VR 2020 1007 MED.0245/1BIS
DE VLAAMSE MINISTER VAN ONDERWIJS, SPORT, DIERENWELZIJN EN VLAAMSE RAND
MEDEDELING AAN DE VLAAMSE REGERING Betreft: Conceptnota: onderwijsbelastingseenheden van de hogescholen: evaluatie en groeipad in meerjarig perspectief Deze conceptnota voorziet in een visie en een stappenplan voor de aanpassing van de puntengewichten van de hogeschoolopleidingen in de studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie (in hoofdzaak STEM-opleidingen) en Handelswetenschappen en bedrijfskunde, en wil daarmee invulling geven aan het in de meerjarenbegroting voorziene groeipad van 20 miljoen euro voor de hogeschoolopleidingen. Het uitgewerkte stappenplan geeft uitvoering aan de bepalingen in het regeerakkoord en de beleidsnota Onderwijs waarin gesteld wordt dat de onderwijsbelastingseenheden tegen het licht zullen worden gehouden en de financiering van de hogescholen gericht en gefaseerd verhoogd wordt.
1. SITUERING A. BELEIDSVELD Beleidsdomein: Onderwijs en Vorming Beleidsveld: hoger onderwijs
B. BELEIDSDOELSTELLING Zowel het Regeerakkoord van de Vlaamse Regering 2019-20241 als de beleidsnota Onderwijs 201920242 stelt dat de onderwijsbelastingseenheden tegen het licht zullen gehouden worden en dat de financiering van de hogescholen gericht en gefaseerd verhoogd wordt. In de meerjarenraming 20202024, door de minister bevoegd voor de begroting neergelegd in het Vlaams parlement 3, is er een oplopend bedrag tot 20 miljoen euro voorzien voor de financiering van de studierichtingen hogescholen (OBE’s) (punt 5 “Nieuwe beleidsimpulsen – synthese”, onder het item “excelleren – onderwijs”).
https://www.vlaanderen.be/publicaties/regeerakkoord-van-de-vlaamse-regering-2019-2024 https://www.vlaanderen.be/publicaties/beleidsnota-2019-2024-onderwijs 3 http://docs.vlaamsparlement.be/docs/varia/mj-raming-2020-2024.pdf 1
2
Pagina 1 van 12
2. PROBLEEMSTELLING EN SCOPE A. CONTEXT In het financieringsmechanisme hoger onderwijs wordt het grootste deel van de enveloppe van de werkingsuitkeringen (de variabele onderwijsdelen4) verdeeld op basis van financieringspunten. De basis voor het berekenen van deze financieringspunten zijn het aantal opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract (tot op het ogenblik dat de student 60 studiepunten heeft verworven) (de zgn. inputfinanciering, zie art.III.12 in de Codex Hoger Onderwijs), het aantal verworven studiepunten door niet- generatiestudenten onder diplomacontract (de zgn. outputfinanciering, zie art.III.13 in de Codex Hoger Onderwijs), het aantal uitgereikte (eind) diploma’s vermenigvuldigd met de doorstroombonus (zie art.III.14 in de Codex Hoger Onderwijs) en het aantal verworven credits door studenten ingeschreven onder creditcontract (zie art.III.17 in de Codex Hoger Onderwijs). Voor elk van deze parameters wordt een vertraagd 5-jarig tijdsvenster (gemiddelde t-7/t-6 t.e.m. t-3/t-2) gehanteerd. Voor beursstudenten, werkstudenten en studenten met een functiebeperking worden deze punten vermenigvuldigd met een factor 1,5. Dit geheel wordt vervolgens vermenigvuldigd met een puntengewicht per studiegebied (de zogenaamde OBE-factor of onderwijsbelastingseenheid) (zie artikel III.19 uit de Codex Hoger onderwijs) om zo tot de finale (gewogen) financieringspunten te komen, volgens welke het specifieke variabel onderwijsdeel wordt verdeeld. Het puntengewicht per studiegebied is een factor vastgelegd per studiegebied en heeft tot doel tot op zekere hoogte de kostprijsverschillen van de onderwijsactiviteiten in de verschillende disciplines/studiegebieden te weerspiegelen. De puntengewichten liggen vast per studiegebied voor de verschillende gerichtheden (de graduaatsopleidingen, de professionele bacheloropleidingen, de kunstopleidingen en de academische opleidingen aan de universiteiten) en zijn decretaal verankerd in artikel III.19 van de Codex Hoger Onderwijs. De graduaatsopleidingen hebben een puntengewicht van 1,0 of 1,15 of 1,50. Bij de professionele bacheloropleidingen variëren de puntengewichten binnen een vork van 1,0 tot 1,6. Voor de kunstopleidingen wordt gewerkt met een basispuntengewicht van 1 en een bijkomend puntengewicht, afhankelijk van de opleiding. Voor dit bijkomend puntengewicht is er een plafond vastgesteld. Bij de universiteiten liggen de puntengewichten tussen de 1 en 3 afhankelijk van het studiegebied (met uitzondering voor de opleidingen arts/ tandarts waar de factor oploopt tot 4,2). Binnen sommige studiegebieden wordt er gedifferentieerd tussen de weging van de bachelor- en masteropleiding. Binnen het Vlaamse hogeronderwijslandschap blijven de vastgestelde puntengewichten, vooral deze van de professionele bacheloropleidingen, een discussiepunt. De huidige puntengewichten zijn vastgelegd in het verleden (zie punt B. Historiek OBE) en weerspiegelen niet (langer) de kostprijsprijsverschillen tussen de studiegebieden. Zij houden geen rekening met de evoluties die de laatste decennia plaatsvonden in het onderwijsgebeuren (nieuwe onderwijsvormen en – methoden, toenemend gebruik van ICT, werkplekleren, …). Nochtans is de impact van de puntengewichten op de financiering van de instellingen groot (zie punt D. Financiering per studiegebied). De vraag naar een herziening van de puntengewichten van de studiegebieden, in het bijzonder deze van de professionele bacheloropleidingen, stelt zich dan ook al geruime tijd. Volgens VARIO5 ligt een echt duurzame oplossing in het herbekijken van de puntengewichten van alle opleidingen. Het opstellen van een nieuw en gefundeerd bekostigingsmodel, met aangepaste wegingen voor disciplines/ studiegebieden, is evenwel niet evident en steeds contesteerbaar. Bijkomend zorgt iedere aanpassing aan de puntengewichten bij een gelijkblijvend overheidsbudget voor een verschuiving van middelen tussen instellingen, en krijgt men “winnaars” en “verliezers”. Er is een apart variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen, de professionele bacheloropleidingen, de kunstopleidingen (zowel de professionele als de academische kunstopleidingen), en de academische opleidingen aan de universiteiten). 5 https://www.vario.be/nl/publicaties/briefadvies-programmadecreet-ba2020 4
Pagina 2 van 12
Rekening houdend met deze elementen, namelijk de bestaande gevoeligheden, de moeilijkheid om niet-contesteerbare kostprijsmodellen op te stellen en het herverdelend effect van eventuele wijzigingen in de huidige halfopen enveloppe, is het op dit ogenblik niet aangewezen om aanpassingen te doen aan de puntengewichten van de kunstopleidingen en van de academische opleidingen aan de universiteiten. Door de bijkomende middelen die overeenkomstig de meerjarenbegroting 2020-2024 gradueel voorzien zijn voor de professionele bacheloropleidingen, kan hier wel gekeken worden naar een aanpassing van de huidige puntengewichten van deze opleidingen. Deze conceptnota beperkt zich dan ook tot de OBE’s die gehanteerd worden binnen het variabel onderwijsdeel voor de professionele bacheloropleidingen. Een eerste stap naar een herziening van de puntengewichten van de professionele bacheloropleidingen werd gezet met het programmadecreet bij de budgetcontrole 2020. Met dit decreet werd een eerste opstap van 4 miljoen euro bijkomende middelen voorzien voor het begrotingsjaar 2020, die onder de hogescholen verdeeld werd op basis van een verhoging van de puntengewichten van de studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie en Handelswetenschappen en bedrijfskunde. Hierbij werd duidelijk aangegeven dat deze verhogingen geen voorafname waren voor de komende jaren. In het kader van deze conceptnota werden de volgende onderzoeken geraadpleegd: Bekostigingstarieven in het hoger onderwijs, een vergelijking tussen zeven landen. Een studie opgemaakt door CHEPS (29 november 2005) met Jarno Deen, Ben Jongbloed en Hans Vossensteyn als onderzoekers en auteurs. Een evaluatie gemaakt van een aantal aspecten van het financieringsmechanisme in het hoger onderwijs, april 2015, departement Onderwijs en Vorming Bekostiging van het Nederlandse hoger onderwijs: kostendeterminanten en varianten (augustus 2018) Harry de Boer, Ben Jongbloed, Frans Kaiser en Hans Vossensteyn
B. HISTORIEK OBE Hervorming hogeschoolonderwijs 1994 De huidige puntengewichten voor de professionele bacheloropleidingen zijn nog steeds diegene die vastgelegd werden in het Hogescholendecreet6 van 1994. De oorsprong van deze puntengewichten ligt in het begin van de jaren 1990, bij de toenmalige voorbereidingen van dit Hogescholendecreet. Het vaststellen van de puntengewichten moet gekaderd worden in de context van de eerste grote fusiebeweging, toen het aantal hogescholen evolueerde van zo’n 160 naar een 30-tal. Voor de professionele opleidingen werden de puntengewichten of OBE vastgelegd in artikel 189 en 190 van het Hogescholendecreet. Artikel 189 rangschikt de hogeschoolopleidingen in financieringsgroepen:
Om de onderwijsbelasting te bepalen, worden de basisopleidingen in de volgende financieringsgroepen gerangschikt: - Groep A: de opleidingen van het studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde, de opleidingen van twee cycli van het studiegebied kunst en de opleiding dans van het studiegebied kunst; - Groep B: de opleidingen van het studiegebied taalkunde en de opleidingen van één cyclus van de studiegebieden industriële wetenschappen en technologie, en landbouwkunde; - Groep C: de opleidingen van de studiegebieden architectuur en sociaal-agogisch werk, de opleidingen van twee cycli van de studiegebieden industriële wetenschappen en technologie, produktontwikkeling en landbouwkunde en de opleidingen van één cyclus, andere dan dans, van het studiegebied kunst; - Groep D: de opleidingen gezondheidszorg en onderwijs. 6
Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap Pagina 3 van 12
De memorie van toelichting bij dit artikel vermelde kort: “Voor de berekening van het variabel deel
van de enveloppe, hanteert men regels analoog aan de financiering van de werkingsuitkeringen van de universiteiten. Naargelang van de kostprijs, wordt elke basisopleiding ondergebracht in een financieringsgroep.” Artikel 190 van het Hogescholendecreet stelde onder meer dat elke financieringsgroep een puntengewicht kreeg dat naar studieomvang en studievorm varieerde volgens onderstaand model: - Groep A: 1 punt; - Groep B: 1,2 punten; - Groep C: 1,4 punten; - Groep D: 1,6 punten. De memorie van toelichting bij artikel 190 vermelde: “Aan elke financieringsgroep wordt een
puntengewicht verbonden. Door het aantal financierbare studenten in deze financieringsgroep te vermenigvuldigen met het puntengewicht, bekomt men een aantal onderwijsbelastingseenheden. Voor de opleidingen van het studiegebied kunst, met een minimaal aantal studenten, wordt voorzien in een bijkomend aantal onderwijsbelastingseenheden. Deze opleidingen zijn relatief duur en omwille van hun specificiteit gericht op een beperkt publiek, geselecteerd via bijzondere toelatingsproeven. Studentenschommelingen in deze opleidingen mogen niet leiden tot grote wijzigingen in de enveloppe van de hogeschool. Een zekere stabiliteit is hier aangewezen, waarbij studentenschommelingen een kleinere rol spelen.” Financieringsdecreet7, Integratiedecreet8 en decreet graduaats- en lerarenopleidingen9 Bij het ontwerpen van het Financieringsdecreet in 2008 en bij de herziening ervan naar aanleiding van de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten werd ervoor geopteerd om de puntengewichten zoals die in het Universiteitendecreet10 van 1991 en het Hogescholendecreet van 1994 waren vastgelegd, te behouden. Ook met het Integratiedecreet, waar een aantal wijzigingen aangebracht werden aan het financieringsmechanisme, werd ervoor geopteerd om de bestaande puntengewichten te behouden. De puntengewichten van de academische hogeschoolopleidingen werden ingebed in de systematiek van de universiteiten: concreet betekent dit dat de oude puntengewichten evolueren naar 1 (voor de studiegebieden Toegepaste taalkunde en Handelswetenschappen en bedrijfskunde) of naar 2 (de studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie, Biotechniek, Architectuur en Productontwikkeling). In het kader van de integratie van de HBO5-opleidingen in de hogescholen werden de in het volwassenenonderwijs gehanteerde delers omgerekend naar puntengewichten, zodat er geen verschuiving van middelen plaatsvond. Daardoor kreeg men wel verschillende puntengewichten voor de professionele bacheloropleidingen en de graduaatsopleidingen. In de memorie van toelichting bij het decreet is hierover het volgende opgenomen:
De verschillende puntengewichten voor de professionele bachelors enerzijds en de graduaatsopleidingen anderzijds, is een tijdelijke situatie. Op het ogenblik dat de puntengewichten voor de professionele bacheloropleidingen herbekeken en aangepast worden, worden deze van de graduaatsopleidingen ook meegenomen, zodat er op termijn voor beide opleidingen dezelfde puntengewichten komen. Memorandum VLHORA11
Decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering en de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen 8 Decreet van 13 juli 2012 betreffende de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten 9 Decreet van 4 mei 2018 betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en de versterking van de lerarenopleidingen binnen de hogescholen en universiteiten 10 Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap 11 http://www.vlhora.be/documenten/Publicaties/2019%20memorandum%20def.pdf 7
Pagina 4 van 12
In haar memorandum naar aanleiding van de Vlaamse verkiezingen 2019 nam VLHORA-een standpunt in over de puntengewichten van de studiegebieden. Voor de opleidingen in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie en in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde vroeg VLHORA een herwaardering van de financieringsfactor tot een gewicht van 1,4 punten. Bovendien mocht het herwaarderen van deze opleidingen niet ten koste gaan van andere opleidingen. Om dit te garanderen, vroeg VLHORA een extra financiering van 60 miljoen euro.
C. PUNTENGEWICHT PER STUDIEGEBIED De puntengewichten van de studiegebieden liggen vast in artikel III.19 van de Codex Hoger Onderwijs. Voor de professionele bacheloropleidingen aan de hogescholen zijn dit de volgende puntengewichten: Studiegebied a) Architectuur b) Gezondheidszorg c) Industriële wetenschappen en technologie d) Audiovisuele en beeldende kunst12 e) Muziek en podiumkunsten f) Biotechniek g) onderwijs h) sociaal-agogisch werk i) Handelswetenschappen en bedrijfskunde
Puntengewicht 1,40 1,60 1,20 1,40 1,00 1,40 1,60 1,40 1,00
Opvallend, in vergelijking met andere landen, is enerzijds het hoge puntengewicht voor de lerarenopleidingen en anderzijds het lage puntengewicht voor de opleidingen in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie. De lerarenopleidingen kennen in Vlaanderen het hoogste puntengewicht en ontvangen evenveel middelen per student als de opleidingen in de gezondheidszorg (zie tabel in punt D. Financiering per studiegebied). Gezien de doelstelling van de Vlaamse Regering om de lerarenopleiding te versterken, op te waarderen en om de kwaliteit ervan te monitoren en bij te sturen waar nodig, is het een terechte keuze om het puntengewicht op 1,6 te behouden. De opleidingen in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie daarentegen kennen in andere landen hogere gewichten. Binnen dit studiebied zijn de meeste opleidingen STEM-opleidingen. Nochtans is het huidige historische puntengewicht van deze opleidingen niet aangepast aan het maatschappelijk belang van STEM. Hier dient Vlaanderen dan ook een inhaalbeweging te doen. Het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde heeft in Vlaanderen het laagste puntengewicht13 en genereert op die manier het minst middelen per student (zie tabel in punt D. Financiering per studiegebied). Belangrijk om op te merken is dat dit studiegebied veruit het meeste studenten telt, waardoor het in zijn geheel wel het meeste middelen ontvangt van de Vlaamse overheid. Dit is vergelijkbaar met de situatie in andere landen. Binnen dit studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde is de opleiding Toegepaste informatica opgenomen. Dit is niet (langer) logisch. In internationaal perspectief is het zo dat “Computing” een opmerkelijk hoger gewicht toegekend krijgt dan de bedrijfsgerichte opleidingen “Commerce/economics”. Het is aannemelijk dat de kosten voor het organiseren van deze opleiding hoger liggen dan voor de andere opleidingen binnen dit studiegebied. Meer dan voor andere opleidingen geldt, moet deze opleiding omgaan met een snel veranderende realiteit (zie bijvoorbeeld In afwijking van paragraaf 1, punt 1°, d), bedraagt vanaf het begrotingsjaar 2014 het puntengewicht voor de bacheloropleiding “bachelor in de audiovisuele kunsten” 1,00. 13 Het studiegebied muziek en podiumkunsten valt onder de kunstopleidingen, waar een bijkomend puntengewicht toegekend wordt. Het valt buiten de scope van deze nota. 12
Pagina 5 van 12
de evoluties in het kader van Artificiële Intelligentie, big data, cybersecurity, block chain, …). Om deze opleiding te organiseren is het aannemelijk dat de kosten hoger liggen. Docenten moeten hier continu op inspelen en de benodigde infrastructuur (hard- en software) moet beschikbaar zijn. Deze opleiding zal ook alsmaar aan belang toenemen. Het is dan ook logischer om deze opleiding onder te brengen in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie. Een aantal opleidingen die dichter aansluiten bij deze bacheloropleiding Toegepaste informatica zijn opgenomen in dit studiegebied (de bacheloropleidingen elektronica – ICT, grafische en digitale media, multimedia en communicatietechnologie). Diverse hogescholen hebben de opleiding toegepaste informatica in de praktijk reeds verhuisd naar het studiegebied IWT omdat de opleiding daar beter bij aansluit. Het is bovendien de enige opleiding in het studiegebied HWBK dat een STEM opleiding is volgens EUROSTAT.
D. FINANCIERING PER STUDIEGEBIED Volgende tabel geeft een benadering weer van de financiering per student in de professionele bacheloropleidingen aan de hogescholen.14.
Aantal studenten in Studiegebied Euro/student 2018-2019* Totaal budget Architectuur 5.537,93 € 2.382,5 13.194.128 € Biotechniek 6.000,48 € 2.497,0 14.983.206 € Gezondheidszorg 7.597,32 € 19.695,5 149.632.981 € Handelswetenschappen en bedrijfskunde 4.185,08 € 36.920,5 154.515.091 € waarvan 5355 in de Toegepaste Informatica Industriële wetenschappen en technologie 5.015,00 € 16.279,0 81.639.192 € Onderwijs 7.562,63 € 17.966,5 135.874.078 € Sociaal-agogisch werk 6.202,57 € 15.711,5 97.451.698 € Gemiddelde 5.807,77 € 111.452,5 647.290.373 € Een belangrijke kanttekening bij deze tabel is dat deze cijfers slechts een vereenvoudiging zijn en best voorzichtig gebruikt worden. De verschillen in de financiering per studiegebied zijn mede te wijten aan de gehanteerde puntengewichten, maar deels ook aan een aantal elementen die buiten de Bij de verdeling van de budgetten die in deze berekening meegenomen worden over de betrokken studiegebieden is, met uitzondering voor het variabel onderwijsdeel, het aantal inschrijvingen per studiegebied geen factor. Daardoor is het gemiddelde bedrag per student voor deze budgetten, met uitzondering voor het variabel onderwijsdeel, dan ook hetzelfde over de betrokken studiegebieden. VOW-VK is enkel in rekening gebracht in de gemiddelde financiering per student in het studiegebied ‘Gezondheidszorg’. De gegevens over de financieringspunten komen uit de financieringsberekening voor 2020 (en zijn dus een gemiddelde van de academiejaren 2013-2014 t.e.m. 2017-2018). De gegevens over het aantal unieke studenten zijn deze van het academiejaar 2018-2019, aangezien de data voor 2019-2020 nog niet gevalideerd zijn. De volgende budgetten worden meegenomen in de berekening: - de werkingsuitkeringen voor de professionele bacheloropleidingen aan de hogescholen (de onderwijssokkel en het variabel onderwijsdeel (VOW-prof) - de Brusselmiddelen, proportioneel verrekend voor de professionele finaliteit aan de hogescholen - de bijkomende middelen voor de bachelor verpleegkunde (VOW-VK) - de Beursmiddelen, proportioneel verrekend voor de professionele finaliteit aan de hogescholen - de Stuvomiddelen, proportioneel verrekend voor de professionele finaliteit aan de hogescholen - het effect van de lineaire besparingen en de CAO V overeenkomsten, proportioneel verrekend voor de professionele finaliteit aan de hogescholen De volgende budgetten zijn niet meegenomen: de middelen voor het Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek (onderzoeksmiddelen) de investeringsmiddelen. 14
Pagina 6 van 12
discussie rond de OBE’s liggen. Zo kan een verschil in de socio-economische kenmerken (een groter aandeel beursstudenten) van de studentenpopulatie ervoor zorgen dat twee studiegebieden met hetzelfde puntengewicht toch een verschillende ‘gemiddelde financiering per student’ hebben. Bovendien zijn er verschillende interpretaties mogelijk van wat nu precies wel en niet mag meegerekend worden voor de bepaling van het bedrag per student en op welke manier de verschillende onderliggende parameters in rekening kunnen worden gebracht. Disclaimer: De basisfinanciering voor de hogescholen is een enveloppefinanciering, waarbij de instellingen de autonomie hebben om binnen hun decretale opdracht deze middelen vrij te besteden. Het zijn geen gekleurde middelen, waardoor kruissubsidiëring binnen de instellingen mogelijk is: middelen die ze ontvangen voor bepaalde opleidingen hoeven ze niet aan die opleidingen uit te geven. Zo goed als alle hogescholen kennen een intern allocatiemodel waarbij ze middelen van de ene opleiding naar de andere heralloceren en waarbij solidariteit een rol speelt.
E. PROGRAMMADECREET BEGROTINGSAANPASSING 202015 In het programmadecreet begrotingsaanpassing 2020 wordt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht van het studiegebied Industriële Wetenschappen en technologie opgetrokken van 1,2 naar 1,25 en het puntengewicht van het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde van 1,0 naar 1,01. Voor deze aanpassing wordt 4 miljoen euro aan bijkomende middelen ingezet, als eerste stap in het voorziene groeipad van 20 miljoen euro. Van deze 4 miljoen euro gaat er 2,7 miljoen euro naar de STEM-opleidingen binnen het studiegebied Industriële Wetenschappen en technologie en 1,3 miljoen euro naar de opleidingen binnen het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde. Daarnaast wordt in het begrotingsjaar 2020 een bedrag van 200.000 euro voorzien voor hogescholen die opleidingen aanbieden binnen het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde als bijkomende stimulans voor het versterken van de technologische component van deze opleidingen. In zijn advies van 24 april 2020 over dit decreet16 stelt VARIO dat deze aanpassing in overeenstemming is met de aanbeveling uit het VARIO Memorandum om het financieringsmechanisme in hogescholen te herbekijken voor de zogenaamde STEM-richtingen. VARIO stelt dan ook dat de ermee gepaard gaande 2,7 miljoen euro extra voor de IWT-STEM-opleidingen een goede zaak is. Het lage puntengewicht benadeelt immers de ‘technische’ opleidingen in de hogescholen en werkt de instroom van studenten in die richtingen tegen. Zulks staat haaks op het belang van deze richtingen voor de kennismaatschappij van de toekomst. VARIO merkt evenwel op dat de nieuwe puntengewichten echter lang niet van een vergelijkbaar niveau zijn als die van bijvoorbeeld de lerarenopleidingen of de zorgopleidingen (beiden 1.6). Daarom blijft deze operatie volgens VARIO voorlopig een druppel op een hete plaat en weerspiegelt ze niet de aandacht die de STEM-richtingen verdienen. Volgens VARIO ligt een echt duurzame oplossing in het herbekijken van de puntengewichten van alle opleidingen. De raad is zich ervan bewust dat dit een delicate oefening is omdat dit een herverdeling van de middelen over de opleidingen met zich zal/kan meebrengen. Toch vraagt de raad de moed op te brengen om deze historische factoren in vraag te durven stellen. Verder en meer investeren in die studierichtingen waarvan wordt aangenomen dat zij een essentiële bijdrage kunnen leveren om onze ambitie waar te maken een Europese topregio te worden, is de boodschap. De Vlor17 is tevreden dat er een eerste decretale beslissing gerealiseerd wordt om 4 miljoen euro aan bijkomende middelen te voorzien voor de opleidingen in de studiegebieden Industriële Wetenschappen en technologie en Handelswetenschappen en bedrijfskunde. De Raad verwacht dat Voorontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2020 https://www.vario.be/nl/publicaties/briefadvies-programmadecreet-ba2020 17 VLOR-advies AR-AR-ADV-1920-009 van 28 april 2020. Advies over het voorontwerp van programmadecreet bij de begrotingsaanpassing 2020 https://www.vlor.be/adviezen/programmadecreet-bij-de-begrotingsaanpassing-2020 15 16
Pagina 7 van 12
dit een eerste opstap is om de desbetreffende onderwijsbelastingseenheden verder te verhogen en uiteindelijk uit te komen op 20 miljoen euro aan bijkomende middelen zoals beschreven werd in de toelichting van de meerjarenbegroting. Wat de aanpassing van de puntengewichten betreft, hier meldt de Vlor dat de toename van de onderwijsbelastingseenheden nu disproportioneel verdeeld wordt over de twee studiegebieden. De opleidingen van het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde kunnen daardoor slechts in minimale mate verder versterkt worden. Hieraan verbonden vraagt de Vlor aan de Vlaamse Regering om een heldere visie uit te tekenen over STEM in het hoger onderwijs. De raad verwacht dat de Vlaamse Regering STEM wil versterken in alle opleidingen, en zich niet zal beperken tot de industriële en technologische opleidingen. De SERV18 meldt in haar advies over het programmadecreet dat de sociale partners tevreden zijn dat er bijkomende middelen naar technologische en economische professionele bacheloropleidingen gaan. Er is een grote nood op de arbeidsmarkt aan deze profielen. De SERV stelt wel dat het jammer is dat beide studiegebieden, Industriële Wetenschappen en technologie en Handelswetenschappen en bedrijfskunde, niet gelijktijdig en gelijkmatig opgetrokken worden. Nu wordt de financieringskloof tussen Handelswetenschappen en bedrijfskunde en andere studiegebieden nog groter terwijl het aantal knelpuntvacatures voor deze opleidingen hoger zijn en deze richtingen nodig zijn om het ondernemerschap te stimuleren. De SERV concludeert dan ook dat wanneer er in de toekomst bijkomende middelen beschikbaar zijn, hiermee rekening moet gehouden worden. In het protocol van de sociale partners bij dit programmadecreet verwijzen de vertegenwoordigers van de hogeschoolbesturen naar het memorandum van de VLHORA. In het kader van de aanpassing van de puntengewichten betreuren ze dat de OBE’s voor Industriële wetenschappen en technologie (IWT) en Handelswetenschappen en bedrijfskunde (HWBK) niet gelijkmatig opgetrokken worden. Zij stellen hierover ook het volgende:
De onderlinge disproportionele stijging van de puntengewichten voor de studiegebieden IWT en HWBK en het beperkt budget zoals voorzien in het voorliggende programmadecreet, maken dat de opleidingen van het studiegebied Handelswetenschappen en Bedrijfskunde nagenoeg niet kunnen worden versterkt. Dit studiegebied, dat het human capital aanlevert voor de groei van de ondernemingen en de economie, is met 43.000 studenten nochtans het grootste in Vlaanderen. Deze opleidingen en hun afgestudeerden, en meer in het bijzonder de afgestudeerden in de toegepaste informatica zijn cruciaal voor de ambitie van de Vlaamse regering rond industrie 4.0 en digitalisering. Ook het brede ondernemersveld ervaart deze evolutie als zeer zorgwekkend. De hogescholen willen een gepast beleid voeren om de ontwikkeling van ondernemerschap en STEM-competenties in Vlaanderen te versterken. Daarom is een onderlinge proportionele stijging van de puntengewichten voor IWT en HWBK in hun respectieve weg naar toekenning van een puntengewicht van 1,4 een essentiële voorwaarde.
3. BELEIDSMAATREGELEN A. DOELSTELLING: GROEIPAD OBE’S 2021-2024 Op basis van de geschetste problematiek, de adviezen van VLHORA, VARIO, VLOR, SERV en van het STEM-platform19 ter versterking van de STEM opleidingen binnen de studiegebieden Industriële wetenschappen en technologie en Handelswetenschappen en bedrijfskunde, maar tevens rekening houdend met het beperkte voorziene groeipad van 20 miljoen euro, wordt een pad uitgewerkt dat zo maximaal als mogelijk tegemoetkomt aan de geuite grieven. Het volledige groeipad van 20 miljoen https://www.serv.be/sites/default/files/documenten/SERV_20200427_Programmadecreet_BA2020_ADV.pdf Advies van het STEM-platform: financiering hogescholen met technische STEM-opleidingen, Brussel, september 2019 https://onderwijs.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/Advies%20van%20het%20STEMplatform%20financiering%20hogescholen%20met%20technische%20STEM-opleidingen.pdf 18 19
Pagina 8 van 12
euro zal ingezet worden ter versterking van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie (IWT), waarbinnen hoofdzakelijk STEM-opleidingen zitten, en van het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde (HWBK).
B. MIDDELEN TOEGEKEND CONFORM HET PROGRAMMADECREET 2020 De aangroei van de puntengewichten van IWT van 1,20 naar 1,25 en voor HWBK van 1,00 naar 1,01, zoals beschreven in het programmadecreet 2020, wordt toegepast in 2020 en blijft ook in meerjarig perspectief behouden. Hiermee wordt voldaan aan de vraag van de sector.
C. GROEIPAD 2021: 4,0 MILJOEN EURO VOOR DE OPWAARDERING VAN DE OPLEIDING BACHELOR IN DE TOEGEPASTE INFORMATICA Vanaf 2021 wordt de HWBK-opleiding “Bachelor in de toegepaste informatica” geherwaardeerd tot IWT-opleiding. Hierdoor wijzigt voor deze opleiding het puntengewicht van 1,01 naar 1,25. De opleiding toegepaste informatica leunt als STEM-opleiding dichter aan bij het studiegebied IWT dan bij HWBK. Het is derhalve logisch om deze opleiding te verplaatsen naar het studiegebied IWT. De opstap van 4 miljoen euro gaat in 2021 dan ook integraal naar een van oorsprong HWBK-opleiding.
D. GROEIPAD 2022 - 2024: VERDERE VERSTERKING VAN DE OPLEIDINGEN HWBK EN IWT In de periode 2022 - 2024 zal het verdere groeipad (jaarlijkse aangroei van 4 miljoen euro) maximaal ingezet worden ter versterking van de opleidingen in het studiegebied IWT, dit zijn voornamelijk STEM-opleidingen, en van de opleidingen in het studiegebied HBWK. Zo wordt het puntengewicht voor deze laatste opleidingen jaarlijks verder opgetrokken van 1,01 in 2021 naar 1,06 in 2024. Op deze manier wordt er uit het voorziene groeipad van 20 miljoen euro ongeveer 7,,8 miljoen euro toegekend aan de HBWK-opleidingen. Met inbegrip van het bedrag dat naar de Bachelor in de toegepaste informatica gaat (5,9 miljoen euro), betekent dit dat er ongeveer 13,6 mio euro of 67 % van de middelen naar de oorspronkelijke HBWK-opleidingen gaat. Het studiegebied IWT wordt maximaal verder versterkt met een puntengewicht van 1,3 op kruissnelheid. Vanuit de gedachte dat door de overheveling van de opleiding Bachelor in de toegepaste informatica het grootste STEM-aanbod binnen het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie komt te liggen en dat daarbovenop ook voor de andere opleidingen binnen IWT een verhoging van de middelen wordt voorzien, is het zo dat 60% van de bijkomende middelen gealloceerd wordt naar STEM-opleidingen. Overzicht impact uitvoering volledige groeipad:
Pagina 9 van 12
Executive summary HWBK
IWT
HWBK - IT
Weging middelen % in groei Bachelor in de Weging toegapste middelen informatica % in groei IWT Weging middelen % in groei
Benodigde groeimiddelen
1
1
1,2
2020 1,01 1.100.324 26,5% 1,01 166.787 4,0% 1,25 2.892.205 69,5%
2021 1,01 1.159.352 13,4% 1,25 4.422.702 51,3% 1,25 3.045.857 35,3%
2022 1,02 2.430.069 20,4% 1,27 5.012.529 42,2% 1,27 4.442.860 37,4%
2023 1,04 5.047.503 29,0% 1,3 5.780.157 33,2% 1,3 6.557.908 37,7%
2024 1,06 7.777.100 38,1% 1,3 5.899.326 28,9% 1,3 6.720.129 32,9%
4.159.316
8.627.911 11.885.458 17.385.569 20.396.555
Bij de opmaak van de begroting 2023 in 2022 wordt dit groeipad geĂŤvalueerd en kan het indien nodig nog aangepast worden voor de begrotingsjaren 2023 en 2024. Dit kan onder andere op basis van het OESO project “Resources in higher educationâ€? waar de Vlaamse overheid heeft op ingetekend.
Randbemerkingen Uit bovenstaande tabel blijkt dat in de becijfering van de benodigde groeimiddelen het voorziene groeipad steeds wordt benaderd maar nooit exact wordt bereikt. Dit is omdat, uit een technische overweging enerzijds en uit redenen van transparantie en begrijpbaarheid anderzijds, de puntengewichten steeds worden beschouwd als veelvouden van 0,01. De realiteit zal daarenboven steeds licht afwijken van de becijferde simulatie. Evoluties in het aantal opgenomen en verworven studiepunten in de komende jaren over alle opleidingen kunnen de becijferde effecten nog licht bijstellen. Met de bovenstaande oefening wordt getracht om de inzet van middelen zo goed als mogelijk aan te sluiten bij het voorziene groeipad conform de huidig heersende realiteit. Het is derhalve niet mis te verstaan dat, ondanks de lichte afwijkingen van de becijferde groeimiddelen t.o.v. het ingestelde groeipad, het groeipad beperkt blijft tot 20 miljoen euro op kruissnelheid volgens een pad met een jaarlijkse aangroei van 4 miljoen euro (in de periode 2020 t.e.m. 2024). Het is belangrijk om te benadrukken dat de intentie van deze operatie is om de STEM-opleidingen binnen HWBK en IWT maximaal te versterken binnen de beschikbare middelen. Het groeipad wordt toegevoegd aan de werkingsuitkering van de instelling. Deze middelen zijn niet gekleurd naar studiegebied of opleiding. Derhalve kunnen de extra middelen via interne allocatie ook gebruikt worden voor andere doelen/ studiegebieden. Eveneens belangrijk om in rekening te brengen is de reeds voorziene groei voor de betreffende studiegebieden en opleiding, los van dit groeipad. T.o.v. 2019 zal er tegen 2024 +/- 26 miljoen meer middelen aan HWBK toekomen, 4 miljoen aan de opleiding toegepaste informatica en 15,7 miljoen aan het studiegebied IWT. Tot slot wordt via bovenstaande strategie maximaal tegemoetgekomen aan de voorstellen vanuit de verschillende belangengroepen. De opleidingen in de studiegebieden IWT en HWBK worden versterkt in het kader van STEM. Toch dient er rekening gehouden worden met de beperkte middelen binnen het groeipad. Een grotere versterking van deze studiegebieden, met nog hogere puntengewichten,
Pagina 10 van 12
zou binnen de huidige enveloppe leiden tot een verschuiving van middelen, en dus zou tot een verarming van de andere opleidingen. 3/4den gaat naar stem.
4. BUDGETTAIRE IMPACT VOOR DE VLAAMSE OVERHEID Deze conceptnota houdt geen financieel of budgettair engagement in vanwege de Vlaamse Gemeenschap.
5. VERDER TRAJECT Deze conceptnota, waarin de VR op basis van objectieve vaststellingen een suggestie formuleert om de financiering van de hogeschoolopleidingen gericht en gefaseerd te verhogen, wordt voor advies voorgelegd aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) en de Vlaamse Adviesraad voor Innoveren & Ondernemen (VARIO). Op basis van dit voorstel kunnen de adviesraden bekijken of er voldoende rekening wordt gehouden met de eerder uitgebrachte adviezen, meer bepaald of de bezorgdheid m.b.t. HWBK wordt ondervangen door de opleiding toegepaste informatica van studiegebied te verhuizen en dit alles rekening houdend met het vooropgestelde budget van 20 miljoen euro. Mee op basis van de uitgebrachte adviezen kunnen desgevallend wijzigingen worden aangebracht aan het voorstel vooraleer in het kader van de begrotingscyclus (programmadecreet) de noodzakelijke decretale bepalingen worden opgesteld.
Pagina 11 van 12
6. AKTENEMING DOOR DE VLAAMSE REGERING De Vlaamse Regering neemt akte van deze conceptnota en van de erin vervatte principes en van het geplande traject van consultering via de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) en de Vlaamse Adviesraad voor Innoveren & Ondernemen (VARIO). .
De Vlaamse minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand,
Ben WEYTS
Pagina 12 van 12