Omgevingsaspecten bij padel 25 oktober 2022
omgevingvlaanderen.be
OMGEVINGSASPECTEN BIJ PADEL Padel is bal- en racketsport die in 1969 in Mexico ontstond en vervolgens overwaaide naar Spanje waar het immens populair werd. De sport is een mix van tennis en squash en wordt meestal in dubbelspel gespeeld op een terrein van 10 m op 20 m omgeven door glazen wanden en een kooistructuur van ca. 4 m hoog. Het grondoppervlak bestaat bij voorkeur uit ingezand kunstgras, maar kan ook beton, asfalt, gravel of polyurethaan zijn. De twee zijden van het veld worden gescheiden door een net. Padelballen lijken op tennisballen maar zijn kleiner, lichter en trager. Het gebruikte racket is niet besnaard maar is eerder een palet dat met rubber of schuim gevuld is met daarin gaten. De laatste jaren is de sport ook in Vlaanderen heel populair geworden met een sterke stijging van spelers tijdens de Covid19-pandemie in 2020. Het is één van de snelst groeiende sporten wereldwijd. Deze sterke groei reflecteert ook in de hoge vraag naar nieuwe padelterreinen en het toegenomen aantal klachten over geluids- en lichthinder veroorzaakt door padel. Dit document gaat in op de omgevingsaspecten van padel en probeert op deze wijze een antwoord te geven op de meest gestelde vragen die hieromtrent over padel gesteld worden. De van toepassing zijnde regelgeving wordt in dit document weergegeven voor zover deze relevant is voor padelterreinen. De volledige teksten van artikels kunnen via de linken geraadpleegd worden.
INHOUDSTAFEL 1 Is een omgevingsvergunning nodig voor het aanleggen en het gebruiken van een indoor of outdoor padelterrein/padelveld? ..................................................................................................................................................4 4 4 7 8 9 9
1.1 1.1.1 1.1.2 1.1.3 1.1.4 1.2
Vergunningsplicht vanuit een stedenbouwkundig perspectief Vrijstelling voor outdoor padelterreinen Vrijstelling voor indoor padelterreinen Meldingsplicht voor indoor padelterreinen Milieueffectrapportage Vergunningsplicht vanuit een milieuhygiëne perspectief
2
Waar kan een padelterrein/padelveld aangelegd worden?.......................................................................9
2.1 2.1.1 2.1.2 2.2
Afwijkingen van stedenbouwkundige voorschriften Op niveau van de vergunning Op planningsniveau Zonevreemde functiewijziging voor indoor padelterreinen
3
Welke instrumenten zijn er om geluidshinder veroorzaakt door padel te beperken? .............. 16
3.1 3.2 3.2.1 3.3
Vlaams niveau Gemeentelijk niveau Geluidsnormen voor padel op lokaal niveau Code van goede praktijk
4
Welke instrumenten zijn er om lichthinder veroorzaakt door padel te beperken? .................. 20
4.1 4.2 4.3
Vlaams niveau Gemeentelijke niveau Code van goede praktijk
5 6
Is de medewerking van een architect vereist bij het aanleggen van een padelterrein? ......... 22 Wat te doen bij hinder vanwege padelterreinen .......................................................................................... 22
10 10 13 13 16 16 17 19 20 21 21
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 3 van 24
1 IS EEN OMGEVINGSVERGUNNING NODIG VOOR HET AANLEGGEN EN HET GEBRUIKEN VAN EEN INDOOR OF OUTDOOR PADELTERREIN/PADELVELD? 1.1 VERGUNNINGSPLICHT VANUIT EEN STEDENBOUWKUNDIG PERSPECTIEF Voor het aanleggen van een padelterrein is in principe een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist overeenkomstig artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna VCRO): “Art. 4.2.1. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen: 1° de hiernavolgende bouwwerken verrichten, met uitzondering van onderhoudswerken: a) het optrekken of plaatsen van een constructie, b) het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat, c) het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie; … 8° recreatieve terreinen aanleggen of wijzigen, onder meer een golfterrein, een voetbalterrein, een tennisveld of een zwembad. …”
1.1.1
Vrijstelling voor outdoor padelterreinen
In bepaalde gevallen is het aanleggen van een padelterrein echter vrijgesteld van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, meer bepaald wanneer sprake is van de herinrichting van bestaande sport- of recreatieterreinen. Artikel 8.1 van het Vrijstellingenbesluit stelt immers het volgende: “Art. 8.1. Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de herinrichting van de volgende al dan niet omheinde terreinen, als er geen gebouwen opgericht worden en als de herinrichting eigen is aan de functie van het terrein: … 3° al dan niet openbare terreinen voor recreatie; … 5° sportterreinen; ….” Men kan binnen een bestaand recreatie- of sportterrein1 dus een padelterrein aanleggen zonder een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. Bijvoorbeeld het vervangen van een tennisterrein of een voetbalterrein door één of meerdere padelterreinen. Hoewel het om een andere sport gaat blijft de functie van het terrein, nl. sport- of recreatieterrein, daarmee behouden. Evenmin wordt de constructie van de glazen wanden, de kooistructuur en eventuele verlichtingspalen beschouwd als een gebouw. Hiermee wordt het volledig (hoofdzakelijk vergund of vergund geacht) sportterrein waarop de bestaande infrastructuur gevestigd is, bedoeld en dus niet louter het sportveld zelf. 1
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 24
In de VCRO, noch in het vrijstellingenbesluit is een definitie van ‘gebouw’ opgenomen, zodat een aanknopingspunt van wat hieronder moet verstaan worden, kan gevonden worden in de rechtspraak. De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde m.b.t. het begrip ‘gebouw’: “Nu “gebouw” niet nader wordt gedefinieerd in de VCRO, dient het woord in een ruime, spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen. Van Dale’s Groot woordenboek der Nederlandse Taal definieert “gebouw” als “hetgeen gebouwd is, bouwwerk van tamelijke of aanzienlijke grootte en in het algemeen vervaardigd van duurzaam materiaal, dienende tot woning, samenkomst of andere maatschappelijke verrichtingen, tot berging (een pakhuis, arsenaal) als monument…”” (RvVb 4 juni 2013, nr. A/2013/0291 in de zaak 1112/0047/A/2/0029; zie bv. ook RvVb 24 april 2018, nr. RvVb/A/1718/0791 in de zaak 1516/RvVb/0820/A) En ook “Het begrip gebouw zelf wordt niet omschreven in de VCRO, zodat dit begrip in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet worden opgevat. Het online woordenboek geeft de volgende omschrijvingen: “1) bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt... 2) Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.... 3) Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.”” (RvVb 7 oktober 2014, nr. A/2014/0689 in de zaak 1011/0501/SA/8/0426) Uit het bovenstaande volgt dat een ‘gebouw’ dient te worden geïnterpreteerd als hetgeen gebouwd is, voor de mensen toegankelijk, overdekt, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte en kan dienen tot bv. een woning, berging, pakhuis,... Het louter plaatsen van glazen wanden rond een padelterrein heeft niet tot gevolg dat een padelterrein als een gebouw kan worden beschouwd. Indien er ook een overkapping wordt voorzien, is er wel sprake van een gebouw. Aan de vrijstelling zijn wel een aantal voorwaarden gekoppeld: 1. Het aanleggen van het padelterrein mag niet strijdig zijn met eventuele toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften (art. 1.3 en art. 1.4 van het Vrijstellingenbesluit). Er mag ook geen sprake zijn van handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt (art. 1.5 van het Vrijstellingenbesluit). “Art. 1.3. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, voor zover deze handelingen niet strijdig zijn met de voorschriften van gewestelijke, provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen.” “Art. 1.4. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, voor zover deze handelingen niet strijdig zijn met de voorschriften van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, bijzondere plannen van aanleg, minder dan vijftien jaar oude verkavelingsvergunningen of minder dan vijftien jaar oude omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die niet opgenomen zijn in de gemeentelijke lijst, opgemaakt in toepassing van artikel 4.4.1, § 3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.”
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 5 van 24
“Art. 1.5. Overeenkomstig artikel 4.2.3. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zijn de bepalingen van dit besluit niet van toepassing op handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt.” 2. Daarnaast is de herinrichting enkel vrijgesteld van vergunningsplicht indien aan al de voorwaarden in artikel 8.2 van het Vrijstellingenbesluit voldaan is: “Art. 8.2. De vrijstelling, vermeld in artikel 8.1, geldt alleen als de handelingen voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de bestaande terreinen, gebouwen, constructies en verhardingen zijn hoofdzakelijk vergund of vergund geacht; 2° het terrein wordt niet uitgebreid en de bestaande bufferzones blijven behouden; 3° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging uitgevoerd; 4° de handelingen betreffen niet het slopen of verwijderen van gebouwen, met uitzondering van het slopen of verwijderen, vermeld in hoofdstuk 13; 5° de handelingen zijn niet gesitueerd in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied; 6° de handelingen gaan niet gepaard met een ontbossing, een aanmerkelijke reliëfwijziging of een wijziging van waterlichamen;” Indien aan één van bovenstaande voorwaarden niet voldaan is, is het aanleggen van het padelterrein niet vrijgesteld en kan het padelterrein niet zonder meer aangelegd worden. Voorbeelden: – Een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening legt een meldingsplicht op voor het
–
–
–
– –
–
herinrichten van een bestaand sport- of recreatieterrein naar een padelterrein. In dit geval moet een melding gedaan worden bij de gemeente. De gemeente kan voorwaarden opleggen in de meldingsakte. De voorschriften in het RUP bepalen dat een sportterrein voorzien wordt voor voetbal. Het aanleggen van een padelterrein is in dit geval strijdig met de stedenbouwkundige voorschriften en voldoet aldus niet aan art. 1.4 van het Vrijstellingenbesluit. Het padelterrein valt gedeeltelijk of geheel buiten het bestaande recreatie- of sportterrein. In dit geval is er sprake van een uitbreiding waardoor een omgevingsgvergunning noodzakelijk is. De verlichtingspalen ten dienste van het padelterrein worden gedeeltelijk of geheel buiten het bestaande recreatie- of sportterrein geplaatst. Ook in dit geval is er sprake van een uitbreiding waardoor een omgevingsgvergunning noodzakelijk is voor het plaatsen van deze verlichtingspalen. Het sportterrein dat men wil omvormen naar padelterreinen is niet (hoofdzakelijk) vergund. In dit geval is voor de aanleg van de padelterreinen een omgevingsvergunning nodig. Men wil een paintballterrein omvormen naar padelterreinen. Er moeten een stuk bos gerooid worden en een beek gedempt worden. Het terrein moet ook gedeeltelijk opgehoogd en gelijkgetrokken worden. Hiervoor is een omgevingsvergunning nodig. De voorwaarden in de omgevingsvergunning voor het sportterrein verbiedt de herinrichting naar een terrein voor een andere sport.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 24
– Men wil één of meerdere overkapte padelterreinen aanleggen. De overkapping wordt
beschouwd als een gebouw. Er is een omgevingsvergunning nodig. Ook indien één of meerdere bestaande terreinen overkapt worden is een omgevingsvergunning nodig. Tenslotte doet het Vrijstellingenbesluit geen afbreuk aan verplichtingen die uit hoofde van andere regelgeving volgen (art. 1.2 van het Vrijstellingenbesluit): “Art. 1.2. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, onverminderd andere regelgeving, inzonderheid de regelgeving inzake beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, cultuurhistorische landschappen en archeologische sites, waarvoor een apart systeem van toelatingen geldt, en de regelgeving inzake archeologie.” De vrijstelling heeft dus enkel betrekking op de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. Indien uitgaande van andere regelgeving dus bijvoorbeeld een toelating of vergunning nodig is, dan blijft deze nog steeds nodig. Indien er bijkomende constructies geplaatst worden, bijvoorbeeld om het geluid van het padelterrein af te schermen naar de omwonenden, moet voor deze constructies apart nagegaan worden of een omgevingsvergunning al dan niet noodzakelijk is.
1.1.2
Vrijstelling voor indoor padelterreinen
Indien men in een bestaande sporthal, bijvoorbeeld een tennishal, een padelterrein wil aanleggen is dit vrijgesteld van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, conform artikel 3.1 van het Vrijstellingenbesluit, voor zover er geen stabiliteitswerken2 uitgevoerd moeten worden. “Art. 3.1. Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de volgende handelingen: … 4° binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken; …” Aan deze vrijstelling zijn wel een aantal voorwaarden gekoppeld: 1. Het aanleggen van het padelterrein mag niet strijdig zijn met eventuele toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften (art. 1.3 en art. 1.4 van het Vrijstellingenbesluit). Er mag ook geen sprake zijn van handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt (art. 1.5 van het Vrijstellingenbesluit). “Art. 1.3. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, voor zover deze handelingen niet strijdig zijn met de voorschriften van gewestelijke, provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen.”
Stabiliteitswerken: werken die betrekking hebben op de constructieve elementen van een constructie, zoals: a) het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak, met uitzondering van plaatselijke herstellingen, b) het geheel of gedeeltelijk herbouwen of vervangen van buitenmuren of dragende binnenmuren, zelfs met recuperatie van de bestaande stenen. Definitie opgenomen in art. 4.1.1., 11° van de VCRO. 2
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 7 van 24
“Art. 1.4. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, voor zover deze handelingen niet strijdig zijn met de voorschriften van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, bijzondere plannen van aanleg, minder dan vijftien jaar oude verkavelingsvergunningen of minder dan vijftien jaar oude omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die niet opgenomen zijn in de gemeentelijke lijst, opgemaakt in toepassing van artikel 4.4.1, § 3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.” “Art. 1.5. Overeenkomstig artikel 4.2.3. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zijn de bepalingen van dit besluit niet van toepassing op handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt.” 2. Daarnaast is het aanleggen van het padelterrein enkel vrijgesteld van vergunningsplicht indien voldaan is aan de voorwaarden in artikel 3.2 van het Vrijstellingenbesluit: “Art. 3.2.De vrijstelling, vermeld in artikel 3.1, geldt enkel als de handelingen voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de handelingen, vermeld in artikel 3.1, 1° tot 5° en 8° tot 13°, worden volledig uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw; 2° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging uitgevoerd;” Indien aan één van bovenstaande voorwaarden niet voldaan is, is het aanleggen van het padelterrein niet vrijgesteld van de vergunningsplicht. In bepaalde gevallen kan een melding van stedenbouwkundige handelingen wel volstaan. Bij het veranderen van de invulling van een bestaande sport- of recreatiehal van één sport naar een andere sport blijft de functie van het gebouw behouden.
1.1.3
Meldingsplicht voor indoor padelterreinen
Indien men in een bestaande sporthal, bijvoorbeeld een tennishal, een padelterrein wil aanleggen waarbij stabiliteitswerken2 uitgevoerd moeten worden, is in bepaalde gevallen geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig en volstaat een verplichte melding, conform artikel 2 van het Meldingsbesluit: “Art. 2. Voor handelingen met stabiliteitswerken die uitgevoerd worden binnen in hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan de volgende voorwaarden voldaan is : 1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd; 2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd.” Bij het veranderen van de invulling van een bestaande sport- of recreatiehal van één sport naar een andere sport blijft de functie van het gebouw behouden. De aanleg van de padelterreinen mag daarnaast niet strijdig zijn met eventuele stedenbouwkundige voorschriften, conform artikel 6, eerste lid van het Meldingsbesluit: “Art 6. De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg of vergunningen voor het verkavelen van
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 24
gronden, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen, met behoud van de toepassing van de andere regelgeving die van toepassing is. …”
1.1.4
Milieueffectrapportage
Indien de aanleg van een sportterrein vergunningsplichtig is moet ook rekening worden gehouden met de m.e.r.-regelgeving, nl. de stadsontwikkeling, rubriek 10 b) van bijlage III van het MER-besluit. In voorkomend geval zal dan minstens een project-m.e.r.-screening moeten worden opgemaakt bij de omgevingsvergunningsaanvraag. Voor meer informatie omtrent milieueffectrapportage kan u terecht op https://omgeving.vlaanderen.be/nl/omgevingsvergunning/milieueffectrapportage.
1.2 VERGUNNINGSPLICHT VANUIT EEN MILIEUHYGIËNE PERSPECTIEF Een padelterrein is niet ingedeeld als hinderlijke inrichting of activiteit volgens titel II van het VLAREM (Vlaams Regelement betreffende de Milieuvergunning). Er is dus geen omgevingsvergunning of melding voor de exploitatie van een als hinderlijk ingedeelde inrichting en/of activiteit nodig en er worden uitgaande van het VLAREM dan ook geen beperkingen gesteld op de exploitatie van padelterreinen op zich met uitzondering van de voorwaarden in hoofdstuk 6.3 van titel II van het VLAREM ter beheersing van hinder door licht. Indien een padelterrein deel uitmaakt van een samenhangend geheel dat één of meerdere als hinderlijk ingedeelde inrichtingen bevat (indelingslijst in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM) is voor de exploitatie van het geheel wel een omgevingsvergunning of melding nodig. Bijvoorbeeld indien het padelterrein gelegen is in een sporthal met tribunes (dit is dan een zaal voor sportmanifestaties) of de verwarming/koeling van deze hal ingedeeld is. Indien deze samenhang er niet is en het padelterrein onafhankelijk geëxploiteerd kan worden maakt het padelterrein geen deel uit van een als hinderlijk ingedeelde inrichting. Bijvoorbeeld een padelterrein dat onafhankelijk gebruikt wordt of kan worden van de naastliggende sporthal of de naastliggende cafetaria.
2 WAAR KAN EEN PADELTERREIN/PADELVELD AANGELEGD WORDEN? Een padelterrein kan enkel aangelegd worden indien deze sport- en recreatiefunctie verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften. Recreatiegebied, zone voor gemeenschapsvoorzieningen en woongebied zijn de drie meest voorkomende bestemmingscategorieën voor de realisatie van sportinfrastructuur. De strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) zet de krijtlijnen uit voor een bouwshift, waarbij men voorzieningen zoals sportinfrastructuur zoveel mogelijk wil clusteren bij de woonkernen, om zoveel mogelijk ruimte buiten de woonkernen open te houden en de noodzaak tot grote verplaatsingen te reduceren, maar ook steeds met oog voor een leefomgeving waar het voor iedereen goed is om te wonen.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 9 van 24
Daarnaast mag het aanleggen van een padelterrein ook niet strijdig zijn met eventuele andere stedenbouwkundige voorschriften. Indien in een RUP bijvoorbeeld wordt vermeld dat een terrein specifiek voor voetbal wordt voorzien, is dit niet verenigbaar met het aanleggen van een padelveld. Indien een RUP binnen een recreatiegebied aanduidt waar de individuele sportterreinen mogen aangelegd worden kan het padelterrein niet buiten deze aanduiding aangelegd worden, ook al gaat het daarbuiten ook om recreatiegebied.
2.1 AFWIJKINGEN VAN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN Het is niet evident om voor het aanleggen van een padelterrein een volledige RUP-procedure te doorlopen. In een beperkt aantal gevallen zijn er echter wel mogelijkheden om af te wijken van de stedenbouwkundige voorschriften.
2.1.1
Op niveau van de vergunning
In een vergunning kunnen, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften (art. 4.4.1 van de VCRO): “Art. 4.4.1. §1. In een vergunning kunnen, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen. Afwijkingen kunnen niet worden toegestaan voor wat betreft : 1° de bestemming; 2° de maximaal mogelijke vloerterreinindex; 3° het aantal bouwlagen. ….” Daarnaast mag er ook afgeweken worden van stedenbouwkundige voorschriften in vergunningen voor handelingen van algemeen belang die een beperkte ruimtelijke impact hebben overeenkomstig art. 4.4.7, §2 van de VCRO: “Art. 4.4.7, §2. In een vergunning voor handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften. Handelingen van algemeen belang kunnen een ruimtelijk beperkte impact hebben vanwege hun aard of omvang, of omdat ze slechts een wijziging of uitbreiding van bestaande of geplande infrastructuren of voorzieningen tot gevolg hebben. De Vlaamse Regering bepaalt welke handelingen van algemeen belang onder het toepassingsgebied van het eerste lid vallen. Ze kan ook de regels bepalen op basis waarvan kan worden beslist dat niet door haar opgesomde handelingen toch onder het toepassingsgebied van het eerste lid vallen. Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over projecten, opgenomen in hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.” Met het besluit van de Vlaamse Regering van 28 september 2018 werd sportinfrastructuur onder bepaalde voorwaarden ook opgenomen als een handeling van algemeen belang met een
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 24
beperkte ruimtelijke impact in artikel 3, §2 van het besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het gaat hierbij om sportactiviteiten die op regelmatige basis georganiseerd worden door een erkende sportclub3 met een openbaar karakter. Privéterreinen zonder openbaar karakter komen hiervoor niet in aanmerking. De aanleg, wijziging of uitbreiding van gebouwen, constructies en sportterreinen moet aansluiten bij en in functie staan van bestaande, vergunde of hoofdzakelijk vergunde sportterreinen of sportinfrastructuur. Er zijn daarbij ook beperkingen gesteld op de toename. “Art. 3, §2. … 16° de aanleg, wijziging of uitbreiding van gebouwen die aansluiten bij en in functie staan van bestaande, vergunde of hoofdzakelijk vergunde sportterreinen of sportinfrastructuur, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a) de sportactiviteit wordt op regelmatige basis georganiseerd door een erkende sportclub; b) naar gelang het geval worden de volgende maximale oppervlakte en bouwvolume in acht genomen: 1) als er nog geen vergunde of hoofdzakelijk vergunde gebouwen aanwezig zijn, blijft de grondoppervlakte van het nieuwe gedeelte beperkt tot maximaal 100 vierkante meter en het bouwvolume tot maximaal 300 kubieke meter; 2) als er reeds vergunde of hoofdzakelijk vergunde gebouwen aanwezig zijn, worden de oppervlakte en het bouwvolume maximaal met 20 % vermeerderd ten opzichte van de op 1 april 2018 bestaande, vergunde of hoofdzakelijk vergunde oppervlakte en bouwvolume. Als de op deze wijze berekende oppervlakte kleiner is dan 100 vierkante meter, kan een totale bijkomende oppervlakte tot 100 vierkante meter vergund worden. Als het op deze wijze berekende bouwvolume kleiner is dan 300 kubieke meter, kan een totaal bijkomend bouwvolume tot 300 kubieke meter vergund worden; 17° de aanleg, wijziging of uitbreiding van constructies, niet zijnde gebouwen, die aansluiten bij en in functie staan van bestaande, vergunde of hoofdzakelijk vergunde sportterreinen of sportinfrastructuur, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan : a) de sportactiviteit wordt op regelmatige basis georganiseerd door een erkende sportclub; b) de constructies zijn niet hoger dan 15 meter; c) de constructies zijn niet groter dan 200 vierkante meter; 18° de aanleg, wijziging of uitbreiding van sportterreinen die aansluiten bij en in functie staan van bestaande, vergunde of hoofdzakelijk vergunde sportterreinen of sportinfrastructuur, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan : a) de sportactiviteit wordt op regelmatige basis georganiseerd door een erkende sportclub;
Erkende sportclub: een sportclub met openbaar karakter, die aan een van volgende voorwaarden voldoet: a) ze is aangesloten bij een erkende sportfederatie als bedoeld in het decreet van 10 juni 2016 houdende de erkenning en subsidiëring van de georganiseerde sportsector; b) ze is erkend door het lokaal bestuur. Definitie opgenomen in artikel 1/1, 2°/2 van het besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening 3
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 11 van 24
b) bij de aanleg, wijziging of uitbreiding wordt de oppervlakte van de sportterreinen maximaal met 20 % vermeerderd ten opzichte van de op 1 april 2018 bestaande, vergunde of hoofdzakelijk vergunde oppervlakte van de sportterreinen en sportinfrastructuur. Als de op deze wijze berekende oppervlakte kleiner is dan 500 vierkante meter, kan een totale bijkomende oppervlakte tot 500 vierkante meter vergund worden. Als de op deze wijze berekende oppervlakte groter is dan 3000 vierkante meter, kan slechts een totale bijkomende oppervlakte tot 3000 vierkante meter vergund worden.” Daarnaast voorziet artikel 3, §3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de mogelijkheid om voor andere handelingen van algemeen belang vast te stellen dat ze een beperkte ruimtelijke impact hebben via een projectvergadering voorafgaand aan een vergunningsaanvraag. “Art. 3, §3. Op gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 52 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vaststellen dat een handeling van algemeen belang die niet in paragraaf 1 of 2 is vermeld, een ruimtelijk beperkte impact als vermeld in artikel 4.4.7, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening heeft. Deze handelingen mogen niet worden uitgevoerd in een ruimtelijk kwetsbaar gebied tenzij deze handelingen gelet op hun aard, ligging en oppervlakte geen significante impact hebben op het ruimtelijk kwetsbaar gebied. Die bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid, beoordeelt concreet of de handelingen de grenzen van het ruimtelijk functioneren van het gebied en de omliggende gebieden niet overschrijden, aan de hand van de aard en omvang van het project, en het ruimtelijk bereik van de effecten van de handelingen. De bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt en beslist daarover nadat een projectvergadering werd gehouden en voor de vergunningsaanvraag werd ingediend. Het document waaruit die beslissing blijkt, wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd.” Handelingen van algemeen belang werden opgenomen in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Specifiek in deze context gaat het daarbij enkel om padelterreinen opgericht voor het gebruik of de uitbating door de overheid of in opdracht ervan (PPS-projecten). “Art. 2. Als handelingen van algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening worden de werken, handelingen en wijzigingen beschouwd die betrekking hebben op: … 7° de gebouwen en constructies opgericht voor het gebruik of de uitbating door de overheid of in opdracht ervan. De PPS-projecten, zoals bedoeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende publiek-private samenwerking;” In bepaalde gevallen kan ook afgeweken worden van stedenbouwkundige voorschriften uit BPA’s die ouder zijn dan 15 jaar conform artikel 4.4.9/1 van de VCRO.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 24
2.1.2
Op planningsniveau
Op planningsniveau kunnen in bepaalde gevallen verouderde stedenbouwkundige voorschriften in APA’s, BPA’s en gemeentelijke RUP’s gewijzigd worden conform de vereenvoudigde procedure in artikel 7.4.4/1 van de VCRO. “Art. 7.4.4/1, § 1. Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen en na advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar of de gemeentelijke omgevingsambtenaar kunnen de stedenbouwkundige voorschriften van algemene en bijzondere plannen van aanleg worden herzien of opgeheven wat betreft: 1° de perceelsafmetingen; 2° de afmetingen en de inplanting van constructies; 3° de dakvorm en de gebruikte materialen; 4° de maximaal mogelijke vloerterreinindex; 5° het aantal bouwlagen; 6° de voortuinstroken, de tuinzones met inbegrip van tuinconstructies, de binnenplaatsen, de afsluitingen, de buitenaanleg rond gebouwen met inbegrip van verhardingen, de bouwvrije stroken en de bufferstroken; 7° het aantal toegelaten woongelegenheden of bedrijfseenheden per kavel; 8° de toegelaten functies in bebouwbare zones of van bebouwde onroerende goederen; 9° de parkeergelegenheden. De herziening of opheffing kan, voor het gebied waarop ze betrekking heeft, niet tot gevolg hebben dat de oppervlakte aan openbare groen- of recreatievoorzieningen kleiner wordt. De herziening of opheffing kan geen afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor het gebied in kwestie tot gevolg hebben. De herziening of opheffing kan niet worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften die afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor het gebied in kwestie. De herziening of opheffing strookt met de opties van, al naargelang het geval, het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk beleidsplan ruimte. …”
2.2 ZONEVREEMDE FUNCTIEWIJZIGING VOOR INDOOR PADELTERREINEN Het is in uitzonderlijke gevallen mogelijk om in strijd met de bestemmingsvoorschriften een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen te verlenen voor het aanleggen van één of meerdere padelterreinen in een bestaand gebouw dat geen sport- of recreatiefunctie heeft (art. 4.4.23 van de VCRO). “Art. 4.4.23. Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige functiewijziging van een gebouw of een gebouwencomplex, afwijken van de bestemmingsvoorschriften, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden :
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 13 van 24
1° het gebouw of het gebouwencomplex beantwoordt op het ogenblik van de aanvraag aan alle hiernavolgende vereisten : a) het gebouw of het gebouwencomplex bestaat, b) het gebouw of het gebouwencomplex is niet verkrot, c) het gebouw of het gebouwencomplex is hoofdzakelijk vergund, d) het gebouw of het gebouwencomplex is niet gelegen in : 1) ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden en agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, 2) recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding « recreatie » sorteren; 2° de functiewijziging komt voor op een door de Vlaamse Regering vast te stellen lijst, waarin nadere regelen en bijkomende voorwaarden voor de betrokken wijzigingen van gebruik kunnen worden bepaald. De weigering om een afwijking, vermeld in het eerste lid, te verlenen, geeft nimmer aanleiding tot een planschadevergoeding.” Een eerste toelaatbare zonevreemde functiewijziging die in aanmerking komen voor de aanleg van een padelterrein is opgenomen in art. 11/1 van het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen. Men vertrekt hierbij vanuit een principe van meer verweving binnen een stedelijke gebied, waarbij men tot doel heeft om een RUP op te maken voor het gebied waarin het gebouw of gebouwencomplex gelegen is. In die zin is de afgeleverde vergunning voor de zonevreemde functiewijziging dan ook tijdelijk. Minstens de helft van de vloeroppervlakte van het gebouw of gebouwencomplex krijgt de functie industrie en bedrijvigheid, dagrecreatie, met inbegrip van sport of gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen: “Artikel 11/1. Met toepassing van artikel 4.4.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, voor zover aan al de volgende voorwaarden voldaan is: 1° het gebouw of gebouwencomplex ligt in een stedelijk gebied, zoals afgebakend in een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan; 2° het college van burgemeester en schepenen heeft conform artikel 2.2.13, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening beslist om een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken voor het gebied waarin het gebouw of gebouwencomplex ligt; 3° het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in punt 2°, heeft de omschakeling van oud industrieel of ambachtelijk weefsel naar een gebied met verweving van functies tot doel; 4° de gemeenteraad heeft principieel ingestemd met de volgende twee elementen: a) de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in punt 2° ; b) de begrenzing van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die het college van burgemeester en schepenen voorstelt;
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 24
5° maximaal een vierde van de vloeroppervlakte van het gebouw of gebouwencomplex krijgt de functie detailhandel; 6° minimaal twee vierde van de vloeroppervlakte van het gebouw of gebouwencomplex krijgt de functie industrie en bedrijvigheid, dagrecreatie, met inbegrip van sport of gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; 7° de vergunning wordt verleend voor een periode van maximaal drie jaar. Er kan eenmaal een nieuwe vergunning voor een bijkomende periode van maximaal drie jaar worden verleend, op voorwaarde dat er een plenaire vergadering is gehouden over het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in punt 2°.” Daarnaast kan een padelterrein zoals bepaald in art. 10 van het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen aangelegd worden in een gebouw dat is aangeduid als bouwkundig erfgoed waarvan de vroegere functie niet meer haalbaar is voor het gebouw. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat het aanleggen en gebruiken van het padelterrein daarbij de erfgoedwaarde niet schendt: “Artikel 10. Met toepassing van artikel 4.4.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is: 1° het gebouw of gebouwencomplex is opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundige erfgoed, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013; 2° de voortzetting van de vroegere functie blijkt niet haalbaar of garandeert de duurzame leefbaarheid van het gebouw of het gebouwencomplex niet; 3° de nieuwe functie laat de erfgoedwaarde ongeschonden of verhoogt ze.” Tenslotte kan een padelterrein ook aangelegd worden in een gebouw binnen industriegebied zoals bepaald in art. 7 van het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen. Er moet daarbij wel voor elk specifiek geval aangetoond en gemotiveerd worden dat het in dat geval effectief om luidruchtige binnenrecreatie gaat: “Art.7. Met toepassing van artikel 4.4.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is: 1° het gebouw of gebouwencomplex is gelegen in een industriegebied in de ruime zin; 2° de nieuwe functie heeft betrekking op een inrichting voor luidruchtige binnenrecreatie, zoals een karting, een fuifzaal of een schietstand.” Bij bovenvermelde zonevreemde functiewijzigingen moet ook steeds artikel 2, §3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen in acht genomen worden. “Art 2. ...
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 15 van 24
§ 3. De functiewijzigingen, vermeld in artikel 4 tot en met 10 en artikel 11/1 en 11/2, kunnen enkel worden toegestaan als het gebouw of gebouwencomplex bouwfysisch geschikt is voor de nieuwe functie. Een gebouw of gebouwencomplex is bouwfysisch geschikt voor een nieuwe functie als aan het gebouw of gebouwencomplex uit financieel of bouwtechnisch oogpunt geen ingrijpende werken uitgevoerd hoeven te worden voor de nieuwe functie. Daarmee wordt bedoeld dat de functie gerealiseerd kan worden als de bestaande structuur van het gebouw grotendeels wordt benut en gevaloriseerd, waarbij het gebouw aangepast kan worden aan hedendaagse comfort-, energie- of milieueisen.”
3 WELKE INSTRUMENTEN ZIJN ER OM GELUIDSHINDER VEROORZAAKT DOOR PADEL TE BEPERKEN? 3.1 VLAAMS NIVEAU Een padelterrein is niet ingedeeld als hinderlijke inrichting of activiteit volgens het VLAREM (Vlaams Regelement betreffende de Milieuvergunning). De milieuvoorwaarden met betrekking tot het beheersen van geluidshinder die in titel II van het VLAREM werden opgenomen zijn dus ook niet van toepassing op padelterreinen. De uitzondering hierop zijn padelterreinen die deel uitmaken van een samenhangend geheel dat één of meerdere als hinderlijk ingedeelde inrichtingen bevat (indelingslijst in bijlage 1 van titel II van het VLAREM). Bijvoorbeeld indien het padelterrein gelegen is in een sporthal met tribunes (dit is dan een zaal voor sportmanifestaties) of de verwarming/koeling van deze hal ingedeeld is. In dit geval zijn de geluidsvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 van titel II van het VLAREM van toepassing op het geheel. Men kan echter stellen dat indien het padelterrein gelegen is in een gebouw er in principe veel minder geluidshinder te verwachten zal zijn vanwege het gebruik van het padelterrein op zich. Vaak moet men dan wel aandacht hebben voor het geluid dat geproduceerd wordt door de verwarmings- of koelingsinstallaties van de hal. Er zijn daarnaast geen andere geluidsvoorwaarden specifiek van toepassing voor padel op het niveau van het Vlaamse Gewest.
3.2 GEMEENTELIJK NIVEAU Steden en gemeenten kunnen gebruik maken van een aantal instrumenten waarmee ze een eigen beleid kunnen voeren rond padel om onder meer de hinder naar de omgeving toe te beperken. Een lokaal beleid kan rekening houden met de specifieke lokale situatie met een aanpak op maat van de gemeente. Als er een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen nodig is voor de aanleg van het padelterrein, bijvoorbeeld wanneer er een nieuwe sportinfrastructuur aangelegd wordt, moet bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag rekening gehouden worden met hinderaspecten die deel uitmaken van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening (art. 4.3.1 van de VCRO). Er kunnen ook voorwaarden verbonden worden aan het aanleggen van het terrein die de geluidshinder beperken om de vergunning aanvaardbaar te maken. (art. 71 van het Omgevingsvergunningendecreet). Deze moeten redelijk zijn in verhouding tot het vergunde
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 24
project (art.74 van het Omgevingsvergunningendecreet). Indien de hinder niet door bijzondere voorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kan worden herleid, kan de omgevingsvergunning geweigerd worden. Als er geen omgevingsvergunning nodig is, bijvoorbeeld wanneer een bestaand sportterrein heringericht wordt naar padelterreinen, zijn er ook een aantal mogelijkheden om geluidshinder aan te pakken. De gemeente kan kiezen voor een algemene aanpak en een stedenbouwkundige verordening vaststellen voor het aanleggen van padelterreinen (art.2.3.2, §2 van de VCRO). Zo’n verordening kan stedenbouwkundige voorschriften bevatten die zorgen voor akoestische kwaliteit van de bouwwerken of de versterking van de leefbaarheid en de aantrekkingskracht van steden en dorpskernen. Een stedenbouwkundige verordening kan ook normen bevatten betreffende de afmetingen van gebouwen, constructies of publiciteitsinrichtingen (bijvoorbeeld de afstand tot de dichtst gelegen woningen) en kan maatregelen bevatten die milieuhinder ruimtelijk begrenzen. Een herinrichting van een sportterrein naar een padelterrein mag dan niet strijdig zijn met de voorschriften in de verordening. Ook bij de beoordeling van vergunningsaanvragen van nieuwe sportinfrastructuur moet hiermee rekening gehouden worden. Daarnaast kan de gemeente een locatiegericht beleid voeren door het herinrichten van sportterreinen toch meldingsplichtig te maken door middel van een stedenbouwkundige verordening (art. 4.2.5. van de VCRO). In dat geval kan de gemeente bij elke melding nagaan of zij in de meldingsakte voorwaarden zou willen opleggen om de hinder in die specifieke situatie te beperken (art. 113, §1, Omgevingsvergunningendecreet). Al naargelang er zich woningen in de directe omgeving bevinden kunnen andere voorwaarden opgelegd worden, bijvoorbeeld het plaatsen van geluidsschermen. Deze voorwaarden mogen de melding wel niet onevenredig met de veroorzaakte hinder beperken of verbieden. Tenslotte kan de gemeente vanuit haar bevoegdheid om overlast te beperken ook een politiereglement opstellen dat beperkingen kan opleggen aan de uitbating van padelterreinen om de geluidshinder te beheersen. Dit is dan ook van toepassing voor de bestaande terreinen. Dat kan bijvoorbeeld gaan over specifieke geluidsnormen of een beperking op de exploitatieuren (eventueel in functie van een specifieke afstand tot de dichtste bewoning). Dit staat natuurlijk los van meer informele afspraken die de gemeente (of omwonenden) kunnen maken met de uitbaters van de terreinen.
3.2.1
Geluidsnormen voor padel op lokaal niveau
Zoals hoger aangegeven zijn er uitgaande van het Vlaamse Gewest geen geluidsnormen van toepassing specifiek voor padelterreinen maar zijn er wel mogelijkheden om hiervoor op niveau van de gemeente geluidsnormen vast te leggen. Dit kan in een politiereglement of een stedenbouwkundige verordening. Hieronder worden een aantal aandachtspunten besproken die belangrijk zijn bij het opstellen van lokale geluidsnormen. De tekst hieronder is niet gebaseerd op bestaande wetgeving maar wordt louter aangereikt ter ondersteuning. 3.2.1.1
Opname in stedenbouwkundige verordening of politiereglement?
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 17 van 24
Geluidsnormen voor padelterreinen in stedenbouwkundige verordeningen zijn enkel van toepassing op nieuw aan te leggen padelterreinen. Deze aanpak is gericht op het voorkomen van nieuwe bronnen van hinder. Een nieuw padelterrein moet immers zo aangelegd worden dat de geluidsnormen gerespecteerd worden, eventueel door te voorzien in bijkomende maatregelen zoals afscherming. Hinder vanwege bestaande padelterreinen wordt hiermee echter niet aangepakt. Geluidsnormen voor padelterreinen in politiereglementen zijn in principe van toepassing op alle padelterreinen, ook op bestaande padelterreinen. Om de exploitant van een bestaand terrein de kans te geven om zich in regel te stellen wordt best tijdig gecommuniceerd over de normen en de inwerkingtreding ervan. 3.2.1.2
Aandachtspunten bij het opstellen van een geluidsnorm
Wanneer een geluidsnorm wordt opgenomen in een verordening of reglement is men best voldoende specifiek en duidelijk. Enkel een waarde in dB of dB(A)4 geeft weinig houvast voor exploitanten, omwonenden en toezichthouders. Een eventuele norm bevat dan ook best volgende gegevens: – De plaats waar de norm geldt, bijvoorbeeld op de perceelsgrens of ter hoogte van de
dichtstbijzijnde woning/bewoond perceel, … De perceelsgrens heeft als voordeel dat dit een vast gegeven is, maar heeft als nadeel dat ze minder inspeelt op de specifieke hindersituatie. Bijvoorbeeld wanneer de naastliggende percelen geen hindergevoelige functie zoals wonen hebben en geluidsnormen minder noodzakelijk zijn. Een norm ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning/bewoonde perceel houdt dan wel weer rekening met de hindergevoelige functie maar de dichtstbijzijnde woning kan wel wijzigen indien er dichter bij het terrein gebouwd wordt in de toekomst. – De grootheid van de norm, gangbaar zijn LAeq,T, LAeq,1s en LA95,1h (zie titel II van het VLAREM, artikel 1.1.2., definities geluid). • LAeq,T is een maat voor het energetisch gemiddelde geluidsniveau op basis van tijdsinterval T. Typisch wordt gekozen voor een tijdsinterval van 1 uur (LAeq,1h). Een korter of langer tijdsinterval kan ook voor zover dit representatief is voor het te meten geluid. Een padelsessie duurt typisch 60 tot 90 minuten maar een meting van 15 minuten kan praktischer in gebruik zijn en is ook valabel indien het spel tijdens de meting representatief is voor de resterende tijd. Een LAeq,T is interessant om te gebruiken aangezien hierin zowel de geluidspieken van de individuele slagen als de slagintensiteit in rekening gebracht worden. Hoe meer slagen en/of hoe harder de slagen in éénzelfde tijdsperiode, hoe hoger de waarde van LAeq,T.. Het nadeel is wel dat men bij een meting in een rumoerige omgeving stoorgeluiden moet wegfilteren aangezien deze de waarde van LAeq,T beïnvloeden. dB(A) – A-weging: Het oor (en meer bepaald het middenoor, zijnde trommelvlies, hamer, aambeeld, stijgbeugel en ovaal venster) filtert het geluid dat erop invalt. Hierdoor zullen de lagere frequenties (bijvoorbeeld 100 Hz) voor het menselijk oor zachter klinken dan de hogere frequenties (bijvoorbeeld 1000 Hz). Een geluidsniveaumeter reageert echter niet automatisch op dezelfde manier. Een geluidsniveaumeter met een ‘vlakke’ respons zal de sterkte van het geluid met lage frequentie even hard meten als het geluid met hoge frequentie. Om vergelijking met het menselijk oor mogelijk te maken, zijn elektronische filters ontwikkeld die we wegingscurven noemen. Er zijn vier wegingscurven: A, B, C en D. De A-weging wordt gebruikt om de gevoeligheid van het menselijk oor te simuleren (sterkere afzwakking in de lage frequenties). Geluid wordt gemeten in decibel (dB). Als geluid wordt gemeten volgens de A-weging wordt dit uitgedrukt in dB(A). De geluidsnormen in het VLAREM worden gemeten volgens de A-weging. 4
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 24
•
LAeq,1s is een energetisch gemiddeld geluidsniveau op basis van 1 seconde en geeft bijgevolg een meer momentaan geluidsniveau weer. LAeq,1s,max geeft hiervan de maximale waarde en is een maat voor de geluidspieken. Rekening houdend met de aard van het geluid van padel dat voornamelijk gekarakteriseerd wordt door individuele pieken, is een dergelijke parameter ook interessant om te gebruiken. Het is wel belangrijk dat men zich er bij een meting van vergewist dat een geluidspiek ook effectief veroorzaakt wordt door het spelen van padel en niet door een andere externe bron. Het gebruik van een dergelijke waarde heeft wel als nadeel dat men enkel de luidste piek meet maar niet hoe vaak deze bereikt wordt. Een eenmalige geluidspiek zal immers dezelfde waarde voor LAeq,1s,max geven als het veelvuldig voorkomen van dezelfde geluidspiek. • LA95,1h geeft het geluidsniveau weer dat gedurende 95% van de tijd, in dit geval een uur, overschreden wordt. Het is een maat voor het achtergrondgeluid en de milieukwaliteit, het houdt geen rekening met geluidspieken. In die zin is deze grootheid minder interessant om te hanteren voor padel. • Er zijn daarnaast ook nog andere mogelijkheden. Het is wel van belang dat de gekozen grootheid ook gemeten kan worden met de gangbare geluidsmeetapparatuur die de toezichthouders binnen de gemeente ter beschikking hebben. – De waarde van de norm, die de afweging maakt tussen het beschermen van de omgeving tegen overmatige hinder enerzijds, en de mogelijkheid tot het beoefenen van de sport anderzijds. Het is van belang dat de waarde van de norm goed afgestemd wordt op de gekozen grootheid van de norm. Een norm voor geluidspieken heeft bijvoorbeeld een hogere waarde dan een norm voor een gemiddeld niveau. In de code van goede praktijk ‘Omgevingsaspecten bij de aanleg en uitbating van padelterreinen’ (zie 3.3) wordt hiervoor een beoordelingskader aangereikt. Naast een absolute geluidsnorm is het ook mogelijk om te kiezen voor een relatieve geluidsnorm, bijvoorbeeld het toelaten van een maximale verhoging van het geluidsniveau ten opzichte van het geluidsniveau zonder dat het terrein in gebruik is. Nog een andere mogelijkheid is een norm voor de geluidspieken die een beperkt aantal keren overschreden mag worden binnen een bepaald tijdsinterval. Dit laatste kan specifiek voor padel interessant zijn aangezien het geluid sterk afhankelijk is van menselijk handelen en niet volledig controleerbaar is. – De periode van de dag waarvoor de norm van toepassing is. Men kan ervoor kiezen om de geluidsnorm doorheen de dag te laten variëren waarbij de norm ’s avonds vanaf een bepaald uur strenger wordt. Alternatief kan men ook een beperking stellen op de exploitatie-uren. – De meetduur die gehanteerd moet worden om het respecteren van de norm te controleren (facultatief). Deze moet minstens het tijdsinterval omvatten dat nodig is om de geluidsgrootheid op te meten. Voor het meten van een LAeq,1h moet men bijvoorbeeld minstens een uur meten. Daarnaast moet een meting ook voldoende representatief zijn voor het geluid dat gedurende het gebruik van het padelterrein te horen is. Ook voor een LAeq,1s,max meet men best een tijdje tot de maximale waarde zich stabiliseert.
3.3 CODE VAN GOEDE PRAKTIJK Om de geluidsproblematiek bij padelactiviteiten beter te kunnen objectiveren liet Tennis Vlaanderen vzw een geluidstudie uitvoeren door een erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 19 van 24
Op basis van deze studie stelde Tennis Vlaanderen vzw in samenwerking met het Departement Omgeving en Sport Vlaanderen een code van goede praktijk ‘Omgevingsaspecten bij de aanleg en uitbating van padelterreinen’ op. Hierin wordt toelichting gegeven over de geluidsverspreiding bij padelactiviteiten en worden methoden en technieken aangereikt om eventueel optredende hinder te voorkomen, te beoordelen en te beheersen onder de vorm van een aantal aanbevelingen. Er wordt onder meer ingegaan op wat een aanvaardbaar geluidsniveau kan zijn en indicatieve afstanden tot woningen. Daarnaast bracht de geluidstudie aan het licht dat de oriëntatie van de terreinen ook een zeer belangrijke rol speelt bij de verspreiding van het geluid, zo straalt de korte zijde van het terrein veel minder geluid uit dan de lange zijde. De code van goede praktijk en de geluidstudie waarop deze gebaseerd is kan teruggevonden worden op de website van Tennis Vlaanderen vzw via https://www.tennisvlaanderen.be/infovoor-nieuwe-tennis-en-padelclubs.
4 WELKE INSTRUMENTEN ZIJN ER OM LICHTHINDER VEROORZAAKT DOOR PADEL TE BEPERKEN? 4.1 VLAAMS NIVEAU In titel II van het VLAREM zijn een aantal voorwaarden met betrekking tot het beheersen van lichthinder opgenomen, zowel voor inrichtingen die ingedeeld zijn als hinderlijke inrichtingen volgens bijlage 1 van titel II van het VLAREM als degene die niet ingedeeld zijn. De voorwaarden zijn respectievelijk opgenomen in hoofdstuk 4.6 van titel II van het VLAREM en hoofdstuk 6.3 van titel II van het VLAREM. Het gaat in beide gevallen om dezelfde voorwaarden. “Hoofdstuk 4.6. BEHEERSING VAN HINDER DOOR LICHT Artikel 4.6.0.1. Onverminderd andere reglementaire bepalingen treft de exploitant de nodige maatregelen om lichthinder te voorkomen. Artikel 4.6.0.2. Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in openlucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. De verlichting is dermate geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt. Artikel 4.6.0.3. Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan. Artikel 4.6.0.4. Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen. …” “Hoofdstuk 6.3. BEHEERSING VAN HINDER DOOR LICHT
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 24
Artikel 6.3.0.1. Onverminderd andere reglementaire bepalingen moet men de nodige maatregelen treffen om lichthinder te voorkomen. Artikel 6.3.0.2. Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in openlucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. De verlichting is dermate geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt. Artikel 6.3.0.3. Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan. Artikel 6.3.0.4. Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen. …” Een padelterrein is op zich niet ingedeeld als hinderlijke inrichting of activiteit volgens het VLAREM. De uitzondering hierop zijn padelterreinen die deel uitmaken van een samenhangend geheel dat één of meerdere als hinderlijk ingedeelde inrichtingen bevat (indelingslijst in bijlage 1 van titel II van het VLAREM). Bijvoorbeeld indien het padelterrein gelegen is in een sporthal met tribunes (dit is dan een zaal voor sportmanifestaties) of de verwarming/koeling van deze hal ingedeeld is. De lokale overheid is bevoegd om toezicht te houden op deze voorwaarden en staat dus in voor de naleving van deze voorwaarden.
4.2 GEMEENTELIJKE NIVEAU Steden en gemeenten kunnen aanvullend gebruik maken van een aantal instrumenten waarmee ze een eigen beleid kunnen voeren rond padel om onder meer de hinder naar de omgeving toe te beperken. Een lokaal beleid kan rekening houden met de specifieke lokale situatie met een aanpak op maat van de gemeente. Zie hiervoor hoofdstuk 3 ‘Welke instrumenten zijn er om geluidshinder veroorzaakt door padel te beperken?’
4.3 CODE VAN GOEDE PRAKTIJK De code van goede praktijk ‘Omgevingsaspecten bij de aanleg en uitbating van padelterreinen’ vermeld in 3.3 gaat ook in op lichthinder.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 21 van 24
5 IS DE MEDEWERKING VAN EEN ARCHITECT VEREIST BIJ HET AANLEGGEN VAN EEN PADELTERREIN? Voor het aanleggen van een padelterrein in openlucht is geen medewerking van een architect vereist overeenkomstig artikel 4, 8° van het besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect: “Art. 4. De medewerking van een architect is niet verplicht voor de volgende handelingen: … 8° recreatieve terreinen aanleggen of wijzigen, waaronder een golfterrein, een voetbalterrein, een tennisveld, voorzover het geen gebouwen betreft.” De voorwaarde hierbij is dat er geen gebouwen opgetrokken worden. De constructie van de glazen wanden en de kooistructuur moeten echter niet beschouwd worden als een gebouw. Indien er ook een overkapping wordt voorzien, is er wel sprake van een gebouw. Zie hiervoor ook de aanknopingspunten uit de rechtspraak opgenomen onder paragraaf 1.1.1.
6 WAT TE DOEN BIJ HINDER VANWEGE PADELTERREINEN Indien u als omwonende overlast ondervindt van padelactiviteiten, dan laat u zich in eerste instantie best informeren over de mogelijk te volgen stappen bij de milieu- of omgevingsdienst van uw gemeente of stad. De medewerkers van deze dienst kennen de vergunningssituatie en uitbatingsvoorwaarden van de padelactiviteit het beste, en kunnen u dan ook gericht bijstaan. Afhankelijk van de situatie zullen zij ofwel uw melding registreren en zelf in behandeling nemen, ofwel zullen zij u doorverwijzen naar een andere bevoegde instantie (lokale politie, vrederechter,…) Voor algemene informatie en te volgen stappen bij milieuhinder kan u terecht op https://omgeving.vlaanderen.be/nl/overlast-door-milieuhinder-wat-te-doen, alsook https://omgeving.vlaanderen.be/nl/wegwijzer/ik-wil-milieuhinder-melden.
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 24
COLOFON Verantwoordelijke uitgever Peter Cabus Departement Omgeving Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel www.omgevingvlaanderen.be
Samenstelling en Redactie Departement Omgeving, Afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning bjo.omgeving@vlaanderen.be Publicatiedatum 4 oktober 2022 Depotnummer D/2022/3241/264
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 23 van 24
Koning Albert II laan 20 (bus 8) 1000 Brussel omgevingvlaanderen.be