Skip to main content

Algemene_omgevingsanalyse_Vlaanderen_2004_deel_5.pdf

Page 1

SOCIAAL–CULTURELE ONTWIKKELINGEN

129


130


8 SOCIAAL-CULTURELE ONTWIKKELINGEN

BENADERING In dit hoofdstuk worden vormen van sociale ongelijkheden, nu en in de toekomst belicht. In eerste instantie hebben we het over de multiculturele samenleving. Hierin worden de geografische en de maatschappelijke componenten verder uitgewerkt. Ook wordt nagegaan of genderverschillen nog significant zijn voor feiten en houdingen m.b.t. verschillende levensdomeinen. Een ander aspect is de vraag of het verenigingsleven nog een integratieve rol te vervullen heeft. Vervolgens wordt onderzocht hoe verschillende levensdomeinen als arbeid, gezin en vrije tijd zich ten overstaan van elkaar verhouden en of in dit centraliteitsvraagstuk verandering te verwachten is. Ten slotte wordt onderzocht welke de onderliggende waarden en houdingen invloed hebben op het tanend vertrouwen in de overheid. SAMENVATTING THESE 1 VLAANDEREN WORDT IN TOENEMENDE MATE EEN MULTICULTURELE SAMENLEVING Ook al wijzen statistieken op zich niet op een toename, de aanwezigheid van personen van een vreemde origine neemt toe en concentreert zich sterk in de grootsteden en vaak dan nog in bepaalde buurten. Er zijn meerdere categorieën van allochtonen: niet-Belgen, genaturaliseerde Belgen en nieuwkomers. De achterstandsproblematiek lost zich niet van zelf op. Cijfers tonen aan dat niet-Belgen meer schoolse achterstand hebben dan Belgen. Ze zijn ook meer dan evenredig vertegenwoordigd in de groep van werkzoekenden. Jongere allochtonen hebben een relatief kleinere achterstand met de oudere allochtonen, maar er blijft een verschil met de autochtonen. THESE 2 GENDERVERSCHILLEN: FEITEN EN HOUDINGEN WIJZEN NOG OP VERSCHILLEN De positie van de vrouwen is op vele vlakken reeds gelijk of zelfs beter dan de mannen. In een aantal domeinen zoals studiekeuze en de houding en gedragingen t.o.v. het werken bij gezinsuitbreiding, blijven de verschillen bestaan. Er wordt verwacht dat de verhouding M/V in de beroepsbevolking 50/50 wordt en dat de vrouwelijke activiteitsgraad blijft stijgen dankzij een verhoogde participatie, al zij het via deeltijds werk. Hun studiekeuze ligt goed in de markt bij een sterker wordende zorgeconomie. Mannen en vrouwen blijven verschillen in het belang dat ze hechten aan gezin en arbeid. Deze verschillen in levensstijlkeuze zullen impact blijven hebben op arbeidsmarktparticipatie.

131


THESE 3 ARBEID BLIJFT BELANGRIJK IN DE LEVENSLOOP

In Vlaanderen is er in de jaren 90 geen sprake van een afname van de centraliteit van de arbeid en hebben de overige levensdomeinen zoals gezin en vrije tijd niet aan belang gewonnen. Verder is er ook geen sprake van een afname van de centraliteit van arbeid bij de leeftijdsgroep 25-44 jaar. Wel zijn er lichte aanwijzingen dat in 1999 meer 55-64-jarigen het werk als (helemaal) niet belangrijk beschouwen. De intrede op de arbeidsmarkt gebeurt op steeds latere leeftijd. De uittrede gebeurt ook steeds vroeger. Er is dan ook sprake van een samengedrukte loopbaan. Een ontsnapping uit die samengedrukte loopbaan is bij vrouwen het deeltijds werk. Ook bij mannen zit het deeltijds werk in de lift, weliswaar schoorvoetend. Opvallend is eveneens de toename van uitgroeibanen bij de oudere werknemers. Deze samengedrukte loopbaan lijkt evenwel haaks te staan op de uitdagingen waarmee onze welvaartstaat geconfronteerd wordt. THESE 4 DE DUALISERING VAN HET VERENIGINGSLEVEN VERZWAKT HAAR INTEGRATIEVE FUNCTIE Een overdreven optimisme aangaande de evolutie van het verenigingsleven is niet op zijn plaats. Ondanks een zekere toename in de afgelopen jaren lijken de neerwaartse tendensen op termijn sterker dan deze die een verdere toename bewerkstelligen. Er treden eveneens interne verschuivingen op van de klassieke sociale bewegingen naar nieuwe pluralistische verenigingen, die een meer homogene samenstelling kennen en vooral hogergeschoolden aantrekken. Er ontstaan zo leefstijlenclaves. Nu lijkt op het eerste gezicht het belang van de ontzuiling voor de integratieve functie van het verenigingsleven vrij klein. De praktijk van het verenigen blijkt veel belangrijker dan de ideologische component. Een verdere verschuiving in de ingeslagen richting is niet helemaal zonder gevolgen. Er blijkt wel degelijk een bescheiden effect van het levensbeschouwelijke te zijn. We moeten ook in gedachte houden dat de klassieke bewegingen een positief maatschappijbeeld hadden en een sociaal project behartigden. Doordat het verenigingsleven bepaalde groepen minder en minder gaat bereiken, dreigt zonder maatregelen ter bevordering van de participatie van lagergeschoolden, de integratieve functie van het verenigingsleven verder af te brokkelen. THESE 5 HET VERTROUWEN IN DE OVERHEID BLIJFT LAAG De overheid heeft het steeds moeilijker om vat te krijgen op de werkelijkheid en om parameters te vinden waarop ze haar beleid kan ijken. Desondanks kan de overheid, omdat het de enige instantie is waarvan verwacht wordt dat ze verantwoordelijkheid opneemt voor het geheel en niet een bepaald deelbelang nastreeft, zich hier niet bij neerleggen. Vooral bij ouderen en lageropgeleiden wordt een afnemend vertrouwen vastgesteld. Het is fout om wantrouwen enkel toe te schrijven aan concrete evenementen (bvb. Dutroux-affaire), algemene structurele verklaringen blijken belangrijker te zijn in de verklaring van het wantrouwen. Recente analyses lijken te wijzen in de richting van een zeker herstel van het vertrouwen. Het vertrouwen blijft echter laag, en hierdoor een aandachtspunt voor het beleid.

132


THESE 1: VLAANDEREN WORDT IN TOENEMENDE MATE EEN MULTICULTURELE SAMENLEVING

PROBLEEMSTELLING Multiculturele samenleving is vooral een grootstedelijk fenomeen Concentratie in de grootsteden: een samen zitten van vele soorten allochtonen Het is niet evident een "allochtoon" te omschrijven. Het decreet over etnisch-culturele minderheden hanteert een operationele definitie van allochtonen, die echter nogal wat problemen inhoudt (Van den Broek, 2002: 23). Maar, los van de vraag of het mogelijk is om tot een eenduidige definitie te komen (en of dat überhaupt nodig is), kan wel gesteld worden dat de in Vlaanderen wonende allochtonen niet evenredig verspreid zijn over het gewest. Enkele indicatoren maken dat duidelijk. Een eerste vaststelling betreft het aantal inwoners dat niet de Belgische nationaliteit heeft. Een kleine 5% van de inwoners van het Vlaamse Gewest heeft niet de Belgische nationaliteit (zie hoofdstuk demografie, these 4) Dit percentage is vrijwel constant gebleven gedurende de laatste 10 jaar. In Gent, maar vooral in Antwerpen ligt dit percentage duidelijk hoger. Gent telde de afgelopen 10 jaren tussen 7% en 8% vreemdelingen onder haar inwoners. Vanaf 2001 daalde dit percentage tot onder 7%, maar die daling is het laatste jaar weer stopgezet. In Antwerpen bedroeg het aantal vreemdelingen 10 jaar geleden vrijwel 12% van de bevolking. Dat steeg langzaam tot een kleine 14% in 2000, maar nam sindsdien ook duidelijk af tot iets meer dan 11%. Ook in Antwerpen is er het laatste jaar een stabilisatie. Figuur 8.1-1

Aandeel inwoners met vreemde nationaliteit op 1 januari van het betreffende jaar

16

14

12

%

10

8

6

4

2

0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

jaartal Vlaamse Gew est

Antw erpen

Gent

Bron: NIS, APS. 133


De afname van het aandeel niet-Belgen gaat gepaard met een duidelijke stijging van het aantal naturalisaties. In 2000 verwierven meer dan 6000 Antwerpenaren de Belgische nationaliteit, in 2001 waren dat er meer dan 10.000. In Gent gaat het voor die jaren telkens over een goede 2.500 inwoners. Vooral de cijfers van Antwerpen zijn opvallend. Ongeveer 7,5% van de bevolking van het Vlaamse Gewest woont in Antwerpen, maar van alle mensen die in 2001 in Vlaanderen de Belgische nationaliteit verkregen, woonde 35% in die stad. Overigens vormen die 10.000 "nieuwe Belgen" meer dan 2% van de Antwerpse bevolking. In 2002 was er een opmerkelijke daling van het aantal naturalisaties, zowel in de twee steden als in het volledige Vlaamse Gewest. Blijkbaar heeft de nieuwe naturalisatiewetgeving vooral in de jaren 2000 en 2001 een grote invloed uitgeoefend. Ook na de recente daling bedraagt het aandeel van Antwerpen overigens nog steeds zo'n 30%. Omdat figuur 8.1-1 een momentopname belicht (1 januari van het betreffende jaar) en figuur 8.1-2 het aantal naturalisaties gedurende een jaar weergeeft, kunnen de beide figuren niet in elkaar geschoven worden. Bovendien stijgt het aantal inwoners dat de Belgische nationaliteit gedurende de voorgaande jaren verworven heeft natuurlijk cumulatief. Het is dus duidelijk dat de beperkte daling van het aandeel vreemdelingen in 2001 en 2002 gecompenseerd werd door een stijging van het aandeel nieuwe Belgen en dat het aandeel allochtonen eerder gestegen is dan gedaald.

Figuur 8.1-2

Aantal inwoners dat in het betreffende jaar de Belgische nationaliteit verkregen heeft

30000

25000

aantallen

20000

15000

10000

5000

0 1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

jaartal Vlaamse Gew est

Bron: NIS.

134

Antw erpen

Gent

2000

2001

2002


Samen met de cel Inburgering van het departement WVC heeft APS ook de zogenaamde "nieuwkomers" in kaart proberen te brengen. Eigenlijk is dat een verzamelnaam voor verschillende groepen mensen die in aanmerking komen voor het inburgeringbeleid (asielzoekers waarvan de asielaanvraag ontvankelijk verklaard is, erkende vluchtelingen en volgmigranten). Hier maken we abstractie van de verschillende groepen, maar kijken we naar de mensen die begin 2004 in Vlaanderen woonden en hetzij in 2002, hetzij in 2003 hier toegekomen zijn. Dat zijn er respectievelijk 8.486 en 11.469. Van die groepen wonen er respectievelijk 2.504 en 3.397 in Antwerpen en 1.052 en 1.211 in Gent. Een klein rekensommetje leert dus dat bijna 30% van de nieuwkomers in Vlaanderen in Antwerpen terechtkomt en meer dan 11% in Gent. Een vergelijking met het aandeel in totale bevolking voor die gemeenten (7,5% en 3,8%) toont aan dat dit aanzienlijk meer is dan het proportionele aandeel van de bevolking van die steden. Voor beide steden gaat het overigens over meer dan 100 verschillende nationaliteiten (bron: APS, zie ook Deschamps, 2003). Naast deze vreemdelingen, nieuwe Belgen en nieuwkomers, die cijfermatig nog redelijk goed in beeld te brengen zijn, zijn er ook de zogenaamde migranten van de derde generatie: kinderen waarvan de grootouders naar België kwamen, maar die zelf in België geboren zijn. Zij zijn van hun geboorte Belg en daardoor is hun allochtone origine statistisch onzichtbaar geworden. Maar het is de logica zelve dat zij ook in grotere mate in de grote steden gehuisvest zijn.

Concentratie binnen de concentratie Wij hebben de stedelijke concentratie bekeken a.d.h.v. de situatie in Antwerpen en Gent. Ook andere Vlaamse steden kennen allochtonenpopulaties die groot zijn in verhouding tot hun inwonertal. Maar de combinatie van een grote bestaande populatie en een (relatief) grote toestroom van nieuwkomers is in Vlaanderen wel kenmerkend voor Gent en vooral voor Antwerpen. Hier moet nog aan toegevoegd worden dat de concentratie zich verder zet binnen die steden. De Gentse en Antwerpse allochtonen verspreiden zich niet evenredig over beide steden. In enkele wijken is het aandeel allochtonen veel hoger dan het stedelijke aandeel (dat al beduidend hoger is dan het Vlaamse gemiddelde). De stad Antwerpen heeft deze concentratie bekeken op districtsniveau en op buurtniveau. Van de 10 districten springen er 2 uit. Het district Antwerpen telt bijna 32% allochtonen1 en Borgerhout meer dan 37%. Daarnaast werd Antwerpen ook opgedeeld in ongeveer 220 buurten. Daarvan zijn er 24 met meer dan 40% allochtonen, voornamelijk in Borgerhout en ook in Antwerpen Noord (bron: antwerpen.bewebsite). Voor deze concentratie zijn er een aantal eenvoudige verklaringen. De nabijheid van industriële werkgelegenheid heeft Turkse, Marokkaanse en andere arbeidsmigranten in eerste instantie naar de steden "gelokt". Gezinshereniging, gezinsvorming (en andere kettingmigratie) en het hogere kindertal in allochtone gezinnen verhoogden daarop het aandeel allochtonen. Bestaande concentraties van allochtone bevolkingsgroepen oefenden daarop een aantrekkingskracht uit op nieuwe migranten, net als de aanwezigheid van goedkope woningen. Bovendien trekken autochtonen nog altijd in grotere mate weg uit de steden, wat de concentratie alleen maar vergroot.

1

"Allochtonen" omvat hier de niet-Belgen en de Belgen die niet als Belg geboren werden en in Antwerpen de Belgische nationaliteit verworven hebben. 135


Impact van geografische concentratie op maatschappelijke positie Ruimtelijke concentratie verdient volgens Veenman (2002: 39) een centrale plaats in studies naar allochtonen, omdat er een interrelatie is met de maatschappelijke positie. Ten eerste is het meer dan aannemelijk dat ruimtelijke concentratie een impact heeft op (veranderingen in) de maatschappelijke positie van allochtonen. Daarnaast is het ook zo dat de maatschappelijke positie zelf weer een impact heeft op de ruimtelijke concentratie. Het tweede deel van de relatie vloeit eigenlijk voort uit de reeds vernoemde oorzaken voor het ontstaan van de ruimtelijke concentratie. Wijken met veel allochtonen oefenen een grote invloed uit op allochtonen die in België verblijven en op nieuwe immigranten die België binnenkomen. Vaak vormen zij ook het enige haalbare alternatief voor deze bevolkingsgroepen. Het eerste deel van de relatie laat zich als volgt vertalen. De over het algemeen lagere socioeconomische status van migranten zorgt voor een zekere sociale druk op concentratiewijken. Zij dreigen een duurzaam achterstandskarakter te krijgen dat kan uitmonden in een echte segregatie. Die zorgt er dan ook weer voor dat de kans op intergenerationele overdracht van de achterstand toeneemt. Deze dynamiek kan ook concreet geïllustreerd worden m.b.v. de effecten van de concentratie op het onderwijsvlak. Ruimtelijke concentratie leidt tot concentratiescholen. In Nederland is er veel onderzoek naar de impact van het volgen van onderwijs op de leerprestaties. Deze impact mag niet overschat worden en de betreffende scholen mogen niet zomaar met de vinger gewezen worden. Als leerlingen in concentratiescholen gemiddeld minder goede leerresultaten behalen, is dat ook een gevolg van het instroomniveau van die leerlingen. Het is niet enkel de concentratieschool zelf die verantwoordelijk is voor de minder goede resultaten. Toch vinden de meeste onderzoekers, ook wanneer ze controleren voor alle individuele achtergrondkenmerken, een negatief effect van het les volgen in een concentratieschool op de leerprestaties. Zo is de ruimtelijke concentratie indirect medeverantwoordelijk voor het lagere bereikte onderwijsniveau bij allochtonen.

De achterstandsproblematiek lost zichzelf niet op met de vervanging van generaties Volgens Paul Scheffer blijft de kloof tussen autochtone en allochtone jongeren groot en groeit deze nog in Nederland. " Onmiskenbaar is er vooruitgang bij de tweede generatie vergeleken met de eerste generatie... maar de achterstand op autochtone jongeren is niet of nauwelijks goedgemaakt... Het gevaar van intergenerationele overdracht van achterstand is zeer reëel. Het is derhalve niet verstandig te rekenen op een automatische verbetering van de positie van migranten door de wisseling van generaties." "Wie alle beschikbare gegevens overziet komt tot een ontnuchterende conclusie: werkloosheid, armoede, schooluitval en criminaliteit hopen zich op bij de etnische minderheden. De oververtegenwoordiging van allochtone jongeren aan de onderkant van de samenleving is onmiskenbaar." (Scheffer, 2002: 72). Er zijn heel wat cijfergegevens die bovenstaande these ook voor Vlaanderen lijken te bevestigen. Wij beperken ons tot enkele bevindingen voor onderwijs en arbeidsmarkt. Probleem is wel dat er geen eenvormigheid is, wat de vergelijkbaarheid en veralgemeenbaarheid van de cijfers bemoeilijkt. Soms kunnen allochtonen als groep beschouwd worden, vaak berusten de indicatoren op vergelijkingen op basis van nationaliteit. Het "generatieconcept" is voor Vlaanderen eigenlijk amper in indicatoren te vatten.

136


Onderwijs als divergerende factor Verschillende indicatoren en cijfers wijzen erop dat allochtonen het minder goed doen in het onderwijs dan autochtonen. Allochtone jongeren kennen ten eerste veel meer schoolse vertraging dan autochtone jongeren. Cijfermatig moeten we ons hier beperken tot vergelijkingen op basis van nationaliteit. In het lager onderwijs heeft gemiddeld 14% van alle kinderen schoolse vertraging. Voor niet-Belgen is dit meer dan 45%.

Tabel 8.1-1

jongens 13,47%

Aandeel kinderen in het gewoon lager onderwijs met schoolse vertraging, cijfers voor het schooljaar 2000-2001 Belgen meisjes 11,22%

totaal 12,36%

jongens 47,15%

Niet-Belgen meisjes 44,41%

totaal 45,80%

Bron: ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs (2002a).

Van de Belgische leerlingen in het gewoon lager onderwijs is 1,88% zittenblijver. Bij de nietBelgen is dat meer dan het drievoudige (5,96%). In het secundair onderwijs is het aandeel jongeren met schoolse vertraging natuurlijk groter voor beide groepen. Het verschil tussen Belgen en niet-Belgen blijft wel zeer opvallend.

Tabel 8.1-2

jongens 32,33%

Aandeel kinderen in het gewoon secundair onderwijs met schoolse vertraging, cijfers voor het schooljaar 2000-2001 Belgen meisjes 22,41%

totaal 27,47%

jongens 71,21%

Niet-Belgen meisjes 64,43%

totaal 67,88%

Bron: ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs (2002a).

Ook opvallend in het secundair onderwijs is de verdeling over de verschillende richtingen. Van Belgische jongeren loopt meer dan 40% school in het ASO, bij de niet-Belgen is dat slechts de helft hiervan. Meer dan de helft van de niet-Belgen zit in het BSO, terwijl dit voor de Belgen slechts een vierde is. Het grootschalige PISA-onderzoek maakt het ook mogelijk om het effect na te gaan van immigratie en van de thuistaal op de prestaties van leerlingen op een aantal testen. PISA onderscheidt 3 categorieën. Leerlingen geboren in het land van testafname en minstens één van hun beide ouders ook (autochtone leerlingen), leerlingen geboren in het land van testafname maar met ouders die in een ander land geboren zijn (eerstegeneratieleerlingen) en leerlingen niet geboren in het land van testafname en van wie beide ouders ook in een ander land geboren zijn (leerlingen uit geïmmigreerde gezinnen). In alle 17 landen betrokken in het onderzoek zijn er grote verschillen in het voordeel van de autochtone leerlingen. De derde groep doet het in Vlaanderen nogal goed (maar dat komt hoogstwaarschijnlijk omdat kinderen uit Nederlandse gezinnen ertoe behoren). Maar het verschil tussen de eerste en de tweede groep is in Vlaanderen wel groot in verhouding tot de meeste andere landen in de studie (bron: ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs, 2002b).

137


Aan de onderkant van de arbeidsmarkt Allochtonen zijn duidelijk oververtegenwoordigd bij de werklozen. Allochtonen maken 16,8% uit van de niet-werkende werkzoekenden. Bij de mannen is dit zelfs 19,8%. Vooral de groep Maghrebijnen en Turken is groot onder de allochtone werkzoekenden. Opvallend is ook dat de evolutie van de allochtone werklozenpopulatie deze van de autochtone niet volgt. Tussen 1996 en 2001 daalde het aantal niet-werkende volledig werkloze werkzoekende autochtone EU'ers met 33,3%. In diezelfde periode steeg het aantal Maghrebijnse/Turkse niet-werkende volledig werkzoekenden met 12,8%, terwijl het aantal overige allochtonen zelfs verdubbelde (+92,1%) (VDAB - Databeheer en -Analyse, 2002: 7).

Tabel 8.1-3

Aandeel van verschillende bevolkingsgroepen in totale groep NWWZ2, cijfers voor 29/02/2004

Etnische Europeanen (EU) Etnische Niet-Europeanen Maghrebijnen en Turken Andere Totaal

Mannen 80,2% 19,8% 13,3% 6,5% 100,0%

Vrouwen 86,0% 14,0% 9,2% 4,8% 100%

Totaal 83,2% 16,8% 11,2% 5,6% 100%

Bron: VDAB.

De VDAB concludeert dat de bestaande marktkrachten de relatieve achterstelling van Maghrebijnen en Turken op de arbeidsmarkt niet kon ombuigen in tijden van hoogconjunctuur (1999-2000), hoewel er voor de allochtone mannen toch een kleine kentering ten goede kwam. Maar de teruggang van de conjunctuur in 2001 zorgde voor een heropflakkering van de werkloosheid onder Maghrebijnen en Turken, zowel in absolute als in relatieve termen, en heeft dus geleid tot een verdere verslechtering van de situatie voor allochtone werknemers (VDAB Databeheer en -Analyse, 2002: 15). Ook de administratie Werkgelegenheid komt tot de conclusie dat een economische groeivertraging nefast is voor allochtone werknemers. De werkloosheidsgroei bij allochtonen is overigens merkbaar in alle leeftijdsklassen, terwijl bij autochtonen de toename vooral uitgesproken is bij de jonge werkzoekenden (administratie Werkgelegenheid, 2002). Naast deze werkloosheidscijfers heeft onderzoek aangetoond dat Turken en Marokkanen oververtegenwoordigd zijn in laaggekwalificeerde functies en ondervertegenwoordigd in hooggekwalificeerde functies, ook als rekening gehouden wordt met de slechtere objectieve kenmerken van deze groepen (voor een overzicht van onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van allochtonen, zie Verhoeven, 2001).

2

NWWZ: niet werkende volledig werkloze werkzoekenden. De registratie van de VDAB laat toe om redelijk nauwkeurig de allochtone origine van werkzoekenden in kaart te brengen. Allochtonen zijn bij hen personen die niet van Europese origine (EU) zijn. Het is onmogelijk dit percentage te vergelijken met een populatiepercentage, omdat dat eenvoudigweg niet bestaat. Maar de oververtegenwoordiging is wel overduidelijk en onmiskenbaar (VDAB - Databeheer en -Analyse, 2002: 2).

138


TOEKOMSTVERWACHTINGEN Stedelijke concentratie blijft maar verandert van karakter Net zoals Martinez en Vreeswijk (2002: 44-51) voorspellen voor Nederland, is het een realistische en gerechtvaardigde aanname te stellen dat het aantal en aandeel allochtonen in de steden verder zal toenemen. De demografische verklaringen van Vlaanderen als immigratieregio (zie demografische ontwikkelingen) spelen hun rol op stedelijk niveau op een nog meer uitgesproken wijze. Wel is een verhuisbeweging van sommige allochtonen niet uit te sluiten. Allochtonen die hun maatschappelijke positie verbeteren en deel gaan uitmaken van een "allochtone middenklasse", zouden een gelijkaardig verhuisgedrag kunnen ontwikkelen als autochtonen en zich in ruimere mate aan de rand van de stad gaan vestigen. Op kortere termijn kan dit resulteren in een verdere achterstelling van delen van de stadskernen, omdat de minder succesvolle allochtonen achterblijven. Het beleid kan hierop inspelen (en doet dat ook) met projecten rond stedelijke vernieuwing. Wijken en buurten worden opgewaardeerd en pogingen worden ondernomen om ook tweeverdienergezinnen met hogere inkomens terug naar de stad te lokken. Alhoewel dit beleid pas recentelijk vorm gekregen heeft, zijn er tekenen dat het op bepaalde plaatsen zijn doel bereikt. Sommige stadswijken zijn terug "in". Een indicator daarvoor kan gevonden worden in de prijzen van de huizen die er stijgen. Maar het is belangrijk aan te stippen dat dergelijke processen de concentratieproblemen niet oplossen. Zij hebben eerder de neiging de "concentratiedruk" op andere wijken te vergroten. De etnische concentratie vermindert niet, maar verplaatst zich (ibid.: 48-49).

Sociale achterstandspositie blijft beïnvloed door de herkomst Het onderzoek in Vlaanderen naar de verschillende sociale posities van onderscheiden generaties is nog beperkt. Ondertussen is wel al aangetoond dat de verschillen tussen jonge allochtonen en autochtonen kleiner zijn dan bij de ouderen (Verhoeven, 2001: 203). Het bereikte scholingsniveau blijft echter beïnvloed door het milieu van herkomst. Alleen al daarom zullen allochtonen hun onderwijsachterstand niet snel inhalen. Nederlands onderzoek (Van Ours e.a., 2001) legt de parallel met (oud) onderzoek naar de emancipatie van "arbeiderskinderen". Het sociaal-economische herkomstmilieu heeft - net als vroeger - een grote impact op het bereikte onderwijsniveau. Sociaal-economische herkomst en opleidingsniveau zijn samen dan weer van belang voor de bekomen arbeidsmarktpositie. De etnische herkomst blijkt volgens dat onderzoek nauwelijks een eigen onafhankelijke invloed te hebben. Etnische herkomst zou een minder belangrijke variabele zijn dan vroeger en allochtone jongeren zouden minder belemmeringen op hun weg vinden dan hun ouders. Maar een belangrijke kanttekening is dat de karakteristieken van hun ouders (opleidingsniveau en eigen arbeidsmarktpositie) wel spelen net zoals bij autochtonen. Dit impliceert dat de intergenerationele overdracht van achterstand niet geheel verdwijnt.

139


Etnische concentratie en heterogeniteit blijft probleem in onderwijs Als gevolg van de demografische evoluties zal het aandeel allochtone leerlingen in de schoolbevolking nog toenemen, voornamelijk in de steden. Het aantal concentratiescholen zal dus eerder aangroeien dan verminderen. Bovendien zal de etnische heterogeniteit in die concentratiescholen ook verder toenemen. De conclusie is dat de toekomst zich dus zal blijven kenmerken door verschillen in opleidingsniveau tussen autochtonen en allochtonen, ondanks het feit dat komende generaties allochtonen een hoger onderwijsniveau bereiken dan hun voorgangers. Het beleid speelt reeds op deze problematiek in met het Gelijkekansendecreet. De boodschap is dus dat deze inspanning zeker niet mag stopgezet worden. Gegeven het belang van het scholingsniveau voor latere levenskansen, moet de inspanning eerder uitgebreid worden.

De arbeidsmarktpositie van allochtonen blijft zwak Allochtonen doen het op de arbeidsmarkt slechter dan autochtonen en zij hebben ook meer te lijden onder de economische groeivertraging. De toekomstige arbeidsmarktpositie van allochtonen zal in ruime mate afhankelijk zijn van de evolutie van de economische conjunctuur en de daarmee gepaard gaande vraag naar laaggekwalificeerde arbeidskrachten. Maar ook de demografische evolutie speelt een rol. Op langere termijn zal de vergrijzing leiden tot tekorten op de arbeidsmarkt. De relatief jongere groepen allochtonen zouden hiervan kunnen profiteren, maar vermoedelijk niet op korte termijn en zelfs niet op middellangetermijn. Voor de allochtonen is op economisch vlak vooral de vraag naar laaggeschoolde arbeidskrachten van belang. Deze vraag is de laatste decennia stelselmatig afgenomen en deze evolutie zal zich verder doorzetten. Een toenemende vraag naar persoonlijke dienstverlening als gevolg van de vergrijzing kan misschien een beetje extra vraag naar laaggekwalificeerde arbeid creëren (waar vrouwen waarschijnlijk in ruimere mate van zullen profiteren), maar deze zal de structureel neerwaartse evolutie niet compenseren. Kruisbergen en Veenman (2002: 96-101) verwachten dan ook aanbodoverschotten op de arbeidsmarkt onder laaggeschoolden. Zoals bij de probleemstelling reeds werd aangetoond, zijn allochtonen oververtegenwoordigd in die groep en dat zal in de nabije toekomst gezien hun opleidingsniveau niet anders zijn. De conclusie is dat ook op middellangetermijn (laagopgeleide) allochtonen meer getroffen zullen zijn door werkloosheid. Een idee die de laatste tijd af en toe geopperd wordt, is het invoeren van tewerkstellingsquota voor allochtonen. Dit kan een oplossing bieden voor de discriminaties die zeker nog bestaan op de arbeidsmarkt (zie CGKR, 2003: 21-30). Maar de geschetste toekomstige evoluties laten verstaan dat quota op zich de zwakkere arbeidsmarktpositie van allochtonen niet zullen oplossen. Nederland kent sinds 5 jaar de Wet "Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden", ook gekend als de Wet Samen, die eigenlijk een aanpassing en verruiming is van de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (WBEAA). Uitgangspunt van de Wet Samen is dat werkgevers streefcijfers moeten formuleren voor de evenredige vertegenwoordiging van minderheden binnen de onderneming. Van sommige ondernemingen worden deze streefcijfers samen met de actuele situatie opgeslagen in een centraal databestand, dat jaarlijkse rapportering mogelijk maakt (voor meer informatie, zie http://www.wetsamen.nl). Onderzoek dat de effecten van deze wetgeving nagaat, is ons onbekend. Wel is het zo dat de wet op dit moment ter discussie staat, waarschijnlijk niet toevallig in deze economisch minder gunstige tijden...

140


BRONNEN §

CGKR (2003) Verslag 1993-2003. Van Integratie naar Diversiteit. Brussel: Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding.

§

Deschamps, L. (2003). Stativaria 29. Volwassen anderstalige nieuwkomers in het Vlaamse Gewest. Aantallen, profielen, beleidsaandachtspunten. Brussel: ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, administratie Planning en Statistiek.

§

Kruisbegen, E. en Veenman, J. (2002) Arbeid en inkomen, pp. 85-113 in Veenman, J. (red.) (2002) De toekomst in meervoud. Perspectief op multicultureel Nederland. Assen: Van Gorcum.

§

Martinez, S.D. en Vreeswijk, A. (2002) Ruimtelijke concentratie van allochtonen, pp. 39-54 in Veenman, J. (red.) (2002) De toekomst in meervoud. Perspectief op multicultureel Nederland. Assen: Van Gorcum.

§

Marx, I., De Maesschalk, V. en Mussche, N. (2002) De fictie van de migratiestop: Europa's nieuwe arbeidsmigratieregimes. Antwerpen: CSB Berichten.

§

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, administratie Werkgelegenheid (2002) Maandbericht, conjunctuur en arbeidsmarkt, editie 18 december 2002. Brussel MVG, administratie Werkgelegenheid.

§

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs (2002a) Zittenblijven, schoolse vertraging en slaagcijfers in het Vlaams Onderwijs. Een kwantitatieve analyse. Brussel: MVG, departement Onderwijs.

§

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Onderwijs (2002b) Vlaamse onderwijsindicatoren in internationaal perspectief, editie 2002. Brussel: MVG, departement Onderwijs.

§

Scheffer, P. (2002) Het multiculturele drama, pp. 71-82 in Van den Broek, B. en Foblets, M. (red.) Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen, Leuven: Acco.

§

Van Amersfoort (1999) De toekomst in de achteruitkijkspiegel. Een bespiegeling over Nederland als immigratieland in de 21ste eeuw, Migrantenstudies 15 (4): 237-245.

§

Van den Broek, B. (2002) Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen, pp. 15-67 in Van den Broek, B. en Foblets, M. (red.) Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen, Leuven: Acco.

§

Van Ours, J.C., Veenman, J. en Verhoeven, W-J. (2001) Van ouder op kind. Scholing en arbeidsmarktpositie van tweede generatie allochtone jongeren. Tilburg: OSA publicaties. (korte samenvatting in de Nieuwsbrief van het Steunpunt Werkgelegenheid Arbeid en Vorming).

§

VDAB Databeheer en -analyse (2002) Werkzoekende allochtonen in het Vlaamse Gewest 2001. Bijlage bij het jaarrapport 2001 van ICEM over het Vlaamse beleid naar etnischculturele minderheden. Brussel: ICEM.

§

Veenman, J. (red.) (2002) De toekomst in meervoud. Perspectief op multicultureel Nederland. Assen: Van Gorcum.

§

Veld, T. (2002) Onderwijs, pp. 55-84 in Veenman, J. (red.) (2002) De toekomst in meervoud. Perspectief op multicultureel Nederland. Assen: Van Gorcum.

141


§

Verhoeven H. (2001) Arbeid en werkloosheid, pp. 225-236 in Vranken, J., Timmerman, C. en Van der Heyden, K. (2001) Komende generaties. Wat weten we (niet) over allochtonen in Vlaanderen? Leuven: Acco.

§

Vranken, J., Timmerman, C. en Van der Heyden, K. (2001) Komende generaties. Wat weten we (niet) over allochtonen in Vlaanderen? Leuven: Acco.

WEBSITES §

http://www.antwerpen.be/feitenencijfers/

§

http://www.wetsamen.nl

142


THESE 2: GENDERVERSCHILLEN: FEITEN EN HOUDINGEN WIJZEN NOG STEEDS OP VERSCHILLEN

PROBLEEMSTELLING De kloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt wordt gedicht Enkele recente gegevens tonen aan dat in Vlaanderen de kloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt gedicht wordt of nog, dat vrouwen het soms beter doen dan mannen. Hierna enkele illustraties. - Mannelijke schoolverlaters doen het slechter dan vrouwelijke. Eind juni 2002 zijn er van de 36.431 vrouwelijke schoolverlaters 1 jaar na het afstuderen nog 10,1% zonder werk. Van de 37.429 mannelijke schoolverlaters is 11,4% nog werkzoekend. Van de mannelijke schoolverlaters heeft 5,7% 1 jaar na het verlaten van de school nog geen werkervaring opgedaan. Bij de vrouwelijke schoolverlaters is dit 4,7% (VDAB 2003a). - De werkloosheidsstijging van de laatste jaren is een bijna volledig mannelijke aangelegenheid. Terwijl het aantal mannelijke werkzoekenden in drie jaar tijd (2000-2002) gemiddeld met 22% steeg, deden de vrouwen het met een beperkte toename van 2% opvallend beter (VDAB 2003b, 1). - In 2000 woont 10% van de Vlaamse mannen tussen 25 en 64 jaar alleen zonder kinderen (160.000 personen). In 1990 was dit 7% (105.000 personen). De arbeidsmarktpositie van alleenstaande mannen is veel minder gunstig dan die van hun seksegenoten in andere gezinsposities: ze hebben heel wat minder vaak een betaalde baan en zijn opvallend vaker werkzoekend dan gehuwde mannen of samenwonende mannen. Bij de vrouwen is het net omgekeerd: hier hebben de alleenstaanden (zonder kinderen) een relatief gunstig arbeidsmarktpatroon in vergelijking met de andere gezinsposities (Steunpunt WAV 2003). Rekening houdend met enkele andere gegevens kan deze optimistische berichtgeving, die wijst in de richting van het wegwerken van de verschillen tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt, genuanceerd worden.

Toch nog andere studiekeuze Meisjes mogen dan wel succesvollere schoolloopbanen hebben (minder vroegtijdige uitval, betere schoolresultaten, meer meisjes aan universiteit), maar er is nog steeds een zeer groot verschil in studiekeuze, zowel in het secundair onderwijs, in het niet-universitair hoger als in het universitair onderwijs.

143


Figuur 8.2-1

Afwijkende sekseratio’s in enkele studiegebieden in het Hoger Onderwijs: handelswetenschappen en bedrijfskunde 1 cyclus

Tot. handelsw etenschappen en bedrijfskunde Toegepaste informatica Secretariaatsbeheer Informatiemanagement en support Hotelbeheer Communicatiebeheer Beheer, toerisme en recreatie Bedrijfsbeheer 0%

10%

20%

30%

40%

50%

Man

60%

70%

80%

90%

100%

Vrouw

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs, schooljaar 2002-2003, bewerking APS.

In fo rm at ic a/ ke W Bi nn et ot is en ec Bi te Sc sc oc hn c W h h ha G he no ol ei is eo pp og k ku m lo u l o e ie nd gi ie nd g n e ** ie ** e e * *

Figuur 8.2-2 Afwijkende sekseratio’s in enkele studiegebieden in studiegebied wetenschappen, universitair onderwijs 1ste en 2de cyclus

0%

10%

20%

30%

40% Man

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Vrouw

Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs, schooljaar 2002-2003, bewerking APS.

Een onderzoek bij 1000 laatstejaarsleerlingen uit de wetenschappelijk georiënteerde richtingen van het Algemeen Secundair Onderwijs toont aan dat jongens en meisjes nog steeds een verschillende studiekeuze maken. Meisjes behalen betere studieresultaten dan jongens voor de meeste vakken, ook voor de wetenschappelijke. Toch denken de meisjes dat ze minder aanleg hebben voor de wetenschappelijke vakken dan de jongens. 144


Meisjes schatten zich systematisch lager in dan de jongens, zowel wat hun prestatieniveau voor wetenschappelijke vakken betreft als hun slaagkansen in het hoger onderwijs. Dit verklaart voor een groot deel waarom meisjes minder vlug kiezen voor een wetenschappelijke richting in het hoger onderwijs: ze denken gewoon dat ze het niet goed zullen doen. Interesse is er wel, vooral voor wiskunde en biologie. Daar komt bij dat meisjes minder belangstelling hebben voor voltijds werken en voor veel verdienen, en meer voor contact met anderen in hun later beroep. Ook dit verklaart hun studiekeuze. Bovendien hebben meisjes een minder positief beeld van de studierichtingen exacte wetenschappen aan de universiteit dan jongens. Ze vinden die studierichtingen minder boeiend en moeilijker, en zien minder beroepsuitwegen en mogelijkheden voor persoonlijke ontwikkeling dan jongens (Van Aerschot e.a. 2003).

Doorstroming van M/V naar arbeidsmarkt is afhankelijk van onderwijsniveau De gunstige cijfers voor de vrouwelijke schoolverlaters en eerder ongunstige cijfers voor de mannelijke schoolverlaters kunnen enigszins genuanceerd worden naargelang het studieniveau. Van alle mannen verlaat 18,3% de schoolbanken met een diploma beroepssecundair onderwijs van de 3de of 4de graad. Van alle vrouwelijke schoolverlaters is dit 18,4%. 12,1% van de vrouwelijke schoolverlaters met dit onderwijsniveau is na 1 jaar nog werkzoekend en 5,2% blijft na 1 jaar zonder werkervaring. Bij de mannelijke schoolverlaters met dit onderwijsniveau zijn de percentages respectievelijk 9,9% en 4,4% (VDAB 2003a). De evolutie van de stijgende mannelijke werkloosheid is niet louter conjunctureel geïnspireerd, maar maakt deel uit van de structurele verbetering van de arbeidsmarktpositie van de vrouw. Het verkleinen van de genderkloof is wel een evolutie die opnieuw genuanceerd dient te worden. De vrouwelijke inhaalbeweging verloopt immers aan verschillende snelheden en wordt sterk bepaald door scholing en rolpatronen (VDAB 2003b, 1). Zo heeft amper 40% van de laaggeschoolde vrouwen een betaalde baan, terwijl bijna een derde, 31%, in hoofdzaak zorgt voor het huishouden. Ter vergelijking, van de hooggeschoolde vrouwen is bijna 85% aan het werk en is slechts 6% huisvrouw. Bij de hooggeschoolde mannen is 91% beroepsactief. De ambities van meisjes reiken minder ver dan die van jongens (glazen plafond zit ook tussen de oren). Vrouwen zijn minder ambitieus dan mannen en denken dat ze minder geschikt zijn om leiding te geven (EHSAL 2003). Tabel 8.2-1

Beroepsactieve en niet-beroepsactieve Vlaamse bevolking (25-64 jaar) naar onderwijsniveau en geslacht (2002)

Aandeel (%) in de bevolking Niet-beroepsactief Student of in opleiding Loopbaanonderbreking Huisvrouw/man Arbeidsongeschikt Met pensioen Andere nietberoepsactieven Totaal aantal nietberoepsactieven Beroepsactief

Laaggeschoold vrouw man (%) (%)

Middengeschoold vrouw man (%) (%)

Hooggeschoold vrouw man (%) (%)

58,9 0,8 0,3 30,6 6,1 12,6

30,1 0,4 0,2 0,3 8,3 14,5

28,7 1,6 0,9 14,3 2,9 4,6

11,2 0,8 0,1 0,1 2,4 5,8

15,5 2,0 0,6 5,9 1,1 3,5

9,2 1,0 0,1 0,1 1,0 5,5

8,5

6,5

4,4

2,1

2,3

1,5

358.400

184.200

152.600

41,1

69,9

71,3

64.500

70.400

41.000

88,8

84,5

90,8

Bron: NIS - EAK (bewerking Steunpunt WAV, Jaarboek 2003). 145


Werkzaamheid in functie van het gezin Van zodra het klassieke gezin vorm krijgt, lopen de werkzaamheidpercentages bij vrouwen en mannen uiteen. Mannen worden werkzamer wanneer zij gaan samenwonen en naarmate het gezin uitbreidt. Ze zetten een heel klein stapje terug bij een 'kroostrijk' gezin (3 kinderen of meer). Bij de vrouwen valt de werkzaamheidgraad eerst van 76% naar 66% op het moment dat ze samenwonen met een partner. De werkzaamheidgraad bereikt dan terug het niveau van een alleenstaande wanneer er één of twee kinderen zijn. Eenmaal drie kinderen of meer neemt de werkzaamheidgraad gevoelig af. Bij de vrouwen werkt 41,4% van de loontrekkenden deeltijds tegenover 5% bij de mannelijke loontrekkenden. Vrouwen werken vooral deeltijds om voor hun kinderen te zorgen (NIS, EAK 2002 cijfers voor het Vlaamse Gewest). Bij de alleenstaande 25-54-jarige vrouwen werkt één op vijf deeltijds. Dat aandeel neemt gestaag toe naarmate het gezin uitbreidt. Bijna tweederde van de werkende vrouwen met drie of meer kinderen werkt deeltijds. De nuancering met betrekking tot deeltijdse arbeid geldt ook voor de jonge vrouwen.

Tabel 8.2-2 Werkzaamheidgraad van de bevolking tussen 25 en 54 jaar naar geslacht (bij vrouwen, in %, deeltijdse arbeid), leeftijdsgroep en huishoudsituatie in het Vlaamse Gewest (2000, in %) Mannen 35-44 jaar 80,9 94,5 96,6 96,8 92,2 * 92,4

Alleenstaand Met partner Met partner en 1 kind Met partner en 2 kind Met partner en 3+ kind Eenouder Totaal

25-34 jaar 85,4 96,9 98,1 97,1 93,3 * 93,0

Alleenstaand Met partner Met partner en 1 kind Met partner en 2 kind Met partner en 3+ kind Eenouder Totaal

25-34 jaar 16 88,6 20 91,8 33 86,3 50 80,2 61 55,6 40 56,0 31 81,5

45-54 jaar 64,8 80,8 93,2 96,5 89,9 * 84,5

Totaal 77,6 89,7 95,7 96,8 91,7 * 90,2

Vrouwen 35-44 jaar 19 83,5 37 71,7 40 77,7 54 78,5 67 65,1 37 71,0 46 73,7

45-54 jaar 27 59,4 46 44,7 53 58,9 52 63,2 53 62,6 40 71,2 46 53,1

76,4 66,1 74,0 75,9 62,3 67,7 70,0

Totaal 20 31 41 53 63 39 40

*Te klein aantal om betrouwbaar te zijn. Bron: NIS - EAK, bewerking Steunpunt WAV.

Dat vrouwen best een stap terugzetten uit de arbeidsmarkt wanneer de zorg voor kleine kinderen zich aandient, wordt nog steeds algemeen ondersteund door de Vlaamse bevolking. Het altijd deeltijds aan de slag blijven van vrouwen tijdens de gezinsfase met de zorg voor kleine kinderen, krijgt iets meer ondersteuning van de vrouwen. Tijdens deze gezinsfase zijn de mannen iets meer gewonnen voor de thuisblijven/deeltijdse optie (thuisblijven wanneer een van de kinderen de leerplichtige leeftijd nog niet bereikt heeft en deeltijds werken nadat het jongste kind naar school gaat).

146


Tabel 8.2-3

Wijze waarop vrouwen zouden moeten werken tijdens verschillende levensfasen (in %) Na het huwelijk en Wanneer een van vóór er kinderen de kinderen de zijn leerplichtige leeftijd nog niet bereikt heeft 83,5 14,9 13,6 55,5 2,8 29,6 1159 1134

Voltijds Deeltijds Thuisblijven N

Nadat het jongste kind naar school gaat

Nadat de kinderen het huis uit zijn

28,8 63,3 7,9 1137

53,8 37,1 9,1 1075

Bron: APS-survey 2002.

Dat er tussen mannen en vrouwen verschillen zijn naargelang studiekeuze, beroepskeuze, inzet tijdens beroepsleven, … hoeft op zich uiteraard geen probleem te zijn. De verschillen leiden in elk geval tot sociaal-economische verschillen, wat zich onder meer vertaalt in de nog steeds bestaande loonkloof tussen mannen en vrouwen, de moeilijkheden bij herintreedsters in de arbeidsmarkt, het niet kunnen uitbouwen van een volwaardige carrière bij de keuze voor deeltijds werk, …

TOEKOMSTVERWACHTINGEN Verhouding man/vrouw in de beroepsbevolking wordt gelijk Momenteel bedraagt de verhouding man/vrouw in de beroepsbevolking ongeveer 6/4. In de komende jaren zal de gelijkheid op de arbeidsmarkt, althans wat het aantal mannen en vrouwen betreft, evolueren in de richting van een 50/50-verdeling (Vandenbrande 2001, 40-41).

Tabel 8.2-4

Mannen Vrouwen

1995 58,8 41,2

Raming verdeling van de beroepsbevolking naar geslacht (Vlaamse Gewest 1995-2025, in %) 2000 57,1 42,9

2005 55,8 44,2

2010 54,7 45,3

2015 54,0 46,0

2020 53,3 46,7

2025 52,8 47,2

Bron: Steunpunt WAV (op basis van NIS - EAK en Federaal Planbureau).

De evolutie van de vrouwelijke beroepsbevolking is in feite afhankelijk van twee factoren: een demografisch effect en een participatie-effect. Het demografisch effect zorgt ervoor dat het potentieel arbeidsaanbod (de bevolking op arbeidsleeftijd) vanaf 2010 zal dalen. Dit demografisch effect heeft met andere woorden een negatieve invloed op de omvang van de beroepsbevolking. Het participatie-effect heeft een positief effect op de evolutie van de vrouwelijke beroepsbevolking. De vrouwelijke beroepsbevolking zal vanaf ongeveer 2015 krimpen omdat het participatie-effect te klein zal uitvallen om de belangrijke demografische verschuivingen teniet te doen. De vrouwelijke activiteitsgraad in het Vlaamse Gewest blijft evenwel gestaag stijgen tot 2040 maar van dan af begint het groeiritme te vertragen (Van Gils 2002, 44-46; Genderzakboekje 2003, 49).

147


Tabel 8.2-5

Prognose van de Vlaamse vrouwelijke beroepsbevolking, de activiteitsgraad en het participatie-effect (2002-2050) Participatie-effect aangroei vrouwelijke beroepsbevolking activiteitsgraad (%) periode (n) 58,4 2001 / 2010 110.176 60,0 2011 / 2020 73.852 61,1 2021 / 2030 44.565 62,3 2031 / 2040 23.859 63,3 2041 / 2050 14.086 64,4 66,0 67,2 67,8 68,1 68,4

Evolutie vrouwelijke beroepsbevolking Periode 2002 2005 2010 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050

n 1.138.965 1.173.572 1.208.761 1.222.469 1.219.529 1.206.812 1.196.679 1.190.249 1.186.608 1.180.813 1.171.520

Bron: Steunpunt WAV (op basis van NIS – EAK en Federaal Planbureau).

Verschillen tussen vrouwen onderling nemen niet af De activiteitsgraad bij hooggeschoolde vrouwen is reeds zeer hoog (cf. supra). De verwachte toename van de activiteitsgraad zal zich dan voornamelijk voordoen bij de laag- en middengeschoolde vrouwen. De laaggeschoolde vrouwen hebben gemiddeld meer kinderen (en dienovereenkomstige zorglasten) dan hun hooggeschoolde leeftijdsgenoten en zij zijn het die mee de zorg opnemen in andere (hogergeschoolde) gezinnen onder de vorm van - formele of informele - kinderopvang en poetshulp in de zwarte en/of grijze zones van de arbeidsmarkt. Hoe kan deze informele zorgarbeid op de arbeidsmarkt geduwd worden en welke prijs zijn we bereid hiervoor te betalen (Cantillon 2002, 30-31)?

Studiekeuze meisjes ongunstig voor een kennis- en IT-economie Gedelegeerd bestuurder van de IT-groep Real Software, T. Dilissen, merkt in zijn essay 'Kennis maken' (2003) op: "We hebben een kennisachterstand en tegen 2010 zijn er 300.000 nieuwe kennisbanen nodig". Kenniseconomie is voor Dilissen niet alleen informatietechnologie maar is er wel een belangrijk onderdeel van. Door hun studiekeuze worden meisjes nog steeds minder voorbereid op jobs in de informatieen communicatietechnologie. Het blijft de vraag in welke mate vrouwen hun plaats zullen opnemen binnen de evolutie naar een kennis en IT-economie.

Studiekeuze meisjes gunstig voor een zorgeconomie In Nederland wordt vastgesteld dat een verondersteld nadeel dat opleidingen die veel door meisjes worden gevolgd slechte arbeidsmarktperspectieven zouden bieden, niet blijkt op te gaan. De vooruitzichten op langere termijn bieden typische meisjesopleidingen zelfs betere kansen om werk te behouden dan typische jongensopleidingen, doordat de vraag naar verzorgende beroepen in tegenstelling tot veel technische beroepen niet of nauwelijks afhankelijk is van de economische situatie (Sociaal en Cultureel Planbureau 2002, 69). Deze verwachting geldt eveneens voor Vlaanderen. Pacolet e.a. stellen dat de sectoren van gezondheid en welzijn in Vlaanderen de komende decennia een belangrijke motor van jobcreatie blijven (2002). Door hun studiekeuze zijn vrouwen beter voorbereid om binnen deze arbeidssectoren jobs op te nemen. Het blijven evenwel jobs die doorgaans minder betaald worden in vergelijking met jobs in andere meer 'mannelijke' sectoren. 148


De voorkeurtheorie (Preference theory) Volgens de Britse sociologe Hakim kan in de Westerse moderne samenlevingen een onderscheid worden gemaakt tussen drie levensstijlvoorkeuren: 'home-centred'; 'adaptive' en 'work-centred'. Bij de eerste groep is het familiaal leven met de zorg voor kinderen de prioriteit doorheen het leven. De tweede groep is vrij divers en omvat mensen die werk en familieleven willen combineren en mensen met ongeplande carrières. Bij de derde groep tenslotte is het werk prioritair. Bij de vrouwen wordt het aandeel van de drie groepen op respectievelijk 10-30%, 40-80% en 10-30% geschat. Bij de mannen bedragen deze percentages 5-15%, 20-40% en 4575%. Het is aan de overheid om deze levensstijlkeuzes te respecteren en een beleid te voeren dat elk van deze keuzes op een gelijke wijze ondersteunt. Deze redenering impliceert dat, als gevolg van de heterogeniteit in levensstijlpreferenties, nooit volledige gelijkheid op de arbeidsmarkt bekomen zal worden, en dat dit in feite door de burgers ook niet gewenst wordt, althans volgens Hakim (2003). De voorkeurtheorie voorspelt dan ook dat mannen hun overwicht zullen behouden op de arbeidsmarkt, in de politiek en in andere competitieve activiteiten omdat slechts een minderheid aan vrouwen bereid is een even hoge prioriteit te geven aan hun jobs (of aan andere activiteiten in de publieke sfeer). De vraag blijft uiteraard in welke mate keuzes uitingen zijn van reële preferenties bij mannen en vrouwen en in welke mate bepaalde keuzes ingebed zijn in de sociaal-culturele en economische context van de samenleving waarbinnen mannen en vrouwen leven.

BRONNEN § §

Cantillon B. (2002). Over de balans tussen werken en zorgen. Over.werk, 12(4), 30-32. EHSAL (2003). Studie en professionele voorkeuren. Afgehaald op 12 mei 2003 van http://www.ehsal.be/ces/remedi/

§

Hakim C. (2003). De voorkeurtheorie. In M. Michielsens, J. Breda, M. Van Haegendoren & J. Vranken (red.), Steunpunt Gelijkekansenbeleid Jaarboek 1 (pp. 89-96). Antwerpen: Garant.

§

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ESF-Agentschap, administratie Werkgelegenheid (2003). Genderzakboekje: Zij en hij op de arbeidsmarkt. Brussel (samenstelling Steunpunt WAV, K.U.Leuven).

§

Pacolet, J., Van De Putte, I., Cattaert, G. & Coudron, V. (2002) Plus est en vous herbekeken. Manpowerplanning in de zorgsector en de socio-culturele sector. Deel 5: Synthese voor de zorgsector in de Vlaamse Gemeenschap 1995-2020. Leuven: K.U.Leuven/HIVA.

§

Sociaal en Cultureel Planbureau (2003). Beter voor de dag. Evaluatie van de stimuleringsmaatregel Dagindeling. Den Haag (samenstelling S. Keuzenkamp, M. Cloïn, W. Portegijs en V. Veldheer).

§

Sociaal en Cultureel Planbureau / Centraal Bureau voor de Statistiek (2002). Emancipatiemonitor 2002. Den Haag (samenstelling W. Portegijs, A. Boelens en S. Keuzenkamp).

§

Steunpunt Gelijkekansenbeleid UIA/LUC (2002). Gelijkekansenindicatoren in Vlaanderen. Statistieken en indicatoren voor een gelijke kansenbeleid voor mannen en vrouwen. Afgehaald op 15 juli 2003 van http://www.steunpuntgelijkekansen.be/ onder rubriek cijfers.

§

Steunpunt WAV: De arbeidsmarkt in Vlaanderen, jaarboek, jaarreeks 2001 (deel 4). (Vandenbrande Tom: Beroepsbevolking in de toekomst: Ouder en hogergeschoold). 149


§

Steunpunt WAV: De arbeidsmarkt in Vlaanderen, jaarboek, jaarreeks 2002 (deel 4). (Van Gils Seppe: Werkzaam Vlaanderen in de toekomst?).

§

Steunpunt WAV: De arbeidsmarkt in Vlaanderen, jaarboek, editie 2003.

§

Steunpunt WAV (2003). Alleenstaande mannen: een groeiende kansengroep. Arbeidsmarktflits 32. Afgehaald op 17 juli 2003 van http://www.steunpuntgelijkekansen.be/ arbeidsmarktflitsen.htm

§

Van Aerschot, M., Hermans, D.J., Verhoeven, J.C. (2003). Gezocht: ingenieur (m/v), een onderzoek naar studiekeuze vanuit genderperspectief, Antwerpen. Afgehaald op 23 juni 2003 van http://www.steunpuntegelijkekansen.be/ onder rubriek publicaties.

§

VDAB (2003a). Werkzoekende schoolverlaters in Vlaanderen. 18e longitudinale studie juni 2001-juni 2002. Brussel: VDAB-databeheer en -analyse. Afgehaald op 17 juli 2003 van http://www.vdab.be/trends/schoolverlaters.shtml

§

VDAB (2003b). De genderkloof gedicht? De positie van de vrouwen op de arbeidsmarkt. Arbeidsmarkt Topic, nr. 1, april. Afgehaald op 17 juli 2003 van http://www.vdab.be/trends/topics.shtml

150


THESE 3: ARBEID BLIJFT BELANGRIJK IN DE LEVENSLOOP

PROBLEEMSTELLING Centraliteit van arbeid blijft in Vlaanderen Tot voor kort was de levensloop voornamelijk gefaseerd rond betaalde arbeid. De eerste fase van iemands leven stond in het teken van de voorbereiding op arbeid, de tweede fase was de periode waarin, conform het kostwinnersmodel, mannen zich aan de arbeid en vrouwen aan de zorgtaken wijdden en in de laatste fase kon men, voorzover men nog tijd van leven had, van een welverdiende rust genieten (Van Hoof 2001, 57). Deze fasering van de levensloop met de daarmee verbonden scheiding tussen het domein van de betaalde arbeid en aangrenzende levensgebieden is aan herziening toe. Gegevens voor Nederland wijzen uit dat de centraliteit van arbeid is afgenomen. De centraliteit van arbeid heeft betrekking op de vraag hoe centraal arbeid in het leven van de betrokkenen staat, de prioriteit die arbeid krijgt in vergelijking met andere levensgebieden. Op basis van de uitspraken 'Er zijn nog belangrijker dingen in het leven dan werken' en 'Werk moet altijd op de eerste plaats komen, ook als het minder vrije tijd betekent' stelt Van Hoof vast dat in Nederland gedurende de periode 1985-1996 werken een minder centrale plaats gekregen heeft. Met behulp van gegevens uit onder meer het Europees Waardeonderzoek (EVS), de NISEnquête naar de arbeidskrachten (NIS - EAK),… willen we eerst nagaan in welke mate er sprake is van een afname van de centraliteit van arbeid in Vlaanderen. Ten tweede willen we aantonen hoe de feitelijke gegevens de trend naar het combineren van verschillende levensdomeinen weerspiegelen en hoe er tegelijkertijd sprake is van een samengedrukte loopbaan.

Tabel 8.3-1

Domeinen en hun belang in het leven, in % 1990

Werk Gezin Vrienden Vrije tijd Politiek Godsdienst

(helemaal) niet belangrijk 10,1 3,9 6,5 9,8 71,0 52,9

Tamelijk belangrijk 34,8 13,2 42,5 42,1 22,2 33,0

1999 Zeer belangrijk 55,1 82,9 51,0 48,0 6,8 14,1

(helemaal) niet belangrijk 9,6 3,2 7,5 10,4 68,1 54,5

Tamelijk belangrijk 33,4 10,8 41,0 47,2 23,9 30,5

Zeer belangrijk 57,0 86,0 51,5 42,4 8,0 15,0

*Gewogen data op basis van leeftijd, geslacht en regio voor 1990 (N=990) en voor 1999 gewogen data op basis van leeftijd en geslacht (N=821). Bron: EVS, 1990 en 1999, Vlaamse Gewest (bewerking APS).

151


Vaststellingen - Van 1990 naar 1999 is het belang van de verschillende levensdomeinen niet toegenomen maar ook niet afgenomen. Het gezin blijft het belangrijkste levensdomein, gevolgd door werk en vervolgens door vrienden en vrije tijd. - De gegevens wijzen enerzijds in de richting van een toename van het belang van het gezin (antwoordcategorie zeer belangrijk) en een afname van het belang van vrije tijd van 1990 naar 1999. Het verschil is telkens niet significant (gezin 1990-1999: χ²=3.05; df=2; p=0.22 én vrije tijd 1990-1999: χ²=5.73; df=2; p=0.06). - Zowel in 1990 als in 1999 is er een significant verband tussen mate van belangrijkheid van het werk en leeftijd (figuur 8.3-1)3. In 1990 zijn het vooral de 65-plussers die het werk helemaal niet belangrijk vinden. In vergelijking met de andere leeftijdsgroepen vinden de 25-34-jarigen het werk iets meer tamelijk belangrijk en iets minder zeer belangrijk. In 1999 zijn het opnieuw de 65-plussers die het werk helemaal niet belangrijk vinden en is het opvallend dat er in vergelijking met 1990 ook iets meer 55-64-jarigen zijn die deze mening delen. De 25-34jarigen vertonen hetzelfde patroon als in 1990. Tot slot is het opvallend dat in 1999 meer 4554-jarigen het werk als zeer belangrijk beschouwen in vergelijking met 1990. In tegenstelling tot de gegevens van Nederland (weliswaar met een iets andere vraagstelling en over een andere tijdsperiode) is er in Vlaanderen in de jaren negentig geen sprake van een afname van de centraliteit van de arbeid. Over een periode van 10 jaar wordt het werk even centraal gesteld en hebben de overige levensdomeinen zoals gezin en vrije tijd niet aan belang gewonnen. Verder is er ook geen sprake van een afname van de centraliteit van arbeid bij de leeftijdsgroep 25-44 jaar. Wel zijn er lichte aanwijzingen dat in 1999 meer 55-64-jarigen het werk als (helemaal) niet belangrijk beschouwen.

Figuur 8.3-1

Mate van belangrijkheid werk naar leeftijd in het Vlaamse Gewest in 1990 en 1999 (in %)

% mate belangrijkheid werk

70 60 50 40 30 20 10 0

18-24j

25-34j

35-44j

45-54j

55-64j

65j+

hel.niet '90 (10,1%)

8,7

8,2

5,5

8,6

10,4

19,9

hel. niet '99 (9,6%)

9,9

1,3

4,9

7,4

14,5

21,2

tamelijk '90 (34,8%)

37,6

42,1

38,2

36,7

33,3

18,6

tamelijk '99 (33,2%)

33,3

46,1

40,1

28,9

28,2

20,5

zeer '90 (55,1%)

53,8

49,7

56,4

54,7

56,3

61,5

zeer '99 (57,1%)

56,8

52,6

54,9

63,7

57,3

58,3

Bron: EVS 1990 en 1999 (bewerking APS).

3

1990: χ²=37.89; df=10; p=0.000, Cramer's V=0.14 en 1999: χ²=60.66; df=10; p=0.000; Cramer's V=0.20.

152


Het combineren van verschillende levensdomeinen Deeltijds werken neemt toe Figuur 8.3-2

Percentage deeltijds loontrekkenden in het totaal der loontrekkenden (uitgezonderd PWA en gelegenheidswerk) volgens geslacht en leeftijd in het Vlaamse Gewest in 1995 en 2002 60

% deeltijds werkenden

50 40 30 20 10 0 man 1995 (2,6%)

15-24j

25-49j

50-64j

5,8

2,1

3,4

man 2002 (5,0%)

8,2

3,4

9,3

vrouw 1995 (34,5%)

21,1

36,1

40,5

vrouw 2002 (41,4%)

22,4

42,3

54,2

Bron: NIS-EAK 1995 en 2001 (bewerking APS).

Enkele belangrijke vaststellingen4: - % deeltijds loontrekkenden bij vrouwen groter dan bij mannen en dit in alle leeftijdsgroepen; - toename % deeltijds loontrekkenden zowel bij mannen als bij vrouwen, maar verhoudingsgewijs veel sterkere toename bij mannen (2002-1995: mannen +92,3%: vrouwen +20%); - in absolute aantallen is er wel een sterkere toename bij vrouwen (mannen van + 30.000 in 1995 naar + 59.000 in 2001; vrouwen van + 268.000 naar + 381.000); - % deeltijds loontrekkenden varieert met de leeftijd, bij de vrouwen is er eerder sprake van een lineair verband: hoe ouder hoe meer deeltijds werk; bij de mannen zien we een kromlijnig verband met het minste deeltijds loontrekkenden in de leeftijdsgroep 25-49 jaar en het meeste deeltijds loontrekkenden in de jongste en oudste leeftijdsgroep. Redenen voor deeltijds werken Uiteraard kan de toename van het deeltijds werk niet zomaar als indicator voor het combineren van verschillende levenssferen gehanteerd worden. Het kiezen voor een deeltijdse baan kan immers al dan niet op vrijwillige basis gebeuren. Werkenden kunnen omwille van economische omstandigheden enkel deeltijds aan de slag (blijven) of kunnen daarentegen uit vrije wil opteren voor een deeltijdse baan. Het is bijgevolg belangrijk ook de motivatie om deeltijds aan het werk te blijven in beschouwing te nemen. De NIS - EAK biedt enige informatie. Daar de bevraging in

4

Vanaf 1999 is de EAK een doorlopende enquête geworden. Het vergelijken van de resultaten van de EAK 2002 met EAK 1995 moet bijgevolg met enige omzichtigheid gebeuren. 153


1995 verschilt van die in 2002 (zowel naar vraagverwoording als naar antwoordcategorieën) bekijken we enkel de gegevens voor 20025. Belangrijkste vaststellingen voor de loontrekkenden in 2002 (tabel 8.3-2). - Of de loontrekkenden die deeltijds aan de slag zijn, dit al dan niet uit vrije wil doen, kan niet zomaar rechtstreeks uit de antwoorden worden afgeleid. Voor een berekening van de categorie 'uit vrije wil' nemen we de antwoorden 'combinatie opleiding-werk', 'kinderopvang', 'andere persoonlijke of familiale redenen' en 'geen voltijds werk gewenst' samen. Uiteraard kan je de vraag stellen of degenen die als belangrijkste reden voor deeltijds werk 'kinderopvang' of 'andere persoonlijke of familiale redenen' opgeven, dit effectief doen uit vrije wil. Zowel gezinsomstandigheden (hoger loon, uitbouw carrière partner die voltijds blijft werken …) als culturele factoren bepalen mee waarom het nog steeds dikwijls vrouwen zijn die een stap terugzetten. - Bijna 1/2 van de deeltijds werkende loontrekkende mannen (5% deeltijds loontrekkende mannen op het totaal aantal loontrekkende mannen) opteert 'uit vrije wil' voor deeltijds werk tegenover bijna 3/4 bij de vrouwen (41,4% deeltijds loontrekkende vrouwen). - 15-24j: mannen bijna 4/10 combinatie opleiding-werk; vrouwen; 42% geen voltijds werk gevonden. - 25-49j: mannen toch ook reeds 10% omwille van kinderopvang; vrouwen 42% kinderopvang. - 50+: mannen 13% brugpensioen; vrouwen 1,2% brugpensioen. - Het niet wensen van een voltijdse betrekking ligt zowel bij de mannen als bij de vrouwen het hoogst bij de 50+; bij de vrouwelijke 50+ ligt dit opmerkelijk hoger dan bij de mannelijke 50+.

Tabel 8.3-2 Loontrekkenden (PWA en gelegenheidswerk uitgezonderd): belangrijkste reden om deeltijds te werken naar leeftijdsgroep en geslacht in het Vlaamse Gewest, 2002 (in %) mannen 15-24j 25-49j 50j+ (Brug)pensioen en mag enkel deeltijds werken Geen voltijds werk gevonden Een andere deeltijdse betrekking vult hoofdbetrekking aan Combinatie opleiding - werk Arbeidsongeschikt Kinderopvang Andere persoonlijke of familiale redenen Geen voltijds werk gewenst Andere N

0,0%

1,8% 13,0%

20,3% 16,6% 2,1% 13,1%

Totaal

15-24j

vrouwen 25-49j 50j+

Totaal

5,3%

0,0%

0,4%

1,2%

0,5%

6,0% 13,6%

41,7%

9,8%

6,5% 11,3%

0,5%

1,8%

0,6%

3,1%

7,7%

37,9% 2,4% 0,0% 0,0% 10,1% 13,1% 0,0% 10,1% 0,5%

7,7% 9,4% 5,0%

12,2% 0,4% 0,0% 2,2% 9,1% 41,9%

0,0% 1,1% 3,7% 2,3% 6,0% 34,1%

2,9% 24,0% 30,1% 22,5%

7,7% 27,1%

43,0% 28,4%

13,6% 9,0% 15,2% 11,9% 23,2% 13,0% 19,1% 16,8% 10.384 29.044 20.893 60.320

1,5%

11,9% 8,5% 24,2% 11,2% 16,9% 8,0% 14,7% 9,7% 24.077 296.675 60.585 381.337

Bron: NIS - EAK 2002 (bewerking APS).

5

NIS - EAK 1995: vraag 12 'Onderscheid tussen voltijdse en deeltijdse arbeid, indien deeltijds: a) betrokkene volgt onderwijs of krijgt een opleiding, b) betrokkene is ziek of gehandicapt, c) betrokkene heeft geen voltijdse arbeid gevonden, d) om familiale redenen, e) betrokkene wenst geen voltijdse arbeid, f) geeft geen reden op en g) andere. NIS - EAK 2002: gegevens tabel 8.3-2 zijn gebaseerd op vraag 19 'Wat is de belangrijkste reden om tijdens de referentieweek deeltijds te blijven werken'.

154


De overheid steunt de keuze voor deeltijds werk Het 'vrijwillig' kiezen voor deeltijds werk vinden we bijgevolg meer terug bij de vrouwen. Een indicatie dat allerlei formules om de loopbaan tijdelijk te onderbreken ook op bijval bij mannen kan rekenen, bieden de gegevens van tabel 8.3-3a - tabel 8.3-3d. Belangrijkste vaststellingen: - het aantal gerechtigden op loopbaanonderbreking in het kader van speciale stelsels neemt van jaar tot jaar toe; - de gemiddelde jaarlijkse groei (1998-2003) bij het ouderschapsverlof is 84,3%, met een sterkere toename van de gemiddelde jaarlijkse groei bij de mannen (110,5%) dan bij de vrouwen (81,7%); - merk op dat vrouwen nog steeds het leeuwendeel van het ouderschapsverlof opnemen, maar in vergelijking met 1998 is in 2003 het procentueel aandeel van mannen in het totaal van ouderschapsverlof verdubbeld; - het aantal gerechtigden op tijdskrediet in de privé-sector neemt semester tot semester toe. Dit geldt zowel voor het tijdskrediet, de 1/5de loopbaanvermindering als voor de vermindering van de arbeidsprestaties van werknemers van 50 jaar en ouder; - opvallend is het blijvende grotere aandeel van de vrouwen in het stelstel van het tijdskrediet en de 1/5de loopbaanvermindering en het blijvende grotere aandeel van de mannen in het stelsel van de vermindering van de arbeidsprestaties van werknemers van 50 jaar en ouder.

Tabel 8.3-3a Aantal gerechtigden op loopbaanonderbreking in het kader van 'speciale stelsels'; naar reden van onderbreking en geslacht, op 30 juni in het Vlaamse Gewest Palliatieve zorgen Mannen Vrouwen Totaal

2003 21,7% 78,3% 129

2002 19,5% 80,5% 123

2001 18,3% 81,7% 109

2000 17,9% 82,1% 112

1999 19,4% 80,6% 72

1998 11,1% 88,9% 45

Zware ziektes Mannen Vrouwen Totaal

2003 23,7% 76,3% 2.462

2002 20,7% 79,3% 1.927

2001 19,1% 80,9% 1.519

2000 17,3% 82,7% 1.021

1999 14,4% 85,6% 513

1998 18,2% 81,8% 22

2003 Ouderschapsverlof 13,8% Mannen 86,2% Vrouwen Totaal 14.494

2002 9,4% 90,6% 8.697

2001 7,9% 92,1% 7.112

2000 6,3% 93,7% 6.101

1999 5,4% 94,6% 3.880

1998 6,2% 93,8% 370

Bron: RVA.

155


Tabel 8.3-3b Aantal gerechtigden van het systeem van tijdskrediet in de privé-sector, naar onderbrekingsvorm en geslacht, 2002-2004 in het Vlaamse Gewest (in %) Tijdskrediet jan 2004 22,4% 77,6% Totaal 13.365

juli 2003 23,6% 76,4% 12.841

jan 2003 23,3% 76,7% 11.500

juli 2002 25,3% 74,7% 6.553

jan 2002 25,1% 74,9% 980

juli 2003 26,1% 73,9% 10.720

jan 2003 25,7% 74,3% 8.693

juli 2002 24,9% 75,1% 4.899

jan 2002 18,9% 81,1% 1.330

Vermindering van de arbeidsprestaties van werknemers van 50 jaar en ouder jan 2004 juli 2003 jan 2003 juli 2002 Mannen 63,5% 65,4% 66,3% 66,9% Vrouwen 36,5% 34,6% 33,7% 33,1% Totaal 20.971 16.946 13.166 7.099

jan 2002 62,8% 37,2% 1.694

Mannen Vrouwen

1/5e loopbaanvermindering jan 2004 24,4% 75,6% Totaal 13.355

Mannen Vrouwen

Bron: RVA (bewerking APS).

Tabel 8.3-3c

Aantal goedgekeurde aanvragen aanmoedigingspremies voor het tijdskrediet in de privé-sector* in het Vlaamse Gewest, naar geslacht

Totaal

2003 17,4% 82,6% 21.072

2002 15,1% 84,9% 14.039

Social profit sector Mannen Vrouwen Totaal

2003 13,4% 86,6% 3.791

2002** 13,5% 86,5% 3.147

Privé-sector Mannen Vrouwen

*Op basis van nieuwe reglementering (1/1/2002) opgesplitst volgens twee wetgevingen, met name voor de ruime privé-sector en voor de social profit sector. **Exact aantal gunstige dossiers van 2002 is niet gekend. Bron: MVG, administratie Werkgelegenheid.

Tabel 8.3-3d Aantal goedgekeurde aanvragen aanmoedigingspremies loopbaanonderbreking in de openbare sector* in het Vlaamse Gewest, naar geslacht

Mannen Vrouwen Totaal *Op basis van reglementering vanaf 1 januari 2002. Bron: MVG, administratie Werkgelegenheid.

156

2003 14,4% 85,6% 15.129

2002 14,5% 85,5% 15.326


- Met ongeveer 25% blijft het aandeel van de mannen in het stelsel van het tijdskrediet nagenoeg ongewijzigd. - Bij de 1/5de loopbaanvermindering en in het stelsel van de vermindering van de arbeidsprestaties van werknemers van 50 jaar en ouder neemt het aandeel van de vrouwen aanvankelijk van semester tot semester lichtjes af om vanaf begin 2004 lichtjes te stijgen.

Samengedrukte loopbaan Het concept samengedrukte loopbaan wijst op het fenomeen dat de intrede op de arbeidsmarkt op steeds latere leeftijd en de uittrede op steeds jongere leeftijd gebeurt. Van de 60-64-jarigen is momenteel ongeveer 11% werkzaam en van de 55-59-jarigen een kleine 40%. Merk ook het grote verschil op tussen mannen en vrouwen (tabel 8.3-5). De arbeidsmarktloopbaan voor laaggeschoolden is niet op dezelfde wijze samengedrukt als voor de hooggeschoolden (Malfait 2002, 13-27 op basis van EAK 2001). Onder de bevolking tussen de 50 en 64 jaar zijn de laaggeschoolden in de meerderheid (57%), een minderheid is hooggeschoold (18%). De werkzaamheidgraad bij de laaggeschoolde 50-plussers bedraagt amper 29%, tegenover 64% bij de hooggeschoolden. Het is vooral de bijzonder lage werkzaamheidgraad onder de laaggeschoolde 50-(55-)plussers die de globale werkzaamheidgraad onder de ouderen in de bevolking op arbeidsleeftijd 'drukt'. Tabel 8.3.-4 splitst deze vaststellingen eveneens op naar geslacht. De samengedrukte loopbaan of de samengebalde carrière waarbij het arbeidsproductieve leven wordt samengeperst in minder dan de helft van het biologische leven (Geldof 2001) valt samen met het spitsuur van het leven. Tussen 25 en 50 jaar werken mannen en vrouwen aan een eigen carrière, krijgen ze kinderen, staan ze in voor de opvoeding en de zorg van die kinderen en bouwen ze (soms letterlijk) aan een eigen huisje en tuintje. Vlamingen ervaren de hoogste tijdsbelasting rond hun dertigste. Het gevoel van drukte neemt nauwelijks af tot de leeftijd van 50-55 jaar. Vrouwen ervaren een iets hogere tijdsdruk dan mannen (Genderzakboekje 2003, 102). De individuele officiële arbeidstijd is nog nooit zo laag geweest maar toch leven velen met een gevoel van tijdschaarste. Geldof stelt dan ook een groeiende behoefte aan onthaasting vast (2001).

Tabel 8.3-4

Werkzaamheidgraad naar geslacht, leeftijdsgroep en onderwijsniveau in het Vlaamse Gewest (2002, in %)

Mannen Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold Totaal Vrouwen Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold Totaal

15-24 jaar

25-49 jaar

50-64 jaar

Totaal

19,5 50,3 67,3 37,0

85,6 93,8 95,8 91,9

42,5 61,4 68,8 53,3

56,8 77,1 87,2 71,6

15-24 jaar

25-49 jaar

50-64 jaar

Totaal

12,4 33,3 74,8 31,6

57,4 78,5 89,0 76,3

19,2 33,6 51,6 26,7

32,9 60,0 81,4 55,2

Laaggeschoold: maximaal diploma van lager secundair onderwijs; middengeschoold: diploma van hoger secundair onderwijs; hooggeschoold: diploma van hoger onderwijs. Bron: NIS - EAK, bewerking Steunpunt WAV, jaarboek 2003.

157


Tabel 8.3-5

Mannen 50 – 54 jaar 55 – 59 jaar 60 – 54 jaar

Werkzaamheidgraad bij 50 tot 64-jarigen naar leeftijd en geslacht in het Vlaamse Gewest,1999-2002 (in %) 2002

2001

2000

1999

82,1 51,3 17,1

81,8 52,9 16,9

81,4 56,3 17,1

78,0 51,0 16,6

47,9 25,0 5,7

48,3 23,5 4,5

44,8 23,9 5,5

45,1 22,7 5,9

65,3 38,2 11,3

65,3 38,2 10,6

63,4 40,1 11,2

61,8 36,8 11,1

Vrouwen 50 – 54 jaar 55 – 59 jaar 60 – 54 jaar Totaal 50 – 54 jaar 55 – 59 jaar 60 – 54 jaar

Bron: NIS - EAK, bewerking Steunpunt WAV, jaarboek 2003.

Deze samengedrukte loopbaan lijkt evenwel haaks te staan op de uitdagingen waarmee onze welvaartstaat geconfronteerd wordt. Omwille van demografische ontwikkelingen (vergrijzing, ontgroening) is het noodzakelijk dat we met z'n allen langer blijven werken om ons sociaal zekerheidsstelsel betaalbaar te houden (Commission of the European Communities 2002; OESO-rapport 2003, Hoge Raad van Financiën 2002, 2003). Op de Top van Lissabon is het streven naar een werkzaamheidgraad van 70% tegen 2010 naar voren geschoven. Op de Top van Stockholm is dit streefcijfer verder verfijnd met een werkzaamheidgraad van 50% bij de 5564 jarigen en 60% bij de vrouwen. Uit tabel 8.3-4 kan meteen worden afgeleid welke bevolkingscategorieën dienen aangesproken te worden om deze Europese streefcijfers te halen.

TOEKOMSTVERWACHTINGEN Verwachtingen met betrekking tot de samengedrukte loopbaan Gegeven de huidige economische conjunctuur (sombere voorspellingen inzake economische groei, toenemende werkloosheid, …), de snel veranderende kennismaatschappij waarin we leven, worden steeds meer eisen gesteld aan degenen die momenteel nog aan het werk zijn: meer flexibiliteit, levenslang en levensbreed leren,… (Van Hoof 2001; Over.werk 2002). Werknemers ontwikkelen individuele strategieën om aan de werkdruk en de combinatie van verschillende levensdomeinen tegemoet te komen. Een eerste strategie is het deeltijds werken. Vooral bij vrouwen wordt deze strategie sociaal-cultureel aanvaard, bij mannen is dit veel minder het geval. Het kunnen kiezen voor deze strategie is bovendien afhankelijk van financiële mogelijkheden: in tweeverdienergezinnen is het eenvoudiger dat een van beiden een stapje terugzet zonder financieel te veel te moeten inschieten, voor alleenstaanden is deze keuze niet steeds haalbaar. Bij oudere werknemers is het vervroegd (volledig of deeltijds) uittreden uit de arbeidsmarkt een andere strategie.

158


Wil deze keuze een reële keuzemogelijkheid zijn organisatieveranderingen en beleidsmaatregelen noodzakelijk.

voor

iedereen,

dan

zijn

In het kader van een betere afstemming van arbeid en privé-leven pleit Geldof voor een hedendaagse tijdspolitiek gericht op onthaasting (2001, 76-77). De belangrijkste doelstellingen zijn het garanderen van een grotere tijdsautonomie van individuen en het beperken van de ongelijkheid inzake tijdskapitaal. Onder een grotere autonomie verstaat hij het garanderen van een reële keuzevrijheid aan individuen ten aanzien van de arbeidstijd en de combinatie met andere levensdomeinen. Het beperken van de bestaande en groeiende ongelijkheid van tijdskapitaal, betekent oog hebben voor nieuwe vormen van ongelijkheid in een maatschappij waar tijd almaar van vitaler belang wordt. Dat vereist een debat over de collectieve maatschappelijke ritmes, zie onder meer de discussie inzake de veralgemening van de openingstijden van winkels op zondag naar aanleiding van de federale regeringsonderhandelingen (juni 2003). Geldof onderscheidt drie soorten tijdsmaatregelen die een betere combinatie tussen arbeid en andere activiteiten voor iedereen mogelijk moeten maken (2001, 136): - vermindering van de conventionele arbeidstijd en de collectieve hervormingen van de arbeidstijd; - uitbreiding van individuele keuzes en mogelijkheden om voor specifieke situaties de arbeidsloopbaan te onderbreken of de arbeidstijd te verminderen (o.a. zorgkrediet, educatief verlof, …); - onvoorwaardelijke maatregelen die een algemeen tijdskrediet mogelijk maken. Het uitbouwen van een volwaardig tijdsfonds in de sociale zekerheid is hier het streefdoel op termijn. Vertaald in meer klassieke sociale zekerheidstermen betekent dit een verzekering van een nieuw risico en dus de creatie van een nieuw recht. Het risico is te omschrijven als het inkomensverlies als gevolg van een tijdelijke en bewuste niet-deelname of niet-voltijdse deelname aan de arbeidsmarkt. Het recht is een recht op uitkering gedurende deze periode. Zowel het recht om de arbeid te onderbreken als de uitkering zijn afhankelijk van de gekapitaliseerde arbeidstijd (2001, 148-149). Het Federaal Planbureau (2003, 67-68) heeft de verwachte evolutie van de loopbaanonderbrekingen (LO) voor de periode 2002-2008 in kaart gebracht. De ramingen houden rekening met elk specifiek stelsel (tijdskrediet, LO met een vijfde, de helft, …), het geleidelijk uitdoven van het oude loopbaanonderbrekingstelsel in de privé-sector en met de demografische evolutie (beroepsbevolking) per leeftijd en per geslacht. Bij gebrek aan relevante gegevens konden de opgelegde anciënniteitvoorwaarden, de bedrijfsgrootte en de toegangsdrempel per onderneming (5%) niet als parameter worden gebruikt. De ramingen zijn niet opgesplitst naar regio en geslacht maar geven toch een mooi beeld van de te verwachten evolutie bij constant beleid.

159


Tabel 8.3-6

Evolutie loopbaanonderbrekingen (jaargemiddelden, in duizenden personen) 2002 76,8 19,3 12,3 1,9 14,2 5,2

2003 90,8 19,6 11,7 2,4 14,1 5,5

2004 103,3 21,4 12,8 2,9 15,7 5,7

2008 119,0 21,6 12,8 3,1 15,9 5,7

2008 t.o.v. 2002 42,2 2,3 0,6 1,2 1,7 0,6

57,4 16,6 10,4 27,0 9,6 15,6 25,2 52,2 5,2

71,2 19,0 9,6 28,6 15,8 18,3 34,1 62,7 8,5

82,0 21,7 8,9 30,7 20,8 20,4 41,3 71,9 10,0

97,3 25,8 6,2 32,0 30,9 23,2 54,1 86,1 11,2

39,9 9,2 -4,2 5,0 21,3 7,6 28,9 33,9 6,0

OVERHEID a. Voltijds b. Deeltijds

53,9 10,3 43,6

56,8 9,9 46,9

58,4 9,7 48,7

60,1 9,4 50,7

6,1 -0,9 7,1

TOTAAL a. Voltijds b. Deeltijds

130,7 29,7 101,0

147,6 29,5 118,1

161,7 31,0 130,6

179,0 31,0 148,0

48,3 1,3 47,0

PRIVÉ-SECTOR a. Voltijds klassiek; < 50 jaar klassiek; > 50 jaar Totaal klassiek Totaal thematisch b. Deeltijds klassiek; < 50 jaar; 1/5 klassiek; < 50 jaar; 1/2 Totaal klassiek; < 50 jaar klassiek; > 50 jaar; 1/5 klassiek; > 50 jaar; 1/2 Totaal klassiek; > 50 jaar Totaal klassiek Totaal thematisch

Bron: Federaal Planbureau 2003.

- In de privé-sector zou het tijdskrediet (volledige LO) zich traag ontwikkelen en op een tamelijk laag peil blijven (+ 19.000 mensen in 2002 tot minder dan 22.000 mensen in 2008). Het wordt voornamelijk opgenomen door werknemers jonger dan 50 jaar. - De 'klassieke' deeltijdse LO zouden snel toenemen en betrekking hebben op meer dan 86.000 werknemers in 2008 (52.000 in 2002). Die groei komt vooral van de LO met 1/5 bij werknemers die 50 jaar of ouder zijn. - Zelfs al zou op macro-economisch niveau het aantal mensen dat gebruik maakt van het tijdskrediet of van een 'klassieke' vermindering van de arbeidsprestatie (102.000 mensen in 2008) geen 5% bedragen in de privé-sector, dan nog zou die drempel voor problemen kunnen zorgen in sommige ondernemingen. Door het feit dat veel werknemers van 50 jaar of ouder gebruik maken van (vooral deeltijdse) LO, ontstaat er voor de jongere werknemers een probleem om tot dergelijke systemen toe te treden en om het beroepsleven en het privé-leven dus beter op elkaar af te stemmen. - In de overheidssector zou de opname van de voltijdse LO licht afnemen (van iets meer dan 10.000 eenheden in 2002 tot iets minder dan 10.000 eenheden in 2008). De deeltijdse LO kent een gestage groei van ruim 43.000 eenheden in 2002 tot bijna 51.000 eenheden in 2008. - Alles samen (privé- en overheidssector) daalt het relatieve belang van de volledige LO van 23% van alle LO in 2002 tot 17% in 2008. - De ramingen worden spijtig genoeg niet uitgesplitst naar geslacht. Gegeven de evolutie van de voorgaande jaren (cf. tabellen 8.2-3a-3d) mag een trage toename van het aandeel mannen verwacht worden, maar het overwicht van vrouwen zal blijven. - Bij deze prognose past nog een belangrijke kanttekening. Het onderzoek naar het gedrag en verwachtingen in verband met het einde van de loopbaan (zie verder) toont immers aan dat de stelsels van halftijds brugpensioen en tijdskrediet zeer slecht gekend zijn. Ruim 69% van de mannen en 63% van de vrouwen in de leeftijdsgroep 45-65 jaar kent het stelsel van halftijds brugpensioen niet. 60% van de mannen en 55% van de vrouwen zegt dat zij het 160


stelsel van tijdskrediet niet kennen (Elchardus en Cohen 2003a, 56). Wat men niet kent, kan men ook niet in overweging nemen om er eventueel gebruik van te maken. Een buitenlands voorbeeld in het kader van de onthaasting is de stimuleringsmaatregel Dagindeling. In 1996 kreeg de Nederlandse commissie Dagindeling als belangrijkste taak voorstellen te ontwikkelen voor een dagindeling die meer (keuze)mogelijkheden biedt om werk en zorg te combineren. De centrale aanbeveling is de introductie van een stimuleringsmaatregel die vooral lokale initiatieven ondersteunt die de keuzemogelijkheden van taakcombineerders vergroten. In maart 1999 zijn de stimuleringsmaatregel en de bijbehorende subsidieregeling in werking gesteld met het oog op het realiseren van volgende doelstellingen tegen 2003: - het stimuleren van experimenten met een voorbeeldfunctie en landelijke uitstraling; - het creëren van een maatschappelijk draagvlak voor het idee Dagindeling; - het bevorderen van vertaling van resultaten in regulier beleid (mainstreaming). De experimenten hebben betrekking op volgende thema's: dagarrangementen voor schoolkinderen, flexibele en/of kleinschalige kinderopvang, zieke kinderen, balans tussen werk en privé in arbeidsorganisaties, ondersteuning van mantelzorgers, ontwikkeling van persoonlijke dienstverlening en ruimtelijke ordening ten behoeve van taakcombineerders. In Vlaanderen zijn in dat verband reeds heel wat initiatieven genomen, denk maar aan de goed uitgebouwde en betaalbare kinderopvang in vergelijking met Nederland. Eén thema lijkt binnen de Vlaamse context toch relatief nieuw, met name de aandacht voor het aspect ruimtelijke ordening. Hierbij is de vraag in hoeverre de hedendaagse leefomgeving ingericht is op een toenemende verscheidenheid aan huishoudens met veranderende leefstijlen, verschillende bezigheden en onderlinge taakverdelingen. Het Sociaal Cultureel Planbureau is van oordeel dat de stimuleringsmaatregel veel mensen heeft gemobiliseerd, er interessante producten zijn ontwikkeld, dagindeling op veel politieke- en beleidsagenda's staat, er successen zijn bij mainstreaming en de projecten op veel plaatsen een vervolg krijgen. Verdere inspanningen zijn evenwel nodig om te zorgen voor een structureel vervolg. Kortom, de stimuleringsmaatregel heeft vele steentjes bijgedragen aan het verbeteren van beleid, gericht op het kunnen combineren van arbeid en zorg (2003).

Verwachtingen met betrekking tot de uittrede uit de arbeidsmarkt - De onderzoeksgroep TOR heeft in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken in 2002 een onderzoek naar de verwachtingen met betrekking tot het loopbaaneinde, en de economische, sociale en culturele factoren die deze verwachtingen beïnvloeden, uitgevoerd (Elchardus en Cohen 2003a, 2003b). Het onderzoek steunt onder meer op een postenquête bij een representatieve steekproef van 5.457 Belgen tussen 45 en 65 jaar waaronder bijna 3.200 Vlamingen. De onderzoeksgegevens tonen aan dat vanaf de leeftijd van 55 een ruime meerderheid van de mannen (58%) en de overgrote meerderheid van de vrouwen (81%) niet meer werkt. Van de personen die nog aan het werk zijn, denkt een vrij groot aantal daarenboven al aan het pensioen of het loopbaaneinde. Zij hebben al plannen gemaakt om definitief te stoppen (tabel 8.3-7). Vanaf de leeftijd van 50 jaar zijn er dus niet alleen al heel wat mensen met pensioen, van degenen die nog werken denken velen daarenboven aan stoppen. De auteurs besluiten dat de weg die moet worden afgelegd om werken boven de 55 vanzelfsprekend te maken, dus wel bijzonder lang is (Elchardus en Cohen 2003a, 25).

161


Tabel 8.3-7

Aandeel per leeftijdsgroep en geslacht met plannen om definitief te stoppen met werken (werkenden, Vlaanderen in %) 45-49 jaar 50-54 jaar 55-59 jaar 60-65 jaar *

mannen 22,0 43,5 60,0 59,6

vrouwen 16,9 36,1 65,2 40,0

* relatief weinig observaties in deze leeftijdsgroep. Bron: Elchardus en Cohen 2003a, 25.

- Met de aankomende cohorten hooggeschoolde mannen en vrouwen, die beiden een zeer hoge werkzaamheidgraad hebben en waarvan het gewicht in aantal binnen de populatie vijftigplussers zal toenemen, kan verwacht worden dat de werkzaamheidgraad bij de vijftigplussers de komende jaren zal toenemen (Malfait 2002, 22). - De hierna komende vijftigers zullen later in de kinderen en ook later uit de kinderen zijn (cf. hoofdstuk demografie). Omwille van financiële overwegingen zullen ze daardoor wellicht ook later stoppen met werken (G. Deswert in Over.werk 2002: 48). Zo ligt momenteel de werkzaamheidgraad van Vlaamse mannen (45-54 jaar) in koppels zonder kinderen heel wat lager dan die van mannen in koppels met kinderen. Dit patroon zet zich versterkt door in de leeftijdscategorie 55-59 jaar. De aanwezigheid van kinderen in het huishouden lijkt voor een belangrijk deel van de oudere mannen een reden te zijn om zich nog niet van de arbeidsmarkt terug te trekken (Geurts 2002, 240). Deze verwachting sluit aan bij een van de bevindingen van het onderzoek van Elchardus en Cohen. De belangrijkste determinant van het vroege uitstappen (buiten de leeftijd en het geslacht) blijkt van financiële aard te zijn (2003b, 43). De discussie over de vervroeging van de pensioenleeftijd stelt de verwachtingen van de werknemers scherp tegenover de beleidskeuzen die de politici moeten maken in het algemeen belang. In 2001 bedraagt de gemiddelde leeftijd voor het verlaten van de arbeidsmarkt bij de Belgische man 57,8 jaar (EU-15 60,5 jaar). Enkel de Luxemburgse mannen treden nog vroeger uit (57,5 jaar). De Belgische vrouw treedt uit aan 55,9 jaar (EU-15 59,1 jaar). Enkel de Luxemburgse vrouwen treden nog iets vroeger uit (55,3 jaar) (Eurostat, 2003). Deze gemiddelde cijfers liggen ver onder de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar bij mannen en 62 jaar bij vrouwen. De wettelijke pensioenleeftijd bij vrouwen heeft lange tijd op 60 jaar gestaan maar wordt geleidelijk opgetrokken tot 65 jaar voor pensioenen die beginnen vanaf 2009. Volgens de econoom en vroegere adjunct-kabinetschef van toenmalig premier Dehaene, E. De Callata, was een pensioenleeftijd van 60 of 65 jaar 35 jaar geleden geen probleem maar nu wel omdat de levensverwachting gestegen is. Hij stelt voor om, net zoals in Zweden momenteel het geval is, een dynamisch verband te maken tussen levensverwachting en pensioenleeftijd (Knack, juni 2003).

162


In het voorjaar van 2003 stond in enkele buurlanden (Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk) een hervorming van het pensioenstelsel op de politieke agenda. Het lamleggen van het openbare leven door stakingen toont aan dat onder meer het optrekken van de pensioenleeftijd een gevoelig thema is. In het onderzoek naar de verwachtingen met betrekking tot het loopbaaneinde, en de economische, sociale en culturele factoren die deze verwachtingen beïnvloeden, opperen Elchardus en Cohen de mogelijkheid om het werk wat evenwichtiger over de levensloop te verdelen, zodat de drukke leeftijd minder druk, de postactieve fase minder lang wordt. Hun visie sluit aan bij het ontwikkelen van een beleid waarbij een leven lang werken binnen het levensloopperspectief centraal staat of met de woorden van de Europese Commissie "a dynamic life cycle approch" (2002, 9). De auteurs stellen de uitbouw van systematisch sequentiële loopbanen voor, waarbij mensen die een bepaald soort werk niet meer aankunnen, rond de leeftijd van 45 aan een tweede loopbaan kunnen beginnen. De overgang van werk naar pensioen kan geleidelijker worden gemaakt (2003b, 42-43). Deze zienswijze sluit aan bij het enigszins utopisch voorstel 'phased retirement' van trendwatcher Herman Konings (Weekend Knack, 8 januari 2003). Hij gaat uit van een stijging van de levensverwachting tot 100 jaar waarbij we zullen moeten werken tot 70-75 jaar in fases van telkens 15 jaar te beginnen met de leeftijd van 15. Met wat geld op zak kan men op 25 à 30 jaar op 'zwangerschapspensioen', voor een 5-tal jaren. Tussen 30-35 jaar beginnen we aan een tweede carrière tot aan ons 50ste waarna we er opnieuw voor een vijftal jaren kunnen uitstappen. Van 55 tot 70 jaar volgt dan de derde loopbaan en wie weet, besluit Konings "zijn er mensen die na hun 75ste nog genoeg energie over hebben om er met al hun wijsheid nog enkele jaren bij te doen".

BRONNEN §

Commission of the European Communities (2002). Report from the Commission to the Council, the European Parliament, The Economic and Social Committee and the Committee of the Regions. Report requested by Stockholm European Council: "Increasing labour force participation and promoting active aging". Brussel.

§

Elchardus, M. & Cohen, J. (2003a). Gedrag en verwachtingen in verband met het einde van de loopbaan. Deelrapport 2: de levensloop en de pensioentransitie in België. Brussel: VUB, vakgroep Sociologie/TOR. Afgehaald op 24 juni 2003 van http://www.vub.ac.be/TOR/

§

Elchardus, M. & Cohen, J. (2003b). Gedrag en verwachtingen in verband met het einde van de loopbaan. Deelrapport 3: de determinanten van de vroege uittrede. Brussel: VUB, vakgroep Sociologie/TOR. Afgehaald op 24 juni 2003 van http://www.vub.ac.be/TOR/

§

Eurostat (2003). Average exit age from the labour force - males and females - weighted by the probability of withdrawal from the labour market. Afgehaald op 17 juni 2003 van http://europa.eu.int/comm/eurostat/Public/datashop/printcatalogue/EN?catalogue=Eurostat&product=1-em023-EN; http://europa.eu.int/comm/eurostat/Public/datashop/printcatalogue/EN?catalogue=Eurostat&product=1-em022-EN

§

Federaal Planbureau (2003). Economische vooruitzichten 2003-2008. Brussel. Afgehaald op 16 juni 2003 van http://www.plan.be/nl/pub/ecofor/detail_ef.php?pub=EF20032008

§

Geldof, D. (2001). Onthaasting. Op zoek naar tijd in een risicomaatschappij. Antwerpen: Houtekiet.

§

Hoge Raad van Financiën - Studiecommissie voor de Vergrijzing. Jaarlijks verslag 2002 en 2003. Afgehaald op 16 juni 2003 van http:// www.plan.fgov.be/nl/pub/other/ OPVERG200201/OPVERG200201nl.pdf

163


§

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ESF-Agentschap, administratie Werkgelegenheid (2003). Genderzakboekje: zij en hij op de arbeidsmarkt. Brussel (samenstelling Steunpunt WAV, K.U.Leuven).

§

OECD (2003). Economic Outlook no. 73, Preliminary Edition, april 2003.

§

Over.Werk, nr. 4/2002 (Focus op leven en werken in de weegschaal. Een debat over arbeid en participatie binnen de actieve welvaartstaat).

§

Sociaal en Cultureel Planbureau (2003). Beter voor de dag. Evaluatie van de stimuleringsmaatregel Dagindeling. Den Haag (samenstelling S. Keuzenkamp, M. Cloïn, W. Portegijs, V. Veldheer).

§

Steunpunt WAV: De arbeidsmarkt in Vlaanderen, jaarboek, jaarreeks 2002.

§

Steunpunt WAV: De arbeidsmarkt in Vlaanderen, jaarboek, editie 2003.

§

Malfait Dirk: Besluit: Schipper mag ik overvaren?; Tielens Maarten: 50-plussers op en langs de arbeidsmarkt. De zilvervloot meert aan; Geurts Karen: Gezin en arbeid: een generatie (maakt het) verschil).

§

Van Hoof, J. (2001). Werk, werk, werk? Over de balans tussen werken en leven in een veranderend arbeidsbestel. Amsterdam: Boom.

164


THESE 4: DE DUALISERING VAN HET VERENIGINGSLEVEN VERZWAKT HAAR INTEGRATIEVE FUNCTIE

PROBLEEMSTELLING Geen afname van de deelname aan het verenigingsleven Van een afname van het verenigingsleven gekaderd in een algemene aftakeling van sociaal kapitaal (Putnam), lijkt in Vlaanderen niet echt sprake. Zo is meer dan de helft van de Vlaamse bevolking tussen 18 en 75 jaar actief betrokken bij minstens één vereniging. Bovendien verricht ongeveer 20% regelmatig onbetaald vrijwilligerswerk. Op het eind van de jaren tachtig en begin van de jaren negentig bedroeg de participatiegraad ongeveer 40%. Door beter te meten, kwamen bij de huidige metingen meer lidmaatschappen aan het licht. Ook als men rekening houdt met betere meetmethoden die een vollediger resultaat geven, lijkt het meest plausibele besluit dat het aantal lidmaatschappen sinds het begin van de jaren tachtig toenam (Elchardus, 2001). Afgaande op de APS-survey 2003 is er wel een zekere daling. Maar het deelnamecijfer heeft de afgelopen 10 jaar steeds wat geschommeld rond 50% van de bevolking. Van een structurele verandering kunnen we dus zeker nog niet spreken, het participatiecijfer lijkt eerder stabiel rond 50% van de bevolking. De toegenomen bezorgdheid lijkt daarom eerder een gevolg van toegenomen verwachtingen en van verschuivingen tussen vormen van verenigingen dan van daadwerkelijke achteruitgang.

Tabel 8.4-1 Bevolking Vrouwen Mannen

Actief lidmaatschap in het verenigingsleven, in % (APS-survey)

ISPO91* ISPO95* 37,6 42,7 35,5 39,9 40,0 45,2

APS96 52,7 48,8 57,0

APS97 47,2 42,6 51,7

TOR98** 50,7 44,6 56,9

APS99 49,6 44,7 54,6

APS01 51,8 46,9 56,6

APS02*** 53,0 48,5 57,7

APS03*** 48,8 44,3 53,4

*andere meetmethode, ISPO; **TOR-bevraging; ***exclusief de mutualiteiten Bron: APS-surveys en Elchardus 2001.

Redenen van participatie In recent onderzoek (Elchardus, 2001) wordt een poging ondernomen om de ontwikkelingen die zich op het gebied van het verenigingsleven de laatste 20 jaar afspeelden, in kaart te brengen. Een grondige analyse aan de hand van een fijngevoelige maat van participatie (zonder sport) brengt een aantal duidelijke relaties aan het licht. Levensbeschouwing (geëngageerden meer dan niet-geëngageerden), scholing (lager opgeleiden minder dan hoger opgeleiden), sector van tewerkstelling (zelfstandigen minder), tijdsdruk (matige tijdsdruk meer dan lage en hoge tijdsdruk), tv-consumptie (mensen die relatief weinig TV kijken participeren meer) spelen allemaal een rol. Als al deze invloeden in rekening worden gebracht, blijken jongere leeftijdsgroepen minder te participeren dan oudere. Dit komt omdat in de fijngevoelige maat het lidmaatschap van sport- of jeugdverenigingen niet opgenomen is. Op het lidmaatschap heeft leeftijd uiteindelijk geen netto-effect. Dit laat vermoeden dat het niet gaat om een culturele verschijning (individualisering) maar om een echt leeftijdseffect: jongere mensen participeren relatief veel in jongeren- en sportverenigingen, bij stijgende leeftijd verschuift de participatie naar andere soorten verenigingen. Belangrijke vaststelling is verder nog dat participatie in een jeugdvereniging een hogere garantie op participatie op latere leeftijd geeft.

165


De sterkste invloeden op de participatie gaan uit van het opleidingspeil en de levensbeschouwing. Overal ter wereld stelt men vast dat hoger geschoolden meer deelnemen aan het verenigingsleven dan lager geschoolden, zo ook in Vlaanderen met een betrekkelijk groot verschil. Tabel 8.4-2 Nee Ja

Participatie aan het verenigingsleven naar opleidingsniveau

Geen / LO 68,1 31,9 Totaal 100

Lager sec. 53,1 46,9 100

Hoger sec. 48,7 51,3 100

Nuho 31,3 68,7 100

Unief 29,5 70,5 100

Totaal 50,9 49,1 100

Bron: APS-survey 2003.

De sterkste invloed gaat uit van de levensbeschouwing (ook internationale vaststelling). Een actief levensbeschouwelijk engagement is op zich al een vorm van vereniging en verhoogt de kans dat andere vormen van participatie worden opgenomen. Deze vaststellingen leggen meteen bloot waar een systematisch tekort aan participatie zich situeert: bij laaggeschoolden die afhaken van levensbeschouwelijk engagement. Die twee kenmerken houden bovendien verband met elkaar. Laaggeschoolden hebben meer kans dan hooggeschoolden om de katholieke kerk en het geloof te verlaten zonder naar de vrijzinnigheid over te stappen. Secularisering vergroot daarom het risico dat laaggeschoolden van het verenigingsleven wegdrijven (Elchardus, 2001). Deze groep heeft relatief weinig tijd doorgebracht in de belangrijkste socialisatiekanalen van onze samenleving, en onttrekt zich als het ware aan de integratiekanalen van onze samenleving. In het verleden beschouwde een aantal progressieve denkers deze vorm van marginalisering als een positieve ontwikkeling en verwachtten een bevrijdende vernieuwing van deze groepen. In de studie van Elchardus wordt echter aangetoond dat deze marginalisering heeft geleid tot een verhoging van de zuurtegraad van onze samenleving en een voedingsbodem biedt voor extreempopulistisch rechts.

Verschuiving in aard van verenigingsleven De huidige lichte groei van het aantal lidmaatschappen lijkt veroorzaakt door de groei van de pluralistische, niet verzuilde bewegingen. Er is een opschuiving in de richting van verenigingen die rond sport, beweging en lichamelijk welzijn zijn opgebouwd en ook de opkomst van de zogeheten nieuwe sociale of postmaterialistische bewegingen. Een belangrijke vaststelling is dat deze verenigingen, vooral de postmaterialistische verenigingen, een hoger opgeleid ledenbestand hebben dan de klassieke sociale bewegingen. Tabel 8.4-3 Nooit lid Ooit of passief lid Actief (inclusief bestuurslid) Totaal ***p<0,001 Bron: APS-survey 2003.

166

Lidmaatschap van nieuwe sociale bewegingen

Geen / LO Lager sec. 97,8 91,2 1,1 7,3 1,1 1,6 100 100

Hoger sec. 85,7 11,8 2,4 100

Nuho 74,7 20,3 5,1 100

Unief 62,0 29,1 8,9 100

Totaal 87,0 10,3 2,7 100


Tabel 8.4-4

Lidmaatschap van een sportvereniging

Opleiding

Nooit lid

Geen / lager onderwijs Lager secundair Hoger secundair Niet-universitair hoger onderwijs Universitair onderwijs % alle opleidingniveaus

80,1 62,7 51,8 46,5 36,5 59,1

Vroeger lid Passief lid 9,2 17,1 25,1 19,6 25,9 18,7

1,2 1,7 1,1 2,6 0 1,4

Actief lid Bestuurslid 8,4 15,0 20,0 27,4 31,8 18

1,2 3,5 2,1 3,9 5,9 2,7

Totaal 100 100 100 100 100 100

***p<0,001 Bron: APS-survey 2003.

Integratieve rol van het nieuwe verenigingsleven is minder sterk De klassieke sociale bewegingen blijken vrij goed de diversiteit naar onderwijsniveau van de Vlaamse bevolking te weerspiegelen. Zij vormen dan ook een plek waar mensen van verschillende sociale groepen elkaar kunnen ontmoeten. De nieuwe verenigingen kennen een grotere homogeniteit en trekken vooral hoger geschoolden aan. Met de vaststelling dat onderwijservaring (en ook contact met de massamedia) meer en meer uitgroeit tot ordeningsprincipe van het verenigingsleven komen we terecht bij het grote pijnpunt van de huidige evoluties. We moeten vaststellen dat het middenveld niet langer compenseert voor de ongelijkheid in integratiekansen die in het onderwijs ontstaan. De secularisering leidt ertoe dat vooral laaggeschoolden levensbeschouwelijk engagement inruilen voor levensbeschouwelijke onverschilligheid, wat leidt tot minder betrokkenheid bij het middenveld. De nieuwe vormen van vereniging vormen vooral onderdak voor mensen die reeds sterk gesocialiseerd zijn door het onderwijs en waarvoor socialisering in het verenigingsleven een bijkomende luxe is. M.a.w. er lijkt sprake te zijn van enerzijds het cumuleren van integratietekorten en het hamsteren van integratiekansen. Ook het verenigingsleven zelf vertoont een sterke tendens naar segregatie waarbij hoger opgeleiden en lager opgeleiden zich groeperen in aparte bewegingen. Hierdoor gaat een belangrijke ontmoetingsplaats verloren. We moeten wel benadrukken dat, hoewel niet-verzuilde verenigingen meer hoger opgeleiden leden aantrekken dan verzuilde verenigingen, hun effecten als middenveld niet verschillend zijn. Kennelijk speelt de praktijk van het verenigen (gezelligheidsfunctie) een belangrijkere rol dan de levensbeschouwelijke of ideologische inspiratie waaruit de vereniging put. Dit is voor een deel een hoopgevende vaststelling. Deelname aan het middenveld in het algemeen blijkt een inburgering- en een coördinerende functie te hebben (meer vertrouwen, verdraagzamer, minder politiek machteloos). Terwijl het onderwijssysteem een grotere invloed heeft op houdingen en opvattingen dan het verenigingsleven, blijkt dit verenigingsleven belangrijker voor de bevordering van de betrokkenheid. De kans dat mensen zich actief voor hun buurt inzetten of met anderen in debat treden over politieke en maatschappelijke problemen, is sterk afhankelijk van de mate van middenveldparticipatie. In die zin lijkt een te sceptische houding tegenover stabiel gestructureerde, bemiddelde organisaties niet zonder consequenties. Het ondersteunt meer directe, individualiserende relaties t.o.v. een bemiddelde relatie tussen burger en overheid.

167


TOEKOMSTVERWACHTINGEN Deelname aan het verenigingsleven: toch een neerwaartse trend? Er zijn zowel factoren te onderkennen die in de toekomst eerder tot een stijging van het verenigingsleven leiden als factoren die een daling van de deelname bewerkstelligen. Zo is de verhoging van de scholingsgraad een factor die een vooruitgang van de participatiegraad kan bevorderen. Daarnaast heeft de toename van de vrouwelijke arbeidsmarktparticipatie geleid tot een beperking van mensen met een zeer lage tijdsdruk. Ook dit bevordert de actieve inzet in het verenigingsleven. Andere factoren leiden eerder tot een daling van de participatiegraad. Een belangrijke factor hiervan is het tanen van het levensbeschouwelijke engagement en hiermee gepaard gaand de toename van de levensbeschouwelijke onverschilligheid. Op basis van deze dynamiek verwacht men een neerwaartse druk op de participatie in het verenigingsleven. Andere, weliswaar bescheidenere factoren, voor een daling van de participatie zijn de opkomst en verspreiding van de televisie en de drukke leeftijd (het combineren van werk, gezinsontwikkeling en hoge aspiraties op het vlak van de actieve vrijetijdsbesteding in een smalle leeftijdsband, zeker als dit gepaard gaat met het intenser en flexibeler worden van de bezoldigde arbeid). We kunnen vermoeden dat de factoren die tot een afname leiden op termijn de sterkere tendensen zijn. De dreigende daling lijkt vooral een gevolg te zijn van de secularisering. De ontkerkelijking en vooral het verglijden van het geloof naar levensbeschouwelijke onverschilligheid bedreigen de kwaliteit van het sociale weefsel en de betrokkenheid. De levensbeschouwelijke dynamiek die zich de laatste jaren heeft ontwikkeld, heeft niet geleid tot een overstap van de katholieke kerk naar vrijzinnigheid, maar van levensbeschouwelijk engagement naar levensbeschouwelijke onverschilligheid. Het is dan ook een uitdaging voor de maatschappij deze ontwikkeling op te vangen zonder het sociale weefsel te sterk te laten aantasten.

Participatie van laaggeschoolden is een probleem Er voltrok zich een verschuiving van het fundamentele ordeningsprincipe van het verenigingsleven. Bij het nieuwe ordeningsprincipe werd de ideologie als eenmakende en selecterende factor vervangen. Het onderwijsniveau speelt daarbij een doorslaggevende rol. Het onderwijsniveau heeft in onze samenleving een grote invloed op de sociaal-economische levenskansen en op het denken en voelen van de mensen. Volgens Elchardus volgt het middenveld in die zin de basisdynamiek van onze samenleving. Sociaal-culturele plaatsing wordt niet zozeer meer bepaald door de vertooggemeenschappen die aan de basis lagen van levensbeschouwingen, ideologieën en zuilen maar wordt meer en meer bepaald door de levensstijlenclaves die hun grondslag en voedingsbodem vinden in de onderwijservaring en in het contact met de massamedia. Deze ontwikkeling is vooral problematisch omdat ze leidt tot het cumuleren van integratietekorten en anderzijds tot het hamsteren van integratiekansen. In onze kennismaatschappij wordt bijgevolg vooral de volwaardige opname en integratie van laaggeschoolden meer en meer een probleem. Vooral voor hen zou het middenveld een belangrijke socialiserende en coördinerende rol kunnen vervullen. Doordat de lager opgeleiden veel minder participeren in het middenveld, heeft dat tot gevolg dat het middenveld niet compenseert voor de ongelijkheid in integratiekansen die door het onderwijs tot stand komt.

168


Hoger opgeleiden groeperen zich steeds meer in aparte verenigingen en bewegingen waardoor een belangrijke ontmoetingsplaats verloren gaat. Het lijkt zeer waarschijnlijk dat deze tendens zich in de toekomst nog krachtiger gaat doorzetten. Daarom lijkt het van belang een beleid op poten te zetten dat de middenveldparticipatie van laaggeschoolden aanmoedigt. De middenveldorganisaties moeten ertoe aangezet worden om laaggeschoolden aan te trekken en centraal te zetten in hun werking. Op dit ogenblik is de professionele cultuur van middenveldorganisaties vaak afgesteld op de levensstijl van de afgestudeerden van universiteiten en hogescholen. Een punt dat duidelijk moet gesteld worden, is dat we op basis van het voorgaande geen standpunt pro verzuilde of pro niet-verzuilde verenigingen innemen. Hun effecten als middenveld verschillen niet betekenisvol. Het beste is een houding aan te nemen die gericht is op het maximaliseren van de integrerende werking van het ganse middenveld. Het lijkt aangewezen alle middenveldorganisaties voldoende mogelijkheden te geven om hun taken naar behoren te vervullen en de participatie te optimaliseren.

Toch invloed van levensbeschouwelijke houding op deelname Over een groot deel van de verschuivingen zouden we ons in wezen geen zorgen moeten maken omdat het verenigingsleven, van welke aard ook, een socialiserende rol speelt. Dit optimisme moet echter toch enigszins genuanceerd worden. Uit onderzoek blijkt dat de levensbeschouwelijke en ideologische specificiteit toch een bescheiden effect heeft. Aangezien de grote levensbeschouwelijk geïnspireerde organisaties bij ons van christelijke of sociaal democratische signatuur zijn, gaat hun invloed in de richting van een meer solidair en bijgevolg minder individualistisch mens- en maatschappijbeeld. In die zin dreigt er wel een achteruitgang in de evolutie van zuil naar levensstijlenclave. Volgens Elchardus (2001) is dit gevaar waarschijnlijk groter dan de huidige bescheiden invloed van levensbeschouwelijke of ideologische specificiteit doet vermoeden. Een middenveld dient immers niet alleen een geheel van verenigingen die socialiseren en coördineren te zijn. Het moet op het meso-niveau (middenveld als configuratie van verenigingen) ook enkele maatschappelijke functies (vorming en overdracht van waarden, belangenbehartiging, dienstverlening) waarnemen. Het komt erop neer dat middenveldorganisaties vertooggemeenschappen moeten zijn: dragers van een reeks idealen, waarden en opvattingen, die over de generaties heen worden overgedragen en geactualiseerd. Uit enkele vaststellingen kunnen we concluderen dat verschillende groepen of netwerken van organisaties nog wel degelijk de rol van vertooggemeenschappen vervullen. Een eerste indicatie is het feit dat levensbeschouwelijke en ideologische specifieke organisaties nog eigen effecten hebben. Verder blijkt er een verschil tussen de gevolgen van klassieke (verzuilde) sociale verenigingen en postmaterialistische (niet-verzuilde verenigingen). Uit statistische analyses blijkt echter dat de verenigingen de rol als vertooggemeenschappen op dit ogenblik op een vrij bescheiden manier vervullen. Dit zou geïnterpreteerd kunnen worden als een vooruitgang omdat het betekent dat een aantal levensbeschouwelijke verschillen kleiner zijn geworden. Daarentegen wordt echter de kloof tussen participanten en niet-participanten bijzonder diep. De verschillen tussen mensen die via het middenveld bij hun samenleving betrokken zijn en de mensen die via hun televisietoestel op de buitenwereld betrokken zijn, zijn nu veel groter dan bijvoorbeeld de verschillen tussen socialisten en christenen. De maatschappelijke breuklijnen worden op deze manier verlegd. En in zoverre dit samenhangt met het opleidingsniveau zal in de toekomst ook de kloof tussen hoger en lager opgeleiden groter worden. In de toekomst zouden de grote middenveldorganisaties duidelijker samen hun visie op mens en maatschappij moeten verduidelijken en zich afzetten tegen het individualistische of populistische alternatief dat zich aandient.

169


Invloed van media en ICT In de rand van het debat rond media als leveranciers van (politieke) integratie is er de discussie van de rol van moderne informatietechnologieën. Men heeft het hier vaak over de notie "elektronische democratie". Meestal verwijst men hiermee naar een directe vorm van communicatie tussen de overheid en de burger. Een gevolg is in ieder geval dat met deze technieken tussenpersonen en belangengroepen overbodig worden. Over de betekenis die deze ontwikkelingen zullen hebben voor de politieke integratie circuleren uiteenlopende meningen. Positieve punten zijn dat directe communicatie tussen overheid en bevolkingen sowieso democratiserend werkt en een nieuwe publieke ruimte creëert waardoor meningsvorming en belangenbehartiging vergemakkelijkt worden. Deze projecten krijgen echter ook sterke kritiek omdat ze zouden vertrekken vanuit de veronderstelling dat politieke opvattingen op een geïsoleerde wijze totstandkomen, los van de sociale context waarin mensen leven. Burgers zouden er de kunst mee kunnen verliezen om samen in groep hun belangen te verdedigen. Toch kunnen we er niet aan twijfelen dat de moderne communicatietechnologieën in de toekomst aanzienlijke effecten zullen hebben op de verhouding tussen burger en overheid. Onderzoek naar hoe deze technologieën de democratie kunnen verrijken, is dus zeker nodig.

De internationalisering van het middenveld De komst van een geheel nieuwe politieke ruimte dwingt organisaties tot de constructie van een nieuw soort belangbehartiging over grenzen heen. Dit roept vragen op voor wetenschappelijk onderzoek en het beleid. De band van de bevolking met het middenveld wordt nu meestal geregistreerd via het lidmaatschap van verenigingen. In de toekomst zal de band van de burgers met het middenveld minder verlopen via een formeel lidmaatschap. Zo geeft internet de mogelijkheid dat tussen overheid en burger netwerken ontstaan die sterk afwijken van de klassieke verenigingsvorm. Ook door de steeds grotere impact en beslissingsbevoegdheid van de EU wordt de vraag naar een koppeling van het Europese politieke systeem en de burger steeds pertinenter. Het uitbouwen van een Europees middenveld is en blijft een complexe zaak. Een grondige uitbreiding van de Europese organisatienetwerken dringt zich op, waarbij de toepassing van nieuwe organisatietechnologieën een belangrijke rol kan spelen. Voornaamste argumenten voor dergelijke Europese netwerkvorming zijn: het ontstaan van een gestructureerde en heldere dialoog binnen het Europese middenveld, stijging van de efficiëntie van het overleg en van de informatie-uitwisseling, een grotere zichtbaarheid en ruimere bekendmaking van verenigingen en hun activiteiten. Het is wenselijk dat er in de toekomst meer contacten en uitwisselingen zijn tussen de twee niveaus. Hopelijk zullen nationale middenveldorganisaties het Europese integratieproces als een volwaardig thema in hun programma integreren. Ontstaat er ook zoiets al een mondiaal middenveld? De grote multinationale ngo's worden steeds vaker beschouwd als de kern van een mondiaal middenveld. De groei in aantal en status van de ngo's doet echter ook vele vragen rijzen. Voor de traditionele middenveldorganisaties ontstaat er een geheel nieuwe context. Zij moeten beslissen of ze de nieuwe actoren als bondgenoten of concurrenten zullen beschouwen. De ngo's zelf zullen een antwoord moeten vinden op de kritiek die ze krijgen voor hun gebrek aan politiek inzicht, hun afhankelijkheid van mediabelangstelling, hun tekort aan legitimiteit en aan democratische besluitvorming.

170


THESE 5: HET VERTROUWEN IN DE OVERHEID BLIJFT LAAG

PROBLEEMSTELLING Wantrouwen in instellingen Wantrouwen wordt vaak gepercipieerd als een typisch Belgisch verschijnsel, dit tengevolge van corruptie en de slordigheid waarmee gerecht, politie en overheid bepaalde schandalen zouden hebben aangepakt. Deze aandacht voor de nationale context is echter misleidend. In verschillende landen nam het wantrouwen toe en explodeerde het naar aanleiding van een of andere zaak (Elchardus, 2002). In recente onderzoeken werd vastgesteld dat er een verschil is in het vertrouwen naargelang de aard van de instellingen. Er zijn er die veel vertrouwen krijgen (wetenschap, onderwijs, ziekenhuizen,…) en er zijn er die weinig vertrouwen krijgen (het gerecht, de overheidsadministratie, het parlement, de regering, de politieke partijen,…). Dit vertrouwen mag, kan niet als indicator voor de prestaties van deze instellingen worden genomen. Vertrouwen is zeker geen indicator voor de kwaliteit van een dienstverlening. De behoefte aan veralgemeend sociaal vertrouwen en aan vertrouwen in instellingen rijst immers precies voor die relaties waarin behoeften en prestaties niet of moeilijk kunnen worden beoordeeld. Het valt op dat vertegenwoordigende instellingen minder vertrouwen genieten. Volgens Luhmann bevinden instellingen die de vertegenwoordiging van heel de samenleving beogen, zich in een permanente en hopeloze legitimiteitscrisis. Van politieke instellingen wordt verwacht dat ze verantwoordelijkheid voor het geheel opnemen en dat ze het algemene belang dienen. Een populaire stelling is dan ook dat de burger teveel verwachtingen heeft t.o.v. de vertegenwoordigende instellingen, terwijl de overheid juist minder greep krijgt op ontwikkelingen die kaderen in het welzijn van de burger. Dergelijke opmerkingen nemen echter niet weg dat politiek en overheid nu eenmaal de enige instellingen zijn waarvan kan worden verwacht dat zij de verantwoordelijkheid voor het geheel opnemen en zich niet plooien naar een deelbelang. Er is dus enerzijds de onmogelijkheid om via de politiek verantwoordelijkheid voor alle maatschappelijke ontwikkelingen op te nemen, en anderzijds daaraan gekoppeld, de onmogelijkheid zich hierbij neer te leggen en zonder instelling te zitten die verantwoordelijk is voor het geheel. Dit verklaart misschien juist het lage vertrouwen in specifieke politieke instellingen. Recent onderzoek van Kampen en Van de Walle bevestigt dat indien er een vertrouwenscrisis is, deze eerder bij de politiek te situeren valt dan bij de administratie. De auteurs van de TOR-groep verdedigen bij hun analyse, op basis van 9400 respondenten (1995-1999), de stelling dat het geen zin heeft om in de verschillende beschouwde instellingen verschillende dimensies te onderkennen. Volgens hen vormen ze een geheel in die zin dat wie veel vertrouwen heeft in één van de onderscheiden instellingen, ook veel kans heeft om relatief veel vertrouwen te stellen in de andere. Het onderscheid tussen vertegenwoordigende en nietvertegenwoordigende instellingen zou door Vlamingen ook niet gemaakt worden. Hun basishouding gaat uit van het vertrouwen in instellingen in het algemeen en ze geven hieraan de term maatschappelijk vertrouwen (Elchardus). Het onderzoek van het Steunpunt SBOV (Kampen en Van Walle) ontkent niet dat er een (wantrouwige) grondhouding van Vlamingen is ten opzicht van de overheid.

Het maatschappelijke vertrouwen in dalende lijn Het Europees Waardeonderzoek (EVS) geeft aan dat het vertrouwen in de vakbond en het parlement reeds laag was in 1981. Het vertrouwen in de niet-vertegenwoordigende instellingen blijkt ook gedaald te zijn. Vertegenwoordigende instellingen krijgen weinig vertrouwen maar ze hebben niet meer of sneller vertrouwen verloren dan andere instellingen. 171


Tabel 8.5-1

Evolutie van het vertrouwen in de instellingen in de periode 1981-1999, op basis van het Europees Waardeonderzoek, percentages Vlaanderen

Kerk Leger

Helemaal geen Niet heel veel Tamelijk veel Veel vertrouwen vertrouwen vertrouwen vertrouwen 1981 1990 1991 1981 1990 1999 1981 1990 1999 1981 1990 1999 14,2 20,9 24,6 20,6 29,6 35,3 39,8 35,5 29,1 25,3 13,9 11,0 18,5 26,9 21,1 37,4 40,0 41,6 35,9 28,0 31,8 8,3 5,1 5,4

Onderwijsstelsel

3,8

3,6

3,3

16,9

23,6

16,6

59,0

57,6

61,3

20,2

15,2

18,8

Gerecht

11,2

14,9

24,1

30,8

40,4

41,5

45,2

38,3

28,9

12,8

6,4

5,4

Pers

16,2

13,4

18,3

48,2

42,5

44,6

32,2

39,6

33,3

3,4

4,6

3,8

Vakbonden

25,2

18,3

21,0

41,6

44,5

42,4

29,1

32,8

32,4

4,0

4,4

4,1

Politie

9,1

11,3

10,1

26,7

37,6

34,2

53,6

44,2

48,5

10,6

6,8

7,2

Parlement

17,8

13,8

21,4

43,7

43,4

42,8

34,1

39,1

32,5

4,4

3,7

3,4

Administratie

15,5

14,5

14,7

37,8

43,1

40,4

41,8

38,1

41,9

4,9

4,3

3,1

Grote bedrijven

16,5

11,4

*

40,0

38,6

*

38,8

44,0

*

4,6

6,0

*

Soc. Zekerheid

*

5,9

6,1

*

27,1

25,2

*

57,0

54,9

*

10,0

13,7

Europese unie

*

7,3

16,0

*

26,6

36,6

*

52,9

40,2

*

13,1

7,3

NATO

*

19,1

17,7

*

34,7

38,0

*

39,0

37,8

*

7,2

6,5

Verenigde Naties

*

*

16,7

*

*

38,3

*

*

37,7

*

*

7,4

Gezondheidszorg

*

*

2,8

*

*

14,1

*

¨*

61,2

*

*

21,9

Vertrouwen in

Bron: Elchardus, M., Smits W. (2002) Anatomie en oorzaken van het wantrouwen, Brussel: Vubpress.

De ontwikkeling in België (en Vlaanderen) kadert in een meer algemene trend waarbij de meeste auteurs spreken van een vertrouwenscrisis. Toch wordt er af en toe twijfels bij de geldigheid van die diagnose geplaatst. De cijfers van België laten echter minder ruimte voor twijfel. Tussen 1980 en 1999 is er een duidelijke daling van het maatschappelijke vertrouwen. Er is wel geen sprake van een spectaculaire daling, wat doet vermoeden dat de crisis al vóór de jaren tachtig aan de gang was (cf. Amerikaans onderzoek jaren '60). Waarschijnlijk hebben bij ons de instellingen reeds vóór de jaren tachtig aan vertrouwen ingeboet. Een trend die zich daarna alleszins heeft verdergezet. Toch wijkt de trend in België enigszins af van die van de andere negen onderzochte landen. In 1999 is België veruit het wantrouwigste land. Wij zijn zelfs het enige land dat zowel tussen 1980 en 1990 als tussen 1990 en 1999 aan vertrouwen heeft ingeboet. Tabel 8.5-2 Evolutie van het vertrouwen in 1981, 1990 en 1999, gemeten aan de hand van een factormaat voor de gepoolde gegevens van het Europees Waardeonderzoek voor 9 landen 1981 Italië België Frankrijk Spanje Duitsland Nederland Zweden Denemarken Ierland Totaal

-0,23 -0,02 -0,06 0,05 0,06 0,06 0,16 0,24 0,58 0,09

1990 -0,29 -0,18 -0,10 -0,07 -0,02 -0,00 0,05 0,33 0,43 -0,04

1999

Totaal

-0,16 -0,27 -0,17 -0,16 -0,00 0,04 0,14 0,40 0,37 -0,03

-0,23 -0,19 -0,12 -0,04 0,01 0,03 0,12 0,32 0,47 0,00

Sign. (1981-'90) **

Sign. (1990-'99) *** **

Sign. (1981-'99) ***

**

***

* ** * ***

*** ** ***

Bron: Elchardus, M., Smits W. (2002) Anatomie en oorzaken van het wantrouwen, Brussel: Vubpress. 172


Een vertrouwenscrisis heeft een zelfaanzwengelend karakter. Zodra een deel van de bevolking denkt dat de overheid liegt, is het zeer moeilijk om het vertrouwen te herstellen. Elke ontkenning van zaken die mis gaan, wordt dan als een cover-up gezien. Het zeer lage maatschappelijke vertrouwen dat België kent, is waarschijnlijk het gevolg van deze intensifiërende tendens van het wantrouwen. Als we de case België nader bekijken kunnen we tot drie conclusies komen (Elchardus). Midden jaren negentig was er een schuchtere verbetering van het vertrouwen, deze werd bruusk afgebroken door de zaak Dutroux. De grote maatschappelijke bezorgdheid over de vertrouwenscrisis kwam pas toen het vertrouwen zich al enigszins aan het herstellen was. Het vertrouwen in een specifieke instelling kan tenslotte van jaar tot jaar sterk fluctueren. Kampen en Van Walle (Steunpunt SBOV) stellen, op basis van de beschikbare tijdreeksen van vertrouwen in de overheid (La Libre Belgique, APS, ISPO verkiezingsstudies, Europees Waardeonderzoek) en recente metingen over de tevredenheid met de werking van de democratie (Eurobarometer), dat de vertrouwenskloof inmiddels grotendeels is overbrugd of althans niet groter is dan in de jaren tachtig. Het klopt volgens hen niet dat we in België en ook in Vlaanderen met een uitzonderlijk laag vertrouwen in de overheid te kampen zouden hebben. De Eurobarometermetingen tonen zelfs dat België sinds 1997 de sterkste stijger is op Europees vlak. Op basis van de laatste APS-surveys (2001 en 2002) wordt ook een effectief herstel vastgesteld. Niettegenstaande vindt slechts een derde van de Vlamingen dat overheidsdiensten nu beter werken dan vijf jaar geleden. Hoe dan ook, de belangrijkste conclusie blijft dat het vertrouwen laag is en het voor een werkbare democratie belangrijk is dat aan het vertrouwen wordt gewerkt.

Het profiel van de wantrouwige burger Volgens sommige auteurs zou het wantrouwen in de instellingen een gezonde democratische reflex zijn. Het wantrouwen zou dan het gevolg zijn van de ontmoeting tussen de wakkere burger en de slome instellingen. De validiteit van deze stelling werd in het TOR-onderzoek getoetst en hieruit bleek dat de wantrouwige burger geen bijzondere kritische of betrokken burger is. Het is iemand die weinig participeert in het verenigingsleven, weinig vrijwilligerswerk verricht, een lage mate van buurtbetrokkenheid heeft, niet zou gaan stemmen zonder stemplicht, sterke antipolitieke gevoelens heeft en sceptisch staat t.o.v. de vertegenwoordigingsdemocratie. Volgens Kampen en Van Walle is een kritische houding van de burger essentieel om permanente verbetering te waarborgen. Kritiek is geen teken van vervreemding, maar een wil van de burgers om het systeem beter te doen functioneren. Wantrouwen en ontevredenheid zouden enkel een probleem zijn wanneer ze veralgemeend worden. In de zoektocht naar verklaringen voor het verlies van vertrouwen wordt al snel de oorzaak gezocht in onbehagen en ontevredenheid. Deze visie ligt in de lijn van het koppelen van vertrouwen in instellingen aan hun prestaties. Uit onderzoek blijkt dat deze rationele stelling best aangevuld wordt met de minder rationele rol van waarde en opvattingen (nieuwe sociale breuklijn; rol van vorming, overtuiging en betrokkenheid). De invloed van de nieuwe breuklijn en van het onbehagen op het wantrouwen is bijzonder sterk. Dit leidt tot de stelling dat een zwaar waardeconflict leidt tot wantrouwen t.o.v. een samenleving waarmee men het op belangrijk geachte punten fundamenteel oneens is. M.a.w. maatschappelijk wantrouwen is het gevolg van een maatschappelijk onbehagen dat zich heeft vertaald in een mens- en maatschappijbeeld dat botst met de heersende waarden (Elchardus). Wat zijn dan de oorzaken van dit onbehagen en de daaruit volgende vertrouwenscrisis? Een zeer populaire verklaring is het optreden van een economische crisis. Dit verband blijkt niet erg strak te zijn en verschillende variabelen om socio-economische status en materiële achterstelling te meten, blijken geen invloed te hebben. Een andere verklaring kan gezocht worden in het optreden van statusverlies, maar vooral ook de dreiging op statusverlies of verhoogde concurrentie van andere groepen. 173


Kampen en Van Walle bevestigen dat maatschappelijke stemmingen de houding ten opzichte van de overheid beïnvloeden. Ontevredenheid wordt niet alleen bepaald door de ervaringen van burgers met de overheid; ontevredenheid met de werking van de administratie heeft ook te maken met maatschappelijke tendensen en persoonlijke predisposities. Na een economische hoogconjunctuur stijgt het vertrouwen. Andersom hoeft een daling van het vertrouwen volgend op een periode van laagconjunctuur, geen uitspraak te zijn over het gevoerde beleid. Een laag onderwijsniveau blijkt gepaard te gaan met gevoelens van onbehagen en maakt een rechtse positie op de nieuwe breuklijn waarschijnlijker. Elchardus stelt geen rechtstreeks effect van scholing op vertrouwen vast. Hij stelt geen groei van de mondige, kritische burger vast. Hogere scholing leidt volgens hem niet rechtstreeks tot een kritisch opstelling die wantrouwig maakt, lage scholing gaat wel gepaard met onbehagen en dat leidt tot wantrouwen. De reden hiervoor lijkt eerder te liggen bij het onbehagen van de lager opgeleiden dan bij de langdurigere socialisatie van de hoger opgeleiden. Ook leeftijd heeft een invloed op onbehagen en vertrouwen. Oudere mensen ervaren meer onbehagen, maar stellen langs de andere kant gemakkelijker vertrouwen in de instellingen. Uiteindelijk geeft hun onbehagen de doorslag voor hun mindere vertrouwen in de instellingen. Levensbeschouwelijk engagement (vooral geloof) leidt tot meer vertrouwen. Er is niet alleen een rechtstreeks maar ook een onrechtstreeks effect. De houdingen utilitair individualisme (levensbeschouwelijke betrokkenen zijn dit minder) en ontologisch collectivisme6 maken onderdeel uit van de positionering op de nieuwe breuklijn. Het ontologisch collectivisme is groter bij oudere mensen, anders zou hun wantrouwen nog groter zijn. In het kader van het onderzoek van het Steunpunt SBOV (Kampen en Van Walle) corrigeerde men voor een grondhouding van Vlamingen t.o.v. de overheid. Hieruit blijkt o.a. dat de grote verschillen naar type levensbeschouwing voor de tevredenheid met de diverse overheidsdiensten en -instellingen verdwijnen als er voor deze grondhouding wordt gecorrigeerd. M.a.w. als de maat voor tevredenheid gecorrigeerd wordt voor de grondhouding t.o.v. overheidsdiensten, blijken de verschillen tussen type levensovertuiging weg te vallen. Een belangrijke parameter voor het vertrouwen is de sociale participatie. Middenveldparticipatie draagt bij tot het maatschappelijke vertrouwen. Hoe frequenter en intenser de deelname hoe beter men zich voelt, de opvattingen van het ontologisch collectivisme worden meer ondersteund. Een andere variabele die steeds meer aandacht krijgt in de verklaring van het maatschappelijke vertrouwen is de rol van de (massa)media. Tal van meningen en verklaringen worden hierover vooropgesteld. Uit het Vlaamse onderzoek blijkt dat een voorkeur voor populaire media sterk samenhangt met onbehagen. Er is een zeer sterk direct effect van mediavoorkeur op onbehagen. Zo werken de populaire media onrechtstreeks het wantrouwen in de hand. Wie populaire media verkiest, stelt zich niet a priori wantrouwig op. Mensen met die mediavoorkeur voelen zich wel behoorlijk onbehaaglijk en dat vertaalt zich in wantrouwen.

6

Het ontologisch collectivisme is een houding die ervan uitgaat dat mensen ontologisch verbonden zijn: dat men het geluk van anderen nodig heeft om zelf gelukkig te kunnen zijn en dat men het geluk pas echt kan vinden als men belangeloos iets voor een ander doet (Elchardus en Derks, 1996). Het gaat dus om de overtuiging dat het geluk van het individu fundamenteel afhankelijk is van het geluk van anderen, vandaar de naam: ontologisch collectivisme. Die houding vertoont verwantschap met het christelijke personalisme. Men kan verwachten dat zij bijdraagt tot zowel sociaal als institutioneel vertrouwen. Omdat het ontologisch collectivisme nauw verwant is aan het christelijke personalisme, kan men daarenboven verwachten dat het de invloed van de levensbeschouwing op het vertrouwen ten dele bemiddelt.

174


TOEKOMSTVERWACHTINGEN Het wantrouwen blijft Het is moeilijk om voorspellingen te doen over het vertrouwen in specifieke instellingen. Belangrijker dan het speculeren over kortstondige fluctuaties is de vraag of het vertrouwen in instellingen in het algemeen op langere termijn een herkenbare trend heeft. Ook het feit dat de vertrouwenscrisis zich in een groot aantal landen voordoet, maakt het weinig waarschijnlijk dat ze aan specifieke gebeurtenissen of het falen van specifieke instellingen in bepaalde landen is toe te schrijven. Het is veel waarschijnlijker dat de crisis in het vertrouwen meer algemene, structurele oorzaken heeft die zich op specifieke wijze in een land kunnen manifesteren, maar toch de algemene tendensen van de moderne samenleving weerspiegelen. Wat het ontstaan van de vertrouwenscrisis betreft, onderscheiden we vijf grote ontwikkelingen (Elchardus, 2002). 1) Het groeiende belang van de media en de toenemende dualiteit van het medialandschap 2) De secularisering 3) De opkomst van de kennismaatschappij en het onbehagen van de laaggeschoolden 4) De vergrijzing 5) De opkomst en crisis van de verzorgingsstaat De kennis- en mediamaatschappij, die tevens verzorgingsstaat is en geseculariseerd, lijkt haast onvermijdelijk een wantrouwige samenleving. De laaggeschoolden of de kansarmen van de kennismaatschappij voelen zich in vele gevallen onbehaaglijk, wat zich vertaalt in een mens- en maatschappijbeeld dat de heersende democratische waarden verwerpt. Dat mensbeeld en dat ernstige conflict over waarden leiden tot wantrouwen ten opzichte van de instellingen van de samenleving waardoor men zich verworpen acht. Die gevoelens nemen bovendien toe als gevolg van de massacommunicatie door de populaire of populistische media. Deze ontwikkelingen signaleren het einde van de maatschappelijke consensus of beter, van de gepacificieerde conflicten, die de tweede helft van de twintigste eeuw hebben gekenmerkt. Door de samenleving loopt weer een echte, rauwe, vooralsnog onoverbrugbare breuklijn (Elchardus 2001, 99-100). Met de blik op de toekomst lijkt het heel moeilijk om het vertrouwen (verder) structureel te herstellen. De overheid en de sociale bewegingen hebben immers weinig of geen greep op processen als bijvoorbeeld vergrijzing en geloofsafval. Men heeft voorlopig geen grip op de nieuwe, normatieve conflicten rond de nieuwe breuklijn. Het wantrouwen wordt nog sterk aangewakkerd door de massificatie van de communicatie en de culturele dualiteit van het medialandschap. Ook hier lijkt de overheid weinig vat te hebben. Het lijkt dat de politiek vrij machteloos staat in zijn poging het onbehagen en wantrouwen aan te pakken. Een belangrijke factor in de evolutie van het vertrouwen is de manier en efficiëntie waarmee het onveiligheidgevoel bij een groot deel van de Vlaamse bevolking wordt aangepakt. Meer vertrouwen wordt ook gegeven in ruil voor een toekomst. Mensen die van oordeel zijn dat we capabel zijn om de grote sociale uitdagingen aan te kunnen, hebben meer vertrouwen in de overheid, politiek en de instellingen. Uit onderzoek blijkt dat er in Vlaanderen ondersteuning is voor zowel concrete onheilsvoorspellingen met betrekking tot de verzorgings- of welvaartstaat als een meer algemeen toekomstpessimisme. De helft tot driekwart van de bevolking is ervan overtuigd dat het aantal werklozen zal toenemen, dat men in de toekomst zelf voor zijn pensioen zal moeten zorgen of dat de inkomensongelijkheid groter zal worden. Bij ongeveer een derde van de bevolking gaat dit pessimisme nog verder en zij zijn het eens met uitspraken als: "zoals de toekomst er nu uitziet, is het onverantwoord kinderen op de wereld te zetten" of "het beste hebben we reeds gehad en het kan alleen maar slechter worden" (APS-survey).

175


Een vrij groot probleem in deze materie is het feit dat onheilsprofetie op korte termijn vaak garant staat voor electoraal succes. De meeste politieke partijen zijn geneigd te beweren dat het slecht zal aflopen zonder hun eigen inbreng in het land. Hier zou toch het bewustzijn moeten groeien dat wie de burger zijn toekomst ontneemt misschien wel zijn stem, maar niet zijn vertrouwen krijgt (Elchardus, 2002). Het succes van de partijen is afhankelijk van het onbehagen over de toekomst en wordt daardoor ook meteen gehypothekeerd. Op die manier dragen bijvoorbeeld voor- en tegenstanders van de welvaartstaat bij tot een groeiend onbehagen. De enige uitweg om in de toekomst deze oorzaak van wantrouwen weg te nemen, is tot een consensus over de reikwijdte van de sociale zekerheid te komen. Als voor de sociale zekerheid in de welvaartstaat een beleid kan opgezet worden dat op lange termijn zekerheid biedt en een aantal onzekerheden uit de politiek licht, zal dit een positieve invloed hebben op het onbehagen over de toekomst en bijgevolg het wantrouwen doen afnemen. We zouden kunnen denken aan een soort sociaal zekerheidspact waarbij partijen uit regering en oppositie zich ertoe verbinden een aantal fundamentele zekerheden te behouden. Onzekerheid blijkt tot een verlammende en zure opstelling te leiden. Indien er meer zekerheid is, wordt er ruimte voor initiatief en activiteit geschapen. Bij een deel van de bevolking gaat het echter verder dan dit. Een belangrijke minderheid heeft een ronduit onbehaaglijk toekomstgevoel (Elchardus, 2002). Onheilsvoorspellingen zijn voor een deel structureel in onze samenleving aanwezig. Wie bijvoorbeeld wil mobiliseren voor het milieu kan niet anders dan op bepaalde bedreigingen te wijzen. Ook de lange periode van besparingen die België achter de rug heeft, hebben waarschijnlijk mee gezorgd voor onzekerheid over de toekomst. Zo heeft de politiek jaren moeten aanmanen tot zuinigheid en was er weinig budgettaire ruimte om een beleid te voeren. In 1999 leek dit te keren en dit zette zich door in 2000 met de gunstige economische conjunctuur en de handig gecommuniceerde opgewekte stemming van de nieuwe regeerploegen. Doordat alle verwachtingen niet zomaar konden worden ingelost en de economische conjunctuur verslapte, lijkt deze kortstondige opstoot van optimisme al voorbij. Het lijkt dan ook nodig dat in de toekomst een langer tijdsperspectief wordt ingebouwd in de programma's van de politieke partijen en in de beleidsintenties van de regeringen. Hiermee zou moeten aangegeven worden hoe de toekomst beheersbaar kan gemaakt worden en wat de huidige inspanningen zullen opleveren.

Segregatie aanpakken Laag- en hooggeschoolden groeien steeds verder uit elkaar. Dit gaat een stuk verder dan het hebben van verschillende schoolloopbanen. Ze hebben over het algemeen weinig contact met elkaar, zijn nog zelden met elkaar bevriend, kijken naar andere tv-programma's huwen binnen het eigen onderwijsniveau,… M.a.w. ze leven in steeds meer gescheiden, gesegregeerde sociale werelden. We zouden ons kunnen afvragen of dit niet altijd zo is geweest. Voor een deel waarschijnlijk we, maar feit is wel dat het opleidingsniveau meer en meer als nieuwe breuklijn en ordeningsprincipe in onze samenleving verschijnt. Bij deze segregatie komen ook steeds meer en meer aspecten (toegang tot internet, mediavoorkeur,…) kijken en de opdeling naar opleidingsniveau wordt ook meer multidimensioneel. Er wordt een situatie gecreëerd waardoor het weer moeilijker wordt om uit het milieu te geraken waarin men wordt geboren. Deze kloof tussen hoger en lager opgeleiden dichten of ten minste verkleinen is dan ook één van de grote uitdagingen van de kennismaatschappij. Dit is zeker niet voor de hand liggend. Zowel in het onderwijs als in het verenigingsleven en in de cultuurbeleving zal men zeer actief moeten zoeken naar modellen die de segregatie tussen laag en hoog geschoolden verminderen en een gemeenschappelijke ontmoetingsgrond scheppen.

176


De kloof tussen hoog- en laagopgeleiden komt al op gang in het secundair onderwijs. De verschillen in opvattingen zijn bijzonder groot tussen leerlingen uit het beroeps en deze uit het algemeen vormend onderwijs. Het persoonlijk welbevinden van de jongeren uit het beroepsonderwijs blijkt niet lager te liggen dan van jongeren uit andere onderwijsvormen. Ze ontwikkelen echter wel houdingen die gekenmerkt worden door gevoelens van achterstelling, lage graden van sociale participatie en eigen vormen van associatie en van opvattingen. Dit gebeurt niet uit frustratie maar als gevolg van het culturele klimaat dat zich in het beroepsonderwijs vormt, omdat er leerlingen met een zwakke sociale positie worden geconcentreerd (Pelleriaux, 2001). Een belangrijke constatering ter zake is het feit dat mensen die participeren in het verenigingsleven, zich meer betrokken voelen bij de samenleving en meer vertrouwen hebben in de instellingen. Hierbij moeten we opmerken dat de laatste twintig jaar de participatie in Vlaanderen niet is achteruitgegaan. De behoefte aan de integratieve functie van het verenigingsleven is wel enorm toegenomen als gevolg van de opkomst van de televisie, de toenemende dualiteit van het medialandschap en de opkomst van de kennismaatschappij en de secularisering. Deze ontwikkeling maakt het wel nodig om het verenigingsleven extra te steunen. Speciale maatregelen in het voordeel van laaggeschoolden moeten worden getroffen.

BRONNEN §

Dobbelaere, K., Elchardus, M., Kerkhofs, J., Voyé, L., Bawin-Legros, B. (2001) Verloren zekerheid: de Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen, Tielt: Uitgeverij Lannoo nv.

§

Elchardus, M., Huyse, L. en Hooghe, M. (2001) Het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Brussel: Vubpress.

§

Elchardus, M., Smits W. (2002). Anatomie en oorzaken van het wantrouwen. Brussel: Vubpress.

§

Elchardus, M. (2002). De dramademocratie. Tielt: Uitgeverij Lannoo nv.

§

Elchardus, M. en Smits, W. Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel in Vlaanderen, 1998-2002. In Vlaanderen Gepeild! 2003. Gent: Drukkerij L. Vanmelle.

§

Hauttekeete, L., Peersman W., Debackere, J (2002). Politiek in de krant: hebt u iets gemerkt? Een onderzoek naar de tabloidisering van de politieke berichtgeving in vier Vlaamse dagbladen in Tijdschrift voor de Sociologie (2002) 3-4. Leuven: Acco.

§

Huyse, L. (2002). Gullivers Probleem: essay over de toekomst van de politiek. Leuven: Uitgeverij van Halewyck.

§

Huyse, L. (1998). Politieke cultuur: van oud naar nieuw en terug? in Denken voor morgen: lessen voor eenentwintigste eeuw. Leuven: Davidfonds.

§

Kampen, J., K. & Van de Walle, S. (2003). Het vertrouwen van de Vlaming in de overheid opgesplitst naar dimensies en indicatoren. In Vlaanderen Gepeild! 2003. Gent: Drukkerij L. Vanmelle.

§

Kampen, J., K. & Van de Walle, S. (2003). Burgergericht Besturen. Kwaliteit en Vertrouwen in de overheid: beleidsaanbevelingen. Leuven: Departement Politieke Wetenschappen.

§

Pelleriaux, K. (2001). Remotie en burgerschap. De culturele constructie van ongelijkheid in de kennismaatschappij. Brussel: VUBpress.

177


178


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook