Skip to main content

SERV_20200615_Economische_Relance_COVID19_RAP.pdf

Page 1

RAPPORT ECONOMISCHE IMPACT COVID-19 BIJLAGE BIJ HET ADVIES ‘KRIJTLIJNEN VOOR EEN VLAAMS ECONOMISCH RELANCEBELEID’ STAND VAN ZAKEN EIND MEI 2020


Disclaimer: Dit achtergronddocument werd opgemaakt door het SERV-secretariaat ter ondersteuning van het sociaal-economisch overleg en de beleidsadvisering door de sociale partners in de SERV. De bevindingen, interpretaties en conclusies in dit achtergronddocument vallen volledig onder de verantwoordelijkheid van het SERV-secretariaat en kunnen op geen enkele wijze toegeschreven worden aan de raad, een organisatie vertegenwoordigd in de raad of een lid van de raad.

Bij gebruik van gegevens en informatie uit dit rapport wordt een correcte bronvermelding op prijs gesteld.

Eigen initiatief Goedkeuring

15 juni 2020

Contactpersonen

Wim Knaepen

wknaepen@serv.be

02 209 01 05

Tim Buyse

tbuyse@serv.be

02 209 01 23


Economische impact COVID-19

Inhoud Ten geleide .......................................................................................................................... 5 1

Impact op de levensstandaard.............................................................................. 5

2

Impact op het bruto binnenlands product ........................................................... 8

2.1

Wereld ..................................................................................................................... 8

2.2

Eurozone ................................................................................................................. 27

2.3

België en Vlaanderen .............................................................................................. 38

3

Impact op de investeringen .................................................................................. 55

3.1

Europa ..................................................................................................................... 55

3.2

België/Vlaanderen ................................................................................................... 56

4

Impact op de wereldhandel ................................................................................... 57

4.1

Wereldwijd ............................................................................................................... 57

4.2

Europa ..................................................................................................................... 63

4.3

België ...................................................................................................................... 66

5

Impact op werkgelegenheid en inkomens ........................................................... 70

5.1

Impact op werkgelegenheid ..................................................................................... 70

5.1.1

Wereld ..................................................................................................................... 70

5.1.2

Verenigde staten ..................................................................................................... 78

5.1.3

Europa ..................................................................................................................... 87

5.1.4

Frankrijk................................................................................................................... 95

5.1.5

België/Vlaanderen ................................................................................................... 96

5.2

Impact op de arbeidsorganisatie .............................................................................. 111

5.3

Impact op inkomens................................................................................................. 126

5.3.1

Impact op bbp per capita ......................................................................................... 126

5.3.2

Impact op de inkomens ............................................................................................ 131

6

Impact op faillissementsrisico .............................................................................. 138

7

Impact op ondernemersvertrouwen ..................................................................... 143

7.1

Eurozone: IHS Markit Purchasing Managers Index-indicator ................................... 143

7.2

België ...................................................................................................................... 145

7.3

Vlaanderen .............................................................................................................. 148

8

Impact op het consumentenvertrouwen .............................................................. 151

3


Economische impact COVID-19

9

Impact op de consumptieprijzen .......................................................................... 169

9.1

Wereldwijd ............................................................................................................... 169

9.2

Europa ..................................................................................................................... 171

9.3

BelgiĂŤ/Vlaanderen ................................................................................................... 172

10

Impact op specifieke sectoren en markten .......................................................... 185

10.1

Wereld/Europa......................................................................................................... 185

10.1.1

Ruimte voor infrastructuurinvesteringen................................................................... 185

10.1.2

Impact op start-up risicofinanciering ........................................................................ 186

10.1.3

Impact op toerisme .................................................................................................. 194

10.1.4

Impact op de woning- en vastgoedmarkt ................................................................. 196

10.1.5

Impact op de luchtvaartsector .................................................................................. 200

10.1.6

Impact op de automobielsector ................................................................................ 201

10.1.7

Impact op de telecommarkt...................................................................................... 203

10.1.8

Impact op de e-commercemarkt .............................................................................. 204

10.1.9

Impact op de energiesector ..................................................................................... 207

10.2

BelgiĂŤ/Vlaanderen ................................................................................................... 209

10.2.1

Algemeen beeld ....................................................................................................... 209

10.2.2

Impact op Vlaamse groeibedrijven ........................................................................... 216

10.2.3

Impact op toerisme .................................................................................................. 218

10.2.4

Impact op de woning- en huurmarkt ......................................................................... 220

10.2.5

Impact op de energiesector ..................................................................................... 226

10.2.6

Impact op de transportsector ................................................................................... 232

10.2.7

Impact op de bouwsector ......................................................................................... 237

10.2.8

Impact op de telecommarkt...................................................................................... 237

10.2.9

Impact op betaaltransacties voor consumptie (inclusief online) ................................ 241

10.2.10 Impact op horeca ..................................................................................................... 243 Lijst van figuren................................................................................................................... 245 Lijst van tabellen ................................................................................................................. 250

4


Economische impact COVID-19

Ten geleide De coronapandemie zal terechtkomen in het lijstje van grote economische, financiĂŤle een sociale schokken van de 21ste eeuw, samen met onder andere de dot-com bubbel, de aanslagen van 11 september en de wereldwijde financiĂŤle crisis van 2008. Hierna wordt een overzicht gegeven van de economische impact van COVID-19. Dit is geen exhaustief beeld, maar het geeft toch belangrijke indicaties van de abrupte economische schok die de corona-uitbraak heeft veroorzaakt. Waar beschikbaar, wordt een indeling wereld-EuropaBelgiĂŤ/Vlaanderen gehanteerd. Komen achtereenvolgens aan bod, de impact op: de levensstandaard (menselijke ontwikkeling) het bbp de investeringen de wereldhandel de werkgelegenheid en inkomens het faillissementsrisico het ondernemers- en consumentenvertrouwen de consumptieprijzen specifieke sectoren en markten.

1

Impact op de levensstandaard

Sinds 1990 stelt het United Nations Development Program (UNDP)1, de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties, de Index van de Menselijke Ontwikkeling (HDI) op. Die index berekent de levensstandaard van de mensheid op basis van onder mee inkomen, toegang tot gezondheidszorg, levensverwachting en graad van alfabetisme. Dergelijke welzijnsindex heeft haar meerwaarde omdat het verder reikt dan het puur economisch getinte bbp en ook de toestand van de mens en de wereld in kaart brengt. De pandemie van COVID-19 veroorzaakt een crisis in de menselijke ontwikkeling. Voor sommige dimensies van menselijke ontwikkeling, is de situatie gelijkaardig met het niveau van deprivatie dat voor het laatst werd gezien in het midden van de jaren tachtig. De crisis raakt iedereen hard in de constitutieve aspecten van menselijke ontwikkeling: inkomen (met de grootste krimp in economische activiteit sinds de financieel-economische crisis van 2008), gezondheid (een dodental boven de 300.000 en mogelijk een dagelijkse extra-kindersterfte tot 6.000 kinderen door vermijdbare oorzaken in de komende 6 maanden) en onderwijs (een effectieve schooluitval onder meer door onvoldoende internettoegang, wat bijvoorbeeld in het basisonderwijs leidt tot een daling van de schooldeelname op het niveau van midden de jaren 80). Daarnaast zijn er ook minder zichtbare indirecte en momenteel nog niet volledig gedocumenteerde effecten, zoals het toegenomen huiselijk geweld. Dit maakt dat voor het eerst in de 30 jaar de index niet langer een gestage vooruitgang vertoont, maar een terugval door de manier waarop COVID-19 inhakt op gezondheid, onderwijs en inkomen. Economische recessie en schooluitval vormen m.a.w. samen een neerwaartse spiraal.

1

UNDP (2020) COVID-19 and human development: Assessing the Crisis, Envisioning the Recovery.

5


Economische impact COVID-19

Het UNDP noemt corona niet alleen een gezondheids- maar ook een systemische crisis omdat de gezondheidsschok geleid heeft tot een ongeziene sociaaleconomische crisis. Het voorspelt dat het globale inkomen per capita zal afkalven met zo’n 4%. Een andere motor van ongelijkheid die door corona wordt aangezwengeld, is de scholing. Door het sluiten van scholen en doordat het internet niet wereldwijd toegankelijk is, dreigt zo’n 60% van de lagereschoolkinderen afgesneden te raken van alle onderwijs. In landen waar de levensstandaard al laag was, loopt dat op tot 80%. In rijkere landen valt de schade mee met ‘slechts’ één kind op vijf. In reële cijfers: half april zaten meer dan 1,4 miljard kinderen tussen 5 en 17 jaar in 147 landen niet op de schoolbanken. Figuur 1: Substantiële toename van de effectieve korte termijn schooluitval in het basisonderwijs voor alle niveaus van menselijke ontwikkeling

Ook op gendergelijkheid dreigt de coronacrisis een zware hypotheek te leggen: vrouwen en meisjes zijn kwetsbaarder voor job- en inkomensverlies en de met de crisis gepaard gaande stijging van huiselijk geweld. Het UNDP toont aan dat in landen waar de sociale en economische ongelijkheid voordien al vrij groot was, de coronaschok extra hard aankomt. De grootste slachtoffers zijn ouderen, vrouwen, jongeren, migranten, onbeschermde werknemers, daklozen, mensen zonder papieren en wie eerder al gezondheidsproblemen had. In de meeste kwetsbare huishoudens hangt het inkomen vaak af van één persoon, waardoor het armoederisico voor het hele huishouden toeneemt. Verwacht wordt dat het aantal mensen dat in extreme armoede zal leven met 40-60 miljoen zal toenemen (met de door het IMF geraamde economische groei voor 2020 als belangrijkste benchmark). Het aantal ondervoede mensen zou kunnen stijgen met 14 tot 80 miljoen. De pandemie legt ongenadig de nadelen bloot die al werden ondervonden door lage inkomensgroepen en vergroot de ongelijkheidskloof. Zo hebben onder meer social distancing richtlijnen ongelijke implicaties tot gevolg. Voor hogere inkomensgroepen is de kans groter dat ze van thuis uit kunnen werken, hun normale loon behouden en gezond blijven. Mensen uit lage inkomensgroepen zijn vaak actief in ‘essentiële’ beroepen, waardoor zij zich naar de werkplek moeten begeven met het risico op blootstelling aan infectie.

6


Economische impact COVID-19

In de laagste inkomenscategorieën zijn mensen volgens het UNDP ‘slechts enkele dagen verwijderd van een ineenstorting van hun levensstandaard’. Figuur 2: De wereldwijde ‘Index van de Menselijke Ontwikkeling (HDI)’ sinds 1991

Belangrijk is ook de vaststelling dat de mate van de crisisaanpak van een land in de strijd tegen de crisis, samenhangt met het niveau van menselijke ontwikkeling in dat land. Medio april 2020 had 96% van de zeer hoge ontwikkelingslanden een beleidspakket aangekondigd, tegenover 85% van de hoge menselijke ontwikkelingslanden, 78% van de middelhoge ontwikkelingslanden en 73% van de landen met een lage menselijke ontwikkelingsscore. Er is dus een verband tussen het beleid van een land en het niveau van menselijke ontwikkeling. Het gemiddelde financieel pakket van directe steunprogramma's bedraagt 4,9% van het bbp in zeer hoge ontwikkelingslanden, tegenover slechts 1% van het bbp in lage en middelhoge ontwikkelingslanden. Het patroon is vergelijkbaar voor leningen en garanties. Figuur 3: De omvang van de COVID-19 gerelateerde financiële maatregelen in relatie met het menselijke ontwikkelingsniveau van een land

7


Economische impact COVID-19

2

Impact op het bruto binnenlands product

2.1

Wereld

IMF De Belgische economie krimpt dit jaar waarschijnlijk met 6,9% als gevolg van de coronacrisis. Dat voorspelt het Internationaal Monetair Fonds (IMF), dat ook voor de wereldeconomie een fikse klap voorziet. Het IMF verwacht alvast de zwaarste recessie sinds de Grote Depressie in de jaren ‘30 van de vorige eeuw. In een basisscenario rekent het IMF wereldwijd voor 2020 op een economische neergang van 3%. De wereldwijde economie zou volgend jaar met 5,8% kunnen herstellen, in het geval van een scenario waarbij de pandemie in de tweede helft van dit jaar afzwakt en de beperkende maatregelen kunnen worden versoepeld. Dankzij overheidssteun zou de economische activiteit dan normaliseren in 2021. Voor de eurozone wordt een herstel van 4,7% vooropgesteld. Het cumulatieve verlies voor het wereldwijde bbp in 2020 en 2021 als gevolg van de pandemische crisis zou ongeveer $9 biljoen kunnen bedragen, groter dan de economieën van Japan en Duitsland samen. IMF benadrukt dat de ramingen nog erg onzeker zijn. Als de virusuitbraak langer duurt, zou de schade veel hoger kunnen uitvallen. In een meer pessimistisch scenario zou het mondiale bbp nog verder dalen: 3% extra in 2020 als de pandemie dit jaar langer aanhoudt, en als de pandemie nog in 2021 aanhoudt, kan het bbp volgend jaar met nog eens 8% dalen in vergelijking met het basisscenario. Voor het eerst sinds de Grote Depressie verkeren zowel geavanceerde economieën als opkomende economieën in een recessie. Voor dit jaar wordt de daling voor de geavanceerde economieën geraamd op -6,1%. Opkomende economieën met normale groeiniveaus ver boven die van de geavanceerde economieën zullen naar verwachting ook negatieve groeipercentages optekenen van -1,0% in 2020 en -2,2% als men China uitsluit.

8


Economische impact COVID-19

Tabel 1: Overzicht van de (verwachte) wereldoutput

9


Economische impact COVID-19

Tabel 2: Overzicht van de (verwachte) output in de geavanceerde economieën

De achteruitgang van het bbp van België (-6,9%) zal in 2020 minder groot zijn dan op het Eurozoneniveau (-7,5%) terwijl het herstel zich iets minder sterk zal doorzetten in 2021, met respectievelijk 4,6% voor België en 4,7% voor de Eurozone.

OESO De OESO2 geeft aan dat de crisismaatregelen ertoe hebben geleid tot tijdelijke sluitingen van veel bedrijven, wijdverbreide beperkingen op reizen en mobiliteit, onrust op de financiële markten, een erosie van vertrouwen en een grotere onzekerheid. In een snel veranderende omgeving is het uiterst moeilijk om de exacte omvang van de impact van deze maatregelen op de groei van

2

OECD (2020) Evaluating the initial impact of COVID-19 containment measures on economic activity.

10


Economische impact COVID-19

het bbp te meten, maar het is duidelijk dat ze een scherpe krimp impliceren van het productieniveau, de uitgaven van huishoudens, bedrijfsinvesteringen en internationale handel. De OESO heeft een aantal illustratieve schattingen gemaakt van de initiële directe impact van lockdowns, gebaseerd op een analyse van nationale sectorale output- en consumptiepatronen en een aanname van gemeenschappelijke effecten binnen elke sector en uitgavencategorie in alle landen. Op basis van deze benadering, wordt vastgesteld dat de initiële directe impact van de lockdowns in veel economieën een daling van het productieniveau zou inhouden met een vijfde tot een kwart, terwijl de consumentenuitgaven mogelijk met ongeveer een derde zouden dalen. Veranderingen van deze omvang overtreffen veruit de effecten van de wereldwijde financiële crisis in 2008-2009. Deze brede schatting heeft bovendien alleen betrekking op de initiële directe impact in de betrokken sectoren en houdt geen rekening met eventuele aanvullende indirecte effecten. De implicaties voor de jaarlijkse groei van het bbp zullen afhangen van vele factoren, waaronder de omvang en de duur van nationale lockdowns, de mate van verminderde vraag naar goederen en diensten in andere delen van de economie en de snelheid waarmee de aanzienlijke fiscale en monetaire steunmaatregelen een impact zullen hebben. Desalniettemin is het duidelijk dat de impact van de lockdowns de groeivooruitzichten op korte termijn aanzienlijk zal verzwakken. De omvang van de geschatte daling van het productieniveau is equivalent aan een daling van de jaarlijkse bbp-groei tot 2 procentpunten per maand dat de strikte inperkingsmaatregelen worden aangehouden. Als de sluiting drie maanden zou voortduren, zonder compenserende factoren, zou de jaarlijkse bbp-groei tussen de 4 en 6 procentpunten lager kunnen liggen dan anders het geval zou zijn geweest. Hoewel deze schattingen slechts één benadering vormen voor het kwantificeren van de initiële impact van inperkingsmaatregelen op de activiteit en geen gebruik maken van het volledige scala aan gegevens die de prognoses van economische groei in de OECD Economic Outlook ondersteunen, is de boodschap duidelijk dat er een scherpe initiële afname van activiteiten in alle landen aan de gang is. Een benadering om het meer volledige plaatje van de potentieel directe impact van de wijdverbreide lockdowns in kaart te brengen, is te kijken naar de gedetailleerde outputcategorieën en de sectoren te identificeren die het meest rechtstreeks worden getroffen door de inperkingsmaatregelen. Voor elk van deze activiteiten kunnen illustratieve assumpties worden gemaakt over de mate waarin de activiteit waarschijnlijk zal worden geïmpacteerd, met productiedalingen die uiteenlopen van 50-100%. Binnen dienstensectoren worden activiteiten met betrekking tot reizen, waaronder toerisme, en direct contact tussen consumenten en dienstverleners, zoals kappers of aankopen voor de uitrusting, verfraaiing of onderhoud van de woning, duidelijk negatief beïnvloed door de opgelegde mobiliteitsbeperkingen en social distancing discipline. De meeste kleinhandelaars, restaurants en bioscopen zijn gesloten, hoewel afhaalmaaltijden en onlineverkopen een volledige stopzetting van de activiteiten in sommige bedrijven kunnen verhinderen. Niet-essentiële bouwwerkzaamheden ondervinden ook een negatieve impact, hetzij vanwege het inperkingsbeleid dat invloed heeft op de beschikbaarheid van arbeidskrachten, hetzij als gevolg van tijdelijke investeringsdalingen. Het directe effect van lockdownmaatregelen is kleiner in productiesectoren, waarvan sommige minder arbeidsintensief zijn. Bij producenten van transportmaterieel vinden echter

11


Economische impact COVID-19

volledige lockdowns plaats, vaak vanwege de moeilijkheden bij het verkrijgen van de noodzakelijke onderdelen van leveranciers uit andere landen. Globaal genomen zijn de getroffen sectoren in de meeste economieën goed voor 30 tot 40% van de totale output. Indien men er van uit gaat dat zich slechts gedeeltelijke lockdowns voordoen in sommige sectoren en dat de mate van sluitingen vergelijkbaar is in alle landen, ligt de totale directe initiële daling van het totale bbp-volume in veel grote ontwikkelde economieën doorgaans tussen 20-25%. In Duitsland is de totale outputdaling het grootste. De impact op de jaarlijkse bbpgroei hangt af van hoelang deze maatregelen van kracht blijven. Figuur 4: De potentiële initiële impact van gedeeltelijke of volledige sluitingen van activiteiten in de geselecteerde G7-economieën (% van het bbp tegen constante prijzen)

In alle economieën komt de grootste impact door de outputdaling in de detailhandel en groothandel, alsook in de professionele en vastgoeddiensten. Er zijn ook opmerkelijke sectorale verschillen in de landen, bijvoorbeeld een stillegging van de transportproductie die relatief belangrijk is in Duitsland tegenover de daling van toeristische en vrijetijdsactiviteiten die relatief belangrijk zijn in Italië. De toepassing en uitbreiding van dezelfde benadering naar andere economieën suggereert dat het effect van bedrijfssluitingen na de volledige uitvoering van de inperkingsmaatregelen kan resulteren in een reductie van minimum 15% van het outputniveau in de geavanceerde economieën en de grote opkomende economieën. In de mediane economie zou de productie met een kwart afnemen. Uit onderstaande grafiek blijkt dat de outputafname in België tegen de 25% aanschurkt, iets minder dan bijvoorbeeld Nederland dat de 25%-grens overschrijdt.

12


Economische impact COVID-19

Figuur 5: De potentiële initiële impact van gedeeltelijke of volledige sluitingen van activiteiten in geselecteerde geavanceerde en opkomende markteconomieën (in % van het bbp tegen constante prijzen)

Een alternatieve manier om de potentiële directe impact van wijdverbreide lockdowns in te schatten, is door te kijken naar gedetailleerde categorieën van consumentenuitgaven en opnieuw de categorieën te identificeren die het meest direct worden getroffen door inperkingsmaatregelen. Voor elk van deze uitgavencategorieën kunnen illustratieve assumpties worden gedaan over de mate waarin de uitgaven worden verlaagd, met bezuinigingen die variëren van 50-100%. Winkelsluitingen en reisbeperkingen zullen er waarschijnlijk toe leiden dat op sommige uitgavencategorieën volledig wordt bezuinigd, zoals uitgaven voor kleding, schoenen, huisraad en pakketreizen. Bestedingen die een direct contact veronderstellen tussen consumenten en ondernemingen, zoals tapijtenwinkels en kappers, zullen ook allemaal worden uitgesteld. Scherpe dalingen worden verwacht in de uitgaven voor lokale reizen, restaurants, hotels en recreatieve diensten, hoewel deze tot op zekere hoogte voortduren (bv. afhaalmaaltijden). Aangenomen wordt dat andere bestedingscategorieën, met inbegrip van essentiële aankopen, ongewijzigd blijven. Indien er wordt van uitgegaan dat zich slechts een gedeeltelijke verlaging in sommige betrokken bestedingscategorieën zal voordoen en dat gelijkmatige verlagingen zich in alle landen voordoen, zou de totale directe initiële negatieve impact op het niveau van de consumentenbestedingen in veel grote geavanceerde economieën kunnen oplopen tot ongeveer 1/3 na de volledige uitvoering van de inperkingsmaatregelen. Het potentiële effect op de consumentenuitgaven is groter dan op het totale bbp, aangezien lagere bestedingen gedeeltelijk worden gecompenseerd door een verminderde importvraag en omdat de consumentenuitgaven slechts ongeveer drie vijfde van het bbp uitmaken in de G7-economie. Rekening houdend met deze factoren, impliceren de

13


Economische impact COVID-19

illustratieve dalingen van de consumentenuitgaven ook een verlaging van ongeveer een vijfde van de binnenlandse productie. Figuur 6: De potentiële initiële impact van gedeeltelijke of volledige sluitingen op de particuliere consumptie in geselecteerde G7-economieën (% van de totale consumentenuitgaven)

IESE Insight IESE Insight3 voorziet een gemiddelde wereldwijde krimp van 3,5%, in een mild scenario waarbij sprake is van een lockdown van anderhalve maand (van midden maart tot eind april 2020). In de VS wordt een recessie verwacht met een krimp van 0,8 % van het bruto nationaal product (bnp) (verwachte groei in 2020 minus kosten COVID-19). Over heel 2020 zou de crisis de VS een verlies van 3% van het bnp kosten. De meeste Europese landen worden geconfronteerd met een significante recessie met een daling van 2 tot 3% van het bnp (verwachte groei in 2020 minus kosten COVID-19) en een betekenisvolle stijging van de werkloosheid. Enkel in China zou het bnp nog toenemen, zij het in een trager tempo (+3%) dan voorzien in de precrisissituatie (verwachte stijging van 6%).

3

IESE Business School (2020) How much will COVID-19 shake the world economy?, https://www.ieseinsight.com/doc.aspx?id=2291&idioma=2

14


Economische impact COVID-19

Tabel 3: Evolutie bbp in een mild scenario

Bron: IESE Business School

Iedere maand langer in isolatie kost de wereld een bijkomende vermindering van het bnp à rato van 2 tot 2,5%. Indien de strenge maatregelen worden gehandhaafd tot midden juni 2020 daalt het bnp in de VS met 4%, in Italië en Duitsland met ongeveer 6% en in het VK met meer dan 5%. Ingeval van verlenging van de maatregelen tot eind juli 2020 mogen ververleizen verwacht worden van gemiddeld 8%, in sommige landen van zelfs meer dan 10%.

McKinsey & Company Een aantal economische sectoren worden hard getroffen. McKinsey & Company4 benoemt de luchtvaart- en reissector, energie, automobiel en kleinhandel als sectoren waarvan een heropleving niet vóór 2021 moet verwacht worden. McKinsey & Company verwacht dat de Eurozone en de VS pas tegen 2023 zullen herstellen van de impact van COVID-19.

4

McKinsey & Company, Covid-19: Briefing materials. Global health and crisis response, Update: March 25, 2020.

15


Economische impact COVID-19

Tabel 4: Hard getroffen sectoren door COVID-19

Verder wijst McKinsey & Company erop dat de aandelenmarkten over de hele wereld tussen 20 februari en eind maart ongeveer een derde van hun waarde verloren. Figuur 7: Evolutie van de aandelenmarkten per land

Het McKinsey Global Institute5 heeft een model met scenario's ontwikkeld die het verloop van de pandemie en de potentiĂŤle paden naar gezondheids- en economisch herstel helpen conceptualiseren. De scenario's consolideren aannames in een reeks van schattingen van het bbp-effect van lockdowns op consumptie en economische activiteit. 5

McKinsey & Company, An instant economic crisis: How deep and how long?, April 2020.

16


Economische impact COVID-19

Figuur 8: Scenario’s voor de economische impact van COVID-19

Mckinsey & Company enquêteert6 maandelijks wereldwijd naar de mening van Chief Officers (CO’s) over de impact van COVID-19. Resultaten van de laatste McKinsey Global Survey on the economy (uitgevoerd van 4 mei tot 8 mei 2020) duiden op een verbetering van de vooruitzichten. CO’s zijn nu meer dan in april of maart geneigd om in de komende maanden een verbetering te verwachten in het omstandigheden en de groei. Toch zijn CO’s nog steeds negatiever dan positief in hun verwachtingen over de nationale economie en de wereldeconomie als een maand geleden. Bovendien tekenen er zich grote verschillen af tussen regio's en sectoren. CO’s in China (inclusief Hong Kong en Taiwan) waren het meest optimistisch over de binnenlandse economische omstandigheden in april en dat blijft ook voor de maand mei zo: 75% verwacht dat de omstandigheden de komende zes maanden zullen verbeteren, vergeleken met

6

McKinsey & Company, The coronavirus effect on global economic sentiment, Survey, 21 May 2020.

17


Economische impact COVID-19

63% eerder. Alhoewel dat aandeel in Europa slechts 34% bedraagt, zijn de respondenten opmerkelijk positiever over hun economie dan een maand geleden. Van alle regio's laten de respondenten in India de grootste switch naar een positief sentiment optekenen in vergelijking met de maand april. Op bedrijfsniveau zijn de vooruitzichten bijzonder somber. In april geven bijna dubbel zoveel respondenten als in maart aan te verwachten dat de winst van hun bedrijven de komende maanden zal afnemen. Met 61% is dat het grootste aandeel dat een negatieve winstvisie rapporteert sinds McKinsey & Company de vraag is beginnen te stellen na de financiële crisis van 2008. In de enquête van mei duiden respondenten de zwakke consumentenvraag aan als een bedreiging voor de groei van hun organisatie. Maar in bepaalde sectoren doemen daarnaast andere risico's op. Respondenten in de financiële dienstverlening noemen volatiele financiële markten bijvoorbeeld de grootste bedreiging voor de groei van bedrijven. Ook verstoringen van de toeleveringsketen vormen volgens de CO’s een groot risico in verschillende sectoren, namelijk de farmaceutische industrie, de chemiesector, de consumenten- en verpakte goederen en de auto-industrie en -assemblage. Slechts 15% van de respondenten gaf aan dat COVID-19 geen verstoring heeft veroorzaakt in hun waardeketens, en nog een derde zegt dat de huidige verstoring de ergste is die hun bedrijven ooit hebben meegemaakt. Wat betreft de vooruitzichten van de nationale economieën, zijn de respondenten in China veel optimistischer dan die in andere landen, zelfs vergeleken met hun tegenhangers in de rest van Azië, en veel positiever dan een maand geleden. Respondenten in Noord-Amerika verwachten ook de komende maanden verbeteringen, hoewel het aantal gevallen van COVID-19 in de VS de twee weken voor de enquête die in China overschreed. De respondenten in Latijns-Amerika verwachten dat hun economieën op korte termijn het zwaarst zullen getroffen worden, vergeleken met andere regio's, en het sentiment daar – maar ook in de meeste andere regio's - is sinds het vorige onderzoek van begin maart 2020 negatiever geworden. Figuur 9: Verwachtingen van CO’s over de ontwikkeling van de wereldeconomie de volgende zes maanden (% van de respondenten)

18


Economische impact COVID-19

Figuur 10: Verwachtingen van de CO’s over de ontwikkeling van de omstandigheden in de nationale economie (% van de respondenten volgens vestiging)

Figuur 11: Verwachtingen van de CO’s over de ontwikkeling van de bedrijfswinst de volgende zes maanden (% van de respondenten)

19


Economische impact COVID-19

Figuur 12: De grootste potentiële risico’s voor de groei van de onderneming in de volgende 12 maanden (in % van de respondenten volgens sector)

The Economist Intelligence Unit Vóór de uitbraak van het coronavirus verwachtte The Economist Intelligence Unit7 een matige wereldwijde reële bbp-groei in 2020 met 2,3% (tegen marktwisselkoersen). De coronavirus pandemie is een game changer in die zin dat een krimp in de wereldwijde productie wordt verwacht van 2,5%, dieper dan tijdens de wereldwijde financiële crisis. Het negatieve effect op de groei zal via zowel vraag- als aanbodkanalen komen. Enerzijds zullen quarantainemaatregelen, ziekte en het negatieve sentiment bij consumenten en bedrijven de vraag onderdrukken. Anderzijds zal de sluiting van ondernemingen en de verstoring van de toeleveringsketens tot gevolg hebben dat het aanbod strop komt te zitten. De economische schok zal zich vooral in de eerste helft van dit jaar concentreren, met regionale verschillen die het gevolg zijn van de geleidelijke verspreiding van de pandemie over de hele wereld.

7

The Economist Intelligence Unit, Coronavirus sinks global growth prospects for first half of 2020. Q2 global forecast 2020, April 2020.

20


Economische impact COVID-19

Tabel 5: Reële groeivoet bbp (%), kwartaal per kwartaal

Bron: The Economist Intelligence Unit Tabel 6: Vooruitzichten voor de G20 in 2020 Reële groei bbp in 2020 (in%) Argentinië -6,7 Australië -0,5 Brazilië -5,5 Canada -3,2 China +1 Frankrijk -5 Duitsland -6 India +2,1 Indonesië +1 Italië -7 Japan -1,5 Zuid-Korea -1,8 Mexico -6,5 Rusland -2,6 Saoudi-Arabië -5 Zuid-Afrika -3 Turkije -3,5 VK -4,7 VS -2,9 Wereld -2,5

Verwachte groei vóór de uitbraak -2 +2 +2,4 +1,8 +5,9 +1 +0,9 +6 +5,1 +0,4 +0,4 +2,2 +1,1 +1,6 +1 +1,4 +3,8 +1,1 +1,7 +2,3

Bron: The Economist Intelligence Unit

The Economist verwacht een bescheiden herstel van de wereldwijde productie in de tweede helft van 2020, op voorwaarde dat de spreiding van coronavirus wereldwijd grotendeels wordt beheerst en er zich geen tweede of derde golf van de pandemie voordoen. Echter, de impact op het vertrouwen en de vraag zal langdurig zijn. Een toename van de onzekerheid leidt tot meer besparingen bij huishoudens en vertraagde bedrijfsinvesteringen. Sommige consumenten zouden ook kunnen doorgaan met zelfquarantaine nadat overheden de blokkades hebben opgeheven uit angst het coronavirus op te lopen, wat het herstel van de particuliere consumptie zou belemmeren. In een worst case scenario doet zich een ernstige schuldencrisis voor, als de inspanningen om de pandemie in bedwang te houden een drastische daling in de belastinginkomsten zouden teweegbrengen en tot een extreme toename van de overheidsuitgaven zouden leiden. Een

21


Economische impact COVID-19

mogelijke schuldencrisis in bijvoorbeeld landen als Italië en Spanje zou snel verspreid worden naar andere ontwikkelde landen en opkomende markten, waardoor de wereldeconomie in een andere - mogelijk veel diepere – val zou gestort worden. China was het eerste land dat werd getroffen door de uitbraak van het coronavirus. Na een aanvankelijk trage reactie, hebben de Chinese autoriteiten Hubei en andere provincies op slot gedaan, waardoor de activiteiten aanzienlijk werden beperkt in domeinen die van cruciaal belang zijn voor nationale en internationale toeleveringsketens. Chinese burgers hebben bezuinigd, wat betekent dat bedrijven actief in dienstensectoren zoals horeca en huisvesting moeite hebben om het hoofd boven water te houden. Recente gegevens tonen ook aan dat de industriële output, evenals investeringen in onroerend goed en vaste activa, tot recordlaagten zijn geëvolueerd in januari-februari 2020. The Economist schat dan ook dat de Chinese productie kwartaal op kwartaal met 10,9% kromp in januari-maart. Thans zijn er tekenen dat de bedrijvigheid in China langzaam begint te hernemen, terwijl de Chinese leiders erop uit zijn om de situatie te normaliseren en de quarantainemaatregelen geleidelijk op te heffen. Tegen deze achtergrond verwacht de Economist dat de groei met 9,2% kwartaal op kwartaal zal toenemen in april-juni. Dit komt echter vooral door de basiseffecten, waardoor de groei van China over het hele jaar slechts 1% zal bedragen. In heel Europa zullen de inperkingsmaatregelen de economieën doen krimpen in 2020. Italië, dat zeer zwaar werd getroffen door het coronavirus, zag de productie in het eerste kwartaal van dit jaar met 5% op kwartaalbasis afnemen door de ernstige verzwakking van de economische activiteit. Het plaatje ziet er nog slechter uit voor de hele eurozone voor het tweede kwartaal, waarbij in alle landen op kwartaalbasis een krimp wordt verwacht in de output. De situatie ziet er in het bijzonder slecht uit voor Duitsland. Het land beschikt over een omvangrijke productiesector (die een vijfde van de economie vertegenwoordigt) die sterk op export gericht is. Dit impliceert dat het land in hoge mate blootgesteld is aan zowel de blokkeringen in de supply chains als een dalende wereldvraag. Verwacht wordt dat de Duitse productie in het tweede kwartaal op kwartaalbasis met 10% zal krimpen, en met 6% op jaarbasis. Het herstel zal er trager verlopen dan in andere landen van de eurozone, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, waar de doorgaans veerkrachtiger binnenlandse consumptie een grotere groeimotor is. Het coronavirus verspreidt zich nu snel in de Verenigde Staten, dat nu het grootste aantal gevallen meldt wereldwijd. De impact van de pandemie op de Amerikaanse groei zal vooral tijdens het tweede kwartaal van dit jaar worden gevoeld met een krimp van de productie kwartaal op kwartaal met 5,9%. De eerste reactie van de Amerikaanse regering op de uitbraak van het coronavirus was bijzonder slecht en lukraak, waardoor het virus snel kon verspreiden. Rekening houden met de abrupte uitvoering van inperkingsmaatregelen, de steile opgang van de werkloosheidsclaims eind maart en de trage vooruitgang bij het versnellen van de coronatesten, wordt een daling van het reële bbp in 2020 met 2,9% verwacht. Dit is een optimistisch uitgangspuntscenario, dat zou kunnen achterhaald worden als de inperkingsmaatregelen niet worden opgeheven tegen de tweede jaarhelft van 2020. Er wordt ook van uitgegaan dat de recente federale stimuleringsmaatregelen - voor een bedrag van US $2.000 miljard, meer dan het dubbele van de steunomvang in reactie op de wereldwijde financiële crisis, snel worden geïmplementeerd, waardoor werknemers in de dienstensector toegang krijgen tot essentiële financiële steun.

22


Economische impact COVID-19

Fitch Ratings Op 22 april 2020 bracht het ratingbureau Fitch Ratings8 een update uit van hun Global Economic Outlook, de derde in een maand tijd, waarbij een substantiële herziening van de eerdere ramingen werd doorgevoerd, mede als gevolg van de uitbreiding van lockdownmaatregelen. Fitch Ratings verwacht nu dat het wereld-bbp in 2020 met 3,9% zal dalen, hetgeen duidt op de zwaarste recessie sinds WO II. Deze neergang is bijna twee keer zo groot als de daling verwacht in hun prognoses van 2 april 2020 en die voorziene implosie was al twee keer zo groot als die van de recessie van 2009 na de financiële crisis. Dit vertaalt zich in een daling van de wereldwijde inkomens met $2,8 biljoen in vergelijking met 2019 en een verlies van $4,5 biljoen van het wereldwijde bbp van 2020 in vergelijking met de previrusverwachtingen. Geen enkel land of regio is gespaard gebleven van de vernietigende economische impact van de wereldwijde pandemie. Verwacht wordt dat het bbp zowel in de VS als in het VK - waar de lockdowns iets later zijn ingesteld dan in de eurozone - in het tweede kwartaal van 2020 met meer dan 10% (niet op jaarbasis) zal afnemen, vergeleken met prognoses van rond -7% in de update van begin april. Dit zal resulteren in een jaarlijkse bbp-daling van ongeveer 6%, ondanks een agressieve versoepeling van het macrobeleid. De economische ineenstorting geldt wereldwijd en leidt tot een scherpe verdere neerwaartse bijstelling van de bbp-prognoses voor opkomende markten (EM). Dalende grondstofprijzen, kapitaaluitstroom en beperktere beleidsflexibiliteit verergeren het effect van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19.

8

Fitch Ratings, Global Economic Outlook: Crisis Update Late April 2020 – Coronavirus Recession Unparalleled, 22 April 2020.

23


Economische impact COVID-19

Tabel 7: Overzicht van de vooruitzichten

24


Economische impact COVID-19

Figuur 13: Evolutie van bbp-vooruitzichten

European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) De groei in de EBRD9-regio's bedroeg in 2019 gemiddeld 2,6%, tegenover 3,4% in 2018 en 3,8% in 2017, hetgeen een gestage daling weerspiegelt van de wereldwijde groei en de wereldhandel. De pandemie van Covid-19 komt bovenop deze vertraging en zal naar verwachting resulteren in een substantiĂŤle outputcontractie, althans op korte termijn. Ervan uitgaande dat de inperkingsmaatregelen geleidelijk worden versoepeld om te komen naar een genormaliseerde situatie in de tweede jaarhelft, wordt verwacht dat het bbp in de EBRD-regio's gemiddeld met 3,5% zal krimpen in 2020, gevolgd door een herstel in 2021 met een gemiddeld groeipercentage van 4,8%. Hoewel dit scenario uitgaat van een bescheiden effect van de crisis op de lange termijnoutput, kan de pandemie op langere termijn aanzienlijke economische, politieke en sociale gevolgen hebben. Deze schattingen zijn onderhevig aan een ongekende onzekerheid. Als de social distancing langer blijft gehandhaafd dan verwacht, kan de recessie veel dieper zijn en wordt het niveau van het bbp per capita van 2019 de komende jaren niet meer bereikt.

9

European Bank for Reconstruction and Development, COVID-19: From shock to recovery, Regional Economic Prospects in the EBRD Regions, Update May 2020.

25


Economische impact COVID-19

Tabel 8: reĂŤle groei bbp, in % per jaar

26


Economische impact COVID-19

2.2

Eurozone

Europese Commissie De economische voorjaarsprognoses van de Europese Commissie10 wijzen erop dat de Europese economie dit jaar een recessie van historische omvang doormaken. Volgens de economische voorjaarsprognoses 2020 zal de economie van de eurozone in 2020 een recordkrimp van 7,7 % kennen en in 2021 een groei van 6,3 %. De EU-economie zal in 2020 naar verwachting met 7,4 % krimpen en zal in 2021 met ongeveer 6,1% groeien. De groeiprognoses voor de EU en de eurozone zijn in vergelijking met de economische najaarsprognoses 2019 neerwaarts herzien met ongeveer negen procentpunt. De schok die de EU-economie ondervindt, is symmetrisch omdat de pandemie alle lidstaten heeft getroffen, maar zowel de daling van de output in 2020 (van -4,3% in Polen tot -9,7% in Griekenland) als de kracht van het herstel in 2021 zouden aanzienlijk uiteenlopen. Het economisch herstel van elke lidstaat zal niet alleen afhangen van de ontwikkeling van de pandemie in dat land, maar ook van de structuur van zijn economie en het vermogen om te reageren op stabiliseringsmaatregelen. Gelet op de onderlinge afhankelijkheid van de EUeconomieĂŤn zal de dynamiek van het herstel in elke lidstaat ook een invloed hebben op het herstel van andere lidstaten. Tabel 9: Overzicht van de voorjaarsprognoses 2020

10

European Commission, European Economic Forecast. Spring 2020, 6 May 2020.

27


Economische impact COVID-19

De Europese Commissie verwacht de Belgische economie in 2020 met 7,2% zal krimpen om in 2021 aan te knopen met een groei van 6,7%. De coronaviruspandemie heeft zware gevolgen gehad voor de consumentenuitgaven, de industriële productie, de investeringen, de handel, de kapitaalstromen en de toeleveringsketens. De geleidelijke versoepeling van de inperkingsmaatregelen die verwacht wordt, zou de aanzet moeten geven tot het herstel. Het valt echter niet te verwachten dat de Europese economie de verliezen van dit jaar volledig zal hebben goedgemaakt vóór het einde van 2021. De investeringen zullen getemperd blijven en de arbeidsmarkt zal nog niet volledig hersteld zijn.

Europese Centrale Bank Gezien de grote onzekerheid over de economische impact als gevolg van de lockdownmaatregelen, heeft de ECB11 op 1 mei 2020 projecties gemaakt op basis van drie scenario's. De ECB merkt op dat deze schattingen van de economische effecten van COVID-19 geenszins een vervanging zijn van en niet mogen worden gezien als een indicatie van de regelmatige prognoses van de ECB. De hoge mate van onzekerheid rond de duur en impact van de gezondheidscrisis (wanneer is een vaccin op grote schaal beschikbaar?), en rond de duur, de aard en de consequenties van de relancemaatregelen, impliceert dat niet één scenario de macro-economische en budgettaire ontwikkelingen kan samenvatten. De macro-economische evoluties verschillen naargelang het relancetraject dat in de volgende jaren wordt neergezet. Er worden drie scenario’s voorzien, naargelang de aard van het relancetraject, met respectievelijk een minimale (‘milde’), gemiddelde (medium) en maximale (‘zware’) impact op de economie en de overheidsfinanciën. Alle scenario’s gaan uit van een snelle start van de relance in het tweede kwartaal van 2020, maar dan lopen de trajecten uit elkaar. In het eerste (milde) scenario wordt de economie bijna integraal heropgestart vanaf de tweede helft van 2020; in het tweede (medium) scenario is tegen het einde van 2020 nog een vijfde van de economie niet heropgestart en blijft het groeiritme ook in 2021 lager; in het derde (zware) scenario blijven grote delen van de economie tot in 2022 aanzienlijk onder hun potentie. Tabel 10: Scenario’s ECB

11

Medisch

Lockdown

Economische impact

Mild (scenario 1)

Snelle medische vooruitgang

Kort, beëindigd in mei 2020

Enkel tijdelijk economisch verlies van output en bbp

Medium (scenario 2)

Snelle medische vooruitgang, tragere verspreiding vaccin

Kort, beëindigd in mei 2020

Zwaar (scenario 3)

Trage vooruitgang

Langer, beëindigd in juni 2020

Pas in 2021 vaccin op grote schaal beschikbaar

Langere overgang van lockdown naar open economie

Snelle integrale relance

Relance verloopt trager

Permanent verlies van output en bbp

Belangrijk permanent verlies van output en bbp

https://www.ecb.europa.eu/pub/economic-bulletin/focus/2020/html/ecb.ebbox202003_01~767f86ae95.en.html

28


Economische impact COVID-19

Op basis van de scenario-analyse van de ECB mag een ongeziene inkrimping van de economische activiteit verwacht worden, met een reÍle bbp-daling in 2020 van ongeveer 5%, 8% en 12% onder het milde, medium respectievelijk ernstige scenario. De economische sectoren die naar verwachting relatief grotere verliezen aan toegevoegde waarde zullen laten optekenen in vergelijking met de industrie, bouw en andere sectoren, zijn de detailhandel, transport, huisvesting en foodservice-activiteiten. Verder bouwend op de veronderstellingen die worden gebruikt voor deze illustratieve scenario's, mag verwacht worden dat het marginale effect van een extra maand lockdownmaatregelen op het jaarlijkse bbp-niveau van de eurozone ongeveer tussen 2 en 2½ procent zal bedragen. Tabel 11: InitiÍle sectorale verliezen ten gevolge van strikte lockdown maatregelen

29


Economische impact COVID-19

Figuur 14: Tijdsprofiel van indicatieve verliezen aan bruto toegevoegde waarde geïmpliceerd door inperkingsmaatregelen in het eurogebied onder het milde, medium en zware scenario

Volgens de ECB zal, naargelang de inperkingsmaatregelen een geleidelijke normalisatie van de economische activiteit mogelijk maken, het reële bbp in 2021 naar verwachting met ongeveer 6%, 5% en 4% stijgen onder het milde, medium en ernstige scenario. In het bijzonder in het ernstige scenario zal het reële bbp naar verwachting ruim onder het niveau blijven dat werd voorzien eind 2019 tot eind 2022. Volgens de op 4 mei 2020 vrijgegeven resultaten van het tweede kwartaalonderzoek van de ‘ECB Survey of Professional Forecasters’, bedraagt de groei van het reële bbp van het eurogebied 5,5%, 4,3% en 1,7% voor respectievelijk 2020, 2021 en 2022. Dit zijn aanzienlijke herzieningen ten aanzien van de vorige editie toen nog cijfers werden meegedeeld van -6,6 procentpunten voor 2020 en +3,1 procentpunten voor 2021. Met 1,4% blijven de gemiddelde lange termijnverwachtingen voor de reële bbp-groei echter ongewijzigd. De grafiek verduidelijkt de geraamde evolutie van het bbp naargelang het relancetraject in de drie scenario’s.

30


Economische impact COVID-19

Figuur 15: Reële bbp voor de Eurozone in het milde, medium en zware scenario

ING Een recente analyse van ING12 houdt rekening met 4 mogelijke scenario’s voor de Eurozone: Een snelle verzachting van de lockdown eind april 2020 is mogelijk en gaat samen met een krachtig V-vormig herstel. Dit is het best case scenario met een reële economische groei van de Eurozone van -3,2% in 2020. De lockdown kan slechts langzaam verzacht worden vanaf eind april 2020 maar er blijven wel de hele zomer contactbeperking (social distancing) maatregelen van kracht. Dit is het basisscenario, waarbij zich een geleidelijk U-vormig herstel voordoet met een reële economische groei van de Eurozone van -5,0% in 2020. Een variatie hierop gaat uit van een heropflakkering in oktober. Zoals in het basisscenario wordt de lockdown afgebouwd vanaf eind april blijft er de hele zomer sprake van social distancing. In oktober worden we dan geconfronteerd met een opflakkering waardoor een terugkeer naar normaliteit pas kan in april 2021. Dit ‘winter-lockdown’ scenario brengt een W-vormig herstel met zich mee en een reële economische groei van de Eurozone van -5,8% in 2020. Tot slot is er een Worst case scenario waarbij het herstel L-vormig verloopt. In dit scenario blijft de lockdown in heel 2020 van kracht en is er pas een terugkeer naar normaliteit in het 2de kwartaal van 2021. Er wordt een reële economische groei van de Eurozone van -16,1% in 2020 verwacht.

12

ING, Covid-19: De scenario's, de lockdown, de reactie, het herstel, THINK Economic and Financial Analysis, 2 April 2020

31


Economische impact COVID-19

De hierboven aangehaalde analyses geven een eerste inschatting van de mogelijk economische impact. De uiteindelijke impact zal echter afhangen van heel wat meer variabelen: de duur van de contactbeperkingen maar ook de effectiviteit, de omvang en de snelheid waarmee de fiscale en monetaire steunprogramma’s effect hebben.

Standard & Poor’s In een analyse dd. 26 maart 2020 voorspelt Standard & Poor’s13 dat de eurozone en het VK met recessies worden geconfronteerd, en verwacht dat het bbp gemiddeld met ongeveer 2% zal dalen in 2020, als gevolg van de economische impact van de coronapandemie, terwijl een geleidelijk herstel van ten minste 3% wordt verwacht voor 202114. S&P wijst er niettemin op dat rekening moet gehouden worden met een worst case scenario, mocht de pandemie langer aanhouden en meer wijdverbreid zijn dan voorzien. Een lockdown van bijvoorbeeld vier maanden zou het bbp in de eurozone tot 10% kunnen verlagen. De impact van de crisis situeert zich vanuit macro-economisch perspectief op 3 vlakken: 1. de vraagzijde, ten gevolge van een sterke daling in consumptie en een terugval in het vertrouwen van zowel consumenten als investeerders. Gezinnen verliezen inkomen en ervaren financiële onzekerheid en verminderen dus hun bestedingen. 2. de aanbodzijde, door een plotse terugval in de productie in geaffecteerde landen die zich doorheen de globale waardeketens propageert. De daling in binnenlandse vraag zorgt voor lagere import en heeft dus ook internationale gevolgen, die op hun beurt de productie (vnl. in de industrie) verder doen afnemen. 3. op financieel vlak, aangezien ondernemingen in moeilijkheden kunnen komen door het opdrogen van liquiditeiten (en na verloop van tijd ook kapitaal), wat opnieuw een kettingreactie kan veroorzaken richting leveranciers, werknemers etc. Inkomensverlies door tijdelijke werkloosheid en ziekte versterken bovendien de negatieve vraageffecten. Op landenniveau verwacht S&P een iets grotere impact op het bbp (minus 2,6%) in Italië, dat een verhoudingsgewijs een hoog percentage COVID-19-infecties heeft in vergelijking met de meeste andere landen van het eurogebied (gemiddelde daling van 2%). S&P verwacht verder een krimp van het bbp in Duitsland met 1,9%, iets onder het eurogemiddelde dus. Voor België wordt een daling van het bbp met 1,7% voorspeld, duidelijk onder het eurogemiddelde van 2%. Enkel Nederland zou van de geciteerde landen in onderstaande tabel een nog minder sterke daling (1,6%) kennen.

13

European Parliament, Briefing, https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2020/645704/IPOL_BRI(2020)645704_EN.pdf

14

De prognose voor 2021 steunt op de vaststelling dat centrale banken en overheden ongekende omvangrijke fiscale steunmaatregelen en budgettaire middelen in de strijd werpen om werknemers en bedrijven te helpen herstellen. S&P is van oordeel dat snelle en ingrijpende beleidsreacties de sleutel zijn voor het vermijden van verdere bbp-verliezen in de toekomst.

32


Economische impact COVID-19

Tabel 12: Global Ratings European Economic Forecasts (March 2020)

Fitch Ratings Het uitbreken van de COVID-19-gezondheidscrisis vereiste buitengewone tegenmaatregelen van de regeringen om de effecten en de gevolgen van het virus te verzachten. Hoewel sommige landen mogelijke exit-strategieën via het sociale afstandsbeleid beginnen te plannen, hebben andere landen zoals Frankrijk, Italië, Spanje, het VK en veel van de grootste Amerikaanse staten de lockdown in de maand april verlengd. Deze extra maand vergrendeling heeft had daarom gevolgen voor de prognoses die begin april waren bekendgemaakt, met name voor het eurogebied, waar de inperkingsmaatregelen al een zeer zware tol geëist hebben in het eerste kwartaal van 2020. Fitch Ratings15 verwacht nu dat het bbp van het eurogebied in 2020 met 7% zal krimpen, hetgeen een versterking van de verwachte daling impliceert met 2,8 procentpunten ten opzichte van de vorige schatting. Voor 20221 is de bbp-groei in het eurogebied wel opwaarts bijgesteld naar 4,3% voornamelijk als gevolg van het gevoerde beleid om de impact van de crisis te temperen. Fitch concentreerde zich op het eurogebied en heeft de Italiaanse bbp-prognose voor 2020 verlaagd tot -8%, een vervolg op de ramingen van de Italiaanse Parlementaire Begrotingsdienst, die aangaf dat het bbp in het eerste kwartaal van 2020 al met 5% is gedaald. De grote impact in Italië wordt verklaard door het grote aantal kleine bedrijven en de beperkte ruimte voor een agressief fiscaal beleid. Officiële schattingen van de Banque du France en Banco de España geven aan dat ook de dalingen in Frankrijk en Spanje in het eerste kwartaal van 2020 scherp zijn met respectievelijk 6% en 4,7%, waarbij de Spaanse economie bijzonder hard werd getroffen door de daling in de toeristische inkomsten. Ten slotte verwacht Fitch, vergeleken met eerdere schattingen, nu een sneller herstel van de Duitse economie, waar het bbp in 2021 met 4,8% toeneemt, zowel door de grotere voorziene beleidsruimte in de strijd tegen COVID-19 als door de directe voordelen ten gevolge van het herstel in China.

15

Fitch Ratings, Global Economic Outlook: Crisis Update Late April 2020 – Coronavirus Recession Unparalleled, 22 April 2020.

33


Economische impact COVID-19

Tabel 13: bbp-groei, vergelijking tussen schattingen begin april en eind april

Ook de consumentenbestedingen en vaste investeringen zullen in 2020 in de Eurozone een terugval kennen, terwijl de werkloosheid zal met 3 procentpunt tot 10,5% zal toenemen. Tabel 14: Overzicht van vooruitzichten voor de Eurozone

CPB-Nederland Een recent scenariorapport16 in Nederland schuift 4 scenario’s naar voor. De scenario’s hanteren verschillende uitgangspunten voor de duur van de contactbeperkingen en de diepte van de economische doorwerking. De grootste onzekerheden zijn het verloop van de pandemie, de doorwerking van de contactbeperkingen en de effectiviteit van het beleid in binnen- en buitenland. De duur van de contactbeperkingen die nodig zijn om de verspreiding van het virus in te dammen, is cruciaal voor de economische impact.

16

Centraal Planbureau, Scenario’s economische gevolgen coronacrisis, maart 2020.

34


Economische impact COVID-19

Tabel 15: Overzicht van de scenario’s met de belangrijkste onzekerheden (CPB, 2020)

In Nederland voorziet het CPB dat alle scenario’s resulteren in een recessie, het bbp krimpt in 2020 met 1,2% tot 7,7%. In het lichtste scenario veert de economie al in het derde kwartaal van 2020 weer op, in het zwaarste scenario ontstaan er ook problemen in de financiële sector en verslechtert het buitenlandbeeld verder. In dat scenario zal er ook in 2021 een krimp van het bbp van 2,7% optreden. In drie van de vier scenario’s is de neergang dieper dan in de crisis van 2008/2009. In de keuze van de veronderstellingen is getracht een enigszins plausibele variatie aan te brengen, maar andere veronderstellingen en scenario’s zijn mogelijk. De waarde van scenarioanalyse zit in de vergelijking tussen de scenario’s om zo de orde van grootte van economische effecten te schetsen.

Frankrijk De Franse centrale bank rekent op een krimp van de Franse economie van 8% in 2020. Per twee weken dat de quarantaine van kracht blijft, daalt het bruto binnenlands product jaar op jaar met 1,5% en bijna evenveel in termen van een extra begrotingstekort, rekende de Banque de France uit. De bouw- en de transportsector, de hotels, de restaurants en de kleinhandel krijgen de zwaarste klappen te incasseren. De nu acht weken durende lockdown (tot 20 april) in Frankrijk om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zal volgens het Franse Observatorium voor Economische Conjunctuur (OFCE) leiden tot een verlies van €120 miljard voor de bedrijven. Tijdens de inperkingsperiode is het bbp met 32% verminderd, wat overeenkomt met vijf bbp-procentpunten over heel 2020, aldus de OFCE. Voor 2020 voorspelt de regering dat het bbp van het land met 8% zal dalen, terwijl het overheidstekort dit jaar tot 9% van het bbp zal stijgen. De lockdown startte in Frankrijk op 17 maart 2020. In het eerste kwartaalrapport van 2020 van het Franse bureau voor de statistiek17 werden de twee weken lockdown van maart mee in rekening gebracht. Die twee weken sorteerden een enorme impact. De Franse economie kromp over het eerste kwartaal 5,8%. Dat is de slechtste prestatie sinds 1945. Tijdens de laatste twee weken van maart lag de economische activiteit 32% lager dan in normale omstandigheden. Beterschap wordt niet meteen verwacht.

17

https://www.insee.fr/fr/statistiques/4485632

35


Economische impact COVID-19

Figuur 16: Evolutie bbp, kwartaal op kwartaal (in %)

VK De Bank of England verwacht dat de economische activiteit in het tweede kwartaal 2020 met liefst 25% zakt en vanaf het derde kwartaal geleidelijk opleeft. Daardoor zal de Britse economie in 2020 met 14% krimpen. Dat zou de grootste achteruitgang zijn sinds 1706, toen het Verenigd Koninkrijk worstelde met een natuurramp en een oorlog. De centrale bank veronderstelt in haar 'illustratief scenario'18 dat de regering de lockdown geleidelijk versoepelt tussen begin juni en eind september. Ze is met die hypothese relatief voorzichtig, want premier Boris Johnson overweegt een snellere afbouw van de inperkingsmaatregelen. De zware recessie zal de werkloosheidsgraad doen verdubbelen van 4 naar 8%. Over de vooruitzichten op wat langere termijn is de Bank of England dan weer optimistisch. Zij ziet de Britse economie in 2021 met 15% groeien en verwacht dat de economische activiteit in de tweede helft van volgend jaar weer even hoog is als eind 2019, net voor de start van de coronacrisis. De meeste economen verwachten in vergelijking met de centrale bank een mildere recessie in 2020 en een zwakker herstel in 2021. De Europese Commissie voorspelde woensdag dat de Britse economie dit jaar met 8,3% zal krimpen en volgend jaar met 6% zal groeien (zie hoger).

Duitsland Tijdens de eerste drie maanden van 2020 bleef de schade volgens de belangrijkste economische instituten DIW, IfO, IfW, IWH en RWI beperkt tot een krimp van 1,9%. Uit cijfers van het Duitse

18

https://www.bankofengland.co.uk/-/media/boe/files/monetary-policy-report/2020/may/monetary-policy-reportmay-2020.pdf

36


Economische impact COVID-19

statistiekbureau19 blijkt thans dat de Duitse economie, de grootste van de eurozone, in het eerste kwartaal met 2,2%. Dat is de sterkste kwartaal-op-kwartaaldaling sinds de nasleep van de financiĂŤle crisis in 2009, toen de economie een krimp van 4,7% vertoonde. Ook het cijfer voor het voorgaande kwartaal werd neerwaarts herzien naar -0,1%, waardoor Duitsland in een recessie duikt. Met een kwartaalkrimp van 2,2% is Duitsland echter een sterkhouder in de eurozone, die volgens de eerste schatting op een krimp van 3,8% afstevent in het eerste kwartaal. In Frankrijk (-5,8%) en ItaliĂŤ (-4,7%) is de balans nog slechter. Figuur 17: Evolutie bbp in Duitsland

De economie van Duitsland - de locomotief van Europa - mag zich in het tweede kwartaal van dit jaar echter aan een krimp van 9,8% verwachten door de coronapandemie. Als de prognoses kloppen, krijgt Duitsland in het tweede kwartaal af te rekenen met de zwaarste terugval van het bbp sinds 1970, toen het land startte met de opmaak van kwartaalcijfers. De terugval is bovendien ruim tweemaal zo groot als de krimp tijdens het eerste kwartaal van 2009, toen de financiĂŤle crisis de wereldeconomie geselde. Voor het volledig jaar 2020 voorspellen de instituten DIW, IfO, IfW, IWH en RWI een krimp van 4,2%. Verwacht wordt dat de economie in 2021 opveert met 5,8%. De recessie laat duidelijke sporen na op de arbeidsmarkt en in de overheidsbegroting. Het werkloosheidspercentage stijgt dit jaar tot 5,9% (zowat 2,5 miljoen mensen dreigen hun job te verliezen), voor nog eens 2,4 miljoen anderen wenkt tijdelijke werkloosheid. Nieuwe prognoses van de Duitse regering voorspellen een daling van het bbp in 2020 met 6,3%. De coronapandemie en bijhorende uitval op de economie leiden tot een zware recessie, de grootste sinds de start van de metingen in 1970. De berekeningen gaan uit van een geleidelijke en gematigde exitstrategie, weg van de huidige maatregelen om het nieuwe coronavirus in te dammen. In 2021 zou het economisch herstel een feit zijn bij de oosterburen, met een groei van 5,2%. Maar pas in 2022 zou het land opnieuw op het pre-coronaniveau zitten. De becijferde terugval van 6,3% is groter dan de economische krimp zowat tien jaar geleden, ten tijde van de mondiale economische crisis. 19

https://www.tijd.be/politiek-economie/europa/economie/duitsland-duikt-in-recessie/10227397.html

37


Economische impact COVID-19

Verwacht wordt dat de impact van coronacris leidt tot een extra begroting voor steunmaatregelen ter waarde van €156 miljard.

Spanje De Spaanse regering verwacht dat de economie dit jaar met 9,2% krimpt door de maatregelen om het coronavirus in te dammen. Volgend jaar zou de economie dan weer met 6,8% moeten groeien. De voorspelling van de overheid komt overeen met de verwachting die de Spaanse centrale bank20 in april uitsprak. Tevens werd bekend dat de Spaanse economie in het eerste kwartaal met 5,2% was gekrompen. In het tweede kwartaal wordt rekening gehouden met een grotere neergang, omdat de lockdown in dat kwartaal langer van kracht was. De werkloosheid zal oplopen tot 19%, aldus de regering. Eind vorig jaar bedroeg die 13,8%.

2.3

België en Vlaanderen21

Europese Commissie In de voorjaarsprognoses van 2020 heeft de Europese Commissie een aantal hoofdindicatoren voor België samengebundeld (zie Tabel 16). De reële bbp-groei zal naar verwachting dalen met -7,2% in 2020 om in 2021 te stijgen met 6,7%. De impact van de lockdown-maatregelen zullen naar verwachting in de eerste twee kwartalen van 2020 negatief uitpakken voor de kwartaal bbp-groei, gevolgd door een herstel in het derde kwartaal zodra de inperkingsmaatregelen geleidelijk worden opgeheven. De economische activiteit zal zich geleidelijk herstellen voor de rest van de prognosehorizon, hoewel het bbpniveau in 2021 verwacht wordt om onder die van 2019 te blijven. Dit implosie van de bbp-groei wordt gedreven door een grote daling van de huishoudelijke consumptie (-6,9%), die wordt gehinderd door de inperkingsmaatregelen. Er wordt ook een aanzienlijke terugval in de investeringen (-15,3%) verwacht door storingen in de toeleveringsketens en de terugvallende totale vraag. Maatregelen om de werkgelegenheid, het besteedbaar inkomen van huishoudens en de liquiditeit van bedrijven te beschermen, moeten het herstel van de binnenlandse vraag vanaf medio 2020 ondersteunen en mede de basis leggen voor bbp-groei in 2021.

20

https://elpais.com/economia/2020-04-20/el-banco-de-espana-calcula-que-la-economia-caera-este-ano-hastaun-13-y-aleja-la-recuperacion-en-v.html

21

https://www.ewi-vlaanderen.be/nieuws/hoe-hard-treft-de-coronacrisis-de-vlaamseeconomie?utm_medium=email&utm_campaign=Nieuwsbrief%20EWI%20%2014%20april%202020&utm_cont ent=Nieuwsbrief%20EWI%20%2014%20april%202020+CID_96fac3772bb8d9aea3485ec55fb07ed2&utm_sou rce=Email%20marketing%20software&utm_term=Hoe%20hard%20treft%20de%20coronacrisis%20de%20Vla amse%20economie

38


Economische impact COVID-19

Tabel 16: Belangrijkste indicatoren van de voorjaarsvoorspellingen voor België

De export zal naar verwachting in 2020 sterk dalen (-10,6%) als gevolg van een afname van de buitenlandse vraag maar in 2021 heropleven te midden van het verwachte wereldwijde herstel. Gelet op de positie van België als handelsknooppunt zal de invoer naar verwachting in lijn met de export evolueren, resulterend in een krimp (-10,2%) in 2020 en een opleving in 2021. De bijdrage van de netto-uitvoer aan de bbp-groei blijft volgens de prognoses negatief in 2020 en 2021 (-0,3%). Figuur 18: reële bbp-groei en drijvers, output-gap22

22

De output gap meet het verschil tussen het daadwerkelijke bbp-volume en het potentiële bbp-volume. Het potentiële bbp is hierbij het productieniveau van goederen en diensten in een economie op een constant

39


Economische impact COVID-19

NBB/Federaal Planbureau/Instituut voor de Nationale Rekeningen Scenario 8 april 2020 (NBB/Federaal Planbureau) Op 8 april 2020 maakten de Nationale Bank van België (NBB) en het Federaal Planbureau (FP)23 in een eerste scenario bekend dat het reëel bbp van de Belgische economie in 2020 met 8% zou kunnen krimpen. Het overheidstekort zou kunnen uitkomen op ten minste 7,5% bbp en de schuld op ongeveer 115% bbp op het einde van 2020. Op basis van de hypothese dat de lockdownmaatregelen zouden beperkt blijven tot 7 weken en de acute fase van de crisis dus geconcentreerd blijft tot de eerste helft van 2020, verwachten beide instellingen in 2021 wel een krachtige heropleving van + 8,6% bbp. Bij een toepassing van de huidige lockdownmaatregelen gedurende 7 weken, wordt uitgegaan van een verlies van een derde van de toegevoegde waarde van de private sector. Over heel 2020 zou het bbp met 8% krimpen, met een kwartaaldaling van om en bij de 4% in het eerste kwartaal en 15% in het tweede kwartaal, gevolgd door een krachtig herstel in de tweede helft van het jaar, een herstel dat evenwel ontoereikend zou zijn om het initiële verlies goed te maken. Het aanhouden van dat herstel zou de groei in 2021 doen opveren (+8,6%). Uiteindelijk24 is de krimp in het eerste kwartaal iets minder groot geweest dan voorspeld: in het eerste kwartaal van 2020 nam het voor seizoen- en kalenderinvloeden gezuiverde bbp naar volume af met 3,6 % ten opzichte van het voorgaande kwartaal. In vergelijking met de overeenstemmende periode van het voorgaande jaar liep het bbp terug met 2,5 %. Beide instellingen benadrukken dat dit scenario met vele onzekerheden is omgeven, waarvan de epidemiologische dynamiek de belangrijkste is. Die zou immers kunnen leiden tot een zowel langduriger als strengere inperking van de economische activiteiten. De belangrijkste bevindingen van de impactanalyse op een rijtje: Over heel 2020 zou het bbp met 8 % krimpen, met een kwartaaldaling van om en nabij 4 % in het eerste kwartaal en 15 % in het tweede kwartaal, gevolgd door een krachtig herstel in de tweede helft van het jaar, een herstel dat evenwel ontoereikend zou zijn om het initieel verlies goed te maken. Het aanhouden van dat herstel zou de groei in 2021 doen opveren (+8,6 %).

inflatieniveau, gegeven de structuur van een economie. Daarmee is de output gap een indicator van de hoeveelheid onbenutte potentie en de conjunctuurstand van de economie. Een zeer positieve output gap betekent dat de productie boven het potentieel ligt en dat er daarmee inflationaire druk ontstaat. Een negatieve output gap duidt er op dat de vraag lager ligt dan wat de economie zou kunnen produceren. 23

https://www.nbb.be/nl/artikels/economische-impact-van-de-gezondheidscrisis-covid-19-een-scenario

24

https://www.nbb.be/doc/dq/n/dq3/histo/nnat20i.pdf

40


Economische impact COVID-19

Figuur 19: bbp naar volume en reële bbp-groei

Ten opzichte van een scenario zonder de Covid-19-crisis zou het gecumuleerd bbp-verlies eind juni 2020 op bijna € 30 miljard uitkomen, eind december op € 45 miljard en eind 2021 op bijna € 60 miljard. Figuur 20: Cumulatief bbp-verlies (in €miljard)

De impact van de schok op het saldo van de overheidsfinanciën zou ongeveer 5,3% bbp bedragen, wat het begrotingstekort op om en nabij 7,5 %bbp zou brengen, voornamelijk vanwege de ‘automatische stabilisatoren’ verbonden aan de werkloosheidsuitkeringen, aan de overbruggingsrechten en aan de daling van de belastingontvangsten. Het schuldniveau, geraamd op 115% bbp aan het einde van het jaar, ondergaat het dubbele effect van een toegenomen financieringsbehoefte en een tijdelijke daling van het nominaal bbp (de noemer van de schuldratio). Het is nuttig eraan te herinneren dat bij die berekeningen geen rekening is gehouden met alle reeds genomen maatregelen of met de stijging van de kosten van de gezondheidszorg in de context van de Covid-19-crisis.

41


Economische impact COVID-19

De schok op de toegevoegde waarde zou tot uiting komen in een verlies van het reëel beschikbaar inkomen van de gezinnen ten belope van 2,8%, wat neerkomt op een daling met 1,5% ten opzichte van 2019. Die relatieve daling valt een stuk geringer uit dan het inkrimpingstempo van het bbp. Het bruto-exploitatieoverschot van de ondernemingen, van zijn kant, zou er ten opzichte van 2019 met 40% op achteruitgaan. Figuur 21: Bruto exploitatiegroei, inkomen en consumptie (jaarlijkse groei in %)

De inperkingsmaatregelen belemmeren de mogelijkheden tot consumptie. Deze laatste zou in reële termen teruglopen met 5,7 % ten opzichte van 2019 en die daling zou zich vooral voordoen tijdens de eerste helft van het jaar. Gelet op de relatief gematigder daling van het reëel beschikbaar inkomen, wijst het scenario dus op de accumulatie van gedwongen besparingen (uit een geaggregeerd oogpunt) die deels zouden kunnen vrijkomen vanaf de heropening van de kleinhandelszaken en van de andere momenteel stopgezette activiteiten. Op basis daarvan mag worden verwacht dat de consumptie vanaf het derde kwartaal van 2020 vrij duidelijk zal opleven. Over het geheel genomen, wordt er in het gehanteerde scenario dus van uitgegaan dat de negatieve effecten van de crisis tijdelijk zullen zijn en voornamelijk geconcentreerd zullen zijn tijdens de eerste twee kwartalen van 2020. De gezinnen zouden hun beschikbaar inkomen en hun consumptie zien dalen, terwijl de ondernemingen geconfronteerd zouden worden met een bruuske maar voorbijgaande teruggang van hun exploitatieoverschot. Terwijl de socialezekerheidsstelsels en de tijdelijke moratoria voor sommige financiële verplichtingen de gezinnen grotendeels beschermen tegen de onzekerheden van het scenario, hebben de maatregelen die werden genomen ten behoeve van de ondernemingen voornamelijk te maken met liquiditeitsondersteuning (gewaarborgde kredietlijnen, uitstel van belastingtermijnen, enz.). De hier gemaakte technische hypothese is dat deze maatregelen het risico verkleinen dat bedrijven die vóór de crisis levensvatbaar waren, failliet gaan. De hierboven besproken aggregaten verhullen evenwel een sterk verschillende situatie per sector of bedrijfstak. Zo hebben bijvoorbeeld niet alle sectoren dezelfde mogelijkheden om met grote liquiditeitsreserves te werken en zijn ze dus niet allemaal gelijk geplaatst voor de schok. De intensiteit van de schok zelf is overigens ook niet voor alle sectoren gelijk. Weinig liquide ondernemingen, met een beperkt

42


Economische impact COVID-19

eigen vermogen of die zwaarder door de crisis worden getroffen, lopen dus wel degelijk het risico om failliet te gaan. Om dat risico af te wenden, zullen hoogstwaarschijnlijk snel extra maatregelen moeten worden genomen gericht op deze ondernemingen, ter vrijwaring van hun solvabiliteit. Bovenvermeld scenario van impact, betreft een impact op de Belgische economie. Er zijn geen regionale impact-analyses beschikbaar. De aandelen van de drie gewesten in de totstandkoming van de bruto toegevoegde waarde in ons land zijn gekend: Vlaanderen staat voor een kleine 60% van de economie, WalloniĂŤ voor 23% en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor bijna 18%. Scenario 5 juni 2020 (Instituut voor de Nationale Rekeningen/Federaal Planbureau) In een tweede scenario van 5 juni 202025 verwachten het Instituut voor de Nationale Rekeningen en het Federaal Planbureau dat de Belgische economie in 2020 zou krimpen met 10,6% en zich in 2021 gedeeltelijk zou herstellen met een groei van 8,2%. M.a.w. een sterke neerwaartse herziening van de vooruitzichten ten aanzien van de vooruitzichten in het scenario van 8 april 2020. De onzekerheden over de verdere evolutie van de pandemie en over de effectiviteit van de overheidsmaatregelen ter bestrijding van het virus en ter ondersteuning van de gezinnen en de ondernemingen, maken het opstellen van economische vooruitzichten buitengewoon moeilijk. Het nieuwe scenario gaat uit van een diepe recessie in de eurolanden in de eerste helft van 2020, waarbij de economische activiteit in het tweede kwartaal nog sterker wordt getroffen dan in het eerste kwartaal. De versoepeling van de inperkingsmaatregelen en de omvangrijke steunmaatregelen van de overheden en de centrale banken zouden voor een stevige toename van de economische activiteit zorgen in de tweede helft van dit jaar en in 2021. Daarbij wordt verondersteld dat een herinvoering van inperkingsmaatregelen kan worden vermeden door het tijdig opsporen van besmettingshaarden. Niettemin wordt de krimp van de economische activiteit, die voor de eurozone geraamd wordt op 11% in 2020, slechts gedeeltelijk ongedaan gemaakt met een economische groei van 8,5% in 2021. Maar ook de Belgische economie wordt zwaar getroffen. Midden maart werd de activiteit in grote delen van de Belgische economie teruggeschroefd of stilgelegd om de verspreiding van het virus onder controle te krijgen. Daardoor viel het bbp in het eerste kwartaal sterk terug (-3,6%). Net als in de overige eurolanden wegen de inperkingsmaatregelen vooral in het tweede kwartaal op de economische activiteit en verloopt de heropstart van de economie heel geleidelijk. Bijgevolg zou de Belgische economie in het tweede kwartaal een nog forsere krimp laten optekenen (-20 %). De groei zou vervolgens hernemen door de afbouw van de restricties in binnen- en buitenland en dankzij de overheidsmaatregelen om de economische schade voor de gezinnen en de ondernemingen te milderen. In dit scenario wordt vooral in het derde kwartaal een inhaalbeweging gemaakt (+16,6%). Nadien zou de kwartaalgroei dynamisch blijven, maar zich gaandeweg normaliseren tegen midden 2022. Op dat moment zou het verlies aan economische activiteit van de Belgische privĂŠsector 4% bedragen in vergelijking met een scenario zonder pandemie.

25

https://www.plan.be/uploaded/documents/202006051210470.PC_budget_20200605.pdf

43


Economische impact COVID-19

Figuur 22: Evolutie van het Belgische bbp in volume

Op jaarbasis zou de Belgische economie in 2020 de grootste krimp kennen sinds de oorlogsjaren (-10,6%), om vervolgens te hernemen met 8,2 % in 2021. Die evolutie doet zich – in meer of minder uitgesproken mate – voor bij alle bestedingscomponenten, met uitzondering van de overheidsconsumptie. Die laatste stijgt in 2020 met 3,1% in volume, vooral als gevolg van een forse toename van de netto-aankoop van goederen en diensten (o.m. door de aanschaf van materiaal ter bestrijding van de pandemie). Scenario 8 juni (NBB) Naar aanleiding van de uitbraak van de COVID-19-pandemie werden wereldwijd gezondheidsmaatregelen genomen om de verdere verspreiding ervan tegen te gaan. Zowel het mondiaal bbp als de wereldhandel zou als gevolg daarvan fors terugvallen in 2020, in sterkere mate dan het geval was tijdens de financiële crisis in 2009. In België werden in de loop van de maand maart belangrijke delen van de economie stilgelegd en kreeg de bevolking beperkende maatregelen opgelegd. Tegelijk werden maatregelen genomen om het inkomensverlies voor tal van economische actoren tijdens de acute fase van de crisis zoveel mogelijk te beperken. Pas recentelijk zijn de inperkingsmaatregelen geleidelijk en stapsgewijs versoepeld en tot dusver is er geen sprake van een volledig genormaliseerde situatie. Volgens enquêtes zou de output van de private sector tijdens verscheidene weken tussen medio maart en medio mei met maar liefst een derde zijn gedaald. Tegen die achtergrond zou de economische bedrijvigheid volgens de NBB26 dit jaar met 9% krimpen, met een ongekend zware terugval in de eerste helft van het jaar en een naar verwachting slechts geleidelijk en gedeeltelijk herstel. Daardoor wordt dit jaar bijna €50 miljard welvaart weggevaagd. Op jaarbasis zou het reëel bbp in 2021 en 2022 met respectievelijk 6,4% en 2,3% groeien. Al met al blijft het bbp, zelfs eind 2022, wel nog ongeveer 4 % onder het niveau waar vóór de crisis werd van uitgegaan en loopt de Belgische economie dus permanente schade op door de gezondheidscrisis. De kracht van dat herstel is evenwel hoogst onzeker en de hier 26

https://www.nbb.be/nl/artikels/de-belgische-economie-zal-zich-slechts-moeizaam-herstellen-van-decoronacrisis-en-het

44


Economische impact COVID-19

voorgestelde cijfers kunnen met name onderhevig zijn aan verdere neerwaartse risico’s mocht de binnen- en buitenlandse vraag de komende kwartalen trager aantrekken dan verwacht of mocht de gezondheidssituatie extra beperkende maatregelen vereisen. In een dergelijk scenario kan de economische krimp in 2020 zelfs oplopen tot 13% en zal het herstel erna nog moeizamer verlopen. Het begrotingstekort neemt dit jaar fors toe, tot 10,6% bbp, als gevolg van de afname van het bbp die automatisch leidt tot meer uitgaven en minder ontvangsten, maar ook van de maatregelen ter ondersteuning van de economie. Die maatregelen zijn vooral tijdelijk van aard en het deficit zou de komende jaren dan ook verkleinen, maar het blijft wel hangen op ongeveer 6% bbp. Dat is meer dan het dubbele van het peil dat bereikt zou zijn zonder de crisis, wat vooral te maken heeft met het bovenvermeld permanent outputverlies. De overheidsschuld in verhouding tot het bbp stijgt tot zowat 120% en bevindt zich aan het einde van de projectieperiode - met een omvangrijk begrotingstekort en rekening houdend met een gemiddelde bbp-groei - op een explosief stijgend traject, ondanks de historisch lage rente.

Economic Risk Management Group (ERMG) Uit een wekelijkse update (18 mei 2020) van de ERMG27 bleek dat door de heropening van de non-food winkels op 11 mei, de omzet in de sector van de detailhandel fors is opgeveerd, maar flink onder het niveau blijft van vóór de crisis. In bepaalde andere sectoren is de omzet daarentegen blijven dalen, bijvoorbeeld in de informatie- en communicatiediensten en in sommige andere diensten aan ondernemingen. De gemiddelde omzetdaling voor alle ondernemingen samen is tijdens de afgelopen week niet verder verminderd en de omzet ligt nog steeds ongeveer 30 % lager dan vóór de crisis, wat voornamelijk komt door de zwakke vraag. In dat verband hebben de ondernemingen in de update van 11 mei aangegeven dat ze van plan zijn ongeveer één op vijf van de tijdelijk werklozen te ontslaan. Dit betekent dat tot 180.000 werknemers hun baan kunnen verliezen. De bevraagde ondernemingen rapporteren in de meest recente update28 een omzetdaling met 26% ten opzichte van het niveau van vóór de crisis, wat neerkomt op een verbetering met 5 procentpunt vergeleken met de vorige enquête en het beste resultaat is sinds de eerste enquête van eind maart. Deze verbetering is voornamelijk toe te schrijven aan ondernemingen in de handel en de bouwnijverheid, terwijl de situatie kritiek blijft in de horeca en de sector kunst, amusement en recreatie. Voor de nabije toekomst is een normalisatie van de situatie nog niet aan de orde. Zes op tien ondernemingen verwachten tegen het einde van het jaar een daling van hun werkgelegenheid en zeven op acht ondernemingen gaan ervan uit dat ze in het derde kwartaal niet het omzetniveau van vóór de crisis zullen bereiken. De vooruitzichten voor de Belgische economie blijven dus slecht. Voor de achtste opeenvolgende week hebben diverse federaties die de ondernemingen en de zelfstandigen vertegenwoordigen (BECI, NSZ, UNIZO, UWE en VOKA), een enquête gehouden. Dit door de NBB en het VBO gecoördineerde initiatief is bedoeld om na te gaan welke impact de coronacrisis heeft op de economische activiteit in België, alsook op de financiële gezondheid en

27

https://www.nbb.be/nl/artikels/het-herstel-van-de-belgische-economie-komt-heel-moeizaam-op-gang-en-tot180-000-tijdelijk

28

https://www.nbb.be/nl/artikels/de-omzet-van-de-ondernemingen-begint-zich-te-herstellen-maar-devooruitzichten-voor-de

45


Economische impact COVID-19

de beslissingen van de Belgische ondernemingen van week tot week. In totaal hebben 2.993 ondernemingen en zelfstandigen de achtste enquête beantwoord. Tabel 17: Impact van de coronacrisis op de omzet van de onderneming 1 (in %, gewogen gemiddelde op basis van de omzet en geaggregeerd per sector)

De omzet van de ondernemingen is sinds de laatste enquête verbeterd De bevraagde ondernemingen hebben een omzetdaling met 26% gerapporteerd ten opzichte van het niveau van vóór de crisis als men rekening houdt met de grootte van de ondernemingen en met het gewicht van de bedrijfstakken in de toegevoegde waarde in België. Voor het eerst sinds deze enquête bij de ondernemingen wordt georganiseerd, ligt de als gevolg van de coronacrisis gerapporteerde omzetdaling flink onder de 30%. Meer algemeen lijkt er zich over de laatste drie golven van de enquête een verbetering af te tekenen, wat overeenstemt met de eerste fases van de versoepeling. Deze week rapporteren de bevraagde ondernemingen uit twee sectoren, met name de bouwnijverheid en de handel, een aanzienlijke verbetering van hun omzet. Deze beide sectoren hebben voor het eerst het nationaal gemiddelde overschreden en maken deel uit van de sectoren die de afgelopen week het minst zwaar door het coronavirus werden getroffen (geen rekening houdend met de geaccumuleerde verliezen uit het verleden). Zo rapporteren de bouwondernemingen een daling van hun omzet met 14% tegenover de situatie vóór de crisis, tegen een vermindering met 34% tijdens de voorgaande enquête en een daling met gemiddeld 42% over de eerste zes enquêtes. Op te merken valt dat ook de bevraagde ondernemingen uit de vastgoedsector deze week een duidelijke verbetering rapporteren, maar aangezien die resultaten gebaseerd zijn op een slechts gering aantal respondenten, moeten ze voorzichtig worden geïnterpreteerd. De geschatte impact is opnieuw sterk vergelijkbaar tussen de gewesten.

46


Economische impact COVID-19

Figuur 23: De daling van de omzet per bedrijfstak (in %, gewogen gemiddelde op basis van de omzet)

De bevraagde ondernemingen uit de handel delen een omzetdaling mee van om en nabij 16% ten opzichte van de situatie vóór de crisis, terwijl ze vorige enquête een daling met 36% rapporteerden en over de eerste zes golven van de enquête een daling met 51%. In de non-food detailhandel, waar de omzet twee weken geleden opveerde, hebben de bevraagde ondernemingen deze week geen grote beweging opgetekend. In de food detailhandel en in de groothandel, daarentegen, melden de ondernemingen deze week een aanzienlijke verbetering van hun omzet tot respectievelijk +1% (tegen -16% tijdens de vorige enquête) en -17% (tegen 43% tijdens de vorige enquête) ten opzichte van het niveau van vóór de crisis. Zoals bij de voorgaande enquêtes blijven de twee zwaarst getroffen bedrijfstakken de sector kunst, amusement en recreatie en de horeca. Sinds eind maart rapporteren die beide bedrijfstakken, gemiddeld beschouwd, een omzetdaling met respectievelijk 86% en 89% ten opzichte van de periode vóór de crisis. Deze week vormt daar geen uitzondering op en de accumulatie van meer dan twee maanden van een ongeveer 90% belopend verlies zal meer dan waarschijnlijk onuitwisbare sporen achterlaten op de financiële gezondheid en op de werkgelegenheid van de ondernemingen uit deze sectoren. Eén op vijf tijdelijk werklozen kunnen tijdens de zomer hun baan verliezen (update 11 mei 2020, zesde enquête) In deze crisisfase is het systeem van tijdelijke werkloosheid een belangrijke stabilisator gebleken: tijdelijk werklozen ontvangen wél een uitkering van de overheid, maar ze blijven in dienst van hun onderneming. Dat stelsel is echter per definitie tijdelijk van aard. Daarom wordt in de enquête ook gevraagd wat de ondernemingen van plan zijn als dat stelsel zal worden beëindigd. Op dit ogenblik is dat gepland voor eind juni.

47


Economische impact COVID-19

Figuur 24: Aantal tijdelijk werklozen dat zou worden ontslagen (in % van het aantal tijdelijk werklozen per bedrijfstak1

Uit de antwoorden blijkt dat de overgrote meerderheid van de tijdelijk werklozen opnieuw bij hun huidige werkgever aan de slag zou gaan, zij het in zekere mate via telewerk. Door de aanslepende crisis en de weinig rooskleurige vraagvooruitzichten dreigt echter een ontslag voor ongeveer één op vijf tijdelijk werklozen. Rekening houdend met een van maart daterende RVAraming van iets meer dan 900.000 tijdelijk werklozen, betekent dit dat ongeveer 180 000 werknemers reeds op vrij korte termijn hun baan zouden kunnen verliezen. Dat is bijna 6% van het totaal aantal werknemers in de private sector. Ook hier zijn de verschillen tussen de bedrijfstakken groot. Voor de zwaarst getroffen bedrijfstakken dreigt een veel groter banenverlies: voor de horeca zou het gaan om 17% van het aantal werknemers (bijna een kwart van het aantal tijdelijk werklozen) en voor kunst, amusement en recreatie zelfs om 40% (bijna de helft van de tijdelijk werklozen). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze cijfers enkel betrekking hebben op werknemers. De totale weerslag op de werkgelegenheid, en dus op de vraag, voor de komende maanden wordt daarbij onderschat omdat geen rekening wordt gehouden met zelfstandigen die ook deze week het zwaarste omzetverlies rapporteren en van wie een aantal hun activiteiten mogelijk zullen stopzetten. Aangezien 8 % van de zelfstandigen aangeeft dat een faillissement waarschijnlijk of zeer waarschijnlijk is, kan het effect op dit niveau aanzienlijk zijn. Ter informatie: eind 2019 waren er 825.000 zelfstandigen in België. Hoewel de automatische stabilisatoren en de reeds genomen maatregelen de eerste impact van de schok in hoge mate hebben opgevangen, kan de coronacrisis, via faillissementen van gezonde ondernemingen of een persistente toename van de werkloosheid, het economisch weefsel toch

48


Economische impact COVID-19

structurele schade toebrengen. De mate waarin dat kan worden vermeden, zal bepalend zijn voor de kracht van het herstel nadat de huidige beschermingsmaatregelen zullen zijn beëindigd. De mate van bezorgdheid bij de bedrijfsleiders neemt af, maar het faillissementsrisico en de liquiditeitsproblemen blijven zorgwekkend De door de ondernemingen aangegeven mate van bezorgdheid gemeten op een schaal van 1 tot 10 is gedaald van 6,7 twee weken geleden tot 6,6 deze week. Sinds eind april wordt een constante verbetering vastgesteld en dat gaat gepaard met de diverse aankondigingen van de regering waarin de versoepelingsfases werden verduidelijkt. Tussen de sectoren worden evenwel verschillen vastgesteld en de bezorgdheid is groter in de sector kunst, amusement en recreatie (8,9), de horeca (8,1) en de sector transport en opslag (7,9). De liquiditeitsproblemen zijn sinds de vorige enquête niet sterk veranderd vermits 27% van de ondernemingen meent dat ze hun liquiditeitspositie niet langer dan drie maanden kunnen handhaven, tegen 25% vorige enquête. Er is wel een duidelijke verbetering merkbaar ten opzichte van het gemiddelde cijfer voor de eerste zes golven van de enquête (36%). De liquiditeitsproblemen blijven het grootst in de horeca en de sector kunst, amusement en recreatie, waar meer dan een op twee van de bevraagde ondernemingen zegt hun liquiditeitspositie niet langer dan drie maanden te kunnen aanhouden. De perceptie van het faillissementsrisico blijft op hetzelfde niveau als in de vorige enquête: 8% van de bevraagde ondernemingen geeft aan dat een faillissement waarschijnlijk of zeer waarschijnlijk is. Dat percentage blijft het hoogst in de sector kunst, amusement en recreatie (24%), de horeca (20%) en het is deze enquête gestegen in de sector transport en opslag (19%). De vooruitzichten blijven pessimistisch, zowel voor de omzet als voor de werkgelegenheid in de private sector De verwachtingen van de ondernemingen ten aanzien van hun activiteit in de nabije toekomst zijn van groot belang, met name om de kracht van het activiteitsherstel te beoordelen. In de enquête werden vanuit dat perspectief twee vragen gesteld. De eerste vraag betreft de werkgelegenheidsvooruitzichten in de onderneming (‘Hoe ziet u het aantal werknemers van uw onderneming evolueren tussen de situatie van vóór de crisis en het einde van het jaar?’). Rekening houdend met de grootte van het personeelsbestand van de bevraagde onderneming en met het aantal werknemers per bedrijfstak, hebben zes op tien van de bevraagde ondernemingen het over een daling van de werkgelegenheid en iets minder dan vier op tien over een stabiele werkgelegenheid. Slechts 4% van de bevraagde ondernemingen bedrijven is van plan hun aantal werknemers te vergroten. Op basis van die resultaten en van de sectorspecifieke indeling van het aantal werknemers in de private sector in België, wordt de daling van de werkgelegenheid in de private sector (exclusief zelfstandigen) in België geraamd op iets meer dan 180.000 personen, wat neerkomt op bijna 7% van de werknemers in de private sector. Deze beoordeling van de impact op de werkgelegenheid in de private sector is vrijwel identiek als die bij een vorige enquête die peilde naar het aantal tijdelijk werklozen die zouden worden ontslagen. Een groot deel van de werkgelegenheidsdaling (48.000) is te vinden in de handel aangezien de bevraagde ondernemingen in deze bedrijfstak een gemiddelde daling van het personeelsbestand met 10% aangeven en de handel goed is voor een aanzienlijk deel van de werkgelegenheid in de Belgische private sector. Ook de industrie maakt in België een groot deel van de werkgelegenheid uit en de bevraagde ondernemingen uit die sector hebben een gemiddelde daling van hun aantal werknemers met 7% gerapporteerd,

49


Economische impact COVID-19

een cijfer dat dicht aansluit bij het Belgisch gemiddelde. In de horeca en in de sector kunst, amusement en recreatie is de daling aanzienlijk vermits het om bijna één baan op vier gaat, dat is méér dan respectievelijk 30.000 en 7.000 personen. Overigens wordt eraan herinnerd dat 10% van de zelfstandigen oordeelt dat een faillissement waarschijnlijk of zeer waarschijnlijk is, wat het banenverlies in de private sector nog groter zou kunnen maken. Figuur 25: Hoe ziet u het aantal werknemers in uw onderneming evolueren tussen de situatie van vóór de crisis en het einde van het jaar

De tweede vraag over de vooruitzichten betreft de raming van de omzet voor het komende kwartaal. Ook hier tonen de bevraagde ondernemingen zich pessimistisch aangezien slechts één op acht ondernemingen het omzetniveau van vóór de crisis denkt te zullen halen of te zullen overschrijden in het derde kwartaal. Indien men rekening houdt met de grootte van de onderneming en met het gewicht van de bedrijfstakken in de toegevoegde waarde, dan verkrijgt men, gemiddeld beschouwd, een omzetdaling in vergelijking met de situatie van vóór de crisis die vergelijkbaar is met die in deze enquête. Met andere woorden, gemiddeld beschouwd, verwachten de bevraagde ondernemingen geen aanzienlijke verbetering van hun omzetcijfer tussen nu en de maand oktober. De voornaamste, door een ruime meerderheid van de bevraagde ondernemingen aangehaalde reden blijft de zwakke vraag.

50


Economische impact COVID-19

EWI Juist omdat de coronacrisis de verschillende sectoren van de economie niet op dezelfde wijze treft, is het nuttig om een goed zicht te hebben op die diverse sectoren van de Vlaamse economie. Om dat beeld te krijgen, hanteren landen de zogenaamde ‘nationale rekeningen’. Die vormen (een internationaal gebruikt) macro-economisch boekhoudsysteem dat het mogelijk maakt een zeer grote hoeveelheid statistische informatie in een coherent kader samen te brengen en er macro-economische aggregaten uit af te leiden. Daardoor krijgt men een beeld van de economie van een land en/of een regio. In dat laatste geval spreken we van ‘regionale rekeningen’. ‘De economie’ van een land wordt traditioneel onderverdeeld in vier sectoren (met bijhorende lettercodes): de primaire sector: • landbouw, bosbouw en visserij (A) + • winning van delfstoffen (B); de secundaire sector: • industrie (C) + • nutsbedrijven (D + E) + • bouw (F) de tertiaire sector: commerciële dienstverlening (G -> N) en de quartaire sector: niet-commerciële dienstverlening (O -> T). Binnen deze vier sectoren komt het bruto binnenlands product (bbp) van een land en/of regio tot stand. Het belang van deze vier sectoren in termen van gecreëerde bruto toegevoegde waarde is af te lezen uit onderstaande tabel. Het betreffen de cijfers voor de Vlaamse economie en het jaar met de laatst beschikbare data, 2018: Tabel 18: Opdeling bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid naar hoofdsectoren, absolute cijfers (2018)

Bron: Vlaamse Overheid, Departement EWI

In de Vlaamse conjunctuurnota focust EWI29 onder meer op de bedrijfstakken. Op basis van de ERMG-enquêtes zijn in de onderstaande tabel de bedrijfstakken geordend in functie van de grootte van de impact van de coronapandemie op de omzet van de bedrijfstak (zie derde kolom van de tabel). Om de impact van die omzetdaling op de Vlaamse economie in perspectief te plaatsen, werden in de tabel een aantal kolommen toegevoegd die informatie bevatten over de toegevoegde waarde van die bedrijfstak en over het aantal werkzame personen (werknemers en zelfstandigen) in die bedrijfstak. Dit op basis van de gegevens in de Regionale rekeningen voor het meest recente jaar waarvoor voldoende gedetailleerde gegevens beschikbaar zijn, 2017. 29

Vlaamse Overheid – Departement EWI (2020) Vlaamse conjunctuurnota naar een V-, U-, W- of L-vormig herstel van de Vlaamse economie?, mei 2020.

51


Economische impact COVID-19

De bruto toegevoegde waarde van een bedrijfstak is het verschil tussen de output van de bedrijfstak en haar intermediair verbruik. De bruto toegevoegde waarde vormt de maatstaf waarmee de bijdrage van de bedrijfstak aan het bbp wordt gemeten en vormt dus een cruciale economische indicator. Uit de tabellen is af te leiden dat de zwaarst getroffen sectoren in termen van omzetverlies (Horeca en Toerisme + Kunst, Amusement en Recreatie) tekenen voor 6,5% van de bruto toegevoegde waarde, 8,5% van het aantal werknemers en 11% van het aantal zelfstandigen. De bedrijfstakken die minstens 50% omzetverlies rapporteren door de Coronacrisis staan voor 9,1% van de Vlaamse bruto toegevoegde waarde en 12% van de bezoldigde en 11,9% van de zelfstandige werkgelegenheid. Dat is niet te onderschatten. Daartegenover staat dat de bedrijfstakken die vooralsnog ‘licht’ getroffen worden door de Coronacrisis (omzetverlies tussen 4 en 20%) 24,1% uitmaken van de bruto toegevoegde waarde en 15%, resp. 47% van de bezoldigde, resp. zelfstandige werkgelegenheid. De gewichten van de andere getroffen bedrijfstakken laten zich aflezen uit de tabel. Tabel 19: Gewogen gemiddelde van omzetverlies per bedrijfstak t.g.v. coronacrisis, in % omzet 2019

52


Economische impact COVID-19

Centre de Recherche en Économie Régionale et Politique Économique (CERPE) – Université de Namur In een recente studie van het CERPE (Centre de Recherche en Économie Régionale et Politique Économique - Université de Namur)30 worden de budgettaire vooruitzichten voor het Waals Gewest, de Franse Gemeenschap en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor de periode 20202025 geanalyseerd, en dit volgens drie scenario's31. Rekening houdend met de hypothesen van elk scenario worden de vooruitzichten berekend voor de ontwikkeling van het bbp van de gewesten. Tabel 20 illustreert. In het scenario van de NBB-FP zou het bbp van Vlaanderen in 2020 dalen met 7,95% om in 2021 op te veren met 11,39%. In het scenario van het IMF is de daling van het bbp in 2020 minder 30

Kozicki, C. et al. (2020) L’impact du Covid-19 sur les perspectives budgétaires de la Région wallonne, de la Fédération Wallonie-Bruxelles et de la Région de Bruxelles Capitale. Première tentative d’estimation 20202025 dans le cadre de deux scénarios macroéconomiques, CERPE, Working Papers Série Politique Economique N°99 - 2020/01.

31

De drie scenario's verschillen inzake de evolutie van het bbp in 2020 en 2021 en de gevolgen van deze evolutie voor de inkomens. De economische groei van het basisscenario is die van de vooruitzichten voor maart van het Federaal Planbureau, die in maart nog een groei van 0,4% en 1,4% in 2021 verwachtte. De economische groei in het eerste alternatieve scenario is afkomstig van het macro-economische scenario dat de Nationale Bank van België en het Federaal Planbureau (BNB-BFP) van april 2020 publiceerden als onderdeel van de Risk Management Group. Ze projecteert een daling van het bbp tegen constante prijzen van 8% in 2020 en een herstel van 8,6% in 2021. Het tweede alternatief scenario maakt gebruik van economische groei uit het scenario van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) van april 2020 met een daling van 6,9% in 2020 en een herstel van slechts 4,6% in 2021.

53


Economische impact COVID-19

drastisch (-6,67%) maar is de remonte ook minder stevig (+6,66%) en nipt onvoldoende om het verlies van 2020 goed te maken. Tabel 20: Variaties in het bbp volgens de drie scenario’s (aan lopende prijzen in miljoen ₏)

Bron: Kozicki, C. et al. (2020)

54


Economische impact COVID-19

3

Impact op de investeringen

3.1

Europa

Europese Commissie Tabel 21: Totale investeringen (wijzigingen in %)

De totale investeringen vallen volgens de voorjaarsprognoses van de Europese Commissie in 2020 terug met 13,3% in de Eurozone en met 13,2% in de EU. De verwachte heropleving in 2021 is niet van die aard om de daling van 2020 volledig ongedaan te maken (+10,2% voor de Eurozone respectievelijk +9,7% voor de EU). De investeringen zullen in BelgiĂŤ in 2020 een serieuze versnelling lager draaien (-15,3%) om in 2021 weer op een hoog toerental te komen (+15,9%). Ierland (-41,6%) en Spanje (-20,7%) mogen nog meer extreme dalingen investeringen verwachten, en dat verlies wordt bovendien slechts voor de helft goed gemaakt in 2021 (+16,9% in Ierland, +10,3% in Spanje). Ondanks een minder

55


Economische impact COVID-19

sterke daling van de investeringen (-11,2%), bevindt ook Nederland zich in een gelijkaardige situatie in 2021 (+5,9%).

3.2

België/Vlaanderen

NBB/Federaal Planbureau/Instituut voor de Nationale Rekeningen De bruto-investeringen in vaste activa van de ondernemingen liepen terug met 3,6 %. De bijdrage van de voorraadwijzigingen van de ondernemingen daarentegen bedroeg +0,6 procentpunt.32 Tabel 22: Bruto-investeringen in vaste activa (kwartaalaggregaten) 2018 2019 II III IV I II III ondernemingen 0,8 0,2 3,8 -0,9 0,5 0,7 woongebouwen 0,3 0,3 2,8 2,1 1,4 -2,0 overheid 1,9 -0,3 2,7 -0,3 -2,9 1,9

IV 1,1 1,5 -4,9

2020 I -3,6 -5,4 -0,7

In de groeivooruitzichten van 5 juni 202033 vertonen de bedrijfsinvesteringen als bestedingscomponent de sterkste schommelingen. In 2020 zouden ze terugvallen met 21,2%. De forse krimp van de economische activiteit, die gepaard gaat met een sterke daling van de industriële capaciteitsbezettingsgraad, en de voorlopig bijzonder onzekere vraagvooruitzichten zorgen ervoor dat weinig bedrijven momenteel geneigd zijn tot investeren. Ook de rendabiliteit staat in 2020 onder druk door de forse krimp van het bruto-exploitatieoverschot. De door de overheid voorziene financiële tegemoetkomingen (hinder- en compensatiepremies) kunnen het omzetverlies slechts gedeeltelijk compenseren. De bedrijfsinvesteringen zouden in 2021 hernemen met 19% in het licht van betere afzetperspectieven en een gunstige ontwikkeling van de rendabiliteit. De overheidsinvesteringen worden in de eerste helft van 2020 tijdelijk teruggeschroefd, waarna ze zich snel zouden normaliseren. Daardoor blijft hun terugval in 2020 beperkt tot 5,3% en zorgt een niveau-effect voor een groeiversnelling tot 16,3% in 2021. Ook de NBB verwacht in haar meest recente prognoses van 8 juni 2020 dat inkomensverlies voor de bedrijven dit jaar groter is, wat hen ertoe aanzet, ook al vanwege de nog heersende onzekerheid rond de opleving van de vraag, hun investeringsplannen uit te stellen of te annuleren. Het herstel verloopt dan ook duidelijk moeizamer voor de bedrijfsinvesteringen dan voor de gezinsconsumptie.

Coronabarometer (departement WSE) Uit de coronabarometer van het departement WSE blijkt dat de investeringen van in Vlaanderen gevestigde ondernemingen in het eerste kwartaal daalden van 2020 met -0,9% ten opzichte van het jaar voordien. Aangezien de Corona-maatregelen pas de laatste 2 weken van dat kwartaal ingingen, hadden deze allicht nog geen grote invloed op de cijfers.

32

Nationale Bank van België, Het bbp krimpt met 3,6 % in eerste kwartaal van 2020, 29 mei 2020.

33

https://www.plan.be/uploaded/documents/202006051210470.PC_budget_20200605.pdf

56


Economische impact COVID-19

VLAIO Net als in maart was er in april 2020 absoluut geen terugval bij VLAIO34 in het aantal aanvragen voor onderzoek- & ontwikkelingsprojecten en kmo-groeisubsidies. In de periode tussen 16 maart en 27 april werden 84 aanvragen voor onderzoek- en ontwikkelingsprojecten ingediend. In dezelfde periode in 2019 waren er 49 aanvragen. Voor de kmo-groeisubsidie werden in de periode tussen 16 maart en 27 april 94 aanvragen ingediend, tegenover 53 in 2019. De innovatiemotor lijkt momenteel op een hoog toerental te blijven draaien. In 2019 werden er alles samen 70.310 dossiers ingediend met een gevraagde steun van bijna €224 miljoen. Dit jaar staat de teller van de ingediende dossiers momenteel al op 46.800 met een gevraagde steun van bijna €192 miljoen.

4

Impact op de wereldhandel

4.1

Wereldwijd

UNCTAD Het staat vast dat COVID-19 niet alleen de Chinese economie maar ook de wereldeconomie aanzienlijk zal vertragen. China is de afgelopen twee decennia cruciaal geworden voor de wereldeconomie. Het toenemende belang van China in de wereldeconomie houdt niet alleen verband met zijn status als producent en exporteur van consumentenproducten. China is de belangrijkste leverancier geworden van intermediaire producten voor productiebedrijven in het buitenland. Vandaag komt ongeveer 20% van de wereldhandel in de productie van intermediaire producten uit China (tegenover 4% in 2002). China is m.a.w. het centrale productiecentrum geworden van veel wereldwijde bedrijfsactiviteiten. Elke verstoring van de Chinese productie zal naar verwachting elders via regionale en mondiale waardeketens gevolgen hebben. Uit de meest recente gegevens uit China blijkt inderdaad een aanzienlijke daling van de output. De ‘China Manufacturing Purchasing Manager's Index (PMI)’, een kritische productie-index, daalde in februari met ongeveer 22 punten. Deze index is sterk gecorreleerd met de uitvoer en een dergelijke daling impliceert een daling van de uitvoer met ongeveer 2% op jaarbasis. Met andere woorden, de daling die in februari over het jaar is waargenomen, komt overeen met een daling van 2% van het aanbod van tussenproducten. Indicatoren voor de scheepvaart suggereren ook een daling van de Chinese uitvoer voor de maand februari. Het vertrek van containerschepen vanuit Shanghai was in de eerste helft van februari aanzienlijk lager, gevolgd door een lichte stijging in de tweede helft. De ‘Shanghai Containerized Freight Index’ zet zijn daling niettemin verder, wat duidt op overcapaciteit en een lagere vraag naar containerschepen. UCTAD35 (United Nations Conference on Trade and Development) heeft een analyse gemaakt van de impact op globale waardeketens vertrekkend vanuit de bijzondere rol van China in de wereldeconomie. Het maakt daarbij gebruik van een methode om de economische sectoren en landen te identificeren die het meest worden blootgesteld aan een daling van de Chinese uitvoer van intermediaire inputs. De analyse is gebaseerd op handelsgegevens van de United Nations Statistics Division, die ongeveer 200 landen en 13 productiesectoren omvatten. Samenvattend 34

https://www.vlaio.be/nl/nieuws/aantal-innovatie-aanvragen-coronatijden-bijna-verdubbeld

35

UNCTAD, Global Trade impact of the coronavirus (COVID-19) epidemic, 4 March 2020.

57


Economische impact COVID-19

wordt de integratie van elk land en elke bedrijfstak met de Chinese economie gemeten aan de hand van de Grubel-Lloyd Index (GLI) van de intra-industriële handel. GLI wordt berekend op basis van producten die zijn gecategoriseerd als intermediaire producten (bijv. onderdelen en componenten), berekend op bedrijfstakniveau (zoals gedefinieerd door de 4-cijferige geharmoniseerde systeemclassificatie) en vervolgens samengevoegd op sectoraal niveau met behulp van bilaterale handelsaandelen. De GLI wordt vervolgens gebruikt als een proxy die het percentage van de uitvoer van een bepaald land meet in elke sector die kwetsbaar is voor leveringsstoornissen vanuit China. De analyse gaat er van uit dat de bevoorradingsperikelen beperkt blijven tot China. Storingen die COVID-19 rechtstreeks in de output van andere landen kan veroorzaken, worden in dit stadium niet in rekening gebracht. De resultaten van de analyse moeten worden geïnterpreteerd als korte termijneffecten, aangezien ze ervan uitgaan dat de leveringscapaciteit in de rest van de wereld constant blijft. Onderstaande figuur toont de huidige integratie van China in wereldwijde waardeketens in verschillende sectoren, gemeten aan de hand van de GLI. De Chinese industrie is essentieel voor veel wereldwijde waardeketens, vooral die met betrekking tot precisie-instrumenten, machines, auto- en communicatieapparatuur. Elke aanzienlijke verstoring van het Chinese aanbod in deze sectoren wordt geacht de producenten in de rest van de wereld aanzienlijk te treffen. Figuur 26: De integratie van China in mondiale waardeketens, naar sector

Een vermindering van het Chinese aanbod van intermediaire producten kan de productiecapaciteit en dus de uitvoer van een bepaald land beïnvloeden, naargelang de afhankelijkheid van de respectieve bedrijfstakken van Chinese leveranciers. Zo kunnen sommige Europese autofabrikanten te maken krijgen met een tekort aan essentiële componenten voor hun productieactiviteiten, bedrijven in Japan kunnen moeilijk nog onderdelen verkrijgen die nodig zijn voor de montage van digitale camera's, enzovoort. Voor veel bedrijven leidt het beperkte gebruik van voorraden als gevolg van een gestroomlijnd en just-in-time productieproces tot tekorten die hun productiecapaciteiten en de algehele export zullen beïnvloeden. Vooral de EU (machines, auto's en chemicaliën), de VS (machines, auto's en precisie-instrumenten), Japan (machines en auto's), de Republiek Korea (machines en communicatieapparatuur), Taiwan (communicatieapparatuur en kantoormachines) en Vietnam (communicatieapparatuur)

58


Economische impact COVID-19

ondervinden negatieve gevolgen ten gevolge van haperingen in de Chinese aanvoerlijnen. M.a.w. de Europese, Amerikaanse en Oost-Aziatische regionale waardeketens zullen zwaar worden getroffen. De geschatte wereldwijde effecten zijn onderhevig aan verandering in de lockdown maatregelen en/of veranderingen in de toeleveringsketens. Tabel 23: Wereldwijde effecten van de slowdown van China via wereldwijde waardeketens, de 20 meest getroffen economieĂŤn (US$ million from a 2 percent reduction of China exports in intermediate inputs)

Verwacht mag worden dat de spillovereffecten van een verstoring van het Chinese aanbod verschillend zullen zijn naargelang de economische sectoren en afhankelijk zullen zijn van de geografische lokalisatie van de COVID-19-uitbraak en van de lockdown maatregelen binnen China. De tussentijdse uitvoer van de auto-industrie kan bijvoorbeeld relatief meer dalen, aangezien de industrie geografisch gelokaliseerd is in de regio waar de uitbraak van COVID-19 plaatsvond. Dit aspect wordt, vanwege gebrek aan informatie, niet in de analyse in rekening gebracht. Zodra sectorale gegevens over Chinese output beschikbaar zijn, zal het potentiĂŤle effect op de verschillende mondiale waardeketens duidelijker worden.

OESO COVID-19 is een humanitaire crisis op wereldschaal. Het virus blijft zich over de hele wereld verspreiden, waardoor gezondheidssystemen onder ongekende druk komen te staan. De menselijke schaal van deze tragedie zal verergeren naarmate het virus zich verspreidt naar

59


Economische impact COVID-19

landen met lagere inkomens met zwakkere gezondheidszorgstelsels. In de OESO-tussentijdse economische vooruitzichten van maart 2020 halveerde het neerwaartse scenario de wereldwijde groei tot 1,5%. Dat was optimistisch. De OESO schat nu dat voor elke maand dat de noodzakelijke inperkingsmaatregelen doorgaan, de productiedaling gelijk staat aan een daling van de jaarlijkse bbp-groei met maximaal 2 procentpunten (zie hoger). Bovendien zijn de kosten voor de wereldeconomie als gevolg van ondersteuningspakketten, via centrale banken en fiscale maatregelen, zeer groot en zullen ze waarschijnlijk langdurige en complexe effecten hebben op het beheer van staatsschulden en bedrijfsschulden. Ondanks deze inspanningen lijken de meeste grote economieĂŤn nu in een recessie te belanden, en ernstiger scenario's kunnen niet worden uitgesloten. Een andere uitdaging is de onzekerheid over COVID19 over de omvang en het tempo van infectie; over hoe lang en hoe ver inperkingsmaatregelen nodig zullen blijken; over behandelingsmogelijkheden van het virus, zodat de gezondheidsdiensten zich alleen op de ernstigste gevallen kunnen concentreren; en over het risico van 'tweede golf'-infecties aangezien het virus over de hele wereld uitdijt. Het virus vordert in golven en landen bezwijken en zullen zich op verschillende momenten herstellen. Het is duidelijk dat het virus en de nasleep ervan waarschijnlijk enige tijd zullen nawerken. Tegen deze achtergrond is het voor de OESO36 evident dat de handel moet blijven functioneren, zowel om de levering van essentiĂŤle producten te verzekeren als om een signaal van vertrouwen af te geven voor de wereldeconomie. Handel is essentieel om zowel levens als bestaansmiddelen te redden. Maar om de handel te laten stromen, is samenwerking en vertrouwen nodig, dat bijvoorbeeld tot uiting komt in het feit de markt in staat is de noodzakelijke benodigdheden te voorzien, dat landen geen uitvoerbeperkingen opleggen en dat invoer geen gezondheidsrisico's met zich meebrengt. Dit is een bijzondere uitdaging in tijden van handelsspanningen, waarbij het internationale handelssysteem al onderworpen was aan een toenemend aantal nieuwe beperkingen en verstoringen, van tariefverhogingen bij grote handelspartners tot aanzienlijke overheidssteun in belangrijke sectoren. Pogingen tot dialoog om de spanningen door lopende onderhandelingen te beheersen en te voorkomen, worden nu gecompliceerd door mobiliteitsbeperkingen, maar in de context van de ernstige economische druk van COVID-19 is het belangrijker dan ooit om escalatie van de huidige handelsspanningen te voorkomen. De OESO acht het daarom noodzakelijk dat het vertrouwen in handel en wereldmarkten vergroot wordt onder meer door de transparantie te verbeteren. Een sterke, gedeelde en transparante informatiebasis is van cruciaal belang voor het ondersteunen van gepaste nationale beleidsreacties en de internationale samenwerking om de handel op gang te houden. Het is belangrijk dat landen hun toezeggingen nakomen om handelsgerelateerde maatregelen die naar aanleiding van COVID-19 zijn genomen, aan de Wereldhandelsorganisatie (WTO) te melden. De OESO deelt informatie over handelsgerelateerde landenacties m.b.t. COVID-19 met WTOpartners en beoordeelt de vermoedelijke impact van deze acties om beleidsmakers te helpen bij het omgaan met de crisis. Voortbouwend bijvoorbeeld op de jaarlijkse OESO-monitoring en evaluatie van het landbouwbeleid, volgt en evalueert de OESO de impact van landenmaatregelen met betrekking tot agrovoedingsproductie en -handel als reactie op COVID-19. Deze informatie gaat naar AMIS (Agricultural Market Information System), waar OESO samenwerkt met andere internationale organisaties en overheden om te zorgen voor nauwkeurige, up-to-date informatie over marktontwikkelingen en landenbeleid in cruciale grondstoffen voor het wereldwijde voedselsysteem. 36

OECD, COVID-19 and international trade: issues and actions, April 2020.

60


Economische impact COVID-19

Daarnaast is het voor de OESO cruciaal dat de wereldwijde toeleveringsketens in stand, vooral voor essentiële zaken zoals medische voorraden, voedselproducten en ICT-goederen en diensten. De OESO onderkent echter een aantal handelsgerelateerde uitdagingen voor de toeleveringsketens, als daar bijvoorbeeld zijn: Annulering van passagiersvluchten die verband houden met reisverboden heeft de beschikbaarheid van luchtvracht beperkt, terwijl de urgente verzending van essentiële goederen de vraag heeft doen toenemen, wat resulteert in stijgingen van de prijs van luchtvracht (vergeleken met oktober 2019 stijgen de luchtvrachtkosten met ongeveer 30 % tussen de Volksrepubliek China (hierna "China") en Noord-Amerika en met meer dan 60% op enkele belangrijke routes tussen Europa en Noord-Amerika). De levertijden zijn ook toegenomen. Dit is van belang voor sommige tijdgevoelige medische benodigdheden, maar ook voor bepaalde hoogwaardige voedselhandel. Figuur 27: Daling zee- en luchtvracht

Belangrijke zeehavens meldden een daling van de vracht op jaarbasis tussen de 10% en 20% in februari 2020. Meer dan 50 landen hebben havenprotocollen gewijzigd, gaande van havensluiting en quarantainemaatregelen tot aanvullende documentatie-eisen en onderzoek. Niettemin hebben sommige landen ook "green lanes" aangelegd bij aankomsten grensovergangen, om de verwerking van vrachtzendingen te versnellen. Op het moment dat het virus toesloeg, bevonden zich grote aantallen zeecontainers in Chinese havens en hebben mobiliteitsbeperkingen geleid tot een tekort, waardoor de prijs van containers (in sommige gevallen aanzienlijk) is gestegen, met doorstroomeffecten naar de vrachtprijs, ook voor voedselproducten. Lockdowns hebben ook een impact op de beschikbaarheid van arbeidskrachten om schepen in de havens te lossen (zeker in landen waar dit minder geautomatiseerd is) of brengen hogere kosten met zich als gevolg van verhoogde beschermingsmaatregelen voor werknemers. Meer in het algemeen worden alle toeleveringsketens getroffen door de noodzaak om te zorgen voor aanvullende gezondheids- en veiligheidsmaatregelen voor alle actoren in de toeleveringsketen (die kosten en tijd beïnvloeden). Mobiliteitsbeperkingen van mensen en vergrendelingen beïnvloeden verschillende handelsprocessen, van fysieke inspecties van goederen voor SPS (Special Purpose Ship Safety), tot testen en certificering voor technische handelsbelemmeringen (TBT of Technical

61


Economische impact COVID-19

Barriers to Trade Agreement), tot de wijze waarop antidumpingonderzoeken worden uitgevoerd. Dit alles verhoogt de tijd en kosten van de internationale handel in producten die er toe doen. Ze vereisen gecoÜrdineerde actie van overheden - met betrokkenheid van de particuliere sector om oplossingen te vinden voor de logistieke beperkingen die van invloed zijn op het vermogen om essentiÍle producten te krijgen waar ze het meest nodig zijn. De OESO gaat ook dieper in op het debat over de effecten van COVID-19 op de structuur van de wereldwijde productie en wereldwijde toeleveringsketens. COVID-19 doet sommigen ervoor pleiten om de toeleveringsketens opnieuw te nationaliseren, of op zijn minst te korten, teneinde de risico’s op wereldwijde verstoringen. Vanuit dit perspectief moeten bedrijven mogelijk hun aankoopbeleid herstructureren, wat resulteert in een nieuwe ordening van de wereldwijde productie, met mogelijk verstrekkende gevolgen vooral voor ontwikkelingslanden. Evenzo wordt betoogd dat overheden de lijst van strategische goederen waarvoor binnenlandse productie vereist is, zullen moeten herzien, of nieuwe inkoopbeperkingen aan bedrijven moeten opleggen. Overheidsopdrachten kunnen in dat kader ook worden herzien. De OESO waarschuwt voor het gevaar snelle aannames te doen over wat nodig is om veerkracht te waarborgen. Internationaal is een gediversifieerde productie vaak een bron van veerkracht en aanpassingsvermogen voor bedrijven wanneer zich ongunstige omstandigheden voordoen, terwijl de ervaring in de agrovoedingssector heeft aangetoond dat zelfvoorziening niet hetzelfde is als voorzieningszekerheid. Het zal ook nodig zijn dat zowel bedrijven als overheden opnieuw nadenken over de beste manier om de veerkracht van toeleveringsketens te waarborgen. Dit vereist een beter begrip van de sterke en kwetsbare punten van de belangrijkste toeleveringsketens in de huidige crisis en om in het licht hiervan pistes te verkennen die de veerkracht kunnen versterken. Voor bedrijven kan dit betekenen dat bijvoorbeeld de wereldwijde bedrijfsstructuur opnieuw wordt bekeken, ook met betrekking tot de redundantiecapaciteit (aanhouden van meervoudige voorzieningen) en voorraden. Voor overheden komt het erop neer een handels- en investeringsbeleidsomgeving uit te tekenen die de veerkracht het beste kan ondersteunen. Bijvoorbeeld door investeringen in een digitale infrastructuur die in staat is productiviteitsdalingen als gevolg van een pandemie op te vangen. Daarnaast kunnen overheden ook speciale regelingen overwegen voor specifieke toeleveringsketens van strategische goederen zoals medische apparatuur. Dit hoeft echter niet noodzakelijkerwijs gelijkgesteld te worden met herschikking van de productie.

Euler Hermes Na de handelsoorlog tussen de Verenigde Staten en China is vorig jaar de groei van de wereldhandel gedaald tot het laagste niveau sinds 2009 (+1,2% in volume). De economen van Euler Hermes37, wereldmarktleider op het gebied van kredietverzekering, voorspellen dat de Covid-19-epidemie in 2020 een grote handelsbelemmering zal vormen. Volgens de berekeningen van Euler Hermes zullen de verliezen oplopen tot $320 miljard per kwartaal van onderbreking in de handel van goederen en diensten. Deze schok is al zichtbaar in de eerste handelsindicatoren die wijzen op een recessie in de wereldhandelsvolumes, zowel in het eerste kwartaal van 2020 (-2,5% op jaarbasis) als in het tweede kwartaal (-1%). De sectoren

37

Euler Hermes & Allianz Research, Quarantined trade: covid-19 to cost USD 320bn of trade losses every quarter, 5 March 2020.

62


Economische impact COVID-19

die het meest getroffen worden, zijn chemie, transport, automobiel, textiel en elektronica. Naast China en Italië zijn Taiwan, Zuid-Korea, Nederland, Hongarije en Indonesië de meest getroffen economieën. België heeft een open en exportgerichte economie. De impact op de handel en op de Belgische bedrijven zal volgens ook bijzonder groot zijn. De exportverliezen zullen in totaal $161 miljard bedragen, aangezien de vraag vanuit China en Europa zeker tot eind april ondermaats zal blijven. Voor diensten kan een aanzienlijke vermindering van toeristen van en naar China, Italië en meer in het algemeen intra-Europa vastgesteld worden, gepaard gaande met een aanzienlijke slowdown in transportdiensten. De terugkeer naar een normalisatie van de activiteiten zal naar verwachting zeer geleidelijk gebeuren, waardoor de wereldwijde exportverliezen voor het toerisme tot $125 miljard en voor de transportdiensten tot $33 miljard oplopen. Tabel 24: Exportverliezen in 2020 door COVID-19

4.2

Europa

De wereldhandel heeft misschien een deuk gekregen maar de handel in medisch materiaal draait op volle toeren. De Europese Unie neemt daarom ook enkele maatregelen. BTW en douanekosten op geïmporteerd medisch materiaal worden tijdelijk opgeschort. G20 heeft zichzelf voorgenomen om zo transparant mogelijk te communiceren over de handelsmaatregelen die ze nemen in de strijd tegen corona. Commissaris voor handel Phil Hogan heeft daarom 8 Europese maatregelen aangegeven bij de Wereldhandelsorganisatie. De lidstaten en het Verenigd Koninkrijk hebben aan de Europese Commissie een tijdelijke opschorting gevraagd van de douaneheffingen en btw op medisch materiaal dat wordt geïmporteerd uit derde landen. Het gaat om medisch materiaal dat nodig is in de strijd tegen Covid-19. De Europese Commissie heeft dit goedgekeurd.38 Het zorgt ervoor dat de stijgende prijzen van zo’n materiaal toch niet voor nog meer druk op de lidstaten zorgt. Daarnaast heeft de Commissie ook bepaald dat de export van persoonlijk beschermingsmateriaal eerst moet goedgekeurd worden. In de EU wetgeving is de mogelijkheid om tijdelijk douaneheffingen en btw op geïmporteerde goederen te schrappen al voorzien als er zich een ‘ramp’ zou voordoen. De omvang van de

38

European Commission (2020) Commission decision of 3.4.2020 on relief from import duties and VAT exemption on importation granted for goods, COM(2020) 2146 final, 3 April 2020.

63


Economische impact COVID-19

corona-crisis is voldoende groot om deze uitzondering in actie te roepen. De beslissing werkt retroactief voor import vanaf 30 januari 2020 tot 31 juli 2020 en kan eventueel verlengd worden. Het gaat om de import van maskers, beschermingsmateriaal, test-kits, beademingstoestellen en ander medisch materiaal dat kan helpen in het gevecht tegen de pandemie. Het is van toepassing op staat agentschappen, ziekenhuizen en geregistreerde goede doelen. De G20 heeft onderling afgesproken om zo transparant mogelijk te zijn over alle maatregelen die ze nemen in de strijd tegen het virus. Commissaris Phil Hogan heeft daarom 8 Europese maatregelen aangegeven bij de Wereldhandelsorganisatie omdat die een mogelijke indirecte impact hebben op de wereldhandel. Het gaat onder andere om deze maatregelen: Vereiste om toestemming te vragen voor de export van persoonlijk beschermingsmateriaal uit de EU Tijdelijke opschorting douaneheffingen en btw op import van goederen in strijd tegen Covid19 Grenscontroles, inclusief ‘green lanes’ om de beschikbaarheid van essentiële goederen en diensten te verzekeren Facilitatie van luchtvracht operaties Maatregelen ter bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant en het welzijn van dieren om de risico's van verstoringen in het controlesysteem als gevolg van coronavirus te beperken Richtlijnen rond overheidsopdrachten om de aankoop van nodige goederen sneller te laten gaan. In zijn voorjaarsprognoses verwacht de Europese Commissie dat de export van de EU in 2020 met bijna 13% zal dalen, om in 2021 weer te stijgen met 9,5%. Een gelijkmatige daling wordt ook verwacht in Japan en de VS. Opvallend: de Japanse export zou zich in 2021 slechts met 3,2% herstellen. Ook België wordt als open economie hard getroffen door een terugvallende buitenlandse vraag met een daling van de export tot gevolg in 2020 met 10,6%. In 2021, in een wereldwijde hernemende context zal de export weer toenemen met 7,7%.

64


Economische impact COVID-19

Tabel 25: Export van goederen en diensten, volumewijzigingen (veranderingspercentage ten opricht van voorgaande jaar)

De impact op de import liggen in de lijn van die van op de export: een daling in 2020 met 12,8% in de EU, een herneming met 9,5% in 2021. Deze vaststelling geldt ook voor BelgiĂŤ.

65


Economische impact COVID-19

Tabel 26: Import van goederen en diensten volumewijzigingen (veranderingspercentage ten opricht van voorgaande jaar)

4.3

België

NBB De NBB39 beschrijft op regelmatige basis de ontwikkelingen van de goederenhandel (in waarde) naar en vanuit België. De handel in waarde biedt een eerste conjunctureel beeld van de goederenhandel van België met de rest van de wereld. De cijfers slaan op de totale goederenhandel (communautair concept), waarbij de goederenhandel van niet-residenten via België niet in mindering wordt gebracht zoals in het nationale concept.

39

Nationale Bank van België, Maart 2020: Forse daling van de invoer (-12,3%) en uitvoer (-10,1%) van goederen door de Covid-19 crisis, 15 mei 2020.

66


Economische impact COVID-19

Figuur 28: Ontwikkeling van de in- en uitvoer van goederen in waarde1

Het driemaandelijks gemiddelde van de waarde van de uitvoer van goederen voor de maanden januari t.e.m. maart 2020 daalde met 2,6% ten opzichte van de overeenstemmende periode van 2019. De invoer nam over deze periode af met zelfs 5,2%. Dit wijst reeds op de impact van de Covid-19 crisis voor het verloop van de internationale economische activiteit. De Covid-19 maatregelen met de grootste economische impact werden evenwel in de loop van maart 2020 genomen, zowel in BelgiĂŤ als bij onze meeste handelspartners. Dit is ook duidelijk merkbaar wanneer de focus gericht wordt op de evolutie van de internationale goederenhandel in maart 2020, ook al werden de maatregelen pas midden maart van toepassing. Een eerste raming, die evenwel omzichtig moet worden gehanteerd, wijst voor de uitvoer van goederen op een daling van 10,1% en voor de invoer op een daling van 12,3% ten opzichte van maart 2019. De daling van de handel deed zich voornamelijk voor ten opzichte van de handelspartners in Europa. De handel met AziĂŤ en Amerika, en dan vooral de uitvoer met deze continenten, bleef sterk. Het cijfer van China is opvallend, gelet op het feit dat de Chinese economie reeds in februari te kampen had met de uitbraak van het coronavirus. Opnieuw, als echter enkel gekeken wordt naar de maand maart in plaats van het driemaandelijks gemiddelde, dan is er een terugval van de invoer uit China met -11% en status quo voor de uitvoer. Voor de handel met de VS zijn er relatief stevige groeicijfers, die zelfs in maart nog doorzetten. Wat de productcategorieĂŤn betreft, liet enkel de handel in chemische producten een sterke groei optekenen. De andere belangrijke bedrijfstakken kenden allen een terugval.

67


Economische impact COVID-19

Tabel 27: In- en uitvoer van goederen (in waarde), maart 2020: geografische opdeling

Tabel 28: In- en uitvoer van goederen (in waarde), maart 2020: opdeling per productcategorie 1

In haar meest recente prognoses van 8 juni 2020 geeft de NBB aan dat de groeibijdrage van de netto-uitvoer negatief blijft: de uitvoer loopt in 2020 iets sterker terug dan de invoer en trekt nadien net wat trager aan. Kortom, de netto-uitvoer blijft gedurende de hele projectieperiode op de groei wegen. Tabel 29: Bijdragen tot de groei 2018

2019

2020r

2021r

2022r

68


Economische impact COVID-19

Binnenlandse

1,9

1,7

-7,7

6,8

2,5

-0,7

0,1

-0,4

-0,4

-0,2

0,3

-0,4

-0,9

0,0

0,0

bestedingen, ongerekend voorraadwijziging Netto-uitvoer van goederen en diensten Voorraadwijziging

Instituut voor de Nationale Rekeningen/Federaal Planbureau In lijn met de recessie en het daaropvolgend herstel bij de handelspartners voorspelt het Planbureau op 5 juni 202040 dat de Belgische uitvoer in 2020 terugvallen met 12% en in 2021 aantrekken met 10,7%. Deze ontwikkeling van de uitvoer leidt, in combinatie met die van de binnenlandse vraag, tot een daling van het invoervolume van 10,1% in 2020, gevolgd door een stijging van 10 % in 2021.

FOD Economie Wat de buitenlandse handel betreft, staat de directe handel van goederen en diensten tussen besmette gebieden en België onder druk.41 Onze buitenlandse handel focust zich traditioneel vooral op de landen van de Europese Unie, in het bijzonder naar Duitsland, Frankrijk en Nederland. Maar ook Italië, het sterkst getroffen Europees land, vormt een belangrijke handelspartner: wat betreft invoer bevindt het land zich op de 7e plaats, met vooral producten van de chemische en van de aanverwante industrieën (37 %), machines, toestellen en elektrotechnisch materieel (17 %) en vervoersmaterieel (11 %). Op vlak van uitvoer staat Italië 6e, met onder meer producten van de chemische en van de aanverwante industrieën (36 %), onedele metalen en werken daarvan (12 %) en kunststof en werken daarvan; rubber en werken daarvan (11 %). De uitgesproken integratie van de Belgische economie in de mondiale waardeketens ligt ook aan de oorsprong van een watervaleffect: wanneer de groei van de economische activiteit elders vertraagt, sijpelt dit, eventueel via tussenschakels, ook door naar ons land. De Franse finale vraag is bijvoorbeeld goed voor 6,2 % van de Belgische toegevoegde waarde, de Duitse vraag voor 5,6 % en de Nederlandse vraag voor 4,0 %. Italië, momenteel zelf hard getroffen door het virus, genereert 2,4 % van onze toegevoegde waarde, terwijl de totale finale vraag uit China goed is voor 1,9 % van de Belgische toegevoegde waarde.

40

https://www.plan.be/uploaded/documents/202006051210470.PC_budget_20200605.pdf

41

FOD Economie, Economische impact van het coronavirus, 15 https://economie.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/coronavirus/economische-impact-van-het

april

2020.

69


Economische impact COVID-19

5

Impact op werkgelegenheid en inkomens

5.1

Impact op werkgelegenheid

5.1.1

Wereld

ILO De ILO publiceerde op 29 april 2020 een studie waarin het voorspelt dat door het coronavirus in het tweede kwartaal van 2020 305 miljoen voltijdse banen verloren zullen gaan. Dat is een stuk meer dan de vorige prognose, die het had over 195 miljoen banen. De neerwaartse bijsturing is een gevolg van een verlenging en uitbreiding van de lockdownmaatregelen in tal van landen.42 Deze prognose blijft gehandhaafd in een update van de ILO-monitor.43 Naar schatting ging 4,8% van de arbeidsuren verloren in het eerste kwartaal van 2020 (wat overeenkomt met ongeveer 135 miljoen voltijdse banen, uitgaande van een werkweek van 48 uur). De belangrijkste bevindingen volgen hierna: Ongeveer 94% van de wereldberoepsbevolking leeft momenteel in landen die geconfronteerd worden met aanbevolen of opgelegde sluitingen van de werkplek. De wereldwijde arbeidsduur is in het eerste kwartaal van 2020 met ongeveer 4,5% (equivalent van ongeveer 130 miljoen voltijdse banen, uitgaande van een werkweek van 48 uur), vergeleken met de situatie van vóór de crisis (vierde kwartaal van 2019). In het tweede kwartaal wordt een nog sterkere daling verwacht met 10,5% tegenover het eerste kwartaal voor de crisis. Dit is equivalent met 305 miljoen voltijdse banen, wat neerkomt op een aanzienlijke verslechtering van de vorige ILO-schatting van 195 miljoen voor het tweede kwartaal. Terwijl de situatie voor alle grote regionale landengroepen is verslechterd, geven de schattingen aan dat Amerika (13,1%), Europa en Centraal-Azië (elk 12,9%) het grootste verlies aan werkuren zullen lijden. Testen en tracing van infecties, zoals aanbevolen door de WHO, wordt sterk geassocieerd met een minder harde verstoring van de arbeidsmarkt. ILO-schattingen suggereren dat testen en tracing kan helpen om de gemiddelde daling van de arbeidstijd met maar liefst 50% te verminderen. Het geschatte gemiddelde verlies aan arbeidsuren voor landen met de laagste intensiteit op het vlak van testen en traceren is ongeveer 14%, vergeleken met 7% voor landen met de hoogste test- en tracingintensiteit (50% minder dus). Jongeren zijn de belangrijkste slachtoffers van de sociaal-economische impact van de pandemie en er bestaat een risico dat dit leidt tot de opkomst van een “Lockdown generatie”, gekenmerkt door een ernstige verstoring van de beroepsloopbaan. Uit de meest recente cijfers blijkt dat jongeren onevenredig hard worden getroffen door de COVID-19 crisis, met impact op hun deelname aan onderwijs en opleiding, het verlies aan werkgelegenheid en inkomen en hun kansen bij het vinden van een baan. In totaal werkten wereldwijd 178 miljoen jonge werknemers, meer dan vier op de tien jongeren die wereldwijd actief waren, in zwaar

42

International Labour Organisation (2020) ILO Monitor: COVID-19 and the world of work. Third edition. Updated estimates and analysis, 29 April 2020.

43

International Labour Organisation (2020) ILO Monitor: COVID-19 and the world of work. Fourth edition Updated estimates and analysis, 27 May 2020.

70


Economische impact COVID-19

getroffen sectoren toen de crisis begon. Bijna 77% (of 328 miljoen) van de jongere werknemers had een informele baan, vergeleken met ongeveer 60% van de volwassen werknemers (ouder dan 25 jaar). Het percentage van jongeren actief in de informele economie varieert van 32,9% in Europa en Centraal-Azië tot 93,4% in Afrika. Zelfs vóór de crisis, was de jeugdwerkloosheid in 2019 met 13,6% al hoger dan voor welke andere groep ook. Er waren vóór de crisis wereldwijd ongeveer 267 miljoen jongeren die geen baan, onderwijs of opleiding (NEET) hadden. De 15-24-jarigen die in loondienst werkten, hadden ook meer kans op vormen van werk die hen kwetsbaar maakten, zoals laagbetaalde beroepen, informeel sectorwerk of als migrerende werknemers. hadden meer dan 267 miljoen een NEET-statuut (jongeren tussen 15 en 24 jaar die geen opleiding, onderwijs of vorming volgen en niet aan het werk zijn), waarvan bijna 68 miljoen werkloze jongeren mensen. Een nieuw wereldwijd onderzoek door de ILO en haar partners van het Global Initiative on Decent Jobs for Youth reveleert dat meer dan een op de zes jongeren in de survey gestopt is met werken sinds het begin van de COVID-19 crisis. Bij jongeren die wel in dienst bleven, kan er een daling in het aantal arbeidsuren worden vastgesteld met 23%. Bovendien meldt ongeveer de helft van de jonge studenten dat de voltooiing van hun studies waarschijnlijk een vertraging zal oplopen en verwacht 10% ze helemaal niet te kunnen voltooien. Op een gestandaardiseerde schaal van mentaal welzijn, geeft meer dan de helft van de ondervraagde jongeren aan sinds het begin van de pandemie onderhevig te zijn aan angst of depressie. Figuur 29: Geschatte daling van de geaggregeerde werkuren, wereldwijd, naar regio en naar inkomensgroep

Van het totaal aantal werkgevers en zelfstandigen, lopen wereldwijd ongeveer 436 miljoen ondernemingen in de momenteel zwaarst getroffen sectoren grote risico's op ernstige verstoring. Meer dan de helft hiervan - zo'n 232 miljoen – is momenteel actief in de groot- en detailhandel, een van de meest getroffen sectoren wereldwijd. Zelfstandigen vertegenwoordigen 45% van de werkgelegenheid in dit segment.

71


Economische impact COVID-19

Zelfstandigen en kleine ondernemingen zijn samen goed voor meer dan 70% van de wereldwijde werkgelegenheid in de detailhandel en bijna 60% in de huisvesting en horeca, hetgeen de kwetsbaarheid van deze sectoren in de huidige crisis weerspiegelt. Tabel 30: Impact van de crisis op de ondernemingen in de hardst getroffen sectoren

Tot de meest kwetsbaren op de arbeidsmarkt horen de bijna 1,6 miljard werkers in de informele economie die aanzienlijk getroffen worden door lockdown maatregelen en/of werken in de zwaarst getroffen sectoren. De eerste crisismaand zal naar verwachting wereldwijd leiden tot een daling van de inkomsten van informele werkers met 60%

72


Economische impact COVID-19

wereldwijd. Regionaal gezien is de te verwachte daling het grootst in Afrika en LatijnsAmerika met 81%. Wordt gekeken naar de inkomensgroepen, bedraagt de daling 82% in de lagere middeninkomenslanden en 28% in de hogere middeninkomenslanden. Figuur 30: Informele werkers in de informele economie: hoeveel zijn op significante wijze geĂŻmpacteerd?

Het relatieve armoedepercentage, dit is het percentage werknemers met maandelijkse inkomsten die lager zijn 50% van het mediaan inkomen van de bevolking, zal naar verwachting wereldwijd toenemen met bijna 34 procentpunten wereldwijd voor informele werkers, variĂŤrend van 21 procentpunten in hogere middeninkomenslanden tot 56 procentpunten in lagere middeninkomenslanden.

73


Economische impact COVID-19

Figuur 31: potentiële impact van de pandemie op de armoedeniveaus van informele werkers

IMF Het IMF44 ziet de werkloosheidsgraad in de geavanceerde economieën toenemen van 4,8% in 2019 naar 8,3% in 2020 om daarna terug met 1 procentpunt te dalen in 2021 (7,2%). In de Eurozone wordt een werkloosheidsstijging verwacht van 7,6% in 2019 tot 10,4% in 2020 naar 9,1% in 2021. Voor België houden de voorspellingen een toename in van 5,4% in 2019 naar 7,3% in 2020 en vervolgens een daling naar 6,8% in 2021.

44

IMF, World Economic Outlook, April 2020.

74


Economische impact COVID-19

Tabel 31: Evolutie van de werkloosheidsgraad en het reĂŤel bbp per capita (in %)

75


Economische impact COVID-19

OESO De OESO45 merkt op dat de economische sectoren die het meest rechtstreeks worden getroffen door lockdown-maatregelen, gemiddeld 40% vertegenwoordigen van de totale werkgelegenheid in alle OESO-landen. Dit statistisch inzicht is een vervolg op eerdere OESO-analyses van de impact van inperkingsmaatregelen op de economische output46 en richt zich op werkgelegenheid en kmo's. Het zoomt in op dezelfde kernactiviteiten die in die eerdere analyse zijn gesignaleerd, namelijk: transportproductie, bouw, groot- en detailhandel, luchtvervoer, accommodatie en voedseldiensten, onroerend goed, professionele diensten en andere persoonlijke diensten (bijvoorbeeld kappers). Deze sectoren alleen vertegenwoordigen gemiddeld 40% van de totale werkgelegenheid in alle OESO-landen (zie onderstaande figuur). De impact van een shutdown zal natuurlijk per sector verschillen, aangezien sommigen, bijvoorbeeld foodretail, essentieel zijn en aan de slag kunnen blijven, terwijl vele anderen, zoals restaurants en bioscopen, een volledige stilstand van de activiteiten ondervinden. Figuur 32: Aandeel (%) van de werkgelegenheid van rechtstreeks getroffen sectoren in de economie, 2018 of laatste beschikbare jaar

45

OECD, Statistical Insights: Small, Medium and Vulnerable, 15 April 2020.

46

OECD (2020) Evaluating the initial impact ofCOVID-19 containment measures on economic activity.

76


Economische impact COVID-19

Kmo’s vertegenwoordigen het grootste deel van de werkgelegenheid in de meest getroffen sectoren. Hoewel beleidsmaatregelen in veel landen (bv. ondersteuning van bedrijven om personeel te behouden) zullen bijdragen om het risico op banenverlies te beperken (in tegenstelling tot de economische activiteit zelf waar op korte termijn een daling onvermijdelijk is), zal een langdurige inperking de risico's van sluitingen, vooral bij de kwetsbare populatie van kmo's, verhogen. Volgende figuur laat zien dat kmo's het grootste deel van de werkgelegenheid vertegenwoordigen in de meest getroffen sectoren: gemiddeld 75% in de OESO-landen en bijna 90% in Griekenland en Italië. Micro-ondernemingen met minder dan 10 werknemers, die waarschijnlijk het grootste risico lopen wegens een tekort aan liquide middelen, vertegenwoordigen ongeveer 30% van de werkgelegenheid in deze sectoren en tot 60% in Griekenland en Italië. Figuur 33: Het aandeel van de totale werkgelegenheid in de meest getroffen sectoren ondernemingsdimensie, 2018 of laatste beschikbare jaar

naar

Verder merkt de OESO op dat de economische gevolgen van de Covid-19-crisis binnen een land regionaal sterk kunnen verschillen, naargelang hun economische activiteit en het gevoerde beleid ter ondersteuning van werknemers en bedrijven. Sommige regio's zullen meer dan andere te lijden hebben van de inperkingsmaatregelen en de voorschriften inzake social distancing, met een diepere economische recessie en een groter aandeel risicobanen tot gevolg (variërend van 15 tot 35% naargelang de regio). Het belang van toerisme en lokale consumptie - inclusief winkels en restaurants, cultuur en vrije tijd - verklaart gedeeltelijk het relatief hogere aantal risicobanen in toeristische bestemmingen en grootstedelijke gebieden.

77


Economische impact COVID-19

Figuur 34: Regio’s met het hoogste aandeel risicobanen, per land

5.1.2

Verenigde staten

McKinsey & Company De aanvankelijke werkloosheidsclaims voor de week die eindigde op 21 maart stegen tot 3.307.000, bijna 15 keer hoger dan de 211.000 claims die slechts twee weken daarvoor waren ingediend en verbrijzelden het vorige hoogtepunt van 692.000, bereikt in 1982. Slechts een week later steeg het aantal voor de week die eindigde op maart 28 met 6.648.000 claims. Uit analyse van McKinsey & Company47 blijkt dat de eerste fase van de strijd tegen COVID-19 42 miljoen tot 54 miljoen netto-banen (er zijn ook sectoren die ‘dankzij’ de crisis wel varen zoals koerierdiensten en apotheken) kwetsbaar zou kunnen maken voor vermindering van uren of lonen, tijdelijke ontslagen of permanente ontslagen. (Dit is echter geen voorspelling van het werkloosheidscijfer). Veel bedrijven die open blijven, bezuinigen op uren als gevolg van de dalende vraag of herschikken werknemers voor andere taken. Het is onmogelijk in te schatten hoeveel van deze verliezen permanent zullen zijn. In een vervolgstudie48 schat McKinsey & Company dat tot 57 miljoen banen in de VS nu kwetsbaar zijn, waaronder steeds meer bedienden. Daarbij wordt een aanzienlijke overlap vastgesteld tussen de werknemers die kwetsbaar zijn door de huidige recessie en degenen die een betrekking hebben gevoelig zijn voor automatisering.

47

McKinsey & Company, Lives and livelihoods: Assessing the near-term impact of COVID-19 on US workers, April 2020.

48

McKinsey & Company, COVID-19 and jobs: Monitoring the US impact on people and places, April 2020.

78


Economische impact COVID-19

Ongeveer een op de zes Amerikaanse werknemers - meer dan 26 miljoen Amerikanen - vroeg werkloosheid aan in de vijf weken van 15 maart tot 18 april 2020. Dat aantal wist alle netto banenwinst sinds financieel-economische crisis uit. Florida, Georgia, Michigan, New York, Pennsylvania en Texas hadden elk meer dan een miljoen inwoners die om een uitkering vroegen; in CaliforniĂŤ overtrof het aantal de drie miljoen. Werkloosheidsaanvragen bieden slechts een gedeeltelijk beeld van de ontwrichting bij de werknemers. Uit de analyse van McKinset & Company blijkt dat meer dan twee keer zoveel werknemers kwetsbaar zijn voor kortere uren, loonsverlagingen, tijdelijk onbetaald verlof of permanent ontslag. Bovendien zullen de werkloosheidsclaims de komende weken ongetwijfeld toenemen, aangezien de staten een achterstand van claims in te halen hebben en steeds meer bedrijven die aanvankelijk probeerden hun salarisadministratie te behouden, hun toevlucht nemen tot verlof en ontslagen. Budgettaire problemen dwingen nu ook de staten en de lokale overheden ertoe banen in de publieke sector te schrappen. Figuur 35: Werkloosheidsaanvragen VS

Online vacatures bieden een eerste indicatie van trends in het werven van personeel in specifieke beroepen. Uit gegevens van Emsi, die gegevens van meer dan 100.000 websites consolideert, blijkt dat het aantal vacatures sinds februari 2020 met ongeveer een miljoen is gedaald - een daling van 16%. De grootste procentuele daling lag in het aantal berichten voor olie- en gasbedrijven (een daling van 56%), gevolgd door food-machine operatoren, bakkers, telefooncentrales, taxateurs van autoverzekeringen en parkeerwachters (die allemaal met ongeveer 40% afnamen). Voor sommige beroepen daarentegen neemt de vraag toe. Vertalers zagen de grootste stijging toen ziekenhuizen tolken inhuurden om niet-Engelssprekende COVID19-patiĂŤnten te behandelen. Andere beroepen waarnaar er vraag is, zijn onder meer ademhalingstherapeuten, huisartsen, psychiaters en epidemiologen.

79


Economische impact COVID-19

Tabel 32: Evolutie in het aantal vacatures

Figuur 36: Kwetsbare beroepen naar sector

1

Kwetsbare banen (vulnerable jobs) zijn onderhevig aan verlof, ontslagen of worden onproductief gemaakt (bijvoorbeeld werknemers die op de loonlijst staan maar niet werken) tijdens perioden van omvangrijke ‘physical distancing’

80


Economische impact COVID-19

Sommige sectoren van de economie worden bijzonder hard getroffen. Twee dienstverlenende sectoren - huisvesting en horeca, plus detailhandel - zijn goed voor 42 procent van de kwetsbare banen. Daarentegen zouden verliezen veel meer beperkt kunnen worden in sectoren zoals nutsvoorzieningen, landbouw en mijnbouw. Andere dienstverlenende sectoren (‘witte boord’activiteiten) zoals professionele dienstverlening, financiën, verzekeringen, informatica en management komen slechts voor 5% van de bezuinigingen in aanmerking in deze eerste fase van de crisis. Verder verwacht McKinsey & Company dat lockdowns verhoudingsgewijs een groter impact zullen hebben op werknemers met een laag inkomen en lage opleiding, mede omdat ze niet over een financiële buffer beschikken om een schok van deze omvang op te vangen. Bovendien riskeren veel van de laagstbetaalde Amerikanen die nog steeds werken, blootstelling aan het virus terwijl ze essentiële diensten verlenen in de economie. Meer dan de helft van de kwetsbare banen in de particuliere sector bevindt zich in bedrijven met minder dan 500 werknemers - en bijna 40 procent in bedrijven met minder dan 100 mensen. Uit de eerste analyse, die begin april werd gepubliceerd, bleek dat 86% van de banen die de pandemie kwetsbaar heeft gemaakt, minder dan $40.000 per jaar betaalde. Parttime werknemers waren onevenredig vertegenwoordigd. Maar naarmate de vraag in meerdere bedrijfstakken is gedaald, worden er steeds meer voltijdse en witte-boordenbanen getroffen. De tweede analyse stelt vast dat vanaf medio april 16% van de werknemers die meer dan $70.000 per jaar verdienen kwetsbaar is geworden. Bijna driekwart van alle kwetsbare werknemers verdient echter minder dan $40.000 per jaar Terwijl Amerikanen van alle achtergronden de economische pijn voelen, waren veel van de nieuwe werklozen begin maart parttime werknemers, jongeren, minderheden en vrouwen. Figuur 37: Werkloosheid naar socio-economische achtergrond

81


Economische impact COVID-19

Brookings Een analyse van Brookings49 reveleert dat, wanneer wordt ingezoomd op de 15 zwaarst getroffen provincies, dit precies de cruciale lokale economieën zijn, samen goed voor bijna 26 miljoen banen en $3,3 biljoen aan output, wat neerkomt op 16% van het Amerikaanse bbp en 12,9% van de werkgelegenheid. Met andere woorden, de gezondheidscrisis en de implosie van de arbeidsmarkt van slechts een paar zwaar getroffen stedelijke provincies ondermijnen de economische kracht van de VS. Wordt het onderzoeksgebied verruimd naar de 50 hardst getroffen provincies, dan wordt het risico op potentiële schade nog groter: zij vertegenwoordigen meer dan 60 miljoen jobs en $7.4 biljoen aan economische output, oftewel 30% van de totale werkgelegenheid en 36% van de het totale BNP van de VS. Nieuwe gegevens van het Amerikaanse Bureau of Labor Statistics (BLS)50 bevestigen het de vaststelling van de impact van de verspreiding van COVID-19 op de grootstedelijke economieën. BLS ontleent deze gegevens aan dezelfde bronnen die ten grondslag liggen aan het maandelijkse werkgelegenheidsrapport voor het land als geheel. Op 3 april gaf dat rapport aan dat de Amerikaanse economie tussen half februari en half maart 701.000 banen heeft verloren en dat de werkloosheid is gestegen van 3,5% tot 4,4%. Tabel 33: banenverlies in de 10 grootstedelijke economieën

Van februari tot maart 2020 hebben de 191 metropolen die in deze analyse werden gevolgd (die met een bevolking van ten minste 250.000) samen 591.000 banen verloren - ongeveer 84% van het nationale totaal. Hoewel het slechts gaat om 0,5% van het totale aantal banen in deze

49

Brookings, COVID-19 is hitting the nation’s largest metros the hardest, making a “restart” of the economy more difficult, April 2, 2020; Brookings, Which city economies did COVID-19 damage first?, April 29, 2020.

50

https://www.bls.gov/news.release/metro.nr0.htm

82


Economische impact COVID-19

grootstedelijke gebieden, begon het banenverlies zich sinds eind maart snel op te lopen naarmate de lockdown maatregelen zich doorheen de VS verspreiden.

Gallup Naar schatting 46 miljoen Amerikanen zijn al ontslagen of hebben minder uren als gevolg van COVID-19, volgens de Gallup-enquĂŞtegegevens die zijn verzameld tussen 27 maart tot 31 maart 2020.51 Dit komt neer op ongeveer 28% van de werknemers. Maar het is onwaarschijnlijk dat deze enorme verliezen worden geregistreerd in de officiĂŤle gegevens van de Amerikaanse federale instanties. De Gallup-gegevens suggereren dat maar liefst 40 miljoen van degenen die zijn ontslagen of met kortere uren worden geconfronteerd, niet officieel als werkloos worden beschouwd door het Bureau of Labor Statistics (BLS) omdat ze niet actief op zoek zijn naar werk. Het huidige werkloosheidspercentage in de Verenigde Staten werd gemeten in februari 2020 en bedroeg 3,5%. Volgens de BLS-definitie waren toen 5,8 miljoen mensen die geen job hebben op zoek naar werk. De werkloosheid stijgt als gevolg van de COVID-19 maatregelen. Een deel hiervan wordt opgevangen door de conventionele statistieken. In de week die eindigde op 21 maart, stegen de aanvankelijke aanvragen voor werkloosheid per week van 350.000 naar 2,9 miljoen. In de week die eindigde op 28 maart werden nog eens 5,8 miljoen claims ingediend. Als elke extra claim zou worden toegevoegd aan de 5,8 miljoen mensen die in februari al werkloos waren, zou dit een werkloosheidspercentage van 5,3% suggereren voor de week die eindigt op 21 maart en 8,8% voor de week eindigend op 28 maart. Gallup volgt echter ook de effectieve werkloosheidscijfers op en de polling gegevens lagen in lijn met de BLS-werkloosheidsstatistieken van februari, vastgesteld op 13 maart 2020. Gallup's

51

Brookings, Official jobless figures will miss the economic pain of the pandemic, April 3, 2020.

83


Economische impact COVID-19

maatstaf voor de werkloosheid is sinds midden maart snel gestegen toen het aantal bevestigde COVID-19-gevallen explodeerde. Figuur 38: stijgende werkloosheid in de VS

Amerikaans ministerie van Arbeid Het Amerikaanse ministerie van Arbeid52 liet op 16 april 2020 weten dat er de week die afliep op 11 april 2020 5,245 miljoen werklozen zijn bijgekomen. In de week voordien (28 maart-4 april) ging het om 6,615 miljoen Amerikanen die om overheidssteun vroegen. Nog een week eerder (21-28 maart) werd een recordaantal van 6,867 miljoen aanvragen geregistreerd. In de periode van de vier weken waarin de coronacrisis de VS heeft getroffen, is het aantal werkloosheidsaanvragen opgelopen tot ruim 22 miljoen. Het voortschrijdend gemiddelde over 4 weken tot 4 april bedraagt 5.508.500 miljoen aanvragen voor een werkloosheidsuitkering, een toename met 1.240.750 ten aanzien van het vierwekelijks gemiddelde tot de week (28 maart) ervoor. Het voor seizoensinvloeden gecorrigeerde werkloosheidspercentage bedroeg 8,2% voor de week die eindigde op 4 april. Dit is het hoogste seizoengezuiverde werkloosheidspercentage in de geschiedenis van deze statistische reeks. Het vorige hoogtepunt was 7,0% in mei 1975.

52

https://www.dol.gov/sites/dolgov/files/OPA/newsreleases/ui-claims/20200632.pdf

84


Economische impact COVID-19

Economen hebben intussen berekend dat de VS afstevenen op een werkloosheidspercentage van meer dan 10% in april 2020 door de gigantische hoeveelheden steunaanvragen. Intussen is de werkloosheid (exclusief de agrarische sector) in de maand april 202053 met 20,5 miljoen personen toegenomen en de werkloosheidsgraad toegenomen tot 14,7%. De daling in de maand april is de grootste in de geschiedenis en bracht de werkgelegenheid op het laagste niveau sinds begin 2011. De werkgelegenheid daalde sterk in alle grote industriële sectoren, met bijzonder zwaar banenverlies in de vrije tijd en de horeca. De werkgelegenheid in de vrije tijd en de horeca daalde met 7,7 miljoen jobs, of 47%. Bijna driekwart van de daling deed zich voor in de horeca en drankgelegenheden (−5,5 miljoen). De werkgelegenheid daalde ook in de kunst-, entertainment- en recreatie-industrie (-1,3 miljoen) en in de huisvestingsindustrie (-839.000). De werkgelegenheid in de onderwijs- en gezondheidsdiensten daalde in april met 2,5 miljoen. In de gezondheidszorg daalde de werkgelegenheid met 1,4 miljoen (tandartspraktijken, artsenpraktijken, praktijken van andere zorgverleners). De werkgelegenheid daalde ook in de sociale bijstand (−651.000), als gevolg van het verlies van banen in de kinderopvang en individuele en gezinsdiensten. Professionele en zakelijke diensten hebben in april 2,2 miljoen banen geschrapt. Bij tijdelijke hulpdiensten (−842.000) en bij diensten aan gebouwen en woningen (−259.000) zijn forse verliezen opgetreden. De werkgelegenheid in de detailhandel nam af met 2,1 miljoen. Verlies van banen vond plaats in kledingwinkels en kledingaccessoires (−740.000), dealers van motorvoertuigen en onderdelen (−345.000) en allerhande winkels (−264.000). De tak van warenhuizen, waaronder magazijnen en megacentra, heeft echter 93.000 banen opgeleverd. De groothandel heeft in april 363.000 banen geschrapt, grotendeels als gevolg van verliezen in de duurzame en niet-duurzame goederencomponenten. De werkgelegenheid in de verwerkende industrie daalde met 1,3 miljoen. Ongeveer twee derde van de daling was te wijten aan de productie van duurzame goederen (−914.000), met verliezen in de sectoren van de motorvoertuigen en onderdelen en in gefabriceerde metalen producten. De werkgelegenheid in andere dienstensectoren daalde eveneens met 1,3 miljoen. De werkgelegenheid bij de overheid daalde in april met 980.000. De werkgelegenheid bij de lokale overheid daalde met 801.000, deels als gevolg van schoolsluitingen. De werkgelegenheid daalde ook in het staatsonderwijs. De werkgelegenheid in de bouw zakte met 975.000, die in transport en opslag nam met 584.000 af. Transit en passagiersvervoer over de grond en luchtvervoer verloren beide banen.

53

https://www.bls.gov/opub/ted/2020/payroll-employment-down-20-point-5-million-in-april-2020.htm

85


Economische impact COVID-19

Figuur 39: Werkgelegenheidsevolutie in de sectoren, april 2020 (seizoensgecorrigeerd)

In het eerste kwartaal van dit jaar is de Amerikaanse economie met 5% teruggevallen. Wellicht zal de echte klap van de coronacrisis en de lockdowns echter pas in het tweede kwartaal plaatsvinden. De krimp met 5% is iets groter dan de 4,8% die economen hadden verwacht. Vooral de investeringen door bedrijven zijn teruggevallen, terwijl de consumptie nog redelijk bleef. De meeste analisten hadden verwacht dat de werkgelegenheid op de loonlijst in de maand mei met 7,5 miljoen zou zijn gedaald, na een recorddaling in maart en april en een stijging van het werkloosheidscijfer tot bijna 20%. In plaats daarvan rapporteerde het Bureau of Labor Statistics54 heel verrassend een sterke toename van de werkgelegenheid, met 2,5 miljoen, en een daling van het aantal werklozen van 14,7%, een record na de depressie, tot 13,3%. In mei is de werkgelegenheid sterk gestegen in vrije tijd (reissector, hotels) en horeca, bouw, onderwijs en

54

https://www.bls.gov/news.release/empsit.nr0.htm https://www.bls.gov/news.release/pdf/empsit.pdf

86


Economische impact COVID-19

gezondheidszorg en detailhandel. Werk daarentegen bij de overheid bleef scherp dalen. Het werkloosheidscijfer daalde met 1,4 procentpunt tot 13,3% in mei, en het aantal werklozen daalde met 2,1 miljoen tot 21,0 miljoen. In mei is het aantal personen dat doorgaans fulltime werkt met 2,2 miljoen gestegen tot 116,5 miljoen, en het aantal dat meestal deeltijds werkt, steeg met 1,6 miljoen tot 20,7 miljoen. Deeltijdse arbeid was in de maand mei goed voor ongeveer twee vijfde (40%) van de werkgelegenheidsgroei. Figuur 40: De werkloosheidsgraad in de VS

Figuur 41: Evolutie werkloosheidsgraad VS (seizoensgezuiverd)

5.1.3

Europa

Europese Commissie Regelingen voor deeltijdse arbeid, loonsubsidies en steun aan bedrijven zouden het banenverlies moeten indijken, maar dat neemt niet weg dat de gevolgen van de coronaviruspandemie zwaar zullen zijn voor de arbeidsmarkt. Volgens de voorjaarsprognoses (zie hoger) zou de

87


Economische impact COVID-19

werkgelegenheid in 2020 met 4,4% afnemen in de EU (4,7% in de Eurozone) en in 2021 met 3,3% stijgen (in de Eurozone met 3,9%). De werkgelegenheid in België neemt met 1% af in 2020 om daarna weer met een groei van 1,2% aan te knopen in 2021. In Italië, Frankrijk en Spanje heeft de werkgelegenheid zwaar te lijden onder de impact van COVID-19. Tabel 34: De werkgelegenheidsgroei (in %)

Verder zou het werkloosheidscijfer in de eurozone stijgen van 7,5% in 2019 tot 9,6 % in 2020 en vervolgens opnieuw dalen tot 8,6% in 2021. In de EU wordt verwacht dat de werkloosheid zal toenemen van 6,7% in 2019 tot 9,0% in 2020 en vervolgens terugvallen tot ongeveer 7,9% in 2021. Sommige lidstaten zullen de werkloosheid sterker zien toenemen dan andere. Vooral de lidstaten waar veel werknemers kortlopende contracten hebben of een groot deel van de beroepsbevolking van het toerisme afhankelijk is, zijn bijzonder kwetsbaar. Jonge mensen die op dit moment op de arbeidsmarkt komen, zullen ook moeilijker hun eerste baan vinden. In België wordt een werkloosheidsstijging van 5,4% in 2019 naar 7% in 2020 verwacht, waarna zich een afzwakking van het werkloosheidscijfer zal voordoen naar 6,6% in 2021.

88


Economische impact COVID-19

Tabel 35: Werkloosheidsgraad

Eurofound Om de onmiddellijke economische en sociale gevolgen van deze crisis te capteren, heeft Eurofound55 op 9 april 2020 in de hele Europese Unie en daarbuiten een grootschalige onlineenquête gehouden. Het doel van de enquête is om de impact op welzijn, werk en telewerken en op de financiële situatie van mensen die in Europa wonen te onderzoeken. Meer dan een kwart van de respondenten in de hele EU meldt dat ze in april hun baan tijdelijk (23%) of permanent (5%) kwijtraken, met de jonge mannen onder de 35 jaar als meest getroffen groep. Op het vlak van jobonzekerheid, is 16% van de werknemers in de EU van mening dat ze in de nabije toekomst waarschijnlijk hun baan zullen verliezen (7% denkt dat dit ‘zeer waarschijnlijk’ is en 9% ‘redelijk waarschijnlijk’). De jobonzekerheid is het hoogst in verschillende oostelijke en

55

Eurofound, Living, working and COVID-19 First findings – April 2020, 6 May 2020.

89


Economische impact COVID-19

zuidelijke Lidstaten, met bijvoorbeeld 20% in Bulgarije en 15% in Griekenland waarbij respondenten aangeven het gevoel te hebben dat ze hoogstwaarschijnlijk hun baan zullen verliezen ten gevolge van de crisis. De resultaten geven verder aan dat de 50% van de beroepsbevolking in de hele EU een verkorting van de werktijd ervaart. Meer dan een derde (34%) hiervan stelt dat hun werktijd ‘veel’ afnam, en 16% dat het ‘een beetje’ daalde. Griekenland, Frankrijk, Italië en Cyprus zijn landen waar ongeveer de helft van alle werknemers aangaf dat hun werktijd ‘veel’ verminderd was. In België geeft 20% respectievelijk ronde 18% van de beroepsbevolking aan een sterke respectievelijk lichte arbeidstijdvermindering te ondergaan. Daartegenover staat dat voor gemiddeld 7% van de werknemers in de EU de werktijd sterk toenam, een aandeel dat in vergelijkbare mate in veel landen wordt aangetroffen. Het grootste deel van de werknemers van wie de arbeidstijd ongewijzigd is gebleven, werd gemeld in Zweden, Finland en Denemarken (respectievelijk 52%, 49% en 45%). Figuur 42: Veranderingen in de werktijd tijdens de coronacrisis (in %)

90


Economische impact COVID-19

McKinsey & Company Nu de economische bedrijvigheid in veel sectoren bijna tot stilstand is gekomen, worstelen veel bedrijven met het nakomen van hun financiële verplichtingen. En nu de onzekerheid groot wordt, overwegen veel bedrijven aanpassingen in hun personeelsbestand. Dit kan potentieel miljoenen banen in gevaar brengen door vermindering van uren of lonen, tijdelijke verlofperiodes of permanente ontslagen. Een analyse van McKinsey & Company56, gebaseerd op gegevens op beroepsniveau, schat dat de COVID-19-crisis tot wel 59 miljoen banen in Europa in gevaar zou kunnen brengen - maar liefst 26% van de totale werkgelegenheid in de 27 lidstaten van de Europese Unie (EU-27) plus het Verenigd Koninkrijk (EU-28). Uiteraard zal het risiconiveau sterk variëren tussen beroepen en industrieën, afhankelijk van of ze systeemrelevant zijn of niet, hoe dicht ze kunnen worden uitgevoerd in de fysieke nabijheid van anderen, hoeveel van het werk op afstand kan worden gedaan door technologie en mogelijke veranderingen in de vraag naarmate de crisis evolueert. Om tot dit cijfer te komen werd een model gehanteerd en werden eerst gegevens op beroepsniveau gebruikt om beroepen te identificeren die waarschijnlijk zullen worden verhinderd om snel terug te keren naar business as usual, omwille van de noodzakelijke social distancing ten aanzien van collega’s en het grote publiek. Beroepen werden aldus onderverdeeld in drie categorieën: Beroepen met een laag risico omvatten 160,5 miljoen werknemers die ofwel niet in de buurt van anderen werken (zoals accountants, architecten en journalisten) of wier werk essentiële gezondheidsdiensten biedt (zoals artsen, ambulancechauffeurs en managers van gezondheidsdiensten) of andere essentiële diensten (zoals die in politiewerk, voedselproductie, onderwijs, openbaar vervoer, water en nutsvoorzieningen). Beroepen met een gemiddeld risico omvatten 14,7 miljoen werknemers die hun werk in de directe nabijheid van anderen uitvoeren, maar geen interactie hebben met het grote publiek; dit omvat machinebedieners, bouwvakkers en psychologen. Beroepen met een hoog risico omvatten 54,8 miljoen werknemers, van wie de meesten dicht bij anderen werken en een aanzienlijke interactie met het grote publiek hebben; ze omvatten winkelbedienden en kassiers, koks en acteurs. Na het bepalen van het beroepsrisico werd het model gebruikt om een extra, sectorspecifieke risicofactor voor elke functie in te schatten, gebaseerd op korte termijn wijzigingen in de vraag als gevolg van de COVID-19-uitbraak. De opsplitsing van banen die gevaar lopen per banencluster laat zien dat 50% van alle banen die gevaar lopen in Europa afkomstig zijn van klantenservices (consumer services) en verkoop (25%), foodservices (13%) en bouwvakkers (12%). Productiewerk (9%), kantoorondersteuning (8%) en dienstverlening aan de gemeenschap (8%) vormen nog eens 25%. Minder getroffen worden werknemers in de gezondheids-, wetenschap-, technologie-, engineering-, wiskunde-, bedrijfs- en juridische beroepen, alsook leerkrachten, opleiders en opvoeders.

56

McKinsey & Company, Safeguarding Europe’s livelihoods: Mitigating the employment impact of COVID-19, April 2020.

91


Economische impact COVID-19

Figuur 43: Europese beroepen die risico lopen op jobverlies

Wordt gekeken naar de resultaten per bedrijfstak, kan vastgesteld worden dat bepaalde sectoren aan een hoog risico onderhevig zijn. Risicobanen vertegenwoordigen 74% van de totale sectorwerkgelegenheid in de accommodatie- en voedingssector, 50% in de kunst- en entertainmentsector en 44% in de groothandel en detailhandel. Groothandel en detailhandel vertegenwoordigen ongeveer 14,6 miljoen banen die gevaar lopen (25% van het totaal aantal banen die gevaar lopen) en huisvesting en voedsel ongeveer 8,4 miljoen (14%). Bij de productie en de bouw staan ook een aanzienlijk aantal banen op het spel. Andere sectoren worden veel minder getroffen, zoals professionele diensten (1,6 miljoen), financiĂŤn en verzekeringen (1,2 miljoen), informatie en communicatie (0,6 miljoen), landbouw (0,4 miljoen) en onroerend goed (0,3 miljoen).

92


Economische impact COVID-19

Figuur 44: Risicoberoepen volgens sector

Verdere analyse toont aan dat het risico van verminderde uren en lonen, tijdelijke verlofperiodes en permanente ontslagen aanzienlijk verschilt per opleiding, leeftijd en bedrijfstype. Het arbeidsrisico op korte termijn is sterk gecorreleerd met het opleidingsniveau, wat de bestaande sociale ongelijkheden kan verergeren. Ongeveer 80% van de risicovolle banen (46 miljoen) wordt ingevuld door mensen die geen tertiair diploma hebben behaald (bachelor, master of doctoraat). Werknemers zonder tertiaire kwalificatie hebben bijna twee keer zoveel kans als werknemers met een universitaire (of gelijkwaardige) opleiding om hun baan in gevaar te zien komen. Het is niet verrassend dat de sectoren die het zwaarst worden getroffen door de economische stop een aanzienlijk lager aandeel werknemers met een universitair diploma hebben. De groothandel en detailhandel en de accommodatie- en voedingssector hebben in totaal 14,6 miljoen en 8,4 miljoen banen in gevaar, met slechts 17% en 14% van de werknemers met een hoogopgeleide kwalificatie. Daartegenover heeft 52% van de werknemers in de professionele dienstverlening een diploma en loopt de sector minder risico om jobs te verliezen (1,6 miljoen).

93


Economische impact COVID-19

Figuur 45: Europese risicoberoepen volgens sector en opleiding

Hoewel er grote onzekerheid bestaat over de diepte en de duur van de recessie, schat het McKinsey Global Institute (MGI) dat de COVID-19-pandemie de komende maanden de werkloosheid in Europa bijna kan verdubbelen. Twee dimensies zullen bepalen hoe erg de economische gevolgen van de huidige crisis zullen zijn: de economische gevolgen van de verspreiding van het virus zullen afhangen van de doeltreffendheid van de gezondheidsmaatregelen en de economische gevolgen van de domino-effecten zullen afhangen van de overheidsmaatregelen om deze effecten te verzachten. In de twee meest waarschijnlijke scenario's die door MGI zijn gemodelleerd, wordt de verspreiding van COVID-19 uiteindelijk beheerst en wordt een catastrofale structurele economische schade voorkomen. De meest optimistische van de twee scenario's gaat ervan uit dat het virus binnen twee tot drie maanden na economische stopzetting onder controle zal zijn, hetgeen resulteert in een werkloosheidspiek van 7,6% in 2020, alvorens in het vierde kwartaal van 2021 terug te keren naar het precrisisniveau van 6,3%. Het meer pessimistische scenario gaat ervan uit dat Europa het virus niet binnen drie maanden onder controle krijgt en gedwongen wordt gedurende de zomer doorlopende fysieke afstands- en quarantainemaatregelen te nemen, waardoor de impact groter wordt. Het werkloosheidscijfer voor de EU-27 in dit scenario zal naar verwachting in 2021 zijn hoogtepunt bereiken - met 11,2% - en het is onwaarschijnlijk dat het zich in 2024 zal herstellen tot het niveau van 2019.

94


Economische impact COVID-19

5.1.4

Frankrijk

Het Ministerie van Arbeid57 brengt wekelijks informatie uit over onder meer technische werkloosheid, toegang tot opleiding voor werkzoekenden en gesubsidieerde contracten. Onderstaand wordt de situatie op de Franse arbeidsmarkt geschetst per 2 juni 2020. De teller van effectieve tijdelijke werkloosheid staat op 1 juni op 13,1 miljoen werknemers uit 1.050.000 ondernemingen. Figuur 46: aanvragen en aantallen tijdelijke werklozen omwille van Coronavirus sinds 1 maart 2020

46% van het totaal aantal werknemers die sinds 1 maart 2020 een aanvraag indienden voor tijdelijke werkloosheid is actief in een vestiging met minder dan 50 werknemers. Deze vestigingen zijn goed voor 51% van de private werkgelegenheid. In bedrijven met meer dan 250 werknemers 57

https://dares.travail-emploi.gouv.fr/dares-etudes-et-statistiques/tableaux-de-bord/le-marche-du-travailpendant-le-covid-19/tableaux-de-bord-hebdomadaires/article/situation-sur-le-marche-du-travail-au-2-juin-2020

95


Economische impact COVID-19

bedraagt de tijdelijke werkloosheid omwille van het coronavirus 34% van het totale aantal. Deze vestigingen vertegenwoordigen 20% van de private werkgelegenheid. De tijdelijke werkloosheid concentreert (ongeveer 50% van de aanvragen, van de tijdelijke werklozen en van verlies aan arbeidsuren) zich in 3 sectoren: Gespecialiseerde, wetenschappelijke en technische diensten & administratieve en ondersteunende diensten, handel en bouw. Daarna volgt horeca en logies.

5.1.5

België/Vlaanderen

IMF De hoogconjunctuur op de Belgische arbeidsmarkt is voorbij. De coronacrisis zal de werkloosheid dit jaar fors doen toenemen, na een sterke daling de voorbije vier jaar. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ziet de werkloosheidsgraad oplopen van gemiddeld 5,4% in 2019 naar 7,3% in 2020. Er zullen dus zowat 100.000 werklozen bijkomen, terwijl begin dit jaar een status quo werd voorspeld. Ondernemingen vingen tot nu de daling van de activiteit op met tijdelijke werkloosheid. Maar dat is niet overal houdbaar. Het ziet ernaar uit dat veel bedrijven zullen herstructureren of zelfs failliet gaan, vooral in de zwaar getroffen sectoren. Die ondernemingen zullen noodgedwongen medewerkers ontslaan. Meer dan een op de vijf werknemers vreest zijn baan te verliezen, blijkt uit een enquête van de UGent (zie verderop). Dat is omgerekend meer dan een half miljoen werknemers. Van de tijdelijk werklozen vrezen zelfs twee op de vijf hun baan te verliezen. Behalve tijdelijk werklozen zijn vooral vrouwen, oudere werknemers, migranten en werknemers in de horeca en het toerisme pessimistisch over de stabiliteit van hun job. Werknemers met een hoge anciënniteit en in de sectoren financiën, gezondheid, ICT en onderhoud maken zich relatief weinig zorgen. Dat geldt ook voor wie voor de overheid werkt. Veel Belgen die hun baan zullen verliezen, dreigen langere tijd werkloos te blijven. Ondanks de voor 2021 verwachte economische heropleving ziet het IMF de werkloosheidsgraad volgend jaar slechts lichtjes terugvallen, naar 6,8%. Slechts een kwart van de landgenoten die dit jaar werkloos worden, zou volgend jaar een baan vinden. Net voor de coronacrisis uitbrak, was de werkloosheid gedaald naar het laagste peil in 40 jaar. De federale regering heeft al een pakket maatregelen genomen om de impact van de crisis op de arbeidsmarkt te verzachten. De uitkering voor tijdelijke werkloosheid is verhoogd van 65 naar 70%. Zowat 1,37 miljoen werknemers zijn tijdelijk werkloos. Voor de maand maart rapporteert de RVA 340.754 werknemers in het Vlaams gewest onder het systeem van tijdelijke werkloosheid. Dit is zo een 14,2% van de werknemers in Vlaanderen. Het betreft enkel de werknemers die voor 10 april een uitkering ontvingen. Mogelijk werd door de toevloed aan dossiers niet elke tijdelijk werkloze in maart tijdig behandeld, en liggen de cijfers in werkelijkheid hoger. (Bron: Coronabarometer Departement WSE). De versnelde afbouw - de degressiviteit - van de werkloosheidsuitkeringen is opgeschort omdat het nu moeilijk is een baan te vinden. Momenteel wordt het systeem van de tijdelijke werkloosheid verlengd voor de sectoren die het zwaarst getroffen zijn. In principe kunnen bedrijven nog tot 19 april instappen in het systeem van de tijdelijke werkloosheid, maar die periode wordt verlengd tot 30 mei. Bovendien laat de federale regering het systeem ook na 30 juni bestaan. Sectoren zoals

96


Economische impact COVID-19

de horeca of de evenementensector die ook na 30 juni nog niet kunnen heropstarten, kunnen daardoor langer gebruikmaken van het stelsel. Uit de coronabarometer van het Departement WSE blijkt dat de Vlaamse werkloosheid in april 2020 met bijna 12% steeg ten opzichte van april 2019. Tijdelijk werklozen worden hier niet meegeteld.

Instituut voor de Nationale Rekeningen en Federaal Planbureau Uit de vooruitzichten van 5 juni 202058 van deze instellingen blijkt dat de arbeidsmarkt niet ontsnapt aan de gevolgen van de economische terugval. De schok op de activiteit wordt op korte termijn grotendeels opgevangen door de afname van zowel de productiviteit per uur als de arbeidsduur. Voor de aanpassing van de arbeidsduur wordt daarbij uitgebreid beroep gedaan op de traditionele buffer van de tijdelijke werkloosheid, die naar aanleiding van de huidige crisis tijdelijk soepeler toegankelijk is (vooral voor bedienden) en ruimer dekking biedt voor het geleden inkomensverlies. Dat neemt niet weg dat sinds de afkondiging van de inperkingsmaatregelen behoorlijk wat arbeidsplaatsen verloren gingen, vooral dan bij werknemers die tussen de mazen van het vangnet vallen (kortlopende contracten, interimarbeid). In het tweede kwartaal zou de werkgelegenheid daardoor met 37.000 personen afnemen. Tijdens de tweede jaarhelft wordt het werkgelegenheidsverlies aanzienlijk uitgediept (-106.000 personen). De productiviteit herstelt zich immers naarmate bedrijven minder geneigd zijn overtollige arbeidsuren aan te houden, terwijl de gesubsidieerde ondersteuning van het arbeidsvolume eveneens op haar limieten botst. Bovendien wordt ook de negatieve impact op de zelfstandige werkgelegenheid sterker voelbaar naarmate de federale en regionale steunmaatregelen worden afgebouwd. In jaargemiddelden blijft de afname van de werkgelegenheid dit jaar weliswaar beperkt tot 34.000 personen, rekening houdend met een aanzienlijk positief startpunt eind 2019. De werkgelegenheid valt nog licht terug tijdens de eerste twee kwartalen van volgend jaar (14.000 personen), maar herstelt zich geleidelijk tijdens de tweede jaarhelft (+38.000 arbeidsplaatsen). Desondanks blijft het verlies aan arbeidsplaatsen in vergelijking met een situatie zonder pandemie aanzienlijk. In jaargemiddelden zou de afname van de werkgelegenheid in 2021 (-77.000 personen) veel forser zijn dan dit jaar, wat toe te schrijven is aan een bijzonder ongunstig startpunt.

58

https://www.plan.be/uploaded/documents/202006051210470.PC_budget_20200605.pdf

97


Economische impact COVID-19

Figuur 47: Evolutie van de n-binnenlandse werkgelegenheid (duizenden personen)

Ondanks de inzet van ruim bemeten beschermende maatregelen, ontsnapt de werkgelegenheid dus niet aan de gevolgen van de economische schok. Die ongunstige evolutie wordt weerspiegeld in een forse toename van de werkloosheid tussen maart 2020 en midden 2021 (+165.000 personen), gevolgd door een afname met 21.000 personen tijdens de tweede helft van 2021. In jaargemiddelden is de toename van de werkloosheid volgend jaar sterker (+88.000 personen) dan dit jaar (+61.000 personen). De (administratieve) werkloosheidsgraad stijgt van 8,9% in 2019 tot 11,6% in 2021, waardoor de winst die geboekt werd sinds 2015 verloren gaat.

NBB In haar prognoses van 8 juni 2020 merkt de NBB59 dat op korte termijn de weerslag van de economische teruggang op de arbeidsmarkt in hoge mate wordt opgevangen door de genomen maatregelen, waaronder dus de uitbreiding van het stelsel van tijdelijke werkloosheid en de steunmaatregelen voor de zelfstandigen. Niettemin gaan er met name vanaf het tweede kwartaal van dit jaar heel wat arbeidsplaatsen verloren. Aangezien de beroepsbevolking verder groeit, wordt een aanzienlijke stijging van het aantal werklozen (uitgezonderd tijdelijk werklozen) verwacht – 100.000 gedurende de projectieperiode -, waarbij het zwaartepunt, met bijna 190.000 extra werklozen, zich concentreert in de laatste drie kwartalen van 2020. De geharmoniseerde werkloosheidsgraad, die zich vorig jaar nog op een historisch laag peil bevond, loopt dan ook op tot meer dan 8% volgend jaar, waarna een beperkte daling zou volgen.

59

https://www.nbb.be/nl/artikels/de-belgische-economie-zal-zich-slechts-moeizaam-herstellen-van-decoronacrisis-en-het

98


Economische impact COVID-19

Tabel 36: Prognoses arbeidsmarkt 2018 65,7 Binnenlandse werkgelegenheid (gemiddelde jaarop-jaar verandering, in duizenden personen) 1,7 Totaal arbeidsvolume (totaal aantal gewerkte uren in de economie) 6,0 Geharmoniseerde werkloosheidsgraad (in % van de beroepsbevolking van 15 jaar of ouder)

2019 76,8

2020r -66,7

2021r -22,7

2022r 60,6

1,3

-7,1

4,9

1,3

5,4

7,3

8,3

7,6

VDAB Vacatures In april 2020 werden 12.099 vacatures rechtstreeks aan VDAB60 gemeld in het Normaal Economisch Circuit zonder Uitzendopdrachten61 (NECzU, zonder vacatures van wervings- en selectiekantoren). Dat is 48,9% minder dan in april 2019. Het gaat hierbij om het laagste aantal ontvangen vacatures sinds november 2014. De voorbije twaalf maanden werden 274.307 vacatures gemeld aan VDAB. Dat is 5,3% minder dan in de periode van twaalf maanden daarvoor. Door de maatregelen tegen de verspreiding van het corona-virus zijn er vanaf 13 maart duidelijk minder vacatures gemeld aan VDAB. In de tweede helft van maart kreeg VDAB iets meer dan vijfduizend vacatures binnen. Het aantal ontvangen vacatures lijkt zich in april te stabiliseren rond dit lagere niveau. Tabel 37: Ontvangen vacatures volgens opleidingsniveau en arbeidsstelsel

60

https://www.vdab.be/trends

61

Alle cijfers in het Vacaturebericht van VDAB slaan op de vacatures in het Normaal Economisch Circuit (zonder Uitzendopdrachten) die rechtstreeks aan VDAB gemeld zijn, behalve onder het titeltje ‘Wervings- en selectiekantoren, uitzendarbeid en studentenjobs’

99


Economische impact COVID-19

Tabel 38: Ontvangen vacatures volgens sector

In de twaalfmaandelijkse cijfers zijn de gevolgen van de covid19-maatregelen op de vacaturemarkt niet voor alle sectoren even duidelijk te zien. Voor een duidelijker beeld op de evoluties wordt daarom iets meer nadruk gelegd op de maandcijfers. EĂŠn sector blijft opvallend goed scoren: de primaire sector. De landbouw en de groente- en fruitteelt kunnen niet stilgelegd worden en vergen ook nu seizoensarbeiders. Maar niet alle werknemers die traditioneel in de seizoensarbeid ingezet worden, zijn beschikbaar. Daardoor had de primaire sector in april opvallend meer vacatures dan in april 2019. Alle andere sectoren (op ĂŠĂŠn kleine na) hadden in april minder vacatures dan in april 2019. Over twaalf maanden bekeken scoorde de gezondheidszorg goed. Zo ook, zij het in iets mindere mate, de sectoren Dranken, voeding en tabak, Grafische nijverheid, papier en karton en Transport, logistiek en post. Maar ook in deze sectoren laat de coronacrisis zich voelen: allemaal hadden ze sterk negatieve cijfers in april. Andere sectoren hebben de afgelopen twaalf maanden duidelijk minder vacatures gemeld. De sectoren Informatica, media en telecom, Vervaardiging van transportmiddelen en Vervaardiging van machines en toestellen noteerden over twaalf maanden veel minder vacatures dan in de periode van twaalf maanden daarvoor. In de tabel komen ook drie sectoren aan bod die over twaalf maanden bekeken niet tot de grootste dalers behoren, maar hun vacatureomvang en de daling daarvan in de laatste maand maakt ze het vermelden waard. Groot- en kleinhandel had bijna 40% minder vacatures dan in dezelfde maand vorig jaar. De sector Zakelijke dienstverlening, bestaande uit onder andere managementadviesbureaus en beveiligingsdiensten, had een goede 60% minder vacatures. Horeca en toerisme kreeg, begrijpelijk na de sluiting van de horeca, (relatief gezien) de grootste klap te verwerken met bijna 90% minder vacatures dan in april 2019.

100


Economische impact COVID-19

Tabel 39: Vacatures Wervings- en selectiekantoren, uitzendarbeid en studentenjobs

De vacatures uit het NECzU die rechtstreeks gemeld werden aan VDAB komen hierboven in detail aan bod. Daarnaast zijn er vacatures uit het NECzU via wervings- en selectiekantoren, vacatures voor uitzendarbeid en vacatures voor studentenjobs. Enkele kleinere arbeidscircuits worden in de tabel niet getoond. Werkzoekenden Voor de tweede maand (maart-april 2020) op rij stijgt de Vlaamse werkloosheid. De coronacrisis, die in de eerste plaats een gezondheidscrisis is, oefent dus ook een duidelijk negatieve impact uit op de werkloosheidscijfers. Eind april 2020 telt Vlaanderen 201.757 niet-werkende werkzoekenden (NWWZ). Op jaarbasis betekent dit een stijging met 21.412 eenheden of 11,9%. In maart werd een stijging van 1,3% genoteerd. Alle vermelde cijfers gaan over niet-werkende werkzoekenden en daardoor uitdrukkelijk niet over tijdelijke werkloosheid. De getoonde stijging in het aantal werkzoekenden komt dus bovenop het grote aantal tijdelijk werklozen. De werkzoekenden met een werkloosheidsuitkeringsaanvraag (WZUA) staan voor 68,4% van de Vlaamse geregistreerde arbeidsreserve, de jongeren in beroepsinschakelingstijd (BIT) voor 4,6%, de vrij ingeschreven werkzoekenden voor 14,3% en de groep ‘Andere’ voor 12,6%. ‘Andere’ omvat de deeltijds lerenden zonder baan maar ook de werkzoekenden met een leefloon. Erkende vluchtelingen met een leefloon die zich registreren als werkzoekende worden ook bij ‘Andere’ geteld. De WZUA’s stijgen met 15,5%, de vrij ingeschreven werkzoekenden met 5,3%. Bij de groep ‘andere’ noteert VDAB al verschillende maanden op rij een stijging, voor de maand april bedraagt de toename 4,6%. In april wordt eveneens bij de BIT-jongeren een stijging (+3,8%) vastgesteld. De werkloosheid stijgt op jaarbasis in alle provincies. De sterkste stijging wordt genoteerd in West-Vlaanderen (+19,7%), gevolgd door Limburg (+13,3%) en Oost-Vlaanderen (+11,5%). Ook ten opzichte van vorige maand kent West-Vlaanderen de sterkste stijging (+10,6%). In de andere provincies schommelt de toename op maandbasis tussen 7,2% en 8,8%.

101


Economische impact COVID-19

Tabel 40: Kenmerken van de NWWZ

Tabel 41: NWWZ – jaarverschillen

Volgende vaststellingen worden door VDAB gemaakt: Vlaanderen telt meer mannelijke (111.617 of 55,3%) dan vrouwelijke werkzoekenden (90.140). De stijging op jaarbasis van het aantal mannelijke werkzoekenden (+13,2%) is hoger dan deze bij de vrouwen (+10,2%). Ten opzichte van vorige maand is het aantal mannelijke werkzoekenden (+8,8%) iets sterker toegenomen dan het aantal vrouwelijke werkzoekenden (+7,8%). Het aantal werkzoekenden stijgt op jaarbasis het sterkst in de leeftijdsgroep van 25- tot 40jarigen (+16,8%). Bij de 55-plussers noteren we de lichtste stijging op jaarbasis (+4,7%). Ook ten opzichte van vorige maand stijgt het aantal werkzoekenden in de vier leeftijdsgroepen.

102


Economische impact COVID-19

De werkloosheid stijgt op jaarbasis zowel voor de laaggeschoolden (+7,7%) als de middengeschoolden (+15,0%) en de hooggeschoolden (+17,1%). De stijging bij de middenen hooggeschoolden is dus beduidend hoger dan deze bij de laaggeschoolden. Ten opzichte van vorige maand is de stijging het sterkst voor de middengeschoolden (+10,3%), gevolgd door de hoog- (+9,1%) en de laaggeschoolden (+6,6%). Meer dan de helft (52,4%) van de Vlaamse werkzoekenden is kortdurig werkzoekend (minder dan 1 jaar), en logischerwijs heeft de coronacrisis vooral een sterke impact op hun werkzoekendenaantal. Er is een stijging van 16,8% op jaarbasis, en een stijging van 10,6% t.o.v. vorige maand. Vlaanderen telt 60.865 allochtone werkzoekenden of 30,2% van de geregistreerde arbeidsreserve. De allochtone werkloosheid kent op jaarbasis een stijging van 13,5%, terwijl voor de autochtonen een stijging genoteerd wordt van 11,2%. Ten opzichte van vorige maand bedraagt de toename +7,0% bij de allochtonen en +8,9% bij de autochtonen. Allochtone werkzoekenden worden statistisch gedefinieerd als werkzoekenden die een huidige of vorige nationaliteit hebben van buiten de EU-28 of de EVA-landen. VDAB krijgt deze gegevens uit het Rijksregister. Hierdoor kunnen nieuwe Belgen met een vorige nationaliteit uit een niet EU-land als ‘allochtoon’ gedetecteerd worden. De groeiende groep migranten van de tweede en derde generatie die als Belg geboren zijn, worden daarentegen niet gevat door deze definitie. Wanneer wordt gekeken naar nationaliteit, wordt vastgesteld dat het aantal werkzoekenden met een nationaliteit van buiten de EU stijgt met 10,1% op jaarbasis, en het aantal werkzoekenden met een EU-nationaliteit met 12,2%. 16,9% of 34.081 van de Vlaamse werkzoekenden is bij VDAB gekend als ‘arbeidsgehandicapt’. De stijging op jaarbasis bedraagt 7,1% voor deze groep, wat beduidend lager is dan de stijging bij de personen zonder arbeidshandicap (+12,9%). Ten opzichte van vorige maand is er een stijging van 5,8% voor de personen met en 8,8% voor de personen zonder arbeidshandicap. De werkzoekendengraad bedraagt eind april 2020 6,54%, en is hoger voor mannen (6,80%) dan voor vrouwen (6,24%). Ter vergelijking: een jaar geleden, in april 2019, bedroeg de werkzoekendengraad 5,80%. VDAB definieert de werkzoekendengraad als het aantal NWWZ in de teller en de op dat moment meest recente beroepsbevolking (het aantal werkenden + het aantal NWWZ) in de noemer. Door het gebruik van administratieve gegevens over werkzoekenden wijkt de werkzoekendengraad onder andere af van de werkloosheidsgraad gebaseerd op de Enquête van de Arbeidskrachten (EAK) die zelfgerapporteerde informatie als basis neemt. De EAK hanteert ook een strengere definitie om als werkzoekende te worden geteld, zo moet men bijvoorbeeld binnen de twee weken met een nieuwe job kunnen starten. Vlaams-Brabant kent met 5,3% de laagste werkzoekendengraad, de provincie Antwerpen de hoogste (8,2%).

Coronabarometer (Departement WSE) De impact van de Corona-crisis is niet geheel gelijk verdeeld over Vlaanderen. De arbeidsmarkt in de provincie West-Vlaanderen is het zwaarst getroffen. Het aandeel jobs met tijdelijke werkloosheid is er het hoogst, maar vooral de stijging van de werkloosheid is er een stuk hoger dan in de rest van Vlaanderen. Verder zien we ook veel tijdelijke werkloosheid in Limburg, en een bovengemiddelde werkloosheidsstijging in Limburg en in delen van Oost-Vlaanderen en Antwerpen.

103


Economische impact COVID-19

Tabel 42: Regionale impact COVID-19

prov. Antwerpen

Werkloosheid (evolutie april 2019-april 2020)

Tijdelijke werkloosheid (aandeel private tewerkstelling)

9,9%

21,5%

Antwerpen

8,3%

Mechelen

12,0%

Turnhout

13,9%

prov. Limburg

13,3%

24,3%

prov. Oost-Vlaanderen

11,5%

19,9%

Zuid-Oost-Vlaanderen

9,6%

Dender-Waas

15,3%

Meetjesland-Leiestreek

13,9%

Gent en rand prov. Vlaams Brabant

9,3% 8,5%

Halle-Vilvoorde

8,0%

Leuven

9,2%

prov. West-Vlaanderen

19,7%

Brugge

25,7%

Westhoek

19,7%

Zuid-West-Vlaanderen

13,7%

Oostende

21,5%

Midden-WestVlaanderen

18,6%

Vlaams Gewest

11,9%

18,9%

25,8%

21,8%

Universiteit Gent Arbeidseconomen van de vakgroep Economie van de UGent62 hebben onderzoek gedaan naar de impact van de huidige coronacrisis op onze loopbaan. De resultaten komen uit een online enquĂŞte die tussen 25 en 31 maart werd afgenomen. De universiteit verzamelde gegevens van 14.005 mensen, waar dan een representatieve groep van 3.821 werd uitgehaald (naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau) van Vlaamse werknemers jonger dan 65. Hun vaststellingen bevestigen vooral vermoedens, maar daar kunnen nu ook cijfers op gekleefd worden: Meer dan een op de vijf vreest zijn/haar baan te verliezen door de coronacrisis. Een op de zeven vreest dat dit zelfs voor het einde van het jaar het geval zal zijn. Deze vrees is hoger bij kwetsbare groepen zoals oudere personen en personen met een migratieachtergrond. Dit sluit aan bij wetenschappelijk onderzoek dat inderdaad aangeeft dat de tewerkstelling van kansengroepen conjunctuurgevoeliger is. De vrees om definitief zijn baan te verliezen loopt zelfs op tot vier op de tien bij de mensen die momenteel tijdelijk werkloos zijn. Dit sluit dan

62

Baert, S., Lippens, L., Moens, E., Sterkens, P. en J. Weytjens (2020) Wat denken Vlaamse werknemers over de gevolgen van de coronacrisis voor hun carrière? Cijfers en reflecties, Vakgroep Economie, Universiteit Gent.

104


Economische impact COVID-19

weer enigszins aan bij de wetenschappelijke literatuur omtrent het zelfversterkende effect van werkloosheid. 1 op 4 vreest een promotie te mislopen die hij/zij zou gekregen hebben zonder de coronacrisis. Deze vrees is opnieuw hoger onder wie nu al tijdelijk werkloos is en onder personen met een migratieachtergrond. Deze vrees is lager onder degenen die in de publieke sector werken. 1 op 2 vreest een direct effect van de coronacrisis op zijn/haar loon. Deze vrees is hoger onder wie in de privé werkt en onder wie nu al tijdelijk werkloos is. 52 procent vreest dat de coronacrisis een negatieve invloed zal hebben op het aantal vacatures die hen zouden kunnen interesseren. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat wanneer de economische conjunctuur terugvalt, de arbeidsmarkt volgt, met minder gecreëerde banen en meer werkloosheid. Daar waar de afgelopen jaren werkgevers een strijd voerden om kandidaat-werknemers aan te werven, wordt een overgang verwacht naar de situatie waarin meer werklozen strijden om een baan, met negatieve gevolgen voor de onderhandelingsmacht aan de werknemerszijde. Opvallend: deze vrees is hoger onder hoogopgeleiden en in de creatieve sector. Een kwart van de panelleden werkte voor de coronacrisis 10% tot 20% van de werkdagen via telewerk (wat bij een voltijdse baan neerkomt op een halve dag tot één dag per week telewerk). Regelmatiger telewerken komt helemaal niet veel voor: slechts 1 op 8 werkte voor de coronacrisis vaker via telewerk, met slechts 2% die voltijds werkten via telewerk. Tijdens de coronacrisis is het aantal voltijdse telewerkers - onder zij die nog aan de slag zijn - stijgen naar 46%. Nog maar 35% van de huidige actieve werknemers zegt nooit via telewerk te werken tijdens de coronacrisis, wat voor de crisis op 62% lag. Voor de coronacrisis was ook digitaal vergaderen een marginaal gebeuren: 66% van de panelleden deed dit nooit. Tijdens deze crisis doen bijna de helft van de werknemers die nog aan de slag zijn al hun vergaderingen online. Slechts 35% van diegenen die nog aan de slag zijn, doen geen vergaderingen digitaal. Een overgrote meerderheid, 85%, denkt dat door de huidige coronacrisis ook in de toekomst veel meer aan telewerk en digitaal vergaderen (81%) zal worden gedaan in ons land. Nochtans deed de meerderheid van de bevraagden voor de crisis nooit aan telewerk. Aan telewerk worden positieve eigenschappen toegekend (efficiënter werken (meer dan 50% geeft dit aan) en lagere kans op burn-out (bijna 50%), bijvoorbeeld), maar ook een mogelijk negatief effect op promotiekansen (25% van de panelleden) wordt onderlijnd, net als verzwakkende banden met de collega’s (60%) en de werkgever (bijna 50%). Grofweg twee op de drie van de bevraagden linkt telewerken nu aan een hogere jobtevredenheid en een betere balans tussen werk en privé. Opvallend: meer dan een op de twee geeft aan efficiënter te werken tijdens telewerk en zich beter te kunnen concentreren. Anderzijds: wie kinderen in huis heeft, is minder tevreden met het verhoogde telewerk. Een op de drie wordt gestoord door huisgenoten. Meer dan een op de vijf ervaart ook meer conflicten met huisgenoten. Meer dan de helft van de respondenten denkt door deze crisis in de toekomst meer belang te zullen hechten aan de balans tussen werk en privé. Uit de resultaten kan afgeleid worden dat aan basisverloning in het algemeen niet zozeer meer belang zal worden gehecht omwille van de coronacrisis. Niet verwonderlijk, want wetenschappelijke literatuur toont aan dat loon een noodzakelijke doch geen dwingende voorwaarde is om gemotiveerd aan de slag te blijven. Daarentegen zien werknemers door de crisis voornamelijk het belang toenemen van het evenwicht tussen werk en privé, de omstandigheden waarin wordt gewerkt en de mate

105


Economische impact COVID-19

waarin de werkgever rekening houdt met de persoonlijke wensen van de werknemer. De plotse veranderingen, waaronder de abrupte invoer van thuiswerken voor zowat alle nietessentiële beroepen, spelen daarin vermoedelijk een substantiële rol. Dat net die contextuele factoren belangrijk worden geacht in deze moeilijke tijden is tekenend. Van werkgevers wordt verwacht dat ze hun oor te luisteren leggen bij hun werknemers en eventuele (praktische) problemen die deze crisissituatie met zich meebrengt detecteren, erkennen alsook oplossen. Sociale recognitie is m.a.w. een zeer belangrijke factor om werknemers gemotiveerd te houden, zeker in een dergelijke crisissituatie als de huidige. Meer dan de helft van de tijdelijk werklozen in het panel vreest financieel in de problemen te komen. Deze vrees is hoger onder vrouwen, jongeren, lager opgeleiden en personen met een hogere leeftijd, personen zonder diploma hoger onderwijs en in beroepen in de aankoop, bouw, horeca en toerisme, human resources en techniek. Opmerkelijk: 1 op 3 van degenen die nog niet tijdelijk werkloos zijn (of dat op het moment van de enquête nog niet waren), vrezen dat alsnog te worden. Er zijn enorm uiteenlopende antwoorden op de vraag in welke maand men denkt opnieuw normaal te kunnen gaan werken. Slechts 2% gelooft dat dit al in april het geval zal zijn. De grootste groep (39%) gokt op juni, maar ook in september wordt door een belangrijke groep (11%) geloofd. Hoe het ook zij, zeker is de arbeidsmarkt de komende maanden, en misschien wel jaren, ingrijpend zal veranderen, in die zin dat de arbeidsverhoudingen een switch zullen ondergaan. Want was er tot nog toe krapte op de arbeidsmarkt, waarbij werkgevers om de beste krachten moesten strijden, dan gaat dat nu omkeren. De positie van de werknemers zal verzwakken, en de werkgevers - zij die het overleven - belanden in een meer luxueuze positie. De gevolgen daarvan zijn voorspelbaar: lagere lonen, grotere jobonzekerheid en strengere arbeidsvoorwaarden. De impact zal niettemin per sector hard verschillen. Economen merken op dat mensen in de overheidssector of de zorg redelijk beschermd zijn, en woningen bijvoorbeeld zullen nog altijd schoongemaakt moeten worden. De horeca of handelszaken worden dan weer wél heel hard getroffen. Het is allemaal wat koffiedik kijken naar de impact van COVID-19 op de Vlaamse arbeidsmarkt.

SD Worx De SD Worx barometer63 voor aanwervingsintenties bij kmo’s (met minder dan 250 werknemers) neemt met de Covid-19 crisis een duik. Rekruteringsintenties tot eind juni vallen terug. De tijdelijke steunmaatregel ‘tijdelijke werkloosheid’ helpt zes op tien kmo’s (59%). Vier op tien kmo’s roept geen tijdelijke werkloosheid in. Een derde kan massaal inzetten op thuiswerk. Tien procent ervaart een personeelstekort en vijf procent veel zieken. Dat zijn de opvallendste conclusies uit de bevraging in de eerste week van april in het kader van de 40e tewerkstellingsenquête in opdracht van HR-dienstenverlener SD Worx bij 1.025 bedrijfsleiders en personeelsverantwoordelijken. De Corona-crisis treft ons hele land en onze economische bedrijvigheid. De tijdelijke werkloosheid is een steunmaatregel waar ook onze kmo’s zich op kunnen beroepen. Maar doen ze dat ook? Uit een bevraging van SD Worx bij meer dan 1.000 Belgische kmo’s komen een paar signalen:

63

SD Worx, Vier op tien kmo’s roepen geen tijdelijke werkloosheid in, 6 april 2020.

106


Economische impact COVID-19

Een derde van onze Belgische kmo’s zet massaal in op telewerk; Meer dan een derde van onze kmo’s telt (voorlopig) weinig tot geen zieken; Voor 6 op 10 is tijdelijke werkloosheid door overmacht een tijdelijke oplossing, om deze moeilijke periode te overbruggen. Het percentage van de kmo’s dat tijdelijke werkloosheid inschakelt, ligt hoger bij grotere kmo’s dan bij kleinere kmo’s. Als kleinere kmo’s tijdelijke werkloosheid als steunmaatregel gebruiken doen ze dat eerder 100%, terwijl grotere kmo’s eerder kiezen voor tijdelijke werkloosheid voor een deel van het personeel of de werktijd. Vier op tien kmo’s (41%) zet vandaag géén tijdelijke werkloosheid in en is dit ook niet van plan na 19 april (35%). Ook hier is er een verschil tussen kleinere en grotere kmo’s. Zo doen 45% van de kmo’s met minder dan 5 werknemers geen beroep op deze steunmaatregel, tegenover 24 % van de kmo’s met meer dan 20 medewerkers. Tijdelijke werkloosheid is geen automatisme: wat de vooruitblik na 19 april betreft, zegt vier op tien (39%) het nog niet te weten; minder dan één op tien (9%) denkt 100% werkloosheid te moeten aanhouden. Belangrijke kanttekeningen: Eén derde van de Belgische kmo’s past 100% tijdelijke werkloosheid toe vandaag. Een derde van de organisaties geeft een verplichte sluiting aan; Tien procent van de kmo’s ervaart momenteel een personeelstekort en vijf procent telt veel zieken. Dat stemt niettemin hoopvol. Kmo’s willen hun bedrijf op dit moment draaiende kunnen houden om nadien een vlottere opstart of doorstart te kunnen maken Bijna de helft ervaart tijdelijk minder werk (46%), een minderheid (12%) extra werk en 17% een gelijke hoeveelheid werk. Met betrekking tot de structurele tewerkstelling tot eind juni: kmo’s schroeven hun aanwervingsintenties sterk terug: slechts 1 op tien gaat dit kwartaal nog een medewerker aanwerven. Ook kmo’s zetten massaal in op telewerk. Een op drie kmo’s zet massaal telewerk in, om aan het werk te blijven.

Acerta De jobmobiliteit op de Belgische arbeidsmarkt was nog nooit zo laag. 40% van de werknemers geeft in volle coronacrisis aan niet open te staan om een nieuwe jobkans te grijpen, moest die zich aandienen. 65% heeft bovendien al een half jaar niet meer gereageerd op een vacature. Werknemers klampen zich in deze onzekere tijden vast aan de job die ze hebben, merkt hrdienstengroep Acerta. Eén op de vijf werknemers vreest er zelfs voor om zijn/haar baan te verliezen. Dat blijkt uit Acerta’s jaarlijkse Talent Pulse barometer64. Het jaarlijkse onderzoek van Acerta over de jobmobiliteit op de Belgische arbeidsmarkt, viel dit jaar in volle corona-lockdown. De barometer kan ook terugvallen op de statistieken van de voorbije tien jaar, wat een interessant vergelijkingspunt biedt. Het geeft ook aan hoe deze coronacrisis de arbeidsmarkt in zijn greep houdt. Een eerste vaststelling is dat meer en meer werknemers zijn niet (meer) geïnteresseerd in nieuwe jobaanbiedingen. 40% van de respondenten geeft aan dat ze geen nieuwe job overwegen. Vorig jaar stond dat cijfer op 26%, vijf jaren geleden ging het zelfs maar om 10%. De intentie of 64

https://www.acerta.be/nl/over-acerta/in-de-pers/corona-drukt-jobmobiliteit-naar-laagste-peil-vier-op-de-tienwerknemers-heeft-geen-interesse-in-nieuwe-job

107


Economische impact COVID-19

bereidheid van werknemers om van werkgever te veranderen is in april 2020 dus nog verder gekelderd. Op de arbeidsmarkt is m.a.w. geen evolutie te merken van een jobmobiliteit, die vijf jaar geleden nog erg sterk aanwezig was, naar een job-immobiliteit. De coronacrisis heeft die tendens nog een extra duwtje in de rug gegeven. Dit wil evenwel niet zeggen dat medewerkers niet bereid zijn om nieuwe rollen of taken uit te oefenen binnen dezelfde organisatie. Waar in 2019 nog 62% van de werknemers de jobopportuniteiten in de gaten hield, ook al was hij/zij niet actief op zoek, is dat percentage ‘passief-geïnteresseerden’ in 2020 gezakt naar 50%. Slechts 10% zegt actief op zoek te zijn naar een andere job. In 2019 was dat 12%, maar dat was toen al een historisch laag percentage. Figuur 48: Evolutie jobmobiliteit

Eveneens blijkt dat 65% van de werknemers de voorbije 6 maanden geen enkele keer op een vacature heeft gereageerd. Dat is 12% meer dan een jaar eerder, toen 58% alle vacatures aan zich liet voorbijgaan. Dit geeft een verderzetting aan van de passieve houding van potentiële kandidaten. Dit is mee te verklaren door de structurele krapte op de arbeidsmarkt. In de praktijk is het niet meer voldoende is om wervende vacatures te plaatsen en respons af te wachten. Het komt erop aan om talent aan te spreken, dat kan door hen letterlijk individueel te benaderen, maar daarnaast ook te werken aan een werkgeversmerk dat ‘aanspreekt’ (employer branding), aldus Acerta. 18% van de bevraagde werknemers vreest bovendien zijn/haar job te verliezen omwille van de coronacrisis. Bijna één op de vijf vreest er dus voor dat het coronavirus voor zo’n economische impact op bedrijven zal zorgen dat ontslagen onvermijdelijk worden. Uit het onderzoek leidt Acerta een duidelijk verband af tussen hoe de medewerker zijn organisatie scoort op de manier waarop

108


Economische impact COVID-19

ze met de crisis omgaat en zijn vertrek-intentie: van zij die de laagste appreciatie geven over hun leidinggevende zegt 66% dat ze sneller van job zouden veranderen. Het contact tussen werknemers en leidinggevenden verloopt dezer dagen voornamelijk digitaal. Die communicatie is nodig, maar blijkt grotendeels gericht op het heden, om richtlijnen door te geven en maatregelen mee te delen. Slechts 28% van de werknemers ging in gesprek met zijn leidinggevende over ‘en wat hierna?’, over het toekomstperspectief dat de werknemer in zijn job heeft. Figuur 49: Inhoud contact tussen collega’s en leidinggevende in tijden van lockdown

Uit cijfers van Acerta blijkt nog dat eind maart 20% van de arbeidsprestaties ingegeven werden als tijdelijke werkloosheid. Aangezien volgens RVA/NBB 40% van de Belgische loontrekkenden tijdelijk werkloos zijn, suggereert dit dat tijdelijk werklozen gemiddeld halftijds werkloos zijn. Acerta gaf nog aan dat meer dan de helft van de tijdelijk werklozen voltijds werkloos zijn.

Antwerpen Management School (AMS) Ondanks de negatieve berichten over nakende werkloosheid ten gevolge van de coronacrisis, bleven opvallend veel organisaties gedurende de eerste helft van april op zoek naar nieuw talent. Dat concluderen onderzoekers uit een enquête65 bij 1.241 bedrijfsleiders en HR-managers. 40% geven aan geplande aanwervingen gewoon verder te zetten, of zelfs uit te breiden. 20% werft nog aan, zij het minder dan voorzien. Belangrijke kanttekening hierbij, is wel dat deze cijfers niet opgaan voor de kleine bedrijven (<10 werknemers): hier heeft 70% een aanwervingsstop doorgevoerd. Geen hoge ontslagintenties

65

HRmagazine (2020) Onderzoek AMS nuanceert ontslaggolf na corona, 23 april 2020. Dit onderzoek kwam tot stand dankzij een samenwerking tussen het expertisecentrum Next Generation Work van Antwerp Management School, VBO - FEB en HRPro.be en werd mede mogelijk gemaakt door Bpact/Indiville, SD Worx en HR Magazine. Een online bevraging werd uitgevoerd bij 1241 respondenten tussen 3 en 18 april 2020.

109


Economische impact COVID-19

De enquête werd afgenomen tussen 3 en 18 april 2020 bij 1241 Belgische bedrijfsleiders en hrmanagers. Op het moment van de bevraging draaide 36,5% op minder dan 50% van het normale activiteitsniveau, 26,9% rapporteerde een activiteitsniveau tussen de 50 en 75%, en 36,6% van de bevraagde organisaties zat op een activiteitsniveau boven de 75%. Negen op tien respondenten stellen de continuïteit van de organisatie na de crisis niet in vraag. Ook de ontslagintenties zijn niet bijzonder hoog. Slechts 13% acht het waarschijnlijk dat mensen zullen moeten vertrekken; voor 3% is dat zeer waarschijnlijk. Hier is niet de bedrijfsgrootte, maar wel de huidige activiteitsgraad zeer bepalend. Waar er vandaag minder gewerkt wordt, is men beduidend minder optimistisch over de continuïteit van organisatie en medewerkers. Loopbanen Wat wel in vraag gesteld wordt, is de manier waarop men in organisaties naar loopbanen kijkt. Meer dan de helft van de organisaties behorende tot de risico-activiteiten (bv. kunst, toerisme, horeca) acht het waarschijnlijk dat de loopbanen in hun organisatie er na de crisis heel anders zullen uitzien. Het wordt eens temeer duidelijk dat jobzekerheid en voorspelbare loopbaanpaden een zaak van het verleden zijn, zo concludeert prof. dr. Ans De Vos (Antwerp Management School): “Het is belangrijk dat het arbeidsmarktbeleid bij de relance maximaal inzet op het versterken van inzetbaarheid van werknemers. Enkel op die manier kan loopbaanzekerheid worden gecreëerd. Maar ook voor de bedrijven zelf betekent dit dat zij anders moeten gaan nadenken over hun loopbaanbeleid.” Arbeidskrachten delen Slechts 7,3% geeft aan dat zij momenteel werknemers tewerk stellen in een ander bedrijf waar de vraag naar extra arbeidskrachten hoog is, terwijl 9,9% tijdelijk een beroep doet op extra arbeidskrachten om het werk gedaan te krijgen. “In een flexibel loopbaanbeleid zal het ook in de toekomst interessant zijn om fluctuaties in capaciteitsbehoeften snel op te vangen zonder daarbij de loopbaanzekerheid van werknemers in het gedrang te brengen,” zo observeert Ans De Vos (Antwerp Management School). Thuiswerk Bijna 4 op de 5 bedrijfsleiders en HR-professionals voorzien een stijging in het thuiswerk na de crisis (78,4%). Ook binnen de groep bedrijven (37,4%) waar er voor de crisis geen thuiswerk was, geeft slechts 6% aan dit niet te overwegen na de crisis. Hoe dat dan precies in zijn werk zal gaan na relance, is nog koffiedik kijken. “Bedrijven die vroeger geen thuiswerk wilden, beseffen nu dat thuiswerk onomkeerbaar is. Maar dat het na de crisis allemaal vanzelf zal gaan, is ook een utopie,” zo concludeert dr. Kathleen Vangronsvelt (Antwerp Management School). De technologische middelen bleken zelden een probleem. Maar 60% van de respondenten geeft aan dat bezorgdheden van medewerkers omtrent hun thuiswerk in hun organisatie vandaag niet actief opgevolgd worden. Bovendien maakt één op de drie zich zorgen over de verbondenheid met collega’s en organisatie. “Zodra mensen meer dan twee dagen per week thuis werken, verliezen ze de connectie met collega’s en bedrijf,” zo herinnert dr. Kathleen Vangronsvelt (Antwerp Management School).

110


Economische impact COVID-19

Mentale gezondheid Vooral in de risico en de cruciale sectoren maken heel wat bedrijfsleiders en HR-professionals zich zorgen over de mentale gezondheid van hun medewerkers na de crisis: 44% van de respondenten uit risicosectoren en 37% uit de cruciale sectoren verwacht na de crisis een verhoogde uitval van werknemers omwille van stress. “We kijken met zijn allen uit naar de periode na de crisis. Naar het weerzien – in levende lijvemet de collega’s, de gesprekken tijdens de lunch, het comfort van de werkplek. Hier onvoorbereid aan beginnen, in de hoop dat alles vanzelf goed komt, zou echter naïef zijn,” waarschuwt Kathleen Vangronsvelt (Antwerp Management School). Hr-verantwoordelijken en bedrijfsleiders zullen bij heropstart belangrijke beslissingen moeten nemen over hun personeelsbestand, maar ook over hun interne arbeidsorganisatie. De manier waarop dit gebeurt, zal belangrijke gevolgen hebben voor de weerbaarheid van diegenen die hun job verliezen én voor diegenen die blijven. Beleid, sector en sociale partners die de handen in elkaar slaan, zijn hierbij onontbeerlijk, aldus nog de onderzoekers.

5.2

Impact op de arbeidsorganisatie

De werkvloer van de toekomst Digitale transformatie heeft een impact heeft op de organisatiestructuur en deze structuur moet aangepast worden aan de strategische doelen die met de transformatie beoogd worden. Daarbij is sprake van een tendens naar meer zelfsturing. Dit stemt overeen met een organisatie die de klant meer centraal stelt en de vraag naar meer flexibiliteit en maatwerk wil opvangen. De digitale transformatie en evolutie naar een vlakke organisatiestructuur versterken elkaar. Dit komt voort vanuit het streven naar kortere communicatie- en beslissingslijnen, het faciliteert meer inspraak en legt verantwoordelijkheden dieper in de organisatie. Het is hierbij wel belangrijk te blijven waken over het behoud van overkoepelende visie, strategie en waarden.66 Cloudcomputing geeft van overal toegang tot interne data en het gebruik van automatische dataprocessing laat snellere beslissingen toe. Werknemers worden door de nieuwe technologieën beter met elkaar geconnecteerd, wat mogelijkheden biedt voor een efficiëntere communicatie en uitwisseling van informatie. Deze verbeterde informatiestromen leiden tot meer autonomie voor de werknemer die sneller kan tussenkomen in het productieproces. Tevens wordt het mogelijk om virtuele werkgroepen of teams – binnen of tussen ondernemingen - op te richten naargelang de vereiste expertise, knowhow en vaardigheden. ICT heeft door het vergroten van de bereikbaarheid en de mogelijkheden van nietwerkplekgebonden werk een belangrijke bijdrage geleverd aan het verbeteren van de werk-privé balans. Tegelijkertijd worden hierdoor voor werkenden de mogelijkheden vergroot om zelf te bepalen waar en wanneer zij hun werk verrichten en zich voor de werkzaamheden en de loopbaan te bekwamen. Afhankelijk van de omstandigheden, persoonlijke voorkeuren en arbeidsmarktmogelijkheden kan dan tijdens de loopbaan worden gevarieerd in het aantal gewerkte uren. Een diffuse scheiding van werk en privé kan echter eveneens leiden tot toename van stress en vergroot daarmee de kans op een burn out.

66

De Coen, A., Van Hoed, M. en D. Somers (2019) Digitale transformatie op bedrijfsniveau, Idea Consult & VIONA

111


Economische impact COVID-19

Gelijktijdig verstrengelt namelijk ook de mix van werk en privéleven en verandert de notie van ‘arbeidstijd’. Digitalisering en een expanderende internationalisering van arbeid houdt in dat we meer dan ooit intergeconnecteerd zijn. Communicatie en versterkte coördinatieprocessen binnen wereldwijd actieve groepen maar ook tussen verschillende ondernemingen zijn vandaag meer en meer gemeengoed. Technologie biedt een grote opportuniteit voor ondernemers en de samenleving om permanent te innoveren en nieuwe activiteiten en business op te starten. De aard en de snelheid van de technologische innovatie creëert echter een potentieel belangrijke ontwrichting in de wereld van werk. Digitale transformaties binnen ondernemingen hebben op meerdere manieren implicaties voor het menselijk kapitaal. Het menselijke perspectief is cruciaal in het welslagen van een transformatieproces, waardoor de betrokkenheid en ondersteuning van werknemers belangrijke aandachtspunten zijn67. Belangrijk bij de introductie van AI in een onderneming en op de werkvloer is dat de juiste stakeholders, in het bijzonder de werknemers, op het juiste moment worden betrokken. Het risico bestaat dat, indien een AI-project (bijvoorbeeld Intelligent Automation of Smart Business Automation) top-down wordt opgelegd zonder voorafgaande informatieverstrekking of consultatie, AI zal gezien worden als een bedreiging met foute processen en veronderstellingen tot gevolg. Indien een AI-project van bij de start bottom-up ondersteund wordt, krijgen de werknemers een goed inzicht in de mogelijkheden en beperkingen. Tevens wordt klaarheid geschapen in de nieuwe werkinhoud (en gekoppelde opleidingen) doordat bijvoorbeeld repetitieve, saaie taken zoals orderingave, rapportering of factuurverwerking overbodig worden en nieuwe taken zoals strategisch nadenken en communicatie aan invloed winnen. Werknemers kennen het best de karakteristieken en onderdelen van de bedrijfs- en productieprocessen zodat ‘involving people’ een strategische opdracht wordt voor de onderneming. Een onderzoek van de onderzoeksinstituten HIVA (KU Leuven) en FTU (Université Catholique de Louvain)68 vanuit werknemersperspectief naar de impact van industrie 4.0 op de arbeid van werknemers, brengt aan het licht dat waar werknemers en werknemersafgevaardigden betrokken zijn bij de introductie van industrie 4.0, dit positieve effecten heeft op het welzijn van de werknemers in de vorm van betere werkbeleving, meer autonomie en minder onzekerheid. Nochtans blijkt dat meer dan de helft van de werknemers zich te weinig betrokken voelt bij de invoering van technologische innovaties. In de meeste gevallen gebeurde dit pas als de technologie daadwerkelijk in gebruik werd genomen.

Telewerken Vooruitgang in de digitalisering heeft de deur geopend naar nieuwe manieren om het werk te organiseren. Er heeft een verschuiving plaats gevonden van een regelmatig, bureaucratisch en 'fabrieksmatig' werktijdpatroon naar een flexibeler werkmodel. Telewerken en op ICT gebaseerd mobiel werk (TICTM) zijn in deze transitie ontstaan, waardoor werknemers en werkgevers de tijd en locatie van werk kunnen aanpassen aan hun behoeften. De pandemie van het coronavirus (COVID-19) stelt Europa voor ongekende gezondheids-, sociale en economische uitdagingen en heeft ingrijpende gevolgen voor de manier waarop

67

De Coen, A., Van Hoed, M. en D. Somers (2019) Digitale transformatie op bedrijfsniveau, Idea Consult & VIONA

68

KU Leuven. Persbericht: Arbeiders voelen zich te weinig betrokken bij de invoering van nieuwe technologieën, 18 november 2019.

112


Economische impact COVID-19

mensen over de hele wereld leven en werken. Een van de veranderingen die het nu versneld doormaakt, is het aandeel mensen dat vanuit huis werkt, aangezien overheden sociale afstandsen isolatiemaatregelen hebben ingevoerd. Onderzoek van Eurofound69 laat zien in welke landen in Europa de meeste mensen al telewerken of ICT-gebaseerd mobiel werken toepasten. In 2015 deed ongeveer een vijfde van de werknemers een vorm van telewerken of op ICT gebaseerd mobiel werk - wat betekent dat ze af en toe of regelmatig werkten vanuit een andere plaats dan een hoofdwerkplek. Er was een vrij grote variatie tussen de lidstaten: Italië registreerde slechts 8% van de werkende die telewerk/op ICT gebaseerd mobiel werk verrichtten, terwijl dit in Denemarken 38% was. In België bedroeg het aandeel 24%. De reden voor deze diversiteit in heel Europa was een combinatie van factoren, zoals de affiniteit van een land voor technologie; de beschikbaarheid en kwaliteit van zijn technologische infrastructuur; managementcultuur en het streven naar hogere productiviteit binnen bedrijven; en de behoefte van werknemers aan ruimtelijke en temporele flexibiliteit om arbeidsomstandigheden af te stemmen op gezinsverplichtingen en andere persoonlijke verantwoordelijkheden.

3 5

8

10

2

3

8 8 4 6

9

3

2

3

3

5 2

3

4

3

4

4

4

4

3

2

2

4

10 5

12 10 10 9 9 8 11 8 10

14

14 11 13 11 11

11

11

15

16

20

11

22 19 19 17 20 18 20 17 17 15 15

24

25

27

26

24

18

21

20

21

23

29

25

23

27

30

31

35

25

31 33

40

36 38

Figuur 50: Percentage telewerkers en ICT-gebaseerd mobiel werk, volgens arbeidsstatuut, 2015

0 DK SE NL LU UK FR EE FI BE IE MT SI AT HR CY ES BG LT LV DE SK RO HU PT CZ GR PL IT werknemers

zelfstandigen

totaal

Bron: Eurofound

Meer gedetailleerde cijfers voor België biedt de federale diagnostiek woon-werkverkeer70 die aangeeft dat telewerken steeds vaker wordt toegepast bij zowel openbare als privébedrijven. Uit 69

Eurofound, COVID-19 could permanently change teleworking in Europe, 26 March 2020. https://www.eurofound.europa.eu/news/news-articles/covid-19-could-permanently-change-teleworking-ineurope

70

Federale overheidsdienst Mobiliteit en Verkeer, Federale diagnostiek woon-werkverkeer 2017, maart 2019. Sinds 2005 zijn alle Belgische werkgevers die meer dan 100 werknemers in dienst hebben wettelijk verplicht een diagnostiek over hun woon-werkverkeer uit te voeren. Deze is o.a. onderworpen aan het advies van de sociale partners van de CRB en de NAR. De diagnostiek heeft een tweeledig doel. Enerzijds kunnen zo gegevens worden verzameld over het woon-werkverkeer in België en over het beleid van ondernemingen ten aanzien hiervan. Deze gegevens worden vervolgens doorgespeeld aan en gebruikt door tal van

113


Economische impact COVID-19

onderstaande tabel blijkt dat de mogelijkheid van telewerk of thuiswerk momenteel wordt aangeboden door 20 % van de Belgische vestigingseenheden, goed voor 37 % van de werknemers op wie de federale diagnostiek betrekking heeft. Dit percentage bedraagt 18 % van de vestigingseenheden (30 % van de werknemers) in Vlaanderen. Figuur 51: Telewerken op basis van de federale diagnostiek

De volledige impact van COVID-19 op de arbeidsmarkt valt nog te bezien, maar het is waarschijnlijk dat de tarieven voor telewerken in Europa, en als gevolg daarvan de relaties tussen werkgevers en werknemers, permanent zullen worden gewijzigd. En hoe langer de relatieve quarantaine aanhoudt, hoe meer organisaties hun telewerkplaatje volledig ingevuld krijgen, zowel technisch als organisatorisch en administratief. En gaandeweg zullen bedrijven pas ten volle beseffen dat het nieuwe werken - thuiswerken, maar ook flexibele werkplekken, virtueel vergaderen, met collega’s maar ook met partners en klanten - veel voordelen kan opleveren. Uit cijfers van de werkbaarheidsmonitor van StIA71 van voor de coronacrisis blijkt dat zes op de tien werknemers zegt na de werkuren e-mails van het werk te behandelen. De meeste daarvan, een kwart (26%) van het totaal, doen dat soms, 19% vaak en 14% altijd. Er was een lichte maar significante toename van het e-mailen na de werkuren tussen 2016 en 2019, van 31% ‘altijd’ of ‘vaak’ naar 33%. E-mailen na de werkuren vinden we veel vaker terug bij werknemers in het onderwijs, kaders of directieleden, en professionals. Die zijn ook vaker hoger geschoold en zitten in de leeftijdscategorie van dertigers en veertigers. Vrouwen hebben in de voorbije drie jaar een inhaalbeweging gemaakt en zijn nu vaker digitaal verbonden dan mannen. Het gaat om een vrij herkenbare groep op de arbeidsmarkt. Wie vaak of altijd e-mailt na de werkuren heeft een hogere kans op problematische werkstress dan wie dat niet of sporadisch doet, en de werk-privébalans is drie tot vier keer zo vaak problematisch. Het effect van digitale verbinding is duidelijk zichtbaar, maar wel minder groot dan dat van werkdruk, uitgedrukt als ‘hoge taakeisen’. De idee dat door connectiviteit werkstress en de werkprivébalans kunnen verlicht worden, worden door de cijfers niet bevestigd. Het gedwongen telewerken in tijden van corona zal wellicht meer druk op de werkprivébalans veroorzaken. Werknemers die frequent telewerken, blijken vaker een onevenwicht in de werk-privébalans te kennen. Wellicht wordt de wenselijke hoeveelheid telethuiswerk nu overschreden.

mobiliteitsactoren (overheden, consultants, universiteiten …). Anderzijds is het de bedoeling om de werkgevers aan te zetten tot het nemen van maatregelen die een meer duurzame mobiliteit mogelijk maken. 71

H. Delagrange (2020) Connectiviteit tijdens lockdown, SERV - Stichting Innovatie & Arbeid, mei 2020.

114


Economische impact COVID-19

Figuur 52: Problemen met werk-privébalans volgens bereikbaarheid en taakeisen

Figuur 53: Problemen met werkstress volgens bereikbaarheid en taakeisen

Het coronavirus verplicht inderdaad vele duizenden Belgen al enkele weken tot een nooit gezien werkexperiment in decennia: massaal en bijna-voltijds thuiswerken gedurende vele weken. De UGent72 heeft onderzoek gedaan naar de impact van de huidige coronacrisis op de loopbaan. De resultaten komen uit een online enquête die tussen 25 en 31 maart werd afgenomen. De universiteit verzamelde gegevens van 14.005 mensen, waar dan een representatieve groep van 3.821 werd uitgehaald (naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau) van Vlaamse werknemers jonger dan 65. Ook rond telewerken werden heel wat vragen in de enquête verwerkt. Hierna volgende enkele vaststellingen uit het onderzoek:

72

Baert, S., Lippens, L., Moens, E., Sterkens, P. en J. Weytjens (2020) Wat denken Vlaamse werknemers over de gevolgen van de coronacrisis voor hun carrière? Cijfers en reflecties, Vakgroep Economie, Universiteit Gent.

115


Economische impact COVID-19

Een kwart van de panelleden werkte voor de coronacrisis 10% tot 20% van de werkdagen via telewerk (wat bij een voltijdse baan neerkomt op een halve dag tot één dag per week telewerk). Regelmatiger telewerken komt helemaal niet veel voor: slechts 1 op 8 werkte voor de coronacrisis vaker via telewerk, met slechts 2% die voltijds werkten via telewerk. Tijdens de coronacrisis is het aantal voltijdse telewerkers - onder zij die nog aan de slag zijn gestegen naar 46%. Nog maar 35% van de huidige actieve werknemers zegt nooit via telewerk te werken tijdens de coronacrisis, wat voor de crisis op 62% lag. Voor de coronacrisis was ook digitaal vergaderen een marginaal gebeuren: 66% van de panelleden deed dit nooit. Tijdens deze crisis doen bijna de helft van de werknemers die nog aan de slag zijn al hun vergaderingen online. Slechts 35% van diegenen die nog aan de slag zijn, doen geen vergaderingen digitaal. Een overgrote meerderheid, 85%, denkt dat door de huidige coronacrisis ook in de toekomst veel meer aan telewerk en digitaal vergaderen (81%) zal worden gedaan in ons land. Nochtans deed de meerderheid van de bevraagden voor de crisis nooit aan telewerk. Aan telewerk worden positieve eigenschappen toegekend (efficiënter werken (meer dan 50% geeft dit aan) en lagere kans op burn-out (bijna 50%), bijvoorbeeld), maar ook een mogelijk negatief effect op promotiekansen (25% van de panelleden) wordt onderlijnd, net als verzwakkende banden met de collega’s (60%) en de werkgever (bijna 50%). Grofweg twee op de drie van de bevraagden linkt telewerken nu aan een hogere jobtevredenheid en een betere balans tussen werk en privé. Opvallend: meer dan een op de twee geeft aan efficiënter te werken tijdens telewerk en zich beter te kunnen concentreren. Anderzijds: wie kinderen in huis heeft, is minder tevreden met het verhoogde telewerk. Een op de drie wordt gestoord door huisgenoten. Meer dan een op de vijf ervaart ook meer conflicten met huisgenoten. Meer dan de helft van de respondenten denkt door deze crisis in de toekomst meer belang te zullen hechten aan de balans tussen werk en privé. Uit de resultaten kan afgeleid worden dat aan basisverloning in het algemeen niet zozeer meer belang zal worden gehecht omwille van de coronacrisis. Niet verwonderlijk, want wetenschappelijke literatuur toont aan dat loon een noodzakelijke doch geen dwingende voorwaarde is om gemotiveerd aan de slag te blijven. Daarentegen zien werknemers door de crisis voornamelijk het belang toenemen van het evenwicht tussen werk en privé, de omstandigheden waarin wordt gewerkt en de mate waarin de werkgever rekening houdt met de persoonlijke wensen van de werknemer. De plotse veranderingen, waaronder de abrupte invoer van thuiswerken voor zowat alle nietessentiële beroepen, spelen daarin vermoedelijk een substantiële rol. Dat net die contextuele factoren belangrijk worden geacht in deze moeilijke tijden is tekenend. Van werkgevers wordt verwacht dat ze hun oor te luisteren leggen bij hun werknemers en eventuele (praktische) problemen die deze crisissituatie met zich meebrengt detecteren, erkennen alsook oplossen. Sociale recognitie is m.a.w. een zeer belangrijke factor om werknemers gemotiveerd te houden, zeker in een dergelijke crisissituatie als de huidige. Verder blijkt uit een bevraging van SD Worx bij meer dan 1.000 Belgische kmo’s dat een derde van de Belgische kmo’s massaal inzet op telewerk. Half maart 2020, net na het uitvaardigen van de strenge coronamaatregelen, bedroeg het aandeel bedrijven met meer dan 50 werknemers die door de coronacrisis telewerk hadden ingevoerd zo’n 18 procent, volgens de HRdienstenspecialist Acerta. Dat aandeel is meer dan verdrievoudigd tot bijna 60%. Honderdduizenden Belgen werken van thuis uit. Volgens het onderzoek zullen bijna zes op de tien bedrijven bij de geleidelijke opstart meer aandacht hebben voor het fysieke en mentale welzijn van de werknemers. En een op de drie zal voortaan ook meer aandacht hebben voor

116


Economische impact COVID-19

vorming en ontwikkeling van zijn medewerkers. Thuiswerk zou na de coronaperiode een blijver kunnen worden in vele bedrijven. Volgens een online enquête van Acerta eind april 2020 bij 501 CEO’s of HR-verantwoordelijken uit bedrijven van allerlei grootte zou 45% van de bedrijven blijvend inzetten op thuiswerk. Ook in andere landen neemt telewerken (noodgedwongen) een hoge vlucht. Een recent onderzoek onder 2.000 deelnemers aan flexibele werkregelingen in China, het eerste land dat in reactie op de crisis zich volop in deze richting bewoog, gaf aan dat 63% voorstander was van werken op afstand, waarvan 55% meegaf dat hun werkgever hen de software, tools en middelen had verschaft om effectief te werken.73 Uit onderzoek blijkt tevens dat er langere werkdagen worden gemaakt bij telewerken. NordVPN74, een bedrijf dat beveiligde verbindingen verkoopt aan bedrijven waar werknemers zich op moeten aanmelden om in hun bedrijfsomgeving terecht te komen, onderzocht de activiteit op zijn servers in tien landen en kwam tot opmerkelijke vaststellingen. In de VS is het verschil het grootst. Daar duurt een werkdag gemiddeld drie uur langer. Voor het coronavirus werkten mensen daar acht uur, nu elf. In België is het verschil maar één uur, maar blijkbaar werkten Belgen volgens de data voor de quarantaine al negen uur per dag. Daar moet wel de kanttekening bijgemaakt worden dat de analyse gebeurde op basis van hoe lang iemand ingelogd was op het netwerk. Dat betekent natuurlijk niet dat de hele tijd effectief gewerkt werd. Maar het geeft wel een indicatie van hoe werkritmes veranderen als thuis wordt gewerkt. In het debat over een meer veralgemeende invoering van telewerken moet rekening gehouden worden met de voor- en nadelen, als daar zijn75: De arbeidstijd voor werknemers die telewerken en op ICT gebaseerd mobiel werk (TICTM) doen, is poreuzer, onregelmatiger en onvoorspelbaarder. TICTM-werkers rapporteren een betere werk-privébalans waardoor ze hun werktijd kunnen aanpassen aan hun persoonlijke en gezinsgerelateerde behoeften, meer autonomie, een hogere productiviteit en minder pendeltijden. Dit soort arbeidsregelingen kan echter ook leiden tot intensivering van het werk, zelfs wanneer werknemers een hoge mate van autonomie hebben - een situatie die bekend staat als de autonomieparadox. TICTM en andere werkomgevingen die worden gekenmerkt door een hoog ICT-gebruik, kunnen gezondheidsrisico's met zich meebrengen voor werknemers: stress, angst, hoofdpijn en vermoeide ogen zijn nadelen verbonden aan deze omgevingen. Virtueel presenteïsme (thuiswerken wanneer men ziek is, maar niet zo ziek dat het werken onmogelijk maakt) is een toenemend fenomeen in de gedigitaliseerde werkcontext en specifiek onder TICTM-werknemers. Hoewel het werknemers ten goede kan komen doordat ze taken kunnen uitvoeren terwijl ze ziek zijn, kan het ook hun gezondheid in gevaar brengen en de prestaties verminderen. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, beschikken niet alle werknemers met een TICTM-regeling over beter dan gemiddelde arbeidsvoorwaarden. Hoewel TICTM gewoonlijk wordt uitgevoerd op basis van een standaardovereenkomst, ervaart ongeveer een kwart van dergelijke werknemers precaire omstandigheden die worden gekenmerkt door tijdelijke

73

World Economic Forum, Workforce Principles for the COVID-19 Pandemic. Stakeholder Capitalism in a Time of Crisis, March 2020.

74

Business AM, We doen meer uren als we thuiswerken, 13 april 2020.

75

Eurofound (2020) Telework and ICT-based mobile work: Flexible working in the digital age.

117


Economische impact COVID-19

contracten, jobonzekerheid, lage lonen, beperkte toegang tot opleiding en beperkte carrièremogelijkheden. Op afstand werken lijkt de deelname aan opleidingen niet te beperken, hoewel vormen van informeel werkplekleren dan toch in het gedrang komen. Verder hebben werknemers met TICTM-regelingen over het algemeen betere carrièrevooruitzichten, mede door de langere werktijden die zij presteren, hun betrokkenheid, de ondersteuning vanwege managers en hun beroepsniveau. Vooral middelbaar geschoolde en hooggeschoolde werknemers ervaren dit als een carrièredividend. Daarnaast worden nog andere nevenwerkingen onder de aandacht gebracht76: Optreden van een soort vermoeidheid. De hoge productiviteit van een dag thuiswerk kan niet zomaar geëxtrapoleerd worden naar een volledige week in coronatijden. Overmatige controle. Leidinggevenden kunnen de neiging krijgen om hun heil te zoeken in roosters, lijstjes en tabellen om hun mensen aan te sturen. Telewerken moet steunen op vertrouwen, transparantie en resultaten, goede afspraken en communicatie. Afstand tot het werk. Afstandswerken creëert ook afstand tot het werk en hoe langer het wordt uitgevoerd, hoe groter die mentale afstand en hoe minder werknemers zich identificeren met het bedrijf. Vermindering van sociale contacten. Volgens psychologen kan thuiswerken aanvankelijk de creativiteit aanwakkeren, omdat mensen beter out-of-the-box denken in hun eentje. Maar te lang alleen werken is nefast voor innovatie. Bovendien is contact gewoon belangrijk voor de sociale wezens die mensen zijn. Recent onderzoek van Eurofound77 brengt aan het licht dat meer dan een derde (37%) van degenen die momenteel in de EU werken, begon te telewerken als gevolg van de pandemie meer dan 30% in de meeste lidstaten. De grootste aantallen werknemers die zijn overgestapt op thuiswerken, worden aangetroffen in de Scandinavische en de Benelux-landen (bijna 60% in Finland en meer dan 50% in Luxemburg, Nederland, België en Denemarken). In landen als Ierland, Zweden, Oostenrijk en Italië gaat het om 40% of meer werknemers.

76

De Tijd, Joepie, nog weken thuiswerk!, 30 maart 2020.

77

Eurofound (2020) Living, working and COVID-19 First findings – April 2020.

118


Economische impact COVID-19

Figuur 54: Aandeel werknemers dat begon te telewerken als gevolg van de coronacrisis (in %)

In landen waar meer mensen zijn beginnen thuis te werken als gevolg van de pandemie, meldden minder werknemers dat hun werktijd afnam.

119


Economische impact COVID-19

Figuur 55: De relatie tussen telewerken en de werktijd

Uit de enquêteresultaten blijkt dat 18% van alle werknemers rapporteert minstens om de dag in hun vrije tijd te werken; echter, meer dan een op de vier werknemers (27%) die thuis werken als gevolg van de pandemie, geven aan dat in hun vrije tijd te doen om aan de eisen van het werk te voldoen (tenminste om de dag). Al snel werd gezegd dat onder invloed van de inperkingsmaatregelen telewerken het nieuwe normaal zou worden voor de meeste werknemers. De onderzoekers van Eurofound wijzen er op dat voor een duurzame adoptie de gebruikelijke met ICT gerelateerde uitdagingen van ‘altijd en waar dan ook’ werken - met overuren tot gevolg - moeten worden aangepakt. Los van de manier van werken, meldt gemiddeld ongeveer 30% van de werknemers zich op vrije momenten zorgen te maken over werk – de hoogste score op de vijf dimensies ter beoordeling van de werk-privéleven conflicten in de e-survey van het Europees onderzoek naar de arbeidsomstandigheden (EWCS – the European Working Conditions Survey). De grootste bezorgdheid onderging dus een verandering ten aanzien van de EWCS-survey van 2015 toen ‘te moe zijn om het huishoudelijk werk te doen’ als de grootste bezorgdheid gold. Figuur 56: Werk-privé conflictdimensies naar geslacht, EU-27 (in %)

120


Economische impact COVID-19

Platformeconomie Zoals hierboven uiteengezet, werken veel werknemers door de verspreiding van het coronavirus voor het eerst thuis in digitaal ingeschakelde omgevingen die niet gebonden zijn aan een traditionele kantoorruimte. Voor hen betekent dit een drastische verandering in hun beroepsleven. Maar voor miljoenen werknemers over de hele wereld die 'gig'-werk doen, is online werken geen nieuw gegeven. Het is gewoon business as usual. Voor deze crowdworkers in de gig-economie is 'werk' geen ‘plaats’: het is een webgebaseerde taak of activiteit die kan worden gedaan vanaf elke locatie die internetconnectiviteit mogelijk maakt. Veel millennials (geboren 1980-1995) en Generation Z’ers (geboren na 1996) zijn vandaag de dag actief in het gig-economy-model, juist vanwege de flexibiliteit en vrijheid die digitaal werk op afstand kan bieden. Covid-19 zou de katalysator kunnen zijn die de evolutie van 'overal werken'-arrangementen naar een hoger groeiniveau tilt, op een manier die de mogelijkheden om samen te werken, te denken, te creëren en productief te verbinden aanzienlijk verbetert. De platformeconomie is momenteel een nog relatief jonge en kleine economie in termen van werkgelegenheid, maar de algemene verwachting is dat zij met rasse schreden vooruitgang zal maken78. De onderzoekers van CEPS79 schatten dat de platformen in 2016 ongeveer 12,8 miljoen actieve werkers hadden, hetgeen neerkomt op 5,9% van de totale tewerkstelling (15-64-jarigen). Dit cijfer ligt dicht bij het resultaat van de Eurobarometer80, waaruit bleek dat ongeveer van 5% van de EU-bevolking regelmatig diensten levert in de platformeconomie. Ongeveer 11% van de 16-74 jarigen heeft in 2018 minstens éénmaal diensten verleend via een platform tegenover 9,5% in 2017.81 Ongeveer de helft daarvan doet dit sporadisch (2,4%) of marginaal (3,1%) terwijl 4,1% via een platform diensten aanbiedt als bijberoep. Slechts 1,4% van de bevolking (16-74 jarigen) oefent arbeid via platformen uit in hoofdberoep. Een andere studie geeft aan dat platformwerk momenteel voor 2,3% van de volwassenen van 14 EU-lidstaten de belangrijkste bron van inkomen is.82 McKinsey Global Institute schat dat digitale talentplatformen die werkers matchen met aanbodopportuniteiten het wereld-bbp met meer dan 2% ($2.7 triljoen) kunnen doen stijgen tegen 2025, hetgeen een stijging van de wereldwijde werkgelegenheid met zich zou meebrengen van ongeveer 72 miljoen fulltime equivalenten83. De financieel-economische crisis deed tussen 2008 en 2013 de jeugd- en langdurige werkloosheid gevoelig toenemen in EU. Tegelijkertijd nam het aandeel van verschillende typen

78

Europees Parlement (2017) The social protection of workers in the Platform Economy, Directorate-General for Internal Policies, Policy Department A: Economic and Scientific Policy, IP/A/EMPL/2016-11

79

CEPS and IZA (2018) Online Talent Platforms, Labour Market Intermediaries and the Changing World of Work, Independent study prepared by CEPS and IZA for the World Employment Confederation-Europe and UNI Europa.

80

Europese Commissie (2016) Report: the use of collaborative platforms, Flash Eurobarometer 438. Collaboratieve platforms zijn in de Eurobarometer internet gebaseerde tools die transacties faciliteren tussen mensen die een dienst aanbieden enerzijds en gebruiken anderzijds.

81

Europese Commissie (2019) The changing nature of work and skills in the digital age.

82

Europese Commissie (2019) Report of the High Level Expert Group on The impact of the digital transformation on EU Labour Markets.

83

Manyika J., Lund, S., Robinson K., Valentino J. and R. Dobbs (2015) A labour market that works: connecting talent with opportunity in the digital age, McKinsey Global Institute.

121


Economische impact COVID-19

van ‘non-standard werk’84,85,86 in de beroepsbevolking toe, vooral in de vorm van deeltijdse en tijdelijke arbeid. Bovenstaand fenomeen van niet-standaardisering van de arbeid wordt versterkt door andere ontwikkelingen zoals de digitalisering, die onder meer nieuwe vormen van zelfstandige arbeid (‘self-employment ’) met zich meebrengen, zoals de ‘economisch afhankelijke ’ zelfstandige. De platformeconomie moet dan ook niet beschouwd worden als een afzonderlijke silo in het economisch weefsel. Er bestaan sterke linken tussen platformeconomie en de brede ongoing trends op de arbeidsmarkt inzake non-standard work (en self-employment). De platformeconomie brengt een tripartiete relatie tot stand tussen een platform, de dienstvrager en de dienstaanbieder waarbij het niet altijd duidelijk is in welke hoedanigheid elk van de deze drie partijen optreedt. De traditionele arbeidswetgeving wordt zo op diverse vlakken uitgedaagd, aangezien vele nieuwe arbeidsvormen87, in het bijzonder die op het vlak van ‘self-employment’, buiten de gevestigde arbeidsmarktstructuren liggen. Vele platformwerkers zijn aan de slag als zelfstandige maar bevinden zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van een werknemer in termen van economische afhankelijkheid en autonomie. Vandaar dat gesteld wordt dat de grenzen tussen zelfstandige en betaalde tewerkstelling aan het vervagen is en platformwerkers zich in een continuüm bevinden van onafhankelijke tot afhankelijke tewerkstelling, los van de traditionele tweeledige categorieën van het verleden. De crisisgedreven en structurele (digitalisering, globalisering en vergrijzing) arbeidsmarktontwikkelingen, maken dat loopbanen minder en minder lineair verlopen omdat mensen switchen tussen verschillende statuten van tewerkstelling en/of verloonde tewerkstelling combineren met zelfstandige arbeid. In deze context van een grotere diversiteit aan en hybridisatie van arbeidsmarktstatuten, worden de Europese sociale beschermingssystemen 84

Non-standard employment verwijst naar alle vormen van arbeid anders dan voltijdse, onbepaalde duur tewerkstelling in een ondergeschikte en bilaterale arbeidsverhouding: “Non-standard employment is defined as including the self-employed, employees with a temporary or fixed-term contract, and those working part time or fewer than 30 hours per week, as well as family workers (who tend to be ignored in the usual definitions but who are obviously in employment that deviates from the norm). Eurofound onderscheidt naast self-employed ook employee sharing, job sharing, casual work, interim management, ICT-based mobile work, portfolio work, voucher-based work, crowd employment en co-working. Zie ook European Social Policy Network (2017), European Commission, Access to social protection for people working on non-standard contracts and as selfemployed in Europe, A study of national policies, p. 7 (“Non-standard employment is defined as contracts wich fall outside of a ‘standard employment relationship’, i.e defined as full-time permanent contracts.”). Een Issue Note van de Internationale Arbeidsorganisatie geeft aan dat “The concept of Standard Employment Relationship (SER) refers to work performed in the framework of full-time, formal and open-ended (non-time bound) arrangements in a subordinatie employment relationship. The central feature of SER is its hierarchical organization. […] While there is no official definition of Non-Standard Forms of Employment (NSFE), it includes any work done outside a standard employment relationship, The ILO has focused on four types of NSFE: (a) temporary employment; (b) temporary agency work and other work involving multiple parties; (c) ambiguous employment relationships; and (d) part-time employment”, ILO, The Future of Work Centenary Initiative, A challenging future fort he employment relationship: Time for affirmation or alternatives, Issue Note Series N° 3, 3 november 2016

85

Berg, J. (2016) Non-standard employment: challenges and solutions, IUSLabor 3/2016.

86

Montebovi, S., Barrio, A. en P. Schoukens (2017) De sociale zekerheid en de niet-standaard arbeidsrelaties: ontwikkelingen in Europa en Nederland, in TRA 2017/82, aflevering 10.

87

Nieuwe vormen van werkgelegenheid worden gekenmerkt door onconventionele arbeidspatronen en -plaatsen of door onregelmatige beschikbaarheid van arbeid. Zij kunnen gebaseerd zijn op non-standaard contractuele arrangementen of op een ‘self-employment’ status. Eurofound heeft negen vormen van nieuwe werkgelegenheid geïdentificeerd sinds 2000: employee sharing, job sharing, interim management, casual work, ICT-based mobile work, voucher-based work, portfolio work; crowd employment en collaborative employment.

122


Economische impact COVID-19

geconfronteerd met toenemende uitdagingen, zowel wettelijk als in de feiten, op het vlak van sociale risico’s. De toegang tot sociale bescherming en gerelateerde arbeidsrechten voor personen in om het even welke vorm van tewerkstelling is in het kader van de nieuwe ontwikkelingen dan ook een belangrijk aandachtspunt88. Door de opkomst van de digitale economie zijn er groepen van werkenden die het risico lopen op onvoldoende sociale en arbeidsrechtelijke bescherming. Geschat wordt dat nu reeds tot ongeveer de helft van de mensen in om het even welke vorm van ‘non-standard work’ en ‘self-employment’89 het risico lopen van onvoldoende toegang tot sociale bescherming. Door de intensivering van de digitale omschakeling mag verwacht worden dat dit risico alleen maar zal toenemen. Volgens de Europese Commissie90 bedroeg in 2014 het aandeel van personen met de status ‘self employment’ ongeveer 14% van de beroepsbevolking en het aandeel van personen tewerkgesteld in vormen van ‘non-standard employment’ circa 28%, samen zo’n 42% van de beroepsbevolking. In België bedroeg dit gezamenlijk aandeel 44%, waarvan 13% in zelfstandige arbeid en 31% als non-standard werker.91 In 201692 waren 14% van de werkenden in de EU zelfstandigen (waarvan 10% zonder en 4% met werknemers), 8% voltijdse tijdelijke werknemers, 4% deeltijdse tijdelijke werknemers, 13% deeltijdse werknemers in vaste dienst en 60% werknemers met een voltijds contract voor onbepaalde tijd. In de OESO93 bedraagt het aandeel zelfstandige arbeid 16% van de totale werkgelegenheid en bedraagt het aandeel werknemers met een vorm van tijdelijk arbeidscontract 13%. Daar deze vormen van arbeid een toenemend aandeel uitmaken van de jobopportuniteiten, in het bijzonder voor de jongeren, is er een risico dat een groter deel van de beroepsbevolking achterblijft zonder de sociale zekerheid en werkgelegenheidssteun, die nodig zijn om levenslange loopbanen in snel veranderende arbeidsmarkten te kunnen managen94. In onderstaande figuur wordt het risico op armoede weergegeven afhankelijk van het tewerkstellingsstatuut95.

88

Zie onder meer CEPS (2017) Intereconomics, Vol. 52, No. 6, Forum: Regulating the platform economy: how to protect workers while promoting innovation.

89

Eurofound (2017) Exploring self-employment in the European Union, Publication Office of the European Union, Luxembourg.

90

European Commission (2016) Non-standard employment and access to social security benefits, Research note 8/2015.

91

Er zij op gewezen dat er een verscheidenheid aan classificaties van ‘self-employed’ en ‘non-standard work’ wordt gehanteerd door studies. In sommige gevallen/studies wordt ‘self-employed’ geclassificeerd als een vorm van ‘non-standard’ employment, in andere gevallen/studies wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds verloonde tewerkstelling, met inbegrip van standaard tewerkstelling (voltijdse permanente overeenkomsten) én non-standard tewerkstelling (deeltijds, tijdelijk, zero-hour, minijobs, enz.) en anderzijds ‘self-employment’. Daartussen bevinden zich nog mengvormen die bijvoorbeeld ‘economisch afhankelijke’ zelfstandigen indelen bij non-standard werk.

92

Europese Commissie (2018) Voorstel voor een aanbeveling van de Raad met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen, COM(2018) 132 final, 13 maart.

93

OECD (2018) The future of social protection: what works for non-standard workers?, Policy brief on the future of work.

94

Rapport van de European Social Policy Network (2017) European Commission, Access to social protection for people working on non-standard contracts and as self-employed in Europe, A study of national policies, toont aan dat non-standard werkers en zelfstandigen in de 35 onderzochte landen een relatief hoger armoederisico lopen dan de standaard werknemer.

95

Eurofound (2018) Living and working in Europe 2017, Publications Office of the European Union, Luxembourg.

123


Economische impact COVID-19

Figuur 57: aandeel werkenden met armoederisico naargelang tewerkstellingsstatuut (EU, 2014, in %) 40

38 36

35 30 25 20 15 10 5

2 0

0 werknemers zelfstandigen

totaal

Bron: Eurofound

Niet alles was dus al niet even rooskleurig. En Covid-19 zet het laagbetaalde contingent van gigwerkers, vaak gekoppeld aan digitale platforms - zoals ride-hailing (cf. Uber) en voedselbezorging - onder enorme druk.96 En vaak moeten gig-werknemers die geen of onvoldoende toegang hebben tot arbeidsverzekeringen of ziekteverlof aan de druk tegemoetkomen. In landen die hard worden getroffen door het Coronavirus, zoals Italië, gaan sommige koeriers die voor apps voor voedselbezorging werken, nog steeds aan het werk omdat ze het zich niet kunnen veroorloven dit niet te doen. Op die manier maakt de Covid-19-crisis vooral degenen die afhankelijk zijn van gig-werk als hun belangrijkste bron van inkomsten extreem kwetsbaar voor (dodelijke) gezondheidsrisico's. Het ondermijnt hun waardigheid en het vergroot de sociale en economische verschillen.

Naar een intensifiëring van de robotisering? Naarmate de COVID-19-pandemie escaleert, zijn de risico's die inherent zijn aan wereldwijde toeleveringsketens duidelijker dan ooit. In plaats van te wachten op een terugkeer naar de normale gang van zaken, met productieactiviteiten geconcentreerd in landen waar de arbeid goedkoop en overvloedig is, is de kans groot dat de coronacrisis de deur opent naar een herlocatie waarbij Europa opnieuw en intenser wordt geïndustrialiseerd. De evolutie naar een verdere robotisering behoort dan tot de mogelijkheden. Over de impact van digitalisering en robotisering op de arbeidsmarkt zijn veel studies geschreven. Door de doorzettende automatisering, digitalisering en robotisering zal een deel van het werk dat nu nog door mensen gedaan wordt, door machines overgenomen worden of niet meer nodig zijn omdat de vraag verandert. De toepassing van nieuwe technologieën leidt vaak tot een hogere productiviteit, en tot substitutie van arbeid door kapitaal (machines …). Tegelijkertijd worden

96

Mexi, M. (2020)The future of work in the post-Covid-19 digital era, Social Europe.

124


Economische impact COVID-19

producten goedkoper door de productiviteitsstijging, waardoor consumenten met hetzelfde inkomen meer en ook nieuwe producten of diensten kunnen kopen. Deze nieuwe behoeften creëren op hun beurt nieuwe jobs. Omdat het onduidelijk is welk effect sterker is, en dit effect bovendien van sector tot sector, beroep tot beroep en van periode tot periode kan verschillen, zijn ramingen over de gevolgen van ingrijpende technologische veranderingen zo lastig en lopen de uitkomsten uiteen. Uit de literatuur blijkt dat er grote verschillen verwacht worden tussen sectoren, beroepen en opleidingsniveaus. De toekomstige arbeidsmarkt zal dus anders zijn dan de huidige arbeidsmarkt, maar hoeveel anders en met welke snelheid de veranderingen zich voordoen is nog koffiedik kijken. Het netto-effect van digitalisering op de werkgelegenheid blijft dan ook voer voor debat. De coronacrisis geeft aan dit debat een nieuwe dimensie. De infiltratie van robots in het werkveld verloopt niet volgens een gestaag, geleidelijk tempo. In plaats daarvan gebeurt automatisering in vlagen, vooral in crisistijden ten gevolge van economische schokken, wanneer mensen relatief duurder worden omdat de inkomsten van bedrijven snel afnemen. Op zulke momenten worden minder geschoolde werknemers vervangen door technologie en hoger geschoolde werknemers, wat de arbeidsproductiviteit verhoogt naarmate de recessie afneemt. Verschillende economen hebben dit cyclische karakter van automatisering aangetoond. Het National Bureau of Ecconomic Research bevond dat tijdens de grote recessies in de afgelopen 30 jaar maar liefst 88% van het banenverlies plaatsvond in "routineuze", geautomatiseerde beroepen – hetgeen impliceert dat dergelijke banen zo goed als volledig instonden voor het volledige jobverlies tijdens de crisissen.97 Het WE Upjohn Institute keek naar bijna 100 miljoen online vacatures voor en na de financieel-economische crisis van 2008 en ontdekte dat bedrijven in zwaar getroffen metrogebieden steeds meer arbeiders die automatische "routinematige" taken uitvoerden, vervingen door een mix van technologie en geschoolde werknemers.98 Daarbij komt nog dat COVID-19 geleid heeft tot een instorting van de mondiale supply chains.99 Bedrijven begonnen begin jaren negentig met de verplaatsing van de productie naar lagelonenlanden, geholpen door de val van het IJzeren Gordijn, de wereldwijde integratie van China en de eventuele toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie, en de opkomst van de containerisatie. De periode tussen 1990 en de wereldwijde financiële crisis van 2008 wordt een tijdperk van hyperglobalisering genoemd, waarin mondiale waardeketens ongeveer 60% van de wereldhandel voor hun rekening namen. De wereldwijde financiële en economische crisis van 2008 markeerde het begin van het einde van dit tijdperk van hyperglobalisering. In 2011 stopten de wereldwijde waardeketens met uitbreiden. Sindsdien zijn ze niet meer gegroeid. Deze omkering werd veroorzaakt door onzekerheid. Van 2008 tot 2011 steeg de World Uncertainty Index (WUI) - samengesteld door Hites Ahir, Nicholas Bloom en Davide Furceri - met 200% . Ter vergelijking: tijdens de uitbraak van het ernstig acuut ademhalingssyndroom (SARS) in 2002-2003 steeg de WUI met 70%. Nadat het Verenigd Koninkrijk in 2016 had gestemd om de Europese Unie te verlaten, steeg het met 250%. Als de onzekerheid toeneemt, lijden wereldwijde waardeketens. Op basis van gegevens

97

Jaimovich, N. and E.S. Henry (2018) Job polarization and jobless recoveries, NBER Working paper series, Working Paper 18334, revised version.

98

Hershbein, B.J. and L. B. Kahn (2016) Do Recessions Accelerate Routine-Biased Technological Change? Evidence from Vacancy Postings, Upjohn Institute Working Papers, Upjohn Institute working paper 16-254.

99

Marin, D. (2020) How COVID-19 Is Transforming Manufacturing, Project Syndicate, 3 April.

125


Economische impact COVID-19

uit het verleden kan worden voorspeld dat een toename van de onzekerheid met 300% - zoals de COVID-19-pandemie waarschijnlijk lijkt te veroorzaken - de wereldwijde supply chain-activiteit met 35,4% zou verminderen. Bedrijven achten de kostenbesparing van offshoring niet langer het risico waard. In een tijd dat het adopteren van robots goedkoper is dan ooit, is de prikkel om de productie te herschikken nog sterker. De rekenkunde is daarbij eenvoudig. Een bedrijf in bijvoorbeeld Frankrijk zou een Franse werknemer veel meer moeten betalen dan bijvoorbeeld een Vietnamese of Bengaalse. Maar een in Frankrijk gevestigde robot zou helemaal geen loon eisen, laat staan een uitkering als ziektekostenverzekering of ziekteverlof. Investeren in robots is niet nieuw. Bedrijven uit de geavanceerde economie passen het sinds het midden van de jaren negentig toe, onder impuls van de auto-industrie, die goed is voor 50-60% van de robotvoorraad van een land. In Duitsland - een wereldleider in robotadoptie - werden in 2017 per 10.000 arbeiders 322 robots ingeschakeld in de productie. Alleen Zuid-Korea (710 robots per 10.000 arbeiders) en Singapore (658 per 10.000) hebben een hogere ratio. De VS hebben 200 robots per 10.000 arbeiders. Toen de crisis van 2008 toesloeg, hadden sommige landen, zoals Duitsland, al genoeg robots ‘aan het werk’ om het belang van de arbeidskosten bij de productie tot een minimum te beperken. Andere landen werden destijds geholpen door de scherpe daling van de rentetarieven na 2008 ten opzichte van de lonen om over te schakelen naar een intensere robotisering met een groter aandeel in de productie. Mogelijk zal thans hetzelfde gebeuren. Op basis van het monetaire beleid tot nu toe kan een rentedaling van 30% worden verwacht, aangezien centrale banken de schade van de COVID-19-pandemie proberen te compenseren. Gegevens uit het verleden geven aan dat dit een versnelling van 75,7% in robotadoptie kan opleveren. (Het zal evenwel niet leiden tot een ongebreidelde hausse in robotadoptie, omdat toenemende onzekerheid ook investeringen afschrikt). Deze trend zal zich concentreren in de sectoren die het meest zijn blootgesteld aan wereldwijde waardeketens. In Duitsland bijvoorbeeld gaat het om auto's en transportmiddelen, elektronica en textiel. Aangezien de angst voor recessies door virussen zal toenemen, zal de eruit voortvloeiende automatiseringsimpuls waarschijnlijk de meest "routinematige" beroepen beïnvloeden - banen in bijvoorbeeld sectoren als productie, foodservice en transport. Elke crisis zal waarschijnlijk een nieuwe periode van structurele verandering op de arbeidsmarkt en de vraag naar vaardigheden met zich meebrengen. Als de huidige recessie nog een tijdje aanhoudt, kan dit bedrijven in de horeca, detailhandel en administratief werk ertoe aanzetten hun activiteiten te herstructureren in de richting van meer gebruik van technologie en hoger opgeleide werknemers.

5.3

Impact op inkomens

5.3.1

Impact op bbp per capita

Wereld/Europa Uit de World Economic Outlook van het IMF blijkt dat het inkomen per hoofd van de bevolking naar verwachting zal dalen voor meer dan 170 landen. Zowel geavanceerde economieën als opkomende economieën zullen zich naar verwachting gedeeltelijk herstellen in 2021. In de ontwikkelde economieën zou het bbp per capita in 2020 met 6,6% dalen om in 2021 weer te stijgen met 4,1%. Wanneer we kijken naar de grootste economieën blijkt dat de daling van het bbp per capita in 2020 het sterkst zal zijn in de Eurozone: het reële inkomen per capita zal met

126


Economische impact COVID-19

7,7% dalen om in 2021 weer op te veren met 4,6%. Binnen de Eurozone is de daling zeer uitgesproken voor de lidstaten die het hardst werden getroffen door het coronavirus: Italië moet in 2020 een daling van 8,9% dulden, Spanje van 8,4%. De neergang van het bbp per capita is in de VS en Japan minder zwaar met een daling van 6,4% respectievelijk 4,8%. Tabel 43: Evolutie in het reële bbp per capita

In de opkomende economieën komt de slag van COVID-19 duidelijk minder hard aan. In 2020 wordt een daling van inkomen per capita verwacht met 2,4% om daarna een remonte in te zetten met 5,3%. Binnen deze groep ondervindt het Aziatische blok de kleinste inkomensterugslag. Integendeel, ook in 2020 wordt een lichte stijging verwacht met 0,2% en in 2021 van 7,6%. Tabel 44: Evolutie in het reële bbp per capita in opkomende markten en ontwikkelingslanden

Met veel mensen zonder werk of zonder inkomen wijst de enquête van Eurofound100 op de wijdverbreide economische onzekerheid bij de respondenten. Een groot deel van de respondenten (38%) zegt dat hun financiële situatie nu slechter is dan vóór de COVID-19-pandemie, toen de Europese Unie nog steeds een economische groei kende. Dit resultaat is bijna dubbel zo hoog dan die van EQLS (European Quality of Life Survey) van 2016, toen 21% van de Europeanen aangaf dat hun situatie verergerd was. Verder uiten veel mensen uiten hun bezorgdheid over de nabije toekomst, waarbij 38% van de respondenten aangeeft te vrezen dat hun financiële situatie binnen drie maanden nog zal verslechteren.

100

Eurofound (2020) Living, working and COVID-19 First findings – April 2020.

127


Economische impact COVID-19

Figuur 58: FinanciĂŤle situatie van de respondenten drie maanden geleden en binnen drie maanden (in %)

Ruim de helft van de respondenten (56%) geeft aan zonder inkomen hun levensstandaard niet langer dan drie maanden te kunnen handhaven: 27% heeft helemaal geen spaargeld en 29% heeft net genoeg om drie maanden te dekken. Zelfs in de rijkere lidstaten, geeft meer dan een derde van respondenten aan dat ze niet voldoende spaargeld hebben om zich zonder inkomen langer dan drie maanden te kunnen beredderen (bijvoorbeeld 35% in Luxemburg, 40% in Oostenrijk, 42% in Zweden, 43% in Denemarken en 46% in Nederland). In de landen die het zwaarst zijn getroffen door de pandemie, is er een sterke variatie wat betreft deze indicator. Terwijl in ItaliĂŤ het aandeel dat voor maximaal drie maanden zou kunnen rondkomen vergelijkbaar is met de hierboven genoemde landen (45%), liggen die aandelen veel hoger in Spanje (53%) en Frankrijk (59%). Hoewel oudere mensen over het algemeen meer gespaard hebben, meldt bijna de helft van de gepensioneerde respondenten in de steekproef dat ze zonder inkomen niet langer dan drie maanden kunnen rondkomen. De situatie is het meest prangend voor de werkloze respondenten: driekwart van deze groep zou het niet langer dan drie maanden redden, waarbij 45% aangeeft over geen spaargeld te beschikken.

128


Economische impact COVID-19

Figuur 59: Aandeel respondenten zonder spaargeld of die de huidige levensstandaard zonder inkomen niet langer dan drie maanden kunnen handhaven, naar arbeidsstatuut – EU27 (in %)

Van de respondenten die hun baan verloren tijdens de crisis, meldt 90% dat de financiële situatie van hun huishouden verslechterde: 44% heeft geen spaargeld en 35% heeft net genoeg gespaard om hun huidige levensstandaard gedurende drie maanden te behouden. Figuur 60: Aandeel respondenten in financiële onzekerheid, EU27 (in %)

De enquêteresultaten laten zien dat vanwege de economische gevolgen van de pandemiecrisis, meer huishoudens onder financiële druk staan dan vóór de crisis. Bijna de helft van alle respondenten (47%) geeft dat aan hun huishouden moeite heeft om de eindjes aan elkaar te knopen: één respondent op tien (10%) meldt grote moeilijkheden, 13% meldt moeilijkheden te hebben en ongeveer een op de vier (24%) meldt dat hun huishouden moeite heeft om rond te komen. De mate waarin huishoudens het moeilijk hebben, varieert sterk van land tot land. In de huidige enquête, is het aandeel dat grote moeilijkheden rapporteert het laagst in Denemarken (2%), Estland (4%), Nederland en Oostenrijk (beide 5%) en het hoogst in Griekenland (24%), Bulgarije (20%), Kroatië (18%) en Slowakije (17%). Ter vergelijking: in de 2016 EQLS, was het aandeel dat grote moeilijkheden rapporteerde minder dan 5% in 12 landen tegen slechts 2 geregistreerde landen in deze enquête. Een zeer groot deel (82%) van de werkloze respondenten meldt dat hun

129


Economische impact COVID-19

huishouden het moeilijk heeft om de eindjes aan elkaar knopen. Dit is het dubbele van dat van huishoudens die nog werken. Figuur 61: Moeilijkheden om rond te komen, naar arbeidsstatuut, EU27 (in %)

België Volgens berekeningen van prof. André Decoster bedroeg het bbp in 2019 in België €38.625 per inwoner, in 2020 zal dat nog 35.680 euro zijn. We zullen dus bijna €3000 per inwoner minder produceren. Eigenlijk zelfs €3.300, want zonder het coronavirus zou de economie dit jaar nog wel wat gegroeid zijn. In één jaar tijd zal onze welvaart terugvallen tot op het niveau van tien jaar geleden. Zo fel terug in de tijd gekatapulteerd worden, is een situatie die zich tot nu toe alleen maar tijdens de twee wereldoorlogen voordeed101. Figuur 62: Evolutie bbp per inwoner (in%)

101

https://www.knack.be/nieuws/belgie/in-een-jaar-zal-onze-welvaart-terugvallen-tot-op-het-niveau-van-tien-jaargeleden/article-opinion-1598179.html

130


Economische impact COVID-19

5.3.2

Impact op de inkomens

Simulatie NBB Sinds de start van de gezondheidscrisis hebben werkgevers in zeer grote mate beroep moeten doen op tijdelijke werkloosheid. Bij de RVA werden voor 1,3 miljoen werknemers een aanvraag voor tijdelijke werkloosheid ingediend. Dit systeem speelt een belangrijke rol in het verzachten van de effecten van deze crisis, zowel voor wat betreft de kosten van de werkgevers als voor het inkomen van de werknemers. De NBB102 maakte een uitgebreide berekening van het netto-inkomensverlies voor enkele typegevallen door de coronacrisis voor de tijdelijke werklozen. Daaruit blijkt dat de overheid voor de laagste inkomens volledig compenseert. Voor de hoogste inkomens is er wel een vrij substantieel verlies. De NBB maakte simulaties uitgaande van een bediende die voltijds werkt en twee maanden volledig tijdelijk werkloos wordt. Er werd rekening gehouden met twee gezinssituaties: een alleenstaande zonder kinderen ten laste en een getrouwde werknemer met twee kinderen ten laste. De coronawerklozen worden op twee manieren gecompenseerd. In een eerste stap keert de RVA twee maanden lang een vervangingsinkomen uit. De fiscus stort echter pas eind volgend jaar of begin 2022 een – voor de meeste belangplichtigen belangrijk – bedrag aan te veel ingehouden belastingen terug, als berekend wordt hoeveel belastingen werkelijk verschuldigd zijn. Daar zitten grote verschillen tussen. De twee stappen samen vermijden dat de laagste inkomens (veel) geld verliezen. In het beschouwde scenario wordt er, voor de berekening van de uitkering, rekening gehouden met het bijkomend supplement van de RVA van (bruto) € 5,63 per vergoede dag (of per dag werkloosheid) dat wordt voorzien bij tijdelijke werkloosheid – overmacht in het kader van de covid19 crisis. Onderstaande tabel geeft het resultaat weer van de simulaties van de vervangingsratio’s voor vier verschillende loonniveaus, rekening houdend met het netto inkomen dat maandelijks wordt gestort op de rekening van de betrokken werknemer. Dit concept wordt hier benoemd als ‘netto’ en wordt bekomen door van het bruto-inkomen de sociale bijdragen (indien van toepassing) en de bedrijfsvoorheffing (bepaald conform de betrokken regelgeving) af te trekken. De laagste lonen, benaderd door het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, ontvangen de minimale dagvergoeding (nl. €55,59) als uitkering onder de tijdelijke werkloosheid. Gecombineerd met het supplement van €5,63 per dag is in bruto termen hun loonverlies quasi nihil, de totale uitkering stemt overeen met 98% van bruto maandloon. Deze ratio daalt echter wel naar 75% voor een alleenstaande indien wordt gekeken naar de situatie in netto termen. De toepassing van het uniform percentage voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing, nl. 26,75 %, bij de tijdelijke werkloosheid resulteert in een, proportioneel gezien, veel grotere fiscale aftrek op de bruto-uitkering dan wat van toepassing is op het brutoloon. De normale berekening van de bedrijfsvoorheffing houdt immers rekening met het loonniveau, de gezinstoestand en voorziet voor de laagste lonen via de fiscale werkbonus een extra korting. Dit weegt nog wat zwaarder voor iemand die getrouwd is met twee kinderen ten laste.

102

NBB, Covid-19: simulatie inkomensverlies voor enkele typegevallen bij tijdelijke werkloosheid in geval van overmacht, 29 april 2020.

131


Economische impact COVID-19

Voor een loon dat overeenstemt met 67 % van het gemiddelde loon blijkt de verhouding tussen de netto uitkering en het nettoloon het hoogst. Enerzijds, geldt voor hen het geplafonneerd brutoloon ( €2 754,76 per maand) nog niet voor de berekening van de uitkering waardoor hun uitkering hier overeenstemt met 70 % van hun werkelijke brutoloon plus het RVA-supplement. Anderzijds, is het aandeel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op de bruto uitkering (ondanks de toepassing van het uniform percentage) lager dan dat van het totaal van de sociale bijdragen en bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is het op brutoloon waardoor de netto ratio iets hoger komt te liggen dan de bruto vervangingsratio. Voor het gemiddelde brutoloon is het geplafonneerd brutoloon van toepassing en wordt de uitkering onder de tijdelijke werkloosheid beperkt tot de maximale dagvergoeding van € 74,17 en het supplement van € 5,63 per dag. Ook hier is proportioneel gezien de impact van de (para-) fiscaliteit voor de berekening van het nettoloon hoger dan bij de bepaling van de netto-uitkering, waar enkel de uniforme bedrijfsvoorheffing op verschuldigd is, waardoor de netto vervangingsratio hoger is dan de bruto ratio. Dit typegeval heeft een vervangingsratio in netto termen van 65 %. Bij de hoge lonen (167 % van het gemiddelde brutoloon) zorgt het geplafonneerd brutoloon en dus de toepassing van de maximum dagvergoeding (met daar bovenop het supplement van € 5,63) bij de berekening van de uitkering ervoor dat zowel bruto als netto de uitkering substantieel lager is dan 70 % van het loon. In tegenstelling tot de laagste lonen, is het aandeel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing lager dan dat van de (para-)fiscaliteit op het loon waardoor de netto-uitkering in verhouding tot het nettoloon wat hoger uitvalt dan dezelfde ratio in bruto termen.

132


Economische impact COVID-19

Tabel 45: Overzicht resultaat simulatie typegevallen op maandbasis (in euro, tenzij anders vermeld)

De laagste lonen, benaderd door het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI), hebben indien ze gedurende één volledige maand tijdelijk werkloos worden – zoals hierboven aangehaald – in bruto termen dan wel de hoogste vervangingsratio maar deze daalt in netto termen substantieel omwille van de toepassing van de uniforme bedrijfsvoorheffing. Bij de berekening van de personenbelasting wordt dit effect recht gezet gezien er rekening wordt gehouden met het werkelijke niveau van de inkomsten. Bovendien komt dit typegeval in het beschouwde scenario in aanmerking voor de belastingvermindering voor vervangingsinkomens103. Dankzij deze vermindering wordt voor een alleenstaande het verlies van de fiscale werkbonus, die van toepassing is op lage lonen maar niet op de werkloosheidsuitkering, meer dan gecompenseerd. De combinatie van deze elementen leidt ertoe dat de betaalde bedrijfsvoorheffing hoger ligt dan de werkelijk verschuldigde personenbelasting en dat dit typegeval dus recht zou hebben op een terugbetaling bij het vestigen van de aanslag in 2021. Voor een getrouwde werknemer met twee kinderen ten laste wordt de 103

Vervangingsinkomens zoals de werkloosheidsuitkering als gevolg van tijdelijke werkloosheid geven aanleiding tot een specifieke fiscale behandeling. Zo mogen er geen forfaitaire beroepskosten worden berekend op het bruto belastbaar inkomen dat volgt uit vervangingsinkomens en wordt er een belastingvermindering toegekend voor het deel van het inkomen dat onder een vervangingsinkomen valt indien het gezamenlijk belastbaar inkomen niet hoger is dan €29.600 op jaarbasis. Bovendien betekent de toepassing van het uniforme percentage voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de uitkering tijdelijke werkloosheid dat er geen rekening wordt gehouden met de gezinstoestand noch het werkelijke inkomensniveau.

133


Economische impact COVID-19

verschuldigde personenbelasting zelfs negatief door de combinatie van de verhoogde belastingvrije som, de belastingvermindering voor het vervangingsinkomen en het belastingkrediet voor de werkbonus104. Het moet echter wel worden opgemerkt dat de impact van de belastingvermindering voor het vervangingsinkomen veel kleiner wordt dan bij een alleenstaande. Omwille van de kinderen ten laste stijgt de belastingvrije som waardoor de verschuldigde belasting waarop de vermindering berekend wordt veel kleiner is. Het bedrag van de belastingvermindering daalt in die mate dat het verlies van de fiscale werkbonus bij de uitkering voor twee maanden tijdelijke werkloosheid niet langer volledig wordt gecompenseerd. De netto vervangingsratio voor dit loonniveau bedraagt op jaarbasis, afgerond, 100% indien de werknemer omwille van de Covid-19 crisis twee maanden tijdelijke werkloos was in het jaar. Tabel 46: Verschuldigde personenbelasting versus betaalde bedrijfsvoorheffing 1 (in euro)

Het typegeval met een loonniveau dat overeenstemt met 67% van het gemiddeld loon heeft bij een tijdelijke werkloosheid van twee maanden ook nog recht op de belastingvermindering voor vervangingsinkomens. Hoewel het bedrag van deze vermindering105 in absolute termen wat kleiner is dan voor de allerlaagste lonen, is ze wel beduidend hoger dan de beperkte fiscale werkbonus waar dit loonniveau nog aanspraak op maakt en die wegvalt voor de maanden waar

104

Een belastingvermindering kan niet hoger worden dan de verschuldigde belasting, een belastingkrediet kan wel aanleiding geven tot een negatieve belasting.

105

Deze vermindering wordt onder meer berekend in functie van het aandeel van de tijdelijke werkloosheid in het netto belastbaar inkomen. Door rekening te houden met volledige maanden tijdelijke werkloosheid ĂŠn de verhoging van de uitkering tot 70 % van het brutoloon (bovendien verhoogd met het RVA-supplement) in het kader van covid-19 ligt deze ratio hoger dan bij een â&#x20AC;&#x2DC;normaleâ&#x20AC;&#x2122; tijdelijke werkloosheid (die slechts 65 % van het brutoloon bedraagt) of een tijdelijke werkloosheid die slechts enkele dagen in de maand omvat.

134


Economische impact COVID-19

het loon wordt vervangen door de uitkering. Ook hier speelt het effect, net zoals voor alle andere typegevallen, van de uniforme bedrijfsvoorheffing op de uitkering bij tijdelijke werkloosheid indien deze een volledige kalendermaand beslaat. In het beschouwde scenario zal dit typegeval ook recht hebben op een terugbetaling bij de bepaling van de definitieve aanslag van de personenbelasting in 2021. De combinatie van de lagere personenbelasting en de belastingvermindering ten opzichte van de situatie zonder tijdelijke werkloosheid zorgt ervoor dat de netto vervangingsratio op jaarbasis, bij twee maanden tijdelijke werkloosheid, voor dit typegeval ook 100% is. Het verlies op het bruto-inkomen door de tijdelijke werkloosheid wordt dus gecompenseerd op het netto inkomen via de berekening van de personenbelasting. Ook voor iemand met een gemiddeld brutoloon zal in het geval van twee volledige maanden tijdelijke werkloosheid de betaalde bedrijfsvoorheffing hoger zijn dan de werkelijke verschuldigde personenbelasting waardoor er een terugbetaling zal zijn bij de vestiging van de aanslag in 2021. Het verschil tussen de werkelijk verschuldigde personenbelasting en de betaalde bedrijfsvoorheffing is voor dit typegeval echter wel het kleinst. Ten opzichte van de twee lagere loonniveaus kan iemand met een gemiddeld brutoloon immers geen aanspraak meer maken op twee belangrijke fiscale aftrekken, namelijk de fiscale werkbonus op het loon en de belastingvermindering voor vervangingsinkomens. De terugbetaling van de personenbelasting vloeit hier voornamelijk voort uit de correctie voor de toepassing van het uniforme percentage van de bedrijfsvoorheffing bij de bepaling van de netto-uitkering. Dit effect is nog hoger voor iemand die getrouwd is en twee kinderen ten laste heeft. De netto vervangingsratio op jaarbasis bedraagt hier 96%, de impact van de beperking van de bruto uitkering tot het maximum wordt, in dit scenario, niet gecompenseerd via de berekening van de personenbelasting. Ook de hoogste lonen zullen in het beschouwde scenario omwille van de toepassing van het uniforme percentage voor de bedrijfsvoorheffing bij de berekening van de netto uitkering aanspraak maken op een terugbetaling bij de berekening van de werkelijk verschuldigde personenbelasting in 2021. Gegeven het grote verschil tussen hun brutoloon en de bruto uitkering, door het geplafonneerd brutoloon voor de berekening van de uitkering, is de impact van de daling van hun belastbaar inkomen dat belast wordt in de voor hen hoogste schaal (50%) voor dit loonniveau sterker dan bij de andere loonniveaus. Ook dit loonniveau kan geen aanspraak meer maken op de belastingvermindering voor vervangingsinkomens. Het verschil tussen de betaalde bedrijfsvoorheffing en de personenbelasting stijgt nog verder indien er rekening wordt gehouden met de kinderen ten laste. Op jaarbasis is de netto vervangingsratio voor dit loonniveau het laagst, ze houden netto ongeveer 92 % over van hun jaarinkomen bij twee maanden tijdelijke werkloosheid.

135


Economische impact COVID-19

Figuur 63: Netto inkomen voor een alleenstaande zonder kinderen ten laste (in euro)

Figuur 64: Netto inkomen voor een getrouwde werknemer met twee kinderen ten laste (in euro)

Kortom: na de verrekening van de belastingbrief lijden de laagste inkomens uiteindelijk geen verlies. Voor wie alleenstaand is en een gemiddeld brutoloon heeft, betekent twee maanden tijdelijke werkloosheid een verlies van €1.267 of een achteruitgang van het jaarinkomen met 4,4%. Voor een koppel met een gemiddeld inkomen is dat 4,2% (€1.268). Maar de hogere inkomens (€6.334) zien door twee maanden tijdelijke werkloosheid hun netto jaarinkomen dalen

136


Economische impact COVID-19

met 7,5 tot 7,7%. Voor de alleenstaande betere verdiener (en het koppel met twee kinderen) is dat telkens €3.191.

Groeivooruitzichten Instituut voor de Nationale Rekeningen en Federaal Planbureau (5 juni 2020) In de groeivooruitzichten van 5 juni 2020106 voorzien het Instituut voor de Nationale Rekeningen en het Federaal Planbureau dat, ondanks de omvang van de economische schok, het reëel beschikbaar inkomen van de particulieren relatief goed stand houdt in 2020 (-2,2%), vooraleer in 2021 te hernemen met 2,9%. De daling van de koopkracht in 2020 wordt beperkt door de overheidsmaatregelen om het verlies aan inkomen en aan werkgelegenheid te beperken (uitbreiding van het systeem van tijdelijke werkloosheid met een verhoogde uitkering voor werknemers; overbruggingsrecht en premies voor zelfstandigen). Bovendien is de afkoelende inflatie dit jaar lager dan de indexering van de lonen en van de sociale uitkeringen. Niettemin zou de particuliere consumptie in 2020 dalen met 8,9%, wat toe te schrijven is aan het sterk aangetaste consumentenvertrouwen (als gevolg van de toegenomen vrees voor werkloosheid) en aan het noodgedwongen schrappen van bepaalde uitgaven (door de tijdelijke sluiting van handelszaken) die nadien niet altijd ingehaald zullen worden. Naarmate het aanbod minder beperkt wordt, zou de particuliere consumptie terugkeren naar een normaler niveau, wat gepaard gaat met een groei in 2021 (+7,5%) die ruimschoots de toename van het reëel beschikbaar inkomen overtreft. De gezinsspaarquote zou dan ook terugvallen tot 15,1% in 2021, na een forse stijging tot 18,8% dit jaar, maar boven het niveau van 2019 (13 %) blijven. De investeringen in woongebouwen worden eveneens teruggeschroefd in 2020 (-14,6%) en maken dat verlies gedeeltelijk goed in 2021 (+12,9%).

Groeivooruitzichten NBB (8 juni 2020) In haar groeivooruitzichten van 8 juni 2020 geeft de NBB107 aan dat de gezinsconsumptie vanaf medio maart uiteraard in belangrijke mate werd verstoord door de inperkingsmaatregelen, waarbij fysieke niet-voedingswinkels maar bijvoorbeeld ook horecazaken lange tijd gesloten bleven. De beperkte consumptiemogelijkheden in die periode hebben overigens geleid tot een tijdelijke (geforceerde) toename van de spaarreserves. In de huidige prognoses wordt voor de gezinsconsumptie wel uitgegaan van een geleidelijk herstel: in eerste instantie zouden bepaalde aankopen van bijvoorbeeld duurzame goederen die eerder moesten worden uitgesteld, plaatsvinden zodra dat weer kan. Naast die inhaalvraag wordt de consumptie ook meer structureel ondersteund door het verloop van de koopkracht. Hoewel de gezinnen gemiddeld wel degelijk verlies lijden in vergelijking met het inkomensverloop waar vóór de crisis werd van uitgegaan, blijft hun koopkracht per hoofd van de bevolking dit jaar ongewijzigd ten opzichte van 2019 dankzij, onder meer, de werking van de automatische stabilisatoren, zoals het stelsel van tijdelijke werkloosheid, dat bovendien werd uitgebreid. De komende twee jaar zou de koopkracht per hoofd van de bevolking wel weer toenemen, met iets meer dan gemiddeld 1% per jaar.

106

https://www.plan.be/uploaded/documents/202006051210470.PC_budget_20200605.pdf

107

https://www.nbb.be/nl/artikels/de-belgische-economie-zal-zich-slechts-moeizaam-herstellen-van-decoronacrisis-en-het

137


Economische impact COVID-19

Tabel 47: Inkomens

Reëel

2018

2019

2020r

2021r

2022r

1,1

2,6

0,5

1,1

2,2

11,8

13,1

20,2

13,8

14,0

beschikbaar inkomen van de particulieren Spaarquote van de particulieren (in % van het beschikbaar inkomen)

6

Impact op faillissementsrisico

Wereldwijd De OESO108 wijst er op dat vooral kleine en middelgrote ondernemingen het risico lopen op een faillissement als gevolg van maatregelen tot langdurige sluiting omwille van het coronavirus (COVID-19). Kmo’s zijn goed voor 75% van alle banen in rechtstreeks getroffen sectoren. Een toenemend aantal landen is begonnen met het opleggen van inperkingsmaatregelen om de verspreiding van COVID-19-infecties in te tomen en hebben tegelijkertijd aanzienlijke financiële ondersteuningspakketten gelanceerd om de impact op bedrijven en mensen te verzachten. Veel van de bedrijven kmo's109, die bijzonder kwetsbaar zijn voor langdurige lockdown. Uit een enquête van 10 maart 2020 door bedrijfsfinancieringsplatform MarketFinance110, afgenomen voordat het VK inperkingsmaatregelen introduceerde, bleek dat twee derde van de kmo's in het VK al ernstige cashflowproblemen meldde en een derde beweerde dat ze waarschijnlijk binnen enkele weken zouden instorten zonder ondersteuning. Grotere kmo's en micro-ondernemingen nemen een aanzienlijk deel van de totale bedrijfseconomische activiteit voor hun rekening, ook in België. Onderstaande figuur geeft een idee van de omvang van de impact van langdurige lockdowns op de economische activiteiten en, bij uitbreiding, de werkgelegenheid. Micro-ondernemingen alleen al, waar de gevolgen van langdurige inperkingen het eerst worden gevoeld, vertegenwoordigen bijna 25% van alle zakelijke economische activiteiten in Italië.

108

OECD, Statistical Insights: Small, Medium and Vulnerable, 15 April 2020.

109

In overeenstemming met de gebruikelijke praktijk worden kmo's gedefinieerd als bedrijven met minder dan 250 werknemers en micro-ondernemingen als bedrijven met minder dan 10 werknemers. Grotere kmo's zijn die kmo's met 10 of meer werknemers.

110

https://www.p2pfinancenews.co.uk/2020/03/11/two-thirds-of-smes-face-coronavirus-cashflow-crisis/

138


Economische impact COVID-19

Figuur 65: het aandeel van de micro- en grotere ondernemingen in de toegevoegde waarde van de nietfinanciĂŤle bedrijfsactiviteiten (in %), 2017 of laatst beschikbare jaar

De economische sectoren die het meest rechtstreeks door lockdownmaatregelen worden getroffen, vertegenwoordigen gemiddeld 40% van de totale werkgelegenheid in alle OESOlanden. Het gaat om de transportindustrie, bouw, groot- en detailhandel, luchtvervoer, huisvesting en food services, onroerend goed, professionele diensten en andere persoonlijke diensten (bijv. kappers).

139


Economische impact COVID-19

Figuur 66: Tewerkstelling in sectoren die hard worden getroffen door COVID-19 (% van de totale werkgelegenheid in de economie, 2018 of laatst beschikbare jaar)

Onderstaande figuur laat zien dat in die hard getroffen sectoren kmo's het grootste deel van de werkgelegenheid vertegenwoordigen: gemiddeld 75% in de OESO-landen en bijna 90% in Griekenland en ItaliĂŤ. Micro-ondernemingen met minder dan 10 werknemers, die het grootste risico lopen op liquiditeitstekorten, vertegenwoordigen ongeveer 30% van de werkgelegenheid in deze sectoren en tot 60% in Griekenland en ItaliĂŤ.

140


Economische impact COVID-19

Figuur

67: Aandeel in de totale werkgelegenheid van de hardst ondernemingsdimensie (%, 2018 of laatst beschikbare jaar)

getroffen

sectoren,

naar

BelgiĂŤ/Vlaanderen In volle coronacrisis maken ondernemingen dankbaar gebruik van overheidsmaatregelen en compensatiepremies om het hoofd boven water te houden. Dat blijkt uit een rondvraag van onderzoeksbureau Ipsos in opdracht van Tijd Connect.111 Met de uiteenlopende maatregelen gaven de verschillende overheden het signaal dat ze ondernemers op de korte en middellange termijn door deze crisis willen loodsen. Zo hebben noodlijdende ondernemingen toch uitzicht op een doorstart zodra de donkerste wolken zijn overgewaaid. Van de verschillende federale maatregelen is de tijdelijke werkloosheid voor werknemers veruit de populairste maatregel. Zoâ&#x20AC;&#x2122;n 43% van de ondervraagde ondernemingen doet er een beroep op. Dat zijn dan overwegend grote ondernemingen, met meer dan 50 werknemers. Daarnaast doet 31% van de bedrijven een beroep op fiscale steun (of is dat toch van plan) en probeert 29% van de ondernemingen de betaling van de sociale bijdragen uit te stellen of daar een vrijstelling voor te verkrijgen. Op het Vlaamse niveau zijn de Vlaamse belastingmaatregelen, de coronahinderpremie en de coronacompensatiepremie veruit de populairste steunmaatregelen. Telkens heeft ongeveer een kwart van de bedrijven daar een beroep op gedaan of is het dat toch van plan. In het Brussels Gewest maken ondernemingen het vaakst gebruik van de opschorting van de betaling van de stadsbelasting (30%), de eenmalige premie van â&#x201A;Ź2.000 of 4.000 (21%) of de steun van het Brussels Garantiefonds (21%).

111

De Tijd, Ondernemers vinden de weg naar overheidshulp, 24 april 2020.

141


Economische impact COVID-19

De sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen verwerken op dit moment alle aanvragen voor een overbruggingsrecht en maken ook een raming op. Globaal genomen is budgettair een bedrag van €1,7 miljard voorzien voor de uitbetaling overbruggingsrecht van maart, april en mei 2020. Men schat dat 55% van de hoofdberoepers een aanvraag heeft ingediend/zal indienen. Het gaat dan om 411.193 zelfstandigen (waarvan een deel met en een deel zonder gezinslast). Het Koninklijk besluit van 27 april 2020 heeft deze maatregel uitgebreid naar zelfstandigen in bijberoep waarvan de wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen worden berekend op een jaarlijks belastbaar inkomen tussen de € 6.996,89 en € 13.993,77. Die aanvragen moeten nog bij de verzekeringsfondsen binnenkomen. Ook gepensioneerden die nog actief zijn als zelfstandige en waarvan de wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen worden berekend op een jaarlijks belastbaar inkomen boven de € 6.996,89 kunnen deze gedeeltelijke uitkering aanvragen. Deze doelgroep krijgt een gedeeltelijke uitkering van maximaal € 645,85 per maand (zonder gezinslast) of € 807,05 per maand (met gezinslast). De federale ministerraad heeft op 25 april 2020 beslist om dit crisisoverbruggingsrecht te verlengen voor de maand mei 2020. Kortom, de strijd tegen de Covid-19-pandemie heeft ongekende gezondheidsmaatregelen noodzakelijk gemaakt waarbij hele delen van onze economie werden stilgelegd en beperkende maatregelen voor de bevolking werden opgelegd. De normale werking van bijna alle bedrijfstakken wordt erdoor verstoord. In enkele weken tijd is tijdelijke werkloosheid aangevraagd voor meer dan 1,3 miljoen werknemers en hebben meer dan 400 000 zelfstandigen hun activiteit moeten stopzetten. Deze acute en ongeziene crisis confronteert zowel de ondernemingen als de gezinnen met onmiddellijke liquiditeitsproblemen. De heropstart van de bedrijven op 4 mei en de handel en distributie vanaf 11 mei zorgt er (gelukkig) voor dat tot 250.000 mensen opnieuw kunnen werken. Zoals elke maand publiceert Statbel112 de statistiek over de faillissementen, die gebaseerd is op de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen en het bedrijvenregister van Statbel, die aangevuld worden met de verklaringen van de handelsrechtbanken. Bij de interpretatie van de cijfers moet rekening worden gehouden met het feit dat er een zekere vertraging is tussen de stopzetting van de economische activiteit en de faillietverklaring door de handelsrechtbank. Als gevolg daarvan is een economische impact pas met enige vertraging zichtbaar in de cijfers. Bovendien werken veel ondernemingsrechtbanken en griffies door de Covid-19-crisis met een verminderde capaciteit en beperken ze hun activiteiten. Daarnaast werd er een koninklijk besluit gepubliceerd in het Staatsblad op 24/04/2020 dat resulteerde in de bevriezing van de faillissementsprocedure voor de rechtbanken. Het doel van dit besluit is om bedrijven die voor 18 maart 2020 in goede gezondheid verkeerden, te beschermen tegen de gevolgen van de Covid-19-crisis (Koninklijk besluit nr. 15 betreffende de tijdelijke opschorting ten voordele van ondernemingen van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen gedurende de Covid-19 crisis). Deze elementen hebben een grote impact op de cijfers die Statbel toch besloten heeft te publiceren. Zo werden er in april 2020 298 bedrijven failliet verklaard in België, tegenover 869 in maart. De faillissementen die in april werden geregistreerd, leidden tot 705 verloren banen: 423 voltijdse banen, 182 deeltijdse banen en 100 loontrekkende werkgevers. Dit zijn de sectoren met het grootste aantal faillissementen in april: 109 faillissementen in de transportsector, 65 in de handel, 52 in de bouwnijverheid en 49 in de horeca.

112

https://statbel.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/faillissementen

142


Economische impact COVID-19

Op gewestelijk niveau waren er 163 faillissementen in Vlaanderen, 83 in Wallonië en 52 in Brussel. Handelsinformatiekantoor Graydon waarschuwt voor de periode na de crisis. Vorig jaar werden er elke maand gemiddeld 1.000 bedrijven failliet verklaard. Ook 2020 was aan dat tempo begonnen, maar wegens de coronacrisis is de dienstverlening van rechtbanken ondertussen beperkt. Er wordt alleen nog uitspraak gedaan in dringende of lopende faillissementsdossiers. Denk bijvoorbeeld aan het faillissement van voetbalclub Sporting Lokeren in april. In totaal waren er in april nog 338 failissementsuitspraken in België. Van januari tot en met april waren dat er 3.296, tegen 4.004 in dezelfde periode vorig jaar. “De coronacrisis maakt dus een abrupt einde aan de hausse van faillissementen die zich vorig jaar al had ingezet”, aldus Graydon. Maar het handelsinformatiekantoor waarschuwt voor de periode na de coronacrisis. Zo blijkt dat een op de vier Vlaamse bedrijven extra financiering nodig heeft om de activiteiten te kunnen hervatten. ‘De problemen waar deze bedrijven nu voor staan, zien we nog niet terug in de faillissementscijfers. Simpelweg omdat de rechtbanken sinds de lockdown in maart hun dienstverlening hebben aangepast’, aldus Graydon. Het wijst er bovendien op dat het aantal faillissementen voor de uitbraak van het coronavirus aan het toenemen was. De bevindingen van ERMG op het vlak van liquiditeitsproblemen lijkt de vrees voor de toename aan faillissementen te bevestigen. Zo gaat 8 % van de zelfstandigen of bedrijfsleiders ervan uit dat een faillissement hetzij waarschijnlijk, hetzij zeer waarschijnlijk is. De bevraagde ondernemingen in de sector kunst, amusement en recreatie en in de horeca leggen de klemtoon op een groot en nog toenemend faillissementsrisico ten opzichte van de voorgaande weken. In deze beide sectoren acht respectievelijk 39 % (tegen gemiddeld 26 % tijdens de voorgaande weken) en 24 % (tegen gemiddeld 19 % tijdens de voorgaande weken) van de respondenten een faillissement waarschijnlijk of zeer waarschijnlijk. Aangezien 8% van de zelfstandigen aangeeft dat een faillissement waarschijnlijk of zeer waarschijnlijk is, kan het effect op dit niveau aanzienlijk zijn. Ter informatie: eind 2019 waren er 825.000 zelfstandigen in België. Dit impliceert dat 66.000 zelfstandigen hun job zouden verliezen. Bij Graydon zien ze nog een bijkomend probleem, nl. dat één op de vier bedrijven eigenlijk te weinig geld voor een deftige opstart en dat ondanks de enorme overheidssteun via tijdelijke werkloosheid, bankgaranties, hinderpremies en dergelijke, die wel degelijk erger hebben voorkomen. Twee cijfers spreken boekdelen: dankzij die maatregelen is het aantal bedrijven dat in de risicogroep zit geslonken van 553.000 naar 372.000, op een totaal van 1,34 miljoen bedrijven, kleine en grote. En het aantal mensen dat aan de slag was in een risicobedrijf is dankzij de maatregelen gezakt van 1,7 miljoen naar 999.000, aldus nog Graydon.

7

Impact op ondernemersvertrouwen

7.1

Eurozone: IHS Markit Purchasing Managers Indexindicator

De coronacrisis doet de Europese economie in april meer krimpen dan ooit, blijkt uit een peiling bij 5.000 bedrijven.113 Ook de werkgelegenheid daalt fors.

113

De Tijd, Europese economie krijgt ongeziene klap, 23 april 2020.

143


Economische impact COVID-19

De neergang van de economie in de eurozone is groter dan wat de meeste economen voor mogelijk hadden gehouden, aldus onderzoeksbureau IHS Markit114 dat de enquĂŞte uitvoerde. De peiling van april wijst op een krimp van de economie met 7,5% op kwartaalbasis. Figuur 68: Op PMI gebaseerde bbp-vooruitzichten Eurozone

De indicator van de aankoopdirecteurs (PMI) in de eurozone, een graadmeter van de economische activiteit en het ondernemersvertrouwen, zakt naar het laagste peil sinds zijn lancering in 1998. Hij kelderde van 29,7 punten in maart 2020 naar 13,5 punten in april. Een score onder 50 punten wijst op een daling van de economische activiteit in de privĂŠsector, en omgekeerd. In maart werd de bevraging gehouden nog voor grote delen van Europa in lockdown gingen. De daling van de indicator is groter dan verwacht. Vooral in de dienstensector is de terugval scherp. Die indicator viel terug naar 11,8 punten. De dienstensector kreeg zwaardere klappen dan de industrie omdat sectoren als evenementen, horeca en toerisme het meest worden getroffen door de quarantainemaatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus. De krimp van de economie is in Duitsland wat minder groot dan in Frankrijk en Zuid-Europa. Dat is onder meer te danken aan het relatief groter gewicht van de industrie bij onze oosterburen. Niet alleen de daling van de economische activiteit maar ook de vermindering van het aantal jobs is groter dan ooit. Het verlies van jobs weerspiegelt onder meer de toename van de tijdelijke werkloosheid. Maar ook als geen rekening wordt gehouden met tijdelijke werkloosheid is de daling van het aantal jobs een van de grootste sinds de lancering van de indicator.

114

https://ihsmarkit.com/research-analysis/eurozone-pmi-at-all-time-low-as-economy-locks-down-to-fight-covid19.html

144


Economische impact COVID-19

Hoewel de zichtbaarheid op hoe diep deze crisis is en hoe snel we ze te boven kunnen komen laag blijft, geeft het PMI-cijfer wel wat extra aanwijzingen. Bedrijven geven in de peiling aan dat ze in recordtempo mensen ontslaan in april. Het mag duidelijk zijn dat tijdelijke werkloosheid niet volstaat om de schok op de arbeidsmarkt op te vangen. Volgens de enquêteurs stevenen we af op een substantieel hogere werkloosheid. Ook de prijzen voor goederen en diensten dalen in recordtempo, leert de peiling. Bedrijven bieden massaal kortingen aan om de teruglopende verkopen te compenseren. Het lijdt geen twijfel dat deze crisis deflatie triggert op de korte termijn, iets wat duidelijk te zien was aan de olieprijzen in de week van 20 april. Nu lockdownregels versoepelen en bedrijven stapsgewijs hun activiteiten hervatten, verwachten economen in mei een minder zwart cijfer. Maar een scherpe opvering van de economische activiteit hoeft niemand te verwachten. Daarvoor verloopt de geplande herstart van de economie veel te traag en geleidelijk. Het tweede kwartaal stevent af op de grootste neergang in de recente geschiedenis, want grote delen van de economie blijven in lockdown.

7.2

België

NBB Uit de maandelijkse conjunctuurenquête bij de ondernemingen (mei 2020)115 blijkt dat de stijging van de conjunctuurbarometer in mei erg bleek is in vergelijking met de duizelingwekkende daling in april. Het niveau ervan blijft dus extreem laag. Hoewel er een duidelijke verbetering is in de dienstverlening aan de bedrijven, waar de indicator in april het diepst was gedaald, is het ondernemersvertrouwen in andere bedrijfstakken nog steeds aan het afnemen of aan het stabiliseren. De bedrijfsleiders schatten de huidige situatie nog zorgwekkender in dan de voorbije maand, maar hun vooruitzichten voor de komende drie maanden verbeteren licht. De opleving in de diensten aan ondernemingen doet zich in alle activiteiten voor. Ze werd aangedreven door een zeer sterke toename van zowel de vooruitzichten voor de eigen activiteit van de ondernemingen als van de algemene marktvraag. De beoordeling van het huidige activiteitsniveau is daarentegen nog verslechterd. In de handel is het ondernemersvertrouwen nagenoeg gestabiliseerd. Ondanks gunstiger vraagverwachtingen, denken de handelaars dat ze hun bestellingen bij de leveranciers de volgende drie maanden nog zullen terugschroeven. De werkgelegenheidsvooruitzichten blijven onveranderd. In de bouw is de geringe daling voornamelijk toe te schrijven aan een negatievere beoordeling van de orderpositie. In de verwerkende industrie tot slot, daalt de indicator verder onder invloed van ongunstige beoordelingen van de huidige orderpositie en het voorraadpeil. De werkgelegenheidsvooruitzichten en, in zeer lichte mate, de vraagvooruitzichten daarentegen werden opwaarts bijgesteld. De algemene synthetische afgevlakte curve, die de onderliggende conjunctuurtendens weergeeft, daalt sterk.

115

https://www.nbb.be/doc/dq/n/dq3/histo/pnc2005.pdf

145


Economische impact COVID-19

Tabel 48: Conjunctuurindicatoren

Figuur 69: Algemeen synthetische curve

146


Economische impact COVID-19

Tabel 49: Synthetische curven en onderliggende componenten

147


Economische impact COVID-19

Tabel 50: Overige indicatoren van het conjunctuuronderzoek

7.3

Vlaanderen

Coronabarometer (Departement WSE) Het ondernemersvertrouwen daalde in april 2020 naar het laagste niveau ooit en veerde lichtjes op in de maan mei. Alle sectoren vertoonden in april een duizelingwekkende daling, voor de verschillende elementen die gemeten worden. Het ondernemersvertrouwen stabiliseerde in mei, op een historisch laag niveau. Enkel in de dienstverlening aan bedrijven lag het vertrouwen in mei een stuk hoger dan in april. In de meeste sectoren waren ook de tewerkstellingsvooruitzichten minder negatief dan in april. Tabel 51: ondernemersvertrouwen in Vlaanderen

Januari 2020 -3,2

Februari 2020 -1,8

Maart 2020 -9,8

April 2020 -36,9

Mei 2020 -34,2

148


Economische impact COVID-19

KMO-barometer (UNIZO) De KMO-Barometer van UNIZO116, een conjunctuurpeiling specifiek bij Vlaamse zelfstandigen en kmo's via CheckMarket, toont voor het afgelopen kwartaal het meest sombere resultaat sinds het begin van de metingen in 1987. Het aandeel ontevreden gestemde ondernemers ligt maar liefst 37,72 procentpunten hoger dan het aandeel tevreden ondernemers. Een vrije val ten aanzien van het vierde kwartaal van 2019, toen het aandeel gelukkige zelfstandigen en kmo's toch nog 3,35 procentpunt hoger lag dan het aandeel ongelukkige. Figuur 70: KMO-barometer, 1ste kwartaal 2020

Deze fors negatieve tendens komt tot uiting bij alle indicatoren (tevredenheid over het bedrijf, tevredenheid over de economie, het werkvolume in de toekomst, het werkvolume ten opzichte van vorig kwartaal, de rendabiliteit in de toekomst, de rendabiliteit ten opzichte van vorig kwartaal, het personeel in de toekomst, het personeel ten opzichte van vorig kwartaal en problematische betalingen). Met als uitschieters de rendabiliteit ten opzichte van vorig kwartaal (- 64,63 procentpunten), de tevredenheid over de economie (-61,67 procentpunten) en het werkvolume ten opzichte van vorig kwartaal (-58,72 procentpunten). Relatief gezien iets minder slechte (maar nog altijd uiterst negatieve) scores zij er bij de indicatoren personeel in de toekomst (-16,60 procentpunten) en personeel ten opzichte van vorig kwartaal (-58,72 procentpunten).

116

https://www.unizo.be/nieuws-pers/kmo-barometer-unizo-noteert-slechtste-tevredenheidsscore-sinds-eerstemetingen-1987

149


Economische impact COVID-19

Figuur 71: KMO-barometer, 1ste kwartaal 2020

Wordt specifiek gefocust op de deelsectoren kleinhandel en industrie, dan is de gemiddelde score over alle indicatoren, nog aanzienlijk slechter dan de -37,72 procentpunten voor de ganse populatie: respectievelijk -45,13 en -44,14 procentpunten. De dienstensector doet het eveneens bijzonder slecht, met -38,15 procentpunten. Bij de bouw is dat - 31,90 en de vrije beroepen -26,55 procentpunten.

Bouwbarometer (Bouwunie) Het ondernemersvertrouwen in de bouwsector117 is in vrije val, zo blijkt uit de meest recente bouwbarometer van Bouwunie. Die dondert naar beneden en behaalt een erg lage score van 94,8, een ongeziene duik. De coronacrisis laat zich onmiddellijk en hard voelen. Alle parameters waaronder het werkvolume, de tewerkstelling, de rendabiliteit, de tevredenheid en de toekomstverwachtingen voor de eerstvolgende weken gaan in het rood. De bouwbarometer zakt van 100,3 naar 94,8, dat is een daling met 5,5 indexpunten. De forse daling doet zich voor bij alle indicatoren. Uitschieters zijn er voor de rendabiliteit ten opzichte van vorig kwartaal (-11,5 indexpunten) ĂŠn die voor de eerstvolgende weken (-6,9 indexpunten), het huidige werkvolume (-9,9 indexpunten) ĂŠn ook dat voor de eerstvolgende weken (-8,2 indexpunten). Ook de tevredenheid met het eigen bedrijf gaat fors achteruit. Dat is een parameter die anders altijd ruim boven de evenwichtsgrens zit, maar er nu ook onder belandt (-6,9 indexpunten).Tenslotte gaat ook de tevredenheid met de economie in het algemeen ver achteruit (-6,4 indexpunten). Deze forse daling komt extra hard aan gezien de voorbije kwartalen zeer goed waren voor de bouwsector. Uit een eerdere bevraging van de beroepsvereniging blijkt dat slechts twee op drie bouwbedrijven nog deels of volledig actief is.

117

https://www.bouwunie.be/nl/news/Ondernemersvertrouwen-in-de-bouw-neemt-duik

150


Economische impact COVID-19

Figuur 72: Evolutie bouwbarometer (Vlaamse bouwkmo’s, evolutie 2008-2019)

8

Impact op het consumentenvertrouwen

Wereld Terwijl overheden, bedrijven, financiële instellingen en (zorg)organisaties binnen hun respectieve vermogens de strijd aangaan om de impact van COVID-19 in te dammen en de groeiende humanitaire tol te beperken, beginnen de economische effecten ook voelbaar te worden bij de consument. Consumentengedrag is mede als gevolg van overheidsmaatregelen sinds begin maart in een recordtempo verschoven. Vrijwel het gehele sociale leven vindt nu binnenshuis plaats, evenals een flink deel van het werkzame bestaan voor beroepen bij wie dit mogelijk is. Nu al is er niet alleen sprake van een verschuiving van consumentengedrag, maar hebben veel sectoren te maken met een dramatische omzet- en afzetdaling. Behalve de bekende voorbeelden van luchtvaartmaatschappijen en de horeca, geldt dit op content- en mediagebied onder meer voor bioscopen, cultuurinstellingen en boekenzaken. Er wordt misschien wel meer gelezen en films of video's gekeken, maar daar profiteren vooral online winkels zoals bol.com en V(ideo)O(n)D(emand)-diensten. McKinsey & Company118 monitort het consumentensentiment om na te gaan hoe de verwachtingen, inkomens, uitgaven en gedragingen van mensen gedurende de crisis in meerdere landen in de loop van de tijd veranderen. Onderstaand geeft de resultaten weer van een bevraging tussen 5 april en 3 mei 2020.119 Terwijl de COVID-19-crisis aanhoudt, houdt het optimisme wereldwijd grotendeels stand, met enkele kleine schommelingen naarmate de weken vorderen. Consumenten verwachten in toenemende mate een langdurig effect op hun gedrag en financiën, en de meesten melden een daling van het inkomen over de afgelopen twee weken.

118

McKinsey & Company, Special collection: Global surveys of consumer sentiment during the coronavirus crisis, April 2020.

119

McKinsey & Company, Consumer sentiment evolves as the next “normal” approaches, 21 May 2020.

151


Economische impact COVID-19

De totale bestedingsintentie is gedaald in tweederde van de onderzochte landen, maar meer productcategorieën vertonen positieve trends. De uitgaven voor basisbenodigdheden en thuisentertainment zijn in de crisisperiode altijd al hoog zijn geweest, maar geleidelijk aan nemen ook de uitgaven voor andere categorieën, zoals het afhalen en bezorgen van eten, snacks, persoonlijke verzorging, huidverzorging, non-food babyproducten, fitness en wellness, en benzine een hogere vlucht in regio's die uit de crisis komen. Consumenten blijven veel tijd besteden aan thuisactiviteiten. Om de inperkingen te omzeilen, hebben consumenten gekozen voor digitale en low-touch oplossingen zoals videoconferenties, online boodschappen en telegeneeskunde. Vooruitkijkend naar het volgende 'normale', wil ongeveer 40 tot 60% van de ondervraagde consumenten die overgeschakeld zijn naar deze nieuwe producten en diensten, hiermee ook doorgaan na de crisis. Het optimisme is over de hele wereld min of meer stabiel naarmate de regio's zich weer openen. Europese consumenten waren aan het begin van de crisis het minst optimistisch over de vooruitzichten van het economisch herstel van hun land, in overeenstemming met het lagere consumentenvertrouwen dat al overheerste vóór COVID-19. Het optimisme is de afgelopen weken laag gebleven. Zelfs het optimisme van Duitsland - hoewel nog steeds hoger dan dat van zijn Europese buren - is sinds eind maart licht gedaald. Het optimisme in andere Europese landen, waaronder Spanje en Italië, steeg licht in de laatste enquête. Het optimisme in Aziatische landen is stabiel gebleven, waarbij China en India steeds optimistischer bleven dan de rest van de wereld en het Koreaanse en Japanse optimisme op een laag niveau bleef. Hoewel de Amerikaanse consumenten medio maart optimistischer waren, is het optimisme blijven dalen en ligt het nu 6 procentpunten onder het niveau van half april, ondanks de heropening van sommige delen van het land.

152


Economische impact COVID-19

Figuur 73: Optimisme over het economisch herstel na COVID-19, in % van respondenten

Consumenten verwachten een langduriger effect op hun routines en financiën naarmate de COVID-19-crisis aanhoudt. Meer dan 90% van de consumenten in alle onderzochte landen verwacht dat COVID-19 meer dan twee maanden impact zal hebben op hun persoonlijke gewoontes. In zwaar getroffen Europese landen en Japan gelooft meer dan 70% van de consumenten dat de impact vier maanden of langer zal aanhouden. In Brazilië, India en China daarentegen is er een iets lagere verwachting voor een grotere impact op persoonlijke gewoontes, hoewel deze verwachtingen sinds half april zijn gegroeid. Sommige consumenten verwachten dat hun financiën sneller zullen herstellen, met name in Duitsland, waar ongeveer 45% verwacht dat het financiële herstel minder dan twee maanden zal duren.

153


Economische impact COVID-19

Figuur 74: Consumenten verwachten een langdurige impact van COVID-19

De omvang van het inkomensverlies tussen landen varieert aanzienlijk. Het inkomen van consumenten is stabieler in Japan en Duitsland: ongeveer 30% ervaart er een daling van het inkomen. Ernstiger is de situatie in BraziliĂŤ, Zuid-Afrika en India, waar ongeveer 70% aangeeft een daling te ondervinden. Zelfs in China, waar consumenten weer aan het werk zijn, heeft 57% van de consumenten de afgelopen twee weken een verminderd inkomen ervaren.

154


Economische impact COVID-19

Figuur 75: Consumenten die een verlies dan wel een toename in het inkomen ondervinden in de voorbije 2 weken (% van de respondenten)

Landen met een groter optimisme hebben doorgaans ook hogere uitgavenverwachtingen. Verschillende landen die een groter optimisme etaleren, waaronder IndonesiĂŤ, Nigeria, China en Saoedi-ArabiĂŤ, laten een netto stijging zien van de verwachte toekomstige uitgaven. Veel andere landen, waaronder een aantal in Zuid- en Midden-Amerika en Europa, vertonen een iets lager optimismeniveau, maar hebben nog steeds meer consumenten die verwachten hun uitgaven te verhogen. De meeste overige landen worden geconfronteerd met een laag optimisme en de consumenten verwachten er de uitgaven te verminderen. Canada en Mexico combineren beiden een relatief laag optimisme met een substantieel negatieve netto-bestedingsintentie. De Verenigde Arabische Emiraten, India en Peru zijn relatief optimistischer, maar hebben nog steeds iets meer consumenten die van plan zijn de uitgaven te verlagen dan wel te verhogen.

155


Economische impact COVID-19

Figuur 76: Verwachte uitgaven door de huishoudens voor de volgende 2 weken – optimisme en verwachte uitgaven zijn wereldwijd sterk gecorreleerd

De intentie om meer uit te geven aan essentiële zaken zet zich in alle landen door, terwijl de uitgaven in bepaalde categorieën beginnen toe te nemen naarmate landen de inperkingsmaatregelen opheffen. In alle landen blijft de intentie om meer uit te geven aan boodschappen en home entertainment hoog. Tegelijkertijd zijn consumenten in verschillende landen van plan meer uit te geven aan huishoudelijke artikelen en artikelen voor persoonlijke verzorging. Consumenten in een paar landen zijn ook van plan meer uit te geven aan categorieën zoals snacks, afhalen en bezorgen van eten en non-foodproducten voor kinderen. In China kunnen uitgavenstijgingen voor nog meer andere productcategorieën, waaronder benzine, verwacht worden, naarmate meer consumenten terug aan het werk zijn.

156


Economische impact COVID-19

Figuur 77: Verwachte uitgaven voor de komende twee weken per productcategorie vergeleken met de normale situatie

Aziatische en Amerikaanse consumenten zijn van plan in de nabije toekomst hun online aankopen in de meeste categorieën uit te breiden. De Verenigde Staten, Brazilië, India, Japan, Korea en China hebben allemaal een positieve intentie om de frequentie van online winkelen in verschillende categorieën in de komende twee weken te verhogen, waaronder boodschappen, afhalen en bezorgen van voedsel, huishoudelijke artikelen, persoonlijke verzorging, non-food

157


Economische impact COVID-19

kinderproducten en boeken/tijdschriften/kranten. Nu de meeste landen nog met één of andere vorm van inperkingsmaatregelen zitten, verwachten consumenten meer online te winkelen voor entertainment. In China daarentegen verwachten Chinese burgers minder uit te geven aan die categorie, naarmate de inperkingsmaatregelen versoepeld of opgeheven worden. De intentie om online te shoppen voor boodschappen is met name hoog in India, Korea en China, vooral gezien de gunstigere openingsvoorwaarden in Korea en China. Figuur 78: Consumenten in de VS en de APAC consumeren meer online in essentiële categorieën

Consumenten in landen waar nog steeds inperkingsmaatregelen gelden, besteden meer tijd aan entertainment met digitale of videocontent, nieuws en sociale media. Zij zijn ook van plan meer tijd aan huishoudelijke activiteiten te besteden, zoals koken en huisrenovatie. Een opvallende uitzondering is China: consumenten besteden er steeds meer tijd aan werk, meditatie, leren en bewegen en minder aan media en entertainment.

158


Economische impact COVID-19

Figuur 79: Wereldwijd verplaatsen consumenten in ‘blijf in uw kot’-landen hun tijdsbesteding naar entertainment

Consumenten hebben nieuwe manieren gevonden om te leren, werken, zichzelf te vermaken, essentiële en niet-essentiële dingen te kopen, contact te maken met anderen en het welzijn thuis te verbeteren. Het gebruik van online streaming en persoonlijke videochats is in de meeste landen snel toegenomen. Online fitness, inclusief het gebruik van wellness-apps, is in bijna alle landen gegroeid, en trekt nieuwe gebruikers aan in Brazilië, Spanje en Italië. Consumenten hebben ook het gebruik van low-touch (contactloos)-opties voor het kopen van voedsel en goederen uitgebreid. De afhaalmogelijkheden bij zowel restaurants als winkels blijft nieuwe gebruikers aantrekken in de Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Europa en Korea. Online kopen met afhaalpunten in de winkel is toegenomen in Zuid-Afrika en Europa. Consumenten hebben wereldwijd enkele persoonlijke gebruiken in hun job en gezondheidszorg vervangen door digitale oplossingen. Videoconferenties voor werk hebben nieuwe gebruikers aangetrokken in Brazilië, Europa en Azië. Evenzo is telegeneeskunde voor zowel fysieke als mentale gezondheid in alle landen gegroeid, gedreven door nieuwe gebruikers die de technologie gebruiken.

159


Economische impact COVID-19

Figuur 80: Adoptie van digitale en low-touch (contactloos) activiteiten sinds COVID-19

Vooruitblikkend naar het volgende 'normaal', aarzelen consumenten om persoonlijke activiteiten te hervatten die deel uitmaakten van hun dagelijks leven vóór de uitbraak van de pandemie. In alle landen is bijvoorbeeld de netto-intentie om een winkelcentrum te bezoeken negatief, en alleen in Duitsland en Japan verwachten de consumenten zij meer dan vóór COVID-19 de winkels zullen betreden. Consumenten in de VS, Duitsland, Spanje, Italië en Japan zijn van plan zelf meer boodschappen te doen, terwijl consumenten in Frankrijk, het VK en India dit juist minder willen doen. Consumenten in alle landen, behalve Duitsland en Frankrijk, zijn van plan hun binnenlandse reizen te verminderen zodra COVID-19 is gepasseerd. Consumenten zijn echter van plan enkele van de digitale en low-touch-activiteiten die zij zich tijdens de pandemie hebben eigen gemaakt, voort te zetten. Outdoor- en fitnessactiviteiten, leren op afstand en digitaal amusement zullen waarschijnlijk na COVID-19 in alle landen gecontinueerd worden. De intentie echter om door te gaan met het vervangen van kritische persoonlijke activiteiten zoals fysiek winkelen, eten in restaurants of de schoolactiviteiten van de kinderen ligt lager. Hoewel telegeneeskunde in alle landen sterk is gegroeid, is ook de intentie om dit te continueren lager.

160


Economische impact COVID-19

Figuur 81: Verwachte gedragswijzigingen na COVID-19

Wordt ingezoomd op China en de grote Europese economieën, dan kan uit onderstaande figuren afgeleid worden dat het vertrouwen van de consument op herstel het grootst is in China, erg laag in Italië, Frankrijk en Spanje. Chinese consumenten blijven optimistisch over de economische toekomst van het land nu het inkomen en het spaarwezen beginnen te herstellen. Het optimisme van de Chinese consument is gestaag toegenomen naarmate het land de COVID-19-beperkingen begint te doorbreken. Consumenten zijn nog steeds voorzichtig met geld, maar de uitgaven in sommige niet-essentiële categorieën, waaronder consumentenelektronica, dierenverzorging en leesmateriaal, zijn aan het herstellen. Chinese consumenten hebben een sterke positieve online bestedingsintentie in de meeste categorieën en nemen nieuwe digitale activiteiten over, zoals leren op afstand en bezorging van boodschappen. De meeste Chinese consumenten zijn echter nog steeds van mening dat de impact van COVID-19 op hun financiën meer dan vier maanden zal aanhouden.

161


Economische impact COVID-19

Figuur 82: consumentensentiment in China, evolutie tijdens de coronacrisis

Het optimisme van de Italiaanse consumenten over een economisch herstel is redelijk stabiel gebleven, ook al begonnen de beperkingen te versoepelen. Italianen blijven bezorgd over de economische impact van COVID-19 en over de duur van de situatie. Consumenten zijn prijsgevoeliger en bezuinigen op de meeste categorieën. Ze zijn van plan meer online te winkelen voor thuisentertainment en voedselbezorging, terwijl ze verwachten meer naar de winkel te gaan voor essentiële huishoudartikelen. Na COVID-19, verwachten consumenten dat ze persoonlijke activiteiten zoals reizen en naar het winkelcentrum gaan verminderen, terwijl ze nieuwe digitale activiteiten zoals videoconferenties en online streaming overnemen. Italiaanse consumenten wachten op het opheffen van beperkingen en op de aanbevelingen van medische autoriteiten alvorens opnieuw deel te nemen aan activiteiten buitenshuis. De meeste consumenten zijn nog steeds van mening dat de impact van de crisis op hun gedragspatronen veel langer dan twee maanden zal aanhouden. Figuur 83: het consumentensentiment in Italië, evolutie tijdens de coronacrisis

Spaanse consumenten blijven de negatieve economische gevolgen van de crisis voelen en blijven bezorgd over de gezondheid en veiligheid van hun gezinnen. Ze verwachten te bezuinigen op de uitgaven in bijna alle categorieën, hoewel het aantal mensen dat de uitgaven de afgelopen weken heeft verlaagd, vrij stabiel is gebleven. Sinds het begin van de crisis hebben consumenten

162


Economische impact COVID-19

nieuwe digitale activiteiten ontplooid, zoals videoconferenties en online streaming, waarmee sommige na de crisis willen doorgaan. Na COVID-19, verwachten consumenten dat ze persoonlijke activiteiten, zoals reizen en naar het winkelcentrum gaan, verminderen. Consumenten wachten op de goedkeuring van medische autoriteiten en het opheffen van de beperkingen voordat ze opnieuw deelnemen aan activiteiten buitenshuis, en ze kiezen een winkeladres in functie van aanwezige hygiĂŤne- en beschermingsmaatregelen (zoals maskers). De meeste Spaanse consumenten zijn van mening dat de impact van COVID-19 op hun routines veel langer dan twee maanden zal aanhouden. Figuur 84: het consumentensentiment in Spanje, evolutie tijdens de coronacrisis

Franse consumenten blijven bezorgd over de economie en de duur van de impact van COVID19. Ze bezuinigen op de uitgaven in alle categorieĂŤn, hoewel het aantal mensen dat de afgelopen weken hun uitgaven heeft verlaagd, is afgenomen. Consumenten verlaten het huis voornamelijk om te winkelen en familie te ontmoeten en verwachten dit in de nabije toekomst te blijven doen. Consumenten die zich nog niet bezighouden met activiteiten buitenshuis, wachten op de goedkeuring van de medische autoriteiten en geven prioriteit aan maskers en beschermingsmaatregelen bij het winkelen. De meeste Franse consumenten zijn van mening dat de gevolgen van de crisis op hun gedrag veel langer dan twee maanden zullen aanhouden.

163


Economische impact COVID-19

Figuur 85: Het consumentensentiment in Frankrijk, evolutie tijdens de coronacrisis

In Duitsland heerst onzekerheid over een economisch herstel. Duitse consumenten verwachten nog steeds te bezuinigen op de uitgaven in de meeste categorieĂŤn, zij het minder uitgesproken dan in voorgaande weken. Consumenten nemen steeds meer nieuwe digitale activiteiten over, zoals online fitness, en velen verwachten ook na COVID-19 daarmee door te gaan. Consumenten wachten tot de overheid de beperkingen opheft voordat ze deelnemen aan activiteiten buitenshuis, en ze zijn op zoek naar maskers en beschermingsmaatregelen bij het kiezen van hun winkeladres. De meeste Duitsers zijn van mening dat de impact van de crisis op hun routines ruim twee maanden zal aanhouden. Figuur 86: het consumentensentiment in Duitsland, evolutie tijdens de coronacrisis

164


Economische impact COVID-19

België/Vlaanderen NBB De indicator van het consumentenvertrouwen was gezakt van -9 in maart naar -26 in april 2020. Meteen de grootste daling ooit van het vertrouwen van de gezinnen. De indicator zit nu dicht bij het historisch dieptepunt. Dat werd bereikt in januari en augustus 1985 (-28). De consumentenenquête van mei 2020120 wijst op een zeer lichte heropleving van het consumentenvertrouwen (-23): Nadat het consumentenvertrouwen in april instortte, heeft het zich in mei licht hersteld. Het blijft niettemin bijzonder zwak. De verwachtingen ten aanzien van de macro-economische situatie zijn verbeterd dankzij de maatregelen genomen naar aanleiding van de afbouwstrategie. Als gevolg van de COVID-19-crisis lijdt bijna één zelfstandige op twee een inkomensverlies van meer dan 30 %. In mei toonden de consumenten zich minder pessimistisch wat de verwachte algemene economische ontwikkeling in België voor de komende twaalf maanden betreft. Dit herstel kan allicht in verband worden gebracht met de geleidelijke van krachtwording van de maatregelen van de afbouwstrategie. Het sentiment van de gezinnen tegenover de werkloosheidsvooruitzichten is daarentegen verder verslechterd. De huishoudens zijn, wat hun persoonlijke situatie betreft, ietwat minder ongerust over het verloop van hun financiële situatie voor de komende twaalf maanden. Hun spaarvooruitzichten zijn licht verslechterd. Tabel 52: Indicatoren van consumentenvertrouwen

120

https://www.nbb.be/doc/dq/n/dq3/histo/pne2005.pdf

165


Economische impact COVID-19

Aan de consumentenenquête zijn sinds april twee vragen toegevoegd die specifiek verband houden met de gevolgen van de COVID-19-crisis voor de financiële situatie van de gezinnen. De eerste vraag betreft het crisisgerelateerd potentieel inkomensverlies, terwijl de tweede vraag betrekking heeft op de omvang van de spaarbuffer waarover de consumenten beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien. Deze beide supplementaire vragen zijn niet geïntegreerd in de vertrouwensindicator van de consumenten. Figuur 87: Vraag 1 ‘Lijdt uw gezin inkomensverlies als gevolg van de crisis ?’

Bijna driekwart van de in mei bevraagde personen oordelen dat ze geen inkomensverlies lijden, of een verlies dat beperkt blijft tot amper 10%; 13% rapporteert een inkomensverlies tussen 10% en 30% en 12% een verlies van meer dan 30%, resultaten die vergelijkbaar zijn met die van april. Het is duidelijk dat, onder de respondenten, de zelfstandigen het zwaarste inkomensverlies lijden: 45% van de zelfstandigen wordt geconfronteerd met een inkomensverlies van meer dan 30%; voor ruim de helft onder hen beloopt het verlies zelfs meer dan 50%. Deels door de tijdelijke werkloosheid bevinden de loontrekkenden zich in een minder ongunstige situatie, waarbij 12% onder hen minstens 30% inkomensverlies lijdt. De minst getroffenen qua inkomen zijn de gepensioneerden en de overige categorieën van inactieven die ‘gewaarborgde’ inkomens genieten. Tabel 53: Vraag 2 ‘Gedurende hoeveel tijd beschikt uw gezin over een spaarbuffer om de noodzakelijke uitgaven te dekken (huur, aankopen, enz.) en om in uw levensonderhoud te voorzien?’

De antwoordkeuze werd verruimd om die gezinnen te kunnen afzonderen die over voldoende spaarmiddelen beschikken om de uitgaven voor hun levensonderhoud tijdens ten minste zes

166


Economische impact COVID-19

maanden te kunnen garanderen : dat geldt voor iets meer dan één gezin op twee die aan de enquête hebben deelgenomen. Omgekeerd is voor ongeveer één op tien gezinnen het beschikbaar spaargeld zelfs onvoldoende om te voorzien in een maand basisuitgaven. Tussen de beide enquêtes is het aandeel van de twee groepen gezinnen die worden bestempeld als de meest ‘kwetsbare’ of de meest ‘minst getroffen’ slechts weinig veranderd. 54% van de in mei bevraagde gezinnen (tegen 53% in april) gaat uit van een inkomensverlies van maximaal 10%, terwijl die gezinnen over spaarmiddelen beschikken die op z’n minst gedurende drie maanden uitgaven kunnen dekken. Daartegenover is 11% van de deze maand bevraagde gezinnen (tegen 12% in april) uiterst kwetsbaar, voor zover ze ervan uitgaan dat ze ten minste 10% van hun inkomens zullen verliezen, terwijl ze over een spaarbuffer beschikken aan de hand waarvan ze maximaal drie maanden in hun levensbehoeften kunnen voorzien. Tabel 54: Het inkomensverlies en het belang van de spaarbuffer in perspectief

Figuur 88: Indicator van het consumentenvertrouwen (april 2020)

167


Economische impact COVID-19

Figuur 89: Vooruitzichten voor de volgende 12 maanden

McKinsey & Company In België zijn de meeste consumenten zeer pessimistisch of onzeker over het vooruitzicht van een economisch herstel. Belgen verwachten dat ze hun uitgaven in bijna alle categorieën zullen verlagen, hoewel ze voor sommige categorieën in toenemende mate een positieve online winkelintentie vertonen. Digitale consumptie blijft over het algemeen laag, maar digitale gezondheids- en fitnesstoepassingen kennen een hogere gebruikersgroei alsmede een hogere intentie om hiermee in de toekomst verder te doen. Consumenten wachten op opgeheven beperkingen en verhoogde veiligheidsmaatregelen voordat ze opnieuw beginnen met activiteiten buitenshuis. De meeste consumenten zijn van mening dat de impact van COVID-19 op hun routines meer dan twee maanden zal aanhouden.

168


Economische impact COVID-19

Figuur 90: Het consumentensentiment in BelgiĂŤ, evolutie tijdens de coronacrisis

Coronabarometer (Departement WSE) Het consumentenvertrouwen herstelde in Vlaanderen in mei, na de zware terugval in april. Vooral over de economische situatie was men in mei minder pessimistisch, wellicht omwille van de genomen maatregelen en het vooruitzicht van de exitstrategie. Tabel 55: Consumentenvertrouwen in Vlaanderen

Januari 2020

Februari 2020

Maart 2020

April 2020

Mei 2020

-1

+2

+1

-20

-15

9

Impact op de consumptieprijzen

9.1

Wereldwijd

De evolutie van de consumptieprijzen kan, in samenspel met de inkomensevolutie, een positieve of negatieve impact hebben op de bestedingen van het inkomen. Volgens het IMF zouden in de ontwikkelde economieĂŤn de consumptieprijzen in 2020 min of meer stabiliseren (+0,4%) om vervolgens in 2021 toe te nemen (+1,7%). In de VS en het VK stijgen de consumptieprijzen sterker dan het gemiddelde niveau (+0,4%), respectievelijk met 0,8% en 1%. Ook in 2021 stijgen de prijzen er relatief sterker dan het gemiddelde niveau. De Eurozone laat in 2020 een lichte daling (-0,1%) van de consumptieprijzen optekenen, gevolgd door een stijging met 1,3% in 2021. Binnen de Eurozone worden in Frankrijk (-0,7%) en Spanje (-1%) de sterkste prijsdalingen verwacht. Ook in BelgiĂŤ voorspelt het IMF in 2020 een lichte daling met 0,2% om in 2021 te stijgen met 1,4%.

169


Economische impact COVID-19

Tabel

56:

Evolutie van de consumptieprijzen veranderingspercentage)

in

de

geavanceerde

economieën

(jaarlijks

In de opkomende markten en ontwikkelingseconomieën worden hogere prijsstijgingen verwacht. In Azië bijvoorbeeld zouden de consumptieprijzen in 2020 met 3% stijgen en in 2021 met 2,9%. Tabel 57: Evolutie van de consumptieprijzen in de opkomende en ontwikkelingseconomieën (jaarlijks veranderingspercentage)

Azië Europa Latijns-Amerika & Caraïben Midden-Oosten & Centraal-Azië Sub-Sahara Afrika

2019 3,2 6,5 7,1 8,5 8,4

2020 3,0 5,1 6,2 8,4 9,3

2021 2,9 5,0 5,9 8,7 7,6

170


Economische impact COVID-19

9.2

Europa

De consumentenprijzen zullen volgens de voorjaarsprognoses van de Europese Commissie (zie hoger) dit jaar naar verwachting sterk dalen door de terugval van de vraag en de scherpe daling van de olieprijzen: de gezamenlijke effecten daarvan zouden geïsoleerde prijsstijgingen ten gevolge van de onderbreking van de toeleveringen door de pandemie meer dan compenseren. Verwacht wordt dat de inflatie in de eurozone, zoals gemeten aan de hand van het geharmoniseerd indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP), 0,2% in 2020 en 1,1% in 2021 zou bedragen. Voor de EU ligt de verwachte inflatie in 2020 op 0,6% en in 2021 op 1,3%. De inflatieverwachtingen voor België liggen op het niveau van de Eurozone met respectievelijk 0,2% en 1,1%. Tabel 58: consumptieprijzen – inflatie (%)

171


Economische impact COVID-19

9.3

België/Vlaanderen

De Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex De eerste inflatieraming volgens de Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP flash estimate) voor België bedraagt -0,2% voor mei. Het verschil tussen de HICP en het nationale indexcijfer van de consumptieprijzen (CPI) is grotendeels te wijten aan conceptuele verschillen op het vlak van de bron van de gewichten, de referentiepopulatie, het uitgavenconcept, de seizoenscorrectie en de afvlakking. De Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex121 (HICP flash estimate) voor België bedroeg 0,0% voor april ten opzichte van 0,4% in maart. De kerninflatie (inflatie zonder energie en onbewerkte levensmiddelen) bedraagt in april 1,6%. De inflatie volgens de consumptieprijsindex (CPI) voor de maand april bedroeg 0,6% zoals in maart. De subindices met de grootste positieve impact op de inflatie zijn huur, vlees en restaurants en cafés. De subindices die deze maand de grootste negatieve impact hebben op de inflatie zijn motorbrandstoffen, huisbrandolie en gas. De huidige maatregelen rond COVID-19 hebben een impact op de berekening van het indexcijfer. Voor sectoren waar fysieke winkels momenteel gesloten zijn, worden gegevens online ingezameld als er geen andere databron is. Voor volledig gesloten sectoren (restaurants, kappers, reizen, …) worden de prijzen doorgetrokken, al dan niet met een seizoenscorrectie. Deze methodes zijn in overeenstemming met de methodologische aanbevelingen die Eurostat in samenspraak met de Nationale Statistische Instellingen (in België dus Statbel) heeft opgesteld. Hier vindt u meer informatie.

121

https://statbel.fgov.be/nl/themas/consumptieprijsindex/geharmoniseerde-consumptieprijsindex-hicp 2020

18

mei

172


Economische impact COVID-19

Figuur 91: Inflatie volgens de Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex

De inflatie volgens de Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP)122 bedroeg in april 0,0% tegenover 0,4% in maart. De inflatie volgens de geharmoniseerde consumptieprijsindex met constante belastingvoet (HICP-CT)123 bedroeg ook 0,0% in april tegenover 0,4% in maart. Inflatie en impact op inflatie voor de 12 hoofdgroepen Op basis van de opsplitsing in de 12 hoofdgroepen wordt de hoogste inflatie in april gemeten voor de groepen “voeding en alcoholvrije dranken” en alcoholhoudende dranken en tabak” (elke met 3,3%). De laagste inflatie wordt opgemeten voor de groep “huisvesting, water en energie” (-5,0%). De hoofdgroep die in april de grootste positieve impact heeft op inflatie is “voeding en alcoholvrije dranken” met 0,6 procentpunt. De grootste negatieve impact op de inflatie wordt gerealiseerd door “huisvesting, water en energie” met -0,9 procentpunt.

122

Naast de nationale consumptieprijsindex (CPI) berekent de Statbel ook een Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex (Harmonized Index of Consumer Prices, HICP). De HICP maakt een vergelijking tussen de inflatiegraden van de lidstaten van de Europese Unie mogelijk. De toegepaste bestedingsoptiek en methoden zijn daartoe zo goed mogelijk gecoördineerd en in Europese regelgeving vastgelegd. De uitkomsten van de CPI en de HICP zijn niet gelijk. Dat komt vooral door een andere weging en samenstelling van het pakket goederen en diensten waarop deze indices zijn gebaseerd. Tevens wordt de HICP gebruikt door de Europese Centrale Bank voor haar monetair beleid. Verder wordt de HICP gebruikt om te bepalen in hoeverre een lidstaat voldoet aan de inflatiecriteria bepaald in het Verdrag betreffende de Europese Unie.

123

De HICP-CT wordt op dezelfde wijze berekend als de gewone HICP, echter worden in deze index de prijzen berekend op basis van constante belastingtarieven. Deze index geeft dan ook de theoretisch potentiële impact weer van wijzigingen in de indirecte belastingtarieven (zoals de BTW of accijnzen) op de gemeten inflatie. Het betreft hier echter een theoretische impact omdat verondersteld wordt dat de belastingwijzigingen meteen en volledig worden doorgerekend in de prijzen die door consumenten betaald worden.

173


Economische impact COVID-19

Tabel 59: Inflatie124 en impact125 op inflatie voor globale HICP en 12 hoofdgroepen

Inflatie volgens specifieke aggregaten De globale HICP kan opgesplitst worden in vijf specifieke aggregaten die samen de totale bestedingen vormen. Voor de energiedragers daalt de inflatie voor de derde maand op rij. Ze bedraagt in april -16,8% ten opzichte van -11,8% in maart en -5,6% in februari. Ten opzichte van de voorgaande maand daalden de prijzen gemiddeld met 6,9%. De gemiddelde inflatie van dit aggregaat voor de laatste twaalf maanden bedraagt -5,5%.

124

Inflatie op jaarbasis meet de prijswijziging tussen de huidige maand en de dezelfde maand van het voorgaande jaar. Een 12 maandelijks gemiddelde vergelijkt de gemiddelde HICP van de laatste 12 maanden met het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden. Een maandelijkse wijziging vergelijkt de prijsniveaus van de laatste twee maanden.

125

Een impact op inflatie toont de wijziging op inflatie door het opnemen van de subindex in de HICP. De impact neemt niet alleen het gewicht van de subindex in rekening, maar ook of de inflatie van de subindex hoger of lager is dan deze van het geheel aan bestedingen (globale HICP).

174


Economische impact COVID-19

Voor de bewerkte levensmiddelen stijgt de inflatie voor de vierde maand op rij. Ze bedroeg in april 2,7% ten opzichte van 2,6% in maart en 2,2% in februari. Ten opzichte van maart stegen de prijzen gemiddeld met 0,7%. De inflatie voor de niet-bewerkte levensmiddelen (fruit, groenten, vlees en vis) stijgt voor de zesde maand op rij. Ze bedroeg in april 5,7% ten opzichte van 2,8% in maart en 1,6% in februari. Ten opzichte van maart stegen de prijzen gemiddeld met 1,9%. De gemiddelde inflatie van dit aggregaat voor de laatste twaalf maanden bedraagt 0,6%. De inflatie voor niet-energetische industriĂŤle goederen bedroeg 1,0% in de loop van de 3 laatste maanden. Ten opzichte van vorige maand bleven de prijzen gemiddeld stabiel. Voor diensten (inclusief huur) daalt de inflatie tot 1,6% in april tegenover 1,9% in maart en 2,1% in februari. Ten opzichte van vorige maand dalen de prijzen gemiddeld met 0,4%. De kerninflatie (inflatie zonder energie en onbewerkte levensmiddelen) bedroeg in april 1,6%, hiermee daalt ze licht ten opzichte van de 1,7% inflatie die gemeten werd in maart. De gemiddelde kerninflatie van de laatste 12 maanden is gelijk aan 1,6%. Ten opzichte van de vorige maand stegen de prijzen van dit subaggregaat met 0,4%. Tabel 60: Inflatie volgens specifieke aggregaten

Impact van subindices op de inflatie De grootste positieve impact op de inflatie wordt gerealiseerd door huur met een impact van 0,21 procentpunt. Vlees heeft een positieve impact van 0,19 procentpunt. Restaurants en cafĂŠs hebben ten slotte een impact gehad van 0,16 procentpunt.

175


Economische impact COVID-19

Tabel 61: Subindices met de grootste positieve impact op de inflatie

De negatieve impact op de inflatie was het grootst voor motorbrandstoffen en smeermiddelen met een impact van -0.63 procentpunt. Vloeibare brandstoffen hebben een impact uitgeoefend van 0,53 procentpunt. Gas heeft tot slot een impact van -0,26 procentpunt. Tabel 62: Subindices met de grootste negatieve impact op de inflatie

Duiding over de inflatie en prijsbewegingen voor courant aangekochte producten In de onderstaande tabel wordt de inflatie weergegeven voor een aantal courant aangekochte producten (voeding, niet-alcoholische dranken, onderhoudsproducten, dierenvoeding en lichaamsverzorgingsproducten). Ook wordt de maand-op-maand prijswijziging van april ten opzichte van maart weergegeven.

176


Economische impact COVID-19

Tabel 63: Inflatie courant aangekochte producten

Voor de algemeen hogere inflatie voor voeding zijn er bepaalde structurele verklaringen voor de toename in inflatie, waardoor de toename niet zomaar kan toegeschreven worden aan een covid19 effect. We kwamen uit een periode van lage inflatie voor voeding; de inflatie voor 2019 voor voeding was de laagste sinds 2014. Ook andere landen kennen een toename in inflatie voor voeding. Zo tekende Nederland een inflatie voor voeding en niet-alcoholische dranken op van 3,4% in april, Duitsland 4,2% en Frankrijk 4,1%. In België was deze inflatie in april 3,3%. De toegenomen inflatie voor voeding in april ten opzichte van maart is voornamelijk te wijten aan een hoge inflatie voor verse groenten en fruit (voornamelijk citrusvruchten, aardbeien en peren) en varkensvlees en afgeleide producten. Voor peren is er bijvoorbeeld een lagere stock (niet gerelateerd aan Covid-19). Voor citrusvruchten is het een combinatie van een gestegen vraag en een lager aanbod door slechte weersomstandigheden in Zuid-Europa en seizoenseffecten. Er dient opgemerkt te worden dat deze inflatie in normale omstandigheden ook al instabiel is omdat er geen vast seizoenspatroon is. Mogelijks kan er hier ook een covid-19 effect zijn dat het aanbod uit Zuid-Europa verder heeft verminderd, maar dit kan niet eenduidig worden vastgesteld. De hoge inflatie voor varkensvlees is voornamelijk te wijten aan de gestegen vraag vanuit China op de Europese markt, dit wegens de Afrikaanse varkenspest. Dit is ook een fenomeen dat een impact heeft in andere landen; die tekenen ook hoge inflatiecijfers op voor dezelfde productgroepen. Zo bedroeg de inflatie voor varkensvlees in april in Nederland 14,2% tegenover 6,1% in België. Voor verse zeevruchten is de toename in inflatie voornamelijk te wijten aan de garnalen, waarbij de groothandelsprijzen sinds eind vorig jaar stegen en ze nu verrekend worden in de consumptieprijzen. Het partiële verbod op kortingen weegt minder hard door op de globale inflatie voor voeding omdat dit maar betrekking heeft op een subset van productgroepen (pizza’s, koekjes, conserven, …) waarbij traditioneel vrij vaak volumekortingen gegeven worden.

177


Economische impact COVID-19

Voor onderhoudsproducten kan de toename in inflatie (5,1%) deels verklaard worden door de periode van lage inflatie vorig jaar (de gemiddelde inflatie was zelfs negatief voor 2019) en deels door het lagere aanbod van (volume)kortingen. Voor deze producten waren er net voor de lockdown en het verbod op kortingsacties in grootwarenhuizen vanaf 18 maart een reeks (volume)kortingen lopende. Gelet op het specifieke karakter van deze producten (lange houdbaarheid) waren deze producten onderhevig aan hamstergedrag. Na het gedeeltelijk opheffen van het promotieverbod vanaf 3 april 2020 zien we voor deze producten een langzame re-introductie van kortingen. Ook op een aantal andere productgroepen heeft het verbod op kortingen een impact gehad, zoals de alcoholvrije dranken, maar minder uitgesproken dan bij onderhoudsproducten. Ondertussen is er het verbod op kortingen volledig opgeheven op basis van het ministerieel besluit van 30 april dat van kracht werd op 4 mei. Er zal uiteraard enige tijd nodig zijn vooraleer nieuwe kortingsacties kunnen worden opgezet. Vergelijking tussen België en de buurlanden In april bedroeg de inflatie in België 0,0%. Ze daalde daarmee ten opzichte van de 0,4% in maart. Nederland tekende een inflatie op van 1,0% in april; ze daalde daarmee licht ten opzichte van de 1,1% in maart. In Frankrijk bedroeg de inflatie 0,5% in april, een daling ten opzichte van de 0,8% inflatie in maart. In Duitsland bedroeg de inflatie in april 0,8%. Ze daalde daarmee ten opzichte van de inflatie in maart toen deze 1,3% bedroeg. Figuur 92: HICP

Aangezien Eurostat de geharmoniseerde consumptieprijsindexcijfers met constante belastingvoet voor april nog niet publiceerde, is maart de recentste maand om mee te kunnen vergelijken. De inflatie op basis van de HICP-CT bedroeg in België in maart 0,4%, ze daalde daarmee ten opzichte van de 1,0% in februari. In maart bedroeg de inflatie in Duitsland 1,3%, een sterke daling ten opzichte van de 1,7% inflatie in februari. In Frankrijk daalde deze inflatie van

178


Economische impact COVID-19

1,4% in februari naar 0,6% in maart. In Nederland bedroeg de inflatie in maart 1,3%, ze daalde daarmee ten opzichte van de 1,5% in februari. Figuur 93: HICP – CT

De nationale consumptieprijsindex De inflatie daalt in de maand mei voor de vierde maand op rij en bedraagt 0,48%.126 Het overzicht van de consumptieprijsindex van mei 2020 in een notendop: De inflatie daalt van 0,57% naar 0,48% in mei. De consumptieprijsindex daalt deze maand met 0,08 punt of 0,07%. De inflatie van de gezondheidsindex daalt van 1,14% naar 1,11%. De afgevlakte gezondheidsindex bedraagt in mei 107,84 punten. In mei waren er vooral prijsstijgingen voor mobiele telefonie, vis en zeevruchten en telecommunicatie packs. Huisbrandolie, alcoholvrije dranken, groenten en vlees hadden daarentegen een verlagend effect op het indexcijfer. De huidige maatregelen rond COVID-19 hebben een impact op de berekening van het indexcijfer. Voor sectoren waar fysieke winkels gesloten zijn worden gegevens online ingezameld als er geen andere databron is. Voor volledig gesloten sectoren (cafés, restaurants, reizen …) worden de prijzen doorgetrokken, al dan niet met een seizoenscorrectie. Deze methodes zijn in overeenstemming met de methodologische aanbevelingen die Eurostat in samenspraak met de Nationale Statistische Instellingen (in België dus Statbel) heeft opgesteld. Ze hebben als doel de globale inflatie zo weinig mogelijk te vertekenen. In praktijk heeft dat voor de maand mei tot gevolg dat er voor bloemen en 126

https://statbel.fgov.be/nl/themas/consumptieprijsindex/consumptieprijsindex, 28 mei 2020.

179


Economische impact COVID-19

planten een indexverhogend effect is omwille van het doortrekken van de prijzen met seizoenscorrectie van vorig jaar. Voor vliegtuigtickets, hotelkamers, vakantiedorpen en campings is er een indexverlagend effect omwille van dezelfde reden. De consumptieprijsindex van de maand mei 2020 bedraagt 109,45 punten. De index daalt deze maand met 0,08 punt. De inflatie daalt van 0,57% naar 0,48%. De gezondheidsindex daalt met 0,12 punt en bedraagt 110,10 punten. De inflatie die berekend wordt op basis van de gezondheidsindex, daalt van 1,14% naar 1,11%. Er waren vooral prijsstijgingen voor mobiele telefonie, vis en zeevruchten en telecommunicatie packs. Huisbrandolie, alcoholvrije dranken, groenten en vlees hadden daarentegen een verlagend effect op het indexcijfer. Figuur 94: Indexevolutie

In mei 2020 is de consumptieprijsindex met 0,08 punt of 0,07% gedaald en hij bedraagt nu 109,45 punten tegenover 109,53 punten in april 2020 (2013=100). De gezondheidsindex daalt in mei met 0,12 punt en bedraagt 110,10 punten tegenover 110,22 punten in april. De afgevlakte gezondheidsindex bedraagt in mei 107,84 punten. De volgende spilindex voor het openbaar ambt en de sociale uitkeringen is vastgelegd op 109,34 punten. De producten met het grootste verhogend effect in mei waren mobiele telefonie, vis en zeevruchten en telecommunicatie packs. Huisbrandolie, alcoholvrije dranken, groenten en vlees hadden het grootste verlagend effect ten opzichte van de voorgaande maand. In mei zijn de prijzen voor mobiele telefonie gemiddeld met 7,3% gestegen ten opzichte van vorige maand. Vis en zeevruchten werd deze maand gemiddeld 3,1% duurder. De prijzen voor telecommunicatie packs zijn gemiddeld 1,2% gestegen. De prijsstijgingen voor telecom zijn grotendeels het gevolg van het aflopen van tijdelijke tegemoetkomingen wegens de covid-crisis (b.v. meer data. meer belminuten. â&#x20AC;Ś). Huisbrandolie werd deze maand, afgevlakt over 12 maanden, gemiddeld 3,3% goedkoper in vergelijking met vorige maand. Alcoholvrije dranken daalden 1,7% in prijs ten opzichte van vorige maand. De prijzen voor verse groenten zijn deze maand gemiddeld met 3,8% gedaald. Vlees werd gemiddeld 0,7% goedkoper.

180


Economische impact COVID-19

De inflatie bedraagt nu 0,48%, tegenover 0,57% in april en 0,62% in maart. De inflatie op basis van de gezondheidsindex bedraagt deze maand 1,11%, tegenover 1,14% in april en 0,84% in maart. De inflatie zonder energieproducten stijgt in mei tot 2,05% tegenover 2,02% in april en 1,73% in maart. De kerninflatie, die geen rekening houdt met de prijsevolutie van de energieproducten en de onbewerkte voedingsmiddelen, bedraagt in mei 1,63% tegenover 1,58% in april en 1,55% in maart. Voor voeding (incl. alcoholische dranken) bedraagt de inflatie nu 4,10% tegenover 4,06% vorige maand en 2,46% in maart. Vers fruit kost 13,1% meer dan in mei 2019. Verse groenten zijn 8,9% duurder dan een jaar geleden. Grotendeels het gevolg van een lager aanbod voor enkele producten omwille van lagere oogsten door slechtere weersomstandigheden. Vis en zeevruchten zijn 5,8% duurder dan in mei 2019, voornamelijk door duurdere garnalen die vorig jaar in mei hun laagste prijs noteerden. Vlees is 3,4% duurder dan in mei 2019, voornamelijk door duurder varkensvlees dat te wijten is aan de gestegen vraag vanuit China op de Europese markt als gevolg van de Afrikaanse varkenspest vorig jaar. Alcoholvrije dranken zijn gemiddeld 1,5% duurder dan in mei vorig jaar. Alcoholische dranken kosten 5,5% meer dan een jaar geleden. De prijs van tabak steeg met 2,3% ten opzichte van mei 2019. De inflatie voor energie bedraagt nu -2,94% tegenover -2,07 vorige maand en -3,37% in maart. Elektriciteit is nu 7,9% goedkoper dan een jaar geleden. Aardgas is 16,7% goedkoper op jaarbasis. De prijs van huisbrandolie is, afgevlakt over 12 maanden, met 10,9% gedaald in ĂŠĂŠn jaar tijd. Motorbrandstoffen kosten 19,6% minder dan een jaar geleden. De inflatie voor de diensten stijgt van 1,20% naar 1,42%. De inflatie voor de huur bedroeg 2,83% in april en ze is gedaald tot 2,68% in mei.

181


Economische impact COVID-19

Tabel 64: Enkele producten en diensten die ten opzichte van mei vorig jaar sterk in prijs stegen

De hoofdgroep die in mei de grootste positieve impact127 heeft op inflatie is voeding en nietalcoholische dranken met 0,76 procentpunt. De groep vervoer heeft de grootste negatieve impact uitgeoefend met -0,63 procentpunt.

127

Een impact op de inflatie toont de wijziging op inflatie door het opnemen van die productgroep in de berekening van de CPI. De impact neemt niet alleen het gewicht van de productgroep in rekening, maar ook of de inflatie van de productgroep hoger of lager is dan deze van het geheel aan bestedingen (globale CPI).

182


Economische impact COVID-19

Tabel 65: Impact op de inflatie van de 12 hoofdgroepen (mei 2020)

De hoofdgroep met de grootste bijdrage128 tot de inflatie is voeding en niet-alcoholische dranken met 0,70 procentpunt. De laagste bijdrage tot de inflatie wordt gerealiseerd door vervoer met 0,45 procentpunt. Tabel 66: Bijdrage tot de inflatie van de 12 hoofdgroepen (mei 2020)

128

De bijdrage tot de inflatie van een bepaalde productgroep geeft weer hoeveel van de verandering van de totale bestedingen te wijten is aan de prijsverandering van deze productgroep.

183


Economische impact COVID-19

Figuur 95: Inflatie

Tabel 67: Overzicht

Vooruitzichten Uit de vooruitzichten van het Instituut voor de Nationale Rekeningen en het Federaal Planbureau van 5 juni 2020129 blijkt dat de inflatie tijdelijk afkoelt dankzij lagere energieprijzen in 2020. De gevolgen van de coronacrisis weerspiegelen zich op twee manieren in de consumptieprijzen. Ten eerste zijn de prijzen van energieproducten fors gedaald doordat de krimp van de economische activiteit leidde tot een sterke daling van de vraag naar olieproducten, aardgas en elektriciteit. Ten tweede was tijdens de eerste weken van de inperkingsmaatregelen een verbod op kortingen van kracht dat leidde tot tijdelijk hogere prijzen in de supermarkten. De olieprijs bereikte in april een dieptepunt en bevindt zich sindsdien op een stijgend pad, wat zal leiden tot een aantrekkende inflatie. De onderliggende inflatie zou in de loop van dit jaar aan kracht inboeten tegen de achtergrond van de vraaguitval. Naarmate de heropstart van de economie op dreef komt, zou de onderliggende inflatie in 2021 enigszins hernemen. Al bij al zou de totale inflatie afkoelen van 1,4% in 2019 tot 0,8% dit jaar en hernemen tot 1,3% in 2021. De groei van de gezondheidsindex, die minder sterk wordt beĂŻnvloed door het olieprijsverloop, zou dit jaar 1% en volgend jaar 1,2% bedragen. De overschrijding van de huidige spilindex (109,34) zou niet plaatsvinden in 2020 of in 2021. 129

https://www.plan.be/uploaded/documents/202006051210470.PC_budget_20200605.pdf

184


Economische impact COVID-19

De meest recente prognoses van de NBB130 van 8 juni 2020 wijzen er op dat de onderliggende inflatie in heel beperkte mate toeneemt, van 1,6% dit jaar tot 1,7% in 2022. De aantrekkende loonkosten, maar ook de extra kosten om de activiteit op een veilige manier te laten heropstarten, zorgen voor inflatoire druk. De stijging zou weliswaar beperkt blijven, aangezien de doorberekening van de kosten in de prijzen typisch onvolledig en met vertraging gebeurt en omdat de afgenomen vraag een persistent neerwaartse impact heeft. De totale inflatie loopt sterker op, van 0,3% in 2020 tot 1,8% in 2022, maar dat heeft vooral te maken met het ongewoon lage peil van dit jaar dat een gevolg is van de scherpe daling van de olieprijzen. Tabel 68: Prognoses prijzen, NBB 2018

2019

2020r

2021r

2022r

2,3

1,2

0,3

1,4

1,8

Gezondheidsindex

1,8

1,5

1,0

1,1

1,7

Onderliggende

1,3

1,5

1,6

1,6

1,7

Geharmoniseerde consumptieprijsindex

inflatie

10

Impact op specifieke sectoren en markten

10.1

Wereld/Europa

10.1.1

Ruimte voor infrastructuurinvesteringen

De wereld wordt geconfronteerd met een gigantische investeringstekort van $15 biljoen dollar.131 zodat een enorme hoeveelheid geld nodig is voor investeringen in infrastructuur. Het bedrag van $15 biljoen kwam afgelopen april van de Global Infrastructure Hub, een initiatief van de Groep van 20 landen (G20). De organisatie berekende de omvang van de kloof door de $79 biljoen die waarschijnlijk tussen nu en 2040 wereldwijd zal worden geĂŻnvesteerd in infrastructuurprojecten op basis van de huidige trends, af te trekken van de geschatte $94 biljoen noden aan wereldwijde investeringen in infrastructuur.

130

https://www.nbb.be/nl/artikels/de-belgische-economie-zal-zich-slechts-moeizaam-herstellen-van-decoronacrisis-en-het

131

Raconteur, Why the time is right for infrastructure investment, 17 March 2020.

185


Economische impact COVID-19

Figuur 96: Groeiende investeringskloof in infrastructuur

Het feit dat de huidige rentetarieven sinds de wereldwijde financiële crisis van 2008 ultra-laag zijn gebleven - in de Verenigde Staten werden ze verlaagd van 1,75 naar 1,25 procent als reactie op de uitbraak van het coronavirus begin maart - in combinatie met obligatierendementen op bijna historische dieptepunten, verhoogt de aantrekkelijkheid van zogenaamde reële activa. De aantrekkingskracht van infrastructuur wordt bovendien vergroot door haar vermogen om in tijden van economische crisis de beleggers ongecorreleerde, stabiele en veerkrachtige rendementen te bieden. Volgens het financiële gegevensbedrijf Preqin bedroeg het jaarlijkse rendement op investeringen in infrastructuur, waaronder investeringen in wegen, spoorwegen, bruggen, watervoorziening, riolering, energie, glasvezelbreedband en mobiele netwerken, de afgelopen tien jaar gemiddeld 8,9%. Dat is beter dan het rendement van wereldwijde aandelen (7%) en obligaties (3,4%), maar lager dan private equity (15%).

10.1.2

Impact op start-up risicofinanciering

In Nederland132 kwamen er alarmerende signalen vanwege de durfinvesteerders. Uit een grote enquête onder Nederlandse start-ups door Techleap, de door prins Constantijn geleide organisatie die jonge techbedrijven ondersteunt, blijkt dat 84% van de startups in acute nood verkeert en dat de meeste van de ruim vijfduizend bedrijven €100.000 tot €400.000 nodig hebben om de komende drie maanden te overleven. Samen met Economische Zaken en het nieuwe overheidsfonds Invest-NL wordt aan een noodoplossing gewerkt. Ook de regionale ontwikkelingsmaatschappijen zijn hierbij betrokken. De hoogste prioriteit is een overbruggingskrediet, dat tot begin juli de liquiditeit van de bedrijven moet verzekeren. Ook

132

Financieel Dagblad, Jonge techbedrijven in acute geldnood, plan voor massaal krediet in de maak, 20 maart 2020.

186


Economische impact COVID-19

andere pistes worden bekeken, zoals de groeifaciliteit, een regeling waarbij de overheid garant staat voor 50% van een investering in een jong bedrijf en die opgetrokken zou worden naar 75%, alsook het co-investeerderschap waarbij de durfinvesteerder 25% investeert en de overheid de rest. Nochtans blijven Nederlandse durfinvesteerders vrezen voor massale faillissementen onder de jonge techbedrijven waarin ze investeren.133 Ook voorzien ze op korte termijn ruim 53.000 ontslagen. Ze deden daarom een oproep aan de Nederlandse regering voor steun aan de startups en scale-ups, die nu buiten de criteria voor noodhulp vallen. Start- en scale-ups zijn een bijzonder soort bedrijven. Terwijl ze nog verlies maken, investeren ze veel in omzetgroei, met extra personeel en marketing. Hun omzet daalt enorm, maar niet ver genoeg onder het niveau van een jaar geleden. Daardoor grijpen ze naast de loonkostensteun in Nederland. Andere techbedrijven hadden voor de crisis nog geen omzet, omdat ze nog in het stadium van productontwikkeling zaten. En veel bedrijven komen niet in aanmerking voor bankkrediet, omdat ze verliesgevend zijn. Er wordt dan ook gewaarschuwd voor economische gevolgen op lange termijn, als de crisis een ravage aanricht onder techbedrijven waardoor de Nederlandse concurrentiekracht in geavanceerde technologie in gevaar kan komen. Maar ook in België wordt aan de alarmbel getrokken. Meer dan 900 Belgische start-ups vragen in een gezamenlijke oproep van 6 april 2020 de snelle lancering van staatsgaranties die de acute geldnood van start-ups draaglijker moeten maken. De start-ups vragen dat de federale en regionale overheden garant staan voor 75 procent van het vereiste overbruggingskrediet. De overige 25 procent moet de start-up zelf ophalen. Als een start-up in deze tijd van economische verlamming erin slaagt financiering op te halen bij investeerders of kredietverschaffers, moet dat voor de overheid een teken zijn dat het bedrijf toekomst heeft, zo luidt de redenering.134 De startups vinden het positief dat de Vlaamse Overheid via PMV €250 miljoen vrijmaakt voor achtergestelde leningen aan Vlaamse start-ups, maar pleiten dus voor een verhoogde staatsgarantie.

CB Insights Om een idee te krijgen van de invloed van Covid-19 op startupfinanciering over de hele wereld, heeft CB Insights135 gekeken naar de financieringsactiviteiten in 2020 en naar de financieringsontwikkelingen tijdens eerdere uitbraken. De uitbraak van het coronavirus heeft enorme impact op bijvoorbeeld het toerisme, de gezondheidszorg en de toeleveringsketens die de wereldwijde financiële markten op hun grondvesten doen daveren. Ook de startupfinanciering krijgt een dreun te verwerken. De particuliere marktfinanciering voor start-ups zal in het eerste kwartaal van 2020 om en bij de $77 miljard bedragen (waarvan ongeveer $50 miljard in de VS, Europa en Azië), een daling van meer dan 16% in vergelijking met het vierde kwartaal van 2019 en een daling van bijna 12% ten opzichte van eerste kwartaal van 2019. De verwachte daling tijdens het eerste kwartaal van 2020 is de op een na zwaarste ooit, na de inzinking met 36% in het derde kwartaal van 2012. De terugval zal het sterkst zijn in Azië met een daling in de private start-up marktfinanciering met 35% in het eerste kwartaal van 2020 (ten opzichte van het vierde kwartaal van 2019). Op jaarbasis (eerste kwartaal 2020 t.o.v. eerste kwartaal 2019) zal de private marktfinanciering in Azië een krimp ondergaan van 20%. In Noord133

Financieel Dagblad, Durfkapitaal voorziet massale faillissementen Nederlandse techbedrijven, 7 april 2020.

134

Business AM, Ruim 600 Belgische start-ups: ‘Zonder staatshulp dreigt einde van ons ecosysteem’, 6 april 2020. Voor de oproep zelf, zie https://supportourstartups.be/nl/

135

CB Insights (2020) How Covid-19 Could Impact Startup Funding, Research briefs.

187


Economische impact COVID-19

Amerika en Europa tekent zich op jaarbasis een daling van de funding af met 3,6% respectievelijk 12,5%. Figuur 97: Coronavirus en de verwachte impact op de private marktfinanciering

Figuur 98: Coronavirus en de verwachte impact op de private marktfinanciering vanuit AziĂŤ

Te verwachten valt dat tegelijkertijd ook het aantal startup deals een stevige duik zal nemen, vooral in AziĂŤ. Terwijl een wereldwijde daling op kwartaalbasis in de deals mag verwacht worden met 20%, zullen de deals met Aziatisch kapitaal vermoedelijk met meer dan 28% terugvallen. In Noord-Amerika vallen de deals op kwartaalbasis terug met bijna 10%. In Europa wordt op

188


Economische impact COVID-19

kwartaalbasis een daling van het aantal deals verwacht met 14,4%. Op jaarbasis bedraagt de krimp in het aantal deals 20,5% voor Azië, bijna 17% voor Noord-Amerika en 10% voor Europa. Figuur 99: daling van de deals op de private markt onder invloed van coronavirus

Bron: PwC CB Insights MoneyTree Report Q1 2020

Op basis van indicatoren bij vroegere uitbraken verwacht CB Insights dat de daling in de private marktfinanciering zich in 2020 verder zal doorzetten.

Start Genome Om de wereldwijde impact van de COVID-19-crisis op startups beter te begrijpen en overheden bruikbare inzichten aan te reiken om hun innovatie-ecosystemen te ondersteunen, lanceerde Startup Genome136 als eerste een wereldwijde startup-enquête over dit onderwerp. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen van de tweede survey weergegeven: Kapitaal • 41% van de startups wereldwijd bevindt zich in wat Start Genome de "rode zone" noemt: ze hebben nog drie maanden of minder cash ter beschikking om te overleven (runway months), indien ze er niet in slagen nieuw geld op te halen. Veel zeer jonge startups beschikken slechts voor een paar maanden aan cash - 29% bevond zich al voor de crisis in die situatie - maar de crisis brengt nog eens 40% van hen extra in die precaire positie. Wordt ingezoomd op startups die Series A-, B- of in latere rondes geld hebben opgehaald, dan blijkt dat 34% over minder dan 6 maanden cash geld beschikken, hetgeen hen in een gevarenzone brengt in de huidige situatie waarin fondsenwerving moeilijk is.

136

Start Genome (2020) The Impact of COVID-19 on Global Startup Ecosystems: Global Startup Survey. Second Installment of Series.

189


Economische impact COVID-19

Figuur 100: runway maanden vanaf heden

•

Van startups die een term sheet - een term sheet is een onmisbaar document bij de start van onderhandelingen met een investeerder - hadden voor het begin van de crisis, heeft bijna 20% de term sheet door de investeerder zien intrekken, en 53% zag het proces aanzienlijk vertragen of werd geconfronteerd met een niet-reagerende hoofdinvesteerder. Slechts 28% heeft het proces op normale wijze kunnen voortzetten of de nodige fondsen kunnen veilig stellen.

Figuur 101: status van fondsenwerving door startups met een term sheet vóór de crisis

Talent en jobs • Sinds het begin van de crisis heeft 74% van de startups voltijdse werknemers moeten ontslaan. 39% van alle startups moest 20% of meer van het personeelsbestand ontslaan en 26% moest 60% van de werknemers of meer laten gaan. Bekijkt men de impact op de fulltime werknemers naargelang de grootste regio’s voor startup activiteiten, dan blijkt dat startups in Noord-Amerika het sterkst hebben moeten snoeien in het personeelsbestand (84% van de startups), gevolgd door Europa (67%) en Azië (59%).

190


Economische impact COVID-19

Figuur 102: Ontslag van fulltime werknemers

Markt • 74% van de startups zag hun inkomsten sinds het begin van de crisis dalen. Globaal gezien gaat het om een relatief bescheiden daling. Een aanzienlijk deel van de bedrijven werd niettemin zwaar getroffen: 16% van de startups kende een omzetdaling met meer dan 80%. Een belangrijke reden voor de omzetdalingen is de impact van de crisis op de sectoren waarbinnen de startups actief zijn. Drie op de vier startups werken in sectoren die zwaar zijn getroffen door de COVID-19-crisis. • Tegelijkertijd kent een kleine minderheid van bedrijven een effectieve groei. 12% van de startups heeft hun inkomsten sinds het begin van de crisis met 10% of meer Zien toenemen, en een op de tien startups is actief in bedrijfstakken die een groei kennen. Elke crisis schept aldus ook kansen. Zo is meer dan de helft van de Fortune 500bedrijven gestart tijdens een crisis, en alleen al in de financieel-economische crisis van 2008 werden volgens Startup Genome meer dan 50 unicorns gecreëerd. De COVID19-crisis is hierop geen uitzondering.

191


Economische impact COVID-19

Figuur 103: Veranderingen in omzet sinds de crisis

•

De negatieve effecten en de groei zijn niet gelijkmatig verdeeld. Positief is dat B2Cstartups ongeveer drie keer meer kans maken actief te zijn in sectoren die, ondanks COVID-19, een groei kennen in vergelijking met B2B-startups. Aan de andere kant situeren B2B-startups die grote ondernemingen bedienen, zich vaker in sectoren die hard door de crisis worden getroffen dan zowel B2B-startups die kleine en middelgrote ondernemingen bedienen als B2C-startups; en hebben dan ook het minste uitzicht in een stijging van de omzet. Operationaliteit en management • Meer dan twee derde van de startups heeft sinds december 2019 in de kosten gesnoeid. Sommige bedrijven besparen daarbij zeer drastisch: meer dan één op de tien bedrijven bezuinigt met meer dan 60% in de kosten. 76% van de startups die bezuinigden, begon hiermee sinds begin maart 2020, hetgeen impliceert dat de kostenbesparing rechtstreeks verband houdt met de COVID-19-crisis.

192


Economische impact COVID-19

Figuur 104: Kostenbesparingen

â&#x20AC;˘

Desalniettemin bevinden tech-startups zich in een unieke positie om operationeel te blijven, zelfs in lockdown-scenario's. In tegenstelling tot veel traditionele bedrijven, geeft 96% van de startups te kennen dat ze tijdens de crisis zijn blijven functioneren, ook al is er sprake van significante belemmeringen.

Figuur 105: Operationaliteit van de startups tijdens de lockdowns

193


Economische impact COVID-19

Overheid • 38% van de startups heeft geen steun ontvangen en verwacht niet te worden geholpen door beleidsondersteunende crisismaatregelen. 16% geeft aan momenteel niet te worden ondersteund, maar wel op korte termijn overheidssteun te verkrijgen. De resterende 46% startups ontvangen momenteel overheidssteun. • Volgens oprichters en bestuurders zijn de vier meest noodzakelijke beleidsmaatregelen voor hun bedrijven (1) subsidies om de bedrijfsliquiditeit te stutten (29%); (2) instrumenten om investeringen te stimuleren (18%); (3) ondersteuning om de werknemers te beschermen, zoals salarisaanvullingen (17%); en (4) leningen om de liquiditeit van het bedrijf te behouden (12%). Figuur 106: Meest gevraagde overheidssteunmaatregelen

10.1.3

Impact op toerisme

Zonder een gestage stroom bezoekers van buiten het blok zou de Europese toeristische sector alleen al naar schatting een financieel verlies van ongeveer € 1 miljard per maand lijden, had Europees commissaris Thierry Breton al op 16 maart 2020 aangekondigd.137 De toeristische sector is in de EU is goed voor 10-11% van het EU-bbp, 12% van de werkgelegenheid in de EU (27 miljoen mensen dat werken direct of indirect in de toeristische sector) en omvat bijna drie miljoen bedrijven, waarvan 90% kleine en middelgrote ondernemingen zijn. Volgens schattingen van de World Tourism Organization van de Verenigde Naties, zullen wereldwijde internationale toeristenreizen in 2020 met 20-30% kunnen dalen, vergeleken met

137

https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/ATAG/2020/649368/EPRS_ATA(2020)649368_EN.pdf

194


Economische impact COVID-19

2019. Dit zou zich vertalen in een verlies van $300 tot 450 miljard (€270 tot 407 miljard) aan uitgaven door internationale bezoekers (internationaal toeristische inkomsten). De World Travel & Tourism Council verwacht dat tot 75 miljoen jobs in de wereldwijde reis- en toerismesector in gevaar komen door de COVID-19 pandemie, hetgeen een daling in de werkgelegenheid zou impliceren van 12 tot 14%. In de EU zouden 6,4 miljoen banen in gevaar komen. De internationale reizen zouden een daling kennen van om en bij de 25% in 2020, hetgeen overeenkomt met drie maanden zonder reisverplaatsingen. Bezorgd over de dreigende economische impact heeft de European Tourism Manifesto alliance, die de Europese reis- en toerismesector vertegenwoordigt, op 17 maart 2020 een verklaring afgelegd waarin zij opriep tot verdere maatregelen om de COVID-19-impact te beperken. Het zwaarst getroffen land van Europa door de uitbraak van het coronavirus, Italië, zal naar verwachting een economische klap krijgen door een gebrek aan inkomsten uit toerisme, vooral rond Pasen, aangezien de pleinen van Rome leeg blijven. Alle paasdiensten van paus Franciscus, die gewoonlijk tienduizenden mensen naar locaties in Rome en in het Vaticaan lokken, zullen worden gehouden zonder de trouwe aanwezigen, kondigde het Vaticaan aan. Volgens pollingbureau Demoskopika zou Italië dit jaar tot wel €4,5 miljard aan inkomsten uit toerisme kunnen verliezen, aangezien de angst voor virussen de bezoeker weghoudt. Als de situatie aanhoudt en het virus bezoekers blijft weghouden, zou Italië tussen maart en eind mei alleen al tot € 7,4 miljard kunnen verliezen, schat de toeristenlobby Confturismo-Confcommercio. Ondertussen zal Griekenland, dat uit een financiële crisis van tien jaar is omhoog gekropen, naar verwachting lijden onder de coronavirusimpact op zijn vitale toerismesector, die goed is voor ongeveer een vijfde van de Griekse economie en meer dan een kwart van de banen. Griekse hotels genereerden in 2019 een omzet van € 8,7 miljard, een stijging van meer dan 7% in vergelijking met 2018, volgens HCH-gegevens. Ook in Spanje zal het virus ongetwijfeld een directe impact hebben op het toerisme en op veel sectoren van de Spaanse economie. Ondertussen voelt de Portugese toeristenindustrie al de impact van het coronavirus, waarbij 60% van de hotels in de zuidelijke Algarve regio annuleringen meldt en werkgevers in heel Portugal vrezen dat het ergste nog moet komen. Portugal was sterk afhankelijk van het toerisme en trok vorig jaar meer dan 16,3 miljoen buitenlandse bezoekers, tegen ongeveer 10 miljoen in 2014, toen de economie langzaam begon te herstellen van de schuldencrisis in het land. De sector droeg in 2018 14,6% bij aan het bruto binnenlands product, volgens de meest recente officiële gegevens. Voor het wintertoerisme in het hoge noorden van Europa, een van de snelst groeiende bedrijven in Noord-Noorwegen, kunnen de maatregelen die zijn genomen om de uitbraak van het coronavirus te vertragen, een totale economische crisis veroorzaken, aangezien veel exploitanten ontslagen hebben aangekondigd, terwijl andere activiteiten volledig sluiten voor de rest van het seizoen, meldde de Barents Observer op 15 maart 2020. Tromsø en noordelijke gemeenten leggen quarantainebeperkingen op aan reizigers uit Zuid-Noorwegen en buitenlanders, in een poging de verspreiding van het virus te vertragen. Strenge quarantainemaatregelen van twee weken zijn van toepassing op de Lofoten, Vesterålen en Tromsø, regio's binnen de poolcirkel die gewoonlijk een groot aantal toeristen bezoeken.

195


Economische impact COVID-19

10.1.4

Impact op de woning- en vastgoedmarkt

Standard & Poors De coronacrisis zal in West-Europa een impact hebben op de woningprijzen, stelt het Amerikaanse ratingbureau Standard & Poors138. In 2020 én 2021 zullen de prijzen in bijna alle landen dalen, ook in België. Vanaf 2022 komen er opnieuw prijsstijgingen. Alleen in Zwitserland zouden de prijzen de volgende twee jaar licht stijgen, met 0,5% dit jaar en 1,5% volgend jaar. In alle andere landen worden voor 2020 prijsdalingen verwacht. De daling is het grootst (3,0 à 3,5%) in Ierland, het VK en Italië. Vooral in de eerste twee landen waren de prijzen de voorbije jaren sterk gestegen, na de zware terugval in de nasleep van de financiële crisis van 2008. Als de verwachte prijsdalingen in België in 2020 en 2021 een feit worden, zijn het de eerste bescheiden prijsdalingen in bijna veertig jaar. België doet het dit jaar internationaal niet zo slecht. Het zit in het gezelschap van Frankrijk en Duitsland (prijsdalingen van 1,2% à 1,4%). Nederland (-0,7%) doet het nog iets beter. In 2021 zouden er weer beperkte prijsstijgingen (+1,5%) zijn in Spanje en Portugal. In de andere landen zou de prijsdaling beperkt blijven. Nederland valt op met een daling met 1,7%. Voorlopig lijkt de prijsdaling van dit en volgend jaar niet meer dan een adempauze. De beperkte terugval en de snelle herneming schrijft Standard & Poor's toe aan de vele maatregelen die de overheden nemen om te vermijden dat de werkloosheid te snel oploopt. De Europese Centrale Bank en de nationale banken waren er snel bij om acties te ondernemen om de verslechtering van de kredietvoorwaarden beperken. En dat de gezinnen fors sparen, speelt in de kaart van een herneming. Voor de meeste landen worden prijsstijgingen van 3% en meer verwacht voor zowel 2022 als 2023. Portugal, Spanje en Nederland gaan zelfs voor prijsstijgingen van 4% en meer per jaar. De klim België zou beperkt blijven tot 2,8% in 2022 en 2,2% in 2023. Dat is minder dan in de meeste andere West-Europese landen. In Italië zouden de prijzen de komende twee jaar stabiliseren. Het land werd bijzonder zwaar getroffen door de pandemie. Het kampt al jaren met een economische crisis en de forse vergrijzing en de bevolkingsdaling wegen op de markt. Met uitzondering van Italië liggen de prijsverwachtingen tijdens de herleving van 2022-2023 lager dan in 2017-2018. Nog voor de coronacrisis waren er aanduidingen dat de prijsstijgingen in Europa aan het afzwakken waren. De verwachte prijsevolutie voor België bevestigt de reputatie van ons land als een markt met relatief stabiele woningprijzen. Bij de financiële crisis was België een van de weinige landen zonder een forse daling van de woningprijzen. Als de verwachte prijsdalingen in België in 2020 en 2021 een feit worden, zijn het de eerste bescheiden prijsdalingen in bijna veertig jaar. De verwachte dalingen zijn beperkt en vergelijkbaar met de voorspellingen van KBC en andere banken. KBC gaat in zijn meest waarschijnlijk scenario uit van een daling met 3% dit jaar en 2% volgend jaar.

138

https://www.tijd.be/dossiers/coronavirus/s-p-verwacht-daling-woningprijzen-in-belgie/10227432.html

196


Economische impact COVID-19

Standard & Poor's benadrukt dat het zijn voorspellingen neerwaarts bijstelt als de economische impact van het virus minder snel onder controle geraakt, bijvoorbeeld als gevolg van een tweede golf van infecties, of als de jobmaatregelen minder effectief blijken dan verwacht.

Vermogensbeheerder Aviva investors Vanuit een langetermijnperspectief zullen renteverlagingen, kwantitatieve geldverruimingsprogramma’s (quantitative easing) en omvangrijke fiscale stimuleringspakketten het herstel versnellen. Ook de vastgoedbeleggingsmarkten staan niettemin voor grote uitdagingen.139 Het transactievolume neemt af en aangezien het prijsmechanisme onzeker is, zal de marktactiviteit naar verwachting gedurende een langere periode gematigd blijven. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld is het aantal op de markt gebrachte activa in maart 2020 gedaald na een stevige start van het jaar. Op de markten duiden de prijzen op een risico van dalende waarderingen. Onderstaande grafiek geeft de verhouding weer tussen de prijs en de brutowaarde van de Europese Real Estate Investment Trust (REIT) activa per sector, hetgeen een indicatie geeft van de daling in de waarde van onroerend goed zoals verwacht door beleggers uit gereglementeerde markten. Op nietbeursgenoteerde vastgoedmarkten zijn de aanpassingen doorgaans minder ingrijpend - hoewel dit niet de gebruikelijke context is. Figuur 107: Waardevermindering van de Europese REIT activa in verhouding met hun brutowaarde , per sector

Activa die lange termijninkomsten bieden, hebben tijdens een recessie altijd defensieve kenmerken vertoond. De fondsen die deze activa stutten, presteerden relatief goed tijdens de 139

Aviva investors, COVID-19: l’impact sur l’immobilier en Europe, allnews, 9 april 2020.

197


Economische impact COVID-19

wereldwijde financiële crisis, waarbij beleggers duidelijk de voorkeur gaven aan de veilige en duurzame kasstromen ze boden. Vastgoedactiva ondersteund door lange termijn publieke of door de staat gegarandeerde inkomstenstromen behoren tot de meest veerkrachtige. Aan de andere kant van het spectrum lijken risicovollere, groeigerichte vastgoedstrategieën op korte termijn kwetsbaarder. Voor vastgoedontwikkeling zijn de timing en kosten van de projecten steeds onzekerder geworden, mede gelet op de verstoring van de supply chains en de afname van het arbeidsaanbod. Voor projecten die in de eindfase zitten, zal de verhuuractiviteit vermoedelijk worden afgeremd. Meer in het algemeen zullen investeerders zich waarschijnlijk risicoavers tonen ten aanzien van activa waarvan de vakantie- of leasecontracten aflopen. Ook tijdens cyclische implosies kunnen structurele veranderingen versneld worden. Dit geeft aanleiding tot bezorgdheid over het discretionaire segment van commercieel onroerend goed, een van de eerste sectoren die door COVID-19 wordt getroffen, met name in activa die afhankelijk zijn van toerisme. Net als in de horeca manifesteren zich de eerste tekenen van onvermogen om de huur te kunnen betalen en doemen mogelijke faillissementen op. Beleggers die getracht hebben te anticiperen op veranderingen in consumentengedrag door hun activa in het discretionaire segment van commercieel onroerend goed af te bouwen, zouden minder hard worden getroffen. Activa in het niet-discretionaire segment van commercieel onroerend goed, zoals supermarkten en apotheken, zullen waarschijnlijk minder worden geraakt door een sterke daling van de vraag, maar kunnen desalniettemin operationele problemen ondervinden. In het kantoorvastgoedsegment zijn beperkende clausules ten aanzien van de verhandelbaarheid en de kwaliteit van het bilan van de klant essentiële factoren. Zoals blijkt uit onderstaande grafiek, waarderen kredietmarkten de activa alsof het risico op wanbetaling ten gevolge van minder stringente clausules snel is toegenomen. Activa die worden gedekt door huurovereenkomsten met de overheid en openbare instellingen behoren waarschijnlijk tot de meest veerkrachtige, en van bedrijven die een essentiële rol spelen in de samenleving en de economie in ruime zin, mag verwacht worden dat zij vlotter in aanmerking komen voor overheidssteun. Aan de andere kant is de bezetting in de transport-, toerisme- en industriële sector wellicht kwetsbaarder. Portefeuilles die werden samengesteld om een duurzaam inkomen te genereren door zich te richten op sterke klanten en activa van hoge kwaliteit, zullen minder snel last ondervinden van een verstoring van de cashflow.

198


Economische impact COVID-19

Figuur 108: Credit spread voor Britse BBB-effecten op 10 jaar

In het logistieke vastgoedsegment verschillen de gevolgen naargelang de betrokken actoren.. De bezetting van deze activa kan nadelen ondervinden door de verstoring van de wereldwijde toeleveringsketens en mogelijke tekorten aan arbeidskrachten, en de detailhandelsverkopen in de winkel kunnen de vraag verminderen. Er mag echter verwacht worden dat een groter aandeel van de bevolking tijdens de periode van gedwongen sociaal isolement afhankelijk wordt van online handel, waardoor de sector een boost krijgt. Over het algemeen moeten activa die een directe band hebben met de consument of het personeel veerkrachtiger zijn. De sector studentenhuisvesting is over het algemeen defensief en de huurinkomsten zullen naar verwachting op korte termijn veel minder worden beĂŻnvloed dan in veel andere sectoren. Als reizen en hoger onderwijs aan het einde van de zomer 2020 echter wereldwijd verstoord blijven, zullen de bezettingsgraden voor het studiejaar 2020-2021 voor uitdagingen komen te staan. Tijdens deze periode zullen eigenaars nauw moeten samenwerken met hun klanten om hun inkomen te vrijwaren. Degenen die sterke, vertrouwensrelaties hebben opgebouwd, zijn het best geplaatst om de uitdagingen van vandaag aan te gaan. Een belangrijke karakteristiek van onroerend goed is dat beleggers een informatievoordeel kunnen verwerven, bijvoorbeeld door zich te concentreren op specifieke markten waar ze sterke relaties met lokale spelers kunnen opbouwen. Dit kenmerk is vooral waardevol in tijden van volatiliteit, wanneer de kloof tussen prijzen en waarderingen groter wordt, omdat het toelaat goede investeringsopties te identificeren. Hoewel de komende maanden voor alle investeerders zeer moeilijk zullen zijn, moeten degenen die de grootste marktkennis en de sterkste lokale relaties hebben verworven, in de beste positie verkeren om te profiteren van deze veerkracht op lange termijn.

199


Economische impact COVID-19

10.1.5

Impact op de luchtvaartsector

De Europese luchtvaartmaatschappijen140 zitten diep in de problemen omdat de lockdown maatregelen tegen het coronavirus de vraag naar vliegreizen sterk onderdrukt. Volgens schattingen van de industrie is het luchtverkeer op sommige plaatsen met meer dan 90% gedaald, terwijl de wereldwijde verliezen waarschijnlijk meer dan €300 miljard zullen bedragen. Niet alleen de zwaar teruggelopen inkomsten doen de maatschappijen de das om, ook de terugbetaling van vliegtuigtickets hangt als een molensteen om hun nek: volgens IATA moeten de maatschappijen alleen al in Europa minstens €9,2 miljard aan terugbetalingen garanderen. Als dat cash moet gebeuren, zal dat dramatische gevolgen hebben. Overheden beschouwen luchtvaartmaatschappijen doorgaans als strategische activa - gezien hun bijdrage aan het bbp en de werkgelegenheid - en noodpakketten om hen te helpen de crisis te overleven, zijn al goedgekeurd of liggen op de onderhandelingstafel. Hierna enkele voorbeelden Air France is werkgever van 350.000 mensen en zijn activiteiten vertegenwoordigen ongeveer 1% van het bbp van Frankrijk. De Franse regering heeft zich dan ook voorgenomen alles op alles te zetten om de luchtvaarmaatschappij doorheen de crisis te helpen. Voorlopig heeft de regering een gewijzigde begroting voor 2020 vastgesteld die €20 miljard voorziet voor het agentschap dat de staatsdeelneming beheert, goed voor een belang van 14,3% in Air France-KLM. Nederland bezit iets minder dan 13% van de aandelen van de luchtvaartmaatschappij, na een verdubbeling van het belang vorig jaar. Het bedrijf, dat €25 miljoen per dag verliest, bevindt zich in een moeilijke situatie: slechts 10% van de vluchten wordt uitgevoerd en de 45.000 werknemers werken deeltijds. De Franse regering schiet de luchtvaartmaatschappij te hulp met €7 miljard leningen met staatswaarborg. De Nederlandse overheid plant om daar nog een €3 miljard bovenop te doen. Niettemin vreest men het ontslag van 1.500 à 2.000 personeelsleden. Lufthansa heeft 700 van zijn 760 vliegtuigen, inclusief de superjumbo's, aan de grond en de personeelsuren met twee derde verminderd. Het bedrijf heeft met Berlijn over een hulppakket onderhandeld, evenals met de Oostenrijkse, Belgische en Zwitserse regering, die drie van haar dochterondernemingen huisvesten. De staatssteun, in totaal €9 miljard, bestaat uit verschillende delen. Lufthansa krijgt een door de staat (publieke ontwikkelingsbank KfW) gegarandeerde lening van €3 miljard. Die moet in drie jaar tijd afbetaald worden, wat de cashpositie de volgende jaren onder druk kan zetten. De Duitse overheid injecteert ook tot €5,7 miljard in Lufthansa via een stille participatie zonder stemrecht. Een terugbetaling daarvan is niet beperkt in de tijd, maar de Duitse regering krijgt wel 4% interest, en de rente loopt op. Ten slotte krijgt Berlijn ook 20% van de Lufthansa-aandelen tegen €2,56 per aandeel. Om een vijandige overnamepoging af te blokken, zou het Duitse aandeel tot een blokkeringsminderheid kunnen stijgen. Belgische reddingsoperaties. Brussels Airlines en Tui Fly hebben de federale overheid gevraagd om respectievelijk €290 miljoen en €250 miljoen steun te verlenen. Andere bedrijven zoals Air Belgium, Sabena Aerospace en bagage-afhandelaars Aviapartner en Swissport zullen zich waarschijnlijk bij de oproep aansluiten. Brussels Airlines riskeert zonder hulp een faillissement en houdt al haar vliegtuigen op de grond tot minstens 15 mei. De 140

Euractiv’s newsletter, The Capitals Special Edition: Europe’s airlines try to ride out COVID-19 turbulence, 24 April 2020.

200


Economische impact COVID-19

pandemie zal ook gevolgen op lange termijn hebben, aangezien het bedrijf heeft besloten sommige routes voor ten minste een jaar te schrappen. Moederbedrijf Lufthansa - dat ook steun van Berlijn zoekt (zie hierboven) - kondigde in maart 2020 aan dat de herstructurering van de luchtvaartmaatschappij zou worden "geïntensiveerd". Brussels Airlines is momenteel in gesprek met de overheid en pistes worden onderzocht om de redding te verzekeren. Het bedrijf is belangrijk voor de Belgische economie, aangezien veel andere bedrijven en sectoren er rechtstreeks van afhankelijk zijn, naast de 4.200 directe werkplekken. Voor de werknemers van Brussels Airlines, die grotendeels tijdelijk werkloos zijn, blijft het bang afwachten. De directie van Brussels Airlines heeft zware besparingen aangekondigd op een bijzondere ondernemingsraad medio mei 2020. De maatschappij heeft aan de sociale partners aangekondigd 1.000 jobs te willen schrappen. Daarnaast wil de maatschappij het 10 vliegtuigen minder doen en worden nog 22 bestemmingen geschrapt. Begin mei 2020 rolde een forse ontslaggolf door de Europese luchtvaartsector. Ryanair wil 3.000 werknemers opzijschuiven. British Airways-moeder IAG zegt 12.000 medewerkers de wacht aan. Bij het Scandinavische SAS verdwijnen 5.000 banen. KLM neemt afscheid van 1.500 tot 2.000 mensen. Finnair. De impact van vliegreizen op het bbp in Finland wordt geschat op ongeveer 3% 4%. De verbindingen van Finnair met Azië, en met name met China, zijn erg belangrijk voor het toerisme, vooral in Lapland. Toerisme vormt ongeveer 2,5% van het bbp van het land. Helsinki is ook een knooppunt tussen Azië en Europa, de kortste route naar de Europese Unie. De Finse regering besloot op 19 maart 2020 om een staatsgarantie van maximaal € 600 miljoen te verlenen ter ondersteuning van de financieringsbehoeften van Finnair. Momenteel bezit de staat 55,8% van de aandelen van Finnair. SAS. Het Zweedse steunprogramma voor luchtvaartmaatschappijen van €0,5 miljard kreeg op 11 april 2020 groen licht van de Europese mededingingsautoriteiten. De regeling omvat voornamelijk leninggaranties en de overheid schat dat maximaal 20 bedrijven in aanmerking komen, waaronder Scandinavian Airlines (SAS), dat gedeeltelijk eigendom is van de Deense en Zweedse regering. SAS heeft al €137 miljoen van Denemarken ontvangen, en vergelijkbare bedragen zullen worden betaald door Noorwegen en Zweden. De luchtvaartmaatschappij zal vermoedelijk om en bij de 5.000 jobs chrappen. Spanje. Volgens AENA, een overheidsbedrijf dat verantwoordelijk is voor luchthavens in heel Spanje, kwam 82% van de 83,7 miljoen toeristen die Spanje in 2019 bezochten, met het vliegtuig. De sector is goed voor 12,3% van het Spaanse bbp en dit jaar wordt het geconfronteerd met een "perfect storm" -scenario: het geschatte inkomstenverlies voor 2020 bedraagt bijna € 100 miljard. De crisis zal ernstige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid: tot dusver zijn er bijna 150.000 tijdelijke ontslagplannen ingediend door grote en kleine en middelgrote ondernemingen in de toeristische sector.

10.1.6

Impact op de automobielsector

De Franse constructeur Renault, de Belgische VW-invoerder D'Ieteren en de Limburgse toeleverancier VCST kondigen een reeks ontslagen aan.141 In de Europese autosector druppelen de eerste ontslagen sinds de uitbraak van het coronavirus binnen. D'Ieteren Auto zal tot 211 van 1.705 banen in België schrappen. Dat meldde de Belgische verdeler van de VW-merken woensdag. Zowel bij de invoerder, de concessies als bij de leasetak 141

De Tijd, Corona duwt ontslaggolf in autosector op gang, 3 juni 2020.

201


Economische impact COVID-19

zijn jobs bedreigd. Het beursgenoteerde D'Ieteren zet ook de invoer van moto's van het merk Yamaha stop. De Limburgse toeleverancier VCST, die tandwielen maakt voor de autosector, wil 171 van de 427 banen schrappen. Het wil zijn activiteiten terugschroeven en meer inzetten op automatisering om de fabriek in Sint-Truiden rendabel te maken. Ook bij de constructeurs vallen de eerste ontslagen. Renault kondigde eind mei 2020 aan 14.600 jobs te schrappen. Dat Renault als eerste grote autobouwer een herstructurering aankondigt, is geen verrassing. Het bedrijf boekte vorig jaar voor het eerst in tien jaar netto in het rood (€141 miljoen). De crisis in de autosector begon in februari, toen Chinese toeleveranciers hun fabrieken sloten. Dat bracht de logistieke keten in Europa in moeilijkheden. Later deden ook de autofabrieken op Europese grond de deuren dicht. Volgens de Europese autofederatie ACEA142 konden de constructeurs bijna 2,5 miljoen auto's, vrachtwagens, bussen en trucks niet bouwen omdat hun lijnen stillagen. Bovendien worden naar schatting 1.138.536 jobs in de automobielindustrie getroffen door sluitingen van de fabrieken. Nochtans willen constructeurs, die tegen hoge vaste kosten aankijken, zoveel mogelijk auto's produceren, om ze dan via de dealers kwijt te raken. Tabel 69: Impact COVID-19 op productie en werkgelegenheid in de automobielindustrie Autoproductie Werkgelegenheid Nederland 30.819 13.500 België 33.360 30.000 Frankrijk 278.425 90.000 Spanje 452.155 60.000 Portugal 41.525 20.000 VK 262.715 65.455 Duitsland 616.591 568.518 Tsjechië 155.060 45.000 Zweden 23.464 67.000 Finland 11.604 4.500 Polen 101.957 17.284 Slovakije 114.632 20.000 Hongarije 51.552 30.000 Oostenrijk 26.480 14.307 Slovenië 19.399 2.890 Italië 157.933 69.382 Roemenië 68.673 20.000 Kroatië 700 Bron: ACEA

Dat cruciale verkoopkanaal krijgt het almaar benauwder. In België zijn de showrooms sinds begin mei opnieuw open. Maar door het lage consumentenvertrouwen en de dreigende economische crisis blijft de vraag naar nieuwe auto's laag. D'Ieteren Auto verkocht in mei 45% minder auto's dan een jaar eerder, een reorganisatie die volgens het bedrijf 'bijna alles' met corona te maken heeft. De automobielfederatie Febiac noteerde in mei 32% minder inschrijvingen dan een jaar eerder. Maar die inschrijvingscijfers omvatten vooral wagens die op het Autosalon begin dit jaar werden besteld. Volgens sommige partijen herstelt de verkoop razendsnel. Onder meer Hyundaiinvoerde Alcopa stelt vast dat de verkoop in mei was veel beter dan verwacht en dat de

142

ACEA, Interactive map: Production impact of COVID-19 on the European auto industry, 1 June 2020.

202


Economische impact COVID-19

verwachtingen te pessimistisch waren. Stockwagens gaan bij verschillende merken met grote kortingen de deur uit. Febiac voorspelt dit jaar niettemin een daling van het aantal inschrijvingen met 35%, zowat 200.000 auto's. Dat dreigt grote gevolgen te hebben voor de Belgische dealers. Garagehouders kampen al jaren met flinterdunne winstmarges, terwijl ze massaal moeten investeren in elektrificatie en nieuwe technologieën. Met de onlineverkoop krijgen dealers bovendien een extra concurrent.

10.1.7

Impact op de telecommarkt

De inkomsten van telecomoperators in ontwikkelde markten dalen dit jaar met gemiddeld 3,4% als gevolg van de Covid-19-crisis. Dat blijkt uit een nieuw rapport van Analysys Mason143. De telecommarkt zal naar verwachting in 2021 terugkeren naar een groei van 0,8%. De marktonderzoeker had eerder een groei van 0,7% in 2020 en 0,8% in 2021 voorspeld. Het totale effect voor operators in ontwikkelde economieën is volgens de schattingen een verloren omzet van meer dan $40 miljard dollar per jaar. Het rapport stelt dat telecom een relatief veerkrachtige sector is die beter zal presteren dan de algemene bbp-trends. Analysys Mason verwacht dat telecommunicatie in 2020 goed is voor 2,0% van het bbp, een stijging ten opzichte van 1,9% in 2019. Het belangrijkste negatieve effect is een scherpe daling van de inkomsten uit zakelijke dienstverlening als gevolg van de verwachte economische neergang in 2020. Consumenten zijn verantwoordelijk voor ongeveer twee derde van de inkomsten uit telecommunicatie. Dit segment is doorgaans relatief veerkrachtig tijdens economische neergang, aldus de marktonderzoeker. Operators moeten de impact op de winstgevendheid kunnen beperken, aangezien de pandemie de focus op kostenverlaging versterkt, zo verwacht Analysys Mason. De capex144 zal waarschijnlijk ook in 2020 dalen vanwege financiële beperkingen om in netwerken te investeren en verstoring van toeleveringsketens. Analysys Mason gaat ervan uit dat de telecomsector in deze crisis gezonder zal kunnen blijven dan bijna elke andere sector. Verwacht wordt ook dat de sector de sterkste investeringsremonte zal laten optekenen na de crisis. Deels omdat de cashflow veerkrachtiger is in de telecomsector dan in de meeste andere, en ook omdat sommige regeringen de nadruk zullen leggen op 5G en glasvezel in hun stimuleringspakketten. Het rapport kijkt naar 32 ontwikkelde economieën in Azië, Europa en Noord-Amerika. Het is gebaseerd op een veronderstelde daling van het bbp voor deze landen met 6% in 2020, gevolgd door een stijging van 4,6% in 2021.

143

Telecompaper, 3,4 procent omzetdaling ontwikkelde telecommarkten door corona, 16 april 2020.

144

Capital Expenditures (investeringen in vernieuwingsprojecten) staat voor de kosten voor ontwikkeling of levering van niet-verbruikbare onderdelen van een product of systeem. Als voorbeeld is de aanschaf van een kopieerapparaat de CAPEX, terwijl de kosten voor de jaarlijks benodigde toner en papier de OPEX (Operational of Operating Expenditures (exploitatie)) vormen.

203


Economische impact COVID-19

10.1.8

Impact op de e-commercemarkt

E-commerce zet opmars verder ondanks dalende omzet Uit een eerste onderzoek van E-commerce Europe, uitgevoerd onder meer dan 25 nationale ecommerce-verenigingen en hun leden, blijkt dat 65% van de respondenten verwacht dat de pandemie zal leiden tot een algemene daling van de online verkoop. Deze daling is zichtbaar in sectoren als reizen, vakanties, mode en schoenen. Terwijl de reis- en vakantiesectoren een totale daling van de vraag ervaren, zien de mode- en schoenenindustrie een omzetdaling van tussen de 40% (Denemarken) en 60% (Frankrijk). Productcategorieën die het wonen en werken thuis handiger maken, laten daarentegen een enorme groei zien, variërend van 50% tot 90%, verschillend per land en per productcategorie. Voorbeelden van producten in deze categorie zijn eten en drinken, drogisterijproducten, producten voor gezondheid en persoonlijke verzorging, home entertainment, sport, doe-het-zelf en diepvriezers/koelkasten, en alles wat met thuiswerken te maken heeft. Volgens respondenten (94%) kunnen producten nog steeds binnen Europese grenzen worden verzonden. Binnen de verschillende Europese landen vindt 88% van alle leveringen nog binnen de beloofde tijden plaats, maar meer dan de helft van de respondenten (55%) meldt vertragingen bij de levering van producten. In veel landen wordt aan consumenten gevraagd om rekening te houden met een gemiddelde levertijd van twee of drie dagen. Een tweede onderzoek reveleert dat de sluiting van niet-essentiële fysieke winkels niet echt tot een grotere druk op online winkels heeft geleid. Slechts 27% van de respondenten geeft aan dat dit het geval is. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat meer dan de helft (64%) van de respondenten erkent dat de sluiting van fysieke winkels hen ertoe aanzette om hun producten via alternatieve opties te verkopen en te leveren aan consumenten. Van deze respondenten gaf 78% te kennen online verkopen te starten en te organiseren. Bovenstaande bevindingen worden bevestigd door McKinsey & Company145. In China is het online winkelen met 15 tot 20 procentpunten gestegen, en is de e-commerce in Italië met 81% gestegen in vergelijking met de laatste week van februari. Amerikaanse consumenten hebben grotendeels hetzelfde patroon gevolgd. Nu het offline winkelen instort, worden de strategieën van bedrijven gericht op het versterken van hun aanwezigheid op het web en in sommige gevallen op het opbouwen van een online bedrijf. E-commerce geeft de omschakeling naar de ‘hihg touch digitale retailer’ een boost. Vooral omdat er vanuit (potentiële) klanten steeds meer behoefte is aan de menselijk kant van winkelen, ook in de onlinecontext. Het draait vooral om menselijke interactie, inspelen op de klantbehoefte, de menselijkheid van een bedrijf laten zien en alles persoonlijk maken. Nieuwe winkelcategorieën die van oudsher een high-touch-ervaring vereisen vanwege het klantenbestand of de categorie zelf, zullen online overschakelen. De noodzaak aan lockdownmaatregelen heeft bijvoorbeeld geleid tot een grotere vraag naar hoogwaardige voedingssets. Zo zag de Mindful Chef van het Verenigd Koninkrijk de omzet tijdens de eerste weken van de crisis met 452% toenemen. Er mag verwacht worden dat zowel nieuwe klanten, zoals bijvoorbeeld de oudere generatie die voorheen niet in dezelfde mate gebruik maakte van technologie als de jongere, als nieuwe sectoren, zoals het dagelijkse boodschappen, zich steeds meer zullen wenden tot onlineverkoop. Andere sectoren zoals de vastgoedsector waarin persoonlijke ontmoetingen centraal stonden, gaan ook online. Het coronavirus gaf een enorme boost aan een verscheidenheid aan vastgoeddiensten,

145

McKinsey & Company (2020) Building an e-commerce business: Lessons on moving fast.

204


Economische impact COVID-19

van virtuele rondleidingen door het huis tot virtuele rondleidingen onder leiding van robots. Vastgoedstart-up Zenplace, bijvoorbeeld, heeft sinds begin maart een interesse van 293% zien toenemen in zijn slimme geautomatiseerde lockboxen en zelf-geleide rondleidingen door het huis. Verbeteringen in technologie en het gebruik van kunstmatige intelligentie (AI) en analyse om steeds meer gedetailleerde klantinzichten te leveren, zullen deze trend stimuleren. E-commerce zal dus, mede onder invloed van de coronacrisis, ook in de toekomst bepalend blijven en aan populariteit winnen. Dit heeft te maken met een aantal factoren zoals: De opmars van artificiële intelligentie. Technologieën zoals aanbevelingssystemen (recommender systems), geoptimaliseerde prijzen, uitgebreid zoeken (zoals zoeken naar foto’s) en marketingautomatisering zullen hun weg blijven vinden in de e-commercemarkt en een persoonlijkere ervaring bieden. Ook VR en AR zijn AI-toepassingen die een belangrijke rol spelen, onder meer in de klantbeleving en de zoektocht naar het geschikte product op persoonlijke maat. Verwacht wordt dat de consument een steeds toenemende hoeveelheid tijd zal doorbrengen in de virtuele wereld. Conversational interfaces zoals ‘Alexa’ en ‘Google Home’ zullen ook een steeds belangrijker nieuw kanaal worden voor marketeers. Het experimenteren met nieuwe businessmodellen. Een voorbeeld is het abonnementsmodel (bijna alles kan tot een abonnementsmodel worden gemaakt). Het grote voordeel voor het bedrijf zijn de terugkerende inkomsten, wat een grote trend op zich is. De consument begint ook de voordelen van abonnementsmodellen te ontdekken, zoals de mogelijkheid om nieuwe kledingmerken (Stitch Fix), films (Netflix), wijnen (Our Daily Bottle), recepten (Hello Fresh), speelgoed op maat van kinderen (Hoppi Box). In een ander voorbeeld van een nieuw bedrijfsmodel gaat het erom de constante verandering in de vraag van klanten bij te houden en alles in het werk te stellen om te differentiëren en de marges te vergroten. Er wordt verwacht dat huismerkproducten (private label products) een sterke opgang blijven kennen. Succesvolle voorbeelden zijn Peak Design (een tassenmerk), Dr. Axe (een natuurlijk gezondheidsmerk) of Amazon's Belei Skincare (een schoonheidsmerk). Het wordt steeds makkelijker om eigen private labels te maken. Verder is er nog steeds veel belangstelling voor dropshipping. In dit model heeft de winkeleigenaar geen producten op voorraad. In plaats daarvan worden alle bestellingen rechtstreeks verzonden naar een derde partij die het naar de klant verzendt. Klanten realiseren zich meestal niet eens dat deze methode wordt toegepast. Het is een van de meest populaire bedrijfsmodellen voor kleine bedrijven die net beginnen met e-commerce, omdat hier weinig risico aan verbonden is, behoudens de afhankelijkheid van de derde partij. Bewustzijn rond duurzaamheid. Het toenemend bewustzijn voor duurzame ontwikkeling sijpelt meer en meer in de e-commercewereld door. Volgens 70% van de millennials is duurzaamheid een belangrijke variabele als het gaat om aankoopbeslissingen. Dit noopt de e-commercesector tot acties in tal van domeinen gaande van productselectie en -verpakking tot innovatie en milieuvriendelijke toeleveringsketens (duurzame logistiek en mobiliteit). Het aanboren van het potentieel van de oudere generatie. Het is te verwachten dat veranderingen in online winkelgewoonten vooral kunnen voorkomen bij oudere klanten - de groep die het meest vatbaar is voor het coronavirus en daardoor waarschijnlijk winkels vermijdt, maar vandaag de dag het minst geneigd is om online te winkelen. Een verschuiving naar online winkelen bij de oudere bevolkingsgroepen kan verkopers op korte termijn een boost geven, maar kan tevens op de langere termijn de verkoop stutten als deze klanten online blijven winkelen nadat de gezondheidscrisis afneemt.

205


Economische impact COVID-19

Leveringstijden nemen toe wegens grote druk op de supply chains146 Consumenten zijn gewoon om snelle levering van online bestellingen te ontvangen, maar de pandemie heeft de toeleveringsketens sterk onder druk gezet - zelfs bij slimme retailers zoals Amazon, die zijn bedrijf ingericht had om versnelde verzendingen mogelijk te maken. Op dit moment is de supply chain verstoord en is er geen gemakkelijke manier voor retailers om een specifieke levertijd te garanderen. Veel retailers sturen producten zo snel mogelijk uit, maar door minder bezorgers - en een algemeen lager werktempo - verloopt dit proces langzamer dan in normale omstandigheden. Bovendien duurt de verwerkingstijd veel langer dan normaal. Volgens analyse op basis van pakketten geleverd door klanten van Convey, een supply chain management bedrijf, kostte het op 2 april meer dan een uur meer om digitale bestellingen te verwerken in vergelijking met 23 februari. Figuur 109: Toename van de verwerkingstijd van online bestellingen sinds coronacrisis

Dit zal waarschijnlijk doorgaan naarmate meer consumenten zich wenden tot online winkelen om essentiĂŤle producten te verkrijgen terwijl zij thuis blijven. De meeste vertragingen houden niet noodzakelijkerwijs verband met verkopers - het is de leveringsfrictie die de zaken vertraagt. Wanneer de economie herneemt, zal zich dat vertalen in leveringstijden. Tenzij een detailhandelaar beschikt over een eigen last-mile-bezorgingsfaciliteit, kan hij niet veel anders doen dan de zijn klanten op de hoogte te stellen dat de levertijden langer zullen zijn. Zelfs 146

eMarketer, Supply Chains Are Strained as the Pandemic Causes a Surge in Online Orders, 26 April 2020.

206


Economische impact COVID-19

een bedrijf als Amazon kan het niet bijhouden - en het bezit duizenden last-mile-vrachtwagens. Kijk ook maar naar de grote moeilijkheden die BPost ondervindt om de online bestellingen te verwerken en ter plaatse te krijgen. Om de problemen op te lossen heeft Amazon aangekondigd dat het van plan is 100.000 nieuwe werknemers in dienst te nemen, van wie er velen last-mile bezorging in belangrijke steden in de VS zullen afhandelen. Om de reacties van consumenten te milderen en klantenverloop te vermijden, moeten verkopers ervoor zorgen dat hun orderverwerking en verwerkingstijden vergelijkbaar zijn met die van concurrenten. De afhandeling en verwerkingstijden van bestellingen zullen het verschil maken tussen de verkopers. Heldere communicatie is daarbij ook een sleutelelement. Hoewel veel consumenten weten dat pakketten mogelijk niet zo snel zullen aankomen als ze zouden willen, kan een eenvoudige erkenning van een bedrijf de loyaliteit op lange termijn stimuleren.

10.1.9

Impact op de energiesector

Hoewel de energiebevoorrading als strategische sector mag blijven functioneren tijdens de coronacrisis, houdt het virus lelijk huis bij de energiebedrijven. Dat blijkt uit een studie van de strategieconsultant Arthur D. Little.147 Veel problemen en bedreigingen, en weinig redenen tot optimisme. Het menu voor de energiesector voor de rest van dit jaar oogt weinig smakelijk, becijferden Florence Carlot en Kurt Baes van de strategieconsultant Arthur D. Little, op basis van een internationale studie bij 26 CEO's en 300 klanten in de energiesector. De economische impact in de eerste maanden van dit jaar leest als een wordt case scenario. De vraag naar elektriciteit, gas en olie kelderde, met als gevolg dat de prijzen nieuwe diepterecords hebben opgezocht.

Elektriciteit Al zijn er verschillen. De daling van de vraag naar elektriciteit lijkt onder meer samen te hangen met de graad van industrialisering en de strengheid van de coronamaatregelen in een land. Het meest sprekende voorbeeld is het Verenigd Koninkrijk. Eind maart was er geen impact, maar in twee weken tijd kelderde de vraag met 27 procent. Frankrijk is de koploper, met een daling van 35 procent, voor Spanje (28%). België (-24%) doet het zelfs slechter dan Italië (-13%), al zag dat land de vraag in de eerste week van januari fors toenemen. Sinds 6 januari crashte de vraag er met bijna 30 procent. Dat vertaalt zich in de prijs. Die is behoorlijk volatiel, met al vier weekends op rij negatieve prijzen. Op 14 april stond de teller in België op -56%, in Frankrijk op -62% en in Duitsland op -42%. De ranglijst wordt aangevoerd door de Noordse landen, met een daling van 75%. Voor de duidelijkheid: dat zijn prijzen op de spotmarkt. Dat de consumenten die impact niet in die mate voelen op hun factuur, komt doordat de meeste een gemiddelde jaarprijs betalen, en de energie in België nog hooguit een derde van de factuur uitmaakt. Voor de bedrijven in de energiesector oogt 2020 dan ook als een mijnenveld. Het grootste lichtpunt is de digitalisering, die door het coronavirus een serieuze boost heeft gekregen. De invoer van de digitale meters zal nog worden versneld, aldus de onderzoekers. Bij de netwerkoperatoren dreigt echter een tekort aan werkkrachten, waardoor sommige 147

Huysmans, L. (2020) Energiesector kreunt onder corona, Trends, 23 april 2020.

207


Economische impact COVID-19

investeringsprogramma's mogelijk worden uitgesteld. Denk aan de hoogspanningslijnen voor windparken op zee. Als die er niet op tijd zijn, is dat een ramp voor de investeerders. Netwerkbeheerders en windparkeigenaars zullen er alles aan doen om dat te vermijden, maar het is een risico. Andere investeringen lopen wellicht wél vertraging op, aldus nog de auteurs. Mogelijk bevriezen de overheden de subsidies voor hernieuwbare energieprojecten tijdelijk. Daardoor wordt het op korte termijn moeilijker de klimaatdoelen te halen. Toch verwachten de auteurs niet dat dat een impact zal hebben op de klimaatdoelstellingen richting 2030 en 2050. Tenzij er elk jaar een virus opduikt. Voor energieverkopers is de digitale kwantumsprong waar het coronavirus ons toe verplicht een zegen. De groeicurve van de jongste jaren werd plots exponentieel versneld. Een andere studie van Arthur D. Little bij 120 kaderleden wees uit dat CEO's van energiebedrijven meer dan hun collega's in andere sectoren de digitalisering omarmen. Die zal hun werkmethodes verbeteren en biedt op middellange termijn kansen, aldus de onderzoekers. Maar op korte termijn worden ze geconfronteerd met een dalende vraag van hun klanten, en de economische onzekerheid zal een snelle herneming van de vraag in de weg staan. Bovendien verandert in België één op de vijf klanten elk jaar van leverancier. Daarbovenop zullen die bedrijven te kampen krijgen met meer wanbetalers. Terwijl zij verantwoordelijk zijn voor het innen van de totale factuur, inclusief heffingen en distributietarieven. De crisis speelt wellicht in de kaart van de grotere energieverkopers. In het Verenigd Koninkrijk zijn de jongste jaren al meer dan tien kleine spelers opgekocht door cashproblemen en de volatiliteit.

Olie en gas De olieprijs daalde sinds begin januari met 52%. Er is een impact van corona, maar de dalende trend was er al, vooral door de prijzenoorlog tussen Rusland en Saudi-Arabië. Dat effect is veel groter, analyseren de onderzoekers. Mede door corona wordt dit jaar een vraagkrimp van meer dan 10 miljoen vaten per dag verwacht, vooral door het lagere autogebruik. Het akkoord dat Rusland en de OPEC hebben gesloten om de productie te beperken, zal de prijs op korte termijn niet de hoogte injagen. Zeker omdat in grote delen van de wereld, zoals Zuid-Amerika, de grote golf van het virus nog moet komen, en bijvoorbeeld Azië al wordt geconfronteerd met een tweede golf. Die lage olieprijs hakt er zwaar in, zeker bij de producenten van duurdere olie, zoals de schalieolieboeren in de Verenigde Staten en Canada. Toch gaan de auteurs er niet van uit dat die van de markt worden geveegd. Ook voor de raffinaderijen voorspelt Arthur D. Little weinig mooi weer. Lage benuttingsgraden en rode cijfers dreigen. Maar dat hoeft niet te gelden voor de Belgische raffinaderijen in Antwerpen en Feluy. Er was een trend om het eindproduct dichter bij de bron te produceren, maar de Europese klanten zullen opnieuw een stuk controle op de logistieke keten willen herwinnen. Bovendien zijn nieuwe installaties duur. De bestaande kunnen niet zomaar verplaatst worden. De gasprijs ging met ongeveer een derde naar beneden. Dat weegt vooral op de lng-sector (vloeibaar natuurlijk gas). Daar worden massaal miljardenprojecten geschrapt. Ook voor olie- en gasvervoerders zoals de Belgische rederijen Euronav en Exmar oogt 2020 zacht gezegd uitdagend. Uitbaters van pijpleidingen hangen vast aan de infrastructuur. Dat biedt een stuk stabiliteit, want het zijn meestal gereguleerde monopolies. Dat geldt veel minder voor uitbaters

208


Economische impact COVID-19

van schepen. Door de lagere vraag zullen hun inkomsten dalen. Het voordeel van de gasmarkt is dat die uit verschillende blokken bestaat: Azië, Amerika en Europa. Er kan een verschillende dynamiek zijn. Maar hoe dan ook is er een impact op alle gebieden.

10.2

België/Vlaanderen

10.2.1

Algemeen beeld148

Hoewel de economische neergang die door de coronavirusepidemie is veroorzaakt, diepgaand is en alle sectoren op een of andere manier worden beïnvloed door de huidige situatie, zijn de effecten zeer verschillend van de ene sector tot de andere. Bovendien verschillen de sectoren sterk in hun vermogen om zich na de lockdown te herstellen. Zo zorgt het advies van de overheid om het reizen tot een minimum te beperken en de sluiting van de grenzen van het Schengengebied tot een ongekende afname van de vraag in de reis-, toerisme-, vrijetijds- en horecasector. Bovendien zullen, gezien de onzekerheid over de duur van de beperkingen, niet alles meteen hernemen, wat betekent dat de gevolgen voor de sector maandenlang voelbaar zullen zijn. Voor de luchtvaart zal de daling van de vraag waarschijnlijk ook ernstig zijn. De annulering van de meeste vluchten tussen China en de Europese luchthavens werd snel gevolgd door overheidsbeperkingen voor reizen naar Italië, vervolgens voor trans-Atlantische vluchten en ten slotte door het grootste deel van het intra-Europese luchtverkeer. Grote luchtvaartmaatschappijen zoals Air France-KLM, Lufthansa en British Airways voorspellen een daling van 70% tot 90% van de activiteit in maart en april als gevolg van de verspreiding van het virus. Tegelijkertijd heeft de vermindering van het aantal passagiersvluchten gevolgen gehad voor de luchtvracht, waarvan de helft van de totale goederen normaal gezien tijdens passagiersvluchten wordt vervoerd. Door de verminderde capaciteit en de toegenomen vraag ter compensatie van vertragingen in het zeevervoer zijn de luchtvrachttarieven sterk gestegen. In de detailhandel leidt de angst voor tekorten ertoe dat consumenten massaal voeding en andere levensnoodzakelijke artikelen kopen. Maar voor de meeste niet-voeding gerelateerde detailhandelaren neemt de vraag fors af als gevolg van de bezorgdheid over het virus, de onzekerheid over de inkomsten en de verplichte sluiting van winkels. Hoewel het mogelijk is dat sommige aankopen eenvoudigweg worden uitgesteld, zullen andere, zoals seizoensgebonden aankopen, voorgoed verloren gaan. Bovendien wordt de levering aan de detailhandel beïnvloed door beperkingen van transport en door het stopzetten van de productie op sommige locaties. De verwerkende nijverheid heeft al enkele weken te kampen met problemen. Dit is vooral te wijten aan vertragingen bij de levering van de onderdelen en het stilleggingen van productielijnen, maar ook aan de sterke daling van de vraag vanuit China en Zuid-Korea, belangrijke markten voor Europese goederen. Deze moeilijkheden zullen waarschijnlijk verergeren gezien de daling van vraag en aanbod in de Westerse landen. Zodra de productie hervat wordt, zal een inhaalslag in de verkoop afhangen van een herstel van het vertrouwen. De sector zakelijke dienstverlening heeft waarschijnlijk minder last van inperkingsmaatregelen, omdat de bedrijfscontinuïteit voor een groot deel mogelijk is via meer thuiswerk. Door de sluiting van kantoren daalt echter de vraag naar de schoonmaak-, catering- en beveiligingsdiensten die normaal gesproken met elkaar verbonden zijn. Tegelijkertijd zal een intensiever gebruik van web148

ING (2020) Enkele sleutels voor een beter begrip van de impact van het coronavirus op de Belgische economie, ING Belgium Economic Newsletter, IBEN nr. 01-2020.

209


Economische impact COVID-19

gebaseerde toepassingen waarschijnlijk de vraag naar datacenterdiensten en aanbieders van videoconferentiesoftware doen toenemen. Zelfs de bouwsector, die aanvankelijk een van de sectoren was die het minst werd getroffen door Covid-19, ondervindt de gevolgen van de huidige crisis, omdat het werk door inperkingsmaatregelen en problemen bij de levering van materialen onmogelijk is. Twee op de drie bouwbedrijven wordt ernstig gehinderd door coronamaatregelen, zo blijkt uit een onderzoek van de Confederatie Bouw, waaraan 820 bouwbedrijven deelnamen. In 41% van de bouwbedrijven zijn de werkzaamheden al gestaakt, niet alleen omdat het moeilijk is om te werken als de werknemers voldoende afstand moeten houden, maar ook omdat de aanvoer van materialen beperkt is. Volgens het onderzoek heeft slechts 8% van de bouwbedrijven nog genoeg materiaal om mee te werken. Vooral het aanbod van beton lijkt problematisch. Ook de landbouwsector voelt de gevolgen: de verkoop van landen tuinbouwproducten is gedaald en er is een tekort aan arbeidskrachten als gevolg van reisbeperkingen voor seizoensarbeiders. Het is op dit moment nog te vroeg om een gekwantificeerd effect op elke sector te geven. Wel kan berekend worden welke sectoren het gevoeligst zijn voor de gevolgen van de epidemie. ING analyseert drie aspecten: 1. Welke sectoren zijn het meest blootgesteld aan een verstoring van de bevoorrading vanuit het buitenland? 2. Welke sectoren zijn het meest blootgesteld aan een daling van de vraag uit het buitenland? 3. Welke sectoren zijn het meest blootgesteld aan een daling van de binnenlandse vraag?

Stroomopwaartse blootstelling (invoer) Om te begrijpen welke sectoren het meest blootgesteld zijn aan een verstoring van de supply chain vanuit het buitenland, biedt de input-outputmatrix van de Belgische economie interessante informatie. Zoals de naam al aangeeft, kan de oorsprong van alle inputs (of "intermediaire aankopen") die elke sector van de Belgische economie gebruikt, worden uitgesplitst en kan worden vastgesteld of deze inputs uit het buitenland afkomstig zijn. Uit de analyse van deze gegevens kunnen verschillende interessante sectorale indicatoren worden afgeleid. De eerste geeft het aandeel weer van de import in het totaal van de aankopen van intermediaire goederen van elke sector (exclusief energie). Het geeft dus aan in welke mate elke sector afhankelijk is van het buitenland voor de aankoop van inputs en dus ook een indicatie van het risico op verstoring van de supply chain voor een sector. In België komt 76% van de materialen die door bedrijven in de voertuigbouwen assemblagesector worden gebruikt, uit het buitenland. Voor de metaalindustrie wordt 56% van de input geïmporteerd, terwijl dat in de reisbureausector 71% bedraagt en in de chemische industrie 68%. In het algemeen geldt dat hoe groter het aandeel van de invoer in de totale input van een sector is, hoe kleiner de kans is dat er op Belgisch grondgebied substituten worden gevonden. Deze sectoren lopen dus gevaar in geval van een breuk in de toeleveringsketen vanuit het buitenland. De indicator van het aandeel van de invoer in de totale aankopen van intermediaire goederen voor een sector zegt evenwel niet alles. Sommige sectoren hebben namelijk veel inputs nodig om één eenheid toegevoegde waarde te produceren, terwijl andere sectoren zeer weinig van dit soort goederen nodig hebben om toegevoegde waarde te creëren. Naast de invoerintensiteit van de inputs (1) moet dus ook rekening worden gehouden met de hoeveelheid die in een sector nodig is om één eenheid toegevoegde waarde te produceren (2). Deze twee gegevens samen

210


Economische impact COVID-19

maken het mogelijk om voor elke sector de invoerintensiteit van intermediaire goederen per eenheid van toegevoegde waarde, beter te begrijpen. Tabel 70: Sectorale blootstelling aan stroomopwaartse verstoring van de bevoorradingsketen

De sector voertuigbouw en -montage heeft 4,01 invoereenheden nodig om één eenheid toegevoegde waarde te produceren. Het is de Belgische sector die het meest blootgesteld is aan een breuk in de toeleveringsketen vanuit het buitenland, op de voet gevolgd door de reisbureausector, die 3,62 invoereenheden nodig heeft om één eenheid van waarde te creëren (wat normaal is omdat een groot deel van de bestemmingen per definitie in het buitenland ligt). De sectoren metallurgie, luchtvervoer en cokes sluiten de top 5 af met respectievelijk 2,9, 2,7 en 1,9 invoereenheden die per gecreëerde eenheid toegevoegde waarde worden gebruikt. Maar het is duidelijk dat sommige sectoren, gezien hun omvang, belangrijker zijn dan andere in het Belgische bbp. De totale impact van een breuk in de bevoorradingsketen hangt dus af van de importafhankelijkheid van de grootste sectoren van de Belgische economie. Zo importeert de groothandel bijvoorbeeld 61% van zijn input, wat relatief weinig is in vergelijking met andere sectoren. Toch is de groothandel alleen al goed voor 6% van de Belgische toegevoegde waarde, waardoor het een van de grootste sectoren van het land is. Daarom zou een breuk in de toeleveringsketen voor de groothandel een grotere impact hebben op de Belgische economie dan een breuk in de toeleveringsketen in de cokes- en raffinagesector. Om rekening te houden met deze effecten op de omvang van de sector wordt het effect van een importverlies van 5% voor elk van de sectoren afzonderlijk geschat en wordt het directe effect op het Belgische bbp gemeten149.

149

De 5%-veronderstelling wordt willekeurig genomen. In werkelijkheid zullen de sectoren anders worden beïnvloed. Dit geeft dus slechts een indicatie van de impact van een willekeurig gekozen schok.

211


Economische impact COVID-19

Figuur 110: Effect op de totale toegevoegde waarde (bbp) van een importverlies van 5% in elke sector van de economie

Het effect van een verlies van 5% van de invoer van inputs in de groothandel zou het effect hebben van een daling van 0,18% van het Belgische bbp. Dezelfde schok voor de voedingsindustrie zou leiden tot een daling van het bbp met 0,17%.

Stroomafwaartse blootstelling (export) Om te begrijpen welke sectoren worden blootgesteld aan een verstoring van de vraag vanuit het buitenland, kan voor elke sector bepaald worden wat het aandeel in de waardecreatie is dat gekoppeld is aan de buitenlandse vraag. In de praktijk maakt deze indicator het mogelijk om te begrijpen in welke mate elke sector getroffen zou worden door een verlies aan exportcapaciteit. Aangezien de Belgische economie een kleine en zeer open economie is (40% van de daadwerkelijk gecreĂŤerde waarde in BelgiĂŤ is het resultaat van de buitenlandse vraag), zijn veel sectoren sterk afhankelijk van de export om hun goederen of diensten te verkopen. De afhankelijkheid van de wereldvraag verschilt echter sterk van sector tot sector. Zo zijn sectoren als de binnenvaart, de automobielindustrie, de metallurgie of de textielindustrie voor meer dan 95% van hun toegevoegde waarde afhankelijk van de mondiale vraag (zie onderstaande tabel). Het onvermogen om te exporteren kan dus aanzienlijke gevolgen hebben voor bedrijven in dit soort sectoren, die geconfronteerd zouden kunnen worden met een sterke daling van de vraag naar de goederen en diensten die zij leveren, aangezien de meeste daarvan door buitenlandse entiteiten worden gevraagd. Tabel 71: Sectorale blootstelling aan verstoring van de buitenlandse vraag

212


Economische impact COVID-19

Uiteraard zijn deze sectoren niet noodzakelijkerwijs de belangrijkste in de Belgische economie, die vooral een diensteneconomie is. In feite vertegenwoordigt elk van de bovengenoemde sectoren minder dan 1% van de totale toegevoegde waarde van het land. Het is dus mogelijk om, naast de sectorale blootstelling aan de uitvoer, rekening te houden met het belang van elke sector in de Belgische economie (zie onderstaande grafiek). Deze analyse maakt het mogelijk om de impact van een daling van de buitenlandse vraag op elk van de sectoren van de Belgische economie te benadrukken. Zo zou een daling van de buitenlandse vraag met 5% voor de juridische, boekhoudkundige en hoofdzetelsector een impact van 0,35% hebben op de totale toegevoegde waarde in België (het bbp), terwijl dezelfde schok voor de groothandel (exclusief voertuigen) een impact van 0,23% zou hebben. Figuur 111: Effect op de totale toegevoegde waarde (bbp) van een exportverlies van 5% in elke sector van de economie

Het is belangrijk te begrijpen dat deze cijfers een “beschrijvend” idee geven van de sectorale impact van een schok en het belang van die impact voor de Belgische economie. Anderzijds geven deze gegevens geen indicatie van de totale macro-economische impact van een dergelijke schok. In feite zijn alle sectoren met elkaar verbonden, wat betekent dat een daling van de buitenlandse vraag naar de ene sector overloopeffecten zou hebben op de andere sectoren. Bovendien zal een daling van de buitenlandse vraag waarschijnlijk alle sectoren tegelijk treffen, wat betekent dat de schokken elkaar zouden kunnen aanvullen en dat de intra-sectorale gevolgen groter zouden zijn. Aan de andere kant zal een totale schok waarschijnlijk elke sector anders beïnvloeden. Zo zou de daling van de buitenlandse vraag in sommige diensten, die op afstand kunnen blijven opereren, kleiner kunnen zijn dan in andere sectoren. Deze gegevens geven dus geen metriek voor dit aspect, maar wijzen alleen op de sectoren die het meeste risico lopen. Ook moet worden opgemerkt dat sommige sectoren na een daling een sterke opleving van de vraag kunnen meemaken, terwijl in andere sectoren de verloren gegane vraag nooit zal worden teruggewonnen. In dit stadium is het onmogelijk om een numerieke simulatie te geven van de gecombineerde macro-economische impact van een dergelijke schok op alle sectoren.

Stroomafwaartse blootstelling (binnenlandse vraag) Zoals gezegd kan de economische schok overal vandaan komen. Terwijl sommige sectoren van de Belgische economie sterk afhankelijk zijn van de buitenlandse vraag, waardoor ze kwetsbaar

213


Economische impact COVID-19

zijn in geval van een daling van de wereldhandel, zijn andere sectoren sterk afhankelijk van de binnenlandse vraag. Dat kan ook een probleem zijn in een scenario waarin de binnenlandse vraag daalt. Het geval van de horeca is een bijzonder geval, aangezien cafĂŠs, restaurants, bars en discotheken gedwongen worden te sluiten. De analyse van de blootstelling aan de binnenlandse vraag heeft hier dus weinig zin en in het specifieke geval van een sluitingsopdracht is het begrijpelijk dat deze sector het zwaarst wordt getroffen. Maar de binnenlandse vraag zal waarschijnlijk ook in andere sectoren afnemen, hetzij vanwege de expliciete vraag om het aantal bijeenkomsten te verminderen, hetzij simpelweg vanwege de angst die deze epidemiecrisis met zich meebrengt. In deze context zijn de sectoren die het meest zijn blootgesteld aan een daling van de binnenlandse vraag (als die zich al voordoet) de vastgoedactiviteiten en de bouw. Tabel 72: Sectorale blootstelling aan een verstoring van de binnenlandse vraag

Net zoals bij de blootstelling aan invoer of uitvoer kan ook met het belang van elke sector voor de Belgische economie rekening worden gehouden om de (statische) impact van een daling van de binnenlandse vraag met 5% voor de economie in haar geheel in te schatten. Gezien het belang ervan in de totale toegevoegde waarde zou een daling van de binnenlandse vraag in de vastgoedsector met 5% een impact van 0,38% op het Belgische bbp hebben (zie volgende grafiek). Voor de bouwsector zou dezelfde schok een impact van 0,23% hebben op de Belgische toegevoegde waarde, terwijl voor de groot- en detailhandel de statische impact bijna 0,15% zou bedragen.

214


Economische impact COVID-19

Figuur 112: Effect op de totale toegevoegde waarde (bbp) van een binnenlandse vraag verlies van 5% in elke sector van de economie

Sector- versus macro-niveau Bovenstaande cijfers geven geen indicatie van de totale macro-economische impact. In feite zijn alle sectoren met elkaar verbonden, wat betekent dat een daling van de vraag voor de ene sector gevolgen heeft voor de andere sectoren, bijvoorbeeld via leveranciers. Dat kan worden begrepen door de analyse van de productiemultiplicatoren, berekend op basis van de input-output matrix (zie volgende tabel). Zo heeft de horecasector bijvoorbeeld een productiemultiplicator van 1,75. Dit betekent dat als de vraag voor de sector met een miljoen daalt, het totale effect op de Belgische productie een daling van 1,75 miljoen is. Wanneer de horeca tot stilstand komt, komt een hele toeleveringsketen tot stilstand en wordt de impact dus ook gevoeld bij bedrijven die de horeca leveren. Als de vraag in de bouwsector met 1 miljoen daalt, daalt de totale Belgische productie met 2,14 miljoen, als gevolg van de relatie tussen de bouwsector en de sectoren vastgoed, machines en afvalverwerking. Deze voorbeelden tonen duidelijk aan dat een sector nooit los van andere sectoren kan worden bestudeerd.

215


Economische impact COVID-19

Tabel 73: Productiemultiplicator 2015 (in volgorde van belangrijkheid), in miljoen euro per miljoen euro eindvraag voor binnenlandse productie

Maar dat is nog niet alles. Tijdens deze huidige crisis is er een daling van de vraag voor bijna alle sectoren, wat betekent dat de schokken additief zijn en dat de impact binnen de sector nog groter is. Bovendien is, zoals hierboven uitgelegd, de schok voor elke sector anders. Ten slotte kan op grond van bovenstaande gegevens geen rekening worden gehouden met de macro-economische gevolgen voor de vraag. Zo is het herstel sterk afhankelijk van het effect van de huidige crisis op de inkomens van de huishoudens, op hun vertrouwen en op mogelijke veranderingen in hun consumptiepatronen.

Conclusie De epidemie en de maatregelen die we nemen om die tegen te gaan, hebben ontelbare economische gevolgen. ING kwantificeerde de blootstelling van de verschillende sectoren aan een breuk in de waardeketen, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts. Maar ook de connectie tussen de sectoren is van cruciaal belang. De (waarschijnlijk nog te optimistische) prognose van een krimp van 4,2% van het bbp in 2020 is dan ook impliciet gebaseerd op een veelheid van hypothesen met betrekking tot de verschillende hierboven genoemde aspecten. De ontwikkeling van de situatie en de beschikbaarheid van recente gegevens zullen het mogelijk maken deze "sectorale" veronderstellingen te verfijnen. Met andere woorden, de groeivooruitzichten voor de Belgische economie zullen de komende weken hoogstwaarschijnlijk nog worden herzien.

10.2.2

Impact op Vlaamse groeibedrijven

70% van de Vlaamse groeikmoâ&#x20AC;&#x2122;s verwacht minstens de helft van de voor de crisis voorziene winst te halen, blijkt uit een rondvraag van de Vlerick Business School150.

150

De Tijd, Vlaamse groeikmoâ&#x20AC;&#x2122;s zien beperkte terugval door corona, 15 mei 2020.

216


Economische impact COVID-19

Het Impulscentrum Groeimanagement voor Middelgrote Ondernemingen (IGMO), een initiatief van de Vlerick Business School en het consultancybedrijf EY, telt 260 leden waaronder bijvoorbeeld Van de Velde, Accent Jobs, Soudal, Willemen, Vyncke, Christeyns. Het gaat om een netwerk van mature, snelgroeiende bedrijven die stevig verankerd zitten bij Vlaamse ondernemersfamilies. Elke week polst IGMO bij die ondernemers naar hun inschatting van de impact van de coronacrisis op hun business, die zich uitspreidt over diverse sectoren, van IT en productie, retail en entertainment tot bouw en industrie. Gemiddeld draaien ze een omzet van €107 miljoen, een brutobedrijfswinst van €8,95 miljoen en stellen ze 265 mensen te werk. De resultaten van de bevraging zijn opvallend. Zo zagen de bedrijfsleiders de economische impact van de pandemie op hun bedrijf de laatste weken van april stelselmatig afnemen. Terwijl in de tweede week van april nog 74% van de onder vraagde ondernemers de corona- impact zwaar tot heel zwaar inschatten, is dat in de laatste week van april teruggevallen tot 49%. De bedrijfsleiders worden er dus geruster op naarmate de coronamaatregelen worden versoepeld. Volgens de Vlerick Business School waren de bedrijfsleiders gerustgesteld zodra ze hun cashpositie hadden veilig gesteld, onder meer met de tijdelijke werkloosheid. Tegelijk voelen ze dat de vraag weer aantrekt. De bedrijfsleiders zijn vooral in hun verwachtingen naar het hele jaar opvallend optimistisch. In de eerste weken van de lockdown groeide het aandeel van de bedrijfsleiders dat over heel 2020 hun omzet met meer dan 20% zag terugvallen van 28 naar 44%. Maar dat daalde in de drie laatste weken van april naar 15%. Bijna de helft verwacht dat de omzet over het hele jaar met hoogstens 15% terugvalt. Figuur 113: Impact corona op Belgische ondernemingen

Een gelijkaardig optimisme geldt voor de winstverwachtingen. Slechts 13% vreest dat zijn ‘gebudgetteerde winst’ wordt omgebogen in een verlies. De rest verwacht winst te maken. 71% verwacht dat die nog minstens de helft zal bedragen van wat gebudgetteerd werd. De verklaring voor dat positieve sentiment is te vinden in de aard van de bedrijven, denkt de Vlerick Business School. Veel van deze bedrijven hebben met de jaren heel wat reserves opgebouwd. Het netwerk stemt niet overeen met het doorsnee Vlaamse bedrijf waar de werkgeversorganisaties voor spreken en waar wel zware klappen kunnen vallen. Het gaat om snelgroeiende, mature, middelgrote kmo’s die hun financiële balans in evenwicht hebben. De IGMO-leden horen tot het kruim van het Vlaamse bedrijfsleven behoren. Vaak zijn het

217


Economische impact COVID-19

familiebedrijven (85%) die een aversie hebben voor hoge schulden en eigenaar zijn van hun bedrijfsvastgoed. Dat maakt dat ze een pak minder vaste kosten, zoals huur en intresten, hebben. ‘Daardoor lijken vele onder hen uit te gaan van een V-vormig herstel. Eén slecht kwartaal maakt hun hele jaar niet slecht. Echter, uit een studie van EY over de weerbaarheid van dat soort bedrijven blijkt dat sommige de crisis niet voldoende als een kans zien om hun strategie grondig te herbekijken. Het zal niet business as usual zijn.

10.2.3

Impact op toerisme

Het geheel van alle toeristische sectoren omvat op basis van TSA-Statistiek Vlaanderen151: • • • • • • • •

logiesaccomodaties; restaurants en cafés; personenvervoer; reisbureaus, reisorganisatoren, reisgidsen en reisleiders; diensten voor congressen, beurzen, evenementen; diensten voor cultuur; diensten voor sport en recreatie; kleinhandel en toerismegoederen.

Toerismeconsumptie en toeristische sector in 2018 De uitgaven door toeristen in Vlaanderen waren in 2018 goed voor €12,8 miljard of 84% van de totale toeristische consumptie. Daarbij gaat het om de som van €11,5 miljard aan uitgaven van het inkomend en het intern toerisme en ruim €1,2 miljard aan uitgaven door tweedeverblijvers aan de kust en elders in het Vlaamse Gewest. De andere componenten van toeristische consumptie waren goed voor €2,4 miljard. Het gaat om de tegenwaarde van de huuruitgaven wanneer toeristen gratis verblijven in hun tweede verblijf of dat van familie, vrienden en kennissen (€666 miljoen of 4%), de subsidies die ten goede komen aan de individuele toerist (€727 miljoen of 5%) en de uitgaven aan duurzame toerismegoederen (€1 miljard of 7%). De totale toerismeconsumptie ziet er voor 2018 als volgt uit:

151

Weekers, K. en P. de Maesschalck (2020) De economische betekenis van toerisme in Vlaanderen, Rapport Statistiek Vlaanderen, 2020/1. Statistiek Vlaanderen maakt voor de berekening van de statistiek over de economische betekenis van toerisme gebruik van een satellietrekening toerisme. Dat is een internationaal erkend instrument, ontwikkeld door Eurostat, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de World Tourism Organisation (UNWTO) om de economische betekenis van toerisme in kaart te brengen. Een satellietrekening toerisme wordt in de internationale literatuur afgekort als TSA (Tourism Satellite Account). Aan de aanbodzijde brengt een satellietrekening de verschillende noodzakelijke met toerisme verbonden functionele onderdelen van de nationale rekeningen samen. Tegelijkertijd zorgt de satellietrekening ervoor dat dit aanbod verbonden wordt met de vraagzijde en dus met de werkelijke toeristische consumptie.

218


Economische impact COVID-19

Tabel 74: Totale toerismeconsumptie naar soort en uitgavencategorie, Vlaams Gewest, 2018, in miljoen euro (prijzen van 2018)

De totale toerismeconsumptie bedroeg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2018 €3,6 miljard. Wordt ingezoomd op de bruto toegevoegde waarde van het toeristische verbruik enerzijds en de totale bruto toegevoegde waarde van de toeristische sector anderzijds, dan kunnen voor 2018 onderstaande gegevens worden gerapporteerd: Tabel 75: Bruto toegevoegde waarde toerismeconsumptie en toeristische sector

Vlaams Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest Totaal

Toerismeconsumptie Miljard euro % totale BTW 5,4 2,6 1,8 2,5

7,2

2,6

Toeristische sector Miljard euro % totale BTW 8,9 4,3 3,7 5,3

12,6

4,5

De bruto toegevoegde waarde van de toeristische industrie was in het Vlaamse Gewest in 2018 goed voor bijna €8,9 miljard of 4,3% van de totale bruto toegevoegde waarde in het gewest. Er werd een omzet gerealiseerd van €24 miljard in Vlaanderen. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest was de bruto toegevoegde waarde van de toeristische industrie in 2018 gelijk aan €3,7 miljard of 5,3% van de totale bruto toegevoegde waarde. Er werd een omzet gerealiseerd van €8

219


Economische impact COVID-19

miljard. De totale bruto toegevoegde waarde van toeristische industrie in beide gewesten samen was in 2018 gelijk aan €12,6 miljard of 4,5% van de totale bruto toegevoegde waarde. De gezamenlijke omzet bedroeg €32 miljard. De directe bruto toegevoegde waarde van toerisme (toerismeconsumptie) in het Vlaamse Gewest was in 2018 gelijk aan €5,4 miljard of 2,6% van de totale bruto toegevoegde waarde in het gewest. Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest was de directe bruto toegevoegde waarde van toerisme in 2018 gelijk aan €1,8 miljard of 2,5% van de totale bruto toegevoegde waarde.

Potentiële impact COVID-19 Toerisme Vlaanderen heeft een inschatting gedaan van de potentiële impact van COVID-19 op de Vlaamse toeristische sector. Voor het geheel van alle toeristische sectoren, wordt geschat dat €1,7 miljard omzet verloren gaat per maand, waarvan €1,3 miljard in Vlaanderen en €0,4 miljard in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Tabel 76: Potentiële impact COVID-19 op toeristische sector (miljard euro)

Vlaams Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest Totaal

10.2.4

Toegevoegde waarde 8,9 3,7

Omzet 24 8

Ingeschat verlies/maand omzet 1,3 0,4

12,6

32

1,7

Impact op de woning- en huurmarkt

De woningmarkt Notarisfederatie Sinds de invoering van de inperkingsmaatregelen in België, halverwege maart 2020, is het aantal woningverkopen spectaculair gedaald. De notarisfederatie gaat ervan uit dat die daling nog een tijdje kan doorgaan. In de eerste drie maanden van het jaar telde de Belgische notarisfederatie globaal 7,9% minder vastgoedtransacties dan in het eerste trimester van 2019. Voor Vlaanderen gaat het om een daling met 10%, dat is een sterkere achteruitgang dan het nationaal gemiddelde. Vooral sinds de uitbraak van het coronavirus ging het bergafwaarts. In de week van 16 maart waren er, in vergelijking met de zelfde week van vorig jaar, 27,1% minder woningverkopen. In de week van 23 maart was die daling al opgelopen tot 39,3%. Het is moeilijk te voorspellen wat dit op langere termijn zal betekenen voor de vastgoedmarkt. Bij de financiële crisis van eind 2008 was er ook één trimester met een forse daling van het aantal transacties, waarna een herstel van de markt volgde. De vastgoedmarkt kan zich nu ook weer even veerkrachtig tonen als toen, maar het valt niet uit te sluiten dat de gevolgen van de coronacrisis groter zullen zijn, zowel op het aantal verkopen als mogelijk ook op de woningprijzen. Het is nog te vroeg om te kunnen vaststellen welk effect de coronacrisis zal hebben op de vastgoedprijzen. De duur van de crisis zal daarbij een belangrijke rol spelen. In de voorbije drie maanden (eerste trimester 2020) was er van stijgende huizenprijzen al geen sprake meer.

220


Economische impact COVID-19

KBC KBC152 verwacht dat voor het eerst sinds 1983 de woningprijzen in ons land zullen dalen, omdat er door de coronacrisis minder vraag naar woningen zal zijn. De Belgische woningmarkt was de voorbije jaren nog steeds in erg goede doen, vooral te danken aan de lage rente en sterke jobcreatie. Volgens Eurostatcijfers bedroeg de prijsstijging van (bestaande en nieuwe) woningen in 2016-2019 gemiddeld 3,2% per jaar. Gecorrigeerd voor de algemene consumptieprijsinflatie was dat 1,9% per jaar. In de hele Europese Unie (EU28) was de gemiddelde nominale en reële prijsstijging in die periode met gemiddeld 4,6% respectievelijk 3,2% per jaar wel sterker. De prijsstijgingsdynamiek nam in België sinds het laatste kwartaal van 2018 wat toe. Dat was toe te schrijven aan de sterkere marktactiviteit naar het jaareinde van 2019 toe doordat kopers in Vlaanderen nog snel wilden profiteren van de woonbonus, die er begin 2020 werd afgeschaft. In de EU28 zwakte de stijgingsdynamiek van de prijzen de voorbije kwartalen daarentegen lichtjes af, wat erop wijst dat de Europese woningmarkt over zijn piek heen is. Figuur 114: Jaarwijziging woningprijzen (in %, bestaande en nieuwe woningen, geharmoniseerde Eurostatcijfers)

Dat de prijzen in de EU28 de voorbije jaren sterker stegen dan in België had vooral te maken met de tragere aanpassing van het aanbod aan de vraag. Concreet hadden de aanbodbeperkingen in de bouw in Europa onder meer te maken met lange vergunningsprocedures en een gebrek aan werkkrachten in de bouw. Vooral landen in Centraal- en Oost-Europa kregen ermee te maken. Volgende figuur illustreert die toenemende beperkingen aan de aanbodzijde aan de hand van een maandelijkse enquête van de Europese Commissie (EC) bij bouwondernemingen.

152

KBC, Coronacrisis doet Belgische woningmarkt corrigeren maar niet crashen, Economische opinies, 11 april 2020.

221


Economische impact COVID-19

Figuur 115: Aanbodbeperkingen in de bouw (% ja-antwoorden in enquête Europese Commissie)

Eén op drie zag aanbodfactoren als de grootste belemmering van hun activiteit. De woningmarkt in België heeft de voorbije jaren veel minder met aanbodbeperkingen te kampen gehad, wat zich vertaalde in een wat minder sterke prijsdruk. De figuur toont dat recent de inschatting van aanbodbeperkingen op de Europese woningmarkt lijkt te minderen. Ook andere indicatoren, waaronder het producentenvertrouwen en productievolume in de bouw waren het afgelopen jaar in de EU28 licht neerwaarts gericht. Een en ander verklaart waarom de prijsdynamiek van woningen in de EU28 de voorbije kwartalen wat verslapte. De economische crisis als gevolg van de uitbraak van het coronavirus zal de reeds afzwakkende prijsdynamiek van woningen in de EU28 allicht doen uitmonden in een prijscorrectie. Ook in België zullen de prijzen waarschijnlijk dalen. De voornaamste reden is dat de verwachte zware recessie in 2020 (een negatieve bbp-groei van -9,5%) ook de gezinsinkomens en dus de vraag naar vastgoed zal treffen. Hoewel overheidsmaatregelen, waaronder het stelsel van tijdelijke werkloosheid, de inkomensschok zullen temperen, gaat KBC ervan uit dat het reëel beschikbaar inkomen van de Belgische gezinnen dit jaar met 5% zal krimpen. De neiging van gezinnen om een woning te kopen zal bovendien verminderen als gevolg van de terugval in het algemene vertrouwen en de vrees om de job te verliezen in het bijzonder. Hoewel de overheid veel inspanningen levert om het verlies aan werkgelegenheid te beperken, verwacht KBC dat de Belgische werkloosheidsgraad effectief zal oplopen van 5,3% eind 2019 tot 6,2% eind 2020. De prijscorrectie van Belgisch vastgoed zal volgens KBC evenwel niet resulteren in een heuse crash. Concreet gaat KBC in haar basisscenario (waaraan een waarschijnlijkheid van 50% wordt toegekend) uit van een prijsdaling van 3% in 2020 en nog eens 2% in 2021. Vanaf 2022 kunnen de prijzen dan opnieuw beperkt stijgen.

222


Economische impact COVID-19

Tabel 77: Voorspelling economische groei en woningprijsdynamiek in België, jaarwijziging in % (KBC Economics, 8 april 2020)

Dat de markt niet zwaarder wordt getroffen, heeft in eerste instantie te maken met de aanhoudend extreem lage rentevoeten. Die zullen, samen met de toegenomen risicoaversie op de financiële markten door de coronacrisis, de (investerings)vraag naar vastgoed en dus ook de prijzen in 2020-2021 ondersteunen. De vraag naar woningen zal verder ook steun blijven vinden in de gezinsvorming. Volgens de demografische vooruitzichten van het Federaal Planbureau zal het aantal huishoudens dit en de komende jaren immers nog met zo’n 0,6% per jaar blijven toenemen. Het vooruitzicht in het basisscenario is met behoorlijk wat onzekerheid omgeven. Dat komt ten eerste doordat de woningmarkt in 2020 een tijdlang bevroren zal zijn door de lockdownmaatregelen, met een sterke vermindering van het aantal verkooptransacties tot gevolg. Hierdoor is een tijdelijk grotere marktvolatiliteit onvermijdelijk. Verder hangt de effectieve prijsdaling op de woningmarkt ook af van de mate waarin de overwaardering van de Belgische markt zich zal corrigeren. Het econometrisch model van KBC schat dat die overwaardering in het derde kwartaal van 2019 5,8% bedroeg. In het basisscenario gaat KBC ervan uit dat de overwaardering slechts gedeeltelijk zal worden afgebouwd. De grootste onzekerheid voor de woningprijzen komt van de ernst van de coronacrisis. Voorlopig is het immers koffiedik kijken hoe sterk de crisis de economische activiteit en gezinsinkomens effectief zal treffen. Daarom worden naast een basisscenario ook twee alternatieve scenario’s voorzien, een optimistisch en pessimistisch, waaraan we een waarschijnlijkheid van 15% en 35% toekennen. In het pessimistische scenario, waarbij periodes met en zonder quarantainemaatregelen elkaar zullen afwisselen en de economische gevolgen van de coronacrisis langer voelbaar blijven, zal de prijscorrectie op de Belgische woningmarkt heviger en langduriger zijn (-6% in 2020 en -4% in 2021). Indien de quarantainemaatregelen sneller en drastischer kunnen worden afgebouwd (het optimistische scenario), kan de prijscorrectie beperkt blijven (-1% in 2020 en 0% in 2021). ING Net als KBC, houdt ook ING rekening met een daling van de vastgoedprijzen in ons land. ING verwacht dit jaar uiteindelijk een prijsdaling met 2% als gevolg van de coronacrisis. ING baseert zich voor de prijsprognose op de basisregel van het Steunpunt Wonen, dat de prijzen zich zetten naar de betaalmogelijkheid van de kopers. De belangrijkste oorzaak van de prijsdaling in 2020 is dan ook de scherpe daling van de inkomens door de economische recessie. ING baseert zich voor de prognose op een groeivertraging van 4,5%, wat minder is dan de daling van 8% die de Nationale Bank voorspelt. Dat komt omdat de studie rekening houdt met een lockdown van vijf weken, geen zeven, zoals de Nationale Bank. ING verwacht dat de ingrijpende maatregelen van de Europese Centrale Bank, de nationale banken en de overheden de koopkracht op een aanvaardbaar peil houden en een renteverhoging tegengaan. Dat leidt tot goedkope hypotheekleningen, die de prijs van woningen ondersteunen.

223


Economische impact COVID-19

De tweede factor die het woningvastgoed ondersteunt, zijn de beleggers. Het herstelde vertrouwen in de financiële markten, heeft door de scherpe beursdaling een erg flinke knauw gekregen. Beleggers zullen weer opteren voor het stabiele vastgoed als investering. Ook de andere Belgen blijven geloven in de aankoop van de eigen woning als een stabiele investering en geven vorm aan de rust en de vastheid van de woningmarkt. ING verwacht dat na de scherpe terugval van vastgoedtransacties in de eerste helft van dit jaar, de markt in de tweede helft zal opflakkeren. Uitgestelde, maar noodzakelijke aankopen zullen dan toch doorgaan, wanneer verplaatsingen opnieuw mogelijk zijn. Ook zullen kopers kansen zien door de prijsdaling. Dat gebeurde ook na de laatste vastgoedcrisis in de jaren tachtig. Het effect zal wel kleiner zijn, want uiteindelijk zal de prijs dit jaar waarschijnlijk eindigen op het niveau van eind 2018. Belfius Grote delen van de economie zijn verlamd door de pandemie van Covid-19 en strikte quarantainemaatregelen. Ook de vastgoedmarkt153 staat momenteel stil vanwege het verbod op niet-essentiële reizen, waardoor het niet mogelijk is om een notaris of makelaar te bezoeken. De huidige situatie staat in schril contrast met 2019, een recordjaar wat betreft het aantal vastgoedtransacties. In Vlaanderen veroorzaakte vooral de afschaffing van de woonbonus eind vorig jaar een piek in transacties. Maar Wallonië en Brussel kenden ook een sterke stijging in 2019. De Covid-19-crisis maakt daarom op brute wijze een einde aan deze trend en zal ongetwijfeld zwaar wegen op het aantal transacties en de bouwactiviteiten in maart en april. Daarna zullen de ontwikkelingen op de vastgoedmarkt afhangen van de snelheid waarmee de verspreiding van het virus kan worden beheerst. Indien wordt uitgegaan van het scenario van een geleidelijke opheffing van lockdownmaatregelen in de komende maanden, kan een groot deel van de huidige schade later in het jaar worden ingehaald. Voor 2020 wordt liever rekening gehouden met een zwakkere dynamiek op de Belgische huizenmarkt dan in voorgaande jaren, aangezien de economie door de Covid-19 dit jaar op weg is naar een recessie. Het negatieve effect op de economische groei weegt duidelijk op het consumentenvertrouwen en kan leiden tot uitstel van plannen voor de bouw of aankoop van een huis of appartement. Inkomensverlies door lockdown en stijgende werkloosheid kunnen de hogere huizenprijzen dit jaar belemmeren. De groei van het gezinsinkomen in combinatie met de lage rente is de afgelopen jaren een belangrijke factor geweest achter de sterk gestegen vastgoedprijzen. Het lijkt er dus op dat de huizenprijzen in 2020 minder sterk zullen stijgen dan we aan het begin van het jaar dachten. Maar het risico van een plotselinge prijsdaling is voorlopig beperkt omdat er nog verschillende factoren zijn die de vastgoedprijzen in België ondersteunen.

153

Belfius, Le Covid-19 affaiblit la dynamique du marché immobilier, 9 avril 2020.

224


Economische impact COVID-19

Figuur 116: Evolutie van de woningprijzen en het bbp

Het brede scala aan maatregelen dat de autoriteiten hebben genomen om de economische gevolgen van Covid-19 tegen te gaan, zal de schade op de arbeidsmarkt beperken en zou het vertrouwen in de tweede helft van het jaar moeten helpen herstellen. Bovendien zijn de tarieven zeer laag, gezien de zwakke groei- en inflatievooruitzichten en het beleid van de ECB. Daarom is het volgens Belfius nog steeds interessant om te lenen om een huis te kopen of te bouwen. Lage tarieven in combinatie met een hoge volatiliteit op de aandelenmarkten kunnen er ook toe leiden dat meer investeerders zich wenden tot vastgoedbeleggingen wanneer het herstel na Covid19 aan kracht wint. Ten slotte blijft het aantal huishoudens in ons land sterker toenemen dan het aanbod van nieuwe woningen, waardoor ook wordt voorkomen dat de huizenprijzen onder een bepaalde verdieping komen. Tijdens de laatste economische recessie, na de financiële crisis van 2008, toonde ook de Belgische woningmarkt een sterke weerstand. Na een sterke daling van de verkoopprijzen in de eerste helft van 2009 (zie grafiek), heeft de ontwikkeling van de huizenprijzen in ons land zich snel hersteld. Indien de aanpak van Covid-19-crisis de komende maanden aanslaat en de economische groei in de tweede helft aantrekt, zal ook de vastgoedmarkt profiteren.

De huurmarkt Vastgoedgroep Dewaele voerde een enquête uit bij 1.350 huizenjagers, verkopers, vastgoedinvesteerders en huurders. Daaruit blijkt onder meer dat een op de drie Vlamingen die voor de coronacrisis van plan was een woning te kopen die plannen uitstelt. Dat komt onder meer omdat kandidaat-kopers verwachten dat de vastgoedprijzen zullen dalen. Ze verwachten door even de kat uit de boom te kijken hun droomwoning goedkoper op de kop te kunnen tikken. Daarnaast speelt ook de onzekere financiële situatie een rol in die afwachtende houding. Ruim 1,2 miljoen Belgen zitten momenteel in de tijdelijke werkloosheid, waardoor ze

225


Economische impact COVID-19

minder verdienen. Ook zijn heel wat ondernemingen gesloten, waardoor zelfstandigen zonder inkomsten zitten. Kandidaat-kopers die een afwachtende houding aannemen op de vastgoedmarkt, blijven langer op de huurmarkt. De vastgoedgroep verwacht bovendien dat de banken strenger worden bij het toekennen van hypothecaire leningen, en kandidaat-kopers met een grotere eigen inbreng op de proppen zullen moeten komen om een lening te krijgen. Dat betekent dus langer sparen, en ook langer huren. De vastgoedgroep verwacht dan ook niet dat de huurprijzen zullen dalen. Uit de enquête blijkt dat een op de vier huurders de huurprijzen zelfs ziet stijgen. Een op de vijf verwacht ook problemen om de huur nog te kunnen betalen. Uit het werkveld (de huurbond) komen signalen van huurders die niet weten waar naar toe wanneer hun huurcontract ten einde loopt. De huurwetgeving bevat wel de mogelijkheid om de verhuurovereenkomst te verlengen omwille van buitengewone omstandigheden, maar mogelijk zijn huurders en verhuurders hierover niet geïnformeerd, met grote ongerustheid en mogelijk zelfs dakloosheid tot gevolg.

10.2.5

Impact op de energiesector

De marktomstandigheden als gevolg van de Corona-crisis wijzigen abrupt en zenden een schokgolf door de energiesector154: belangrijke daling van de vraag, enorme daling van de groothandelsprijzen, drastische stijging van onbetaalde facturen, stilvallen van business development en diensten.

Marktevolutie De marktevolutie als gevolg van de Corona-crisis is abrupt en zendt een schokgolf door de sector. Vraag Het verbruik van elektriciteit in België is met 19 à 28% gedaald (cijfers Elia). Voor aardgas werd eenzelfde evolutie opgetekend. Het gasverbruik bij industriële klanten daalde met 11-15 % (cijfers Fluxys). Productievolume De elektriciteitsproductie wordt hierdoor zwaar geïmpacteerd. De productie van de gascentrales is ongeveer met de helft verminderd. De productie van hernieuwbare energie wordt minder beïnvloed, maar de meeste nieuwbouwprojecten liggen stil wat op termijn belangrijke financiële gevolgen heeft. Prijzen De prijzen op de groothandelsmarkten voor elektriciteit zijn sterk gedaald. Daardoor is de impact hoger dan 16-25%, vermits de geproduceerde volumes aan veel lagere prijzen verkocht worden. Door het lager verbruik moeten de overtollige, in het verleden reeds aangekochte energievolumes, met verlies terug op de markt verkocht worden. Kredietrisico

154

FEBEG, COVID-19 impact op energiesector, April 2020.

226


Economische impact COVID-19

De risico’s op onbetaalde facturen nemen snel toe. De voorbije jaren bedroegen de onbetaalde facturen voor de sector rond de €85 miljoen. Een stijging van 50 tot 100% wordt verwacht. Overige Door de lagere groothandelsprijzen zullen residentiële klanten mogelijks massaal overschakelen op goedkopere contracten vanaf april 2020. Residentiële klanten kunnen immers op elk moment uit hun contract stappen (mits een opzegtermijn van 1 maand) Hierdoor is er een bijkomende financiële impact die nog niet kan ingeschat worden. Op vlak van energiediensten is er een daling vast te stellen van 50 tot meer dan 80%.

Productie Geproduceerde elektriciteit Thermische productie. De gascentrales hebben ongeveer 50% minder geproduceerd sinds begin april 2020. Vóór de start van de coronamaatregelen bedroeg het gemiddeld ontwikkeld vermogen van de gascentrales ongeveer 2.487MW; dit is teruggevallen tot 1.264 MW gemiddeld (vanaf 18/3). In de periode 1-16 maart bedroeg de bijdrage van wind op het elia net gemiddeld 985MW de tweede helft van maart was dat slechts 764MW. De oorzaak van de daling van de gascentrales is dus niet de gestegen windproductie. Deze daling betekent een productieverlies van 29,4 GWh/dag. Indien wordt uitgegaan van een periode tot 19 april zal het productieverlies ongeveer 1 TWh bedragen. Als de maatregelen verlengd worden tot 1 mei is dat ongeveer 1,3TWh. De waarde van de verloren productie wordt geraamd op ongeveer €45-60 miljoen voor de periode van de maatregelen. Men kan niet verwachten dat het volume onmiddellijk terug op peil zal zijn na het versoepelen van de maatregelen. Eerder kan een geleidelijke normalisatie van de situatie verwacht worden. Uitgaande van een scenario dat het verloren volume iedere maand met 30% afneemt tot het einde van het jaar bedraagt het verloren volume 1,9 TWh met een waarde van naar schatting €86,87 miljoen (45€/MWh, waarde voor de crisis). Hernieuwbare productie. Er is een beperkte impact op dit ogenblik voor zon en wind, maar nieuwbouwprojecten liggen stil. Dit betekent dat bepaalde deadlines misschien niet zullen gehaald worden. Hierdoor zal dus de prefinanciering van de projecten verhogen en is er ook een risico dat bepaalde steun lager zal zijn dan gepland vermits sommige steunhoogtes gekoppeld zijn aan deadlines. Voor offshore wind kan vertraging in de oplevering van de windparken die nu gebouwd worden, een invloed hebben op de datum van oplevering. Hierdoor zal bijkomende financiering noodzakelijk zijn om deze periode te overbruggen. De gewaarborgde LCOE is beperkt tot maximaal 17 jaar startend op 1 januari 2021. In geval van een vertraging na deze datum zal er tevens invloed zijn op het rendement van deze projecten. Prijseffect De volumes die wel geproduceerd worden, worden verkocht aan lagere prijzen op de groothandelsmarkten. De prijs op de groothandelsmarkten is heel erg gezakt, er zijn zelfs periodes geweest met negatieve prijzen. De maandgemiddelde Endex prijs voor maart 2020 is ongeveer 10€/MWh lager dan het gemiddelde in de periode 2010 -2019. De daling is nog hoger voor de volgende maanden.

227


Economische impact COVID-19

Tabel 78: Evolutie van maandgemiddelde Endex prijs

Figuur 117: Prijsvooruitzichten België

Ook de Belpex day ahead prijs is sterk gedaald sinds het begin van de crisis, van 28,9€/MWh (gemiddeld voor 1-16 maart) tot 18,4 (gemiddeld voor 17 maart – 7 april). Figuur 118: Evolutie van de Belpex day ahead prijs

228


Economische impact COVID-19

Bovendien is de elektriciteitsprijs scherper gedaald dan de gasprijs, wat een bijkomend negatief effect heeft op de marge van de centrales “clean spark spread155” voor de volumes die nog geproduceerd worden. De producenten hernieuwbare energie worden sterk getroffen door de periodes met negatieve prijzen. De totale impact is dus veel groter dan de 19-28% volumedaling voor elektriciteit in België, vermits de wel geproduceerde volumes aan veel lagere prijzen verkocht worden. Dit effect zal verder oplopen de volgende jaren. Nu wordt er immers reeds elektriciteit verkocht voor de volgende 3 jaar op de beurzen. Hoe verder in de tijd hoe kleiner de impact is, maar ook hoe kleiner de volumes die nu reeds verkocht worden. Per MWh die nu verkocht wordt voor het jaar 2021 is er een ‘minderinkomst’ van 4,1€. Tabel 79: Minderinkomsten per MWh

Voor een gascentrale van bv 400MW waarvan de productie van 1000h zou verkocht worden de volgende jaren, betekent dit respectievelijk een minderinkomst van ongeveer €1,3 (2021), €0,95 (2022) en €0,83 (2023) miljoen.

155

Clean spark spreads duiden het verschil aan tussen de marktprijs voor elektriciteit en de kosten van het gas gebruikt voor de productie van die elektriciteit, met inbegrip van de emissiekosten.

229


Economische impact COVID-19

Verkoopsactiviteiten B2B en B2C Belasting Elia-net De belasting van het Elia-net is een goede indicator van de hoeveelheid elektriciteit afgenomen door de klanten. Tabel 80: Ontwikkeling van belasting Elia-net (vóór en na 16 maart 2020)

In bovenstaande tabel wordt een vergelijking gemaakt van de gemiddelde belasting van het net voor de verschillende dagen van de week vóór en na 16 maart. Het elektriciteitsverbruik (belasting van het Elia-net) is met 19 tot 28% afgenomen, d.w.z. dat er ook veel minder geproduceerd werd. Figuur 119: Gemiddelde wekelijkse belasting Elia-net

Gasverbruik (Fluxys) Volgens een analyse van de cijfers van Fluxys komen we aan volgende cijfers voor de verbruiken op het aardgasnet. Industrie: -11% tot -15% Afname DNB net (gezinnen, kmo’s, prof. klanten): -23% tot -26% Gascentrales: -27% tot -35% Totale afname: -20% tot -24%

230


Economische impact COVID-19

De daling in het verbruik van de gascentrales is minder sterk dan de observatie qua daling productie van de gascentrales op het Elia-net. Dit is mogelijk te verklaren omdat er meer piekeenheden ingezet worden dan STEG’s, wegens de gedaalde vraag in plaats van de STEGS, en omdat er meer start en stops zijn en STEGS draaien op minimale volumes en dus aan een suboptimaal rendement. Verbruiken op de distributienetten: Sibelga voor Brussel Voorlopig zijn er enkel precieze cijfers over het verbruik op de netten van Sibelga in Brussel. Dit geeft wel een bijkomende indicatie over de effecten. Voor wat elektriciteit betreft, blijkt uit een verdere analyse dat het verbruik van de huishoudelijke gebruikers sinds begin maart ruw geschat met 8% is gedaald. De daling van het verbruik bij de industriële en professionele klanten op het distributienet situeert zich ruw geschat tussen 7% en 43% tegenover begin maart, afhankelijk van de activiteitsector. De restaurants en hotels tekenen de hoogste geschatte daling van 43% op, gevolgd door de administratieve diensten en de kunsten recreatiesector waar een daling van 33% genoteerd wordt. De impact van de coronacrisis op het aardgasverbruik op het distributienet laat zich ook al voelen. Op basis van de afnames van de belangrijkste Brusselse tertiaire en industriële klanten ziet Sibelga dat het verplicht thuisblijven, naargelang de activiteiten, voor een daling van 10% tot 60% zorgt tegenover begin maart 2020. Impact op de omzet en de marge De impact van deze lagere volumes wordt versterkt door de lagere marktprijzen. Voor B2B klanten zijn het voornamelijk de volumerisico’s die belangrijk zijn. In de B2C markt zijn er klanten met vaste en variabele prijzen. Klanten met variabele prijscontracten zullen dalende facturen krijgen. Klanten met maandelijkse of driemaandelijkse indexering (forward en spot) zullen het effect al zien vanaf april. Dit heeft een belangrijk positief effect op hun eindafrekening. Verwacht wordt dat veel klanten met contracten met vaste prijzen zullen overschakelen naar formules gebaseerd op nieuwe groothandelsprijzen vanaf april 2020. De huidige situatie is een illustratie van hoe asymmetrisch het huidig systeem is. Residentiële klanten, zelfstandigen en kleine kmo’s (met een verbruik minder dan 50 MWh voor elektriciteit en 100 MWh voor gas) kunnen immers maandelijks zonder kosten overschakelen naar een andere energieleverancier of een gunstiger contract bij eenzelfde leverancier. Leveranciers moeten reeds aangekochte volumes terug verkopen in de (ingestorte) markt. Bij een stijgende markt daarentegen is de klant beschermd door een vaste prijs. Dit zal voor de leveranciers een negatieve invloed hebben op de marge gedurende de volgende jaren. Terug verkopen van gehedgede volumes Leveranciers kopen op voorhand volumes in om hun klanten te kunnen bevoorraden. Dit hebben ze ook gedaan voor de periode maart, april mei 2020 en verder op het jaar. Dit is nodig om de klanten bv. een vaste prijs te kunnen waarborgen. Door het sterk dalende verbruik moeten de overtollige volumes– rekening houdend met de dalende prijzen op de markten (zie illustratie van de gedaalde prijzen hoger in de nota punt b) - met verlies terug op de groothandelsmarkt worden verkocht. De exacte impact kan momenteel nog niet worden ingeschat, maar zou heel belangrijk zijn.

231


Economische impact COVID-19

Risico op onbetaalde facturen Voor gezinnen en kleine kmo’s bedraagt het energiedeel van de elektriciteitsfactuur ongeveer 30%. De leverancier draagt echter alle risico’s op onbetaalde facturen zowel voor het eigen deel als voor het luik vervoer- en transportkosten en allerlei openbare dienstverplichtingen, taksen en heffingen (twee derde van de elektriciteitsfactuur). Voor de aardgasfactuur is de situatie lichtjes anders. De energiecomponent in de aardgasfactuur voor een gezin is ongeveer 50%. Gezien de moeilijke situatie van kmo’s en ook een aantal gezinnen kan verwacht worden dat betalingen uitgesteld worden en het kredietrisico nu sterk zal stijgen. Dit heeft een invloed op het benodigde werkkapitaal van de bedrijven. De voorbije jaren bedroeg het kredietrisico ongeveer €85 miljoen €. Een stijging met 50 tot 100% wordt verwacht in de komende periode.

Diensten Veel leveranciers zijn in het kader van de energietransitie de focus aan het verleggen naar diensten o.a. op vlak van energie-efficiëntie dit zowel voor overheden, voor professionele klanten als voor residentiële klanten. In veel gevallen kunnen de afstandsregels in het kader van de corona-crisis niet gewaarborgd worden waardoor een belangrijk deel van de werknemers in technische werkloosheid is. De vaste kosten blijven echter verder lopen waardoor ook deze activiteiten zwaar verlieslatend zullen zijn dit jaar. Uit de eerste reacties blijkt een daling qua activiteit van 50 tot meer dan 80%.

Risico op falingen bij de energieleveranciers De energieleveranciers hebben het financieel moeilijk. Verwezen wordt naar een analyse van Arthur D. Little (cf. het artikel in de Tijd van 10.3.2020: ‘De grote leveranciers in België zitten in slechte papieren. Terwijl ze een felle strijd voeren om klanten bij zich te houden, kampen ze met zware kosten en draaien ze al jaren met verlies’.)156 Volgens deze studie daalde de EBIT-marge van de Belgische leveranciers van -1.14% (2015) naar -9,81% (2018). De voorbije jaren hebben trouwens meerdere leveranciers hun activiteit moeten stopzetten omwille van de slechte economische situatie (cf. Energy People, Belpower, Energie I&V, natGAS, Anode). Een aantal leveranciers zijn zelf ook kmo, hetgeen de situatie er niet op vergemakkelijkt.

10.2.6

Impact op de transportsector

De omzet van Belgische wegtransporteurs is in de voorbije weken gehalveerd door de coronauitbraak. Dat blijkt uit onderzoek van de Belgische transportfederatie Febetra157, waarvan op 23 april 2020 de resultaten zijn gepubliceerd. De belangenvereniging bevroeg 235 bedrijven uit de sector transport en logistiek. Daaruit kwam naar voor dat de transportsector gemiddeld gezien een daling kent in omzet van 48,49%. Daarnaast zien bedrijven die logistieke activiteiten uitvoeren hun omzet met 40,98% dalen. Hierbij is de omzet op 7 april vergeleken met de gemiddelde omzet van de maanden daarvoor.

156

https://www.tijd.be/ondernemen/milieu-energie/concurrentieslag-duwt-energieleveranciers-in-demin/10213431.html

157

Febetra, Resultaten enquête directe economische impact corona, 23 april 2020. Zie ook https://www.nieuwsbladtransport.nl/wegvervoer/2020/04/23/omzet-belgische-transportsector-gehalveerd-doorcoronacrisis/?utm_source=ntemail&utm_medium=nieuwsbrief&utm_campaign=ntemail&gdpr=accept

232


Economische impact COVID-19

Op 18 maart is ook al een inventarisatie gemaakt van de omzetverliezen. Toen kwam de gemiddelde afname uit op 36,32%. In de tussenliggende weken is de omzet dus met twaalf procentpunten verder afgenomen. Meeste pijn bij kleine vervoerders De pijn wordt het meest gevoeld door de kleinere vervoerders. Bedrijven met 2 tot 5 motorvoertuigen voelen de grootste impact. Gemiddeld gezien ervaren zij een omzetdaling van 57,99% bij het uitvoeren van transportactiviteiten, en 55,04% bij het uitvoeren van logistieke activiteiten. Hoewel bedrijven met 2 tot 5 voertuigen aangeven de grootste impact te ondervinden, worden zij nauw op de voet gevolgd door bedrijven met 1 truck en bedrijven met een wagenpark van 6 tot 20 motorvoertuigen. Deze kennen respectievelijk een omzetdaling van 50,54% en 49,87% gerelateerd aan transportactiviteiten. Op vlak van logistieke activiteiten kennen zij een daling van 48,54% en 44,02%. De grotere bedrijven zagen hun omzet ook fors kelderen, maar niet zo hard als hun kleinere collega’s. Het cutoff-point lijkt 21 voertuigen te zijn, dan valt de omzetdaling terug tot 36,21% (2150 motorvoertuigen) en 36,46% (meer dan 50 motorvoertuigen) m.b.t. transportactiviteiten. In de logistieke sector tekent dit verschil tegenover kleinere spelers zich nog sterker af. Bedrijven met 21-50 motorvoertuigen kennen 22,82% omzetdaling, bedrijven met meer dan 50 motorvoertuigen 15,76%. Er kan dus besloten worden dat de impact op de omzet negatief gecorreleerd is aan de grootte van bedrijven. Deze trend toont zich voornamelijk in de logistieke activiteiten. Tabel 81: Omzetdaling per aantal motorvoertuigen

Autotransport is het hardst getroffen Enkel de bedrijven die transportactiviteiten als hoofdactiviteit hebben, werden meegenomen. Op deze wijze wordt de accuraatheid van de resultaten gegarandeerd. Ook de subactiviteiten waar het aantal respondenten niet significant was om statistische conclusies te trekken, werden buiten beschouwing gelaten, namelijk ‘cleaning’, ‘dierenvervoer’ en ‘verhuisdiensten’. Bedrijven die als activiteit ‘autovervoer’ uitvoeren, lijden het zwaarst. Zij kennen een omzetdaling van maar liefst 82,30%. Ook de categorieën ‘andere’ (o.a. afzetcontainers) en ‘speciale transporten’ (o.a. materiaal voor tentoonstellingen) kennen een sterke impact, 70% en 58,70%. Categorieën die daarentegen opvallend minder impact ervaren zijn ‘vervoer onder geleide temperatuur’ (31,14%), ‘logistiek’ (31,81%), ‘ADR-vervoer’ (34,83%) en ‘containervervoer’ (37,37%).

233


Economische impact COVID-19

Tabel 82: Omzetdaling per subactiviteit

Hoewel de tabel hieronder slechts een indicatie geeft van de relatie tussen het aantal verschillende activiteiten dat een onderneming uitvoert en de omzetdaling, kan er geïndiceerd worden dat het uitvoeren van meerdere activiteiten resulteert in een kleinere impact op de omzet. Tabel 83: Relatie aantal activiteiten – omzet

Omzetdaling per regio Febetra heeft zijn peiling uitgevoerd in alle delen van België. Ook hier werden enkel de bedrijven die transportactiviteiten als hoofdactiviteit hebben, meegenomen. Op deze wijze wordt de accuraatheid van de resultaten gegarandeerd. Ook de provincies waar het aantal respondenten niet significant was om statistische conclusies te trekken, werden buiten beschouwing gelaten, namelijk Waals-Brabant, Luxemburg en Namen. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kent de grootste impact, daar zien ze hun omzet gemiddeld met 65,50% dalen. De twee Waalse provincies, Luik en Henegouwen vervolledigen de top drie. Het Vlaams Gewest blijkt bijgevolg een minder zware impact te ervaren dan de andere twee gewesten. Het verschil is bovendien significant. Binnen het Vlaams Gewest kent Limburg, met een omzetdaling van 57,32%, de grootste impact, gevolgd door West- Vlaanderen, met 53,20%. Oost- Vlaanderen, Vlaams-Brabant en Antwerpen kennen de minste impact, met respectievelijk 45,05%, 44,19% en 40,42%. Concluderend: in de twee Waalse provincies met genoeg respondenten, Luik en Henegouwen, waren de verliezen vrijwel net zo groot als in de hoofdstedelijke regio (meer dan 60%). In Vlaanderen was de pijn iets minder groot, met als ‘beste’ resultaat een gemiddeld verlies van 40,4% in de provincie Antwerpen.

234


Economische impact COVID-19

Tabel 84: Omzetdaling per provincie

Stilstaande motorvoertuigen Gemiddeld gezien staan er zoâ&#x20AC;&#x2122;n 8,08 motorvoertuigen per onderneming stil. Doordat dit cijfer echter een vertekend beeld kan opwekken, is het beter te kijken naar de stilstaande motorvoertuigen per categorie. Bij ondernemingen met slechts ĂŠĂŠn voertuig in de onderneming, staat gemiddeld 0,41 voertuig stil. In de categorie 2 tot 5 motorvoertuigen zijn dit er gemiddeld 1,78. Gemiddeld staan er 4,79 motovoertuigen stil voor de categorie 6-20 motovoertuigen. Bedrijven met 21 tot 50 motorvoertuigen hebben gemiddeld 12,45 stilstaande motorvoertuigen. Bedrijven met meer dan 50 motorvoertuigen, hebben gemiddeld 37,41 stilstaande motorvoertuigen. Tabel 85: Gemiddeld aantal stilstaande voertuigen per onderneming

Werkgelegenheid Over de hele sector heen hebben 23,93% van alle werknemers binnen de transport- en logistieke sector geen werk door het coronavirus. Als dieper ingegaan wordt op het type werknemers (chauffeurs, niet-rijdende arbeiders en bedienden), is de zwaarst getroffen groep de chauffeurs. Globaal genomen hebben er momenteel 27,09% van alle chauffeurs geen werk als gevolg van het coronavirus. Bij zowel de niet-rijdende arbeiders als bedienden is dit aantal lager, met respectievelijk 20,25% en 22,30% van de medewerkers die omwille van het coronavirus niet aan de slag kunnen.

235


Economische impact COVID-19

Tabel 86: Tijdelijke inactiviteit

Wordt ingezoomd op de chauffeurs, dan blijkt uit de volgende tabel dat chauffeurs in ondernemingen met 1 motorvoertuig 55,56% werkloosheid ondervinden. De chauffeurs die werkzaam zijn in bedrijven met 2 tot 5 bedrijven kennen echter de grootste impact. Gemiddeld hebben 61,11% van al deze chauffeurs geen werk door het coronavirus. Bedrijven met 6 tot 20 voertuigen geven ongeveer dezelfde cijfers als bedrijven met één motorvoertuig, namelijk 47,87% van de chauffeurs heeft geen werk ten gevolge van het coronavirus. Bedrijven die meer dan 20 voertuigen in dienst hebben, tonen lagere cijfers. Bij de categorie 21 tot 50 motorvoertuigen, krijgt 33,07% van de chauffeurs te maken met werkloosheid, in bedrijven met meer dan 50 motorvoertuigen is dit ‘slechts’ 27,03%. Wanneer er dieper wordt ingegaan op de sectoren waar chauffeurs het meest te maken krijgen met werkloosheid, zijn dit voornamelijk het ‘autovervoer’ (68,91%), ‘andere’ (68,18%) en ‘expressen koerierdiensten’ (49,75%). Er zijn twee sectoren die lager scoren dan het gemiddelde, de subactiviteiten ‘ADR-vervoer’ (20,77%) en logistiek (19,40%). Het ‘vervoer onder geleide temperatuur’ (16,94%) scoort opvallend lager dan de andere subactiviteiten. Tabel 87: Werkloze chauffeurs per aantal motorvoertuigen

Tabel 88: Werkloze chauffeurs per type subactiviteit

Conclusie: Over het algemeen hebben 23,93% van alle werknemers in de transport- en logistieke sector nu tijdelijk geen werk. Dit uit zich het sterkst bij de groep chauffeurs, waarbij 27,09%

236


Economische impact COVID-19

momenteel niet aan de slag kan. Wanneer er dieper wordt ingegaan op de verdeling van deze chauffeurs zien we voornamelijk dezelfde trends als bij de omzet. Het zijn in eerste instantie de bedrijven met 2 tot 5 motorvoertuigen die de meeste chauffeurs thuis houden, terwijl dit minder sterk het geval is bij bedrijven met meer dan 20 motorvoertuigen. Op vlak van werkloosheid per subactiviteit kent het ‘autovervoer’ de hoogste cijfers, gevolgd door de categorie ‘andere’. Enkel ‘vervoer onder geleide temperatuur’ toont opvallend lagere cijfers dan de andere subactiviteiten. Dit is hoogst waarschijnlijk omdat het om transport gaat dat slechts in mindere mate wordt beïnvloed door het coronavirus. De abrupte dalingen hebben uiteraard hun weerslag op de werkgelegenheid. Uit het Febetraonderzoek komt naar voren dat meer dan een kwart van de vrachtwagenchauffeurs (27%) geen werk heeft. Uiteraard zijn op het personeelsgebied de gevolgen bij kleine transporteurs het grootst, aangezien bij hen de omzet het hardst is gedaald. Qua deelsegment is het autotransport de sector waarin de meeste chauffeurs geen werk meer hebben.

10.2.7

Impact op de bouwsector

De coronacrisis heeft een zware impact op de bouwsector. Bouwbedrijven behoren niet tot de sectoren waar sluiting verplicht is, maar 44% heeft er toch voor gekozen de activiteiten volledig stop te zetten. Zo’n 38% draait op een lager pitje, 18% is nog volop aan de slag. Dat zegt de Confederatie Bouw158 na een rondvraag bij meer dan 800 leden. De percentages liggen in dezelfde lijn als tien dagen geleden bij een eerdere rondvraag. De Confederatie Bouw stipt wel aan dat steeds meer bouwbedrijven aanstalten maken om de activiteiten - meestal gedeeltelijk - te hervatten. Elke onderneming zal eerst een risicoanalyse op het vlak van het coronavirus uitvoeren, om na te gaan of de veiligheid en de gezondheid van de werknemers gegarandeerd zijn, benadrukt VCB. Uit de rondvraag blijkt voorts dat de bouwbedrijven goed op de hoogte zijn van de ondersteunende maatregelen die werden ingevoerd, zoals het uitstel van betaling van btw, de bedrijfsvoorheffing, sociale bijdragen en leninglasten en het overbruggingsrecht voor zelfstandigen.

10.2.8

Impact op de telecommarkt

De Belgische mobiele operators Orange en Telenet kampten beide in het eerste kwartaal van dit jaar met een terugval in de groei van het klantenbestand, nadat de gedwongen sluiting van hun winkels vanaf half maart de verkoop beïnvloedde. Marktleider Proximus deed het beter, mede door nieuwe abonnementsstructuren die bij het begin van het jaar werden geïntroduceerd. De totale marktomzet uit diensten daalde met 1,2% op jaarbasis, onder andere door kortingen op vast-mobiele bundels, de voortdurende terugval in de prepaidmarkt en de gratis dienstverlening tijdens de corona-lockdown. Dat blijkt uit onderzoek van Telecompaper.159 Orange voegde wederom de meeste mobiele klanten toe, maar de postpaid-groei was de helft van die van het vierde kwartaal en kwam ook lager uit dan in het eerste kwartaal van 2019. Het 158

Het Laatste Nieuws, Bijna helft bouwbedrijven ligt volledig stil door coronacrisis, 1 april 2020.

159

Telecompaper, Belgische groei mobiele abonneebestanden vertraagt in Q1, omzet daalt 1%, 28 mei 2020.

237


Economische impact COVID-19

bedrijf wijst naar de impact van de gedwongen winkelsluitingen vanaf half maart, wat leidde tot minder nieuwe mobiele en convergente abonnees. Tegelijkertijd was het verloop onder de bestaande klanten lager, merkte Orange op. Telenet liet een soortgelijk beeld zien: lagere groei van postpaid-klanten, zowel op kwartaal- als op jaarbasis. Desalniettemin was de klantgroei in het afgelopen jaar voldoende om het bedrijf terug te brengen naar een jaarlijkse groei van de postpaid-omzet van 1,2% in het eerste kwartaal. Proximus was de enige operator met lagere postpaid service-omzet op jaarbasis in het eerste kwartaal en de groei van het aantal klanten bleef het afgelopen jaar achter bij de twee rivalen in het postpaid-segment. Proximus zegt echter dat zijn nieuwe tariefplannen, die aan het begin van het jaar werden geïntroduceerd, een positieve impact hadden op het aantal klanten in het eerste kwartaal en dat het in de periode meer postpaid-abonnees toevoegde dan in het vierde of het eerste kwartaal van 2019. Verwacht wordt dat de groei van het klantenbestand waarschijnlijk verder zal vertragen in het tweede kwartaal, met winkels die pas half mei werden heropend en aanhoudend lager klantenbezoek. De omzet zal ook worden beïnvloed door een lager gebruik, waaronder minder roaming, verkeer buiten de bundel en herlaadbeurten. Operators zullen dit waarschijnlijk proberen te compenseren met hun jaarlijkse prijsverhogingen.

Proximus De Belgische operator Proximus rapporteerde een omzet over het eerste kwartaal van €1,39 miljard, een daling van 1,5% ten opzichte van een jaar eerder, als gevolg van een aanhoudende daling van oudere vaste diensten en een kleine negatieve impact van de uitbraak van het coronavirus.160 De aangepaste EBITDA161 steeg met 0,3% tot €464 miljoen, geholpen door een verlaging van de bedrijfskosten met 4,5%. Proximus handhaafde zijn vooruitzichten voor het volledige jaar voor de operationele cashflow (EBITDA minus capex (capital expenditures)) van €780-800 miljoen, waarbij een eventuele negatieve impact op de EBITDA als gevolg van de Covid-19-crisis zou worden gecompenseerd door een lagere capex. De cashflow bedroeg in het eerste kwartaal €233 miljoen. Proximus verwacht dat de gevolgen van de crisis in het tweede kwartaal sterker zullen worden gevoeld, maar dat het economisch herstel onzeker blijft en dat roaming- en ICT-projecten de gevolgen van de vertraging zullen blijven voelen. Capex steeg in het eerste kwartaal licht tot €232 miljoen onder meer aan kosten voor de uitrol van glasvezel. Proximus is van plan de uitrol van FTTP (Fiber To The Premise) in de rest van het jaar te versnellen. Sinds medio maart hebben de Covid-19-gerelateerde maatregelen de veldoperaties echter vertraagd, waardoor de uitrol van de galsvezelconstructie on hold werd gezet en de totale klantinstallaties beperkt waren tot de dringende interventies. Dit leidde ook tot een vertraging van de groei van breedband in het eerste kwartaal, met slechts 1.000 breedbanden 1.000 tv-klanten. Proximus geeft verder aan dat bijna 7.000 klanten in maart niet konden worden aangesloten vanwege de inperkingsmaatregelen.

160

Telecompaper, Proximus handhaaft de vooruitzichten voor het volledige boekjaar, aangezien de omzet in het eerste kwartaal met 1,5% daalt en de EBITDA stijgt na ontslagen, 30 april 2020.

161

EBITDA staat voor Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization en is een maatstaf voor de brutowinst minus aftrek van overheadkosten van een bedrijf. Of meer concreet de operationele kasstroom: inkomsten voor aftrek van rente, belastingen, afschrijvingen op activa en afschrijvingen op leningen en goodwill.

238


Economische impact COVID-19

De onderliggende binnenlandse inkomsten daalden met 1% tot €1,09 miljard in het eerste kwartaal, door een daling van vaste telefonie, nieuwe boekhoudregels voor het vorig jaar geïntroduceerde ePress-aanbod, prijsdruk op de zakelijke markt en de impact van veel gratis COVID-19 gerelateerde diensten aan klanten en de daling van roaming-inkomsten. De daling in het personeelsbestand en de lagere commerciële uitgaven leidden tot een daling van de bedrijfskosten met 4,9%, waardoor de binnenlandse EBITDA met 0,1% steeg tot €428 miljoen. Op de mobiele consumentenmarkt voegde Proximus 18.000 postpaidklanten toe in het eerste kwartaal, met de vernieuwde tariefplannen die aan het begin van het jaar werden geïntroduceerd. Dit hielp het verloop van de klanten te verminderen. In totaal steeg de postpaid voor consumenten met 2,3% op jaarbasis tot 2,8 miljoen. De inkomsten “mobiele consumenten” daalden met 5,2% tot €165 miljoen, als gevolg van de wijzigingen in ePress, lagere kosten buiten de bundel als gevolg van de grotere databundels voor de nieuwe plannen en Covid-19-aanbiedingen, en regelgevende prijsverlagingen voor internationale gesprekken en sms. In de vaste markt stegen de consumenteninkomsten met 1,9% tot €389 miljoen, aangezien de jaarlijkse prijsstijgingen en de groei van tv en breedband het verlies van 40.000 vaste spraaklijnen compenseerden. Proximus sloot het kwartaal af met 1,079 miljoen convergente vast-mobiele klanten, ofwel 58,2% van alle multiplayklanten, een stijging van 2,4 procentpunten op jaarbasis. Elke klant nam gemiddeld 2,61 services, een stijging van 0,8% ten opzichte van een jaar eerder, waardoor de ARPU (Average Revenue Per User of de gemiddelde omzet per gebruiker) met 1,1% steeg tot €58,7.

Telenet De Belgische operator Telenet realiseerde in het eerste kwartaal een omzet van €653 miljoen, een stijging van 4% ten opzichte van een jaar eerder dankzij de overname van De Vijver Media. De onderliggende verkopen bleven ongewijzigd, aangezien de verbeterde inkomsten uit abonnementen werden gecompenseerd door lagere bedrijfsinkomsten en een negatieve impact van de doorbraak van Covid-19 op de inkomsten uit ICT, mobiele telefonie en advertenties. Telenet verwacht over het hele jaar een daling van de verkoop met ongeveer 2%, grotendeels als gevolg van de gevolgen van de coronaviruscrisis Telenet Group Holding NV (“Telenet” of de "Vennootschap") (Euronext Brussel: TNET) maakte zijn niet-geauditeerde geconsolideerde resultaten voor de drie maanden afgesloten op 31 maart 2020 bekend. De resultaten zijn conform de door de Europese Unie goedgekeurde International Financial Reporting Standards ("EU IFRS")162. De belangrijkste punten in een notendop: Versneld commercieel succes met 8.100 nieuwe breedbandklanten, de beste prestatie sinds het tweede kwartaal van 2016, gesteund door een verbeterde verkoop en een afgenomen klantenverloop. Aanhoudend sterke FMC-groei (Fixed Mobile Convergence, een verandering in telecommunicatie die verschillen tussen vaste en mobiele netwerken opheft) naar 575.800 klanten aan het eind van het eerste kwartaal van 2020, een stijging met 34% jaar-op-jaar

162

Telenet, Resultaten eerste kwartaal 2020, 30 april 2020.

239


Economische impact COVID-19

naar ongeveer 28% van de totale klantrelaties en een toename met netto 23.800 postpaid mobiele abonnees tijdens het kwartaal. Een groter aandeel abonnees op productbundels en premium breedbandklanten leidde samen met het voordeel van bepaalde prijsaanpassingen tot een gezonde groei van 2% jaarop-jaar van de vaste ARPU (Average Revenu Per User of gemiddelde omzet per gebruiker) per klantrelatie naar €58,3. €653,0 miljoen opbrengsten in het eerste kwartaal van 2020, een stijging met 4% jaar-opjaar en een weerspiegeling van de bijdrage voor het volledige kwartaal van De Vijver Media, dat in juni 2019 werd overgenomen. Op rebased basis bleef deomzet vrijwel stabiel, waarbij een verbeterde trend van onze opbrengsten uit abonnementen vrijwel volledig werd geneutraliseerd door lagere opbrengsten uit bedrijfsdiensten en overige opbrengsten, onder meer als gevolg van de impact van COVID-19 op de opbrengsten uit ICT, telefoons en reclame. €153,2 miljoen nettowinst in het eerste kwartaal van 2020, een sterke stijging jaar-op-jaar dankzij beduidend hogere financiële opbrengsten in de periode en lagere winstbelastingen, gedeeltelijk gecompenseerd door de versnelde afschrijving van sportgerelateerde uitzendrechten als gevolg van de COVID-19-pandemie. €345,6 miljoen Adjusted EBITDA in het eerste kwartaal van 2020, +8% jaar-op-jaar op gerapporteerde basis, met inbegrip van de impact van de overname van De Vijver Media. Op rebased basis steeg de Adjusted EBITDA met 4% jaar-op-jaar, waarbij de negatieve impact van het verlies van het MVNO-contract met MEDIALAAN en bepaalde regulatoire tegenwinden ruimschoots werd gecompenseerd door (i) lagere verkoop- en marketingkosten dankzij de fasering en de impact van de migratie van de klanten van SFR in 2019 (de overdracht van het netwerk en de commerciële activiteiten van SFR België naar Telenet) en (ii) een aanhoudend strakke kostenbeheersing. €172,7 miljoen toe te rekenen investeringsuitgaven in het eerste kwartaal van 2020, stabiel tegenover dezelfde periode van vorig jaar. De toe te rekenen investeringsuitgaven vertegenwoordigden 26% van de opbrengsten in de periode en weerspiegelden (i) de nietorganische163 impact van de overname van De Vijver Media, (ii) de proactieve aanleg van voorraden om onze toeleveringsprocessen tijdens de COVID-19-pandemie te verzekeren en (iii) hogere seizoensgebonden uitgaven voor het IT-upgradeprogamma, dat de digitale capaciteiten van Telenet in de toekomst zal versterken. €172,9 miljoen operationele vrije kasstroom in het eerste kwartaal van 2020, een daling met 8% jaar-op-jaar, waarbij een forse groei van de EBITDA ruimschoots werd geneutraliseerd door seizoensgebonden hogere kapitaal investeringen in het kwartaal. Respectievelijk €282,5 miljoen, €117,4 miljoen en €129,0 miljoen netto kasstroom uit operationele activiteiten, netto kasstroom gebruikt in investeringsactiviteiten en netto kasstroom gebruikt in financieringsactiviteiten in het eerste kwartaal van 2020. €83,4 miljoen aangepaste vrije kasstroom in het eerste kwartaal van 2020, meer dan een verdrievoudiging, dankzij de fasering van onze geldelijke betaling van belastingen en een sterke groei van de Adjusted EBITDA. in het eerste kwartaal van 2020 had Telenet €26,3 miljoen netto

163

In het bedrijfsleven staat autonome of organische groei voor het op eigen kracht groeien van een onderneming door het uitbreiden van productie en verkoop, in tegenstelling tot groei door de aankoop van andere bedrijven (overname) of fusies. Organische groei kan ontstaan door de groei van de markt als geheel en/of door de groei van het marktaandeel binnen die markt. Bij organische of autonome groei worden groei door fusies en overnames, en wijzigingen in de groei door wisselkoerseffecten of desinvesteringen (het verkopen van bedrijfsactiviteiten of -onderdelen of van een financieel belang of participaties) niet meegerekend.

240


Economische impact COVID-19

betalingen onder het leverancierskrediet-programma vergeleken met €43,9 miljoen voordeel in het eerste kwartaal van 2019. Exclusief deze impact zou de netto kasstroom zelfs nog hoger zijn geweest. Groeivooruitzichten (CAGR, Compound Annual Growth Rate) betreffende operationele vrije kasstroom van 6,5 tot 8,0% over de periode 2018-2021 gehandhaafd, terwijl de vooruitzichten voor FY (fiscal year) 2020 bescheiden werden bijgesteld als gevolg van de tijdelijke effecten van de wereldwijde COVID-19-pandemie. Dit weerspiegelt de verwachte effecten van de huidige lockdown vanaf medio maart 2020 en sluit de effecten uit van eventuele aanvullende lockdowns in de tweede helft van het jaar, die onze activiteiten verder zouden kunnen beïnvloeden. Er wordt ook van uitgegaan dat de lock-out in mei geleidelijk zal beëindigd worden met een geleidelijk economisch herstel daarna. Verwachte daling van de bedrijfsopbrengsten en Adjusted EBITDA met respectievelijk ongeveer 2% en ongeveer 1% op rebased basis. Exclusief overige opbrengsten, waaronder onder meer interconnect, handset-gerelateerde inkomsten en reclame- en productieinkomsten gegenereerd door het lokale mediabedrijf De Vijver Media behoren, zullen de bedrijfsopbrengsten naar verwachting over het algemeen stabiel blijven in vergelijking met 2019, wat de veerkracht van de residentiële sector en zakelijke connectiviteitssegmenten beklemtoont. Verwachte aangepaste vrije kasstroom van €415,0-€ 435,0 miljoen blijft behouden maar zal waarschijnlijk onderaan de vork liggen. Verwachte groei met 1-2% van de operationele vrije kasstroom, gelet op het bewezen vermogen om de kosten strak te beheersen en toekomstige investeringen zorgvuldig af te wegen. Daarmee herbevestigt Telenet de intentie om de netto totale hefboomratio rond het midden van 4,0x te behouden, terwijl de strategie inzake aandeelhoudersvergoedingen wordt aangehouden, zoals gepresenteerd tijdens de Capital Markets Day in december 2018.

10.2.9

Impact op betaaltransacties voor consumptie (inclusief online)

In België is de eerste zes weken van de lockdown een derde minder geld uitgegeven dan een jaar eerder, leert een studie van ING België164. Ook in de lossere lockdown lijken consumenten hun uitgaven te beperken. De cijfers van de bank zetten opnieuw in de verf hoe de coronacrisis onze manier van winkelen en betalen verandert. Economen van ING België pluisden 98 miljoen elektronische betaalgegevens van klanten uit om hun gedrag tijdens de lockdown te vergelijken met dezelfde periode vorig jaar. In de eerste zes weken van de lockdown, die begon op 16 maart, lag het aantal transacties 28% lager dan in dezelfde periode vorig jaar. In waarde was er een daling met 16%. In dat cijfer zitten ook typische ‘vaste kosten’ zoals huur, de afbetaling van een lening of verzekeringspremies. Exclusief die uitgaven zakte het aantal transacties met 34%, terwijl de uitgegeven bedragen met 31% tuimelden. De lockdown heeft een aanzienlijk effect op het bestedingsbedrag van de Belgen en dwong ze hun uitgaven drastisch te verlagen. Het schokeffect was het grootst in de eerste volle week na de afkondiging van de lockdown. Toen daalde het aantal transacties met 37% in vergelijking met een jaar geleden. Zonder ‘vaste kosten’

164

De Tijd, Belgen houden vinger op de knip, ook na coronaversoepeling, 15 mei 2020.

241


Economische impact COVID-19

was de terugval 42%, terwijl de uitgegeven bedragen 40% lager waren. In de weken daarop lag het aantal transacties gemiddeld een kwart lager. Tot 11 mei mochten enkel winkels die levensmiddelen verkopen open zijn. De klanten gingen dan wel minder naar de supermarkt – het aantal transacties zakte 2%. Dat ze er een kwart meer uitgaven, wijst erop dat er stevig gehamsterd werd. Bij slagerijen, bakkers en kruidenierswinkels in de buurt steeg het aantal transacties met 14%. Dat heeft deels te maken met het groeiende succes van ‘winkelhieren’, maar ook met het feit dat die plaatselijke zaken volop elektronische betalingen beginnen aan te moedigen. Figuur 120: Belg winkelhiert tijdens de lockdown …

Figuur 121: … en koopt verder vooral online

Door de lockdown zijn Belgen massaal online beginnen te winkelen. Bij de grootste drie onlineshops, Zalando, Bol.com en Amazon, steeg het aantal transacties tijdens de lockdown met 66%. De uitgaven bij die drie reuzen gingen jaar op jaar 85% hoger. De cijfers van ING België illustreren nog eens hoezeer de lockdown inhakte bij fysieke winkels en bedrijven die verplicht moesten sluiten. In de categorie ‘vervoer’ ging het aantal transacties ruim 81% lager. In ‘kledij en beauty’ viel het aantal transacties met 80% terug, terwijl klanten 61% minder uitgaven. Voor restaurants en bars viel het aantal transacties 72% lager uit, terwijl de uitgegeven bedragen ruim een derde minderwaren dan een jaar eerder. De regering heeft de lockdown weer versoepeld. Maar de ING-economen zien in de transactiegegevens geen aanwijzing dat klanten anders consumeren. Aan het einde van de paasvakantie gingen Belgen meer de baan op en konden doe-het-zelfzaken en tuincentra heropenen. Maar de uitgaven zijn niet gevolgd, stelt de bank vast. Als dat aanhoudt, kan dat

242


Economische impact COVID-19

wijzen op een veel lager consumentenvertrouwen na de lockdown. Het economisch herstel kan veel trager dan voorzien verlopen.

10.2.10 Impact op horeca Een survey van de UGent165 laat zien dat klanten staan te popelen om hun favoriete restaurants en cafés opnieuw te mogen bezoeken. Om hun terugkeer veilig te laten verlopen, verwachten ze dat de horeca inspanningen levert. De UGent heeft de voorbije weken restaurant- en caféuitbaters en hun bezoekers bevraagd. De onderzoekers wilden weten wat consumenten nodig hebben om zich veilig te voelen wanneer cafés en restaurants hun deuren weer mogen openen. Het merendeel (85%) van de restaurant- en caféuitbaters verwacht 45% procent minder klanten over de vloer te krijgen bij de heropening van hun zaak. Ze vermoeden dat klanten eerder voorzichtig zullen terugkeren en dat de overheid maatregelen zal bepalen die een invloed hebben op hun maximumcapaciteit. Mogelijke maatregelen zijn de handen ontsmetten, de tafels en de stoelen na elk bezoek desinfecteren, geen menukaarten uitwisselen en de afstand van 1,5 meter respecteren. Zowat 60% van de klanten geeft aan onmiddellijk het bezoek aan restaurants of cafés te hernemen met dezelfde, hogere of lagere frequentie als voor de verspreiding van COVID-19. De overige 40% is iets voorzichtiger en zal het bezoek enkele weken uitstellen. De belangrijkste reden om het bezoek uit te stellen is de vrees voor besmetting. Uit het onderzoek blijkt ook dat klanten momenteel liever zelf koken of een nieuwe voorkeur ontwikkelden om maaltijden af te halen of bij hen thuis te laten leveren. Om hun terugkeer veilig te laten verlopen, verwachten klanten dat de horeca inspanningen levert door maatregelen in te voeren. Het is opvallend dat restaurant- en caféhouders het belang dat hun klanten hechten aan de maatregelen systematisch lager scoren dan de klanten zelf. Dat is voornamelijk het geval voor de 1,5 meter afstandsmaatregel en het plaatsen van plexiwanden tussen de tafels. Het onderzoek werd uitgevoerd door de vakgroep Landbouweconomie van de UGent. Aan de eerste fase van het onderzoek namen 1083 klanten en 307 restaurants en cafés deel. In een volgende fase wordt de haalbaarheid en de invulling van de opgelegde maatregelen bij de heropstart onderzocht.

165

Universiteit Gent, Klanten willen graag snel restaurant of café bezoeken, https://www.ugent.be/nl/actueel/horeca-corona-klanten-willen-terug-bezoek.htm.

28

mei

2020,

243


Economische impact COVID-19

Figuur 122: Belangrijkst redenen om bezoek aan restaurant of café uit te stellen (in %)

Figuur 123: Belang mogelijke exitmaatregelen voor klanten (volgens restaurant- en caféhouders en klanten), score op 5-puntenschaal met 1 als ‘Helemaal niet belangrijk’ en 5 als ‘Heel belangrijk’

244


Economische impact COVID-19

Lijst van figuren Figuur 1: Substantiële toename van de effectieve korte termijn schooluitval in het basisonderwijs voor alle niveaus van menselijke ontwikkeling ............................................................................ 6 Figuur 2: De wereldwijde ‘Index van de Menselijke Ontwikkeling (HDI)’ sinds 1991 ................... 7 Figuur 3: De omvang van de COVID-19 gerelateerde financiële maatregelen in relatie met het menselijke ontwikkelingsniveau van een land............................................................................. 7 Figuur 4: De potentiële initiële impact van gedeeltelijke of volledige sluitingen van activiteiten in de geselecteerde G7-economieën (% van het bbp tegen constante prijzen) ............................ 12 Figuur 5: De potentiële initiële impact van gedeeltelijke of volledige sluitingen van activiteiten in geselecteerde geavanceerde en opkomende markteconomieën (in % van het bbp tegen constante prijzen) ..................................................................................................................... 13 Figuur 6: De potentiële initiële impact van gedeeltelijke of volledige sluitingen op de particuliere consumptie in geselecteerde G7-economieën (% van de totale consumentenuitgaven) ........... 14 Figuur 7: Evolutie van de aandelenmarkten per land ................................................................ 16 Figuur 8: Scenario’s voor de economische impact van COVID-19 ............................................ 17 Figuur 9: Verwachtingen van CO’s over de ontwikkeling van de wereldeconomie de volgende zes maanden (% van de respondenten)......................................................................................... 18 Figuur 10: Verwachtingen van de CO’s over de ontwikkeling van de omstandigheden in de nationale economie (% van de respondenten volgens vestiging) .............................................. 19 Figuur 11: Verwachtingen van de CO’s over de ontwikkeling van de bedrijfswinst de volgende zes maanden (% van de respondenten).......................................................................................... 19 Figuur 12: De grootste potentiële risico’s voor de groei van de onderneming in de volgende 12 maanden (in % van de respondenten volgens sector) .............................................................. 20 Figuur 13: Evolutie van bbp-vooruitzichten ............................................................................... 25 Figuur 14: Tijdsprofiel van indicatieve verliezen aan bruto toegevoegde waarde geïmpliceerd door inperkingsmaatregelen in het eurogebied onder het milde, medium en zware scenario............ 30 Figuur 15: Reële bbp voor de Eurozone in het milde, medium en zware scenario .................... 31 Figuur 16: Evolutie bbp, kwartaal op kwartaal (in %) ................................................................ 36 Figuur 17: Evolutie bbp in Duitsland ......................................................................................... 37 Figuur 18: reële bbp-groei en drijvers, output-gap .................................................................... 39 Figuur 19: bbp naar volume en reële bbp-groei ........................................................................ 41 Figuur 20: Cumulatief bbp-verlies (in €miljard) ......................................................................... 41 Figuur 21: Bruto exploitatiegroei, inkomen en consumptie (jaarlijkse groei in %) ...................... 42 Figuur 22: Evolutie van het Belgische bbp in volume ................................................................ 44 Figuur 23: De daling van de omzet per bedrijfstak (in %, gewogen gemiddelde op basis van de omzet) ...................................................................................................................................... 47

245


Economische impact COVID-19

Figuur 24: Aantal tijdelijk werklozen dat zou worden ontslagen (in % van het aantal tijdelijk werklozen per bedrijfstak1......................................................................................................... 48 Figuur 25: Hoe ziet u het aantal werknemers in uw onderneming evolueren tussen de situatie van vóór de crisis en het einde van het jaar .................................................................................... 50 Figuur 26: De integratie van China in mondiale waardeketens, naar sector.............................. 58 Figuur 27: Daling zee- en luchtvracht ....................................................................................... 61 Figuur 28: Ontwikkeling van de in- en uitvoer van goederen in waarde1 ................................... 67 Figuur 29: Geschatte daling van de geaggregeerde werkuren, wereldwijd, naar regio en naar inkomensgroep ......................................................................................................................... 71 Figuur 30: Informele werkers in de informele economie: hoeveel zijn op significante wijze geïmpacteerd? ......................................................................................................................... 73 Figuur 31: potentiële impact van de pandemie op de armoedeniveaus van informele werkers . 74 Figuur 32: Aandeel (%) van de werkgelegenheid van rechtstreeks getroffen sectoren in de economie, 2018 of laatste beschikbare jaar.............................................................................. 76 Figuur 33: Het aandeel van de totale werkgelegenheid in de meest getroffen sectoren naar ondernemingsdimensie, 2018 of laatste beschikbare jaar ........................................................ 77 Figuur 34: Regio’s met het hoogste aandeel risicobanen, per land ........................................... 78 Figuur 35: Werkloosheidsaanvragen VS .................................................................................. 79 Figuur 36: Kwetsbare beroepen naar sector ............................................................................. 80 Figuur 37: Werkloosheid naar socio-economische achtergrond................................................ 81 Figuur 38: stijgende werkloosheid in de VS .............................................................................. 84 Figuur 39: Werkgelegenheidsevolutie in de sectoren, april 2020 (seizoensgecorrigeerd) ......... 86 Figuur 40: De werkloosheidsgraad in de VS ............................................................................. 87 Figuur 41: Evolutie werkloosheidsgraad VS (seizoensgezuiverd) ............................................. 87 Figuur 42: Veranderingen in de werktijd tijdens de coronacrisis (in %) ..................................... 90 Figuur 43: Europese beroepen die risico lopen op jobverlies .................................................... 92 Figuur 44: Risicoberoepen volgens sector ................................................................................ 93 Figuur 45: Europese risicoberoepen volgens sector en opleiding ............................................. 94 Figuur 46: aanvragen en aantallen tijdelijke werklozen omwille van Coronavirus sinds 1 maart 2020 ......................................................................................................................................... 95 Figuur 47: Evolutie van de n-binnenlandse werkgelegenheid (duizenden personen) ................ 98 Figuur 48: Evolutie jobmobiliteit .............................................................................................. 108 Figuur 49: Inhoud contact tussen collega’s en leidinggevende in tijden van lockdown ............ 109 Figuur 50: Percentage telewerkers en ICT-gebaseerd mobiel werk, volgens arbeidsstatuut, 2015 ............................................................................................................................................... 113 Figuur 51: Telewerken op basis van de federale diagnostiek ................................................. 114

246


Economische impact COVID-19

Figuur 52: Problemen met werk-privébalans volgens bereikbaarheid en taakeisen ................ 115 Figuur 53: Problemen met werkstress volgens bereikbaarheid en taakeisen .......................... 115 Figuur 54: Aandeel werknemers dat begon te telewerken als gevolg van de coronacrisis (in %) ............................................................................................................................................... 119 Figuur 55: De relatie tussen telewerken en de werktijd ........................................................... 120 Figuur 56: Werk-privé conflictdimensies naar geslacht, EU-27 (in %) ..................................... 120 Figuur 57: aandeel werkenden met armoederisico naargelang tewerkstellingsstatuut (EU, 2014, in %) ....................................................................................................................................... 124 Figuur 58: Financiële situatie van de respondenten drie maanden geleden en binnen drie maanden (in %) ...................................................................................................................... 128 Figuur 59: Aandeel respondenten zonder spaargeld of die de huidige levensstandaard zonder inkomen niet langer dan drie maanden kunnen handhaven, naar arbeidsstatuut – EU27 (in %) ............................................................................................................................................... 129 Figuur 60: Aandeel respondenten in financiële onzekerheid, EU27 (in %) .............................. 129 Figuur 61: Moeilijkheden om rond te komen, naar arbeidsstatuut, EU27 (in %) ...................... 130 Figuur 62: Evolutie bbp per inwoner (in%) .............................................................................. 130 Figuur 63: Netto inkomen voor een alleenstaande zonder kinderen ten laste (in euro) ........... 136 Figuur 64: Netto inkomen voor een getrouwde werknemer met twee kinderen ten laste (in euro) ............................................................................................................................................... 136 Figuur 65: het aandeel van de micro- en grotere ondernemingen in de toegevoegde waarde van de niet-financiële bedrijfsactiviteiten (in %), 2017 of laatst beschikbare jaar ........................... 139 Figuur 66: Tewerkstelling in sectoren die hard worden getroffen door COVID-19 (% van de totale werkgelegenheid in de economie, 2018 of laatst beschikbare jaar) ........................................ 140 Figuur 67: Aandeel in de totale werkgelegenheid van de hardst getroffen sectoren, naar ondernemingsdimensie (%, 2018 of laatst beschikbare jaar) .................................................. 141 Figuur 68: Op PMI gebaseerde bbp-vooruitzichten Eurozone................................................. 144 Figuur 69: Algemeen synthetische curve ................................................................................ 146 Figuur 70: KMO-barometer, 1ste kwartaal 2020 ....................................................................... 149 Figuur 71: KMO-barometer, 1ste kwartaal 2020 ....................................................................... 150 Figuur 72: Evolutie bouwbarometer (Vlaamse bouwkmo’s, evolutie 2008-2019) .................... 151 Figuur 73: Optimisme over het economisch herstel na COVID-19, in % van respondenten .... 153 Figuur 74: Consumenten verwachten een langdurige impact van COVID-19 ......................... 154 Figuur 75: Consumenten die een verlies dan wel een toename in het inkomen ondervinden in de voorbije 2 weken (% van de respondenten) ............................................................................ 155 Figuur 76: Verwachte uitgaven door de huishoudens voor de volgende 2 weken – optimisme en verwachte uitgaven zijn wereldwijd sterk gecorreleerd ........................................................... 156

247


Economische impact COVID-19

Figuur 77: Verwachte uitgaven voor de komende twee weken per productcategorie vergeleken met de normale situatie .......................................................................................................... 157 Figuur 78: Consumenten in de VS en de APAC consumeren meer online in essentiële categorieën ............................................................................................................................................... 158 Figuur 79: Wereldwijd verplaatsen consumenten in ‘blijf in uw kot’-landen hun tijdsbesteding naar entertainment ......................................................................................................................... 159 Figuur 80: Adoptie van digitale en low-touch (contactloos) activiteiten sinds COVID-19 ......... 160 Figuur 81: Verwachte gedragswijzigingen na COVID-19 ........................................................ 161 Figuur 82: consumentensentiment in China, evolutie tijdens de coronacrisis .......................... 162 Figuur 83: het consumentensentiment in Italië, evolutie tijdens de coronacrisis ..................... 162 Figuur 84: het consumentensentiment in Spanje, evolutie tijdens de coronacrisis .................. 163 Figuur 85: Het consumentensentiment in Frankrijk, evolutie tijdens de coronacrisis ............... 164 Figuur 86: het consumentensentiment in Duitsland, evolutie tijdens de coronacrisis .............. 164 Figuur 87: Vraag 1 ‘Lijdt uw gezin inkomensverlies als gevolg van de crisis ?’ ....................... 166 Figuur 88: Indicator van het consumentenvertrouwen (april 2020) ......................................... 167 Figuur 89: Vooruitzichten voor de volgende 12 maanden ....................................................... 168 Figuur 90: Het consumentensentiment in België, evolutie tijdens de coronacrisis................... 169 Figuur 91: Inflatie volgens de Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex ................... 173 Figuur 92: HICP...................................................................................................................... 178 Figuur 93: HICP – CT ............................................................................................................. 179 Figuur 94: Indexevolutie ......................................................................................................... 180 Figuur 95: Inflatie.................................................................................................................... 184 Figuur 96: Groeiende investeringskloof in infrastructuur ......................................................... 186 Figuur 97: Coronavirus en de verwachte impact op de private marktfinanciering ................... 188 Figuur 98: Coronavirus en de verwachte impact op de private marktfinanciering vanuit Azië . 188 Figuur 99: daling van de deals op de private markt onder invloed van coronavirus ................ 189 Figuur 100: runway maanden vanaf heden............................................................................. 190 Figuur 101: status van fondsenwerving door startups met een term sheet vóór de crisis........ 190 Figuur 102: Ontslag van fulltime werknemers ......................................................................... 191 Figuur 103: Veranderingen in omzet sinds de crisis ............................................................... 192 Figuur 104: Kostenbesparingen.............................................................................................. 193 Figuur 105: Operationaliteit van de startups tijdens de lockdowns .......................................... 193 Figuur 106: Meest gevraagde overheidssteunmaatregelen .................................................... 194 Figuur 107: Waardevermindering van de Europese REIT activa in verhouding met hun brutowaarde , per sector......................................................................................................... 197

248


Economische impact COVID-19

Figuur 108: Credit spread voor Britse BBB-effecten op 10 jaar............................................... 199 Figuur 109: Toename van de verwerkingstijd van online bestellingen sinds coronacrisis ....... 206 Figuur 110: Effect op de totale toegevoegde waarde (bbp) van een importverlies van 5% in elke sector van de economie ......................................................................................................... 212 Figuur 111: Effect op de totale toegevoegde waarde (bbp) van een exportverlies van 5% in elke sector van de economie ......................................................................................................... 213 Figuur 112: Effect op de totale toegevoegde waarde (bbp) van een binnenlandse vraag verlies van 5% in elke sector van de economie ................................................................................. 215 Figuur 113: Impact corona op Belgische ondernemingen ....................................................... 217 Figuur 114: Jaarwijziging woningprijzen (in %, bestaande en nieuwe woningen, geharmoniseerde Eurostatcijfers) ....................................................................................................................... 221 Figuur 115: Aanbodbeperkingen in de bouw (% ja-antwoorden in enquête Europese Commissie) ............................................................................................................................................... 222 Figuur 116: Evolutie van de woningprijzen en het bbp ............................................................ 225 Figuur 117: Prijsvooruitzichten België..................................................................................... 228 Figuur 118: Evolutie van de Belpex day ahead prijs ............................................................... 228 Figuur 119: Gemiddelde wekelijkse belasting Elia-net ............................................................ 230 Figuur 120: Belg winkelhiert tijdens de lockdown … ............................................................... 242 Figuur 121: … en koopt verder vooral online .......................................................................... 242 Figuur 122: Belangrijkst redenen om bezoek aan restaurant of café uit te stellen (in %) ........ 244 Figuur 123: Belang mogelijke exitmaatregelen voor klanten (volgens restaurant- en caféhouders en klanten), score op 5-puntenschaal met 1 als ‘Helemaal niet belangrijk’ en 5 als ‘Heel belangrijk’ ............................................................................................................................................... 244

249


Economische impact COVID-19

Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de (verwachte) wereldoutput .................................................................. 9 Tabel 2: Overzicht van de (verwachte) output in de geavanceerde economieën ...................... 10 Tabel 3: Evolutie bbp in een mild scenario ............................................................................... 15 Tabel 4: Hard getroffen sectoren door COVID-19 ..................................................................... 16 Tabel 5: Reële groeivoet bbp (%), kwartaal per kwartaal .......................................................... 21 Tabel 6: Vooruitzichten voor de G20 in 2020 ............................................................................ 21 Tabel 7: Overzicht van de vooruitzichten .................................................................................. 24 Tabel 8: reële groei bbp, in % per jaar ...................................................................................... 26 Tabel 9: Overzicht van de voorjaarsprognoses 2020 ................................................................ 27 Tabel 10: Scenario’s ECB ........................................................................................................ 28 Tabel 11: Initiële sectorale verliezen ten gevolge van strikte lockdown maatregelen ................ 29 Tabel 12: Global Ratings European Economic Forecasts (March 2020) ................................... 33 Tabel 13: bbp-groei, vergelijking tussen schattingen begin april en eind april ........................... 34 Tabel 14: Overzicht van vooruitzichten voor de Eurozone ........................................................ 34 Tabel 15: Overzicht van de scenario’s met de belangrijkste onzekerheden (CPB, 2020).......... 35 Tabel 16: Belangrijkste indicatoren van de voorjaarsvoorspellingen voor België ...................... 39 Tabel 17: Impact van de coronacrisis op de omzet van de onderneming1 (in %, gewogen gemiddelde op basis van de omzet en geaggregeerd per sector) ............................................. 46 Tabel 18: Opdeling bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid naar hoofdsectoren, absolute cijfers (2018) ............................................................................................................................ 51 Tabel 19: Gewogen gemiddelde van omzetverlies per bedrijfstak t.g.v. coronacrisis, in % omzet 2019 ......................................................................................................................................... 52 Tabel 20: Variaties in het bbp volgens de drie scenario’s (aan lopende prijzen in miljoen €) .... 54 Tabel 21: Totale investeringen (wijzigingen in %) ..................................................................... 55 Tabel 22: Bruto-investeringen in vaste activa (kwartaalaggregaten) ......................................... 56 Tabel 23: Wereldwijde effecten van de slowdown van China via wereldwijde waardeketens, de 20 meest getroffen economieën (US$ million from a 2 percent reduction of China exports in intermediate inputs) .................................................................................................................. 59 Tabel 24: Exportverliezen in 2020 door COVID-19 ................................................................... 63 Tabel 25: Export van goederen en diensten, volumewijzigingen (veranderingspercentage ten opricht van voorgaande jaar) .................................................................................................... 65 Tabel 26: Import van goederen en diensten volumewijzigingen (veranderingspercentage ten opricht van voorgaande jaar) .................................................................................................... 66 Tabel 27: In- en uitvoer van goederen (in waarde), maart 2020: geografische opdeling ........... 68

250


Economische impact COVID-19

Tabel 28: In- en uitvoer van goederen (in waarde), maart 2020: opdeling per productcategorie1 ................................................................................................................................................. 68 Tabel 29: Impact van de crisis op de ondernemingen in de hardst getroffen sectoren .............. 72 Tabel 30: Evolutie van de werkloosheidsgraad en het reëel bbp per capita (in %).................... 75 Tabel 31: Evolutie in het aantal vacatures ................................................................................ 80 Tabel 32: banenverlies in de 10 grootstedelijke economieën .................................................... 82 Tabel 33: De werkgelegenheidsgroei (in %) ............................................................................. 88 Tabel 34: Werkloosheidsgraad ................................................................................................. 89 Tabel 35: Ontvangen vacatures volgens opleidingsniveau en arbeidsstelsel ............................ 99 Tabel 36: Ontvangen vacatures volgens sector ...................................................................... 100 Tabel 37: Vacatures Wervings- en selectiekantoren, uitzendarbeid en studentenjobs ............ 101 Tabel 38: Kenmerken van de NWWZ ..................................................................................... 102 Tabel 39: NWWZ – jaarverschillen ......................................................................................... 102 Tabel 40: Regionale impact COVID-19................................................................................... 104 Tabel 41: Evolutie in het reële bbp per capita ......................................................................... 127 Tabel 42: Evolutie in het reële bbp per capita in opkomende markten en ontwikkelingslanden ............................................................................................................................................... 127 Tabel 43: Overzicht resultaat simulatie typegevallen op maandbasis (in euro, tenzij anders vermeld) ................................................................................................................................. 133 Tabel 44: Verschuldigde personenbelasting versus betaalde bedrijfsvoorheffing1 (in euro) .... 134 Tabel 45: Conjunctuurindicatoren ........................................................................................... 146 Tabel 46: Synthetische curven en onderliggende componenten ............................................. 147 Tabel 47: Overige indicatoren van het conjunctuuronderzoek ................................................ 148 Tabel 48: ondernemersvertrouwen in Vlaanderen .................................................................. 148 Tabel 49: Indicatoren van consumentenvertrouwen ............................................................... 165 Tabel 50: Vraag 2 ‘Gedurende hoeveel tijd beschikt uw gezin over een spaarbuffer om de noodzakelijke uitgaven te dekken (huur, aankopen, enz.) en om in uw levensonderhoud te voorzien?’ ............................................................................................................................... 166 Tabel 51: Het inkomensverlies en het belang van de spaarbuffer in perspectief ..................... 167 Tabel 52: Consumentenvertrouwen in Vlaanderen ................................................................. 169 Tabel 53: Evolutie van de consumptieprijzen in de geavanceerde economieën (jaarlijks veranderingspercentage)........................................................................................................ 170 Tabel 54: Evolutie van de consumptieprijzen in de opkomende en ontwikkelingseconomieën (jaarlijks veranderingspercentage) .......................................................................................... 170 Tabel 55: consumptieprijzen – inflatie (%) .............................................................................. 171

251


Economische impact COVID-19

Tabel 56: Inflatie en impact op inflatie voor globale HICP en 12 hoofdgroepen ...................... 174 Tabel 57: Inflatie volgens specifieke aggregaten .................................................................... 175 Tabel 58: Subindices met de grootste positieve impact op de inflatie ..................................... 176 Tabel 59: Subindices met de grootste negatieve impact op de inflatie .................................... 176 Tabel 60: Inflatie courant aangekochte producten .................................................................. 177 Tabel 61: Enkele producten en diensten die ten opzichte van mei vorig jaar sterk in prijs stegen ............................................................................................................................................... 182 Tabel 62: Impact op de inflatie van de 12 hoofdgroepen (mei 2020) ...................................... 183 Tabel 63: Bijdrage tot de inflatie van de 12 hoofdgroepen (mei 2020) .................................... 183 Tabel 64: Overzicht ................................................................................................................ 184 Tabel 65: Impact COVID-19 op productie en werkgelegenheid in de automobielindustrie ...... 202 Tabel 66: Sectorale blootstelling aan stroomopwaartse verstoring van de bevoorradingsketen ............................................................................................................................................... 211 Tabel 67: Sectorale blootstelling aan verstoring van de buitenlandse vraag ........................... 212 Tabel 68: Sectorale blootstelling aan een verstoring van de binnenlandse vraag ................... 214 Tabel 69: Productiemultiplicator 2015 (in volgorde van belangrijkheid), in miljoen euro per miljoen euro eindvraag voor binnenlandse productie .......................................................................... 216 Tabel 70: Totale toerismeconsumptie naar soort en uitgavencategorie, Vlaams Gewest, 2018, in miljoen euro (prijzen van 2018) .............................................................................................. 219 Tabel 71: Bruto toegevoegde waarde toerismeconsumptie en toeristische sector .................. 219 Tabel 72: Potentiële impact COVID-19 op toeristische sector (miljard euro) ........................... 220 Tabel 73: Voorspelling economische groei en woningprijsdynamiek in België, jaarwijziging in % (KBC Economics, 8 april 2020)............................................................................................... 223 Tabel 74: Evolutie van maandgemiddelde Endex prijs ........................................................... 228 Tabel 75: Minderinkomsten per MWh ..................................................................................... 229 Tabel 76: Ontwikkeling van belasting Elia-net (vóór en na 16 maart 2020) ............................. 230 Tabel 77: Omzetdaling per aantal motorvoertuigen ................................................................ 233 Tabel 78: Omzetdaling per subactiviteit .................................................................................. 234 Tabel 79: Relatie aantal activiteiten – omzet .......................................................................... 234 Tabel 80: Omzetdaling per provincie ...................................................................................... 235 Tabel 81: Gemiddeld aantal stilstaande voertuigen per onderneming..................................... 235 Tabel 82: Tijdelijke inactiviteit ................................................................................................. 236 Tabel 83: Werkloze chauffeurs per aantal motorvoertuigen .................................................... 236 Tabel 84: Werkloze chauffeurs per type subactiviteit .............................................................. 236

252


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SERV_20200615_Economische_Relance_COVID19_RAP.pdf by Vlaanderen-be - Issuu