1
.7/,, VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAPSBELEID
ACTIVITEITENVERSLAG 1994-1995
Voorwoord
Op 1 6 november 1 995 viel mij de eer te beurt voorzitter te worden van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB). De VRWB, het hoogste adviesorgaan in Vlaanderen voor het wetenschaps- en technologiebeleid, vervult een gewichtige rol als raadgever, begeleider, inspi rator, geweten en gangmakervan de strategisch meest cruciale engagementssector waaraan het nieuwe Vlaanderen zich zal optrekken. Sinds zijn oprichting heeft de VRWB zich gesta dig ontwikkeld onder de dynamische impuls van mijn voorgangers Theo Peeters, Jef Roos en André Oosterlinck. De VRWB is gegroeid naar een efficiënt werkende Raad met een intens gesprek intern en een groot gezag naar buiten. Van bij het prille begin in 1 986 tot voor enkele jaren (april 1 994) was ik al als raadslid betrok ken bij de VRWB. Bij mijn terugkeer als vierde VRWB-voorzitfer tref ik een nog welvarender VRWB aan, die tot volle ontplooiing is gekomen en is opengebloeid tot een volwassen raad van wijzen. Het algemene klimaat voor het wetenschapsbe leid is ondertussen ook stimulerender gewor den. We stellen vast dat het de Vlaamse rege ring ernst is om hetwetenschappelijk onderzoek als prioriteit te stellen. De voorgestelde beleidsprioriteiten voor 1995-1 999 zijn ongetwijfeld lovenswaardig. De VRWB heeft in een eerste globaal advies reeds zijn waardering en vreugde geuit over de aangekondigde belang rijke plannen, met inbegrip van een duidelijke financiële doelstelling, die voor het weten schaps- en technologiebeleid van de komende vijf jaar worden uitgetekend. De VRWB zal de Vlaamse regering gestadig herinneren aan haar goede voornemens en die
Vlaamse regering, en dus ook voor iedere VIa ming wat magische jaar 2002 moeten wij dus dubbel zoveel weten als wij nu weten. Dit is een fascinerend perspectief! De VRWB zal hetvoortouw moeten nemen in die beweging en er ook voor moeten zorgen dat deze kennis gedeeld wordt met zovelen moge
ook helpen waarmaken met degelijke en goed onderbouwde adviezen en aanbevelingen. De adviesopdracht van de VRWB ligt zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts in het pro ces van de besluitvorming. De VRWB moet ener zijds het adviesorgaan zijn dat door de Vlaamse regering geconsulteerd wordt over al haar initiatieven inzake wetenschapsbeleid. Anderzijds zal de VRWB zelf initiatieven nemen om belangrijke vraagstellingen m.b.t. hetweten schapsbeleid te onderzoeken en de overheid daarmee elementen aan te reiken om haar wetenschapspolitiek uit te stippelen.
Roger Dillemans Voorzitter
Een juist evenwicht tussen de adviesopdrachten het opzetten van eigen projecten zal blijvend moeten nagestreefd worden. Immers een VRWB die alleen maar advies uitbrengt op verzoek verwordt tot een ad hoc werkgroep met weinig potentieel voor het uitwerken van een eigen vi sie. Anderzijds houdt het zich uitsluitend beper ken tot aanbevelingen op eigen initiatief het gevaar in dat de VRWB ver van de actuele beleidsvoering gaat werken en zijn aanbevelin gen de mist ingaan. Het is dan ook belangrijk dat de huidige dyna miek binnen de VRWB verder aangewakkerd blijft, evenals het onderhouden van een goede communicatie met het beleid. Alle VRWB-Ieden zullen met volle inzet als wijzen zitting hebben om na te denken, te overleggen, te debatteren nen en de minder grote 1 over de grote krachtli aspecten van het wetenschapsbeleid. Het nieuwe Vlaanderen zal de instap naar de kennismaatschappij niet missen. De kennisexplosie doet, naar men zegt, het kennisvolume om de 7 jaar verdubbelen, In het voor de 3
Voorgeschiedenis
Het iaar 1 995 was het tiende werklaar van de VRWB, Het is een gelegenheid om terug te blik ken op de tienjarige geschiedenis van het hoog ste adviesorgaan in Vlaanderen voor het wetenschaps- en technologiebeleid. Aan de wieg van de VRWB stond een groep van experts-hoogleraren, die in 1 982 door de toen malige Vlaamse regering werden samengeroe pen. Om versnippering en overlapping van adviesorganen inzake wetenschappelijke acti viteiten te vermijden, kregen zij als opdracht voorstellen uit te werken betreffende overleg structuren inzake het wetenschappelijk onder zoek. Hun aanbevelingen liggen aan de basis van de oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid bij besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 1985. De officiële installatie-plechtigheid had plaats op 1 8 februari 1 986. Minister Gaston Geens, toen de voorzitter van de Vlaamse regering, sprak bij die gelegenheid over de grote ver wachtingen die binnen de Vlaamse Gemeen schap werden gekoesterd omtrent de impact van de VRWB op de wetenschapsbeoefening in Vlaanderen. Minister G. Geens situeerde de werking van de VRWB toen rond vier hoofdthe ma’s, zijnde toekomstverkenningen aan de hand van een langetermijnvisie, de Organisatie van het Vlaamse wetenschapsbeleid, operatio nele aspecten i.v.m. vorming van onderzoekers en impulsacties, en de federale en internatio nale relaties. Het eerste jaar (1 986) ging de kersverse VRWB onder de bezieling van zijn eerste voorzitter, prof. Theo Peeters, met veel enthousiasme van start. Maar logistiek-administratieve problemen belemmerden in 1 987, en voor een groot deel ook nog in 1 988, ernstig de VRWB-werkzaam heden. Een oplossing werd gevonden bij de VLIR, die vanaf 1 juni 1 988 voor één jaar het VRWB-secretariaat op poten hielp zetten. Vanaf 1 juni 1 989 werd een regeling getroffen om het VRWB-secretariaat te organiseren binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 4
Vanaf toen heeft de VRWB zich gestadig kunnen ontplooien tot een volwaardig adviesinstrument in de besluitvorming t.a.v. het Vlaamse weten schapsbeleid. Prof. Jef Roos nam begin 1 990 de fakkel over als voorzitter. Onder zijn impuls heeftdeVRWB duideli jkaan gezag kunnen win nen.
De minister-president zei tijdens de installatieplechtig heid erop te rekenen dat de VRWB zelf initiatieven zou nemen en uit eigen beweging aanbevelingen zou doen inzake een betere or ganisatie van het wetenschapsbeleid in Vlaan deren. De minister-president stelde uitdrukkelik er de voorkeur aan te geven om samen met al e betrokkenen te werken aan een globale visie op het Vlaamse wetenschapsbeleid.
De erkenning van zijn gezagsvolle status kreeg de VRWB van het Vlaams Parlement, dat eind 1993 een decreet goedkeurde tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. De VRWB kon nu steunen op een stevige juridi sche basis met meer autonomie en een beklemtoning van de beleidsaspecten in zijn opdracht.
De vernieuwde VRWB concentreerde zijn werk zaamheden dan ook meer dan voorheen op het langetermijndenken. 1 995 was in dat opzicht een topjaar. De VRWB slaagde erin, geani meerd door het efficiënte enthousiasme van de voorzitter, prof. André Oosterlinck, op eigen initiatief niet minder dan 4 belangrijke proactieve aanbevelingen te formuleren, en last but not least om als hoogtepunt een boodschap te richten aan de nieuwe Vlaamse regering.
De heer Luc Van den Brande, minister-president, installeerde op 22 maart 1 994 de nu decretaal samengestelde VRWB. Prof. Jef Roos werd op nieuw voorzitter, maar gaf in september de hamer door aan prof. André Oosterlinck, die op zijn beurt eind 1995 werd opgevolgd door prof. Roger Dillemans, de huidige VRWB-voor zitter.
De VRWB mocht in de diverse beleidsdocu menten met tevredenheid vaststellen dat de Vlaamse regering en de minister-president, te vens bevoegd voor wetenschap en technologie, in hoge mate rekening houden met de VRWB adviezen en -aanbevelingen.
5
Activiteiten
1994 In 1 994 brak voor de VRWB een nieuw tijdperk aan. Het decreet van 1 5 december 1 993 tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Weten schapsbeleid bevestigt en versterkt de rol van de VRWB. De decreetgever verleent de VRWB een grotere autonomie, opdat de Raad zijn op drachten als hoogste adviesorgaan inzake wetenschaps- en technologiebeleid onafhanke lijk van de politieke overheid of van individuele belangen kan uitvoeren. Tevens werd het accent sterker dan voorheen gelegd op de globale beleidslijnen en prioritei ten inzake wetenschaps- en technologiebeleid. Op 22 maart 1994 installeerde minister-presi dent Luc Van den Brande plechtig de nieuwe VRWB, samengesteld volgens de decretale be palingen. De vernieuwde VRWB heeft geen tijd verloren en is snel gestart met het organiseren van zijn werkzaamheden in het licht van het langetermijn denken. Eerst was er de Organisatie begin 1 994 van de discussiegroep binnen de commissie Weten schapsbeleid rond de situatie van de onderzoe ker. Deze discussiegroep heeft in een eerste fase feiten en cijfers verzameld omtrent de situatie, d.w.z. de loopbaanmogelijkheden, van de on derzoeker aan de Vlaamse universiteiten, onderzoeksinstellingen en bedrijven. In een tweede fase werden hieruit knelpunten gedistil leerd en voorstellen geformuleerd voor reme diĂŤring. Momenteel wordt het rapport terzake gefinaliseerd.
1
Een andere belangrijke activiteit in het kader van het ontwikkelen van een Iangetermijnvisie inzake het Vlaamse wetenschapsbeleid, resul teerde in de publicatie eind 1 994 van het rap port “Wetenschap als Cultuur�, gevolgd door een VRWB-aanbeveling in 1995. Dit rapport
kreeg ruime aandacht en werd druk besproken in brede wetenschappelijke, wetenschapspoli tieke en maatschappelijke kringen. De VRWB werkzaamheden in dit verband gaan reeds te rug tot het voorjaar van 1 992 toen een ad hoc werkgroep werd belast met een analyse van de specifieke problemen, eigen aan het brede domein van de cultuurwetenschap. Aan de werkgroep werd gevraagd een voorstel uit te werken ter bevordering van de cultuurweten schappen met nadruk op hun eigen bijdrage tot het maatschappelijk leven. De ad hoc werk groep heeft op basis van algemeen ervaren lacunes en problemen in maart 1 993 een interimrapport aan de VRWB voorgelegd, met als titel “De impact van de wetenschappen op de cultuur en de bijzondere problematiek van de cultuur- en gedragswetenschappen”. Aan sluitend bij dit interimrapport werd een studieopdracht uitgevoerd door de onderzoekers Marc De Mey (promotor), Johan Braeckman en Tom Claes. Over het onderzoek, waarin een massa kwantitatieve gegevens alsook een uitge breide kwalitatieve documentering werden ver zameld, verscheen in december 1994 een rap port “Wetenschap als Cultuur”, dat in boekvorm werd verspreid. Het geeft een scherpe pro bleemanalyse en biedt een aantal suggesties voor mogelijke oplossingen. Daarnaast heeft de VRWB in de loop van 1 994 tevens een aantal adviezen op verzoek gefor muleerd. De minister-president vroeg de VRWBom advies inzake het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering betreffende de financiering van de geconcerteerde onderzoeksacties en van de speciale fondsen voor onderzoek in de universi teiten van de Vlaamse Gemeenschap. Het ont werp-besluit beoogde onder meer de creatie binnen elke universiteit van een “Bijzonder Uni versitair Onderzoeksfonds” voor het beheer van de overheidsbijdrage voor de geconcerteerde onderzoeksacties en de speciale fondsen voor onderzoek, waarbij de ruimere beslissings
bevoegdheid van de universiteiten aan be paalde voorwaarden gekoppeld werd. Het VRWB-advies verscheen in februari 1 994 Diezelfde minister raadpleegde de VRWB ver der nog inzake zijn voorstel voor een nieuwe actie ter stimulering van de Vlaamse universi taire deelname aan Europese onderzoeks programma’s. Hetvoorstel voorzag enerzijds in de ondersteuning van ‘verkennende internatio nale initiatieven’ als patent cle basis voor eer later 1 EU-p e ctvoorstel, ro en anderzitds in het beperkte behoud van middelen voor cofinan ciering in strikte zin van goedgekeurde EU pro jecten. De VRWB bracht ziin advies uit in maart 1994. In diezelfde maand kwam er nog een advies tot stand betreffende het onderzoeksi nitiatief van de minister-president rond ‘Spraak- en Taai technologie’ voor het Nederlands. Het onder zoeksinitiatief paste in de langetermijnstrategie van de Vlaamse regern om Vlaarderen c versterken in het Europa er regio’s en zorg te dragen voor de Vlaamse culturele eigenheid. waarvan taal een belangrijke emanatie is ,
Ook de Vlaamse minister van Onderwijs vroeg in 1 994 het advies van de VRWB, meer be paald inzake het ontwerp-besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de procedure van het beleidsgericht onderwijskundig weten schappelijk onderzoek op initiatief van de Vlaamse minister, bevoegd voor het orderwijs Dit ontwerp-besluit heeft voornamelilk tot doel de bestaande procedure te verduidehken en te vereenvoudigen. Een opvallend feit in 1994 was de lancering door minister-president Luc Van den Brande van zijn “Technblogienota Vlaanderen 2002”, waarin hij een aantal concrete voorstellen doet voor de invulling van het techno’ogiebeleid ir het kader van het project Vlaanderen Europa 2002. De minister-president opteert daarbij —
voor drie speerpunttechnologieën, m. n. biotech nologie, informatietechnologie en nieuwe mate rialen. De belangrijkste hierin voorgestelde ac ties, ook wat betreft financiële implicaties, zijn de oprichting van een Vlaams interuniversitair instituut voor biotechnologie (VIB), en het op starten van een actieprogramma in het domein van de informatietechnologie, vooral gericht op multimedia. De technologienota werd voor advies aan de VRWB voorgelegd, die zich op 30 juni 1 994 hierover uitsprak. Het laatste advies van dat werk jaar heeft betrek king op het ontwerp-besluit van de Vlaamse regering betreffende de toekenningsvoorwaar den van de jaarlijkse toelagen van de Vlaamse Gemeenschap aan het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en de erbij geas socieerde onderzoeksfondsen. Sinds de wijzi ging van de statuten van het NFWO in juni 1992, beheert de Vlaamse raad van bestuur van het NFWO de toelagen voor het niet-ge oriënteerd wetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen. De Vlaamse regering wil met dit ontwerp-besluit de voorwaarden bepalen die aan het NFWO worden opgelegd voor de toe kenning van deze toelagen. Tot vandaag werd dit ontwerp-besluit nog niet goedgekeurd. Het najaar van 1 994 betekende ook het einde van het bijna vijf jaar durende voorzitterschap van prof. dr. ir. Jef Roos, die met ingang van 1 september 1994 een functie opnam in de privé sector en werd opgevolgd door prof. dr. Ir. André Oosterlinck.
1995 1995 was een heel bijzonder jaar voor Vlaan deren, het Vlaamse Parlement werd voor de eerste maal rechtstreeks verkozen. Voor de VRWB was dit een gelegenheid om een bood schap te richten aan de nieuwe Vlaamse rege ring met betrekking tot het Vlaamse weten schapsbeleid. In zijn boodschap formuleert de VRWB een aantal aanbevelingen voor de krachtlijnen van een evenwichtig wetenschaps- en technologie beleid, gesteund op uitvoerige analyses en dis cussies in de schoot van de VRWB en zijn com missies. Verder formuleerde de VRWB in juni 1 995 een aanbeveling bij de beleidsbrief “Het weten schapsbeleid in Vlaanderen Beleidsbrief voor 1995”, die de minister-president in oktober 1 994 had voorgesteld in de commissie Onder wijs, Vorming en Wetenschapsbeleid van de Vlaamse Raad. Dit document is uitvoerig be sproken in de schoot van de VRWB, en meer bepaald in zijn commissie Wetenschapsbeleid. —
Naar aanleiding van het project “TelenetVlaan 1 deren” van de Vlaamse minister van Economie over de beraden willen heeft de VRWB zich implicaties die dit project zal teweegbrengen voor de Vlaamse wetenschappelijke wereld. Op vraag van de VRWB heeft de minister het Eindrapport dd. 1 2 oktober 1 994 van het studiesyndicaat “Nieuwe diensten op kabel en/ of telefoonlijnen” meegedeeld en tevens expli ciet de Raad om advies verzocht. Het VRWB-advies werd voorbereid in een ad hoc werkgroep en door de VRWB goedgekeurd op 28 juni 1995. Conform de bepalingen in het oprichtings decreet van 15 december 1993, bracht de VRWB in 1 995 advies uit betreffende de Vlaamse horizontale begrotingsprogramma’s wetenschapsbeleid 1994 en 1995. Zoals ook
voor de begrotingen 1991, 1992 en 1993 is gebeurd de opeenvolgende VRWB-begro tingsadviezen zijn stilaan een begrip geworden heeftde VRWB, en meer bepaald zijn commis sie Begroting en Financiën, een grondige ana lyse uitgevoerd ter onderbouwing van dit ad vies. Hierbij werden de Vlaamse overheidskredieten voor wetenschapsbeleid in een fede —
—
raal en internationaal kader geplaatst en werd hun evolutie in de tijd nagegaan. In zijn advies
vraagt de VRWB de Vlaamse overheid om de financiële inhaalbeweging, die sinds 1 993 voor 0&0 werd ingezet, voort te zetten en nog te versnellen.
De commissie Federale en Internationale Sa menwerking onderzocht in opvolging van twee eerdere VRWB-adviezen omtrent de deelname van Vlaamse onderzoeksgroepen en bedrijven aan Europese onderzoeksprogramma’s, uitge bracht in 1 989 en 1 991, de meest recente be vindingen terzake. De resulterende VRWB-aan beveling, uitgebracht in september 995, is onder meer gebaseerd op de nieuwe ontwikke lingen van het Europese 010-beleid en de ge volgen hiervan voor de Vlaamse deelnemers en concentreert zich rond de punten: informatiever strekking, kwaliteitsbevordering en evaluatie, het Vlaamse onderzoeksbeleid en integratie.
Naar aanleiding van het eerder vermelde rap port “Wetenschap als Cultuur”, formuleerde de VRWB in september 995 een aanbeveling in zake het stimuleren van de cultuur- en gedrags wetenschappen. Hierin stelt de VRWB expliciet dat een verhoging van de financiële middelen een noodzakelijke maar duidelijk niet vol doende voorwaarde is om de problematiek van de cultuur- en gedragswetenschappen op te los sen. Naast een volgehouden beklemtoning van kwaliteitsvereisten zijn structurele innovaties nodig. De VRWB richt zijn aanbevelingen tot de verschillende niveaus: de cultuur- en gedrags wetenschappers zelf, de universiteiten en het overheidsbeleid. Het IWI-rapport ‘Toekenning van de specia lisatiebeurzen voor het academiejaar 19941 995’ heeft de aandacht getrokken van de VRWB, die het nodig heeft geacht hierover een aanbeveling te formuleren. Vanaf 1 oktober 1 994 werden het beheer en de coördinatie van de Vlaamse specialisatiebeurzen van het natio nale IWONL overgedragen aan het IWT. Over de eerste selectieproced ure, door het IWT geor ganiseerd in het najaar van 1 994, wordt in voormeld rapport uitgebreid verslag uitge bracht betreflende het verloop van de beoordelingsprocedure en de wijze van selectie
Ter gelegenheid van de installatie van de nieuwe VRWB-voorzitter op 16 november 1 995, heeft minister-president Luc Van den Brande zijn beleidsbrief “Het wetenschaps- en technologiebeleid in Vlaanderen: Beleidsprioriteiten 1 995-1 999” aan de VRWB voorge steld.
van de bursalen. De VRWB is van oordeel dat het IWT zijn eerste selectieprocedure professio neel heeft georganiseerd. In het laatste kwartaal van 1 995 was er de vraag van de secretaris-generaal van het depar tement Onderwijs, aan onder meer de VRWB om commentaar te geven bij de oproep die de ministers van Onderwijs van Bremen, Neder saksen, Noordrijn-Westfalen, Nederland en Vlaanderen hebben gericht aan de hoger on derwijs- en onderzoeksinstellingen om grens overschrijdende samenwerking in het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek in de betreffende regio’s te verbreden en te ver diepen. Het uiteindelijke doel van de oproep is een open onderwijsruimte te creëren in de des betreffende regio’s en hierdoor nieuwe keuze mogelijkheden aan de studenten aan te bieden. De VRWB-commentaar werd uitgebracht in de cember 1995.
Lopende activiteiten Uiteraard wordt in de schoot van de VRWB en zijn commissie Wetenschapsbeleid ruime aan dacht besteed aan de beleidsbrief “Het weten schaps- en technologiebeleid in Vlaanderen: Beleidsprioriteiten 1 995-1 999”. Een eerste glo baal advies hieromtrent heeft de VRWB al uitge bracht. Momenteel is een verdere grondige en systematische bespreking van de beleidsbrief aan de gang. De VRWB bereidt tevens een aanbeveling voor bij het Beleidsplan 1 996-2000 van het Natio naal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, meegedeeld door de Vlaamse raad van bestuur van het NFWO.
Ten slotte was er ook in 1 995 een voorzitterswissel aan het hoofd van de VRWB. Met ingang van 1 november 1 995 werd prof. dr. Roger Dillemans, ererector van de K.U. Leuven, be noemd tot voorzitter van de VRWB in opvolging van prof. dr. ir. André Oosterlinck, die wegens zijn benoeming tot rector van de K.U. Leuven zijn mandaat van VRWB-voorzitter ter beschik king stelde.
Verder zal de VRWB steunend op het eerder vermelde rapport betreffende de loopbaanmogelijkheden van de Vlaamse onderzoeker, dat eerstdaags wordt gefinaliseerd, een aanbe veling formuleren. Nog eind 1 995 heeft de VRWB, in opvolging van de VRWB-aanbeveling van 1 993 betref fende de Vlaamse deelname aan ruimteonderzoek in het kader van ESA, een Technisch Corn ité voor Ruimtevaartonderzoek (ICRV) met deskundigen terzake opgericht. De taak van dit comité bestaat er onder meer in de evolutie in het ruimtevaartonderzoek en in ESA, het Bel gische beleid terzake en de Vlaamse betrokken heid na te gaan. De TCRV-werkzaamheden zijn inmiddels volop aan de gang en in het najaar van 1 996 zal hierover een rapport met voort gangsbewaking verschijnen. 10
De commissie Federale en Internationale Sa menwerking (CFIS) werkt aan een onderzoek naar de Vlaamse betrokkenheid bij de grote internationale wetenschappelijke organisaties (o.a. CERN, ESRF, EMBO/EMBL, ESO, ESF, EUREKA, UNESCO, EUCLID, IGBP, COST,...). Een syntheserapport dienaangaande met een bijbehorende aanbeveling is in voorbereiding. Binnen diezelfde commissie wordt ook aan dacht besteed aan de beleidsnota van de Ne derlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek 1 9962OO1. Hierbij worden ver schilpunten en raakpunten tussen de NWO en het Vlaamse NFWO en hun beider beleids nota’s in kaart gebracht.
Op verzoek van de minister-president heeft de VRWB begin 1 996 een advies opgesteld naar aanleiding van de oprichting van de Federale Raad voor Wetenschapsbeleid. De minister-president heeft bij de VRWB recen telijk vragen om advies ingediend over het on langs goedgekeurde federale impuisprogram ma “Duurzame Ontwikkeling” en met betrek king tot de beurzensystemen voor onderzoekers in Vlaanderen. Als belangrijk feit dient te worden aangestipt: de recente oprichting door de VRWB van een permanente commissie voor technologiebeleid, om gestelde problemen uit te diepen die speci fiek zijn voor het technologiebeleid en het voor bereiden van de VRWB-adviezen en -aanbeve lingen terzake. De werkzaamheden van de nieuwe commissie zijn in april 1 996 van start gegaan. Op het werkprogramma van deze commissie staat, het “Groenboek over Innova tie” van de Europese Commissie in een Vlaams kader; hetO&O-steunbeleid in Vlaanderen; een actief technologieverspreidingsbeleid en de informatiemaatschappij en de gebruikers.
‘LE
/
3
1 Adviezen Advies van de VRWB inzake het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering betreffende de financiering van de geconcerteerde onderzoeks acties en van de speciale fondsen voor onderzoek in de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap. VRWB-R/ADV 36 24 februari 1994 —
Het ontwerp-besluit van de Vlaamse regering bepaalt dat binnen elke universiteit, een Bijzon der Universitair Onderzoeksfonds wordt ge creëerd voor het beheer van de overheidsbijdrage voor de geconcerteerde onderzoeks acties en de speciale fondsen voor onderzoek. De universiteit draagt hiertoe bij, vanuit de haar beschikbare middelen, ten belope van ten min ste 20 % van de overheidsbijdrage. De over heidsbijdrage wordt tussen de universiteiten verdeeld via een verdeelsleutel die de univer sitaire onderzoekscapaciteiten in rekening brengt. Met ingang van het begrotingsjaar 1995 wordt voor beide onderzoekskredieten één verdeelsleutel gehanteerd, met een bodembedrag per universiteit. De ruimere beslissingsbevoegdheid van de uni versiteiten inzake het beheer van de middelen van het Bijzonder Universitair Onderzoeks fonds wordt gekoppeld aan bepaalde voor waarden inzake de besteding van de overheidsbijdrage, de selectie van de projecten, de ver antwoording van de toekenning van de midde len en de beoordeling van de kwaliteit van de geleverde onderzoeksprestaties.
De integrale tekst van de adviezen is op schriftelijke aan vraag te verkrijgen bij het VRWB-secretariaat.
In zijn advies uitgebracht op 24 februari 1994 onderschrijft de VRWB de algemene uitgangs punten van het ontwerp-besluit, met name het stimuleren van: hetopstelien van een onderzoeksbeleidsplan door de universiteiten; de eigen verantwoordelijkheid van de univer siteiten via de verplichte bijdrage; interuniversitair overleg en samenwerking; een adequate kwaliteitszorg, met inbegrip van de mogelijkheid tot een externe evalua tie.
—
—
—
—
In het bijzonder onderschrijft de VRWB de gro tere verantwoordelijkheid die wordt toegekend aan het universiteitsbestuur, dat zelf de subsi diabele onderzoeksactiviteiten en de modali teiten en criteria voor toekenning dient vast te leggen. De VRWB gaat ermee akkoord dat bij de beste ding van de middelen bijzondere aandacht uitgaat, enerzijds naar de onderzoeksprojecten van uitstekende wetenschappelijke waarde met een zekere omvang en looptijd (de vroegere geconcerteerde onderzoeksacties), en ander zijds naar nieuwe, vernieuwende en risicovolle initiatieven. De Raad acht het echter niet wense lijk dat in de verdeling van de middelen strikte percentages worden opgelegd voor deze twee soorten projecten. Bovendien moet er ook ruimte zijn voor waardevolle projecten in do meinen waar aan de gestelde eisen qua om vang en looptijd niet steeds voldaan kan wor den. De desbetreffende bepalingen van het ontwerp-besluit dienen in die zin aangepast te
worden. Tevens benadrukt de VRWB dat een onderbouwd en gemotiveerd beleidsplan hier door des te belangrijker wordt.
De VRWB onderschrijft de behoefte aan interuniversitair overleg, dat jaarlijks moet leiden tot steeds betere afspraken inzake concentratie, speerpuntvorming, interuniversitaire samenwer king en niet-overlapping van de bovenge noemde onderzoeksprojecten (de vroegere geconcerteerde onderzoeksacties). Deze af spraken moeten in elk geval voldoende ruimte laten voor concurrentie binnen het wetenschap pelijk onderzoek in Vlaanderen. De VRWB be veelt de VLIR en het NEWO aan zich samen te beraden over welke procedure het meest ge schikt is om dit interuniversitair overleg te orga niseren.
Het vereiste akkoord van de bevoegde ministers (in casu de minister, bevoegd voorwetenschaps beleid en de minister, bevoegd voor onderwijs) mag volgens de VRWB in geen geval leiden tot inmenging in het onderzoeksbeleid van de uni versiteit of tot onnodige vertragingen die de continuïteit van de financiering van het universi tair fundamenteel onderzoek in het gedrang brengen.
Advies betreffende de nieuwe regeling voor de cofinanciering van deelname van Vlaamse universitaire onderzoeksploegen aan Europese onderzoeksprogramma’s. VRWB-R/ADV 37-22 maart 1994 De minister-president van de Vlaamse regering heeft de VRWB om advies gevraagd inzake zijn voorstel voor een nieuwe actie ter stimulering van de Vlaamse universitaire deelname aan Europese onderzoeksprogramma’s. Het voor stel voorziet enerzijds in de ondersteuning van ‘verkennende internationale initiatieven’, die potentieel de basis vormen om in een latere fase bij de Europese Commissie een projectvoorstel te kunnen indienen, en anderzijds in het behou den van cofinanciering in strikte zin voor goed gekeurde EU-projecten, weliswaar met be perkte middelen. Ten minste 50% van de overheidsbi jdrage dient besteed te worden aan de ondersteuning van de verkennende internationale initiatieven. Vanaf 1 995 en naargelang van de resultaten van de actie, wordt voorzien in een stijging van dit percentage. Het saldo is voorbehouden voor cofinanciering in strikte zin.
Naast de criteria en procedures m.b.t. selectie en rapportering door de universiteiten, voorziet hetvoorstel in een evaluatie van de actie in twee fasen: een eerste evaluatie na twee jaar door de universiteiten en een algemene evaluatie van de actie na vier jaar door de minister bevoegd voor wetenschapsbeleid. De VRWB is van oordeel dat er nu een reële behoefte bestaat aan stimulering, maar dat deze niet mag verworden tot een alternatief voor onderzoeksfinanciering door de EU of voor andere vormen van financiering in het kader van het Bijzonder Universitair Onderzoeks fonds. De VRWB onderschrijft het toekennen van meer verantwoordelijkheid aan de universiteiten in zake het beheer en de aanwending van de middelen, waardoor de universiteiten, via de 13
werkrng van de onderzoeksraden, in grotere mate een eigen beleid kunnen voeren ten aan zien van het Europees onderzoek. Deze actie dient volgens de VRWB overigens ook de mogelijkheid te bieden om de participa tie aan te moedigen van een andere Vlaamse onderzoekspartner uit de universiteiten of de industrie Inzake de verkennende internationale initiatie ven onderschrijft de VRWB het principe om de dynamische inschakeling van Vlaamse groepen in internationale onderzoeksnetwerken te be vorderen. Gezien het strategische belang van de EU-onderzoeksprogramma’s voor de Vlaamse industrie, pleit de VRWB ervoor dat het instrumentvoor rechtstreekse ondersteuning van verkennende internationale samenwerkingspro
jecten uitgebreid wordt tot industriële onder zoeksg roepen. De VRWB maakt evenwel enig voorbehoud betreffende de criteria voor de verkennende internationale samenwerkingsprojecten, meer bepaald bi de beperking van de nieuwe actie tot die onderzoekseenheden die nog niet of slechts eenmaal deelnamen aan EU-onder zoeksprogramma’s. De Raad beveelt aan om de universiteiten ook hierin in grote mate een auto nome rol toe te kennen. Ten slotte pleit de VRWB voor de invoering van een algemene evaluatie van de actie na twee jaar, in het bijzonder inzake de werkbaarheid van het systeem, de verdeelsleutel en de continuering van de cofinanciering.
Advies van de VRWB betreffende het onderzoeksinitiatief rond ‘Spraak- en Taaltechnologie’ voor het Nederlands. VRWB-R/ADV 38 -22 maart 1994 De minister-president vroeg eind 1 993 de VRWB dringend advies omtrent zin onder zoeksinitiatief rond “Spraak- en Taa technolo gie” voor het Nederlands. Het onderzoeksinitiatief past in de langetermijn strategie van de Vlaamse regering, om Vlaande ren te versterken in het Europa der regio’s en zorg te dragen voor de Vlaamse culturele eigen heid, waarvan taal een belangrijke emanatie is. Het onderzoeksinitiatief omvat twee fasen, Een kortetermijnprogramma met welomschreven doelstellingen, gericht op het wegwerken van bestaande lacunes, en een langetermijnpro gramma, waarvan de uitwerking een onderdeel zou vormen van het kortetermijnproject.
De VRWB vond de toegemeten tijd te kort om een gefundeerd advies uit te brengen over dit initiatief rond deze belangrijke problematiek. De VRWB heeft de minister-president in een korte brief laten weten om begrotingstechnische redenen akkoord te kunnen gaan met een prin cipiële goedkeuring van het kortetermijn programma. De mogelijkheid diende evenwel te worden opengelaten voor eventuele bij sturingen ingevolge het latere VRWB-advies. De VRWB heeft ook gevraagd om in het kader van een ruimer wetenschapsbeleid tevens aandacht te besteden aan maatschappelijke en culturele aspecten van de taalproblematiek.
Op 22 december 1 993 keurde de Vlaamse regering het kortetermijnprogramma goed, waarbij ook een engagement werd aangegaan voor het Iangetermijnprogramma. De VRWB formuleerde zijn advies op 22 maart 1994. Daarin stelt de VRWB als algemene doel stelling van het Iange-termijnprogramma voor op het Nederlands als volwaardige taal te hand haven en het gebruik ervan voor elkeen te opti maliseren. Dit geldt in het bijzonder voor het Nederlands in een Europees perspectief. Als specifieke doelstelling dient volgens de VRWB het onderzoekprogramma het weten schappelijk onderzoek rond taal en spraak en i.h.b. de spraak- en taaltechnologie voor het Nederlands te stimuleren om: van de gebruiker van het Nederlands een sterke gebruiker te maken via o.m. technolo gische hulpmiddelen ter verbetering van het Nederlandse taalgebruik (geschreven en ge sproken); in te spelen op bestaande maatschappelijke behoeften, zoals spraakherkenning, compu terondersteunde vertaling, hulpmiddelen bij spraakstoornissen,....
—
—
De VRWB beveelt aan bij het uitwerken van het langetermijnprogramma de volgende principes te hanteren: Samenwerking en synergie, tussen linguïs ten, technologen en psychologen enerzijds, en een versterkte wisselwerking wat betreft taalonafhankelijke en taalafhankelijke as pecten anderzijds; Evalueren, valoriseren en eventueel voortbouwen op het kortetermijnprogramma (cfr. aspect fundamentele kennis verwerven m.b.t. spraaksynthese en spraakherkenning, uitwerken gegevensbestanden ,...); Inspelen op het aanwezige onderzoekspo tentieel in Vlaanderen; Complementariteit t.o.v. de inspanningen in de Europese Unie en coördinatie met de in-
—
—
—
—
—
spanningen in Nederland; Evaluatie van alle mogelijke beleidsonder steunende aspecten van taaltechnologie af hankelijk van hun relevantie en potentiële impact, en van een realistische kosten-batenanalyse.
De VRWB beveelt aan om bij het uitwerken van het langetermijnprogramma een interuniver sitair en multidisciplinair team te betrekken, waarin zowel deskundigen in de taalkunde, in de spraak- en taaltechnologie als in de ps cholinguïstiek en in de logopedie zitting he ben. Dit team krijgt de opdracht de specifieke doelstellingen nader te preciseren, uitgaand van een inventaris van het wetenschappelijk onderzoek op dit terrein in Vlaanderen en Ne derland. Daar de VRWB de toepassingen dus duidelijk ruimer ziet dan enkel automatisch vertalen, wordt aanbevolen een uitgebreide behoeftenanalyse uit te voeren. -
-
Het uitgewerkte programma dient voor advies aan de VRWB te worden voorgelegd.
Advies van de VRWB inzake het ontwerp-besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de procedure van het beleidsgericht onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek op initiatiefvan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. VRWB-R/ADV39- 14juni 1994 De Vlaamse regering wil met dit ontwerpbesluit de reglementering en in het bijzonder de proce dure voor het beleidsgericht onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek op initiatief van de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, ver eenvoudigen en verduidelijken. De procedure omvat de ontwikkeling, de selectie, de voort gangsbewaking en de valorisatie van beleidsgerichte onderwijskundige onderzoekspro jecten. Voor de bepaling van de prioritaire onderzoeks thema’s zal via een breed overlegproces met actoren in het onderwijsveld een basisstramien worden opgesteld met een aantal ruim opge vatte thema’s voor een aantal jaren, aangevuld met thema’s die inspelen op acute beleidspro blemen. De projectvoorstellen, ingediend na een oproep tot onderzoeksvoorstellen, worden geëvalueerd zowel op basis van hun aansluiten bij de prioritaire thema’s, als op wetenschappelijke basis. Voor de wetenschappelijke evaluatie wordt een interdisciplinaire commissie van des kundige onderzoekers samengesteld. Een stuurgroep samengesteld uit zowel onder zoekers en beleidsmensen, als betrokkenen uit het onderwijsveld, wordt belast met de voortgangsbewaking en de bijsturing van de projecten. De kredieten voor het beleidsgerichte onder wijskundig wetenschappelijk onderzoek wor den jaarlijks ingeschreven in de begroting. Voor 1 994 bedragen deze 109,8 miljoen fr.. Van het totale budget wordt 5% gereserveerd voor de
uitvoering van kortlopende onderzoeken over dringende problemen, waarvoor de selectieprocedure niet gevolgd hoeft te worden. De Vlaamse minister voor Onderwijs heeft dit ontwerpbesluit voor advies voorgelegd aan de VRWB.
In zijn advies van 1 4 juni 1 994 verwelkomt de VRWB het initiatief om een regeling uit te wer ken voor de procedure betreffende de projecten van het onderwijskundig praktijkgericht weten schappelijk onderzoek, relevant voor de actoren in het volledige onderwijsbeleid. Algemeen pleit de VRWB voor een soortgelijke regeling m.b.t. de formele aspecten die ge meenschappelijk zijn voor alle beleidsrelevant onderzoek. De formele aspecten omvatten on der meer: het verantwoord opstellen van een “oproep tot het indienen van voorstellen”; het aanstellen van een interdisciplinaire des kundigencommissie om de wetenschappe lijke waarde van het project te beoordelen; het aanstellen van een stuurgroep ten be hoeve van de voortgangsbewaking en bij sturing van de onderzoeksprojecten; de financiële voortgangsbewaking van de projecten; eventueel tussentijdse evaluatie van projec ten; boekhoudkundig afsluiten van de projecten; het openbaar maken der resultaten en ter be schikking houden van andere gebruikers. —
—
—
—
—
—
—
—
De VRWB erkent dat het voor kortlopende op drachten die de minister wil laten uitvoeren over dringende problemen niet altijd noodzakelijk is door een uitgebreide procedure te gaan, en kan aanvaarden dat hiervoor jaarlijks 5% gereser veerd wordt. Wel moet er ook daar worden op toegezien dat de toekenning op eenvormige wijze gebeurt en dat de resultaten algemeen beschikbaar blijven.
De VRWB beklemtoont dat het belangrijk is de resultaten van beleidsondersteunend onder zoek te verzamelen en ter beschikking te houden overeenkomstig het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van be stuursdocumenten. Dit onder meer om te vermij den dat duplicerende onderzoeken zouden plaatsvinden.
Advies van de VRWB betreffende de “Technologienota Vlaanderen 2002”. VRWB-R/ADV 40- 30 luni 1994 In zijn “Technologienota Vlaanderen 2002” doet minister-president Van den Brande een aantal concrete voorstellen voor de invulling van het technologiebeleid in het kader van het pro ject Vlaanderen-Europa 2002. De min ister-pre sident opteert daarbij voor drie speerpunt technologieën, m.n. biotechnologie, informa tietechnologie en nieuwe materialen. Voor de biotechnologie wordt voorgesteld een interuni versitair instituut op te richten met een geassoci eerd netwerk van onderzoeksgroepen. Voor de informatietechnologie opteert de minister-presi dent voor een actieprogramma gericht op mul timedia. En voor het domein van de nieuwe materialen wordt voorgesteld extra middelen, specifiek voor grote apparatuur, toe te voegen aan het lopende Impulsprogramma Nieuwe Materialen. Verder wil de minister-president met een aantal bijzondere acties tegemoet komen aan de zorg m.b.t. de technologietransfert naar onderne mingen, de valorisatie, de ontwikkeling van spe cifieke financieringsinstrumenten voor techno logieprojecten en de doorstroming van onder zoekers in de bedrijven. De technologienota werd voor advies aan de VRWB voorgelegd, die zich op 30 juni 1994 hierover uitsprak. Hierna worden in het kort de
belangrijkste elementen uit het VRWB-advies samengevat. Algemeen De VRWB waardeert dat duidelijkheid ge creëerd wordt over de wil om dein 1 992 aange vatte budgettaire inhaalbeweging voor het we tenschappelijk-technolog isch onderzoek in Vlaanderen voort te zetten. De aandacht voor het versterken va de kennisinfrastructuur in de universiteiten, de onderzoeksinstellingen en de industrie vindt de VRWB een goed uitgangspunt en een zeer belangrijk element in de vernieu wing van het industrieel-economische weefsel. De bijzondere aandacht voor een diffusiebeleid is volgens de VRWB lovenswaardig, maar dit dient nog meer uitgewerkt te worden. Hoewel de drie prioritaire aandachtsvelden aansluiten bij internationale trends, is de VRWB van oordeel dat de gemaakte keuze beter gemo tiveerd kan worden. De aandacht zou niet enkel naar high-techbedrijven mogen uitgaan, maar in synergie hiermee evenzeer naar renovatie van de traditionele industrie, waarin Vlaande ren troeven bezit.
Verder vraagt de VRWB zich af wat de reste rende budgettaire beleidsruimte is na de keuze van de drie voorgestelde speerpunttechnolo gieën, en of deze keuze toekomstige oriëntaties in andere domeinen van het technologiebeleid niet zou kunnen in het gedrang brengen. DeVRWBvindtten slotte dat de technologienota weinig aandacht besteedt aan de maatschap pelijke en sociaal-economische behoeften en effecten. Biotechnologie
De VRWB onderschrijft dat in het domein van de biotechnologie Vlaanderen zijn krachten bun delt en daarbi belangrijke troeven uitspeelt. Mits een aanta voorwaarden in acht worden genomen, gaat de VRWB akkoord met de op richting van enerzijds een interuniversitair insti tuut hoofdzakelijk rond vier topgroepen meteen aanzienlijke structurele financiering, en ander zijds een netwerk van onderzoeksgroepen, die in relatie met het instituut maar volledig auto noom en onafhankelijk, hun eigen onderzoek kunnen uitvoeren.
De voorwaarden, die de VRWB vooropstelt, hebben betrekking op: • volwaardige en directe betrokkenheid van de industrie bij het beheer; • het optimaal ondersteunen van de meest be lovende onderzoeksg roepen via het gea sso cieerde netwerk (ook met voldoende finan ciële middelen), zowel op het gebied van de valorisatie als op dat van de contacten met het bedrijfsleven; • hetvermijden van concurrentie metal aanwe zige waardevolle onderzoeksgroepen; • een gegarandeerde specifieke inbreng van de participerende groepen en synergetische intra-universitaire, interuniversitaire en multidisciplinaire samenwerking zonder overlap ping; • brede evaluatie en peer review, zowel van de activiteiten van de onderzoeksploegen in het netwerk buiten de instelling als van de on derzoeksactiviteiten binnen het instituut; bij deze evaluatie is het criterium industriële va lorisatie in Vlaanderen essentieel; • een niet te grote spanning tussen het budget voor het instituut en dat voor de groepen erbuiten om te vermijden dat een leegloop ont staat van deze groepen richting instituut; • verantwoordelijkheid van het instituut op het gebied van onderzoek en het maatschappe lijk debat betreffende de sociale, ecologische en ethische aspecten van het biotechnolo gieonderzoek en de medische, agrarische en industriële aspecten ervan. De VRWB beklemtoont de nood aan een perio dieke evaluatie van de ingestelde structuur om na te gaan of deze tegemoetkomt aan de vooropgestelde doelstelling en of de kwaliteitsver eisten worden gerespecteerd.
1
Bovendien vraagt de VRWB erop toe te zien dat het oprichten van een structuur, die in haar on derzoek eerder marktoriënterend, gericht zal
zijn, het Vrije universitaire basisonderzoek niet zodanig zal beïnvloeden dat de universiteit
haar rol van kennisverruimend onderzoek dreigt te verliezen. De VRWB beveelt dan ook aan om de basis waaruit alles groeit, het univer sitair niet-georiënteerd onderzoek, te verste vigen.
Nieuwe materialen
De VRWB kan ermee akkoord gaan dat na een evaluatie een kleine impuls wordt gepland om tegemoet te komen aan directe behoeften in het domein van de Nieuwe Materialen. Daarenbo ven is het raadzaam zware infrastructuur opti maal aan te wenden ten bate van de gehele onderzoekswereld en de industrie.
Informatietechnologie
De VRWB onderschrijft de doelstelling in de technologienota om Vlaanderen toegang te ge ven tot de wereld van multimedia-communica tie, producten en diensten door het uitbouwen van een technologisch potentieel van wereld formaat terzake. Het geven van een gerichte stimulans aan O&O rond basis- en systeemtech nologieën voor aanwending in multimediatoe passingen vindt de VRWB een gepaste keuze, gelet op het aanwezige kennispotentieel en de industriële activiteit op het gebied van informa tietechnologie in Vlaanderen.
Tewerkstelling in onderzoek
De VRWB is van oordeel dat het verminderen van de RSZ-bijdrage voor nieuwe aanwervin gen voor O&O-personeel in het bedrijfsleven en in de universiteiten inderdaad een interessante denkpiste is. Het is evenwel wenselijk de impact te onderzoeken op de toename van de O&O besteding in universiteiten en bedrijven ener zijds en de budgettaire gevolgen anderzijds.
De VRWB gaat akkoord met de voorgestelde procedure voor de advisering over de selectie van drie multimediatoepassingen, die als kap stok zullen fungeren. De VRWB beveelt aan bij de selectie de volgende criteria aan bod te laten komen: • het verwachte marktpotentieel op middel lange en lange termijn; • de potentiële hefboomwerking voor basison derzoek en voor de ontwikkeling van nieuwe telecomdiensten; • de mogelijke bijdrage tot de realisatie van de doelstellingen van het project Vlaanderen-Eu ropa 2002; • de maatschappelijke effecten.
Technologiediffusie
De VRWB kan instemmen met de aandacht die uitgaat naar de technologiediffusie en valorisa tie, als essentiële elementen van innovatie. De VRWB beveelt aan om na de aangekondigde evaluatie en analyse van bestaande kanalen en initiatieven, onverwild de gepaste maatregelen te treffen om techno ogiediffusie en valorisatie binnen Vlaanderen te optimaliseren, in het bij zonder voor de KMO’s. MINDERHEIDSSTANDPUNT
Ook vraagt de VRWB de O&O-activiteiten niet enkel toe te spitsen op de technologische infra structuuraspecten maar ook voldoende aan dacht te schenken aan onderzoek omtrent de informatie-inhoud.
Bij het VRWB-advies werd een minderheids standpunt gevoegd, ondertekend door zeven VRWB-leden. Deze zeven leden vinden de tech nologienota onevenwichtig en weinig onder bouwd. Steun aan de vooropgestelde opties is volgens hen op dit ogenblik dan ook niet te verantwoorden. 19
Advies van de VRWB inzake het ontwerp-besluit van de Vlaamse regering betreffende de toekenningsvoorwaarden van de jaarlijkse toelagen van de Vlaamse Gemeenschap aan het Nationaal Fonds voor Wetenschappeli/k Onderzoek (NFWO) en de erbij geassocieerde onderzoeks fondsen. VRWB-R/ADV 41 8 september 1994 -
De Vlaamse regering bepaalt in dit ontwerpbesluit de voorwaarden die aan het NEWO worden opgelegd voor de toekenning van de toelagen voor het niet-georiënteerd weten schappelijk onderzoek in Vlaanderen. Sinds de wijziging van de statuten van het NFWO in juni 1992 is het de Vlaamse raad van bestuur van het NEWO die deze toelagen beheert. Het NFWO dient om de vijf jaar een beleids plan op te stellen met de krachtlijnen van zijn beleid voor de besteding van de toelagen. Het beleidsplan wordt ter goedkeuring aan de Vlaamse regering voorgelegd. Deze wint hier over het advies van deVRWB in. Daarnaast stelt het NFWO jaarlijks een uitvoeringsplan op waarin de vastlegging van de beschikbare mid delen wordt uiteengezet op basis van de krachtlijnen die in het beleidsplan werden geformu leerd. Voor de onderzoeksmandaten van onbepaalde duur worden bi jkomende voorwaarden gesteld: De toelagen worden beperkt tot een jaarlijks maximumbedrag: het referentiebedrag is 585 miljoen fr. (1993). Dit bedrag wordt aangepast aan de evolutie van de salariskos ten. Het totale aantal mandaten wordt beperkt tot tweehonderd. Het NFWO moet om de vijf jaar de weten schappelijke prestaties van deze mandaathouders evalueren.
—
—
Wanneer de arbeidsovereenkomst van ten min ste tien mandaathouders beëindigd wordt, kent de Vlaamse regering, binnen de perken van de begrotingskredieten, aan het NFWO een bonus toe in de vorm van een aanvullende toelage (107,4 miljoen fr. in 1994) voor projectgebon den onderzoek. De VRWB beklemtoont in zijn advies, uitge bracht op 8 september 1994, dat het NFWO hét financieringskanaal is voor het niet-geori ënteerd wetenschappelijk onderzoek in Vlaan deren. De verdere rationele uitbouw van het NFWO is van het allergrootste belang. De VRWB erkent en benadrukt de volgende funda menteel belangrijke krachtlijnen: de uitdrukkelijke wens tot stimulering van een brede nationale en internationale samenwer king; de nadruk op een kwaliteitsgebonden beleid van het niet-georiënteerd wetenschappelijk onderzoek, i.e. enkel op basis van weten schappelijke waarde, onder meer op basis van een systematische en grondige indicato renanalyse. —
—
De VRWB beklemtoont het niet-georiënteerd karakter van het fundamenteel onderzoek dat enkel ingegeven is door het studieobject (de natuur, de mens, de maatschappij, de cul tuur,...) en de poging van de onderzoeker om de onbekende dimensies ervan te doorgronden. De VRWB beveelt het NFWO aan er in het bij zonder op toe te zien dat er niet geraakt wordt
aan het niet-georiënteerd karakter van het door het NFWO gesteund wetenschappelijk on derzoek. Het beleidsplan, dat door de instelling zelf wordt opgesteld, geeft de algemene beleidslij nen aan. Het kan rekening houden met de alge mene doelstellingen en uitgangspunten be treffende het niet-georiënteerd onderzoek zoals geformuleerd in het wetenschapsbeleid van de Vlaamse regering, in zoverre dit niet leidt tot een inhoudelijke inmenging van de Vlaamse over heid in het niet-georiënteerd wetenschappelijk onderzoek. lntrinsiek gebeurt basisonderzoek op initiatief van de onderzoeker. De kwaliteit van het onder zoek wordt door het NEWO verzekerd via ex ante en ex-post evaluatie. Het beleidsplan van het NFWO moet zich in de eerste plaats concen treren op de procedures en de kwaliteit. De selectieprocedures voor de toekenning van beurzen, mandaten en kredieten, moeten de garantie bieden dat het enige criterium de we tenschappelijke waarde is van de kandidaat, van het onderzoeksproject en van de onder zoeksg roep. Dit impliceert dat: de beoordeling plaatsvindt door experts die in het vakgebied een algemene erkenning genieten; deze experts niet betrokken kunnen zijn bij het project of bij de kandidaat; een belangrijk aantal leden van de commis sie experts zijn die niet verbonden zijn aan een Vlaamse universiteit. —
—
—
Hoewel het gaat om niet-georiënteerd onder zoek kan het voor Vlaanderen toch belangrijk zijn enkele accenten te leggen. Inschakeling in Europese verbanden en stimulering van brede federale en internationale samenwerking wordt zeer terecht beklemtoond.
De VRWB dringt aan om een grondige analyse uit te voeren van de reële behoeften van het fundamenteel onderzoek in Vlaanderen. Het is noodzakelijk om op basis van een dergelijke analyse tot een rationeel voorstel te kunnen ko men voor het aantal postdoctorale onderzoeks mandaten en het aantal mandaten van onbe paalde duur. Door nu het aantal te beperken tot ten hoogste 200 wordt elke mogelijke en noodzakelijke groei van het vast onderzoekers potentieel uitge sloten. Door de algemene middelen voor het niet-georiënteerd wetenschappelijk onderzoek substantieel te verhogen, zoals bepleit door de VRWB, kan aan dit probleem tegemoet geko men worden.
Advies over de implicaties van diensten op kabel en/of tele foon lijn en” voor de Vlaamse wetenschappelijke wereld. VRWB-R/ADV 42-28 juni 1995 Naar aanleiding van het project “TelenetVlaan deren” van de Vlaamse minister van Economie, heeft de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbe leid (VRWB) zich willen beraden over de implicaties die dit project zal teweegbrengen voor de Vlaamse wetenschappelijke wereld. Op verzoek van de VRWB heeft de minister het eindrapport dd. 2 oktober 1994 van het studiesyndicaat “Nieuwe diensten op kabel en/ of telefoonlijnen” meegedeeld en tevens expli ciet de Raad om advies verzocht. Dit advies is voorbereid in een ad hoc werk groep en door de VRWB goedgekeurd op 28 juni 1995. De belangrijkste aanbevelingen worden hierna samengevat.
Tevens zou Telenet Vlaanderen de Vlaamse O&O-activiteiten op het gebied van telematica, telecommunicatie, technologie en informatie moeten ondersteunen zowel door eigen onder zoeksprojecten, als door ondersteuning van O&O-projecten van andere Vlaamse actoren. Er is behoefte aan bijkomend O&O-onderzoek op technologisch gebied maar ook aan verder onderzoek met betrekking tot het aanbieden en gebruiken van diensten, inbegrepen het onder zoek ter ondersteuning van het overheidsbeleid terzake. De VRWB wijst erop dat de uitbouw van een informatiemaatschappij bedreigingen kan in houden op cultureel, sociaal, economisch,... gebied. Wetenschappelijk onderzoek inzake o.m. acceptatie, toegankelijkheid, arbeidsver houdingen, intellectueel eigendomsrecht, cul tuurbescherming,... moet inzicht geven niet al leen in positieve maar ook in eventueel nega tieve effecten, zodat de nodige bijsturing in de verdere ontwikkeling van de Vlaamse infor matiesamenleving tijdig uitgevoerd kan wor den.
De VRWB is van oordeel dat in Vlaanderen een aanzienlijke en belangrijke kennis aanwezig is op het gebied van informatietechnologie in het algemeen en informatica in het bijzonder, zo wel op hetdomein van de wetenschappelijke en technologische aspecten als op dat van de gebruikersaspecten. Deze kennis is aanwezig in de industrie, universiteiten en onderzoeks instellingen. Het is noodzakelijk bij de uitbouw van de Vlaamse informatiesamenleving en Telenet Vlaanderen in het bijzonder de competente Vlaamse actoren uit de industrie, de universitei ten en de onderzoeksinstellingen maximaal te betrekken. Het opstarten en de uitbouw van Telenet Vlaanderen zou op deze wijze in be langrijke mate kunnen bijdragen tot de verdere ontwikkeling van het onderzoek in Vlaanderen op het gebied van de informatietechnologie.
Het is belangrijk voor de Vlaamse informatiesamenleving en Telenet Vlaanderen in het bij zonder dat deze integreren in de internationale netwerken. Rechtstreekse deelname van Vlaan deren in overlegorganen, waar standaardisatie en regelgeving besproken worden is essentieel.
22
De VRWB is er zich van bewust dat een succes volle overgang niet alleen afhankelijk is van de technologische ontwikkeling en van de techni sche kennis, maar ook in belangrijke mate van het algemene maatschappelijke kader. Het is cruciaal erop toe te zien dat het potentieel van individuele en groepsbevrijding sterker geactu
aliseerd wordt dan hetverslavend, dehumanise rend potentieel. Opleiding en vorming vormen dus een cruciaal gegeven zowel voor het algemeen vormend aspect van de bevolking in het algemeen, als voor de technische en technologische oplei ding.
Advies betreffende de Vlaamse Horizontale Begrotingsprogramma”s We tenschapsbeleid 1994-1995 VRWB-R/ADV 43 28 juni 1995 -
Zoals bepaald in het oprichtingsdecreet van 1 5 december 1 993 brengt de VRWB elk jaar ad vies uit over het gevoerde en te voeren begrotingsbeleid inzake wetenschapsbeleid. De commissie Begroting en Financiën analy seerde en besprak de Vlaamse horizontale begrotingsprogramma’s wetenschapsbeleid 1 994 en 1 995, ter voorbereiding van onderstaand en samengevat advies. Hierbij werden de Vlaamse overheidskredieten voor weten schapsbeleid in een Belgisch en een internatio naal kader geplaatst. Hun evolutie in de tijd werd eveneens nagegaan. Het integrale advies en de volledige analyse zijn verkrijgbaar bij het VRWB-secretariaat. De VRWB vraagt de Vlaamse overheid om de financiële inhaalbeweging, die sinds 1 993 voor O&O werd ingezet, voort te zetten en nog te versnellen, zeker tot minstens het niveau van onze belangrijkste handelspartners, d. i. 1 % van het bruto regionaal product aan O&O-bestedin gen in Vlaanderen gefinancierd door de Vlaamse en federale overheden. Om na te gaan of dit doel bereikt wordt, is het wel vereist dat het bruto regionaal product voor Vlaanderen offici eel wordt vastgesteld, en dat de impact van de
federale uitgaven voor O&O voor Vlaanderen bekend is. Om de reële prijsevolutie van O&O activiteiten realistisch te kunnen inschatten sug gereert de VRWB om hiervoor een specifiek deflatormodel te ontwikkelen. De overheid dient maximaal te investeren in de universiteiten. Dit kan door een herverdeling van het hele onderwi jsbudget of door een alge mene herschikking van de overheidsuitgaven. De VRWB beklemtoont dat het verhogen van de middelen gepaard moet gaan met het verhogen van de efficiëntie, door de stimulering van ratio nalisatie in onderzoek en opleiding door net werkvorming, eventueel leidend tot kwalitatieve zwaartepuntvorming, in onderzoek, en door multidisciplinariteit waar dit toegevoegde waarde geeft.
De VRWB meent dat de overheid de verruiming van de O&O-basis voor het Vlaamse bedrijfsle ven moet stimuleren, de diffusie van kennis en technologische ontwikkeling naar industrie, diensten en maatschappij sterk moet verbete ren, en het tewerkstellingsbevorderend effect van O&O-investeringen moet maximaliseren. Het overheidsinsirumentarium moet hiervoor voldoende gedifferentieerd zijn. De overheids financiĂŤn voor O&O-bestedingen in de industrie moeten op een internationaal vergelijkbaar ni veau gebracht worden, samen met een blij vende inspanning vanuit de industrie. Verder vraagt de VRWB eenduidigheid na te streven in het horizontaal begrotingspro gram ma voor wetenschapsbeleid. De kredieten bestemd voor wetenschapsbeleid dienen deze bestemming te behouden binnen elk activiteiten programma. Bovendien raadt de VRWB aan om tegenover een horizontale begroting een horizontaal be leid en beleidsbrief te situeren. De VRWB beveelt de Vlaamse overheid met aandrang aan opdracht te geven om Vlaamse O&O-indicatoren te ontwikkelen, die inzicht geven in de status en dynamiek van O&O en innovatie in Vlaanderen, in overleg met de be trokken actoren. Niet alleen moet men de Vlaamse bestedingen voor O&O volgen maar ook de federale en Europese O&O-kredieten. De VRWB dringt bij de federale overheid aan om meer realistische en recente ramingen te gebruiken, in het bijzonder voor de industriĂŤle bestedingen, omtrent de O&O-inspanningen in BelgiĂŤ. Vlaanderen dient optimaal betrokken te worden bij de federale besluitvorming om de impact van belangrike federale initiatieven inzake we tenschapsbe eid voor Vlaanderen te vergroten. De VRWB beveelt dan ook aan om dringend een Federale Raad voor Wetenschapsbeleid
24
(FRWB) te installeren. De FRWB moet een ad viesorgaan zijn die in een juxtapositie staat t.o.v. de adviesraden van Gewesten en Ge meenschappen. Voor het eerst werd een bestedingsanalyse van de wetenschapskredieten voor de laren 1 989, 1990, 1991 aan de VRWB voorgelegd. Dit is een eerste aanzet om tegemoet te komen aan eerdere vragen van de VRWB. Het is echter duidelijk dat ook dit instrument verfijning vraagt. De methode zou in overleg met de be trokkenen bijgesteld moeten worden, in het b1zonder wat betreft de verdeling over de verschi lende wetenschapsdomeinen. Het doel moet zijn de gewenste informatie op een gebruiks vriendelijke wijze weer te geven. -
Ook de opdeling naar NABS-codes van de Vlaamse kredieten voor wetenschapsbeleid zou meer genuanceerd moeten worden, zodat de opsplitsing ook inhoudelijk zin heeft.
AqnxQijngL Aanbeveling bil de beleidsbrief: “Het Wetenschapsbeleid in Vlaanderen Beleidsbriet voor 1995” VRWB-R/AANB 05-28 luni 1995 Minister-president L. Van den Brande stelde in oktober 1994 zijn beleidsbrief “Het Weten schapsbeleid in Vlaanderen Beleidsbrief voor 1 995” voor in de commissie Onderwis, Vor ming, en Wetenschapsbeleid van de V aamse Raad. Dit document werd uitvoerig besproken in de schoot van de VRWB, meer bepaald in de commissie Wetenschapsbeleid. Op basis van de gevoerde discussie formuleerde de VRWB de hierna samengevatte aanbevelingen. —
De VRWB stelt vast dat er belangrijke inspannin gen geleverd worden om het wetenschappelijk onderzoek te stimuleren en te ontwikkelen. Dit komt tot uiting in de stijging van de algemene middelen. De beleidsbrief 1 995 geeft een gedetailleerde toelichting bij het technologiebeleid, het onder zoek met economische relevantie, het techno logiediffusiebeleid en de problematiek van de KMO’s. Wetenschapsbeleid is evenwel een bijzonder brede materie. Vanuit een logisch streven naar een evenwichtige aandacht voor de verschil lende domeinen van het wetenschapsbeleid en voor de verschillende onderzoekstypes wenst de Raad zijn bezorgdheid uit te drukken. De VRWB meent dat het beoogde beleid, de hoofd zaak van de argumentatie, de haast volledige inhoudelijke onderbouw van de nota al te zeer beperkt is tot een identificatie van het weten-
De integrale tekst van de aanbevelingen is op schriftelijke aanvraag te verkrijgen bij het VRWB-secretariaat.
—
schapsbeleid met het economische beleid. De VRWB stoort zich in het bijzonder aan de afwe zigheid van enige inhoudelijke analyse in het domein van het fundamenteel onderzoek. Het integrale domein van de humane wetenschap pen komt helemaal niet aan bod. Tevens merkt de VRWB op dat men van de ad ministratie voor de Programmatie van het We tenschapsbeleid (APWB) nog inspanningen ver wacht om aan de gegevens een grotere duide lijkheid en eenvormigheid te geven. Er zou naar een zekere correlatie tussen de omvang van de middelen en de tekstuitleg ge streefd moeten worden. De internationale samenwerking wordt zeer summier behandeld en mist een duidelijke visie. De VRWB pleit ervoor om het principe van het minimale aantal loketten consequent toe te pas sen. De Raad heeft duidelijk vertrouwen in de werking van het NFWO en het IWT en ervaart elke verdere uitholling als nefast. De VRWB dringt ten slotte aan op een duidelijke samenhang tussen de opeenvolgende beleidsbrieven. Tevens pleit de Raad ervoor om tegen over elke horizontale begroting een horizontaal beleid en een beleidsbrief te stellen. Deze kop peling zou bijdragen tot een beter inzicht in het gevoerde beleid.
Aanbeveling betreffende de Vlaamse deelname aan Europese onderzoeks programma s. VRWB-R/AANB 06 14 september 1995 -
De aanbeveling gaat uit van eerdere VRWB adviezen omtrent de deelname van Vlaamse onderzoeksgroepen en bedrijven aan Europese onderzoeksprogramma’s, uitgebracht in 1 989 en 1991. Verder is ze gebaseerd op de nieuwe ontwikkelingen van het Europese OTO-beleid en de gevolgen hiervan voor de Vlaamse deelnemers. De VRWB formuleert zijn aanbeve lingen rond de punten: informatieverstrekking, kwaliteitsbevorderi ng en evaluatie, het Vlaamse onderzoeksbeleid en integratie. Informatie • DeVlaamse Gemeenschap moet hetversprei den van vroegtijdige en correcte informatie verder organiseren en de verschillende infor matiestromen op elkaar afstemmen. • Het Vlaamse overleg ter voorbereiding van het Vde Kaderprogramma moet vroegtijdig opgestart en optimaal georganiseerd wor den, om enerzi[ds het Vlaamse standpunt te bepalen betreffende de invulling van het Kaderprogramma, en anderzijds de onder zoekers in een vroeg stadium te informeren. • Kwantitatieve informatie betreffende de Vlaamse deelname aan de EU-onderzoeks programma’s moet op regelmatige wijze bij gewerkt worden.
26
Kwaliteitsbevordering en evaluatie De Vlaamse Gemeenschap moet de inspan ningen voortzetten om onderzoeksgroepen voor te bereiden en hun deelname aan EU programma’s te bevorderen, zowel op basis van relevante kwaliteitscriteria als op basis van het eigen OTO-beleid van de Vlaamse Gemeenschap. De lopende stimuleringsactie voor universitaire onderzoeksploegen ter bevordering van de deelname aan EU-pro jecten moet worden geëvalueerd naar zijn initiële doelstelling en bij positieve evaluatie worden voortgezet. Het budget van de stimuleringsactie moet evenwel verdeeld worden over de twee onderscheiden onder delen, de cofinanciering enerzijds en de pro jecten Verkennende Internationale Samen werking anderzijds en wel volgens een ver deelsleutel die autonoom door de universitei ten moet worden voorgesteld, afhankelijk van de behoeften en binnen de doelstellingen van het programma. • Door het toenemen van het aantal potentiële kandidaten en de daarmee gepaard gaande grotere competitie wordt het belangrijk dat supplementaire criteria, die zich niet enkel richten op de intrinsieke wetenschappelijke waarde, al van in de aanvraagfase bekend zijn en correct worden toegepast. De rol van de regionale en federale vertegenwoor digers in de managementcomités is in dit opzicht van groot belang.
II
Vlaams onderzoeksbeleid
De Vlaamse Gemeenschap dient bij het uit werken van haar onderzoeksbeleid na te gaan enerzijds hoe kan worden afgestemd op de acties binnen het Europees kaderpro gramma, en anderzijds hoe de Vlaamse Gemeenschap via eigen initiatieven de Vlaamse know-how en technologische voor uitgang kan bevorderen in domeinen die de EU niet of in geringe mate ondersteunt. In het licht van de recente wendingen in het EU-onderzoeksbeleid ten bate van projecten met hoge industriële mogelijkheden, beveelt de VRWB aan te evalueren hoe de partici patiegraad van Vlaamse onderzoeksgroe pen en bedrijven hierdoor beïnvloed werd. Aan de hand van deze evaluatie en op basis van de eigen beleidsopties zal moeten wor den nagegaan in welke mate specifieke ac ties ondernomen moeten worden ten bate van een innovatiebeleid dat zich oriënteert op de industriële technologische behoeften. Tegelijkertijd moet erop worden toegezien dat, ten gevolge van de zuigkracht van Euro pese fondsen, een aantal vooraanstaande Vlaamse onderzoeksgroepen die zich thans concentreren op niet-gericht basisonder zoek, hun werkterrein niet eenzijdig zouden verleggen naar meer toegepast onderzoek en industriële ontwikkelingen. Deelname aan EU-projecten stelt Vlaamse onderzoeksgroepen voor specifieke pro blemen die verband houden met de hoge salariskosten van Vlaamse onderzoekers en bijkomend met de recente koersfluctuaties van de ECU. De Vlaamse overheid moet er in de nabije toekomst bijzonder op toezien dat dit niet leidt tot een vermindering van de Vlaamse deelname aan EU-programma’s, zowel in termen van budget als op inhou delijk vlak. DeVRWB beveelt de Vlaamse Gemeenschap aan ook de valorisatie en exploitatie van technologische kennis te bevorderen via een
tijdige en zo effectief mogelijke overdracht van technologische kennis vanuit de onderzoeksinstellingen en de universiteiten naar de ondernemingen. Integratie
Via deelname aan EU-prolecten zijn Vlaamse onderzoeksgroepen en bedrijven op Europese schaal actief in hetaanbieden en verwerven van wetenschappelijke en technologische know how. De structuur van EU-programma’s is er, echter niet op gericht om de intraregionale sa menwerking te bevorderen. De VRWB beveelt daarom de Vlaamse overheid aan stimulerende acties te ondernemen die Vlaamse bedrijven, universiteiten en onder zoeksinstellingen ertoe aanzetten om samen te participeren in EU-projecten. Hierdoor zou de overdracht van kennis en technologie ten bate van het Vlaamse bedrijfsleven in belangrijke mate bevorderd kunnen worden.
Aanbeveling inzake het stimuleren van de cultuur- en gedragswetenschap pen naar aanleiding van de studie “Wetenschap als Cultuur”. VRWB-R/AANB 07- 14 September 1995 Al geruime tijd besteedt de VRWB uitgebreid aandacht aan het brede domein van de cultuuren gedragswetenschappen. In het voorjaar van 1992 installeerde de VRWB hiervoor een ad hoc werkgroep. Uitgaande van een algemeen ervaren verdrukking van de cultuur- en gedrags wetenschappen stelde deze werkgroep een aantal innoverende en remediërende maat regelen voor. Tijdens een studieopdracht uitge voerd door de onderzoekers Marc Demey (promotor), Tom Claes en Johan Braekman, zijn een massa kwantitatieve gegevens verzameld; er is ook een uitgebreide kwalitatieve documen tering samengebracht, waarvoor de inspiratie geput is uit een brede enquête en een ruime bibliografische raadpleging. Over het onder zoek verscheen een rapport “Wetenschap als Cultuur”, dat in boekvorm wordt verspreid. Het geeft een scherpe probleemanalyse en biedt een aantal suggesties voor mogelijke oplossin gen. In de voorliggende aanbeveling vat de VRWB, die steunt op het voormeld rapport en met aan dacht voor recente Nederlandse gegevens, de problematiek van de cultuur- en gedragsweten schappen in het kort samen rond de volgende punten: • een algemene onderschatting van de maat schappelijke relevantie van de cultuur- en ge d ragswetenschappen; • de moeilijke basiscondities voor weten schapsbeoefening in de taal- en cultuurwetenschappen; • de onderfinanciering (vooral wat de externe financieringsbronnen betreft) en de evolutie in dalende lijn;
• de nadelige werking van het criterium maat schappelijke relevantie enerzijds voor de taal- en cultuurwetenschappen wat het maatschappelijk onderdeel betreft, en ander zijds voor de maatschappijwetenschappen wat het fundamenteel gedeelte betreft; • de specificiteit van wetenschapsbeoefening in cultuur- en gedragswetenschappen. De VRWB stelt expliciet dat een verhoging van de financiële middelen noodzakelijk is, maar duidelijk niet voldoende om de problematiek van de cultuur- en gedragswetenschappen op te lossen. Naast een volgehouden beklemtoning van kwaliteitsvereisten zijn structurele innova ties nodig. De VRWB richt zijn aanbevelingen tot de verschillende niveaus:
1. de cultuur- en gedragswetenschap pen: doctoraten aanmoedigen, omkadering en begeleiding bevorderen; het aantal goede en goed opgestelde projectaanvra gen verhogen en oog hebben voor continuï teit, onder meer door het postdoctorale ni veau uitte bouwen; naast eenmansprojecten ook grotere projecten met duidelijke natio nale en internationale samenwerkingsver banden stimuleren; duidelijker streven naar een zinvolle interdisciplinariteit en inter nationalisatie (o.m. op het gebied van pu blicatiebeleid); meer zorg besteden aan de doorstroming van de culturele en maatschap pelijke relevantie van de vraagstelling en de resultaten; bovendien het belang blijven be klemtonen van onderzoek in de cultuur- en gedragswetenschappen ten behoeve van het Nederlands taalgebied in het algemeen en Vlaanderen in het bijzonder.
2. de universiteiten: voor alle studierichtin gen, de cultuur- en gedragswetenschappen inbegrepen, moet de onderwijsdruk vermin deren door in een verhoogde basisfinan ciering en daarmee in een betere personeels bezetting te voorzien; door meer realistische studieprogramma’s, afgestemd op de reële personeelsbezetting en zodanig dat de onderzoeksfunctie van het academisch per soneel niet in het gedrang wordt gebracht; door diversificatie van onderwijsvormen, waardoor er meer ruimte kan komen voor bv. sabbaticals en door interne en interuniversi taire samenwerkingsverbanden te stimule ren.
3. het beleid: • Er dient een structurele oplossing te wor den gevonden om de basisfinanciering te verhogen die beschikbaar is voor het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten. Dat zijn immers de kre dieten waarop het gros van het onderzoek in de cultuur- en gedragswetenschappen stoelt. • Een dringende inhaaloperatie is nodig voor de lamentabele financiële toestand. Dit zou het best gebeuren door het cre ëren, in het kader van het NFWO, van substantiële extra middelen voor de cul tuur- en gedragswetenschappen, bestemd voor doctorandi, voor post-doc-mandaten en voor projecten. Op dit domein is een gestadige uitgebouwde actie te verkiezen boven een eenmalige parachutage van spectaculaire middelen en mandaten. • Terwijl het herstellen van de eerste geld stroom het fundamentele aspect van de maatschappijwetenschappen zal onder steunen, dient ook dringend het beleidson dersteunend en gericht onderzoek uitge breid te worden tot het maatschappelijke aspect van de taal- en cultuurwetenschap pen, zoals mediabeleid, onderwijs, ethi sche aspecten in het welzijnswerk,... • Het creëren van een platform dat als aan hechtingspunt functioneert voor projecten, samenwerkingsverbanden, onderzoeks mandaten, sabbaticals, enz. De re centelijk gecreëerde wetenschappelijke onderzoeksgemeenschappen van het NFWO, spijtig genoeg nog te gering in aantal, zijn in dit verband een aanbeve lingswaardig initiatief. • Alle financierende instanties zouden in het bijzonder een inspanning moeten leveren om de ongelijkheid ongedaan te maken; zij zouden projecten moeten creëren van hoogstaande kwaliteit voor langere duur (4 â 6 jaar) en deze met voldoende midde len ondersteunen.
*
Eerder dan een nieuw interdisciplinair onderzoekscentrum te creëren, dienen de financierende instanties voor de nodige stimulansen te zorgen voor nauwere sa menwerking met bestaande internationale performante centra, voor concentratie van
mensen en middelen rond welbepaalde thema’s voorgesteld door de onderzoe kers en voor interdisciplinaire onder zoeksgemeenschappen (in brede zin) in het NFWO.
Aanbeveling bi/ het IWT-rapport “Toekenning van de specialisatiebeurzen voor het academiejaar 1994-1995”. VRWB-R/AANB 08-26 oktober 1995 Vanaf 1 oktober 1 994 werden het beheer en de coördinatie van de Vlaamse specialisatiebeur zen van het nationale IWONL overgedragen aan het IWT. Dit ging gepaard met een aantal belangrijke wijzigingen, zowel op het gebied van het beursconcept, de potentiële aan vragers, de samenstelling van de evaluatiecolleges als de evaluatie- en selectieprocedures. Over de eerste selectieprocedure georgani seerd door het IWT in het najaar van 1 994, wordt in het voormeld rapport uitgebreid ver slag uitgebracht en wel over het verloop van de beoordelingsprocedure en de wijze van selectie van de bursalen. Verder worden de resultaten uitvoerig besproken wat betreft de algemene evolutie, de evolutie per wetenschapsdiscipline en per universiteit.
De VRWB is van oordeel dat het IWT de selectieprocedure voor de toekenning van de specialisatiebeurzen voor het academiejaar 1994-1995 professioneel heeft georganiseerd. Het voorgelegde rapport getuigt van grondig heid en een optimaal streven naar objectiviteit. De procedure is goed en fair verlopen. Aan de VRWB-aanbeveling dat voor de ver lenging na het tweede jaar van de beurstermijn een bondige procedure moet volstaan, is de raad van bestuur van het IWT al in zekere mate tegemoetgekomen door de goedkeuring van een nieuw reglement waarin de vereiste ver slaggeving sterk wordt vereenvoudigd. De criteria m.b.t. de kwaliteit van de kandidaat en de haalbaarheid van het project— hoewel dit tweede criterium niet altijd even duidelijk was zijn volgens de VRWB terechte criteria. Het lWT zal v66r de herfstsessie 1995 het criterium ‘haalbaarheid’ beter definiëren, waarbij meer de nadruk zal worden gelegd op de planning van het project. Het criterium van toepas baarheid, dat weliswaar in derde orde in aanmerking wordt genomen, moet volgens de VRWB begrepen worden in de zin van mogelijk toepasbaar karakter, zoals de VRWB al in 1 992 adviseerde. —
In het totaal zijn er nu 435 IWI-bursalen, d.i. een stijging van 9% ten opzichte van 1 993 en tevens het hoogste aantal sinds het ontstaan van de specialisatiebeurzen. De instroom van eer st&aarsbursalen (138) ligt boven het gemid de de van de laatste drie laar (126). Het aantal kandidaten voor een eerste beursjaar was even wel uitzonderlijk hoog (457), zodat de selectie van de eerstejaars dan ook erg zwaar was.
Door het grote aantal kandidaten dienden een groot aantal deskundigen te worden aangezocht voor de beoordelingsjury’s. De VRWB heeft vastgesteld dat het IWT de nodige inspan ningen heeft geleverd om de beoordeling door de verschillende jury’s zoveel mogelijk op een homogene wi jze te laten verlopen. Een positieve inbreng van de industrie in de jury wordt als een noodzaak ervaren, voor die jury’s waar het kan. De VRWB beveelt aan om ook de volgende ja ren het aantal beurzen te laten aangroeien, na evaluatie van de behoeften, en daarvoor de nodige middelen te reserveren, In de toekomst zou zeker aan iedere kandidaat die een score behaalt van 1 6 en meer een beurs moeten wor den toegekend. Voor degenen die een tweede termijn aanvragen, moet het principe zijn dat
aan iedere kandidaat die al bij de aanvang een strenge selectie heeft doorstaan, bij een nor male voortgang van zijn onderzoeksproject een verlenging wordt toegestaan. De financiële implicaties hiervan kunnen opgevangen wor den door de geplande stijging van de beursmid delen. Verder vraagt de VRWB aan het IWT te onder zoeken of bij het toekennen van een beurs ook een forfaitair bedrag kan worden uitgetrokken als tegemoetkoming in de werkingskredieten, zodat het budget van het laboratorium waar de bursaal zijn onderzoeksproject uitvoert, iets minder onder druk komt te staan. Een dergelijke maatregel mag evenwel financieel zeker niet gecompenseerd worden door het aantal beurs mandaten te verminderen.
Memora nda en Commentaren Boodschap aan de nieuwe Vlaamse regering met betrekking tot het Vlaamse wetenschapsbeleid VR WB-R/MEM 02-30 mei 1995 De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) formuleert in een boodschap gericht aan de Vlaamse regering aanbevelingen voor de krachtlijnen van een evenwichtig weten schaps- en technologiebeleid. Deze aanbevelin gen zijn gesteund op uitvoerige analyses en discussies in de schoot van de VRWB en zijn commissies. 1. Een evenwichtig wetenschaps- en technologiebeleid door de overheid Vanwege het cultureel, maatschappelijk en eco nomisch belang zal een samenleving die zich zelf respecteert, hoge prioriteit geven aan we tenschappelijk onderzoek. De overheid moet deze prioriteit ondersteunen door een even wichtig wetenschaps- en technologiebeleid uit te bouwen, met een volwaardige plaats zowel voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) op ini tiatief van de onderzoeker (niet-georiÍnteerd onderzoek), als op initiatief van het bedrijfsle ven (gericht industrieel onderzoek) en op initia tief van en ten behoeve van de overheid (beleidsvoorbereidend en ondersteunend on derzoek). —
De integrale teksten zijn op schriftelijke aanvraag te verkrij gen bij het VRWB-secretariaat.
2. Meer middelen voor onderzoek en ontwikkeling De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O moeten verder stijgen tot minstens het gemid delde van onze belangrijkste handelspartners, namelijk 2% van het bruto binnenlands product. O&O vormt immers een belangrijke component in toekomstgerichtheid en internationale concur rentie zowel voor KMO’s als voor grote bedrij ven. 3. Versterking van onderzoek op ini tiatief van de onderzoeker Het niet-georiÍnteerd onderzoek op initiatief van de onderzoeker moet over een breed spec trum van wetenschapsdisciplines gestimuleerd en ondersteund worden, door het inzetten van meer middelen via de bestaande financierings kanalen. Omdatde universiteiten in Vlaanderen de zetel zijn van het wetenschappelijk onder zoek en historisch werd gekozen voor samen werking tussen universiteit en industrie inzake het steunen van industrieel basisonderzoek, zal maximaal geinvesteerd moeten worden in de universiteiten. 4. Gericht onderzoek Naast het bevorderen van een gunstig innovatieklimaat voor de ondernemingen, moet de overheid de O&O-basis voor het Vlaamse bedrijfsleven verruimen en de diffusie van ken nis en technologische ontwikkeling naar indus trie, diensten en maatschappij sterk verbeteren, met koppeling aan duurzame ontwikkeling.
5. Meer stroomlijning in het gericht on derzoek ten behoeve van het over heidsbeleid Beleidsvoorbereidend en beleidsondersteu nend onderzoek is een belangrijk instrument voor de wetenschappelijke onderbouwing van het overheidsbeleid in de steeds complexer wordende samenleving. Meer transparantie en correcte procedures voor de toewijzing van onderzoekspro[ecfen ten behoeve van het be leid zal de onderzoekskwaliteit ten goede ko men. 6. Wetenschapsbeleid in Vlaanderen professioneel onderbouwen door het ontwikkelen van O&O-indicatoren De Vlaamse overheid moet opdracht geven om O&O-indicatoren te ontwikkelen die inzicht geven in de status en de dynamiek van O&O en innovatie in Vlaanderen. 7. Federalisering wetenschapsbeleid voortzetten De huidige onduidelijkheid inzake de bevoegd heden wetenschapsbeleid dient te worden op geheven. Er is dringend behoefte aan een geĂŤi gend adviesorgaan op federaal niveau.
Commentaar bij de oproep van de onderwijsministers aan de hogere on derwijs- en onderzoeksinstellingen in de regio’s Bremen, Nederland, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen betreffende de grens overschrijdende samenwerking in het hoger onderwijs en het wetenschap pelijk onderzoek. VRWB-R/COM-O 1 7 december 1995 -
Op 3 juni 1995 hebben de ministers van onder wijs van Bremen, Nedersaksen, Noordrijn Westfalen, Nederland en Vlaanderen een schriftelijke oproep gericht aan de hogere on derwijs- en onderzoeksinstellingen om grens overschrijdende samenwerking in het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek in de betreffende regio’s te verbreden en te ver diepen. Naar aanleiding van deze oproep heeft de heer G. Monard, secretaris-generaal van het depar tementonderwijs, de VRWB uitgenodigd hierbij commentaar te geven.
De VRWB kan akkoord gaan met het principe van samenwerking, en vooral met de bottom-up benadering die de ministers willen volgen; de overheden willen ondersteuning bieden bij het verdiepen van de reeds bestaande samenwer king en bij het uitbouwen van nieuwe samenwer kingen via initiatieven van de instelling zelf.
De oproep beoogt de intensivering van de sa menwerking tussen instellingen over de grenzen heen, waarbij gestreefd moet worden naar nieuwe zaken die de kwaliteit van onderwijs en onderzoek in de betrokken regio’s verbeteren. Het uiteindelijke doel moet zijn een open onderwijsruimte te creëren in de desbetreffende regio’s en hierdoor nieuwe keuzemogelijk heden aan de studenten aan te bieden.
De VRWB meent dat in het totale pakket van internationale samenwerking (zowel bi- als multilateraal, en zowel op het gebied van onder wijs als op dat van wetenschappelijk en techno logisch onderzoek) gestreefd moet worden naar coherentie in initiatieven, procedures, financie ring, modaliteiten, prioritaire samenwerkings regio s,...
Bij het formuleren van zijn commentaar heeft de VRWB geopteerd om de topic ‘grensover schrijdende samenwerking’ te benaderen in zijn algemene context. Ma,w. de commentaar be perkt zich niet tot de hierboven beschreven re gio’s, maar handelt over de grensoverschrij dende samenwerking in de ruime betekenis, via netwerken die zich ontwikkelen binnen en bui ten Europa.
De VRWB stelt dat de samenwerking zich niet mag beperken tot de desbetreffende regio’s, maar dat dit gegeven gezien moet worden als een mogelijkheid naast de andere samenwer kingen met verschillende regio’s.
Inhoudelijk beveelt de VRWB aan om uitwisse lingsmogelijkheden te creëren zowel voor doc torandi als voor post-doctorandi, en om vol doende aandacht te besteden aan die discipli nes die onvoldoende aanspraak kunnen maken op andere externe financieringsbronnen, met name de humane wetenschappen en multidisciplinaire onderzoeksdomeinen. Een inven tarisatie van het aanbod van opleidingen en bestaande onderwijs- en onderzoeksvoorzie ningen moet het mogelijk maken aan te tonen
waar samenwerking kan worden geactiveerd en lacunes en overaanbod in het domein zicht baar maken. De regio’s kunnen elkaar helpen op het gebied van kwaliteitszorg door elkaar wederzidse hulp te verlenen bij het uitwerken van eva uatieprocedures en het onderling uit wisselen van experts. Mb.t. de modaliteiten had de VRWB graag informatie gekregen over de omvang en de ver deling van het budget, beschikbaar voor het overeengekomen actieprogramma De VRWB is ook van oordeel dat de overheid de nodige stimulansen moet inbouwen om de grensoverschrijdende samenwerking te verbre den en te verdiepen en suggereert de volgende mogelijkheden het financieren van reis- en verblijfkosten voor docenten die in het buiten land lesgeven; het voorzien in een beperkt aan tal mandaten voor doctorandi en post-docto randi en speciale aandacht voor de uitwisselin gen van jonge postdoctorale onderzoekers.
De VRWB vindt dat andere partners equiva lente maatregelen zouden moeten nemen om een evenwichtige mobiliteit van en naar Vlaanderen te realiseren. De VRWB beklemtoont ten slotte dat de stimulansen in het kader van de voorliggende overeenkomst het best gefinancierd worden via de geĂŤigende kanalen, m.n. het NEWO en het IWT, Dit zal de coherentie en de transparantie van het overheidsbeleid terzake ten goede ko men
De VRWB herinnert eraan dat het NEWO al een aantal initiatieven genomen heeft om grens overschrijdende samenwerking te stimuleren,
met name het fonds voor samenwerkings programma’s met Nederland in het kader van de taal- en cultuurwetenschappen en de recen telijk besliste mobiliteitstoelagen voor postdoc torandi met minimum drie jaar postdocactivi teit.
35
Bi a e
Drie leden voorgedragen door de vertegen werknemersorganisaties woordigd in de SERV
1 SAMENSTELLING VRWB
Johan MAES, directeur studiedienst Vlaams ABVV, in opvolging van Annick CLAUWAERI (vanaf 17 april 1996)
• voorzitter
Ann DEMEULEMEESTER, stafmedewerker stu diedienst ACW
•
••
ROGER DILLEMANS, ererector K.U.Leuven in opvolging van ANDRE OOSTERLINCK (tot 1 november 1995) en diens voorganger JEF ROOS (tot 1 september 1994).
Geert VANSINTJAN medewerker studiedienst ACV in opvolging van Bernard DE POTTER (tot 1 maart 1995)
• Zes leden voorgedragen door de VLIR
Vier leden rechtstreeks benoemd door de Vlaamse regering
Freddy ADAMS, ererector UIA/UA
Gilbert EGGERMONT, gastprofessor, hoofd Dienst Stralingsbescherming VUB
W. Patrick DE WILDE, vice-rector onderzoek VUB Harry MARTENS, rector LUC
•
Roger VAN OVERSTRAETEN, algemeen direc teur IMEC bestuurder
André OOSTERLINCK, rector K.U.Leuven
Staf VAN REET, afgevaardigd Janssen Pharmaceutica nv.
Jean VAN HOUTTE, rector UFSIA/UA
[ode WYNS, hoogleraar, voorzitter Instituut Moleculaire Biologie en Biotechnologie, VUB
Etienne VERMEERSCH, vice-rector UG
Leden die ambtshalve lid zijn met raadgevende stem *
Drie leden voorgedragen door de vertegen werkgeversorganisaties woordigd in de SERV -
Eric VERMEYLEN, directieadvisepr studiedienst, VEV, in opvolging van Guy CLEMER (vanaf 1 november 1995) Luc NIJS, directeur NCMV/CIP, in opvoling van Petrus THYS (vanaf 1 november 1994) Hugo VANDAMME, gedelegeerd bestuurder Barco nv.
Christine CLAUS, directeur-generaal IWT Freddy COLSON, eerste APWB, departement COQ
opdrachthouder
Johan DELANGHE, secretaris-generaal depar tement EWBL Georges MONARD, secretaris-generaal depar tement OND José TRAEST, secretaris-generaal NEWO
MB 17 juni 1994 (BS 05 augustus 1994) Toestand op 1 mei 1996
B i age
—
••
—
SAMENSTELLING COMMISSIE 1 S —
Commissie Wetenschapsbeleid
—
Voorzitter: Lode WYNS, hoogleraar, voorzitter Instituut Moleculaire Biologie en Biotechnologie, VUB —
Robert BOLLEN, algemeen directeur, Industriële Wetenschappen en Technologie, KHLim
—
—
—
—
Roger BOUILLON, coördinator zoeksbeleid, K.U.Leuven
onder —
—
—
Yvan BRUYNSERAEDE, gewoon hoogleraar, voorzitter onderzoeksraad, K.U.Leuven
—
Annick CLAUWAERT, adviseur Studiedienst Vlaams ABVV —
—
—
—
Johan DE GRAEVE, afdelingshoofd departement EWBL Walter DE JONGHE, afgevaardigd bestuurder VITO
—
Martin DE PRYCKER, directeur centrale re search Alcatel-BelI —
—
Ann DEMEULEMEESTER, stafmedewerker studiedienst ACW —
—
—
—
Walter GEERTS, gewoon hoogleraar, facul teitsvoorzitter Romaanse talen, UIA-UFSIA/ UA Benno HINNEKINT, adviseur NFWO
—
—
Serge HOSTE, docent Faculteit Weten schappen, UG —
Toestand op 3 1 december 1995
Marc LUWEL, navorser APWB ,departement
cao
Herman MAES, adjunct directeur IMEC Guy MARTENS, adviseur van de directeur generaal O&O, Solvay Urbain MEERS, afgevaardigd bestuurder OCAS nv. Luc NIJS, directeur NCMV/CIP Eric SPRUYT, adviseur onderzoeksbeleid rectoraat, UIA/UA Lambert STALS, gewoon hoogleraar, alge meen directeur IMO, LUC Kris THIELEMANS, oud-voorzitter Focus Re search Paul VAN ASSCHE, hoogleraar, gastprofes sor UG Jean VAN BLADEL, past-voorzitter Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten Herman VAN DEN BERGHE, ere-vice-rector, directeurdienstonderzoekscoördinatieendi recteur Centrum voor Menselijke Erfelijkheid, K.U.Leuven Henri VAN ONCKELEN, onderzoeksdirec teur NFWO, hoogleraar UIA/UA Nadine VAN PASSEL, opdrachthouder ex terne relaties Janssen Pharmaceutica nv. Geert VANSINTJAN, diedienst ACV
medewerker
stu
Aviel VERBRUGGEN, gewoon hoogleraar TEW, voorzitter STEM,UFSIA/UA
Kristien VERBRUGGHEN, stafmedewerker onderzoeksbeleid VLIR
—
Noèl VERCRUYSSE, afdelingshoofd universitair onderwijs en onderzoek, departement OND
—
—
—
Eric VERMEYLEN, directieadviseur studiedienst VEV —
—
Peter VERSTRAETEN, directeur, opdrachthouder evaluatie en opvolging, IWT —
—
Dominique WILLEMS, gewoon hoogleraarprodecaan, UG —
Commissie Federale en lnternationae Samenwerking
—
Voorzitter: Freddy ADAMS, ererector UIA/UA —
—
—
Lieve BRACKE, coördinator, ternationale Betrekkingen, UG
Dienst In-
Filip BUEKENS, opdrachthouder wetenschappelijk onderzoek departement OND
—
,
—
—
—
—
—
—
Jean-CLaude BURGELMAN, hoofddocent L&W, directeur SMIT, VUB Gerard CIELEN, stafmedewerker K.ULeuven Annick CLAUWAERT, adviseur studiedienst Vlaams ABVV Wilfried DEGRIECK, assistent-directeur afde ling concurrentievermogen, ministerie van Economische Zaken Dirk DE RIJCK, coördinator weten schapsbeleid/communicatie, departement EWBL Roger DEKEERSMAECKER, adjunct directeur, IMEC
—
—
—
—
Veerle LORIES, navorser APWB, depar tement COO Jan MORTIER, stafmedewerker academische zaken, secretaris van de onderzoeksraad, UFSIA/UA Guy TORDEUR, nationaal secretaris LBC NVK Annie VAN BROECKHOVEN, directeur departement Bioprocessing, lnnogenetics, Gent Hendrik VAN BRUSSEL, departementsvoor zitter werktuigkunde, K.U.Leuven Marie Claire VAN DE VELDE, coördinator dienst onderzoeksbeleid, UG Urbain VANDEURZEN, voorzitter en gedele geerd bestuurder LMS International Nadine VAN PASSEL, opdrachthouder ex terne relaties Janssen Pharmaceutica nv. Eric VERMEYLEN, directieadviseur studiedienst VEV
directeur
Studie-
Tim AMPE, ajunct van de directeur departe
ment EWBL —
—
Bert LEEMANS, manager, Marketing en Communication VITO
voorzitter: Guy CLEMER, dienst, VEV
Jozef DEPORTE, directeur, opdrachthouder dienstverlening, IWT Freddy DUMORTIER, gewoon hoogleraar, vice-rector LUC
Veerle HENDRICKX, stafmedewerker onderwijs VLIR
Commissie Begroting en Financiën
—
—
Mieke GIJSEMANS, onderzoekscoördina tor, Reseach & Development, rectoraat VUB
Veerle BOGAERT, staflid universitaire finan ciering en personeel, VLIR
—
—
—
—
Sabine BORREY, navorser APWB, depar tement COO Jean-Pierre DE GREVE, hoogleraar VUB Linda DE KOCK, adjunct van de directeur, afdeling universitair onderwijs en weten schappelijk onderzoek, departement OND
—
—
—
—
Bart HEIJNEN, beheerder RUCA/UA —
—
Robert HOOGEWIJS, academisch beheer der UG —
—
—
Josée HOUBEN, staflid, dienst Onderzoeks coördinatie, K.ULeuven
—
Roland JANSSEN, studiedienst ACV —
—
Jacques LEMONNE, hoogleraar VUB
Johan MAES, directeur studiedienst Vlaams ABVV Louis MARISSENS, hoofd financiën NFWO Luc NIJS, directeur NCMV/CIP Stef PROOST, professor, Centrum voor Eco nomische Studies, K.ULeuven Etienne SE RV
POELVOORDE,
opdrachthouder
An ROELANDT, adviseur Studiedienst VEV Mark SMEYERS, coördinator onderzoeks beleid LUC Herman STEEMAN, eerste wetenschappelijk adviseur IWT
1 age III Bi
—
shoofd Uni 9 Noël VERCRUYSSE, afdelin elijk On Wetenschapp en versitair Onderwijs derzoek, departement OND
AD HOC WERKGROEPEN Ad hoc werkgroep Technologienota 2002 (17 mei 1994 9 juni 1994)
-
—
Voorzitter: Jean VAN HOUTTE, ere-rector UFSIA, gewoon hoogleraar UFSIAUIA/UA —
—
—
—
—
—
—
Discussiegroep ‘Situatie van de Onder zoeker’ (21 december 1994
W. Patrick DE WILDE, vice-rector onderzoek VUB
voorzitter: Kris THIELEMANS, oud-voorzitter Focus Research
Christine DENEFFE, wetenschappelijk adviseur IMEC Luc DESIMPELAERE, manager new technologies, R&D Dept. Barco nv.
-
—
—
Gilbert EGGERMONT, gastprofessor, hoofd Dienst Stralingsbescherming, VUB
—
Marc LUWEL, navorser APWB, departement COO Harry MARTENS, rector LUC —
—
—
Jan MORTIER, stafmedewerker academische zaken, secretaris van de onderzoeksraad, UFSIA/UA Christine VAN BROECKHOVEN, hoofd Laboratorium voor neurogenetica Biochemie, UIA/UA
—
—
—
—
—
Lode WYNS, hoogleraar, voorzitter Instituut Moleculaire Biologie en Biotechnologie, VUB
Annick CLAUWAERT, adviseur studiedienst Vlaams ABVV
—
—
Eric VERMEYLEN, directieadviseur studiedienst VEV
Christine CLAUS, directeur-generaal IWT
—
—
Geert VANSINTJAN, medewerker studiedienstACV
Herman VAN DEN BERGHE, ere-vice-rector, directeur dienstonderzoekscoördinatie en directeur Centrum voor Menselijke Erfelijkheid, K.U.Leuven Marc VAN MONTAGU, gewoon hoogleraar UG
—
—
—
Filip BUEKENS, opdrachthouder weten schappelijk onderzoek, departement OND Erik DAENEN, personeelsdirecteur IMEC Jan DANCKAERT, doctor-assistent VUB J. Willy GOETSTOUWERS, vast-secretaris, hoofd administratieve diensten, algemene diensten, LUC Benno HINNEKINT, adviseur NFWO Eddy MOERLOOSE, docent, Talen en Cul turen van Zuid- en Oost-Azië, UG Marc POLLET, beurscoördinator IWT Jos PROOST, technisch-administratief direc teur VITO An ROELANDT, adviseur studiedienst VEV Oscar STEENHAU1 pro-rector VUB Jozef VAN DER PERRE, secretaris-generaal VLI R Karel VAN GOETHEM, directeur rectoraat academische planning, UIA/UA
—
—
-
Luk VAN IMPE, werkleider instituut voor Archeologisch Patrimonium Eric VERMEYLEN, directieadviseur studiedienst VEV Filip V0LCKAERT, onderzoeksleider NFWO, deeltijds hoofddocent, K.U Leuven
—
—
—
.
—
Ad hoc werkgroep Telenet Vlaanderen —
subcomité Gebruikersaspecten. (16 februari 1995—5 mei 1995) —
Voorzitter: Jean-Claude BURGELMAN, hoofddocent L&W, directeur SMIT, VUB —
Ondervoorzitter: Georges VAN DER PERRE, gewoon hoogleraar, K.U.Leuven —
—
Marc BINNEMANS, afgevaardigd stuurder Antilope drukkerij nv.
be—
—
—
—
—
—
—
Filip BUEKENS, opdrachthouder wetenschappelijk onderzoek, departement OND
Marc LUWEL, navorser APWB, departement C00 Willy VAN DEN NEST, secretaris-generaal FINA, eurocoördinator, NCMV Wim VAN GREMBERGEN, hoogleraar, di recteur MBA, UFSIA/UA Guido VAN HOOYDONK, hoofdbibliothe caris Centrale bibliotheek, UG Frank VAN THILLO, studiedienst Vlaams ABVV Fernand VANDAMME, gewoon hoogleraar UG Geert VANSINTJAN, medewerker studiedienst ACV
Ad hoc werkgroep Telenet Vlaanderen
Johan DE GRAEVE, afdelingshoofd departement EWBL
subcomité Wetenschappelijke en Technolo gische Aspecten (16 februari 1995 8 juni 1995)
Wilfried DEC00, gewoon hoogleraar di dactiek en kritiek UIA/UA Pol T. DESCAMPS, advisor Special Studies Barco nv. Joseph DUMORTIER, Centrum voor Recht en Informatica, K.U.Leuven
—
Voorzitter: Prof. Paul LAGASSE, voorzitter vak groep informatietechnologie, UG Ondervoorzitter: Antoine VAN DE CAPELLE, gewoon hoogleraar, Toegepaste Wetenschappen, K.U.Leuven
Gilbert EGGERMONT, gastprofessor, hoofd Dienst Stralingsbescherming, VUB —
—
Jan LAROSSE, wetenschappelijk adviseur IWT
Els DE BENS, gewoon hoogleraar, voorzitter vakgroep communicatiewetenschappen, UG
—
—
Paul HUYBRECHTS, algemeen directeur, Uitgeversbedrijf Tijd nv.
Guido FAUCONNIER, gewoon hoogleraar, departementsvoorzitter com m u n icatiewe tenschappen, voorzitter mediacentrum, K.U.Leuven
—
Geert DE SOETE, directeur-diensthoofd Aca demisch Rekencentrum, UG Jo DECUYPER, navorserAPWB, departement C00 Paul DEVOLDERE, zaakvoerder Hyphen bvba.
—
Eddy FLERACKERS, directeur centrum Digitale Media, LUC
Expertise-
— Bruno KREKELS, sr. wetenschappelijk adviseur IWT —
—
—
—
Herman MAES, adjunct directeur IMEC
Technisch Comité Ruimtevaart (21 december 1 995 -
Voorzitter: Gilbert EGGERMONT, gastprofes sor, hoofd Dienst Stralingsbescherming, VUB —
Jan NAUDTS, hoofddocent faculteit Wetenschappen, UIA/UA Eddy PEETERS, Studiedienst ACV Walter VAN DE VELDE, co-directeur Artificial Intelligence laboratorium, VUB, ter vervanging van L. STEELS
Gerard Leuven —
—
—
—
Dirk VAN DIJCK, hoogleraar, directeur Visielab, RUCA/UA —
—
Etienne ARIJS, departementshoofd BIRA
Eric VERMEYLEN, directieadviseur studiedienst VEV —
—
—
dELEN,
stafmedewerker,
K.U.
Jan DANCKAERT, doctor-assistent Toege paste Natuurkunde, VUB Herwig DEJONGHE, hoofddocent UG Noël PARMENTIER, general Manager Radio, Space & Defense Division Alcatel BelI Marie Claire VAN DE VELDE, coördinator dienst onderzoeksbeleid, UG Urbain VANDEURZEN, voorzitter en ge delegeerd bestuurder LMS International nv. Johan VAN HELLEPUTTE, directeur Research Valorisatie IMEC Paul VERHAERT, afgevaardigd bestuurder, Verhaert Design & development nv.
HOOFDSTUK III
..I
BiIage Iv
Bevoegdheid van de Raad
Artikel 3
§ 1. De Raad is bevoegd om inzake elke aange legenheid betreffende het wetenschapsbeleid, met inbegrip van het technologiebeleid, op ei gen initiatief aanbevelingen te formuleren en studies te verrichten en om, op verzoek van de Vlaamse regering en de in § 5 vermelde overhe den, over die aangelegenheden advies te ver strekken. § 2. Meer in het bijzonder kan de Raad advies verstrekken, aanbevelingen formuleren en stu dies verrichten in verband met: —
DECREET TOT OPRICHTING VAN DE VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAPS BELEID
—
—
1 5 december 1 993 (BS 26 maart 1 994) —
HOOFDSTUK 1 —
Algemeen
Artikel 1 Dit decreet regelt aangelegenheden als be doeld in artikel 59bis en artikel 1 O7quater van de Grondwet. HOOFDSTUK II Oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid
Voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest wordt een Vlaamse Raad voor Weten schapsbeleid opgericht, hierna te noemen de Raad.
de vorming van het onderzoekspersoneel; de grote trends in het wetenschapsbeleid en acties op federaal vlak; het toetsen van de doelmatigheid van de Organisatie van het wetenschapsbeleid; het toetsen van het wetenschapsbeleid aan de ontwik-kelingen op sociaal, economisch, technologisch en cultureel vlak en het formu leren van behoeften die daaruit voortvloeien.
§ 3. V66r 30 september van elk jaar brengt de Raad een met redenen omkleed advies uit over het gevoerde en het te voeren begrotingsbeleid inzake het wetenschapsbeleid. Het advies wordt toegezonden aan de Vlaamse regering.
§ 4. De Vlaamse regering is verplicht vooraf het advies van de Raad in te winnen over: —
Artikel 2
de globale beleidslijnen en prioriteiten van het wetenschapsbeleid;
alle voorontwerpen van decreet en ontwer pen van reglementaire besluiten van de Vlaamse regering inzake wetenschapsbeleid die algemene aangelegenheden regelen waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn, met uitzonde ring van de voorontwerpen van decreet die de begroting betreffen;
—
alle voorontwerpen van decreet of besluiten houdende de oprichting, afschaffing of ver andering van bevoegdheden van instellin gen die instaan voor materies inzake we tenschapsbeleid waarvoor de Vlaamse Ge meenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd ziIn;
HOOFDSTUK IV
Informatiedoorstroming en verslaggeving Artikel 4
§ 1 De Vlaamse regering stelt de Raad de nood zakelijke informatie ter beschikking om hem in staat te stellen zijn opdrachten naar behoren te vervullen. .
—
alle belangrijke niet-gereglementeerde acties en initiatieven inzake wetenschapsbeleid, met inbegrip van acties van de Vlaamse rege ring op lederaal en internationaal vlak.
§ 5. Het advies van de Raad kan gevraagd
worden door: —
—
—
de Vlaamse Raad;
§ 2. De adviezen, aanbevelingen en studies van de Raad zijn openbaar, tien werkdagen nadat ze medegedeeld zijn aan de Vlaamse regering. Artikel 5
de Vlaamse minister, bevoegd voor het weten schapsbeleid of, bij ontstentenis van de expliciete toewijzing van deze bevoegdheid, de minister-president van de Vlaamse rege ring;
§ 1. De Raad legt jaarlijks aan de Vlaamse regering een verslag voor van zijn werkzaam heden. De Vlaamse regering overhandigt dit verslag aan de Vlaamse Raad.
elke Vlaamse minister voor wat zijn bevoegd heden betreft.
§ 2. De Raad kan steeds bijzondere verslagen
§ 6. De adviezen, bedoeld in § § 4 en 5, dienen te worden verstrekt binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de aanvraag. In geval van spoed kan de Vlaamse minister be voegd voor het wetenschapsbeleid of, bij ontstentenis van de expliciete toewijzing van deze bevoegdheid, de minister-president van de Vlaamse regering, de termijn inkorten met dien verstande dat die niet minder dan tien werkdagen mag bedragen.
opstellen over bepaalde vraagstukken inzake wetenschapsbeleid.
HOOFDSTUK V
Samenstelling van de Raad Artikel 6
Het in vorig lid bedoeld advies wordt geacht te zijn gegeven indien het niet binnen bovenge noemde termijn is verstrekt.
§ De Raad is samengesteld uit een voorzitter en zestien leden, allen benoemd om hun deskun digheid op grond van en hun betrokkenheid bij het wetenschapsbeleid in de Vlaamse Gemeen schap of het Vlaamse Gewest.
§ 7. De Raad treedt op als Vlaamse gespreks partner en kan als vertegenwoordiger van Vlaanderen worden betrokken bij gelijkaardige federale en internationale adviesorganen.
Ten minste acht leden van de Raad, alsook de voorzitter, zijn personen die ervaring hebben met of hoofdzakelijk actief zijn in het weten schappelijk onderzoek.
.
De Raad dient evenwichtig samengesteld te zijn uit deskundigen op het gebied van de cultuur- en de gedragswetenschappen, de toegepaste, de exacte en de biomedische wetenschappen.
§ 2. Zes leden zijn actief in of hebben ervaring met het universitair onderwijs of het weten schappelijk onderzoek. Zij worden voorgedra qen door de Vlaamse lnteruniversitaire Raad Vl.l.R.). § 3. Zes leden worden voorgedragen door de werkgevers- en werknemersorgan isaties die vertegenwoordigd zijn in de Sociaal-Economi sche Raad van Vlaanderen (SERV).
§ 4. De voorzitter en vier leden worden voorge dragen door de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid of, bij ontstentenis van de expliciete toewijzing van deze be voegdheid, de minister-president van de Vlaamse regering. § 5. De voorzitter en de leden van de Raad
worden benoemd door de Vlaamse regering.
§ 6. De duur van het mandaat van de voorzitter en van de leden bedraagt vier jaar. Het man daat is éénmaal hernieuwbaar. Indien een lid zijn mandaat niet beëindigt, wordt een nieuw lid benoemd conform de bovengenoemde bepalingen. Dit lid zal het desbetreffende man daat voltooien en kan slechts één nieuw man daat innemen.
—
-de secretaris-generaal van de Vlaamse raad van bestuur van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (NFWO).
§ 2. De Raad kan in zijn huishoudelijk reglement zelf bepalen of hij voor de in § 1 van dit artikel genoemde ambtenaren plaatsvervangers kan toelaten, alsook of hij, in bepaalde omstandig heden en onder bepaalde voorwaarden, an dere personen met raadgevende stem wenst te laten deelnemen aan de vergaderingen. HOOFDSTUK VI De werking van de Raad Artikel 8 De Raad kan, binnen de mogelijkheden van zijn dotatie, voor het onderzoek van bijzondere vraagstukken of voor het uitvoeren van studieopdrachten een beroep doen op permanente commissies of ad hoc werkgroepen, bestaande uit leden benoemd door de Raad, of op externe deskundigen, onder de voorwaarden bepaald in het huishoudelijk reglement. Artikel 9
Artikel 7
§ Aan de Raad nemen met raadgevende stem deel: .
—
—
de secretaris-generaal van het departement Onderwijs; de secretaris-generaal van het departement Economie, Werkgelegenheid en Binnen landse Aangelegenheden; de eerste opdrachthouder van de administra tie voor de Programmatie van het Weten schapsbeleid bij het departement Coördina tie;
—
de directeur-generaal van het Instituut voor de bevordering van het Wetenschappelik-Tech nologisch onderzoek in de industrie IWT);
De Raad stelt, binnen een termijn van 3 maan den na de inwerkingtreding van dit decreet, een huishoudelijk reglement op, dat minstens regelt: 1. de bevoegdheden van de voorzitter; 2. de samenstelling en de bevoegdheden van het eventuele dagelijks bestuur van de Raad; 3, de wijze van bijeenroeping en beraadsla ging; 4. de frequentie van vergaderen; 5. de bekendmaking van de handelingen;
6. de voorwaarden waaronder de Raad een beroep kan doen op externe deskundigen, permanente commissies of ad hoc werkgroe pen, overeenkomstig artikel 8;
7. de voorwaarden waaronder de Raad een beroep kan doen op personen, zoals vermeld in artikel 7, ยง 2.
soneel van de Executieven en van de publiek rechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen.
Dit reglement is onderworpen aan de goed keu ring van de Vlaamse regering.
Artikel 13 De Raad beschikt voor het uitvoeren van zijn opdrachten over een dotatie die jaarlijks inge schreven wordt in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
Artikel 10 De Vlaamse regering stelt aan de Raad een permanent secretariaat ter beschikking, dat naast personeel met een administratieve oplei ding eveneens personeel met een weten schappelijke opleiding omvat, en bepaalt het aantal, de loopbaan en de bezoldigings regeling in overeenstemming met de aard van de functie en de gevraagde kwalificaties.
HOOFDSTUK VII Het statuut van de Voorzitter, van de leden en van de personen die aan de Raad hun medewerking verlenen
De Vlaamse regering kan voor het voormeld secretariaat van de Raad onder meer een be roep doen op gespecialiseerd personeel, statut air of contractueel, in dienst genomen in over eenstemming met de bepalingen van de artike len 88,89 en 90 van het decreet van 12 decem ber 1 990 betreffende het bestuurlijk beleid.
Artikel 14
Het secretariaat wordt onder het gezag van de voorzitter van de Raad geleid door een secreta ns.
De leden van commissies of werkgroepen die door de Raad worden opgericht, worden gelijkgesteld met een ambtenaar van rang 15.
Artikel 11
De ambtenaren die met raadgevende stem deel nemen aan de Raad of aan de commissies of werkgroepen, behouden de rang die zij bekle den in hun administratie.
Inzake protocollaire en administratieve aange legenheden wordt de voorzitter gelijkgesteld met een ambtenaar van rang 17 en worden de leden van de Raad gelijkgesteld met amb tenaren van rang 1 6.
Het departement Coรถrdinatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap stelt lokalen ter beschikking voor de huisvesting van het secreta riaat van de Raad en verleent het alle logistieke steun.
Artikel 15
Artikel 1 2
ยง 1. De Vlaamse regering bepaalt het presentie geld en de geldeIike vergoedingen die aan de voorzitter en de eden van de Raad kunnen worden toegekend.
Voor de leden van de Raad en van het secreta riaat van de Raad en voor alle personen die aan de Raad hun medewerking verlenen, gelden de bepalingen van Titel 1, Hoofdstuk II, artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 november 1 991 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijks ambtenaren die van toepassing zijn op het per-
ยง 2. De Raad bepaalt, binnen de perken van zijn werkingsmiddelen, de geldelijke vergoe dingen van de voorzitters en de leden van de permanente commissies en ad hoc werkgroe pen en van de externe deskundigen.
46
HOOFDSTUK VIII
Slotbepaling Artikel 16 Het besluit van de Vlaamse Executieve van 1 7 juli 1985 houdende oprichting van een Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, gewij zigd bij het besluit van 31juli1991 en gewij zigd bij het besluitvan 23 oktober 1991, wordt opgeheven.
BijlageV
HOOFDSTUK II. Vergaderingen en bijeenroepingen
Artikel 1 De Raad vergadert ten minste vijf maal per jaar in de lokalen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel. De voorzitter roept de Raad bijeen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op schriftelijke aanvraag van ten minste drie leden van de Raad. HUISHOUDELIJK REGLEMENT VAN DE VLAAMSE RAAD VOOR WETENSCHAPSBELEID.
Artikel 2
Ter uitvoering van artikel 9 van het decreet van 1 5 december 1 993 tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. Ge coรถrdineerde versie (goedgekeurd bij besluit van 29 juni 1994 en besluit van 29maart1995 van de Vlaamse regering). HOOFDSTUK 1.
De organen die door de Raad zijn opgericht en die in zijn schoot werken, vergaderen eveneens in de lokalen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Ze worden bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij ter uitvoering van een beslissing van de Raad, hetzij op verzoek van de voorzitter van de Raad, hetzij op eigen initiatief, hetzij op schrif telijke aanvraag van ten minste twee leden van de Raad. Artikel. 3
Definities
Voor de toepassing van dit huishoudelijk regle ment wordt verstaan onder:
De uitnodigingen voor de vergaderingen van de Raad worden ten minste veertien dagen v66r de vergadering verstuurd.
Decreet: decreet van 15 december 1993 tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Weten schapsbeleid (B.S. van 26 maart 1994)
In geval van spoed, zoals vermeld in ยง 6 van art. 3 van het decreet, kan deze termijn tot vier dagen teruggebracht worden.
Raad: de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbe leid
Artikel. 4
ยง 1. De vergaderingen van de Raad of van zijn organen zijn niet openbaar.
Voorzitter: de voorzitter van de Raad
ยง 2. De secretaris van de Raad woont de verga
Leden: leden die krachtens artikel 6 van het decreet benoemd zijn tot lid van de Raad
deringen van de Raad bij.
Raadgevende leden: de ambtenaren die uit hoofde van hun functie en krachtens art. 7 van het decreet met raadgevende stem deel nemen aan de Raad.
48
HOOFDSTUK III.
In geval van spoed kon de voorzitter deze ter mijn verkorten.
Agenda Artikel 5
HOOFDSTUK IV.
De voorzitter stelt de agenda van de vergaderin gen van de Raad vast, hetzij ter uitvoering van beslissingen genomen tijdens een vorige verga dering, hetzij op eigen initiatief, hetzij op aan vraag van ĂŠĂŠn van de organen van de Raad, of van een lid van de Raad. In dit laatste geval dienen ten minste twee andere leden de bespre king van dit punt mee te ondersteunen bij het begin van de vergadering.
Beraadslagingen Artikel 10 De Raad kan slechts geldig beraadslagen, als de meerderheid van de leden aanwezig is. Wanneer het quorum niet bereikt is om geldig over bepaalde punten van de agenda te be raadslagen, kan de voorzitter deze punten tot de volgende vergadering verdagen. Deze ver gadering kan hierover dan geldig beraadsla gen ongeacht het aantal aanwezigen op deze vergadering. Dit zal op de uitnodiging uit drukkelijk worden vermeld.
Artikel 6 Voor de andere organen van de Raad stelt de voorzitter van het betrokken orgaan de agenda van de vergaderingen vast, hetzij ter uitvoering van beslissingen van de Raad, hetzij ter uitvoe ring van beslissingen genomen tijdens een vroe gere vergadering van het betrokken orgaan, hetzij op aanvraag van een van de leden van het betrokken orgaan, hetzij op eigen initiatief.
Artikel 11 De beslissingen, adviezen, aanbevelingen, ver slagen en notulen van de Raad of van zijn orga nen worden vastgesteld bij meerderheid van de aanwezige leden, behoudens strijdige bepa ling van dit reglement. De voorzitter neemt nor maal niet deel aan de stemming, maar bij sta king van stemmen is zijn stem beslissend. Bij afwezigheid van de voorzitter neemt de plaats vervangend voorzitter wel deel aan de normale stemming. Bij staking van stemmen wordt dan het voorstel tot een volgende vergadering verdaagd.
Artikel 7 De agenda wordt gevoegd bij de uitnodiging bepaald in art. 3, Artikel 8 In geval van spoed kan de agenda tot bij de opening van de vergadering worden gewijzigd of aangevuld.
Artikel 12
Eens de vergadering geopend, kan de agenda nog slechts worden gewijzigd of aangevuld krachtens een beslissing van de Raad of van het betrokken orgaan. Artikel 9
De stemmingen geschieden bij handopsteken. Op verzoek van een lid kan tot de naam afroeping worden overgegaan. Indien er wordt gestemd over persoonskwesties, waar de be trokkene geen rechten kan doen gelden, is de stemming evenwel geheim.
De bescheiden betreffende de kwesties die op de agenda van een vergadering van de Raad of van een van zijn organen voorkomen, worden aan de leden van de Raad of van het betrokken orgaan bezorgd bij de uitnodiging bepaald in art. 3.
Elk lid dat zich op een zitting bij een stemming onthoudt, kan na de stemming zijn onthouding verklaren. Als een uitgebracht advies of aanbe veling niet unaniem goedgekeurd is, kan een minderheidsnota worden bijgevoegd, als deze door ten minste drie leden ondertekend is. 49
Notulen
en bij elke andere openbare en private instel ling. Het secretariaat van de Raad, dat geleid wordt door de secretaris, staat onder het gezag van de voorzitter. De voorzitter brengt bij de Raad verslag uit over zijn activiteiten.
Elke vergadering van de Raad of van een van zijn organen wordtvastgesteld in de notulen. De Raad kan voor sommige organen een afwijking toestaan.
HOOFDSTUK VIII.
HOOFDSTUK V.
Artikel 1 3
Artikel 14
Organen van de Raad Artikel 18
Als het om een vergadering van de Raad gaat, wordt de tekst van de notulen meegedeeld aan de leden en de raadgevende leden van de Raad. Als het een vergadering van een orgaan van de Raad betreft, wordt de tekst van de no tulen meegedeeld aan de leden van het betrok ken orgaan en aan de voorzitter van de Raad.
Om de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en om bijzondere vraagstukken te onderzoeken worden permanente commissies ingesteld. Artikel 1 9
Artikel 15
De Raad kan ad hoc werkgroepen oprichten, wanneer hij dit nodig acht.
De notulen worden pas definitief na goedkeu ring.
Artikel 20
HOOFDSTUK VI. Handtekeningen Artikel 1 6 De voorzitter en de secretaris van de Raad ondertekenen de beslissingen, adviezen, aan bevelingen, verslagen en notulen van de Raad.
De Raad bepaalt voor elke commissie en ad hoc werkgroep de wijze van samenstelling en stelt de leden en de voorzitter aan. Artikel 2 1 De voorzitters van de permanente commissies zijn leden van de Raad. In principe maken twee leden van de Raad altijd deel uit van de commis sies en ad hoc werkgroepen. De leden en de raadgevende leden van de Raad kunnen steeds deelnemen aan de vergaderingen van de com missies en ad hoc werkgroepen.
HOOFDSTUK VII
Artikel 22
Voorzitterschap
Op voorstel van een lid of de voorzitter van een commissie dan wel een ad hoc werkgroep, kan de Raad ten allen tijde zowel leden van de be treffende commissie of ad hoc werkgroep schrappen, als bijkomende leden coรถpteren.
Artikel 17 De voorzitter zit de vergaderingen van de Raad voor, neemt deel aan de beraadslagingen, ziet toe op de naleving van de organieke besluiten en van de reglementen van de Raad. Hij verte genwoordigt de Raad bij de Vlaamse regering
HOOFDSTUK X.
Artikel 23
Bekendmaking
De commissies en de ad hoc werkgroepen voe ren hun werkzaamheden uit onder het toezicht en de controle van de Raad. De Raad bepaalt hun opdrachten en bevoegd heden.
Artikel 28 De Raad kan zijn beslissingen, adviezen en aanbevelingen openbaar maken tien dagen nadat ze meegedeeld zijn aan de Vlaamse re gering.
Artikel 24 De Raadsleden, de commissies en ad hoc werk groepen treden niet naar buiten met adviezen, aanbevelingen, verslagen of publikaties.
HOOFDSTUK Xl
Plaatsvervanging HOOFDSTUK IX.
Artikel 29
Dagelijks bestuur
De leden en de raadgevende leden van de Raad kunnen zich niet laten vervangen voor de verga deringen van de Raad.
Artikel 25 De Raad stelt een dagelijks bestuur samen waarin de voorzitter van de Raad en de voorzit ters van de permanente commissies zitting heb ben. De secretaris van de Raad staat het dagelijks bestuuur bij.
Artikel 30 Bij afwezigheid of onbeschikbaarheid van de voorzitter wordt hij vervangen door het oudste beschikbare lid van het dagelijks bestuur. In deze hoedanigheid neemt dit lid alle bevoegd heden van de voorzitter over.
Artikel 26
Artikel 3 1
Onder leiding van de voorzitter bereidt het dagelijks bestuur de onderwerpen voor die aan de Raad worden voorgelegd, en het ziet toe op de uitvoering van de beslissingen van de Raad. De Raad kan andere bevoegdheden aan het dagelijks bestuur overdragen.
ยง 1. De leden van de commissies en ad hoc
werkgroepen kunnen zich laten vervangen.
ยง 2. Deze plaatsvervangingen dienen evenwel
vooraf te worden meegedeeld aan de voorzitter van het betreffende orgaan De voorzitter van het betrokken orgaan kan in overleg met de voorzitter van de Raad een plaatsvervanger wraken.
Artikel 27 Het dagelijks bestuur treedt niet zelf naar buiten met adviezen, aanbevelingen, verslagen of publikaties.
ยง 3. Bij afwezigheid of onbeschikbaarheid van
de voorzitter van een commissie of ad hoc werk groep, wijst de voorzitter van de Raad een plaatsvervanger aan.
51
HOOFDSTUK Xli.
Raadpleging experts Artikel 32 De Raad kan op voorstel van de voorzitter of van ten minste twee leden deskundigen ad hoc uitno digen om met raadgevende stem aan de Raad deel te nemen. Artikel 33 De commissies en ad hoc werkgroepen kunnen op verzoek van de Raad of op eigen initiatief en na goedkeuring door de Raad, deskundigen ad hoc uitnodigen om met raadgevende stem aan de werkzaamheden deel te nemen.
alle prestaties die nodig zijn voor het uitvoeren en het ondersteunen van de werkzaamheden van de Raad.
§ 2. De secretaris kan contractuele en financiële verplichtingen aangaan voor zover het om be dragen gaat niet hoger dan vier procent (4%) van het totale bedrag van de jaarlijkse dotatie. § 3. De secretaris wordt aangeduid als ordonnateur van de rekening, waarop de dotatie wordt gestort en zal in overleg met de voorzitter, een administratief personeelslid van het VRWB-secretariaat aanduiden als reken plichtige. HOOFDSTUK XIV. Vergoedingen
HOOFDSTUK XIII.
Begroting Artikel 34
§ 1 .De Raad keurt, na vaststelling van de jaar lijkse dotatie van de Vlaamse Raad, de begro ting goed voor zijn werking in het betrokken jaar.
Artikel 36 De Raad bepaalt jaarlijks, binnen de perken van zijn werkingsmiddelen, de vergoedingen voor de voorzitters en de leden van de commissies en ad hoc werkgroepen.
HOOFDSTUK XV.
§ 2. Het dagelijks bestuur bereidt het be
grotingsvoorstel voor.
Bijzondere bepalingen
Artikel 35
Artikel 37
§ 1. Het dagelijks bestuur stelt de jaarrekening op.
De Raad kan bij de Vlaamse regering en de Vlaamse Raad een delegatie onder leiding van de voorzitter afvaardigen voor contact omtrent bepaalde thema’s. De samenstelling hangt af van het te bespreken onderwerp.
§ 2. De jaarrekening wordt ter goedkeuring aan de Raad voorgelegd. Artikel 35 bis
§ 1 Binnen de perken van de dotatie toegekend aan de Raad ter uitvoering van het decreet, inzonderheid van artikel 13 van het decreet, mag de voorzitter in overleg met het dagelijks bestuur contracten afsluiten en financiële verbin tenissen aangaan namens en voor de Raad voor .
HOOFDSTUK XVI.
Wijzigingen van het huishoudelijk reglement Artikel 38 De Raad kan het huishoudelijk reglement wijzi gen. De Raad kan niet beraadslagen over een voorstel tot wijziging van het huishoudelijk re glement, zo het niet op de agenda werd inge schreven krachtens een beslissing van de Raad in een vroegere vergadering De wijziging van het huishoudelijk reglement is slechts mogelijk bij goedkeuring door twee der den van de uitgebrachte stemmen en onder voorbehoud van goedkeuring door de Vlaamse regering.
53
BIJLAGE VI Adviezen, aanbevelingen, commentaar, memoranda en publicaties van 1986 tot 1995:
ADV-08
betreffende de evaluatie en beheerstructuur voor het Vlaams Actieprogramma Biotechnologie (15 december 1988)
ADV-09
betreffende de opmaak, de inhoud en de voorstelling van de Begroting van de Wetenschapsbeleid Vlaamse Gemeenschap (18 januari 1989)
-ADV-10
betreffende het voorstel tot oprich ting van een instelling van open baar nut: “Nationaal Centrum voor Wetenschappelijke en Technische documentatie”. (13 april 1989)
ADV-1 1
inzake de uitbouw van een centrale administratieve structuur voor we tenschap en technologie (23 mei 1989)
ADV-1 2
betreffende nieuwe universitaire expan s ie (15 juni 1989)
ADV-1 3
betreffende de behandeling van de EUREKA-dossiers (28 september 1 989)
ADV-1 4
betreffende het beleid en de beleidsstructuur inzake het in dustrieel onderzoek in Vlaanderen (21 september 1 989)
ADV-1 5
betreffende de organisatie van in formatie en de bevordering van de Vlaamse participatie inzake de Eu ropese R&D-programma’s (16 november 1989)
ADV-1 6
betreffende een geheroriënteerd Vlaams Aktieprogramma Biotech nologie (6 december 1 989)
ADV-1 7
betreffende het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (18 januari 1990)
—
-
ADVIEZEN —
—
—
—
—
—
—
ADV-01
inzake de DIRV-commissies (28 mei 1986)
ADV-02
inzake het voorontwerp van de creet houdende de oprichting van een Fonds tot Bevordering van het Industrieel Onderzoek in Vlaande ren (24 september 1 986)
ADV-03
ADV-04
ADV-05
inzake wetenschappelijke anciën niteit verworven in wetenschappe lijke instellingen (11 december 1986) inzake commentaar namens de VRWB op het voorlopig advies van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren inzake wetenschappe lijk onderzoek (4 maart 1 987) Het rapport betreffende oprichting van een onderzoekcentrum ke ramische materialen in Limburg (24mei 1988)
ADV-06
betreffende een Vlaams Actie programma Biotecnolologie (4 oktober 1 988)
ADV-07
betreffende de regionalisering en communautarisering van hetweten schapsbeleid (20 oktober 1988)
—
—
—
—
—
—
—
De integrale teksten zijn op schriftelijke aanvraag te verkrij gen bij het VRWB-secretariaat.
—
ADV-1 8
betreffende het Vlaams Impulsprogramma Milieutechnologie (29 januari 1 990)
ADV-1 9
betreffende het Vlaams Horizontale Weten begrotingsprogramma schapsbeleid 1990 (18 januari 1990)
ADV-20
betreffende de sectoriële collec tieve onderzoekscentra (21 mei 1990)
ADV-2 1
betreffende het onderzoekspro gramma EUCLID (20juni1990)
—
—
—
—
ADV-27
inzake het Vlaams lmpulspro gramma Energietechnologie (20 november 1991)
ADV-28
omtrent de deelname van Vlaamse Researchgroepen in de Europese onderzoeksprogramma’s (12 december 1991)
ADV-29
betreffende het “Report of the Temporary International Consulta tive Committee on New Organi sational Forms of Graduate Re search Training” (26 maart 1992)
ADV-30
betreffende het voorontwerp van decreet tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschaps beleid en het voorontwerp van me morie van toelichting (1 oktober 1992)
ADV-3 1
betreffende het voorstel tot verder zetting van de financiering van de “Emerging Technology Centers” in het kader van het Vlaams Actiepro gramma voor Biotechnologie (10 december 1992)
ADV-32
inzake steun aan Vlaamse Gemeenschappelijke Industriële Impulsacties (10 december 1 992)
ADV-33
inzake de Vlaamse Horizontale Weten Begrotingsprogramma’s schapsbeleid 1992-1 993 (28 januari 1993)
ADV-34
inzake de instelling van een Vlaams Impulsprogramma Natuurontwik kel ing (4 februari 1 993)
ADV-35
inzake het convenant “Vlaamse Textielmachine- en systeembouw” (10juni 1993)
—
-
—
—
ADV-22
—
—
ADV-23
ADV-24
ADV-25
—
ADV-26
betreffende het voorontwerp van decreet tot oprichting van het Vlaams Instituut voor de bevor dering van het WetenschappelijkTechnologisch Onderzoek in de Industrie, het IWT (28 september 1990) betreffende het voorontwerp van decreet houdende de oprichting van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek, het V1TO (1 2 oktober 1 990) betreffende de verder uitgewerkte voorstellen voor het Impulspro gramma Nieuwe Materialen (18 juni 1991) inzake het ontwerp van decreet be treffende de universiteiten in de Vlaamse gemeenschap en het ont wer van bijzonder decreet betref fenae de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen” (18 februari 1991) inzake het Horizontaal Begrotings programma 1991 (19september 1991)
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
ADV-36
ADV-37
inzake het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering betreffende de financiering van de geconcer teerde onderzoeksacties en van de speciale fondsen voor onderzoek in de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap (24 februari 1994)
betreffende het onderzoeksinitia tief rond ‘Spraak- en Taaltechno logie’ voor het Nederlands (22 maart 1 994)
ADV-39
inzake het ontwerpbesluit van de Vlaamse regering tot regeling van de procedure van het beleidsge richt onderwijskundig wetenschap pelijk onderzoek op initiatief van de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs (14juni 1994) betreffende de “Technologienota Vlaanderen 2002” (30juni1994)
ADV-43
betreffende de Vlaamse Hori zontale Begrotingsprogramma’s Wetenschapsbeleid 1994 en 1995 (28 juni 1995)
AANBEVELINGEN -
betreffende de nieuwe regeling voor de cofinanciering van deel name van Vlaamse universitaire onderzoeksploegen aan Europese onderzoeksprogramma (22 maart 1994)
ADV-38
ADV-40
—
-
-
-
-
AANB-O1 bij het St. Michielsakkoord: Poli tieke voorstellen tot vervollediging van de federale structuur: be voegdheid wetenschapsbeleid. (29 oktober 1 992) AANB-02 bij de studie De loopbaan van een wetenschappelijk onderzoe ker”, uitgevoerd door de admi nistratie voor de Programmatie van het Wetenschapsbeleid (26 oktober 1 992) “
AANB-03 betreffende de Vlaamse deelname aan ruimteonderzoek in het kader van ESA (22 april 1993) AANB-04 bij het voorontwerp van decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (28 oktober 1 993) AANB-05 bij de beleidsbrief “Het Weten schapsbeleid in Vlaanderen Beleidsbrief voor 1 995 neer gelegd door de heer L. Van den Brande, minister-president van de Vlaamse regering in de commissie Onderwijs, Vorming en Weten schapsbeleid van de Vlaamse Raad, Brussel, oktober 1994 (28 juni 1995) —
—
—
ADV-41
ADV-42
inzake het ontwerp-besluit van de Vlaamse regering betreffende de toekenningsvoorwaarden van de jaarlijkse toelagen van de Vlaamse Gemeenschap aan het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en de daarbij ge associeerde onderzoeksfondsen (8 september 1994) over de implicaties van “Nieuwe diensten op kabel en/of telefoon lijnen” voor de Vlaamse Weten schappelijke Wereld (28 juni 1995)
-
AANB-06 betreffende de Vlaamse deelname aan Europese onderzoekspro gramma s (14 september 1995)
—
—
AANB-07 inzake het stimuleren van de cui tuur— en gedragswetenschappen naar aanleidinq van de studie “Wetenschap a[ Cultuur” (14 september 1995) AANB-08 bij het IWT-rapport: Toekenning van de specialisatiebeurzen voor het academiejaar 1 994-1 995. (26 oktober 1995)
COMMENTAAR
—COM-Ol
bij de oproep van de onder wijsministers aan de hoger onder wijs en onderzoeksinstellingen in de regio’s Bremen, Nederland, Nedersaksen, Noordrijn-West falen en Vlaanderen betreffende de grensoverschrijdende samen werking in het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (7 december 1 995)
MEMORANDA —
—
MEM-O 1
van de Vlaamse Raad voor Weten schapsbeleid (VRWB) aan de ver nieuwde Vlaamse Raad. (20 december 1991)
MEM-02
aan de nieuwe Vlaamse Regering met betrekking tot het Vlaams We tenschapsbeleid (30 mei 1995)
IrPUBLICATIES —
Activiteitenverslag 1986-1988
—
Jaarverslag 1989 —
“Een onderzoek naar de Vlaamse deelname aan het Europese kaderprogramma A. Adams ism C. Appels, G. Eggermont, E. Mo nard en J. Van de Vijvere, 22 april 1991 ,
—
—
—
—
Activiteitenverslag 1990-1991 Advies inzake de Vlaamse Horizontale Begrotingsprogramma’s Wetenschapbeleid 1992 en 1993, 28 januari 1993
—
Aanbeveling betreffende de Vlaamse deel name aan ruimteonderzoek in het kader van ESA, met analyserapport, 22 april 1993 Activiteitenverslag 1992-1993 Wetenschap als Cultuur, Marc De Mey, Johan Braeckeman en Tom Claes, december 1994 Advies inzake de Vlaamse Horizontale Begrotingsprogramma’s Wetenschapseleid 1994-1995 28juni1995
Bijlage VII VRWB-secretariaat
Het \/RWB-secretariaat is belast met de in houdelijke voorbereiding, de rapportering, de voortgangsbewaking en de coördinatie van de VRWB, zijn commissies en werkgroepen. Het VRWB-secretariaat is ondergebracht in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en wordt geleid door een secretaris onder het ge zag van de voorzitter.
SAMENSTELLING
Stafleden: • dr. Ir. Elisabeth MONARD, secretaris • dr. Danielle RASPOET, navorser • dr. Marie Claire VAN DE VELDE, adjunct 1 secretaris Administratieve ondersteuning: • Carine BRACKENIER, administratief mede werker • Greet DRIUEUX, adjunct van de directeur
Vanaf 1 mei 1995 met verlof voar stage.
59
INHOUD Voorwoord
2
Voorgeschiedenis
4
Activiteiten
6
Adviezen
12
Aanbevelingen
25
Memoranda en Commentaren
32 36
Samenstelling van de Raad
Bijlage 1 Bijlage II
: Samenstelling van de commissies
37
Bijlage III
: Samenstelling van de ad hoc werkgroepen
40
Bijlage IV
Decreet tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid
43
Bijlage V
: Huishoudelijk reglement van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid
48
Bijlage VI
: Lijst van de adviezen, aanbevelingen, memoranda, commentaren en publicaties in de periode 1986-1995
54
Bijlage VII
: VRWB-secretariaat
59
COLOFON 1itavc san de \laanse Raad oor Vsetensehapshcleid 14 Juni 1996 R. I),lleinans. S O( )r/ltter 1.. \ h nard, seeretalis VRWB-sccrctari aat B()nde\\ijnlaan 30 1000 Brussel Fel: 02)507 5986 Pax: (02)507 5794 Ontwerp en lay-out: R. Goossens tdeling ( ninnnicaI1e en ()nt\ angsi ministerie san de \iaamse Gemeenschap 1)ruk: 1)rnkkerij 1.. Vanmelle ns., (eilt ‘Maiiakerke 1) 1996 6099
1
60
4.