Skip to main content

De reactiestrategieën van sectoren en bedrijven in Vlaanderen. Oproep_1.pdf

Page 1

VIONA-OPROEP VOOR EEN STUDIEOPDRACHT 08/10/2020 De reactiestrategieĂŤn van sectoren en bedrijven in Vlaanderen op de terugval en het herstel van het arbeidsvolume ten gevolge van de coronacrisis

1. Kenmerken van het onderzoek VIONA-luik : Beleidsuitdaging Onderzoeksdoeleinde: Beschrijvend en verklarend Gewenste methodologie: Kwantitatief Soort opdracht: Studie

2. Probleemstelling Beleidscontext De wereldwijde uitbraak van Covid 19 brengt een al even ongeziene schok mee op de Belgische en Vlaamse arbeidsmarkt. Het is een crisis met verschillende gezichten, en niet elke sector is op een zelfde manier getroffen. Sommige sectoren bleven lange tijd op slot of werden met een beperkte capaciteit opnieuw opgestart (retail, horeca, culture sector,‌); andere konden relatief ongehinderd hun activiteiten continueren, zij het in de context van een economische crisis. De gevolgen voor de interne en externe arbeidsmarkt van het geleden omzetverlies, de verplichte sluiting van bedrijven en de bedrijven die op de rand staan van het faillissement zullen de volgende maanden snel duidelijk worden. Er zijn drastische maatregelen getroffen om bedrijven, werknemers en zelfstandigheden financieel bij te staan. In de sfeer van tewerkstelling is de belangrijkste maatregel de tijdelijke werkloosheid door overmacht (momenteel tot 31 december 2020), die een historisch hoogtepunt bereikt; maar het is uiteraard niet het enige middel dat door bedrijven werd aangewend in reactie op de pandemie: minder flexibele tewerkstelling, minder studentenarbeid, terugval in aanwervingen, meer gedwongen


arbeidsmobiliteit, terugval van overuren, arbeidsduurvermindering, ... Kennis over de verschillende reactiepatronen en -strategieën van ondernemingen blijft echter partieel. Er is dan wel zicht op het gebruik van de tijdelijke werkloosheid gedurende de pandemie; andere strategieën om het arbeidsvolume aan te passen, of de mate waarin deze gecombineerd worden, blijven onderbelicht of worden vanuit uiteenlopende bronnen toegelicht. Deze combinatie van bestaande partiële analyses kan bijkomend onduidelijkheid creëren over de exacte omvang van de productieve tewerkstelling of vragen opwerpen rond de betrouwbaarheid van bepaalde cijfers. Momenteel heeft de Vlaamse overheid eigen instrumenten en middelen ingezet om bedrijven bij te staan en het economisch herstel te stimuleren. Inzake arbeidsmarkt gaat het vooral om maatregelen inzake opleiding en jobreallocatie.

Hoe vult het voorgestelde onderzoek de bestaande kennis aan? Het ontbreekt niet aan analyses van de gevolgen van of de reacties op Covid. Een deel van bovenstaande aspecten wordt momenteel al partieel gedocumenteerd (gebruik tijdelijke werkloosheid, evolutie tewerkstelling,…), maar dit door diverse partijen en vanuit verschillende bronnen (administratieve gegevens, surveys, data sociale secretariaten…). Het maakt dat veel onderzoeken door elkaar lopen, met soms tegengestelde signalen of uitspraken tot gevolg. De uitdaging in deze opdracht is om een samenhangende analyse te maken van de inter- en intrasectorale verschillen en bedrijfsstrategieën, en dit zowel vanuit kwantitatieve als kwalitatieve bronnen.

3. Onderzoeksvragen Met het oog op een gedetailleerde analyse en monitoring van de verschillende reactiepatronen en strategieën van ondernemingen en sectoren stellen we volgende vragen voorop. • • • •

Welke patronen en strategieën om het arbeidsvolume aan te passen kan men onderscheiden bij bedrijven/sectoren? Welke werknemers zijn hierin het meest betrokken (welke en hoeveel in systeem van TW, profiel van werknemers flexi-jobs of uitzendsector, welke werknemers kennen terugval overuren…) Worden werknemers onder tijdelijke werkloosheid ingezet in een bijscholingstraject; worden ze in andere ondernemingen ingezet? Hoe ervaren sectoren en bedrijven de recente activeringsmaatregelen en het aanbod bij VDAB (bijv. opleidingsaanbod voor tijdelijk werklozen)? Zijn deze maatregelen gekend, op maat van wat werkt voor bedrijven en sectoren en voor de doelgroep?

Het onderzoek moet sectorale breuklijnen blootleggen, maar evenzeer binnen sectoren op zoek gaan naar afwijkende reactiepatronen en determinanten ervan. Voor kwantitatieve data verwachten we dat de nodige gegevens beschikbaar zullen zijn tijdens het uitvoeren van de onderzoeksopdracht; wat niet wegneemt dat bepaalde inzichten via bevragingen of interviews moeten worden bekomen. Een korte internationale reflectie / vergelijking met de Nederlandse situatie wordt aangemoedigd.

4. Beleidsrelevantie De aanpassing van bedrijven als reactie op de coronacrisis van de arbeidsmarkt zijn relevant in de periode van crisis, maar ook in de periode van herstel. Door dit te monitoren op de korte termijn, kwartaal op kwartaal, verkrijgen we een beeld van de impact van tijdelijke crisismaatregelen en van het tempo, de omvang en differentiatie tussen sectoren waarmee het herstel zich doorzet.


Deze informatie is broodnodig voor overheden en sociale partners om beleidsprioriteiten te bepalen en maatregelen te richten of te evalueren, zoals onder meer de interne of externe bijscholing en reallocatie van werknemers onder het stelsel van tijdelijke werkloosheid. Recent werd hiertoe initiatief genomen vanuit de VDAB. Ook de expertenadviezen vanuit de relancecomités bevestigen het belang van re-allocatiestrategieën in brede zin.

5. Timing Projectvoorstellen moeten uiterlijk op woensdag 28 oktober 2020 om 15u worden ingediend. De Stuurgroep VIONA zal in de tweede helft van de maand november een advies formuleren over het te gunnen project aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk. De projectindieners zullen ten laatste begin december worden geïnformeerd over de beslissing van de minister. Het project dient nog in 2020 op te starten. Het ontwerp van eindrapport dient eind mei 2021 te worden opgeleverd. Uiterlijk eind juni 2021 dient het definitieve eindrapport dwingend aan de opdrachtgever te worden opgeleverd.

6. Kandidaatstelling Projectvoorstellen bevatten een inhoudelijk en een financieel onderdeel en beantwoorden aan de richtlijnen die u in bijlagen bij de oproep vindt. In die bijlagen vindt u tevens informatie over de selectiecriteria en -procedure en over de financiële en administratieve opvolging van het project.

7. Informatie Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij de heer Willem De Klerck, Departement Werk en Sociale Economie (T 02/553 43 80 –M 0474/485 760, willem.deklerck@vlaanderen.be). De indieners van projectvoorstellen zullen desgevallend uitgenodigd én gehoord worden tijdens een digitale hoorzitting (in Teams) die in de week van 16 tot 20 november 2020 zal plaatsvinden, en dit enkel in het geval van fundamentele onduidelijkheden, betwistingen, ex aequo ’s en/of minieme verschillen tussen de (beste) offertes. U wordt hiervan uiterlijk op vrijdag 13 november op de hoogte gebracht indien dit gewenst is.


Bijlage 1 bij VIONA-projectoproepen voor studieopdrachten Situering en gunningsprocedure 1. Het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma Het initieel opzet en doel van VIONA (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) werd destijds binnen het VESOC en in het kader van de Vlaamse werkgelegenheidsconferentie in het protocol van 17 maart 1993 als volgt vastgelegd: - Het verwerven van wetenschappelijke betrouwbare kennis over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt opdat men verantwoorde beleidskeuzes kan maken (vaststellen, registreren en onderzoeken van de ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt teneinde het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen de nodige wetenschappelijke ondersteuning aan te bieden). - Een impuls geven aan wetenschappelijk onderzoek (komen tot een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van het beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek op het domein van de arbeidsmarkt). Naar aanleiding van een nieuwe oproep voor het Steunpunt Werk in 2015, de nieuwe bevoegdheden na de Zesde Staatshervorming en de toegenomen stroomlijning inzake beleidsevaluatie, werd het model voor strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen (“Vlaams Programma Strategisch Arbeidsmarktonderzoek”) midden 2016 hertekend om maximale complementariteit met het Steunpunt Werk te bereiken. Onder de adviserende bevoegdheid van de Stuurgroep VIONA werden de volgende aanpassingen uitgevoerd: - VIONA-onderzoeken worden voortaan ingedeeld in twee categorieën: beleidsevaluerend onderzoek en beleidsuitdagend onderzoek. Deze indeling heeft een dubbele doelstelling: het versterken en stroomlijnen van de evidence basis van het Vlaamse arbeidsmarktbeleid en het behouden van de capaciteit van het huidige VIONA-programma om beleidsvernieuwing te stimuleren. - Elk voorstel voor een onderzoeksthema wordt voortaan onderworpen aan een screening door de Dienst Studie en Beleidscoördinatie van het departement WSE om de realiseerbaarheid en het wetenschappelijke gehalte van de maatregel te toetsen. - Er worden wetenschappelijke criteria geïntegreerd in de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen. Op het programma Werkgelegenheid is in 2020 in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma 373.000 € beschikbaar voor studie- en O&O-opdrachten. Die opdrachten zijn complementair aan de opdrachten die het Steunpunt Werk opneemt. De projectoproepen in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma worden beheerd door het departement Werk en Sociale Economie. De Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw, mevrouw Hilde Crevits, keurt -rekening houdend met het advies van de Stuurgroep VIONA- de VIONA-oproepen en -projecten goed.

2.

Modaliteiten en gunningsprocedure

2.1

De deelnemers

VIONA-oproepen staan open voor onderzoekers en onderzoeksgroepen uit de universiteiten en hogescholen én voor andere (onderzoeks)instellingen.

2.2

De projectvoorstellen

Een projectvoorstel dient deze elementen te bevatten:


1) 2)

3)

4) 5)

6) 7)

8)

titel van het project vermelding van de promotor(en): naam, instelling, onderzoekseenheid, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres Indien de opdrachtnemer een beroep wenst te doen op één of meerdere experten extern aan de onderzoeksploeg, moet een indicatie worden gegeven van de aard van de experten (indien mogelijk met de namen), hun expertise (juridisch, fiscaal, economisch, …) en dient geduid te worden hoe die expertise in het onderzoek kadert. een uitgebreide omschrijving van het projectvoorstel dat minstens volgende elementen bevat o Situering van het thema o Conceptueel, theoretisch of beleidsmatig analysekader o Toelichting over hoe de wetenschappelijke kwaliteitscriteria bewaakt zullen worden. Onder “wetenschappelijke kwaliteitscriteria” worden hier betrouwbaarheid, interne validiteit (indien van toepassing), externe validiteit (indien van toepassing) en constructvaliditeit verstaan. o Methodologie een gedetailleerd tijdschema een financieel plan per kalenderjaar en een verduidelijking van de additionele financiering (facultatief) Voor deze studieopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 75.000 euro (inclusief overhead en/of BTW) vooropgesteld. Projectvoorstellen dienen steeds de totale kostprijs inclusief én exclusief BTW (indien deze van toepassing is) aan te geven. een beschrijving van de wijze waarop de resultaten zullen worden gevaloriseerd en bekend gemaakt; in de begroting moet expliciet een bedrag voor de valorisatie worden voorzien een beknopt curriculum vitae van de onderzoeksverantwoordelijken (max. 3 blz. per persoon), met vermelding van de relevante lopende onderzoeksprojecten (met naam van de financierende organisatie en einddatum van het onderzoeksproject) en de vijf belangrijkste publicaties. Een bondige omschrijving van het project.

Maximale lengte: de uitgebreide omschrijving van het projectvoorstel (zie 3), het tijdspad (zie 4) én de begroting (zie 5) mogen maximaal 12 pagina’s in beslag nemen. De bondige omschrijving van het project mag maximaal 2 bladzijden omvatten.

2.3

Evaluatie en selectie van de projectvoorstellen

De ingediende voorstellen zullen worden beoordeeld op hun algemene/beleidsmatige relevantie m.i.v. de wetenschappelijke relevantie (80 punten) en op de prijszetting (20 punten). De evaluatie en selectie verlopen als volgt: De beoordeling van de algemene/beleidsmatige relevantie (voor 80 punten) gebeurt door de volgende leden van de Stuurgroep VIONA: zes vertegenwoordigers van de sociale partners (ABVV, ACV, ACLVB, VOKA, UNIZO en BB) en drie vertegenwoordigers van het Departement Werk en Sociale Economie, aangevuld met één vertegenwoordiger van de VDAB (die geen deel uitmaakt van de Stuurgroep). Bij de departementale beoordeling zal (minstens) één medewerker/methodoloog uit de studiedienst van DWSE de projectvoorstellen mee beoordelen vanuit een wetenschappelijke/methodologische invalshoek (betrouwbaarheid, validiteit, methoden, ...). Het betreft hier dus max. 10 beoordelingen waarvan een gemiddelde genomen wordt per criterium.


Elke beoordelaar kan (per onderzoeksvoorstel) een advies uitbrengen op basis van meerdere beoordelings- en richtvragen die kunnen teruggebracht worden tot de volgende vier rubrieken: 1) inhoud/beleidsrelevantie (30 punten), 2) onderzoeksaanpak (30 punten), 3) expertise (10 punten) en 4) valorisatie (10 punten). Tevens wordt gevraagd om een algemene toelichting van de beoordeling te voorzien. Ook een toelichting per rubriek is mogelijk. Daarnaast wordt ook de prijszetting (voor 20 punten) meegenomen als criterium. Bij de beoordeling wordt geen rekening gehouden met de BTW-bijdrage. De inschrijver met de laagste prijs krijgt het maximum van de punten (20 punten). Aan de overige inschrijvers worden punten toegekend in verhouding tot de laagste prijs (exclusief BTW) volgens de volgende formule: P=20 x L/X. (L= bedrag van de laagste regelmatige offerte, X= bedrag van de onderzochte offerte, P= aantal punten). Samen geeft dit een totaal van 100 punten, waarvan de gemiddelden van alle individuele beoordelingen worden teruggebracht tot een globale score op 100 punten, zoals in onderstaande tabel is weergegeven. . Beleidsmatige beoordeling Inhoud/beleidsrelevantie Onderzoeksaanpak Expertise Valorisatie Prijs Totaal

80 30 30 10 10 20 100

Het best gekwalificeerde projectvoorstel met een minimum score van 60/100 punten zal dan voor gunning aan de minister worden geadviseerd, met dien verstande dat in het geval van fundamentele onduidelijkheden, betwistingen, ex aequo ’s in de punten of nauw aanleunende resultaten de mogelijkheid wordt ingebouwd om mondelinge of schriftelijke vragen te stellen aan de indieners van de (beste) offertes (zie ook punt 7). Indien de minister akkoord gaat met het advies, wordt het projectvoorstel gegund volgens de regels van de overheidsopdrachten.

2.4

Kandidaatstelling

De projectvoorstellen dienen het departement Werk en Sociale Economie elektronisch via mail (Word) (willem.deklerck@vlaanderen.be + lieve.delathouwer@vlaanderen.be + johan.troch@.vlaanderen.be) uiterlijk te bereiken op het tijdstip vermeld in de oproep.


Bijlage 2 bij VIONA-projectoproepen voor studieopdrachten Financieel plan en rapportering In deze bijlage worden de richtlijnen voor de budgetplanning van projectvoorstellen en de inhoudelijke en financiële rapportering door de promotoren toegelicht.

1.

Kwalificatie van de opdracht

Binnen het VIONA-onderzoeksprogramma maken we een onderscheid tussen twee soorten dienstenopdrachten, nl. studieopdrachten en O&O-opdrachten. Deze oproep betreft een studieopdracht. Bij studieopdrachten in antwoord op beleidsvraagstukken verwachten we dat de opdrachtnemer een voorstel van analyse en oplossing van een specifiek probleem formuleert met behulp van bestaande kennis binnen een korte termijn. Het voorstel en de analyse moet praktisch bruikbaar zijn voor het beleid. Voor deze studieopdracht wordt een bedrag van maximaal 75.000 euro (inclusief overhead en/of BTW) vooropgesteld.

2.

Financiële planning en rapportering

In het financieel plan en de financiële rapportering van VIONA-projecten maken we een onderscheid tussen drie soorten kosten. - Loonkosten wetenschappelijk personeel: raming in het financieel plan op basis van geschatte onderzoekersmaanden en bij afrekening op basis van bewijsstukken van de personeelskost voor wetenschappelijk personeel dat daadwerkelijk werd ingezet op het project. - Persoonsgebonden werkingskosten: werkingsmiddelen, administratieve ondersteuning en universitaire overhead. De persoonsgebonden werkingskosten worden forfaitair begroot en afgerekend op maximaal 33% van respectievelijk de begrote en de reële personeelskosten wetenschappelijk personeel en omvat de overhead van maximum 10% die de universiteiten gewoonlijk aanrekenen. - Projectspecifieke werkingskosten: exceptionele en projectspecifieke werkingsmiddelen (bv. kosten voor een grootschalige survey (postenquête, webbevraging, …), kosten buitenlandse studiereis,…). Het betreft uitzonderlijke kosten waarvoor een specifiek budget moet worden uitgewerkt. Die kosten zijn inherent aan de opdracht en zijn altijd te bewijzen. Ze worden in detail begroot in het voorstel en afgerekend op basis van bijhorende bewijsstukken. Bij de afrekening wordt de mogelijkheid voorzien van een transfer van de persoonsgebonden werkingskosten naar de loonkosten wetenschappelijke personeel ten bedrage van maximum 10 % van de oorspronkelijk voorziene werkingsmiddelen en dit op voorwaarde dat het globaal aanvaarde projectbudget behouden blijft. Bv.: voor een VIONA-project met een aanvaarde projectbegroting van 99.750 euro bestaande uit 75.000 euro aan personeelskosten en 24.750 euro (33% van 75.000 euro) aan werkingskosten, mag maximaal 2.475 euro worden getransfereerd van de werkingsmiddelen naar de personeelskosten. Op


die manier kunnen hogere personeelskosten dan begroot worden opgevangen, bijvoorbeeld na aanwerving van een meer gekwalificeerde en ervaren onderzoeker dan aanvankelijk verhoopt. De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een financiële eindrapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) bezorgen. Opgelet! Sinds 1 januari 2017 is de Vlaamse overheid overgeschakeld op elektronische facturatie (e-invoicing). In een overgangsfase werden uitzonderlijk nog papieren facturen aanvaard. Deze overgangsfase wordt nu stopgezet. Vanaf 1 januari 2019 schakelt het Departement WSE definitief over op e-facturatie. Vanaf die datum kan enkel nog elektronisch aan DWSE worden gefactureerd. Papieren facturen (via post) of PDF facturen (via mail) zullen door DWSE vanaf die datum geweigerd worden. In het kader van e-facturatie aanvaarden we enkel gestandaardiseerde XML-facturen die via het PEPPOL-netwerk worden aangeleverd. Er zijn vier manieren waarop u kan aansluiten op het PEPPOLmodel, afhankelijk van uw volume facturen en uw financieel systeem, facturatie-of boekhoudpakket. U vindt meer informatie hierover via deze link: https://overheid.vlaanderen.be/overheidsopdrachtenen-raamcontracten/e-procurement/e-invoicing-voor-leveranciers Voor meer informatie hierover kan u steeds contact opnemen met het centrale e-invoicingteam via e.procurement@vlaanderen.be. Tussentijdse uitbetaling is enkel mogelijk voor projecten die meer dan 12 maanden doorlooptijd in beslag nemen en gebeurt op basis van een tussentijdse financiële en inhoudelijke rapportering. De tussentijdse financiële rapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) moet na afloop van de eerste fase aan de opdrachtgever worden bezorgd (via het hierboven vermelde systeem van e-invoicing). Indien het onderzoek door meerdere instanties wordt uitgevoerd, treedt één instantie op als opdrachtnemer. De opdrachtnemer moet alle facturen en interne verrekeningen bundelen en bij de opdrachtgever indienen(via het hierboven vermelde systeem van e-invoicing). Voor de loonkosten wetenschappelijk personeel moeten bij de betalingsaanvraag de namen worden vermeld en worden gestaafd d.m.v. loonfiches (indien intern personeel) of facturen én betalingsbewijzen (indien extern personeel). Uitsluitend kosten gemaakt binnen de uitvoeringsperiode, die is bepaald in de overeenkomst, worden aanvaard.

3.

Inhoudelijke rapportering

De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een inhoudelijke eindrapportering bezorgen, samen met een Nederlandse én Engelstalige samenvatting.


De inhoudelijke rapportering dient minimaal volgende elementen te bevatten: a) Inleiding en situering. b) Analysekader. Ingeval het om een evaluatieonderzoek gaat, dienen de relevante evaluatiecriteria hierin toegelicht te worden. c) Uitgebreide beschrijving van de gebruikte methodologie. d) Uitgebreide beschrijving van de resultaten van het onderzoek. e) Conclusies. f) Beleidsaanbevelingen. Het concept van eindrapport dient eind mei 2021 te worden opgeleverd en zal worden besproken op en goedgekeurd door de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONA-project. Uiterlijk eind juni 2020 dient het definitieve eindrapport dwingend aan de opdrachtgever te worden opgeleverd. Een snellere oplevering wordt verwelkomd. De Nederlandse samenvatting (met opzet, bevindingen, aanbevelingen en valorisatie) telt minimaal 2 en maximaal 5 bladzijden. De Engelstalige samenvatting telt een 2-tal bladzijden. Van het eindrapport en van de samenvatting wordt ook een elektronische versie geleverd met het oog op de mogelijke verspreiding via de VIONA-website. Van dit inhoudelijke eindrapport worden dertig gedrukte exemplaren aan het Departement WSE bezorgd. De opdrachtnemer verbindt er zich toe, tegelijkertijd met de indiening van het eindrapport, de voorgeschreven samenvattingen van het onderzoeksproject te bezorgen. In het geval van tussentijdse uitbetaling moet een tussentijdse inhoudelijke rapportering samen met een financieel rapport na afloop van de eerste fase van het project aan de opdrachtgever worden bezorgd. In die tussentijdse inhoudelijke rapportering dienen ook eventuele bijsturingen in het project te worden weergegeven. Deze rapportering wordt verspreid aan al de leden van de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONA-project. De verspreiding gebeurt via het VIONA-secretariaat.

4.

Contactpersonen

Financiële en inhoudelijke rapporten moeten worden ingediend op het volgende adres, op de wijze zoals hierboven beschreven: Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie – Studiedienst t.a.v. de heer Willem De Klerck (diensthoofd) Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping 1030 Brussel Inhoudelijke vragen over de concrete opdracht: Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij de heer Willem De Klerck, Departement Werk en Sociale Economie (T 02/553 43 80 –M 0474/485 760, willem.deklerck@vlaanderen.be). Contactpersoon m.b.t. de procedure en inhoudelijke en financiële rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02/553 44 18, johan.troch@vlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De reactiestrategieën van sectoren en bedrijven in Vlaanderen. Oproep_1.pdf by Vlaanderen-be - Issuu