
dag verluchten.
materiel qui s'y trouvent tels que les appareils de hrassin, futailles,
D a n wordt het vat gevuld met water, elke dag 1 meter
hammeau nommi l'Espagne occupépar la veuve Rodenbach", kadas-
cuves, magastns, écuries, étables, hangar, ... , tout situéa Roulers au
hoger. Bij het vullen wordt de binnenkant van de
traal bekend sectie B nummets 998 en 999, groor 11 a 30 ca. De
foeder beregend. Aanvankelijk is de staander lek als
westelijke aanpalende tuin. Sectie B nummers 998 en 999, groot
een zeef. Eerst zwellen de biezen, zodat het waterpeil
49a 79 ca, waarin ook magazijnen waren gelegen, werd mee verkocht.
hoger kan blijven. Hierdoor krijgt het h o u t de tijd o m o o k te zwellen. N a een drietal maanden is het vat
(5)
dicht.
In 1855 kocht hij de mechanische spinnerij Dominiek SoenenVandekerckhove in de Roeselaarse binnenstad, waar hij bleef wonen tot in 1888. In 1876 nam Edwatd Rodenbach een belangrijke participatie in de SA des Bains et des Dunes de Middelkerke et
M e n laat dan het water w e g l o p e n , reinigt het vat nogmaals d o o r het grondig uit te spuiten m e t over-
d'Ostende, inspelend op het sinds het midden van de 19de eeuw
vloedig water en vult het ten slotte m e t bier. Eerst
opkomende kusttoerisme.
m e t een pied de cuve, dit is 1 0 - 1 5 hl o u d bier uit een
(6)
Rond 1892, bij de overname van de brouwerij door Emiel
ander vat, o m de gewenste bacteriële flora in het vat
Vandromme, moest deze laatste de schulden van de weduwe van
terug te brengen en dan met jong 'zwaar bier' tot o p
Eugeen Rodenbach overnemen. Wellicht verkeerde de brouwerij
ongeveer 3 0 c m van de bovenrand.
toen in een eerder belabberde toestand. In een poging om het tij te keren bracht de btouwerij een nieuw bier op de markt onder
In normale o m s t a n d i g h e d e n blijft het bier ongeveer
de oude Vlaamse naam uytzet. Het was een wit, sterk bier, dat de
twee jaren o p vat rijpen. Wanneer een vat geleegd
concurrentie wilde aangaan met het stijgende verbruik van pils en
wordt m o e t h e t uiterlijk na twee dagen o p n i e u w ge-
van Pithemse uytzet. Met dit nieuwe biet behaalde de brouwerij in
vuld wordt. Anders begint het h o u t te drogen, waar-
1894 de gouden medaille te Antwerpen, in 1897 een erediploma
d o o r het vat vervormt en het onmogelijk wordt o m
te Btussel, in 1900 een gouden medialle te Parijs en in 1905 de
het weer dicht te krijgen zonder het volledig te
grote ptijs van Luik.
demonteren, te schaven en weer o p te b o u w e n .
(7)
Na de hierboven aangehaalde 'uytzet' volgden nog Export Ale, Extra Stout, Flag Ale, MandelAle, St.-Georges en Alexander.
(8) Het deksel diende voor het opvangen van het tijdens de gisting
men uit de omgeving van Dijon voorkomen. Het hout moet hard
vrijkomende koolzuurgas. Dit werd door een ingewikkeld stelsel
én gesloten zijn, met fijne jaarringen, wat bij eikenhout een
van buizen afgeleid naar compressoren en gestockeerd in tanks.
tegenstrijdigheid is. Het soortelijk gewicht bedraagt tussen 750
Het gas werd dan gebruikt voor het afvullen van vaten en flessen.
en 800 kg/m . Het hout wordt steeds twee jaar lang natuurlijk
Op enkele leidingen na is deze installatie volledig verdwenen,
gedroogd rot een vochtgehalte van ongeveer 15% vooraleer het te
omdat het vanaf 1970 economischer werd om koolzuurgas aan te
verwerken.
kopen dan het zelf te produceren. (9) De kwaliteit van het eikenhout is belangrijk voor de rijping van het bier: het moet net voldoende zuurstof doorlaten, opdat de micro-organismen op de binnenwand van de foeder hun werk
Bernard
zouden kunnen doen. Tijdens het eerste jaar van de rijping wor-
mentenzorg.
den vooral organische zuren gevormd: melkzuur en, in mindere
Hij volgt de site Rodenbach
mate, azijnzuur. Tijdens het tweede jaar worden deze zuren op
tekende
hun beurt omgezet naar fruitige esters. Is het hout niet poreus
stemming
genoeg, dan verloopt de rijping te traag. Is het hout te poreus,
in samenwerking
dan verandert het bier in azijn.
Fris in het Landschap
(10) In de praktijk wordt het hout op stam gekozen in de zagerij. De streek van herkomst is niet bepalend, hoewel veel geschikte stam-
Kleio.
Lambert
is architect postgraduaat
recent het masterplan van de beschermde met de en de
op sinds 1986,
monuen
uit voor de herbemijnsite
te
Beringen,
landschapsarchitecten erfgoedconulenten
Ignace
Onraet
EEN M1EUWE EUNCT1E VOOR EEN OUDE KAASMAKERU
Kruikenuitlekker m de melkontvangstruimte, waar de leeggemaakte kruiken omgekeerd werden op gezet om de laatste druppels melk op te vangen (foto 0. Pauwels)
Op 's Craventafel, Passendale,
de wijk ten westen van
werd vanaf
1932 gestart
met de
productie
van kaas op de hoeve Donck, de
voorbode
van een succesverhaal
dat
aan
Passendale een prominente
rol zou
op vlak van de Belgische
kaasproductie.
Dankzij
het onmiddellijke
een industriële de overkant
succes werd in
kaasmakerij
van de straat,
hoeve. Vandaag,
uitgebouwd
waarde.
en
Door de
van het pand en de herbestemming museum en eetcafé/ kaasmakerij sinds 2003 's
aan de
later,
beschermd omwille
haar industrieel-archeologische tuurhistorische
1936
recht tegenover
ongeveer 70 jaar
is deze kaasmakerij
verlenen
van
architecrestauratie ervan als
degustatiecentrum
is de
van het verval gered en gonst het opnieuw
Craventafelstraat.
van de bedrijvigheid
in de
Dit artikel over de evolutie van de oude kaasmakerij tot de huidige erfgoedsite, wenst een aanzet te zijn tot de waardering van zuivelfabrieken als zelfstandig onderzoeksobject. In België werd wel relatief veel onderzoek verricht over de geschiedenis van de zuivelproducde, maar zijn geen studies voorhanden over het architecturale aspect van kaasmakerijen-melkerijen. De bijzondere waarde van de oude kaasmakerij te Passendale als studieobject is te danken aan een aantal specifieke kenmerken van het gebouw en haar geschiedenis. Het pand is steeds in eigendom gebleven van één en dezelfde familie, de familie Donck, en werd na 1963 niet meer gebruikt. Dit heeft ervoor gezorgd dat het gebouw door de jaren heen weinig of geen structurele veranderingen heeft ondergaan en grotendeels in zijn oorspronkelijke staat bewaard is gebleven, waardoor het op industrieel-archeologisch vlak sterk aan belang inwint.
Tal van oude fabrieken, ook in de agro-industrie, zijn ofwel vernield, ofwel bezegeld met een totaal nieuwe functie of nog, mee geëvolueerd met de technologische ontwikkelingen in de tweede helft van de 20ste eeuw. In de oude kaasmakerij te Passendale is dit niet het geval en is de tijd quasi stilgevallen in het begin van de jaren '60. De oude kaasmakerij, de machinerie en toebehoren laten bijgevolg toe om de kaasproductie tijdens het interbellum beter te begrijpen. Het gebouw is op die manier een unicum: het vertegenwoordigt als het wate een momentopname van de kleinschalige agro-industrie. In de tweede plaats illustreert de site, te weten de hoeve en de kaasmakerij, de overgang van de kleinschalige hoeveverwerking naar het industriële arbeidsproces op het vlak van kaasbereiding. In het verlengde hiervan dient onderlijnd te worden dat de familie Donck-Spruytte, de stichters van het bedrijf, in zeker opzicht pioniers waren op het vlak van de industriële kaasproductie in ons land. Reeds vóór de jaren '40 waren zij actief in een sector die in België nog in de kinderschoenen stond, en dit op een gemechaniseerde manier. De site vormt ook een getuigenis van het prille begin van de Passendaalse kaasproductie, die ondertussen is uitgegroeid tot een vaste waatde in het Belgische kaaslandschap, verantwoordelijk voor een groot aandeel van de nationale kaasproductie en een bron van werkgelegenheid in de streek. Tenslotte is de oude kaasmakerij in de 's Graventafelstraat vooralsnog het enige Belgische zuivelbedrijf dat als monument beschermd is. In deze bijdrage wordt van het bedrijf allereerst een historisch overzicht gegeven. Vervolgens wordt het architecturale aspect van de oude kaasmakerij belicht, en tenslotte wordt dieper ingegaan op de restauratie en de herbestemming van het gebouw. Het machinepark, de werktuigen en toebehoren, worden in dit artikel buiten beschouwing gelaten.
• HISTORIEK De (amilie Donck en de meid op het erf
_
.
r-
i
van de hoeve Geschreven, i c o n o g r a f i s c h e en (fotoe.Desnoeck) m o n d e l i n g e bronnen Schriftelijke bronnen over de oude kaasmakerij in de 's Graventafelstraat zijn amper voorhanden. De geraadpleegde vakliteratuur bevat geen referenties over het bedrijf, het bedrijfsarchief werd enkele decennia geleden volledig vernietigd en een bouwaanvraag is er waarschijnlijk nooit geweest. De tot
op heden teruggevonden geschreven bronnen beperken zich tot de louter kadastrale gegevens uit 1938 in verband met de bouw van de kaasmakerij (1) . Iconografisch materiaal is evenzeer heel schaars en beperkt tot enkele foto's die dateren uit de tweede helft van de jaren '40. Ondanks het gebrek aan schriftelijke bronnen is de geschiedenis van de kaasmakerij relatief goed gekend, dankzij de mondelinge getuigenissen van de nakomelingen van de stichters, gewezen werknemers en buurtbewoners die de geschiedenis van het bedrijf gereconstrueerd hebben (2). De kennis over het ontstaan van de kaasmakerij steunt dus bijna volledig op mondelinge overlevering en enige voorzichtigheid is dan ook geboden.
De oude kaasmakerij Het verhaal van de oude kaasmakerij begint op een hoeve in de 's Graventafelstraat, die vanaf 1899 uitgebaat wordt door het echtpaar Emiel Spruytte (1862-1940) en Marie-Louise Vandenbulcke (1859-1937), beide afkomstig uit het naburige Oostnieuwkerke (3). Tijdens de Eerste Wereldoorlog vlucht het gezin Spruytte naar Normandië en wordt de hoeve, net als de rest van Passendale, met de grond gelijk gemaakt. Na de oorlog wordt de boerderij heropgebouwd en vanaf midden de jaren '20 uitgebaat door de inmiddels uit Frankrijk teruggekeerde dochter Germaine Spruytte (18961985) en haar echtgenoot Romain Donck (18981984). Rond 1932 wordt op de hoeve een aanvang gemaakt met de kaasproductie, een toch nog zeldzame bedrijvigheid op Belgische bodem. De overlevering wil dat de nodige kennis voor de kaasbereidingstechniek opgedaan werd in Normandië, het vluchtoord van de familie.
Nr. 131 Bijlage bij MEtL 24/1 jan.-feb. 2005
1
B 1 N N E N K R A N T
Literatuur ]o
Braeken
DF KFII7F VAN M R I
Architekturtheorie 20. Jahrhundert Positioner), Programme, Manifeste Vittorio Magnago Lampugnani, Ruth Manisch, Ulrich Maximilian Schumann en Wolfgang Sonne (red.) Ostfildern-Ruit, Hatje Cantz Verlag, 2004, 336 p., ISBN 3-7757-1375-1 Duitstalige anthologie van programmatische geschriften die het architectuurdebat van de 20ste eeuw samenvatten. In chronologische volgorde worden 131 baanbrekende, ook minder bekende theoretische teksten uit de afgelopen eeuw samengebracht, gaande van korte essays tot manifesten en pamfletten. Tot de auteurs behoren de meest vooraanstaande architecten uit Europa, de Verenigde Staten en Japan die vooruitlopend op de geschiedenis oorspronkelijke en radicale posities innamen, van Hendrik Petrus Berlage tot Dominique Perrault. Een beknopte inleiding situeert de bijdragen in hun historische, culturele en ideologische context, die zowel de ontstaansgeschiedenis als de receptie belicht. De zowat éénderde oorspronkelijk Duitstalige teksten worden in de eerste uitgave gebracht, voor de anderstalige teksten werd geopteerd voor een bestaande of een nieuwe vertaling.
1VI&L
Early Georgian Interiors John Cornforth New Haven, Yale University Press, 2004, 360 p., ISBN 0-300-10330-1 'Magnum opus' over het Britse interieur uit het 'Early Georgian', de periode van 1685 tot 1760 waarin de aristocratie in haar stadspaleizen en landhuizen een nooit geziene niveau van extravagantie bereikte op de wisselende golven van de mode, van barok en 'Palladian' tot rococo en classicisme. Dit prachtig geïllustreerde boek onderzoekt de decoratieve samenhang van deze interieurs enerzijds in relatie tot de architectuur en anderzijds als een samenspel van meubels en textiel, zilverwerk en kunst. Centraal in het betoog staat William Kent (1685-1748), waarbij met name Houghton Hall in Norfolk uit de jaren 1720-1730 uitvoerig wordt geanalyseerd. Andere hoofdstukken handelen over de evolutie van mode en smaak, de typologie en de rol van de diverse vertrekken in het sociale verkeer, het belangrijke aandeel van textiele bekledingen en bespanningen, de pronkzucht met zilver, kleur en verguldsel, de hang naar comfort en verfijning, de integratie van kunstcollecties, de invloed van Chinoiserie en de opkomst van het historicisme en de neogotiek, en tot slot acht case studies van bekende voorbeelden als Blenheim en Holkham.
Bouwen voor gezeten burgers Herenhuizen en villa's in de nieuwe stadswijken van Utrecht, Groningen en Nijmegen (1874-1901) Ineke Pey Zwolle, Waanders Uitgevers, 2004, 400 p., ISBN 90-400-9021-1 Studie over de 19de-eeuwse Nederlandse stadsuitleg, waarbij verouderde stadswallen werden herschapen in een prestigieus en groen woongebied met herenhuizen en villa's voor de gegoede burgerij, uitgegeven in reeks Cultuurhistorische Studies van de Nederlandse Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het boek behandelt voor de steden Utrecht, Groningen en Nijmegen zowel de gemeentelijke expansiepolitiek en het stedenbouwkundig beleid op de voormalige vestingterreinen, als de regelgeving voor de particuliere woningbouwpraktijk en de betekenis van de neostijlen in de periode 1874-1901, en dit op basis van gedegen onderzoek van contemporaine locale en nationale bronnen. Van deze 'singelbebouwing' in een overwegend neo-Hollandse renaissancestijl, die als een schil rond de oude stadskern werd ontwikkeld, worden zowel de kunst- en architectuurhistorische aspecten als de sociaal-economische aspecten belicht, onder meer het ideologische discours van de Nederlandse neorenaissance bouwstijl, de evolutie van de bouwnijverheid en de opkomst van de speculatiebouw, de discussies en motieven van de stadsbestuurders, ruim geïllustreerd met archiefdocumenten.
B 1 N 1 M E N K R A N T
The British Stable Giles Worsiey New Haven, Yale University Press, 2004, 308 p., ISBN 0-300-10708-0 Opmerkelijke, fraai geïllustreerde typologische studies over een vitaal maar tot op heden veronachtzaamd onderdeel van het Britse dagelijks leven, zowel voor landbouw, transport, industrie, krijgsverrichtingen en sport, in oorlogs- en in vredestijd: de stallingen voor paarden. De evolutie van typologie en techniek, stijl en maatschappelijk relevantie wordt chronologisch gevolgd vanaf de middeleeuwen, waarvan nagenoeg alle materiële sporen zijn uitgewist, tot het einde van de Victoriaanse tijd, waarin alleen Londen niet minder dan één miljoen paarden huisvestte met een nooit eerder bestudeerde impact op de stedenbouw. Meer dan een praktisch onderdak voor paarden stonden stallingen symbool voor rijkdom, macht en status, die op de meest elegante wijze diende te worden geëtaleerd. Bijzondere aandacht gaat dan ook naar de rijk uitgemonsterde stallingen en maneges van 'country houses' uit de Tudor-, Jacobean- en Stuart-, de Palladian- en de Georgian-periode, met goed bewaarde voorbeelden als Chatsworth en Kedleston. De utilitaire stedelijke 'mews', de commerciële stalhouderijen, en de gigantische stallingencomplexen voor cavalerie en industrie komen evenzeer aan bod.
Adelberto Libera de l'après-guerre Alessandra Fassio (red.) Parijs, Centre Pompidou, Sassari, Carlo Delfino editore, 2004, 360 p., ISBN 2-84426-0861 Monografie over het naoorlogse oeuvre van de Italiaanse architect Adalberto Libera (1903-1963), wiens archief berust in het Centre Pompidou. In de eerste fase van zijn loopbaan behoorde Libera tot de protagonisten van het Italiaanse rationalisme dat gestalte kreeg in de Gruppo 7 en de MIAR, om vervolgens één van de architecten van het fascisme te worden. Tot zijn bekendste werken uit deze periode behoren iconen als de Post en het Congressenpaleis van Rome, het Casa Malaparte op Capri en het Italiaans Paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1935 te Brussel. Minder bekend is zijn langere naoorlogse loopbaan die in detail wordt geanalyseerd en in relatie tot het vooroorlogse werk gerehabiliteerd. De nadruk ligt hierbij op twee thema's: zijn experimenten rond de relatie tussen structuur en vorm met onder meer het tentoonstellingspaviljoen van de Cassa per il Mezzogiorno in Cagliari (1953), en zijn experimenten rond de typologie van de woning met onder meer de wooncomplexen voor de verzekeringsmaatschappij INA-Casa waaronder de wijkTuscolano in Rome (1950-1954), een horizontaal antwoord op de 'Unite d'habitation'.
Jean Prouvé Oeuvre complete Volume 3:
1944-1954 Peter Sulzer Basel, Birkhauser, 2005, 386 p., ISBN 3-7643-2435-X Langverwachte derde volume in de vierdelige oeuvrecatalogus van Jean Prouvé (1901-1984), de veelzijdige Franse 'ingénieur naturel', zowel designer en uitvinder als constructeur en industrieel, die vanuit het vakmanschap van de 'ferronerie' evolueerde tot een pionier van de systeembouw in metaal en van het principe van de gordijngevel, voor het eerst toegepast in het Maison du Peuple van Clichy. Dit derde deel behandelt het eerste naoorlogse decennium van 1944 tot 1954, de periode van de eigen Ateliers J. Prouvé in Maxéville, vruchtbaar wat betreft creatieve innovaties met name in de doorbraak van aluminium als bouwmateriaal. De naoorlogse wederopbouw valt samen met de hoogdagen van het 'maison usiné', de combinatie van een geprefabriceerde draagstructuur en lichte gevelelementen 'a portique' of 'a cocque', met toepassingen als de 'Standard'-woningen van Meudon, de tropenwoningen voor equatoriaal Afrika, de eigen woning in Nancy, naast een gamma van vandaag uiterst gegeerde meubels en grootschalige constructies als het Palais de la Foire de Lille en het in 2000 wederopgebouwde Palais du Centenaire de l'Aluminium. De meer dan 300 projecten worden in detail toegelicht en ruim geïllustreerd met archieffoto's, schetsen, plannen en constructiedetails. Peter Sulzer Jean Prauvé CEuvre complete/Complete Works Volume 3: 1944-1954
B l N l ^ E N K R A N T
Brazil's Modern Architecture Elisabetta Andreoli en Adrian Forty (red.) Londen, Phaidon, 2004, 240 p., ISBN 0-7148-4292-3 Fraai uitgegeven overzichtswerk gewijd aan het Braziliaanse modernisme met de nadruk op de gouden jaren 1940 tot 1960, een periode waarin de architectuur van Brazilië volgens Reyner Banham uitgroeide tot 'the envy of the world', het centrum van de internationale avant-garde, onderwerp van de legendarische tentoonstelling Brazil builds in het Museum of Modern Art in New York en van invloedrijke themanummers van architectuurtijdschriften als Architecture d'Aujourd'hui, Architectural Review, Casabella-Continuita en Architectural Forum. De zes essays, geschreven door een jonge generatie Braziliaanse architecten en historici, bieden een hernieuwde, kritische evaluatie van dit heroïsche erfgoed met een blik van binnenuit. Centraal staat de kruisbestuiving tussen de locale identiteit van Brazilië en het internationale Westerse functionalisme, in de context en de contradicties van een zich in razend tempo ontwikkelende maatschappij. Het werk van onder meer Costa, Niemeyer, Reidy, Vilanova Artigas, Machado Moreira, Bo Bardi en Mendes da Rocha vormt het onderwerp van historische en thematische bijdragen gewijd aan de tectoniek van de tropen, de stedenbouw, de woning en de bouwkunde.
Stadte Bauen Stadtebau und Stadtentwicklung in derSchweiz 1940-1970 Angelus Eisinger Zurich, gta Verlag, 2004, 364 p., ISBN 3-85676-148-9
Lessen in Modern Wonen Bronnenboek over Woontentoonstellingen in België 1945-1958 Fredie Floré Gent, WZW Editions and Productions, 2004, ISBN 90-7783-301-3
Eerste grondige studie en kritische reflectie over de ontwikkeling van de moderne stedenbouw in Zwitserland in de beslissende jaren 1940 tot 1970, een periode waarin zoals overal in Europa, volgens de principes van het Charter van Athene, de nieuwe maatschappelijke verhoudingen in 'masterplans' werden gegoten, de relatie tussen stad en platteland werd omgegooid en de steden werden voorbereid op de te verwachten verkeersstromen. Nieuwe thema's als de hoogbouw, de ideale stad of het wijkmodel kenden een conceptuele ontwikkeling op papier, maar werden ingehaald door de meer pragmatische realiteit van nieuwe verkeersnetten, suburbanisatie van de voorstad en tertiarisering van de stadskern. Op basis van een gedegen onderzoek van de nalatenschap van tal van prominente architecten en een aantal casestudies van grootstedelijke projecten en realisaties zoals de wijk Oberes Murifeld/Wittigkofen in Bern, de 'nieuwe stad' Otelfingen en de hoogbouw 'Zur Palme' in Zurich poogt deze studie de ambivalente kloof tussen droom en daad te dichten en de geldende clichés te vervangen door een nieuw inzicht in de verhouding tussen stedenbouw en maatschappij.
Bronnenboek dat een intrigerend aspect van de 20ste-eeuwse wooncultuur in België belicht, de educatieve tentoonstellingen en modelwoningen waarmee diverse organisaties en instanties na de Tweede Wereldoorlog de wooncultuur wilden bevorderen, op nationaal of gewestelijk niveau. Zowel de initiatieven van de nationale overheid, van ontwerpersverenigingen als Nieuwe Vormen/Formes Nouvelles, van het Gentse Museum voor Sierkunst als van de Christelijke Arbeidersbeweging en de Boerinnenbond komen uitgebreid aan bod in een tachtigtal fiches, gedocumenteerd met feitenmateriaal en een contemporaine bibliografie. De chronologie wordt beëindigd in 1958, het jaar van de Wereldtentoonstelling in Brussel, een evenement dat een keerpunt betekende in het moraliserende discours van de woonvoorlichting. De auteur bereidt een doctoraal proefschrift over dit onderwerp voor aan de Universiteit Gent.
Voor alle reacties: Jozef.BraekenOlin.vlaanderen.be
*/
STADTE BAUEN Stadtebau und Stadtentwicklung in der Schwei/ 1940-Ï970
gta Vtirlitu
De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
B1NNE1\K1RAMT
Tentoonstellingen
Marjan
Luc Vints
BFDRFinD FN GERED. MIDDFIFFUWSE MliliRSCHILDERINn OP NEGENTIENDF-FFUWS PAPIER
Buyle
TFNTOONSTFIIING IN DE NIEUWF KERK IN AMSTERDAM: MAROKKO, Rnnn IAAR r u i TUUR De Marokkaanse cultuur wordt gekenmerkt door een veelheid aan invloeden, die hun stempel drukten op het thans bewaarde erfgoed: de Punische, Griekse, Romeinse, joodse, christelijke en arabisch-islamitische beschavingen werden probleemloos geassimileerd en geabsorbeerd. De tentoonstelling is zowel chronologische als thematisch opgezet, met bijzondere objecten als juwelen van de Feniciërs en spectaculaire Romeinse bronzen uit de gekende archeologische vindplaatsen zoals Lixus en Volubilis. De kunstnijverheid heeft door de eeuwen heen schitterende objecten gecreëerd, die getuigen van een hoge graad van kwaliteitsvol vakmanschap: aardewerk, verfijnd houtsnijwerk op deuren, meubilair en vensters van zowel religieuze als profane bouwwerken, kostbare tapijten en unieke sieraden en kostuums. Voor de tentoonstelling werd bewust gekozen voor een esthetische opstelling, met andere woorden alle objecten worden tentoongesteld als kunstwerken, ook als het om gebruiksvoorwerpen of meubilair- of gebouwenonderdelen gaat. Dit bevordert onge-
Mozaïek van Triton omringd door zeedieren, 2 * eeuw no Christus, opgraving van Volubilis f® Nieuwe kerk Amsterdam)
™ ;'
• fijijK : i
^i
•
ii
e:! ' • : ' • "
•^
- • • ' - ,
• •
*
r
.
iP'üf^ w:M
'
*t
¥'
Paneel van polychrome ceramiek, 74* eeuw, uit El Batha Museum in Fés 1® Nieuwe Kerk Amsterdam)
twijfeld het genot om van de schoonheid ervan te genieten, al gaat dit soms ten koste van de verstaanbaarheid. Men mag toch eigenlijk niet veronderstellen dat elke bezoeker zomaar weet wat een minbar is: het houten meubel dat als spreekgestoelte dient voor de imam tijdens het vrijdagsgebed. De panelen waaruit dit meubel is samengesteld zijn meestal uitvoerig versierd met zeer fraai houtsnijwerk. Niet alleen dit is belangrijk, maar bijvoorbeeld ook de plaats van dit meubel binnen het moskee-interieur. Hier en daar in de tentoonstelling zouden documentaire foto's als aanvulling nuttig geweest zijn. Voor de tentoonstelling werden topstukken geselecteerd uit de belangrijkste Marokkaanse musea en opgravingssites. Deze objecten bewijzen het fascinerend resultaat van het vermogen tot absorptie van diverse culturen.
De tentoonsteling loopt in de Nieuwe kerk op de Dam in Amsterdam, tot 17 april 2005. Meer info: www.nieuwekerk.nl. De locatie ligt op amper 10 minuten loopafstand van het treinstation (www.nmbs.be1. Naast de uitvoerige tentoonstellingscatalogus is er ook een rijk geïllustreerd tijdschrift verkrijgbaar. Elke dag open van 10 tot 18u, op donderdag tot 22u.
Vanaf 15 april tot 28 mei loopt op KADOC de tentoonstelling Bedreigden gered over de restauratie van een ingekleurde calque van de Annunciatie, een nu verdwenen middeleeuwse muurschildering in de Sint-Martinusbasiliek van Halle. De tentoonstelling belicht het restauratieproces dat met de steun van de Koning Boudewijnstichting in 1998 werd gestart en eind vorig jaar met succes werd afgerond. Tevens worden de atelier- en architectuurarchieven die op het KADOC worden bewaard, gepresenteerd en wordt hun problematiek geschetst. In de Middeleeuwen werden de kerken veelal versierd met muurschilderingen. In de loop der eeuwen werden ze vaak, naar de smaak van de tijd, overschilderd of verdwenen ze onder de witkalk. Tijdens de grootse restauratiecampagnes vanaf circa 1870 kwamen ze opnieuw aan het licht... om niet zelden haast onmiddellijk terug te verdwijnen. Ontpleistering tot op het blote parement was immers in. De ontdekte muurschilderingen werden meestal wel gedocumenteerd: gekopieerd door kunstenaars of gefotografeerd. Soms werden ze rechtstreeks van de muur gecalqueerd. Die calques geven dus een getrouwe tekening van de schildering op ware grootte en werden ingekleurd. Ook in de Sint-Martinusbasiliek van Halle werd op het einde van de 19de eeuw een groot aantal calques vervaardigd van de toen herontdekte gotische muur- en gewelfschilderingen. Ze werden rechtstreeks op de muur genomen door het Gentse schildersatelier van Adrien Bressers. De calques zijn van grote documentaire waarde omdat de schilderingen intussen zijn verdwenen. Ze werden circa 1990 toevertrouwd aan KADOC waar ze zijn geïnventariseerd en in zo ideaal
M&L
B11M1VJENKRANT
Wet-en regelgeving
j&nm
Coossens
NIEUWE QNDFRHOtlDSPRFMIFRFGFIING
m'h Calque van de Annunciatie. Detail van het voetstuk waarop de figuren staan.
mogelijke stabiele omstandigheden worden bewaard. Dank zij de campagne "S.O.S. Kunstwerken op papier" van de Koning Boudewijnstichting (1996) kon het KADOC een van de calques, namelijk de Annunciatie, laten conserveren en restaureren. De muurschildering van de Annunciatie bevond zich in de Onze-Lieve-Vrouwekapel van de Halse basiliek en was aangebracht in een blind gotisch venster. Het immense restauratie- en conserveringswerk - de calque is bijna 6 meter lang en 1,20 meter breed - werd uitgevoerd door het atelier Ann Peckstadt, in samenwerking met Louise van de Werve. In het themanummer over de Sint-Martinusbasiliek van Halle in het tijdschrift MftL (nr. 6, 2000) verscheen een artikel over de conservering van de calque en over het archief BressersBlanchaert.
De tentoonstelling loopt van 15 april tot 28 mei 2005 en is gratis toegankelijk, elke werkdag van 9 tot 17 uur en op zaterdag van 9 tot 12.30 uur. Ook open op de Erfgoeddag van zondag 17 april van 10 tot 18 uur. Gesloten op 5, 6, 7 en 16 mei. KADOC, Vlamingenstraat 39, 3000 Leuven Tel. 016 32 35 00; fax 016 32 35 0 1 ; e-mail: postmaster® kadoc.kuleuven.ac.be Info: www.kadoc.kuleuven.ac.be
M&L
Miek
De onderhoudspremie voor beschermde monumenten bestaat ruim 12 jaar en is in die tijd een begrip geworden in de Vlaamse monumentenzorg. Steeds meer eigenaars van beschermde gebouwen worden er zich van bewust dat tijdig en regelmatig onderhoud in de breedste zin van het woord op termijn dure restauraties voorkomt en de authenticiteit van het erfgoed maximaal verzekert. Het was de wens van de vorige regering om deze regeling uit te breiden, o.m. naar de beschermde stads- en dorpsgezichten zoals bepaald in het mini-decreet van 21/11/2003. Eerder dan in functie hiervan een nieuwe regelgeving uit te werken, werd geopteerd om de bestaande regelgeving op de onderhoudspremie aan te passen. Zo wordt vermeden dat nieuwe regelingen ontstaan voor de uitvoering van nieuwe beleidsaccenten en kan de hoeveelheid reglementeringen beperkt en beheerst worden. Van deze gelegenheid werd gebruik gemaakt om het bestaande systeem daar waar mogelijk te vereenvoudigen. Bestaande bepalingen en mogelijkheden werden verfijnd, aangevuld en uitgebreid. Daarenboven werd overeenstemming beoogd met de bestaande premiebesluiten voor landschappen en met de restauratiepremieregeling. Bij de definitie van onderhoudswerk werden de gekende begrippen zoals voorkomen van verval, behoud en instandhouden uitgebreid met de begrippen herstel, beheer en herwaardering naar analogie met de landschapspremieregelingen. Dit laat toe, mede met het oog op de herwaardering van stads-en dorpsgezichten, verder te gaan dan het louter instandhouden van het bestaande, maar ook bepaalde corrigerende maatregelen te
beogen. De werken kunnen voortaan ook gericht zijn op herwaardering en voorkomen van ontwaarding. Het uitgangspunt hierbij is steeds het in stand houden of versterken van de erfgoedwaarden. Daarnaast kunnen ook materiaaltechnische en stabiliteitsstudies - vereist voor de doelmatige en vakkundige uitvoering van onderhoudswerken - via een onderhoudspremie betoelaagd worden, evenals ingrepen die het toekomstig onderhoud mogelijk moeten maken. De definitie van premienemer werd verruimd, zijnde de opdrachtgever van de werkzaamheden, met inbegrip van huurders en pachters. De voorheen van de onderhoudspremieregeling uitgesloten onderwijsgebouwen komen voortaan ook in aanmerking voor een onderhoudspremie. De voorwaarden voor het verkrijgen van een onderhoudspremie werden tot een absoluut minimum herleid: de werken moeten volledig worden uitgevoerd binnen een termijn van 2 jaar, eventuele meer - en bijwerken worden door de premienemer zelf gedragen. Het bedrag van de premie werd opgetrokken en de berekening ervan vereenvoudigd: de premie bedraagt 40% van de raming die minimaal € 1000 en maximaal € 30.000 bedraagt (ex BTW). Op deze algemene regel, die zowel voor particuliere eigenaars als voor openbare besturen dezelfde is, geldt slechts één uitzondering: de zogenaamde. ZEN-monumenten (Zonder Economisch Nut), die recht hebben op 80% naar analogie met de restauratiepremieregeling. De vereisten voor het samenstellen van een aanvraagdossier werden tot het allernoodzakelijkste minimum herleid, daarenboven werd een en ander in een overzichtelijk aanvraagformulier gegoten, waar alle voor een vlotte afhandeling van de procedure noodzakelijke gegevens in vervat werden.
Totaal nieuw is de mogelijkheid om onderhoudspremies te krijgen voor werken binnen beschermde stads- en dorpsgezichten. De voorwaarden hiertoe is dat een goedgekeurd herwaarderingsplan bestaat voor de site in kwestie, of voor een deel ervan dat op
B 1 N 1 M E N K R A N T
zichzelf een entiteit vormt. Dit herwaarderingsplan kan worden opgemaakt door (een) particulier(e) eigenaars) of door een lokaal of regionaal bestuur. In dit laatste geval is voor de opmaak zelf een premie mogelijk. Dit herwaarderingplan definieert de erfgoedkenmerken en de erfgoedelementen die de eigenheid van een beschermd stads- of dorpsgezicht bepalen en omschrijft de werkzaamheden en maatregelen die in aanmerking komen voor de premie. Op basis van dit goedgekeurd herwaarderingsplan, en enkel voor de werken die er zijn in omschreven, kan een premie worden verleend. De procedure hiertoe is identiek aan deze voor de onderhoudspremie voor beschermd monumenten. Deze nieuwe regeling gaat gepaard met een verhoging van het budget voor het voorkomings - en onderhoudsbeleid, teneinde de te verwachten dynamiek op te vangen. Een nieuwe brochure voorde beschermde monumenten kan reeds worden aangevraagd. Voor de beschermde stads- en dorpsgezichten zal in eerste instantie en dit overeenkomstig de wens van minister Van Mechelen, gewerkt worden met een aantal proefprojecten in elke provincie met betrekking tot de opmaak van een herwaarderingsplan en de mogelijkheid tot betoelaging van onderhoudswerkzaamheden.
14 JULI 2004. - Besluit van de Vlaamse Regering tot het vaststellen van een onderhoudspremie voor beschermde monumenten en stadsen dorpsgezichten De Vlaamse Regering, Gelet op artikel 11, § 9 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stadsen dorpsgezichten, gewijzigd bij de decreten van 18 december 1992 en 21 november 2003; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 1994 tot het instellen van een onderhoudspremie voor beschermde monumenten, gewijzigd bij het decreet van 30 juni
2000 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 12 mei 2004; Gelet op het advies 37.330/3 van de Raad van State, gegeven op 22 juni 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken; Na beraadslaging, Besluit: HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder; 1° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor Monumenten en Landschappen; 2° administratie: de dienst van de Vlaamse Regering, bevoegd voor de monumenten en de landschappen; 3° decreet: het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; 4° premienemer: de eigenaar of de houder van zakelijke rechten of huurder die opdrachtgever is van de werkzaamheden en de kosten ervan draagt; 5° ontwerper: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het ontwerp maakt van het herwaarderingsplan; 6° herwaarderingsplan: een door de minister of zijn gemachtigde goedgekeurd herwaarderingsplan zoals vermeld in artikel 11, § 9, 4°, van het decreet, waarin de onderhouds- en herwaarderingswerkzaamheden en hun uitvoeringsvoorwaarden worden bepaald die de minister of zijn gemachtigde bepaalt voor de instandhouding, het onderhoud, het herstellen of verbeteren van de waarden van het geheel of een gedeelte van een beschermd stads- of dorpsgezicht; 7° onderhoudswerken: werkzaamheden die de Vlaamse Regering of haar gemachtigde als dusdanig aanmerkt: a) voor een beschermd monument of een gedeelte ervan en voor erfgoedelementen en -kenmerken: werkzaamheden met het oog op duurzaam behoud en herwaardering, op het voorkomen van verval en
ontwaarding en op dringende instandhouding, met inbegrip van werkzaamheden en diensten voor materiaaltechnische studies en stabiliteitsstudies, vereist voor de doelmatige en vakkundige uitvoering ervan, alsook van werkzaamheden en diensten voor de bereikbaarheid en de toegankelijkheid met het oog op onderhoud; b) opstellen van herwaarderingsplannen met het oog op de gehele herwaardering van beschermde stads- en dorpsgezichten; 8° erfgoedelementen en erfgoedkenmerken: binnen de grenzen van beschermde stads- en dorpsgezichten, niet als monument beschermd erfgoed, meer bepaald het onroerend erfgoed dat in het goedgekeurde herwaarderingsplan is aangemerkt als zijnde de bijzondere erfgoedkenmerken (structurele componenten) en/of de kenmerkende erfgoedelementen (visuele componenten) die de eigenheid van het beschermde stads- of dorpsgezicht bepalen en de waarden vormen die aan de grondslag liggen van de bescherming; 9° toekenning van de onderhoudspremie: de officiële kennisgeving aan de premienemer van het besluit van de minister, waarbij het bedrag van de onderhoudspremie wordt vastgesteld; 10° regionale besturen: alle besturen die als dusdanig door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde worden aangemerkt, inzonderheid de provincies, bisschoppelijke seminaries, kathedrale kerkfabrieken en de besturen die bij of krachtens decreet als regionale besturen worden aangewezen; 11° lokale besturen: alle besturen die door de Vlaamse Regering als dusdanig worden aangemerkt, inzonderheid de gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, intergemeentelijke samenwerkingsvormen, polders, wateringen, verenigingen van polders en wateringen, de sociale woonorganisaties met uitzondering van de huurdersorganisaties, bedoeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, kerkfabrieken en elke andere rechtspersoon die voor de uitoefening van een openbare eredienst onroerende goederen beheert,
B 1 N N E 1 M K R A N T
alsook de besturen die bij of krachtens decreet als lokale besturen worden aangewezen; 12° opdrachtgevend bestuur: het regionale of lokale bestuur dat opdrachtgever is van de onderhoudswerkzaamheden; 13° kostenraming: werkzaamheden met opgave van de betreffende benodigde hoeveelheden en de vermoedelijke kostprijs ervan. Een offerte kan beschouwd worden als een kostenraming; 14° posten: gedetailleerde omschrijving van de te leveren goederen, diensten en de te verrichten onderhoudswerkzaamheden; 15° meer- en bijwerken: aanvullende werkzaamheden die de vermoedelijke hoeveelheden in de aanvaarde kostenraming overschrijden of er niet in vermeld zijn; 16° minwerken: werkzaamheden waarbij minder wordt uitgevoerd of kleinere hoeveelheden worden aangewend dan de in de aanvaarde kostenraming vermelde vermoedelijke hoeveelheden; 17° forfaitaire werkzaamheden: werkzaamheden die op forfaitaire basis in aanmerking komen voor een onderhoudspremie. De minister bepaalt de lijst van werkzaamheden die in aanmerking komen voor een forfaitaire vaststelling van de kosten voor de werkzaamheden die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het geheel of een gedeelte van de onderhoudspremie. HOOFDSTUK II. - Onderhoudspremies Afdeling 1. - Toepassingsgebied Art. 2. Binnen de perken van de daartoe bestemde kredieten, ingeschreven op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, kan door de minister een onderhoudspremie worden toegekend voor onderhoudswerkzaamheden die het duurzaam behoud bevorderen van beschermde monument en stadsen dorpsgezichten, voor beschermde monumenten met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen, voorzover die werkzaamheden de erfgoedwaarden in stand houden of versterken.
M&L
Art. 3. De volgende werkzaamheden kunnen voor een onderhoudspremie in aanmerking komen: 1° aan beschermde monumenten en aan erfgoedelementen en -kenmerken van beschermde stads- en dorpsgezichten voorzover deze erfgoedelementen en -kenmerken vermeld zijn in het goedgekeurde herwaarderingsplan, de volgende algemene onderhoudswerkzaamheden: a) herstellen van dakschade, dichten en afdekken van lekken; b) ontmossen van daken, onderhouden, herstellen en aanbrengen van dakgoten, afvoerleidingen en rioleringen; c) bereikbaar maken van goten via juist geplaatste dakkapellen of dakluiken, het beloopbaar maken van hooggelegen goten; d) herstellen of plaatsen van ladderen klimhaken en steigergaten; e) treffen van maatregelen tegen weersinvloeden en tegen dierlijke vervuiling; f) bestrijden van houtworm, schimmel, zwam- en vochtaantasting; g) onderhouden en herstellen van gevels of onderdelen ervan door onder meer te metselen, te bepleisteren en te voegen en door beschermings- en afwerkingslagen aan te brengen zoals kaleien, schilderen, vernissen, vergulden, vertinnen en verzilveren; h) herstellen, vervangen of opnieuw aanbrengen van historisch houtwerk zoals deuren, ramen, luiken, poorten, gootconstructies, beplanking met inbegrip van hang- en sluitwerk en beglazing; i) reinigen en herstellen van glas-inlood met inbegrip van de draagstructuur; j) reinigen, ontmossen, hydrofugeren, verharden en behandelen tegen opstijgend vocht van muren en andere constructieve elementen, evenals alle andere behandelingen met waterwerende en materiaalverstevigende producten; k) afdekken en beschermen van vriesbarstige beeldhouwwerken, architectuurelementen en sierobjecten; I) verstevigen van funderingen; m) treffen van dringende maatregelen om de stabiliteit te verzekeren; n) treffen van maatregelen tegen corrosie, aftakeling en ontaarding van
materialen; o) bijwerken, herstellen of vervangen van geërodeerde materialen of onderdelen; p) treffen van maatregelen ter beveiliging tegen diefstal en moedwillige of toevallige beschadigingen; q) onderhoud, herstel en beheer van kenmerkende structuren zoals waterpartijen, vijvers, waterbekkens, waterlopen, walgrachten, grachten en greppels en eventueel de afvoer van vrijgekomen materiaal, duikers, beschoeiingen, taluds, wegen en paden, laanbepalingen, bomenrijen, bomen- en heestergroepen, solitaire bomen en struiken, hagen, loofgangen, borders en perken, bruggetjes, tuinen kaaimuren, schuttingen, hekken, pergola's, prieeltjes, tuin- en parkornamentiek en tuin- en parkmeubilair; r) onderhoud, herstel en beheer van kleine landschapselementen; s) onderhoud, herstel en beheer van de beplantingen op percelen met een houtige begroeiing, zoals parkbossen, hakhout- en middelhoutbestanden, struwelen; t) onderhoud, herstel en beheer van open vegetatietypen, zoals historisch permanent grasland of heide, onder meer door te begrazen, te maaien, te plaggen, met inbegrip van de afvoer van maalsel en plaggen, en door veekeringen en schuilhokken te plaatsen; u) onderhoud, herstel en beheer van aarden wallen en dijken; v) snoeien, knotten, leiden en verzorgen van bomen, struiken en hagen; w) opruimen van niet-verkoopbare delen van bomen, zoals het takhout en de boomstronken in het kader van middel- en hakhoutbeheer en van omvormingsbeheer en in parkbossen; x) bouwen of plaatsen van een kleinschalige opslagplaats in tuinen en parken voor gereedschap dat nodig is voor de instandhoudings- en onderhoudswerkzaamheden; y) werkzaamheden en diensten voor materiaal-, technische en stabiliteitsstudies; z) uitvoering van andere werkzaamheden met het oog op het voorkomen van de ontwaarding en op de instandhouding en het onderhoud; 2° aan beschermde monumenten daarenboven:
B 1 N N E 1 \ K R A N T
a) onderhoudswerkzaamheden aan het interieur of aan cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen, zoals het onderhouden en conserveren van de interieurdecoratie, beelden, schilderijen, het fixeren en herstellen van verf en afwerkingslagen op wanden en plafonds, lambriseringen, schrijnwerk, historische beschilderingen op waardevolle elementen, schouwen, stucwerk, terracotta, zijde, leder, textiel en papier; b) onderhouden van en uitvoeren van dringende herstellingswerkzaamheden aan trappen, vloeren en zolderingen; 3° aan beschermde monumenten, voor onderhoudspremies die toegekend worden aan lokale en regionale besturen, daarenboven: a) onderhouden (inclusief met onderhoudscontract), herstellen en vervangen van elektrische en verwarmingsinstallaties, beveiligingssystemen, lichtinstallaties, klimaatregelingen met het oog op het onder controle houden van temperatuur en vochtigheid, en van andere technische voorzieningen, zoals inbraak-, brand- en bliksembeveiligingsinstallaties; b) onderhouden, herstellen, vervangen of aanbrengen van de nodige voorzieningen voor de toegankelijkheid met het oog op onderhoud en beveiliging, zoals:
de gebruiker tegen steenval; 4° aan als monument beschermde beiaarden, torenuurwerken en luiklokken, tevens: a) treffen van dringende maatregelen voor de stabiliteit en de veiligheid van de klokkenstoel; b) onderhouden en herstellen van ophangingsassen, klepelbevestigingen en uurwerkgewichten; c) onderhouden en herstellen van elektrische leidingen en aandrijfmotoren; d) herstelling van uurwerk- en klokkenspelmechanismes, noodzakelijk voor normaal gebruik; e) onderhouden en conserveren van wijzerplaten, wijzers en aandrijfmechanismen van torenuurwerken; f) onderhouden en conserveren van speelcabines, klokkenspeltrommels en uurwerkkasten; 5° aan de als monument beschermde orgels, tevens: a) onderhouden en conserveren van het orgel, inzonderheid van klavier, windlade, kast en windvoorziening; b) onderhouden, regelen en conserveren van de fractuur en de mechanieken; c) verhelpen van intonatieproblernen en stemmen na reinigings- en onderhoudswerkzaamheden; d) herbelederen van blaasbalgen en het winddicht maken van windladen en -kanalen;
1) degelijke vaste, onder- en bovenaan verankerde trappen en loopbruggen, voldoende breed en voorzien van stevige handgrepen en leuningen om alle zolders bereikbaar te maken;
e) conserveren en verstevigen van front- en binnenpijpen; f) vernieuwen van pulpeten, membranen en veren en herstellen van roosters, brillen en ondersteuningen;
2) werkzaamheden om kapvoeten, kappen en stucgewelven, zolders (inzonderheid bovengewelven) toegankelijk te maken eventueel door doorgangen te maken;
6° aan de als monument beschermde molens, tevens:
3) aanbrengen of herstellen van veilige bevloeringen op zolderverdiepingen; 4) aanbrengen van voldoende elementaire noodverlichting en van voldoende waterdichte en geaarde stopcontacten; c) treffen van maatregelen tegen brand, diefstal, moedwillige of toevallige beschadigingen, blikseminslag en waterschade; d) beveiliging van de openbare weg en
a) onderhouden, herstellen en regelen van het gaande werk, de waterraderen, de sluisen verdeelwerken, het gevlucht, alsook van de bijbehorende machines, werktuigen en hun toebehoren; b) onderhouds- en herstellingswerkzaamheden aan voor- en achterwaterloop; 7° aan het als monument beschermde industrieel erfgoed, tevens: onderhouden, herstellen of regelen van machines, werktuigen en hun toebehoren. Afdeling 2. - Procedure onderhoudspremie
Onderafdeling I. - Aanvraag onderhoudspremie Art. 4. Om in aanmerking te komen voor de toekenning van een onderhoudspremie, moet de premienemer een aanvraag indienen bij de administratie. De aanvraag wordt per post verzonden of tegen ontvangstbewijs afgegeven en bevat de volgende elementen in viervoud: 1° een aanvraag met motivering van de werkzaamheden waarvoor een onderhoudspremie wordt gevraagd; 2° een beschrijving en kostenraming of offerte(s) van de werkzaamheden, zo nodig vergezeld van foto's en plans ter verduidelijking. De foto's en de plans slechts in één exemplaar; 3° een voorstel van gunnen van de werkzaamheden of een voorstel om de werkzaamheden in eigen beheer uit te voeren. Openbare besturen handelen overeenkomstig de wetgeving op de overheidsopdrachten; 4° een verklaring met betrekking tot de eigendomstitel. Als de premienemer de huurder is, moet de toestemming van de eigenaar voor het uitvoeren van de werkzaamheden bijgevoegd worden; 5° een verklaring met betrekking tot de BTW (geldt niet voor openbare besturen). Bij de aanvraag wordt het bewijs toegevoegd dat de premienemer de BTW niet kan recupereren, evenals de vermelding van het BTWpercentage of -percentages en de eventuele verhouding ervan. Onderafdeling II. -Toekenning onderhoudspremie Art. 5. De administratie onderzoekt of de aanvraag in aanmerking kan komen voor een onderhoudspremie en deelt het resultaat van dit onderzoek binnen zestig dagen mee aan de aanvrager: 1" als het dossier voor goedkeuring in aanmerking komt, geldt de datum waarop het dossier werd ingediend bij de administratie als datum van de aanvraag. De minister kent de onderhoudspremie toe. De administratie stelt de premienemer schriftelijk in kennis van de toekenning van de premie. Pas na de toekenning door de minister van de premie mag met de werkzaamheden worden gestart, zo
B 1 N N E 1 M K R A N T
niet wordt de premie ambtshalve geweigerd; 2° als het dossier onvolledig is bevonden of de waarborgen voor een vakkundige uitvoering onvoldoende worden geacht, wordt gemeld in welke zin het dossier moet worden aangepast om voor goedkeuring in aanmerking te komen. Een nieuwe aanvraag zal aan deze opmerkingen tegemoetkomen. Art. 6. Met toepassing van dit besluit kan per kalenderjaar per beschermd onroerend goed of voor een deel ervan dat op zichzelf een geheel vormt, slechts één onderhoudspremie worden toegekend, met uitzondering van de beschermde monumenten waarvoor aanvullend een premie gevraagd kan worden, voor onderhoudswerkzaamheden aan het interieur of de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en decoratieve elementen. Art. 7. § 1. De onderhoudspremie bedraagt 40 0/o van de voor betoelaging aanvaarde kostenraming, die laatste met een minimumbedrag van 1.000 euro en een maximumbedrag van 30.000 euro, exclusief BTW, als de premienemer een natuurlijke persoon, een privaatrechtelijke rechtspersoon, een lokaal of regionaal bestuur of een autonoom provincie- of gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid is. Voor de monumenten, vermeld in artikel 16, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, geldt een percentage van 80 % op een maximumraming van 30.000 euro. § 2. De onderhoudspremie wordt berekend op basis van de aanvaarde kostenraming, vermeerderd met de BTW, voorzover de premienemer het bewijs levert dat hij de BTW niet kan recupereren. § 3. Als de onderhoudswerkzaamheden in eigen beheer worden uitgevoerd, komen enkel de kosten voor de levering van materialen en de huur van toestellen en stellingen in aanmerking, eveneens met inbegrip van de BTW. Art. 8. De werkzaamheden, waarvoor
een onderhoudspremie is toegekend, moeten volledig worden uitgevoerd. Uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de datum van toekenning moeten de werkzaamheden uitgevoerd en voorlopig opgeleverd zijn en moet de uitbetaling aangevraagd zijn bij de administratie. Als hieraan niet wordt voldaan, wordt de premienemer ambtshalve geacht af te zien van de premie en wordt de premie niet uitbetaald. Art. 9. Bij de uitvoering van de werkzaamheden mogen geen wijzigingen, weglatingen of toevoegingen worden aangebracht aan de lijst van de goedgekeurde werkzaamheden tenzij na schriftelijke goedkeuring van de minister en steeds zonder overschrijding van het toegekende bedrag. Art. 10. Bij de afrekening van een toegekende onderhoudspremie neemt de premienemer de aanvullende kosten voor de meer- en bijwerken voor zijn rekening voorzover het bedrag van de eindafrekening hoger is dan dat waarop de premie is berekend. Als het eindbedrag van de onderhoudswerkzaamheden lager ligt dan dat waarop de premie werd berekend, dan wordt de premie in verhouding verminderd. Art. 11. De onderhoudspremie wordt in eenmaal uitbetaald na voorlegging van de totaliteit van de vereffende facturen en nadat door de minister of zijn gemachtigde is vastgesteld dat de werkzaamheden beëindigd zijn en volgens de regels van de kunst zijn uitgevoerd. Bij de uitbetaling kan niet meer worden betaald dan de uitgaven waarvoor geldige facturen zijn voorgelegd. HOOFDSTUK lil. - Herwaardering van beschermde stads- of dorpsgezichten Art. 12. § 1. Voor de gehele herwaardering van beschermde stads- of dorpsgezichten of een gedeelte ervan dat een op zichzelf staande entiteit vormt, kan een herwaarderingsplan worden opgemaakt door of in opdracht van de premienemer(s) of het betrokken lokale of regionale bestuur. Slechts nadat een herwaarderingsplan door de minister is goedgekeurd, kan de minister een onderhoudspremie toekennen voor werkzaamheden aan
erfgoedelementen en -kenmerken volgens de bepalingen van artikel 4 tot en met 11, voorzover de werkzaamheden vermeld zijn in het goedgekeurde herwaarderingsplan. § 2. Het herwaarderingsplan moet een betekenisvolle meerwaarde voor de waarden van het beschermde stadsof dorpsgezicht beogen en omvat tenminste: 1° het kadasterplan met de afbakening van het stads- of dorpsgezicht, met opgave van het gedeelte waarvoor een herwaarderingsplan wordt opgesteld en met opgave van de beschermde monumenten; 2° de vaststelling, beschrijving en verantwoording van de herwaarderingsdoelstellingen, die voortvloeien uit de waarden die aan de grondslag liggen van de bescherming; 3° de lijst van erfgoedkenmerken (structurele componenten) en/of erfgoedelementen (visuele componenten) die in aanmerking komen voor onderhouds-, instandhoudings- en herwaarderingswerkzaamheden; 4° als dat relevant is voor de beoogde maatregelen aan de erfgoedkenmerken en/of -elementen; a) een inventarisatie van de huidige toestand van het beschermde stadsof dorpsgezicht; b) een gericht historisch-archivalisch onderzoek; 5° de opsomming en verantwoording van de concrete maatregelen die nodig zijn voor de herwaardering van het deel of geheel van het beschermde stads- of dorpsgezicht, gekoppeld aan een lijst van specifieke onderhoudswerkzaamheden die op basis van artikel 3, 1°, in aanmerking kunnen komen voor een onderhoudspremie; 6° eventueel worden de forfaitaire werkzaamheden die in aanmerking komen voor premieverlening opgesomd in een bij het herwaarderingsplan gevoegde tabel. Een raming vermeldt de werkzaamheden met de overeenstemmende bedragen waarvoor de forfaitaire berekening wordt voorgesteld. § 3. Een herwaarderingsplan heeft een geldigheidsduur van maximaal tien jaar, waarna het aan evaluatie en actualisatie toe kan zijn of waarna de
B 1 N N E N K R A 1 M T
genomen opties geconfirmeerd worden. De verlenging wordt aangevraagd bij de administratie, zo niet ambtshalve afgesloten. Art. 13. Aan een betrokken regionaal of lokaal bestuur kan, met het oog op de uitvoering van werkzaamheden, voor de opmaak van een herwaarderingsplan voor een beschermd stadsof dorpsgezicht of een gedeelte ervan een onderhoudspremie worden toegekend als er meerdere premienemers bij betrokken zijn. Als een ontwerper wordt aangesteld, kan de minister een onderhoudspremie toekennen van 80 % van de goedgekeurde raming, met een maximumpremie van 5.000 euro. Als het herwaarderingsplan wordt opgemaakt in eigen beheer wordt een forfaitaire vergoeding van 1.500 euro vastgelegd. De premie kan worden toegekend door de minister nadat de documenten overeenkomstig artikel 4 en artikel 12, § 2, zijn ingediend en goedgekeurd bij de administratie. HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen Art. 14. Bij niet-naleving van de bepalingen van dit besluit wordt de premie vervallen verklaard en niet uitbetaald. De krachtens dit besluit toegekende onderhoudspremie mag niet worden aangewend voor enig ander oogmerk dan dat waarvoor de premie wordt verleend. Art. 15. Onderhoudswerkzaamheden aan beschermde onroerende erfgoederen die eigendom zijn van of vererfpacht zijn door de Belgische Staat of door andere federale instellingen, of aan beschermde erfgoederen waar diensten van de Belgische Staat of van andere federale instellingen zijn gevestigd, of die eigendom zijn van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, of van de openbare instellingen die onder hun beheer of onder hun toezicht staan, zijn uitgesloten uit het toepassingsgebied van dit besluit, met uitzondering van onderhoudswerkzaamheden die uitgevoerd zijn: 1° door regionale en lokale besturen; 2° door de Stichting Vlaams Erfgoed; 3° door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij; 4° aan onderwijsgebouwen die als
monument of als stads- of dorpsgezicht beschermd zijn. Art. 16. De brief waarbij de minister aan de premienemer meedeelt dat een onderhoudspremie wordt toegekend, geldt tevens als vergunning voor het uitvoeren van deze werkzaamheden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten. Art. 17. Als de onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd door gespecialiseerde opleidingscentra of instellingen die zorgen voor de opleiding of voor de tewerkstelling van werkzoekenden, komen de personeelskosten alleen in aanmerking voorzover die niet worden betaald of gesubsidieerd door een overheidsinstelling. De verantwoordelijke voor het opleidingscentrum of de instelling moet hiertoe op zijn eer een schriftelijke verklaring afleggen die bij de premieaanvraag gevoegd moet zijn. Art. 18. Bij de onderhoudswerkzaamheden kunnen andere overheidsbijdragen, met uitzondering van een restauratiepremie, worden verleend. De gezamenlijke overheidsbijdragen, met inbegrip van eventuele Europese middelen, kunnen niet meer bedragen dan het gehele bedrag van de aanvaarde kostenraming. Art. 19. Het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 1994 tot het instellen van een onderhoudspremie voor beschermde monumenten, gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2000 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002, wordt opgeheven. Art. 20. Met betrekking tot de onderhoudspremies die werden toegekend vóór de inwerkingtreding van dit besluit blijven de bepalingen van het besluit dat van toepassing was bij de toekenning van de premie van toepassing. Art. 21. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Monumenten en de Landschappen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 14 juli 2004.
De minister-president van de Vlaamse Regering, B. SOMERS De Vlaamse ministervan Binnenlandse Aangelegenheden, Jeugd, Cultuur en Ambtenarenzaken, P. VAN GREMBERGEN
Rubriek Archeologie
NIFUW BOFKDFFI VAN ARCHFOLQGIE IN VLAANDEREN Archeologie in Vlaanderen, deel VIII presenteert, traditiegetrouw, een overzicht van het archeologisch onderzoek in Vlaanderen. Dit overzicht reikt van een midden-neolithische enclosure te Spiere, over een gouden muntschat uit het Merovingische grafveld te Broechem tot aan de studie van de materiële cultuur van de bewoners van de vroeg-16de-eeuwse huizen de Valcke, de Slotele en de Lelye in Aalst. Uit de Antwerpse bodem werden een bronstijdwaterput.
B
B 1 N 1 N E N K R A N T
een ijzertijd kuil, een midden-ijzertijd nederzetting en een inheems-Romeins grafveld bestudeerd. Een site in Merelbeke illustreert dan weer de gelaagdheid van de het Vlaams bodemarchief. Zowel een bronstijdgrafheuvel als een nederzetting uit de Romeinse periode konden daar nog net hun informatie overdragen aan de archeologen. West-Vlaanderen levert naast onderzoek nabij het Romeinse castellum van Oudenburg ook een grondige historisch-geografische studie van de inrichting van het getijdenlandschap.
Publicatie
De 30 verschillende auteurs van deze negen bijdragen hebben de resultaten van het archeologisch onderzoek geconfronteerd en vervlochten met de resultaten van historisch en natuurwetenschappelijk onderzoek. Het resultaat is een wetenschappelijk correct en echt boeiend verhaal uit de bodem van Vlaanderen. Dit 8stc volume van Archeologie in Vlaanderen is het eerste dat gepubliceerd wordt door het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), de nieuwe Vlaamse wetenschappelijke instelling belast met de studie van het archeologisch, monumentaal en landschappelijk erfgoed van Vlaanderen. Dit nieuwe Instituut is een samensmelting van het voormalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) en de kenniscel van de Afdeling Monumenten en Landschappen, en resorteert onder het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
Archeologie in Vlaanderen- deel VIII kost 40 euro Besteladres: Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Phoenix gebouw, Koning Albert ll-laan 19 bus 5, 1210 Brussel. Contact: Ingrid in 't Ven: inarid.intven@lin.vlaanderen.be. tel.02.553 16 63 of Ann Seys: anne.seyscg)! in.vlaanderen.be. tel.02.553 16 56) Nadat ontvangst van uw storting wordt het boek u opgestuurd.
M&L
MRI PAHIFR i n DE A R C H I T E m i U R VAN R F i n i S r H F HOSPITALEN Het tiende MEtL Cahier rolde zopas van de persen. Het werd dan ook een bijzondere uitgave, samengesteld in een voorbeeldige samenwerking tussen de monumentendiensten van de drie gewesten en de federale overheid, bijgestaan door tientallen enthousiaste mede-auteurs uit de hospitalen zelf, het OCMW van Brussel, de verantwoordelijken van de hospitaalmusea e.a. Het onderwerp zelf was dan ook zeer boeiend: de architectuur van de Belgische hospitalen vanaf hun ontstaan in de Middeleeuwen tot en met het interbellum. Hel hele gamma van hedendaagse problematiek kan men in deze grote monumenten aan den lijve ondervinden: onderhoud en restauratie van de enorme gebouwencomplexen, zinvol gebruik en herbestemming, projecten van uitbreiding en nieuwbouw binnen een beschermde site, verbouwingen met respect voor de historische materie, museale en didactische opdrachten en zoveel meer. Het ontstaan van hospitalen gaat terug tot de 10 de -11 dc eeuw, met als
doel het opvangen van pelgrims en reizigers. Het zijn nog geen ziekenhuizen in de letterlijke betekenisvan het woord. In de 12^ eeuw stelt zich, door de opkomst van de steden en de grotere bevolkingsconcentraties, een nieuwe nood: het opvangen van zieken en andere hulpbehoevenden uit de stad en het omringende platteland. Het initiatief komt van de nieuwe sociale klasse van gegoede stadsburgers: een patriciërsfamilie in Gent, de handelaars en ambachtslieden in Hoei. In onze streken beschikken alle grote steden op het einde van de 12de eeuw over een hospitaal voor zwakken (waarmee men meestal bejaarden bedoelt), pelgrims, daklozen, reizigers en arme zieken. Voor besmettelijke ziekten zoals lepra en pest bestonden afzonderlijke instellingen buiten de stad: de leprozerieën. In de 13de eeuw komen er nog talrijke hospitalen in kleinere steden bij en worden de bestaande instellingen uitgebreid.
In middeleeuwse hospitalen hield men zich in feite meer bezig met zielenzorg dan met ziekenzorg. Het was in de eerste plaats een onderdak aan armen en zieken, die nergens anders terechtkunnen Veel medische zorgen werden er niet toegediend en het consulteren van een geneesheer was zeer zeldzaam. Veel zieken stierven in het hospitaal en daarom werd vooral aandacht besteed aan hun zielenheil. In de ziekenzalen stond een altaar en vaak werd bovendien, parallel aan de zaal en met openingen in de scheimuur, een kapel of kerk aangebouwd, zodat de zieken vanuit hun bed de diensten konden volgen. Deze eenheid is nog goed bewaard in het Brugse Sint-Janshospitaal. In de grote ruime ziekenzalen stonden de houten bedden in lange rijen opgesteld. Deze zalen waren gebouwd in het hallentype, reen bouwwijze die ook al gebruikt werd voor de infirmerieën bij de kloosters. Naast deze zalen en kapel waren er tevens voorzieningen voor de behuizing van de hospitaalzusters en -broeders, keukens, huizen voor dienstpersoneel, een hoeve voor de voedselvoorziening, bakkerij, brouwerij, opslagplaatsen en voorraadschuren.
B I N N E N K R A N T
Restauratietekening van de voorgevel van het Sint-Janshospitaal in Brugge
In de Nieuwe Tijd treedt al een zekere differentiatie op. De armen kunnen beroep doen op de parochiaal georganiseerde Heilig-Geesttafel, waar voedsel en ander goederen bedeeld worden. Krankzinnigen worden opgevangen bij particulieren zoals in Geel of in speciale instellingen zoals Sint-Jan-tenDullen in Gent, het Hospice SaintJulien in Bergen of het Simpelhuys in Brussel. Het zijn vooral de alexianen die de zorg voor geesteszieken behartigen. Arme bejaarden konden terecht in de godshuizen. Voor pelgrims en arme reizigers zijn er de passantenhuizen. Alhoewel lepra nog nauwelijks voorkomt, blijven de leprozerieën nog
bestaan. In Vlaanderen kunnen de zieken terecht in hospitalen, terwijl dezelfde instellingen in Brabant eerder gasthuizen genoemd worden. Deze hospitalen leunen nog sterk aan bij hun middeleeuwse voorgangers. Hun aanleg verschilt niet veel van de kloosters: kapel met kloosterpand en kapittelzaal, keuken en refter, infirmerie van de gasthuiszusters en het verblijf van de overste. Het gastenkwartier bevat de grote ziekenzaal of -zalen, de apotheek met kruidentuin, de linnenkamer, een wasserij en een aantal hoevegebouwen. Nieuw is dat de ziekenzaal en de kapel nu geschieden entiteiten worden, al laat een muuropening toch nog soms toe om de mis vanuit het bed te volgen. De bestaande middeleeuwse hospitalen worden meestal niet afgebroken, maar vergroot, uitgebreid en vernieuwd. De verzorging van de zieken en vooral de hygiënische omstandigheden laten nog veel te wensen over. Alleen de betalende zieken kunnen op een afzonderlijke ziekenkamer rekenen, al worden de welgestelde zieken meestal thuis verzorgd. De kloosterlingen die zich met ziekenzorg inlaten worden door Jozef II en zelfs door de Franse Revolutie vrij ongemoeid gelaten. Ze waren ook de eersten om door Napoleon vanaf 1809 opnieuw officieel erkend te worden.
Luchtgezichtvan Domme met het hospitaal op de voorgrond: deels haar oorspronkelijke functie in de zorgsector, deels museum
Oude aquarel met het middeleeuwse hospitaal van Le Roeulx, dicht bij de stadspoorten gelegen voor de opvang van de pelgrims
Vanaf de hervormingen van Jozef II rond 1780-1790 ontwikkelt het hospitaal zich stilaan tot het 'moderne' ziekenhuis: een plaats waar zieken verpleegde worden door medisch geschoold personeel in een speciaal hiervoor ontworpen gebouw. Het Oostenrijkse weldadigheidsbeleid van deze keizer-koster schoofde idee van een hópitalgeneral naar vortn: naast het eigenlijke ziekenhuis ook een materniteit, een weeshuis, een invalidenhuis, een huis voor misvormden en een zwakzinnigenhuis. Deze idee vindt maar gedeeltelijk ingang in onze gewesten en het wordt wachten op de creatie van een institutioneel kader, de laïcisering en de militarisering van het Franse Bewind. De Commissie voor Burgerlijke Godshuizen wordt vanaf nu verantwoordelijk voor de opvang van zieken, bejaarden, wezen en andere behoeftigen. Het verouderde hospitalenbestand wordt zo goed en zo kwaad als het gaat aan de nieuwe normen aangepast. Door het Franse
Interbellumhospitaal van Astenen in Deinze, met respect herbestemd als gezinswoning
1VI&L
B11M1\ENKRA1MT
voor de historische materie anderzijds zijn oplossingen mogelijk, die alleszins een boeiende uitdaging zijn voor zowel de medische wereld als de monumentenzorg. In de reeks MEtL Cahiers verschenen reeds: - Glas in lood € 25,00 - Middeleeuwse muurschilderingen in Vlaanderen € 30,00 - De Belgische Art Nouveau en Art Deco wandtegels 1880-1940 € 34,00
Dr. Guislain instituut in Gent, dat thans een museale en didactische functie heeft
regime wordt er ernstig geïnvesteerd in de uitbouw van militaire ziekenhuizen en in het verbouwen van oude kloosterpanden voor dit doel. Na het herstel van orde en rust in het Koninkrijk der Nederlanden komt er een nieuw elan: architectuurwedstrijden worden uitgeschreven en men laat zich door buitenlandse realisaties inspireren. De publicaties in 1826 van dr. Guislain uit Gent geven de aanzet tot de verzelfstandiging van de psychiatrische instellingen. Het naar hem vernoemde instituut is hiervan een interessant voorbeeld In de eerste jaren van het Belgische Koninkrijk wordt dan eindelijk het eerste ziekenhuis naar Frans ontwerp gebouwd: het nu afgebroken SintJanshospitaal van architect Partoes in 1783. De hoofdchirurg van deze instelling benadrukt de noodzakelijke onderwerping van het ziekenhuisontwerp aan de medische principes. En looft de onmiskenbare voordelen van het nieuwe paviljoenentype: isolatie, verluchting en verlichting zijn de pluspunten van deze ideale typologie Ook met cirkelvormige paviljoenen wordt geëxperimenteerd zoals in het Stuyvenberghospitaal in Antwerpen. Het interbellum opteert dankzij de bouwtechnische verbeteringen steeds meer voor hoogbouw, zoals het SintPietershospitaal en het Bordetinstituut in Brugge en het Universitair Ziekenhuis in Gent.
M&L
Dit cahier stelt het rijke erfgoed aan monumentale en historische hospitalen voor, van de 12de eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog. Het eerste gedeelte wordt traditiegetrouw gewijd aan langere bijdragen over de hospitalen in de verschillende periodes: het middeleeuwse hospitaal, de hospitalen in de nieuwe en nieuwste tijden, de militaire hospitalen, de sanatoria en de psychiatrische instellingen, om te eindigen met het interbellum. In de Gids worden een vijftigtal hospitalen uit de diverse periodes uitgebreider voorgesteld. Ook aan de hospitaalmusea en medische verzamelingen wordt even aandacht besteed, en verklarende woordenlijst en een summary in het Engels ronden het geheel af. Nog meer dan voor andere monumenten stelt zich bij hospitaalgebouwen het probleem van functieverlies en hiermee gepaard gaand de uitdaging voor een passende herbestemming. Vele konden hun specifieke zorgfunctie behouden en zijn heringericht als bejaardenhuis bijvoorbeeld, andere kregen een socioculturele functie als cultureel centrum, museum of archiefruimte. Andere hospitalen zijn dan weer niet meer aangepast aan de evolutie van de medische wetenschap en moeten heringericht of uitgebreid worden. Kwaliteitsvolle nieuwbouw kan de waarde van het oude historisch erfgoed zelfs vergroten en verrijken. Met creativiteit enerzijds en respect
- Vlaamse en Brabantse retabels in Belgische monumenten € 38,00 De Landschapsatlas € 38,00 Historische tuinen en parken Provincie Vlaams-Brabant, deel 1 € De beeldentaal van symbolen € Historische tuinen en parken Provincie Limburg, deel 1 € Historische tuinen en parken Provincie Vlaams-Brabant, deel 2 €
38,00
45,00 45,00
45,00
Auteurs van dit M8tL Cahier zijn Patrick Allegaert, Jean-Marc Basyn, Thomas Coomans, Sigrid Dehaeck, Griet Maréchal, Jaak Ockeley, Dirk van de Vijver, Robrecht van Hee e.a. Concept en vormgeving: Luc Tack. Eindredactie: Marjan Buyle en Sigrid Dehaeck. Fotografie: Oswald Pauwels, KrisVandevorst, Fabrice Dor, Guy Focant. Het Cahier verschijnt ook in het Frans onder de titel: L'architecture hospitaliére en Belgique. Te bestellen aan de prijs van € 45 bij de Afdeling Monumenten en Landschappen, Koning Albert ll-laan 19 bus 3, 1210 Brussel. Info bij Diane Torbeyns: tel. 02-553 16 13, fax 02-553 1612,
B 1 N N E N K R A N T
Bintenkrant
e ARTUATUCA Kunsterfgoed iGSTIVSl
werking met het Festival van Vlaanderen Limburg vinden verschillende concerten plaats in kastelen en historische gebouwen van Tongeren en Haspengouw, afgewisseld met kameropera en muziektheater.
Informatie en reservatie; Artuatuca Viasmarkt 4 3700 Tongeren Tel:+32 (0)12 235719 info@artuatuca.be www.artuatuca.be
Tongeren
ARTUATUCA ?nn.R Artuatuca is een Kunsterfgoedfestival, een festival dat een uniek samenspel tot stand brengt tussen de kunsten en het rijke Tongerse en Haspengouwse erfgoed. Tongeren kan immers steunen op een rijke geschiedenis die meer dan 2000 jaar teruggaat en waarvan de sporen in de stad en in het omringende landschap onmiskenbaar terug te vinden zijn. Deze merktekens, monumenten, historische gebouwen, ingrepen van de mens in het landschap stelt Artuatuca in de kijker met de medewerking van kunstenaars uit verschillende disciplines. Beeldende kunstenaars zorgen voor een permanente zichtbaarheid door middel van installaties en kunstwerken in de stad, muzikanten inspireren zich op het muzikale erfgoed van de stad, theatermakers gaan aan de slag in en met hedendaagse en historische ruimtes. Artuatuca opent tijdens het weekend van 1 tot 3 juli 2005 met een grote, gratis openluchtvoorstelling in het hartje van Tongeren en met een uniek Stadsmuzikantenfestival. De openluchtvoorstelling " Firebirds" op zaterdag 2 juli zal uitgevoerd worden door de groep Titanick uit Munster (Duitsland). Gedurende twee maanden - van 1 juli tot 28 augustus 2005 - is het werk van internationale kunstenaars in het stadsbeeld te bewonderen. In samen-
Andries Van den Aheele Voorzitter KCML
FRANS FN PIFT BAUDOUIN Gedurende vele jaren behoorden Frans Baudouin (31 januari 1920 - 1 januari 2005) en zijn broer Piet Baudouin (28 maart 1922 - 25 januari 2005), die in dezelfde maand van ons zijn heengegaan, tot de meest actieve leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Beide Mechelaars hadden tijdens hun professionele loopbaan, die zich praktisch volledig in Antwerpen afspeelde, een aanzienlijk gezag opgebouwd. Frans Baudouin zal in de herinnering
blijven als de conservator van het Rubenshuis (van 1950 tot 1981), als de drijvende kracht achter het Rubenianum en als de grote kenner van de 17de-eeuwse meesters. Piet Baudouin was de conservator van de provinciale musea van Antwerpen, meer in het bijzonder van het Zilvermuseum Sterckshof dat hij leidde van 1954 tot 1972. Beide broers publiceerden, op het domein van hun expertise, zeer gewaardeerde standaardwerken. Hun vele activiteiten verhinderden hen niet om zich met enthousiasme in te zetten voor de monumentenzorg en de bescherming van zowel het roerend als onroerend kunstbezit te behartigen. Zelden afwezig op de vergaderingen van de KCML, traden ze er bijzonder actief en gezagvol op, met een enthousiasme dat niet door de voortschrijdende jaren werd aangetast. Voor wie met hen mocht samenwerken waren ze een lichtend voorbeeld van degelijke kennis, gekoppeld aan niet versagende overtuigingen en jeugdige inzet. Het is met spijt dat men ze beiden uit de KCML zag vertrekken, toen ze de leeftijdsgrens bereikten. Tot erelid benoemd, bleven ze de activiteiten in de monumentenzorg volgen en waar ze het konden, stimuleren.
M&L
Aanvankelijk verloopt het productieproces rudimentair en is men op improvisatie aangewezen. Typerend hiervoor is dat de aardappelkelder bijvoorbeeld dienst deed als rijpingsruimte voor de eerste kazen. Het initiatief om kaas te produceren blijkt een schot in de roos, want ondanks de economische crisis van de jaren '30, die ook de landbouwsector trof, groeit de melkverwerking op de boerderij gestaag. Algauw blijkt de eigen melkwinning ontoereikend en worden melkleveranciers aangesproken. Hoewel het niet om een coöperatieve maar wel om een private onderneming gaat, kan het echtpaar Donck-Spruytte de boeren uit de omgeving overhalen om hun koemelk te leveren voor de kaas- en boterfabricage. De beschikbare ruimte op de hoeve wordt na enkele jaren te krap om aan de steeds groeiende vraag naar kaas te kunnen voldoen. In 1935 wordt overgegaan tot de bouw van een nieuw bedrijf, op een perceel grond aan de overkant van de straat, recht tegenover de hoeve. De bouw van een kaasfabriek was toen geen evidente beslissing. Melkerijen waar consumptiemelk en boter geproduceerd worden, bestaan in België vanaf de jaren 1880, maar op het vlak van de industriële kaasproductie had ons land — op enkele uitzonderingen na - geen enkele traditie (4). Kaas was hoofdzakelijk een importproduct, onder meer uit Nederland dat al een fabrieksmatige kaasproductie kende sinds de jaren 70 van de 19de eeuw (5). In ons land zal de marktgerichte en industriële kaasfabricage pas na 1940 echt op gang komen. De familie Donck-Spruytte en hun kaasbedrijf, opgestart in het begin van de jaren '30, kunnen dus als pioniers beschouwd worden voor België. In 1936 is de bouw van de nieuwe stoomzuivelfabriek onder de naam Kaas- en boterfabriek SintJozef vo\x.oo\d\ voortaan wordt de melk verwerkt met behulp van mechanisch aangedreven machines. De productie blijft groeien en de fabriek wordt het middelpunt van bedrijvigheid in de landelijke wijk 's Graventafel. Door de beperkte koelmogelijkheden op de boerderijen wordt de melk dagelijks aangevoerd met paard en kar of met de hondenkar en van langsom meer ook met de vrachtwagen of bestelwagen, zowel door toeleveraars als door melkophalers in loondienst en door zelfstandige melkophalers. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sluit de fabriek op bevel van de bezetter, om pas in 1946 haar deuren terug te openen. De stichters voorzien een groei
•4 Zicht op de voorgevel van de oude kaasmakenj en de toelevering van melk op de loskade (foto A. Salomez)
Zicht op de voorgevel van de oude kaasmakerij (foto G. Oesnoeck)
van de productie en het gebouw wordt uitgebreid met een lokaal. De voorziene groei blijft niet uit en het bedrijf barst binnen de kortste keren opnieuw uit haar voegen, waardoor noodgedwongen uitgekeken moet worden naar een andere locatie. Deze wordt gevonden in een voormalige brouwerij in de Statiestraat te Passendale. In 1948, na de uitvoering van de nodige aanpassingen, verhuist het bedrijf naar zijn nieuwe bestemming waar het anno 2004 nog steeds actiefis. De oude kaasmakerij in de 's Graventafelstraat blijft in handen van de familie Donck-Spruytte, maar wordt verhuurd aan de firma Brie-Soenen uit leper en blijft functioneren als zuivelfabriek. In 1963 wordt de kaasproductie in de 's Graventafelstraat volledig stopgezet en sluit de fabriek haar deuren, hoewel de hoeve bewoond blijft. Vanaf dit moment blijft de fabriek leeg staan en begint ze langzaam maar zeker te verkommeren.
Het duurt tot begin de jaren '90 vooraleer een nieuw hoofdstuk geschreven wordt in de geschiedenis van de oude kaasmakerij. Het besef groeit meer en meer dat het pand niet alleen een symbolische waarde heeft voor de huidige Passendaalse kaasproductie, maar ook een industrieel-archeologische waarde. Bij onder meer Robert Donck, zoon van de stichters Romain Donck en Germaine Spruytte, rijpt het idee om een museum op te richten op de plaats waar alles begon in het begin van de 20ste eeuw. In 1994 wordt het gebouw in erfpacht gegeven aan de vzw Kaas in Passendale, die de nodige stappen onderneemt om het pand van de ondergang te redden en een nieuwe bestemming te geven. In 1995 wordt het gebouw uiteindelijk beschermd als monument, met inbegrip van alle machines en werktuigen met toebehoren, "omwille van het algemeen belang gevormd door de industrieel-archeologische en architectuur-historische waarde als voorbeeld van een kleine kaasfabriek uit het interbellum ontstaan uit en gelegen naast een nabijgelegen boerderij en gehuisvest in een bedrijfsgebouw in de zakelijke stijl eigen aan de voornoemde periode' (6). Tegelijk wordt ook de omgeving van de kaasmakerij — met inbegrip van de hoeve waaruit de kaasfabriek is ontstaan, een cichoreiast en een in opdracht van de familie Donck opgerichte calvariegroep met karakteristieke beplanting — beschermd als dorpsgezicht. Het inmiddels tot De Oude Kaasmakerij omgedoopte gebouw wordt gerestaureerd en doet sindsdien dienst als museum. In een aangebouwde ruimte wordt ook nog een eetcafé en degustatiecentrum ondergebracht.
maakt gebruik van lokale materialen. Voor de hoeve te Passendale werd bijvoorbeeld baksteen uit de steenbakkerij in Zonnebeke gebruikt. Ook het kaas- en boterbedrijf in de 's Graventafelstraat is opgetrokken uit baksteen afkomstig van de steenbakkerij te Zonnebeke, maar daar houden alle gelijkenissen tussen beide gebouwen wel op.
De ontwerper: een onopgelost vraagstuk De zoektocht naar de ontwerper van de oude kaasmakerij is een moeilijk punt, vooral bij afwezigheid van schriftelijke bronnen. Een bouwaanvraag voor het kaas- en boterbedrijf is niet teruggevonden, vermoedelijk is er zelfs nooit een bouwaanvraag ingediend. Anders dan in de meeste grote steden, was een bouwvergunning op het platteland vóór 1962 veelal geen vereiste voor het optrekken van gebouwen die een 'onschadelijke bedrijvigheid' op het oog hadden (8). De aanvraag van bouwvergunningen werd in principe op gemeentelijk vlak geregeld, maar was niet aan de orde in de meeste gemeenten en Zonnebeke vormde hier geen uitzondering op. Door de afwezigheid van bouwplannen en andere iconografische of geschreven bronnen is het onmogelijk te achterhalen hoe het ontwerp van het gebouw tot stand is gekomen, wie het heeft bedacht of waarop het eventueel geïnspireerd was. Dankzij de mondelinge bronnen kon wel achterhaald worden dat de bouwopdracht toevertrouwd werd aan Jozef Deforche, een aannemer uit Passendale.
Hoewel de hoeve waar de kaasproductie begon in Passendale niet het hoofdonderwerp vormt van deze bijdrage, wordt ze voor de volledigheid toch kort getypeerd.
Tijdens de zoektocht naar de ontwerper van het gebouw werd even het spoor gevolgd van Leon Cottenie (1912-1993). Deze architect uit Melle studeerde in 1935 af aan het Sint-Lucasinstituut te Gent en was reeds heel vroeg in zijn carrière bijzonder actief in het ontwerpen van bouwwerken in de landbouwsector, meer bepaald de zuivelsector. Leon Cottenie zou zelfs als de belangrijkste ontwerper van zuivelfabrieken in het naoorlogse België beschouwd kunnen worden.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de boerderij in de 's Graventafelstraat volledig vernield en daarna heropgebouwd. Het nieuwe gebouw vormde evenwel geen exacte kopie van het initiële gebouw en werd ook niet op de vooroorlogse fundamenten opgetrokken, maar enkele tientallen meter verder (7). Zoals de meerderheid van de vernielde hoeven in de streek werd het opgetrokken in de zogenaamde 'wederopbouwstijl'. Deze stijl sluit in grote mate aan bij de regionale 19de-eeuwse hoevetypologie en
Vanaf de jaren '50 zal de architect verschillende verbouwingen ontwerpen voor de 'nieuwe' kaasmakerij in de Statiestraat te Passendale, maar een aanwijzing voor een bijdrage tot het ontwerp van de oude kaasmakerij in de 's Graventafelstraat werd niet gevonden (9). Hierdoor werd het spoor van L. Cottenie als mogelijk ontwerper van de oude kaasmakerij niet langer gevolgd; een beslissing die mee ondersteund werd door een gewezen tekenaar van de architect, L. Defeyter. Andere aanwijzingen
DF GFBQUWFN De hoeve
(archiefonderzoek, mondelinge interviews, e.a.) naar de eventuele ontwerper van de oude kaasmakerij liepen helaas allemaal op een dood spoor.
Het exterieur: in zakelijke stijl De kaasmakerij bestaat uit één enkel bouwvolume van één bouwlaag onder een plat dak en is eerder eenvoudig van bouw, geheel in lijn met de zakelijke stijl eigen aan het Interbellum. Het gebouw heeft een bijna rechthoekige vorm en bestrijkt een oppervlakte van ongeveer 330 m 2 . De voorgevel grenst in het noorden aan de 's Graventafelstraat en heeft een totale lengte van ca. 24,5 meter. Het licht inspringend middendeel van de voorgevel omvat een venster en drie deuren, een loskade en twee oculi. Verder zijn nog een venster, een keldervenster en een poort zichtbaar aan de voorgevel. De zijgevel links, in het oosten, meet iets minder dan 15 meter en telt 5 vensters en een keldervenster, terwijl de zijgevel rechts volledig blind is en iets langer is dan 15 meter. De achtergevel heeft een lengte van 22 meter en omvat 3 vensters en een deur. Bovenop het plat dak is een L-vormige lantaarn zichtbaar met kleine vensteropeningen, bekroond met een rondboognis waarin een Sint-Jozefbeeld huist. Hoewel de oude kaasmakerij geen schoolvoorbeeld is van de Nieuwe Zakelijkheid of het Nieuwe Bouwen, getuigen de vormelijke kenmerken en de gebruikte materialen toch van een invloed van de toen gangbare zakelijke bouwstijl. Het gebouw is zuiver functioneel opgevat en herinnert in geen enkel opzicht aan de traditionele stijlopvattingen, dit in tegenstelling tot de hoeve aan de overkant van de straat opgetrokken in wederopbouwstijl. Typisch voor de zakelijke architectuur uit de periode 1920-'40 is het directe verband tussen vormgeving, technische levensduur van een gebouw en de gebruiksbehoeften die eraan ten grondslag liggen (10). Het functionalisme is een stijl zonder zinloze versieringen; de vorm van het gebouw en elk onderdeel ervan worden bepaald door hun functie en veelal wordt gebouwd in dragende (beton)skeletten met platte daken. De zakelijke architectuur heeft duidelijk een belangrijke invloed ondergaan van de industriële revolutie en de daaruit volgende mechanisering, rationalisering en ver doorgedreven arbeidsverdeling. Het functionele aspect heeft duidelijk een prominente rol gespeeld in de opbouw van de oude kaasmakerij te Passendale en hoewel niet in beton-
• De oude kaas-
G Callens, illustratie
makeri|, axonometne
bewerkt door de
(restauratiedossier
auteur)
architectenburo
De voor- en achter-
(restauratiedossier
gevels van de oude
architectenburo
kaasmakerij
G. Callens)
1—|—ir
r-t n
£.
•
,
i De zijgevels van de
architectenburo
oude kaasmakerij
G. Callens)
(restauratiedossier
.O.
1n. -i-i-i
i -1
J i
TT
i -1-
,-: e ' p;! 11 i n k z
-1 z i j g e v
IVI&L
dampen tijdens het melkverwerkingsproces af te voeren. O o k het ontbreken van ornamenten vormt een belangrijk kenmerk. De enige toegift is het Sint-Jozefbeeld in een rondboognis op het platte dak, dat net als de naam van het bedrijf Kaas en boterfabriek St. Jozef rekreen naar de katholieke achtergrond van de stichters.
Het interieur: doorgedreven zakelijkheid De functionaliteit is sterk aanwezig in het interieur van de kaasmakerij. De begane grond is opgedeeld in een aantal lokalen, elk bestemd voor één specifieke fase in het bereidingsproces van kaas en boter.
Voorgevel van de oude kaasmakerij aan de 's Graventafelstraat (foto 0. Pauwels)
skeletten opgetrokken maar in massief baksteenmetselwerk, bevat de kaasmakerij veel betonnen elementen, zoals de gewelven van het platte dak, de loskade en de bovendorpels van de vensters en deuren.
De melkontvangst gebeurde vooraan het gebouw, het lokaal grenzend aan de loskade. In deze ruimte, waarvan de verhoogde vloer op gelijke hoogte komt met de loskade buiten, werd eerst de zuurtegraad van de melk bepaald, werden vervolgens de melkkruiken leeggemaakt in een ontvangstbascule, op een kruikenuitlekker gezet om de laatste druppels melk op te vangen en daarna gespoeld en ontsmet in een kruikenwasser. Tenslotte werd de melk er gewogen en werd een melkstaal genomen voor de vetbepaling. In het vertrek links van dit lokaal bevindt zich, op dezelfde vloerhoogte, het laboratorium waar de melkstalen geanalyseerd werden.
De vormgeving werd zodanig opgevat dat de aangevoerde melk zo vlot mogelijk kon gelost worden en verwerkt tot kaas of boter. Aan de voorgevel, tegen de inspringende middenpartij, werd een betonnen loskade geplaatst om het lossen en laden van melkkruiken te vergemakkelijken. Voor een vlotte afhandeling van de leveringen werden ook drie deuropeningen voorzien, die afgesloten konden worden met luiken. Het platte dak, vaak voorkomend in melkerijen opgetrokken vanaf de jaren '30, dient gezien te worden in de context van veranderende pasteurisatietechnieken, die hoge zadeldaken voortaan overbodig maakte. Tot dan toe waren hoge zadeldaken noodzakelijk voor de afvoer van de waterdamp die bij het systeem van open pasteurisatie vrij kwam. Deze werden verdrongen door de ontwikkeling van gesloten pasteurisatiemachines (10). Een lage lantaarn met kleine vensters boven het melkverwerkingslokaal, zoals merkbaar in de oude kaasmakerij, was voortaan genoeg om de sterk verminderde
IVI&L
• Grondplan van de oude kaasmakerij (tekening auteur)
L
'
'
I
'
u ,, lui.
Stookruimte
KaubcrddinEfkbul
MelkbcwrrkiHgRbkaol
-t-JT" grondplan
=n=^]
lolual
In de ontvangstruimte (links) werd de melk binnengebracht en gewogen. Vervolgens stroomde de melk naar de melkontvangstbak in tiet lager gelegen melkbewerkingslokaal (rechts) om er gestandaardiseerd te worden (foto 0. Pauwels)
Zicht op het melkbewerkmgslokaal met van links naar rechts een ontromer, een melkpasteur en een moederzuurselpasteur (foto 0. Pauwels)
1VI&L
Het kaasbereidingslokaal met kaaspersen (foto 0. Pauwels)
In het lager gelegen lokaal, achter de meikontvangst, is het centrale melkbewerkingslokaal gelegen. Hier stroomde de melk na weging in een verzamel- of ontvangstbak, waarna het van de room gescheiden werd in een mechanische ontromer. In ditzelfde lokaal gebeurde ook de pasteurisatie in een pasteurisatiemachine. De gestandaardiseerde melk stroomde dan in de wrongelbereiders in het kaasbereidingslokaal, links achter het melkbewerkingslokaal. Na het toevoegen van zuursel en stremsel en het aflaten van wei, werd de verkregen wrongelkoek in kaasvormen gedaan. Vervolgens werd de kaas geperst en naar de kelder gebracht om er te pekelen en te rijpen. Deze kelder bevindt zich onder de verhoogde vloer van de melkontvangst, het labo en het kaasbereidingslokaal en is voorzien van kleine vensters net boven de grond waartegen metalen tralies bevestigd zijn. Het deel van de room dat overbodig was voor de kaasproductie ging naar het roomlokaal, rechts achter het melkbewerkingslokaal. Hier werd de room gerijpt of verzuurd in een roomrijpingstank en vervolgens gekarnd in het boterbereidingslokaal, waar de aldus afgescheiden boter gekneed, gezouten, gevormd en verpakt werd. Het boterbereidingslokaal behoort echter niet tot de oorspronkelijke bebouwing en werd pas aangebouwd net na de Tweede Wereldoorlog. -4 De technische
een koelwaterbak.
ruimte met onder
Het koelwater
van de melk na de pasteurisatie
meer een koel-
diende onder meer
(foto 0. Pauwels)
watercompressor en
voor het koelen
De stoomketel in de stookruimte zorgde via een netwerk van
Achteraan in het gebouw, tussen het roomlokaal en het kaasbereidingslokaal, bevindt zich ook nog de technische ruimte, bestaande uit de machinekamer en de stookruimte. In de machinekamer stond onder meer een dieselmotor die via een aandrijfas en aandrijfriemen de machines van gans de kaasmakerij mechanisch aandreef. In het stooklokaal werd een op steenkool werkende stoomketel ondergebracht die via een netwerk van leidingen zorgde voor de nodige warmtetoevoer naar de verschillende machines in het bedrijf.
leidingen voor de warmtetoevoer naar verschillende machines, zoals de melkpasteur (foto 0. Pauwels)
Een kantoorruimte voor de administratie van het bedrijf was niet voorzien in het gebouw: het bediendepersoneel voerde haar activiteiten uit in een lokaal op de hoeve. Het enige bureau in de fabriek behoorde aan het labo toe. Een deel van het machinepark is bewaard gebleven en wordt nu tentoongesteld in het museum, samen met materiaal uit andere melkerijen / kaasmakerijen, om een totaalbeeld van de kaas- en boterproductie mogelijk te maken. Dit patrimonium wordt in dit artikel niet verder behandeld.
1VI&L
De oude kaasmakerij en andere zuivelbedrijven Melkerijen zijn vaak heel bescheiden qua architectuur, hoewel toch gekenmerkt door een eigen typologie en evolutie, resulterend uit de ontwikkeling van de melkverwerkingstechniek. Vergelijkingen tussen de kaasmakerij van Passendale en andere zuivelfabrieken zijn moeilijk, aangezien er weinig degelijke studies voorhanden zijn over de architecturale aspecten van zuivelfabrieken tijdens het interbellum. Aan de hand van iconografisch materiaal, een aantal websites en publicaties kunnen niettemin enkele gelijkenissen met melkerijen uit dezelfde periode ontwaard worden (12). De belangrijkste gelijkenis uit zich in een doorgedreven functionaliteit van de gebouwen. O p gebied van de uiterlijke kenmerken ziet men heel vaak de De oude melkeni loskade tegen het gebouw die het lossen en laden in Poppel van melkkruiken vergemakkelijkt, alsook het platte (Departement voor ^ v a n a f ^e jaren '30. De keuze voor dit type dak Dierlijke Producten
wijst zoals vermeld op de evolutie van pasteurisatietechnieken. Deze kenmerken vinden we terug zowel in buitenlandse bedrijven - zoals bijvoorbeeld in Friesche zuivelbedrijven - als in binnenlandse bedrijven. In eigen land kunnen we verwijzen naar de gelijkenis met de melkerij van Poppel, deze van Loo, de zuivelfabriek Sint-Jozef te Tielt en tal van andere zuivelbedrijven uit dezelfde periode (13). Een gemeenschappelijk kenmerk vormt de vloer van het lokaal voor de melkontvangst, die steeds op dezelfde hoogte gelegen is als de loskade buiten. O o k de verschillen in vloerhoogte tussen de melkontvangst en de andere lokalen en de kelders voor de kaasopslag, komen frequent voor in zuivelfabrieken. Natuurlijk verschillen de vermelde zuivelbedrijven op bepaalde punten, maar de gelijkenissen zijn frappant wanneer men hun bouwstijl vergelijkt met de zuivelbedrijven gebouwd vóór de jaren '30, meer op een hoeve lijkend. Interessant om deze stijlevolutie te volgen is de vergelijking tussen de 'oude' en de 'nieuwe' melkerij in de Pastorij straat van Poppel.
en Transformatietech nologle, Melle)
RESTAURATIE EN HERBESTFMMINfi O p een kleine uitbreiding na in 1945-1946, was de oude kaasfbriek nagenoeg ongewijzigd gebleven tot in 1995, het jaar waarin het gebouw met inbegrip van alle machinerie en toebehoren beschermd werd als monument. Door de jarenlange leegstand en in het kader van het herbestemmingproject van de kaasmakerij als museum-eetcafé, drong een restauratie zich op; ze werd toegewezen aan het architectenbureau BVBA Gallens uit Meulebeke.
De nieuwe melkerij
Dierlijke Producten
In Poppel
en Transformatietech
(Departement voor
nologie, Helle)
Het initiële gebouw De optie van de restauratie was zoveel mogelijk gericht op het behoud van het industriële karakter en de eigenheid van het initiële gebouw. Uit de diagnosenota van het architectenbureau bleek dat de funderingen van het gebouw niet aan herstel toe waren, aangezien het gebouw in zijn nieuwe functie als museum geen zwaardere belasting te verduren zou krijgen. Wel werd een waterdichte cementering tegen de wanden en vloeren van de kelderruimten aangebracht, om deze bruikbaar te maken in het nieuwe museum. De regenwaterafvoer werd volledig vernieuwd en rondom het gebouw werd een nieuw rioleringstelsel aangelegd.
M&L
Verbouwingsontwerp van de oude kaasmakeri] (restauratiedossier architectenburo G. Callers)
De buitenmuren hadden ernstige schade opgelopen omdat de bakstenen niet vorstbestendig waren. Grote muurgedeelten van het gebouw dienden bijgevolg vervangen te worden of op zijn minst gereinigd en opnieuw gevoegd. Ook de doorhangende betongewelven van het platte dak en de niet meer waterdichte dakafdichting werden grondig aangepakt door het verbeteren van de druklaag en het aanbrengen van nieuwe isolatie bovenop de bestaande dakstructuur. Het aanwezige houten schrijnwerk was totaal verweerd en werd vervangen door een houtprofilering overeenkomstig het oorspronkelijke schrijnwerk. De metalen tralies die voor sommige vensters waren bevestigd, bleven bewaard; de beglazing werd vervangen door gelaagde enkele beglazing. Binnenin het gebouw werd de oorspronklijke bevloering van gebakken-aarde tegels voorzichtig uitgebroken en na aanbrengen van een nieuwe ondergrond van gewapende betonplaat opnieuw aangelegd. Tevens werden het baksteenmetselwerk, de gewelven en de metalen profielen gereinigd of indien nodig hersteld en werden de elektriciteitsleidingen volledig vernieuwd. Aan de ruimtelijke indeling van het gebouw werd niet geraakt. Wel dienden aanpassingen te gebeuren om het pand naar zijn nieuwe bestemming als museum toe gebruiksvriendelijk te maken. Met het oog op een maximale toegankelijkheid voor mindervalide personen werden hellende vlakken aangelegd, zowel aan de binnen- als de buitenzijde, en werd ook een plateaulift geïnstalleerd ter hoogte van het verhoogde lokaal van de melkontvangst.
Een aanbouw Voor de nieuwe bestemming als museum en eetcafé werd het bestaande gebouw te klein bevonden. Dit werd opgevangen door de toevoeging van een aanbouw die plaats kon bieden voor een ontvangstruimte voor de bezoekers, een kantoorruimte voor het personeel, een polyvalente ruimte, een keuken, een projectieruimte en tenslotte ook een bergruimte en een sanitaire ruimte. Essentieel was dat de nieuwbouw geen afbreuk zou doen aan het bestaande beschermde gebouw en zijn directe omgeving. Na grondige studie werd beslist om de aanbouw te laten aansluiten met de zuidkant, met name de achterkant van het initiële gebouw, zodat het zicht op het oorspronkelijke gebouw van aan de straatkant en het ruime uitzicht op de landelijke omgeving niet verstoord zouden worden. O m het horizontale aspect van het bestaande gebouw en zijn relatie tot het omringende landschap niet in het gedrang te brengen, werd bewust gekozen voor een aanbouw bestaande uit één bouwlaag onder een plat dak. Het kenmerkende horizontalisme van het oude gebouw werd met andere woorden resoluut doorgetrokken in de aanbouw. O p vlak van de materiaalkeuze werd de aanbouw dan weer contrasterend uitgevoerd, zodat het duidelijk te onderscheiden zou zijn van het oorspronkelijke gebouw dat zijn eigen verhaal moet kunnen blijven vertellen. De nieuwbouw werd aldus bekleed met brede cederhouten planken, duidelijk verschillend van het baksteenmetselwerk van de voormalige kaasmakerij. Anderzijds benadrukt de
M&L
horizontale bevestiging van de planken opnieuw het horizontale accent van het gebouw.
rondleidingen gegeven door gidsen die de melkverwerking uit de doeken doen.
Tegen de nieuwbouw met ongeveer rechthoekig grondplan, werd verder nog een cilindervormig deel aangebouwd dat net iets hoger is en fungeert als ontvangstruimte voor de bezoekers. Deze cilinder legt een link naar de hedendaagse melkopslag in gelijkvormige silo's, zoals in de huidige kaasmakerij in de Statiestraat te Passendale. Ook de bekleding van deze cilinder, in geprepatineerd zink aangebracht in verticale banen, is een verwijzing naar de actuele silo's uit inox. Zoals de melkontvangst in een kaasmakerij het startpunt betekent voor de verdere verwerking, zo ook is deze naar een melktank verwijzende cilinder het startpunt voor een bezoek aan de erfgoedsite.
De inrichting van het museum en de aanbouw van een eetcafé doen derhalve niets af aan de leesbaarheid van de voormalige zuivelfabriek. Het contrast tussen oud en nieuw is duidelijk, zonder dat het storend werkt. Anderzijds vormt het resultaat een harmonisch geheel, ondanks deze contrasterende elementen.
O m grote groepen te kunnen ontvangen werd naast de nieuwbouw ook een ruime parking aangelegd. Nadat de restauratiewerkzaamheden werden voltooid, kon het complex in 2003 opengesteld worden voor het publiek. De bedoeling is dat de bezoeker zich een beeld kan vormen van het verwerkingsproces van melk tot kaas, zowel vroeger als nu. De oorspronkelijke machines worden opgesteld naast werktuigen die van andere kaasmakerijen afkomstig zijn, aangevuld met tekstpanelen, foto's en videomateriaal die het oude en hedendaagse productieproces verduidelijken. O p aanvraag worden
BESLUIT De oude kaasmakerij te Passendale is een interessante site voor de geschiedenis van de Belgische agro-industrie en de kaasnijverheid in het bijzonder. De bescherming als monument en de restauratie van de oude kaasmakerij omwille van de industrieel-archeologische en architectuur-historische waarde is dan ook een gepaste maatregel: de site, alle machines met werktuigen en toebehoren vormen een duidelijke schakel tussen de ambachtelijke kaasproductie op een boerderij en de volledig geïndustrialiseerde productie in de huidige kaasfabrieken. Door de bescherming van de oude kaasmakerij in de 's Graventafelstraat werd ontegensprekelijk een interessant stuk erfgoed van verval gered. Het initiatief heeft de oude kaasmakerij nieuw leven ingeblazen en verschillende perspectieven geopend.
De herbestemming van het gebouw kreeg vorm dankzij de inspanningen van de vzw Kaas in Passendale om de oude kaasmakerij te laten restaureren en er een museum in te herbergen. Naast de recreatieve en educatieve functie van het museum, leent de oude kaasmakerij zich uitstekend voor de studie van de Belgische zuivelnijverheid in zijn verscheidene aspecten. O p vlak van de industriële verwerking waren de stichters van de kaasmakerij ware
pioniers in België, vandaar ook de historische waarde van dit stuk erfgoed. Bovendien is de kaasmakerij het enige zuivelbedrijf dat beschermd is in België. De herbestemming van de kaasmakerij kan als een waar succes bestempeld worden, getuige de 25.000 bezoekers die tijdens het eerste werkjaar het museum bezochten, alsook de subsidies verkregen voor de
14 • *
Het boterbereidlngslokaal waar de room verwerkt werd tot boter (foto 0. Pauwels)
M&L
EINDNOTEN (1)
leper.Archief van het Kadaster, schets nr. 23 van het jaar 1938, Kadastrale sectie D, pereeelnummer 241.
(2)
In het kader van een lopend onderzoek naar het sociale verhaal van de oude kaastnakerij, werd een aantal interviews over de werk-en leefomstandigheden afgenomen van gewezen werknemers en werkgevers.
(3) VANLERBERGHE P., Twee eeuwen Passendaalse landbouwers 1800-19%, s.n., s.d., pp. 33-35. (4)
Eind de jaren '30 wordt slechts 2% van de melk verwerkt tot kaas. NIESTEN E., RAYMAEKERS J., SEGERS Y., Vrijwaar u van namaaksels! De Belgische zuivel in de voorbije twee eeuwen, Leuven, 2002, p. 39 en p. 55.
(5)
VAN BERS W.M.M., PIE rapportenreeks 4. Zuivel- en melkpro-
(6)
Ministerieel Besluit van 13 juni 1995 houdende bescherming van
(7)
VANLERBERGHE, P., op. cit., p. 35.
duktenindustrie, Zeist, 1994, p. 28.
monumenten, stads-en dorpgezichten.
(8)
LINTERS A., De wortels van Flanders Technology, Leuven, 1987, p. 243.
(9)
De archieven van de architect zijn amper bewaard gebleven, maar dankzij één van zijn zonen, Raf Cottenie, konden wel twee 'werkschriften' ingekeken worden. De twee handgeschreven schriften dtagen de titel' Nietgeclasseerde en geclasseerde plans'en geven een chronologisch overzicht van de ontwerpen van L. Cottenie. Beide bevatten verwijzingen naar de nieuwe kaasmakerij, maar niet naar de oude kaasmakerij.
(10) HASL1NGHUIS E. J., JANSE H., Bouwkundige termen. Leiden, 1997, p. 174 en p. 328. A
(11) NIESTEN E., RAYMAEKERS J., SEGERS Y, op. cit., p. 53.
Dieselmotor
VANKEERSBILCK J., Lactilofhet verhaal van de Tieltse melkerij,
in de technische ruimte die, via een aandrijfas en aandri|friemen, alle machines van de kaasmakenj aandreef (foto 0. Pauwels)
uitbouw van een documentatiecentrum in de site. Ook de restauratie kan als geslaagd beoordeeld worden: het gerestaureerde gebouw heeft niet geraakt aan de eigenheid van het initiële gebouw en heeft de inrichting van een interessant museum mogelijk gemaakt, samen met een eetcafé-degustatiecentrum.
in De roede van Tielt, jg. 34, nr. 1, p. 45. (12) Bijvoorbeeld de publicatie van het Nederlandse Projectbureau voor Industrieel Erfgoed; VAN BERS W.M.M. (13) Via het Departement voor Dierlijke Producten en Transformatietechnologie te Melle verkregen we een aantal foto's van Belgische kaasmakerijen en melkerijen die opgetrokken werden in dezelfde periode.
Ignace Onraet is wetenschappelijk medewerker van De Oude Kaasmakerij
VI&L
Jan Strynckx
en Jan
Meersman
DE VUURTORENS HOOG LICHT EN LAAG LICHT IN KNOKKEHEIST (HEIST) EN BRUGGE (ZEEBRUGGE),,)
• Identifkatieplaat van de Parijse lampeninstallateur, op de lantaarndeur van het Hoog Licht (foto 0. Pauwels)
Om de scheepvaart vroeg drijvende
te beveiligen
bakens (2)
werden
al
poort,
uitgelegd.
Behalve die bakens waren er de vaste
eeuwen "vierboeten"
tekens,
Oostende,
in Duinkerke,
Blankenberge
De oudste vuurtoren
en Helst (5).
in Vlaanderen
is aldus de
die door de kustbewoners
op masten in de
Vierboete
duinen werden geplaatst.
Vanaf de
Vaak wordt beweerd dat ook de torens van
eeuwen vormden kerktorens herkenningspunten
middel-
Damme,
belangrijke
voor de scheepvaart
(3).
Ten slotte waren er ook de vuurtorens
(4).
Langs onze kust stonden er in de late
middel-
Muiden
in Nieuwpoort,
Nieuw-
uit 1284 (6).
Lissewege, Oostende en Sint Anna ter als vuurtoren
Doch ten onrechte
gebruikt
(7).
werden.
waarop een rokende vuurtoren te zien is op de kust van Heist; de kaart van Vlaanderen uit 1540 van Gerard Mercator (1512-1594) met rokende vierboeten in Kales, Oostende en Heist, of de Pascaart vande Gaten van Wielingevzn Willem Blaeu (15711638), uitgegeven in 1608, met de vermelding " vierboed Heysf (11).
Rokend vuurbaken op de kaart van de Zwinstreek, Jan de
DE OUDSTE ViJÜRTDRENS IN HFIST
Nervy, ISOI, detail (verzameling Stedelijke Musea
De middeleeuwse toren
Brugge)
Reeds in 1363 stond er in Heist een vuurtoren. O p zijn kaart van 1571 situeert Pieter Pourbus het rokende vuurbaken in de duinen, even ten noordwesten van de molen A. Aan weerszijden van de toren liggen vissersschuiten op het strand. Heel waarschijnlijk stond de vuurtoren op een ouder stuk zeedijk dat ca. 1400 bedolven raakte door stuifzand. De Vierboete van Heist vormde een achterleen van de Heer van Dudzele. Het vuurbaken wees de weg voor de handelsschepen die de monding van het Zwin zochten, en voor de huiswaarts kerende Heistse vissers. De middeleeuwse vuurtoren van Heist zou een omvangrijk gebouw geweest zijn, doch meer gegevens zijn niet bekend 8). Volgens het Zeeboek (9) uit de 15de eeuw vormde de middeleeuwse vuurtoren van Heist een belangrijk baken voor de vreemde koopvaarders die vanuit het westen het Zwin naderden of in westelijke richting het Zwin verlieten. De stuurlui moesten uitkijken naar de kerktorens van Oostende, Blankenberge, Heist, Knokke en Westkapelle. Het Zeeboek benadrukte de positie van de Heistse vierboete, omdat die toren de plaats aangaf waar de schippers konden kiezen tussen 2 vaargeulen: het Heistdiep dat langs de noordzijde van Wulpen noordoostwaards leidde, of het Knokkediep dat de schepen in de westelijke arm van het Zwin bracht (10). Bijkomende gegevens uit de 16de, begin 17de eeuw, worden onder andere aangebracht door de kaart van de Zwinstreek van Jan de Hervy (1501)
M&L
De middeleeuwse toren van Heist werd tijdens de tachtigjarige oorlog (1566 (1568)-1648) vrijwel zeker verwoest, samen met het grootste deel van het Noorddorp. In 1572 kwamen plunderende watergeuzen uit Vlissingen het vissersdorp Heist verwoesten. Ook de vuurtoren moest eraan geloven (12). Uit het leenregister van 1642 blijkt dan weer dat de vierboete al vele jaren geen pachtgeld meer opbracht voor het Hof van Dudzele. De Heistse visserij was een halve eeuw voordien al totaal ten onder gegaan. De kerkmeesters besloten dan ook de stenen van de toren te verkopen, wat gebeurde van 1643 tot 1645. De grondvesten van de toren bleven in het zand steken, tot in 1647 een storm rond de voet veel zand wegblies. Toen werd ook het laatste stuk afgebroken en verkocht (13). Tot in de 19 e eeuw werd geen vuurtoren meer gebouwd (14). ledere nacht deed men een vuur branden op de top van de toren. De wachter ontstak het vuur pas wanneer de vloed rees en de schepen binnen liepen. Het vuur brandde niet langer dan tot het moment waarop de vloed weer over haar hoogtepunt heen was (15).
De vuurtorens in de 19de eeuw Pas rond 1850 werd nagenoeg op dezelfde plaats waar ooit de middeleeuwse vierboete stond, een nieuwe vuurtoren opgetrokken (16). Hoe die toren eruitzag weten we dankzij een schilderij (niet gedateerd, vermoedelijk niet vóór 1880) van Willem Delsaux (1862-1945) in het Heistse stadhuis: een cilindrische toren in de duinen nabij het Grand Hotel du Phare. In 1871-1872 werd een vuurtoren gebouwd in Knokke, "40 m ten noordoosten van het Telegraafbureel. De Vuurtoren van Knokke stond 100 m ten oosten van de Zeeweg, maar was er toch mee verbonden door middel van het reeds genoemde duinenwegjé' (17). De Zeeweg was de eerste voorloper van de huidige Lippenslaan. Het in werking stellen van deze toren van Knokke op 1 juli 1872 gaf aanleiding tot het doven van het " vaste witte licht van 4de
rang, lichtspiegelsysteem, geplaatst op een cilindrische toren in de duinen, rechts van Heist-dorp op I4m50 boven het hoogwaterpeil op breedte 51 °20'28"Noord en lengte 3014'33" Oost van Greenwich", de vuurtoren van ca 1850.
Heyst s/Mer
u Phare.
Nadat de toren van Knokke in 1908 nog een nieuw draailicht kreeg (18), werd er in 1928 een inlichtingenbureau voor toeristen ingericht. In 1952 werd hij ten slotte afgebroken (19). De vuurtoren van Heist werd dus kort na het in werking stellen van deze van Knokke gesloopt. Het had immers geen zin twee vuurtorens zo dicht bij elkaar te onderhouden. Wel werd in Heist een mast aangebracht, met een vast groen licht van 6de orde, dat " havenlichf of " visserslicht" genoemd werd. Dat licht diende om de vissersschuiten toe te laten 's nachts veilig de haven te bereiken. Het bevond zich 1 l m boven het hoogwaterpeil. De mast waarop het licht bevestigd was, stond op de zeedijk ten oosten, nabij het Kursaal, N.Br. 51°20'29" en O.L. 3 0 l 4 ' 3 3 " . Het licht verlichtte naar het noorden een boog van 240°, van west 240° zuid tot oost 7° zuid. Het reikte 5 a 6 mijl ver.
A
Het Laag Licht
De jaarboeken van het Zeewezen geven aan dat er D
'
interbellum
rond 1900 nog steeds twee lichttorenwachters (prentbriefkaart, waren aangesteld om de visserslichten te doven en verzameling D. Maly) te ontsteken (20).
DF HÜIDIGF VUURTQRFNS
Heysl s/Mer
t_e Nouveau Phare.
De verslagen van de Maatschappij van de Brugse Zeevaartinrichtingen N V (MBZ) vermelden op 30 september 1904 dat "Le Conseilprend connaissance •* des projets de construction des feux supérieur et infé•
j
i
n
J
-7
J
n
• /
.
• - l
outle
g
Postkaart'
neur de la rasse du Zand. Les projets seront soumis a M. le Ministre des Finances et des Travaux Publics, avec demande d'imputer la dépense sur le fonds d'entretienr O p 3 november van hetzelfde jaar volgt dat "Le Conseil approuve le nouveau plan des expropriations a faire a Heyst pour l'éclairage de la Passé du Zand. Leprojet sera soumis, auxftns d'approbation, h I'administration des Ponts et Chaussées." Bij ministerieel besluit van 15 april 1905 werd het plan goedgekeurd van de grondinnemingen op het grondgebied van Heist, voor de plaatsing van de richtingvuren van de geul van het Zand(21). Schepen zouden nochtans pas veilig door die veeleer smalle geul varen, die bovendien schuin ten opzichte van de vloedstroom liep, als er bakens geplaatst werden. In 1907 werd daarom door de aannemersgroep Coiseau-Cousin opdracht gegeven aan de gebroeders Grondel uit Gent om een nieuwe, betonnen vuurtoren op te richten (22). De haven werd plechtig geopend door Leopold II op 23 juli 1907, al voer het eerste schip al op 9 maart 1904 via de havendam en de zeesluis richting Brugge. In 1934 vermeldt de Lichtenlijst van de
M&L
DE EERSTE BETONCONSTRUCTIES (25) "Over het algemeen wordt de Parijse tuinman en bloemenkweker Joseph Monier (1823-1906) vermeld als de uitvinder van het gewapend beton. Zijn bedoeling was bakken voor bloemen en planten te maken die duurzamer waren dan die van hout, en lichter dan de toenmalige cementen bakken. Hij trachtte dat te bereiken door een netwerk van dunne ijzeren staven in de cementwand aan te brengen. In 1867 nam hij zijn eerste patent in Frankrijk, waarop nog een groot aantal andere volgden voor reservoirs, vloeren, balken met rechte en gebogen lengteas, balken in verbinding met vloeren, enz. In 1880 verwierven de gebroeders Picha de Monier een concessie voor België. Ze stelden hun eerste realisaties tentoon op de nijverheidstentoonstellingen van Antwerpen (1885) en Brussel (1887). Die laatste werd bezocht door de aannemer F. Hennebique. In 1883-'84 ontwierp Hennebique al tegels in gewapend beton met ronde wapening voor de Madoux-villa in Lombardsijde (vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog). In 1892 nam hij zijn eerste patent op een bouwmethode in gewapend beton, gebaseerd op een systeem van geribde draagvloeren, waarbij elke rib versterkt werd door een ijzeren stang om de trekspanning op te nemen. Die trekstang werd aan de uiteinden in de draagmuren verankerd. Door die constructie werd een monolithisch geheel verkregen tussen vloer, dragers en kolommen. Het was een eerste stap die tot de algemene toepassing van beton zou leiden, dankzij de ijverige propaganda en barnumreclame van Hennebique. Zijn eerste werf was gevestigd aan de Ninoofse Steenweg in Brussel. In 1894 opende hij een bureau in Parijs, dat in 1896 zijn hoofdbureau zou worden. Hennebique slaagde erin om zijn systeem over de hele wereld te verspreiden, via een keten van concessiehouders. Deze steunden op het centrale ontwerpbureau van Hennebique in Parijs, dat de ontwerpen en berekeningen maakte en dat aanwijzingen voor de uitvoering gaf. In die zin is Hennebique ook de uitvinder van het 'studiebureau. Zijn eerste concessiehouder in België was de firma L. De Waele in Gent. In 1892 werkte de firma Hennebique maar twaalf opdrachten uit in België, in 1900 bijna 300 voor een totale waarde van bijna 1 miljoen frank.
del, ingenieurs van opleiding, hadden zich in Gent op het terrein van het gewapend beton gestort. Zij construeerden ondermeer de betonnen vuurtoren van Heist, met zijn opvallende Jugendstil (1907). Het is duidelijk dat in Gent een hevige concurrentiestrijd woedde! In België en in de meeste andere landen bleef gewapend beton vóór 1920 een relatief zeldzaam materiaal. Toch werden een aantal opvallende realisaties in verschillende bouwsystemen geïnventariseerd, los van de al vermelde, zoals de watertank van Middelkerke (de 'Dronken Put', ontworpen door ingenieur Vierendeel, 1897), tal van constructies en de funderingen van de pier van Zeebrugge (einde 19de eeuw1907), de Koninklijke stapelhuizen in Antwerpen (ontwerp van Bolsée en Hargot, 1901-1906), de maalderij Stevens & Decostere in Overijse (1902), de stapelhuizen van de Oostendse haven (1906), het pakhuis 'Vlaanderen aan de Waalse Kaai in Antwerpen (1908), de 'Sanitary Underwear Company in Zottegem (ingenieur de Puyseleere, 1909), de watertorens van Hasselt (1911). " Zoals vermeld in bovenstaand artikel zijn de kaaimuren van Zeebrugge wellicht oudere betonconstructies dan het Hoog licht. Ook de vuurtoren op de strekdam zou weleens ouder kunnen zijn. Die toren werd echter zowel tijdens de Eerste als de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd. Oude postkaarten uit de verzameling van dir.-ir. Denis Maly (MBZ) tonen dat ook de oude watertoren van Zeebrugge een betonconstructie was met dezelfde art nouveau-detailleringen rond bijvoorbeeld de ramen en deuren. Een werfbord op de foto van de nog in aanbouw zijnde watertoren vermeldt: "Travaux en Ciment ArméGrondel Frëres Ingenieurs" (26) Wanneer die toren gebouwd werd is niet bekend. •4 De watertoren in Zeebrugge. gebouwd door de firma Gebroeders Grondel, begin 20ste eeuw
In 1900 waren een twaalftal aannemers geregistreerd die werken in gewapend beton uitvoerden, met in totaal 130 arbeiders. In 1908 waren er in de sector 300 mensen tewerkgesteld. Begin deze eeuw namen de Gentse gebroeders D'Havé een van andere systemen onafhankelijk patent op een bouwsysteem van ter plaatse gestort gewapend beton, waarin pogingen totprefabricatie verwerkt zaten. Ze bouwden bijvoorbeeld café 'de Hemel' op de hoek van de Bernardstraat en de Muinkkaai in Gent (1905). Ook de gebroeders Gron-
(prcntbnefkaart, verzameling D. Maly)
• Het Laag Licht
met daartussen de
en het Hoog Licht
moderne lichtbaken
op één lijn
(foto 0. Pauwels)
(lichtlijn nr 136),
Belgische Kust. "In een lagerliggende weide, nevens den steenweg op Heist werd in 1907 een nieuw gebouwde vuurtoren in werking gesteld' (23). Het Hoog en Laag Licht werden opgetrokken ten behoeve van de schepen die de Zeebrugse haven aandeden. De schepen die de haven binnenvoeren moesten dit baken, dat officieel het Hoog Licht heette, in loodrechte lijn houden met het Laag Licht op de Zeedijk. Ze hadden een andere functie dan de middeleeuwse en 19 c -eeuwse vuurtorens in Heist en Knokke en werden meer westwaarts ingeplant. Vóór de kust van Heist bevond zich inderdaad een diepe geul, de Appelzak. De zandbank die de Appelzak van de volgende diepe geul scheidde, heette Binnenpaardemarkt. Aan de westkant ervan is er een laagte in het plateau dat de naam Zand droeg. Het was in die laagte dat er een vaargeul gegraven werd, die toen al de naam Pas van het Zand kreeg (24). Het waren dus de gebroeders Grondel, Gentse ingenieurs, die het Hoog Licht ontwierpen. Of zij de ontwerpers van het Laag Licht zijn is niet bekend.
Opstand en verticale doorsnede van het Hoog Licht.
Het middenstuk van het Hoog Licht is cilindrisch, en versmalt naar boven toe. De hoekige kop en voet zijn met rode en witte baksteenornamenten versierd. De toren is 34 m hoog, de trap telt 132 treden. Hij had een hoogte boven de zeespiegel van 30.50 m, tegen 14.40 m voor het Laag Licht. Beide lichten in lijn gaven de richting 136°, d.w.z. de aslijn van de Pas van het Zand. De afstand tussen beide lichten is ongeveer 300 m (27). Oorspronkelijk werkten de lichten op gas (28), later op elektriciteit. Het lichtwerk werd uitgevoerd door de Industrielle Boraineuit Quiévrain, Belgisch vertegenwoordiger van de gespecialiseerde firma Barbier, Benard enTurenne uit Parijs (29) (30). Het HoogLichthnd één witte sector die zichtbaar was op een afstand van 12.1 zeemijl. De witte sector van het Laag Licht droeg 9.2 zeemijl ver. Beide lichten werden gedoofd tijdens de twee Wereldoorlogen. In de periode 1919-1920 werden ze opnieuw ont-
Originele bouwaanvraag van 1905 (HBZ)
M&L
Wapenmgsplan ïan öcKcmvoOL ti»; C a i v n o X u t i ;
(vtinio=i)UAjc dLcixlopjitv
de torenschacht van het Hoog Licht. Originele bouwaan-
^ o i 4 . | i c CtH
vraag van 1905, detail
-•il»
(MHZ)
stoken, evenals in 1946. De oorlogsschade bleef beperkt; enkel het elektrisch gedeelte moest na de Tweede Wereldoorlog volledig worden vernieuwd (31). Na de overstromingen veroorzaakt door de storm van 1953 werd er naast het Laag Licht een betonnen muur opgetrokken en kwam de vuurtoren ongeveer 1.70 meter in het zand te zitten. Het Groot Licht bevindt zich op het grondgebied Knokke-Heist, terwijl het Klein Licht sïnds de laatste grenswijziging op Brugs grondgebied staat (32). Bij koninklijk besluit van 8 september 1981 werd het Hoog Licht als monument beschermd. De bescherming van het Laag Licht vcXgAz in 1984.
olcucLlton oLa (SeJ^ffi. :
ootLDco^ciivoat. o;oJ
In september 1976 sloot de Belgische regering een raamcontract af met de aannemersgroep Tijdelijke vereniging Zeebouw-Zeezand, voor de studie en de uitvoering van de havenuitbreiding in Zeebrugge. Uitbouwlengte en algemene vorm van de nieuwe voorhaven werden goedgekeurd op 9 augustus 1980. Een aangepaste bebakening zou er - naast het vereiste verdiepingsbaggerwerk — voor zorgen dat in 1986 aan alle nautische voorwaarden werd voldaan voor een veilige vaart. Zodoende omvatte de vaargeul niet alleen de Pas van het Zand maar ook het Ribzand, om zo aan te sluiten op de diepere pas Het Scheur (33). Eén en ander had als gevolg dat de oude lichtlijn van 136° werd gedoofd en een nieuwe lichtlijn werd ontstoken (34). Dat betekende officieel het einde van de oude haven.
DE DIAGNOSE Het Hoog Licht Van het Hoog Licht zijn naast enkele oude foto's ook de originele beton-, wapenings- en detailplannen van het houten en stalen schrijnwerk teruggevonden in de archieven van M B Z (35), maar een •4
De voet van het Hoog Licht. Originele bouwaanvraag van 1905
M&L
bestek is er niet. Bovendien ontbreekt op de tekeningen de lantaarn bovenaan, waarvan geen enkel document is teruggevonden. Uit de vergelijking van deze documenten met de bestaande toestand bleek dat het Hoog Licht nagenoeg nog in zijn originele, zij het gehavende staat verkeerde. De problemen werden door de Monumentenwacht West-Vlaanderen vzw opgesomd in een inspectierapport van 6 oktober 1999 (36). De draagstructuur van de toren is volledig opgetrokken uit gewapend beton, rond gewapend (37). De buitenstructuur bleek grotendeels goed bewaard gebleven, maar binnenin was een groot deel van het beton gehavend. O p veel plaatsen, vooral rond de raamopeningen, vloer, trap en trapwand, waren delen van het beton verdwenen en lag het wapeningsstaal bloot. De toren zat helemaal onder de duivenmest. Aan de buitenzijde zaten grote delen van de afwerkingslaag van het beton los of waren verdwenen. Vooral de lekdrempels en andere uitstekende stukken in sierbeton boven aan de wachterskamer en op het dak waren in slechte staat. Het betonoppervlak bleek sterk vervuild. Het oppervlak onder de korfbogen van het gelijkvloers gaf wel een vaag vermoeden over de oorspronkelijke kleur.
De metselwerkpanelen in geglazuurde baksteen (op de begane grond) en in niet geglazuurde baksteen (aan de wachterstoren) waren niet meer te recupereren. O p de voordeur na waren alle originele ramen, zowel in hout als in staal, nog aanwezig. Het staal was meestal doorgeroest en het hout verweerd. Ook de balustrade op de wandeling was grotendeels doorgeroest en ooit ondeskundig aangepast én verhoogd. De binnenbalustrade van de trap was verroest maar herstelbaar. De stalen luiken naar de kelderverdieping en naar de wachterskamer waren ook nog allemaal aanwezig maar door roest danig gezwollen. De lantaarn was op de koperen koepel na voor het grootste stuk doorgeroest. Bij de ontmanteling
De balustrade van het Hoog ücht vóór restauratie (Didier Vannicuwenburg)
• De voet van het
(Dnesen-Hcersman-
Hoog Licht
Thomaes architecten)
vóór restauratie
Detail van de voet van de balustrade van het Hoog Licht, dat model stond voor de reconstructie (Didier Vannleuwenburg)
De lantaarn van het Hoog Licht, toestand na demontage (Didier
'
Vannieuwenburg)
I
• Het Laag Licht
de mantel
ti|dens de
(Didier
restauratie van
Vannieuwenburg)
De vuurtoren staat op een mote en is tot aan de Elisabethlaan met een bakstenen voetpad verbonden met het Laag Licht. Beide zijn verzakt. De toren staat op paalfunderingen (38).
Het Laag Licht
Schadebeeld van de
venakkmg van de w e r d de degeneratie n o g vergroot. O p d a t o g e n b l i k mote van het Hoog w e r d o o k vastgesteld d a t de koepel, die overigens in Licht, gefundeerd verrassend goede staat verkeerde, o p e e n paar plaat(Dricsen-Heenmu- s e n d o o r kogelgaten was doorboord, waardoor Thomaes architecten) regenwater zich in de onderrand had kunnen ophopen. De lantaarn was rechtstreeks bevestigd op de betonnen dakplaat met aanzienlijke waterinfiltratie tot gevolg. In het verleden was geprobeerd hieraan te verhelpen door het dak- en lantaarnoppervlak te bitumeren. Ook het raamwerk van de lantaarn verkeerde in zeer slechte staat en sommige delen ontbraken, vooral ingevolge roestvorming en uitzetting van het staal.
M&L
In tegenstelling tot het Hoog Licht is van het Laag Licht, behalve enkele oude foto's, geen enkel document teruggevonden. De foto's bewijzen dat de houten wandeling rondom de lantaarn niet oorspronkelijk is en dat het terrein, zoals reeds vermeld, rond de vuurtoren gevoelig opgehoogd werd. De bouwfysische problemen werden door de Monumentenwacht West-Vlaanderen vzw op een rij gezet in een inspectierapport van 6 oktober 1999 (39). Het Laag Licht was in tegenstelling tot het Hoog Licht en tot wat vaak ten onrechte beweerd wordt, niet uitgevoerd in beton maar in metselwerk en aan de binnen- en buitenkant gecementeerd. Bij het onderzoek naar de oorspronkelijke kleur bleek dat de buitenwand vroeger al eens met rood-witte banden was overschilderd.
van twee bijna tot tegen elkaar schuivende of vaste luiken (42). Ingevolge verregaande roestvorming was een valabele reconstructie van de oorspronkelijke toestand onmogelijk.
DF RFSTAURATIF De restauratieoptie Het inspectierapport van de Monumentenwacht voorzag in een gedeelte instandhouding en een gedeelte duurzaam onderhoud. Van bij het begin werd geopteerd om de vuurtorens grondig te restaureren, zodat een duurzaam onderhoud mogelijk wordt en vooral blijft. Beide staan immers in een extreem slechte klimatologische omgeving. In het restauratiebestek werd derhalve een clausule voorzien waarin de aannemer ten gunste van de eigenaar een verzekering moet afsluiten die de goede uitvoering van de werken garandeert voor de eerstkomende tien jaar. (Drlcsen-MeersmanThomaes architecten)
De bakstenen toegangstrap, de twee bijhotende keermuren, de deur onderaan de trap, die toegang gaf tot de toren en de overkapping in stalen traanplaat zijn niet origineel. Er is geen enkel document teruggevonden waarop de originele toegangsdeur tot het Z^zg-Zic/tf duidelijk afgebeeld staat (40). De toren had een interne staalstructuur, die ogenschijnlijk los stond van het metselwerk: een structuur die naar boven toe wat vernauwde en hoofdzakelijk bestond uit gekoppelde L-profielen 50/50/5. Tijdens de werken bleek dat die staalstructuur onderaan dermate was doorgeroest dat ze onder het gewicht van de lantaarn verwrongen was geraakt. Daardoor kwam het volle gewicht op het metselwerk te staan, dat -na demontage van de houten wandeling zichtbaar- bleek af te brokkelen. De houten tussenvloer en muurplaten vertoonden een begin van inrotting. De vloer van de wandeling aan buitenzijde was al ingerot. Deze bleek net als de balustrade niet origineel, want achthoekig (41). De oorspronkelijke houtsoort is bijgevolg onbekend. De lantaarn vertoonde dezelfde problemen als deze van het Hoog Licht. Aan de windwijzer ontbrak de letter E van het Franse "Esf (Oost). De windwijzer zat omgekeerd in de standaard. Aan het raam was onderaan en aan één kant een vaag spoor te vinden dat wees op de aanwezigheid van een soort vizier
Beide vuurtorens, de mote van het Hoog Licht en de voetgangersweg tussen de torens zijn als monument beschermd en liggen stedenbouwkundig in een natuurgebied. Ondanks het aandringen van de Monumentenwacht om de mote rond de toren en de bakstenen voetweg in hun oorspronkelijke staat te herstellen, werd geopteerd om die restauratie uit te stellen en te integreren in een eventueel later op te maken natuurinrichtingsplan. De werftoegangsweg, aangelegd in samenspraak met A R O H M , AMINAL, Afdeling Natuur, is ten gevolge van een latere beslissing blijven liggen. De waterdoorgang van het ene deel van het terrein naar het andere werd gewaarborgd.
Het Hoog Licht Met een fotospectrometer van Datacolor International, type Micro flash, werden de oorspronkelijke kleuren van de cementering en het metaal- en houtschrijnwerk teruggevonden en opnieuw toegepast. Vooraf werd in samenspraak met de Afdeling Monumenten en Landschappen de beslissing genomen om het metaalschrijnwerk uit te voeren in roestvrijstaal type AISI 316 Ti. De keuze werd ingegeven door het feit dat beide torens in een zeeklimaat staan en dat een restauratie met korte tussenpozen niet evident is. Daarom werd ook beslist tot een gemoffelde afwerking.
LOCATIE
KLEUR
Het Hoog Licht, na restauratie.
Buitenmantel Hoog Licht
NCS code S 2020 Y l OR
Buitenmantel Laag Licht
NCS code 4845 (eerste editie)
de voetweg tussen
Stalen skelet Laag Licht
Stralen SA 2 Vi Grondlaag epoxy zink 70p Tussenlaag epoxy ijzerglimmer 80|i Eindlaag polyurethaan 70 p - RAL 7012
(foto 0. Pauwels)
Houten kaders rond inox ramen Hoog Licht
Primer S2u (Sigma) Ral 7031 Tussenlaag S2u Nes S 6040 G60 Y Eindlaag S2U RAL 7012
Toegangsdeur, houten ramen gelijkvloers en kelder
Primer S2U RAL 7031 Tussenlaag S2U NCS S3050 G 10 Y Eindlaag S2U NCS S 3050 G 10 Y
Trapleuning, balustrades, en trapluiken Hoog Licht
Sigmacover primer kleur groen Eindlaag Sigmacover CM Miocoat kleur CM9553-05 bij de ijzerglimmers is RALkleur onmogelijk. De kleur is iets donkerder dan RAL 9007
Buitenmantel beide lantaarns, leuningen en siersmeedwerk toegangsdeur
Stralen SA 2 V2 Grondlaag WASH PRIMER 2K THERMISOL 15p Tussenlaag EPOXY 2K PRIMER GEEL 3 x 25n Eindlaag ACREAL 2K FINISH 4 x 60 p - ral 7012
Verder werd het schrijnwerk uitgevoerd volgens de oorspronkelijke detailplannen, inclusief draai- en sluitwerk. De ramen werden alleen verbeterd op het vlak van waterinsijpeiing aan de dorpel, ook al kan niet volledig uitgesloten worden dat bij storm toch nog water binnensijpelt. De lantaarn werd gereconstrueerd, met inbegrip van alle onderdelen en met behoud van de intacte krukken, afdekkingskappen van de verluchting, identificatieplaten van de maker en het vanwege de kogelgaten licht herstelde dak in koper. Het klinken met inox klinknagels bleek na een paar proeven onmogelijk. Door de te grote druk die moest worden gezet bij het indrijven, trok het staal krom en vervormde. O p de klinknagels werd bijgevolg draad getrokken om ze op die manier vast te zetten. De lantaarn werd iets hoger op een lat geplaatst op het dakoppervlak en van een loden slab voorzien om waterinfiltratie tegen te gaan. De afwerking is niet gemoffeld, omdat het geheel voor de oven te groot en te zwaar bleek. Omdat onderdelen van de trapluiken vast waren ingebetonneerd en samen met andere stukken (handvatten e.a.) niet konden worden uitgevoerd in roestvrij staal, werd geopteerd voor gemetalli-
Op de voorgrond beide torens
De deur van het lampenhuis en de gaanderij van het Hoog Licht na restauratie (foto 0. Pauwels)
1w
^\^
1
"l
::1 — ^
*
o
0
o
0
o
0
,
1
^T
K '
j
•tü.
1 1
r
k *
irf
^"^^H ^Bk
^H
Het wachterslokaal van het Hoog Licht, met hersteld sierparement (foto 0. Pauwels)
seerd staal. De kelderluiken werden niet teruggeplaatst, omdat een deel ervan toch niet open kon. O m didactische redenen werden ze opgesteld in de kelderverdieping. De balustrade was al om veiligheidsredenen verhoogd. Die verhoging werd vernieuwd, maar in dezelfde stijl als de oorspronkelijke balustrade. Het is immers de bedoeling de torens open te stellen voor bezoek, waardoor de veiligheid primeert. Alle siersmeedwerk, zoals de balustrade en het smeedwerk voor de ramen van de toegangsdeur, werd waar het kon uitgelaserd op het oude model. Alle beglazing werd omwille van de verwachtte bezoekers en ter bescherming tegen vandalisme uitgevoerd in veiligheidsglas. Het sierparement werd uiteindelijk volledig vervangen. Bij de ontmanteling bleken de stenen meer beschadigd dan oorspronkelijk te zien was. Geglazuurde stenen van hetzelfde formaat, die beantwoorden aan de huidige normen, werden nog gevonden bij de BV Sint-Joris, Keramische Industrie, in het Nederlandse Beesel. In overleg met de aannemer werd voor de reiniging van de betonoppervlakken een behandelwijze per soort opgemaakt, na voorafgaande proeven. Er
werd gereinigd met kwartszand van Mol, type M 3 1 . De straalafstand en de -hoek werden aangepast aan het soort oppervlak om een gelijkvormige reiniging te verkrijgen waar deze zichtbaar bleven, bijvoorbeeld aan de natuurstenen plint. Er werd steeds in een draaiende beweging gestraald om geen lijnaftekening te krijgen. Na het stralen werden alle oppervlakken met water onder hoge druk afgespoeld. Alle losse stukken werden verwijderd en het staal werd ontroest. Door de zeer broze betonsamenstelling werd er meer losgemaakt dan oorspronkelijk voorzien was: vooral de dunne platen zoals bordessen, aan- en optreden van de trap, het dakschild en de kleine ornamenten. Waar nodig (wegens dooren weggeroest) werd een identieke wapening als de originele teruggeplaatst, comform de oorspronkelijke wapeningsplannen. Het dakschild met zijn draagbalken werd opnieuw gegoten. De ornamenten en de kolommen tussen de ramen werden, na modelleren op het oorspronkelijke stuk, geprefabriceerd teruggeplaatst. Idem voor een aantal niet meer te repareren raamlijsten. In alles werd de oorspronkelijke bewapening gerespecteerd. Alle betonstaal werd eerst behandeld met een vloeibare hecht- en beschermingslaag bestaande uit drie componenten, cementgebonden en verbeterd door toevoeging van epoxyhars Sikatop armatec 110 Epocem. De hechtings- en beschermingsmortel op alle ondergronden is één componente cementgebonden be-
pleistering, die verbeterd werd door toevoeging van kunstharsen en silicafume SIKA MonoTop 610. De herstelmortel is een monocomponente hydraulische mortel, die verstevigd werd door vezels en verbeterd door toevoeging van kunststofharsen en silica fume Sika MonoTop 612. O p trappen waar na het verwijderen van het losse beton alleen nog de wapening overbleef, werd een gietmortel Sikagrout 212 gebruikt (cement, kwartszand en hulpstoffen). De cementering op het binnenmetselwerk van het wachterslokaal werd uitgevoerd met een grondlaag in minerale mortel Knauf VP330, en een afwerkingslaag met een minerale droge mortel die voldoet aan Din 18550 mortelgroep P III (speciegroep
P.m.b3) De cementering van de vloer geschiedde met rijnzand-cementmortel, met toeslag van een waterige dispersie van kunsthars en reactieve minerale hulpstoffen Sikacem 810. Verdere interventies beoogden een duurzame conservering: - Een beschermingslaag tegen het zeeklimaat, met een impregnatievloeistof als corrosie-inhibitor voor betonwapeningen Sika FerroGard 903. Tijdens de uitvoering werd beslist die bescherming ook binnen toe te passen op de volledige trap, op de kolommen en rond de ramen, omdat gebleken was dat het betonstaal meer was aangetast door roest dan aanvankelijk kon worden waargenomen.
Voorbehandeling met Madurox Bi-activ, een curatief en preventief houtbeschermingsmiddel, solventgebaseerd tegen insecten en schimmels. Drie lagen Sigmalife VS, een impregnerende transparante edelbeits op basis van alkydhars. Vier lagen Sigma Linspar Yachtlak, een luchtdrogende blanke lak op basis van houtolie-fenolal-
• De kop van het Hoog Licht na restauratie (Didier ïanmeuwenburg)
kydhars.
Het Laag Licht De houtsoort van het oorspronkelijke timmerwerk was niet meer te achterhalen. O p de oudste foto's is te zien dat de wandeling rond van vorm was en niet veelhoekig, wat opnieuw aldus werd uitgevoerd. Als houtsoort werd geopteerd voor Pitch Pine, een materiaal dat traditioneel gebruikt werd in maritieme omgeving. Het kostte nogal wat moeite de gewenste stukken te vinden, omdat het land van herkomst (Honduras) een protectionistische politiek volgt, vooral de eigen zagerijen werk wil verschaffen geven en dus geen stammen meer uitvoert. - Een flexibele micromortel voor de bescherming van betonnen kunstwerken: een met kunsthars verbeterde mortel, voorgedoseerd in 2 componenten: één uit hars en één uit een mengsel van cement en speciale toeslagstoffen SikaTop 107. - Een primerlaag voor dakafwerking: een tweecomponentige solventvrije epoxy polymeer Sikafloor 156die gebruikt wordt als universele hechtprimer en als vulhars voor egalisatie van betonvloeren. - Een waterdichte begaanbare polyurethaanbekleding voor het dak: Sikafloor 400 N elastic, een vloeibaar product op PU basis, 1 componentig, gepigmenteerd en solventhoudend voor vloerbekleding, gebruiksklaar en polymeriserend in contact met lucht. - Een grondlaag voor de buitenwanden: Sikagard 551 S, een solvent gedragen primer als hechtingsproduct voor betonoppervlakken. - Een eindlaag in kleur: Sikagard 550 Welastic, een ééncomponentige rubberachtige dispersie op basis van een watergedragen acrylhars.
Het Laag Licht. na restauratie
De houten ramen en de toegangsdeur in witte Amerikaanse eik werden geverfd zoals vermeld. O p de toegangsdeur werd om veiligheidsredenen een cilinderslot geplaatst en een in het antiquariaat gevonden art nouveau-deurtrekker. De binnenbekleding van de lantaarn werd uitgevoerd -zoals oorspronkelijk voorzien- in witte Ame-
(foto 0. Pauwels) rikaanse eik en afgewerkt als volgt:
De afwerking bestond uit een voorbehandeling met Madurox Bi-activ, 3 lagen Sigmalife VS en 2 lagen Sigmalife DS. De wanden werden op dezelfde wijze uitgevoerd als het metselwerk in het wachterslokaal van het Hoog Licht. O m d a t na het zandstralen van de buitenmantel de vorige cementlaag niet op alle plaatsen verwijderd was, werd eerst een egalisatielaag aangebracht met KnaufSM 700 (KA 911), een veredelde en waterafstotende droge mortel die voldoet aan de Din 18550 en valt onder de mortelgroep P II. De vloer werd volledig opnieuw gegoten om het regenwater, dat via de trap kan binnendringen, naar
SLÜI
Het lampenhim van het Laag Licht, na restauratie (foto 0. Pauwels)
buiten te leiden én om het staalskelet goed pas te kunnen verankeren. De dichting van de lantaarn werd uitgevoerd in banden lood die tussen de voegen van de vloerplanken werden omgeplooid. O p de rest van de vloer van de wandeling werd geen dichting aangebracht, zodat de balken er zichtbaar blijven en het water er weg kan tussen de open voegen. Het skelet werd volledig gereconstrueerd. De lantaarn werd om stabiliteitsredenen hieraan bevestigd, in plaats van aan de timmerconstructie. Gezien de wandeling en balustrade in de loop der tijden werden vervangen, is niet geweten hoe het geheel er oorspronkelijk uitzag. De constructie werd geklonken met klinknagels en de kruisverbindingen werden ter plaatse gebout. De lamparmatuur werd in haar oorspronkelijke staat hersteld, maar -om de scheepvaart tijdens demonstraties niet te hinderen- met een zwakke lamp. Voor beide torens werd de elektrische bediening behouden. Het Hoog Licht had immers aanvankelijk een bediening met gas. De gasflessen -die nog niet leeg waren- en de leidingen werden echter om didactische en cultuurhistorische redenen hersteld en zonder gasvulling teruggeplaatst. Verder werden de verlichting en de volledige elektrische uitrusting aangepast aan het AREI.
De twee vuurtorens waren oorspronkelijk eigendom van de Belgische staat en werden bij de federalisering overgedragen aan de Maatschappij van de Brugse Zeevaartinrichtingen N V (MBZ). Sinds 1996 valt het beheer onder de administratie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, Afdeling Waterwegen-Kust. O p de restauratie van de vuurtorens werd via het gemeentebestuur van Knokke-Heist bij de bevoegde diensten herhaaldelijk aangedrongen door de vzw Heemkundig Museum Sincfala voor Polder en Visserij, met het voorstel om regelmatig geleide bezoeken voor het publiek te organiseren. De werken werden uitgevoerd in nauw samenwerkingsverband met J. De Schepper en H. De Vuyst voor de Afdeling Monumenten en Landschappen, Ing. I. Sys voor de Afdeling Gebouwen West-Vlaanderen, de aannemers en meer bepaald D. Van Nieuwenburgh en A. Kimps, en ondergetekende ontwerpers. Het is dan ook onze grote bekommernis dat bij latere natuur- of andere inrichtingsplannen, ook de beschermde mote en voetweg volgens de regels van de kunst zouden worden gerestaureerd en dat de vuurtorens verder goed zouden worden beheerd.
EINDNOTEN (1)
Deze tekst is wat het historisch gedeelte betreft voornamelijk gebaseerd op COORNAERT M., Heist en de Eiesluis: de gesehiedenis, de topografie & toponimie van Heist met een studie over de Eiesluis, Boekdeel II, Lannoo, 1976, aangevuld met BONTE J., Gidsencursus 1989 - 1990; Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, 27ste jaargang, okt./nov./dec. 1989, nr.4, p. 125; DECORT J.J., De vuurtorens in Knokke-Heist, in Gidsenkromek, 1998; een gesprek
met dir.-ir. Denis Maly van de Maatschappij van de Brugse Zee-
(23) Belgische Visscherij Almanak, Lichtenlijst van de Belgische Kust,
vaartinrichtingen NV, en kaartenmateriaal in het heemkundig
1934. Het gaat hier om het "feu supérieur" of" Hoog Licht", posi-
museum Sincfala, Pannenstraat 140, te Knokke-Heist.
tie: 5r20.050'N3 o 13.050'E. Het "feu inférieur" o( "Laag Licht" staat aan de zeedijk, positie: 5r20.400' N 3013.700' E.
(2) Al in 1425 lag er een bakenboot (boot waarop een vuur werd gemaakt) voor anker in Nieuwpoort.
(24) DECORT J.J., op.cit.
(3) Zo waren vanaf de middeleeuwen de kerktorens van Oostende,
(25) Deze tekst werd overgenomen uit LINTERS A., De wortels van
Blankenberge, Heist, Knokke en Westkapelle onmisbare oriënta-
Flanders Technology. Industrieel erfgoed. Industriële archeologie in
tiepunten voor de schippers aan de Vlaamse Oostkust.
Vlaanderen, Kritak, Leuven, 1987.
(4) DECORT J.J., op.cit.. De "Pharos" nabij Alexandrië in Egypte
(26) In enkele bronnen worden ze ook Grendel genoemd.
(gebouwd tussen 299 en 279 v. Christus) werd bij de zeven
Van de vermelde betonconstructies werden beschermd als monu-
wereldwonderen gerekend. Ook de Romeinen bouwden vuur-
ment: de havendam van 1904-'05 (Musoir met vuurtoren) in
torens. Zo is bij het kasteel van Dover (Groot-Brittannië) nog
Brugge (Zeebrugge)(10 juni 1999); de Dronkenput in Middel-
steeds de Romeinse vuurtoren te zien.
kerke (10 juni 2002); de Vuurmolen (Meunerie Stevens en Decoster) in Overijse (16 oktober 1980); de Koninklijke Stapelhuizen
(5) "Boete" betekent volgens de Laroussr. kouter, van het germaanse
in Oostende (22 september 1981); de fabriek Sanitary Underwear
botan: mettre, placer. Op 12 juni 1407 werd een schip vóór Blan-
in Zottegem (3 januari 1995).
kenberge door Engelsen aangevallen. Ze plunderden het vaartuig en > boutirent Ie feu . Volgens VERWIJS E. & VERDAM J.,
(27) DECORT J.J., op.cit.
Middelnederlandsch Woordenboek, M. Nijhoff, 's Gravenhage, (28) Bij de restauratie bleek er, tot ieders consternatie, nog gas in de 1885-1929, reprint Flandria Nostra, Zedelgem, 1990-1993,
flessen te zitten.
betekent" vuur boten" betekent vuur ontsteken. Zie COORNAERT
(29) DECORT J.J., op.cit.
M., op.cit., p. 458, noot 374.
(30) Cfr. de naamcartouches op beide metalen lantaarns.
(6) Sinds de Eerste Wereldoorlog blijven daar alleen nog de funderin-
(31) DECORT J.J., op.cit.
gen van over. De toren werd beschermd als monument bij minis-
(32) Wet van 21 decembet 1990.
terieel besluit van 31 maart 2001.
(33) DECORT J.J., waarin ook de redenen voor en technische informatie over de nieuwe lichtlijn kan worden gevonden.
(7) VERMEERSCH V. e.a., Brugge en de zee: van Bryggia tot Zee-
(34) Bericht aan Zeevarenden, nr.l 1 van 26 mei 1983.
brugge, Mercatorfonds, 1982, p. 56. (8) COORNAERT M., op.cit., p. 400-401 nr. 374 (kaart) en p. 457,
(35) De plannen vermelden op de cartouche als bouwheer de Compa-
Rekening Eie 1363-'64: " VIERBOTE: " te Heys, bewesten der vier-
gnie des Installations Mantimes de Bruges, en voor de ontwerper:
boten".
«Dresséparl'ingénieursoussigné, Bruxelles, Ie3Juin 1905, /"(of S?) Christophe».
(9) Zeeboekcn waren volgens BONTE J., op.cit., een soort handleiding met in acht te nemen reglementen en veiligheidsvoorschrif-
(36) Algemeen nummer W-50403/I999. Inspectienummer 154/99 -
ten voor de zeevaart.
Provinciaal nummer: 99/25/20.2/403.
(10) BONTE J., op.cit.
(37) Voor die tijd vooruitstrevend.
(11) De kaart hangt in één van de lokalen van het huidige MBZ-
(38) Zie de oorspronkelijke plannen.
gebouw in Zeebrugge.
(39) Algemeen nummer W-08/50404/I999. Inspectienummet 155/99 Provinciaal nummer: 99/08/20.2/404.
(12) DECORT J.J., op.cit.
(40) Een foto waarop kunstschildet Jean Brusselmans het Laag Licht
(13) BONTE J.J., op.cit.
staat te schilderen toont een keermuur, naar schatting tot halfweg
(14) COORNAERT M., op.cit., noot 375: "Den duyn genaemt de c
viergeboten, jeghens deprochie van Heysi' (1780). In de 18 eeuw
de hoogte van deze van de toegangsdeur van de toren. De foto is
was de bevolking de Vierbote vergeten. Vandaar de volkse vervor-
niet gedateerd. Pogingen om het schilderij - mogelijks met date-
ming tot" vier geboden". Noch op de kaart van Hondius uit 1662,
ring - op te sporen, zijn tot op heden mislukt. De foto staat in de
noch op enige bekende kaatt uit de 18de eeuw is een vuurtoren
catalogus van de retrospectieve tentoonstelling Jean Brusselmans in Brugge, 1980, p. 115. Brusselmans zou rond 1910een tijdlang
te zien.
aan de kust verbleven hebben.
(15) BONTE J., op.cit. (16) COORNAERT M., op.cit., p. 272.
(41) Op de oude postkaart en op de foto van de schilderende Brussel-
(17) COORNAERT, Knokke en Het Zwin, de geschiedenis, de topografie
mans is de wandeling rond.
en de toponimie van Knokke met studie over de Zwindelta, Boekdeel(42) Oude prentbriefkaart. I, Lannoo.Tielt, 1974, p. 191 (18)D'HONDTA., Gids van het andere Knokke, ?. 194.
Strynckx, Architektenburo Jan Strynckx BVBA Jan Meersman, Driesen-Meersman - Thomaes architecten
(19) D'HONDT A., Dagklapper, deel II, Hoe het groeide en bloeide, Jan p. 289. (20) BONTE J., op.cit. (21) Belgisch Staatsbladen 5 mei 1905. (22) DECORT J.J., op.cit.
Frank
Philippart
DE DUITSE COMMAINDOPOST IN HET PARK DEN BRANDT IN ANTWERPEN
Eén van de twee commandobunkers type SKI (foto 0. Pauwels)
Wie door het park Den Brandt wandelt
in
Antwerpen
zal niet weinig verbaasd zijn
te ontdekken
tussen de struiken
wandeldreven.
Wie herinnert
banken
langsheen
zich immers
dat hier, op ruim 100 km van de kust, de Tweede Wereldoorlog van de kustverdediging de roemruchte gen vermoeden schuilgaan Wilrijkse
van de Duitse
Atlantikwall?
tijdens
onder de heuveltjes Plein, nabij het
Wat is hier 60 jaar geleden
weini-
bunkers
op het
Bouwcentrum. gebeurd?
lag
bezetter:
Ook zullen
dat nog meer Duitse
de nog
één van de centra
HET ONTSTAAN VAN DE ATLANTIKWALL Op 10 mei 1940 viel Duitsland de Lage Landen binnen. Met tankdivisies en gemotoriseerde troepen raasden de invalstrappen door België en Frankrijk en bereikten zij, in geen tijd, op 20 mei de kust bij Noyelles-sur-Mer aan de monding van de Somme. Het 250.000 manschappen tellende British Expedition Force (BEF), het gros van het Franse leger en de resterende Belgische troepen waren omsingeld. Met de briljante Operatie Dynamo konden een 215.131 Britten en 123.095 Fransen vooralsnog worden geëvacueerd.
Na de wapenstilstand met Frankrijk in juni 1940, bezette Duitsland de gehele Atlantische kust van de Noordkaap tot aan de Pyreneeën. Nadat de Britten het Duitse vredesvoorstel hadden verworpen bereidde Duitsland zich voor op de invasie van GrootBrittannië met de operatie Seelöwe. Deze zou plaats vinden op het smalste deel van het Kanaal, tussen Ramsgate en Btighton. Aan de Pas-de-Calais werden de eerste zware batterijen geplaatst als artilleriesteun.
deel van een bunkerlinie is de geringe trefkans, gezien de bunkers verspreid liggen over een uitgestrekt gebied. De talrijke individuele bunkers moesten een vijandelijke aanval opdelen in kleine fragmenten, zodat de aanvalskracht gehalveerd werd en de vijand tijd verspilde met het optuimen van de afzonderlijke weerstandsnesten. Terwijl hij daarmee bezig was, diende een tegenaanval de aanvaller uit te schakelen.
O p het einde van de zomet, toen de Duitse luchtmacht de Slag om Engeland bleek te hebben verloren, werd operatie Seelöwe afgelast. Tijdens de zomer van 1941 viel Duitsland Rusland binnen onder de naam operatie Barbarossa, wat in december daaropvolgend toch niet zo een succesverhaal bleek te zullen worden. Ondertussen hadden aan de andete kant de Britten commando-raids op de kust ingezet en waren ook de Verenigde Staten in de oorlog betrokken geraakt ingevolge de Japanse aanval van 7 december op Pearl Harbor. Gradueel werd de dreiging van een tweede front heel wat realistischer, reden waarom het oppercommando van de Wehrmacht nog dezelfde maand besliste een vaste kustverdediging uit te bouwen: het gebrek aan ervaren troepen moest worden opgevangen door permanente verdedigingswerken, wat resulteerde in het plan van een ketting van steunpunten.
De Atlantikwall gingslinies, elk onderscheidt er commandosites ten.
De gebeurtenissen leidden ook tot een vetandering in de Duitse denkwijze. Daar waar men eerst in termen van kustbeschetming dacht, werd nu gestadig overgegaan tot een echte kustverdediging. Dit betekende dat de matine, die tot dan toe had ingestaan voor de kustartilleriestellingen, nauwer moest gaan samenwerken met het landleget dat nu - buiten zijn landtroepen - ook over dit soort artillerie beschikte. Het leidde tot groeiende meningsverschillen en onduidelijkheden bij de hogere staven, zodat Hitler in maart 1942 de eerste definitieve richtlijnen opstelde voor de verdediging van de Atlantische kusten. Daarin werd ondermeer gesteld dat de gehele kustverdediging van Frankrijk, België en Nederland onder het bevel zou komen te staan van de Oberbefehlshaber West (OBW), met name generaal-veldmaarschalk Gerd von Rundstedt.
bestond uit verschillende verdedimet eigen karakteristieken. Men gevechtsposten, kantonnement- en en passieve verdedigingselemen-
DF BÜNKFRS O m het gigantische project van de Atlantikwall te verwezenlijken op een zo kort mogelijke tijd, moest systematisch te werk worden gegaan. Vrijwel elke bunker was van een welbepaald type: mitrailleurbunker, commandopost, enz. Van elk type bestond er een standaardbouwplan: een Regelbau. Dit behelsde niet enkel een tekening, maar ook een opgave van de materialen en de manuren die nodig waren voor de constructie. Elk ontwerp kreeg een nummer, zoals Regelbau 630 voor een mitrailleurbunker. Nu nog worden Duitse bunkersites met hun toenmalig nummer aangeduid. De wanddikte van de bunker vormt een ander onderscheid. Bunkers met muren van 2 m dik of méér in gewapend beton vormden de ruggengraat van de Atlantikwall en beschermden de belangrijkste uitrusting en wapens. Zij werden onder andere gerealiseerd door de vestingspioniers (Festungspioniere). Dit type van constructies werd Standige Ausbau (St) genoemd. In deze bunkers vonden de troepen bescherming tegen bombardementen. Bunkers met wanden die dunner dan 2 m waren, werden tot de categotie van de Verstarktfeldmafiiger Ausbau (Vf) of versterkte veldconstructie gerekend. In tegenstelling tot de 5f-bunkers dienden de bezettingstroepen deze bunkers zelf te bouwen. De wanden moesten niet noodzakelijk van gewapend beton zijn. Deze dunwandige bunkers kregen de benamingen Splittersicher of scherfzeker en Schufi« c / w of schotzeker, afhankelijk van de wanddikte.
DF ATLANTIKWALL De Eerste Wereldoorlog had een nieuwe vorm van fortificatie gegenereerd: de bunkerlinie. Het voor-
Heel veel bunkers zijn nochtans geen standaardconstructie {Regelbati). In de eerste oorlogsjaren 1940-'4l was het gebruik van type-nummers im-
mers nog niet bij elke tak van de Wehrmacht van toepassing. Daarbij komt nog dat er ook heel wat bunkers gebouwd werden zonder plan. Deze bunkers vormden de speciale constructies, de Sonderkonstrukdonen of 5^5.
HOF FUNCTIONNFFRDE DE ATLANTIKWALL? O m een linie van verschillende duizenden kilometers te verdedigen was er een zeer goede organisatiestructuur nodig. Deze bestond erin de verdediging te bundelen in kernen. De grootte en de belangrijkheid van het te verdedigen gebied bepaalden het type van weerstandskern. De kleinste van enige betekenis was het Wiederstandsnest (WN) of weerstandsnest. Twee of méér gecombineerde weerstandsnesten vormden een Stützpunkt (Stp) of steunpunt. Vanaf 1942 werd de benaming ook gebruikt voor alle locaties die belangrijk genoeg waren om te verdedigen, zoals batterijen en havens. Gecombineerde Steunpunten vormden een Stützpunkt Gruppe (StpGr) of steunpuntgroep en een Verteidigunsbereich (VB) of verdedigingsbereik. De steunpuntgroep was voorbehouden voor de minder belangrijke havens, zoals Oostende. Het verdedigingsbereik was de hoogste graad van verdedigingsstructuur en bleef voorbehouden voor belangrijke gebieden zoals grote havens en L'-.Söör bunkers. O m de dieptestructuur te begrijpen moet voor ogen worden gehouden dat de Duitse bezetter van het standpunt uitging dat een bedreiging vanuit zee zou komen. De eerste linie vormde een passieve verdediging, met mijnenvelden en talloze hindernissen die op de hoogwaterlijn van de stranden opgesteld stonden. Allen hadden als functie landingsvaartuigen en tanks te vernietigen of te hinderen. Voorbij de hoogwaterlijn treft men soms nog een betonnen anti-tankmuur aan. Deze hindernissen en de stranden lagen onder het vuur van diverse wapens. O p de eerste duinenrij stonden de flankeringskazematten die in de lengte van het strand vuurden om tanks, voertuigen en manschappen in de flank te treffen. Deze geschutsbunkers waren bewapend met kanonnen of mitrailleurs. Heel veel wapens werden nochtans opgesteld in open lucht: mitrailleurs, mortieren en tankkoepels in Tobruks, niet meer dan een betonnen mangat met kleine munitiekamer en kanonnen op open beddingen.
O p locaties die heel belangrijk waren zoals havens, duikbootbasissen en strategische plaatsen werden er bunkers met stalen koepels gebouwd voor twee mitrailleurs of voor een 5 cm mortier. In enkele zeldzame gevallen werden er zelfs bunkers voor een 10.5 cm howitser in een koepel gebouwd. O p dezelfde hoogte lagen de kustbatterijen van de marine en het landleger en de observatieposten voor artillerie en infanterie. In tegenstelling tot het flankeringsgeschut vuurden de kanonnen van de kustbatterijen recht naar zee. Deze batterijen hadden naast hun hoofdbewapening ook nog een secundaire bewapening, bestaande uit een aantal lichte kanonnen, mortieren, mitrailleurs en luchtdoelkanonnen bestemd voor zelfverdediging. Net achter de linie van gevechtsbunkers lagen de manschappen- en munitiebunkers. O p 2 a 5 km van de kust stonden de veldbatterijen opgesteld die de stranden dienden te dekken. Tussen deze linies schuilden radarstations van de Luftwaffe of de Kriegsmarine. In het binnenland stonden de commandobunkers en de verpleeg- en hospitaalbunkers. Met andere woorden: hoe hoger de legerleiding, des te meer verwijderd de commandopost lag. Zo komt men bij Antwerpen terecht.
ANTWERPEN Het sterkste leger van generaal-veldmaarschalk Gerd von Rundstedt was het 15 e Leger (AOK) dat gelegen was in het gebied België, Pas-de-Calais en Haute-Normandie. Initieel bestond dat leger uit drie legerkorpsen (AK), later uit vier. Eén van die korpsen was het LXXXIXL dat in Antwerpen zijn hoofdkwartier had. Het korps bestond uit drie infanteriedivisies die geacht werden een deel van de kust te verdedigen. Vanaf mei 1942 werden de kustsectoren in zogenaamde KVA's ingedeeld, naar Küstenverteidigungsabschnitt of kustverdedigingssectoren. Zeeland was KVA Al, de regio van Breskens tot Wenduine KVA A2 en de regio tot aan de Franse grens KVA A3. In het binnenland lag er doorgaans nog een reserve divisie. O p 31 juli 1942 werd beslist het hoofdkwartier van het LXXXIXC Korps te vestigen in het Nachtegalenpark te Antwerpen. Voor de commandovoering werden in het park Den Brandt twee grote commandobunkers van het type SKI gebouwd. De bunker die thans het Atlantikwa/l-musenm huisvest van Bunkerarcheo vzw, was de bevelvoeringsbunker
Silueringsplan van
topografische kaart
de bunkers in Park
1/10.000
Den Brandt en op
(1991-2001). NGI,
het Wllri|kse Plein
raster, kleur
(Digitale versie van
(OC GIS-Vlaanderen)
Wandtekenmg
Kampfraum
van het park Den
van een SKI
Brandt met de
(foto auteur)
bunkers in de
{Führungsbunker) waarin de operationele staf was ondergebracht. De andere SKI was bestemd voor de ondersteunende staven van de leiding van het legerkorps. Na 6 juni 1943 werden er nog verschillende bunkers en andere constructies bijgebouwd, onder andere vijf lichte manschappenbunkers type 52a en één verpleegpostbunker type 57a. Het Wilrijkse plein vormde het communicatiecentrum van het hoofdkwartier met een transmissiebunker type 618 en twee manschappenbunkers type 622. Van hieruit werden de telefoon-, radio- en telexverbindingen onderhouden met de ondergeschikte eenheden of met de hogere commando's. De belangrijkste commandovoerder van het LXXXIXC Korps was Generaal-der-Infanterie Werner von un zu Gilsa, die op 1 juli 1943 het bevel kreeg over het korps. Veldmaarschalk Erwin Rommel in eigen persoon bezocht tijdens zijn inspectietochten langs de Atlantikwall tot tweemaal toe het hoofdkwartier in Den Brandt, op 3 januari en 27 maart 1944.
De Duitse staf ontruimde Den Brandt op 29 augustus 1944, onder de dreiging van de oprukkende Britten en Canadezen. Na het vertrek van Von und zu Gilsa werd Den Brandt een vooruitgeschoven commandopost voor de versterkingen die vanuit Nederland aanrukten om een verdedigingslinie tussen Antwerpen en Brussel op te zetten. Aangezien Antwerpen op 4 september bevrijd werd, is hier niets meer van terechtgekomen.
1. Gasschleuse 2. Eingangsvertetdigung / Nahverteidigung 14. Vermittlung 18. Melderaum 19 Funkoffizier 22. Lufterraum 58. W C / A b o r t 119. Raum furAggregat 120. la. I.Generalstabsoffizier 120. Ie. 3. Generalstabsoffizier 122 Scabsoffizier 123. Kartestelle 124. Waschraum
FFN VIRTUFLE TQCHT DOOR HET PARK Aan weerszijden van de ingang van het park Den Brandt, aan de Acacialaan, staan de twee grote SKI bunkers. In SKI is thans het Atlantikwall museum van Bunkerarcheo vzw gevestigd. Het zijn bunkers in Stdndige Ausbau (St) met wanden van 2 m dikte. Gezien de grootte van de bunkers tellen zij drie ingangen. In één ingang van beide bunkers staan nog de bunkernummers: Antwerpen 01 287 SKI. Antwerpen 01 verwijst naar het nummer van het steunpunt [Stp); 287 is het volgnummer van de bunker (de tweede SKI heeft nummer 288); SKI duidt het type van Regelbau aan. De bunker wordt betreden via een chicane die verdedigd wordt met een schietgat. Hier treft men de zware tweeledige pantserdeuren aan, type 434P01. Vooraleer men de eigenlijke vertrekken van de bunker betreedt, diende een gasdeur type 19P7 heel de bunker hermetisch af te sluiten in geval van een gasaanval. O p de muur staat nog " Türzuf' geschilderd. Binnenin omvat de bunker een centrale gang, aan weerskanten waarvan zich de bureaus van de diverse organen bevinden. De kamer tussen de twee ingangen is deze van de generaal. De ingangen worden verdedigd via voormeld schietgat, vanuit de sanitaire lokalen, wc en wasplaats. Opmerkelijk is dat de stalen schuifdeuren nog op hun plaats hangen, sommige nog met de functie van het lokaal afleesbaar.
125. Raum fur General
Grondplan van een
De tweede SKI is identiek, maar met een geschilderde kaart in de Kampfraum en een swastika met signatuur. Van de schilder? Haaks op de ingang ligt de Paardendreef. Hier staan de zes andere Verstdrkt Feldmafiige (Vf) bunkers die na 6 juni 1943 gebouwd werden, alle met een wanddikte van 1 m.
commandobunker type SKI (WMF -Simon Stcvlnstichting)
Rechts ziet men een Sanitdtsunterstand 57a, een lazaretbunker. Hij telt twee kamers en de hoeken van de gang zijn afgevlakt om er beter met een draagbaar binnen te kunnen. Aan de beide ingangen werd een halfronde bakstenen scherfmuur gebouwd. Aan de overzijde van de Paardendreef staat een 52a. Dit type bunker kon voor verschillende doeleinden -manschappen of opslag- aangewend worden. De
• Het plan van 'Bunkerdorp' in Park Den Brandt (WMF-Simon Stevinstichting)
Aan de uiteinden van de centrale gang liggen de technische lokalen, enerzijds de transmissielokalen en anderzijds de kaartenkamer, filterkamer en machinekamer. De SKI was uitgerust met een dieselmotor om zichzelf te voorzien van electriciteit. Boven het deurgat van de lokalen staat hun functie geschilderd: Maschinenraum en Kampfraum. Vanaf hier komt men bij de derde ingang. Hier is ook een schietgat ter verdediging van de ingang.
1VI&L
• De machinekamer met de dieselmotor voor het opwekken
T De sprekende tekst 'Kampfraum*
van electriciteit
voor het lokaal
(foto 0. Pauwels)
van de mgangsverdediging (foto 0. Pauwels)
De centrale gang
originele schuif-
van de comman-
deuren
dobunker met de
(foto auteur)
• De filterkamer
Kampf raum
met de verschillende filters voor de luchtzuivering (foto 0. Pauwels)
Kein Lkht bei geöffneter Scharte.
• Het schietgat van de ingangsverdediging van de
Kampfmm
(foto 0. Pauwels)
•4 De verpleegbunker
type 57a (foto 0. Pauwels)
bunker heeft een gang waarop rwee lokalen uitkomen. Hij verschilt van de andere 52a's doordat hij in verzonken positie werd gebouwd. Een trap leidt naar de gang met de twee lokalen. Ook deze en beide vorige bunkers worden beheerd door Bunkerarcheo Antwerpen vzw. Nog vier andere bunkers 52a, waarvan één ook in verzonken positie, liggen aan de andere kant van de Paardendreef. Het zijn gelijkvloerse modellen die aan de achterzijde werden aangeaard, alle met een bakstenen scherfmuur, of wat er van overblijft. Eén exemplaar vertoont een aanbouw met nog onbekende functie.
HET WILRIJKSE PLEIN Dit oefenterrein met voetbalvelden wordt begrensd door de Vogelzanglaan en de G. Le Grellelaan. Tussen de clublokalen staat een type 618: een communicatiebunker voor de staf. De bunker is heden dichtgemetst. Aan de andere kant van de voetbalvelden staan twee types 622 die achteraan werden aangeaard. Het betreft manschapsbunkers voor twee groepen. Beide zijn nog min of meer toegankelijk. O p de buitenmuur is nog het cementen patchwork zichtbaar, bedoeld als camouflage. Bij één bunker werd een bakstenen gebouwtje aangebouwd.
IVI&L
herbestemming heeft gekregen, sinds de SKI in 1999 in gebruik is genomen als Atlantikwall museum. De bezoekcijfers van 2000 (2000 personen) tonen aan dat het publiek de weg naar het complex gevonden heeft. Het park Den Brandt tenslotte, is reeds beschermd als landschap, waarbij de bunkers hieraan een historische meerwaarde toevoegen.
TOT BESLUIT Deze site in Antwerpen is een aardige aanvulling van de andere bunkersites die reeds beschermd werden aan de kust. Gelukkig is men op tijd begonnen aan de bescherming van het erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog aan de kust, want door de opmars van appartementsgebouwen was het vijf voor twaalf geworden. Hopelijk gaat zich deze tendens verderzetten in ander bunker- en fortenrijke regio's zoals Luik en het gebied Koningshooikt-Waver. De manschappenbunker type 52a
met kkin. aanbouw D F B E S C H E R M I N G
LITERATUUR
(foto 0. Pauwels)
Voor de bescherming van het ensemble gevormd door de bunkers in park Den Brandt en deze op het Wilrijkse Plein, werden vier reeksen argumenten aangevoerd, te beginnen met de bunkers afzonderlijk. Een korpshoofdkwartier brengt immers onvermijdelijk specifieke bouwwerken met zich mee. Hier betreft het vier uitzonderlijk bunkers. Vooreerst de twee enorme SKfs, naast twee exemplaren van hetzelfde type in Frankrijk en twee in Nederland de enige die ooit gebouwd werden. De lazaretbunker 57a vervolgens, een zeldzaamheid omdat men voor dit doel meestal een 5ï-bunker bouwde en tot op heden het enige gekende exemplaar. De transmissiebunker type 618 tenslotte, een communicatiebunker die uitsluitend voorkomt bij hoofdkwartieren van divisies of korpsen en waarvan nog slechts 5 exemplaren resten, in Antwerpen, Diksmuide, Middelburg (NL), Tourcoing (FR) en Silkeborg (DK). Als geheel beschouwd, is het zelden voorgekomen dat een korpshoofdkwartier dermate sterk werd uitgebouwd als in Antwerpen. Daarbij komt nog dat andere bunkerdorpen deels of volledig ten prooi gevallen zijn aan stadsuitbreidingen. Het korpshoofdkwartier in Antwerpen vormt dan ook het enige nog intacte ensemble van de Atlantikwall. Pluspunt en derde argument is dat het complex een
M&L
PHILIPPART E, PEETERS en VAN GEETRUYEN, De Atlantikwall, van Willemstad tot de Somme, Lannoo, Tielt, 2004
NOOT Voor het Atlantikwall museum: Pierre Koreman, voorzitter Bunkerarcheo Antwerpen vzw, 0032 (0)3 218 66 10
Frank Philippart is bestuurslid van de Simon Stevinstichting en voornamelijk gespecialiseerd in de Atlantikwall en de Maginot Linie. De Simon Stevinstichting houdt zich bezig met de studie en instandhouding van oude buiten militair gebruik gestelde bouwwerken, gaande van aarden wallen, bakstenen en betonnen forten tot bunkerlinies.
SUMIVIARY New destinations for industrial heritage / V V ^ ^ ^ There are some thousand monuments in Flanders which have been protected because of their industrial-archaeological value. The nature and scale of these monuments are very heterogeneous. The thing they have in common is that they all were once a place of industrial or trade activity. Typical for the building history of these sites is often a dynamic growth. Processes like "redestination" and "innovation" are inherent to dynamic industrial sites. Within monument care there is a growing tendency to link subsidizing to socially relevant new destinations. This is precisely one of the main goals for monument care within the Flemish government and the management project for Monuments & Landscapes. Redestination implies that a balance needs to be found between the preservation of the present
The Rodenbach brewery's history goes back to 1821 -1822 when
heritage values and the new destination. Within industrial
Alexander acquired an existing brewery. Between 1864 and 1872
archaeology it is crucial that the "functional readability" is pre-
a completely new brewery was built/constructed next to the
served. These are more specifically the traces of the original use
existing buildings. In 1878 the surface of this complex was some
which allow the visitor to interact with the functional past of
7.300 square meters and the company employed 20 workers and
the site. These are the step stones into the past. The text refers
clerks. The old brewing hall dates from this period, just like the
to a dozen industrial sites which have recently been given a new
old fetmentation cellars, parts of the former malt-house and the
destination or where the works are still being carried out.
oldest parts of the lager cellars, since 1998 all listed as protected
Besides the photographic material, a short overview of each
monuments.
site's building history and the main problems faced during the
At its peak, the brewery employed 180 workers and clerks, and
restoration or the redestination, Furthermore a number of mi-
had an annual production of 180.000 hi, almost exclusively dark
cro-economische en macro economische factors are mentioned
ale. Nowadays the Rodenbach brewery is part of Palm Breweries
which are crucial for the success of a redestination project on a
from Steenhuffel.
heritage site. Why does a revaluation of one site is launched at a
The installation of a new visitors' centte fitted in with the sttate-
certain time, whereas for a comparable site it doesn't? These fac-
gic marketing concept. It was installed in the lager cellar from
tors are divided into two categories: micro- and macro-econom-
1886. In order to do this, one of the two rows of tuns was dis-
ical factors, each illustrated with a number of examples. Finally,
mantled. The new elements are clearly recognizable with walls
the authors conclude that the chances of success cannot be
covered with copper and aluminium exterior framework. The
measured by counting all possible factors. Experience and in-
oast and the remaining facade from the malt-house from 1864
tuition are equally important when assessing the risks of a
had already been restored in 1986. With the recent restoration
project for redestination. Furthermore, the quest for a new des-
wotks on the former heating place, only the built in Mahy-steam
tination sometimes takes a lot of time: often more than
boiler, which in the late 20th century was equipped with gas
15 years have been needed in order to find a new destination for
burners, was partly preserved and restored. Above the heating
a protected building. "Let's not lose hope in our quest for
installation is the panoramic tower, where the different phases of
socially relevant new destinations."
development are shown on 3 scale models. The former bottling plant, covering a surface of almost 5.000 m 2 was completely cleared on three levels. For these premises the brewery is looking
The Rodenbach Brewery in Roeselare
for a cultural use. More or less half of the old brewing hall and fermentation cellars have been preserved in their actual condition as valuable industrial heritage. For the other half, seen the complex structure of
Unlike in many other countries, where most of the breweries
the building, they are looking for small-scale projects.
switched over to low fermentation beer in the 20th century, a
The lager cellars itself have hardly been changed. When neces-
number of Belgian regional kinds of high fermentation beer
sary a new staircase or a passage have been made, partly in order
could be preserved as the breweries were often also the owners of
to create a logical tour for the visitors, partly as a connection
the cafés. Nowadays beers from all over the world are flooding
with the coopery which has been moved from the former bot-
the local beer market.
tling plant to a building near the lager cellars.
As the last brewery of traditionally matured beer on an indus-
There is however a specific problem concerning the new destina-
trial scale, Rodenbach chose to disclose its industrial heritage
tion of the Rodenbach "castle", with a surface of 400 m 2 on four
and gave it a new destination.
levels and a 1,5 ha garden, both protected. The brewing water is
1VI&L
nowadays still drawn from a stone well in the park pond. There-
cheese making, they built one of the country's first industrial
fore great care will have to be taken not to endanger the water
cheese factories in 1935-36. The place soon proved too small
collection. In any case, only part of the garden will be open to
and prospecting started for an alternative location. After WW II
the public. If the brewery's project succeeds, the Rodenbach site
they moved to the Statiestraat in Passendale, where the cheese
will become an urban location with historical, cultural and tour-
factory still is located until today. The search for the architect of
ist trump cards, built around an existing as well as preserved
the old cheese factory did most regrettably not lead to the iden-
brewing activity.
tification of the designer. The trace of L. Cottenie, the main designer of dairy factories in post-war Belgium, had to be abandoned since it appeared rhat the old cheese factory did not figure
The lighthouses Hoog Licht and Laag Licht (high light and low light) in Knokke-Heist (Heist) and Bruges (Zeebrugge)
very simple construction, a strong functionalism, austere design,
Already in the early days, floating beacons were installed in order
sary decoration. As of the 1930's the evolution of pasteurizing
in the architect's official oeuvre. The design of the old cheese factory is in a specific formal style, typical for the interbellum. The cheese factory consists of a single building volume on one building level with a flat roof and a numerous concrete elements, a flat roof and without unneces-
to secure shipping traffic. Besides this there were fixed beacons, which were placed by the inhabitants of the coast on masts in the dunes. As of the Middle Ages church towers were important markings. Finally there were also lighthouses. The first known lighthouse in Flanders is the Vierboete in Nieuwpoort from 1284. The lighthouse in Heist is mentioned for the first time in 1363. Recognisable on several old maps, the mediaeval tower was probably demolished during the Eighty Years' War (15661648). Not before 1830 a new lighthouse was built on the same
techniques allowed the use of flat roofs in the dairy industry because of the strongly reduced vapour released during the different processes. The building's design is funcrional and conceived in a way that enables a swift and fast processing of the milk. Until 1995 the old cheese factory remained practically unchanged, although it rapidly decayed due to the lack of occupancy. The protection of the site and the new destination of the
spot, only to disappear soon thereafter, shortly after the nearby
premises as a museum and pub/tasting centre brought change.
lighthouse from Knokke was inaugurated in 1872. In order to
The restoration was completely carried out in line with the func-
keep the Pas van bet Zand navigable, the construction of two
tional aspect of the original building and preserves the authen-
new lighthouses was approved in 1905 on the territory of Heist.
ticity and readabiliry of the former dairy factory. Also the build-
The Hoog Licht and Laag Licht, which had been set up in line,
ing's extension, necessary for the cheese factory's new destina-
were first used in 1907. The use of reinforced concrete for the
tion, was designed in accordance with the original style. Further-
construction of the Hoog Licht in particular, following a design
more the contrast between old and new is very clear, without
of the Grondel brothers, makes this lighthouse one of the first
therefore disturbing the harmony of the entire new construc-
constructions of its kind in Flanders. No longer in use since
tion.
1980, but listed as a protected monument, both lighthouses re-
The redestination can be considered as a complete success. Dur-
cently underwent a thorough restoration. Among other prob-
ing the first year there were no less than 25.000 visitors. On top
lems, decay of concrete had affected the interior as well as the
of that, a state subsidy has been granted for the development in
exterior of the Hoog Licht, the masonry panels in glazed bricks
the museum of a documentation centre on cheese.
were damaged beyond repair and the rough sea climate had destroyed the lanterns so that they needed to be replaced. The wellpreserved original building design helped secure the quality of the works, planned by the architects' firm Jan Strynckx BVBA and the architects Driesen-Meersman-Thomaes.
The German command post in park De Brand in Antwerp There is a real bunker village in the De Brand park, built during
A new Role for an old Cheese Factory in Passendale
the Second World War. It was the command post of the German LXXXIXth Army Corps which had to defend the coast between Zeeland in the Netherlands and the French-Belgian border. This region was only a small parr of the huge defence line from the
The article on the old cheese factory in the 's Graventafel street in Passendale begins with a historical overview of the cheese factory. Although there are hardly any written or iconographical sources, the history could be reconstructed based on oral testimonies. The story of the cheese factory, founded by the Donck-Spruytte family, started in the mid 1920's in the 's Graventafelstreet. Being pioneers in the Belgian industrialized
French-Spanish border to the high north of Norway, the famous Atlantic Wall. The main topics of the bunker village in the De Brand park are two large command bunkers in the Atlantic Wall museum is now located. Next to these are small crew bunkers and a dressing-station bunker. Near the park is the Wilrijkse Plein where the transmission bunker of the command post stands together with two crew bunkers.