Skip to main content

M&L_32_4.pdf

Page 1

TT"

- -. ^ ^ "4 ^

[1

—.1 — « ^

^v .

•

»

-

-

uu

I

^#*

'

1 -

^391

•^1.

«r

V-=i

ï

r1

^f

^ ^ >

hJ.

^

1

BT-fc

^1

t

£>

l^üiË^,

"

* f. '

K-|i|- ;

' * » •

b^^

rt:

i ^ ^ \

K y

fr-iirr-ii

r»

«'•*

M

'. V "

[&L

1i

jk M

I -^

f

X-

viF4. —" t •

p^

m

«Üjjfci'

p^-—- ^

mm w V

M

Iflal r^l P> •^o

•f-^

IM£

1. Ui«

^1

• —

%

NLL

u

r^ 1b i

ML

c

1 1

• "


Mi

32/4

Tweemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse overheid, Onroerend Erfgoed

ISSN 0770-4948 Jaargang 32 nr. 4 JULI-AUGUSTUS2013

Inhoud

De laat-igde-eeuwse gloriette (archief E. Nolf, repro O, Pauwels}

)rzitter s Bouve d red actie rjan Buyle en er Van den Hove n redactie rjan Buyle dy De Craef rman Van den Bossche er Van den Hove iactie na Bergmans Sraeken re De Borgher :on Ervynck Gyselinck, -heline Metdepenninghen 'ter Nuytten j | Van den Bremt tarten Van Dijck Dtnas Van Driessche ristine Vanthillo ,e Verdurme n Verhofstadt ida Wylleman •leden gard Coedleven ireel M. Celis De Schepper dwig Van den Bossche zanne Van Aerschot

; tijdschrift M&.L is opgenomen m Vlaams Academisch Bibliografisch tand voor de Sociale en Humane tenschappen en gevalideerd als tijdnft meX peer review. verantwoordelt)kheid voor de publiceerde artikels berust uititend bij de auteurs. Alle rechten )r het reproduceren, vertalen of •werken zijn voorbehouden.

Redactiesecretariaat Diane Torbeyns diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Tel. 02553 ^ 13 Abonnementen* België: 40 € (losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. I B A N B E 4 8 3751 1109 8627 BIC-codeBBRUBEBB van Monumenten &. Landschappen Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel * Zonder schriftelijke opzegging

;

^i*ft

6

22

59

Van een gloriette en een mirador. De restauratie van twee tuinfollies in Kortrijk

Levende relicten uit een ver verleden. De vegetatie van de tumuli in Haspengouw

Summary

Frederik Mahieu

Eddy Dupae

vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd-

Website www.menl.be Advertentiewerving J. Casler- Brugge jancasier.brugge@telenet.be Vormgeving Bart Delva Druk die Keure - Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel

IVI&LI

1


Restauratie en Monumentenzor

SONCK Frederic

A. M. C O N S U L T -

^ AM Consult bvba Anthonis de Jonghestrac B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 61 53 f: 03 766 18 52 a.m.consult@skynet.t www.arnconsult.be

Restoratie & Renovatie • Siermetselwerk • Ruwbouw • Gewelfbouw • Bekisten en storten van betonnen trappen in bestaande gebouwen • Steenkapperij: monelen, maaswerk, Kogels, pinakel, kapitelen • Natuursteenherstelling met minerale mortel • Gips-, kalk-, leem- en cementpleisterwerk: 1 of 2 lagensysteem • Lijstwerk - Consolidatie van verpoederd pleisterwerk • Eigen productie van gebluste kalkdeeg • Vloer- en wandbetegeling

Uw partner voor het opsporen van de oorzaken van: Vochtvlekken Schade aan pleisterwerk Waterinfiltraties Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvorming Houtaantasting door insecter Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravimetrische vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscopie Microscopisch onderzoek in situ en/of in het labo ifv de onderzoeksmethoden

Tel.: 0472/77.65.04 - Fax: 09/234.33.46 Registratienr.: 06.18.1.0

W i j leveren: g e f u n d e e r d en praktisch behandelingsadvU voor e e n efficiënte a a n p a k van het problee


MSL www.rnenl .be ONLINE

-ï M&L ONLINE <-

M&L... dat is een tijdschrift en een reeks met een traditie van 30 jaar!

Kennismaken? Op onze website vind je een handig overzicht en kan je bovendien uitgeputte tijdschriftnummers gratis downloaden!

Het NGI: dé producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke planning en stadsrenovatie Print-on-demand: üw kaart of luchtfoto, gecentreerd rond een punt naar keuze Historische kaarten: reproducties op aanvraag. Alle kaarten en luchtfoto's zijn ook digitaal beschikbaar


RELICTA MONOGRAFIEËN Archeologie, Monumenten- en Landschopsonderzoek in Vlaanderen

Het archeologisch onderzoek in Raversijde (Oostende) in de periode 1992-2005 Raversijde gaat terug tot een laatmiddeleeuwse vissersnederzetting met de naam 'Walraversijde'. Dit 8ste deel van de Relicta Monografieën behandelt chronologisch de resten en sporen uit de prehistorie, de Romeinse periode, de late middeleeuwen en de vroeg-moderne tijden. Deze publicatie is in de eerste plaats een opgravingsverslag: ze beschrijft, analyseert en interpreteert de belangrijkste sporen samen met een selectie van de aangetroffen mobiele resten en de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek.

TECHNISCHE

GEGEVENS

AUTEURS

FORMAAT

MARNIX PIETERS, CECILE BAETEMAN,

A4

JAN BASTIAENS, A N BOLLEN. PHILIP CLOGG, BRIGITTE COOREMANS, MARC DE BIE, FRANS DE BUYSER, G U I D O DECORTE, KOEN DEFORCE, ANNELIES DE GROOTE, INEDEMERRE, HENDRIK DEMIDDELE, A N T O N ERVYNCK, GLENN GEVAERT, TITO GODDEERIS. A N LENTACKER, LIESBET SCHIETECATTE, MARIT VANDENBRUAENE, W I M VAN NEER, MARC VAN STRYDONCK, FRANS VERHAEGHE. A L A N VINCE ( f ) . SARA WATZEELS & INGEZEEBROEK

PAGINA'S 637

ILLUSTRATIES 485

Vlaamse overheid - agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert 11-laan bus 5 1210 Brussel Tel. 02 553 16 13 - Fax 02 553 16 55 E-mail: d1ane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Prijs: 50 euro + verzendingskosten

AFWERKING VIERKLEURENDRUK, HARDE KAFT

PUBLICATIEJAAR 2014

O

onroerend

erf-i

goed

VLAAMSE OVERHEID


4j ^jjJi^Jjw^

Van een gloriette en een mirador Deze twee tot de verbeelding sprekende tuinconstructies zijn de schaarse overblijfselen van een groot domein met landhuis van plaatselijke textielbaronnen uit het i9de-eeuwse Kortrijk. Het landhuis in neoclassicistische stijl met empirekenmerken werd spijtig genoeg afgebroken, maar de tuin in landschappelijke stijl is ondertussen beschermd om zijn cultuurhistorische waarde. Frederik Mahieu begeleidde de restauratie van de gloriette, een houten tuinpaviljoen op rotswerksokkel, en de mirador, een roodbakstenen uitkijktoren met houten en zinken bekroning.

Haspengouwse grafheuvels als 'levende' relicten De Romeinse tumuli van Haspengouw hebben niet alleen een archeologisch belang, verschillende hebben ook een botanische waarde. Ze herbergen een soortenrijke grazige begroeiing. Maar, hoe kwamen die grazige vegetaties daar terecht? Waren die er van in het begin? Zijn ze tot stand gekomen door een eeuwenlang continu beheer, gestoeld op de traditionele 'heerdgang' van de schaapskudde? En vooral, hoe moeten we die vegetaties nu beheren? Eddy Dupae gaat op zoek naar antwoorden op die vragen, hij formuleert bovendien beheersvoorstellen.

» « ïJ%)

t

.


Van een gloriette en een mirador. De restauratie van twee tuinfollies in Kortrijk Frederik Mahieu

In een weinig bekende, maar vrij gaaf bewaarde i9 d e -eeuwse tuin van circa 9 0 0 0 m 2 in Kortrijk bevinden zich twee merkwaardige tuinfollies: een gloriette en een mirador of uitkijktoren. De grote architecturale kwaliteit van beide tot de verbeelding sprekende constructies getuigt van de ambitie van de oorspronkelijke eigenaars o m tot de hoogste stedelijke elite van Kortrijk gerekend te worden. Hoewel de eigendom de voorbije decennia slecht onderhouden en door de afbraak van het woonhuis ernstig verminkt werd, blijft het tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreken. De bescherming in 2003

van

de tuin bevestigde de cultuurhistorische

waarde op Vlaams niveau. De recente restauratie van de twee tuinpaviljoentjes kan een eerste aanzet vormen tot een opwaardering van dit erfgoed. In elk geval laat ze ons met nieuwe ogen kijken naar dit vrij onbekende i9 d e -eeuwse t u i n p a t r i m o n i u m (1).

De gloriette van Kortrijk na restauratie. Op de achtergrond de recentere gebouwen van de kliniek Maria's Voorzienigheid (foto O. Pauwels)

6

IM L


De stad Kortrijk en zijn stedelijke elite in de i9deeeuw Vanaf 1815 maakten de zuidelijke Nederlanden deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden, onder het bewind van koning Willem I. In Kortrijk was de ontevredenheid over Willem I groot; niet alleen werd de bloeiende textielhandel met Frankrijk beknot, maar de koning stimuleerde ook en vooral de eigen Noord-Nederlandse textielhandel. Dit zorgde voor een groeiende ontevredenheid bij de Kortrijkse handelaars en fabrikanten. Toen in augustus 1830 in Kortrijk berichten binnenliepen over de opstand in Brussel keerden verschillende Kortrijkse vooraanstaanden zich openlijk tegen het Hollandse bewind en zijn lokale vertegenwoordigers. Na het verlies van het Nederlandse leger in de nacht van 26 op 27 september leefde ook in Kortrijk een gevoel van bevrijding. Kortrijk was van oudsher een textielstad. Veelal werkte deze industrie nog met een grote schare thuiswevers in plaats van in gecentraliseerde manufacturen. Vanaf ongeveer 1840 werd de textielindustrie getroffen door een zware crisis. De gemechaniseerde textielindustrie uit Engeland kon veel goedkoper katoenen stoffen weven dan de traditionele wervers linnen konden produceren. De wevers kwamen daardoor in een moeilijke situatie terecht. Toen de aardappeloogst in het najaar van 1845 mislukte, schoten de voedingsprijzen de hoogte in. Grote aantallen weversgezinnen, die traditioneel ook een stukje grond met aardappelen inzaaiden, kwamen voor meerdere jaren in heel precaire omstandigheden terecht, gekenmerkt door armoede en honger. In 1848 was 48% van de Kortrijkse bevolking afhankelijk van de openbare onderstand. De verarmde bevolking was

snel vatbaar voor besmettelijke ziektes zoals cholera en tyfus. Tussen 1832 en 1884 werd Kortrijk niet minder dan 10 keer het slachtoffer van verwoestende epidemieën. De situatie in de vlasnijverheid verbeterde na i860. In termen van output werden langs de oevers van de Leie vlak vóór de Eerste Wereldoorlog de hoogste productiecijfers van geroot vlas gehaald. In 1910 werkten er in het arrondissement Kortrijk 4359 arbeiders en bedienden in de vlasbedrijven. Daarnaast telde Kortrijk en omgeving rond 1910 ook 6 katoenspinnerijen en 51 katoenweverijen met in totaal 6201 werknemers. Terwijl in Tielt en Roeselare de omslag van thuis weven en thuis spinnen naar gemechaniseerde textielfabrieken heel moeizaam verliep, ontwikkelde deze laatste industrie zich bij uitstek in Kortrijk. De textielnijverheid omvatte niet alleen spinnen en weven, maar ook afgeleide

Familieleden met op de achtergrond een deel van het landhuis aan de Doornlksewijk 148 (archief E. Nolf. repro O. Pauwels)

M&LI 7


Een gedeeltelijk gezicht van de gepleisterde en geschilderde tuingevel met middenrisaliet (archief E. Nolf. repro O. Pauwels)

activiteiten zoals het verven en bleken. In 1910 waren er in Kortrijk en omgeving 47 bedrijven met 752 werknemers actiefin het bleken en verven van garens en weefsels (2). De ontwikkeling van de Kortrijkse textielindustrie ging vanaf i860 gepaard met een groei van de bevolking, die er de vorige dertig jaar amper was door de crisis rond 1845-1848 en de choleraepidemie van 1866. In 1830 telde de stad 19.124 inwoners. In 1866 waren dat er maar 22.945. Vanaf dat laatste jaar groeide de bevolking echter snel aan tot 36.336 inwoners in 1913. De bevolkingsgroei en de economische ontwikkeling leidden tot een sterke stadsuitbreiding. Het dempen van de stadsgrachten in i860 was hierin een sleutelmoment: de stad kon buiten haar historische grenzen treden. Belangrijke stadsuitbreidingen werden gerealiseerd in de Doorniksewijk en de Rijselsewijk. Er werden ook een aantal ongezonde woningen gesaneerd (3). De hernieuwde trots van Kortrijk uitte zich in grootse herdenkingen zoals 600 jaar Slag der Gulden Sporen, het oprichten van monumenten en een algemene stadsverfraaiing. In de i9 de eeuw woonde ook in Kortrijk, zoals wellicht in elke vergelijkbare Vlaamse stad, een duidelijk afgelijnde stedelijke elite. Hoewel deze als dusdanig goed herkenbaar was, vormde ze niettemin een heterogene groep, waarbinnen een interne sociale differentiatie gold. Er bestond een elite onder de elite, dikwijls aangeduid als la haute

8

I 1VI L

société. Daaronder bevond zich de zogenaamde bonne société. Slechts een beperkt aantal families in Kortrijk behoorde tot die haute société. Dit stedelijke patriciaat werd gevormd door families die vaak al geruime tijd wapenschilden voerden, zeer welvarend waren en de belangrijkste openbare en politieke functies vervulden. Al vanaf het einde van de i8 de eeuw ontstonden er huwelijksbanden tussen enkele van deze patricische families. Ook in de i9 de eeuw werd er bij voorkeur binnen de eigen sociale groep gehuwd. La haute société mat zich een adellijke levensstijl aan. De familie de Bethune was de voorloper in dit proces. In 1845 werd de familie tot de adelstand verheven. Het familiebedrijf leed onder de concurrentie van de gemechaniseerde textielindustrie waardoor een deel van het vermogen in gronden werden belegd. De familie de Bethune spiegelde zich aan het leven van plattelandsjonkers: het kasteel in Marke verving het herenhuis in de Leiestraat als traditionele uitvalsbasis. Een soortgelijke evolutie voltrok zich voor de meeste families uit la haute, waaronder de families Goethals en Vercruysse, tussen 1850 en 1914. Door het sluiten van huwelijken met de oudere adellijke families bevestigde dit stadspatriciaat haar sociaal-maatschappelijke toppositie.

Anders dan de families uit la haute société was er bij de families van la bonne société een grotere heterogeniteit. Op het politieke vlak ontstond er in de tweede helft van de i9 d e eeuw de tegenstelling tussen liberalen, liberaal-katholieken en ultramontanen. De families van conservatieve strekking beschikten over de beste troeven om tegen het eind van de i9 de eeuw door te stoten tot la haute. Een goed voorbeeld hiervan is de familie Nolf, die sterke familiebanden ontwikkelde met de families Goethals en Vercruysse. De onderste laag van la bonne was ofwel minder succesvol, ofwel zeer vermogend maar dan ontbrak het hen aan sociaal en symbolisch kapitaal. In deze laag werden de zogenaamde textielbaronnen teruggevonden. Ze werden op relatief korte termijn zeer vermogend en toonden dit - niet altijd even elegant - aan de medemens. Leden van het stadspatriciaat spraken over 'nieuw geld' of de 'parvenu's' bij het zien van hun opzichtige woningen (4).

Het landhuis in de Doorniksewijk als voorbeeld van de wooncultuur van de hoge Kortrijkse elite De woning vormde de afspiegeling van de rijkdom van de bewoner. Het bewonen van grote, luxueus ingerichte huizen in de stadskern was het middel om zich te affirmeren als deel van de elite (5). Het openbare leven in de stad speelde zich deels af binnen de muren van de stadswoningen.


Het belang van een representatieve woning in de stad als ontmoetings- en werkplaats werd grotendeels bepaald door de beroepsactiviteit an de Kortrijkse elite (handelaar, fabrikant of rentenier) en vooral in het begin van de ig* eeuw waren hun kantoren dikwijls gevestigd in de eigen woning, met de fabrieksgebouwen of opslagplaatsen in de nabijheid. Naast deze zakelijke activiteit was de woning ook het decor voor de sociale verplichtingen, waarin vooral de rol van de gastvrouw cruciaal was. Voor vele dames uit de elite waren de visites en diners één van de weinige mogelijkheden om aan het publieke leven deel te

Het buitenverblijf in de stedelijke rand had een meer uitgesproken privé karakter. Net omwille van de rijkdom die nodig was om zich een buitenplaats te kunnen veroorloven, was het in grote mate een statusobject. In staat zijn om de drukte van de stad te ontvluchten en zich terug te trekken op een weelderig domein was een signaal van succes en rijkdom naar de buitenwereld. Bij de keuze van de locatie voor de buitenplaats, was de aanwezigheid van grote stukken land bepalend. Daardoor was in het begin van de i9de eeuw vooral het gebied achter de Doorniksepoort aantrekkelijk. De Doorniksewijk was vóór i860 nog een betrekkelijk landelijk gebied met verschillende buitenplaatsen die eind i8de, begin 19* eeuw gebouwd werden door rijke handelaars. Hoewel ze later vaak aangepast werden voor permanente bewoning waren deze buitenhuizen in het begin enkel geschikt voor bewoning tijdens de zomermaanden. Maar de ligging in de

onmiddellijke omgeving van Kortrijk liet de eigenaars toe om van daaruit nog steeds hun zaken in de stad te behartigen. Het domein aan de Doorniksewijk 148 is hiervan een mooi voorbeeld. Het landgoed met prachtig empire landhuis werd wellicht door de familie Vercruysse gebouwd. Later kwam het domein in handen van de familie De Salmon, die in 1873 de tuinierswoning en hoogstwaarschijnlijk ook het koetshuis en enkele woningen palend aan de achtergevel van het landhuis, uitgevend op de Doorniksewijk, liet bouwen. Via het huwelijk in 1866 van Elvire De Salmon met Victor Beck kwam het landgoed in handen van hun dochter Marie-Pauline. Zij was op haar beurt in 1888 gehuwd met Ferdinand Nolf, waardoor het domein uiteindelijk in het bezit kwam van de bekende Kortrijkse familie Nolf (6).

Beschrijving van de eigendom Een vleugelpoort in een smeed- en gietijzeren hekwerk met erachter een aantal gewone beuken, gewone esdoorns en witte paardenkastanjes geeft toegang vanaf de Doorniksewijk. Naast het hek staat een kleine, onderkelderde woning in neo-Vlaamse renaissancestijl met stenen kozijnen en als drielicht uitgewerkte muuropeningen op de begane grond, natuurstenen muurbanden, een tegelfries tussen de twee bouwlagen en knipvoegwerk. Het is de vroegere tuinierswoning, die samen met het vleugelpoort, het hek en twee belendende burgerhuizen in 1873 naar ontwerp van architect Leopold De Geyne gebouwd werd (7).

Een gedeelte van de tuin in landschappelijke stijl met vijver en rijk uitgewerkte boogbrug (archief E. Nolf, repro O. Pauwelsj

A/l LI

9


Gezicht op de tuin met vijver en talrijke tumornamenten, waaron der een octogonaal eendenhok, tumvazen en beelden (archief E. Nolf, repro O. Pauwelsj

Een gezicht op de tuingevel en oranjerieplanten (archief E. Nolf. repro O. Pauwels)

no i i v h a

Op 30 m ten noordwesten van de toegang, waar nu een parking ligt, stond het landhuis met imposante, west geëxposeerde tuingevel. Het gebouw leunde aan tegen de achterkanten van twee woningen in de Doorniksewijk. Het in 1985 gesloopte landhuis telde negen traveeën en twee bouwlagen onder een pannen zadeldak en had een L-vormig grondplan. Hoewel verdwenen verdient het omwille van de verloren gegane erfgoedwaarde toch een gedetailleerde beschrijving. De tuingevel was geritmeerd door twee licht vooruitspringende hoekrisalieten en een geaccentueerd, vooruitspringend en hoger middenrisaliet onder haaks zadeldak. De lijstgevel in neoclassicistische stijl met empirekenmerken was gepleisterd en geschilderd. De sokkelvormige begane grond onder zware doorlopende pullijst werd verlevendigd met imitatiebanden. De bovenverdieping was geleed en geritmeerd door vlakke pilasters die gekoppeld zijn en voorzien van een Ionisch kapiteel in de hoekrisalieten. Het geheel was afgelijnd door een sterk uitgewerkte kroonlijst waarboven een borstwering stond voorzien van geajoureerde casementen en bekroond met urnen. De rechthoekige vensteropeningen waren licht verdiept en voorzien van

persiennes. Boven de beglaasde vleugeldeur van de hoofdingang in het middenrisaliet was er een portiek bestaande uit gekoppelde Ionische zuilen onder een driehoekig fronton. Tussen de zuilen gaf een beglaasde vleugeldeur met rondbogig bovenlicht uit op een balkon met een balustrade. In de hoekrisalieten kon men op de bovenverdieping via een deurvenster een smal balkon op uitgewerkte consooltjes betreden, afgezet met een leuning verfraaid met een centraal gietijzeren hek. Onder deze kleine balkons waren de deels beglaasde dienstdeuren, voorzien van een gietijzeren deurhek. De zuidelijke zijgevel nabij het ijzeren toegangshek was twee traveeën breed en had een gelijkwaardige opbouw als de voorgevel terwijl de veel langere noordgevel niet decoratief uitgewerkt was (8). In de noordoostelijke hoek van de eigedom staat verweesd het koetshuis, dat net als de tuinierswoning in 1873 naar ontwerp van Leopold De Geyne in neo-Vlaamse renaissancestijl gebouwd is. Ten westen van het verdwenen landhuis strekt zich vandaag nog steeds de meer dan 120 m diepe tuin in landschappelijke stijl met pittoresk karakter uit. Dit type tuinen vertoont een grote verscheidenheid


De vijver met eendenhok en een Chinees paviljoen, dat later

aan tuinornamenten en beplantingen. De tuin is aangelegd als een centrale vallei tussen met bomen en struiken beplante heuvelruggen die uitmondt in een langgerekte vijver. Met de uitgegraven aarde van de vallei en de vijver zijn de heuvelruggen opgeworpen. Beproefde architecturale effecten zijn aangewend om de perspectief optisch nog te verlengen. Het grasveld helt af naar de vijver. De waterpartij opent breed ovaalrond rondom een centraal eilandje, versmalt tussen hoge wanden ter hoogte van een verdwenen boogbrug en verdwijnt met een knik van 45° naar het zuidwesten. De tuin telt een lange zichtas over de vallei en de vijver voorbij de boogbrug naar het einde van de tuin. Drie uitkijkpunten dragen bij tot de diversiteit en afwisseling. Vanaf de boogbrug richtte de lange zichtas zich over de vijver en het uitgeschulpt gazon heen naar het middenrisaliet in de monumentale tuingevel van het landhuis. Oude foto's van omstreeks 1895 tonen de aanwezigheid van twee octogonale eendenhokken met een pagodedak en spits op het eilandje, als pendant van een Chinees paviljoen op een gemetseld voetstuk. Kort daarna zou er op de plaats van de

vervangen werd door de huidige gloriette. Rechts achteraan de tuingevel van het imposante landhuis, de toren van de SintRochuskerk en links industriële gebouwen (archief E. Nolf, repro O. Pauwels}

Van de rijkelijk uitgewerkte boog brug zijn thans alleen de steile brughoofden bewaard {archief E. Nolf. repro O. Pauwels)

A/I&LI n


Het voormalige koetshuis en paardenstallingen van het landhuis (archief E. Nolf, repro O. Pauwels)

Chinese pagode een houten gloriette gebouwd worden. Van hieruit heeft men een fraai 180° gezicht op het grasveld, de waterpartij, de moestuin en het huis. Achterin de tuin, op het hoogste punt, staat een uitkijktorentje of mirador met 360° zicht over de tuin en de westelijke omgeving. Grote bomen langs het centrale gazon en de vijver begeleiden de perspectief. Vooraan ten zuiden naast het gazon taant een bruine beuk, die zijn tegenhanger vindt in een bruine beuk halfweg ten noorden naast het gazon. Enkele imposante witte paardenkastanjes getuigen tevens van de ouderdom van het park. Gewone es, zomerlinde, gewone robina, tweestijlige meidoorn, gewone lijsterbes en gele kornoelje staan op de rechterwand, aangevuld met palmboompje en taxus in de omgeving van de gloriette. Voorts treffen we er gewone haagbeuk, gewone vlier, sneeuwbes, aucuba en dode opslag van veldiep in de struiklaag aan. Oude glasnegatieven tonen nu verdwenen vazen, standbeelden en meerdere zitbanken om te verpozen. Van de vroegere, rijkelijk uitgewerkte boogbrug bleven enkel de steile brughoofden bewaard. Vanop die brug had je destijds een idyllisch gezicht op de vijver met zijn klein eilandje, en verder op de gloriette en het landhuis. De brug stak dermate hoog boven het water uit dat de brughoofden en de aanpalende vijveroevers in nog zichtbaar baksteenmetselwerk zijn opgetrokken. Een oude foto bewijst dat ook de vijveroevers van het oostelijk vijvergedeelte en de oever van het eiland in steen gemetseld zijn (9). Naast de brug vormen enkele bruine beuken het achterplan van het park.

Voorbij de brug leidt het pad in zuidwestelijke richting naar de achthoekige uitkijktoren of mirador. Naast de mirador staat een grote witte paardenkastanje, eveneens daterend uit de oorspronkelijke aanleg. Ook hier begeleiden wintergroene massieven het bouwkundig element. Verschillende grote exemplaren van palmboompje, taxus en boshulst vormen de ondergroei van enkele bosschages die gedomineerd worden door een mammoetboom. Recenter werd hier een atlasceder aangeplant. De ceder en de grote hulstmassieven onttrekken het torentje aan het zicht van op het gazon. Verder groeit er schietwilg, zomereik, gewone lijsterbes en een gekandelaberde plataan langs deze zijde van het park. Tussen de berken treffen we enkele dode opslag van veldiep, getuigend van de vroegere aanwezigheid van iep in het park. Dwergmispel, zoete kers, vuilboom en rode bes vinden we terug in de struiklaag. Vooraan naast de overgang tussen vijver en gazon, ligt een rododendronperk, waar vandaag ook hortensia en gewone sering in voorkomt. De bodembedekking van deze oude tuin wordt gedomineerd door klimop. Het voorjaarsaspect wordt bepaald door sneeuwklokje, narcis, wilde boshyacint en vogelmelk. Ze verwijzen naar de typische stinzenplantencultuur van de betere tuinen en parken. In het gazon groeien ook spontane soorten als speenkruid, hondsdraf, kruipend zenegroen. Door gebrekkig onderhoud komen verder ook nagelkruid en stinkende gouwe, smeerwortel en fluitenkruid spontaan voor. Langs de oever konden gele lis en wolfspoot zich ook spontaan ontwikkelen. De vijver loopt er over in een beek, die aan de overkant van deze doorgang zijn weg zoekt tussen de ruime tuinen (10). Ten zuiden van de tuin bevond zich ten slotte de ommuurde moestuin met oranjerie en kweekserre (11).

Het verval van het goed en de sloop van het landhuis Zoals uit voorgaande beschrijving blijkt, bevatte de eigendom alle onderdelen voor een perfect buitengoed: een imposant landhuis met bijbehorende tuin, vijver, tuinfollies, beelden, siervazen en zitbanken, moestuin, oranjerie en dienstgebouwen. Maar het ic^-eeuwse oord was geen gunstig lot beschoren: het werd verkocht aan de kliniek Maria's voorzienigheid (12) die zich op de aanpalende gronden langs de Loofstraat had ontwikkeld. Hoewel tot het begin van de jaren 1980 alle belangrijke elementen van het goed bewaard waren, was het geheel vrij verwaarloosd. Zo was het

12 I M

L


landhuis al een tijd niet meer bewoond, waardoor het nodige onderhoud was gestaakt: de regenwaterafvoeren lekten, wat waterschade veroorzaakte in het interieur. Bovendien leek de toekomst bedreigd: wat waren immers de plannen van de kliniek met de site? Op het mooie grasveld vóór het landhuis was in 1983 een parkeerterrein ingericht, waardoor het gebouw geïsoleerd werd van zijn tuin. Nadat de problematiek door de Provinciale Dienst voor Cultuur gesignaleerd was aan de toenmalige dienst bevoegd voor monumenten- en landschapszorg, de voorganger van het huidige agentschap Onroerend Erfgoed, werden eind 1983 de voorbereidingen gestart voor een bescherming van het domein. Een voorstel werd uitgewerkt voor de bescherming van het landhuis als monument en de tuin als stadsgezicht. Op 28 maart 1984 werd door de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen een gunstig preliminair advies verstrekt. Op 10 juni 1985 bezorgde de dienst aan de bevoegde minister Karel Poma het bouwfysisch verslag en een kostenraming voor de restauratie van het landhuis. Onder het mom van stormschade liet de kliniek het landhuis op 16 augustus 1985 afbreken, zonder enige vergunning. Geen enkele instantie had de kans om de afbraak stil te leggen. Op dat ogenblik waren de intenties tot bescherming gekend, maar minister Poma had het beschermingsdossier nog niet ondertekend. Pas anderhalve maand later werd de wederrechtelijke sloop bekend. Het Kortrijkse stadsbestuur, dat veel belang hechtte aan de kunsthistorische waarde van het gebouw, reageerde scherp. De zaak, met zowel een administratief als een burgerlijk karakter, kwam voor de rechtbank, waar de stad zich burgerlijke partij stelde. Op 6 februari 1989 deed de Kortrijkse rechter een ophefmakende uitspraak: hij veroordeelde het ziekenhuis tot de heropbouw van het landhuis in de oorspronkelijke staat binnen het jaar. De kliniek ging in beroep, en kreeg van het Hof van Beroep in Gent gelijk. Hiertegen trok de Stad Kortrijk dan weer naar het Hof van Cassatie (13). Na een juridische uitputtingsslag van 14 jaar kwam het tot een dading: een overeenkomst waarbij beide partijen vrede sloten uit zakelijke overwegingen. Het landhuis werd niet herbouwd en de ruimte waar het landhuis zich bevond werd met kiezelsteen afgedekt en bij de provisoir aangelegde parkeerruimte van het ziekenhuis gevoegd.

bedekking kon het regenwater niet afdoende afvoeren wat tot verdere schade leidde in het interieur, de bouwwerkjes werden met klimop overwoekerd. Kortom, het verdwijnen ervan leek nog maar een kwestie van tijd te zijn.

Een nieuwe toekomst voor het domein? In het kader van de systematische afwerking van de inventaris van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen werd begin 21s"' eeuw het grondgebied van Kortrijk geïnventariseerd. Voor de meest merkwaardige objecten van de inventaris werd aansluitend een beschermingsvoorstel uitgewerkt. Dit gebeurde ook voor het park aan de Doorniksewijk 148, dat uiteindelijk op 28 mei 2003 als monument werd beschermd. De tuinierswoning en het koetshuis werden niet in de bescherming opgenomen, maar worden beschreven in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. Ondertussen werd ook de fusie van de Kortrijkse ziekenhuizen tot AZ Groeninge een feit. De fusieoperatie hield ook het bouwen van een totaal nieuwe ziekenhuiscampus op hoog Kortrijk in. Naarmate de bouw van het nieuwe ziekenhuis vordert, worden de bestaande vroegere ziekenhuizen gesloten. Ook voor de vroegere kliniek Maria's voorzienigheid, nu campus Loofstraat genoemd, wordt de sluiting in het vooruitzicht gesteld. Omdat met een uitbreiding van het ziekenhuis op de site Loofstraat-Doorniksewijk dus geen rekening meer moet gehouden worden, zijn

De voor- en zijgevel van de vroegere tuinierswoning werden opgenomen in een nieuwbouwproject. De dakvorm werd gereconstrueerd (foto O. Pauwels)

In het park beperkte de kliniek zich ondertussen tot het minimale onderhoud van de parkstructuur. De gloriette en de mirador verkommerden en vielen ten prooi aan vandalisme: het houtwerk raakte zwaar beschadigd, de gebrekkige dak-

M & L I 13


ondertussen eerder door de kliniek verworven panden aan de Doorniksewijk 140-146, die zich bevonden tussen het vroegere landhuis en de straat, verkocht. Het imposante herenhuis op het nr. 140, en de twee aanpalende burgerhuizen hadden door jarenlange leegstand veel schade opgelopen. Uiteindelijk werden ze in 2005 gesloopt en vervangen door een meergezinswoning. Het volume van de tuinierswoning werd in het project geïntegreerd, en het bouwproject werd zowel op de Doorniksewijk als op het park gericht. Hoewel over de toekomst van het park, na het verdwijnen van het ziekenhuis, nog niets is beslist, werd het AZ Groeninge uiteindelijk toch bereid gevonden om het verval van de gloriette en de mirador te stoppen, en een restauratiedossier te laten opstellen door een team van een architect en een bouwhistoricus.

De restauratie van de gloriette De gloriette werd gebouwd rond 1895-1900 als een opengewerkte houten luifelconstructie waarvan de stijl verwijst naar de Vlaamse-neorenaissance, opgebouwd in traditioneel stijl- en regelwerk op een rechthoekig grondplan. Ze is helemaal opgetrokken uit naaldhout - volgens het restauratiebestek een mogelijks Scandinavisch, harsrijk naaldhout - dat op traditionele wijze met toognagels is vergaard. Acht sierlijk bewerkte houten pijlers dragen een boogstructuur die op haar beurt een overkragend zadeldak torst. De geveldelen boven de boogstructuur en het dak zijn ingevuld met sierlijk

De veelkleurige keramische tegels van de gloriette konden De Iaat-i9d'-eeuw5e gloriette met

geïdentificeerd worden.

opengewerkte luifel en sokkel-

Met recuperatietegels werd de

constructie met rotswerk

vloer gereconstrueerd

(archief E. Nolf, repro O. Pauweis)

{foto F. Mahieu)

l f» P ïiii, ••?/'

houtsnijwerk. Het zadeldak is bedekt met zinken leien, en aan de nok afgewerkt met een zinken vorstkam, beëindigd door twee houten topsierstukken. Onderaan waren de pijlers verbonden door een balustrade. De gloriette werd opgericht op een sokkel van metselwerk, overspannen met troggewelven. De vloer van de gloriette werd betegeld met veelkleurige keramische tegels gemaakt door de S.A. Carrelages céramiques de Chimay, Maufroid frères e[ soeur, opgericht in 1879. Het beginjaar van deze tegels is nog onzeker. In een vroege, niet precies te dateren catalogus uit de jaren 1880 is dit model nog niet opgenomen, maar in een vouwfolder van kort na 1894 maakt het deel uit van de collectie. Kort daarna en zeker vóór 1897 verdwijnen ze definitief uit het aanbod (14). Dit kan een aanwijzing vormen voor de bouwdatum van het paviljoen. De metselwerkwanden van de sokkel werden afgewerkt met rotswerk, waarin plantgaten werden voorzien. Dit rotswerk moest de indruk geven dat de gloriette is opgericht op een natuurlijk rotsmassief, dat geleidelijk overgaat in de aarden berm. Op deze berm bevinden zich hier en daar nog kleine fragmenten kunstrots. Aan de noordelijke gevel bevindt zich de toegang tot de gloriette, die werd gevormd door een met kleine zwarte klompjes gemetselde trap. Deze trap eindigt vandaag abrupt doordat een deel van de parkrand werd weggegraven voor het aanleggen van een ontsluitingsweg voor de kliniek.

Zoals hoger beschreven was het gebouwtje bij de aanvang van de werken in een zorgwekkende toestand: de houten pijlers waren aan de voeten ingerot, waardoor de stabiliteit van het geheel erg precair was. De sokkel was volledig overwoekerd

' '-

!

•

'7: "VÜMt

M IIVI L


door klimplanten en opslag, de balustrade was grotendeels verdwenen, de tegelvloer was op enkele restanten na uitgebroken. Het verval was al decennialang bezig: foto's uit 1983 tonen reeds verstevigde pijlervoeten en het ontbreken van de balustrade, op plint- en leuningresten na. Na de beslissing tot opmaak van een restauratiebestek werd beslist om in afwachting van de start van de werken de houten gloriette al te demonteren. De acht pijlers werden met houten balken aan elkaar verankerd, van de sokkel losgezaagd en als een geheel met een kraan afgenomen. Het gebouwtje werd daarna gestockeerd in een leegstaande schuur. Op die manier vormde de precaire constructieve toestand van het ingerotte hout niet langer een risico en kon dit gedeelte van het gebouw ook op een eenvoudiger manier worden opgemeten, de bewaringstoestand van het hout geanalyseerd en een vooronderzoek uitgevoerd. Op basis van deze opmeting en bewaarde historische foto's kon het oorspronkelijk uitzicht van de gloriette volledig worden gereconstrueerd. Op het hout van de gloriette waren schaarse verfsporen bewaard, voornamelijk aan de binnenzijde van het paviljoen. Het visueel en stratigrafisch kleurenonderzoek (15) van deze summiere resten bevestigde dat het geheel oorspronkelijk overwegend lichtgrijs was geverfd met een rode afwerking op de afgeschuinde kanten van grote en kleinere balken en op de smalle band rond de diamantkoppen. De verf lijkt rechtstreeks op het hout aangebracht te zijn, zonder preparatielaag. Historische zwart-witfoto's bevestigen in zekere mate de gevonden tweekleurigheid, al zijn er ook verschillen. De interpretatie van dergelijke foto's is echter niet evident en staat nog in zijn kinderschoenen, omdat de i9de-begin 20s,e-eeuwse glasnegatieven een andere gevoeligheid hadden dan de films uit de latere 20 ste eeuw (16). Ook de lichtinval op het uitgesproken reliëf van het hout van de gloriette bemoeilijkt de interpretatie van de grijswaarden op deze foto's. Het vooronderzoek stelde dat het op de historische foto's duidelijk zichtbaar is dat de donkere tint op meer onderdelen was aangebracht dan het stratigrafisch onderzoek kon aantonen: een donkerdere afwerking van de volledige diamantkoppen en dus niet enkel de band errond, van de abaci of dekplaten op de kapitelen en van de peerkraalvormige ornamenten in de bogen. Door het ontbreken van restanten van de balustrade kon de kleur daar niet worden onderzocht. Volgens het onderzoeksverslag lijken de historische foto's daar een monochrome, iets donkerdere afwerking weer te geven dan op de pijlers, mogelijks hetzelfde rood, al is er geen zekerheid hieromtrent. Een laboanalyse (17) bevestigde

de aanwezigheid van een rode laag vermiljoen op een verfschilfer afkomstig van de binnenzijde van de gloriette. Er kon geen organisch bindmiddel worden geïdentificeerd. Allicht werd de gloriette met niet-oliegebonden verhagen geschilderd. In een latere fase werd het verfwerk hernomen, en werd de gloriette monochroom lichtgrijs geschilderd. Gelet op de relatief goede bewaringstoestand van het gestockeerde houtwerk dat gelukkig beschermd wordt door een brede overkragende dakrand, konden bij de restauratie grote delen van het originele werk worden behouden. De gloriette werd in het atelier van de schrijnwerker ontmanteld. Alle onderdelen werden nagekeken, en ontbrekende stukken werden opnieuw gemaakt in eerste keus kernhout van lorken. Invulpanelen in houtsnijwerk werden waar nodig verlijmd. Voor bijna alle pijlers kon een traditionele

Het blijft moeilijk om op basis van zwart-witfoto's sluitende conclusies te trekken over het originele kleurgebruik (archief E. Nolf, repro O. Pauwels)

Het gedemonteerde houten bovendeel van de gloriette en het bovenstuk van de mlrador komen na restauratie in het atelier opnieuw naar hun oorspronkelijke locatie (foto F. Mahieu)

1VI&LI 15


Gezicht op de tuin van de gloriette (foto O. Pauwels)


verschoeiing van het onderste gedeelte volstaan, één pijler moest echter integraal bijgemaakt worden. De balustrade werd volledig gereconstrueerd aan de hand van het fotomateriaal. Daarna werd al het houtwerk geverfd met een traditionele lijnolieverf (18). Zoals reeds gesteld, is de kleurstelling deels hypothetisch. Mogelijks kan deze in de toekomst bijgesteld worden, als de wetenschappelijke interpretatie van de grijswaarden op glasnegatieven verder geëvolueerd is en de kleuren effectief zouden kunnen geïdentificeerd worden op deze zwart-witfoto's.

De gloriette na restauratie (foto O, Pauwels)

De dakbedekking in zink bestond uit een geheel van rechthoekige vlakken die in oplopende evenwijdige stroken waren geplaatst. Langs één zijde was een wel geplooid die over de opstand van de aangrenzende plaat kwam, en zo de waterdichting garandeerde. De bovenliggende plaat dekte de dakrand van de plaat eronder af. Dit unieke systeem, dat een grotere sierlijkheid gaf aan het dak, werd hermaakt. De basis van de gloriette werd in situ hersteld. De afdekking van de sokkel bleek in zeer slechte bewaringstoestand: de metalen liggers van de troggewelven, die een gesloten en ontoegankelijke kelderruimte afdekten, waren ernstig gecorrodeerd. Daarom werd beslist de afdekking te vervangen door een dragende betonvloer. Aan de hand van enkele bewaarde tegels en een kleurenfoto uit 2001, waarop de tegelvloer gedeeltelijk zichtbaar is, kon het patroon van de tegels worden gereconstrueerd. In de recuperatiehandel werden identieke tegels teruggevonden, zodat de tegelvloer kon worden herplaatst conform zijn oorspronkelijke uitzicht.

zoals Hosta's en varens geplant. Op de heuvel zelf werd muizendoorn aangeplant.

De restauratie van de mirador De uitkijktoren of mirador is ingeplant op het hoogste zuidelijke punt van het park. Deze toren was al aanwezig ten tijde van de Chinese pagode, de voorganger van de gloriette. Het is een ranke

Het bovenstuk van de mirador

Het rotswerk van de sokkel vereiste een gespecialiseerde restauratie. De imitatierotsen bestonden uit grillige knolvormige zandstenen (19) die met mortel tot grotere gehelen waren vermetseld. Op verschillende plaatsen waren nog resten zichtbaar van een pleistermortel die er nadien overheen gezet was om het geheel visueel te egaliseren. Om de oorspronkelijke mortelsamenstelling te kennen, werd een analyse uitgevoerd op twee stalen samengesteld uit legmortel en pleistermortel (20). Om de restauratie te kunnen uitvoeren werd het rotswerk grondig nagekeken en losse delen gedemonteerd en herplaatst. De historische foto's bleken een waardevolle bron om het oorspronkelijke uitzicht te kunnen reconstrueren: ontbrekende stukken werden opnieuw ingevuld met gelijksoortige stukken natuursteen (Diestiaan uit Woluwe). Het geheel werd gemetseld met een kalkmortel op basis van kalk van Walonne, en nadien met dezelfde mortel bestreken. In de plantgaten die ook initieel in het rotswerk waren ingewerkt, werden schaduwminnende planten

wordt opnieuw op de toren geplaatst (foto F. Mahieu)

M & L I 17


constructie met pittoresk karakter bestaande uit een bakstenen achthoekige onderbouw met houten bekroning. De toegang tot de toren bestaat uit een trapje in baksteenmetselwerk, vanaf de achterkant van het torentje. Het metselwerk van de mirador bestaat uit lagen oranjerode tot paarsrode handvormsteen, gemetseld in kruisverband, afgewisseld met witte speklagen uit Jurakalksteen type Savonnières fine. Het metselwerk wordt doorbroken door een toegangsdeur en drie identieke rechthoekige vensteropeningen. Het werd afgewerkt met fijn knipvoegwerk, uitgevoerd in kalkmortel. Het grenen schrijnwerk was met een verflaag afgewerkt. De bekroning bestaat uit een overkragende schort met achthoekige basis, bekleed met natuurleien. Daarboven is er een lantaarn, doorbroken met acht ovalen uitkijkvensters {odl de boeufj, afgedekt met een piramidaal dakje. Binnenin was er oorspronkelijk een houten spiltrap die toegang gaf tot de dakverdieping, van waaruit men doorheen de uitkijkvensters een mooi uitzicht had op het park. De mirador ontleent veel van zijn schilderachtige uitzicht aan de architecturale uitwerking van de houten bovenbouw, met zijn boeiende spel van in- en uitzwenkende en schuine vlakken. Het uitzicht ervan wordt nog verlevendigd door de originele leidekking. Het betreft een leidekking die een mengvorm is van Maaslands en Rijnlandse dekking (driehoekige en ronde leien), respectievelijk met grijze en paarse leien. De lantaarn werd geverfd, het piramidale dak bedekt met zink en

Het bovenstuk van de mirador met onderaan knipvoegen en bovenaan geschilderde baksteenimitatie (foto F. Mahieu)

bekroond met een zinken topbekroning (21). Net als de gloriette was ook de mirador bij de opmaak van het restauratiebestek in een precaire toestand: het houtwerk was sterk ingerot en delen van de hoofddraagstructuur ontbraken. Ook hier werd al bij de opmaak van het bestek beslist om de houten bovenbouw van de mirador te demonteren om verder verval te vermijden, en dit gedeelte voor verder onderzoek en opmetingen te stockeren. Omwille van de slechte bewaringstoestand van de houten bovenbouw werd overgegaan tot een integrale reconstructie. De bewaarde stukken werden hierbij minutieus gekopieerd. Er werd een kleurenonderzoek uitgevoerd op het bewaarde houtwerk, dat volgend beeld gaf over de afwerking van de mirador. De eerste fase in de afwerking van de lantaarn bestond zowel aan binnen- als buitenzijde uit een imitatiebaksteenschildering opgebouwd uit een rode beschildering waarop een witte voegtekening aangebracht werd. De laboanalyse van een verfstaal van het exterieur van de lantaarn toont twee rode verflagen, gescheiden door een loodwitlaag. De ene rode laag bevat rode oker, de tweede laag loodmenie. Voor beide lagen gaat het wellicht om een olieverf. Op de rest van het interieur werd alleen een rode schildering gevonden en geen baksteenimitatie. Volgens de laboanalyse gaat het om een verf op basis van gips, rode oker en loodmenie, wellicht gebonden met olie. Deze loodmenieverf was waarschijnlijk eerder bedoeld als grondverf dan als afwerking. Als laatste fase werd een monochrome blauwe olieverfachtige afwerking aangebracht op de buitenzijde van het houtwerk van de toren. De afwerking met een baksteenimitatie was bij de opmaak van het bestek niet bekend. Omdat het hier duidelijk om de oorspronkelijke afwerking gaat, bedoeld om de lantaarn van de bovenbouw visueel te laten aansluiten bij de onderbouw in metselwerk werd beslist deze opnieuw aan te brengen. Op het houtwerk van de binnenzijde werd enkel de monochrome rode verflaag geplaatst. Ook de afwerking van de bedaking, enerzijds in zink, anderzijds in twee kleuren leien werd identiek herplaatst. Het piramidale dak werd opnieuw bekroond met een zinken piron, en een kroon in geknipte zink.

De toestand van baksteen en natuursteen was in feite nog vrij goed. Alleen het voegwerk was erg verweerd: het oorspronkelijke knipvoegwerk was nog slechts heel fragmentarisch bewaard in de meest beschutte zones. Het platvolle voegwerk tussen de natuursteen was volledig uitgespoeld. Er werd beslist om het voegwerk volledig te vernieuwen: een platvolle voeg met een zuivere natuurlijk hydraulische kalkmortel in de voegen van het natuursteenwerk, en een rechthoekige knipvoeg in het baksteenparement.

nS I1VI

L


Kenmerkend aan dit voegwerk was dat bij de afwerking van de knipvoeg geen rode verf werd geplaatst (22). Aan de voet van de mirador was de oorspronkelijke sokkel in rotswerk grotendeels verdwenen. Naar analogie met de uitvoering van het rotswerk aan de gloriette werd de sokkel opnieuw opgebouwd met stukken Diestiaan, en nadien bestreken met een kalkmortel. De toegangstrap tot de mirador, die zich langs de achterzijde bevond, was volledig verzakt. Daarom werd op een nieuwe fundering de bakstenen trap volledig vernieuwd. Het houten schrijnwerk was te verweerd om nog te kunnen herstellen en werd vernieuwd. Voor de ramen kon dit gebeuren naar model van de bewaarde, maar erg aangetaste ramen. Ter vervanging van de deur, die niet was bewaard, werd gekozen voor een eenvoudige verticaal beplankte klampdeur, gebaseerd op een tekening van Paul Debrabandere uit 1992. Over de kleur van dit schrijnwerk was niets bekend: er werd daarom beslist om deze af te werken in een lichte eikenhoutkleur, een afwerking die meermaals voorkomt in dit type i9 de -eeuwse eclectische architectuur. Ook de spiltrap werd opnieuw gemaakt. Nadat hij integraal was samengesteld in het atelier van de

aannemer werd hij met een kraan van bovenaf neergelaten in de bakstenen onderbouw. Naderhand kon dan ook de topbekroning in zijn geheel op de torenromp worden geplaatst. Oorspronkelijk lag in het interieur een houten grenen plankenvloertje, op een niet-verluchte spouw boven de volle grond. Om duurzaamheidsredenen werd geopteerd om hier een stenen vloertje te plaatsen. De keuze viel op een eenvoudig monochroom vloertje in zwarte plavuizen.

De mirador na restauratie, met voorlopig hekwerk ter beveiliging (foto O. Pauwels)

Op het pleisterwerk in het interieur bestond de oudste afwerking uit een gebroken witte verflaag, verticaal opgeborsteld. Pas in een tweede fase werd het pleisterwerk in baksteenrood geverfd met een kalkachtige verf. Toen kreeg het interieur een volledig rood uitzicht, gedeeltelijk met baksteenimitatie. Aangezien de restauratie als referentiebeeld uitging van de reconstructie van de oorspronkelijke toestand, werd het pleisterwerk in het interieur opnieuw afgewerkt met een witte kalkverf.

Naar een openbare tuin? Door de bescherming van de tuin als monument lijkt de toekomst van het - ondanks de sloop van het landhuis en de gedeeltelijke verminking van het park - nog steeds waardevolle domein in de

M LI 19


De gloriette na restauratie, met het ziekenhuis op de achtergrond (foto O. Pauwels)

Doorniksewijk op langere termijn gewaarborgd. De restauratie van de gloriette en de mirador kan een eerste belangrijke stap zijn naar een totale herwaardering van de tuin. Over de toekomst is echter nog niets beslist. Het staat vast dat de kliniek de site verlaat. Nadien zal het ziekenhuis waarschijnlijk worden gesloopt (23). Velen hopen dat de tuin opengesteld zal worden, wat alleszins verdedigbaar is op grond van zijn grote cultuurhistorische waarde enerzijds en het gebrek aan publiek groen in dit verstedelijkte deel van de ic)de-eeuwse stadsrand anderzijds. Om het risico op vandalisme in de huidige onbewaakte openstelling van het domein aan de rand van een parkeerterrein te beperken, werd de mirador voorlopig afgeschermd met doorzichtige werfhekkens en werd de toegang tot de gloriette afgesloten. Er werd wel een tijdelijke houten trapconstructie aangebracht voor het personeel van het ziekenhuis. Hopelijk kan snel een beslissing genomen worden over de verdere toekomst, en kan vervolgens een aanvang genomen worden met de restauratie van de tuin.

Frederik Mahieu is architect en Msc. in conservation. Hij is erfgoedconsulent bij Onroerend Erfgoed in West-Vlaanderen.

20 I 1VI L

Restauratiefiche Bouwheer

AZ Groeninge

Ontwerpers

Dehullu-architecten cvba (Harelbeke) i.s.m. Johan Grootaers, erfgoedexpert

Begeleiding

Vlaamse Overheid, Onroerend Erfgoed: Frederik Mahieu

Hoofdaannemer

Groep Monument (Ingelmunster), werfleider: Veerle Vermaut

Onderaannemers Gabriel Pirlet (Braine l'AUeud): rocaille Brem-Ghielens nv (Zoersel): knipvoegwerk Beel decoratie bvba (Oostrozebeke): schilderwerk Descamps tuinen bvba (Kortrijk): beplanting. Kostprijs

262.489,90 euro waarvan 230.991,10 euro betoelaagd (bedragen incl. BTW)

Betoelaging

Vlaamse Overheid: 50%, Provincie West-Vlaanderen: 15%, Stad Kortrijk 15%

Periode

juni- december 2011


Eindnoten (i)

Onze welgemeende dank gaat uit naar Etienne Nolf. die zijn oude familiefoto's ter beschikking stelde. Ook een oprecht woord van dank aan fotograaf Oswald Pauwels voor zijn foto's en voor het inscannen van de oude glasplaten, en aan fotografen Hans Denis en Kris Vandevorst voor het bewerken van de foto's. Tevens willen we Mario Baeck danken voor de identificatie van de tegels. Ten slotte danken we collega's Catheline Metdepenninghen, Maarten Van Dijck en Herman van den Bossche voor hun suggesties, correcties en aanvullingen.

(2) DEMASURE B., Industriële ontwikkeling in de regio Kortrijk (1890-1970): analyse van de textiel- en metaalnijverheid aan de hand van industrietellingen, in De Leiegouw. jg. 54, nr. 2, 2012, p. 185-214. (3) MADDENS N. e.a., De geschiedenis van Kortrijk. Tielt, 1990, p. 396-402, 497-505 en 513-517. (4) NUYTTENS T., De stedelijke elite van Kortrijk (iSi^igi^j, in Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring van Kortrijk. Handelingen, Nieuwe reeks, 75, 2010,187-223. (5) NUYTTENS T., op.cit., p. 224-272. (6) NUYTTENS T., De Stedelijke Bite van Kortrijk (1814-1914), onuitg. verh. KULeuven, 2008. p. 39-66. (7) DE GUNSCH A. en METDEPENNINGHEN C , Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, Inventaris van het bouwkundig erfgoed. Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Kortrijk, Deel IA stad Kortrijk, Straten A-K. 2005, p. 154. (8) Beschrijving van het landhuis in een voorstel tot bescherming, opgemaakt door de toenmalige AROL Monumentenen Landschapszorg (nu Onroerend Erfgoed). Het landhuis wordt ook kort beschreven in DEBRABANDERE P., Kortrijkse gevels van de XVI*' eeuw tot het Empire, Kortrijk, 1973, p. 128-129, fig-152(9) Beeldbank Kortrijk. Kasteel Vercruysse Nolf. bestand 0804. tif. foto toegeschreven aan Alberic Goethals. Goethals maakte talrijke foto's ca. 1863-1864: allicht gaat het hier om één van de oudste foto's van het park en het landhuis. (10) DE GUNSCH A. en METDEPENNINGHEN C . op.cit., p. 154-155; DEBRABANDERE P.. Historische parken en tuinen in Kortrijk, Kortrijk, 1992, p. 64-72. (n) Verslag opgesteld door Herman van den Bossche in het beschermingsdossier uit 1984. Van de beschreven constructies bleef niets bewaard. Op de moestuin werd een parking ingericht voor het ziekenhuis. (12) De kliniek Maria's voorzienigheid werd samengevoegd met de andere Kortrijkse ziekenhuizen tot het AZ Groeninge. (13) BONQUET P.. Zoveelste aflevering in landhuisfeuilleton, in De Leiegouw, jg. 33, afl. 3-4, november 1991, p. 376-377. We verwijzen ook naar De ZEGHER C , Nogmaals ergelijke sloopwoede, in De Leiegouw, jg. 27, afl. 3-4, december 1985, p. 375-377, die haar verontwaardiging vertolkt n.a.v. de sloop van het landhuis. (14) De identificatie- en dateringsgegevens van de tegels danken we aan Mario Baeck. (15) Het kleurenonderzoek op gloriette en mirador werd uitgevoerd door Joke Lagaert voor Patrimonium Research Consulting in sept.-okt. 2011.

(16) FONTAINE C , Op zoek naar een verloren ideaal? De sgraffiti van het hotel weduwe Ciamberlani in Eisene, in MflfL (Monumenten, Landschappen en Archeologie), jg. 26, nr. 3, 2007, p. 46. (17) De verfanalyse van gloriette en mirador werd uitgevoerd door Ingrid Nijs en Marina Van Bos van het KIK. Doel was om de stratigrafie van de verfmonsters te visualiseren en de pigmenten en bindmiddelen te identificeren. (18) Volgens de bestekbeschrijving: een vocht- en zuurstofregulerende oplosmiddelvrije Finse kookverf. Het bindmiddel is een gekookte lijnolie, de pigmenten zijn aardverfstoffen en niet giftige pigmenten in titaanwit, met siccatief als droogmiddel en gomterpentijn als verdunning. De nieuwe en vaste glanzende laag verandert door oxidatie in een poreuze en vochtdoorlatende laag: vocht kan door de verf verdampen. (19) Dergelijke grillige knolvormige stenen, zogenaamde grot(ten) stenen of fistuleuze zandstenen vormen soms lagen in de zandsteengroeven. Ze worden geologisch gerekend tot de Formatie van Brussel. De steen is een bijproduct van de zandgroeven. Deze stenen komen vooral voor in de ondergrond van de heuvels ten oosten van Halle en verder oostwaarts (Zoniënwoud) tot in Overijse. (20) De petrografische analyse werd uitgevoerd door het ISSEP {Institut Scientifique de Service Public) uit Luik. De legmortel: het bindmiddel bleek een erg rijke mortel te zijn, op basis van kalk. wellicht hydraulische kalk. De toeslagstoffen konden geïdentificeerd worden als een fijn zand (korrelgrootte van 20 micron tot 150^01), van oorsprong afkomstig uit de zee. Er bleken ook geringe hoeveelheden koolstof aanwezig te zijn. Voortgaande op deze analyse werd als mortel voorgesteld gebruik te maken van fijn rolzand in een mengverhouding van 2 delen kalk op 3 tot 4 delen zand. De pleistermortel: het bleek te gaan om een mortel die enkel was samengesteld uit bindmiddel. De schaarse zandkorrels die erin voorkwamen, waren wellicht het gevolg van toeval en niet bedoeld om toegevoegd te worden. De analyse wees uit dat het ging om een zeer hydraulische kalkmortel, om niet te zeggen bijna een portland-cementmortel. Toch kon op basis van de morfologie en de afmeting van de korrels vastgesteld worden dat het niet over een moderne cementmortel ging. (21) Vrij naar de bouwhistorische beschrijving uit het restauratiedossier 22) Bij i9 de -eeuws knipvoegwerk werd dikwijls gebruik gemaakt van een baksteenrode verf, die hetzij over het volledige baksteenoppervlak, hetzij enkel over de rand van baksteen en mortel, aansluitend op de knipvoeg werd geplaatst, met de bedoeling om de lijntekening van de knipvoeg zo strak en contrasterend mogelijk te maken met het baksteenoppervlak. (23) De herbestembaarheid van de Kortrijkse ziekenhuizen blijkt problematisch. Voor de Sint-Niklaaskliniek. een vergelijkbaar volume dat enkele jaren geleden werd verlaten, bleek een herbestemming niet mogelijk. De kliniek werd inmiddels gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe zorginstelling.


Levende relicten uit een ver verleden. De vegetatie van de tumuli in Haspengouw Eddy Dupae

In Haspengouw zijn zeer weinig erg waardevolle graslanden bewaard gebleven en die zijn steevast op eerder voedselarme bodems te vinden. Bij mestgiften die de landbouw momenteel hanteert, gaan soortenrijke, waardevolle graslanden immers onherroepelijk verloren. Omdat de aarde van tumuli waarschijnlijk nooit bemest werd, zouden deze bijgevolg wel eens een interessante vegetatie kunnen bezitten. Daarom inventariseerde de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) de begroeiing van alle Romeinse tumuli in Haspengouw. Dit artikel zoomt in op de toch wel opmerkelijke resultaten van dat veldwerk. Na een korte situering en beschrijving van het uiterlijk aspect van de t u m u l i , komt hun vegetatie uitgebreid aan bod. We zoeken vervolgens een historische verklaring voor de aard van die vegetatie en leiden daar tot slot beheersvoorstellen uit af. Het doel van dit artikel is geen sluitende verklaring bieden voor de vegetatie op t u m u l i , maar wel om een aantal hypothesen naar voren te brengen, in de hoop dat die ooit op hun wetenschappelijke waarde zullen getoetst worden.

De tumulus van Vechmaal. Enkel de grafbeuvel werd botanisch onderzocht, niet de vlakke delen er rond (foto O- Pauwels)

Het doel van de inventarisatie was een verkennend onderzoek van de begroeiing van de tumuli. Bij elke grafheuvel werd enkel de heuvel zelf grondig onderzocht, niet de vlakke delen aan de voet die eveneens deel uitmaken van het perceel waarop de tumulus staat. De gebruikte methode laat toe om een algemeen beeld te schetsen van de begroeiing van de tumuli, maar ze laat niet toe om de vegetatie op de tumuli in detail te beschrijven. Daartoe is een grondiger onderzoek vereist, ondermeer op basis van vegetatieopnames in transecten. Er werd met diverse bezoeken ter plaatse getracht om een zo volledig mogelijke soortenlijst van de vegetatie van de tumuli op te stellen (i). Voor de ligging en de nummering van de tumuli wordt verwezen naar de kaart. 22

IM

L


Beschrijving van de grafheuvels In België liggen de Romeinse tumuli vooral in de rijke landbouwstreken van Haspengouw en de Condroz. In Haspengouw hebben tientallen tumuli gelegen, maar de meeste zijn volledig verdwenen of genivelleerd en leven enkel nog voort in toponiemen zoals de Tom, Tombstraat of Tommeveld. Amand (2) geeft een overzicht van toponiemen die mogelijk verwijzen naar verdwenen tumuli in Limburg, zoals Tombstraat in Aalst, Tombeken in Alken, Tombeveld in Diepenbeek, Tombstraat in Hasselt, die Tomme in Membruggen, Tombstraat in SintHuibrechts-Hern en Cockaerts Tomme in Tongeren. De tumuli zijn soms wel verdwenen, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat ook de graven weg zijn. Zo werden onder verschillende genivelleerde grafheuvels nog tal van waardevolle vondsten gedaan, zoals in Berlingen (3), Helshoven

(4), Rosmeer (5), Sint-Huibrechts-Hern (6) en in Niel-bij-Sint-Truiden (7). De prachtige vondsten zijn te bezichtigen in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren. Momenteel telt Haspengouw nog 15 grafheuvels. Ze liggen in Montenaken en in Vorsen (Gingelom), in Brustem bij Sint-Truiden, in Gutschoven en in Vechmaal (Heers), verder in Lauw en in Koninksem bij Tongeren en tenslotte in Genoelselderen en in Herderen (Riemst). Meer dan eens komen tumuli geconcentreerd voor, zoals de Drij Tommen van Vorsen en wat verderop nog twee grafheuvels. Op de Ferrariskaart wordt hier nog La Platte Tombe vermeld, maar daarvan is op het terrein niets te bespeuren. Ook de twee tumuli van Koninksem bij Tongeren liggen relatief dicht bij elkaar. Niet zelden liggen de heuvels in kadastrale percelen met de benaming Tom Veld.

Kaart met verspreiding van de tumuli in Haspengouw: (i) Herstappetom. (2) tumulus van Gutschoven, (3) tumulus van Vechmaal, (4) tumulus van Brustem, (5) tumulus aan het PIBO in Tongeren, (6) de Hooge Tombe in Koninksem, (7) de Kteyn Tombe in Koninksem, (8) tumulus van het Crootbos in Genoelselderen, (9) de Centombe van Herderen, {10) de Avernassetom van Montenaken,

'^5 Situehngskaart: Tombes in Haspengouw

(11-13) De Dry Tommen van Vorsen, (14-15) de tumuli in het Twee Tommen Veld in Vorsen

M&LI 23


De nog bestaande Romeinse grafheuvels in Haspengouw meten tot circa 50 meter diameter en kunnen meer dan 10 meter hoog zijn. Sommige tombes liggen nu weliswaar verscholen in de bosrand, zoals in Genoelselderen, of maken deel uit van een Engels park zoals in Herderen, maar de meeste tumuli staan in het open veld te midden van de akkers en altijd op het hoogste punt in het landschap. We schetsen nu kort de toestand van elke grafheuvel in 2005-2006. De afmetingen van de tombes zijn ontleend aan Massart (8). Tumulus 1, de Herstappetom, ligt in Het Tom Veld langs de Hoeise Kassei in Lauw. Op de kaart van In de Herstappetom heeft een das een burcht gegraven die de laatste jaren sterk is uitgebreid (foto O. Pauwels)

Kruidvlier stond vroeger op de tumulus van Herstappe (foto E. Dupae)

24 I M

L

Ferraris wordt de tumulus vermeld als Tombe d'Herstappe. Overigens zijn alle tombes, behalve nummers 5 en 9, op de kaarten van Ferraris terug te vinden. De grafheuvel werd in 1895 opgegraven, zonder succes. Het is een grazige tumulus met enkele struiken en ligt te midden van de akkers. De grafheuvel is 7,6 m hoog en heeft 29 m diameter. Recent heeft de das een burcht in deze grafheuvel uitgegraven. Op een foto van 1949 is de tumulus volledig grazig, op één struik na. Op een foto van 1993 zijn al enkele struiken te zien, maar nog steeds is het aspect vooral grazig. In 1998 staan er al heel wat meer struiken, maar enkele jaren geleden werden die gelukkig grotendeels verwijderd.


Het perceel met de tumulus is met een haag afgeboord. Tumulus i is beschermd als monument en als landschap sinds 10 augustus 1976 en is eigendom van de gemeente Tongeren. Tumulus 2 van Gutschoven ligt eveneens in een Tomveld, een gemengd landbouwgebied van fruitteelt en akkerbouw en is volledig begroeid met gras. Kadastraal staat de tumulus aangeduid als Het graf van Gutschoven. Hij is 3,2 m hoog en heeft een diameter van 17,5- 20,5 m. De tumulus van Gutschoven is afgeboord met een gemengde haag van gele kornoelje, haagbeuk, sleedoorn en veldesdoorn. Deze beschermde tumulus werd enige jaren geleden volledig opgegraven (9), waardoor de vegetatie totaal vernield werd. De huidige grasmat werd vermoedelijk ingezaaid en is zeer soortenarm en banaal. Dat kan ook te wijten zijn aan het feit dat de tumulus gemaaid wordt, maar het maalsel niet wordt afgevoerd. Tumulus 3 in het TomveWvan Vechmaal was in 2005 haast volledig bebost. Naast een grote zomereik bevatte de houtige begroeiing gewone vlier, veldesdoorn, eenstijlige meidoorn, haagbeuk, hondsroos en één paardenkastanje. Hij is 4 m hoog en heeft een diameter van 18-20 m. De tumulus wordt afgeschermd met een haag van haagbeuk en gele kornoelje. Tumulus 3 is beschermd als monument en dorpsgezicht sinds 3 juli 1981 en is eigendom van de provincie Limburg. Tumulus 4 van Brustem, eveneens in het Tomveld gelegen, is volledig overgroeid met vooral gewone vlier. Hij bevat haast geen kruidachtige ondergroei en die wordt dan nog gedomineerd door grote brandnetel. Deze erg omvangrijke tumulus, mogelijk gaat het zelfs om twee grafheuvels, was vroeger 6-7 m hoog en zijn lengte werd geschat op 75 m, maar de grafheuvel werd zwaar beschadigd tijdens of na de Tweede Wereldoorlog. De tombe werd toen gebruikt om er munitie tot ontploffing te brengen. Nog steeds zijn er twee zeer diepe gaten te zien. Rond de site staat een vlierhaag met eenstijlige meidoorn, sleedoorn en geknotte essen in. Tumulus 4 is beschermd als monument en dorpsgezicht sinds 13 maart 1979 en is in privébezit. Tumulus 5, vlakbij het Provinciaal Instituut voor Biotechnisch Onderwijs in Tongeren, ligt enigszins verscholen achter de bebouwing te midden van de laagstamboomgaarden. In 2006 was deze tumulus nog volledig bebost met hazelaar, gladde iep, sleedoorn, eenstijlige meidoorn, aalbes, gewone vlier, gewone esdoorn, robinia, gewone es en één grote zomerlinde. In 2011 werd de tumulus echter volledig ontbost. Hij is 5 m hoog en de diameters aan de basis meten 29 m en 30 m. Een haag van haagbeuk

met wat gewone esdoorn, gewone es, gewone vlier, zomereik, eenstijlige meidoorn en bramen markeert de grens van het kadastrale perceel. Tumulus 5 is beschermd als monument en dorpsgezicht sinds 7 september 1979 en is eigendom van de gemeente Tongeren. Tumulus 6 van Koninksem ligt in het Tom Veld te midden van de akkers en bevat een grotendeels grazige vegetatie. Toch staan er ook 4 grote meidoorns en een grote es op de aarden hoop. Deze tumulus werd volgens Massart (10) in 1846 zwaar beschadigd toen de gemeente de grond van de heuvel gebruikte om wegen te herstellen. Nu is hij nog 11 m hoog en meet aan de basis 48 m tot 54 m. Een diepe geul leidt de bezoeker naar de top. Ook deze tumulus wordt met een haag van haagbeuk en gele kornoelje afgeschermd. Op de kaart van Ferraris staat de tumulus vermeld als de Hooge Tombe. Hij is beschermd als monument en dorpsgezicht sinds 7 september 1979 en is eigendom van de gemeente Tongeren. De tweede tumulus van Koninksem, tumulus 7, ligt in de akkers aan de rand van de bebouwing en grenst daardoor gedeeltelijk aan tuintjes. Het is een volledig grazige tumulus die niet met een haag omzoomd is. De boer ploegt daardoor tot aan de voet van de heuvel. De tumulus is 12 hoog en heeft een diameter van circa 43 m aan de basis. Ook hier is een circa 1 meter diepe erosiegeul te zien langs waar bezoekers de erg hoge grafheuvel beklimmen.

Op tumulus 7 in Koninksem is een erg diepe erosiegeul aanwezig waarlangs de bezoekers naar de top klimmen (foto O. Pauwels)

• * . .

I i* j ^ , . •

^t

.b

w

JJT-

•.

^^9^1

HE. ^fSi UIT

'M: 1VI&LI 25


V -

,

'Mm

.


De Drij lommen van Vorsen, waar in het kader van de ruilverkaveling spijtig genoeg een betonweg werd aangelegd tussen tumulus n en de tumuli 12 en 13. Daarbij werd zelfs een deel van tumulus 12 afgegraven

,

vpfp y

-

•

^

.

.

.

.

.

S*

»•«-

-\

h>mi

M LI 27


Op de kaart van Ferraris wordt de tumulus Kleyn Tombe genoemd. Tumulus 7, samen met tumulus 6, beschermd als monument en dorpsgezicht en is eveneens eigendom van de gemeente Tongeren. Naar tumulus 8 is het even zoeken. Hij ligt met name aan de rand van het Grootbos in Genoelselderen en staat op de kaart van Ferraris aangeduid als Tombe. Hij is te herkennen aan de zeer grote rode beuk, die duidelijk van ver in de bosrand opvalt. Op de grafheuvel staat verder veel taxus, maar van ondergroei viel tijdens het bezoek in 2005 weinig te bespeuren. Vanaf het wijnkasteel van Genoelselderen start een lange dreef die eindigt aan deze tumulus. In combinatie met de opvallende begroeiing van taxus en rode beuk lijkt het er sterk op dat hij ooit deel uitmaakte van het Engels park van het kasteel. Daarom wordt er zelfs aan getwijfeld of het hier wel om een Romeinse begraafplaats gaat, ook al werd de heuvel als tumulus beschermd op 1 augustus 1980. Hij is eigendom van de Vlaamse Gemeenschap en een das heeft hier, zoals bij tumulus 1, een (bij)burcht gegraven.

De grafheuvels 14 en 15 in Gingelom {foto O, Pauwels)

Ook de Gentombe van Herderen, tumulus 9, staat in een Engels parkbos en wordt omgeven door grasland. Pal op de top groeit een zeer grote zomerlinde, maar deze was bij een herbezoek in 2013 omgewaaid. Verder bevat de tumulus een dichte struiklaag en een

schaarse kruidlaag. Hij is 7 m hoog en heeft een diameter van 33 tot 35 m. Hij is in privébezit. Tumulus 10, de Avemassetom in het Tombe Veld in Montenaken, ook wel de Tombe van Montenaken genoemd, ligt te midden het open akkergebied en wordt in belangrijke mate overschaduwd door zomereik, gewone vlier, hazelaar, gewone lijsterbes en hondsroos. Hij is 6 m hoog met een diameter van 24,5 tot 28 m. Deze tumulus werd in 1864 onderzocht door Henri Schuermans, amateurarcheoloog, door middel van een naar het centrum toe smaller wordende galerij. Uit dat onderzoek bleek dat anderen hem al waren voor geweest en de tumulus in de vorige eeuwen leeggeroofd was. Overigens zijn de meeste tumuli in de i9 de eeuw opgegraven door middel van galerijen. Vele tumuli werden door het Franse leger geplunderd door middel van een verticale schacht, een zogenaamde Puits des Francais. Een dergelijke puit werd bijvoorbeeld aangetroffen tijdens de opgraving van de tumulus van Gutschoven. De Avemassetom is als monument en de omgeving als dorpsgezicht beschermd sinds 13 maart 1979. De tumulus is eigendom van de gemeente. Een geul leidt naar de top en in de tumulus zijn konijnenholen aanwezig.

De Drij Tommen, de nummers II, 12 en 13, liggen vlak bij elkaar in Vorsen/Kortijs langs de Tomben-


straat. Op de kaart van Ferraris noemt men dit trio Les Trois Tombes. Tombe n is 3,9 m hoog en heeft een diameter van 24,2 m tot 27,5 m. Hierop staan 5 hakhoutstoven van gewone essen, één grote zomereik en één grote populier. De kruidige vegetatie van deze grafheuvel wordt sterk overschaduwd door deze houtige begroeiing. Dit geldt ook voor tumulus 12. Hier schermen een grote populier, drie zomereiken, twee kleine gewone essen en enkele struiken het zonlicht af. Deze tumulus is 3,9 m hoog en meet 15,6 tot 19,6 m in diameter. Tumulus 13 tenslotte, de kleinste van de drie, heeft een ruige vegetatie met veel brandnetels. Vermoedelijk werden hier in 2004 of in 2005 alle struiken gekapt, op twee grote sleedooms na. Deze grafheuvel is 3 m hoog en meet 15,5 tot 17,4 m in diameter. Deze drie tumuli werden eveneens onderzocht door Henri Schuermans in 1862. Enkel de middelste grafheuvel leverde nog vondsten op; de overige tumuli waren leeg. De Dry Tommen zijn als monument en als dorpsgezicht beschermd sinds 13 maart 1979 en zijn eigendom van de gemeente Gingelom. Ook in tumulus 12 zijn konijnenholen aanwezig en in tumulus 13 is een zeer grote konijnenburcht aanwezig.

De grafheuvels 14 en 15 tenslotte, Les Deux Tomhes op de Ferrariskaart, vormen een tandem en liggen in het Twee Tommen Veld in Gingelom. In tumulus 14 hebben konijnen enkele holen gegraven. De ene is 3 m hoog en heeft een basis van 18 bij 22 m. De andere is ook 3 m hoog en heeft een diameter van 17 m en 20 m. Beide zijn volledig grazig - kruidachtig. Slechts één lage haagbeuk aan de voet van tumulus 14 zorgt voor wat schaduw. We vermoeden dat ook hier in 2004 of 2005 alle houtige soorten werden gekapt. Typische soorten van kapvlakten, met name gewoon wilgenroosje en boskruiskruid, lijken hier alvast op te wijzen. Eerder was dit ook al gebeurd, want Massart vermeldt in 1994 dat "de overtollige begroeiing werd onlangs verwijderd" (11). Ook de Twee Tommen werden onderzocht door Henri Schuermans, ditmaal in 1863.Ze waren echter al eerder leeggeroofd. De Twee Tommen zijn als monument en de omgeving als dorpsgezicht beschermd sinds 13 maart 1979 en zijn eigendom van de gemeente.

worden door bomen en struiken (tumuli 3, 4, 5, 8 en 9).

Flora Een eerste manier om naar de resultaten van het vegetatieonderzoek te kijken is door in te zoomen op de afzonderlijke soorten. In totaal werden 207 plantensoorten gevonden op de tumuli. De naamgeving van de soorten is volgens Lambinon, De Langhe, Delvosalle en Duvignaud (12). De meeste soorten, 146 van de 207 of 70%, staan slechts op 1 tot 3 tumuli, meerbepaald de grazige tumuli. Die groep van soorten met een beperkte verspreiding bevat bijna alle waardevolle soorten. De soorten met een ruime verspreiding zijn eerder banale ruigtesoorten. Als waardevolle soorten beschouwen we, volgens de Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest (13), de soorten met de sterkste achteruitgang in de periode 1972-2004 in vergelijking met de periode 1939-1971 zoals goudhaver, muizenoor en kleine ratelaar, daarnaast de Rode lijstsoorten uit de categorieën 'met verdwijning bedreigd' zoals smal fakkelgras en moeslook, en 'bedreigd' zoals kattendoorn, grote tijm en kleine ratelaar, en tenslotte de soorten met een kilometerhokfrequentieklasse (KFK-waarde) tot 4, gaande van zeer zeldzaam (waarde 2: duifkruid, gevinde kortsteel, groene bermzegge, voorjaarszegge), over zeldzaam (waarde 3: borstelkrans, kleine pimpernel, zachte haver) tot vrij zeldzaam (waarde 4: egelantier, gulden sleutelbloem, wilde narcis en ruige weegbree). Die waardevolle soorten, en het zijn er heel wat, staan alfabetisch opgesomd in de tabel. Het zijn bijna allemaal lichtbehoeftige planten gebonden aan

Op sommige grafheuvels staan Rode lijstsoorten, zoals de kleine ratelaar op tumulus 7 {foto E. Dupae)

De Haspengouwse tumuli overbrugden in 20052006 dus het hele spectrum van totaal verbost tot volledig open en grazig. Naar hun uiterlijk kunnen we in deze periode drie groepen onderscheiden: tumuli zonder houtige soorten, met enkel een kruidachtige vegetatie, hetzij grasland (tumuli 1, 2, 6 en 7) of ruigte ten gevolge van recente kapping (tumuli 13,14 en 15), tumuli die gedeeltelijk overschaduwd worden (tumuli 10, n en 12) en tenslotte de heuvels die volledig overschaduwd

IVl&L I 29


Tabel i De waardevolle soorten van de tumuli

Totaal aantal soorten (n= 207)

5

22

35

17

41

74

62

• • •

Gevinde kortsteel

•

•

Kleine pimpernel

Smal fakkelgras Voorjaarszegge

36

•

•

•

• • • •

• •

Wilde narcis Zachte haver

38

• •

Moeslook

Ruige weegbree

44

• •

• •

Kleine ratelaar

Muizeoor

41

•

Gulden sleutelbloem Kattendoorn

42

•

Groene bermzegge Grote tijm

64

•

Egelantier

Coudhave r

38

•

Borstelkrans Duifkruid

31

•

•

Tabel 2 Het gemiddeld aantal soorten per beschaduwingsgroep

Gemiddeld aantal soorten

Volledig grazige tumuli (tumuli 1, 6, 7)

Gedeeltelijk overschaduwde tumuli (tumuli 10, n , 12)

Grotendeels beschaduwde tumuli (tumuli 3, 4, 8, 9)

73 (n= 3)

49 (n=3)

30 (n=4)

graslanden. Op basis van het aantal waardevolle soorten zijn de tumuli 1 en 7 botanisch de belangrijkste, met respectievelijk 10 en 8 waardevolle soorten. De soortenrijkste tumulus is de grazige tumulus 1, die 85 soorten telt. De soortenarmste grafheuvel is de volledig beboste tumulus van Brustem en die telt slechts 17 soorten. Er is een duidelijke trend in soortenrijkdom waar te nemen: hoe meer beschaduwing, hoe minder soorten de tumulus bevat. In tabel 2 werden de volledig vergraven tumulus 2 en de recent ontboste tumuli 5,13,14 en 15 niet opgenomen in de analyse. Grosso modo tellen grazige tumuli minstens 60 soorten, gedeeltelijk overschaduwde heuvels 40 tot 60 soorten en sterk beschaduwde grafheuvels tot 30 soorten. Verbossing betekent dus, naar soortenaantal tenminste, een sterke floristische verarming. Gezien de kleine steekproef kan voorgaande uit-

30 I 1VI L

spraak statistisch wel moeilijk onderbouwd worden. We merken wel op dat bossen sowieso gemiddeld minder soorten bevatten dan graslanden. Verbossing van tumuli betekent niet alleen een sterke afname van het soortenaantal, maar het leidt ook tot een sterke afname van de natuurbehoudswaarde van de vegetatie, omdat de meeste waardevolle planten uit de tabel met de waardevolle soorten gebonden zijn aan niet beschaduwde standplaatsen.

Vegetatie Een tweede manier om naar de resultaten van het veldonderzoek te kijken is niet meer inzoomen op de afzonderlijke soorten, maar op het samen voorkomen van die soorten, m.a.w. op de vegetatietypes. Op basis van de soortenlij sten per tumulus en de jarenlange ervaring met de vegetaties van Haspengouw (14) werden de verschillende vegetatietypes op de tumuli bepaald. De vegetatietypologie is met andere woorden een deskundigenoordeel, vergelijkbaar met de wijze waarop de Biologische


Binnenkrant

Detail Christuskind uit iet glasraam Maria schenkt ut ordMctd aan Norbertus uit de collectie van de Yak University Art Gallery, nomenteel ondergebracht n de oostelijke pandgang van de Parkabdij foto M. Manderyck)

rm ÉHf'>''

^wfJ^i f

»/ÏGr/

WlmM m '^f Xk / flkS

w


Aan de hand van speurwerk in oude archieven en van veldwerk

Literatuur

op zoek naar getuigenissen, kaarten, oude foto's en zichtbare overblijfselen van menselijke activiteiten in het bos ging Sara Adriaenssens (VUB/UCent), in samenwerking met Kris Verheyen (UCent), na hoe de bossen doorheen de eeuwen gebruikt en

CU

Ö Ö •rH

PQ

> Mare De Borgher

beheerd werden en welke invloed de mens op het bos had. Bovendien vertellen deze gebieden, in het verleden beheerd door kloosterorden of edelen, ons meer over de levenswijze en de

OUDE BOSSEN IN DE ANTWERPSE KEMPEN

denkwereld van de mensen in deze regio. Het boek vertelt in een overzichtelijke, per bosgebied gelijk-

Van de Antwerpse Kempen heeft men vooral het beeld van dui-

lopende opbouw, de landschaps- en eigendomsontwikkeling, het

nen, helde en dennenbossen. Maar ook In deze regio zijn oude

gebruik en beheer, en de cultuurhistorische elementen, zowel de

bossen aanwezig. De mens heeft het hele landschap eeuwenlang

immateriële als de materiële. Immateriële elementen zijn bij-

bewerkt. Culturele en natuurlijke processen hebben geleid tot

voorbeeld toponiemen en sagen. Materiële elementen gaan over

wat het landschap nu is. Veel is in recente tijden uitgewist door

zeer diverse objecten zoals houtskoolmeilers (relicten van houts-

onder meer schaalvergroting en intensivering van het landge-

koolproductieplaatsen), vloeibeemden met bijhorende dijkinfra-

bruik en door bebouwing. Aan de hand van drie uitzonderlijke

structuur en stuwtjes, duikers en bruggen, boswallen, rabatten

bosgebieden waar deze processen minder vervaagd zijn, proberen de auteurs een beeld te schetsen van die geschiedenis. Een oud bos in Vlaanderen is namelijk veel meer is dan een mooi stukje natuur. In die oude bossen heeft de mens door de eeuwen heen vele vormen van gebruik en inrichting ingebracht die enerzijds een rijke variatie in de natuurlijke processen hebben veroorzaakt en anderzijds een eigen identiteit hebben gegeven. Dat is uitermate interessant voor de beheerder om te bepalen wat de meest geschikte beheersvorm is die moet toegepast worden voor de natuur in het bos en voor de identiteit van het bos. Het verduidelijkt ook aan welke zaken voldoende en gepaste bescherming moet geboden worden. Maar ook voor de bezoeker zijn de waarneembare gevolgen van die rijke geschiedenis een interessante bron van kennis van historische landschappen die

(evenwijdige ruggen en greppels voor aangepast bosbeheer), bezandingsgreppels, grachten en wegen met dreven, bedrijfsinfrastructuren zoals hoeven en boshuizen, vijverrestanten, vennen, houtkanten, hakhoutstoven (autochtone genenbronnen). Ook oudbosplanten refereren naar een rijke bosgeschiedenis. De heldere synthese van deze bevindingen vormt een meerwaarde voor het historisch landschapsbeeld van de regio. Als je dit boek gelezen hebt, kan je tijdens een wandeling in die bossen die cultuurhistorische sporen vrij zeker herkennen. Het kan ook een leidraad vormen voor de beheerder bij de organisatie van het recreatieve medegebruik binnen die waardevolle, maar tegelijk ook kwetsbare gebieden. De drie behandelde bossen zijn trouwens als landschap beschermd wegens hun wetenschappelijke, historische en esthetische waarde.

hij kan gaan ontdekken en waarvan hij kan genieten bovenop de prachtige natuur.

In een laatste hoofdstuk worden de oude Kempische bossen,

In het boek worden op een overzichtelijke, begrijpbare en goed

hun karakteristieken, evenals de voorkomende gebruiken en het

geïllustreerde manier drie uitzonderlijke oude bosgebieden, met

beheer met elkaar vergeleken. Tevens wordt de bebossing en de

name het Zoerselbos, Crotenhout en Peerdsbos vanuit verschil-

bosgeschiedenis vergeleken met bossen in Vlaanderen.

lende invalshoeken benaderd. Die interdisciplinaire aanpak levert

Vanuit dat oogpunt is het hier besproken boek voor de Antwerp-

belangrijke inzichten op over het bosverleden van de Antwerpse

se Kempen een aanvulling op Bossen van Vlaanderen, Historische

Kempen.

ecologie. Dat boek is een basiswerk In dit genre, maar het is beperkt tot de bespreking en bestudering van de regio van het oude Graafschap Vlaanderen, het oude hertogdom Brabant en het oude graafschap Henegouwen.

De auteurs besluiten het boek terecht met een pleidooi voor een goed beheer van het cultuurhistorisch bos. Dat zal de waardering voor en het voortbestaan van die waardevolle landschappen zeker ten goede komen.

ADRIAENSSENS Sara en VERHEYEN Kris, Oude bossen van de Antwerpse Kempen, uitg. Davidsfonds, Leuven, 2013. ISBN 978 90 5826 865 5 Prijs: €39,95


Studiedagen

te kunstenaars uit deze periode hadden een academische achtergrond en hadden geen ervaring met schilderen op steenachtige ondergronden vandaar dat de zoektocht naar duurzame technieken een belangrijk thema werd. Die zoektocht leidde soms tot het ontwikkelen van nieuwe materialen zoals de

> Els Jacobs

minerale verf van Keim. Deze verf wordt tot op heden nog veel gebruikt voor het uitvoeren van muurschilderingen.

WTA-STUDIEDAC IN MAASTRICHT OVER WAND- EN PLAFONDSCHILDERINGEN

Collega Anna Bergmans (erfgoedonderzoeker Onroerend Erfgoed, Docent Interieurgeschiedenis Universiteit Cent) gaf in een zeer gesmaakte lezing een duidelijk overzicht van de waar-

Op 26 april 2013 vond de jaarlijkse studiedag plaats van WTA

devolle muur- en plafondschilderingen in Vlaanderen. Aan de

Nederland-Vlaanderen (Wetenschappelijk-Technische groep

hand van enkele relevante voorbeelden, religieus en profaan,

voor Aanbevelingen inzake bouwrenovatie en monumenten-

van de middeleeuwen tot heden toonde ze de diversiteit en het

zorg). De studiedag met als thema Wand- en Plafondschilderin-

belang van onze muurschilderkunst aan.

gen ging door in de historische zalen van de Croote Sociëteit in

In 1975 werd een speciale afdeling voor historische interieurs

Maastricht en werd druk bijgewoond. De sprekers gingen elk

opgericht binnen de Vlaamse administratie. Sinds dan is veel

vanuit hun kennis en ervaring in op de diverse en soms inge-

werk op gebied van onderzoek, kennis en restauratie uitge-

wikkelde problematiek van muur- en plafondschilderingen.

voerd. In de eigen publicaties van de administratie werd altijd veel aandacht besteed aan de muurschilderkunst, wat leidde tot

Angelique Friedrichs (Stichting Restauratie Atelier Limburg

zeer interessante referentiewerken.

SRAL) bood een overzicht van de muur- en plafondschilderin-

Muurschilderingen hebben op de eerste plaats een decoratief

gen in Nederland van de middeleeuwen tot het Interbellum

karakter maar daarnaast vaak een specifieke betekenis.

waarbij ze Maastricht, locatie van de studiedag en relatief rijk

Door iconografisch, historisch en kunsthistorisch onderzoek

aan muurschilderingen, als uitgangspunt koos. De middel-

kan die betekenis achterhaald worden. Zo kunnen de schilderin-

eeuwse schilderingen bleven het best bewaard in kerkelijke

gen geplaatst worden in hun tijd en hun artistieke context.

gebouwen omdat deze meestal hun functie hebben behouden

Daarbij zijn de schilderingen rechtstreeks verbonden met het

in tegenstelling tot burgerlijke gebouwen die meer onderhevig

gebouw. De typologie varieert naargelang de functie van dat

waren aan ingrijpende verbouwingen. De schilderingen uit deze

gebouw en evolueert in de loop van de tijd. Een aantal voor-

periode zijn meestal fragmentarisch bewaard en zijn soms

beelden werden aangehaald om dit te verduidelijken gaande

eeuwenlang verborgen gebleven onder overschilderingen.

van de romaanse figuratieve koorschildering, de middeleeuwse

Verder onderzoek is zeker nodig. Wat de gebruikte bindmidde-

steenschildering en de voorstellingen van patroonheiligen of

len betreft blijven nog veel vragen onbeantwoord. Schilderingen

heiligen die aangeroepen werden voor bepaalde ziektes, het

uit de i7 d ' eeuw zijn eerder zeldzaam, wat o.a. te maken heeft

eigen karakter van de iconografie van de muurschilderingen in

met het feit dat de plafondschilderingen meestal op houten

begijnhofkerken en de renaissanceschilderingen in zowel bur-

planken werden geschilderd. In de i8 de eeuw werd veel gewerkt

gerlijke als religieuze context.

met wandbespanningen in doek en ook de plafondschilderin-

In de i9 de eeuw werd de middeleeuwse schilderkunst heront-

gen werden meestal uitgevoerd op doek.

dekt en gerestaureerd. Daarom zijn de I9de-eeuwse decors vaak

Muurschilderingen worden dikwijls verkeerdelijk fresco's genoemd maar er zijn in Nederland maar twee voorbeelden van fresco's gekend (i7de en i8 de eeuw) en beide zijn gemaakt door schilders afkomstig uit landen waar deze techniek traditioneel beoefend werd. Vanaf de tweede helft van de i9 de eeuw werd opnieuw meer geschilderd op steenachtige ondergronden en er zijn dan ook meer schilderingen bewaard uit deze periode, waarbij natuurlijk verwezen werd naar architect Cuypers (zie verder) die zijn schilderingen niet beperkte tot de wanden en plafonds maar doortrok op meubels en andere interieurelementen. Daarnaast werden ook prachtige beschilderde stucplafonds ontworpen. Spijtig genoeg zijn vele neogotische

zo verwant aan de middeleeuwse. De verwevenheid van interieurdecoratie en kunstwerk werd dan weer aangetoond met het voorbeeld van het beschilderd appartement van de kunstenaar Jozef Peeters. Bernard Delmotte (conservator-restaurateur) deed uitgebreid verslag van de restauratie van de gewelfschilderingen van de Sint-Cerlachuskerk in Houthem, niet ver van Maastricht. De frescoschilderingen zijn van Johann Adam Schöpf en dateren uit 1751, bijna een kwart eeuw na de bouw van de kerk. Ze vormen met de architectuur een Cesamtkunstwerk, kenmerkend voor de barok. Er werd uitgebreid ingegaan op de techniek

schilderingen verloren gegaan omdat ze lange tijd als lelijk

en de opbouw van de schilderingen en hun restauratiegeschie-

beschouwd werden. Pas in de jaren 1980 werden ze opnieuw

denis. Omstreeks 1800 stortte een belangrijk deel van het

gewaardeerd en gerestaureerd. Daarbij werd natuurlijk het

geweifin. Het werd herbouwd en opnieuw geschilderd in 1810

recent gerestaureerde Rijksmuseum vernoemd. Ten slotte wer-

in seccotechniek, maar in een veel zwakkere vormentaal dan

den de schilderingen van het interbellum besproken. De mees-

het origineel. In 1872 werden gewelven en wanden volledig


ö ö

opnieuw geschilderd in olieverftechniek. In 1962 werd, uitslui-

tweede overschildering onder de nu verwijderde plaatjes

tend als preventieve maatregel, een raster van koperen schroe-

werden weggenomen. Op het geschilderde deel van 1810 werd

ven en plaatjes op regelmatige afstand door de beschildering

ook de slijtage weggeretoucheerd. De bepleistering werd waar

en de bepleistering aangebracht. In 1970 werden de overschil-

nodig geconsolideerd en ook de rugzijde werd gerestaureerd.

deringen verwijderd en werden de originele schildering en de

De verschillende lacunes in de pleisterlaag werden opgevuld

CU

aanvullingen van 1810 weer zichtbaar. De schilderingen werden

met een leemmortel, vermengd met gekapt strohaksel, identiek

ö

gerestaureerd maar zwaar bijgeschilderd.

aan de oorspronkelijke samenstelling. De in 2003 ontstane

Bij aanvang van de recente restauratie werd een conditierapport

lacune in het deel van 1810 werd hersteld op traditionele wijze

• 1—I

van de schildering opgemaakt. De achterliggende structuur was

door het aanbrengen van gerecupereerde eikenhouten rinkellat-

over het algemeen in vrij goede staat. De meest storende zicht-

ten en een ruwlaag, een raaplaag en een schuurlaag van kalk en

bare zaken waren het schroeven raster en een repetitief patroon

zand met toeslag van dierlijke vezels.

van donkere en lichtere zones van vervuiling die overeenkwamen met de verschillende materialen van de achterliggende

Rob van Hees (TNO/TU Delft, voorzitter College van Deskundi-

draagstructuur. Daarnaast was er natuurlijk nog onzichtbare

gen Restauratiekwaliteit) gaf een lezing over de restauratie van

schade aan de rugzijde en in de bepleistering.

de Sint-Servaaskerk en meer bepaald over de ontwikkelingen in de restauratievisie.

Er werden verschillende restauratieopties geformuleerd en

De Sint-Servaaskerk ingehuldigd in 1039 heeft gedurende haar

uiteindelijk werd geopteerd voor de optie met behoud van het

geschiedenis een hele reeks veranderingen en verbouwingen

meeste oorspronkelijke materiaal. Daarbij werden de verschil-

ondergaan. Grote delen gaan terug tot de romaanse periode

lende opeenvolgende lagen van de bepleistering behouden

maar het huidige uitzicht is in belangrijke mate bepaald door

maar ook de verankering met schroeven. De schroeven werden

twee grote restauratiecampagnes, namelijk die van Cuypers uit

om esthetische redenen dieper ingeschroefd en de gaten ge-

einde I9 de - begin 20ste eeuw en die van Hoogevest en Satijn uit

vuld en geretoucheerd met de trattegg/o-methode. De schilde-

de jaren 1981-1993. In deze lezing werd vooral ingegaan op de

ring werd droog gereinigd en de storende restanten van de

restauratie van het zeer belangrijke Bergportaal. Dit portaal

Detail Bergportaal Sint-Servaaskerk, Maastricht (foto R. De Graef)


vormt samen met het zuidportaal van de kathedraal van

Anne van Grevenstein (emeritus hoogleraar Universiteit van

Lausanne het enige I3de-eeuwse portaal met sporen van oor-

Amsterdam) benadrukte in haar lezing over de restauratie van

spronkelijke polychromie. Zoals gezegd kende de kerk in haar

de Oranjezaal (bouw 1648-52) in het paleis Ten Bosch vooral

geschiedenis vele aanpassingen. In de gotische periode werd

het belang van de multidisciplinaire aanpak bij een restauratie.

de kathedraal uitgebreid en het Bergportaal toegevoegd.

De samenwerking tussen verschillende vakspecialisten, restau-

In de I4de en i5de eeuw werden zijkapellen bijgebouwd en in de

rators, chemici, historici, bouwhistorici, fotografen en anderen

16^ eeuw werd ten behoeve van een beiaard een middentoren

is een must om een complexe restauratie tot een goed einde te

op de westbouw gebouwd. De Servaaskerk was lange tijd kapit-

brengen. Zonder die samenwerking zouden waardevolle ele-

telkerk, in 1804 werd ze parochiekerk.

menten verloren gaan omdat het kunstwerk soms facetten kan hebben die alleen door vakspecialisten herkend worden.

In de tweede helft van de ig0' eeuw vond, na een periode van

Aan de hand van de casestudy van de Oranjezaal in het paleis

verwaarlozing, een ingrijpende restauratie plaats onder leiding

Ten Bosch werd duidelijk dat deze restauratie er wellicht heel

van architect Cuypers. Behalve de noodzakelijke technische

anders en misschien veel armer had uitgezien zonder de multi-

ingrepen (zoals vervanging van steen; de kerk was bijna uit-

disciplinaire aanpak.

sluitend in mergelsteen opgebouwd) werd de restauratie van

Normaal is onderzoek met infrarood licht alleen interessant

Cuypers vooral gekenmerkt door het streven naar eenheid en

voor paneelschilderingen maar hier bracht dit veel gegevens

zuiverheid van stijl in het gerestaureerde gebouw. De meeste

aan het licht. Met UV-fluorescentieonderzoek werden oude

toevoegingen van na de middeleeuwen werden drastisch

restauraties zichtbaar.

verwijderd of vervangen in neoromaanse of neogotische stijl. De middentoren van 1770 bijvoorbeeld werd vervangen door

Op een van de beschilderde muren was een paneel op doek

een hoge toren in neogotische stijl, die in de ogen van Cuypers

geschilderd. Dit paneel had een deurfunctie en werd door de

beter paste bij de romaanse onderbouw. Deze toren ging in

restauratiespecialisten 'hout' en 'schilderij op doek' aangepakt.

1955 verloren in een brand.

Binnen de groep van muurschilderingenrestaurateurs werden

In 1981 volgde dan een tweede ingrijpende restauratie waarbij

sommige bijvoorbeeld zeer bekwaam waren om overschilderin-

verschillende gebreken zoals scheuren en zouten aan het licht

gen weg te nemen met scalpel en andere met chemische

kwamen. De neogotische muurschilderingen in schip en koor

middelen. In een paar zones konden de lichte nuances in de

specialisten met verschillende achtergrond ingezet waarbij

werden op brutale wijze verwijderd en vervangen door iets dat

schaduwpartijen alleen gered worden door chemische produc-

op een reconstructie van de laatmiddeleeuwse situatie moest

ten. In de architectuur lopen details van de muurschildering

lijken. De kritiek die hierop ontstond, samen met het bouw-

verder over het houten basement. Zonder constante samen-

historische en bouwtechnisch onderzoek, leidde tot een

werking waren dergelijke details misschien verloren gegaan.

genuanceerdere aanpak voor de laatste fase van de restauratie. Uit het technisch onderzoek bleek dat, wat het Bergportaal

Na de middagpauze volgde een bezoek aan de Sint-Servaaskerk

betreft, naast de natuurlijke verwering en luchtvervuiling ook

onder leiding van stadsgidsen van wisselende 'kwaliteit'.

slecht onderhoud van goten, met waterinsijpeling tot gevolg, en het onvoldoende weren van vogels aan de oorzaak lagen van

Hilde De Clercq (KIK) gaf een lezing over vooronderzoeken ter

de schade, namelijk verpoedering van natuursteen, uiteenvallen

ondersteuning van materiaal-technisch haalbare conservatie-

van zwakke delen met materiaalverlies en uitstulpingen onder

restauratieopties.

de polychromie. Er werden monsters genomen en onderzocht

Het is geweten dat zouten schade kunnen veroorzaken aan

op de aanwezigheid van verschillende zouten en gezocht naar

steenachtige materialen. Afwisselende cycli van oplossing en

een aangepaste techniek voor steenversteviging. In de relatie

kristallisatie kunnen hierbij kristallisatiespanningen veroorza-

tot de risico's van vocht en zouten werd gekozen voor een

ken in de poriënstructuur met als gevolg verpoedering en ver-

aanpak waarbij alleen de aangetaste delen zouden behandeld

kruimeling of zelfs afstoten van een volledige oppervlaktelaag.

worden. Als steenverharder werd gekozen voor ethylsilicaat.

Voor de gedetailleerde uiteenzetting van de verschillende zou-

en aanzien van het binnenklimaat werd ervoor gekozen om het

ten en hun gedrag verwijzen we naar de syllabus van de studie-

portaal van buiten af te sluiten.

dag (zie website van de WTA). Wat alleszins duidelijk werd is dat klimaatregeling van het hoogste belang is om schade te

Aanvankelijk was het niet duidelijk of de polychromie van

vermijden. In het kader van een Europees onderzoeksproject

Cuypers dan wel een oudere fase zou worden geconserveerd.

werd een computerprogramma ECOS {Environmental Control of

Door de eerder genoemde kritiek in verband met het verwijde-

Salts) ontwikkeld dat het gedrag van zoutmengsels voorspelt en

ren van de schilderingen in het schip kwam men tot een discus-

waaruit vervolgens klimaatomstandigheden worden afgeleid

sie waarbij beslist werd de polychromie van Cuypers te behou-

waarbij minimale zoutschade optreedt. Dit systeem laat toe om

den en het Berglokaal op basis van de kleurstelling te restaure-

voor een specifiek geval de veilige grenzen van RV en tempera-

ren maar enkele van de beelden met oudere polychromie in

tuur te definiëren waarbij nauwelijks zouttransities optreden en

vrijgelegde toestand te behouden.

zodoende weinig kans op zoutschade.


ö ö

Aan de hand van twee casestudies, namelijk een muurschilde-

zen gereconstrueerd worden en de lunetten ingevuld met grif-

ring in de Sint-Niklaaskerk in Cent en in een kapel van de O.L.V.-

fioenen. De eigenaar had graag de lege nissen opgevuld met

kathedraal van Antwerpen, werd de toepasbaarheid en haalbaar-

wapenschilden maar dit zou niet passen in dit geheel. Als com-

heid van de theorie getoetst aan de werkelijkheid. Welke zijn de

promis zouden de wapenschilden kunnen aangebracht worden

ideale klimatologische omstandigheden voor de schildering en

in één muurnis waarover geen gegevens qua invulling bestaan.

zijn die ook zo ideaal voor de andere interieurelementen? Kan er

Ten slotte werd gewezen op de duurzaamheid van de gebruikte

hoe dan ook klimaatbeheersing worden toegepast, en zo niet is

materialen en technieken voor de renovatie en restauratie van

zoutextractie dan een eventuele oplossing?

Paushuize.

Claudia junge-Dijkman (restaurator, Fort De Bilt) stelde de

Op deze studiedag werden vier posters gemaakt over de werk-

restauratie van de balzaal van Paushuize (1571) in Utrecht voor.

zaamheden van het team Onderzoek in functie van beheer van

Het gebouw kende een aantal verbouwingen met in 1830 de

het agentschap Onroerend Erfgoed. Er werd gekozen voor vier

realisatie van de spiegel- of balzaal. Met het oog op de restaura-

uiteenlopende onderzoeken en/of restauraties door dit team: de

tie werd een bouwhistorisch en kleurhistorisch onderzoek uit-

conservatie van het modernistisch beschilderd appartement van

gevoerd. Zo kwamen nog delen van de I9deeeuwse interieur-

Jozef Peeters in Antwerpen, het onderzoek van de beschilderde

afwerking van de balzaal aan het licht. Op basis van het uitge-

gotische bouwfragmenten uit de O.L-Vrouwebasiliek van Tonge-

breid kleurenonderzoek werd een restauratievoorstel geformu-

ren, de ontdekking en de restauratie van de middeleeuwse schil-

leerd dat teruggaat naar de tweede decoratieperiode van deze

deringen in de Sint-Janskerk van Mechelen en de restauratie van

zaal in neo-Pompejaanse stijl. De eerste decoratie uit 1830

de muurschilderingen in de voormalige pastorie van Meerhout.

bestond uit een lichte marmerimitatieschildering die zonder nuances over de hele zaal was aangebracht. Het onderzoek van de tweede afwerking uit 1888 werd vergemakkelijkt door het bestaan van een historische foto. Het kleurbeeld en de decoraties van deze tweede afwerking met de hoge zwarte lambrisering en de donkerrode muren met engelenfiguren in lichte

Deze studiedag beloofde zowel in te gaan op de principiële keuzes, beslissingsprocessen, diagnosestelling als op de praktijkoplossingen en uitvoeringstechnieken, geïllustreerd aan de hand van diverse praktijkvoorbeelden. Een belofte die ruimschoots werd ingelost.

kleuren zijn duidelijk geïnspireerd op voorbeelden van Pompejaanse muurdecoraties waarbij sommige delen rechtstreeks op de muren en andere op gelijmde doeken waren geschilderd. Rond 1930 heeft men de doeken verwijderd en de zaal in wit met gouden accenten geschilderd.

De afweging om niet de oorspronkelijke maar de tweede afwerking te herstellen heeft te maken met het feit dat tijdens de

> Aukje De Haan

STUDIEDAC IN TILBURG OVER REVITALISERING VAN KANAALZONES

ontmanteling veel van de tweede afwerking zichtbaar was geworden. Een tweede reden is het bijzondere, het unieke karakter

Op 28 juni 2013 organiseerde het Netwerk Historisch Cultuur-

van de afwerking. Niet alle elementen konden gereconstrueerd

landschap in Tilburg haar jaarlijkse zomermiddag over de her-

worden (onder andere door het ontbreken van de beschilderde

waardering van kanaalzones. Het is een Nederlands netwerk

doeken) maar verder onderzoek bood nieuwe inzichten over de

van personen die zich beroepshalve of vanuit hun persoonlijke

omgang met de lacunes. Het maken van een proefreconstructie

belangstelling interesseren voor het historisch cultuurland-

vormde daarbij een onmisbare schakel in het besluitvormings-

schap. De afgelopen jaren werden studiedagen georganiseerd

proces. Na goedkeuring van de proefzone werd de restauratie

over onder meer laagveenontginning in West-Nederland, de

van de zaal aangevat. De nog aanwezige oorspronkelijke

dijk en energie in het landschap. Vanuit het agentschap Onroe-

elementen werden vrijgelegd, gefixeerd en geretoucheerd en

rend Erfgoed gingen de onderzoekers landschap en industrieel

ontbrekende delen werden waar mogelijk gereconstrueerd.

erfgoed, Aukje De Haan en Maarten Van Dijck, samen met

De ontbrekende elementen zoals de twee friezen en de negen

beheersconsulente industrieel erfgoed Leni Thiers ter plaatse.

lunetten van de boognissen werden ingevuld met een neutrale kleur. In een laatste fase werd gewerkt aan het samenbrengen

Het is geen toeval dat de revitalisering van kanaalzones in

van reconstructie en oorspronkelijke afwerking. Bij een van de

Nederland aandacht trekt. Nederland is immers bij uitstek een

laatste overlegmomenten werd de neutrale kleur van de ontbre-

kanalenland. In de loop van de eeuwen werd een uitgebreid

kende delen als storend ondervonden. Ondertussen was er

netwerk van hoofd- en zijkanalen uitgebouwd. Op en rond de

historisch fotomateriaal gevonden waarop de ontbrekende

kanalen ontstond een hele economische bedrijvigheid.

informatie van friezen en lunetten zichtbaar was. Op basis van

De transportinfrastructuur en de daaraan gelinkte bedrijvigheid

de twee teruggevonden doeken van de lunetschildering was het

en industrie bleven tot het midden van de 20ste eeuw redelijk

mogelijk om het kleurgebruik en de schildertechniek te bestu-

intact. Daarna trok de traditionele industrie weg, verdween de

deren. Er werd een nieuw voorstel geformuleerd op basis van

binnenvaart en vervielen de kanaalzones, met pakhuizen,

het gevonden historisch materiaal waarbij de ontbrekende frie-

fabrieken en silo's.


Aan het eind van de 20s,e eeuw nam de aandacht voor oude

Akke de Vries, die haar masterthesis schreef aan de VU Amster-

kanalen toe door de groei van de recreatievaart, die op enkele

dam, belichtte het erfgoed op en rond de kanalen aan de hand

plaatsen, vooral buiten de steden, voor herwaardering zorgden.

van het verhaal van de binnenvaart. Ze verwees naar het con-

In de meeste steden bleven echter de vroegere industriële

cept 'erfgoedlijn' dat door de provincie Zuid-Holland gebruikt

zones probleemgebieden, onder andere door versnipperd

wordt om verschillende erfgoed relicten aan elkaar te linken via

beheer, leegstand en gebrek aan visie op de toekomstige ont-

een geografische structuur. De Zuid-Willemsvaart, die ze in

wikkeling. De World Canals Conference, die in 2011 in Groningen

haar lezing als illustratie gebruikte, is volgens baareen derge-

werd gehouden, bracht de oude kanalen in Nederland opnieuw

lijke erfgoedlijn waarbij de binnenvaart het verbindende verhaal

onder de aandacht. De slotdeclaratie, Groninger Declaration,

vormt. In deze conceptie omvat de binnenvaart zowel het water,

brak een lans voor de uiteenlopende waarden van de kanalen in

de vracht en de schepen als het landschap dat eraan gelinkt is.

de stad en op het platteland. Deze waarden kunnen de drager

De havens en sluizen waren voor de schippers belangrijke

worden van ruimtelijke, economische en sociale revitalisering.

plaatsen waar een deel van hun leven en werk plaatsvond. Op deze plaatsen ontstonden cafés, restaurants, winkeltjes,

Tijdens de studienamiddag in de Piushaven van Tilburg werd

maar ook bedrijven die gelinkt waren aan de waterlopen.

dit thema verder uitgewerkt In vier lezingen over de Nederlandse situatie. Deze vond plaats aan boord van de Terra Nova, het

Irene Curruli, als onderzoeker werkzaam bij de TU Eindhoven,

verenigingsschip van de Landelijke Vereniging tot Behoud van

ging verder in op de situatie van de vijf Brabantse steden

het Historisch Bedrijfsvaartuig (LVBHB). Die vereniging zet

(Breda, Tilburg, Eindhoven, 's-Hertogenbosch en Helmond) die

zich in om historische bedrijfsvaartuigen te bewaren. De Terra

alle op zoek zijn naar oplossingen voor de vaak problematische

Nova werd in 1928 gebouwd als vrachtschip type 'luxe motor'.

havengebieden binnen de stad. Deze vijf steden zijn met elkaar

Het schip vormde een decor dat de link tussen het roerende en

verbonden door de kanalen, maar elke stad heeft een andere

onroerende erfgoed moest symboliseren.

relatie met het water. In sommige steden ligt het kanaal figuurlijk onzichtbaar aan de rand van het centrum terwijl het water

Michiel Cerding van het Historisch Adviesbureau Drenthe gaf

op andere plaatsen de stad in tweeën deelt. De provincie, ge-

in zijn lezing een overzicht van de ontwikkeling van het kana-

meenten, de Technische Universiteit van Eindhoven en verschil-

lenstelsel in Noord-Nederland. Dit kanalenstelsel, met op het

lende gastadviseurs werden betrokken bij het multidisciplinaire

hoogtepunt circa 6000 km kanalen, ontwikkelde zich over

onderzoek van deze gebieden. Zodoende kwam een grondige

verschillende eeuwen in nauwe relatie met de veenwinning.

analyse van de verschillende havengebieden tot stand en werd

Na de Tweede Wereldoorlog raakten honderden kilometers

op zoek gegaan naar een globale visie en daaruit voortvloei-

buiten bedrijf. De kanalen slibden dicht of werden bewust

ende concrete inrichtingsvoorstellen. Hierbij bleek het zeer

gedempt. Zo ook het kanaal tussen Emmen en Ter Apel, dat

belangrijk niet op zoek te gaan naar één aanpak, maar voor elke

recent ten behoeve van de pleziervaart hersteld werd en op

plaats een eigen plan op te maken, gebaseerd op de lokale

8 juni 2013 in gebruik werd genomen als het Koning Willem-

kwaliteiten en karakteristieken.

Alexanderkanaal. Dit kanaal zorgt ervoor dat de pleziervaart opnieuw een 'Rondje Drenthe' kan varen en de waterverbinding

Ludo Hermans, stedenbouwkundige van de gemeente Tilburg,

richting Duitsland werd hersteld.

beschreef de geschiedenis van de herontwikkeling van de Piushaven in Tilburg. De herwaardering van de haven was een project waarmee reeds in de jaren 1990 werd aangevat. Het bleek

De Terra Nova, het verenigingsschip van de Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig in Tilburg (foto A. De Haan)

een project van lange adem waarbij op verschillende manieren werd gepoogd om greep te krijgen op het gebied. De oorspronkelijke plannen bleken te rigide te zijn. Het huidige plan bevat veel mogelijkheden tot herziening en biedt aan de projectontwikkelaars voldoende ruimte voor eigen inbreng. Er werd een kwaliteits- en planningsteam in het leven geroepen om de verdere ontwikkeling van de deelgebieden op te kunnen volgen.

Afsluitend deed Peter Nijhof, specialist industrieel erfgoed van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, enkele suggesties voor de toekomstige aanpak van kanalen en kanaalzones. Hij wees op de noodzaak om de kanaalzones op een meer flexibele manier aan te pakken dan in het verleden het geval was. Hij benadrukte de noodzaak om te zoeken naar een ruim draagvlak, zowel op het lokaal, regionaal als landelijk niveau. De herwaardering van kanaalzones moet voor Nijhof ondersteund worden door interdisciplinair onderzoek, waarbij historische geografie een be-


ö ö Ö Ö

langrijke rol kan spelen. De relatie roerend (de vaartuigen) en

als Vlaanderen speelt de landbouw ook vandaag nog een be-

onroerend erfgoed (het kanaal zelf) is hierbij een aandachts-

langrijke rol in het behoud van de schaars geworden open

punt. Afsluitend wees Nijhof op de World Canals Conference die

ruimte, maar ook in het continueren van het historisch cultuur-

van 16 tot 19 september 2013 in Toulouse zal doorgaan. Op de

landschap. Het huidige landschap werd immers voornamelijk

conferentie, die al aan haar 26"' editie toe is, zullen de geschie-

vorm gegeven vanaf de Grote Ontginningen (pakweg de ii d e -

denis, de economie en het beheer van kanalen in relatie tot

12^ eeuw), en ook vanaf de late i9 de eeuw waarbij de grote

erfgoed centraal staan.

regionale verschillen inzake landbouw en landschap steeds kleiner werden. De indeling van landbouwpercelen, de structuur van landbouwwegen en afwateringsgrachten, de inplanting,

• i—i

PQ

typologie en morfologie van hoeves, het micro-reliëf in het land-

-> Aankondiging studiedag

schap en de restanten van houtkanten en andersoortige houtige perceelsomheiningen sluiten vaak rechtstreeks aan bij deze eeuwenoude landbouwpraktijken. Anderzijds bedreigen de

y Inge Verdunnen

modernisering, schaalvergroting en mechanisering in de landbouw steeds vaker de historische 'leesbaarheid' van het agrarisch landschap.

LANDSCHAPSCONTACTDAC MET ALS THEMA LANDBOUW EN LANDSCHAP

Om het cultuurhistorisch belang van de landbouw correct te kunnen valoriseren in een toekomstgericht landschapsbeleid, dienen we te beschikken over een duidelijk inzicht in de

Tijdens de 8s"5 Vlaamse landschapscontactdag op 4 oktober

structuur en werking van de regionale landbouw. Inzicht in de

2013 in Melsele (Beveren) zal het onderzoek naar de genese en

historische landbouw kan leiden tot een beter begrip van de

dynamiek van het Vlaamse cultuurlandschap centraal staan.

landschapsontwikkeling en van de talrijke landbouwgebonden

Dit uniek platform biedt de mogelijkheid om recente onder-

relicten die nog steeds in het landschap aanwezig zijn.

zoeksmethoden en -resultaten omtrent landschapsgenese voor

Het regionale perspectief vormt daarbij het uitgangspunt: de

te stellen. Daarnaast is er ook ruimte voor discussie en uitwis-

typologie en functies van de hoevegebouwen, de keuze voor

seling van kennis en ideeën om de interactie en samenwerking

bepaalde teelten, de verhouding akkerbouw-veeteelt, de grootte

tussen verschillende invalshoeken en disciplines in landschaps-

van het bedrijf, de marktgerichtheid van de landbouw, het be-

onderzoek te versterken. Dit jaar ligt de focus op de relatie tussen landbouw en landschap. Zelfs in de meest verstedelijkte delen van de wereld bleef land-

Veldweg in het historisch open akkercomplex van het Hoksent, Hechtel-Eksel (foto I. Verdurmen)

bouw de belangrijkste economische activiteit tot diep in de moderne tijd. Ook in een dichtbevolkte en volgebouwde regio

Historische boerderijsite op de Blijlever te Peer (foto I. Verdunnen)

^ÉÉÉÉ


ii.45 u

Veerle Lauwers (Wingense Archeologische Dienst) & Carlo Jengember (Erfgoedonderzoeker), Potstallen en plaggenlandbouw in Noordelijk Hageland

12.15U

Guus J. Borger (Vrije universiteit Amsterdam), De toekomst van het historische landschap, een reflectie

12.3011

Broodjeslunch

13.30U

Tim Soens (Universiteit Antwerpen) & Ewald Wauters (Technum Tractebel Engineering NV), Wie zit te wachten op agrarisch erfgoed? De noodzaak van een geïntegreerde visie op historische

Windmolen Ten Hengst, Maarkedal (© Onroerend Erfgoed)

hoeves in hun landschappelijke context. Casus: de Wase Scheldepolders

lang van houtige elementen, de relatie met niet-agrarische

14U

Excursies (max 50 deelnemers per excursie)

activiteiten (proto-industrie), de gebruikte technieken.

Excursie 1: De Wase Scheldepolders, grootschalige

Deze waren sterk regionaal verschillend en resulteerden in heel

polderlandbouw in een gecontesteerd landschap

contrasterende landschappen, van de kleinschalige en versnip-

(Kieldrecht-Doel-Prosperdorp) (Tim Soens en

perde Binnen-Vlaamse bocagelandschappen tot de bolle akkers

Ewald Wauters)

van het Waasland, de heide-beemden-plaggenlandbouw van de

Excursie 2: Bolle akkers in het Waasland, geleide

Kempen, de Brabantse en Haspengouwse akkerbouwdorpen

wandeling in de vallei van de Barbierbeek

gedomineerd door een beperkt aantal grote pachthoeves, etc. Het samenbrengen van het verleden van de landbouw en de

(Lies Vervaet en Erik Thoen) i6.30-i8u

Afsluitende receptie

ontwikkeling van het landschap vormt een uitdaging voor elke landschapsdeskundige, historisch-geograaf, historicus, landschapsarcheoloog of ruimtelijke planner met interesse voor het verleden en de toekomst van het agrarische landschap in Vlaanderen. De landschapscontactdag streeft ernaar de interactie en

Praktische info

samenwerking tussen verschillende invalshoeken en disciplines in landschapsonderzoek te versterken.

Deze landschapscontactdag gaat door op vrijdag 4 oktober 2013 in het Ontmoetingscentrum (OC) Boerenpoort, Sint-Elisabethstraat 31 A in 9120 Melsele (Beveren). Inschrijven kan tot 27 september met het digitale inschrijvingsformulier op: inschrijvingen@onroerenderfgoed.be Geef aan welke excursie je verkiest. Een inschrijving is pas geldig na betaling van € 30

gu

Ontvangst en registratie

9.30U

Verwelkoming

op rekeningnummer BE42 7350 0886 2754 ' • ' • * UA Faculteit Letteren met referentie SC20iii3 Landschaps-

9.35U

Erik Thoen (UCent), Key Note: Regionale land-

contactdag + naam en voornaam.

bouwsystemen en landschap in Vlaanderen in de 10.15U

Middeleeuwen en het Ancien Régime

De Achtste Landschapscontactdag is een initiatief van het

Brecht Demasure (Centrum Agrarische Geschie-

agentschap Onroerend Erfgoed i.s.m. Ename Expertise-

denis) &Yves Segers (Interfacultair Centrum

centrum voor Erfgoedontsluiting vzw; Erfgoedcel Waasland;

Agrarische Geschiedenis, KU Leuven), Heide,

Gemeente Beveren; Katholieke Universiteit Leuven,

bos en varkens. Landbouw en landschap in het

Onderzoekseenheid Middeleeuwen; Universiteit

Bulskampveld sinds 1750

Antwerpen, Departement Geschiedenis; Universiteit Gent,

10.45U

Koffiepauze

Vakgroep Geografie &. Vakgroep Geschiedenis;

11.15U

Gundula Müldner (University of Reading), Kate

Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Kunstwetenschappen &.

Britton (University of Aberdeen) & Anton Ervynck

Archeologie.

(Onroerend Erfgoed), De chemie van het schaap.

Het programma vind je ook op de website van Onroerend

Dierenbotten, stabiele isotopen en het verhaal van

Erfgoed: www.onroerenderfgoed.be

schoren en polders


ö

De i7 de eeuw was een welvarende tijd voor de Parkabdij in

Varia

Heverlee. Zowel spiritueel als economisch beleefde ze een bloeiperiode. De gebouwen en de schitterende interieurs werden toen hersteld, uitgebreid en verfraaid. De centrale plek bij

Ö Ö Ö 10

uitstek in een norbertijnerabdij is het kloosterpand, een vierkante open ruimte met pandgangen er omheen, die de verbin-

> Madeleine Manderyck

ding maken tussen de verschillende abdijgebouwen. Elke kloosterling kwam er dagelijks voorbij. De vernieuwing van de pand-

ACHT 17DE-EEUWSE GLASRAMEN KEREN UIT AMERIKA TERUG NAAR DE PARKABDIJ IN HEVERLEE

gangen behoorde tot de eerste verbouwingsfase; gestart in 1561

In naam van het Corpus Vitrearum, de internationale weten-

raam toonde een episode uit het bewogen leven van deze

schappelijke organisatie die zich bezig houdt met de inventari-

bisschop, die in 1120 een eerste abdij had gesticht in Prémontré

was de nieuwe pandgang volledig klaar in 1635. Om hulde te brengen aan de ordestichter, de H. Norbertus bestelde Abt Jan Maes onmiddellijk 41 gebrandschilderde glasramen. Elk glas-

satie en de studie van de monumentale glasschilderkunst, werd

(Frankrijk) om uiteindelijk aartsbisschop van Maagdenburg te

op een persconferentie van 3 juni een toelichting gegeven over

worden.

het I7de-eeuwse glasramenensemble van de Parkabdij, meer in

Omdat het om een zo belangrijke reeks historische glasramen

het bijzonder over de geschiedenis van de acht glasramen die

gaat kregen de Parkramen al ruime aandacht van onderzoekers

recent uit Yale University Art Gallery in de Verenigde Staten naar

als Eduard Van Even, Jean Helbig en van de Amerikaanse Ellen

hun oorspronkelijke locatie terugkeerden.

Shortell. Uit dat onderzoek is gebleken dat de voorstellingen

Zijn er nog veel historische glasramen in Vlaanderen?

boekje dat in 1623 was uitgegeven door de Chrisostomos Van-

Jean Helbig, conservator van de Koninklijke Musea voor Kunst

der Sterre, prior van de Antwerpse Sint-Michielsabdij. De gravu-

en Geschiedenis in Brussel en oprichter van het Corpus

res van Theodoor Calle waren naar ontwerpen van de schilder

rechtstreeks gebaseerd zijn op de Vita Sancti Norberti, een

Vitrearum in België, publiceerde in 1943-1951 de eerste weten-

Maarten Pepijn, waarvan een exemplaar in de abdij wordt

schappelijke inventaris van de historische glasramen in België;

bewaard. Om die gravures picturaal om te zetten in gekleurde

hij becijferde dat er in ons land ongeveer 300 oude glasramen,

glasramen werd er, blijkens de rekeningen bewaard in het abdij-

dat zijn die van vóór de i9

de

eeuw, in situ bewaard gebleven

archief, een beroep gedaan op de ervaren Leuvense glasschilder

zijn. Dat is een fractie van wat ooit onze monumenten sierde.

Jan de Caumont. Deze kunstenaar was in 1577 geboren in Doul-

Historische glasramen zijn dus schaars, alhoewel Vlaanderen

lens (Frankrijk), maar was sinds 1607 al ingeschreven in Leuven

in de i5de tot 17* eeuw een van de belangrijkste productiecentra

waar hij trouwde met Anne Boels, dochter van een bekende

in Europa was. Als er nu dus acht glasramen terugkomen - dat

glasschilder. Aan de ramen voor de Parkabdij werkte de

is de eerste keer dat het zo massaal gebeurt - is dit wel betekenisvol.

Caumont 9 jaar, van 1635 t o t 1644- Het was zijn belangrijkste opdracht. Voor andere Leuvense kerken maakte hij ook glasramen, ondermeer voor het alexianenklooster (nu in M Museum) en voor de Sint-Pieterskerk, waar nog een fragment bewaard is.

Bewonderende blikken voor één van de glasramen (foto Stad Leuven)

De Caumont vatte elk raam op als een soort van altaarportiek met centraal een scène uit het leven van Norbertus. De compositie is kleurrijk en bevolkt met vele kleine figuren, geplaatst in een landschap met gebouwen; links en rechts staan telkens twee meer monumentale figuren, norbertijnse heiligen en zaligen. In het archief zijn tekeningen bewaard voor deze figuren, ze zijn zeer waarschijnlijk toe te schrijven aan de Caumont. Bovenaan is telkens een medaillon met een abtswapen waarnaast hoornen des overvloeds en fruitguirlandes het tafereel als het ware omsluiten. Onderaan staat er telkens een verklarend Latijns vers, een distichon, opgesteld door een monnik van de abdij, Eustachius de Pomereux. De figuratieve compositie tekent zich aftegen een achtergrond van wit glas-in-lood in verschillende geometrische patronen. Dit zorgde voor meer licht in het interieur en ook een doorzicht naar buiten, iets wat in de middeleeuwse architectuur niet gewenst was, maar in de i7 d ' eeuw stilaan opgang maakte. Volgens de historische gegevens die momenteel beschikbaar zijn, wordt er aangenomen dat de glasramen oorspronkelijk


chronologisch waren opgesteld te beginnen bij De geboorte van

Brussel en twee andere in particuliere collecties in België.

Norbertus in de oostelijke pandgang tegenover de sacristie om

Het grootste deel is nog in de Verenigde Staten. Dat is toch wel

dan, kloksgewijs te eindigen met de voorstelling van Norbertus,

een bijzondere geschiedenis. Glasramen en andere oude kunst

vereerd als apostel van het H. Sacrament in de noordelijke pand-

werden daar vanaf de i9 de eeuw immers graag aangekocht om

gang, eveneens bij de sacristie. De levenscyclus volgde zo het

representatieve interieurs in de 'Nieuwe Wereld' een voorname

verloop van de zon te beginnen bij de zonsopgang in het oos-

status te geven, liefst verbonden met de cultuur van het 'oude

ten met De geboorte om te eindigen aan de noordkant.

Europa', waar zich vaak ook de roots bevonden van de rijk

Jan de Caumont werkte de centrale taferelen zeer kleurrijk en

geworden Amerikaanse zakenlui en bankiers. Het contrast

gedetailleerd uit. Hij gebruikte veel helder, wit glas, waarop hij

tussen de oude glasramen en de moderne skyscrapers kan niet

met contour- en grisailleverven de tekening en het modelé heel

groter zijn!

precies aanzette, zilvergeel kwam op de buitenzijde, waarna

Zo reisde de New Yorkse architect Stanford White in 1902-1905

een eerste brand de verf haar karakteristieke bruine kleur gaf;

naar Europa en kocht kunstwerken en ook zeer veel glasramen

daarna kwamen transparant en opaak sanguinerood, maar ook

om huizen, appartementen en kantoren aan te kleden.

blauwe, paarse en groene emails, heel delicate kleuren, die

De meeste glasramen uit de Parkabdij die nu in de Verenigde

moeilijk te branden waren en die snel te zwaar en ondoorzich-

Staten zijn, kwamen via hem daar terecht. Dat is ook het geval

tig werden, technisch een hoogstandje. Het loodpatroon volgt

voor de acht glasramen die nu uit Yale terugkomen, waar ze via

hoofdzakelijk een recht verloop, wat de indruk van een schilde-

een schenking in 1942 in het depot terecht gekomen waren.

rij versterkt. Opmerkelijk is dat er hier en daar ook gekleurde

Dankzij de Amerikaanse Corpus Vitrearum Checklists zijn de

glasstukken verwerkt zijn.

meeste van die glasramen gerepertorieerd en bestudeerd, maar een deel van de glasramen die nadien, tussen 1907 en 1943 van

De Caumont hanteerde een specifieke, eigen stijl. Het alge-

eigenaar verwisselden in Amerika, blijven zoek.

mene opzet van de composities was eerder traditioneel, verder

Een aantal glasramen kwamen in de 20iK eeuw terug naar

bouwend op de i5de- en i6de-eeuwse stijl van de Vlaamse Primi-

Heverlee. Het betreft drie glasramen in bezit van de familie

tieven met veel kleine figuren in oplopende landschappen met

Allard-Dansaert, wiens vader alle glasramen had aangekocht in

groenpartijen en gebouwen. Maar hij was ook een uitstekend

1828. Deze werden circa 1850 ingewerkt in hun kasteel in Ukkel

tekenaar-glasschilder met een briljante schilderkunstige tech-

en daar in 1956 opnieuw gedemonteerd omdat het kasteel werd

niek. Zijn stijl is heel persoonlijk, ver verwijderd van Antwerpse

afgebroken. Na heel wat pogingen om de glazen te verkopen

tijdgenoten zoals Abraham van Diepenbeeck en Jan De Labaer.

(ondermeer via Jean Helbig aan de KMKG) en na grote om-

Hun figuren waren heel levensecht en uitdrukkingsvol, rechts-

zwervingen in Amerika, schonk de familie Allard ze uiteindelijk

reeks geïnspireerd door de monumentale Italianiserende stijl

aan de Parkabdij, waar ze uiteindelijk in 1971 toekwamen.

van Rubens. Het glasraam wedijverde met de schilderkunst! Bij de Caumont geen grootse, emotievolle bewegingen, maar eerder statische figuren, die tot in detail zijn uitgewerkt.

Ze werden herplaatst in de oostelijke pandgang. Ze stellen De bekering van Norbertus, Norbertus en Bernardus geven raad aan keizer Lotharius en De tweede aanslag op het leven van Norbertus voor.

Tot het einde van de Franse tijd bleef het glasramenensemble

Dit waren echter niet de eerste glasramen die terugkwamen

vrij ongeschonden bewaard en overleefde als bij wonder de

vermits er in 1937 al een schenking was door J. Nieuwenhuys

plunderingen door de Franse bezetter. In 1797 werd de abdij

uit Brussel. Hij leverde het glasraam Norbertus vereerd als apos-

genationaliseerd en haar bezittingen werden verkocht.

tel van het H. Sacrament gewoon afin de abdij en schreef er

Noodgedwongen verlieten de norbertijnen hun abdij, maar vrij

ironisch bedoeld een briefje bij: "Je délivre d domicile". De inte-

snel kwamen de kanunniken opnieuw in bezit van de gebou-

resse voor deze historische ramen was toen bij de abdijge-

wen. De toestand was echter zo onzeker dat zij in 1828 beslis-

meenschap slechts lauw. Het distichon hoort waarschijnlijk bij

ten om de 41 glasramen samen met een deel van de inboedel te

een van de glasramen uit Yale (tafereel 23). In 1993 konden de

verkopen aan de Brusselse reder en handelaar Jean-Baptiste

Vrienden van de Abdij twee centrale taferelen aankopen:

Dansaert. Rond 1853 kwamen de glasramen terecht bij zijn drie

Norbertus ter verering opgebaard en De relieken van Norbertus

dochters en van dan af aan gebeurde er een echte diaspora.

overgebracht naar Praag. Ze werden op een veiling bij Sotheby's

Panelen werden uit elkaar gehaald, in andere opstellingen

in New York te koop aangeboden. Na restauratie door restaura-

geplaatst en in verschillende onderdelen herhaaldelijk doorver-

teur Joost Caen werden de panelen herplaatst in de oostelijke

kocht, een ingewikkeld kluwen. Vandaag zijn er zes glasramen

pandgang. In 2005 kwam deze op het spoor van het distichon

en één distichon in de oostelijke pandgang samengebracht.

horende bij Norbertus geneest een blinde vrouw. De Vrienden van

Acht ramen uit Yale komen er nu bij. Van de 41 glasramen zijn

de Abdij kochten het en het werd ook in de oostelijke pandgang

er nu dus 14 terug in Leuven.

opgesteld.

Waar zijn de overige glasramen? Zonder in detail te gaan toch

In mei 2013 kwam er dan per vliegtuig uit Yale een heel belang-

het bijzonderste daarover. Twee glasramen bevinden zich in de

rijke zending aan: acht centrale panelen en heel wat fragmenten

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG) in

uit de collectie van Yale University Art Callery. Zij stellen voor:


u

Ö Ö Ö • 1—1

PQ 12

Norbertus vindt in Keulen de relieken terug van de H. Gereon (© Yale University Art Gallery) Norbertus wordt tijdens het preken in het aangezicht gespuwd,

offertevraag om een onderzoeker/onderzoeksteam aan te stel-

Norbertus vertrekt op apostolaat, Norbertus drijft de duivel uit.

len. De totaliteit van de glasramen van de pandgang zal daarbij

Wijding van Norbertus tot aartsbisschop van Maagdenburg, Nor-

bekeken worden; ook de studie van bronnen en iconografie en

bertus ontvangt van de H. Maagd het ordekleed, Norbertus vindt

het materieeltechnische en restauratietechnische onderzoek

in Keulen de relieken terug van de H. Cereon, Norbertus bij paus

staan op het programma. Dit vooronderzoek kan allicht nog dit

Celasius II, Norbertus stelt Hugo de Fosses voor als zijn opvolger.

jaar van start gaan.

De aankoop en de terugkeer was mogelijk dankzij de aangehou-

In het verleden werd er geen rekening gehouden met de moge-

den inspanningen van velen. Onder impuls van de Vrienden

lijkheid om de hele cyclus te herplaatsen. Vandaag komt die

van de Abdij, meer in het bijzonder Leo Janssen en Edgard

droom iets dichterbij. De restauratie en herplaatsing overeen-

Goedleven, en met medewerking van Paul Van Schoors,

komstig het oorspronkelijke iconografische programma lijkt

Herman Portocarero en Joost Caen kwam Yale University tot de

dan aangewezen.

overtuiging dat de terugkeer naar de plaats van oorsprong, de

Dat dit alles past in het ambitieuze revitaliserings- en restaura-

beste keuze was voor deze fragiele kunstwerken uit hun depot,

tieproject van de hele abdijsite, waarvoor de Vlaamse regering,

glasramen die bovendien restauratie behoefden. Het belang

met name minister Bourgeois en de stad Leuven extra midde-

voor het Vlaamse kunstpatrimonium werd onderschreven door

len hebben vrijgemaakt, geeft dit glasramenproject nog meer

de Vlaamse Topstukkenraad en dankzij minister Schauvlieghe

glans. Het Corpus Vitrearum Vlaanderen is verheugd dat het

en het Topstukkenfonds konden de acht glasramen aangekocht

glasramenpatrimonium hierbij de aandacht krijgt die het ver-

worden. De stad Leuven neemt ze nu in bewaring en zal ze

dient. Felicitaties en ook dank daarvoor, want investeren in

opnieuw integreren in de pandgang van de Parkabdij.

dergelijke ambitieuze projecten is geen evidentie.

Welke zijn de toekomstperspectieven? Een belangrijke weg werd reeds afgelegd en met succes bekroond, maar er is nog veel werk voor de boeg. Om het project van herintegratie en

Madeleine Manderyck is erfgoedconsulent interieur bij

restauratie van het ensemble van de glasramen in de toekomst

Onroerend Erfgoed en voorzitter van het Vlaams Comité

in goede banen te leiden stelde het architectenbureau Studio

Corpus Vitrearum

Roma, in opdracht van de stad Leuven, een bestek op voor een


> Maarten Van Dijck

In de voetsporen van de landverhuizers Het museum is gevestigd in de historische havenloodsen van de Red Star Line.

GESCHIEDENIS VAN DE RED STAR LINE

Hier ondergingen de landverhuizers een

Het Red Star Line Museum opent op 28 september 2013 zijn

werd hun bagage gedesinfecteerd. De

deuren. Het museum vertelt het verhaal van de vele Europese

loodsen in de Montevideostraat zijn

migranten die tussen 1873 en 1934 hun geluk gingen zoeken in

inmiddels beschermde monumenten.

de VS en Canada. Het verhaal begon voor heel veel mensen in

Het Red Star Line Museum vertelt het

de havenloods van de rederij Red Star Line aan de Rijnkaai in

verhaal van miljoenen Europeanen die

Antwerpen, waar nu het museum wordt gevestigd.

alles achterlieten en vertrokken op zoek

medische en administratieve controle en

naar geluk en een beter leven.InhoudeDe nieuwe wereld trok velen aan die een beter leven zochten.

lijk volgt het museum de verschillende

In de ig ' eeuw was nog veel landbouwgrond beschikbaar en de

etappes van de af te leggen reis. Ver-

industrie smeekte om werkkrachten. Het afschaffen van de

spreid over twee verdiepingen worden

6

emigratiebeperkingen en de opkomst van stoomschepen maak-

acht thematische omgevingen inge-

ten de Amerikaanse droom ook praktisch haalbaar. In de jaren

richt: een reisbureau in Warschau, een

1930 werd de VS een toevluchtsoord voor vluchtelingen uit

treincoupé, de stad Antwerpen, het Red

nazi-Duitsland. Albert Einstein, op de vlucht voor de nazi's, was

Star Line gebouw, het dek van een oce-

wellicht de meest beroemde passagier van de Red Star Line.

aanstomer, het leven aan boord van het schip, de aankomst op

De reis begon voor veel mensen in een havenloods van de Red

Ellis Island in New York en de nieuwe toekomst in de VS.

Affiche Red Star Line (© MAS I Museum aan de Stroom)

Star Line in Antwerpen. In 1873 w e r c l de Amerikaans-Antwerpse

Het Red Star Line Museum kijkt bovendien verder dan de ge-

Société Anonyme de Navigation Beige-Américaine opgericht.

schiedenis en brengt ook verhalen over hedendaagse migratie.

Vanwege de vlag met rode ster werd de rederij al snel bekend

Migratie is universeel en van alle tijden. De bevolking van

als de Red Star Line. Tussen 1873 en 1934 reisden meer dan

Antwerpen, en bij uitbreiding elke plek ter wereld, werd

twee miljoen passagiers met de oceaanstomers van de Red Star

gevormd door migratie over de eeuwen heen. In een eerste

Line over de Atlantische oceaan. De passagiers gingen aan de Rijnkaai aan boord van de oceaanstomers. Op het hoogtepunt vertrokken er elke week twee schepen van de legendarische rederij. De schepen hebben 1.000 tot 1.500 passagiers aan boord. Het zijn overwegend emigranten, maar gaandeweg gaan ook de eerste - welgestelde - toeristen mee. Het waren vooral Oost-Europeanen, soms ook Duitsers en Belgen. Ongeveer 200.000 van de twee miljoen passagiers had de Belgische nationaliteit. De meeste Belgische landverhuizers waren mannen tussen 18 en 30 jaar oud en waren afkomstig van Oost- en West-Vlaanderen en Henegouwen.

museumzaal wordt het Red Star L/ne-verhaal gesitueerd binnen de geschiedenis van migratie. Een tijdlijn vertelt de geschiedenis van de mensheid aan de hand van twintig persoonlijke verhalen van 'people on the move'. Aan het einde van het rijk geduide parcours worden de toeschouwers opnieuw uitgenodigd tot reflectie. Een ruimte gewijd aan hedendaagse migratieverhalen reflecteert over de nieuwe transitplaatsen in de stad. De kunstfilm Dance van Hans Op de Beeck vormt een laatste halte voor de toeschouwers het museum weer verlaten. In de kennishoek kunnen de bezoekers een persoonlijke zoektocht naar de migratiegeschiedenis in hun familie starten. Persoonlijke migratieverhalen kunnen de steeds groeiende collectie verder ontwikkelen.

Het grootste schip van de rederij was de SS Belgenland II, een steamervan 27.200 ton die in 1923 werd afgeleverd door de werf van Harland en Wolffuit Belfast. De Belgenland II was met

Een belevingsgericht museum

zijn 212 meter het vlaggenschip van de Red Star Line rederij.

Centraal in het museale parcours staan de persoonlijke getuige-

Het schip vervoerde 500 passagiers in eerste klasse, 500 in

nissen van passagiers van de Red Star Line. Authentieke getui-

tweede en 1500 in derde klasse. De passagiers in de luxueuze

genissen, sfeervolle beelden, een sprekende scenografie en

eerste klasse konden gebruik maken van de salons, danszalen,

selecties van originele en persoonlijke objecten creëren de sfeer

het Turks stoombad en het zwembad. De landverhuizers in

van de reis zoals die door de gemiddelde Europese landverhui-

derde klasse moesten het tijdens de overtocht van tien dagen

zer aan het begin van de twintigste eeuw werd beleefd. Er wordt

met veel minder luxe stellen. Aanvankelijk werden ze vervoerd

ingezoomd op de verwachtingen, de hoop, de ontgoochelingen

in het donkere en slecht verluchte ruim van het schip.

en de successen. Door middel van een reeks interactieve multi-

Later verbeterden de omstandigheden door de introductie van

mediale toepassingen leven de bezoekers mee met de passa-

vierpersoonshutten en een aparte eetzaal.

giers van weleer. Wanneer de bezoekers de tentoonstelling verlaten worden ze

In 1934 ging de Red Star Line failliet. Na de Eerste Wereldoorlog

uitgenodigd om de uitkijktoren te beklimmen. De toren weer-

schroefde de Amerikaanse regering de immigratie drastisch

spiegelt de ervaring en emotie van de reizigers die van op de

terug.

boeg van een schip uitkeken naar een nieuwe toekomst.


De bezoekers van het museum krijgen zo een volkomen nieuw

Strategisch Basis Onderzoek. Het project is gestart op 1 januari

perspectief over de stad en de rivier.

2013 en heeft een looptijd van 4 jaar. Het wordt integraal gefinancierd door het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie. We lichten dit project (rationale, doelstellingen, partners, eindgebruikers) graag even toe.

Ö

Deze tekst is een bewerking van het persbericht en de achtergrondnota van het Red Star Line Museum.

Rationale

Het Red Star Line Museum bevindt zich aan de

Terwijl de zorg voor het terrestrische archeologisch erfgoed

•i-H

Montevideostraat 3 in 2000 Antwerpen en is open

wereldwijd op heel veel plaatsen wettelijk is geregeld, ontbreken

PQ

vanaf 28 september 2013.

een degelijke regeling en wettelijk kader voor archeologisch

Meer info op www.redstarline.be

erfgoed in zee vooralsnog in belangrijke mate ondanks de goe-

en http://professionals.redstarline.org

de wil en dito intenties. Wanneer er al een degelijke regeling

ö H

bestaat voor erfgoed in zee dan is deze vaak vooral toegesneden op scheeps- en andere wrakken. Het is een belangrijke uitdaging om ook met begraven of verdronken landschappen op een goede manier om te gaan. Al te gemakkelijk wordt nog steeds voorbij gegaan aan het feit dat de zuidelijke Noordzee en bij uitbreiding heel wat zeegebieden wereldwijd in een groot deel van de prehistorie droog lagen.

> Mamix Pieters De drie belangrijkste doelstellingen van het project zijn: 1. De ontwikkeling van een snelle en kwaliteitsvolle methodiek

ARCHEOLOGISCH ERFGOED IN DE NOORDZEE/ARCHAEOLOGICAL HERITAGE IN THE NORTH SEA

voor het inschatten van het archeologisch potentieel van op zee doorwerken geaffecteerde gebieden. De ontwikkeling van deze methodiek is in de eerste plaats een technologisch verhaal. Aan de hand van een aantal testsites zullen de beschikbare techno-

Op 19 juli 2012 werd een projectaanvraag met de titel 720003:

logieën worden ingezet, uitgetest en waar nodig en mogelijk

Archeologisch erfgoed in de Noordzee/Archaeological Heritage in the North Sea. Ontwikkeling van een efficiënte evaluatiemethodologie en voorstellen tot een duurzaam beheer in België / Development of an efficient assessment methodology and approach towards a sustainable management policy and legal framework in Belgium goedgekeurd door de raad van bestuur van het agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT). De projectaanvraag werd ingediend dooreen projectconsortium met 6 partners en kaderde binnen het maatschappelijk programmadeel van de SBO oproep 2011-2012. SBO staat voor

Zand afkomstig van het Belgisch continentaal plaat op een werf in Oostende (foto S. Van Haelst)

Baggerschip op weg naar een stortzone na activiteit in de haven van Zeebrugge (foto S. Van Haelst)


aangepast. Een belangrijk aspect hierbij is de data-integratie en data-visualisatie. Verder is het de ambitie om een generieke

ai

methodologie te ontwikkelen die voor alle zeegebieden met een enigszins vergelijkbare ondergrond bruikbaar is, die dus met

Bij deze wil ik graag de redactie van M&,L bedanken voor

andere woorden ook toepasbaar zal zijn buiten het deel van de

de geboden mogelijkheid om dit project kort voor te stellen

Noordzee onder Belgisch toezicht.

en wil graag meteen een oproep doen aan de lezers van M & l om eventueel door hen gekende erfgoed gerelateerde

2. De voorbereiding van een duidelijk beleid en een wettelijke

vondsten uit zee (van vissers, van baggeraars, van zand-

omkadering met betrekking tot archeologisch erfgoed in het

winners, van op het strand,...) te signaleren aan het pro-

door België beheerd deel van de Noordzee en gebaseerd op de

jectteam (sven.vanhaelst@rwo.vlaanderen.be ofine.de-

inzet van de onder i vermelde methodologie. Het beheer van

merre@rwo.vlaanderen.be) binnen het agentschap Onroe-

het onderwatererfgoed dient duurzaam en transparant te zijn.

rend Erfgoed. Alle informatie omtrent vondsten gedaan in

Het dient ook geïntegreerd te worden in de ruimtelijke planning

het verleden is van belang en zal ongetwijfeld bijdragen tot

op zee evenals in het kustzonebeheer.

de kwaliteit van het eindresultaat van dit project. Ook voor

3. Het onderwatererfgoed beter bekend maken bij de verschil-

bij beide personen. We hopen met dit project een belang-

bijkomende inlichtingen omtrent dit project kan u terecht lende belanghebbenden en het brede publiek is een derde doel-

rijke bijdrage te kunnen leveren aan het duurzaam beheer

stelling. Dit gaat onder andere over het aanmaken van handlei-

van erfgoed aanwezig in het deel van de Noordzee onder

dingen en richtlijnen, gebaseerd op best practices, voor omgang

Belgisch toezicht en op de aangrenzende stranden en

met vondsten op zee. We willen echter dat onze activiteiten niet

havengeulen in Vlaanderen.

beperkt blijven tot het produceren van documenten die in een lade van een bureau blijven steken. Door het nauwe contact

Auteur Marnix Pieters is hoofdadviseur maritiem en onder-

met de belanghebbenden gaan we ervoor trachten te zorgen

water erfgoed bij het Agentschap Onroerend Erfgoed

dat deze handleidingen vooral door de belanghebbenden zelf gedragen worden en ook daadwerkelijk gebruikt worden. We gaan de interactie met de diverse actoren op zee met andere woorden niet uit de weg.

y Evelien Oomen

Projectconsortium Het projectconsortium is samengesteld uit 6 partners en twee onderaannemers. Het Renard Centre of Marine Ceoiogy (RCMC)

LAUREATEN VAN DE VLAAMSE MONUMENTENPRIJS 2013

van de universiteit Cent is de projectcoördinator. Verder is de Universiteit Cent nog vertegenwoordigd door het Maritiem

Op 8 juli 2013 maakte Vlaams minister van Onroerend Erfgoed,

Instituut en het departement Ceografie. Het departement Ceo-

Ceert Bourgeois, de vier laureaten bekend van de Vlaamse

logie en Ceofysica van Deltares (Nederland) is de vierde part-

Monumentenprijs 2013. De laureaten zijn C-Mine of de voorma-

ner. Aan Vlaamse kant is er verder ook het Vlaams Instituut

lige mijnsite van Winterslag in Cenk, de Sint-Dionysiuskerk in

voor de Zee (VLIZ) en tot slot ook het agentschap Onroerend

Sint-Denijs-Westrem (Cent), CC de Crote Post in Oostende en

Erfgoed. Twee partners hebben een onderaannemer. RCMC

Villa Elza op de Zeedijk in Wenduine (De Haan). De laureaten

heeft Innomar (een maritiem technologiebedrijf uit Rostock,

zijn stuk voor stuk typevoorbeelden van goed beheer, van vak-

Duitsland) als onderaannemer en het agentschap Onroerend

kundige restauratie met inbreng van nieuwe technieken.

Erfgoed heeft het Raymond Lemaire International Centre of

Op 2 september 2013 wordt één van hen de ultieme winnaar

Conservation (RLICC) van de Universiteit Leuven als onderaan-

van de Vlaamse Monumentenprijs 2013.

nemer. Binnen het agentschap Onroerend Erfgoed zijn drie collega's van nabij betrokken bij dit project: Sven Van Haelst, Ine Demerre en Marnix Pieters.

VLAAMSE MONUMENTENPRIJS 2013 De minister kent de prijs elk jaar toe aan een privé- of overheidsinitiatief met bijzonder belang of belangrijke verdiensten

Eindgebruikers

op het vlak van monumentenzorg, landschapszorg of archeolo-

De groep van eindgebruikers is zeer uitgebreid en omvat de

gie. Zowel beschermd als niet-beschermd waardevol erfgoed

maritieme overheid (zowel federaal, Vlaams, provinciaal als

komt hiervoor in aanmerking. Deze prijs zet de zorg voor

gemeentelijk), de havenautoriteiten, defensie, de maritieme

onroerend erfgoed in de kijker en wil draagvlak creëren. De vier

industrie (energiesector, aggregaat winning, baggersector,...),

laureaten werden na een brede oproep en jurering door de

de visserij, de toeristische sector, de wetenschappelijke wereld

Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen

(archeologie, geologie, natuur, milieu, geografie, maritiem

(KCML) geselecteerd uit in totaal 21 geldige kandidaturen. Elke

recht,...) en de sector natuur en milieu. Erfgoed komt met al die

laureaat krijgt € 2.500 en de winnaar ontvangt daar bovenop

eindgebruikers in contact.

nog eens € 12.500.

<D

c fl •i-H

PQ 15


*—I

We stellen de laureaten van de Vlaamse Monumentenprijs 2013

f-rj

aan u voor:

u ^H H

Sint-Dionysiuskerk in Sint-Denijs-Westrem (Cent) De neogotische kerk werd gebouwd ter vervanging van het in 1845 gesloopte romaanse kerkje en is vooral gekend om het neogotische polychrome interieur, uitgevoerd door het kunst-

C-Mine of de voormalige mijnsite van Winterslag in Genk

atelier Bressers-Blanchaert uit Maaltebrugge. De kerk werd

~l

De geschiedenis van Winterslag begint in het jaar 1901 wanneer

zwaar beschadigd tijdens de Eerste Wereldoorlog en is nadien,

Ü

voor de eerste keer de kolenlaag in de Limburgse ondergrond

deels soberder, opnieuw geschilderd.

3

wordt aangeboord. In 1917 startte de productie van steenkool in

De restauratie van het exterieur werd al in 1995 beëindigd.

2Q

Winterslag. Exact 25 jaar geleden, In 1988, werd de mijn geslo-

De kerk wordt genomineerd voor de restauratie van het

ten en de productie gestopt. In 1993 werden 11 van de oor-

interieur.

jg

spronkelijk 45 gebouwen en relicten beschermd als monument. De stad Genk kocht de site in 2001 aan. Na grondig historisch

De restauratie van het interieur van de Sint-Dionysiuskerk werd

onderzoek startte het stadsbestuur met de restauratie en herbe-

tot laureaat verkozen omwille van het goede beheer van het

stemming van de gebouwen.

onroerend erfgoed. Voorafgaand aan de restauratie van het

C-Mine werd tot laureaat gekozen omwille van het goede be-

tie omvatte het behoud en het reinigen, vrijleggen en retouche-

interieur vond een grondig vooronderzoek plaats. De restauraheer van het onroerend erfgoed. De nog resterende machines,

ren van de oorspronkelijke schilderingen, waarbij gebruik werd

tegelwerken, wandbekledingen en andere waardevolle elemen-

gemaakt van de laatste restauratietechnieken. De jury looft de

ten werden met de grootste omzichtigheid behouden en geres-

keuze voor de genomen restauratieopties (onder meer de

taureerd. C-Mine is volgens de jury een heel geslaagd voorbeeld

reconstructie van bepaalde motieven) die gebaseerd zijn op het

van herbestemming en zorg voor het onroerend erfgoed.

volledige en grondig gedocumenteerde vooronderzoek. De jury

De site heeft daarenboven een belangrijke hefboomfunctie en

is van oordeel dat dit project een mooi en verdienstelijk voor-

grote uitstraling voor het behoud van het mijnpatrimonium en

beeld is van een vakkundige en zorgvuldige restauratie en

de herbestemming van soortgelijke sites. De restauratie en

spreekt over een eerlijke restauratie.

herbestemming van de site hebben een sterk internationaal

De jury looft eveneens de stappen die werden genomen om de

karakter en kennen een Europese uitstraling.

restauratie van de kerk breed te ontsluiten. Men is er in geslaagd de lokale bevolking bij de restauratie te betrekken en zo

Tevens looft de jury het dossier C-Mine omwille van het grote

een groot draagvlak te creëren.

draagvlak dat werd gecreëerd. Gezien de goed werkende herbestemming leeft de site, heeft zij sociaal veel impact en is zij een aantrekkingspool. De gemeente heeft in samenwerking met diverse partners een beleid uitgebouwd waarin vernieuwing en behoud samengaan. Genk heeft als enige mijngemeente een Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) opgesteld met betrekking tot haar mijnpatrimonium.

C-Mine, panorama (foto K. Vandevorst)

HBSBBRBKsnRnBSHnSIraSBMSBaSRBInB^EMMBta

Koor van de Sint-Dionysiuskerk in Sint-Denijs-Westrem (foto K. Vandevorst)


&m

———Bi

lining.

"""HM..!"

•1IM-:

Voormalig postgebouw in Oostende (foto K. Vandevorst) CC de Grote Post in Oostende

palet dat gebaseerd is op de historische zee-gerelateerde kleu-

Het voormalige postgebouw uit 1953 werd gebouwd naar ont-

ren en dat ontdekt werd tijdens het voorafgaande kleuronder-

werp van architect Gaston Eysselinck. Dit icoon van het moder-

zoek.

nisme werd de voorbije jaren gerestaureerd en herbestemd tot cultuurcentrum.

De jury vindt dit een heel mooi en verdienstelijk project waarbij ook de herbestemming uitzonderlijk en uniek is. De herbestem-

Het dossier 'CC de Grote Post' werd tot laureaat verkozen om-

ming tot cultuurcentrum combineert theaterzalen, ateliers of

wille van het goede beheer waarbij voorafgaand aan de restau-

studio's, horeca en polyvalente tentoonstellingszalen met ad-

ratie de verschillende bouwfasen gedetailleerd werden onder-

ministratieve ruimten. Daardoor beschikt het gebouw over een

zocht en de gebruikte materialen en technische uitrustingen

grote verscheidenheid aan lokalen en zalen voor activiteiten op

gedetailleerd werden beschreven en gelokaliseerd. Op basis

verschillende schaalniveaus (provinciaal, regionaal tot lokaal)

hiervan werd het gebouw gerestaureerd of hersteld waar moge-

om zo een duurzame toekomst te garanderen.

lijk. De jury looft ook de goede samenwerking tussen de aannemer en de restauratiedeskundigen.

Villa Elza, Zeedijk 68 in Wenduine (De Haan)

Het project toont een gezond evenwicht tussen behoud van de

gebleven Belle Epoque vakantiewoningen aan de Belgische kust

erfgoedwaarden en een maximale realisatie van de toegankelijk-

en de allerlaatste op de dijk van Wenduine. Villa Elza dateert uit

heid, via de ingebrachte tubes of circulatieslurven. Voor de

1913 en wordt nog steeds gebruikt als vakantiewoning.

De tweelingvilla's Elza en Malvina zijn twee van de laatst over-

noden van de nieuwe bestemming werd volop ingezet op nieuw design. De nieuwe toevoegingen zijn volgens de jury gedurfd,

De villa werd de voorbije jaren gerestaureerd met respect voor

maartasten de erfgoed waarden van het monument niet aan,

de nog aanwezige erfgoedelementen en voorzien van moderne

integendeel. Het hedendaags comfort werd met grote zorgvul-

nutsvoorzieningen en eigentijds comfort. Het oorspronkelijke

digheid ingebracht.

schrijnwerk werd hersteld en voorzien van dubbel glas waarbij

Bij de keuze van restauratietechnieken en afwerkingen werd

het figuurglas werd behouden. De terrazzobevloering werd

rekening gehouden met het onderhoud en het verouderingspro-

hersteld en aangevuld. Bij het installeren van de hedendaagse

ces van de materialen. Opmerkelijk is ook het nieuwe kleuren-

keuken in het souterrain werden alle ingemaakte kasten en


De vier laureaten van de Vlaamse Monumentenprijs 2013 zetten hun deuren open tijdens Open Monumentendag op zondag 8 september 2013. Dit jaar viert Open Monumentendag Vlaanderen haar 25"' verjaardag met 'Het beste van Open Monumentendag'. Er is in 2013 geen overkoepelend thema zoals de voorbije jaren het geval was. Deze feesteditie plaatst het beste van de 24 afgelopen Open Monumentendagen in de schijnwerpers. Open Monumentendag gaat helemaal voor een programma met exclusieve monumenten, toppers uit de rijke Open Monumentendag-geschiedenis of goede voorbeelden van de zorg voor erfgoed. De invalshoeken zullen divers zijn voor iedere stad of gemeente. Maar liefst 199 Vlaamse steden en gemeenten zetten de deuren van in het totaal 650 grote en kleine, bekende en minder bekende monumenten open en organiseren samen meer dan 440 activiteiten voor iedereen. Daarbij worden ook de jonge bezoekers niet vergeten. Meer informatie vindt u op de website www.openmonumenten.be

De editie 2013 van de Open Monumentendagen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vindt plaats op 14 en 15 september en heeft als thema: "Brussel, m'as-tu vu?". Door te kiezen voor dit thema wil het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de nadruk leggen op de plaatsen die het Brussel van toen en nu animeren en nog steeds bruisen van leven, de plaatsen waar de Brusselaars elkaar konden en kunnen ontmoeten, bekijken en vermaken. De Directie Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft daarom een programma opgesteld dat gewijd is aan de places to be. Het publiek maakt kennis met schouwburgen, spektakelzalen, bioscopen, cafés en estaminets, enkele musea en nog vele andere plaatsen die trendy zijn geworden. Naast de bezoeken aan verschillende geprogrammeerde locaties, worden er ook talrijke animaties georganiseerd rond dit thema door de gemeentebesturen en de verenigingen die ijveren voor het behoud en de valorisatie van het patrimonium. Voor de gelegenheid wordt een dubbel nummer uitgegeven van het tijdschrift Erfgoed Brussel, dat gewijd is aan het thema van de Open Monumentendagen. Meer informatie vindt u op de website www.openmonumentendagenbrussel.be

Villa Elza in Wenduine (foto K. Vandevorst)

monteplats behouden. Tijdens de werf ontdekte men dat de geprefabriceerde gewapende betonblokken in de voorgevelhuid betonrot vertoonden aan de binnenzijde. Met hedendaagse vernieuwende technieken werden proeven gedaan om de restauratieopties van de voorgevel te bepalen. Uiteindelijk werd ervoor gekozen om de oorspronkelijke betonblokken via chemische verankering aan het binnenspouwblad te bevestigen en de verweerde betonkolommen opnieuw te gieten.

In Wallonië staat de 25ste Open Monumentendag op 7 en 8 september 2013 in het teken van de openstelling van de sites die op de lijst van de UNESCO Werelderfgoed en van de gebouwen die op de Liste du Patrimoine exceptionnel de Wallonië staan. Op 9 september is er de Lundi du Patrimoine voor scholieren van het 5de leerjaar van de lagere tot de 2de jaar van de middelbare school, waarin zij met het Waalse onroerend erfgoed en met het vakmanschap errond in contact gebracht worden. Meer informatie vindt u op de website www.journeesdupatrimoine.be


Ö

memoriam

Ö CU

ö ö •r-l

> Anne Dompas

tevens lid van het redactiecomité van verschillende Belgische architectuurtijdschriften, nam deel als jurylid aan nationale en internationale wedstrijden, en gaf meerdere voordrachten en

IN MEMORIAM GEORGES BAINES

uiteenzettingen over de gehele wereld.

r 7-5-1925 /122-5-2013) Hij verwierf talrijke onderscheidingen, waaronder de architecGeorges Baines behaalde zijn architectuurdiploma aan het

tuurprijs Van de Ven in 1968 voor de woning Reypens, in 1994

Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw in

de Grote Architectuurprijs van België voor zijn volledig oeuvre.

Antwerpen in 1950. Hij bouwde een eigen bloeiende praktijk

In 1996 verkreeg hij de Prix Baron Victor Horta, Académie Royale

op met tal van realisaties, daarnaast was hij gedurende 25 jaar

des Arts et des Sciences de Betgique voor zijn volledig werk.

Hoogleraar aan het Hoger Architectuur Instituut van het Rijk en

In 2000 werd hij geadeld door Koning Albert II voor zijn werk

gaf er van 1965 tot 1990 het vak architecturaal ontwerpen en

als architect en als leraar. Bij zijn overlijden werd hij in de

architectuurtheorie. Van 1990 tot 1999 was hij lid van de ste-

Franstalige pers vermeld als "un des plus grands architectes de

denbouwkundige commissie van de stad Antwerpen, hij was

l'après guerre".

Huis Guiette van Le Corbusier met links de uitbreiding door architect Baines (foto R. De Graaf)

hebben geschoven, op een tegelijkertijd elegante en onconven-

Bescheiden als hij was zou Baines al deze aandacht onder tafel tionele wijze. Ongebonden en vrij bleef hij trouw aan het idealisme van de modernen en aan het geloof in een architectuur waar de lijn sober en logisch is, die bruikbaar is, en die in functie van de mensen en de bewoners wordt geconcipieerd. Zo vatte hij ook zijn restauraties van het erfgoed van de Modernen op, waaronder de restauratie van het huis Guiette (Le Corbusier, 1926), de verbouwing en de restauratie van woning Branchey-Buydens (G. Eysselinck, 1950), de ombouwing van de voormalige technische school (Henry Van de Velde 19361942) te Leuven naar stadsarchief en stadsbibliotheek en de restauratie van de grote concertzaal Henry Le Boeuf in het Paleis voor Schone Kunsten (Victor Horta, 1922-1929, in associatie met H.Gilson en Patrick De Sterck). In samenwerking met Bernard Baines ondernam hij de restauratie van woning Nubar Bey uit 1930 van Auguste Perret in Garches, Parijs en de verbouwing en de restauratie van het Belgisch paviljoen van de Biënnale in Venetië. Bij deze restauraties ging hij steeds uit van de visie dat het concept van de oorspronkelijke ontwerper diende gerespecteerd te worden, als eerherstel aan deze grote architecten. Hij beschouwde de intellectuele waarde dan ook hoger dan een materiële waarde van het monument, dat ontdaan van de banaliteiten en accidentele beperkingen, in zijn eenvoud opnieuw plaats kan maken voor het essentiële en het universele.

t9


"En toen werden de scherven die van de originele pracht bewaard waren gebleven, opnieuw verplaatst door ze aan te passen aan duisterder behoeften. Ze werden nu onder een glazen stolp geconserveerd, in vitrinekastjes gesloten, op fluwelen kussens gelegd, en niet omdat ze voor iets gebruikt zouden kunnen worden, maar omdat mensen nu door hen een stad wilden reconstrueren waarvan niemand meer iets wist." Italo Calvino, Le citta invisibili, Torino, 1974.


Waarderingskaarten (BWK) van Vlaanderen tot stand gekomen zijn (15). De grafheuvels van Haspengouw blijken verschillende vegetatietypes te bevatten. Die types worden hierna kort geschetst met de nadruk op de types met de meeste waardevolle soorten uit de tabel. De naamgeving van de vegetatietypes volgt Schaminée e.a. (16), Stortelder e.a. (17), Zwaenepoel e.a. (18) en Zwaenepoel (19). Banale ruigten

We hanteren het begrip ruigte hier in de brede vegetatiekundige betekenis als synoniem voor zowel vegetaties uit de Klasse der ruderale gemeenschappen als vegetaties uit de Klasse der nitrofiele zomen. Ruigten zijn kruidachtige, relatief hoge vegetaties die ontstaan bij staking van het beheer, bijvoorbeeld uit niet meer geploegde akkers of uit verlaten grasland. De meeste ruigten in Haspengouw zijn vegetatiekundig weinig interessant. De tumuli 11,13,14 en 15 hebben een uitgesproken ruige, eerder banale begroeiing. Zo bevat tumulus 11 een plantendek haast enkel gedomineerd door ruigtesoorten zoals dolle kervel, speerdistel, witte dovenetel, avondkoekoeksbloem, ridderzuring, ijle dravik en grote brandnetel.

bloem, stinkende gouwe, akkerkool, ijle dravik, witte dovenetel, robertskruid en dolle kervel, naast ruderale soorten zoals bijvoet, ridderzuring, speerdistel, kompassla of klit. De Associatie van Lookzonder-look en Dolle kervel en de Zevenblad-associatie zijn vrij algemene vegetatietypes in Haspengouw, die meestal geen echt zeldzame soorten bevatten. Dit geldt echter niet voor de Gentombe van Herderen. Deze grafheuvel bevat wel een vrij waardevolle ruigte door het voorkomen van enkele bijzondere bos- en struweelsoorten, met name kleine maagdenpalm, groene bermzegge, maarts viooltje en schaduwgras. Kleine maagdenpalm bedekte zelfs haast volledig de top van deze grafheuvel. Dit is dan ook een tumulus waar het behoud van de houtige begroeiing aan te raden is. Op tumulus 1 komt een ruigtevegetatie voor die veel waardevoller is dan beide vorige associaties. Het gaat hier met name om de Kruisbladwalstroassociatie met ondermeer kruisbladwalstro, gewone agrimonie en heggenwikke. Dit type ruigtebegroeiing vergt veel licht en is aan een schrale (leem)bodem gebonden. Marjoleinzomen

Een heel bijzonder type ruigtevegetatie op de tumuli van Haspengouw is de marjoleinzoom (Associatie De meeste ruigten op de tumuli behoren vegetatievan Dauwbraam en Marjolein, Marjolein-klasse), kundig tot de Associatie van Look-zonder-look en typisch voor erg droge, niet al te voedselrijke Dolle kervel of tot de Zevenblad-associatie (Klasse derstandplaatsen. Het is de meest warmteminnende van alle typisch Haspengouwse begroeiingen. Op nitrofiele zomen) die kenmerkend zijn voor leemVlaams niveau is het geen algemeen vegetatietype bodems. Typische soorten van deze vegetatietypes zijn ondermeer grote brandnetel, zevenblad, honds- en zeker het beschermen waard. Daarom bespreken we het hier apart van de voorgaande ruigtetypes. draf, kleefkruid, geel nagelkruid, dagkoekoeksKruisbladwalstro, een waardevolle ruigteplart op tumulus nr. {foto E. Dupae)

M L I 31


Maarts viooltje op tumulus 5 (foto E. Dupae)

De soorten van de marjoleinzoom, ondermeer beemdkroon, gewone agrimonie, borstelkrans en marjolein, zijn beperkt tot de tumuli i, 6, 7 en 10, en dan nog vooral 1 en 7, de eerder kalkrijke tumuli. Omdat marjoleinzomen veel van warmte houden, is het bekend dat ze het best ontwikkeld zijn op zuidhellingen. In Haspengouw zijn dat vooral holle wegen en taluds, maar blijkbaar ook op de naar het zuiden gerichte zijde van een tumulus. Overigens zijn zeer steile zuidhellingen belangrijk voor het behoud van een hoge en karakteristieke soortensamenstelling van kalkrijke standplaatsen (20). Dit heeft onder andere te maken met de negatieve invloed van zomerdroogte op de dominante soorten, wat gunstig is voor de soortenrijkdom.

Wilde narcis, een oud-bosplant op tumulus 5 in Tongeren (foto E. Dupae)

Bos- en struweelvegetaties Op beboste tumuli groeien vooral erg algemene boom- en struiksoorten, bijvoorbeeld eenstijlige meidoorn, hondsroos of sleedoorn. Wel specifiek te vermelden zijn kardinaalsmuts en vooral de erg zeldzame egelantier, soorten die op eerder kalkrijke bodems groeien (21) en beide op tumulus 7 voorkomen.

1H m J |§ lil

1

•^ié^S-

I^É IJ in

ws

éMÉ y^l

iÉkfeéi ^

> f '

v

32 IIVI

L

t.

.

•

1

- >

•

'•*

-. wOt^^^^^.^.

§^

*. V- • • •-.

>

*~y?^^k

-

*

1

r 1

;

-:./.o:.:. v . •

•

v

i'

;

\


De kruidachtige bosplanten zijn weinig vertegenwoordigd op de beboste tumuli. Hierbij valt het erg geringe aantal oud-bosplanten op (22). Vermeldenswaard zijn enkel maarts viooltje, wilde narcis en kleine maagdenpalm. In hoeverre de aard van de bodem een beperkende factor is voor de aanwezigheid van die oud-bosplanten dient verder onderzocht te worden.

Koninksem, gaat het om een uiterst zeldzaam vegetatietype, het zogenaamd kalkrijke kamgrasweiland {Associatie van Ruige weegbree en Aarddistel, Klasse der voedselrijke graslanden) typisch voor basische, voedselarme bodems in Haspengouw (23). Volgens Ramen (24) en Zwaenepoel e.a. (25) is het kalkrijke kamgrasweiland in Vlaanderen beperkt tot uid-Limburg en tot de Voerstreek.

Graslanden

In de toelichting bij de kaartbladen 33-41 van de Biologische Waarderingskaart (26) worden de tumuli 1 en 7 specifiek vermeld om hun kalkrijke vegetatie. Er wordt daarbij expliciet opgemerkt dat het zeker niet om het echte Kalkgrasland uit de Klasse van de Kalkgraslanden gaat. Toch stellen Vriens e.a. (27) bij de bespreking van het kalkgrasland op pagina 148 dat enkele tumuli ten zuiden van Tongeren de BWK-code hk, kalkgrasland, bezitten! Uit het uitgebreid onderzoek naar het voorkomen van kalkgraslanden in Vlaanderen door Raman (28) blijkt nochtans dat, op een kalkrotsje van slechts enkele m2 aan de voet van de Tiendeberg in Kanne na, er geen kalkgraslanden in Vlaanderen voorkomen, hierin bijgetreden door Zwaenepoel e.a. (29).

De graslandsoorten vormen de meerderheid van de planten in tabel 1. Ze verwijzen naar verschillende graslandtypes. Een eerste graslandtype op de tumuli is het zogenaamde glanshavergrasland (Glanshaverassociatie, Klasse der voedselrijke graslanden), een eerder algemeen graslandtype in Haspengouw dat ontstaat door hooilandbeheer. Specifiek te vermelden soorten op de tumuli voor dit type grasland zijn onder andere knolsteenbreek, margriet, knoopkruid, beemdkroon en goudhaver. Vier tumuli bevatten bijna al de waardevolle soorten uit de tabel. Het zijn alle vier tumuli met een grazige vegetatie. Bij twee tumuli, met name de tumulus 1 van Lauw en de tumulus 7 in

De soorten rijkste tumulus is de Herstappetom in Lauw met bijzondere soorten zoals ruige weegbree (foto E. Dupae)

1VI&L

33


Kenmerkend voor het kalkrijke kamgrasweiland is het samen voorkomen van enerzijds voedselrijke soorten, typisch voor graslanden op leem en anderzijds van schralere soorten, in het bijzonder kalkindicatoren van het echte kalkgrasland, bijvoorbeeld kleine pimpernel, duifkruid, grote tijm, voorjaarszegge, smal fakkelgras en ruige weegbree. Een opvallende soort van de kalkrijke kamgrasweide in Haspengouw en ook van tumulus 7, is de gulden sleutelbloem, omdat die soort in de lente, in april al, als één van de eerste planten volop bloeit. Het zoeken naar de gulden sleutelbloem in april is dan ook een goede methode om kalkrijke kamgrasweilanden in Haspengouw op te sporen (30). De tumulus van Lauw is een bijzonder goed ontwikkeld kalkrijk kamgrasweiland. Naast vele kenmerkende soorten zoals grote tijm, duifkruid, kleine pimpernel, ruige weegbree, kattendoorn, voorjaarszegge, knolboterbloem en zachte haver, staat hier een erg zeldzame grassoort van het echte kalkgrasland, met name smal fakkelgras. Volgens Baeyens e.a. (31) groeide vroeger ook de zeldzame, kalkminnende kruidvlier op deze tumulus. Soorten zoals kandelaartje, muizenoor en zandmuur verwijzen hier mogelijk naar de Associatie van Tengere veldmuur uit de Klasse der pioniergraslanden op steengruis, een bijzonder zeldzame pioniergemeenschap. Meer onderzoek is echter vereist om hier uitsluitsel over te geven. Ook de tumulus van Koninksem bevat een kalkrijk kamgrasweiland dat in waarde niet moet onderdoen voor het kalkrijk kamgrasweiland van Lauw, met soorten als kleine ratelaar, moeslook, gevinde kortsteel, gulden sleutelbloem, kattendoorn en egelantier! Uit het vegetatieonderzoek blijkt dus dat bij minstens twee tumuli, de nummers 1 en 7, de bodem erg kalkrijk is. Waar komt die kalkrijkdom vandaan? Voor zover bekend is er nooit specifiek onderzoek verricht naar de bodemopbouw van tumuli. De vroege opgravingen waren vooral gericht op het vinden van grafobjecten. Recenter onderzoek in grafheuvels besteedde wel aandacht aan de bodemopbouw, maar hier waren geen tumuli bij. Uit welke bodems de Romeinse tumuli bestaan is dus grotendeels onbekend. Meestal wordt aangenomen dat het om leembodems gaat. Dat is alvast het geval bij de tumuli van Eben-Emael (32), Gutschoven (33), Berlingen (34) en Niel-bij-SintTruiden (35). Soms is er ook sprake van wat klei (36). Het materiaal voor de bouw van de tombe was hoogstwaarschijnlijk van lokale oorsprong. Zo schrijven Roosens en Lux: "De grafheuvel was opgebouwd met grond die over een brede strook en plaatselijk tot 1,10 meter diepte rondom zijn voet

weggnomen werd" (37). De Loe noteerde "une vaste depression dans Ie sol, qui pourrait être Ie résultat des emprunts de terrefaits autrefois pour élever Ie tumulus" (38)Voor de kalkrijkdom van de bodem bij tumuli 1 en 7 stellen we twee hypothesen voor. De eerste is dat de Romeinen speciaal voor de bouw van een tumulus extra kalk toevoegden. Leem wordt bij droge omstandigheden weliswaar zeer hard, maar valt wel bij het minste water weer uiteen. Mogelijk wisten de Romeinen dat en voegden ze kalk aan de constructie toe. Door leem met grote hoeveelheden kalk te vermengen werd de leem als het ware 'gebetonneerd'. Leem vergt echter zeer veel kalk, minstens tien keer zoveel dan zand, om gebonden te worden (39). Een andere mogelijke verklaring voor de kalkrijkdom van sommige tumuli is dat de gebruikte aarde zelf al kalkrijk was. Het is immers bekend dat men al heel vroeg mergel toevoegde aan de leemakkers. Zo worden de gesloten depressies in het Meerdaalwoud toegeschreven aan mergelontginning door de Romeinen voor de 'bekalking' van hun akkerlanden (40). Voorlopig blijven we hoe dan ook het antwoord op de herkomst van de kalkrijkdom schuldig en lanceren daarom een oproep voor specifiek vervolgonderzoek naar de bodemopbouw en de bodemchemie van tumuli. Ook botanisch is dit relevant, want het is bekend dat de, zelfs prehistorische menselijke invloed op de chemie van bodems vele duizenden jaren later nog altijd aanwezig kan zijn (41). De volledig grazige tumulus 6 van Koninksem en de grotendeels grazige tumulus 10, de zogenaamde Avernassetom van Montenaken, bevatten heel wat andere graslandsoorten dan de vorige twee tumuli. Zo bepalen in september grasklokje en schermhavikskruid het aspect van tumulus 6 en kleine bevernel en schermhavikskruid bepalen het uitzicht van tumulus 10. Beide tumuli missen niet alleen vele kalkindicatoren, zo typisch voor de tumuli 1 en 7, maar ze bevatten zelfs een soortencombinatie die eerder op zuurdere omstandigheden wijst kenmerkend voor het heischrale grasland van Haspengouw [Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel, Klasse der heischrale graslanden). Waar in het kalkrijke kamgrasweiland een mix voorkomt van vrij algemene soorten uit de leemstreek samen met kalkindicatoren, treffen we in deze associatie een mix aan van kalkindicatoren met soorten die op eerder zure bodems wijzen. Het bodemkundig onderzoek dat de Bodemkundige Dienst van België in 2005 uitvoerde van de Avernassetom ondersteunt de analyse van de vegetatie. Hieruit blijkt namelijk dat die tumulus opgebouwd is uit leem die aan het oppervlak sterk verzuurd is (pH-KCl = 3.9) en dat de


In Haspengouw zijn slechts drie graslanden gekend met een heischrale vegetatie op zure bodems (49). Hoewel de tumuli 6 en 10 op basis van onze gegevens te weinig soorten bevatten om de vegetatie eenduidig tot een heischrale begroeiing te rekenen, neigt de vegetatie alvast in die richting. Bijkomend onderzoek is hier zeker gewenst. Omdat zowel heischrale graslanden als kalkrijke kamgrasweilanden bijzonder zeldzaam zijn, zelfs op Europese schaal, behoren de vegetaties van de tumuli 1, 6, 7 en 10 zonder meer tot het topniveau van waardevolle natuur in Vlaanderen!

De Herstappetom bevat bijzonder zeldzame kalkgraslandsoorten zoals smal beemdgras en kleine pimpernel (foto E. Dupae)

Akkervegetaties Gezien de ligging van de tumuli, meestal te midden van de akkers, zijn er vrij veel algemeen voorkomende akkerplanten te vinden. Het is een bekend fenomeen in de plantkunde dat soorten vanuit hun kernpopulaties, hier dus op akkers, kunnen doordringen in naburige vegetaties waar de standplaats weliswaar minder geschikt is (vicinisme). Het inwaaien van nutriënten vanuit de akkers naar de voet van de tumuli kan hierbij een rol spelen.

bodem zeer lage concentraties van P, K en Ca bevat. Met andere woorden het is inderdaad een voedselarme, zure bodem zoals de vegetatie aantoont. Het is bekend dat onder pH = 5,5 kalkindicerende l, soorten niet meer gedijen (42) en dat op uitgespoelde lössbodems met een pH tussen 4 en 5 heischrale graslanden van de Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel kunnen optreden (43). In een klimaat zoals het onze met een jaarlijks neerslagoverschot ontkalken en verzuren dus de lössbodems vrij snel, tot een gemiddelde diepte in Vlaanderen van 2,5 tot 3,5 meter (44). Nog altijd moeten de boeren in de leemstreek regelmatig hun akkers 'bekalken' om de verzuring van de leem te compenseren.

Samenvattend groeien op de meeste tumuli algemene graslandplanten, al is hun aantal door schaduwwerking in de beboste tumuli erg laag. Slechts de vier tumuli 1, 6, 7 en 10 bevatten waardevolle graslandsoorten die op droge, voedselarme, zure of net kalkrijke omstandigheden wijzen. Ook de typische soorten van marjoleinzomen zijn aan die vier, overigens de soortenrijkste tumuli gebonden. Op vele tumuli groeien verder verschillende akkerplanten, al is hun aantal in de beboste tumuli eveneens laag. Dat hoeft niet te verbazen omdat akkerplanten, net zoals graslandsoorten, veel licht nodig hebben. Een aandachtspunt

Kleine maagdenpalm bedekt haast volledig de top van de tombe in Herderen (foto O. Pauwels)

Ook al bevatten de tumuli 6 en 10 geen kensoorten van de Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel, bijvoorbeeld betonie, tormentil of tandjesgras, toch is de soortencombinatie van gewone veldbies, schermhavikskruid, grasklokje, gewoon biggenkruid, gewoon struisgras en schapenzuring in ZuidLimburg typisch voor heischrale graslanden op relatief zure bodems (45). Vooral schermhavikskruid en grasklokje zijn in Zuid-Limburg indicatief voor de Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel (46). Grasklokje is volgens Stieperaere (47) een zuur-droogte-mesotrofie indicator en schermhavikskruid heeft volgens Ellenberg (48) een R-getal (Reaktionszahl) van 4, wat staat voor zuur tot matig zuur.

M&LI 35


is zeker het feit dat op de meeste grafheuvels heel wat ruigtesoorten gedijen. Dat zijn geduchte concurrenten die in staat zijn de vegetatie volledig te domineren en daardoor de andere soorten kunnen uitschakelen. De bos- en struweelplanten tenslotte zijn eerder algemene soorten. Zo is het aantal oudbos-planten op de tumuli zeer beperkt. Toch kan het bij de houtige planten in een aantal gevallen om interessant, autochtoon materiaal gaan (50), een aspect dat zeker bijkomend onderzoek vergt.

Poging tot verklaring

De meeste tumuli, zoals de grafheuvel van Vechmaal, staan in het open veld (foto O. Pauwels}

jèvl M

L-

Op vier tumuli staat een waardevolle graslandvegetatie. Hoe is die daar ooit terecht gekomen? Hoe zijn al die bijzondere, kalk- en zuurminnende soorten er ooit geraakt? De meeste heischrale soorten staan in de Kempen en echte kalkgraslandplanten treffen we vooral in Wallonië aan, onder andere in de Viroinstreek (51). Het antwoord op die vragen zou wel eens te maken kunnen hebben met het feit dat de Romeinse steenweg in Lauw, waar tumulus 1 ligt, ook de Groenstraat wordt genoemd! Om de verdragende betekenis hiervan te duiden, moeten we eerst inzoomen op de ecologie van zeer soortenrijke, halfnatuurlijke graslanden zoals die op de tumuli 1, 6, 7 en 10.

Wat leert de graslandecologie? Erg soortenrijke graslandvegetaties van het kalkrijke kamgrasweilandtype of van de Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel vergen een zeer lange ontwikkeling. We spreken dan eerder in termen van vele eeuwen dan jaren. Op basis van multidisciplinair onderzoek wordt immers aannemelijk gemaakt dat dergelijke, zeer soortenrijke graslanden al voor de jaartelling ontstonden (52). Al meer dan 4000 jaar wordt er in onze streken aan begrazing met landbouwdieren gedaan en al minstens 2500 jaar wordt er gehooid. Door de eeuwenlange stabiliteit in dit beheer kon er zich een specifieke, soortenrijke vegetatie aan aanpassen. Die eeuwenlange ontwikkeling is ook nodig om al die soorten toe te laten zich te vestigen. Volgens de graslandecologie wordt de hoge soortenrijkdom van dergelijke semi-natuurlijke graslanden grosso modo door de volgende factoren bepaald: de voedselrijkdom en bodemvariatie; een langdurig, continu beheer; de hoge ouderdom van het graslandecosysteem waardoor de dispersieprocessen, evenals de effecten van een lang aangehouden beheer, zich ongehinderd kunnen ontplooien. De voedselrijkdom Graslanden op voedselrijke bodems bevatten doorgaans veel minder soorten dan graslanden op een


v

voedselarme bodem. Dat heeft onder andere te maken met lichtcompetitie (overschaduwing) en met strooiselophoping. Hoge soorten krijgen op een voedselarme bodem veel minder kans om te domineren. Ze hebben immers veel voedingsstoffen nodig om een grote biomassa op te bouwen en een schrale bodem bevat daartoe te weinig nutriënten. Tumuli zijn waarschijnlijk nooit bemest geworden. Daardoor hebben ze een voedselarme bodem, een eerste sine qua non voor soortenrijke graslandecosystemen. De bodemanalyse van de Avemassetombe en de aanwezigheid van vele soorten die op voedselarmoede wijzen, bevestigen dit. Door hun hogere ligging ten opzichte van de omgeving worden ze bovendien minder beïnvloed vanuit die omgeving en kunnen eventuele voedingsstoffen continu uitspoelen. Een uitgebreid bodemchemisch onderzoek van de verschillende tumuli zou dit kunnen bevestigen. Daarbij zou men bijvoorbeeld ook de tumulus van Eben-Emael, vlakbij de groeve van Marnebel in Wallonië, kunnen betrekken, omdat die tumulus een uitgesproken kalkminnende vegetatie bezit met onder andere kleine pimpernel, kleine ratelaar, donderkruid, kattendoorn, voorjaarsganzerik, zachte haver en ruige weegbree. Een langdurig continu beheer Naast de aard van de bodem speelt ook het beheer een cruciale rol bij de soortenrijkdom van gras-

landen. Zo zorgt begrazing er voor dat de hoge soorten, vaak zijn dit ruigteplanten, relatief gezien veel meer geschaad worden dan de lagere soorten, waardoor hun dominantiecapaciteit sterk wordt beknot. Zonder beheer in de vorm van begrazen of hooien groeien graslanden snel dicht met ruigteplanten, struiken en bomen. Omdat de meeste graslandsoorten uitgesproken lichtbehoeftige planten zijn, leggen ze in de schaduw snel het loodje. Een zeer lang aangehouden, continu beheer is dan ook een sine qua non voor de ontwikkeling en het behoud van soortenrijke graslanden (53). Het heeft er ook mee te maken dat de meeste graslandplanten geen langlevende zaadbank aanleggen en die soorten voor hun overleving bijgevolg afhankelijk zijn van regelmatige zaadvorming en -kieming en dit kan enkel in een korte grasmat. Dit betekent: éénmaal weg, is weg voor altijd! Het voorkomen van het soortenrijke kalkrijke kamgrasweiland of het soortenrijke heischrale graslandtype op een tumulus betekent dus dat deze hoogstwaarschijnlijk vele eeuwen continu als grasland beheerd werd.

Recent werd de tumulus aan het PIBO in Tongeren volledig ontbost {foto O, Pauwels)

Voorgaande houdt in dat ontbossing niet kan zorgen voor de terugkeer van een eventueel vroegere, soortenrijke grasmat. Zo werd de grafheuvel aan het PIBO onlangs volledig ontbost (54).

1V1 L I 37


Daarom bezochten we die tumulus opnieuw op 8 en 28 mei 2012. Alle 19 soorten van 2005-2006 werden opnieuw aangetroffen. Daarnaast noteerden we meerdere nieuwe soorten. Door de recente ontbossing van de tumulus is het soortenaantal gestegen van 19 in 2005-2006 naar 41 soorten in 2012. Bij die nieuwe soorten gaat het vooral om algemene ruigtesoorten en niet om waardevolle planten, op wilde narcis, schaduwgras en kraailook na. De kans bestaat dat die drie soorten destijds, in 2005-2006, over het hoofd zijn gezien, omdat tumulus 5 toen slechts één keer laat in het seizoen (augustus) is bezocht, wanneer bosplanten zoals wilde narcis bovengronds al volledig afgestorven zijn. Overigens, de wilde narcis is een soort die in de streek waarschijnlijk al zeer lang verplant wordt en die het, net zoals kraailook, ook in schrale graslanden zeer goed doet (55). In elk geval, na ontbossing stijgt het aantal ruigtekruidensoorten dus door kieming vanuit de zaadbank, maar het gaat hierbij niet om waardevolle graslandsoorten. Die moeten vanuit de omgeving worden aangevoerd en dat brengt ons bij het aspect dispersie.

zeer beperkte verspreidingscapaciteiten. Het zaad van de meeste graslandplanten valt vlakbij de moederplant of hoogstens enkele decimeters verder. Daardoor vergt het eeuwen om slechts 100 meter ver te geraken. Maar hoe zijn die soorten uit de omgeving dan ooit op die tumuli geraakt? Vele waardevolle 'tumulisoorten' zijn nu alvast niet meer in die omgeving te vinden, al werd bijvoorbeeld smal fakkelgras enkele jaren geleden nog wel vlakbij, in een holle weg in Lauw, opgemerkt. De graslandecologie leert ons dat vee en vooral schapen heel goede 'dispersiebanen' zijn (61). De dieren zeulen in hun vacht, in de mest en in de modder tussen hun hoeven tal van plantenzaden van het ene plekje naar het andere mee. Bedenk wat een immense oppervlakte enkele honderden schapenhoefjes vol modder uiteindelijk voorstellen! Via schapen kunnen graslandplanten zich veel sneller in het landschap verspreiden. Uit recent onderzoek blijkt dat bij herstel van graslanden na ontbossing aanvankelijk het soortenaantal sterk toeneemt vanuit de zaadbank, maar dat de verdere toename met echt waardevolle graslandsoorten pas slaagt na introductie van schapenbegrazing.

Dispersie van planten en rol van dieren hierin Soorten die geen langlevende zaadbank hebben, en dat geldt voor vele graslandsoorten, zijn voor hun overleving sterk afhankelijk van dispersie in de ruimte (56), al investeren een aantal graslandsoorten, die niet over een zaadbank beschikken, in een lange levensduur of in clonale voortplanting. Zo vormen ze langlevende relictpopulaties en overbruggen ze lange periodes die ongeschikt zijn voor de geslachtelijke vermenigvuldiging (57). Van clonale planten is bekend dat ze zeer oud, zelfs meerdere eeuwen, kunnen worden. Clonale groei kan verklaren hoe het komt dat tal van graslandsoorten, zelfs bij staking van het vroegere beheer, het nog geruime tijd volhouden. Daarenboven is de overleving van graslandsoorten bij langdurige verbossing vooral gecorreleerd met de hoeveelheid doorvallend licht op de bodem (58) en die hoeveelheid is bij een tumulus veel groter dan bij een gesloten bos. De gulden sleutelbloem is zo een soort die bij stopzetting van beheer vele decennia overleeft. De soort gaat dan weliswaar veel minder bloeien, maar omgekeerd reageert ze ook erg snel op lichtzetting met uitbundige bloei (59).

In hoeverre ook bosplanten door dieren worden verspreid, is veel minder bekend (62).

De soortenrijkdom van vele graslanden wordt dus beperkt door dispersie. Dit betekent dat vele graslanden nog heel wat meer soorten kunnen bevatten, maar dat die soorten er gewoonweg niet geraken. Wanneer je die 'ontbrekende' soorten een handje helpt door ze uit te zaaien, dan blijken ze het daar vaak heel goed te doen. Blijkbaar beschikken graslandsoorten, net zoals oud-bosplanten (60), over

38 IM L

De heerdgang Uit voorgaande bespreking van de graslandecologie volgt dat voor het ontstaan van bijzonder soortenrijke, semi-natuurlijke graslanden, zoals op sommige tumuli, een voedselarme bodem vereist is, naast een continu, bijzonder langdurig, eeuwenlang aangehouden beheer in combinatie met dispersie op landschapsniveau. Bestaat er een landbouwsysteem dat voldoet aan al die voorwaarden? Volgens tal van auteurs bestaat dat inderdaad en wordt het heerdgang genoemd. Op basis van Lindemans (63), Hillegers (64), Behets (65) en Vliebergh & Ulens (66) die een zeer gedetailleerde beschrijving geven van de heerdgang, schetsen we nu weliswaar sterk vereenvoudigd dat landbouwsysteem dat overal in Haspengouw (67), maar ook elders in Vlaanderen en aanpalende gebieden werd toegepast (68). Eeuwenlang was het graan de belangrijkste teelt in Haspengouw. Op een perceel werd het eerste jaar het broodgraan voor de eigen voeding geteeld en het daaropvolgende jaar het graan voor de trekdieren. In de Kempen verbouwde men hiervoor haver, maar in Haspengouw was dit vooral gerst. Vandaar dat de zomerakker in Zuid-Limburg de gerstenaard of de gersten werd genoemd. Behalve granen kweekte de boer voor zijn dieren ook erwten, bonen en wikke. Naast voedergewassen werden in de leemstreek nog tal van andere gewassen gewonnen (69), zoals kaardenbol en het


veelgekweekte kemp ondermeer voor de fabricage van touwen en tot slot verfstofplanten zoals wouw voor de gele kleur, wede voor het blauw en meekrap voor de rode tinten. Enkel het eerste jaar werd er bemest. Mest was immers zeer schaars en kostbaar en het weinige werd dan ook enkel voor de teelt van de eigen voeding gebruikt. Na twee oogsten uit één bemesting was de bodem meestal zo uitgeput dat de grond meerdere jaren moest rusten oi dries liggen. Die dries begroeide spontaan met een soortenrijke vegetatie. In Haspengouw lag jaarlijks zowat tweederde van het winnende land dries! Een immense oppervlakte dus. Na een aantal jaren was de bodemvruchtbaarheid van nature voldoende hersteld en kon men de dries weer in akker omzetten. Dat gebeurde tijdens het zogenaamde braakjaar. In dat jaar werd de dries gebraakt, met andere woorden de bodem werd meerdere keren met de ploeg 'gebroken' om het van alle onkruid te zuiveren. Na de laatste bewerking, op het einde van de zomer, werd de braak bemest en vervolgens met het broodgraan ingezaaid en dan kon de cyclus opnieuw beginnen.

mooi voor Broekom bij Borgloon. In Haspengouw was het houden van schapen wel aan meer regels gebonden dan in de Kempen (71), waar men over veel uitgestrektere, gemene gronden beschikte. Een bijzonder gebruik in Haspengouw was het zogenaamde korentoppen (72); vanaf de herfst tot het vroege voorjaar liet men soms de schapen het wassende graan begrazen. Dit gebruik werd toegepast om het legeren van het graan tegen te gaan wanneer het te snel groeide. Mest was vroeger zo belangrijk dat de productie ervan meestal gemeenschappelijk werd geregeld. In dat geval sprak men van de heerdgang. Deze heertganck was de dagelijkse rondgang van de dorpskudde of heerd (denk aan het Duitse die Herde of het Engelse the herd) onder begeleiding van de dorpsherder binnen de grenzen van het dorp. Vooral de schapen, maar ook de koeien en zelfs de ganzen en de varkens werden gehoed (73). De herder, ook keert of hert genoemd (der Hirt, Ie herdier in Wallonië), was in feite een dorpsambtenaar die tijdens dode periodes andere klusjes in het dorp opknapte.

Aanvankelijk kende men enkel wilde braak, waarbij de akker na de oogst spontaan begroeid raakte en begraasd werd. Later werd de braak ingezaaid met hooizaad. Nog later ging men braakgewassen telen na de graanoogst. Die moesten het onkruid onderMrukken. Ze dienden ook als veevoeder en als groenbemester wanneer ze vlak voor het inzaaien van het broodgraan werden ondergeploegd. Vanaf de 17^ eeuw deden klaver en koolzaad en nog later aardappelen hun intrede als braakgewas. Het gebruik van klaver is een beroemde Vlaamse uitvinding en betekende een ware revolutie in de Europese landbouw. Niet voor niets zijn tal van buitenlandse landbouwkenners die klaverteelt in Vlaanderen komen bestuderen. De klaver werd al met het zomergraan gezaaid, zodat men na de oogst al snel een eerste snede kon maaien of begrazen. Naast klaver gebruikte men ook lupine en spurrie om kunstmatige weilanden aan te leggen die na enkele jaren weer in bouwland werden omgezet.

Om mest te produceren moeten de dieren natuurlijk eten. In de Kempen deden ze dat vooral op de uitgestrekte paarse heide, maar hoe zat dat in het vruchtbare Haspengouw waar haast alles onder de ploeg ging? Wel, de steilste delen van het landschap, te steil voor de ploeg, waren in Haspengouw permanent graasland. Dit graasland omvat de waardevolle kalkrijke en heischrale graslanden van de leemstreek die we nu nog steeds her en der op de steilste hellingen van Haspengouw aantreffen, inclusief op tumuli. Hun oppervlakte was echter veel te klein om de duizenden schapen van weleer te voeden. Net daar diende het areaal rustend akkerland voor. Die uitgestrekte oppervlakte vervulde in Haspengouw de rol die de omvangrijke heide in de Kempen had! De schapen leefden in Haspengouw dus van de weinige, steile schraallanden, van de wegbermen, van het bos en van de stoppelgang direct na de oogst, maar vooral van de daaropvolgende immense oppervlakte aan braakliggende gronden.

Om het broodgraan te verbouwen was er dus mest nodig en wie mest zegt, zegt dieren. Pas op het einde van de i9 de eeuw verscheen immers de eerste kunstmest. In Haspengouw waren die dieren vooral schapen. Vaak was het schaap zelfs het enige dier op het hof. In de i8 de en i9 de eeuw waren hoeves met 200 tot 300 schapen in Zuid-Limburg helemaal geen uitzondering. Een kudde van 150 dieren per scheper werd als normaal beschouwd en bevatte zowel de dieren van de scheper zelf als deze van de landbouwer. Frere (70) beschrijft dit zeer

Waarom waren schapen zo bijzonder geschikt voor de mestproductie? Wel hét cruciaal voordeel van schapen is dat dit het enige dier is dat overdag vooral graast, maar het keutelen 'opspaart' voor de nacht. Met paarden of koeien lukt dat niet, die laten hun mest heel de dag door vallen. Met schapen gaat de mest dus niet verloren en kan ze daar geconcentreerd worden waar de boer het wil, bijvoorbeeld in de potstal of op de gebroken akker die daartoe tijdelijk afgerasterd werd met zogenaamde tuinen (houten vlechtwerk).


Bovendien kunnen schapen, in tegenstelling tot bijvorbeeld het rund, zonder veel bijvoederen het jaar rond bijna uitsluitend leven van wat het landschap voortbrengt. Dat er eeuwenlang in Haspengouw en in de rest van Vlaanderen schapen hebben rondgetrokken, valt duidelijk te zien bij onze Vlaamse schilders. Of het nu om de beroemde Vlaamse miniaturen uit de i5 de en i6 de eeuw gaat die de brevieren of gebedenboeken versierden, zoals die van het Breviarium Grimani en van het Breviarium Mayer van den Bergh, of de boerentaferelen van Pieter Breugel de Oudere of de landschappen van Rubens, overal kom je herders met hun schapen tegen. De heerdgang werd overigens niet alleen vereeuwigd door onze schilders, maar dat agropastorale landbouwsysteem leeft zelfs tot op de dag van vandaag voort in de structuur van onze dorpen, in ons taalgebruik en in vele straatnamen. Het gebruik van klaver, waardoor de eigenlijke braak verdween, samen met de invoer van buitenlandse wol en schapenvlees, hebben vanaf de i7 dc eeuw de schapenteelt geleidelijk aan overbodig gemaakt. Er kon nu immers veel meer vee op stal worden gehouden. Hier kregen de dieren naast klaver ook hooi, roggestro, aardappelen, spurrie, wortelen, knollen, wikke en zelfs brem! Zo werden in de jyde e e u w i n jg leemstreek, onder andere rond SintTruiden, kunstmatige bremweiden, zogenaamde gensten, aangelegd voor de stalvoeding van het vee.

Dat er vroeger in Vlaanderen overal schapen werden ingezet, blijkt duidelijk uit oude schilderijen zoals dit detail uit De val van Icarus van Pieter Breugel de Oudere (© Koninklijke Musea voor Schone Kunsten Brussel, foto ). Geleyns)

4 0 I1VI L

Op het einde van de 18^ - begin i g * eeuw schaften de Fransen het collectieve gebruiksrecht van de gemene gronden af. Hierdoor konden de gemeenten ze verkavelen en verkopen, waardoor het gemeenschappelijk hoeden van schapen nog meer bemoeilijkt werd. Toch heeft de heerdgang in Haspengouw lang stand gehouden. Tot in de eerste helft van de ic)de eeuw waren schaapskuddes er nog algemeen, maar vanaf het begin van de 20ste eeuw is de heert grotendeels uit het landschap verdwenen (74). Zo was er bijvoorbeeld nog tot 1920 een gezamenlijke schaapskudde van 60 tot 100 dieren in Koninksem bij Tongeren (75), die in de beemden en mogelijks ook op de tumuli werd gehoed. In het Binderveld bij Sint-Truiden bleef een rondtrekkende schaapskudde tot in 1937 bestaan en in Kanne zelfs tot in 1949 {76). De heerdgang was een bijzonder stabiel landbouwsysteem dat eeuwenlang, bijna overal in WestEuropa, heeft stand gehouden. Het hele landschap van dorp, bos, hei, akker en hooiland maakte in feite deel uit van dat gemengd landbouwsysteem, waarvan de heerdgang de motor was die alle delen onderling verbond. Hierbij werd het landschap eeuwenlang verschraald door met de schapen de nutriënten uit heel het landschap af te voeren richting akker. De meeste plantenzaden werden daarbij door de schapen vervoerd en door dat eeuwenlang rond zeulen met zaden, konden haast alle plantensoorten zowat overal in het landschap geraken, en dus blijkbaar ook op de heel geïsoleerd •"


gelegen tumuli te midden van de akkers. Is het dus toevallig dat er een Groenstraat ligt vlakbij de tumulus van Lauw? Waarschijnlijk niet. Vermoedelijk maakte die tumulus destijds deel uit van de vroegere heerdgang in en om Lauw en dankt deze zijn bijzonder soortenrijk plantendek aan die heerdgang. Met andere woorden de waardevolle graslandvegetaties op de tumuli van Haspengouw zijn, zoals elk ander heel soortenrijk, oud grasland in Haspengouw, waarschijnlijk een erfenis uit het heerdgangverleden! Samenvattend vormt de heerdgang de enige logische verklaring voor de aanwezigheid van eeuwenoude, zeer soortenrijke graslanden in Haspengouw, ook op tumuli, omdat de heerdgang het enige systeem is dat zorgt voor dispersie op landschaps- en op perceelsniveau, dat zorgt voor verschraling van de bodem, voor de onderdrukking van de dominante (ruigte)soorten en voor het juiste lichtregime voor de kieming en vestiging van graslandsoorten. De heerdgang vulde dus net al de voorwaarden in die ecologisch gezien essentieel zijn voor het ontstaan en de bestendiging van soortenrijke graslanden.

Bescherming en beheer De erfgoedwaarde van tumuli staat buiten kijf en aan het belang van hun bescherming wordt dan ook niet getwijfeld. Daarom gaan we hier minder in op het aspect bescherming en focussen we nadien vooral op het aspect beheer.

Bescherming

Een eerste beschermingsvereiste is vanzelfsprekend van wettelijke aard. In het beste geval krijgen alle tumuli en een brede bufferstrook er rond een passende planologische bescherming die eventueel in het kader van een gemeentelijk RUP wordt opgelegd. Die brede buffers van 10 a 20 meter breedte zijn absoluut nodig om de bemesting vanuit de omgeving te vermijden. Dat is bijvoorbeeld goed te zien bij de tumulus van Othée, net over de taalgrens in Diets-Heur bij Tongeren, die door een 6 a 8 meter brede band van netels omgeven is. Die buffers worden best met een haag afgezoomd. In afwachting van definitieve buffers kan tijdelijk met beheersovereenkomsten van de VLM worden gewerkt. De brede bufferzones rond de tumuli moeten tevens toelaten dat soorten op de tumuli zich ook hier gaan vestigen om grotere populaties op te bouwen (77). Grotere populaties zijn immers robuuster. Een bijkomende erfgoedbescherming waarin specifieke beschermingsvoorschriften worden opgenomen, ook naar visuele kwaliteit, ligt vanzelfsprekend voor de hand. Alle tumuli werden in de zevetiger en tachtiger jaren van de 20s'e eeuw beschermd als monument en meestal ook als dorpsgezicht. Het is belangrijk dat bindende bepalingen goed geformuleerd worden. Zo stelt artikel 3.2 van het Besluit van 10 augustus 1976 over de tumulus van Lauw "dat het verboden is bomen te sterk te snoeien of struiken te verwijderen".

De bescherming als dorpsgezicht van tumulus 7 is niet doeltreffend geweest (foto E. Dupae)

M L I 41


Heerdgangtoponiemen De heerdgang leeft tot op de dag van vandaag voort in tal van toponiemen (i). Dat schetsen we nu door een dag mee op stap te gaan met de scheper of schaapsherder. Verzamelen geblazen

Bij het ochtendkrieken kwam de herder naar de verzamelplaats van het vee. Die lag meestal midden in het dorp, maar ze kon ook aan de rand ervan gelegen zijn. De verzamelplaats was een omheinde plek, een pleintje dat meestal taps toe liep of driehoekig was om het naar buiten drijven te vergemakkelijken. Het werd met valdeuren (goar, banier, gn{y)nde\, klap, va(o)uwer, varen ofvalder) afgesloten en werd vaak dries genoemd (2). De term dries verwees zowel naar braakliggend land, als naar een gehucht of dus ook naar de verzamelplaats voor vee in het centrum van het dorp. Dat centrum werd ook regelmatig aangeduid met de term bies (3). Vele bies(t)-toponiemen zoals Byes verwijzen naar die verzamelplaats, bijvoorbeeld Biest in Munte (4). Zo was het gehucht Terbiest in Sint-Truiden vermoedelijk de verzamelplaats van het stadsvee. In de middeleeuwen werden ook in de steden veel landbouwdieren gehouden. De naam biest is

Tumulus 1 is gelegen aan de Croenstraat en die naam verwijst naar het heerdgangverleden (foto E. Dupae)

42 I M L

nochtans een plantennaam vergezeld van het collectief-suffix-t, wat op 'veelheid van' wijst. De Biest is dus eigenlijk een plaats waar veel biezen staan, net zoals Eist een plek is met veel elzen. Omdat de verzamelplaats voor het vee vaak een drinkpoel bevatte, is de kans inderdaad groot dat er destijds veel biezen groeiden. Biest is echter ook een algemeen verspreide term voor akker- en hooiland (5)En route

Vanaf de bies begaf de kudde zich langs de veewegen of veedriften naar de permanente graasgebieden die -in tegenstelling met het akkerland dat eerder bruin was- steeds groen van kleur waren en dus de 'groengronden' werden genoemd. Deze veedriften werden dan ook vaak door toponiemen aangeduid warin het woord groen voorkwam. Voorbeelden zijn de Greune weg, de Gruynstraat of de Groenstraat, inderdaad de lokale naam voor de steenweg in Lauw langs tumulus 1! Wegen met het toponiem Groen beginnen dan ook meestal in een woonkern op een plein en gaan in de richting van het beweid gebied (bos, hei of beemd). De Vee- of Koestraat, de Schaaps weg, de Pinckenstege of de


Heerdweg zijn soms een vervolg of synoniem. Groenstraten werden door veekeringen in de vorm van hagen, muurtjes, vlechtwerk of greppels voor de bescherming van de moestuin afgeboord. Soms werden ze daarom met termen als Haagstraat aangeduid. De veedriften waren aanzienlijk breed, want ze moesten de grote, hongerige kudde snel uit het dorp loodsen en behoorden daardoor tot de breedste dorpswegen. Vandaar soms het toponiem Bre(d) estraat, en er lag steeds wel wat mest. Dat vertaalde zich in toponiemen als de Mest-, Meis-, Meys-, Mis-, Mes(s)-, Meesweg of in Kladder-, Flatter- Drekstraat of Vuilstraat. Vele zogenaamde miswegen hebben dus helemaal niets met de kerk te maken die overigens wel vaak bij het centrale plein gelegen was, maar verwijzen naar de uitwerpselen van de dieren op de weg! Smullen van de dries

De dieren verlieten het dorp langs door hagen omzoomde, brede veewegen, om vervolgens door het akkerland dat onmiddellijk buiten het dorp lag, te trekken. Aan de rand van het dorp en ook aan de rand van het akkerareaal stonden vaak hekken of valders. De met gewas begroeide akkers zelf werden met brede wallen, grachten of met vlechtwerk, de zogenaamde tuinen, tegen de gretige muilen beschermd. Die tuinen zijn op vele schilderijen van onze Vlaamse meesters te bespeuren. Eens de oogst binnen werd de stoppel en het tijdelijk braakland dat daar op volgde eveneens als weidegrond gebruikt. In het akkerareaal dat voor een groot deel braak lag, vinden we vele driestoponiemen terug die mogelijk daarop wijzen: op den Dreesj, Ten Driessen, Dreeske, Drees(ch), Dres, Dries(ch). Over de term dries is echter het laatste woord nog niet gezegd. De term verandert niet alleen geografisch van betekenis, maar het woord onderging ook een betekenisevolutie in de tijd (6). Vroeger ging men er vrij algemeen van uit dat dries oorspronkelijk braak liggend land betekende, tijdelijk rustend bouwland dat op krachten moest komen. Zo wijst Boon (7) op het feit dat het woord dries heel dicht bij de betekenis van braak ligt. Later kreeg dries tal van andere betekenissen, zoals gehucht- of dorpsplein, huisweide, schrale weide, gemeenteweide, onrendabel stuk land (8). Momenteel is men van de betekenis van de term dries een stuk minder zeker. Zo geeft Van Durme (9) een overzicht van de wetenschappelijke

bevindingen over de betekenis van de term dries. Oorspronkelijk, in de vroege middeleeuwen, waren driesen volgens hem gemeenschapsgrond. Het waren gronden van mindere kwaliteit die extensief gebruikt werden en die zich buiten het permanente akkerareaal bevonden in de zogenaamde outfield. Op de driesgronden werd een systeem van wisselbouw toegepast: de driesgronden werden tijdelijk als akker gebruikt, waarna de gronden uitgeput waren en geruime tijd op krachten moesten komen. Daartoe liet men de dries gedurende een periode braak liggen. In die periode werden de driesgronden beweid. Vrij snel, vanaf de ii de eeuw, heeft men het systeem van wisselbouw op de gemeenschappelijke gronden echter afgeschaft en werden de driesen enkel nog als weiland gebruikt. Wel werd in de late middeleeuwen het systeem van afwisseling tussen akker- en weiland door de boeren nog toegepast op onrendabele privépercelen. Daarom werden die privépercelen ook dries genoemd. Volgens Van Durme mag de term dries niet met de term braak verward worden. Braak kwam enkel voor in de infield. De term braak is volgens Van Durme met andere woorden enkel van toepassing op het permanente akkerareaal.

De scheper trok destijds met de kudde rond in het dorp (foto E. Dupae)

Wat ook de betekenis van het woord dries of het woord braak is geweest, voor ons verhaal is dat minder belangrijk. De essentiële hypothese hier is dat er eeuwenlang, vooral met schapen, nutriënten uit heel het landschap werden afgevoerd richting akker en dat die akkers ook tijdelijk als graasgebied werden gebruikt.

M - L I 43


In de Kempen verwijst de term

De hei op en de beemden in

'hei' naar vegetaties

Naast de tijdelijk begraasde akkergronden waren er ook permanente graasgebieden. Die permanente graasgebieden waren zo onvruchtbaar of steil, te ver van het dorp, te droog ofte stenig dat ze nooit geploegd en steeds als weide werden gebruikt. Samen vormden ze de hei. In de Kempen is dit de alom bekende purperen heide, gedomineerd door echte heidestruiken, maar in de leemstreek verwijst de term hei niet naar de enge vegetatiekundige betekenis van door heidestruiken gedomineerde gemeenschappen. Hier had de term een veel bredere betekenis en kon, naast echte heide, tal van andere vegetatietypes omvatten zoals het kalkrijke kamgrasweiland of heischrale graslandtypes ontstaan door schapenbegrazing (10).

maar ook met het woord dreesj/dries (n). In Haspengouw en omgeving komen dan ook tal van heidetoponiemen voor (12), bijvoorbeeld de Neerkannerhei in Kanne. Andere benamingen waren bos, berg, vroonte, vroente of veld. Veld is in Nederlands Limburg, zoals in Haspengouw (13), de gangbare aanduiding voor bouwland, maar het woord verwees oorspronkelijk vermoedelijk naar de uitgestrekte gemene graasgebieden buiten het akkerareaal. Veld was dus een synoniem voor heide. De jongere term heide heeft het woord veld en ook de term vroente grotendeels verdrongen (14). Vroente in de zin van gemene weide betekende in feite 'onontgonnen land van de lokale heer' (15). Die liet de gebruiksrechten over die gronden vaak tegen vergoeding aan de plaatselijke bevolking.

Het gemeenschappelijk permanent graasgebied werd meestal aangeduid met het toponiem hei(de)

De hei bevatte ook het bos dat als hakhout werd beheerd en in de winter werd begraasd (eikels en

gedomineerd door struikheide (foto K. Vandevorst)

44 I MékL


klimop). Vegetatiekundig was de scheiding tussen bos en grasland in die tijd waarschijnlijk dan ook veel minder duidelijk dan nu. Doordat het bos begraasd werd - zo werden de bossen in Brabant nog tot ver in de i8 de eeuw begraasd (16) - , was het vroeger veel meer open en daardoor veel kruidenen vermoedelijk ook veel orchideeënrijker dan nu. De gemeenschappelijke graasgebieden waren levensnoodzakelijk voor het dorp. Daarom werd de grens ervan met duidelijke markeringen afgebakend: met grensbomen, een galg, een grote steen, een rustplek. Vele toponiemen verwijzen naar die oriëntatiepunten of rustplekken. ledere herder moest in het eigen dorp blijven om geen conflicten met de buurgemeente te veroorzaken of er hing hem een zware straf boven het hoofd. Dat was in strenge wetten vastgelegd, de zogenaamde dorpskeuren of wijsdommen (17). Die dorpskeuren kenden een grote verspreiding in heel CentraalEuropa. Ze regelden onder andere het beheer van de gemene gronden. Waarschijnlijk lag de heerdgang zelfs aan de basis van de latere administratieve dorpsgrenzen. Het woord heerdgang kreeg immers ook de secundaire betekenis van gehucht of parochie (18). Veel heerdgangtoponiemen in Haspengouw zijn terug te vinden in Het Kaartboek van Averbode uit de I7de eeuw (19). De mooi geïllustreerde kaarten tonen de bezittingen van de norbertijnenabdij, vooral in de Kempen, maar ook in de streek van Tienen, Sint-Truiden, Borgloon en Heers. Heerdgangtoponiemen uit die streek zijn groenstraet, groenenwegh, biestvelt, dries, kemphofF, t daver dries, den grooten dries, 't Lanck dreesken, 't Dreesen voor't huys, den magren dries, den dries genaamd phips-hoff. Zelfs nu lijken er nog steeds vele getuigenissen van de heerdgang in Haspengouw te bestaan. Is het immers toevallig dat zelfs bij een oppervlakkig onderzoek van de huidige straatnamen in Zuid-Limburg blijkt dat de Driesstraat in Kleine Spouwen aansluit op de Hageveldstraat; de Brede weg die de verbinding vormt tussen Guigoven en Kortessem, daar aansluit op de Groenstraat; de Heideweg in Kolmont zich vlakbij de Bredeweg bevindt; de Driesstraat in Zepperen op het dorpsplein vertrekt; de Dries en Driessteeg in Landen aansluiten bij een driehoekig stratenpatroon met de Groenendaal en Grumstraat vlakbij; de Groenstraat aan een pleintje in Piringen vertrekt en wat verder de Weideweg wordt en de Kerkstraat in Nieuwerkerken overgaat in de Driesstraat?

NOTEN (1) Zie onder andere: HILLEGERS H., Heerdgang in Zuidelijk Limburg, in Natuurhistorisch Genootschap, reeks XL, afl. 1, Maastricht, 1993. (2) RENES H., Het cultuurlandschap in Mergelland-Oost, in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 82, nr. 1, 1993, p. 3-27; ID., De Geschiedenis van het Zuidlimburgsc Cultuurlandschap {Stichting Maaslandse Monografieën], Maastricht, 1988; VERHULST A., Landschap en landbouw in Middeleeuws Vlaanderen, Brussel, 1995: THOEN E., Historisch-geografische tekst bij het kaartblad Oosterzele (onuitg. rapport UGent), 1987. (3) Ibidem; DUSART F. en CLAUDE ]., Les villages de "dries" en Basse et Moyenne-Belgique, in Tijdschriji van de Belgische Vereniging voor Aardrijkskundige Studies, jg. 44, nr. 2, 1975, p. 239-294. (4) THOEN E., op. cit. (5) MOLEMANS )., Profiel van de Kempische toponymie, in Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, jg. 9, nr. 6,1977, p. 1-50. (6) MOLEMANS J., op. ei!.; VAN DURME L, Dries, vooral in Centraal- en Zuid-Oost-Vlaanderen, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, jg. 70,1998, p. 119-211; CLAES F. en LEUVEN S., Dries als Hagelands woord, www.oostbrabant.org/Tijdschriften/Oostbrabant/1978-i/divii.html: BOON J., Het probleem Dries in de Middeleeuwse Landbouw in Vlaanderen, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, jg. XIX, 1965, p. 31-46. (7) BOON J., Het probleem Dries in de middeleeuwse landbouw in Vlaanderen, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, jg. 19,1965, p. 31-46. (8) MOLEMANS ]., op. cit; CLAES F. en MOLEMANS J., Driestoponiemen in de streek van Diest, in Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, jg. 16, nr. 28, 1984, p. 52-56; PERSOONS B., Toponymie van SintGoriks-Oudenhove tot 1650 (onuitg. verh. UGent), 2008; CLAES F., Inleiding tot de Oostbrabantse Toponymie, in Naamkunde, jg. 19,1987, p. 46-103. (9) VAN DURME L, op. cit. (10) HILLEGERS H., Heidevelden in Zuid-Limburg, in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 69, nr. 9, 1980, p. 170-182; VAN ORMELINGEN )., BATS H. en ERENS G.. De Westelijke Jekerhellingen in Kanne (Riemst): eeuwenoud landschap in ere hersteld, in Ma;!, jg. 26, nr. 4, 2007, p. 10-40; RENES J., De geschiedenis van het Zuidlimburgsc Cultuurlandschap, Maastricht, 1988; HILLEGERS H., Vegetaties met Calluna vulgaris (L.) Hull in Mergelland (onuitg. Rapport Staatsbosbeheer). (11) HILLEGERS H., op. cit:, RENES H, op. cit.; HILLEGERS H. en REUTEN B., Het Mergellandschap, in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 67, nr. 9,1978, p. 121-140. (12) LINDEMANS P., Geschiedenis van de landbouw in België, Antwerpen, 1952; RENES H., op. cit.; MOLEMANS )., op. cit.; VAN ORMELINGEN ]., BATS H. en ERENS G., op. cit., RENES J., op. cit. (13) MOLEMANS J., op. cit.; CLAES F., Inleiding tot de Oostbrabantse Toponymie, in Naamkunde, jg. 19,1987, p. 46-103. (14) Ibidem; PERSOONS B., Toponymie van Sint-Goriks-Oudenhove tot 1650 (onuitg. verh. UGent), 2008. (15) VAN ORMELINGEN e.a., op. cit., p. 16. (16) BAETE H., DE BIE M., HERMY M. en VAN DEN BREMT P. (red.), Miradal Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Leuven, 2009. (17) BEHETS J., Keurboeken, dorpskeuren en jaarkeuren in het Graafschap Loon en het omliggende, in Het Oude Land van Loon, jg. XX, 1965, p. 147-172; ID., De jaar- en de voogdgedingen in het graajschap Loon en het omliggende, in Het Oude Land van Loon, jg. XXI, 1966, p. 5-51. (18) MOLEMANS ]., Kempische buurtschappen en hun benaming, in Limburg, jg. Lil, nr. 6,1973, p. 255-265;ID., Heidetoponiemen in de Kempen, in Limburg, jg. LXI, nr. 2,1982, p. 49-57. (19) VAN ERMEN E., Het Kaartboek van Averbode 1650-1680, Brussel, 1997.


Dit is geen kritiek op het besluit dat met de toenmalige inzichten werd opgesteld, maar dat met de huidige kennis achterhaald is, zoals hierna zal betoogd worden. Met de bescherming als dorpsgezicht beoogde men het behoud van de typische setting van het monument in zijn omgeving. De bescherming van die omgeving voorzag in het behoud van het toenmalige grondgebruik, vaak landbouw. Maar landbouw kan zeer vernielend zijn voor de eventuele archeologische voorwerpen die ook in de zone vlakbij een tumulus kunnen voorkomen.

rijke graslandbegroeiing bezaten, eerder dus dan een boskarakter. Voorgaande impliceert dat op zijn minst die tumuli die momenteel nog steeds een soortenrijke grasmat bezitten, best in functie van het behoud van die grasmat beheerd worden. Over welke argumenten beschikken we nu om voorgaande hypothese te staven? In totaal zijn dat er zes. Vooreerst baseren we ons op de ecologie van soortenrijke graslandtypes. Die types vergen immers een eeuwenlang, continu aangehouden beheer voor hun ontstaan én voor hun behoud.

Een tweede sterk argument voor het feit dat tumuli vroeger eerder een grasmat dan een struweel- of De bescherming als monument of als dorpsgezicht bosvegetatie bezaten, heeft met het visueel aspect te is ook vaak niet doeltreffend gebleken. Dat had te maken. Een tumulus werd immers aangelegd om maken met het volledig ontbreken van regelmatige gezien te worden en een beboste tumulus is niet als controle van de sites. Enkel bij regelmatige tumulus te herkennen, maar lijkt eerder een klein inspecties en opmetingen, echte monitoring dus veldbosje te zijn! Meerdere bronnen onderlijnen dit: aan de hand van een duidelijk protocol, kan de "Trees do not only damage the structure of the tumuli, bescherming als monument effectief zijn. they can also he regarded as damaging towards the Volgens Wuyts (78) biedt het Decreet houdende bescherming van het archeologisch patrimonium (79)appearance of the tumuli. During the wintertime, it remains possible to see the original shape of the moun veel meer mogelijkheden voor de effectieve through the trees. But when the trees are covered with bescherming van de tumuli, in het bijzonder ook their leaves, the shape of the mound disappears under voor de bescherming van de archeologisch the leaves. All that is left of the tumulus in the belangrijke zone onmiddellijk rond de heuvel. landscape, is a small forest" (80) Toch is tot op de dag van vandaag nog geen enkele "Algemeen kunnen we stellen dat de tumuli een grote tumulus aangeduid als archeologisch monument! omvang hadden en goed zichtbaar waren in de omgeving. Belangrijk daarbij is ook dat de tumuli bij Grazig of niet? allemaal werden aangelegd op een natuurlijke hoogte Op basis van ons vegetatiekundig onderzoek het glooiende landschap van Haspengouw. Niet toeva lanceren we hier de hypothese dat (alle?) tumuli in zal het hoogste punt van de omgeving zijn uitgekozen Haspengouw in historische tijden een erg soorten-

Het erfgoedbeheer in de kijker. Een infobord bij de tumulus van Vechmaal {foto O. Pauwels)

46 IM L


'm-

i» ;

ÏSfe

^

ïsf-i

a

^'•/l\-

W . . • > - .

m <• .MJÉii^.. Miiiri^tikiiÉ ili iiMi^ ..ti.iim^Jit-j... iy..^^.

i

*

.ji-v- -< era

!

om daarop dan nog een heuvellichaam op te trekken. Dit is ook te zien op de topografische kaarten, het is duidelijk de bedoeling dat ze gezien werden" (8i). "De tumulus van Brustem is terug volledig verbost en onzichtbaar voor de passant (je kan hem bv. nauwelijks vinden met de streetview-tool op Google-Earth}" (82). Dat men erg veel waarde hechtte aan het voortbestaan en aan het uitzicht van een tumulus blijkt ook uit het feit dat er zelfs tomwachters of tombheuder (83) bestonden, mensen die onder andere vossen en konijnen moesten weghouden van de tumulus om verdwijning of vernieling te voorkomen (84). Zo schrijft Van den Borre: "In Grimde beschrijven archiefteksten de aanwezigheid van een 'tomwachter' tijdens de Middeleeuwen. Deze moest zorgen voor het behoud van de heuvel, wat ook wijst op het belang dat de omwonenden eraan hechten" {S^).

erosiewerend voor het eeuwenlang behoud van de bijzonder steile leemstructuur van een tumulus. Van steile dijken is alvast bekend dat een erg soortenrijke grasmat de beste garantie tegen erosie biedt (86). Dat heeft te maken met het feit dat kruiden en grassen onderling zeer verschillen in wortelstelsel. Sommige soorten hebben bijvoorbeeld een erg oppervlakkig, uitgebreid wortelstelsel.

':H^V;

?•>£•.':

Een tumulus werd duidelijk aangelegd om gezien te worden. Op deze foto: de tumulus van Vechmaal (foto O, Pauwels)

Een beboste tumulus is nog erg moeilijk herkenbaar, zoals hier de Centombe van Herderen (foto O. Pauwelsj

Een derde argument voor het feit dat tumuli van oorsprong een kruidige en geen bosvegetatie bevatten, heeft met erosie te maken. Hoe komt het immers dat zelfs na bijna tweeduizend jaren de tumuli nog steeds niet door erosie zijn weggespoeld, terwijl net leembodems op erg steile hellingen bijzonder erosiegevoelig zijn? Waarschijnlijk is enkel een erg soortenrijke grasmat voldoende

A/I&LI 47


tumulus toch beter onder grasland dan onder bos ligt. Zo vermeldt Van den Borre (90) dat de tumulus van Braives momenteel 8 m hoog is en bedekt met bomen, maar dat die tumulus aan het eind van de i9 de eeuw nog 11 meter hoog zou geweest zijn, wat op aanzienlijke erosie onder bos zou kunnen wijzen. Wuyts wijdt een volledig hoofdstuk aan het aspect erosie op tumuli. Zij stelt herhaaldelijk dat boomgroei omwille van erosie moet voorkomen worden: "Trees are considered to be an ideal stabilizing factor for slopes, due their strength and flexibility of the roots. However, on slopes and steep hills, trees can lead to overload of the slopes and wind throwing" (91). "Trees are not recommendahle in the case of tumuli: the risk of wind throwing is quite high, and the weigth of the trees can surcharge the slopes of the mound. Grasses, however, will not be sufficient to stabilize the mound, in the case of a steep slope. Therefore, it could be advisible to use shrubs species: shrubs can provide a sufficient ground cover, and can strengthen the structure of the mound with their root system" {92). "The trees and large bushes have a very negative influence on the vegetation cover of the soil. Underneath the trees and bushes, the soil has been left uncoverd in many locations. Especially during summer time, the trees and large bush prevent grasses from growing" (93). "The absence of a sufficient ground cover leads to erosion of the slopes of the mounds of the tumuli of Grime" (94).

De tumulus van Koninksem: een voetpad op de tumulus zorgt voor versnelde erosie. Onderaan het pad ontstaat een puinkegel van geërodeerd materiaal

terwijl andere planten net een diepgaande penwortel bezitten. Een soortenrijke grasmat zorgt er daarom voor dat de bovenste decimeters van de bodem veel beter worden vastgehouden dan bij een soortenarmere grasmat of bij een bosvegetatie.

[lolo [• Dupae)

Onlangs verscheen een uitgebreide meta-analyse over erosie in Europa (87). Dit onderzoek lijkt ook voor tumuli relevant. De meeste plots in dit onderzoek zijn immers 20 a 50 m lang en liggen op steile hellingen boven de 9%, tot zelfs 30% en meer. Uit deze meta-analyse blijkt dat in de gematigde streken van Europa onder gras of bos, ook bij erg steile hellingen, in principe haast geen erosie optreedt. De mediane erosiesnelheid bedraagt hier voor grasland 0,1 ton/ha/jaar en voor bos zelfs 0.0 ton/ha/jaar. Voor permanent grasland betekent 2000 jaren aan 0,1 ton/ha/jaar een totale erosiesnelheid van 200 ton/ha/2000 jaar of maar 1,3 cm gemiddelde oppervlakteverlaging (88). Maetens e.a. stellen anderzijds wel vast dat er voor bos een negatief verband bestaat tussen de lengte van de plots en het bodemverlies, terwijl dit voor grasland net omgekeerd is (89). Dit zou kunnen betekenen dat een

48 IM L

Uit voorgaande blijkt dat Wuyts struiken verkiest boven bomen, maar elders stelt zij dat vooral een grasmat ideaal is tegen erosie: "This cover will also prevent the formation of rills and other forms of runoff,... In order to establish such a vegetation cover, it is recommendahle to use grasses and herbs, which provide a good surface cover" (95). "In the prevention ofsutjicial water erosion, herbaceous species and grasses provide the best ground cover" (96). Bij zware overschaduwing verdwijnt de bodemvegetatie quasi volledig en dat kan vooral in het najaar en in de winter, wanneer de bomen en struiken kaal zijn, tot ernstige erosie leiden. Het is niet voor niets dat de boeren in de leemstreek geadviseerd wordt om een bodembedekking voor de winter in te zaaien. In elk geval is het duidelijk dat bijkomend erosieonderzoek dringend gewenst is om te bepalen of bij tumuli een soortenrijke grasmat inderdaad een betere bescherming biedt dan een bos, zoals we zelf, op basis van het onderzoek van Sykora en Liebrand en van de bevindingen van Wuyts, geneigd zijn te denken. Tenslotte is het vermeldenswaard in verband met het aspect erosie dat de aarde bij de aanleg van een


tumulus vermoedelijk hard werd aangestampt (97). Fransen en de Oostenrijkers. Om deze reden Zo vermeldt ook Massart dat "de aarde werd flink werden de Gallo-Romeinse grafheuvels tijdens de aangestampt bij de bouw van de tumulus van Glimes" vorige eeuwen dan ook nauwkeurig opgetekend (98). Bovendien kan opgemerkt worden dat de hoge door de cartografen. kalkrijkdom van een bodem erosie eveneens kan tegengaan door betonnering én omdat kalk voor In een publicatie over de folklore van tumuli hoge wormenpopulaties zorgt en die bevorderen vermeldt Amand dat ook herders van een tombe met hun gangenstelsel de infiltratie van het regengebruik maakten om hun kudde in het oog te water. houden: "...au siècle demierles bergers avaient l'habitude de se placer sur un monticule pour surveüler leur troupeau". Tevens schrijft hij:"A l' époque du Naast de vegetatie, het visuele aspect en het aspect carnival, les enfants avaient l'habitude d'allumer des erosie zijn er nog meer aanwijzingen dat tumuli vroeger eerder grazig waren. Het gaat daarbij zowel feux au sommet du Tomhal d Avemas-le-Bauduin et sur la tombe de Seron, usage qui est tres ancient et qui om anekdotische informatie, als om geschreven bronnen en afbeeldingen. Zo blijkt uit anekdotische s'apparente advantage a la mythologie solaire ..." (101). Ook deze informatie wijst er op dat grafheuvels informatie dat tumuli regelmatig als uitkijkpost vroeger eerder niet bebost waren. werden gebruikt, zowel door generaals als door herders, wat inhoudt dat ze niet bebost waren. Amand (99) schrijft bijvoorbeeld dat tumuli in de Naast voorgaande anekdotische informatie geven 1^, i8de en i9de eeuw door legergeneraals werden oude geschriften zelfs specifieke duiding over de gebruikt om de vorderingen van de veldslagen te begroeiing van Gallo-Romeinse grafheuvels. Zo volgen. Dat is bijvoorbeeld heel duidelijk op een vermeldt de Loe (102) dat de tumuli van Tienen in gravure van de slag van Fontenoy in Henegouwen 1895 vooral met gras en deels met struiken begroeid van 11 mei 1745 (100). Ook Napoleon maakte waren (gazonnê). Wuyts haalt een oude tekst aan volgens Amand tijdens de slag bij Namen in 1814 van 1862: "Cette tombe, qui est aujourd'hui sur Ie gebruik van een tumulus als observatiepunt. territoire de Walsbets, était naguère encore belle et Onder de bomen blijft de bodem Grafheuvels waren strategisch zo belangrijk dat er vaak volledig kaal, zoals hier bij spacieuse, mals depuis quelques années, elle a hien été de grafheuvel in het Grootbos in zelfs op 18 mei 1793 in Middelwinden om défigurée et, par un cöté,fortement abaissée, elle est Genoelselderen gevochten werd tijdens een veldslag tussen de presque dégamie des gazons qui la couvraient jadis" {foto O, PauwelsJ

*&»v .

•-•

i^

h**é*

• -<--l-c' . •

-...">*?»>-

Ai;-.

-'<


Tumuli in Tienen. Gravure van Ferdinand Runck uit het begin van de i9 de eeuw { © stadsarchief Tienen)

Op oude foto's zijn grafheuvels, hier tumulus nr. 7 in Koninksem, vaak grazig

I OngrCS

Tumulus, tombeau des anciens romams

I Ongeren

Tumulus, graden der oude rome'nen,

( © StadsarchiefTongeren)

(103). Een diepgaander historisch onderzoek van oude teksten en archieven kan zeker nog heel wat meer interessante aanwijzingen opleveren over het uitzicht van grafheuvels in lang vervlogen tijden.

De gravure is van de hand van Ferdinand Runck, begin icf' eeuw. Het kunstwerkje wordt bewaard in het archief van de stad Tienen en het toont duidelijk aan dat de drie grafheuvels van Tienen inderdaad enkel met gras begroeid waren. Wuyts reconstrueerde ook een tijdreeks over de vegetatie van die tumuli van Een laatste bron van informatie over de begroeiing Grimde, aan de hand van oude tekeningen van 1845, van tumuli vormen oude afbeeldingen en foto's. Zo toont Wuyts een mooie gravure van De Drij Tommen 1854,1870 en van oude foto's van 1892 en begin van Grimde in Tienen en ze schrijft er het volgende 20s,e eeuw. Uit die reeks blijkt dat deze drie grafbij: "The tumuli are a dear landmark, visible and heuvels steeds een grazig aspect hadden. Pas vanaf accessible from the road. Striking is the absence of large het begin van de 20ste eeuw raakten ze langzaam vegetation on the surface of the tumuli" (104). bebost en zijn dat gebleven tot op de dag van vandaag.

50 I M

L


Overigens zijn er vele oude foto's van tumuli te vinden, en vaak zijn die tumuli niet bebost, terwijl ze dat momenteel wel zijn. Zo publiceerde Massart {105) van alle grafheuvels in Limburg foto's uit de jaren 1991,1993 en 1994, maar hij toont ook een oudere foto van 1939 van tumulus 7 en een foto van 1949 van de tumuli 11,12 en 13. Op die oudere opnames zijn de grafheuvels altijd minder bebost dan op meer recente afbeeldingen. Concreet beheer Op basis van de zes voorgaande argumenten (graslandecologie, visueel aspect, erosie, anekdotes, oude teksten en oude afbeeldingen) gaan we er, althans voorlopig, van uit dat tumuli vroeger een grazige, soortenrijke grasmat bezaten en dat deze ook voor het toekomstig behoud noodzakelijk is. Vanzelfsprekend vergt de hypothese dat tumuli vroeger een soortenrijke grasmat bezaten heel wat bijkomend onderzoek, ondermeer op het vlak van vegetatie, pollen, erosie, bodem en historisch gebruik. Indien tumuli vroeger evenwel een soortenrijke grasvegetatie bezaten, dan strookt een puur ecologisch beheer gericht op het behoud van L de huidige, waardevolle graslandtypes volledig met • h e t behoud van de tumulus als archeologisch l ^ a a r d e v o l object. Met andere woorden het erfgoed^ k e i ' en het natuurbeheer vallen dan perfect samen! Vanzelfsprekend moet er momenteel ook met de landschappelijke kwaliteit van de tumuli rekening worden gehouden. Zo kan het behoud van één of meerdere beeldbepalende bomen of struiken aangewezen zijn, tenminste voor zover dat geen

gevaar voor de waardevolle grasmat of voor het aarden lichaam van de tumulus zelf inhoudt. Hoe moeten soortenrijke, grazige tumuli nu concreet beheerd worden? We weten dat het kalkrijke kamgrasweiland of het heischraal grasland met Betonie en Gevinde kortsteel in Haspengouw heerdgangrelicten zijn en dus getuigen van een eeuwenoud beheer. De voortzetting van dat beheer is dan ook noodzakelijk voor het behoud van die waardevolle, historische relicten, want bij niet beheren gaan ondermeer de ruigtesoorten domineren. Deze vormen een bedreiging voor de botanische waarde van de Romeinse grafheuvels. Soorten van ruigten zijn immers hoge planten die veel andere soorten kunnen overschaduwen en daardoor doen verdwijnen. Uiteindelijk blijft dan slechts een gering aantal ruigtesoorten over. Wanneer een ruigte daarentegen gehooid of begraasd wordt, verhindert dat beheer de dominantie van hoge soorten en stijgt het soortenaantal weer. Het hooien of begrazen van de tumuli om de verruiging ervan te verhinderen, is dan ook onontbeerlijk voor het behoud en de eventuele verhoging van de botanische rijkdom. Zo is de gulden sleutelbloem, een typische soort op tumulus 7, sterk geassocieerd met historisch beheer van hooien of grazen (106). Voor de juiste wijze van hooien of begrazen verwijzen we naar de gespecialiseerde literatuur ter zake. Zo stellen Reitalu e.a. (107) dat voor het behoud van zeer oude graslanden een gemiddelde begrazingsdruk optimaal is, met vermijding van zowel overbegrazing als van

De Hestappetom heeft een zeer soortrijke vegetatie met akkerhoornbloem en kleine pimpernel (foto O. Pauwels)

M&LI 5!


^•T'• «4.

iffi .vi iMH a. •••,

-n

.aai

,^^:

t'Vj^ V

.;

s

•.

,^


Door ontbossing neemt het aantal soorten fors toe, zoals hier bij tumulus 5 in Tongeren (foto O. Pauwels)

•

i

.«MM»

•

'

^

1

,

•»

"

^

*.

#

*

lange periodes zonder begrazing. Daarnaast is het basisprincipe 'kort de winter in' en 'variatie in de timing van het beheer'. Om de soortenrijkdom van de grasmat van de tumuli te bewaren, worden best alle algemene, houtige soorten verwijderd en wordt betreding absoluut vermeden. Verbossing (spontane of via aanplanting) zorgt immers niet alleen voor een sterke afname van het totaal aantal soorten op een tumulus, maar ook voor de verdwijning van de meestal zeldzame graslandplanten, en het zorgt misschien ook voor meer erosie! De omvorming van een houtige vegetatie naar een meer kruidachtige begroeiing komt overigens ook de foerageermogelijkheden van akkervogels, de meest bedreigde ecologische groep onder onze inheemse vogelsoorten, ten goede. Niet voor niets hoorden we tijdens het veldwerk in 2005-2006 bij elk van de vier waardevolle, grazige tumuli de veldleeuwerik, de grauwe gors of de kwartel! En in 2013 zong de geelgors bij de recent ontboste tumulus 5 en de veldleeuwerik bij de ontboste tumulus 3. Een laatste beheeraspect van de tumuli heeft met dispersie te maken. Populaties van graslandsoorten vertonen na-ijleffecten op de veranderingen in hun milieu. Hierdoor kunnen ze nog wel aanwezig zijn, ook al zijn de voorwaarden voor hun overleving ondertussen verdwenen (108). De huidige soortenrijkdom van de graslanden op de tumuli heeft zich vermoedelijk ontwikkeld onder dispersieomstandigheden, met name de heerdgang, die ondertussen verdwenen zijn. Daardoor dreigen die graslanden

hun soortenrijkdom op langere termijn te verliezen, wat bekend staat als extinction debt (109). Zo stellen Reitalu e.a.: "The study supports the findings of other recent studies which suggest that the patterns ofplant species diversity in semi-natural grasslands cannot he understood without the knowledge about habitat history". "Our results also suggest that the management of grasslands within the present landscape may no longer support grassland plant species diversity in the same way as in the historical landscape. A progressive loss of species from the remaining grassland patches may be predicted - unless conservation management strategies can include a focus on dispersal and habitat connectivity at the same time as a focus on local grazing intensity" (no). Er zijn echter weinig mogelijkheden om de isolatie van de graslandvegetaties op tumuli te verminderen. Zo wordt er in Haspengouw momenteel wel wat geëxperimenteerd met rondtrekkende schaapskuddes, maar die worden nog niet ingezet voor het beheer van grafheuvels. Een alternatief zou kunnen bestaan in het regelmatig uitwisselen van hooi tussen de tumuli (in). Daarom houdt de VLM al enige tijd een warm pleidooi om alle tumuli van Haspengouw in één gezamenlijk beheer- en beschermingsplan op te nemen, waarbij zowel het behoud van het aarden lichaam als van de bijzondere vegetatie erop worden nagestreefd. Een eerste geslaagde aanzet daartoe is het recente inrichtingsvoorstel voor de tumuli van Gingelom (112). Deze gemeente voert al geruime tijd, in samenwerking met het Regionaal Landschap Haspengouw en

1VI&L I 53


Bergnachtorchis in een 'Ferrarisbosje' in Borgloon {foto E. Dupae)

dassen die momenteel in enkele tumuli verblijven (113). Dit is vooral voor de Herstappetom dringend gewenst, omdat het aantal gangen hier gestaag blijft stijgen. Dassenburchten tellen vele kamers en kunnen honderden meters tunnels omvatten. In volume uitgedrukt kan het tot 40 m2 gaan, equivalent aan 60 ton aarde (114)! Van dassen is bekend dat ze door hun gegraaf ernstige schade aan bouwsels kunnen toebrengen. Volgens ons primeert echter de archeologische en bijzondere botanische waarde van de tumuli op de waarde ervan als leefgebied voor de das, een discussie die we graag willen voeren.

Epiloog

Het 'narcisfenomeen' van Diets-Heur heeft dringend bescherming nodig (foto E. Dupae)

Voeren, een actief beschermingsbeleid en aangepast beheer met als doel een grasbedekking te ontwikkelen. De toeristische dienst van Gingelom heeft zelfs een wandelfolder, de Tumuliroute, uitgebracht om van het landschap van de grafheuvels in de gemeente te genieten! Tot slot willen we in samenspraak met de dassenwerkgroep van de Limburgse Koepel voor Natuurstudie (LIKONA) het probleem oplossen van de

54 IM L

Dankzij het werk van de VLM, in het bijzonder in het kader van de ruilverkaveling, is de kennis over natuur in Haspengouw sterk toegenomen. Dat resulteerde bijvoorbeeld in een overzicht van de typische natuur in die streek (115). Inmiddels is dit werk door tal van nieuwe ontdekkingen aan herziening toe. Zo werden door de VLM, ondermeer in het kader van de opstelling van de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) voor Haspengouw, heel wat nieuwe vondsten gedaan, bijvoorbeeld ruig viooltje in Mettekoven en in Riemst, tal van waardevolle soorten langs het Albertkanaal zoals ruige anjer, klein wintergroen, kleine steentijm, stengelomvattend havikskruid en bruinrode wespenorchis, een bosje bij Beverst vol zwartblauwe rapunzel of


stijve naaldvaren op de muren van de ruïne Jonckholt in Groenendaal, hellinggraslanden en beemden bezaaid met herfsttijloos of bergnachtorchis in een Ferrarisbosje in Borgloon. Ook de valleien van Haspengouw zorgden voor talrijke verrassingen: meerdere plekken met kalktufvorming, basenrijke bronnen geflankeerd door moerasstreepzaad, bittere veldkers, hangende of slanke zegge, kalkmoeras met paddenrus en schubzegge. Inderdaad kalk, kalk en nogmaals kalk, daar gaat het in Haspengouw blijkbaar om! Deze bijdrage benadrukt dat het heden niet te verklaren valt zonder kennis over het verleden. Deze aanpak, historische ecologie, krijgt de laatste jaren zowel in Vlaanderen (116) alsook internationaal (117) terecht steeds meer belangstelling. Ook in Haspengouw valt er op het vlak van historisch-ecologisch onderzoek nog heel wat boeiend werk te doen. Zo schreeuwt het fenomeen van de narcisboomgaarden in Diets-Heur en Vreren om uitleg (118). Ook het onderwerp van de vloeiweiden vergt dringend specifiek onderzoek. In het bijzonder waardevolle boek Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen (119) beschrijft Burny uitgebreid de vloeiweiden van de Kempen en hij vermeldt terloops dat dit fenomeen hoogstwaarschijnlijk ook in Haspengouw heeft bestaan. Gelukkig bestaat er al een uitstekende, recente handleiding om sporen van vloeiweiden in het landschap op te sporen

(120). Dit is dan ook meteen een oproep om op zoek te gaan naar die sporen in Haspengouw. Dergelijk onderzoek heeft de meeste kans op slagen wanneer historici en ecologen nauw samenwerken, want ecologen snuffelen zelden in stoffige archieven. Geschiedkundigen doen dat wel, maar zelden met een 'ecologische bril' op. Dit is dan ook een pleidooi om binnen LIKONA een werkgroep Historische ecologie op te richten. Daarin zitten in eerste instantie landbouwdeskundigen met een bijzondere interesse in de agrarische geschiedenis, aangevuld met ecologen en landschapsdeskundigen met een historische geaardheid en tot slot heemkundigen, geschiedkundigen en archeologen met een 'natuurlijke' interesse!

Een goed graslandbeheer is essentieel voor het behoud van de tumulus (foto E. Dupae)

Die werkgroep zou bijvoorbeeld specifiek op zoek kunnen gaan naar gegevens over de Romeinse tumuli in oude teksten en in archieven ofwel het levend archief raadplegen, met andere woorden de oude mensen die nog altijd in de buurt van tumuli wonen. Zij kunnen heel wat waardevolle informatie over het beheer van die tumuli gedurende de laatste decennia opleveren. Zo vertelde een collega uit Koninksem, die vaak als kind op de grafheuvels heeft gespeeld, dat tumulus 7 vroeger regelmatig in de lente werd afgebrand, maar dat dat nooit gebeurde met de andere tumulus van Koninksem. Die was toen ook meer met struiken begroeid, tenminste aan één zijde.

1V1 L I 55


Een ander aandachtspunt voor de werkgroep Historische ecologie zou zeker de historische rol in de landbouw, maar ook ecologisch, van het schaap en van de commons kunnen zijn. Klopt het bijvoorbeeld dat het schaap, als enige dier, het keutelen opspaart voor de nacht? Die indruk had ik althans na drie dagen achter schapen aan te hollen in de Veluwezoom, maar een indruk is nog geen bewijs. Klopt het dat het rund beter geschikt is om verschillende habitats te begrazen, in het bijzonder het bos, zoals Bogaard voor het neolithicum beweert, toen er meer runderen dan schapen en geiten werden gehouden? En is het rund beter geschikt voor de mestproductie en om te overleven op een armer dieet dan het schaap, zoals Bogaard eveneens beweert (121), maar dat vanaf de middeleeuwen blijkbaar toch vooral het schaap als mestleverancier werd gebruikt (122)?

Ik heb nog heel wat herders met hun kuddes gezien, zowel binnen als ver buiten Europa, maar haast overal dreigt het aspect van het herderen te verdwijnen. Daarom is een diepgaand wetenschappelijk onderzoek (op historisch-ecologisch, agrarisch, sociologisch en antropologisch vlak) naar het beroep van de herder en de diverse rol van zijn kudde dringend gewenst. Voor het definitief te laat is!

Eddy Dupae is ecoloog bij de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), Regio Oost

Eindnoten (1) Tumulus nr. 1 werd op 28 mei 2005 onderzocht, nrs. 2,3 en 4 op 22 en 23 juli en de overige tumuli op 3 en 9 augustus. Al snel bleek dat grafheuvels met veel houtige elementen een weinig interessante, eerder soortenarme kruidlaag bezitten. Omdat de grafheuvels nrs. 10 tot en met 15 in augustus 2005 pas gemaaid waren met afvoer van het maalsel was een bijkomend onderzoek in 2006 noodzakelijk. De volledig verboste tombes 3, 4, 5, 8 en 9 werden in 2006 niet opnieuw onderzocht. Een eerste onderzoek van de overige grafheuvels had plaats op 6-7 mei en op 3-4 juni. Op 4 juni 2006 waren de tumuli 10 tot en met 15 echter weer pas gemaaid. Om die reden en ook om een aantal laatbloeiende soorten zeker niet te missen, werden de grafheuvels in 2006 een laatste keer bezocht in de nazomer. De tumuli 1, 6 en 7 werden nader bekeken op 26 augustus en de tumuli 10 tot en met 15 op 2 september. Nu was op 26 augustus tumulus nummer 7 net gemaaid, inclusief de egelantier! Om te voorkomen dat het verschil in inventarisatie-inspanning in 2005-2006 tussen de grazige en de beboste tumuli tot verkeerde conclusies zou leiden, werden alle beboste tumuli (3, 4, 5. 8 en 9) in 2012-2013 opnieuw onderzocht tijdens de optimale periode in het voorjaar voor bosplanten. Tumulus 5 werd bezocht op 8 en 28 mei 2012 en de overige tumuli op 8 april 2013. Gezien het erg late voorjaar in 2013 werden de bomen en struiken niet opnieuw geïnventariseerd. We merken op dat in 2012 grafheuvel 5 volledig kaal was gekapt en dat in 2013 tumulus 3 eveneens grotendeels open gekapt was.

(2) AMAND M., Etudes sur nos tumulus, in Les Etudes Classiques, dl. 39, nr. 4, 1971, p. 484-492; ID., De Gaüo-Romeinse Tumuli, in Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren, nr. 31,1985. (3) ROOSENS H. en LUX G., Grajveld met GaUo-Romeinse tumulus te Berlingen, in Archaeologia Belgica, nr. 147,1973. (4) ID., Gaüo-Romeinse tumulus te Helshoven onder Hoepertingen, in Archaeologia Belgica, nr. 164,1974. (5) ROOSENS H. en VANDERHOEVEN M., Een verdwenen tumulus te Rosmeer, in Archaeologia Belgica, nr. 24,1970. (6) AMAND M. en NOUWEN R., Gaüo-Romeinse tumuli in de Civitas Tungrorum, in Publicaties van het Provinciaal Gallo Romeins Museum Tongeren, nr. 40,1989. (7) LUX G., Gaüo-Romeinse tumuli te Niel-bij-Sint-Truiden, in Archaeologia Belgica, nr. 217,1979. (8) MASSART C., De bewaarde Gallo-Romeinsc tumuli van Haspengouw. Topografische studie, in Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Monografie van Nationale Archeologe nr. 9,1994. (9) VANVINCKENROYE W., Onderzoek van de Gallo-Romeinse tumulus van Gutschoven, in Publikaties van het Provinciaa Gallo-Romeins Museum, nr. 35,1987. (10) MASSARTC., op. cit. (11) Ibidem. (12) LAMBINON J., DE LANGHE J., DELVOSALLE L. en DUVIGNAUD J., Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridojyten en Spermatojyten), Meise, 1998. (13) VAN LANDUYT V., HOSTE L, VANHECKE L, VAN DEN BREMT P., VERCRUYSSE W. en DE BEER D. (red.). Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, Brusse 2006. (14) DUPAE E., Topnatuur in Vlaanderen vlakbij de Zwarte vijver in het Provinciaal Domein Nieuwenhoven, in Likona Jac.rboe 2010, 2011, p. 23-27; BERTEN R., DE BECKER P., DREESEN R., DUPAE E. en DUSAR M.. Waarom is het orchideeenrijke grasland in Opleeuw zo uitzonderlijk soortenrijk?, i Likona jaarboek 2011, 2012, p. 30-39; DUPAE E.. Natuur in Haspengouw ... op z'n paashestl. Heusden-Zolder. 2006; DUPAE E. en STULENS H., BV/K-kartering in het kader van het Mestdecreet (art.jibisj. Aanvraag tot correctie in het kade van het Mestdecreet en de Verificatiecommissie (onuitg. rapport VLM Limburg), 2010. (15) VRIENS L. e.a.. De Biologische Waarderingskaart. Biotopen e hun verspreiding in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedeli Gewest, in Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel, 2011. (16) SCHAMINEE )., STORTELDER A. en WEEDA E., De vegetatie van Nederland, dl. 3, Plantengemeenschappen van de kus en van binnenlandse pioniermilieus, Uppsala/Leiden, 1996; ID., De vegetatie van Nederland, dl. 4, Plantengemeenschappe van graslanden, zomen en droge heiden, Uppsala/Leiden, 1998. (17) ID., De vegetatie van Nederland, dl. 5, Plantengemeenschappe van ruigten, struwelen en hossen. Uppsala/Leiden, 1999. (18) ZWAENEPOEL A. e.a., Systematiek van natuurtypen voor het biotoop grasland (MINA-rapport 102/99/01], 2002. (19) ZWAENEPOEL A., Systemotiefc van natuurtypen voor de biotopen ruigten en zomen (MINA-rapport 102/01/01), 2004. (20) BENNIE J. e.a.. Influence of slope and aspect on long-term vege tation change in British Chalk grasslands, in Journal of Eco% . Ig- 94. 2 0 0 6 . P- 355-368(21) BASTIAENS ].. BRINKKEMPER O., DEFORCE K., MAES B., RÖVEKAMP C, VAN DEN BREMT P. en ZWAENEPOEL A., Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaan deren. Herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik. Boom/ Amsterdam, 2006. (22) HERMY M. e.a.. An ecological comparision between ancien and other forest plant species of Europe, and the implications fo forest conservation, in Biological Conservation, 1999, p. 9-22. (23) DUPAE E. en STULENS H., Verspreiding en samenstelling van de kalkrijke kamgrasweide (Galio-Trifolietum) in Limburgs-Haspengouw, in Natuur.focus. jg. 2, nr. 1, 2003, p. 4-10; SCHAMINEE J. en ZUIDHOFF A., Het Galio-Trifolietum. Een miskende associatie uit het Mergeüand. in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 84, nr. 4,1995, p. 90-96. (24) RAMAN M., Festuco-Brometea (kalkgraslanden) in Vlaande ren, met een casestudie van de Tiendeberg (onuitg. verh. UGent), 2001.


(25) ZWAENEPOEL e.a., op. at. (26) AMEEUW G., BERTEN R. en PAELINCKX D., Biobgische Waarderingskaart Versie 2. Toelichting bij de kaartbladen 33-41 (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, JNBO.R.2006.35), Brussel, 2 0 0 6 . (27) ZWAENEPOEL A. e.a., op. cit.. p. 148. (28) RAMAN M., op. cit. (29) ZWAENEPOEL A. e.a., op. cit. (30) DUPAE E. en STULENS H., op. cit. (31) BAEYENS L. e.a.. Landschapsevaluatie van het ruilverkavelingsgebied van Kutten {gemeenten Herstappe en Tongeren), Genk, 1980. (32) ROOSENS H. en LUX G., Een Gallo-Romeinse tumulus te Eben-Emael-Kanne. in Archaeologia Belgica, nr. 121,1970. (33) VANV1NCKENROYE W., op. cit. (34) ROOSENS H. en LUX G., Grajveld met Gallo-Romeinse tumulus te Bedingen, in Archaeologia Belgica, nr. 147,1973. (35) LUX G., Gallo-Romeinse tumuli te Niel-bij-Sint-Truiden, in Archaeologia Belgica, nr. 217,1979. (36) ROOSENS H. en LUX G., Grajveld met Gallo-Romeinse tumulus te Bedingen, in Archaeologia Belgica, nr. 147,1973;) LUX G., Gallo-Romeinse tumuli te Niel-bij-Sint-Truiden, in Archaeologia Belgica, nr. 217,1979. (37) ROOSENS H. en LUX G., Grajveld met Gallo-Romeinse tumulus te Bedingen, in Archaeologia Belgica, nr. 147, 1973, P-7(38) DE LOE A., Tumulus de Tidemont, in Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles, dl. IX, nr. 4,1895, p. 26. (39) Mondelinge mededeling van R. Langohr. LANGOHR R., •, VLM specialisatiecursus Bodem (onuitg. syllabus). 2005. ' 4 0 ) BAETE H., DE BIE M., HERMY M. en VAN DEN BREMT P. (red.), Miradal Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Leuven, 2 0 0 9 . (41) Ibidem; DUPOUEY ). e.a.. Irreversible impact ofpast land use on forest soils and biodiversity, in Ecology, jg. 83, nr. II, 2002, p. 2978-2984; BRIGGS J. e.a., Why ecology needs archaeologists and archaeology needs ecologists, in Frontiers in Ecology and the Environment, nr. 4, 2 0 0 6 , p. 180-188; VESKI S. e.a., Integrated palaeoecological and historical data in service of fineresolution land use and ecological change assessement during the last 1000 years in Rouge, southern Estonia, in Journal of Biogeography, jg. 32, 2005, p. 1473-1488. (42) GRUBB P. e.a.. The ecology of chalk heath: its relevance to the calcicole and calcifuge and soil acidification problems, in Journal ojEcology, jg. 57,1969, p. 175-212. (43) DUPAE E., De associatie van Betonie en Gevinde kortsteel in Zammelen. Advies over het beheer van een bijzondere "heide" in Haspengouw (België), in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 93, 2004, p. 241-246; SMITS N. en SCHAMINEE ]., Schrale hellingen in Zuid-Limburg. Een inventarisatie van bodem en vegetatie [Alterra-rapport 1010), Wageningen, 2004. (44) BAETE H. e.a., op. cit., p. 39-40. (45) SMITS N. en SCHAMINEE J., op. cit:, DUPAE E. en STULENS H., De uitzonderlijke soortenrijkdom van het grasland in Opleeuw beschreven en verklaard (onuitg. rapport VLM Limburg), 2 0 0 9 ; WEEDA E. e.a., Atlas van de Plantengemeenschappen in Nederland, dl. 2, Graslanden, zomen en droge heiden, Utrecht, 2002. (46) WEEDA e.a., op. cit.; SCHAMINEE J. en SMITS N., De Berghojweide: het mooiste zorgenkind van Zuid-Limburg, in Strotiotes, jg. 38, 2 0 0 9 , p. 18-31; STIEPERAERE H., A syntaxonomic evaluation of the Belgian Nardetea, in Belgian Journal of Botany, jg. 126, nr. 1,1993, p. 135-150. (47) STIEPERAERE H., op. cit. (48) ELLENBERG H., Zeigerwerte der Gefassplanzen Mitteleuropas, in Scripta Geobotanica, jg. 9, vol. 9,1974. (49) DUPAE E., Natuur in Haspengouw... op z'n paasbest!, Heusden-Zolder, 2 0 0 6 . (50) BASTIAENS (. e.a., op. cit. (51) ADRIAENS D., HONNAY O. en HERMY M., Does seed retention potential affect the distribution of plant species in highly fragmented calcareous grasslands?, in Ecography, jg. 30, nr. 4, 2007, p. 505-514. (52) COUSINS S. e.a.. Reconstructing past land use and vegetation patterns using palaeogeographical and archeological data. A focus on grasslands in Nynas by the Baltic Sea in south-eastern Sweden, in Landscape and Urban planning, jg. 61, 2002, p. 1-18; GUSTAVSSON E. e.a.. Land use more than 200 years ago explains current grassland plant diversity in a Swedish agri-

cultural landscape, in Biological Conservation, jg. 138, 2007, P- 47-59(53) COUSINS S., op. cit. (54) SCHELLENS K., Haspengouwse tumuli als burchtlocaties voor dassen (onuitgeg. scriptie Katholieke Hogeschool Kempen), 2011. (55) DUPAE E., De wilde narcis in Haspengouw, in het bijzonder in de hoogstamboomgaarden van Diets-Heur en Vreren bij Tongeren (onuitg. rapport), 2005. (56) COUVREUR M, CHRISTIAEN B., VERHEYEN K. en HERMY M., Large herbivores as mobile links between isolated nature reserves through adhesive seed dispersal, in Applied Vegetation Science, jg. 7, 2004, p. 229-236. (57) HONNAY 0 . en BOSSUYT B., Prolonged clonal growth: escape route or route to extinction?, in Oifeos, jg. 108, 2005, p. 427-432; EHRLEN J. en LEHTILA K., How perennial are perennial plants?, in Oifcos, jg. 98, 2002, p. 308-322. (58) DALHSTROM A., RYDIN H. en BORGEGARD S., Remnant habitats for grassland species in an abandoned Swedish Agricultural landscape, in Applied Vegetation Science, jg. 13, 2010, p. 305-314. (59) BRYS R. en JACQUEMYN H., Biologico! Flora of the British Isles: Primula veris L., in Journal of Ecology, jg. 97, 2 0 0 9 , p. 581- 6 0 0 . (60) TACK G., VAN DEN BREMT P. en HERMY M., Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, Leuven, 1993. (61) BRUUN H. en FRITZBOGER B., The past impact of livestock husbandry on dispersal of plant seeds in the landscape of Denmark, in Amino, jg. 31, nr. 5, 2002, p. 425-431; POSCHLOD P. en BONN S., Changing dispersal processes in the central European landscape since the last ice age; an explanation for the actual decrease of plant species richness in different habitats?, in Acta Botanica Neerlandica, jg. 47, nr. 1,1998, p. 27-44; POSCHLOD P. en WALLISDEVRIES M., Tfte historical and socioeconomic perspective of calcareous grasslands - lessons from the distant and recent past, in Biologicai Conservation, jg. 104, 2002, p. 361-376. (62) CAIN M., DAMMAN H. en MUIR A., Seed dispersal and the Holocene migration of woodland herbs, in Ecological Monograph, jg. 68, nr. 3,1998, p. 325-347. (63) LINDEMANS P., Geschiedenis van de landbouw in België, Antwerpen, 1994, 2 din. (64) HILLEGERS H., Heerdgang in Zuidelijk Limburg, in Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, reeks XL, afl. 1, Maastricht, 1993. (65) BEHETS )., Het gebruik van gemene weiden en de andere gemene gronden in de wijsdommen van het graafschap Loon, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor de uitgave der oude wetten en verordeningen in België, jg. 26, 1975, p. 147-

192. (66) VLIEBERGH E. en ULENS R., La population agricole de la Hesbaye au XlXè siècle. Contribution a l'Etude de l'Histoire Economique et Sociale, Brussel, 1909. (67) WILLEMS [., De functie van de schaapskudde; vroeger en nu, in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 88, 1999, p. 7-10; BEHETS f., op; cit.; VLIEBERGH E. en ULENS R., op. cit; NIJSSEN R., Cultuurhistorische duiding van de site Grootloon als onderdeel van het actieplan 'De Romeinse Weg' (onuitg. rapport), 2 0 0 9 ; VAN ORMELINGEN (., De schrale graslanden ten westen van Kanne (België). Cultuur- en natuurhistorische beschrijving, in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 93, 2004, p. 221-227; VANDEVELDE S., Oi^er het landbouwbedrijfvan Jan Buckinx in Spauwen (1623-164$), in Limburg, jg. 38, nr. 2, 1959, p. 48-50; FRERE M., Enkele beschouwingen betreffende het oneigenlijke vrijweiderecht in Limburg, in Limburg, jg. 38, 1959, p. 285-301; STEVENS A., Noto oi^er Koninksem "gjoeot" gemeentekudde, in Limburg, jg. 38, 1959, p. 302-303; FRERE M., Over schapenteelt in Zuid-Limburg in de i8d' en ig'u eeuw, in Het Oude Land van Loon, jg. 17,1962, p. 185-195; REPRIELS E., De Schaapsherder {onuitg. studie), Maasrnechelen; HILLEGERS H. (ed.), De wijzen en verstandigen schaap herder": een facsimile-uitgave van een aantekenboekje van een Limburgse herder-herehoer-burgemeester, daterend uit de eerste helft van de XlXe eeuw, Maastricht, 1998; HILLEGERS H., Heidevelden in Zuid-Limburg, in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 6 9 , nr. 9,1980, p. 170-182.


(68| GIJSELS H. e.a., De landschappen van Vlaanderen en Zuide- (94) Ibidem, p. 174. lijk Nederland. Een landschapsecologische studie (OLM, 19),(95) Ibidem, p. 38. Gent, 1993; RENES H., Het cultuurlandschap in Mergelland- (96) Ibidem, p. 52. Oost, in Natuurhistorisch Maandblad, jg. 82, nr. 1, 1993, (97) VAN DEN BORRE K., op. cit.. p. 45. p. 3-27; LAMBRECHT T., Een grote hoeve in een klein dorp. (98) MASSART J., op. cit., p. 44-45. Relaties van arbeid en pacht op het Vlaamse platteland tijdens(99) AMAND M., Etudes sur nos tumulus, in Les Etudes Classide iS*' eeuw {Reeks Historische Economie en Ecologie), Gent, ques, dl. 39, nr. 4,1971, p. 484-492. 2002; PHILIPS J., JANSEN J. en CLAESSENS T., Geschie- (100) Ibidem, p. 491. denis van de landbouw in Limburg 1750-1914, in Werken uitge-(101) Ibidem, p. 123 en 126. geven door de Bestendige Deputatie van de Provincie Limburg. (102) DE LOE A., op. rit. nr. 8,1965. (103) WUYTS V., op. cit., p. 61. {69) LINDEMANS P., op. at. (104) Ibidem, p. 109. (70) FRERE M.. Over schapenteelt in Zuid-Limburg in de 18''' en {105) MASSART J., op. cit. ig* eeuw, in Het Oude Land van Loon, jg. 17, 1962, p. 185- (106) BRYS R. en JACQUEMIN H., op. cit. 195. (107) REITALU T. e.a., History matters: village distances, grazing {71) BEHETS J„ op. rit.; MOLEMANS J., De politieke en rechterand grassland species diversity, in Journal of Applied Ecolog lijke instellingen van het Graafschap Loon (1031-1794), in Het jg. 47, 2010, p. 1216-1224. Oude Land van Loon. jg. L, nr. 2,1996. (108) GUSTAVSSON E. e.a., op. cit.; HELM A e.a.. Slow response (72) LINDEMANS P., op. rit.; BEHETS f., op. rit.; FRERE M., of plant species richness to habitat loss and fragmentation, in Enkele beschouwingen betreffende het oneigenlijke vrijweide- Ecology Letters, jg. 9, 2006, p. 72-77. recht in Limburg, in Limburg, jg. 38, 1959. p. 285-301; HIL- (109) LINDBORG R. en ERIKSSON O., Historical landscape LEGERS H. en REUTEN B., Het Mergellandschaap, in connectivity affects present plant species diversity, in Ecolo Natuurhistorisch Maandblad, jg. 67, nr. 9,1978, p. 121-140. jg. 85. nr. 7, 2004, p. 1840-1845; BUTAYE J.. ADRIAENS (73) BROUWERS J., De gemeentelijke varkenshoeder te Gelinden D. en HONNAY D., Conservation and restoration of calcare, en omgeving (l6'''-lC)' ' eeuw), in Limburg, jg. 43, nr. 11-12, ous grasslands: a concise review of the effects of fragmentati 1964, p. 253-258. and management on plant species, in Biotechnol. Agron. Soc (74) PHILIPS J., JANSEN J. en CLAESSENS T.. op. rit. Environ., jg. 9, nr. 2, 2005, p. 111-118. (75) STEVENS A., Nota over Koninksem "gjoeot" gemeentekudde,(no) REITALU T. e.a., op. cit., p. 1221-1222. in Limburg, jg. 38,1959, p. 302-303. (in) KIEHL K. e.a.. Evaluation of Initial Restoration Measures (76) VAN ORMELINGEN f., BATS H. en ERENS G., De Westeduring Restoration of Calcareous Grasslands on Former Am lijke Jekerhellingen in Kanne (Riemst): eeuwenoud landschap ble Fields, in Restoration Ecology, jg. 14, nr. 1, 2006, p. 148in ere hersteld, in MelL, jg. 26. nr. 4, 2007, p. 10-40. 156. (77) COUSINS S.enLINDBORG R.. Remnant grassland habitats (112) DE PRETER S., De tumuli in Gingelom, een getuigenis van as source communities for plant diversification in Agricultural een ver verleden (onuitg. ontwerpnota Buro buiteninzicht, landscapes, in Biological Conservation, jg. 141, 2008, p. 233240.

(113) (78) WUYTS V.. Conservation of Gallo-Roman tumuli in the Fle(114) mish region. Problems and possibilities. Case study: the "Drie Tommen" van Grimde near Tienen (onuitg. verh. KULeuven), (115) 2003.

10), 2012.

SCHELLENS K., op. rit. ROPER T., Badger (Collins New Naturalist Library, 114), 2010.

DUPAE E., Natuur in Haspengouw ... op z'n paasfeest/, Heusden-Zolder, 2006. {79) Decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het (116) TACK G., VAN DEN BREMT P. en HERMY M., op. cit.; archeologisch patrimonium, gewijzigd bij decreten van 18 BURNY J., Bijdrage tot de historische ecologie van de Lim mei 1999, 28 februari 2003, 10 maart 2006 en 27 maart burgse Kempen (1910-1950). Tweehonderd gesprekken samen 2009. gevat (Publicaties van het Natuurhistorisch Genootschap in (80) WUYTS V., op. rit., p. 18. Limburg, 42-ij, Maastricht, 1999; sinds 1998 wordt het (81) VAN DEN BORRE K.. Tumulusbegraving in de Civitas Tungrorum: toonbeeld van status en identiteit? Vergelijkende studie Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis uitgegeven bij Acad mia Press. van 10 tumuli in Haspengouw (onuitg. verh. UGent), 2010, (117) POSCHLOD P. en BONN S., op. cit.; POSCHLOD P. en p. 64. WALLISDEVRIES M., op. cit.; HILLEGERS H., op. cit.: (82) DEPRAETERE D., De archeologische dimensie van een (be) KAPFER A., Beitrage zur Geschichte des Grünlands Mitteleu leefbaar platteland. Van spanningsveld naar partnerschap. De discipline archeologie en de ruilverkaveling als instrument voor ropas, in Nafurscliutz und Landschafisplanung, jg. 42, nr. 5, 2010, p. 133-140; ID., Mittelalterlich-frühneuzeitliche Beweide inrichting van de open ruimte in Vlaanderen (onuitg. rapdung der Wiesen Mitteleuropas. in Naturschutz und Landport), 2012, p. 65. schafisplanung, jg. 42, nr. 6,2010, p. 180-187; SCHAMINEE (83) WUYTS V., op. rit. J. en JANSSEN )., Geboeid door het verleden. Beschouwinge (84) MERTENS J., Tienen, een Gallo-Romeinse nederzetting, in over historische ecologie [Vegetatiekundige Monografieën. Acta Archeologica Lovaniensia, jg. 5, Leuven, 1972. Zeist, 2012. (85) VAN DEN BORRE K., op. rit., p. 66. (86) SYKORA K. en LIEBRAND C , Natuurtechnische en civiel- (118) DUPAE E., De ivilde narcis in Haspengouw, in het bijzonder in de hoogstamboomgaarden van Diets-Heur en Vreren bi technische aspecten van rivierdijkvegetaties, Wageningen, Tongeren (onuitg. rapport), 2005. 1987(87) MAETENS W. e.a.. Effects of land use on annual runoff and (119) BURNY J., op. cit. (120) BAAIJENS G., BR1NCKMANN E., DAUVELIER P. en soil loss in Europe and the Mediterranean: A meta-analysis of VAN DEN MOLEN P., Stromend landschap. Vloeiweidestelplot data, in Progress in Physical Geography, jg. 36, nr. 5, sels in Nederland, Zeist, 2011. 2012, p. 599-653, tabel 7, p. 618. (121) BOGAARD A., Neolithic farming in Central Europe. An (88) Mededeling van J. Poesen archaeobotanical study of crop husbandry practices, Rou(89) MAETENS W. e.a., op. rit., tabel 6, p. 616. tledge, 2004, p. 46. (90) VAN DEN BORRE K., op. cit., p. 41. (122) BIELEMAN J., Five centuries offarming. A short history of (91) WUYTS V., p. 38. Dutch agriculture 1500 -2000 (Mansholt publication series, 8 (92) Ibidem, p. 55. Wageningen, 2010. (93) Ibidem, p. 172.

58 I M

L


A GLORIETTE AND A MIRADOR. RESTORATION OF TWO GARDEN FOLLIES IN KORTRIJK In a little known but relatively well-preserved igth century garden in the Doorniksewijk 148 in Kortrijk, there are two remarkable garden follies: a 'mirador' or watchtower and a gloriette. The constructions date from the second half of the 19th century and were strategically placed in the long garden at the rear of a country house: the gloriette more or less in the middle of the garden, with a nice view on the pond and central lawn, and the watchtower at the bottom of the garden on a man-made mound. The excellent architectural quality of both picturesque constructions is proof of the original owners' desire to belong to the highest Kortrijk elite. The gloriette is an openwork wooden porch construction in a style referring to Flemish neo-Renaissance, built in traditional post- and style work on a rectangular basis. It is completely made of coniferous wood, felled following traditional methods. It was mounted on a brickwork socle, finished with

imitation rock plastering. The gloriette was completely dismounted, missing or decayed pieces of wooden carved work were remade after model and mounted again. The imitation rock of the socle was restored just like the ceramic floor. The mirador is a slim construction consisting of an octangular brick basis on top of which there is an equally octangular wooden crowning. On the inside there used to be a wooden spiral staircase leading to the top floor from where one had a beautiful view on the park through the ox-eye windows. The mirador's brickwork consists of layers of orange-red to purple-red hand-moulded stone, larded with layers of Jura limestone. It was finished with fine protruding joints in lime mortar. The restoration consisted of repairing the brickwork as well as the reconstruction of the wooden superstructure, the rock imitation and the brick access stairs. Despite the fact that the garden has lost some of Its value in the last decade of the 20th century, among other things because of the demolition of the empire country house of the original owner, the listing for protection in 2003 confirmed its general cultural-historical value on a Flemish level. Although the future use of the garden is at present uncertain, the recent restoration of the two follies could be a first step to a revaluation of this monument.

LIVING RELICS FROM A DISTANT PAST. VEGETATION ON TUMULI IN HASPENGOUW During the years 2005-2006 and 2012-2013 the vegetation of all 15 tumuli in the province of Limburg have been studied. As for the location and numeration one is referred to the map. A total of 207 plant species have been identified. It appears from the tables that burial mounds can host a large number of exceptional species, at least if they aren't wooded.. The four completely grassy mounds are indeed the botanically most precious barrows. With two of these grassy tumuli a specific combination of species is a possible indication of poor heathland in the loamy region (the Betonico-Brachypodietum). With the other two grassy tombs the vegetation, in this case the rare Calio-Trifolietum, suggests on the contrary a limy soil. We do not know as yet the origin of this calcareous deposit. Possibly the Romans were aware of the fact that

M

L I 59


but fields? Multi-disciplinary research shows tha semi-natural meadows with a wide variety of specie; as is the case on some tumuli, require centuries c continuous cultivation combined with seed dispersioi on a landscape level. Without cultivation like grazin' or haymaking, meadows tend to grow thick with shrub and trees. In other words, the presence on a tumulu of meadows with a variety of species is an indicatioi that it would have been managed over the centurie as grassland. The driving of the herd played a crude rucis part. This seems to be the only logical explanation the origin and protection of centuries-old Haspeng^ grassland with a variety of species, as found on ty since this way of herding is the only system answert all conditions for the creation ofvaried grassland, nai dispersion on the level of landscape and parcels, poc soil, suppression of invasive species and the ideal ligk conditions for grassland species to germinate and com through.

4

loamy ground is in itself not stable and therefore mixed the loam for the construction of the tumulus with large quantities of lime into a kind of concrete, or else the loam for the construction was in itself already quite calcareous for the use of marl as soil improvement. There is an urgent need for specific research on the composition of the tumuli's soil. Grassy vegetation rich in different species considerably slows down erosion, reason why after nearly two thousand years the tumuli have not yet disappeared. The aspect of vegetation with tumuli requires some additional research in order to determine whether a grass cover protects better from erosion than woody vegetation. How did this variety of species in this grassy vegetation come about on these tumuli surrounded by nothing

It may be said that this study of the vegetation o Limburg tumuli leads to the hypothesis that tumu were originally covered with varied grassland and wer not wooded. This is not only based on the ecology c varied grassy ecosystems and the aspect of erosion, bu also on the fact that tumuli were constructed in order to stand out. On the other hand anecdotic data, ancient texts and pictures seem to confirm that Roman burial mounds were not wooded. The actual, varied grasslands on tumuli are in that case living relics from a distant past and should, just like the grave mounds, be cherished. The continuation of this centuries-old system, either with sheep traveling about or by exchanging hay, is then vital for the preservation of the tumulus itself as well as of its precious vegetation.


HISTORISCHE N PARKEN van

VLAANDEREN

> '

'

T^j

Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Noordwestelijk Vlaams-Brabant. Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Mechtem, Opwijk, Wemmei Het cahier geeft een beschouwende inleiding van het inventarisgebied, beschrijft 63 tuinen en parken, biedt een Franse en Engelse samenvatting per object, situeringskaart en een tabel met kenmerken en kwaliteiten

TECHNISCHE

GEGEVENS

AUTEURS

FORMAAT

ROGER DENEEF. JO WIJNANT, STEFAN VIDTS. WILFRIED VERLEYEN, J 0 5 E A N N E DE MOLINA. H I.DE KENNES. MARJOLIJN VAN DAMME, RAYMOND DELVAUX. THIERRY DE CJPPELE, HENRY VAN DER HAEGEN. PETER SOENS. HERLINDE DEJAECK, LEONARD QUINTELIER. DIRK DE MEYERE. GEORGES JACOBS DE HAGEN. GRETA PAESMANS. A^IDRE CRESENS en STEVEN V A N DEN BORNE

21 X 29.7 CM

C O Ö R D I N A T I E EN C O N C E P T LUC TACK

EINDREDACTIE R3GER DENEEF

FOTOGRAFIE OSWALD PAUWELS. ROGER DENEEF. CLGA FILENKO.JO WIJNANT. MARJOLIJN VAN DAMME. STEFAN VIDTS. MARTIN SCHACHT. HILDE KENNES. GRETA PAESMANS. CHRISTEL DARDENNE en CHRIS DEMAEGD

BESTELADRES Vlaamse overheid - agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert 11-laan bus 5 1210 Brussel Tel. 02 553 16 13 - Fax 02 553 16 55 E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be

ILLUSTRATIES

KUNSTDRUK GALERIE ART SILK 135 G/M

AFWERKING GARENGENAAID GEBROCHEERD

PUBLICATIEJAAR 2012

1

U ontvangt het boek automatisch na overschrijving van 50 € op rekening nummer BE48 3751 1109 8627 (BIC BBRUBEBB) t.a.v. Vlaamse Overheid agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert 11-laan bus 5 1210 Brussel met vermelding "M&L Cahier 20" ^ÊSffé&T^*

o *? ï

onroerend

erf-i

goed

VLAAMSE OVERHEID


restoration works In eigen huis / Restauratie is meer dan nostalgie. Meer dan angstvallig bewaren wat ooit was. Restauratie blaast de pracht van ons erfgoed nieuw leven in en integreert het met de kracht van het hier en het nu. Daarom zijn restauratiewerken ons op het lijf geschreven. We slaan de brug tussen traditie en hightech. We hanteren de meest innovatieve bouwtechnieken, maar we hebben het grootste respect voor het oorspronkelijke karakter van ons erfgoed. Bij Denys beheersen we alle restauratietechnieken en voeren we ze uit met eigen mensen en materieel. Dat is de beste garantie op feilloze kwaliteit binnen de gestelde stricte deadlines. Foto t De koepet van de monumentale Sint-Pieterskerk in Gent (BE) schittert in zijn oorspronkelijke glorie. Denys restaureerde het interieur van de barokke koepel.

www.denys.com

• EIMVS .______.^^__-____^^^

TUNNELLING WORKS / CIVIL WORKS / WATER WORKS / RESTORATION WORKS / BUILDING WORKS / PIPELINE WORKS / DREAM WORKS


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_32_4.pdf by Vlaanderen-be - Issuu