Skip to main content

SV_rapport_2021_06_COVID_19_wonen_mobiliteit_kinderwens_digitalisering_aanpak_crisis.pdf

Page 1

RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2021/6

RESULTATEN COVID-19-BEVRAGING

WONEN, MOBILITEIT, KINDERWENS, ONDERWIJS, DIGITALISERING EN AANPAK VAN DE CRISIS


INHOUD SAMENVATTING 3 INLEIDING 5 1

GEBRUIKTE METHODE

7

2

RESULTATEN COVID-19-BEVRAGING

11

2.1 Wonen

11

2.1.1 Woonsituatie

11

2.1.2 Woonkost

16

2.2 Mobiliteit

20

2.2.1 Wijziging autogebruik

21

2.2.2 Wijziging treingebruik

24

2.2.3 Wijziging gebruik bus, tram, metro

27

2.2.4 Wijziging gebruik (elektrische) fiets

29

2.2.5 Wijziging gebruik motor, bromfiets en scooter 2.2.6 Wijziging verplaatsingen te voet 2.3 Kinderwens

32 32 34

2.3.1 Kinderwens voor de coronacrisis

35

2.3.2 Kinderwens op moment van de bevraging

37

2.4 Onderwijs

39

2.4.1 Ervaringen van de kinderen met afstandsleren 40 2.4.2 Randvoorwaarden voor afstandsleren

42

2.4.3 Ervaringen van ouders met afstandsleren

46

2.5 Digitalisering

54

2.6 Aanpak van de crisis door de overheid

57

BESLUIT 65


WONEN, MOBILITEIT, KINDERWENS, ONDERWIJS, DIGITALISERING EN AANPAK VAN DE CRISIS SAMENVATTING Vlaanderen werd net als de rest van de wereld vanaf het voorjaar van 2020 zwaar getroffen door de coronapandemie. Dat zorgde voor een grote nood aan betrouwbare en actuele gegevens over de impact van deze crisis op de leefsituatie van de bevolking. Om aan die nood tegemoet te komen, organiseerde Statistiek Vlaanderen in het voorjaar van 2021 een grootschalige COVID-19-bevraging. Aan 20.000 meerderjarige inwoners van het Vlaamse Gewest, geselecteerd via een toevalssteekproef uit het Rijksregister, werd gevraagd naar de impact van de crisis op hun gezondheid, sociale contacten, werksituatie, inkomen en woon- en gezinssituatie. Dit rapport is het laatste in een reeks van 3 rapporten waarin de algemene resultaten van de COVID-19-bevraging worden voorgesteld. In dit rapport wordt ingegaan op de resultaten van de vragen over wonen, mobiliteit, kinderwens, onderwijs, digitalisering en de aanpak van de crisis door de overheid. Wat de woonsituatie betreft, blijkt een relatief beperkte groep een aantal aspecten van de woning tijdens de coronacrisis als nadelig te hebben ervaren. Er wordt vooral melding gemaakt van een gebrek aan ruimte, een gebrekkige kwaliteit van de woning, onvoldoende winkels en voorzieningen in de buurt of geen of een te kleine tuin of balkon. In vergelijking met de periode voor de coronacrisis weegt voor 15% de woonkost nu zwaarder door dan ervoor. De cijfers over mobiliteit maken duidelijk dat wandelen beschouwd kan worden als de ‘winnaar’ onder de vervoersmodi. De helft van de wandelaars zegt nu meer te wandelen dan voor de coronacrisis. Er wordt ook meer gefietst dan voor de crisis.

De auto wordt minder gebruikt. Maar vooral het gebruik van het openbaar vervoer is sterk verminderd. Uit de bevraging blijkt voorts dat er een (mogelijk tijdelijk) effect verwacht kan worden van de coronacrisis op de vruchtbaarheid: 17% van de personen die voor de coronacrisis plannen hadden om kinderen te krijgen, heeft die plannen tijdelijk uitgesteld of definitief opgeborgen. De resultaten van de bevraging geven aan dat 39% van de kinderen het afstandsleren in het onderwijs als moeilijk hebben ervaren. Een grote meerderheid van de ouders stelt dat hun kinderen tijdens de periode van afstandsleren een rustig plekje hadden in huis om de lessen te volgen en daarvoor zelf of via een gezinslid een computer ter beschikking hadden. Ruim de helft van de ouders heeft de kinderen zelf begeleid bij het afstandsleren. Voor 59% van de werkende ouders was het moeilijk om dat te combineren met het uitoefenen van de eigen job. Wat digitalisering betreft, geeft 47% aan het internet nu vaker te gebruiken dan voor de crisis. Die toename ligt hoger bij vrouwen, hooggeschoolden, personen die wonen in een huishouden met kinderen en personen in de grootsteden. Gevraagd naar een beoordeling van de overheidsaanpak van de coronacrisis, blijkt de groep die hierover negatief oordeelt groter dan de groep die positief oordeelt. Mannen zijn kritischer dan vrouwen, jongeren kritischer dan ouderen. Tegelijk is bijna drie kwart van mening dat de opgelegde richtlijnen helpen om de verspreiding van het coronavirus te beperken. Hoe ouder en hoe hoger opgeleid, hoe vaker men overtuigd is van de doeltreffendheid van de maatregelen.


INLEIDING Statistiek Vlaanderen (SV) publiceert op haar website de meest actuele Vlaamse openbare statistieken over tal van thema’s. In het voorjaar van 2020 brak onverwacht de coronapandemie uit, wat een grote impact had op de leefsituatie van de bevolking. Daarbij ontstond de nood aan betrouwbare en actuele data om de impact van de crisis in kaart te brengen. Statistiek Vlaanderen nam daarom het initiatief om een specifieke burgerbevraging op te zetten over de impact van de COVID-19crisis. De bevraging werd ontwikkeld in samenspraak met actoren uit het netwerk Statistiek Vlaanderen en een aantal externe experten. Dit rapport is het laatste in een reeks van 3 rapporten waarin de algemene resultaten van de COVID-19-bevraging worden voorgesteld. In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van de vragen over wonen, mobiliteit, kinderwens, onderwijs, digitalisering en

de aanpak van de crisis door de overheid. In een eerste rapport, gepubliceerd eind april, werd ingegaan op de vragen over gezondheid, welzijn en sociale contacten. In een 2de rapport, dat half mei verscheen, stonden de thema’s werk, inkomen en levenslang leren centraal. Alle rapporten zijn te vinden op de website van Statistiek Vlaanderen: www.statistiekvlaanderen.be. Verderop in 2021 zullen aanvullend nog bijkomende SV-rapporten gepubliceerd worden waarin bepaalde topics van de COVID-19-bevraging meer in de diepte worden uitgespit. Vanaf midden 2021 worden de data ook ter beschikking gesteld aan derden die zelf analyses willen uitvoeren op de data. Geïnteresseerden kunnen een data-aanvraag indienen bij Statistiek Vlaanderen via een aanvraagformulier dat opgevraagd kan worden door te mailen naar sv@vlaanderen.be.

5


1.


GEBRUIKTE METHODE

1

De resultaten van de COVID-19-bevraging voldoen dankzij de gebruikte hoogwaardige methodologie aan de hoogste statistische kwaliteitsstandaarden. Er werd vooreerst gebruik gemaakt van een toevalssteekproef op basis van het Rijksregister. 20.000 personen van 18 jaar en ouder die wonen in het Vlaamse Gewest werden willekeurig geselecteerd voor deelname aan de bevraging. De COVID-19-bevraging was daarnaast opgebouwd als een zogenaamde ‘mixed mode’-bevraging. Dat betekent dat de respondenten de vragenlijst op verschillende manieren konden invullen. De geselecteerde personen werden eind januari 2021 per brief uitgenodigd om de bevraging online in te vullen. Wie niet online deelnam, kreeg eind februari alsnog een schriftelijke vragenlijst in de bus. De bevraging werd afgesloten eind maart 2021. De combinatie van een online en papieren vragenlijst zorgde ervoor dat ook personen die geen of onvoldoende digitale toegang hebben, mee werden opgenomen in de bevraging. Ten slotte werd de vragenlijst zo opgesteld dat hij makkelijk in te vullen is via de smartphone (‘mobile first’-design). Daarmee wordt ingespeeld op de sterke toename van de rol van de smartphone in onlinecommunicatie en dit met het oog op een beter bereik van specifieke moeilijk bereikbare groepen zoals jongeren. De voornaamste uitdagingen bij het uitwerken van het ‘mobile first’-principe liggen bij het reduceren van de lengte van de vragenlijst en het herontwerpen van de vraagstelling om het invullen van de vragen zo eenvoudig mogelijk te maken. Dat vertaalt zich concreet in het gebruik van kortere vragen die passen op het kleinste scherm (smartphone) en in het beperken van de vraaglast via het gebruik van een beperkt aantal antwoordmogelijkheden en toegankelijk taalgebruik. De combinatie van bovenstaande elementen zorgt ervoor dat de resultaten van de COVID-19-bevraging een uniek representatief beeld geven van de impact van de coronacrisis op de houdingen, gedragingen en leefsituatie van de inwoners van het Vlaamse Gewest. Uiteindelijk leverde de COVID-19-bevraging 10.035 bruikbare enquêtes op. Afgezet tegenover de brutosteekproef van 20.000 personen komt dat overeen met een responsgraad van 50,2%. Van de 10.035 bruikbare enquêtes werden er 72,5% online ingevuld en 27,5% op papier. Naar achtergrondkenmerken van de respondenten stellen we hier opvallende verschillen vast, vooral naar leeftijd en opleiding. Terwijl bij de respondenten tot 35 jaar maar 14% via de papieren vragenlijst deelnam, stijgt dat aandeel tot 57% bij de 75-plussers. Ook sprekend is het verschil naar opleidingsniveau: 47% van de laaggeschoolden nam deel via de papieren vragenlijst, bij hooggeschoolden gaat het om 14%. Het onderstreept het belang van het aanbieden van een

7


papieren versie van de bevraging. Indien dat niet gebeurt, bestaat het risico dat een belangrijk deel van de doelgroep niet wordt bereikt, vooral dan oudere en laagopgeleide respondenten. Omwille van de onvermijdelijke verschillen in de respons naar achtergrondkenmerken werd de uiteindelijke steekproef gewogen bij de berekening van de resultaten. Dat houdt in dat men de ondervertegenwoordigde groepen meer laat doorwegen, terwijl de groepen die oververtegenwoordigd zijn minder gewicht krijgen. Op die manier worden de verhoudingen tussen de verschillende doelgroepen in de uiteindelijke steekproef hersteld en in overeenstemming gebracht met het steekproefkader. Zo bekomt men een representatieve steekproef voor de beoogde doelpopulatie, alvast op grond van de gebruikte achtergrondkenmerken. Bij de weging van de COVID-19-bevraging werd rekening gehouden met volgende 5 achtergrondkenmerken: geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, nationaliteit (Belg/niet-Belg) en urbanisatiegraad. Een meer uitgebreide bespreking over de steekproeftrekking, de manier waarop de vragenlijst werd aangeboden (‘mixed mode’), het ontwerp van de vragenlijst (‘mobile first’), de gerealiseerde respons, de representativiteit van de bevraging en de gebruikte weging is te vinden in het eerder gepubliceerde eerste rapport dat raadpleegbaar is op www.statistiekvlaanderen.be.


9


2.


RESULTATEN COVID-19-BEVRAGING 2

In dit rapport worden de algemene resultaten gepresenteerd van de vragen uit de COVID-19-bevraging over wonen, mobiliteit, kinderwens, onderwijs, digitalisering en de aanpak van de crisis door de overheid. Daarbij worden telkens eerst de resultaten voor de totale relevante populatie besproken, waarna ingegaan wordt op mogelijke verschillen naar een aantal achtergrondkenmerken. Om te beoordelen of er sprake is van een statistisch significant verschil tussen de scores van de verschillende groepen binnen een bepaald achtergrondkenmerk (bijvoorbeeld tussen mannen en vrouwen) wordt gebruik gemaakt van de Cramer’s V-test. Als de bijhorende p-waarde kleiner is dan 0,050 beschouwen we het verband als significant. Dat geven we aan in de figuren door de staven een blauwe kleur te geven. In de beschrijving van de verschillen staan we ook voornamelijk stil bij de significante verschillen. In de figuren van dit rapport zijn niet alle resultaten opgenomen. Die zijn raadpleegbaar in de bijlage die samen met dit rapport gepubliceerd werd op de website van Statistiek Vlaanderen (www.statistiekvlaanderen.be). In de bijlage is bij elke vraag ook telkens het aantal respondenten opgenomen.

2.1 WONEN Een uitgebreid deel van de vragenlijst van de COVID-19-bevraging peilt naar de impact van de coronacrisis op de woonsituatie, op de tevredenheid over de woning en op de woonkosten. De belangrijkste resultaten van de vragen over deze aspecten worden hierna besproken.

2.1.1 WOONSITUATIE 80% van de bevraagden woont op het moment van de bevraging in een huis, 19% in een appartement of studio. De overige 1% woont in een seniorenwoning, serviceflat of een woonzorgcentrum. 5% geeft aan niet over een tuin of balkon te beschikken. De grote meerderheid is zelf (of een gezinslid) eigenaar van de woning waarin men woont (77%). 16% huurt een private woning, 4% een sociale woning. Ruim 4 op de 5 zijn op het moment van de bevraging (heel) tevreden over de woning waarin ze wonen (83%). Een minderheid is (heel) ontevreden (8%). Nog eens 8% is niet tevreden en niet ontevreden.

11


Gevraagd naar welke aspecten van de woning als nadelig ervaren worden tijdens de coronacrisis, wordt een gebrek aan ruimte het vaakst aangeduid (8%). Daarna volgen een gebrekkige kwaliteit van de woning (7%), onvoldoende winkels en voorzieningen in de buurt en een te kleine tuin of balkon (telkens 6%). Ruim 6 op de 10 geven aan dat geen enkel aspect van de woning als nadelig wordt ervaren. Tabel 1. Aspecten van de woning die als nadelig ervaren worden tijdens de coronacrisis Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % IN %

Onvoldoende ruimte Een gebrekkige kwaliteit van de woning (ramen, verwarming, dak, ...) Een te kleine tuin of balkon Onvoldoende voorzieningen en winkels in de buurt Onvoldoende groen in de buurt Geen tuin of balkon Een te drukke buurt Iets anders Geen van bovenstaande aspecten Weet niet/geen antwoord

8 7 6 6 5 4 4 4 61 8

Noot: doordat respondenten bij deze vraag meer dan 1 antwoord konden aanduiden, is de som van de percentages in de tabel groter dan 100%. Het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Er bestaan geen noemenswaardige verschillen tussen mannen en vrouwen in de aspecten die ze als nadelig beschouwen aan hun woning. Naar leeftijd zijn er wel enkele verschillen. Een gebrekkige kwaliteit van de woning, onvoldoende ruimte, een te kleine of geen tuin en onvoldoende groen in de buurt worden door de groepen tussen 18 en 44 jaar opvallend vaker aangeduid. Hoe ouder, hoe vaker men aangeeft dat onvoldoende voorzieningen en winkels in de buurt een probleem vormen. Bij de personen ouder dan 75 loopt dat aandeel op tot 13%. Hooggeschoolden ervaren het gebruik aan ruimte, een te kleine tuin of onvoldoende groen in de buurt het vaakst als nadelig. Laaggeschoolden geven de nabijheid van voorzieningen en winkels vaker aan als een nadelig aspect. Naar huishoudpositie wijzen personen die zonder partner maar met kinderen wonen het vaakst op een gebrekkige kwaliteit van hun woning (12%) en op onvoldoende ruimte (12%). Ook andere huishoudposities met kinderen geven duidelijk vaker aan dat ze te kampen hebben met onvoldoende ruimte in huis. Tegelijk wijzen alleenstaanden meer dan andere huishoudposities op een gebrek aan tuin of balkon en onvoldoende groen in de buurt.


Figuur 2.1.1.a. Aandeel dat leeft in woning met een gebrekkige kwaliteit, onvoldoende ruimte, te drukke buurt en onvoldoende voorzieningen in de buurt naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Gebrekkige kwaliteit Totaal

7

Man

7

Vrouw

7

18-24 jaar

9 8

10

35-44 jaar

65-74 jaar 75 jaar en ouder

Met partner en kind(eren)

Laaggeschoold

12

12

8

Middengeschoold Hooggeschoold

11

7 8 6

5 5 4 4 7 13

7 4

7

Bij ouders

7

5

4

Niet met partner wel met kind(eren)

6

4

7

5

4

3

2

9

6

3

2 3

4

4

3

4

6

4

7

5

4

6

15

7

Onvoldoende voorzieningen

5 17

11

Woont alleen Met partner zonder kinderen

13

12

45-54 jaar

Te drukke buurt

8

25-34 jaar

55-64 jaar

Onvoldoende ruimte

12

6

4

3

6

5

5

5

8

3 8 10

5 5

8 6 5

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

13


Figuur 2.1.1.b. Aandeel dat leeft in woning zonder tuin of balkon, een te kleine tuin of balkon en onvoldoende groen in de buurt naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Geen tuin of balkon

Te kleine tuin of balkon

Onvoldoende groen in de buurt

Totaal

4

6

5

Man

4

6

5

Vrouw

4

6

5

18-24 jaar

5

8

25-34 jaar

8

35-44 jaar 45-54 jaar

7 11

6

10

8

3

6

5

5

55-64 jaar

2

65-74 jaar

2

2

3

75 jaar en ouder

2

2

3

3

Woont alleen

9

Met partner zonder kinderen Met partner en kind(eren)

3

2

6 5

3

Niet met partner wel met kind(eren)

7

Bij ouders

4

Laaggeschoold

4

Middengeschoold

4

Hooggeschoold

4

7 4

6

5

6

5

5

7

4

4

5

5 7

6

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


De verschillen tussen de provincies blijven vrij beperkt. Een te drukke buurt is het minst een probleem in Limburg. Het aandeel dat onvoldoende winkels en voorzieningen aangeeft, ligt het laagst in Antwerpen. In Antwerpen en Oost-Vlaanderen ligt het aandeel met geen of een te kleine tuin of balkon en onvoldoende groen in de buurt het hoogst. Naar urbanisatiegraad zijn de verschillen iets meer uitgesproken: in de groot- en centrumsteden is er duidelijk minder tevredenheid over de kwaliteit van de woning en wordt onvoldoende ruimte en een te drukke buurt vaker als nadelig gezien. Ook het aandeel met geen of een te kleine tuin of balkon en onvoldoende groen in de buurt ligt het hoogst in de groot- en centrumsteden. Onvoldoende voorzieningen in de buurt worden vooral op het platteland als nadelig ervaren. Figuur 2.1.1.c. Aandeel dat leeft in woning met gebrekkige kwaliteit, onvoldoende ruimte, te drukke buurt en onvoldoende voorzieningen in de buurt naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Gebrekkige kwaliteit Totaal

7

Antwerpen Limburg

8 7

West-Vlaanderen

7

Grootsteden

Overgangsgebied Platteland

5 2

8

5

8

6 7 6 7

4 7 6

4

7

8

4

7

14

10

Onvoldoende voorzieningen 6

8

11

Centrumsteden

Te drukke buurt 4

9

6

Vlaams-Brabant

Kleinere steden

8

8

Oost-Vlaanderen

Stedelijke rand

Onvoldoende ruimte

10

9 5

4 4

7

4

6

7

4

6

7 7

3 2

6 9

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

15


Figuur 2.1.1.d. Aandeel dat leeft in woning zonder tuin of balkon, een te kleine tuin of balkon en onvoldoende groen in de buurt naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Geen tuin of balkon Totaal

4

Antwerpen 2

Oost-Vlaanderen

4

Vlaams-Brabant

5

6

6

4

3 8

3

6

4

West-Vlaanderen

2

Grootsteden

4

5

5

14

Centrumsteden

5

Stedelijke rand

2

Kleinere steden

4

Overgangsgebied

2

Onvoldoende groen in de buurt

6

6

Limburg

Platteland

Te kleine tuin of balkon

1

13

12

9 4

5 6

4 2

9

5 3 2

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.1.2 WOONKOST De helft van de bevraagden geeft aan dat de woonkost op het moment van de bevraging geen zware last vormt voor het huishoudbudget. Voor 29% vormt de woonkost min of meer een zware last en voor 11% gaat het om een zware last. Daarnaast heeft 10% hier geen zicht op of kiest ervoor om niet op deze vraag te antwoorden. In vergelijking met de situatie voor de coronacrisis weegt voor 15% de woonkost zwaarder door dan ervoor. Voor 66% is er geen verschil en voor 3% weegt de woonkost minder zwaar door. Ook hier zegt een behoorlijk grote groep het niet te weten of geeft geen antwoord.


Figuur 2.1.2.a. Vergelijking zwaarte woonkost voor huishoudbudget op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Weegt nu zwaarder door dan ervoor

15

Weegt nu evenveel als ervoor

66

Weegt nu minder zwaar door dan ervoor

3

Weet niet/geen antwoord

16

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Tussen mannen en vrouwen blijven de verschillen op dit vlak vrij beperkt. Naar leeftijd zijn de verschillen groter. Bij de groepen van 25 tot 54 jaar zegt telkens ongeveer 20% dat de woonkost nu zwaarder doorweegt dan voor de coronacrisis. Bij de leeftijdsgroepen boven de 65 jaar is dat aandeel een stuk lager (8% tot 9%). Naar huishoudpositie geeft de groep die zonder partner woont maar met kinderen het vaakst aan dat de woonkost zwaarder doorweegt dan voor de coronacrisis (25%). Bij de personen met partner maar zonder kinderen ligt dat aandeel het laagst (11%). Het aandeel dat aangeeft dat de woonkost zwaarder doorweegt dan voor de coronacrisis ligt hoger bij de midden- en laaggeschoolden (16% tot 17%) dan bij de hooggeschoolden (12%).

17


Figuur 2.1.2.b. Vergelijking zwaarte woonkost voor huishoudbudget op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Weegt zwaarder door Totaal

15

Man

3

16

Vrouw

14

18-24 jaar

14

3 2

1

25-34 jaar

21

35-44 jaar

2

19

55-64 jaar

75 jaar en ouder

3

20

45-54 jaar

65-74 jaar

Weegt minder zwaar door

3

13

3

8

3 9

2

Woont alleen Met partner zonder kinderen

16 11

3

Met partner en kind(eren)

17

Niet met partner wel met kind(eren)

3 25

Bij ouders

14

Laaggeschoold

17 12

2 2

16

Middengeschoold Hooggeschoold

3

3 3 3

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


De verschillen tussen de provincies blijven beperkt. Naar urbanisatiegraad zijn de verschillen iets meer uitgesproken: in de grootsteden, centrumsteden en kleinere steden zegt telkens 17% dat de woonkost nu zwaarder doorweegt dan voor de coronacrisis, in de gemeenten in het overgangsgebied, de stadsrand en het platteland gaat het telkens om 13% tot 14%. Figuur 2.1.2.c Vergelijking zwaarte woonkost voor huishoudbudget op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Weegt zwaarder door

Weegt minder zwaar door

Totaal

15

Antwerpen

15

2

Limburg

15

2

Oost-Vlaanderen

16

Vlaams-Brabant West-Vlaanderen

3

15

2

14

3

Grootsteden

17

Centrumsteden

17

Stedelijke rand

13

Kleinere steden Overgangsgebied Platteland

13

3 2 3

17 14

3

3 2 3

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

19


2.2 MOBILITEIT Wat mobiliteit betreft, werd aan de respondenten gevraagd om aan te geven in welke mate hun gebruik van bepaalde vervoersmiddelen voor dagelijkse verplaatsingen is gewijzigd in vergelijking met de periode voor de coronacrisis. Niet alle vervoersmiddelen worden door de gehele bevolking gebruikt. Zo geven 2 op de 3 aan dat ze de trein en de bus, tram of metro nooit gebruiken (niet op het moment van de bevraging en niet voor de coronacrisis). Bij de motor, brommer of scooter loopt dat op tot 86%. Slechts 10% geeft aan niet te wandelen of zich te verplaatsen met de auto. Tabel 2. Aandeel dat aangeeft vervoersmiddel niet te gebruiken (niet op moment van bevraging en niet voor de coronacrisis) Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % GEEN GEBRUIK

Auto Trein Tram, bus, metro (Elektrische) fiets Motor, brommer of scooter Te voet

10 65 66 37 86 10

Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Aangezien het doel hier niet is om het gebruik van een bepaald vervoersmiddel op het moment van de bevraging in beeld te brengen, maar wel om de verschuiving van het gebruik van een vervoersmiddel tegenover de periode voor de coronacrisis te analyseren, wordt er bij de verdere berekeningen geen rekening gehouden met de respondenten die aangaven dat ze het vervoersmiddel in kwestie nu niet en ook niet voor de coronacrisis gebruiken. De uitspraken in het onderstaande stuk over wijzigingen in gebruik gaan dan ook niet over de gehele bevolking, maar telkens enkel over dat deel van de bevolking dat een bepaald vervoersmiddel gebruikt, bijvoorbeeld de autogebruikers of de treingebruikers.


Tabel 3. Vergelijking van gebruik van vervoersmiddelen met situatie voor de coronacrisis bij groep die aangeeft vervoersmiddel te gebruiken Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % NU MINDER VAAK

NU ONGEVEER EVEN VAAK

NU VAKER

WEET NIET/ GEEN ANTWOORD

45 65 66 20 18 10

46 17 19 45 29 38

7 5 5 29 7 50

2 12 11 6 47 3

Auto Trein Tram, bus, metro (Elektrische) fiets Motor, brommer of scooter Te voet Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Iets minder dan de helft van de autogebruikers geeft aan de wagen nu minder vaak te gebruiken dan voor de coronacrisis. 2 op de 3 gebruikers van het openbaar vervoer geven aan de trein, tram, bus of metro minder te gebruiken. Bij 2 vervoersmiddelen is het gebruik duidelijk gestegen. Dat is het geval bij wandelen en fietsen.

2.2.1 WIJZIGING AUTOGEBRUIK Als aan de autogebruikers gevraagd wordt om hun gebruik van de wagen te vergelijken met de situatie voor de coronacrisis, dan geeft 45% aan de wagen minder te gebruiken (zie tabel 3). Voor 46% is er weinig tot geen verschil in gebruik. 7% van de autogebruikers geeft aan de wagen meer te gebruiken. Bij de verschuiving van het autogebruik is er nagenoeg geen verschil tussen mannen en vrouwen. De verschillen naar leeftijd zijn meer uitgesproken. De jongere groepen geven vaker aan dat ze de wagen nu meer gebruiken dan voor de coronacrisis. Hoe ouder, hoe vaker de autogebruikers de wagen nu minder te gebruiken. Autogebruikers die alleen wonen (49%) of met een partner zonder kinderen (50%) geven het meest aan de auto minder vaak te gebruiken in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis. Bij gezinnen met kinderen ligt dat aandeel op 41 tot 42%. De laagste score wordt genoteerd door de autogebruikers die (nog) bij hun ouders wonen. Hier geeft slechts 37% aan de auto minder te gebruiken. Tegelijk geeft 19% van hen aan de wagen nu net meer te gebruiken. Hooggeschoolden (51%) geven vaker aan de auto nu minder te gebruiken dan laag- en middengeschoolden (43% en 40%).

21


Figuur 2.2.1.a. Vergelijking gebruik van auto op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij autogebruikers naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak

Nu vaker

Totaal

45

7

Man

45

7

Vrouw

45

8

18-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar

39

22

34

12 40

45-54 jaar

8

42

55-64 jaar

6 46

4

65-74 jaar

56

75 jaar en ouder

59

Woont alleen

Hooggeschoold

5

41

Niet met partner wel met kind(eren)

Middengeschoold

6

50

Met partner en kind(eren)

Laaggeschoold

3

49

Met partner zonder kinderen

Bij ouders

3

6

42

6

37

19

43

7

40

7 51

7

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


Tussen de provincies blijvende verschillen bij de verschuivingen in het autogebruik relatief beperkt. In West-Vlaanderen (38%) geeft wel een lager aandeel van de autogebruikers aan de wagen nu minder te gebruiken dan voor de coronacrisis. Naar urbanisatiegraad zijn de verschillen iets duidelijker. In de grootsteden geeft 12% van de autogebruikers aan de wagen nu meer te gebruiken. In de gemeenten op het platteland is dat slechts 5%. Het platteland kent ook de kleinste groep die aangeeft de wagen minder te gebruiken. Figuur 2.2.1.b. Vergelijking gebruik van auto op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij autogebruikers naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak

Nu vaker

Totaal

45

7

Antwerpen

45

8

Limburg

49

Oost-Vlaanderen

45

Vlaams-Brabant West-Vlaanderen

8 49

38

Grootsteden

8 7

46

Centrumsteden

5

44

12 9

Stedelijke rand

46

Kleinere steden

46

6

Overgangsgebied

46

6

Platteland

40

8

5

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

23


2.2.2 WIJZIGING TREINGEBRUIK 65% van de treingebruikers geeft aan de trein nu minder te gebruiken dan voor de coronacrisis (zie tabel 3). Voor 17% is er weinig tot geen verschil in gebruik. 5% van de treingebruikers gebruikt de trein meer dan voor de crisis. Bij de verschuiving van het treingebruik is er weinig verschil tussen mannen en vrouwen. Er zijn ook slechts beperkte verschillen tussen de leeftijdsgroepen. Bij de verschillende huishoudposities vallen de alleenstaande ouders op. Van de treingebruikers in die groep geeft 50% aan de trein nu minder te gebruiken. Dat is beduidend lager dan het algemeen gemiddelde van 65%. Hooggeschoolden (73%) geven veel frequenter aan de trein nu minder te gebruiken dan laag- en middengeschoolden (55% en 63%).


Figuur 2.2.2.a. Vergelijking gebruik van trein op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij treingebruikers naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak

Nu vaker

Totaal

65

Man

5

63

5

Vrouw

67

18-24 jaar

67

25-34 jaar

5

8

64

5

35-44 jaar

66

4

45-54 jaar

65

5

55-64 jaar

63

6

65-74 jaar

66

4

75 jaar en ouder

67

3

Woont alleen

63

4

Met partner zonder kinderen

67

5

Met partner en kind(eren)

68

5

Niet met partner wel met kind(eren)

50

7

Bij ouders Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

69

55

7

3 63

6 73

5

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

25


Tussen de provincies zijn er niet zoveel verschillen bij de verschuivingen in het treingebruik. Vlaams-Brabant is de provincie waar het grootste aandeel van de treingebruikers aangeeft de trein nu minder te gebruiken. Ook naar urbanisatiegraad blijven de verschillen beperkt. In de stedelijke rand geeft 61% van de treingebruikers aan minder de trein te gebruiken, terwijl dat in centrumsteden oploopt tot 69%. Figuur 2.2.2.b. Vergelijking gebruik van trein op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij treingebruikers naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak

Nu vaker

Totaal

65

5

Antwerpen

66

5

Limburg

63

Oost-Vlaanderen

64

Vlaams-Brabant

5 69

West-Vlaanderen

63

Grootsteden

63

Centrumsteden Stedelijke rand

3

4 8

6 69

61

6 6

Kleinere steden

67

5

Overgangsgebied

68

4

Platteland

63

6

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


2.2.3 WIJZIGING GEBRUIK BUS, TRAM, METRO Als aan de tram-, bus- of metrogebruikers gevraagd wordt om hun huidig gebruik van deze vervoersmiddelen te vergelijken met de situatie voor de coronacrisis, dan geeft 66% aan de bus, tram of metro minder te gebruiken (zie tabel 3). Voor 19% is er weinig tot geen verschil in gebruik. 5% van de gebruikers gebruikt de bus, tram of metro nu meer. Bij de verschuiving van het bus-, tram- en metrogebruik is er sprake van een beperkt verschil tussen mannen en vrouwen. Vrouwelijke bus-, tram- of metrogebruikers (68%) geven iets vaker dan mannelijke gebruikers (63%) aan deze vervoersmiddelen nu minder te gebruiken. Ook naar leeftijd blijven de verschillen beperkt. Bij de verschillende huishoudposities vallen de alleenstaanden en alleenstaande ouders op. Van de bus-, tram-, en metrogebruikers in die groepen geeft respectievelijk 60% en 51% aan de bus, tram of metro nu minder te gebruiken. Dat is beduidend lager dan het algemeen gemiddelde van 66%. Hooggeschoolden (75%) geven veel frequenter aan de bus, tram of metro nu minder te gebruiken dan laag- en middengeschoolden (57% en 64%).

27


Figuur 2.2.3.a. Vergelijking gebruik van tram, bus of metro op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij tram-, bus- of metrogebruikers naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak

Nu vaker

Totaal

66

Man

5

63

Vrouw

5 68

18-24 jaar

5

70

6

25-34 jaar

64

5

35-44 jaar

65

4

45-54 jaar

60

55-64 jaar

5 65

5

65-74 jaar

69

3

75 jaar en ouder

68

4

Woont alleen

60

5

Met partner zonder kinderen

69

Met partner en kind(eren) Niet met partner wel met kind(eren)

4

67

4

51

7

Bij ouders

68

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

7

57

7 64

5 75

3

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naar urbanisatiegraad of tussen de provincies blijven de verschillen bij de verschuivingen in het gebruik van bus, tram of metro eerder beperkt. Limburg is de provincie met het kleinste aandeel van de bus-, tram- of metrogebruikers dat aangeeft deze vervoersmiddelen nu minder te gebruiken (57%). In Antwerpen ligt dat aandeel het hoogst (69%).


Figuur 2.2.3.b. Vergelijking gebruik van tram, bus of metro op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij tram-, bus- of metrogebruikers naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak

Nu vaker

Totaal

66

Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen

69 57

5

4 5

65 67 64

6 4 6

Grootsteden

67

7

Centrumsteden

66

6

Stedelijke rand Kleinere steden

69 63

3 5

Overgangsgebied

65

4

Platteland

65

4

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.2.4 WIJZIGING GEBRUIK (ELEKTRISCHE) FIETS 20% van de fietsers geeft aan de (elektrische) fiets minder te gebruiken dan voor de coronacrisis (zie tabel 3). Voor 45% is er weinig tot geen verschil in gebruik. 29% van de fietsgebruikers fietst nu vaker. Bij de verschuiving van het fietsgebruik blijft het verschil tussen mannen en vrouwen beperkt. Er zijn iets duidelijkere verschillen tussen de leeftijdsgroepen. Bij de meeste leeftijdsgroepen is het aandeel fietsers dat zegt nu meer te fietsen groter dan het aandeel dat zegt nu minder te fietsen. Behalve bij de jongste en de oudste leeftijdscategorie. Daar zijn er meer fietsers die aangeven minder te fietsen sinds de coronacrisis. Bij personen met inwonende kinderen ligt het aandeel dat zegt nu meer te fietsen het hoogst. Ze hebben ook het laagste aandeel dat zegt minder

29


te fietsen. Verder valt ook de groep op die (nog) bij hun ouders inwonen. Bij die groep is het aandeel dat zegt nu minder te fietsen (26%) groter dan het aandeel dat zegt meer te fietsen (25%). Er zijn beperkte verschillen bij de verschuiving van het fietsgebruik als gekeken wordt naar opleidingsniveau. Bij de lager opgeleiden zegt 26% nu meer te fietsen. Bij de hoger opgeleiden is dat 31%. Noch naar provincie, noch naar urbanisatiegraad zijn er noemenswaardige verschillen te noteren bij de veranderingen in het fietsgebruik.


Figuur 2.2.4.a. Vergelijking gebruik van (elektrische) fiets op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij (elektrische) fietsers naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak

Nu vaker

Totaal

20

Man

20

Vrouw

29

28

19

30

18-24 jaar

35

25-34 jaar

21

35-44 jaar

28

18

45-54 jaar

29

14

55-64 jaar

32

13

65-74 jaar

32 19

75 jaar en ouder

32 27

Woont alleen

19

Met partner zonder kinderen

21

27

20

Met partner en kind(eren) Niet met partner wel met kind(eren)

20

29

15

32

12

34

Bij ouders Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

26

19 21 19

25

26 29 31

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

31


2.2.5 WIJZIGING GEBRUIK MOTOR, BROMFIETS EN SCOOTER 18% van de motor-, bromfiets- en scootergebruikers geeft aan dat vervoersmiddel nu minder te gebruiken dan voor de coronacrisis (zie tabel 3). Voor 29% is er weinig tot geen verschil in gebruik. 7% van de gebruikers gebruikt de motor, brommer of scooter nu meer. Het aantal respondenten in de bevraging dat aangeeft de motor, bromfiets of scooter te gebruiken is te klein om verdere opdelingen te kunnen maken naar achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd of urbanisatiegraad.

2.2.6 WIJZIGING VERPLAATSINGEN TE VOET Een laatste aspect dat hier besproken wordt zijn de verplaatsingen te voet. Als aan de personen die zich soms te voet verplaatsen gevraagd wordt om hun wandelgedrag te vergelijken met de situatie voor de coronacrisis, dan geeft 10% aan zich nu minder te voet te verplaatsen (zie tabel 3). Voor 38% is er weinig tot geen verschil. 50% van diegenen die zich te voet verplaatsen wandelt nu vaker. Bij de verschuiving van het wandelgedrag is er een beperkt verschil tussen mannen en vrouwen. Bij de vrouwelijke wandelaars geeft 53% aan nu meer te wandelen. Bij de mannen is dat 47%. Het toegenomen wandelgedrag is minder uitgesproken bij de jongste en de oudste leeftijdsgroep. Beide leeftijdsgroepen tellen ook een groter aandeel wandelaars dat zegt nu minder te wandelen dan voor de crisis. Van de personen die samenwonen met partner en kind(eren) stelt 55% nu vaker te wandelen. Bij alleenstaande wandelaars ligt dat aandeel het laagst (43%). Bij de alleenstaanden zegt ook 12% minder te wandelen dan voor de coronacrisis. Bij wie (nog) inwoont bij de ouders ligt dat op 15%. Hooggeschoolden (57%) geven veel frequenter dan laag- (43%) en middengeschoolden (47%) aan nu meer te wandelen. Het aandeel wandelaars dat nu minder wandelt, ligt bij de laag- en middengeschoolden hoger dan bij de hooggeschoolden.


Figuur 2.2.6.a. Vergelijking van verplaatsingen te voet op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij wandelaars naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak Totaal

10

Man

10

Vrouw

50

47

9

53

18-24 jaar

17

25-34 jaar

7

35-44 jaar

8

45-54 jaar

6

55-64 jaar

7

65-74 jaar

49 56 51

9

51 22

Woont alleen

12

Met partner zonder kinderen

9

Niet met partner wel met kind(eren)

34

43 51

6

55

10

Bij ouders

51 15

Laaggeschoold

12

Middengeschoold

11

Hooggeschoold

45 55

75 jaar en ouder

Met partner en kind(eren)

Nu vaker

47

43 47

6

57

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

33


Er zijn slechts beperkte provinciale verschillen bij de veranderingen in wandelgedrag. In Limburg geven personen het vaakst aan nu meer te wandelen (55%). Naar urbanisatiegraad zijn er geen noemenswaardige verschillen te noteren. Figuur 2.2.6.b. Vergelijking van verplaatsingen te voet op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij wandelaars naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Nu minder vaak

Nu vaker

Totaal

10

50

Antwerpen

10

50

Limburg

10

Oost-Vlaanderen

10

Vlaams-Brabant

10

49

West-Vlaanderen

8

49

Grootsteden

9

Centrumsteden

10

Stedelijke rand

10

Kleinere steden

10

Overgangsgebied

9

Platteland

8

55 50

51 50 49 50 51 49

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.3 KINDERWENS Er werd in de COVID-19-bevraging ook gepeild naar de impact van de coronacrisis op de eventueel aanwezige plannen om binnen afzienbare tijd kinderen te krijgen. Dat gebeurde aan de hand van 2 vragen. Eerst werd gevraagd of men voor de coronacrisis van plan was om (nog) een kind te krijgen binnen de 3 jaar. Personen die hierop antwoordden met ‘zeker wel’ of ‘waarschijnlijk wel’, konden vervolgens aangeven of deze kinderwens nog steeds aanwezig was op het moment van de bevraging (een jaar na de start van de coronacrisis).


De hieronder gepresenteerde resultaten hebben telkens enkel betrekking op de antwoorden van de personen van 18 tot en met 54 jaar. Het gaat om in totaal 5.420 personen.

2.3.1 KINDERWENS VOOR DE CORONACRISIS 17% van alle respondenten was voor de coronacrisis zeker of waarschijnlijk van plan een kind te krijgen binnen de 3 jaar. Dat aandeel lag bij vrouwen (18%) iets hoger dan bij mannen (16%). Vruchtbaarheid zit traditioneel erg geconcentreerd in de leeftijdsgroep van de 25- tot 34-jarigen. Dat wordt ook weerspiegeld in de kinderwens: van de personen tussen 25 en 34 jaar uit 43% een kinderwens voor de coronacrisis. Bij de 35- tot 44-jarigen is dat 16%. Zowel in de jongste (18- tot 24-jarigen) als in de oudste leeftijdsgroep (45- tot 54-jarigen) liggen de aandelen met een kinderwens veel lager. Hooggeschoolden wensen vaker een kind dan laaggeschoolden en middengeschoolden: 21% van de hooggeschoolden had voor de coronacrisis plannen om een kind te krijgen, tegenover 14% in de beide andere groepen. Er zijn ook sterke verschillen naar huishoudpositie. Van de personen die met een partner samenwonen maar niet met kinderen, plande iets meer dan 1 op de 3 een kind voor de crisis. In de groep die met een partner samenwoont en kinderen, maakte 15% plannen om een kind te krijgen. Ook van de alleenwonenden had 16% een kinderwens voor de crisis. Van de personen die met kinderen maar niet met een partner samenwonen maakte 12% plannen voor een kind.

35


Figuur 2.3.1.a. Kinderwens voor de coranacrisis bij bevolking van 18 tot 54 jaar naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Zeker of waarschijnlijk wel kind binnen de 3 jaar Totaal

17

Man

16

Vrouw

18

18-24 jaar

6

25-34 jaar

43

35-44 jaar

16

45-54 jaar

1

Woont alleen

16

Met partner zonder kinderen

35

Met partner en kind(eren)

15

Niet met partner wel met kind(eren) Bij ouders

12 9

Laaggeschoold

14

Middengeschoold

14

Hooggeschoold

21

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Bewoners van steden uiten vaker plannen tot het krijgen van een kind voor de coronacrisis dan bewoners van gemeenten in het platteland of in het overgangsgebied. Tussen de provincies waren er voor de crisis geen verschillen in intenties tot het krijgen van kinderen.


Figuur 2.3.1.b. Kinderwens voor de coranacrisis bij bevolking van 18 tot 54 jaar naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Zeker of waarschijnlijk wel kind binnen de 3 jaar Totaal

17

Antwerpen

17

Limburg

17

Oost-Vlaanderen

16

Vlaams-Brabant

18

West-Vlaanderen

17

Grootsteden

20

Centrumsteden Stedelijke rand

18 14

Kleinere steden Overgangsgebied Platteland

19 15 16

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.3.2 KINDERWENS OP MOMENT VAN DE BEVRAGING In de bevraging gaven 914 personen aan dat ze voor de coronacrisis ‘zeker wel’ of ‘waarschijnlijk wel’ van plan waren om binnen de 3 jaar een kind te krijgen. Aan die groep werd gevraagd of deze plannen nog steeds aanwezig waren op het moment van de bevraging. Hun antwoorden geven een indicatie van de mate waarin mensen hun initiële plannen voor een kind al dan niet behielden in de loop van de crisis. Bij personen die aangeven niet langer een kind te plannen, kan het gaan om definitief afstel, maar ook om het langer uitstellen van het krijgen van kinderen. Mogelijk krijgt een deel van die groep dus alsnog een kind, maar dan later. In totaal geeft 17% van de personen die stelden dat ze voor de coronacrisis van plan waren om binnen de 3 jaar een kind te krijgen, aan dat zij die

37


plannen zeker of waarschijnlijk niet meer zullen uitvoeren. De grote meerderheid (78%) behoudt zijn of haar plannen om een kind te krijgen. 4% weet het niet of antwoordt niet op de vraag. Figuur 2.3.2.a. Kinderwens na de coronacrisis bij bevolking van 18 tot 54 jaar die voor de coronacrisis binnen de 3 jaar een kind wensten Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% nog steeds kind binnen de 3 jaar Zeker niet

6

Waarschijnlijk niet

11

Waarschijnlijk wel

35

Zeker wel

43

Weet niet/geen antwoord

4

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Vrouwen geven iets vaker dan mannen aan dat ze hun plannen hebben opgeborgen: 18% van de vrouwen is niet langer van plan om binnen de 3 jaar een kind te krijgen, tegenover 15% van de mannen. Naar leeftijd lijken de 25- tot 34-jarigen het minst vaak hun plannen te wijzigen. Maar de verschillen naar leeftijd zijn niet significant. Naar opleidingsniveau zijn er wel aanzienlijke verschillen. Waar onder hooggeschoolden 12% zijn of haar plannen opbergt of uitstelt, loopt dit aandeel op tot 21% bij laaggeschoolden en 23% bij middengeschoolden. Deze resultaten wijzen mogelijk op een sociale gradiënt in uitstel of afstel van vruchtbaarheid: personen met een zwakker sociaaleconomisch profiel lijken sneller over te gaan tot het uitstellen of definitief afstellen van het krijgen van kinderen. Ook naar huishoudpositie zijn er duidelijke verschillen in uitstel of afstel. Personen die reeds met een partner samenwonen houden vaker vast aan hun plannen dan de personen in andere gezinstypes. Slechts 8% onder hen stelt ze af of uit. In de andere gezinstypes gaan mensen veel meer over tot uitstel of afstel. Uitstel en afstel komen het vaakst voor onder personen die niet met een partner maar wel met kinderen samenwonen: 33% onder hen stelt de plannen af of uit. Ook onder alleenwonenden is het afstel of uitstel relatief hoog: 28% verandert zijn of haar plannen in vergelijking met de periode voor de coronacrisis.


Er zijn geen significante verschillen in uitstel of afstel van kinderwens naar urbanisatiegraad en provincie. Figuur 2.3.2.b. Kinderwens na de coranacrisis bij bevolking van 18 tot 54 jaar die voor de coronacrisis binnen de 3 jaar een kind wensten naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Geen kinderwens meer binnen de 3 jaar Totaal

17

Man

15

Vrouw

18

18-24 jaar

20

25-34 jaar

14

35-44 jaar

22

45-54 jaar

26

Woont alleen Met partner zonder kinderen

28 8

Met partner en kind(eren)

20

Niet met partner wel met kind(eren)

33

Bij ouders

23

Laaggeschoold

21

Middengeschoold Hooggeschoold

23 12

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.4 ONDERWIJS De COVID-19-bevraging bevatte verschillende vragen over het afstandsonderwijs tijdens de coronacrisis. Daarbij werd gevraagd naar de ervaringen van de kinderen met het afstandsonderwijs, de mate waarin de kinderen beschikken over een computer, laptop of tablet en over een

39


rustig plekje om te kunnen werken. Daarnaast werd ook gevraagd naar de ervaringen van de ouders zelf met het systeem van afstandsleren, meer bepaald naar de mate waarin zij hun kinderen hierbij hebben begeleid, de combinatie hiervan met hun eigen job en de mate waarin zij als ouder begrepen hebben wat er van hun kinderen werd verwacht tijdens het afstandsleren. Voor de berekening van de resultaten van de vragen over het afstandsonderwijs wordt hier enkel rekening gehouden met de antwoorden van personen met 1 of meer kinderen van 6 tot 17 jaar. Het gaat dus enkel om ouders met kinderen in het lager en secundair onderwijs. Dat betekent dat de resultaten hier geen betrekking hebben op de ervaringen van ouders met enkel kinderen in het kleuter of hoger onderwijs. Bij de opdeling van de resultaten naar achtergrondkenmerken is in sommige leeftijds- en huishoudgroepen het aantal respondenten te klein om zinvolle uitspraken te kunnen doen. Daarom worden in de figuren en de tekst enkel die groepen besproken met voldoende grote aantallen. Alle resultaten zijn wel opgenomen in de bijlage van het rapport.

2.4.1 ERVARINGEN VAN DE KINDEREN MET AFSTANDSLEREN Wat de ervaring van de kinderen met afstandsleren/preteaching betreft, is het belangrijk te benadrukken dat de hier gepresenteerde resultaten gebaseerd zijn op de antwoorden van de ouder, dus niet van de kinderen zelf. Er werd aan de personen met minstens 1 kind tussen 6 en 17 jaar gevraagd om voor elk van de kinderen aan te geven hoe zij de periode van afstandsleren/preteaching hebben ervaren. In de volledige steekproef heeft 19% van de bevraagde personen 1 of meer kinderen van 6 tot 17 jaar. Dat geeft informatie over in totaal 2.784 kinderen. Figuur 2.4.1.a. Ervaringen van kinderen met afstandsleren Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Moeilijk

39

Niet moeilijk, niet gemakkelijk

33

Gemakkelijk

17

Mijn kinderen hebben geen les op afstand gevolgd

10

Weet niet/geen antwoord

2

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


39% van de kinderen heeft, volgens de bevraagde ouder, het afstandsleren als moeilijk ervaren. Bijna een derde van de kinderen heeft het als niet moeilijk, maar ook niet als gemakkelijk ervaren. 17% van de kinderen heeft het afstandsleren als gemakkelijk ervaren. 10% heeft geen afstandsonderwijs gevolgd. Naargelang de leeftijd, de huishoudpositie en het opleidingsniveau van de bevraagde ouder blijken een aantal verschillen in de ervaringen van de kinderen. Ouders van 45 tot 54 jaar geven vaker aan dat hun kind de periode van afstandsleren als moeilijk heeft ervaren (46%). Bij ouders van 25 tot 34 jaar ligt dat aandeel duidelijk lager (24%). Ouders die zonder partner samenwonen geven iets vaker dan ouders die met een partner samenwonen aan dat het afstandsleren door het kind als moeilijk werd ervaren (respectievelijk 42% en 38%). Ook naar opleidingsniveau is er een verschil. Bij kinderen met een laaggeschoolde ouder heeft 12% van de kinderen het afstandsleren als gemakkelijk ervaren. Dat aandeel ligt op 19% bij kinderen met hooggeschoolde ouders. Naar provincie en urbanisatiegraad zijn er op dit vlak geen noemenswaardige verschillen.

41


Figuur 2.4.1.b. Ervaringen van kinderen met afstandsleren naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding van de ouder Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Moeilijk

Gemakkelijk

Totaal

39

17

Man

39

16

Vrouw

38

17

25-34 jaar

24

35-44 jaar

14 35

19

45-54 jaar

46

Met partner en kind(eren)

38

Niet met partner wel met kind(eren) Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

15

18 42

37 40 38

12

12 16 19

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.4.2 RANDVOORWAARDEN VOOR AFSTANDSLEREN Hierna wordt ingegaan op een aantal noodzakelijke randvoorwaarden voor het afstandsleren/preteaching, met name de aanwezigheid van een rustige plek in huis voor de kinderen om de lessen te volgen en schooltaken uit te voeren en de beschikbaarheid van een computer, laptop of tablet om dit te doen. Deze vragen werden door de ouder niet beantwoord voor elk kind apart maar met 1 antwoord voor alle kinderen in het gezin samen. De resultaten in dit onderdeel zijn gebaseerd op het antwoord van 1.905 ouders met 1 of meer inwonende kinderen van 6 tot 17 jaar.


Een grote meerderheid stelt dat hun kinderen een rustig plekje hebben om de lessen afstandsonderwijs te volgen (85%). 10% geeft aan dat dit niet zo is. 5% zegt het antwoord niet te weten of geeft geen antwoord. Naar geslacht van de ouders blijven de verschillen beperkt. Hoe ouder de ouders, hoe vaker ze aangeven dat hun kinderen een rustig plekje hebben om afstandsonderwijs te volgen: bij de 25- tot 34-jarigen gaat het om 76%, bij de 45- tot 54-jarigen om 91%. Personen die met een partner samenleven verklaren vaker dat hun kinderen een rustig plekje hebben dan personen zonder partner (respectievelijk 87% en 82%). Hoe hoger het opleidingsniveau van de ouders, hoe vaker kinderen een rustig plekje hebben voor het afstandsonderwijs. Bij laaggeschoolden gaat het om 82%, bij hooggeschoolden om 87%. Figuur 2.4.2.a. Beschikbaarheid van een rustig plekje voor de kinderen bij het afstandsleren naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding van de ouder Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Ja

Nee

Totaal

85

Man

86

Vrouw

85

25-34 jaar 35-44 jaar

76 82

13

87 82

Laaggeschoold

82

Hooggeschoold

10

91

Niet met partner wel met kind(eren)

Middengeschoold

9

9

45-54 jaar Met partner en kind(eren)

10

85 87

6

9 13

11 9 10

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

43


Hoe landelijker de gemeente, hoe vaker kinderen een rustig plekje hebben voor het afstandsonderwijs. In de grootsteden zegt 77% dat hun kinderen een rustig plekje hebben. In de plattelandsgemeenten gaat het om 90%. Naar provincie zijn de verschillen klein. Enkel in Antwerpen blijken minder kinderen over een rustig plekje te beschikken voor het afstandsonderwijs. Figuur 2.4.2.b. Beschikbaarheid van een rustig plekje voor de kinderen bij het afstandsleren naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Ja

Nee

Totaal

85

Antwerpen

10

82

Limburg

11

88

10

Oost-Vlaanderen

86

10

Vlaams-Brabant

87

10

West-Vlaanderen

88

Grootsteden

77

15

Centrumsteden

85

Stedelijke rand

86

Kleinere steden Overgangsgebied Platteland

8

10 9

84 87 90

10 9 8

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naast een rustige plek in huis is ook de beschikbaarheid van een computer, laptop of tablet een belangrijke voorwaarde voor het volgen van afstandsonderwijs/preteaching. Ruim de helft van de ouders (55%) stelt dat hun kinderen een eigen computer hebben om afstandsonderwijs te volgen. 35% geeft aan dat de kinderen daarvoor een computer van een ander gezinslid (vader, moeder, broer of zus) kunnen gebruiken. Een beperkte groep moet buiten het gezin


op zoek naar een computer: 3% op school of bij een andere instantie, 1% bij familie of vrienden. Ten slotte geeft 1% expliciet aan dat hun kinderen de schooltaken niet online kunnen uitvoeren. Figuur 2.4.2.c. Beschikbaarheid van een eigen computer, laptop of tablet voor de kinderen bij het afstandsleren Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Ja, ze hadden elk een eigen toestel

55

Ja, zij konden een toestel van vader/moeder/broer/zus gebruiken

35

Ja, zij konden een toestel van vrienden of familie gebruiken

1

Ja, zij hebben een toestel ter beschikking gekregen van de school of een andere instantie

3

Nee, zij konden hun schooltaken niet online uitvoeren

1

Weet niet/geen antwoord

5

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Tussen mannen en vrouwen en naar huishoudpositie zijn er op dit vlak weinig verschillen. Ouders uit de oudere leeftijdsgroepen verklaren vaker dan jongere ouders dat hun kinderen een eigen computer bezitten. Bij de ouders van 25 tot 34 jaar gaat het om 23%, bij de ouders van 45 tot 54 jaar om 71%. In de jongere leeftijdsgroepen waar de kinderen het minst vaak een eigen computer hebben, kunnen ze wel het vaakst beschikken over een computer van een gezinslid. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe vaker ouders aangeven dat hun kinderen zelf een computer hebben of binnen het gezin over een computer beschikken. Bij laaggeschoolden gaat het samen om 83%, bij hooggeschoolden om 93%. Naar provincie en urbanisatiegraad blijven de verschillen op dit vlak beperkt.

45


Figuur 2.4.2.d. Beschikbaarheid van een computer, laptop of tablet voor de kinderen bij het afstandsleren naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding van de ouder Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Gebruik van toestel van gezinslid

Elk een eigen toestel Totaal

55

Man

35

57

Vrouw

32

54

25-34 jaar

36

23

35-44 jaar

45 46

44

45-54 jaar

71

Met partner en kind(eren)

56

Niet met partner wel met kind(eren)

55

Laaggeschoold

54

Middengeschoold

54

Hooggeschoold

57

24

36 31

29 35 36

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.4.3 ERVARINGEN VAN OUDERS MET AFSTANDSLEREN Op de vraag of men tijdens de lockdown de kinderen begeleid heeft bij het afstandsleren/preteaching antwoordt ruim de helft bevestigend (54%). 15% geeft aan dat een ander gezinslid de kinderen heeft begeleid. 25% zegt dat de kinderen alles zelfstandig hebben gedaan.


Figuur 2.4.3.a. Begeleiding van de kinderen bij het afstandsleren Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Ja, ik heb de kind(eren) begeleid

54

Nee, maar een ander gezinslid heeft de kind(eren) begeleid

15

Nee, de kind(eren) hebben alles zelfstandig gedaan

25

Weet niet/geen antwoord

6

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Bij vrouwen ligt het aandeel dat de kinderen begeleid heeft bij het afstandsleren/preteaching hoger dan bij mannen (respectievelijk 61% en 45%). Omgekeerd geeft een hoger aandeel mannen dan vrouwen aan dat een ander gezinslid de kinderen geholpen heeft (respectievelijk 25% en 7%). Ook naar leeftijd zijn er verschillen. Bij de 25- tot 34-jarigen (67%) en de 35tot 44-jarigen (65%) ligt het aandeel dat zelf de kinderen heeft begeleid het hoogst. De groep van 45 tot 54 jaar noteert het hoogste aandeel dat stelt dat de kinderen alles zelfstandig gedaan hebben (38%). Hoe hoger opgeleid, hoe vaker men aangeeft de kinderen te hebben begeleid bij afstandsleren. Bij de laaggeschoolden gaat het om 42%, bij de hooggeschoolden om 61%. Naar huishoudpositie blijven de verschillen vrij beperkt. Bij de personen die niet samenwonen met een partner ligt het aandeel dat zegt dat een ander gezinslid de kinderen begeleid heeft wel lager. De verschillen tussen de provincies en naar urbanisatiegraad blijven ook hier weer beperkt.

47


Figuur 2.4.3.b. Begeleiding van de kinderen bij het afstandsleren naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding van de ouder Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Een ander gezinslid heeft de kind(eren) begeleid

Ik heb de kind(eren) begeleid Totaal

54

Man

15

25

45

25

Vrouw

61

25-34 jaar

67

35-44 jaar

65

45-54 jaar

26

12

4

13

16 16

Met partner en kind(eren)

54

Niet met partner wel met kind(eren)

56

Middengeschoold

24

7

43

Laaggeschoold

De kind(eren) hebben alles zelfstandig gedaan

16

25

10

27

42

21

50

Hooggeschoold

38

18 61

12

29 26 24

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Bij diegenen die hun kinderen begeleid hebben bij afstandsleren werd ook geïnformeerd in welke mate het lukte om dat te combineren met het uitoefenen van hun job. Van de 1.905 ouders waarop de voorgaande resultaten gebaseerd zijn, hebben er 915 een job. 59% geeft aan dat het moeilijk was om tijdens de lockdown het begeleiden van de kinderen bij het afstandsleren te combineren met het uitoefenen van de eigen job. Bij 9% was die combinatie gemakkelijk. 29% geeft aan dat het niet moeilijk en niet gemakkelijk was.


Figuur 2.4.3.c. Combinatie begeleiden van kinderen bij afstandsleren en uitoefenen eigen job Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Moeilijk

59

Niet moeilijk, niet gemakkelijk

29

Gemakkelijk

9

Weet niet/geen antwoord

3

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naar geslacht zijn er op dit vlak geen verschillen. Naar leeftijd zijn die er wel. Het aandeel dat het moeilijk heeft met de combinatie van de begeleiding van de kinderen en het uitoefenen van een job ligt het hoogst bij de 35- tot 44-jarigen (61%). Ook naar huishoudpositie zijn er verschillen: personen die zonder partner wonen maar met kind(eren) geven minder vaak aan dat ze het moeilijk hebben om de begeleiding van kinderen te combineren met hun job. Hooggeschoolden (66%) geven vaker dan laag- en middengeschoolden (respectievelijk 50% en 49%) aan dat ze het moeilijk hebben om hun job te combineren met het begeleiden van de kinderen.

49


Figuur 2.4.3.d. Combinatie van begeleiden van kinderen bij afstandsleren met uitoefenen eigen job naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding van de ouder Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Moeilijk

Gemakkelijk

Totaal

59

Man

9

56

Vrouw

10

60

25-34 jaar

9

50

35-44 jaar

7 61

45-54 jaar

9

57

Met partner en kind(eren)

60

Niet met partner wel met kind(eren)

49

Laaggeschoold

50

Middengeschoold

49

Hooggeschoold

9

9 10

6 14 66

7

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naar urbanisatiegraad zijn er ook verschillen: in de gemeenten van het platteland geeft 64% aan dat de combinatie van het begeleiden van kinderen bij afstandsleren en de eigen job moeilijk is. In de grootsteden en in de kleinere steden gaat het telkens om 56%. Ook naar provincie variëren de cijfers. Het aandeel dat het moeilijk heeft met de combinatie begeleiding kinderen en uitoefenen job ligt in Limburg op 62%, in West-Vlaanderen op 51%.


Figuur 2.4.3.e. Combinatie van begeleiden van kinderen bij afstandsleren met uitoefenen eigen job naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Moeilijk

Gemakkelijk

Totaal

59

9

Antwerpen

61

8

Limburg

62

7

Oost-Vlaanderen

61

Vlaams-Brabant West-Vlaanderen

56

9 10

51

11

Grootsteden

56

6

Centrumsteden

57

6

Stedelijke rand

61

14

Kleinere steden

56

9

Overgangsgebied

57

11

Platteland

64

7

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Er werd in de COVID-19-bevraging ten slotte ook gepeild of men begreep wat er van de kinderen werd verwacht tijdens het afstandsleren. 46% van de ouders geeft aan dat alles duidelijk werd gecommuniceerd door de leerkrachten. Voor 43% was niet alles even duidelijk en voor 4% was het helemaal niet duidelijk.

51


Figuur 2.4.3.f. Mate waarin men begrepen heeft wat er van de kinderen werd verwacht bij het afstandsleren Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Ja, alles werd duidelijk gecommuniceerd door de leerkrachten

46

Niet alles was even duidelijk

43

Nee, het was mij helemaal niet duidelijk

4

Weet niet/geen antwoord

7

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Op dit vlak zijn er naar geslacht weinig verschillen. Naar leeftijd vallen die wel te noteren. Zo geven de 25- tot 34-jarigen en de 35- tot 44-jarigen meer dan gemiddeld aan dat alles duidelijk gecommuniceerd werd door de leerkrachten, bij de 45- tot 54-jarigen ligt dat aandeel lager dan gemiddeld. Naar opleiding blijkt het aandeel dat vindt dat alles duidelijk werd gecommuniceerd het laagst bij de middengeschoolden (40%). Bij de hooggeschoolden ligt dat aandeel op 50%. Het aandeel dat zegt dat het helemaal niet duidelijk was, neemt wel af naarmate het opleidingsniveau stijgt. Naar huishoudpositie zijn er weinig verschillen, maar ouders die bij een partner wonen geven wel iets vaker aan dat alles duidelijk gecommuniceerd werd door de leerkrachten dan ouders die zonder partner wonen (respectievelijk 48% en 46%).


Figuur 2.4.3.g. Mate waarin men begrepen heeft wat er van de kinderen werd verwacht bij het afstandsleren naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding van de ouder Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Alles werd duidelijk gecommuniceerd

Was niet duidelijk

Totaal

46

Man

4

43

4

Vrouw

49

4

25-34 jaar

53

35-44 jaar 45-54 jaar

52 42

Met partner en kind(eren)

46

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

3 5

48

Niet met partner wel met kind(eren)

2

4 5

48 40

7 4

50

3

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

De verschillen tussen de provincies blijven beperkt. Naar urbanisatiegraad zijn die er wel. Het aandeel dat vindt dat alles duidelijk gecommuniceerd werd door de leerkrachten ligt het laagst in de kleinere steden (42%) en het hoogst in de gemeenten van het overgangsgebied (49%).

53


Figuur 2.4.3.h. Mate waarin men begrepen heeft wat er van de kinderen werd verwacht bij het afstandsleren naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Alles werd duidelijk gecommuniceerd

Was niet duidelijk

Totaal

46

4

Antwerpen

46

4

Limburg

47

5

Oost-Vlaanderen

47

4

Vlaams-Brabant

45

4

West-Vlaanderen

45

4

Grootsteden

48

Centrumsteden

43

Stedelijke rand Kleinere steden Overgangsgebied Platteland

8 4

46 42

4 5

49 48

4 2

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.5 DIGITALISERING In dit onderdeel wordt ingegaan op de wijzigingen in het internetgebruik tijdens de coronacrisis. Niet iedereen gebruikt internet. In de COVID-19-bevraging geeft 6% van de volwassenen bevolking aan nooit het internet te gebruiken. Die groep wordt in dit onderdeel buiten beschouwing gelaten. Alle resultaten die hierna worden gepresenteerd hebben enkel betrekking op de internetgebruikers. Dat zijn de personen die minstens enkele keren per jaar het internet gebruiken. Van hen geeft 91% aan op het moment van de bevraging het internet (bijna) dagelijks te gebruiken. 5% gebruikt het wekelijks en 3% enkele keren per maand. 1% gebruikt het internet maar een paar keer per jaar.


Van de internetgebruikers gebruikt 51% het internet op het moment van de bevraging even vaak als voor de coronacrisis. 47% gebruikt het internet vaker, 2% gebruikt het internet minder vaak dan voor de coronacrisis. Figuur 2.5.a. Vergelijking internetgebruik op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij internetgebruikers Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Ik gebruik het minder

2

Ik gebruik het ongeveer evenveel

51

Ik gebruik het vaker

47

Weet niet/geen antwoord

0

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

De toename van het internetgebruik in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis ligt duidelijk hoger bij vrouwen dan bij mannen. Bij vrouwen gebruikt 52% het internet vaker, bij mannen gaat het om 41%. Het aandeel personen dat het internet vaker gebruikt neemt af met de leeftijd. Bij de 18- tot 24-jarigen gebruikt 65% het internet vaker, bij de 75-plussers is dat nog 24%. Bij de huishoudposities met kinderen in het gezin gebruikt een groter aandeel het internet nu vaker dan in de gezinnen zonder kinderen. Hoe hoger geschoold, hoe hoger het aandeel dat vaker het internet gebruikt dan voor de crisis. Bij de hooggeschoolden gebruikt 55% vaker het internet tegenover 36% bij de laaggeschoolden. De aandelen voor de personen die het internet minder gebruiken in vergelijking met de situatie voor de crisis verschillen minder sterk over de verschillende groepen. Opvallend is wel dat dit aandeel iets hoger ligt dan gemiddeld bij de oudste leeftijdsgroep (5%), bij de laaggeschoolden (3%) en bij de personen die alleen wonen (3%).

55


Figuur 2.5.b. Vergelijking internetgebruik op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij internetgebruikers naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Vaker gebruik van internet Totaal

Minder vaak gebruik van internet

47

Man

2

41

Vrouw

2 52

18-24 jaar

1

65

25-34 jaar

52

1 1

35-44 jaar

54

1

45-54 jaar

53

1

55-64 jaar

43

65-74 jaar 75 jaar en ouder

1

30

2

24

5

Woont alleen

39

3

Met partner zonder kinderen

38

2

Met partner en kind(eren)

55

Niet met partner wel met kind(eren)

52

Bij ouders Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

57

36

1 1 1

3 45

2 55

1

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen


Het aandeel met een gewijzigd internetgebruik verschilt naar provincie en urbanisatiegraad. In de grootsteden (52%) en in de stedelijke rand (49%) gebruikt een groter aandeel van de bevolking het internet nu vaker dan voor de crisis dan in de kleinere steden (45%), de overgangsgebieden (45%) en het platteland (44%). In Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant (telkens 49%) is een groter aandeel het internet vaker gaan gebruiken tijdens de coronacrisis dan in West-Vlaanderen (43%). Figuur 2.5.c. Vergelijking internetgebruik op moment van bevraging met situatie voor de coronacrisis bij internetgebruikers naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Vaker gebruik van internet

Minder vaak gebruik van internet

Totaal

47

2

Antwerpen

46

2

Limburg

45

2

Oost-Vlaanderen

49

2

Vlaams-Brabant

49

1

West-Vlaanderen

43

2

Grootsteden Centrumsteden Stedelijke rand

52 47 49

2 2 1

Kleinere steden

45

1

Overgangsgebied

45

2

Platteland

44

2

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

2.6 AANPAK VAN DE CRISIS DOOR DE OVERHEID In de COVID-19-bevraging kregen de respondenten ten slotte ook de kans zich uit te spreken over 2 aspecten van het optreden van de overheid in het kader van de coronacrisis. Er werd eerst gevraagd naar een beoordeling

57


van de algemene aanpak van de crisis door de overheid. Daarbij werd geen specifieke overheid genoemd. Daarna werd gevraagd naar de mening van de respondenten over de effectiviteit van de opgelegde richtlijnen om de verspreiding van het virus te beperken. De overheidsaanpak van de crisis wordt vaker als slecht dan goed beoordeeld: 30% beoordeelt de aanpak als slecht, 18% als goed. Een relatief grote groep (44%) neemt hierbij een middenpositie in. Figuur 2.6.a. Beoordeling van de aanpak van de coronacrisis door de overheid Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Slecht aangepakt

30

Niet slecht, niet goed aangepakt

44

Goed aangepakt

18

Weet niet/geen antwoord

8

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Mannen zijn kritischer dan vrouwen: 1 op de 3 mannen beoordeelt de aanpak van de overheid als slecht tegenover 1 op de 4 vrouwen. Het aandeel dat vindt dat de overheid de crisis slecht aanpakt, ligt hoger in de jongere leeftijdsgroepen. 40% van de 18- tot 24-jarigen zegt dat de crisis slecht wordt aangepakt, 7% van deze groep vindt de aanpak goed. De positieve beoordeling van het overheidsoptreden stijgt met de leeftijd, maar ook bij de 75-plussers blijft het aandeel dat de aanpak goed vindt relatief beperkt (29%). Enkel bij de groepen van 65 jaar en ouder ligt het aandeel dat de overheidsaanpak als goed beschouwt hoger dan het aandeel dat de aanpak slecht vindt. In de andere leeftijdsgroepen is het omgekeerd. Middengeschoolden beoordelen de overheidsaanpak aanzienlijk vaker als slecht dan de andere opleidingsgroepen: 35% van hen vindt de aanpak slecht. Bij de andere groepen ligt dat aandeel duidelijk lager. De verschillen tussen laag- en hooggeschoolden zijn hier klein. Er zijn opvallende verschillen naar huishoudpositie. Personen die (nog) inwonen bij hun ouders zijn het vaakst van mening dat de crisis slecht werd aangepakt (37%). Dat aandeel ligt bij hen 4 keer hoger dan het aandeel dat de aanpak goed vindt (9%). Ook bij personen die met een partner en kinderen samenwonen ligt het aandeel critici relatief hoog (34%). Daarna


volgen de alleenstaande ouders (31%). Alleenwonenden en mensen die met een partner maar zonder kinderen samenwonen, zijn het minst kritisch. Alles samen zijn personen in gezinnen met kinderen het meest kritisch voor de aanpak van de overheid. Figuur 2.6.b. Beoordeling van de aanpak van de coronacrisis door de overheid naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Slecht aangepakt

Goed aangepakt

Totaal

30

Man

18

33

Vrouw

19

26

18

18-24 jaar

40

25-34 jaar

38

35-44 jaar

21

21

26

18

29

23

22 26

22

Met partner en kind(eren)

34

Niet met partner wel met kind(eren)

20 37

9

26

Middengeschoold Hooggeschoold

16

31

Bij ouders Laaggeschoold

18

27

65-74 jaar

Met partner zonder kinderen

15

33

55-64 jaar

Woont alleen

10

35

45-54 jaar

75 jaar en ouder

7

22 35

28

15 19

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

59


Er zijn op dit vlak verschillen naar provincie: inwoners van Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant zijn minder kritisch voor de overheidsaanpak dan inwoners van Antwerpen, Limburg en West-Vlaanderen. In laatstgenoemde 3 provincies vindt bijna 1 op de 3 dat de crisis slecht werd aangepakt, in Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant ligt dat aandeel duidelijk lager. Naar urbanisatiegraad zijn er geen betekenisvolle verschillen in de waardering van de overheidsaanpak. Figuur 2.6.c. Beoordeling van de aanpak van de coronacrisis door de overheid naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Slecht aangepakt

Goed aangepakt

Totaal

30

Antwerpen

31

Limburg

32

Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant

28

Grootsteden

18 19 19

26

West-Vlaanderen

18

19 32

27

18

19

Centrumsteden

30

Stedelijke rand

30

19

Kleinere steden

30

19

Overgangsgebied Platteland

31 30

20

17 18

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

De overheidsaanpak van de coronacrisis mag dan wel kritisch beoordeeld worden, tegelijk is bijna drie kwart van mening dat de opgelegde richtlijnen zeker wel of eerder wel helpen om de verspreiding van het virus te beperken (72%). 20% is niet overtuigd van de doeltreffendheid van de opgelegde maatregelen.


Figuur 2.6.d. Beoordeling van de mate waarin de richtlijnen helpen om de verspreiding van het coronavirus te beperken Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in %

% Zeker niet

6

Eerder niet

14

Eerder wel

40

Zeker wel

32

Weet niet/geen antwoord

7

Noot: het aantal respondenten per antwoordcategorie is te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

Naar geslacht zijn de verschillen beperkt. Mannen vinden wel iets vaker dan vrouwen dat de opgelegde maatregelen zeker niet of eerder niet helpen om de verspreiding van het virus te bestrijden (respectievelijk 22% en 19%). Er is sprake van een vergelijkbaar leeftijdseffect als bij de beoordeling van het algemeen overheidsoptreden: hoe ouder, hoe meer men denkt dat de maatregelen helpen in de strijd tegen de verspreiding van het virus. En hoe jonger, hoe vaker men het nut van de maatregelen in vraag stelt. Dat laatste aandeel ligt op 32% bij de jongeren tussen 18 en 24 jaar en zakt naar 11% bij de 75-plussers. Naar opleiding betwisten de hooggeschoolden de effectiviteit van de maatregelen het minst: 83% is van mening dat de opgelegde richtlijnen helpen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, een aanzienlijk hoger aandeel dan in beide andere opleidingsgroepen. Bij de groep personen die (nog) inwonen bij hun ouders ligt het aandeel dat de doeltreffendheid van de maatregelen in vraag stelt veruit het hoogst (31%). Het gaat hier voornamelijk om jongeren, waarvan hoger al werd gemeld dat zij het nut van de maatregelen het vaakst in vraag stellen. Personen die met een partner maar zonder kinderen samenwonen, twijfelen het minst aan de effectiviteit van de opgelegde maatregelen.

61


Figuur 2.6.e. Beoordeling van de mate waarin de richtlijnen helpen om de verspreiding van het coronavirus te beperken naar geslacht, leeftijd, huishoudpositie en opleiding Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Zeker of eerder wel

Zeker of eerder niet

Totaal

73

21

Man

72

22

Vrouw

73

18-24 jaar

19

63

25-34 jaar

32

66

35-44 jaar

28

68

45-54 jaar

23

70

55-64 jaar

23 77

65-74 jaar

80

75 jaar en ouder

80

Woont alleen

73

Met partner zonder kinderen

61

Bij ouders

61

Middengeschoold Hooggeschoold

11

17

73

Niet met partner wel met kind(eren)

Laaggeschoold

13

18

77

Met partner en kind(eren)

17

21 28 31

65

22

68

26 83

14

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

In Vlaams-Brabant is men het meest overtuigd van het nut van de maatregelen, in Limburg het minst. Maar al bij al blijven de verschillen tussen de provincies vrij beperkt. Net als bij de algemene aanpak door de overheid zijn er ook hier geen betekenisvolle verschillen naar urbanisatiegraad.


Figuur 2.6.f. Beoordeling van de mate waarin de richtlijnen helpen om de verspreiding van het coronavirus te beperken naar provincie en urbanisatiegraad Vlaams Gewest, voorjaar 2021, in % De blauwe staven wijzen op statistisch significante verschillen

Zeker of eerder wel Totaal

Zeker of eerder niet 73

Antwerpen

71

Limburg

70

Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant

74 76

West-Vlaanderen

71

Grootsteden

72

21

21 24 20 18 21

19

Centrumsteden

74

20

Stedelijke rand

74

20

Kleinere steden

72

21

Overgangsgebied

72

22

Platteland

72

20

Noot: het aantal respondenten en de percentages van alle antwoordcategorieën zijn te vinden in bijlage van dit rapport. Bron: COVID-19-bevraging, Statistiek Vlaanderen

63


BESLUIT

3

Vlaanderen werd net als de rest van de wereld vanaf het voorjaar van 2020 zwaar getroffen door de coronapandemie. Dat zorgde voor een grote nood aan betrouwbare en actuele gegevens over de impact van deze crisis op de leefsituatie van de bevolking. Om aan die nood tegemoet te komen, organiseerde Statistiek Vlaanderen in het voorjaar van 2021 een grootschalige COVID-19-bevraging. Aan 20.000 meerderjarige inwoners van het Vlaamse Gewest, geselecteerd via een toevalssteekproef uit het Rijksregister, werd gevraagd naar de impact van de crisis op hun gezondheid, sociale contacten, werksituatie, inkomen en woon- en gezinssituatie. Dit rapport is het laatste in een reeks van 3 rapporten waarin de algemene resultaten van de COVID-19-bevraging worden voorgesteld. In dit rapport wordt ingegaan op de resultaten van de vragen over wonen, mobiliteit, kinderwens, onderwijs, digitalisering en de aanpak van de crisis door de overheid. Hieronder worden de belangrijkste resultaten over deze thema’s nog eens kort samengevat.

WONEN Terwijl ruim 4 op de 5 bevraagden (heel) tevreden zijn over hun woning, worden door een relatief beperkte groep een aantal aspecten tijdens de coronacrisis toch als nadelig ervaren. Daarbij gaat het vooral om een gebrek aan ruimte (8%), een gebrekkige kwaliteit van de woning (7%), onvoldoende winkels en voorzieningen in de buurt (6%) of geen of een te kleine tuin of balkon (samen 10%). Jongeren en hooggeschoolden wijzen vaker op onvoldoende ruimte binnen en buiten en onvoldoende groen in de buurt. Hoe ouder en hoe lager geschoold, hoe vaker men aangeeft dat onvoldoende voorzieningen en winkels in de buurt een probleem vormen. Gezinnen met kinderen wijzen vaker op onvoldoende ruimte in huis, alleenstaanden op een gebrek aan tuin of balkon en onvoldoende groen in de buurt. In vergelijking met de situatie voor de coronacrisis weegt voor 15% de woonkost nu zwaarder door dan ervoor. Vooral voor diegenen die zonder partner maar met kinderen wonen is de woonkost duidelijk zwaarder geworden, maar ook voor personen tussen de 25 en 54 jaar en midden- en laaggeschoolden is dat het geval.

MOBILITEIT In vergelijking met de periode voor de coronacrisis, kan wandelen beschouwd worden als de ‘winnaar’ onder de vervoersmodi. De helft van de wandelaars zegt nu meer te wandelen dan voor de coronacrisis. Er wordt ook meer

65


gefietst dan voor de crisis: 30% van de fietsers geeft aan frequenter te fietsen. De auto wordt minder gebruikt. Maar vooral het gebruik van het openbaar vervoer is sterk verminderd. Hoe ouder, hoe vaker wordt aangegeven dat de auto nu minder gebruikt wordt. Dat is ook het geval bij hooggeschoolden en gezinnen zonder kinderen. Fietsen en wandelen is vooral toegenomen in de leeftijdsgroepen van 25 tot 74 jaar, bij de 18- tot 24-jarigen is dat minder het geval. Die toename is ook te zien bij hooggeschoolden en gezinnen met kinderen. De sterke afname van het gebruik van het openbaar vervoer komt terug bij alle groepen, maar is minder groot bij laaggeschoolden en personen die samenwonen zonder partner maar met kinderen.

KINDERWENS Uit de bevraging blijkt dat er een (mogelijk tijdelijk) effect verwacht kan worden van de coronacrisis op de vruchtbaarheid: 17% van de personen die voor de coronacrisis plannen hadden om kinderen te krijgen, heeft die plannen tijdelijk uitgesteld of definitief opgeborgen. Het uitstel of afstel van de kinderwens als gevolg van de coronacrisis is groter bij laag- en middengeschoolden dan bij hooggeschoolden. Daarnaast gaan personen die met een partner samenwonen, al dan niet met kinderen, veel minder vaak over tot uitstel of afstel dan personen die alleen wonen, zonder partner wonen of (nog) bij de ouders wonen.

ONDERWIJS 39% van de kinderen heeft volgens de ouders het afstandsleren als moeilijk ervaren. Hoe ouder de ouders, hoe vaker ze aangeven dat hun kind de periode van afstandsleren als moeilijk heeft ervaren. Ouders die zonder partner samenwonen geven iets vaker dan ouders die met een partner samenwonen aan dat het afstandsleren door het kind als moeilijk wordt ervaren. Hoe lager opgeleid de ouder, hoe minder kinderen het afstandsleren als gemakkelijk ervaren. Een grote meerderheid stelt dat hun kinderen een rustig plekje hebben in huis om de lessen te volgen tijdens de periode van afstandsleren (85%). Dat aandeel ligt het hoogst bij oudere ouders, hoogopgeleide ouders en gezinnen die wonen in landelijke gemeenten. Ruim de helft van de ouders (55%) stelt dat hun kinderen een eigen computer hebben om afstandsonderwijs te volgen. 35% geeft aan dat de kinderen daarvoor een computer van een ander gezinslid kunnen gebruiken. 4% moet op zoek naar een computer op school of bij familie of vrienden.


Ruim de helft van de ouders heeft de kinderen zelf begeleid bij het afstandsleren. 15% geeft aan dat een ander gezinslid de kinderen heeft begeleid. Vrouwen en hooggeschoolden geven vaker aan de kinderen zelf te hebben begeleid. Bij mannen en laaggeschoolden gaat het vaker om een ander lid uit het gezin. 46% van de ouders geeft aan dat tijdens het afstandsleren alles duidelijk werd gecommuniceerd door de leerkrachten, voor 43% waren de instructies niet altijd even duidelijk, bij 4% waren deze helemaal niet duidelijk. Voor 59% van de werkende ouders was het moeilijk om tijdens de lockdown het begeleiden van de kinderen bij het afstandsleren te combineren met het uitoefenen van de eigen job. Vooral ouders tussen de 35 en 44 jaar en hooggeschoolden hadden het moeilijk met deze combinatie.

DIGITALISERING De helft van de internetgebruikers gebruikt het internet nu even vaak als voor de coronacrisis, 47% gebruikt het internet vaker. De toename van het internetgebruik in vergelijking met de situatie voor de crisis ligt hoger bij vrouwen, jongeren, hooggeschoolden, personen die wonen in een huishouden met kinderen en personen in de grootsteden.

AANPAK VAN DE CRISIS De overheidsaanpak van de coronacrisis wordt vaker als slecht dan goed beoordeeld: 30% beoordeelt de aanpak als slecht, 18% als goed. Daarnaast neemt 44% een middenpositie in (niet slecht, niet goed). Mannen zijn kritischer dan vrouwen, jongeren kritischer dan ouderen. De positieve beoordeling van het overheidsoptreden stijgt met de leeftijd, maar pas vanaf 65 jaar ligt het aandeel dat de overheidsaanpak als goed beschouwt hoger dan het aandeel dat de aanpak slecht vindt. De overheidsaanpak van de coronacrisis mag dan wel kritisch beoordeeld worden, tegelijk is bijna drie kwart van mening dat de opgelegde richtlijnen helpen om de verspreiding van het coronavirus te beperken. Hoe ouder en hoe hoger opgeleid, hoe vaker men overtuigd is van de doeltreffendheid van de maatregelen. Bij de jongeren is het aandeel dat de doeltreffendheid van de maatregelen in vraag stelt het grootst.

67


COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100, 1000 Brussel Werkten mee aan dit nummer: Ahmed Abdelhakim, Ann Carton, Pieter De Maesschalck, Dirk Festraets, Annelies Jacques, Dirk Moons, Marie-Anne Moreas, Jo Noppe, Tina Vander Molen, Myriam Vanweddingen, Christine Van Peer, Dries Verlet & Karolien Weekers Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen: Guy De Smet en Nancy Jadoul Depotnummer D/2021/3241/172 Contact sv@vlaanderen.be


Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 100 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SV_rapport_2021_06_COVID_19_wonen_mobiliteit_kinderwens_digitalisering_aanpak_crisis.pdf by Vlaanderen-be - Issuu