Skip to main content

leidraad_jeugddienst.pdf

Page 1

INLEIDING

1


L E F A T S D U INHO

raf belang! s r e 1. Voo ijzer d e i st: in sw 2. Lee oede jeugddien g 3. Een graďŹ e lio 4. Bib Notities

3


1. Vooraf Zo’n dertig jaar geleden telde Vlaanderen ongeveer tien jeugdconsulenten. Als gevolg van de opmars der jongeren vonden zij schoorvoetend maar niet onopvallend een plaats in de gemeentelijke administratie. Ze zagen er ook anders uit, de (vooral) mannelijke specimen baardig en langharig, de vrouwelijke met kleurige kleding. Ze waren duidelijke exponenten van de vrijheidblijheid, jeans en slobber, de hippietijd amper voorbij. De optimisten gewaagden van een eerste inbraak in het ronduit klassieke en bestofte ambtenarencorps. Want met ordewoorden zoals participatie, fantasie en kritische zin pretendeerden zij een nieuwe beleidsvoering. De critici catalogeerden de jeugdconsulent als een voorspelbare recuperatie van de jongerencultuur door het systeem. Ook het landelijk jeugdwerk verslikte zich in deze nieuweling. De term jeugdconcurrent gaf uitdrukking aan een angst voor ongewenste intimiteiten jegens het lokale jeugdwerk door de gemeentebesturen. Maar de jeugdconsulent werd gemeentelijke jeugddienst en de bevlogen slogans groeiden uit tot beleidsplannen. Het decreet van 1993 op het gemeentelijk jeugdwerkbeleid vormde een mijlpaal, als resultaat van een koppige, bijna stilzwijgende maar erg succesvolle praktijk van plaatselijk jeugdbeleid. Bijna ongemerkt dijde het aantal jeugddiensten uit en met hen groeide een goed onderbouwde, brede en gedragen visie en een dito toepassing. Dit decreet zorgde ook voor een sterke toekomst. Tot op vandaag blijven de basisprincipes zoals interactief beleid en (h)erkenning van het jeugdverenigingsleven probleemloos overeind. Meer nog: het gemeentelijk jeugdbeleid mag zonder schroom de inspirator van vele andere beleidssystemen genoemd worden, o.a het reeds voorbije Sociaal Impulsfonds en het lokaal cultuur- en welzijnsbeleid. Daarbij mag dit moederdecreet nog altijd als het meest succesvolle benoemd worden. De specifieke evaluatieonderzoeken onderschrijven deze stelling. Het gemeentelijk jeugdbeleid staat nog steeds voor een combinatie van ernstige en intensieve communicatieprocessen en dynamische, effectieve ondersteuningsinstrumenten. De creatie van een krachtig jeugdwerk (het jeugdmiddenveld) vormt hierbij een sterk leidmotief. Bij de evaluatie en duiding van de effecten van dit decreet bleek overduidelijk de belangrijke en zelfs cruciale rol van de gemeentelijke jeugddienst. Als makelaar van het beleidsnetwerk biedt een open, zelfkritische maar vooral enthousiaste jeugddienst de waarborgen voor een geslaagd beleidsproject. Het is maar door een volgehouden geloof in eerlijke dialoog, de bekwaamheid om interactieve processen te initiëren, te begeleiden en blijvend te ondersteunen dat het 4


jeugdbeleidsplan succesvol wordt. Daarbij horen uiteraard specifieke vakbekwaamheden, want de combinatie van ambtenaar en jeugdwerker is niet vanzelfsprekend. De ene rol staat voor zorgvuldig beheer en gedegen besluitvorming via relaties met gemeentesecretaris, schepen en schepencollege. De andere noodzaakt kennis van en gevoel voor het perspectief van kinderen, jongeren en hun verenigingen. Anno 2005 tellen de 308 Vlaamse gemeenten én de VGC bijna allemaal een ‘formeel’ aanspreekpunt voor het jeugdbeleid. Uiteraard bepalen de schaal en traditie de wijze waarop deze jeugddiensten gestalte kregen. In sommige gevallen gaat het over een combinatieambtenaar die de aandacht voor jeugd/jeugdbeleid combineert met bv. cultuur of sport. Maar steeds meer beschikken de gemeentebesturen over een herkenbare jeugddienst, vaak bevolkt met diverse ambtenaren en in vele gevallen met verschillende jeugdconsulenten die de omvangrijke verantwoordelijkheden verdelen. Het is opvallend dat het aantal mensen op deze jeugddiensten nog steeds toeneemt. Daaruit mag – met vreugde – afgeleid worden dat het gemeentelijk jeugdbeleid nog steeds een succesverhaal schrijft. Het is daarom niet verwonderlijk dat de gemeentelijke jeugddienst en de mensen die daar het inhoudelijke werk leveren, de jeugdconsulenten, nogal wat aandacht krijgen en verdienen. Hun gewicht in het plaatselijke jeugdbeleid vraagt om deze bekommernis. Vandaar deze publicatie die op een vlotte en didactische wijze hierop inzoomt. Als Vlaams minister van jeugd vormt het lokale jeugd(werk)beleid voor mij een boeiende uitdaging. Ik kies nog steeds met veel overtuiging voor een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid én aansprakelijkheid: de gemeentebesturen dragen deze samen met de Vlaamse overheid. Zoals het gemeentelijk jeugdbeleidsplan een gezamenlijk beleidsproject moet zijn van bestuur en jonge bevolking, zo blijft het lokale jeugdwerkbeleid een gedeeld project van centrale en lokale overheid.

Bert Anciaux Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel

5


2. Leeswijzer Met deze leidraad proberen we de gemeenten

● Een belangrijke drie-eenheid gaat over

inspiratie te geven bij het uitbouwen van een

de taakbeschrijving van de gemeentelijke

goede jeugddienst. Voor sommige gemeenten

jeugddienst, het profiel van een jeugdcon-

zal wat ze hierin lezen de evidentie zelve zijn,

sulent en de plaats van de jeugddienst in de

voor anderen is het misschien iets helemaal

gemeente. Deze drie bundels kunnen niet los

nieuw.

van elkaar gezien worden. Ze zijn ook elk

De leidraad bestaat uit verschillende bundel-

opgebouwd vanuit het fundamentele pleidooi

tjes en elke bundel pakt een ander aspect aan.

dat jeugd een volwaardige beleidsmaterie zou

De ene wil reflectie stimuleren en een aantal

moeten zijn in elke gemeente en dat dit ge-

pijnpunten blootleggen, de andere is praktisch

geven inhoudelijk en structureel vertaald en

of staat vol achtergrondinformatie.

uitgebouwd moet worden door middel van een

Naargelang interesse, nood, tijd,... leest u ze

goed functionerende jeugddienst. Anderzijds

allemaal of pikt u er de belangrijkste uit.

is het respect voor de gemeentelijke autono-

Dit is geen boekje om in de kast te belanden

mie even onontbeerlijk. De Vlaamse overheid

maar een echt gebruiksexemplaar voor sche-

wil haar bijdrage leveren om de discussie op

pen, jeugdconsulent, jeugdraad, secretaris,

gang te brengen. Het is aan de gemeente om

gemeenteraadsleden en andere betrokken

dit allemaal onder de loep te nemen en te be-

actoren. In sommige bundels is alvast plaats

slissen welke weg ze uit wil gaan.

gelaten voor eigen notities.

● Er wordt ook een methodiek aangereikt

Her en der wordt de tekst geïllustreerd door

om het gesprek te voeren, zowel binnen het

citaten. Deze komen uit de mond van verschil-

gemeentelijk bestuurlijk apparaat, als in de

lende jeugdconsulenten en werden opgetekend

jeugdraad en met kinderen en jongeren. Stie-

tijdens het onderzoek van VVJ of zijn geplukt

kem hopen we dat het jeugdraadspel een ste-

uit het proefschrift van Guy Redig (zie bibli-

vige klassieker wordt.

ografie).

● Achtergrondinformatie over cijfers, aanwervingprocedures, wettelijk kader e.d. geven de mogelijkheid om het breder kader te schetsen en een vergelijking te maken met de stand van zaken in de eigen gemeente. Een aantal praktijksituaties en voorbeelden moeten ook in het licht hiervan gezien worden.

7


3. Een goede jeugddienst: in ieders belang! De jeugddienst en de jeugdconsulent. Het zijn

pact en de gemeentelijke jeugdraden die hier-

langzaamaan begrippen geworden in de ge-

bij opgericht werden. In 1993 kwam dan het

meente. De jeugdconsulent is een ijverige dui-

decreet op het lokaal jeugdbeleid en moest

zendpoot: hij/zij levert beleidsvoorbereidend

een gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan opge-

werk, schrijft plannen, bouwt een netwerk uit

maakt worden, wou men een beroep doen op

met andere diensten, luistert naar kinderen en

de Vlaamse subsidies. Een gemeentelijk on-

jongeren, weet wat ze denken…, maar hij/zij

dersteuningsbeleid voor het jeugdwerk kreeg

is ook dikwijls diegene die activiteiten organi-

vorm; de uitbouw van aanvullende eigen ge-

seert, initiatieven ondersteunt, zelfs begeleidt;

meentelijke jeugdwerkinitiatieven vroeg om

je vindt ze in het jeugdhuis, op het speelplein,

extra personeel.

op de acties van Kom op tegen kanker of

Anno 2005 klinkt steeds sterker de roep naar

11.11.11.

een verdere evolutie: van jeugdwerkbeleid naar jeugdbeleid; naar afstemming van kin-

Maar, waarom is het zo belangrijk dat elke ge-

deropvang, sport, cultuur, toerisme, onderwijs,

meente een jeugddienst heeft? Waarom vindt

… Er moeten linken gelegd naar jeugdinfor-

de Vlaamse overheid het zinvol hierover een

matie, preventiewerk, het lokaal sociaal be-

heuse leidraad aan te bieden?

leid, milieuzorg, ruimtelijke ordening,...

Het uitbouwen van een jeugddienst is immers

Hoe zou dit alles kunnen zonder gemeentelijke

geen voorwaarde voor subsidiëring van het

jeugddienst?

lokale jeugdbeleid. Dit neemt echter niet weg dat de Vlaamse overheid het zeer belangrijk

De jeugddienst is het gemeentelijk ambte-

vindt dat elke gemeente resoluut kiest voor

lijk contactpunt voor het jeugd(werk)beleid,

een sterke, goed uitgebouwde jeugddienst, met

maar staat hierin niet alleen. Het gemeen-

voldoende gemotiveerde en deskundige amb-

telijk jeugd(werk)beleid komt immers maar

tenaren. Een goede jeugddienst is de basis-

tot stand als er een interactie en samenspel

voorwaarde voor een goede jeugdwerkonder-

plaatsvindt tussen de verschillende lokale

steuning, voor echte participatie en voor een

actoren: de gemeenteraad, het college van

integraal en geïntegreerd jeugdbeleid.

burgemeester en schepenen, de schepen van jeugd, de jeugddienst, de jeugdraad,... Aange-

Is dat dan nieuw?

zien het lokale jeugdbeleid uitdrukkelijk een

Er is alleszins een hele evolutie merkbaar.

gemeentelijke materie betreft, is de gemeen-

De nood aan een ambtelijke ondersteuning

teraad het beslissingsorgaan over de beleids-

in de jeugdsector ontstond met het cultuur-

maatregelen met betrekking tot jeugd(werk).

8


“ D e s c h e p e n v a n j e u g d fo r c e e r d e d e e e r s t e a a n we r v i n g , g e s t e u n d d o o r d e j e u g d r a a d . D e s c h e p e n w a s t o e n o o k ex - l i d v a n d e c h i r o, h e t c h i r ov e r b o n d e n d e j e u g d r a a d . E e n s c h e p e n d i e z e l f a f k o m s t i g i s u i t h e t j e u g d w e r k i s e c h t e e n z e g e n , d e n k i k .” De schepen van jeugd zorgt er dan weer voor

het profiel van de jeugddienstmedewerkers is

dat er voldoende ‘jeugd’ aan bod komt in het

dus complex, ook de werkomgeving zelf: de

beleid. Het is zijn/haar taak om de collega-

jeugddienst maakt deel uit van een ingewik-

mandatarissen aandacht te vragen voor jeugd

keld kluwen van verschillende actoren die een

binnen hun specifieke beleidsdomeinen. De

rol spelen op het gemeentelijk bestuursniveau.

jeugddienst wordt gevraagd dit concreet vorm

De hele voorliggende leidraad moet in dit licht

te geven, voor te bereiden, adviezen te verza-

worden gelezen.

melen, voorstellen te formuleren. Het spreekt vanzelf dat een regelmatig overleg tussen de

De jeugddienst en de schepen van jeugd ver-

schepen bevoegd voor jeugd, de jeugddienst

vullen een spilfunctie inzake het categori-

en de jeugdraad hierover gewenst is. In prin-

ale én sectorale jeugdbeleid. Het doel van

cipe verloopt alle communicatie met het poli-

het jeugdbeleid is dan ook het bevorderen van

tiek luik wel via de secretaris (hoofd van het

de culturele en maatschappelijke participatie

personeel). De rol van de gemeentesecretaris

en de individuele ontplooiing van kinderen en

mag hierin niet geminimaliseerd. De secreta-

jongeren. Dit betekent dat het jeugdbeleid

ris is de onmisbare schakel tussen politiek en

aandacht zou moeten hebben voor kinderen

administratie. De secretarissen zijn bijzonder

en jongeren, voor hun interesses en proble-

goed geplaatst om bij het tot stand komen

men, in verschillende levensdomeinen.

van het beleid de mogelijkheden, maar ook de

Het is belangrijk dat de aandacht behou-

moeilijkheden en onmogelijkheden goed in te

den blijft voor de reeds bestaande uitdagin-

schatten.

gen, met name de uitbouw van een degelijk jeugdwerkbeleid en een goed inspraakbeleid.

Kortom, het moet duidelijk zijn dat de jeugd-

Anderzijds dient zich voor de jeugddienst en

dienst zowel politiek (door de schepen) als

de jeugdconsulent (en natuurlijk voor het

administratief (door de gemeentesecretaris

gemeentebestuur) een nieuwe en belangrijke

of eventueel een administratief diensthoofd)

uitdaging aan:

aangestuurd wordt; maar wel in functie van

“Het meedoen aan, stimuleren of sturen van

een interactieve beleidsvoering. De jeugddienst

een netwerk om alle aspecten van het jeugd-

heeft uitdrukkelijk de opdracht om met het

beleid op elkaar af te stemmen”1.

netwerk, collega’s, ‘het veld’, de kinderen en jongeren, het jeugdwerk en anderen in dialoog

Het is dus belangrijk dat de aandacht voor

te gaan over het te voeren beleid. Niet alleen

een offensief jeugdwerkbeleid niet verslapt 9


omdat deelname aan het jeugdwerk en andere

midden in het gesprek tussen kinderen, jonge-

culturele verenigingen een democratische in-

ren, jeugdwerk, overheid: “De specifieke con-

gesteldheid en burgerzin bevordert, maar ook

text van het jeugdwerkbeleidsplan heeft hen

om sociale redenen. Er zijn nog steeds grote

verplicht om zich quasi permanent in com-

groepen jongeren die niet bereikt worden door

municatieve planningsprocessen te engage-

het bestaande jeugdwerk; groepen waarvoor

ren.(…) Ze worden heuse netwerkmakelaars

het aanbod van plezante, groepsgerichte vrije-

die echter veel meer als participant dan als

tijdsbesteding te kort schiet. De uitdaging

afstandelijk regisseur zullen functioneren. ” 2

is om ervoor te zorgen dat er effectief een

Ook hierin is het belangrijk dat de jeugddienst-

aantrekkelijk jeugdwerkaanbod is: zo divers

medewerkers zich geruggensteund weten door

mogelijk zodat ook zogenaamd moeilijke

de schepen van jeugd.

doelgroepen er door geboeid worden. Mis-

Enerzijds worden de (vrijetijds)belangen van

schien moet iets nieuws uit de grond gestampt

kinderen en jongeren zo bepleit bij de colle-

worden? Misschien is er meer kadervorming

ga’s van andere diensten; anderzijds moeten

nodig? Moet de expertise beter verzameld

de jeugddiensten zelf ook een knooppunt zijn

worden? De jeugddienst kan hierbij de draai-

voor informatie over de ruimere thema’s

schijf zijn.

uit de leefwereld van kinderen en jongeren.

Een ander belangrijk aspect is de permanen-

De schepen van jeugd en zijn/haar jeugddienst

te interactie met kinderen en jongeren.

zijn verantwoordelijk voor de voorbereiding

De jeugddienst heeft ook hierin een functie:

en uitvoering van het jeugdbeleid, maar het

namelijk zorgen voor een goede selectie van

is vaak de jeugdconsulent die door zijn/haar

informatie en voor een goede ondersteuning

vakbekwaamheid en een zicht op het geheel

van het particuliere initiatief op dit terrein.

erin slaagt alle relevante partijen (ook andere

De vele jonge vrijwilligers die hier reeds actief

sectoren) in het beleidsproces te betrekken en

zijn, moeten worden gekoesterd. Overheidsbe-

te motiveren.

leid moet evolueren naar een interactief beleid,

De concrete invulling en organisatie van de

waarin communicatie niet enkel een middel is,

jeugddienst gaat natuurlijk samen met de

maar een permanente opdracht wordt, zowel

grootte van de gemeente, de traditie, de kwali-

voor de overheid zelf als voor de burger.

teit van bestuur en medewerkers, de doelstel-

Van de gemeentelijke jeugdambtenaren wordt

lingen die door de gemeente werden bepaald,

op dit vlak veel verwacht: zij staan letterlijk

maar ook met de inplanting in de gemeente-

[1] Zie ook Guy Redig: ‘De gemeentelijke jeugdambtenaar als kernactor in een interactief beleid. Mogelijkheden en begrenzingen van ambtelijke ondersteuning van beleidsnetwerken en sociale leerprocessen’, Antwerpen, VVJ, 2000. Dit is de neerslag van het onderzoek dat Guy Redig tussen 1995 en 2000 voerde onder leiding van de professoren D. Wildemeersch (Katholieke Universiteiten Leuven en Nijmegen) en F. Delmartino (K.U.Leuven) ter voorbereiding voor zijn doctoraat in de sociale wetenschappen. De publicatie onderzoekt de wijze waarop jeugdambtenaren een rol kunnen spelen als ambtelijke begeleiders in beleidsnetwerken en hoe zij sociale leerprocessen kunnen initiëren en stimuleren. [2] Guy Redig: op.cit. p.386

10


lijke administratie, de huisvesting, de relatie

pecteerd worden in het ambtelijk apparaat,

met het jeugdwerk, enz.

en zelf in staat zijn om voorstellen en ideeën beleidsmatig te vertalen in nota’s, procedures

Wil men evolueren naar een breder jeugd-

en reglementen; een goede onderhandelings-

beleid, dan moet de jeugddienst een stevige

bekwaamheid en overtuigingskracht hebben.

plaats in het organogram van de gemeente

De jeugdconsulenten hebben een dubbele rol:

krijgen, en bemand worden met een realis-

enerzijds zijn ze pleitbezorger van de sector;

tisch aantal personeelsleden om alle taken

anderzijds uitvoerder van een gemeentelijk

op een kwalitatieve manier op zich te nemen.

beleid, en dit is een niet te onderschatten op-

Het personeel van de jeugddienst moet als ge-

dracht. Brugfiguren dus. Jeugdambtenaren

sprekspartner evenwaardig zijn aan het per-

zijn enerzijds beleidsvoorbereidende ambte-

soneel van andere sectoren en genoeg gewicht

naren, maar anderzijds ook beleidsuitvoeren-

in de schaal kunnen leggen om samen met de

de organisatoren van animatieprogramma’s.

bevoegde schepen het belang van kinderen en

Ze zijn beleidsplanner en onderhandelaar,

jongeren en het jeugdwerk op alle terreinen

maar staan naast het planningswerk ook in

te verdedigen. Feit is dat de kwaliteit van de

voor de concrete ondersteuning van het jeugd-

beleidsplanning echt wel samengaat met de

werk in de gemeente. Jeugddiensten moeten

deskundigheid van de jeugddienst. Dit is de

zich kenmerken door een open en dynamische

enige manier om het gedecentraliseerde en

werkingscultuur. Het eigene aan een jeugd-

complementaire gemeentelijke jeugdbeleid

dienst is alvast de sterke verbondenheid met

goed vorm te geven.

de doelgroep, een bundeling van enthousiasme en dynamiek, een frisse invulling van het be-

De jeugddienst heeft zijn eigenheid, net zoals

grip ‘ambtenaar’.

ook de andere gemeentelijke jeugddiensten hun eigenheid hebben. Een jeugddienst bete-

Een jeugddienst is in de gemeente gewoon on-

kent één of meer ambtenaren die vertrouwd

ontbeerlijk. Het jeugdbeleid heeft tijd, geld en

zijn met de jeugdwerksfeer, die open staan

mankracht nodig! Gemeentebesturen wordt

voor jeugdculturen, die vlot bereikbaar zijn

gevraagd de jeugddiensten de nodige men-

(ook buiten de kantooruren), die soepel inspe-

tale, statutaire en financiële ruimte te geven

len op onvoorziene vragen en makkelijk con-

in functie van een zuiver jeugdwerkondersteu-

tacten leggen met jonge mensen.

ningsbeleid, een breed gedragen jeugdbeleid

Anderzijds moeten deze ‘ambtenaren’ geres-

en een eerlijk participatiebeleid.

11


4. Bibliografie Bauwens, M., Van Praet, B., Vandevyvere, W., De gemeente in het nieuwe decreet ruimtelijke ordening (2): het personeel. Stedenbouwkundig ambtenaar wordt spilfiguur. De Gemeente, 1999, nr. 10. Bestuursakkoord van 29 april 2003 tussen het Vlaams, het provinciaal en het gemeentelijk bestuursniveau omtrent effectief en burgergericht overheidsbestuur. Caluwaerts, L. (red.), Verslagboek colloquium 10 jaar JWBP, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2004. Decoster, G., Nieuwe ontwikkelingen in het personeelsbeleid van de Vlaamse Gemeenschap versus de Vlaamse gemeenten. Binnenband, 2001, jaargang 6, nr. 25. Ipermans, M., Verslagboek colloquium 10 jaar jeugdwerkbeleidsplan. Dropzone, 2004, nr. 4. Katholieke Jeugdraad, De gemeente en het jeugdwerk. Brussel: Katholieke Jeugdraad, 2000. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaams Jeugdwerkbeleidsplan. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2001. Redig, G., Gemeentelijke jeugddiensten. Ontstaan, groei en actuele situering. Doordenkers- Tipgevers-Wetgevers VVJ, 1997, afl. 6. Redig, G., De gemeentelijke jeugdambtenaar als kernactor in een interactief beleid. Mogelijkheden en begrenzingen van ambtelijke ondersteuning van beleidsnetwerken en sociale leerprocessen. Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen. Antwerpen: Vereniging Vlaamse Jeugddiensten en -consulenten, 2000. Redig, G., Cijferboek Gemeentelijk Jeugdwerkbeleid 2002-2004. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2002. Redig, G., Ambtenaren: voorhoede van een interactief overheidsbeleid? Ter Zake, 2003, nr. 10. Van Nieuwenhove, K., Personeel op gemeentelijke jeugddiensten en in het lokale particuliere jeugdwerk. Een exploratief onderzoek van de Vereniging van Vlaamse Jeugddiensten in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Jeugd en Sport, 2004. Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, De cultuurbeleidscoördinator: een nieuwe functie?! Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, 2001. Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, Vernieuwd personeelsmanagement in gemeente en OCMW: functiebeschrijvingen en functieprofielen. Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, 1994, nr.1. Verluyten, P., Caluwaerts, L. (red.), Lokaal jeugdbeleid (ed.2), Politeia, 2004.

13


DE PLAATS

VAN DE JEUGDDIENST

IN DE GEMEENTE

1


L E F A T S D U INHO anogram g r o dienst k j i e jeugd eentel e voor d

em keuz 1. Hetbgelang van een goede 1.1 Het eelden le voorb e k n E 1.2

sulent

gdcon n de jeu

a haling evuze c s n i e 2. D jvende k n vrijbli 2.1 Gee oofd diensth 2.2 Als nsulent jeugdco 2.3 Als

s

Notitie

3


1. Het gemeentelijk organogram 1.1 Het belang van een goede keuze voor de jeugddienst Het decreet gemeentelijk jeugdwerkbeleid

met andere dan jeugdmateries bezig.

schrijft niet voor welke plaats de gemeente-

● Er kan een autonome jeugddienst in het

lijke jeugddienst moet innemen in het gemeen-

organogram van de gemeente voorzien zijn.

telijk organogram. Het behoort tot de ge-

● Maar de jeugdconsulent kan ook geïnte-

meentelijke autonomie om dat te bepalen.

greerd zijn in een ruimere dienst, onder-

De taakbeschrijving maakt wel duidelijk dat

gebracht onder de noemer vrije tijd, cultuur,

de gemeentelijke jeugddienst een belangrijke

welzijn, ...

verantwoordelijkheid heeft inzake de voorbe-

● De jeugdconsulent kan een combinatie-

reiding, de uitvoering en de evaluatie van het

ambtenaar zijn. Die ambtenaar is niet enkel

jeugd(werk)beleid van de gemeente. In die zin

met jeugdbeleid bezig, maar draagt de verant-

zit het diensthoofd in een staffunctie en zal

woordelijkheid voor een aantal - meestal ver-

het college er vaak rechtstreeks een beroep

wante - bevoegdheden zoals cultuur en sport.

op doen, een functie die misschien moeilijk

Voor de afstemming van verschillende be-

verenigbaar is met het uitvoerend werk. Som-

leidsmateries (zoals in bijgevoegd voorbeeld

mige onderdelen van zijn taken moeten wel-

jeugd, cultuur en sport) binnen de gemeente,

licht gedelegeerd worden aan administratieve

kan dit een pluspunt betekenen. Het voordeel

medewerkers.

is immers dat deze ambtenaar voltijds in de gemeente aanwezig is en door zijn taken ruim

Aangezien de invulling van het organogram

voeling heeft met wat er in de eigen gemeente

wezenlijk samenhangt met de erkenning die

gebeurt.

de jeugddienst krijgt, is het belangrijk dat de

● Een andere mogelijkheid is de interge-

gemeente goed nadenkt over de plaats van

meentelijke jeugdconsulent. Hierbij delen

de jeugddienst in de gemeentelijke struc-

verschillende gemeentebesturen één jeugd-

tuur. De gemeente bepaalt welke positie de

consulent. Zij delen in de kosten en de jeugd-

jeugddienst inneemt opdat ze op de best mo-

consulent verdeelt zijn tijd over de betrokken

gelijke manier de toebedeelde taken kan

gemeenten. In dit laatste geval is de jeugd-

invullen. Heel wat verschillende factoren

consulent enkel met jeugdmateries bezig,

kunnen hierin een rol spelen zoals de tijd die

maar deeltijds in verschillende gemeenten.

een jeugdconsulent in een gemeente heeft om

Dit kan uiteraard de intergemeentelijke sa-

zich met jeugdmateries bezig te houden: werkt

menwerking inzake jeugdbeleid tussen de be-

hij voltijds of deeltijds als jeugdconsulent, in

treffende gemeenten ten goede komen. Deze

één of meerdere gemeenten, houdt hij zich ook

formule is wellicht te verkiezen boven een

4


combinatieambtenaar, aangezien het betrok-

Er moet in elk geval een evenwicht gezocht

ken personeelslid zich kan specialiseren in één

tussen het veldwerk en het beleidswerk. “Het

materie. Anderzijds wordt de intergemeente-

blijft zeer noodzakelijk dat de jeugddienstme-

lijke jeugdconsulent op hetzelfde moment ge-

dewerkers dicht bij of zelfs in het veldwerk

confronteerd met drukke periodes wat extra

staan, maar dat kan een sterk ambtelijk pro-

werkdruk met zich meebrengt die men niet

fiel bedreigen. Anderzijds zal de jeugdconsu-

kan spreiden.

lent-jeugdwerker door beleidsambtenaren niet

Vanzelfsprekend is op termijn een jeugdconsu-

altijd ernstig genomen worden. Maar een

lent die voltijds kan bezig zijn met jeugdbeleid

krachtige bureaucraat zal voeling en vertrou-

in één gemeente, de meest ideale situatie.

wen met het veld verliezen.” 1

Anderzijds is de positie van de jeugddienst

In functie van een geïntegreerde werking, zou

in het gemeentelijk organogram van groot

er een formeel overlegplatform moeten be-

belang. Deze positie moet het immers mogelijk

staan, of als dit er niet is, moet het personeel

maken dat de jeugdsector betrokken wordt bij

op gemeentelijk vlak informeel contacten kun-

overleg en sturing van het gemeentelijk be-

nen leggen. De jeugddienst moet hiervoor de

leid. Het is belangrijk dat een jeugdconsulent

vrijheid hebben.

rechtstreeks met een schepen of de gemeentesecretaris kan overleggen, voorstellen kan

Indien de plaats in het organogram ook een

signaleren aan het beleid.

koppeling aan een begrotingspost inhoudt,

Het ene organogram geeft hier theoretisch

moet er op worden gelet dat sectorover-

meer kansen toe, dan het andere. Maar het

schrijdende projecten mogelijk blijven. Een

organogram is maar één zaak. Belangrijker is

enveloppenfinanciering veronderstelt dan weer

dat de jeugdconsulent au sérieux wordt geno-

een onderlinge regeling tussen de diensten, en

men en voldoende armslag krijgt, dat het goed

heeft een impact op de financiering van an-

klikt met de schepen en eventueel het dienst-

dere diensten.

hoofd, en dat op een flexibele manier met de andere gemeentelijke diensten kan worden

Naast de overweging over de plaats in het be-

samengewerkt. Onder een diensthoofd ressor-

stuurlijk organogram, is het heel belangrijk

teren, betekent dus niet dat niet gewogen kan

dat een jeugddienst zich apart, los van andere

worden op het beleid. Maar je bent wel meer

diensten, moet kunnen profileren naar kin-

afhankelijk van de goodwill, ingesteldheid, in-

deren en jongeren. De drempel moet zo laag

teresses en engagement van deze persoon om

mogelijk zijn. Een eigen stijl, de keuze voor

bepaalde zaken te kunnen realiseren.

de fysieke plaats, ... kunnen hiertoe bijdragen.

[1] Guy Redig, op.cit. p.343

5


Anderzijds is het ook wel belangrijk dat de

van verschillende opdrachtgevers, dan haken

jeugddienst de voeling met de andere gemeen-

mensen af. Normaliter zal de jeugdconsulent

telijke communiciatiekanalen niet verliest

of het diensthoofd de dispatching van al zijn

en dat tegelijk werk wordt gemaakt van een

taken wel aankunnen, maar wanneer belan-

gemeentelijk apparaat dat in zijn globaliteit

genconflicten dit onmogelijk maken, is een rol

kindvriendelijk is en laagdrempeligheid voor

weggelegd voor de personeelsverantwoorde-

alle inwoners hoog in het vaandel draagt.

lijke, vaak in de persoon van de gemeentesecretaris.

Het is duidelijk dat ook moet gewaakt worden over de taakbelasting van de jeugdconsulenten. Wanneer ze teveel opdrachten krijgen

1.2 Enkele voorbeelden Er zijn verschillende mogelijkheden. Wij

lijk geheel te bieden waarin de plaats van de

trachten er enkele aan te geven. Het is even-

jeugddienst en zijn positie ten opzichte van de

wel niet de bedoeling alle opties aan te geven.

sportdienst, de dienst cultuur, de dienst wel-

Het kan dus best dat in de eigen gemeente de

zijn, … en het college, gemakkelijk terug te

jeugddienst nog een andere plaats in het ge-

vinden zijn.

meentelijk organogram inneemt, waarbij deze even goed kan functioneren.

De diensten passeren vanzelfsprekend langs de secretaris en de secretaris hangt rechtstreeks

Organogrammen hebben vaak een erg com-

af van het college (in de voorbeelden die vol-

plexe structuur. Daarom hebben wij ze vereen-

gen werd de secretaris niet in het organogram

voudigd. Het is onze bedoeling een overzichte-

weergegeven).

Vo o r b e e l d . 1 Er zijn gemeenten die een opsplitsing maken tussen grondgebiedsdiensten (zoals de dienst ruimtelijke ordening, milieudienst, technische dienst, …), bevolking en vrijetijdsdiensten. De jeugddienst wordt dan bv. samen met het cultureel centrum, de bibliotheek en de sportdienst ondergebracht onder de vrijetijdsdiensten. Sociale zaken hoort hier meestal niet onder, maar zit onder de dienst bevolking, burgerlijke stand en sociale zaken. Vaak spreekt men eerder van een afdeling cultuur en vrije tijd. Onder cultuur en vrije tijd horen de jeugddienst, de sportdienst, de bibliotheek, maar ook archief en musea, het gemeenschapscentrum, de toeristische dienst, de dienst feestelijkheden, de academies, … 6


Een variante op dit model is wanneer de verschillende afdelingen wel op een gelijk niveau staan, maar samen met bv. de financiële dienst, de stafdienst en een dienst algemene administratie vertegenwoordigd zijn in een managementorgaan, dat onmiddellijk ressorteert onder het college van burgemeester en schepenen.

College van burgemeester en schepenen managementorgaan Grondgebiedszaken

Cultuur en Vrije Tijd

Jeugddienst - speelpleinwerking - buitenschoolse kinderopvang - jongerenadviescentra - jongereninformatiepunten -SWAP- tienerwerking -Straathoekwerk

Sportdienst

Bibliotheek

Bevolking, burgerlijke stand, sociale zaken

Archief en musea

Cultureel centrum

Toerisme

Academies

Vo o r b e e l d . 2 In andere gemeenten wordt de jeugddienst ondergebracht bij de afdeling welzijn samen met o.a. ontwikkelingssamenwerking, buurtwerking, integratie en buitenschoolse kinderopvang.

College van burgemeester en schepenen Cultuur

Sport

Welzijn

Jeugddienst

Ontwikkelings- Buurtwerking samenwerking

Integratie

Buitenschoolse Kinderopvang

In grotere gemeenten wordt ook hier soms een niveau tussengevoegd: men maakt een onderscheid tussen o.a. de afdeling cultuur, sport, burger en welzijn, … Al deze diensten staan op een gelijk niveau en zijn direct vertegenwoordigd in een managementcomité, dat onmiddellijk ressorteert onder het college van burgemeester en schepenen. De afdeling burger en wel7


zijn wordt opgedeeld in welzijnszaken, burgerzaken, economie, ... De jeugddienst is dan bv. ondergebracht onder de afdeling welzijnszaken, samen met o.a. wijk- en buurtontwikkeling en straathoekwerk, ontwikkelingssamenwerking, buitenschoolse kinderopvang, integratie en gelijke kansen.

College van burgemeester en schepenen Cultuur

Sport

Burger en Welzijn

Welzijnszaken

Burgerzaken

Jeugd- Wijk-buurt- Ontwikkedienst ontwikkeling lingssamenen straatwerking hoekwerk

Buitenschoolse Kinderopvang

Integratie

Economie

Gelijke kansen

“ Wa n n e e r j e a l s d i e n s t i n e e n j e u g d c e n t r u m o f i n e e n s p e e l p l e i n g e b o u w z i t d a n v a l t d e d r e m p e l w e l g r o t e n d e e l s we g . A n d e r z i j d s d r e i g j e w e l h e t c o n t a c t m e t d e a n d e r e d i e n s t e n t e v e rl i e z e n .”

Vo o r b e e l d . 3 De jeugddienst kan ook een onafhankelijke dienst vormen, die zijn eigen koers kan varen. Indien de jeugddienst over een verregaande autonomie beschikt, kan hij wellicht gemakkelijker nauwe contacten onderhouden met b.v. de sportdienst, de cultuurdienst … dan wanneer hij zich te sterk met één van deze diensten identificeert. De jeugddienst ressorteert rechtstreeks onder het college van burgemeester en schepenen en staat op hetzelfde niveau als o.a. de technische dienst, de sportdienst, cultuur.

College van burgemeester en schepenen Jeugddienst 8

Technische dienst

Sport

Cultuur


2. De inschaling 2.1 Geen vrijblijvende keuze Naast de positie van de jeugddienst in het gemeentelijk organogram, is tevens de inschaling van het diensthoofd en de jeugdconsulenten sterk bepalend. Vooraleer hierop in te gaan, willen we benadrukken dat het hier niet gaat over een verplichte inschaling, maar een niveau van inschaling dat wenselijk wordt geacht opdat een gemeentelijke jeugddienst zijn opdrachten zou kunnen vervullen. Evenals alle gemeentelijke personeelsleden, moet de jeugdconsulent over de nodige kennis, ervaring, vaardigheden en attitudes beschikken om zijn taak uit te kunnen voeren. Naargelang de keuze die de gemeente gemaakt heeft inzake deze taakinhouden, staat hier een bepaalde inschaling tegenover. Om de opdrachten zoals elders beschreven in deze brochure, naar behoren te kunnen vervullen, is de erkenning van het leidinggevend niveau belangrijk. Om immers op gelijke voet mee te kunnen discussiĂŤren met andere verantwoordelijken en als evenwaardig gezien te worden met andere beleidsplanners, is een voldoende hoge inschaling vereist. Strikt formeel gezien, dringt zich een globale verhoging van de appreciatie van de jeugdconsulent op. Het is aangewezen om minstens een B-niveau (HOKT) te voorzien en voor grotere jeugddiensten (zeker grotere gemeenten) lijkt een A niveau noodzakelijk. Een agogisch gerichte vooropleiding is het meest aangewezen, maar ook een relevante praktijkervaring van enkele jaren in het jeugdwerk is zeer zinvol. In de toelatingsvoorwaarden wordt best zowel met de opleiding als de ervaring, rekening gehouden. Zowel voor de functie van diensthoofd als jeugdconsulent, kan het bezit van een bepaald diploma (of een gelijkwaardig diploma) een toelatingsvereiste vormen. De gemeente kan echter bepalen dat indien je een dergelijk diploma niet bezit, je toch voor ĂŠĂŠn van beide functies in aanmerking kan komen mits je een aantal voorwaarden vervult, zoals een minimum aantal jaren ervaring. Let wel, dat voor de inschaling op B-niveau effectief een diploma hoger onderwijs vereist is (zie verder).

9


2.2 Als diensthoofd Voor de functie van diensthoofd is zowel een A-niveau als een B4-B5-niveau een optie. Voor een functie op A-niveau kom je in aanmerking als je in het bezit bent van een masterdiploma (d.w.z. een universitair diploma of diploma Hoger Onderwijs Lange Type (HOLT)2 of een gelijkwaardig diploma) dat bij werving toegang verleent tot niveau A. Of je kan via een bevorderingsproef overgaan naar een A-niveau. Dit kan vanuit een B-niveau, maar ook vanuit een C-niveau. Voor de invulling van deze functie zijn er uiteraard ongeacht het niveau, bepaalde leidinggevende capaciteiten vereist. Om vanuit een B-niveau naar een A-niveau over te gaan, moet je aan de volgende minimale voorwaarden voldoen: het bezit van een bachelordiploma (d.w.z. een diploma van het hoger onderwijs van het korte type (HOKT)3 of gelijkgesteld), een vaste benoeming op B-niveau, 4 jaar ervaring op B-niveau, een gunstige evaluatie en slagen in een bevorderingsproef. Om vanuit een C-niveau naar een A-niveau over te gaan, zijn er de volgende minimale voorwaarden: het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een vaste benoeming op C-niveau, 4 jaar ervaring op C-niveau, een gunstige evaluatie en slagen in een bevorderingsproef. Een functie op B4-B5-niveau, kan je, mits je een bachelordiploma bezit, via een aanwervingproef verwerven. Je moet dan wel aan volgende minimale voorwaarden voldoen: een B2-niveau, een aantal jaren ervaring op B-niveau, een gunstige evaluatie en slagen in de aanwervingsproef. Contractuele jeugdconsulenten kunnen dus ook op het B4-B5-niveau geraken, als zij aan de voorwaarden voldoen. Als je vastbenoemd bent, kan je via de bevorderingsprocedure opklimmen naar het B4-B5 niveau. Je moet ook dan aan volgende minimale voorwaarden voldoen: een aantal jaren ervaring op B-niveau, een gunstige evaluatie en slagen in een bevorderingsproef.

“ N a t u u r l i j k v o e l e n w i j o n s s o m s o n d e r g ew a a r d e e r d . J e k a n j e toch niet voorstellen dat een technisch diensthoofd of een milieuambten a a r o p C o f D n i v e a u a a n g e w o r v e n w o r d t ? Wa a r o m k a n d a t d a n we l b i j een jeugdbeleidscoördinator?”

[1] Wordt vervangen door ‘master’ vanaf 1 september 2004 (academiejaar 2004-2005) [2] Wordt vervangen door ‘bachelor’ vanaf 1 september 2004 (academiejaar 2004-2005)

10


Diensthoofd Niveau

Procedure

Toelatingsvoorwaarden

A

Aanwervingsprocedure

- masterdiploma (universitair diploma of HOLT diploma of gelijkwaardig) - slagen in een aanwervingproef

of Bevorderingsprocedure vanuit B-niveau

- vaste benoeming op B-niveau - bachelordiploma (HOKT diploma of gelijkwaardig) - gunstige evaluatie - 4 jaar ervaring (= anciënniteit) op B-niveau - slagen in een bevorderingsproef

of Bevorderingsprocedure vanuit C-niveau

- vaste benoeming op C-niveau - diploma secundair onderwijs - gunstige evaluatie - 4 jaar ervaring (= anciënniteit) op C-niveau - slagen in een bevorderingsproef

Aanwervingsprocedure vanuit B2

- bachelordiploma (HOKT diploma of gelijkwaardig) - 4 jaar ervaring op B-niveau - minimaal B2-niveau - gunstige evaluatie - slagen in een aanwervingproef

of Bevorderingsproef vanuit B2

- vaste benoeming op B-niveau - bachelordiploma (HOKT diploma of gelijkwaardig) - gunstige evaluatie - 4 jaar ervaring (=anciënniteit) op B-niveau - minimaal een B2-niveau - slagen in een bevorderingsproef

B4-B5

2.3 Als jeugdconsulent Voor de aanwerving van een jeugdconsulent opteren wij voor minimum een bachelordiploma (een diploma hoger onderwijs van het korte type (HOKT) of een daarmee gelijkgesteld diploma zoals bijvoorbeeld een kandidaatsdiploma) en liefst een richting menswetenschappen. Dit kan een pedagogische richting zijn, onderwijs of maatschappelijk werk. Bij een nieuwe aanwerving kan dit minimum niveau van inschaling worden vooropgesteld. Voor de jeugdconsulenten die echter reeds in dienst zijn, en waarvan een groot aantal onder hen (20%) werkt op C-niveau, is het functioneren op een hoger niveau enkel mogelijk indien hen de kans geboden wordt om door te groeien en via bevordering een hoger niveau te bereiken. 11


Je kan echter niet zomaar overgaan van een C-niveau naar een B-niveau. Een B-niveau is immers een niveau van deskundige. Een bevordering van een C-niveau naar een B-niveau kan dus enkel als de jeugdconsulent in kwestie een bachelordiploma bezit. Voor een C-niveau, dat een algemeen niveau is, is een diploma van het middelbaar of secundair onderwijs voldoende. De aanwerving gebeurt op het C1-niveau. Via anciënniteit, een gunstige evaluatie en vorming kan je opklimmen naar een C2 en C3-niveau. Om op te klimmen naar een C4-C5-niveau moet je een diploma hoger secundair onderwijs bezitten en zijn er specifieke voorwaarden in te vullen door de gemeenten. Aanvankelijk waren deze toelatingsvereisten erg strikt: met name, minimaal een vaste benoeming op C2-niveau, een aantal jaren ervaring op C-niveau, een gunstige evaluatie, een opleiding bestuurswetenschappen en slagen in een bevorderingsproef. Het sectoraal akkoord 20021 heeft de toelatingsvoorwaarden evenwel verruimd. Dit akkoord bepaalt immers dat om toegelaten te worden tot een functie op C4-C5-niveau, getuigschriften of attesten van bijkomende opleidingen die gelijkwaardig zijn aan de opleiding bestuurswetenschappen, eveneens in aanmerking komen, op voorwaarde dat ze inhoudelijk afgestemd zijn op de functie in kwestie. Het getuigschrift of brevet van de gespecialiseerde opleiding tot jeugdconsulent ingericht door de Vereniging van Vlaamse Jeugddiensten en Jeugdconsulenten (VVJ) i.s.m. de afdeling Jeugd en Sport, die gelijkwaardig is aan de opleiding bestuurswetenschappen, werd als dusdanig erkend. Veel jeugdconsulenten zijn echter contractueel en kunnen niet via een bevorderingsproef naar een C4-C5-niveau opklimmen. Met de toepassing van het sectoraal akkoord 2002 kunnen zij via een aanwervingsprocedure op de bevorderingsgraad C4-C5 worden aangeworven. Zij moeten dan aan gelijkaardige voorwaarden voldoen als voor de bevorderingsprocedure: namelijk tewerkgesteld zijn op minimaal een C2-niveau, een aantal jaren ervaring op een C-niveau, een gunstige evaluatie, een opleiding bestuurswetenschappen (of gelijkwaardig) en slagen in een aanwervingsproef.

[1] Op 30 november 2001 resulteerden de onderhandelingen tussen de Vlaamse regering en de representatieve vakorganisaties, in het comité C voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten , in een nieuw sectoraal akkoord voor het personeel van de lokale overheden voor het jaar 2002.

12


Jeugdconsulent Niveau

Procedure

Toelatingsvoorwaarden

B

Aanwervingsprocedure

- bachelor-diploma (HOKT diploma of gelijkwaardig) - slagen in een aanwervingsproef

C4-C5

Aanwervingsprocedure vanuit C2

- diploma van het secundair onderwijs - 4 jaar ervaring op C-niveau - minimaal C2-niveau - gunstige evaluatie - opleiding bestuurswetenschappen of gelijkwaardige opleiding ( zoals de opleiding jeugdconsulent van VVJ en AJS) - slagen in een aanwervingsproef

of Bevorderingsprocedure - vaste benoeming op C-niveau vanuit C2 - diploma van het secundair onderwijs - 4 jaar ervaring (= anciënniteit ) op C-niveau - minimaal C2-niveau - gunstige evaluatie - opleiding bestuurswetenschappen of gelijkwaardige opleiding ( zoals de opleiding jeugdconsulent van VVJ en AJS) - slagen in een bevorderingsproef Voor de gemeente is er in principe geen beperking van het aantal betrekkingen op een bepaald niveau. De gemeente moet enkel de financiële haalbaarheid kunnen aantonen en het mag niet strijdig zijn met de sectorale akkoorden. Daarnaast moet ze een organogram en een personeelsbehoeftenplan opmaken.

“ H i e r z i j n w e t ev r e d e n m e t d e w e d d e s c h a a l . I e d e r e e n we r k t b i j o n s o p B - n i v e a u . E e n A - n i v e a u c o ö r d i n a t o r h e b b e n we n i e t e n h e b b e n we o o k n i e t n o d i g . We z i j n e n k e l a a n d e s e c r e t a r i s v e r a n t w o o r d i n g v e r s c h u l d i g d . We v i n d e n h e t w e l b e l a n g r i j k d a t i e d e r e e n h i e r o p h e t z e l f d e n i v e a u we r k t . U i t e i n d e l i j k z i e n w e A - n i v e a u w e r k e r s a l s t o p f u n c t i e s , t e r w i j l b n i v e a u w e r k e r s e e r d e r “ s p e c i a l i s t e n ” z i j n , e n d a a r z i j n we t ev r e d e n m e e. We z i j n o o k n i e t z o v o o r d e p i r a m i d e - s t r u c t u u r v a n d e g e m i d d e l d e g e m e e n t e l i j k e ov e r h e i d t e v i n d e n . G e e f o n s m a a r e e n s p e c i a l i s t e n - d i e n s t , zonder controle van een diensthoofd en zonder c-niveau ondergeschikt e n .”

13


TAAK

-

BESCHRIJVING: DE BASISOPDRACHTEN VAN EEN GEMEENTELIJKE JEUGDDIENST

1


L E F A T S D U INHO

gddiens

ijke jeu meentel

t

atie en ge iding 1. Inle drachten van e ugdwerkbeleid spraak en particip p n je e in 2. De oontwikkelen van eeuleren van continuetwerken n 2.1 Het n en stim en sturen van erzorge v t van het n het e n H uleren e r im t e 2.2 s s , i n v ad en e creĂŤre 2.3 Het unen enj het vorm gevleid e t s r e d e on bi 3. Het eentebestuur lokaal jeugdb n gem en van ee verzicht o uitvoer h c s i t chema 4. Een s Notities

3


1. Inleiding De taakbeschrijving die in deze leidraad is opgenomen, is geen korset. De chronologie van de functies en de deelfuncties zegt niets over het belang ervan. Maar lopen zonder eerst te stappen, kan niet. Het is bijna onmogelijk om werk te maken van een breed jeugdbeleid als er niet al een stevige ondersteuning van het jeugdwerk bestaat of als er van een inspraakbeleid nog geen sprake is. Eerst bouwen aan een stevige basis en dan doorgroeien naar een breed jeugdbeleid, zou het streefdoel moeten zijn van de jeugddiensten. Een belangrijk fundament is zorgen voor ondersteuning van de jeugdwerkinitiatieven en de jeugdraad. Dit kan via het uitwerken en toepassen van subsidiereglementen, het opstellen en uitvoeren van een jeugdwerkbeleidsplan. Eens dit gegarandeerd is, kunnen er nieuwe taken opgenomen worden zodat de jeugddienst het aanspreekpunt kan worden voor alles wat kinderen en jongeren aanbelangt. Jeugddiensten zijn de spil bij het uitwerken van een breed, gecoördineerd jeugdbeleid. Maar om zo’n breed jeugdbeleid te realiseren, uit te bouwen en dit in de praktijk te laten werken, spelen lokale factoren een grote rol. Onder meer de grootte van de gemeente, de personeelsbezetting en de lokale specificiteit zijn heel sterk bepalend. Het zou kunnen dat er extra beschikbare uren moeten worden toegekend aan de jeugddienst, of dat er nieuw personeel moet worden aangeworven als er nieuwe taken worden opgenomen. Het is belangrijk om weten dat onderstaande taakbeschrijving op een theoretisch, abstract niveau gemaakt is. De invulling op lokaal vlak zal ongetwijfeld zeer gediversifieerd zijn. De visie van het gemeentebestuur bepaalt de mate waarin en het moment waarop er aan de invulling van een breed jeugdbeleid gewerkt kan worden. Daarom is het belangrijk dat elke gemeente en jeugddienst eerst voor zichzelf uitmaakt waar men zich bevindt op de ladder gaande van ondersteuning van de lokale jeugdwerkinitiatieven tot het voeren van een breed jeugdbeleid, om mogelijk van daaruit verder te groeien.

4


2. De Opdrachten van een gemeentelijke jeugddienst 2.1 Het ontwikkelen van een jeugdwerkbeleid 2.1.1 Het begeleiden en ondersteunen van particulier jeugdwerk De gemeente zal eerst en vooral de jeugdwer-

delijke secretariaten en federaties aan. Deze

kinitiatieven en de kinderen en jongeren onder-

koepelwerkingen kennen hun lokale vereni-

steunen door het uitwerken van een veelzijdig

gingen en proberen hen te bereiken en warm

ondersteuningspakket op financieel, materieel,

te maken voor hun aanbod. Maar het is met

logistiek en/of infrastructureel vlak. Hiervoor

diezelfde verenigingen dat ook de gemeente-

dient de jeugddienst te voorzien in duidelijke

lijke jeugddienst aan de slag gaat. Op die ma-

reglementen, overzichtelijke aanvraagformu-

nier ontstaat er dus een link tussen de lokale

lieren, enz. Waar nodig dient de jeugddienst

verenigingen, de koepels en de jeugddiensten.

de initiatieven ook administratief, juridisch en

Diverse initiatieven tonen aan dat de koepels

technisch bij te staan.

mede vragende partij zijn voor overleg en afstemming.

De inhoudelijke en organisatorische on-

Als jeugddienst moet je extra rekening hou-

dersteuning die de jeugddienst kinderen

den met die jeugdwerkinitiatieven, kinderen

en jongeren en het jeugdwerk biedt, vult het

en jongeren die geen aansluiting vinden bij

aanbod van de regionale, provinciale of lan-

koepelverenigingen. Zij dienen ruimer onder-

“ H e t i s w e l o n z e g e w o o n t e o m n i e u w e m e d ewe r k e r s e e n i n l o o p p e r i o d e t e g ev e n v i a k i n d e r o p v a n g , s p e e l p l e i n , j i p ’s e n a n d e r e p r o g r a m m a t i e - o p d r a c h t e n . O p d e z e m a n i e r h o ev e n z e z i c h n o g n i e t d i r e c t m e t d e b e l e i d s v o o r b e r e i d i n g b e z i g t e h o u d e n . We v e r w a c h t e n we l v a n h e n d a t z e na enige tijd een gedeelte van deze beleidsvoorbereiding op zich nemen. D e m e e s t e n i e u w e k r a c h t e n k o m e n o o k u i t h e t j e u g d we r k , d e z e p r o g r a m m a t o r i s c h e z a k e n l i g g e n h e n d a n o o k n a u w a a n h e t h a r t .” steund te worden door de gemeente. Hiervoor

Ook het vrijwilligerswerk moet aangemoe-

kan de gemeentelijke jeugddienst een beroep

digd en gemakkelijker gemaakt worden door

doen op allerhande gespecialiseerde organi-

de jeugddienst. Het stimuleren van de diver-

saties.

siteit en toegankelijkheid van het jeugdwerk, behoort eveneens tot het takenpakket van de 5


jeugddienst, net zoals het aanmoedigen en on-

het is belangrijk dat deze altijd mee gedragen

dersteunen van nieuwe werkvormen, initiatie-

worden door de verenigingen waarvoor ze be-

ven en verenigingen.

doeld zijn.

Andere ondersteunende taken van de gemeen-

Belangrijk is dat de jeugddienstmedewerkers

telijke jeugddienst zijn het verstrekken van

zo goed mogelijk op de hoogte zijn van het

informatie en het verzorgen van een vlotte

aanbod en de werking van de verschillende or-

communicatie met de verschillende jeugdwer-

ganisaties en, indien nodig, de overkoepelende

kinitiatieven.

structuren informeert van mogelijke problemen bij lokale werkingen. Op die manier kan

Welk initiatieven of ondersteuningsmaatrege-

er een vlotte samenwerking tot stand komen

len ook worden opgezet vanuit de gemeente,

op het vlak van ondersteuning.

2.1.2 Het opzetten van gemeentelijke jeugdwerkinitiatieven, aanvullend op de particuliere jeugdwerkinitiatieven De jeugddienst kan, in aanvulling op het be-

voorwaarden te scheppen. Zo kan de gemeente

staande particuliere jeugdwerk, en in opdracht

bv. ook beslissen om een beroepskracht in een

van het gemeentebestuur, ook zelf gemeen-

bestaande vereniging te subsidiëren en deze

telijke jeugdwerkinitiatieven opzetten. Als

vereniging zo te versterken. Wanneer effectief

het duidelijk is dat er in de gemeente veel kin-

geen enkel initiatief bereid gevonden wordt

deren en jongeren zijn die niet vinden wat ze

om zijn werking in die zin uit te breiden, dan

zoeken binnen het bestaande jeugdwerk, dan

moet de gemeente bekijken of ze zelf aan de

kan de jeugddienst zelf een dynamiek op gang

vraag kan tegemoetkomen. Het particuliere

brengen die de gaten in het aanbod opvult.

jeugdwerk wordt, als het kan, best zoveel mogelijk betrokken bij de start en werking van

“Het gemeentebestuur bekijkt me nog iets te vaak als de afgev aardigde v anuit het jeugdwerk. Ik merk dat men mij niet ziet als een ambtenaar in dienst van de gemeente maar eerder als een ombudsdienst v a n h e t j e u g d w e r k .” De jeugddienst zal eerst en vooral de opdracht

het gemeentelijk initiatief. Mogelijk kan het

krijgen te onderzoeken of de bestaande jeugd-

gemeentelijk initiatief zo in de loop van de

werkinitiatieven de vastgestelde lacunes wil-

jaren toch verzelfstandigen en wordt het een

len en kunnen invullen. Het gemeentebestuur

jeugdwerkinitiatief in de pure betekenis van

kan hen hiertoe aanmoedigen door (financi-

het woord: voor en door kinderen en jongeren.

ele) impulsen te geven, of door faciliterende

De hoofdmoot van de bestaande gemeente-

6


lijke initiatieven situeert zich momenteel in de

● Werksoort: niet alle mogelijke jeugdwerk-

vakantieperiodes. Het gaat vooral om speel-

vormen zijn aanwezig. Ook het opzetten van

plein- en grabbelpaswerkingen.

nieuwe types kan als complementair gezien worden;

Met andere woorden: omwille van zijn peda-

● Plaats: niet in alle buurten zijn jeugdver-

gogische waarden of de draagkracht van de

enigingen actief;

initiatieven, kan de jeugdwerkmethodiek ook

● Tijd: jeugdverenigingen ageren , vooral

door het gemeentebestuur aangewend worden

omwille van het vrijwillig engagement, vaak

wanneer er buiten het aanbod van particuliere

maar binnen een beperkt tijdsbestek. Buiten

organisaties (incl. jeugdverenigingen) op lo-

dit tijdsbestek is er misschien nog vraag van

kaal niveau nog leemtes zijn in het vrijetijds-

kinderen en jongeren naar een ander jeugd-

aanbod voor kinderen en jongeren1. Dit kan te

werkinitiatief;

maken hebben met:

● Doelgroep: wanneer bepaalde doelgroepen extra aandacht verdienen, kan de gemeente beslissen om hiervoor zelf doelgroepgerichte initiatieven op te zetten. Voorwaarde blijft het voorafgaandelijk overleg met het jeugdwerk.

2.2 Het verzorgen en stimuleren van continue inspraak en participatie 2.2.1 De ondersteuning van de gemeentelijke jeugdraad Een goede jeugddienst is begaan met de

Volgens het decreet van 14 februari 2003

werking van de gemeentelijke jeugdraad.

(art. 11, §1, 1°), moet de jeugddienst er op

Wanneer dit nodig is, zorgt de jeugddienst er-

toezien dat de jeugdraad op de juiste manier

voor dat een jeugdraad wordt opgestart. Vaak

is samengesteld. Er kunnen namelijk zowel

is de jeugddienst de voortrekker, een stuk de

jeugdwerkinitiatieven als individuele jonge-

bezieler van de jeugdraad.

ren worden opgenomen in de algemene ver-

De jeugddienst kan heel nuttige inhoudelijke

gadering. Verder wijst het gemeentebestuur

bijdragen leveren en de discussies stofferen.

meestal een jeugddienstmedewerker aan als

De jeugddienst motiveert de jeugdraadsleden

secretaris van de jeugdraad. De secretaris

en maakt nieuwkomers wegwijs in de werking.

maakt het verslag, stuurt het door naar alle

De jeugddienst geeft aan wat het belang is van

leden van de jeugdraad, stelt de agenda op

het geven van adviezen aan het gemeentebe-

samen met de voorzitter of het dagelijks be-

stuur.

stuur van de jeugdraad, maakt en bezorgt de uitnodigingen.

[1] Kaï Van Nieuwenhove: ‘Personeel op gemeentelijke jeugddiensten en in het lokale particuliere jeugdwerk’, een exploratief onderzoek van VVJ, Wilrijk, 2004, pp. 15-16

7


2.2.2 Het organiseren en stimuleren van een permanente inspraak en participatie. Ook in andere beleidssectoren inspraak stimuleren In het decreet gemeentelijk en provinciaal

bijhorend trapveld. Ook dossiers waarin het

jeugd- en jeugdwerkbeleid wordt gevraagd dat

label jeugd minder opvalt, komen hier aan bod:

kinderen en jongeren tenminste participeren

de inrichting van een straat, een sluitingsuur

aan het opmaken, uitvoeren en evalueren van

tijdens de 100-dagenviering, nachtbussen tij-

het jeugdwerkbeleidsplan en de bijhorende

dens fuifweekends, … De jeugddienst legt de

jaarplannen en werkingsverslagen. Dat is al

creativiteit aan de dag om iedereen op zijn of

heel wat. Bij een goed planningsproces moet

haar maat te betrekken.

voortdurend aandacht worden besteed aan de doelstellingen en acties die al bestaan, maar

Niet alleen is er permanent inspraak doorheen

ook aan nieuwe behoeften die de kop op ste-

de uitvoering van het plan, maar de inspraak

ken.

is ook ‘ruim’ in die zin dat ze verder gaat dan

Daarvoor is regelmatig overleg met de

wat in het jeugdwerkbeleidsplan beschreven

jeugdraad, het jeugdwerk, kinderen en jonge-

staat. De adviezen van de jeugdraad kunnen

ren nodig. Dit hoeft niet altijd via een vergade-

over veel meer gaan dan jeugdwerkaangele-

ring of via een brief te gebeuren. Contacten bij

genheden. De jeugdraad mag over álle maat-

een bezoek aan de jeugddienst, op een fuif of

regelen die kinderen en jongeren aanbelangen,

een eetfestijn zijn zeker even belangrijk.

advies uitbrengen. De jeugd wordt ook steeds

Driejaarlijkse, groots opgezette inspraakeve-

mondiger en heeft vaak een zeer gefundeerde

nementen voor een nieuw planningsjaar vor-

en uitgesproken mening over alles waar zij

men een interessante aanvulling op die per-

direct bij betrokken is (de heraanleg van een

manente en informele inspraak.

straat of speelplein, de inplanting van een fuifzaal, het gemeentelijke mobiliteitsplan, de

Kinderen, jongeren en jeugdwerk moeten vol-

groene leefomgeving, …).

gens het decreet ook betrokken worden bij

De jeugdconsulent is hiermee bezig! Hij/zij

de uitvoering van het jeugdwerkbeleidsplan.

maakt kinderen, jongeren en het jeugdwerk

Daarin staan veel concrete acties. Bij elk van

attent op belangrijke bewegingen binnen an-

die acties is het een belangrijk aandachtspunt

dere domeinen. Ook kunnen collega’s binnen

voor de jeugddienst (en de schepen voor jeugd)

andere beleidsdomeinen van de gemeente op

om kinderen, jongeren en het jeugdwerk te

vragen, bedenkingen en/of voorstellen van kin-

betrekken. Die inspraak, die voor hen (bijna)

deren, jongeren en het jeugdwerk worden ge-

tastbare gevolgen heeft, smaken ze het best:

wezen. Een jeugdconsulent confronteert dus

van het reglement ‘subsidies voor het jeugd-

zijn collega’s voortdurend met die kinderen,

werk’, over de bouw van het nieuwe jeugdhuis,

jongeren en jeugdwerkers.

tot de aanleg van het nieuwe speelplein met 8


2.2.3 Het terugkoppelen van beslissingen van het gemeentebestuur aan de kinderen, jongeren en het jeugdwerk en vice versa Inspraak wordt pas samenspraak als kinde-

ties en noden vanuit kinderen, jongeren en het

ren en jongeren, het jeugdwerk en de jeugdraad

jeugdwerk naar het gemeentebestuur. Op die

ook te horen krijgen wat er met hun adviezen

manier blijft ook het gemeentebestuur op de

gebeurd is, en of hun vragen gehoord zijn. De

hoogte van wat er bij het jonge publiek binnen

jeugddienst kan dus samen met de schepen

de gemeente leeft.

voor jeugd best de taak op zich nemen dat op elke vraag een antwoord gegeven wordt.

Natuurlijk gaat participatie onlosmakelijk

Om zijn keuzes te motiveren is het belangrijk

samen met een goed informatiebeleid. Wil

dat het college van burgemeester en sche-

men meer kinderen en jongeren betrekken

penen zelf dit antwoord ter harte neemt. Zo

bij beslissingen van het gemeentebestuur, dan

wordt dan duidelijk aangegeven waarom het

moet de communicatie goed verzorgd worden.

gemeentebestuur het voorstel of de vraag al

Vanuit de gemeente moet de juiste informatie

dan niet opneemt.

goed overgebracht worden, maar anderzijds

Omgekeerd speelt de jeugddienst ook de an-

moet er ook aandacht zijn voor de individuele

dere rol, namelijk boodschapper van sugges-

informatievragen van elk kind.

2.3 Het creĂŤren, stimuleren en sturen van netwerken 2.3.1 Netwerken om de ontplooiing van kinderen en jongeren in hun vrije tijd met zijn allen vorm te geven en op elkaar af te stemmen Een jeugddienst staat er binnen een gemeente

volledige aanbod, dus ook over vrijetijdsbe-

niet alleen voor om de tijd van kinderen en

steding buiten het jeugdwerk. Een goede sa-

jongeren een zinvolle invulling te geven. Ook

menwerking met de informatieambtenaar van

kinderopvang, sportdiensten, cultuurdiensten

de gemeente is in dit verband aangewezen.

en dergelijke hebben een aanbod waar kinde-

Belangrijk is om als jeugddienst constant de

ren en jongeren in hun vrije tijd aan kunnen

voelsprieten uit te zetten en de nodige contac-

deelnemen. Het is aan te raden dat de jeugd-

ten te onderhouden met al deze verschillende

dienst dit volledige aanbod voor kinderen

actoren en diensten.

en jongeren kent en dit ook in kaart brengt. Op die manier is de jeugddienst in staat om

Netwerken bestaan in verschillende vormen.

kinderen en jongeren, of hun ouders, die met

Om als jeugddienst steeds in het belang van

vragen omtrent het invullen van hun vrije tijd

kinderen en jongeren te kunnen handelen, is

bij hen aankloppen, te informeren over het

het nodig om verder dan de eigen interne keu9


ken te kijken. Oudercomité’s, sportclubs, … de

wat er binnen de gemeente gebeurt, en hoe de

jeugdwerkinitiatieven onderling, moeten aan-

verschillende initiatieven elkaar kunnen on-

gemoedigd worden om netwerken te vormen

dersteunen om het aanbod naar kinderen en

en hun werking op bepaalde punten op elkaar

jongeren zo ruim mogelijk te maken.

af te stemmen. Het is belangrijk om te weten

2.3.2 Netwerken om al de aspecten van het jeugdbeleid op elkaar af te stemmen Netwerken kunnen ook ontstaan tussen ver-

resultaten om te zetten. Dit kan in het kader

schillende administratieve diensten op lo-

van de driejaarlijkse jeugdwerkbeleidsplan-

kaal niveau. Hier zou men dus kunnen spreken

ning. Uiteindelijk moet elke sector voor zich

van ‘administratieve netwerken’. De sport-

een doelgroepenbeleid voor kinderen en jon-

dienst, de cultuurdienst, de dienst ruimtelijke

geren uittekenen. De jeugddienst kan dit sti-

ordening, de dienst onderwijs, … ondernemen

muleren en voeden.

dingen die invloed hebben op de kinderen en jongeren en het jeugdwerk. Als jeugddienst

Natuurlijk hoeft de jeugddienst zich niet en-

hierin meestappen, de andere diensten laten

kel op het lokale niveau te richten. Het kan

participeren bij de eigen werkzaamheden en

het realiseren van een jeugdbeleid zeker ten

de belangen en behoeften van kinderen en

goede komen als de jeugddienst eventjes over

jongeren verdedigen binnen de andere lokale

de muurtjes van de eigen gemeente kijkt en

diensten, verbreedt de aandacht voor deze

ook ziet wat er bovenlokaal en op Vlaams

groep. Al deze vormen kan men onder de noe-

niveau allemaal gebeurt. Om dit een formele

mer ‘horizontale netwerkvorming’ plaatsen.

structuur te geven, kunnen er ‘verticale net-

Een tweerichtingsverkeer is in dit verband on-

werken’ opgezet worden. Dit kan op interge-

ontbeerlijk.

meentelijk niveau met andere jeugddiensten,

De gedachte dat een jeugddienst netwerken

met de provinciale jeugddiensten, met de VVJ

kan uitbouwen binnen alle mogelijke terrei-

of de Vlaamse overheid. Hierbij slaat ‘verti-

nen waar kinderen en jongeren een rol kunnen

caal’ niet op het feit dat het ene niveau hoger

spelen, is echter utopisch. Het gemeentebe-

geplaatst is dan het andere. Met ‘verticaal’

stuur zal bepaalde beleidslijnen uittekenen en

willen we hier eerder zeggen dat elk niveau,

binnen deze lijnen zal de jeugddienst, of een

door het territoriale verschil, zijn eigenheid

andere dienst, netwerken moeten uitbouwen

heeft en van daaruit probeert een goed onder-

teneinde de beleidslijnen in concrete acties en

bouwd jeugdbeleid op te zetten.

10


3. Het ondersteunen en adviseren van het

gemeentebestuur bij het vorm geven en het uitvoeren van een lokaal jeugdbeleid

Veel minder zichtbaar voor kinderen en jon-

● De jeugddienst bereidt voor, vooral door het

geren is de uitvoerende en raadgevende

verzamelen van gegevens bij collega’s van de

rol van de jeugddienst ten opzichte van de

gemeentelijke administratie en bij de mensen

schepen voor Jeugd en het gemeentebestuur.

van het jeugdwerk

De collegenota’s worden door de jeugddienst

● De jeugdconsulent is samen met de sche-

voorbereid, informatie voor antwoorden op

pen, de coach van de ploeg (stuurgroep) die

vragen in de gemeenteraad wordt vanuit de

dit allemaal tot een goed einde moet brengen.

jeugddienst aangeleverd, advies over het te

● De jeugdconsulent houdt de agenda bij,

voeren beleid wordt gegeven.

brengt mensen samen, motiveert, probeert een

Dit is een moeilijke positie voor de jeugddienst.

antwoord te vinden op prangende vragen.

De personeelsleden pleiten voor de jeugd en

● De jeugdconsulent is de specialist. Hij/zij

het jeugdwerk, maar moeten ook trouw zijn

brengt nieuwe inhoudelijke inzichten aan, kent

aan het gemeentebestuur.

recente publicaties, is op de hoogte van de bestaande regelgeving.

Op de jeugddienst is men tevens het meest

● De jeugddienst schrijft. Een groot deel van

bezig met de financiële middelen die voorzien

het plan zal op de jeugddienst neergepend

worden voor jeugd. De jeugdconsulent onder-

worden. Beleidsdocumenten schrijven die ge-

handelt samen met de schepen voor jeugd en

bruiksvriendelijk en begrijpbaar zijn, is hierbij

de schepen van financiën over de jeugdbe-

de uitdaging.

groting, of levert de input voor deze onder-

● De jeugddienst voert uit, of neemt initiatie-

handelingen. Eens die begroting opgesteld is,

ven en volgt de uitvoering op.

volgt de jeugddienst de begroting op, en waakt erover dat alle uitgaven binnen de krijtlijnen

Aan te raden is om de gemeentelijke jeugd-

van de begroting ingepast worden.

dienst het secretariaat van de eventuele stuurgroep voor het jeugdwerkbeleidsplan te laten

Samen met de schepen voor Jeugd is de

opnemen. Maar er wordt méér van de jeugd-

jeugdconsulent de spilfiguur en eindverant-

dienst verwacht. De jeugddienst speelt een

woordelijke voor het maken van het jeugd-

enorm belangrijke rol in het begeleiden van

werkbeleidsplan, de jaarplannen en wer-

het ‘communicatief planningsproces’ of

kingsverslagen.

het opstellen van een plan in overleg met al

11


wie een rol speelt in het betrokken domein. En

van de drie grote opdrachten. Ook in het

ervaring leert dat het initiatief tot uitvoering

jeugdwerkbeleidsplan gaat het immers over

van het jeugdwerkbeleidsplan ook grotendeels

het zorgen voor een jeugdwerkaanbod, het

moet opgenomen worden door de jeugddienst.

begeleiden van de participatie en het vormen

Maar daarmee zitten we weer in het verhaal

van netwerken.

“De jeugdconsulent mag nooit vergeten dat hij in opdracht we r k t v a n d e g e m e e n t e e n d a t h e t j e u g d b e l e i d d o o r d e g e m e e n t e w o r d t bepaald en dat hij dat moet uitvoeren. Hij kan daar zelf een bepaalde rol in gaan spelen, maar uiteindelijk mag hij nooit vergeten dat hij uitvoerend bezig is en in functie van... Hij mag nooit de solotoer opgaan, maar dat wil niet zeggen dat hij niet voor zijn eigen mening mag uitkomen en dat hij er geen eigen mening mag op nahouden. Maar dat blijft subtiel w a n d e l e n o p e e n s l a p p e k o o r d .�

NOTITIES

12


4. Een schematisch overzicht

Taken:

Voorbeelden:

Het ondersteunen en adviseren van het gemeentebestuur bij het vorm geven en het uitvoeren van een lokaal jeugdbeleid

Ontwikkelen van een jeugdwerkbeleid

begeleiden en ondersteunen van particulier jeugdwerk

subsidies dienstverlening begeleiding lokalenbeleid

opzetten eigen gemeentelijke jeugdwerkinitiatieven - complementair Verzorgen en Ondersteuning van gestimuleren van meentelijke jeugdraad continue inspraak en participatie Organiseren en stimuleren van permanente inspraak en participatie

Grabbel- en swappas speelpleinwerking Gemeentelijk jeugdcentrum Verslaggeving / agenda samenstellen vb. Nieuwe thema’s, onderwerpen aanbrengen Opzetten van inspraakmomenten Regelmatig overleg met jeugdraad Aanwezig zijn in het jeugdhuis

Terugkoppelen van beslissingen van het gemeentebestuur aan de doelgroep Het creĂŤren, stim- Netwerken om de ontuleren en sturen plooiing van kinderen en van netwerken jongeren in hun vrije tijd met zijn allen vorm te geven en op elkaar af te stemmen

Jeugd op de hoogte brengen van genomen beslissingen Bestuur informeren over wensen en noden van de doelgroep Gezamenlijke activiteit met cultuurdienst Samenwerken met informatieambtenaar Jeugdwerkinitiatieven stimuleren tot samenwerking

dienst RO betrekken bij opstellen Netwerken om al de aspecten van het jeugdbeleid JRP, op elkaar af te stemmen Jeugddienst wordt betrokken bij opstellen beleidsplan buitenschoolse kinderopvang Deelnemen activiteiten VVJ - AJS

13


JEUGDCONSULENT

GEZOCHT PROFIEL VAN EEN JEUGDCONSULENT

1


L E F A T S D U INHO ing jking 1. Inleid gripsverduideli n e tte 2. Een b chillende face lent kennen? rs su nt? ugdcon 3. De ve dconsule et een je jeug t mo eft een 3.1 Wa e h g en? in r nt kunn e erva le u lk s e n W o c 3.2 n jeugd ijk? moet ee t a W belangr n ij 3.3 z s e d e attitu ure 3.4 Welk sproced

erving

nw 4. De aa

t

sulen wet? ugdcon zegt de je t e a d W r 4.1 t dit voo n beteken t a W rbeelde 4.2

voo

praktijk 5. Twee Notities

3


1. Inleiding De gemeentelijke jeugddienst bestaat natuurlijk maar als er ook (een) mens(en) de dienst beman(t)nen. Het moet duidelijk zijn dat er nood is aan minstens één beroepskracht die instaat voor de uitbouw van de werking, een ambtenaar die de opdracht krijgt om de geschetste opdrachten concreet uit te voeren: een jeugdconsulent. Zoals blijkt uit de bundel ‘Taakbeschrijving’ een veelomvattende taak. In kleine gemeenten zal men een heuse ‘omnipracticus’, een veelzijdige duizendpoot nodig hebben; in de grotere gemeenten kan men de taken opsplitsen over verschillende soorten mensen, elk op hun beurt verantwoordelijk voor een bepaalde deeltaak. Het moet duidelijk zijn dat onderstaand profiel niet voor alle soorten medewerkers hoeft te gelden, maar dat best wel alle eigenschappen aanwezig zijn op de jeugddienst. Zeker in grote gemeenten mag je niet verwachten dat één persoon alles kan en doet. Hoe herken je een jeugdconsulent? Hij/zij is weer net een beetje anders dan zijn collega-ambtenaren. Hij/zij kan soepel inspelen op allerlei vragen en omstandigheden die het jonge volkje bezighouden, hij/zij is vertrouwd met het jeugdwerk en hanteert een grote openheid naar kinderen en jongeren. Anderzijds gaat het toch om ambtenaren, die hun weg kennen in het ambtelijk apparaat. Omwille van zijn/haar opdracht staat de jeugdconsulent in het spanningsveld tussen bestuur en jeugdwerk. Zijn/haar opdrachtgever en werkgever is de gemeentelijke overheid. Anderzijds moet hij/zij het jeugdwerk en de jeugdraad ondersteunen, adviezen en signalen vertalen en er mee voor zorgen dat ze op de beleidstafel komen, ook al zijn ze niet altijd lovend voor het beleid. Feit is dat als een gemeente start met een jeugddienst en een jeugdconsulent wil aanwerven, men vooraf goed moet doorpraten wat men van die functie verwacht. Onderstaand profiel kan alvast heel wat inspiratie bieden.

4


2. Een begripsverduidelijking Een gemeentelijke jeugdconsulent: een

als de dienst cultuur of welzijn. De jeugddienst

personeelslid in dienst van een gemeentebe-

kan dus een eenmansdienst zijn of bestaan uit

stuur, belast met een inhoudelijke verantwoor-

meerdere personen. Indien geïntegreerd in een

delijkheid voor het gemeentelijk jeugdbeleid

ruimere dienst zal de jeugdconsulent voor heel

als geheel of een specifiek deel ervan. Een

wat diensten beroep kunnen doen op collega’s,

gemeentebestuur kan verschillende jeugdcon-

bv. voor administratieve ondersteuning.

sulenten te werk stellen: de jeugdconsulent is niet steeds het diensthoofd van de jeugddienst.

Een gemeentelijk ambtenaar belast met

De jeugdconsulent kan in verschillende statu-

o.a. jeugdbeleid: een ambtenaar die belast

ten of contracten tewerkgesteld zijn.

is met een waaier van opdrachten, waaronder het jeugdbeleid. Hiervoor gebruikt men ook

Een gemeentelijke jeugddienst: hiermee

het begrip ‘combinatieambtenaar’. Anderzijds

wordt de werkomgeving van de gemeentelijke

zijn ook combinaties van functies mogelijk:

jeugdconsulent bedoeld. Er kan een aparte

bv. iemand is deeltijds jeugdconsulent en com-

jeugddienst in het organogram van de gemeen-

bineert dit met de functie van cultuurbeleids-

te voorzien zijn, maar de jeugdconsulent kan

coördinator of sportfunctionaris.

ook geïntegreerd zijn in een ruimere dienst zo-

5


3. De verschillende facetten 3.1 Wat moet een jeugdconsulent kennen? De jeugdconsulent kent:

van de cultuurpactwetgeving, het decreet op

● de werking van de gemeente en weet hoe

het lokale cultuur- en jeugd(werk)beleid, het

het beleid er tot stand komt. Hij/zij heeft in-

decreet toerisme voor allen,...

zicht in de gemeentelijke structuur en moet

● de belangrijkste partners in het jeugd-

zich de manier van werken van de gemeente

landschap zoals jeugdverenigingen, gemeen-

eigen maken. Hij/zij kent de basisprincipes

telijk jeugdwerk, de jeugdraad, regionaal, pro-

van de gemeentewet en het overheidsbeleid

vinciaal of landelijk georganiseerd jeugdwerk,

zoals de regelgeving rond openbaarheid van

de jeugdzorg, de jeugdhulpverlening, …

bestuur, begrotingsrichtlijnen, de wet op de

● de ‘jeugd’, jeugdcultuur, het jeugdwerk, het

overheidsopdrachten, e.d.

welzijnsbeleid en de vrijetijdsbesteding en kan

● de wetgeving over en voor jeugd, jeugd-

zich hierover een beeld vormen door litera-

beleid en cultuurbeleid. Dit gaat over noties

tuur te verzamelen en te lezen.

“ H e t o p v o l g e n v a n d e w e t g ev i n g i s e e n i m m e n s e t a a k v a n d e j e u g d d i e n s t . E r k o m e n w e k e l i j k s n i e u w e a d m i n i s t r a t i ev e l a s t e n e n / o f we t t e n e n d e c r e t e n o p o n s a f, d a t a l l e m a a l p r o b e r e n b i j t e h o u d e n i s n i e t ev i d e n t .”

3.2 Welke ervaring heeft een jeugdconsulent? De jeugdconsulent heeft bij voorkeur: ● praktijkervaring opgedaan in het jeugdwerk. ● kennis van en ervaring met het gemeentelijk jeugd(werk)beleid. ● enige ervaring met jeugdbeleid.

3.3 Wat moet een jeugdconsulent kunnen? De jeugdconsulent kan:

collega’s, het andere gemeentepersoneel en

● schriftelijk en mondeling communiceren,

de beleidsverantwoordelijken (burgemeester,

zowel met de doelgroep(en) (kinderen en

schepenen, …).

jongeren, het jeugdwerk, ouders, …) als met

● goed met groepen omgaan (vergadertech-

6


nieken, procesbegeleiding…).

jeugdbeleid vertalen voor kinderen en jonge-

● werken in een team van zeer verschillende

ren en hun ideeën een administratieve vorm

mensen, beroepskrachten én vrijwilligers.

geven.

● klanken, ervaringen, oplossingen en keuzes

● zelf zijn werk plannen, hierbij rekening

juist, neutraal en duidelijk verwoorden.

houdend met drukke en minder drukke perio-

● de weg vinden in documenten en admini-

des (schoolvakanties, planningsperiodes, …).

stratie én kan taalgebruik aanpassen om dos-

● strategisch denken en handelen in termen

siers samen te stellen.

van doelen, middelen, timing en evaluatie.

● termen en begrippen uit het gemeente- en

“Ik doe mijn job heel graag, vooral omwille van de vele cont acten met de jeugd en het jeugdwerk. Ze waarderen het dat je er voor hen bent en je bent vaak de eerste aanspreekpersoon als er zich een probleem a a n d i e n t .”

3.4 Welke attitudes zijn belangrijk? De jeugdconsulent:

positief ‘aan te steken’.

● toont interesse en ontwikkelt een visie

● gelooft in de sterkte van het jeugdwerk en

omtrent jeugd en jeugdbeleid. Het is belang-

de kracht en mogelijkheden van jonge mensen.

rijk dat de jeugdconsulent weet wat er leeft in

Hij/zij is bereid om mensen positief aan te

zijn gemeente, maar om een degelijk jeugdbe-

steken.

leid mee vorm te geven is het evenzeer belang-

● heeft zin voor initiatief en doorzettings-

rijk dat hij/zij op de hoogte blijft van nieuwe

vermogen. Hij/zij is creatief en kan snel

tendensen en ontwikkelingen op het vlak van

nieuwe oplossingen bedenken voor gerezen

jeugdbeleid. Het op de voet volgen van vakli-

problemen. De jeugdconsulent ontwikkelt en

teratuur en het lopende wetenschappelijk on-

lanceert een frisse beleidsaanpak.

derzoek is een must.

● is participatief ingesteld. Hij/zij bezit de

● is enthousiast en toont betrokkenheid bij

reflex om zijn oor te luisteren te leggen bij

het ontwikkelen en voeren van een jeugdbe-

alle actoren en is bereid om genomen beslis-

leid. Hij/zij beschikt over de nodige energie,

singen steeds te kunnen verantwoorden en te-

het juiste inzicht en de goede aanpak om col-

rug te koppelen naar de doelgroep.

lega’s en beleidsmakers met zijn overtuiging

● getuigt van een grote mobiliteit en flexi7


biliteit. Het jeugdwerk op lokaal niveau kri-

om hun noden en behoeften aan te kaarten en

oelt, bloeit en broeit immers van de vrijwillige

te bepleiten bij de overheid. Anderzijds zet de

activiteit. Dit is vaak ook buiten de normale

gemeente hem/haar in om haar overwegingen

diensturen en op uiteenlopende locaties.

en keuzes uit te leggen en te duiden aan de

● heeft een kritische ingesteldheid. Hij/

jeugdraad en de jeugd in het algemeen. Dit

zij kan de verschillende meningen van jeugd,

veronderstelt dus een open, eerlijke en duide-

jeudwerk en gemeentebestuur in een juist per-

lijke communicatie en een goede mix van be-

spectief zetten. Hij durft ingaan tegen gang-

trokkenheid en professionele afstand.

bare opinies, zeker als jongeren al te gemak-

● is gericht op samenwerking, samenspraak

kelijk als probleemgroep worden voorgesteld.

en overleg. Een goed ondersteund jeugdbeleid

Hij/zij kan en durft ook zijn eigen mening te

komt er pas als er afstemming is van verschil-

formuleren.

lende sectoren en verschillende overheden.

● stelt zich op als bemiddelaar voor jeugd en

Daarom is het nodig dat de jeugddienst de

jeugdwerk. Hij/zij stelt zich ten dienste van de

troeven van andere diensten kent en deze pro-

doelgroep en neemt de juiste attitude aan bij

beert te integreren in het lokale jeugdbeleid.

conflicten tussen doelgroepen en opdrachtge-

Een goede onderhandelaar en teamplayer kan

vers. Eén van de uitdagingen voor de jeugd-

dit realiseren.

consulent is om met uiteenlopende publieks-

● is bereid zich permanent bij te scholen

groepen een bevoorrechte en vertrouwensvolle

door het volgen van cursussen en vormingen

relatie op te bouwen. Langs de ene kant re-

om nieuwe inzichten op te doen en de kennis

kenen jongeren en jeugdwerkers op hem/haar,

over het werkterrein uit te breiden.

“ Z i j n r o l i s n i e t g e m a k k e l i j k , h i j i s e e n s o o r t b e m i d d e l a a r, e e n k a t a l y s a t o r, e e n b i n d m i d d e l , e e n b e e t j e v a n a l l e s . . . . D e j e u g d c o n s u l e n t doet heel wat achter de schermen. ... Het zou niet altijd in dank afgenom e n w o r d e n a l s h i j t ev e e l o p d e v o o r g r o n d z o u t r e d e n . D a t i s k we s t i e v a n de zaak diplomatisch aan te pakken. Het is nog altijd zo dat de schepen graag de pluimen op zijn hoed steekt en als jeugdconsulent moet je dat e r k e n n e n e n d a a r h a n d i g g e b r u i k v a n m a k e n .”

8


4. De aanwervingsprocedure 4.1 Wat zegt de wet? In het sectoraal akkoord 1999-2001 werden

Conform de decretale regeling kunnen de lo-

de aanwervingen en bevorderingen geobjecti-

kale overheden voor hun selectie een beroep

veerd.

doen op een erkend selectiebureau (in het bij-

Dit werd mede gerealiseerd door:

zonder voor het psychotechnisch gedeelte).

● Het opleggen van een minimum aantal al-

Raadsleden of leden van het uitvoerend col-

gemene vereisten per niveau.

lege van het betrokken gemeente-, OCMW-,

● Het beschikken over een functiebeschrij-

of provinciebestuur kunnen het examen als

ving met profiel en takenpakket, benoemings-

waarnemer bijwonen. Zij nemen niet deel aan

en bevorderingsvoorwaarden voor de vacante

de beoordeling en de deliberatie. Dit geldt

betrekking.

eveneens voor de syndicale afgevaardigden.

● Het vaststellen van selectiecriteria aansluitend bij de functiebeschrijving.

Benoemingen in vast verband:

● Het vaststellen van een selectieprocedure.

Tot vaste benoeming (in om het even welk ni-

In de selectieprocedure kan een variëteit aan

veau) kan slechts worden overgegaan na het

selectietechnieken aan bod komen, die toela-

doorlopen van een stage- of proefperiode van

ten functiegerichte kennis, vaardigheden en

minimum 6 maand tot maximum 1 jaar en

attitudes te toetsen.

mits een gunstige evaluatie wordt bekomen.

● De selectie gebeurt door een selectiecom-

De proefperiode kan slechts éénmaal met de-

missie. Deze selectiecommissie bestaat uit

zelfde periode worden verlengd. Een tweede

deskundigen waarvan minstens 50% extern is

negatieve evaluatie geeft aanleiding tot ont-

aan het bestuur, behalve wanneer de gemeen-

slag.

teraad op basis van een gemotiveerde verantwoording die verband houdt met de specifici-

De aanwerving en eventuele benoeming moet

teit van de te begeven betrekking beslist van

gebeuren door de gemeenteraad.

deze laatste regel af te wijken.

9


4.2 Wat betekent dit voor de jeugdconsulent? ● De algemene vereisten per niveau zijn

fictieve case uit het werk wordt voorge-

gelijklopend voor alle functies binnen het ge-

steld en de kandidaat wordt gevraagd

meentebestuur die op hetzelfde niveau worden

weer te geven op welke wijze hij op deze

aangeworven. Indien men de jeugdconsulent

situatie zou reageren. Dikwijls wordt aan

op B-niveau aanwerft, gelden dus de algemene

deze gevalstudie de vraag gekoppeld om

vereisten die het gemeentebestuur heeft vast-

de gekozen oplossing te vertalen in een

gelegd voor functies op B-niveau, enz.

beleidsvoorbereidende nota aan het

1

● Een mogelijk takenpakket in de functie-

schepencollege of in een enthousiasmeren-

beschrijving vindt u in deze publicatie onder

de brief aan het jonge doelpubliek.

de titel “taakbeschrijving: de basisopdrachten

In het mondelinge gedeelte worden dan meest-

van een gemeentelijke jeugddienst”.

al volgende zaken getoetst:

● Het vaststellen van de selectiecriteria

- Relevante ervaring uit professioneel en

hangt ten dele samen met het niveau waarop

vrijwilligersverleden;

men de jeugdconsulent wil tewerkstellen. Zie

- Motivatie;

bv. het functieprofiel elders in deze publicatie.

- In veel selectieproeven wordt tijdens de

● Het vaststellen van de selectieprocedure.

mondelinge proef teruggegrepen naar de

In de meeste gemeenten wordt een vergelij-

gevalstudie uit de schriftelijke proef om

kend examen afgenomen van de kandidaten

de kennis, vaardigheden en attitudes van

met daarin een schriftelijke proef en een mon-

de kandidaten in te schatten. In sommige

delinge proef.

gemeenten wordt een rollenspel gespeeld

In de schriftelijke proef vindt men meestal een

met de kandidaten, o.a. om hun assertivi-

combinatie van twee of meerdere van volgen-

teit en stressbestendigheid te toetsen.

de onderdelen:

● Als deskundigen voor de selectiecommis-

- Synthese van een artikel in verband met

sie worden veelal uitgenodigd:

jeugdbeleid, meestal met de vraag om een persoonlijk commentaar op het artikel te vertolken; - Kennisvragen i.v.m. de relevante wetgeving; - Bespreking van een bepaalde stelling i.v.m. het jeugdbeleid; - Het bespreken van een “gevalstudie”: een

- Ervaren jeugdconsulenten uit buurgemeenten; - De provinciale jeugdconsulenten; - Ambtenaren van de afdeling Jeugd en Sport; - Stafmedewerkers van de Vereniging Vlaam se Jeugddiensten en –Consulenten; - Beroepskrachten uit het jeugdwerk.

[1] Zie hiervoor zeker ook het onderdeel ‘De inschaling van de jeugdconsulent’ in het bundeltje ‘De plaats van de jeugddienst in de gemeente’.

10


5. Uit de praktijk

11


12


13


WETTELIJK

KADER EN

CONTEXT

1


L E F A T S D U INHO delijk 1. Inhou tratief zicht tief toe a r s t i is n i in het adm 2. Adm creet op

de plan 2.1 Het hoeften e b ls e e son 2.2 Per anogram 2.3 Org aarheid oorden ale akk le haalb r o iĂŤ t c c n e a s in 2.4 F gesloten voor de t c e p s e 2.5 R

3


1. Inhoudelijk De concrete invulling van de verschillende taken van een jeugddienst is gekaderd in een wettelijke context. De taken van een jeugddienst spruiten voort uit het decreet gemeentelijk jeugd(werk)beleid1. Maar de gemeenten vertegenwoordigen ook een autonoom beleidsniveau waardoor ze integraal bevoegd en verantwoordelijk zijn voor het lokale jeugd(werk)beleid. De Vlaamse Gemeenschap ondersteunt de gemeenten in deze opdracht en stelt via het decreet van 14 februari 2003 middelen ter beschikking voor de ondersteuning van het lokaal jeugdwerk. Het decreet bepaalt dat gemeentebesturen een jeugdwerkbeleidsplan moeten opstellen volgens vooropgestelde richtlijnen, althans als zij in aanmerking wensen te komen voor subsidiëring van hun jeugdwerkbeleid door de Vlaamse Gemeenschap. Het oorspronkelijke decreet gemeentelijk jeugdwerkbeleid van 9 juni 19932 dat de bevoegdheid voor de ondersteuning van het lokale jeugdwerk aan de gemeentebesturen toekende, was in die tijd zeer vernieuwend en vooruitstrevend. Jeugdwerk was het eerste en enige beleidsdomein waarvoor op dat moment de opstelling van een beleidsplan werd gehanteerd. Het gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan was enig in zijn soort. In dit jeugdwerkbeleidsplan moeten de visie, de doelstellingen en de concrete acties opgenomen worden die het gemeentebestuur voor

de volgende drie jaren wenst na te streven op het vlak van lokaal jeugdwerkbeleid. Via het verplichte hoofdstuk “geïntegreerd jeugdbeleid” wordt heel duidelijk de link gelegd naar een breed jeugdbeleid. Het jeugdwerkbeleidsplan moet opgesteld en uitgevoerd worden in communicatieve planning met de betrokken actoren. Meer specifiek moeten zeker het plaatselijke jeugdwerk, kinderen en jongeren van 3 tot 25 jaar en deskundigen op het gebied van jeugdaangelegenheden een kans tot inspraak krijgen over het gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan. Participatie van kinderen en jongeren is een fundamenteel uitgangspunt. In dit verband speelt ook de erkende gemeentelijke jeugdraad een belangrijke rol. Het decreet verplicht elk gemeentebestuur om een jeugdraad te erkennen, en om administratieve ondersteuning te bieden aan de jeugdraad. Artikel 8 verplicht het gemeentebestuur bovendien om advies te vragen over alle aangelegenheden inzake het jeugdbeleid. Het college van burgemeester en schepenen moet bij het nemen van beslissingen eventuele afwijkingen op de uitgebrachte adviezen motiveren. Het uitvoeringsbesluit legt tevens de verplichting op om per concrete actie een tijdschema voor de uitvoering, alsook de financiële weerslag van deze acties te voorzien. Dit sluit naadloos aan op de verplichtingen die het administratief toezicht reeds oplegt voor perso-

[1] Decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid; zie ook het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2003 ter uitvoering van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, inzake het voeren van een gemeentelijk en intergemeentelijk jeugd- en jeugdwerkbeleid. [2] Het Decreet van 9 juni 1993 houdende de subsidiëring van de gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid.

4


neelszaken. Op inhoudelijk vlak is het belangrijk op te merken dat er van in het begin een opening werd gemaakt naar een breder jeugdbeleid, hoewel de kern duidelijk lag bij het jeugdwerkbeleid. Dit decreet had een positieve invloed op de ontwikkeling van de jeugddiensten en de aangroei van het gemeentelijk personeel in het jeugdwerkbeleid. Enkele cijfers en tabellen kunnen dit illustreren (zie “Jeugddienst in cijfers”). Cijfers zeggen nog niets over de concrete invulling van zo ‘n dienst. Deze hangt samen met de grootte van de gemeente, de traditie, de kwaliteit van bestuur en medewerkers, de doelstellingen die door de gemeente werden bepaald, maar ook met de inplanting in de gemeentelijke administratie, de huisvesting, de relatie met het jeugdwerk, enz. Ondertussen heeft zich ook in de andere beleidsdomeinen een gelijkaardige ontwikkeling inzake beleidsplanning voorgedaan. Op dit ogenblik wordt in verschillende beleidsdomeinen (ruimtelijke ordening, cultuur, mobiliteit, milieu,…) een gemeentelijk beleidsplan opgemaakt. Al deze sectorale beleidsplannen hebben ook een impact op kinderen en jongeren. Een onderlinge afstemming van deze plannen lijkt logisch. In het nieuwe decreet van 14 februari 2003 wordt trouwens de aansluiting van het

gemeentelijk jeugdbeleid bij andere gemeentelijke beleidssectoren gestimuleerd en gaat men verder op de ingeslagen weg naar een breder geïntegreerd jeugdbeleid. Het kerntakendebat3 bevestigde de bevoegdheid van de gemeente voor het lokale jeugdbeleid. Gemeenten zijn immers het basisniveau dat het dichtst bij de burger staat en dat het meest herkenbaar is. Op basis van het subsidiariteitsprincipe - dit betekent dat een hoger niveau slechts tussenkomt wanneer de gemeente haar taak niet opneemt - beschikt het lokale niveau over een zo ruim mogelijk takenpakket. Ook het lokale jeugdbeleid werd uitdrukkelijk genoemd als een kerntaak voor de gemeenten. Ze kregen hierbij de opdracht een integraal beleidskader op te maken voor het gemeentelijk jeugdbeleid (ondermeer via de opmaak van een jeugdwerkbeleidsplan), en te zorgen voor de afstemming van de geformuleerde doelstellingen en acties met die van andere beleidsniveaus, beleidsitems en beleidsdomeinen. Meer specifiek werd de financiële, materiële en infrastructurele ondersteuning van het plaatselijk en intergemeentelijk jeugdwerk integraal toegewezen aan het gemeentelijk bestuursniveau. Gemeenten wordt ook gevraagd om de participatie aan het (inter)gemeentelijk jeugdwerk en de (inter)gemeentelijke jeugdcultuurinitiatieven te stimuleren. De gemeente kan deze opdrachten wel autonoom invullen.

[3] Het kerntakendebat legde de bevoegdheden van de verschillende bestuursniveaus (Vlaamse overheid, provincie, gemeente) vast en werd afgesloten met het bestuursakkoord van 29 april 2003.

5


2. Administratief 2.1 Het decreet op het administratief toezicht Een gemeentebestuur kan niet zomaar extra personeel aanwerven. Dit is aan wettelijke procedures gebonden, vastgelegd in het decreet op het administratief toezicht1. Als de functie van jeugdconsulent (of gelijk welke functie die men wenst in te vullen) nog niet bestaat in het gemeentelijk organogram, dan moet de gemeenteraad eerst deze functie creëren. Hiertoe moet de gemeenteraad: ● Voor een statutaire functie: een besluit nemen tot wijziging (uitbreiding) van de personeelsformatie (het personeelskader); ● Voor een contractuele functie: een besluit nemen “betreffende de vaststelling van het inzetten van contractueel personeel”. Een dergelijk besluit moet volgens het decreet op het administratief toezicht zowel voor statutaire als contractuele functies gebaseerd zijn op volgende elementen:

1. Een goed onderbouwde verantwoording van de personeelsbehoeften door middel van een personeelsbehoeftenstudie; 2. Een duidelijk organogram van het gemeentebestuur met, wanneer de duidelijkheid dit vereist, deelorganogram(men) van de betrokken dienst(en); 3. Een berekening van de financiële gevolgen van de personeelsinzet; 4. Respect voor de bestaande sectorale akkoorden. Voor de creatie van een functie met een opdracht ten aanzien van het gemeentelijk jeugdbeleid kunnen we, als gevolg van het decreet van 14 februari 2003, nog volgende voorwaarden toevoegen: 5. Opname in het gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan; 6. Het advies van de erkende gemeentelijke jeugdraad.

2.2 Personeelsbehoeftenplan 2.2.1 Wat zegt de wet? Een personeelsbehoeftenstudie moet uitmonden in een personeelsbehoeftenplan waarin de noodzaak aan een nieuwe functie binnen het gemeentepersoneel moet worden aangetoond. Een plan moet minstens volgende elementen bevatten:

1. De motivering en de verklaring van de beoogde wijzigingen aan het personeelsbestand, waarin onder meer de beleidsvisie of de opties van het bestuur op herkenbare wijze worden verwoord; 2. De functiebeschrijvingen, die de functies onderbrengen in een bepaald niveau en op

[1] Decreet van 28 april 1993, gewijzigd door het decreet van 15 juli 2002. Deze laatste decreetwijzigingen worden toegelicht in de omzendbrief BA 2002/12 van 27 september 2002 (B.S. 15 oktober 2002)

6


een bepaalde plaats binnen de organisatie, en die een nauwkeurige weergave omvatten van de taakinhoud en het profiel van een functie; 3. De prestatiegegevens in de vorm van kwantitatieve en beschrijvende informatie

die betekenisvol is voor de personeelsbehoefte, en die betrekking heeft op het dienstverleningspakket en het niveau van de dienstverlening, het kwaliteitsniveau van de dienstverlening, de organisatieopvatting bij de dienstverlening en het taakvolume.

2.2.2 Wat betekent dit voor de jeugdconsulent? ● De motivering en de verklaring van de beoogde wijzigingen aan het personeelsbestand waarin onder meer de beleidsvisie of de opties van het bestuur op herkenbare wijze worden verwoord; Dit hoofdstukje kan wellicht rechtstreeks uit het jeugdwerkbeleidsplan overgenomen worden, aangezien hierin de beleidsvisie en –opties van het gemeentebestuur op vlak van het gemeentelijk jeugdbeleid worden toegelicht. ● De functiebeschrijvingen, die de functies onderbrengen in een bepaald niveau en op een bepaalde plaats binnen de organisatie en die een nauwkeurige weergave omvatten van de taakinhoud en het profiel van een functie; Een uitgewerkte beschrijving van de mogelijke opdrachten vindt u in de tekst ‘taakbeschrijving: de basisopdrachten van een gemeente-

lijke jeugddienst’. Het profiel van een jeugdconsulent staat beschreven in het bundeltje ‘Jeugdconsulent gezocht’. ● De prestatiegegevens in de vorm van kwantitatieve en beschrijvende informatie die betekenisvol is voor de personeelsbehoefte en die betrekking heeft op het dienstverleningspakket en het niveau van de dienstverlening, het kwaliteitsniveau van de dienstverlening, de organisatieopvatting bij de dienstverlening en het taakvolume. Het betreft hier om te beginnen een kwantificering van het aantal werkuren dat de diverse taken naar verwachting zullen vergen. Verder kan hier b.v. aangegeven worden met wie moet worden samengewerkt, aan wie moet worden gecommuniceerd …

7


2.3 Organogram 2.3.1 Wat zegt de wet? Het organogram geeft inzicht in de structuur van de gemeentelijke organisatie. In functie van de omvang van het bestuur bevat het organogram departementen, afdelingen en diensten. Als de omvang van de organisatie

dit noodzakelijk maakt, kan het nodig zijn om tevens deelorganogrammen per departement, afdeling en/of dienst op te stellen en toe te voegen.

2.3.2 Wat betekent dit voor de jeugdconsulent? De recente reorganisatiegolf binnen de gemeentelijke administraties die nog steeds doorgaat, heeft ertoe geleid dat jeugddiensten op zeer verschillende plaatsen in het gemeentelijk organogram terug te vinden zijn. Globaal gesproken kunnen we twee duidelijke richtingen onderscheiden: ● De jeugddienst wordt opgenomen binnen een grotere administratie cultuur en/of vrije tijd ● De jeugddienst wordt opgenomen binnen een grotere administratie welzijn. Toch zijn er ook gemeenten die er bewust voor kiezen om de jeugddienst als autonome dienst die rechtstreeks aan college en secretaris/management rapporteert, in het gemeentelijk organogram op te nemen.

Lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de jeugddienst nog in een andere grotere administratie wordt ondergebracht, zoals bv. onderwijs. Welke plaats de jeugddienst ook krijgt, belangrijke aandachtspunten blijven steeds de mogelijkheden die de jeugddienstmedewerkers krijgen om niet enkel met collega’s binnen die eigen administratie, maar ook met collegadiensten uit andere administraties soepel en niet-bureaucratisch samen te werken, en de mogelijkheden om flexibel voorstellen in te dienen en/of problemen aan te kaarten bij het college en het gemeentelijke management. Enkele voorbeelden van organogrammen vindt u elders in deze publicatie onder de titel ‘De plaats van de jeugddienst in de gemeente’.

2.4 Financiële haalbaarheid 2.4.1 Wat zegt de wet? De gemeenteraden moeten aan de motivering van de financiële haalbaarheid meer dan gewone aandacht besteden. De personeelskosten zijn immers de belangrijkste uitgavenfactor voor de gemeenten. 8

Het decreet op het administratief toezicht benadrukt hierbij dat de gemeenteraden met volle kennis van de financiële gevolgen moeten kunnen beslissen, niet alleen voor de begroting van het lopende jaar, maar evenzeer voor de


verdere toekomst. De gemeentebestuurders moeten bijgevolg weloverwogen de behoeften beoordelen en vervolgens zorgvuldig de personeelsaantallen en de functievereisten vaststellen die nodig zijn om een verantwoorde dienstverlening mogelijk te maken tegen een aanvaardbare kost en binnen de financiële mogelijkheden waarover de gemeente beschikt. Wanneer de financiële haalbaarheid van een formatie(wijziging) of van een besluit op het gebied van het inzetten van contractueel personeel niet is aangetoond, kan de gouverneur overgaan tot schorsing. De motivering van die haalbaarheid moet gebeuren aan de hand van een nauwkeurige berekening van de financiële weerslag van de beslissing en via het aangeven van de wijze waarop het bestuur die kan uitvoeren met behoud van het evenwicht van begroting en meerjarenplan. Bij het opmaken van de begrotingen moet de gemeenteraad de weerslag van de formatiewijzigingen opnemen in de ramingen. Het spreekt vanzelf dat de toezichthoudende overheid zal nagaan of de eventuele bijkomende kosten die het gevolg zijn van de invulling van de personeelsformatie ook werkelijk werden opgenomen in de begrotingen en de meerjarige planning. De berekening van de financiële gevolgen moet onder meer gebeuren aan de hand van de volgende gegevens (alle berekeningen moeten gebeuren rekening houdend met de stand van de index op het ogenblik van de beslissing): 1. De kostprijs van de totale huidige personeelsbezetting (op basis van de laatst vastgestelde rekening, verhoogd met de kostprijs van de nadien in dienst getreden per-

soneelsleden en verminderd met de kostprijs van de personeelsleden die sindsdien niet meer in dienst zijn); 2. De kostprijs van de openstaande betrekkingen, rekening houdend met het gehanteerde tijdspad (betrekkingen die niet meer nodig worden geacht dienen te worden geschrapt); 3. De kostprijs van de nieuwe functies (het gemiddelde van de nultrap van de eerste schaal en van de eindtrap van de laatste schaal van de functionele loopbaan met inbegrip van de bijkomende werkingskosten). Totaal (1+2+3): Meerkost (2+3): Het is nodig om bij elke wijziging van de personeelsformatie en bij elke wijziging van de contractuele personeelsinzet deze totale kostprijs te herberekenen en te actualiseren. Bij de berekening van de kostprijs moeten ook de bijkomende werkingskosten (informatica, meubilair, huisvesting, enz…) verrekend worden, die het gevolg zijn van het toegenomen personeelsbestand. Voor gesubsidieerde betrekkingen worden in de financiële nota de ontvangsten in mindering gebracht. Er moet wel duidelijk worden vermeld wat de duur van de toegestane subsidies zal zijn, en welk percentage van de totale kostprijs de subsidies vertegenwoordigen.

9


2.4.2 Wat betekent dit voor de jeugdconsulent? Ook voor dit hoofdstuk zal veel informatie rechtstreeks uit het jeugdwerkbeleidsplan kunnen gehaald worden, waar de kostprijs van de jeugdconsulent in de meerjarige planning zou moeten opgenomen zijn. Wat de bijkomende werkingskosten betreft, kunnen we voor de jeugdconsulent naast de

evidente kosten voor informatica, meubilair, huisvesting e.d.m. ook nog denken aan volgende specifieke kosten: ● Vorming ● Publicaties/vakliteratuur ● Public relations en communicatie ● Lidgelden bij ondersteunende organisaties ● Organisatie eigen initiatieven

2.5 Respect voor sectorale akkoorden 2.5.1 Wat zegt de wet? Het decreet op het administratief toezicht stelt – vanzelfsprekend – dat de personeelsformatie of het besluit op het gebied van het contractueel personeel geen functies mag bevatten die een schending inhouden van de sectorale akkoorden voor het gemeentepersoneel. Op dit ogenblik bevatten deze sectorale akkoorden onder meer bepalingen in verband met de indeling in niveaus, basisgraden en bevorderingsgraden per niveau. Daarnaast zijn specifieke regels bepaald in verband met sommige functies (leidinggevende functies, expertfuncties, staffuncties). Verder bepalen de geldende sectorale akkoorden dat contractuele tewerkstelling slechts mogelijk is in drie gevallen: ● Als het gaat om taken van bepaalde duur, (hierbij kan het niet gaan om leidinggevende functies); ● Als het gaat om welbepaalde opdrachten of projecten waarvoor binnen de statutaire personeelsformatie geen personeel aanwezig is; 10

● Als het gaat om de tijdelijke vervanging van andere personeelsleden. Het voorontwerp van het nieuw Vlaams Gemeentedecreet verruimt de mogelijkheden om contractuele personeelsleden in dienst te nemen. Aan de bovengenoemde omstandigheden die de aanwerving van contractanten verantwoorden, worden er drie toegevoegd: ● Als het gaat om activiteiten die door een andere overheid worden gesubsidieerd ● Als het gaat om activiteiten die hoofdzakelijk worden verricht in mededinging met andere marktdeelnemers ● Als het gaat om taken waarvoor een bijzondere expertise vereist is. De Vlaamse regering heeft het voorontwerp goedgekeurd op 15 maart 2005. Het wordt nu voor advies voorgelegd aan de Raad van State, de SREF, de Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur en het Comité C (overleg met de sociale partners).


2.5.2 Wat betekent dit voor de jeugdconsulent? Vanuit het recente onderzoek van de Vereniging Vlaamse Jeugddiensten en –consulenten naar de personeelsevolutie binnen de gemeentelijke jeugddiensten1, kunnen we stellen dat een groot deel van de jeugdconsulenten op dit moment niet statutair is aangeworven. Zij werken in grote mate als gesubsidieerd contractueel of in één of ander tijdelijk contract. In veel gemeenten wordt dit verklaard vanuit de stelling dat het om een welbepaalde opdracht gaat waarvoor binnen de statutaire personeelsformatie geen personeel beschikbaar is. De vraag of de jeugdconsulent in het statutaire kader moet opgenomen worden, is nochtans een interessante discussie. Enerzijds vereist de functie van jeugdconsulent veel flexibiliteit en moet men zeker trachten te vermijden dat jeugdconsulenten ‘vastroesten’ in een routineuze job. Bovendien is een zo dynamisch gegeven als het lokale jeugdbeleid gebaat bij een regelmatige instroom van jong bloed en frisse ideeën en zal het voor jonge krachten wellicht gemakkelijker zijn om zich in te leven in de leefwereld van hun doelgroep. Deze argumenten pleiten tegen een statutaire invulling van de functie van jeugdconsulent.

Anderzijds mag men niet vergeten dat een jeugddienst ook nood heeft aan voldoende continuïteit. Het uitgebreide en specifieke takenpakket van de jeugdconsulent maakt dat heel wat tijd nodig is om expertise en beroepservaring op te bouwen, kwaliteiten die op een jeugddienst hun waarde zullen bewijzen. Bovendien wijst de ervaring uit dat ook in het uitbouwen van netwerken met collega-ambtenaren, politici e.d.m. anciënniteit en ervaring heel wat deuren openen. Het feit zelf van statutair benoemd te zijn door het gemeentebestuur opent soms deuren die voor contractuelen gesloten blijven… Dus toch ook heel wat argumenten die pleiten vóór het statutair invullen van de functie van jeugdconsulent. Wel even meegeven dat in het sectoraal akkoord2 van 1993 een aantal krachtlijnen werden vastgesteld inzake het personeel in de lokale besturen, die in dit kader uitermate belangrijk zijn, namelijk de bepalingen betreffende de mogelijkheden tot contractuele tewerkstelling.

[1] Personeel op gemeentelijke jeugddiensten en in het lokale particuliere jeugdwerk’, een exploratief onderzoek van VVJ in opdracht van de afdeling Jeugd en Sport, 2004 [2] Sectoraal akkoord van 18 juni 1993, de zogenaamde krachtlijnen Kelchtermans.

11


DE KAARTEN

OP TAFEL: EEN DISCUSSIE

OP GANG BRENGEN

1


L E F A T S D U INHO dienst

gd r de jeu e v o k e r

p

pen ges

gaan? rek aan p s e g t e arom h gesprek 1.1 Wa den tot e h jk li e g lt mee! 1.2 Mo e e p s d ugdraa len? 2. De je spel spe it d m o ar 2.1 Wa spel 2.2 Het

1. Een o

Notities

3


1. Een open gesprek over de jeugddienst 1.1 Waarom het gesprek aangaan? Deze leidraad wil ook een methodiek aanreiken om de plaatselijke situatie te analyseren en bespreekbaar te maken. In eerste instantie moet gekeken worden welk jeugdbeleid u in uw gemeente wil voeren. De keuze van het jeugdbeleid bepaalt immers welke taken de jeugddienst zal moeten uitvoeren en aan welke functievereisten de personeelsleden ervan moeten voldoen om dit waar te maken. De gegevens uit de analyse en de keuze van het jeugdbeleid dat de gemeente wil realiseren, kunnen helpen om de taakbeschrijving en het functieprofiel van de jeugddienst en de jeugdconsulent zo goed mogelijk in te vullen voor de toekomst. Het gesprek hierover moet gevoerd worden met de verschillende actoren betrokken bij de jeugdwerkbeleidsplanning en het jeugdbeleid: het college van burgemeester en schepenen, de gemeenteraad, de administratief verantwoordelijken voor het gemeentepersoneel, de huidige jeugddienstmedewerkers, maar ook de stuurgroep jeugdwerkbeleidsplan en de jeugdraad. In functie van het gesprek op de jeugdraad werd een jeugdraadspel ontwikkeld. Hiervoor vindt u het materiaal als bijlage. Een woordje uitleg vindt u verderop in deze bundel. Hierbij alvast een oproep om de bevindingen en aanbevelingen van de jeugdraad mee te nemen in het uiteindelijke en beslissende gesprek over

4

de eventuele oprichting van een jeugddienst, over een eventuele bijkomende aanwerving of aanstelling, over een eventuele nieuwe functieinvulling van de jeugdconsulent. In elke gemeente houdt men zich met jeugd bezig. Er is een jeugddienst of een jeugdconsulent. Soms zijn er meerdere ambtenaren op de jeugddienst, in andere gemeenten is de jeugdconsulent een combinatieambtenaar. Er zijn zoveel opties, zoveel eigen gemeentelijke situaties. Maar stel dat de schepen van jeugd, de jeugdconsulent of de jeugdraad ervan overtuigd is, dat de jeugddienst in de gemeente niet meer voldoende is uitgebouwd om zijn veelzijdige opdrachten aan te kunnen. Men wil dus dat die jeugddienst op één of andere manier versterkt wordt. Hoe begin je dan aan de uitbouw van zo’n vernieuwde jeugddienst, hoe pak je dit aan? Het onderwerp moet alleszins ook bespreekbaar gemaakt worden op het college, bij de gemeenteraadsleden, bij de topambtenaren. Hieronder enkele aandachtspunten die de discussie op gang kunnen trekken, en een voorstel tot gespreksmethodiek.


1.2 Mogelijkheden tot gesprek 1.2.1 Hoe verloopt het gesprek? Een gesprek begint best goed voorbereid. De gespreksleider moet het gesprek natuurlijk kaderen. Voor de situering van het gesprek kan je verwijzen naar deze leidraad en de begeleidende brief. De deelnemers moeten hun mening kunnen kaderen in een groter geheel; om tot een besluit te kunnen komen, moet er met heel wat zaken rekening worden gehouden. Volgende elementen zijn zeker van belang: ● Omgevingsanalyse (= objectieve gegevens): Het is uiteraard belangrijk om in eerste instantie een degelijke beschrijving te maken van de huidige toestand. Wat voor jeugddienst is er in de gemeente en welke taken neemt die allemaal op? Een doorlichting als het ware (kan aan de hand van verderop toegevoegde vragenlijst).

● Waar staat de gemeente in het licht van het geschetste profiel en het vooropgestelde takenpakket (cf. gesprek aan de hand van 6 figuren in methodiek jeugdraad). ● Beleidsopties: Voor welk soort jeugddienst kiest de gemeente, en op welke termijn? Een aantal praktische zaken op papier kunnen helpen om dingen te visualiseren of snel achtergrondinformatie aan te bieden: ● Het personeelsorganogram van de gemeente; ● Het jeugdwerkbeleidsplan van de gemeente; ● Deze leidraad ‘De Gemeentelijke Jeugddienst in de kijker!’, met vooral de vragenlijstjes voor dit gesprek; ● Het puzzelspel voor gebruik door de jeugdraad.

“De installatie van een jeugddienst was hier zeker een goede zaak, het

j e u g d w e r k h e e f t n u e e n s t e r k e r e b a n d m e t d e g e m e e n t e.

V r o e g e r w a s e r g e e n i n t e r e s s e i n j e u g d b e l e i d . H e t j e u g d we r k i s s t e r k e r g ew o r d e n , h e e f t e e n a a n s p r e e k p u n t i n d e g e m e e n t e. M e n k a n n u m e t p r o blemen en ideeën ergens terecht. Vroeger was het gemeentebestuur veel m e e r e e n v e r v a n m i j n b e d s h ow b i j d e g e m i d d e l d e j e u g d v e r e n i g i n g .”

5


1.2.2 Hulpmiddelen bij het verloop van het gesprek 1. Richtvragen voor de omgevingsanalyse: ● Huidig jeugddienstpersoneel: - Hoeveel personeel werkt er momenteel op de jeugddienst? - Hoeveel uren zijn er binnen hun opdracht voorzien voor jeugd? - Welke opleiding hebben de personeelsleden van de jeugddienst genoten? Welke bijscholing? - In welk statuut zijn ze tewerkgesteld? - Op welk niveau zijn ze ingeschaald? - Hoe lang werken deze mensen reeds op de jeugddienst? Wat is hun anciënniteit? ● Welke plaats heeft de jeugddienst in het organogram? - Is de jeugddienst een autonome dienst die rechtstreeks rapporteert aan secretaris en college, maakt de jeugddienst deel uit van een grotere dienst of bestaat er eigenlijk geen specifieke jeugddienst?

2. Gesprek over het takenpakket In de bundel die handelt over de opdrachten van de jeugddienst, kan nadere informatie gevonden worden. Hiervoor moet ook het wettelijk kader gekend zijn. Om structuur in het gesprek te brengen, kan gebruik gemaakt worden van de 6 fiches met figuren die aangeboden werden om het gesprek te voeren op de jeugdraad: elke figuur staat voor een deelaspect van de functie. - begeleiden en ondersteunen van de lokale jeugdwerkinitiatieven (cf. Benny Bink) - opzetten van gemeentelijke jeugdwerkinitiatieven (cf. Ronny Rap)

- zorgen voor een permanente inspraak en participatie van kinderen en jongeren (cf. An Tenne) - stimuleren en sturen van een netwerk jeugdbeleid (cf. Fijne Fons) - opmaken en schrijven jeugdwerkbeleidsplan (cf. Tilly Think) - uitvoerende, adviserende en ondersteunende taken voor het gemeentebestuur (cf. Mia Expertia) Welke doelstellingen van het jeugdwerkbeleidsplan kunnen ondergebracht worden bij de verschillende taken van de jeugddienst? M.a.w. welke symbolische figuur (=deelaspect) moet ingeschakeld voor de uitvoering? ● Waarop ligt het accent in uw gemeente? Welke taken en functies vervult de jeugddienst nu? Welke opdrachten heeft de jeugddienst nog naast taken in functie van het lokale jeugdbeleid? ● Welke doelstellingen uit het jeugdwerkbeleidsplan worden niet gehaald (mede) omwille van een onvoldoende uitgebouwde jeugddienst? Welke personeelsbehoeften er zijn op de gemeentelijke jeugddienst hangt van vele factoren af. Eén factor zal zeker de grootte van de gemeente zijn. Elders in deze publicatie vind je cijfers in verband met het gemiddeld aantal personeelsleden op jeugddiensten naar grootte van de gemeente uit het Cijferboek gemeentelijk jeugdwerkbeleid1. Zo waren er in 2004 gemiddeld 2,3 FTE personeelsleden

[1] Cijferboek gemeentelijk jeugdwerkbeleid 2002-2004, uitg. afdeling Jeugd & Sport van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel, 2002

6


op de gemeentelijke jeugddienst per gemeente, wat overeenstemt met 1,1 FTE per 10.000 inwoners. De gemeentegrootte is echter slechts één parameter. Minstens even belangrijk zijn de keuzes en prioriteiten die men in de gemeente wenst te maken voor het lokale jeugdbeleid. Keuzes die in elk hoofdstuk van het jeugdwerkbeleidsplan vorm zullen krijgen.

3. Welke zijn de beleidsopties? Ieder maakt voor zich de oefening: van welk soort jeugddienst droomt de schepen, de secretaris, de jeugdconsulent zelf? Hierbij kan het gaan over het takenpakket dat moet opgenomen worden, over het aantal mensen die op de jeugddienst moet werken, over het niveau van aanwerving, over de plaats in het organogram, over het praktisch overleg, over de locatie van de jeugddienst, over het

samenspel met de andere diensten, over acties om medewerkers te motiveren, over deskundigheidsbevordering, … Wat moet de kernactiviteit van de jeugddienst zijn? Op welke manier kunnen vrijwilligers betrokken worden bij de organisatie van de jeugddienst? Alles wordt samen gelegd en conclusies worden geformuleerd: voor welk soort jeugddienst kiest de gemeente, en op welke termijn? Welke tussenstappen moeten gezet worden? Hoe moet de jeugddienst er volgend jaar uitzien, en over 3 jaar, over 10 jaar? Wat is het vooropgestelde einddoel? Let er op dat effectief concrete afspraken worden gemaakt: wie zet welke stap, tegen wanneer?

“Het is niet slecht als het eens grondig herbekeken wordt. Ik heb de indruk dat de diensten meer georganiseerd gaan worden, dat ze proberen om de politiek daar wat van tussen te laten. Dat de autonomie van de diensten wat sterker wordt, dat de mensen die daarin zitten wat s t e r k e r w o r d e n d o o r e x a m e n s e n s t a t u t e n r e g e l i n g .”

7


2. Jeugdraadspel: een geweldige jeugddienst 2.1 Waarom dit spel spelen? Geen twee jeugddiensten zijn gelijk. Maar goed ook. Er is immers ook geen enkele gemeente helemaal gelijk aan een andere. Benny ondersteunt vooral het jeugdwerk, Ronny organiseert het één en ander, Mia kent haar dossiers door en door, Thilly schrijft met veel zorg een (jeugdwerkbeleids)plan, Fons heeft de meest boeiende contacten met de collega’s van de andere diensten… De jeugddienst is zonder twijfel heel belangrijk voor het jeugdwerk, kinderen en jongeren. Maar wist je dat de jeugdraad ook iets te zeggen heeft over hoe de jeugddienst eruit kan zien? Als jeugdraad kan je namelijk aangeven

8

wat je belangrijk en wenselijk vindt, wat je verwachtingen zijn, hoe je een samenwerking of partnerschap ziet. Ongetwijfeld heeft de jeugdraad daar inspirerende ideeën over. De jeugdraad kan de bevoorrechte partner zijn van de jeugddienst in de constante zoektocht naar een evenwichtige en correcte invulling.

Doen dus! De jeugddienst zal het appreciëren. Om het gesprek op gang te brengen en te helpen bij het formuleren van de ideeën, werd “het jeugdraadspel” ontwikkeld.


2.2 Het spel Het spel wordt gespeeld in drie groepen. Elke groep ontvangt 6 puzzels, dit zijn 6 figuren, die telkens een beeld van een “typische” jeugdconsulent voorstellen: 1. Benny Bink, de jeugdwerkondersteuner 2. Ronny Rap, de organisator 3. Fijne Fons, de netwerker 4. An Tenne, de inspraak verzorger 5. Tilly Think, de plannen maker 6. Mia Expertia, de ambtenaar (kabinetsadviseur)

● STAP TWEE: In een tweede fase wordt de figuur getest. Van elke groep gaat er iemand vragen stellen in de andere groep. Daartoe worden enkele suggesties meegegeven. Wat moet jouw jeugdconsulent bijvoorbeeld doen voor Timmy, 15 jaar, die zich verveelt op woensdagnamiddag; voor Axel, 17 jaar, technofuiver, … Maar men kan zelf ook natuurlijk vragen bedenken.

Op fiches staan voor elke jeugdconsulent enkele typische en misschien wel minder typische ‘karaktertrekjes/gedragspatronen’. Benny zal bijvoorbeeld -als jeugdwerkondersteuner- helpen bij het invullen van subsidiedossiers, terwijl netwerker Fons op vrijdag steevast mee een pint gaat drinken in het jeugdhuis om de contacten te onderhouden.

naar een consensus en er wordt gekeken naar de concrete invulling in de gemeente.

● STAP EEN: In de groepjes wordt gezocht naar een goede jeugdconsulent. Men

● STAP DRIE: Op het einde worden de figuren gezamenlijk bekeken. Er wordt gezocht

In de spellendoos vind je een uitgebreide speluitleg en het nodige materiaal. Er is ook een affiche om op te hangen in de jeugddienst: Ter promotie van de brochure, het spel maar bovenal de jeugddienst zelf natuurlijk!!! VEEL PLEZIER EN DISCUSSIEGENOT

kan dus uit de verschillende types een nieuwe jeugdconsulent maken die meer accent legt op een bepaald aspect of die zich maar met één zaak bezig houdt. Maar men kan er ook voor kiezen om alle aspecten te vatten.

9


DE JEUGDDIENST

IN CIJFERS

1


L E F A T S D U INHO

n ctpunte a t n o ke c g eentelij btelijke m e m g a e e Inleidin d k j eli l van emeent ersonee p t e h 1. De g n va de uncties eel van n o s r 2. De f e p het ensten eau van v i jeugddi n s g n i ell en ewerkst nsulent ensten i o d c d d g g u u 3. Het t e e de j telijke j eau van v i n gemeen s g n i tell tewerks 4. Het Notities

3


Inleiding De geschiedenis van de lokale jeugddienst is een vrij korte en recente geschiedenis. Midden van de jaren zeventig maakten de eerste gemeentelijke en stedelijke jeugddiensten hun intrede in het gemeentelijke leven. De centrale overheid heeft deze diensten nooit gestimuleerd via loonsubsidie of een andere wijze van honorering. De keuze voor een jeugddienst is dus steeds het resultaat van een plaatselijke prioriteit. Bij aanvang, rond 1975, werd in een tiental gemeenten een ambtenaar vrijgesteld. Deze kreeg al snel de benaming ‘jeugdconsulent’ opgespeld. Tal van factoren bepaalden de verdere evolutie van deze jeugddiensten. In deze bijdrage een overzicht van de cijfermatige evolutie. De hierna volgende cijfers zijn gebaseerd op de Cijferboeken Gemeentelijk Jeugdwerkbeleid van 1994, 1996-1998, 1999-2001 en 2002-20041. Voor de periode 2005-2007 is er nog geen cijferboek gepubliceerd. Voor deze laatste periode zijn wel reeds voorlopige cijfers beschikbaar. Deze gegevens komen uit de bevraging die in 2004 werd uitgevoerd, ter voorbereiding van het cijferboek 2005-2007, en het onderzoek naar de personeelsevolutie op gemeentelijke jeugddiensten en in het particuliere jeugdwerk2. De respons in dit onderzoek bedraagt 75,32%. Het betreft hier een tussentijdse stand van zaken. Voor het Cijferboek 2005-2007 zal de respons nog hoger liggen. Deze voorlopige cijfers kunnen dus nog licht afwijken van de cijfers die uiteindelijk in het cijferboek zullen terechtkomen.

[1] De cijferboeken Gemeentelijk Jeugdwerkbeleid 1994, 1996-1998, 1999-2001 en 2002-2004 zijn een realisatie van de afdeling Jeugd en Sport, administratie Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vereniging Vlaamse Jeugddiensten en - consulenten (VVJ) vzw. [2 ] Het onderzoek en de bevraging werden in 2004 uitgevoerd door de Vereniging Vlaamse Jeugddiensten en - consulenten (VVJ) vzw.

4


1. De gemeentelijke contactpunten voor het jeugdbeleid 1994 1996-1998

1999-2001

2002-2004

2005-2007

308

297

307

232

Jeugdconsulent op de jeugddienst

126

162

161

159

Jeugdconsulent op een andere dienst

13

10

15

11

Combinatie ambtenaar

146

119

111

53

14

7

6

2

Totaal aantal gemeenten

299

Intergemeentelijke jeugdconsulent Geen expliciet contactpunt voor jeugd

23

1994 299 gemeenten werden onderzocht of gaven een respons door de vragenlijst in te vullen en terug te sturen. 178 gemeenten geven hierbij aan over een jeugddienst te beschikken. Het begrip ‘ambtelijk contactpunt’ werd hier nog niet gebruikt. Dit begrip werd in het cijferboek 1996-1998 geïntroduceerd. 1996-1998 Er zijn 285 gemeenten met een contactpunt voor het jeugdbeleid. 139 gemeenten hebben een jeugdconsulent (waarvan er 126 op een jeugddienst en 13 op een andere dienst werken).

6

gemeenten met een expliciete jeugddienst is constant gebleven. Het aantal gemeenten waar minstens een ambtenaar bevoegd is voor jeugd, is toegenomen. Er zijn thans 15 gemeenten met een jeugdconsulent werkzaam in een ruimere dienst. Het aantal gemeenten met een combinatieambtenaar is systematisch, maar niet spectaculair afgenomen. Er zijn ook 14 gemeenten met een intergemeentelijke jeugdconsulent. Het begrip ‘intergemeentelijke jeugdconsulent’ vinden wij voor het eerst vermeld in het cijferboek 2002-2004.

2005-2007 1999-2001 Het aantal gemeenten met een contactpunt voor het jeugdbeleid, is gestegen tot 291. Er zijn 172 gemeenten met een jeugdconsulent (162 op een jeugddienst en 10 op een andere dienst). 2002-2004 6 gemeenten hebben (nog) geen expliciet contactpunt voor het jeugdbeleid. Het aantal

Er zijn nog maar 2 gemeenten zonder een expliciet aanspreekpunt voor het jeugdbeleid. Het aantal gemeenten met een combinatieambtenaar is sterk teruggelopen. Dit geldt eveneens voor de intergemeentelijke jeugdconsulenten. Anno 2004 beschikken 68,5% van de gemeenten over een ‘jeugddienst’ met minstens één jeugdconsulent. Gemeenten kiezen dus steeds meer voor een eigen jeugdbeleid en investeren in een jeugdconsulent. 5


2. De functies van het personeel van de gemeentelijke jeugddiensten 1994 1996-1998 Totaal

328

Jeugdconsulenten

128

589

Combinatie ambtenaren Administratieve Functie

158

Co-consulenten Technische functie

42

1999-2001

2002-2004

2005-2007

656

840

817*

206

252

223

128

83

24

135

172

261

117

216

271

43

61

38

? 27 56 * Opgelet! Hierbij betreft het slechts 244 gemeenten. Een extrapolatie brengt dit getal op 928. 1994

2002-2004

In het cijferboek 1994 wordt de opdeling ago-

Volgens het cijferboek 2002-2004 zijn 30%

gisch, administratief en technisch personeel

van alle personeelsleden jeugdconsulent. Er

gebruikt. Er zijn in totaal 328 personeelsle-

zijn 10% combinatieambtenaren, 20% admi-

den waarvan er 128 met een agogische func-

nistratief medewerkers, 7% heeft een techni-

tie, 158 met een administratieve en 42 met

sche functie en er zijn 26% co-consulenten.

een technische functie. 2005-2007 1996-1998

De daling van het aantal combinatieambtena-

In het cijferboek 1996-1998 is geen opdeling

ren en de stijging van het aantal administra-

per functie gebeurd.

tieve medewerkers zijn beiden erg opmerkelijk. Ook is er een toename van de co-consulenten,

1999-2001

namelijk personeelsleden met een program-

In het cijferboek 1999-2001 wordt de cate-

matorische opdracht of jeugdwerkers.

gorie ‘co-consulent’ ingevoerd. (dit zijn per-

In het onderzoek van VVJ van 2004 stelde

soneelsleden die op de jeugddienst werken en

men vast dat voortaan 32% van het perso-

inhoudelijk wel met een aspect van jeugdwerk

neelsbestand administratieve krachten zijn.

bezig zijn, maar geen jeugdconsulent zijn.

De jeugdconsulenten volgen met 27%. Nog

De meest voorkomende co-consulenten wer-

eens 33% vallen onder de categorie co-con-

ken als jeugdprogrammatoren, maar ook als

sulenten waaronder 18,73% jeugddienstme-

straathoekwerker, JIP-medewerker, tiener- of

dewerkers met een programmatorische op-

kinderwerker, coördinator buitenschoolse kin-

dracht, 10,4% jeugdwerkers en de resterende

deropvang…).

4% werken als straathoekwerker, medewerker van het jongereninformatiepunt,...

6


3. Het tewerkstellingsniveau van het personeel van de gemeentelijke jeugddiensten In deze tabel wordt het tewerkstellingsniveau

een technische functie.

vermeld van al het personeel dat op de gemeentelijke jeugddiensten werkt. Dit zijn dus

Er wordt geen onderscheid gemaakt voor de

de jeugdconsulenten, maar ook de combina-

verschillende categorieĂŤn van personeel, enkel

tieambtenaren, de co-consulenten, het admi-

het totaalbeeld wordt geschetst.

nistratief personeel en de personeelsleden met 1994

1996-1998

1999-2001

2002-2004

2005-2007

518

Totaal

656

840

817

Niveau-A

18

16

26

Niveau-B

160

239

319

Niveau-C

281

310

289

Niveau-D

119

127

93

Niveau-E

36

74

37

?

42

74

53

1994

2005-2007

Er zijn geen gegevens beschikbaar.

In het onderzoek van VVJ wordt voor het eerst een opsplitsing gemaakt binnen elke functie.

1996-1998

Dit levert interessante gegevens op. In totaal

In dit cijferboek werd het opleidingsniveau ge-

werken 26 personeelsleden op A-niveau. In 14

hanteerd (44 universitair niveau, 215 hoger

gevallen gaat het om diensthoofden van een

onderwijs buiten de universiteit (HOBU), 223

overkoepelende dienst, zoals een diensthoofd

hoger secundair onderwijs, 32 lager secundair

Welzijn. 9 personeelsleden zijn diensthoofd

onderwijs, 4 lager onderwijs).

Jeugd. De meeste medewerkers zijn terug te

Slechts voor 518 van de 589 personeelsleden

vinden op B-niveau, nl. 319, ofwel 41,6%. 19

werd het tewerkstellingsniveau opgegeven in

mensen zijn in de loop der jaren bevorderd tot

de vragenlijsten. Het opleidingsniveau komt

B3 of B4. De gegevens gaan over 764 perso-

niet noodzakelijk overeen met het niveau

neelsleden, daar er van 53 medewerkers geen

van tewerkstelling. Zo is een HOBU diploma

informatie over hun functie beschikbaar was.

nodig om op niveau-B te werken. Maar een personeelslid met een HOBU diploma kan op een niveau-B, maar ook op een lager niveau werken. 7


4. Het tewerkstellingsniveau van de jeugdconsulenten Deze tabel geeft enkel informatie over het tewerkstellingsniveau van de jeugdconsulenten. 1994

1996-1998

1999-2001

2002-2004

2005-2007

206

252

215

Niveau-A

6

5

9

Niveau-B

109

149

154

Niveau-C

70

58

43

Niveau-D

10

Niveau-E

1

?

10

Totaal

9 33

In de eerste cijferboeken zijn hierover geen gegevens beschikbaar.

1999-2001 en 2002-2004

2005-2007

Op basis van een vergelijking van de cijfers

Het aantal jeugdconsulenten dat op een A- of

van deze twee cijferboeken, blijkt dat slechts

een B-niveau werkt, stijgt. En er is een daling

een zeer gering aantal jeugdconsulenten op A-

van het aantal jeugdconsulenten dat werkt op

niveau werkzaam is. Dit aantal blijft constant.

een C-niveau. Er werken echter nog steeds 9

Het merendeel werkt op B-niveau en er is een

jeugdconsulenten op een D-niveau.

stijgende trend. Het aantal jeugdconsulenten

36 jeugdconsulenten zijn nog werkzaam op

dat op C-niveau werkt, daalt. Toch werkt nog

C1- of C2-niveau. Binnen deze groep heeft

bijna een kwart op dit niveau.

30% een hogeschooldiploma.

8


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
leidraad_jeugddienst.pdf by Vlaanderen-be - Issuu