MAKEN H E T V E R S C H I L
hydraulische kalkmortels, kallei en tadelaktbepleistering UNILIT buitengevelisolatiesystemen LIMETICS kalkverven CORICAL silicaatverven CORISILK en KEIM marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLUX stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUK
Arte bio-ecologische b o u w p a r t n e r
Arte Constructo bvbaMoienberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgium Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.70 www.arteconstructo.be - info@arteconstructo.be
Tweemaandelijks tijdschrift van het agentschap Ruimte en Erfgoed
ISSN 0770-4948 29 jaargang Nr. 3 mei-juni 2010
MONUMhNTEN, L A N D S C H A P P E l\i EN ARCHEOLOGIE
Redactie Ruimte en Erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 05 E-mail: lLic.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Redactiesecretaris: Mieke Lauwaert Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel M. Celis Fotografie: Oswald Pauwels Secretariaat: Diane Torbeyns
Coi'er; Europese kraanvoi (foto T. Kolaas, Naturspesialistenj
Internet
Abonnementsvoorwaarden 2010
Website: www.onroerenderfgoed.be
Redactiecomité*
België: 40 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 7 € ) . CJP'ers betalen: 28 € Buitenland: 65 €
Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Ere-leden: Jo De Schepper, Hedwig Van Den Bossche, Suzanne Van Aerschot
Voorzitter: Luc Tack
Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2010". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be
Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Celis, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Rudy De Graef, Piet Geleyns, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter IMuytten, Oswald Pauwels, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman
Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
' Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten van het agentschap Ruimte en Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
n h o IJ 4
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-34 86 27 - Gsm: 0496 90 60 19 Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telenet.be
Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Verantwoordelijke uitgever Ruimte en Erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 05 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
i
Een stenen vogel: een uniek 'monument' in de Gentse Sint-Pietersabdij M a r i e - A n n e Bru, A n t o n Ervynck, D o r e e n G a u b l o m m e , Marie C h r i s t i n e Laleman, Daniel Lievois en Geert Vermeiren
2 7 Gejaagd, gevangen, en uiteindelijk verdwenen: de natuurlijke historie van de Vlaamse kraan A n t o n Ervynck, Daniël Lievois en B a u d o u i n Van den Abeele
5 4 De kraanvogel, een krachtig symbool Daniel Lievois, B a u d o u i n Van den Abeele en A n t o n Ervynck
71 Summary
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!
Restauratie en Monumentenzorg
Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdl van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
*i
1
P.E.C. International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Nlklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties
(®
NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITUT GEOGRAPHIQUE NATIONAL
5
Generiek
Dat het verhaal van de kraanvogel nog niet is uitverteld bewijst een derde bijdrage in dit M&L nummer. Beladen met symboliek blijkt zijn aanwezigheid in één van de machtigste abdijen van de Lage Landen allerminst een toeval. De talrijke verhalen en mythen over deze soort zijn zo goed als vergeten. Uitkijkend naar zijn terugkeer brengen enkele onderzoekers alvast zoveel mogelijk over het verleden van de kraanvogel in kaart. Een verhaal dat - zonder enige twijfel - nog wordt vervolgd...
Marie-Anne Doreen
Gaublomme,
Bru, Anton Marie
Ervynck,
Christine
Daniel Lievois en Geert
Laleman,
Vermeiren
EEN STENEN VOGEL: EEN UNIEK 'MONUMENT' IN DE GENTSE SINT-PIETERSABDIJ
Bij opgravingen
door de Dienst
Stadsarcheo-
logie van de Stad Cent op het vóór de barokke Pieterskerk,
ontdekten
van Doornikse
de archeologen
document' zoektocht
van een
vogel. Dit uitzonderlijke naar inlichtingen context,
houwwerk
in Doornikse kalksteen,
de productie
van alle
bouw-
van de
van de voorstelling,
kenis en een veel ruimere situering
van een
over de
historische
grote, 'stenen
vormde het uitgangspunt
de identificatie
een
kalksteen.
Eén van de zijden was voorzien gegraveerde
ceremonieplein
Onze Lieve Vrouw Sint-
grote plaat
beelddatering,
haar
bete-
cultuurhistorische
bevindingen.
In een vakoverschrijdende
benadering
levert
dit nieuwe kennis op over onze regio in de late middeleeuwen
en de moderne
DE OPGRAVINGEN
tijden.
Toen besloten werd om op het Sint-Pietersplein een ondergrondse parking aan te leggen, werd er van bij de planningfase rekening gehouden met een volledig geïntegreerd archeologisch onderzoek. Het archeologische belang van deze site was al lang gekend (1). In het verleden werden immers heel wat bodemvondsten gemeld en archeologische waarnemingen genoteerd. Het was dus voor de hand liggend dat grootschalige bodemingrepen in dit stedelijke deelgebied archeologisch dienden te worden opgevolgd. Geheel conform het Verdrag van Malta (1992), dat ook de verantwoordelijkheid van de bouwheer beklemtoont, droeg het Stedelijke Parkeerbedrijf de uitvoering van het terreinwerk. De Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent had de leiding van dit archeologisch project (2). O p 31 juli 2002 werd hiervoor het startsein gegeven,
lang voordat het concept en het definitieve ontwerp waren afgerond en ook behoorlijk lang vóór het indienen van een bouwaanvraag of stedelijke vergunning. Zo waren er geïntegreerde opgravingen over de hele oppervlakte mogelijk, zonder dat dit tot vertraging van het bouwproject of van de bouwwerken leidde. Het onderzoek van het centrale plein nam eenentwintig maanden in beslag en werd afgerond in de maand maart van 2004. Tijdens die periode werd er 5389 m ' bodemarchief onderzocht (3). Na een onderbreking kende het archeologische terreinonderzoek van februari tot mei 2006 een belangrijk vervolg in de zone vóór de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk en in de Tweekerkenstraat (4). Dit laatste deel was het sluitstuk bij de aanleg van de parkeergarage onder het SintPietersplein en de heraanleg van het plein en de aansluitende straten. In die uitgestelde fase werd nog eens een zone van 1000 m 3 onderzocht (5).
DE CONTEXT VAN EEN KERK Bij de opgravingen op het Sint-Pietersplein en op het ceremoniepleintje vóór de barokkerk werden de restanten opgegraven van de 'oude' abdijkerk van Sint-Pieters (6). Het gaat om een driebeukige kerk
van Doornikse kalksteen met een westportaal, meer naar het westen toe dan de huidige barokke kerk. Dit westportaal was uitgerust met twee massieve torenvolumes. Deze hadden een vierkante structuur van circa 10,60 bij 10,60 m en lagen op circa 4,50 m van elkaar. Van de voorkerk zelf kon een lengte van 17 m in de opgravingen worden onderzocht. De kerkruimte was door pijlers onderverdeeld in een middenbeuk en twee zijbeuken. In hun oudste fase ging het om vierkante natuurstenen pijlers. In samenhang met de oudste natuurstenen constructieresten werden de restanten aangetroffen van een kalkmortelvloer met rode afwerking. Vlak bij de westelijke toegang bevonden zich zeven antropomorfe graven met luxueuze afwerking. Ze konden worden herkend als de laatste rustplaats van hoge adel die volgens de Karolingische traditie bij de toegang tot de kerk werden bijgezet (7). Het is mogelijk dat de driebeukige pijlerbasiliek waarvan fragmenten werden opgegraven, in oorsprong teruggaat op een Karolingisch concept uit het tweede kwart van de 9CL eeuw. Einhard (775/776-840), de beroemde raadgever van Lodewijk de Vrome was toen lekenabt en was wellicht de initiator van de eerste stenen kloosterkerk (8). De meeste opgegraven sporen verwijzen naar een bouwcampagne die door Arnulf I (918-965), graaf
•4 Situering ïan de monnikenkerk en het atrium in Doornikse kalk-
"fweekerkenstraat
steen (plan Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie)
abdijkerk
A
van Vlaanderen, in 960 werd opgezet om de begraafplaats van zijn ouders meer luister te geven (9). De westelijke fa9ade is te interpreteren als de Westbau die aartsbisschop Egbert van Trier in 979 wijdde. De monnikenkerk onderging later verschillende verbouwingen. Ingrijpend waren de transformaties na een brand in 1378 toen de westelijke torenmassieven uit het beeld verdwenen en de kerk in gotische stijl werd aangepast. De steen met de vogel, zoals hij in situ werd opgegraven (zie verder), behoort tot die bouwfase. Merkwaardig zijn verder de twee lange gangen die vertrokken aan de voorbouw van de kerk en dwars over het Sint-Pietersplein, verder in westelijke richting, te volgen waren (10). Deze gangen van 2,60 tot 2,80 m breed hadden een minimale lengte van 55 m. Ze kunnen worden geïdentificeerd als de gangen van een atrium. Dit atrium van Doornikse kalksteen maakte vermoedelijk deel uit van de grote bouwcampagne onder graaf Arnulfl. In afgezonderde kamers en in de open ruimte tussen de gangen werden heel wat mensen bijgezet (11). Opvallend was het grote aantal graven van het zogenoemde antropomorfe type. In één ervan leidde het aanwezige steentje onder het hoofd van de overledene tot identificatie: Vulferus, een leek die overleed op 10 februari 1013. O o k de al antropologisch
Opgravmgsplan van de monnikenkerk met aanduiding van de delen in Doornikse kalksteen (blauw), baksteen (rood) en witte kalkzandsteen (geel), (plan Stad Gent, Dienst Stadsarcheo-
logie)
onderzochte grafcontexten wijzen op de hoge sociale status van de hier begraven lieden. Wellicht behoorden zij tot het gevolg van de graven van Vlaanderen en wilden zij een laatste rustplaats bemachtigen, zo dicht mogelijk bij de begraafplaats van de graven in de kloosterkerk. Het atrium raakte waarschijnlijk buiten gebruik in de late 12 e eeuw. Als conclusie kan gesteld worden dat de sporen uit de 10 e -12 e eeuw een groots complex omvatten met een driebeukige en van westtorens voorziene monnikenkerk, evenals een bijzonder groot atrium ten westen daarvan. Bij de kerk sloten in die periode ten zuiden ook andere abdijgebouwen aan.
DE GOTISCHE KERK Eén van de bouwcampagnes, waarbij onder meer de monnikenkerk was betrokken, is te plaatsen na een felle brand die de abdij in 1378 teisterde (12). De vernieuwingen lijken de plattegrond en het concept van de oudere natuurstenen kerken te respecteren. Het ging opnieuw om een driebeukige benedenkerk, maar zonder de torens bij de westgevel, die blijkbaar niet werden herbouwd en in andere bouwvolumes werden opgenomen. De bouwcampagne na 1378 is te linken aan het zogenoemde
•4 Situering van de huidige Onze-LleveVrouw-SInt-Pletcrskerk ten opzichte van een deel van het Rode Plan (foto Gent, Rijksarchief)
Het Rode Plan dat de Sint-Pietersabdij in de 15de eeuw weergeeft met aanduiding van het opgegraven gedeelte (foto Gent, Rijksarchief)
M&L
Rode Plan uit het Gentse Rijksarchief (13), waarvan door eerder onderzoek kon worden uitgemaakt dat het een situatie uit het begin van de 15 e eeuw in beeld brengt (14). De noordgevel van de benedenkerk, in kern een oudere constructie van Doornikse kalksteen, werd deels heropgebouwd. Dat gedeelte van de noordof buitenzijde kreeg een nieuwe fundering met versnijdingen, opgetrokken met bakstenen van 26 x 11 x 5,50 cm en opgebouwd in een verzorgd Vlaams verband. Het opgegraven gedeelte toonde
De buitenzijde van de noordgevel bij de tegengebouwde bakstenen muur (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheo-
er ook een steunbeer met ingewerkt metselverband. Aan de binnenzijde kwam er een nieuw parement van witte natuursteen boven funderingen met bakstenen van 24,5 x 11 x 5,5 cm. Tegen de noordwestelijke hoek vertoonde de natuursteen een rij uitkragende stenen die ofwel als zitbank (muurbank), ofwel als traptrede kan worden geïdentificeerd. Rekening gehouden met de voorstelling op het Rode Plan lijkt de laatste interpretatie het meest voor de hand te liggen omdat er op die plaats een zijportaal was. Ten westen van de steunbeer, eveneens aan de noordzijde, bevond er zich een muur, opgetrokken met bakstenen van 24,5/25 x 11,5/12 x 5,5 cm. Beide constructie-elementen zijn duidelijk herkenbaar op het Rode Plan. Volgens een 16 e -eeuwse tekening van Arent van Wijnendale beschutte deze muur de deuropening die van de voorkerk naar het noordelijke kerkhof leidde (15). Een luifel beschermde de toegang aan de buitenzijde. De in oorsprong oudere zuidgevel van Doornikse steen kreeg net als de noordelijke tegenhanger een parement van witte kalkzandsteen op funderingen met bakstenen van 25 x 10,5/11 x 5 cm. Van de westelijke gevel werden weinig sporen teruggevonden. Waarschijnlijk bleef die op dezelfde plaats als bij de oudere monnikenkerk, maar globaal gezien werd de kerk aan de westzijde korter omdat de torenvolumes er geen deel meer van uitmaakten.
• Steunbeer tegen de noordgevel
De binnenzijde van
(foto Stad Gent,
(foto Stad Gent,
de noordgevel met
Dienst Stadsarcheo-
Dienst Stadsarcheo
de nj geprofileerde
gie)
1VI&L
witte kalkzandsteen
noordzijde van de monnikenkerk op een aquarel van Arent van Wijnendale, 16de eeuw (foto Stad Gent,
Oe noordzijde van
Stadsarchief) ten
de monnikenkerk
opzichte van het
op de aquarel van
Rode Plan
Arent van Wijnen-
(foto Gent,
dale. 16de eeuw.
Rijksarchief)
(foto Stad Gent,
Stadsarchief)
A De binnenzijde
Bovenzlcht op de
van de zuidgevel
middelste pijler van
van de verdwenen bundelpijler
met het wltstenen
de noordelijke rij
(foto Stad Gent,
parement
met de mortel-
Dienst Stadsarcheo-
(foto Stad Gent,
sporen op de plaats
logle)
Dienst Stadsarcheologie)
De meeste westelijke pijler van de zuidelijke rij met de bewaard gebleven delen van de bundelpijler (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie)
M&L
De zuidelijke pijlers werden meer ingrijpend verbouwd. Mogelijk had de brand in die zone van de kerk een grotere ravage aangericht. De aanpassingen bestonden uit bakstenen constructiedelen, met bakstenen van 25/25,5 x 12 x 6 cm, omgeven en afgedekt door witte kalkzandsteen. De meest westelijke basis van deze rij droeg nog de onderste laag van een halve bundelpijler tegen de westelijke muur. Het ging eveneens om een mantel omheen een ketn van Doornikse kalksteen, baksteen en beige kalkmortel. De mooi gehouwen diensten of schalken (de delen van een bundelpijler) tonen de sporen van het verzorgde steenhouwerwerk. Het vloerniveau van de aangepaste kerk moet hoger hebben gelegen dan bij de oudere fazen van Doornikse steen. Hoewel er geen vloerresten in situ werden aangetroffen, waren er wel een aantal aanwijzingen. De puinlaag die in alle profielen van de opgraving werd vastgesteld, verwees naar een ophoging. Daarnaast gaven ook de dekplaten boven de funderingen en de aanzetten van de nieuwe pijlers aan dat de bijbehorende vloer hoger lag. Buiten de oudere antropomorfe graven die bij kerkfazen uit de 9 c -12 e eeuw behoren, werden er in het onderzochte kerkdeel nog twee jongere graven aangetroffen, namelijk twee houten kistbegravingen tegen de zuidelijke zijgevel. Een muntvondst uit één van deze grafcontexten geeft een datering in de 16 e eeuw.
T Structuur in de zuidwestelijke hoek ïan de voorkerk (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie|
De pijlerbasissen van de oudere kerk werden aan de nieuwe toestand aangepast. Voor de noordelijke pijlerreeks waren de verbouwingen beperkt. De massieven werden plaatselijk verstevigd met fragmenten witte natuursteen en baksteen. De aangepaste funderingen werden dan afgedekt met grote platen van Doornikse steen zodat ze een dragend vlak kregen van ongeveer 2 bij 2 m, waarop dan de eigenlijke pijlers of zuilen rustten. De vorm van deze steunen was nog herkenbaar aan de mortelsporen die op de natuurstenen platen achtergelaten waren. Uit deze sporen bleek dat het om bundelpijlers ging. De natuurstenen platen waren duidelijk hergebruikt.
Binnen in de kerk werden tenslotte nog de funderingen aangetroffen van een aantal bakstenen bouwsels. Tegen de noordwestelijke hoek, boven de tode kalkmortelvloer van de oudere kerk, was er een dergelijke constructie, opgetrokken in metselwetk uit bakstenen van 24,5/25 x 12,5 x 5,5 cm en witte kalkmortel. De functie van deze structuur in de kerk is niet duidelijk. Ze is niet zichtbaar op het Rode Plan. Hoewel aanleunend bij het gotische concept kan dit een iets jongere toevoeging zijn, die in relatie stond met de noordelijke toegang. In de zuidwestelijke hoek van de kerk ging het om een min of meer rechthoekige structuur, opgebouwd met bakstenen van 25/25,5 x 10,5/11 x 5/6 cm. De toegang tot deze ruimte lag aan de westzijde. Hij bestond uit twee massieve muurblokken die in de natuurstenen westgevel van de oudere kerk waren ingewerkt. Van de oorspronkelijke deuropening waren nog een afgewerkte blok witte natuursteen en een ijzeren deurduim in situ terug te vinden. De bouwkundige kenmerken en de afwerking met een parement van witte natuursteen aan de noordzijde doen vermoeden dat de structuur deel uitmaakte van de laatmiddeleeuwse kerkverbouwing. Deze structuur is tevens herkenbaar op het Rode Plan, zij het dat de oostzijde daar afgerond wordt voorgesteld, maar dit is niet in tegenspraak met de archeologische bevindingen die zich voornamelijk op funderingniveau afspelen. Deze structuur werd in een latere fase ondermetseld met bakstenen van 24,5/25 x 11,5 x 5,5 cm. De bepleistering van de binnenwanden kan bij deze bouwfase horen. Hoewel de ruimte herkenbaar is op het Rode Plan en ongetwijfeld bij het concept van de gotische kerk hoort, werd ze in de opgravingen vooral ervaren als een kelder van de postmiddeleeuwse abtswoning, wat erop wijst dat delen van de kerk na de beeldenstormtijd en de bouw van de barokkerk bij het westelijk gelegen abtshuis werden geïntegreerd.
Het goed verzorgde muurwerk, voornamelijk bij de bakstenen funderingen, evenals de combinatie van baksteen met witte kalkzandsteen, maar ook de verfijnde afwerking van de witstenen blokken en de profilering van de bewerkte bouwelementen, zijn in de Gentse regio al vaak opgemerkt als kenmerkend voor de late middeleeuwen, voornamelijk voor de 15 e eeuw. Ook een combinatie met Doornikse steen in de parementen werd voor die periode al herhaaldelijk vastgesteld bij toparchitectuur. Kenmerkend is onder meer de 15 e -eeuwse reftervleugel met het uitwendig toegepaste speklagen-
Aansluiting tussen
metselwerk (afwisselende banden van witte en grijze kalkzandstenen), een abdijgebouw dat trouwens uit dezelfde bouwtijd stamt als de gotische kerkfase (16).
de noordzijde van de rechthoekige structuur en de westelijke steun in de zuidelijke zijbeuk (foto Jtad Gent, Dienst Stadsarcheo-
De archeologische bevindingen voor de late middeleeuwen worden ondersteund door enkele gegevens uit geschreven bronnen (17). Zo werden de Sint-Pietersabdij en het omliggende Sint-Pietersdorp in de tweede helft van de 14 e eeuw verschillende malen opgeschrikt door hevige branden. In
logie)
De ISde-eeuwse reftervleugel van de Sint-Pietersabdij met het kenmerkende speklagenmetselwerk (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheo-
logie)
M&L
breekwerken afkomstig zijn. Het Rode Plan en de 16 c -eeuwse iconografische bronnen tonen een romaanse kerk met gotische aanpassingen en uitbreidingen, wat in overeenstemming is met alle andere gegevens. Van het interieur van deze en de oudere monnikenkerken is er geen beeldmateriaal bekend.
MONUMENTALE PLATEN
1378 zou de abdij de zwaarste schade hebben opgelopen en werden kerkdelen vernield. Het duurde blijkbaar enkele jaren vooraleer het puin werd weggewerkt en men tot een nieuwe bouwcampagne overging. Hoewel de brand uitbrak ten tijde van abt Boudewijn de Grutere (1376-1385) zouden de herstelwerkzaamheden pas op initiatief van abt Gerard van Leeuwaerde (1389-1412) zijn opgestart. De abdijrekeningen van 1397-1398 vermelden het ruimen van puin en het afvoeren ervan naar het aanpalende kerkhof. De rekeningen van 1401-1408 verwijzen naar ingrijpende verbouwingen aan de voorkerk (18). Een contract van 1408 met de steenhouwers Lieven van Lede en Guillelme van Musschezele is zelfs expliciet te associëren met de reconstructie van de noordgevel, waarvan een gedeelte door de opgravingen duidelijk werd (19). Er is voorts duidelijk sprake van de vautennghevan de nieuwe kerk. Van die 15 e -eeuwse gewelven leg*• den de opgravingen de steunen bloot. De belangGezicht vanaf de ... .... , ,.., , , . noordz,,de met de r i ) k e wijzigingen aan het westelijke deel van de funderingen van de monnikenkerk kunnen dus tussen 1378, of zelfs noordgevel op de t u s s e n 1397 e n 1408 worden gesitueerd. Dit betevoorgrond en met 1 , , 1 1 r\ \ . , kent dat de monumentale platen van Uoornikse r de monumentale
plaat met vogel- steen, d i e in deze bijdrage verder n o g aan d e o r d e afbeelding op de z i j n ) t o e n w e r d e n h e r g e b r u i k t en d u s o o k zeker achtergrond o u d e r - d a n d e j ^ ^ic e e u w M e r k w a a r c l i g i s
(foto Stad Gent, , . , . 1 u u Dienst Stadsarcheo- e e n onderdeel van de ontsloten bronnen met belogie) trekking tot de verbouwingen uit het begin van de 15 d e eeuw. Uit de bouwrekeningen van 1408 blijkt immers dat er grafplaten in de kerk werden opgebroken, onder meer in de beuk en in de Sint-Pieterskapel (20). De opgegraven platen Doornikse kalksteen boven de pijlers kunnen dus van deze
Twee van de funderingplaten van Doornikse steen die in de noordelijke pijlerrij werden opgegraven en er duidelijk de overgang markeerden tussen fundering en opstand, vertoonden speciale kenmerken. Ze werden ter plaatse gedocumenteerd, dan gelicht en voor verder behoud gereserveerd. Dit is niet evident omdat er binnen een archeologisch project voor de recuperatie van monumentale archeologica meestal geen voorzieningen zijn: niet voor het lichten, niet voor het transport, niet voor een bestemming en niet voor conservering en presentatie (21). Bij de middelste pijlerbasis ging het om een hergebruikte grafplaat. Deze plaat is 2,17 m lang, 1,10 m breed en 15 cm dik. Bij het vrijmaken bleek de plaat in twee stukken gebroken, maar dit vormt geen belemmering voor het verdere behoud. Het bovenvlak bestaat uit een middenveld en een omlopende band van 7,8 tot 8 cm breed waarin een Latijnse inscriptie voorkomt. De tekst is als volgt te ontcijferen: + HICIACET MAGISTER E/GIDIVS. DE. AXLE. MO NA CHVS. MONA S TERII/SfANJ C [T] I.PETRI.G AN DEN SI IS. ANIMA. EI. REQVIESCATIN.PACE.AMEN. Het middenveld is bezet met een gegraveerd, versierd Latijns kruis, meer een kruisbloem. Uit de inscriptie is dus af te
O
25
•4
5
De I3de-eeuwse grafplaat in het archeologische depot van De Zwarte Doos (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie)
1X13
Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk
De bovenzijde van de grafplaat met de inscriptie die
A Situering van de
(plan Stad Gent,
twee platen met
Dienst Stadsarcheo-
speciale kenmerken
logie)
verwi|st naar 'cellorius' Egidius van Axel (tekening Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie)
leiden dat de plaat afkomstig is van het gtaf van Egidius (Aegidius) van Axel. In het Liber Traditionum van de Gentse Sint-Pietersabdij (22) wordt Egidius van Axel in 1250 vermeld als cellarius of kelderbewaarder (23). Dit was een belangrijke functie in de abdijorganisatie en mede daarom had hij wellicht het voorrecht om, net als abten, een stenen grafplaat boven zijn graf te hebben. Volgens de Regula Benedicti (cap. 31) was de cellarius vooral
De voorbcrcidings-
plaat boven de
(foto Stad Gent.
werken voor het
middelste pijler van
Dienst Stadsarcheo-
lichten van de graf-
de noordelijke rij
logiel
SUB c a n / 9 - I \ J 9 B d-J BS 50 cm
Detail van de grafplaat van Egidius van Axel met een deel van een knus arm en van de omlopende inscriptie (foto Stad Gent. Dienst Stadsarcheologie)
verantwoordelijk voor het zakelijke beheer van de abdij, voor de aankoop van goederen, voor het beheer van het patrimonium en voor de maaltijden (24). Waar Egidius van Axel oorspronkelijk begraven was, is niet bekend. Rekening gehouden met de bouwrekeningen uit het begin van de 15 e eeuw, was dit wellicht op een andere plaats in de monnikenkerk, dichter naar koor en hoofdaltaar toe. Een grafplaat van vóór 1300 is een uitzonderlijk gegeven, niet enkel voor Gent. Allereerst zijn er weinig grafplaten bewaard, wat het gevolg is van zowel kerkaanpassingen en politieke gebeurtenissen zoals Beeldenstorm en Franse Revolutie. Sinds de late 19 e eeuw staat Gent bekend om zijn verzameling monumentale grafplaten in de ruïnes van de SintBaafsabdij (25). De daar getoonde exemplaren overspannen voornamelijk de periode van de 15 c tot de 17 eeuw. Ook door grafschriftenverzamelingen en tekeningen zijn verdwenen grafplaten bekend, maar in die collecties ging de aandacht vooral uit naar uitbundig versierde exemplaren, onder meer met beeldhouwwerk in reliëf en wapenschilden (26). Toch werden voor de grafplaat van Egidius van Axel enkele vergelijkbare Franse voorbeelden gevonden (27). Ze dateren alle van de latere 15 ' en het begin van de 14 c eeuw. Ze hoorden bij graven van edelen of hoge kerkelijke functionarissen. Dit geeft meteen het ruimere WestEuropese kader aan waarbinnen de opgegraven grafplaat moet worden geplaatst.
De monumentale plaat met de vogelvoorstellmg, toestand in de opgravingen (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheo-
logie)
De grafplaat is van Doornikse kalksteen maar hoeft niet meteen in Tournai (Doornik) te zijn vervaardigd. Grafplaten en grafmonumenten van Doornikse steen waren een gegeerd exportproduct en werden doorgaans op bestelling gemaakt. Vanaf het begin van de 13 ' eeuw werden grote platen die niet in de groeven verder werden bewerkt, overgebracht naar de Scheldekaaien ten zuiden van het Doornikse stadscentrum waar zerkhouwers ze verder afwerkten voor bestemmingen in Tournai en ver daar buiten. De plaats kreeg later de naam quai taille-pierre mee en leidde tot het ontstaan van een hele wijk waar steenhouwers hun huizen en werkplaatsen hadden (28). In zoverre bekend waren de zarcbauwers in de 13 c eeuw niet uitsluitend Doornikse steenhouwers. Ook Gent heeft in de late middeleeuwen een stevige reputatie opgebouwd als productiecentrum van grafplaten en grafsculpturen, dat tevens buiten de Gentse regio leverde. De betekenis van de zarcbauwers blijkt tevens uit hun expliciete vermelding binnen de Gentse nering van metselaars en steenhouwers. In deze gevallen werd de Doornikse steen in platen aan Gent geleverd en geschiedde de verdere verwerking en verhandeling door in Gent gevestigde steenhouwers (29). Of de grafplaat van Egidius van Axel in Tournai, dan wel in Gent werd vervaardigd, is niet meer te achterhalen. De monumentale plaat blijft wel te beschouwen als een uitzonderlijke getuige van de Doornikse stenenproductie omstreeks 1300.
Boven de meest noordelijke pijlerbasis lag een plaat met bijzondere kenmerken. Deze plaat was 2,05 lang, 1,02 m breed en 15 cm dik. De bovenzijde is zorgvuldig gefrijnd en toont in lichte gravure, over de hele oppervlakte, een tekening van een vogel. Het dier is gekenmerkt door een lange bek, een lange, slanke nek en het staat hoog op de poten. Opvallend zijn eveneens de sterk opgezette veren achteraan het lichaam. Door het detail in de tekening en de specifieke vorm en houding van het dier is het duidelijk dat hier geen algemeen beeld van een 'gemiddelde' vogel is weergegeven (zoals een kind dat zou tekenen). Ook is er geen reden om aan te nemen dat het om een imaginair dier gaat, zonder enig verband met de werkelijke dierenwereld. Er wordt integendeel een specifieke soort bedoeld en de afbeelding biedt de toeschouwer genoeg aanwijzingen om die ook in een oogopslag te herkennen.
Registratie van de vogel tijdens de opgravingen (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheo-
logie)
T
Er van uitgaand dat het hier effectief ook om een grote vogel gaat, komen voor identificatie slechts een beperkt aantal soorten in aanmerking, die behoren tot de familie van de reigers en de roerdompen (Ardeidae), van de ooievaars (Ciconiidae) of
Registratie van de vogel en de mortelsporen van de bun-
T
delpijler, door de
De lichtjes gegra-
opgravers 'in situ'
veerde vogelvoor-
De gegraveerde
vastgesteld
stellmg
vogel
(tekening Stad Gent,
(bewerkte foto Stad
(tekening Stad Gent,
Dienst Stadsarcheo-
Gent, Dienst Stads-
Dienst Stadsarcheo-
logie)
archeologiej
•
M&L
/ ^
^
>
{Grus grus) die wat betreft algemene bouw, maar ook specifiek de vorm van de bek, de nek en de staart, evenals de afwezigheid van rafelende borstveren, geheel met de Sint-Pietersvogel overeenkomt. De houding waarin de vogel is afgebeeld (met de kop naar achteren, een gestrekte hals en de bek in de hoogte wijzend) is trouwens ook typisch voor de kraanvogel. Toegegeven, de bek is iets te lang afgebeeld, maar dat is wellicht een detail.
De drie belangrijkste grote vogels die voor identificatie in aanmerking komen: kraanvogel (I.), blauwe reiger (m.) en ooievaar (r.) (naar www.rspb.org en Bruun 1974)
Vergelijking tussen de op de steen voorgestelde vogel en een kraanvogel (foto Stad Gent, Dienst Stadsarctteologie S T. Kolaas, Notursjjesialisten)
M&L
van de kraanvogels (Gruidae) (30). Ibissen en lepelaars (Threskiornithidae) zijn, ondanks hun lange poten en nek, uit te sluiten omdat bij de eerste de lange bek naar beneden gebogen is en bij de tweede de bek is afgeplat, en aan het uiteinde sterk verbreed. O m een flamingosoort (Phoenicopterdiae) gaat het evenmin, opnieuw vanwege een andere bouw van de bek. De reigers en de roerdompen hebben wel een lange, gestrekte bek, maar de roerdomp {Botaurus stellaris) heeft niet de slanke, lange nek van de vogel op de steen. Van de vier wat grotere reigersoorten uit onze streken hebben er drie, de kleine zilverreiger {Egretta garzetta), de blauwe reiger {Ardea cinerea) en de purperreiger {Ardea purpurea), een kuif op het hoofd en rafelende borstveren, wat afwijkt van de vogel die ter identificatie voorligt. De vierde reigersoort, de grote zilverreiger {Egretta alba), heeft die kuif niet, maar de veren aan het eind van het lichaam van deze soort zijn niet opgezet, een patroon wat de eerste drie reigersoorten trouwens ook niet hadden. De ooievaar {Ciconia ciconia) heeft veel kenmerken gemeen met de vogel op de steen, maar verschilt door zijn rafelende borstveren en een 'platte' staart. De zwarte ooievaar {Ciconia nigra), heel zeldzaam in ons land, heeft dezelfde staart. Rest dan nog de Europese kraanvogel
De kraanvogel van Sint-Pieters wordt voorgesteld op een plaat van Doornikse steen die op basis van haar afmetingen kan vergeleken worden met de grootste gelijkvloerse graftekens of platte grafmonumenten die in bevloeringen van middeleeuwse gebouwen werden geïntegreerd. Door de voorstelling onderscheidt deze plaat met kraanvogel zich echter volledig van de grafzerken. De grafplaten van Doornikse steen zijn aan de bovenzijde blind, voorzien van een omlijsting met inscripties, florale motieven, een kruis of een ligbeeld (31). De voorstelling van een vogel, in casu een kraanvogel van die grootte, past niet in de gekende iconografie van de grafplaten in Doornikse kalksteen. De techniek van de tekening sluit wel aan bij wat gekend is van grafplaten en doopvonten in Doornikse kalksteen. In de meeste en zeker in de meest eenvoudige gevallen gaat het om een lijngravure, een gravure au tract, waarbij de voorstelling door lijnkervingen in het al voorbereide steenoppervlak werden gerealiseerd (32). Bij heel wat grafzerken en doopvonten combineerden de steenhouwers een lijngravure met spaartechniek en laag- of hoog reliëf (33). Bij de kraanvogel is dit niet het geval. De steen van de kraanvogel lijkt evenmin opgesmukt te zijn geweest met kleurpasta of inlegwerk. Hoewel de steen er geen sporen meer van draagt, mag de mogelijkheid van aanvulling met schilderwerk niet worden uitgesloten. In dat geval kunnen zowel de vogel als de rest van het steenoppervlak afgewerkt zijn met kleur in samenstellingen die niet behouden bleven. O p grond van alle kenmerken is de steen met de kraanvogel niet te dateren. O p basis van de archeologische gegevens, gelieerd aan de bouwgeschiedenis van de kerk, werd de steen ten laatste in het begin van de 15 ' eeuw hergebruikt als funderingplaat voor een bundelpijler. Hij kan natuurlijk heel wat ouder zijn. De gebruikte technieken en het steenhouwerwerk kenden zeker al in de 12 e eeuw dergelijke toepassingen. Uit de gedetailleerde waarnemingen van het stuk zelf blijkt trouwens dat er heel wat slijtagesporen zijn die van vóór het hergebruik in de pijlerconstructie dateren. Dit laat vermoeden dat de monumentale steen met de vogel al
een eerste hergebruik kende op een plaats die druk betreden werd, mogelijk in de bevloering van de kerk (34). Voor het tweede hergebruik werd hij in het begin van de 15 ': eeuw samen met de andere natuurstenen platen en grafzerken uit de kerkvloer opgebroken en opnieuw benut als steunvlak voor een bundelpijler. Tenslotte moet nog eens gewezen worden op het natuutgetrouwe voorkomen van de afbeelding van de kraanvogel. Het lijkt er wel op of de steenhouwer levende kranen geobserveerd had in de vrije natuur, of anderzijds toch beschikte over een zeer goede afbeelding als voorbeeld voor zijn graveerwerk (misschien uit een bestiariunü). Natuurgetrouwe, gebeeldhouwde afbeeldingen van dieren zijn in onze streken een unicum voor de volle middeleeuwen en het begin van de late middeleeuwen. Vergelijkingen zijn in elk geval niet onmiddellijk te vinden, of ons althans onbekend. Als conclusie kan gesteld worden dat beide hergebruikte platen unieke getuigen zijn binnen de productie van grote platen in Doornikse kalksteen.
ters. De vogel flankeert echter ook de wapens van de abdij en van individuele abten. De kraanvogel in monastieke context staat symbool voor waakzaamheid en voor gehoorzaamheid aan de abt. De waakzaamheid wordt in het bijzonder geïllustreerd doordat de ktaan een steen in zijn poot houdt. Als hij in slaap sukkelt, valt de steen en schrikt de vogel wakker (36). Schildhouders zijn heraldische figuren die een wapenschild, meestal aan beide zijden, flankeren. Ze maken strikt genomen geen deel uit van het wapen en zijn in principe niet erfelijk. Toch toonden heel wat families hun verbondenheid met hun voorvaderen door steeds dezelfde schildhouder te kiezen. De schildhouders staan op een welbepaalde ondergrond of komen voor op een lint met wapenspteuk. Dit geldt niet voor vliegende wezens zoals engelen en duiven. De afgebeelde dieren kunnen reëel of imaginair zijn. Zeer uitzonderlijk komen ook planten of bezielde voorwerpen voor. Johannes Baptist
• De zegels bij de oorkonde van 1222, met de afbeelding van een vogel op het zegel van de prior van de Sint-Pietersabdij, de tweede zegel van links (foto Gent, Rijksarchief)
Vet ^">o >"» imUrfuTW- «
DE BETEKENIS VOOR DE SINT-PIETERSABDIJ Een volgende vraag in het onderzoek gaat er om wat een kraanvogel in de Sint-Pietersabdij te zoeken heeft. Bij het ondetzoek werd duidelijk dat de kraanvogel in de monastieke context van deze Gentse abdij geen onbekende is, althans niet in de oudere literatuur. In de 19 e eeuw waren er verschillende auteurs die erop wezen dat de benedictijnenabdij in monte blandinio de kraanvogel als heraldisch embleem koesterde. Bij de overzichten van heraldische emblemen met diervoorstellingen wordt de kraanvogel steeds vermeld. Men verwijst daar bij voorkeur naar de Gentse Sint-Pietersabdij (35). Die auteurs gingen er tevens van uit dat de abdij kraanvogels of een kraanvogel hield. In dit verband wordt et vetgeleken met de benedictijnenstichting van Subiaco die kraaien hield en daarmee de stichter Benedictus vereerde omdat in één van de verhalen uit zijn Vita kraaien voorkomen. O p vallend is echter wel dat het thema van de kraanvogel in de Sint-Pietersabdij in alle jongere, 20 stc -eeuwse publicaties geen aandacht meer kreeg.
De zegel van het opperleenhof van Sint-Pietcrs, 16de-17de eeuw, E. De Busscher, 1869 (foto Stad Gent, Stadsarchief)
De eerste geïllustreerde voorbeelden die opdoken, toonden een kraanvogel als schildhouder voor de wapenschilden van het opperleenhof van Sint-Pie-
M&L
Rietstap beweert dat schildhouders in de vorm waarin ze thans bekend zijn, ten vroegste uit de 14 eeuw stammen (37). Hoewel de meeste aangetroffen voorbeelden voor de Gentse Sint-Pietersabdij uit de moderne tijden dateren, kan gesteld dat ze op een lange traditie en middeleeuwse voorgangers stoelen. De zoektocht leverde tot nog toe één oudere mogelijkheid op. Een zegel uit 1222 toont twee vogels waarvan niet meteen kan worden gezegd dat ze een kraanvogel in beeld brengen (38). Edmond De Busscher publiceerde een afdruk van een zegel van het opperleenhof van de abdij uit de 16 en de 17 c eeuw. Het stuk heeft als randschrift S[IGILLUM] SVPER[IORIS] CVRTAEFEVDALIS MONAS[TERII] PETRI IVXTA GANDA (39). Dit
• Zegelmatri|s, verzameling I iidd Collln (foto Stad Gent. Dienst Stadsarcheo-
De zegel van het opperleenhof van Smt-Pieters, 18de eeuw, E. De Busscher. 1869 (foto Stad Gent. Stadsarchief)
zegel van het opperleenhof van de Sint-Pietersabdij buiten Gent toont als schildhouder naar alle waarschijnlijkheid een kraanvogel en geen reiger. Het dier heeft immers geen kuif en geen rafelende borstveren, en toont een kenmerkende, opgezette staart. De vogel staat op een vlak landschap en draagt in zijn poot de kromstaf van de abt, waaraan het abdijschild is vastgeknoopt. Het gaat dus om de waakzaamheid van de abt voor het lot van de communauteit die hem was toevertrouwd. De originele zegelmatrijs van dit zegel bleef eveneens bewaard (40). Dezelfde auteur publiceerde ook een zegelafdruk uit de 18 dc eeuw met de tekst SIG[ILLUM] SUPREfMAE] CURIAE FEUDALIS MONAS [TERII] SfANCTI PETRI lUXfTAJ GANDA POUR BIEN (41). O p dit zegel staan twee gevederde schildhouders waarbij het moeilijk is uit te maken of kraanvogels eerder dan reigers zijn weergegeven. Er is immers in beide gevallen een kuif en een staart zonder duidelijk opgezette veren (wat naar een reiger verwijst). Daarentegen zijn de rafelende borstveren (van een reiger) niet echt duidelijk. O p basis van de continuïteit met het oudere zegel, en de mogelijke verminderde vertrouwdheid met de kraanvogel als lid van onze postmiddeleeuwse avifauna, is voorlopig niet uit te sluiten dat het hier toch om twee kraanvogels gaat (42). De beide schildhouders staan op een vlak landschap en worden omziend voorgesteld: de heraldisch linkse met een zwaard in de bek, de rechtse met een sleutel. De symbolische voorstelling beklemtoont het tweevoudige gezag van de abt. Het geestelijke gezag (mijter, kromstaf, sleutel) gaat gepaard met het wereldlijke (kroon, zwaard en nog eens zwaard). Ook hier houden de schildhouders het abdijwapen in één poot, een houding eigen aan de kraanvogel.
De afbeelding van de kraanvogel was dus gekoppeld aan de leenrechten van de Sint-Pietersabdij. Het opperleenhof was een feodale instantie die de abt van de abdij vertegenwoordigde bij alle mogelijke aangelegenheden met betrekking tot de SintPietersheerlijkheid. Daartoe behoorde ook de hoogste jurisdictie, het uitspreken en uitvoeren van de doodstraf incluis. Een dergelijk leenhof omvatte een baljuw en een aantal schepenen, en beschikte doorgaans over een eigen gebouw. In de 14 e eeuw bestond het opperleenhof van Sint-Pieters uit een hoogbaljuw, zes leenmannen, twee plaatsvervangers, een griffier, een procureur en een gerechtsambtenaar. Zij vergaderden om de twee weken op woensdag, behalve tijdens het verlof van de door de
graaf ingestelde Raad van Vlaanderen. Als wapenschild en zegel gebruikte het leenhof dus het wapenschild van de Sint-Pietersabdij, de bekende drie sleutels, aan beide zijden geflankeerd door een kraanvogel als schildhouder. Er mag worden verondersteld dat de monumentale plaat met de kraanvogel deel uitmaakte van een groots ensemble met een tweede kraanvogel en het bijbehorende centrale wapenschild van de abdij. Een dergelijke weergave diende ongetwijfeld om in het oog te springen en om de autonomie van het opperleenhof van Sint-Pieters ten opzichte van derden zichtbaar te beklemtonen. De abten toonden graag hun invloed in allerlei bouwkundige projecten waartoe de abdij financieel bijdroeg. Het wapenschild met de kraanvogels werd dan ook vaak gecombineerd met het persoonlijke wapenschild van de abt. In het bouwkundige patrimonium van de Sint-Pietersabdij zijn nog vandaag een hele reeks voorbeelden terug te vinden, zowel in de abdijgebouwen als in het kroonjuweel van het feodale bezit, het kasteel van Zwijnaarde. Zo liet abt Gudwalus Seiger, bijgenoemd Ie
• Wapenschild van
bij het kasteel van
abt Gudwalus Seiger
Zwi|naarde
(1760-1789) op de (foto Stad Gent, oude fundering,
Dienst Stadsarcheo-
links van de brug
logie)
A Wapenschild van
magnifique, zijn kunstig uitgewerkte wapenschild met de traditionele kraanvogels aanbrengen in de gevels van de koetshuizen aan het voorhof. Het wapenschild van de abdij kreeg in dit ensemble als hartschild toch ook een plaatsje. De grafzerk van die abt bevond zich in de oude parochiekerk van Zwijnaarde. Na de verwoesting tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de steen in de westgevel van de nieuwe kerk ingemetseld.
abt Gudwalus Seiger (1760-1789) in het fronton van het koetshuis bij het kasteel van Zwijnaarde (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie)
naar het opperhof
Detail van de graf-
Sint-Niklaas
plaat van abt
in Zwijnaarde
Gudwalus Seiger
(foto Stad Gent, (1760-1789), in een Dienst Stadsarcheoiijmuur van de parochiekerk van
1VI&L
• Gesculpleerde kraanvogels boven aan de westelijke ingang van de barokke Onze-LieveVrouw Smt-Pielerskerk (foto H. Denis,V10E)
Een gesculpteerde kraanvogel, links aan de westelijke ingang van de
Maar ook het ingangsportaal van de huidige OnzeLieve-Vrouw Sint-Pieterskerk wordt gesierd door kraanvogels. Vier vogels bekronen de boog bovenaan het portaal. Ze dtagen een steen in de poot en behoeven dus geen verdere identificatie. Langs één der zijden staat nog een vogel afgebeeld, die mogelijk ook een kraan voorstelt. De opgezette staart laat dit in elk geval vermoeden. De westgevel, waartoe het portaal van de kraanvogels behoort, toont in het fronton het jaartal 1720, maar de eerste steenlegging van de kerk dateert uit 1629 (43). Dat betekent dat men in het begin van de 17 e eeuw, toen de plannen voor de nieuwe kerk onder leiding van bouwmeester Pieter Huyssens werden gemaakt, in elk geval nog op de hoogte was van de sterke band tussen de abdij en de kraanvogel, en dat dit ook in de vroege 18 c eeuw, toen het beeldhouwwetk werd uitgevoerd, geen verwondering wekte. Daardoor wordt het ook aannemelijk dat de gevederde schildhoudets op het 18 ^eeuwse zegel van het opperleenhof, en alle abdij- en abtschilden uit die periode, effectief ook kraanvogels zijn. De kraanvogel als schilddrager vindt men eveneens op diverse grafische documenten, bijvoorbeeld op een gravure uit 1754 met het wapenschild van de abdij (44). Hier dragen de omziende kraanvogels elk een sleutel in de bek. Ze staan om een deel van de ornamenten, maar houden het schild vast met één poot. Andere gravures met dezelfde schildhoudets verwijzen naar abten. De kraanvogels staan op
barokke Onze-LleveVrouw Smt-Pieterskerk (foto H. Denis.ïlOE)
Het wapenschild van
gravure P.Wauters.
de Sint-Pietersabdij
opgenomen bij
in 1754, onder het
P.J. Maes, midden
abbatiaat van abt
19de eeuw
Philippe Standaert
(foto Stad Gent,
(1730-1759),
Stadsarchiel]
/> ITautrrs
/c.
diverse ondergronden, waarbij het heraldische linkse exemplaar meestal elementen uit het persoonlijke wapen van de abt in de bek draagt. Voorbeelden zijn onder meer bekend voor de abten Robert Willocqueau (1681-1682), Antoine Musaert (1720-1730), Gudwalus Seiger (1760-1789) en Martin van de Velde (1789-1796, t 1820). O o k
het overlijdensbericht van de laatst overlevende monnik van de Sint-Pietersabdij droeg het traditionele wapen van de aloude instelling. Benoit Denys Joseph Gheersen overleed op 5 januari 1841 (45). Deze emblemen kwamen ook terug bij zijn gedachtenismis, die tevens alle andere monniken in herinnering bracht.
A
Het wapenschild van
Het wapenschild
Het wapenschild van
van abt Robert
abt Antoine Musaert
Willocqueau
(1720-1730)
(1681-1682)
(foto Stad Gent,
(foto Stad Gent,
Stadsarchief)
Stadsarchief)
• Het geaquarelleerde wapenschild van abt Martin van de Velde
abt Gudwalus Seiger
(1789-1796,
(1760-1789)
f 1820)
(foto Stad Gent,
(foto Stad Gent,
Stadsarchief)
Stadsarchief)
O v u / r ^ w t ' 'i***<i-,T.lkf*-' 'r
: dn OJË T i l IMPEND ruedf Emges N:35 a bzwi •
A. Hct doodsbericht van de laatste
T
monnik van de
Uitnodiging tot een
Sint-Pietenabdij,
kerkdienst voor de
Benoit Gheersen
laatste overleden
(Iota Stad Gent.
monnik van de
Stadsarchief)
Sint-Pietersabdij,
In conclusie kan gesteld dat het onderzoek rond de opgegraven kraanvogel een hele reeks nieuwe inzichten aanreikte, onder meer ook over de betekenis ervan voor de Sint-Pietersabdij. Uit de associatie met een aantal geschreven bronnen blijkt immers dat de afbeelding gekoppeld is aan de feodale rechten van de Sint-Pietersabdij.
Benoit Gheersen (foto Stad Gent, Stadsarchief)
•_D ^
V.
iH.
ik
DE TOEKOMST ÜÏUH. ons éles priëfl d'assister a I'AnniTcrsaire, qui sera célébrè y^.JK
S C
ÏSVJU***^'
* dilE heares et
demie du matin, en I'Eglist; paroisHiale de NOTII I U I C , (S'-Pierro) pour Ie repos de l'Ame dn Reverend Monsieur BENOIT GHEERSEN, dernier Religicux de l'Abbaye de S'-Pierre, au Mont Blandin, 4 Gand, décëdó Ie 8 Janvier 1841, et des aalrca Religieus de la dite Abbaye.
R. I.
P. HEI V
r / ml fy*nji't*/t * 1*1*
CAnTRS.
De monumentale plaat met de kraanvogel is een uniek voorbeeld van middeleeuwse sculptuur. Door het hergebruik in een constructie en het jarenlange verblijf in de bodem is de fysische toestand van de steen echter niet zo goed en dringt er zich een passende conserveringsbehandeling op (46). De plaat van de kraanvogel vertoont overal barstjes en los geschilferde steen, onder meer aan het bovenoppervlak. Dit heeft onder meer te maken met de soort Doornikse kalksteen waaruit hij werd vervaardigd. De verweerde toestand heeft tot
•4 Detail van het oppervlak van de steen met de kraanvogel (foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheo-
HHRSHaBI /'J /'..
M&L
gevolg dat de plaat best niet meer verplaatst wordt voor zij volledig is geconsolideerd. In eerste instantie dient de plaat op een zorgvuldige wijze te worden gereinigd door een gespecialiseerd restaurateurteam dat ervaring heeft met steenconsolidatie en -restauratie. Alhoewel de aanwezige mortelresten een wetenschappelijke betekenis hebben (ze belichten het hergebruik van het stuk in de jongere bouwfazen), dient men deze te verwijderen. Dit is een noodzakelijke stap vooraleer men kan overgaan tot de fixatie van het afschilferende bovenvlak en het verankeren van de belangrijkste barsten met fijne injectieankers in de zijkanten van de steen. Elk van deze behandelingen heeft tot doel de huidige toestand te bestendigen en moet fotografisch worden gedocumenteerd. Er moet geopteerd worden voor een definitieve opstelling in een gepaste wetenschappelijke context. Voor de presentatie wordt het best een omkasting voorzien (die tevens verder barsten moet tegengaan), en een LED-scheerverlichting zodat de ondiepe gravure van de kraanvogel het best tot haar recht kan komen. De vriendenvereniging van Kunsthal Sint-Pietersabdij, de vzw In Monte Blandinio, heeft al zijn hart verpand aan de kraanvogelsymboliek. Zijn de leden van de vereniging immers niet de waakzame hoeders, de kraanvogels van de huidige Sint-Pietersabdij? Zij hebben al fondsen geworven om de hierboven beschreven noodzakelijke conserveringsbehandeling te financieren. Het nieuwe logo van de vriendenvereniging zal eveneens van het kraanvogelmotief vertrekken. Kunsthal Sint-Pietersabdij wil rond de schildhouder van de abdij, de kraanvogel, eveneens een publiekswerking ontwikkelen. De presentatie van de kraanvogelsteen zal het kernstuk vormen van een originele opstelling die de resultaten van de laatste opgravingen voor het publiek ontsluit. De alom in de Sint-Pietersabdij aanwezige vogel zal ook het onderwerp worden van een nieuw project voor kinderen.
— Marie-Anne Bru is archeoloog en werkt als archeoloog-tekenaar bij de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent. — Anton Ervynck is bioloog en onderzoekt de relatie tussen mens en dier doorheen de tijd aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. — Doreen Gaublomme is historica en werkt als waarnemend directeur van de Kunsthal SintPietersabdij en de Historische Monumenten van Gent. — Marie Christine Laleman is stadsarcheoloog van de Stad Gent en is sinds 1973 betrokken bij onderzoeksprojecten in en over de Sint-Pietersabdij. — Daniel Lievois is historicus en onderzoekt al drie decennia onbekende geschreven bronnen over de Sint-Pietersabdij. — Geert Vermeiren is archeoloog, werkt als adjunct-directeur bij de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent en had de leiding over de opgravingen op het Sint-Pietersplein
EINDNOTEN (1)
LALEMAN M.C., Het stenen verleden. Een beknopt overzicht van bouwactiviteiten, bouwkundige ontwikkeling en monastieke architectuur, in DECLERCQ G. (ed.), Ganda & Blandinium. De Gentse abdijen van Sint-Pieters en Sint-Baafs, Gent, 1997, p. 115146; LALEMAN M.C., De ontwikkeling van Blandinium, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, nr. LVIII, 2004, p, 3-22.
(2)
Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie, De Zwarte Doos, DuileGrietlaan 12, B-9050 Gentbrugge, tel. 09/266 57 60, fax 09/266 57 87, stadsarcheologie@gent.be, www.arcbeoweb.gent.be. De auteurs danken Leen Charles, Stadsarchivaris van de Stad Gent en Chantal Van Coppenolle, Rijksarchivaris Gent, voor hun medewerking aan de illustraties van dit nummer.
(3)
VAN DEN BREMT A. en VERMEIREN G., Archeologisch vooronderzoek op het Sint-Pietersplein en aan de Tweekerkenstraat, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, nr. LVIII, 2004, p. 23-58.
(4)
LALEMAN M.C. (ed.), Onder het Sint-Pietersplein Gent. Van
(5)
Het terreinwerk van dit gedeelte stond onder leiding van de ar-
hoogadellijke begraajplaats tot parking. Gent, 2009.
cheologen Marie-Anne Bru en Geert Vermeiren. De illustraties bij deze bijdrage werden verzorgd door Georges Antheunis, Maarten Berkers, Hans Denis, Anton Ervynck, Biep Pauwels en Peter Steurbaut. De auteurs danken ook alle medewetkers van de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent voor hun bijdrage aan dit kraanvogelproject.
(6)
(7)
BRU M.A., LALEMAN M.C. en VERMEIREN G., Monniken-
(22) Gent, Rijksarchief, Fonds Sint-Pietersabdij, reeks II, nr. 2bis, Li-
kerk en atrium, in LALEMAN M.C. (ed.), op. cit., 2009, p. 34-
ber Traditionum, f. 113v.; FAYEN E. (ed.), Liber Traditionum
63.
sancti Petri Blandiniensis. Livre des donations faites 'a l'abbaye de
DECLERCQ G. en DIERKENS A , De abdijkerk van Sint-Pie-
Saint-Pierre de Gand depuis ses origtnes jusqu 'au Xle siècle, avec des
ten in Gent als hoogadelttjke begraafplaats, in LALEMAN M.C.
additions jusqu'en 1273, Gand, 1906, p. V.
(ed.), o/.. «>., 2009, p. 114-133. (8)
(9)
(23) Met beste dank aan historicus Dr. Georges Declercq voor deze
Zie ook: DECLERCQ G., Een Karolingisch lekenabt in Gent:
gegevens.
Einhard en de Gentse abdijen van Sint-Pieters en Sint-Baafs, in
(24) ROUX J., Les ordres bénédictins, Vic-en-Bigorre, 2007, p. 22.
Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde
(25) VAN DEN KERCKHOVE A. en BALDEWIJNS J., Museum
van Gent, nr. LV, 2001, p. 37-76.
voor Stenen Voorwerpen (Ruïnes van de Sint-Baafsabdij). Gids voor
DECLERCQG. en DIERKENS A.. op. cit.
de bezoeker. Gent, 1981.
(10) BRU M.A., LALEMAN M.C. en VERMEIREN G., Monnikenkerk en atrium, op. cit., p. 34-63.
(26) Bijvoorbeeld: COMBLEN-SONKES M. en VAN DEN BERGENPANTENS C , Memorien van Anthomo de Succa, Brussel, 1977.
(11) BRU MA., LALEMAN M.C. en VERMEIREN G., Hetgrafveld
(27) COMTE E, Les lieux de sepultures de la cathédrale Saint-Maurice
van het atrium, in LALEMAN M.C. (ed.), op. cit., 2009, p. 64-
dAngers (Xle-XVe siècle), in ALDUC-LE BAGOUSSE A. (ed.).
75.
Inhumations et edifices religieux au Moyen Age entre Loire et Seine,
(12) BRU M.A., LALEMAN M.C. en VERMEIREN G., Monnikenkerk en atrium, op. cit., p. 52-62.
Caen, 2004, p. 69-92: DEBIAIS V, Inscriptions funéraires et edifices religieux: formes et fonctions des épitaphes des abbés et abbesses
(13) Gent, Rijksarchief, Kaarten en Plannen, nr. 205, het Rode Plan van de Sint-Pietersabdij, 18 e-eeuwse kopie. De plattegrond is niet van een schaalmaat voorzien, maar in relatie tot het archeologische onderzoek kon die bij benadering worden bepaald. In elk onderdeel lijkt het plan een vrij correcte situatie weer te geven. Bij een gegeorefereerde projectie van het gehele plan ontstaan een aantal anomalieën, wellicht omdat een aantal punten die als on-
(Nord-Ouest de la Frame. Xe-XIVe siècle), in ALDUC-LE BAGOUSSE A , (ed.), op. cit., p. 27-29. (28) NYS L., La pierre de Tournai. Son exploitation et son usage aux XUIème, XJVème et XVème siècles, (Tournai - Art et Histoire, 8), Tournai, 1993. Zie ook: GHISLAIN J.C., La production funeraire de pierre de Tournai a l epoque romane. Des dalles funéraires sans decor aux ceuvres magistrates du 12e siècle, in Les grands siècles
veranderd doorheen de tijden worden aanzien, toch niet dat statuut verdienen, mogelijk ook omdat er bij de oorspronkelijke opmeting met de middelen van toen ook enkele foutjes geslopen zijn, tenzij dit bij het kopiëren in de 18
L
eeuw geschiedde.
(14) LALEMAN M . C , De infirmerie van het "rode plan", in VAND E N H O U T E J. (ed.). De Sint-Pietersabdij te Gent, Gent, 19771979, p. 159-168. (15) Gent, Stadsarchief, Album Van Wijnendale. (16) LALEMAN M . C , De Sint-Pietersabdij te Gent. Dertien eeuwen geschiedenis en cultuur. Gent, 1992, p. 109-114; EVERAERT G., LALEMAN M.C en LIEVOIS D., De natuursteen in Gent: materiële getuigen en geschreven bronnen, in CNUDDE V. e.a.(eds.), Gent...steengoed!, Gent, 2009, p. 32-33. (17) Gent, Rijksarchief, Fonds Sint-Pietersabdij I nr. 2261, abdijreke-
de 7o«ratf/, Tournai, 1993, p. 115-208. (29) EVERAERT G., LALEMAN M.C. en LIEVOIS D., op. at., p. 16-37. (30) BRUUN B., Gids voor de vogels van Europa, Amsterdam-Brussel, 1974. (31) VERMEERSCH V, Grafmonumenten in Brugge voor 1578, Brugge, 1976, dl. 1, p. 157. (32) VERMEERSCH V, op. cit., p. 124-125. (33) Bij deze techniek wordt de voorstelling posirief uitgespaard tegenover een uitgeholde achtergrond. (34) Met dank aan Guido Everaert, bouwhistoricus van de Dienst Monumentenzorg van de Stad Gent. (35) O'KELLYDEGALWAYA.,
Dictionnairearchéologiqueetexplica-
ningen 2 oktober 1 3 9 7 - 5 oktober 1398. Zie ook: VAN DRIES-
tifde la science du blason. Bergerac, 1901, p. 282-283, met ver-
SCHE R., De voormalige romaans-gotische kerk van de Sint-Pie-
wijzing naar DE REIFFENBERG E, Recueilhéraldique et histon-
tersabdij te Gent, in Handelingen der Maatschappij voor Geschiede-
que, Anvers, 1835-1836. Deze laatste referentie blijkt onvind-
nis en Oudheidkunde te Gent, XXXI, 1977. p. 6-11.
baar en is waarschijnlijk een vergissing. Een verwijzing naar bet
(18) VAN DRIESSCHE R., De Sint-Pietersabdij te Gent. Archeologi-
houden van kraanvogels in de abdij is wel te vinden bij DE
sche en kunsthistorische studie. Gent, 1980, ondet meer p. 15 en
BARANTE M. (avec des remarques par Ie baron DE REIFFEN-
p.46.
BERG), Histoire des dues de Bourgogne de la maison de Valois,
(19) DERUELLE M., De Sint-Pietersabdij te Gent. Archeologische stu-
Bruxelles, 1836, p. 407. Zie ook: DIMIER A., Menagerie cister-
die. Gent, 1933, p. 31; VAN DRIESSCHE R., op. cit., p. 15 en
cienne, in Citeaux, commentarii cistercienses, XXIV, Achel, 1973,
p.46.
p. 25 en p. 29. Met bijzondere dank aan Dr. Baudouin Van den
(20) VAN DRIESSCHE R., op. cit., p. 15 en p. 46. (21) LALEMAN M . C , Het stenen patrimonium van Gent: een verhaal van vermogen en onvermogen, in Colloquium Architecturale Natuursteenfragmenten - Architectural Stonework (Novi Monasterii 9), Koksijde, in druk.
Abeele en Guy Dupont voot de aanwijzingen in dit verband. (36) Zie voor een uitgebreide bespreking van de symboliek: LIEVOIS D. e.a.., dit nummer. (37) RIETSTAP J.B., Handboek der wapenkunde, Gouda, 1857, p. 290.
(38) Gent, Rijksarchief, Fonds Sint-Baafs en Bisdom, Oorkonden nr. 181, 1 februari 1222. G., abt van Drongen, B., prior van de Sint-Pietersabdij, S., deken van Sinr-Veerle en H., landdeken van
(40) Gent, Verzameling L. Collin. Thans geëxposeerd in de permanente tentoonstelling Tussen hemel en aarde in de Kunsthal SintPietersabdij.
Gent, maken een akkoord bekend tussen H., abt van de Sint-
(41) DE BUSSCHER E., op. ctt., p. 113.
Baafsabdij en Baiduinus, ridder van Bazel. Met vier uirhangende
(42) Zie voor een uitgebreide bespreking van deze problematiek:
zegels, waarvan de tweede van links die van de prior van de SintPietersabdij is. Zie ook referentie bij: BERINGS G. en VAN
LIEVOIS D. ca.., dit nummer. (43) Voor de bouwgeschiedenis van de barokkerk, zie: LALEMAN
S1MAEY C , Ahbaye de Samt-Pierre au Mont Blandtn a Gand
M.C., op. at., 1992, p. 84-92; LALEMAN M.C., op. rit, 1997,
(Monasticon beige Villi), Liège, 1988, p. 96.
p. 139-142.
(39) DE BUSSCHER E., L'ahbaye de Saint-Pierre h Gand, Gent, (44) MAES P.J., Verzameling der wapenschilden van de abdijen, abten, 1869, p. 113. De tekening van De Busschet komt overeen met het beeld voor een zegel met betrekking tot Desselgem. Zie: DE GHELL1NCK VAERNEWYCK, Sceaux et amoiries des villes,
abdissen, kapittels, kloosters en gestigten binnen Gent, Genr, 18431845, f. 54. (45) COLLIN L., De Sint-Pietersabdij van de ophefjing tot het overlij-
communes, échevinages, chatellenies, métiers et seigneuries de la den van de laatste monnik, in DECLERCQ G. (ed.), op. cit., 1997, p. 98-101. Flandre ancienne et moderne. Patijs, 1935, p. 125. Desselgem behoorde tor de belangrijke domeingroep van Sint-Pieters in het Korttijkse. Zie: VERHULST A., Bezittingen en inkomst van de Gentse abdijen, in DECLERCQ G. (ed.), op. ctt., 1997, p. 107108.
(46) Met dank aan Guido Everaerr, bouwhistoticus van de Dienst Monumentenzorg van de Stad Gent.
Anton Ervynck, Daniel Lievois en Baudouin Van den Abeele
GEJAAGD, GEVAMGEM, EN UITEINDELIJK VERDWENEN DE NATJJVRIUKE HISTORIE VAN DE VLAAMSE KRAAN • De Europese
kraanvogel [Sm grus) (foto T. Kolaas. Natmpesiilisten]
De afbeelding van een vogel, die bij opgravin-
van het dier is echter maar een restant van
gen op het Centse Sint-Pietersplein op een mo-
een ooit veel groter
numentale steen werd aangetroffen, kon als
waartoe ook Vlaanderen behoorde.
een kraanvogel herkend worden (1).
Een overzicht van archeologische vondsten
Op het eerste zicht lijkt dit een wat vreemde
en historische gegevens laat toe de 'natural
identificatie, want kraanvogels worden zelden
history' van de Vlaamse kraanvogel te recon-
gezien in Vlaanderen. Het huidige leefgebied
strueren (2).
verspreidingsareaal,
GRIJS GRUS De Europese kraanvogel {Grusgrus) heeft een grijs verenkleed maar de volwassen dieren dragen opvallende kleuren op de kop: een zwarte keel en nek, witte veren die vertrekken achter de ogen en tot op de rug reiken, en een rode vlek boven op het hoofd (3). De poten zijn zwart en de bek is licht gekleurd (4). Onvolwassen dieren zijn soberder aangekleed en de pasgeboren juvenielen hebben zelfs een bruine kleur, die zonder twijfel in de kwetsbaarste fase van het leven als camouflage moet dienen. Europese kraanvogels kunnen tot 115 cm groot worden, een gewicht van 5,5 kg bereiken, en een maximum vleugelspan van 210 cm. Tijdens de vlucht laten de vogels een schelle, trompettende roep horen, waarvan de klank (wel eens beschreven als 'krook', 'kmd oï'krr) trouwens de oorsprong is van hun naam. In het zuiden van Europa wordt de roep van de kraanvogel iets zachter ingeschat, eerder 'grr dan 'krr. In het Latijn noemde men de vogel dan ook grus, wat trouwens de wetenschappelijke naam van de soort, Grus grus, meteen verklaart. In van het Latijn afgeleide talen wordt dat grue (Frans), grulla (Spaans) of gru (Italiaans). In noordelijker delen van Europa ervaart men de klank wat harder, dichter bij het origineel, zoals in het Engelse crane, het Duitse Kranich of het Nederlandse kraan. Die laatste naam evolueerde dan later tot kraanvogel. Net zoals de oehoe {Bubo bubo) of de kraai {Corvus corone) heeft de kraanvogel zijn naam dus te danken aan zijn eigen roep. Dat wist Isidorus van Sevilla trouwens ook al, want hij merkte ergens tussen 600 en 636 op dat "Grues nomen de propria voce su-
munf (5).
Naar schatting omvat de wereldwijde populatie van de Europese (eigenlijk Euraziatische) kraanvogel een 250.000 tot 275.000 dieren. De vogels kennen een migrerende levenswijze: ze broeden in het noorden, in het warmere deel van het jaar, en overwinteren in het zuiden. Het broedgebied strekt zich uit van Noordwest-Europa doorheen het noorden van Rusland tot in het noorden van Mongolië en China, en oostelijk Siberië. Vanuit dit uitgestrekte broedgebied vertrekken een zevental migratieroutes die de populatie dus in evenveel groepen opdelen. De overwinteringsgebieden liggen verspreid van Frankrijk, het Iberisch schiereiland. Noord- en Oost-Afrika, het Midden-Oosten, India, en Zuid- en Oost-China. Bij het broeden houden de vogels zich verspreid op, als koppels, maar de migratie wordt in grote groepen aangepakt en ook in de wintergebieden zitten de vogels in grote aantallen bij elkaar. Het is op zulke momenten in het jaar dat de dieren op mensen de grootste indruk maken: door de grote lineaire formaties waarin ze migreren, of door de vele, complexe interacties binnen de grote overwinterende groepen.
De meest westelijke broedpopulatie brengt zijn jongen groot in het noorden van Duitsland, in Polen, de Baltische staten en Scandinavië. Ze vliegt via Duitsland naar de wintergebieden in Spanje, Portugal en Noord-Afrika en trekt aldus van eind oktober tot in december over het oosten van Nederland en België. In maart en april zijn ze er terug en vliegen ze de andere richting uit. De kraanvogel komt in België dus enkel als trekvogel voor en blijft er nauwelijks enkele dagen pleisteren. De soort wordt daardoor niet tot onze inheemse vogelfauna •
Kraanvogels vliegend
Broedgebieden
(blauw) van
over het Lac du Der
(geel) en overwin-
Grus grus
(foto G. Spanoghe)
tenngsgebieden
(http://www.groms.de)
breeding
M&L
leeding, wintenng
flyway»
gerekend. Overvliegende vogels worden in het westen van het land bovendien ook niet zo frequent waargenomen. In het oosten is dat anders omdat de grote trekroute zich daar bevindt. Tot een aantal decennia geleden bevonden Engeland en Nederland zich in dezelfde situatie als België: overvliegers maar geen broeders. In Engeland, ver west van de trekroute, was dat eerste zelfs heel zeldzaam.
Kraanvogels op weg naar de noordelijke broedgebieden (Aarle-Rixtel. 4 maart 2010) (foto Th. de JongKrijnen)
Er zijn een aantal plaatsen in Nederland die dienen als belangrijke tussenstops, gebruikt door de kraanvogels om aan te sterken. Ze liggen in Oost-Brabant en Noord-Limburg, maar ook in Overijssel. Veel belangrijker stopplaatsen liggen buiten de Benelux, op het eiland Rügen in de Oostzee en in het gebied rond het Lac du Der in de Franse Champagnestreek. Over het algemeen zijn dit waterrijke, ruime en rustige plaatsen waar de vogels een tijd zonder veel storing kunnen foerageren. België heeft dergelijke plekken niet (meer) zodat we niet meer kunnen genieten van het fraaie zicht van kranen op rust. De Europese kraanvogels kiezen als zomer- en broedbiotoop vooral natte graslanden, veen en moerasgebieden in of nabij bosgebieden. Ze hebben daarbij een voorkeur voor afgelegen, rustige gebieden. In de wintergebieden komen ze vooral voor op graslanden maar ook hier vermijden ze angstvallig verstoring. Kraanvogels spreken binnen hun leefgebieden een brede waaier aan voedingsproducten aan. Als alleseters zijn ze geïnteresseerd in graan, eikels, maïskorrels, aardappelen, insecten, wormen, amfibieën, hagedissen, slangen en kleine knaagdieren. O p trek zijn plantaardige producten van groter belang dan op de broedplaats of in het wintergebied. Het balts- en paringsritueel is bij de kraanvogels vrij complex. De koppels gaan een soort samenzang aan, die bestaat uit sterk gecoördineerde, herhaalde reeksen van geluiden. Typisch antwoordt het mannetje met één roep op een reeks van drie geluidssignalen van het vrouwtje. De vogels nemen tijdens het ritueel een specifieke houding aan: met de kop achterover en de bek naar boven gericht. Het mannetje spreidt de vleugels boven de rug maar het vrouwtje houdt ze gevouwen langs het lichaam. Kraanvogels vertonen trouwens niet enkel dergelijk ritueel gedrag als het om de voortplanting gaat. De band tussen de koppels (die behoudens tegenspoed het ganse leven duurt) wordt buiten het broedseizoen versterkt door met elkaar te 'dansen', maar ook onderlinge agressie wordt door groot vertoon geuit en aldus verminderd. Het dansen kan velerlei
bewegingen omvatten, waarbij de vogels buigen, springen, rennen, klapperen met de vleugels, en zelfs gooien met takjes of gras. Alle leeftijdsgroepen nemen deel aan dit sociale leven. Dat mensen de 'dans van de kraanvogel' als bijzonder esthetisch ervaren, is voor de dieren zelf maar bijzaak. Het gaat om het overleven binnen een complex sociaal netwerk, waarbij introversie duidelijk geen optie is. Het nest van de Europese kraanvogel bevindt zich op de grond en wordt opgebouwd uit stapels vegetatie. De vrouwtjes leggen in het voorjaar meestal
Een groep van vol-
het Keoladeo National
wassen en onvolwas-
Park, Rajasthan, India
sen kraanvogels in
(foto J.H. Garg)
m M&L
twee eieren die ze samen met de partner gedurende ongeveer een maand uitbroeden. Wanneer de jongen uitkomen, maar nog niet kunnen vliegen, breekt de gevaarlijkste periode in hun leven aan. Het volwassen mannetje doet dan alle moeite om het nest te bewaken tegen roofdieren. In de derde maand van hun leven slagen de jongen, die heel snel opgroeien, er echter in om te vliegen. Een vroege start is inderdaad aangewezen want in de herfst moeten ze de groep kunnen volgen op de trek naar de wintergebieden. In wat volgt gaat het vrijwel uitsluitend over de Europese (eigenlijk: Euraziatische) kraanvogel (Grusgrus). Van de andere 14 soorten kraanvogels zijn er weinig met impact op het verhaal. De Saruskraanvogel {Grus antigone) is een grote soort die voorkomt in Centraal- en Oost-Azië en die ook wel eens in de Europese literatuur wordt vermeld. Van de jufferkraanvogel {Anthropoides virgo), een Aziatische soort die in westelijke richting Oost-Turkije en soms Cyprus bereikt, wordt wel eens gezegd dat die sporadisch ook in West-Europa voorkomt maar het blijkt steeds weer om uit gevangenschap ontsnapte vogels te gaan.
EEN SLECHT GEKENDE FOSSIELE OF ARCHEOLOGISCHE SOORT? Wanneer een reconstructie wordt gemaakt van de verspreidingsgeschiedenis van de Europese kraanvogel, kunnen allereerst fossiele vondsten in rekening worden gebracht. Dit is materiaal, meestal botten, dat in paleontologische vindplaatsen opduikt. Het gaat dus om natuurlijke afzettingen waarin dierlijke resten zijn terechtgekomen, in tegenstelling tot archeologische vindplaatsen waar het materiaal door menselijk toedoen is beland. Via het paleontologisch onderzoek kan men verder in de tijd teruggaan dan via de archeologie. Dat is handig maar tegelijk betekent het dat men soorten kan ontmoeten die de evolutieve voorgangers, of verwanten, zijn van de dieren die nu nog leven. Dit leidt wel vaker tot problemen van naamgeving, precies omdat het niet steeds mogelijk is het vondstmateriaal in soorten op te delen. Zo zijn er meer dan tien fossiele kraanvogels bekend, waarvan de exacte plaats in de evolutie van de groep in vrijwel alle gevallen vrij onzeker is. De oudste vondsten van fossiele kraanvogelbotten dateren uit het Eoceen (een geologische periode die loopt van 56 tot 34 miljoen jaar geleden), terwijl
botmateriaal van soorten die nauw verwant zijn met Grus grus opduikt vanaf het Mioceen (23 tot 6 miljoen jaar geleden) (6). In feite zijn er echter nog veel te weinig vondsten om een goede reconstructie te kunnen maken van de voorgeschiedenis van deze vogelgroep. Opvallend is wel dat enkele soorten zich chronologisch en geografisch situeren in een periode en streek waarin ook de moderne mens reeds actief was. Aldus zijn ze niet enkel paleontologisch maar ook archeologisch erfgoed. Men gaat er van uit dat er aan het eind van de Ijstijden en het begin van de daaropvolgende warme periode (het Holoceen: 12.000 jaar geleden tot nu) in Europa een soort kraanvogel voorkwam die groter was dan de huidige Europese soort (naar schatting 1,8 m groot en met een gewicht van 12 kg). Wetenschappelijk aangeduid als Grus primigenia, wordt de soort in het Frans soms met de populaire naam grande grue des cavernes bedacht. De reden is dat het botmateriaal voor het eerst werd gevonden in prehistorische grotsites. Grus primigenia is initieel beschreven uit opgravingen in Engeland en het zuidwesten van Frankrijk (7). Een recent overzicht van Franse vondsten geeft aan dat de chronologische verspreiding van de soort het boven-paleolithicum en het mesolithicum (35.000 tot 6.500 jaar geleden) zou beslaan (8). In Duitsland zou men de vogel echter ook in meer recente sites teruggevonden hebben en in Engeland zelfs tot aan het eind van de Ijzertijd (net vóór de komst van de Romeinen in de l ste eeuw AD). O p basis van deze jonge vondsten groeide het vermoeden dat Grus primigenia niet op natuurlijke wijze is uitgestorven maar dat de mens daar door overbejaging bij heeft geholpen (9). Er zitten echter nogal wat problematische kantjes aan de geschiedenis van Grus primigenia. Sommige onderzoekers hebben geopperd dat de soort niet méér voorstelt dan wat in westelijke richting afgedwaalde vertegenwoordigers van de nu nog levende Aziatische Saruskraanvogel, Grus antigone (eveneens een grote soort). O p basis van duidelijke verschillen op bepaalde delen van het skelet, kan dit echter weerlegd worden (10). Lastiger is dat vondsten geïdentificeerd als Grus grus, de kraanvogel die wij in Europa nu nog kennen, ook reeds opduiken vanaf het boven-paleolithicum en dat er dus een chronologische overlap zou zijn tussen Grus primigenia en Grus grus (11). Dat maakt tegelijk dat er mogelijk verwarring kan geweest zijn bij de determinatie van een aantal vondsten. Als het jongere
materiaal van Grus primigenia tot Grus grus moet gerekend worden, wordt de timing van het uitsterven van Grus primigenia teruggedrongen in de tijd (en wordt het weer onzeker of de mens er iets mee te maken heeft). Een overzichtstudie van pleistoceen (2,6 miljoen tot 12.000 jaar geleden) en holoceen (Europees) botmateriaal van kraanvogels toont echter aan dat alle grote exemplaren pleistoceen zijn en alle kleinere holoceen, wat suggereert dat er geen chronologische overlap is tussen primigenia en grus (12). Maar wat is dan de precieze status van Grus primigenia?. Misschien is de vogel niet méér dan de op natuurlijke wijze uitgestorven pleistocene voorouder van de holocene kraanvogel die nu nog leeft? Het blijft zelfs mogelijk dat Grus primigenia gewoon dezelfde soort is als Grus grus (en dat alle vondsten dus dezelfde, laatste naam moeten dragen) maar dat in de pleistocene populaties de vogels gewoon forser en groter zijn. Dergelijk 'verkleinen' van dieren doorheen de tijd (van het Pleistoceen tot doorheen het Holoceen) is trouwens ook reeds voor andere soorten vastgesteld. Recente botten van Europese kraanvogels zijn trouwens ook kleiner dan de prehistorische, archeologische exemplaren (13). Het laatste woord is duidelijk nog niet gezegd over de status van de grande grue des cavernes maar de mogelijkheid dat er een grotere voorloper of variant van onze kraanvogel heeft bestaan, spreekt tot de verbeelding. Misschien moeten we bij de studie van de symbolische betekenis van de kraan, en alle mythen en fabels die met deze soort samenhangen, hier wel rekening mee houden? Plinius beschrijft bijvoorbeeld een vogel, gromphena, lijkend op een kraanvogel, die ooit in Sardinië is voorgekomen maar in zijn tijd reeds aan de eilanders onbekend was. De etymologie van de naam zou de determinatie als een kraanvogelsoort onderschrijven (14). Helaas zijn er op Sardinië in pleistocene of holocene contexten tot nu toe geen kraanvogelachtige botten gevonden, waardoor gromphena een onbekende blijft (15).
HISTORISCHE INFORMATIE: NAMEN EN TOPONIEMEN Paleontologische vondsten van kraanvogels zijn voor ons land niet bekend (16). Hoe kan dan het al dan niet bij ons voorkomen van het dier in vroegere tijden geëvalueerd worden? Historische bronnen kunnen natuurlijk helpen, maar teksten waarin
de aanwezigheid van de kraanvogel wordt aangegeven (zoals misschien te verwachten was in jachtlijsten, keukenlijsten, processtukken, kronieken...) blijken niet aanwezig in betekenisvolle aantallen (17). Mogelijk is dit een effect van de manier waarop het onderzoek verloopt en getuigen te weinig historici van interesse voor dieren (of planten). Maar anderzijds dateren beschrijvingen van natuurexcursies pas uit de 19 dc eeuw en moeten we zulks niet in een middeleeuws archief verwachten. Maar laten we dan eens kijken in welke Middelnederlandse teksten (circa 1150 tot 1500) het woord 'kraan', de oorspronkelijke vorm van 'kraanvogel', voorkomt. Een speurtocht in het Oudnederlands, heeft weinig zin omdat de teksten gewoonweg te schaars zijn. Het Middelnederlands woordenboek geeft aan dat het woord crane of 'craeri in het Middelnederlands teruggaat op de stam 'krdri oi'krori, of in het Middelhoogduits op ' krané of' kran , ook wel' kranech' oï' kranch' (18). Het is dus een oud woord en de teksten suggereren dat het de middeleeuwse mens uit de Lage Landen goed bekend was. De craen, eyn vogel (19) werd ook beschreven als " enen craen ... die enen langhen hals had ende bec" (20). Een treffende raad luidde: "Mi dunct dat een mensch sculdich waer eens kranen hals te hebben, opdat sijn woorde recht door veel knockelen mosten Uden •4 Een kraan in de haven van Brugge, miniatuur van Simon Bening, ca. 1510 (Munchen, Bayerische Staaubibliothek). Bemerk de kraanvogel op de top van de kraan (uit Moulin 1988)
eer si uten monde warden ghesproken (21). Jacob van Maerlant geeft duidelijk het verband aan tussen het Latijnse grus en de middelnederlandse kraan (vogel): "Grus, dats in Dietsche die craene" (22). Nog een overtuigend argument voor de ouderdom van de term 'kraan', en de vertrouwdheid van het publiek ermee, is het feit dat 'crane' ook als naam wordt gebruikt voor een aantal dingen die met de hals van een kraanvogel worden vergeleken, zoals een kraan als toestel om zware vrachten te verplaatsen (23), of de kraan van een vat, of nog een tuitlamp of een kaars met een aangepaste vorm om andere kaarsen aan te steken (24). In het Frans heeft men de poot van de kraanvogel {pied de grué) als stam gebruikt om het woord pedigree (stamboom) te ontwikkelen, wat dan in het Engels is overgenomen. Klaarblijkelijk vond men de vertakkingen van een stamboom lijken op de uiteenstaande tenen van de vogel. Meer direct bewijsmateriaal voor het vroegere voorkomen van de kraanvogel in Vlaanderen wordt aangereikt door de studie van toponiemen. In plaatsnamen vindt men aanduidingen van het voorkomen van bepaalde dieren in het landschap (nederzettingen, bossen, rivieren, poelen...). Een
toponiem is per definitie plaatsgebonden, anders dan verhalende bronnen waaruit men vaak niet kan afleiden dat het om lokale dieren gaat. Jammer genoeg is het oudst bekende toponiem met 'kraan' niet te lokaliseren, maar het was wel in de Gentgouw gelegen. Het betreft de 9 c -eeuwse plaatsnaam ' cranaberga' die opduikt in het Liber Traditionum van de Gentse Sint-Pietersabdij (25) op grond van een kopie uit het midden van de 10 ' eeuw. Mogelijk was die 'kranenberg' een heuvel waarop kraanvogels pleisterden. Een complete databank van toponiemen bestaat (nog) niet voor Vlaanderen maar regionale overzichten zijn wel voorhanden. Aan de hand van drie regionale voorbeelden kan worden geïllustreerd dat de kraanvogel frequent opdook in Vlaamse plaatsnamen. De vogel was dus een ruim bekende realiteit. De oudste vermeldingen van deze toponiemen zijn weliswaar meestal laat- of vroeg-postmiddeleeuws, maar ongetwijfeld is de oorsprong van de namen veel ouder en werden ze pas genoteerd in een periode waarin de geschreven bronnen sterk toenamen. Eerst enkele voorbeelden uit het noordwesten van Oost-Vlaanderen (26). De Kranenpoel te AalterLovendegem werd vermeld als de cranepoel (circa 1540), of den grooten ende cleenen crampoel (1609) (27). In Aalter had men ook nog de craenpoel vivere (circa 1540) en het Kranenstuk (1555 tcranestick). In Assenede was er een Kraanhoek (1343 te cranoucke), in Bellem een Kraanbos (1571 den craenbosch) en de Krane (1571 de crane). Een Kranenbulk kwam voor te Evergem (1531 den cranen bulc), te Maldegem het Kranenhroek (1470 de cranebrouc) en te Zomergem het Kranenstedeken (1452 cranenstedekin) (28). Over de Kranenmeers te Sint-KruisWinkel (1468 den cranen mersch te winde) wordt verder meer verteld. Voor West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen wemelt het van kraanvogels in het pionierswerk van Karel De Flou (29). De Cranen was een hofstede te Geluwe (1495). Een Kranenbos vond Du Flou in Desselgem (1534 Craenen busch), in Maldegem (1845 Craenenbosch), in Staden (1902 Craenebusch) en te Zillebeke en leper (1843 Craneboschbekè). De plaatsnaam Kranenbroek kwam voor in Maldegem (1648 Cranebrouck), Isenberge (1613 Cranebroucq), Beveren bij Roesbrugge (1549 Cranenbrouck) en als naam van leengoederen te Eggewaartskapelle (s. d.) en te Lauwe (1438). Meersen met de naam Kranenbilk worden vermeld in Sta-
den (1902 Kranebilk) en Oostkamp (1401 Cranen beilc). Het CraenensleenwdiS een leengoed te Noordschote (1591). Kranenveld was bekend te Ghyvelde (s.d. ten Cmnenveldè), Moerkerke (1448 Cranevelt) en Passendale (1648 Cranevelt). Verder waren er nog de CranepoelteWmgene (1466), de Cranepolder te Oostburg (1799), 't Crane Stick, een stuk land te Adinkerke (1669), de Craene vullijnghe, een deels opgehoogd land te Uitkerke (1655), de Kranehaag, een hofstede te Avekapelle (1901) en de Craneweede te Kaaskerke (1676). Kranenburg is wellicht het meest bekende kraan-toponiem al was het maar omdat Maximiliaan van Oostenrijk in het gelijknamige huis Cranenburg op de Grote Markt te Brugge een tijdlang werd gevangen gezet. De huisnaam kwam in Brugge al voor in 1394 en te Damme in 1286. Maar de naam Kranenburg verschijnt ook als leengoed Cranenburgh te Ghyvelde en te Lefferinghoeke (bij Duinkerke), beide in 1645, als Cranenburg, een kasteel te Sint-Michiels (1488), Cranenborgh, een stuk land te Wevelgem (18 e eeuw). Kranenburg voor: hofsteden te landvoorde (leper, 1636) en te Zillebeke (circa 1535). De Cmenenburch houck was dan weer een stuk land te Westkapelle (1596). Het is duidelijk dat dit voor het verre westen van Vlaanderen teveel kranen zijn om van toeval te kunnen spreken.
Maar ook verder, in het oosten van Vlaanderen, zijn kraan-toponiemen belangrijk. In de Kempen komen andere vormen voor. Het landschap was immers heel verschillend van dat in West- en OostVlaanderen (30). Zo vindt men het Kraanven in Eksel (1600) (31), het Kraneven in Merksplas (1845) (32), de Kraanblokse hei in Turnhout (voor 1729) (33), het Kranenbeemden de Kranenbergm Poppel (17 e eeuw) (34), het Kranenvennenzand re Lommei (1767) (35) en de Kraanheuvel en de Kraanweide re Brecht - Sint-Lenaarts (1701) (36). Daarnaast duikt in dit gebied ook de interessante term Kraanschoto^. Men vindt die te Beerse (1545, 1581, enz.) (37) en op het grondgebied van Gierle (38), Vosselaar (39) en Turnhout (40) (minstens vanaf 1444). Die plaatsnaam wekt de nieuwsgierigheid omdat -schot zou duiden op een afgeperkt of afgesloten stuk land (41). Zou dit er kunnen op wijzen dat de pleister- (of broed-)plaatsen beschermd werden, misschien voor een geprivilegieerde jacht (gezien de periode wellicht niet uit het oogpunt van natuurbehoud)? Het is echter ook mogelijk dat -schot gewoon duidt op de nabijheid van water (42). In een analyse van de toponiemen uit de regio van Breda komt men er trouwens ook niet uit: -schot zou duiden op een hoger stuk land
uitspringend in moerassig terrein, maar ook wel op een afgesloten stuk land (43). De meeste schot-namen hebben echter betrekking op vrij uitgestrekte gebieden, die onmogelijk geheel kunnen afgesloten geweest zijn. Bovendien is een lage ligging meestal een van de kenmerken, zodat de band met water weer naar voor komt. O f moet er een parallel getrokken worden met het tweede deel in de Engelse woorden cockshoot or cockshut die open plekken in het bos aanduiden waar houtsnippen (met netten) werden gevangen (44)? Uit de opsommingen van toponiemen uit de drie verschillende delen van Vlaanderen blijkt dat kraanvogels overal opdoken, waarbij het westen van het land even goed bedeeld werd als het oosten. Die westelijke aanwezigheid komt trouwens overeen met bevindingen uit Engeland, waar nu ook geen echte trekroute meer over loopt (laat staan dat er veel broedgevallen voorkomen), maar waar het toch aan toponiemen niet ontbreekt. Meer dan 200 plaatsnamen tonen een referentie naar kraanvogels, waarbij ongeveer de helft ook een verwijzing naar water bevat {fen, mere, lake,...) (45). Dit bewijst dat een vogel die tot voor kort niet tot de inheemse fauna van de Britse eilanden werd gerekend, er een belangrijke voorgeschiedenis had, en dat een 'zeer westelijke route' vroeger inderdaad van belang was voor de migrerende Europese kraanvogels. Uit het Engelse namenbestand blijkt wel dat in recente tijden de term crane v/e\ eens gebruikt werd voor de blauwe reiger {Ardea cinerea). Dat ondermijnt de interpretatie van de oudere toponiemen echter niet: de transfer van de naam van een verdwenen of uitgestorven soort naar een gelijkende bestaande soort is al vaker aangetoond: bijvoorbeeld in Engeland bij beaver naar badger, aurochs naar bison of capercaillie naar pheasant. In oorsprong is er echter een duidelijk onderscheid tussen de Angelssaksische termen cran, die men relateert met het Latijnse grus, en hragra wat men in verband brengt met het Latijnse ardea (46).
De toponiemen bewijzen dus het oudere voorkomen van de kraanvogel. Ze vertellen echter niet altijd wat de status van een dier was in het gebied waar het als deel van een plaatsnaam opduikt. Kwam de soort er sporadisch voor, werd zij er al dan niet bejaagd, en, in het geval van de kraanvogel, is natuurlijk de belangrijkste vraag: gebruikte de vogel het gebied als rustplaats op de trek, of als broedgebied? In het laatste geval zou dat betekenen dat het broedgebied van de Europese kraan zich vroeger veel verder naar het zuiden en het westen
uitstrekte dan nu nog het geval is. Men kan er moeilijk van uitgaan dat alle gebieden die een kraantoponiem kregen, enkel sporadisch bezochte of zelfs jaarlijkse pleisterplaatsen waren, tijdens de trek. Tenzij men aanneemt dat de vogels zelfs bij kort bezoek een blijvende indruk nalieten.
ARCHFOLOGISCHE VONDSTEN Ondanks de weelde aan toponiemen zijn de archeologische sites waarin de vogel opduikt bij ons opvallend genoeg dun gezaaid. Uit Vlaanderen zijn slechts drie vindplaatsen bekend, alle uit de volle of de late middeleeuwen (10 e -15 c eeuw). Dat prehistorisch archeologisch materiaal ontbreekt, is niet zo verwonderlijk want botmateriaal is in regel heel slecht bewaard in de Vlaamse zand- en leembodems (en er zijn nu eenmaal geen grotsites). In jongere vindplaatsen met grote concentraties van organisch afval en kalkaanrijking in de bodem zijn de bewaringsomstandigheden voor bot echter veel
De tsrsomearsui (onderste deel van het loopbeen) van drie kraanvogels uit Vlaamse opgravingen (vlnr: Ename. Veurne en Brugge) (foto H. Denis, VIOE)
gunstiger. We verwachten dus wel vondsten uit Romeinse sites maar die zijn er voor Vlaanderen dus (nog) niet. In Wallonië is er één vondst, van vier botten, in het Romeinse Namur (47). De afwezigheid van de kraanvogel in Romeinse vindplaatsen uit Vlaanderen, zoals Tienen of Tongeren, blijft opvallend, alhoewel daar door toekomstig onderzoek misschien nog verandering in komt. O p luttele kilometers van Tongeren, in het Nederlandse Maastricht doken in twee contexten (Derion en Pandhof) bijvoorbeeld wel (laat-)Romeinse kraanvogels op (48). Uit de Vlaamse middeleeuwen kennen we dus wel archeologische kraanvogels. Uit de opgravingen van de Warande-motte te Veurne kwamen zes botten tevoorschijn. H u n datering beslaat drie perioden: de 10 d e -ll d e , 13 d c en I4 d e eeuw (49). De vondsten komen uit een adellijke, feodale context; de site behoorde tot het bezit van de graven van Vlaanderen en diende in een bepaalde periode als residentie voor de burggraaf. De vondsten vertegenwoordigen zowel de fase van de eerste circulaire vluchtburcht, als de motte-occupatie, en de verdere ontwikkeling daarvan (50). Een tweede ensemble van botten (51) van de kraanvogel komt uit een afvallaag gedeponeerd nabij de donjon van het castrumvan Ename (bij Oudenaarde) (52). Het materiaal dateert van rond het jaar 1000 (53). Het volmiddeleeuwse castrum van Ename hoorde toe aan één van de belangrijkste adellijke families uit de Lage Landen, voor het samen met zijn domein werd ingelijfd door de graven van Vlaanderen (54). O p de plek waar te Brugge het Bourgondische Prinsenhof zou ingericht worden, stond in de 13 t:14 ' eeuw een adellijke woning, die wellicht zelfs fungeerde als residentie van de Vlaamse graaf. Recente opgravingen brachten o.a. een tonwaterput aan het licht, die in de 14 c eeuw als afvalcontainer moet zijn gebruikt. Tussen het voedselafval zaten drie beenderen van kraanvogels (55). Uit Wallonië is één middeleeuwse vondst van kraanvogelbotten gekend, uit een 6 e -7 c -eeuwse context opgegraven teTournai (56).
Opvallend is dus dat alle drie de Vlaamse vindplaatsen adellijke, feodale sites zijn, zelfs verbonden met de top van de toenmalige politieke wereld. Verder liggen de sites alle in het westen van het land, de regio waar de kraanvogel nu het minst wordt gezien. Dit bevestigt wat de toponiemen al aangaven: dat de soort vroeger niet alleen veel meer voorkwam maar in Vlaanderen ook een meer westelijke verspreiding kende. De vondst uit Tournai (in de
Scheldevallei) sluit daar trouwens mooi bij aan. Tenslotte is het wellicht geen toeval dat postmiddeleeuwse vondsten ontbreken. Dit patroon kan te maken hebben met het minder frequent opgraven en onderzoeken van vrij recent erfgoed, maar zal wellicht eerder veroorzaakt worden door de achteruitgang van de kraanvogel in recentere tijden. Voor Nederland bestaat er een goede databank die de dierlijke vondsten uit opgravingen groepeert (57). Een vlugge speurtocht in dit gegevensbestand toont aan dat Grus grus een niet zo zeldzame verschijning was in de prehistorie en de Romeinse tijd, en dat vondsten voorkomen tot in de postmiddeleeuwse periode. Er zijn zelfs drie 17 e -18 ceeuwse kraanvogelbotten bekend uit Deventer (58). Naast deze vondst, en één enkel 16 e -17 d c eeuws bot uit Gorinchem (59), komen alle laat- en postmiddeleeuwse Nederlandse kraanvogels uit adellijke sites, met name uit het Hertogenhuis in Sint-Oedenrode (circa 1175-1232) (60), uit de Voorst (nabij Zwolle, 1280-1362) (61), het Huis Polanen (Polanen, 1300-1351) (62), het kasteel van Eindhoven (1420-1649) (63), de Vredenburg (Utrecht, 1529-1577) (64), mogelijk ook uit de dwangburcht van Alva te Groningen (1577 tot en met de 17 c eeuw) (65), uit Huis Brecht (Breda, 1675-1750) en uit Kasteel Cranendonck (!) te Maarheeze (1600-1673) (66). Engelse vondsten schetsen grosso modo hetzelfde beeld. Overzichtsstudies tonen aan dat de kraan er voorkomt in alle perioden vanaf het mesolithicum, tot aan het begin van de postmiddeleeuwse periode (67). Wilde vogels zijn er voor de middeleeuwse periode (in Engeland is dat vanaf de late 11 e tot de vroege 16 e eeuw) ook een culinair kenmerk van sites met hoge status, meer bepaald kastelen (68). In de voorafgaande Angelsaksische periode is die differentiatie minder duidelijk. Wilde vogels komen in die tijd inderdaad meer voor in niet-monastieke sites met hoge status maar kraanvogels duiken toch ook op in rurale nederzettingen, in kloosters of in vroeg-stedelijke centra (69). De sociale opsplitsing van de maatschappij is in die tijd echter nog niet zo sterk doorgevoerd als in de latere feodale tijd (na de Normandische invasie van 1066). Merkwaardig genoeg lijken in de Angelsaksische periode de reigerachtigen (meer bepaald de blauwe reiger en de roerdomp) een betere archeologische indicator voor status te zijn dan de kraanvogel. O p vallend is tenslotte dat de afmetingen van het botmateriaal bij de Engelse (archeologische) kraanvogels groter uitvallen dan bij hun contemporaine
continentale soortgenoten. Wellicht heeft dat het (foutieve) idee doen ontstaan dat in Engeland de pleistocene uitgestorven grote kraanvogelsoort Grus primigenia (zie eerder) het tot aan het begin van onze jaartelling heeft uitgehouden. De conclusie moet zijn dat de kraanvogel vroeger veel meer voorkwam dan nu. Als we de gegevens uit Nederland en Engeland mogen extrapoleren, moet het dier ook in ons land een niet-zeldzame verschijning zijn geweest van in de prehistorie tot aan het begin van de post-middeleeuwen. Een probleem blijft wel dat een eenvoudige vermelding van de kraanvogel in een soortenlij st van een archeologische vindplaats niet zegt of we te maken hebben met een dier gevangen tijdens de trek, dan wel met een broedvogel. Wanneer historische informatie voorhanden is, is een inschatting wel makkelijker. Zo maken historische bronnen duidelijk dat de kraanvogels die in Engeland hun botmateriaal achterlieten niet enkel doortrekkers waren. Dat broedgevallen nog voorkwamen tot in de 16 c eeuw, wordt onder andere bewezen door een verordening van Henry VIII uitgevaardigd in 1534 om het rapen van kraanvogeleieren te beteugelen (70). In 1544 noteert William Turner trouwens: "kraanvogels broeden ook bij de Engelsen, op moerassige plekken, en ik heb hun kuikens vaak gezien, iets wat sommigen, geboren buiten Engeland, trouwens niet geloven (71). Ook voor Vlaanderen hebben we minstens één dergelijke aanwijzing (zie verder). In Nederland is er het plakkaat tegen " Wiltschieten en Eyerensoecken uit Friesland, daterend van 3 januari 1542, dat verordonneert dat het huysluyden (boeren) in het algemeen verboden is eieren te zoeken en te rapen van "swanen, velthoenderen, craenen, reygers, moerhoenderen, putoeren ende dergelycke vogelen ... in watplaetsen dattetsy' (72). In Drente verbiedt men in 1608 het rapen van de eieren van "velthoenderen, corhoenderen, craenen, swaenen ofte reigers' (73). De kraanvogel was dus ooit een echte broedvogel in de Lage Landen.
Er is trouwens nog een manier om dit te bewijzen. Als het archeologisch dierenmateriaal in detail wordt bestudeerd, wordt het mogelijk ook de sterfteleeftijd van de gegeten dieren te reconstrueren. Bepaalde kenmerken laten toe te zien of het om zeer jonge, om onvolwassen of volwassen exemplaren gaat. Bij vogels is het niet volledig verbeend zijn van de gewrichtsuiteinden van de lange beenderen een goede indicatie voor een jonge sterfteleeftijd. Bij hele jonge dieren zijn de lange beenderen bovendien zeer poreus. Vaak worden dergelijke
• Botmatenaal van jonge (eerstejaars) kraanvogels uit het castrum van Ename, ca. 1000 (foto H.Denls,VIOE)
botten als niet-determineetbaat geklasseerd (identificatie van vogels steunt immers vooral ook op de vorm van de gewrichtsuiteinden) maar wanneer zelfs deze juveniele specimens zeer grote afmetingen vertonen, gaat een belletje rinkelen. Zo bleek het mogelijk om, met de hulp van een goede referentiecollectie (74), onder de vogelresten uit het Enaamse castrum ook de beenderen van juveniele kraanvogels te ontdekken. Het is duidelijk dat het om kuikens gaat, vogels in hun eerste levensjaar. Bij kraanvogels ontwikkelt het skelet immers heel snel (de dieren moeten een halfjaar na de geboorte reeds de lange trek naar de wintergebieden aanvatten), en een duidelijk onvolgroeid, poreus bot wijst dus op een heel jong diet. Ook de archeologie bewijst dus dat de kraan een Vlaamse broedvogel was, en dat er in de Scheldevallei bij Ename rond 1000 nog rustige moerasgebieden voorkwamen waar een kraanvogel kon broeden. Kraanvogelvangst, uit Cats' [mbleimts monla et oecono-
DE JACHT OP DF KRAAN
mica (ei. 1712)
(Universiteitsbibliotheek Amsterdam, D a t k r a a n v o g e l s in a r c h e o l o g i s c h e sites o p d u i k e n , uit: Hatthey 2002) I^Q,^,. n a t u u r l i j k o m d a t m e n s e n d e vogel v r o e g e r
hebben gegeten. Het meeste bot dat bij opgtavingen tevoorschijn komt, stelt indetdaad consumptieafval voor. Hoe een kraan vroeger werd genuttigd, komt verder nog aan bod; de eerste vraag moet zijn hoe een kraanvogel werd gejaagd. Voor de prehistorische en de Romeinse perioden kunnen door een gebrek aan informatiebronnen alleen veronderstellingen worden gemaakt maar vanaf de middeleeuwen is er wat solidere grond voor interpretatie.
Natuurlijk konden kraanvogels gevangen worden met netten, een methode die zonder twijfel uit de prehistorie dateert. Dit vergt wel een hele constructie want het gaat hier om een niet zo kleine prooi. Daarnaast werden ook strikken gebruikt, een methode die expliciet bij de kraanvogel werd toegepast: " fa] wary "Krannich" can be captured alive by means of ground snares. These are made with strong horsehair and are set in a circle' (75). Een andere methode omvat het gebruik van lijmstoffen, iets wat op het eerste zicht voor kleinere vogels van toepassing is maar ook gebruikt werd voor prooien zo groot als ganzen (76). Ook het aanbieden van vergiftigd aas was een beproefd middel bij de vogelvangst. Een Engels gedicht uit het midden van de 15 e eeuw stelt dat "Men with a tabour may lyghtly catche a hare, bosard with botirflyes makith beytis for a crane" (77). De betekenis van dit laatste (een buizerd met vlinders?) is geheel cryptisch maar vormt toch duidelijk een verwijzing naar het gebruik van aas bij de kranenjacht. O p postmiddeleeuwse prenten staat zelfs een manier om vogels, ook kranen, te verschalken, door puntzakken van papier in de grond in te graven (78). De binnenkant van de kegels was ingesmeerd met lijm, wat de nieuwsgierige vogels die er hun lange bek in staken, in dodelijke moeilijkheden bracht. Een kritische tekstanalyse toont dat het hier echter eerder om een stichtend verhaal gaat, dan om een natuurgetrouwe weergave van vroegere jachtgebruiken (79). Alhoewel, men weet maar nooit. Een soortgelijke techniek wordt immers al aangetroffen in de 5 ceeuwse parafrase van de (verloren) Ixeutica van Dionysius, overgeleverd in het fameuze Dioscorides-handschrift te Wenen, waar sprake is van gedroogde kolokwintvruchten (een soort uit de
Nr. 161 Bijlage bij M£tL 29/3 mei-juni 2010
Antwerpen, Paleis op de Meir, detail van een basreliêf in het Hollands salon ( © S. Oewickere)
B I N N E I S J K R A N T
Restauraties
Hilde
Thibaut
RFSTAIIRATIE VAN DE MAAfiDFNTORFN TF 7ICHFM Vlaams minister Geert Bourgeois heeft op donderdag 20 mei 2010 tijdens een persconferentie de plannen voor de restauratie van de Maagdentoren te Zichem bekend gemaakt. Daarna onthulde hij een informatiepaneel vlakbij de Maagdentoren. De Maagdentoren is beschermd als monument bij koninklijk besluit van 21 september 1962. De toren is eigendom van de Vlaamse Overheid sinds 1999 en is het enige monument beheerd door Ruimte Êt Erfgoed. De voorbereiding van het dossier en de uitvoering van de werken worden dan ook door Ruimte ft Erfgoed intensief opgevolgd. Vanaf de uitvoering van de werken zal er regelmatig gecommuniceerd worden over de voortgang ervan. De onthulling van het informatiepaneel was een aanzet hiervoor. De grond rondom de toren is sinds vorig jaar eigendom van de stad Scherpenheuvel-Zichem.
De Maagdentoren dateert van het einde van de 14de eeuw en is een uniek voorbeeld van een hoge, ronde donjon, opgetrokken in ijzerzandsteen met vier niveaus: gelijkvloerse verdieping, ontvangstruimte, residentieel niveau en slaapniveau. De gelijkvloerse verdieping is volledig cirkelvormig en was afgedekt met een koepel- of tongewelf, dat verdwenen is. De ontvangstruimte en het residentieel niveau hebben een achthoekig grondplan en zijn overdekt met bakstenen ribgewelven op ijzerzandstenen gewelfribben. Fraaie gebeeldhouwde kraagstenen en een sluitsteen, in ijzerzandsteen, ondersteunen het gewelf. Het slaapniveau had eveneens een achthoekig grondplan. Ook de overdekking van het slaapniveau is niet meer bewaard.
instandhoudingswerken werd op basis van een nieuwe beperkte offerteaanvraag het ontwerpteam Tijdelijke Handelsvennootschap Maagdentoren onder leiding van ingenieur-architect Mare Vanderauwera aangesteld voor de consolidatie van de Maagdentoren en voor het voorzien van toegankelijkheid op de toren. Ter voorbereiding van de restauratie waren verschillende onderzoeken noodzakelijk: geo-elektrische metingen voor het onderzoek van de stabiliteit, monitoring van de scheurevolutie, materiaaltechnisch onderzoek van het parement in Diestiaan ijzerzandsteen, onderzoek van de afwerkingslagen in
Op 1 juni 2006 is de toren gedeeltelijk ingestort. In de volgende maanden werden door de Tijdelijke Vereniging Maagdentoren onder de deskundige leiding van architect Karel Breda een stutstructuur in de bres van de torenromp geplaatst en kabels rond de toren gespannen om verdere instorting te voorkomen. Hierdoor is er nu geen onmiddellijk instortingsgevaar meer. Er werden tevens stellingen met een werfzeil rond de toren geplaatst om de toren te kunnen onderzoeken en inspecteren en om de restauratie te kunnen uitvoeren. Na deze eerste
Toegang tot de toren op gefcfkvloers nfveau
grondplan ontvangstniveau
M&L
B I N M E N K R A N T
productontwikkeling gebeurt in overleg met mogelijke fabrikanten. De resultaten van deze onderzoeken, vooral deze naar de Diestiaan ijzerzandsteen, en de ontwikkeling van betere herstelmortels leveren nieuwe inzichten op in de verwering en instandhouding van deze natuursteen en zullen dus ook belangrijk zijn bij de restauratie van andere monumenten gebouwd in ijzerzandsteen.
het interieur. Hieruit bleek de slechte toestand van de toren, zowel wat betreft de stabiliteit als wat betreft het gevelparement. Het onderzoek naar de stabiliteit wees op een zeer hoog holtepercentage van de muur, van 15 tot 30% met uitschieters tot 400/o. Om de toren te behouden zonder stutstructuur en stellingen zijn er belangrijke injecteringswerken noodzakelijk. Naast de stabiliteit vormt het parement in Diestiaan ijzerzandsteen een aanzienlijk probleem. De ijzerzandsteen is van vrij slechte kwaliteit en zeer poreus, en daardoor onderhevig aan roestige korstvorming. Deze korst komt los van de onderliggende steen die zeer verzand is en verder verweert. Metselbijen zoeken vaak poreuze, weinig aan elkaar gekitte, verweerde ijzerzandsteen op om er hun nestgangen in uit te graven. Hierdoor wordt het parement verder aangetast.
Restauratie van parement in Diestiaan ijzerzandsteen is niet eenvoudig. Er zijn immers geen groeves meer in ontginning en de beschikbare reserves zijn zeer beperkt. Een geschikte herstelmortel, die geen kleurverschil geeft en die niet harder is dan de steen of de mortel is momenteel niet voorhanden. De al gebruikte Brusseliaan ijzerzandsteen als vervangsteen of de al toegepaste bestaande herstelmotels geven een sterk kleurverschil met de Diestiaan ijzerzandsteen. Daarom heeft Ruimte Et Erfgoed opdracht gegeven aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium om de ontwikkeling van een geschikte herstelmortel te onderzoeken. Deze
Restauratieoptie Op basis van de vooronderzoeken werden uiteenlopende opties afgewogen: van het opgeven en verder laten vervallen van de toren, het behouden van de huidige stutstructuur, tot het gedeeltelijk of geheel herstel van de stabiliteit van de toren en zijn parement. De Maagdentoren is reeds lang een ruïne, zowel door de tand des tijds als door de gedeeltelijke instortingen. De ruïne heeft echter nog steeds zijn historische en architectuurhistorische waarden en authenticiteit behouden en bezit een grote architecturale kracht. Daarom hebben Ruimte ft Erfgoed en Vlaams minister Bourgeois toch geopteerd voor het behoud van de toren. De Maagdentoren wordt geconsolideerd, waarbij de ouderdomswaarde en de authenticiteit zoveel mogelijk onaangetast blijven.
De uitgangspunten voor de restauratie zijn de consolidatie van de ruïne en het verder verval voorkomen. Daarvoor wordt de volledige torenwand geïnjecteerd met stabiliserende injectiemortel. Het ruïneuze karaktervan het natuursteenparement blijft grotendeels behouden. Met behulp van speciale restauratietechnieken wordt hierbij zoveel mogelijk gestreefd naar een continu afwateringspatroon. Bescherming van het interieur tegen regen en duiven wordt voorzien door een nieuwe bakstenen wand en door een dakje bovenaan de toren. Tevens wordt de toren toegankelijk gemaakt voor het publiek via een nieuwe trapconstructie in beton. De trapconstructie wordt gebouwd in de bres in de torenromp en draagt ook bij tot de stabiliteit van de toren. Bezoekers zullen zo de verschillende ruimtes van
de toren kunnen ervaren. Helemaal bovenaan kunnen ze van op een uitkijkplatform genieten van het uitzicht over de omgeving. Deze opties waarborgen het behoud van de historische en architectuurhistorische waarde van het monument. Het karakteristieke beeld van de toren blijft bestaan. De werken zullen in twee opeenvolgende fasen worden uitgevoerd en zullen eind 2010 starten. Fase 1 omvat het grootste deel van de werken, namelijk het fixeren van de gewelfschilderingen, structurele injectie van de torenwand, stabilisatie van de gewelven, invulling van de instortingszone met een trappenpartij. Fase 1 zal vermoedelijk beëindigd worden begin 2012. Fase 2 omvat herstel van het buitenparement, creatie van een toegangstrap van de gelijkvloerse verdieping naar de nieuwe trappenconstructie en constructie van het dakplatform. Na de restauratie neemt de stad Scherpenheuvel-Zichem de toren in erfpacht en staat zij in voor de toegankelijkheid en ontsluiting. Het stadsbestuur zal een rechtstreekse fiets- en wandelverbinding realiseren tussen de Markt, de Maagdentoren en het station via de oude spoorwegbedding en de oude tolweg. Ook wordt de omgeving van de toren heraangelegd. De werken hiervoor zullen gelijktijdig met de restauratie van de toren uitgevoerd worden.
Madeleine
Manderyck
HET PALEIS OP DF M E I R IN ANTWERPEN Op 5 mei 2010 werd in Antwerpen het Paleis op de Meir in aanwezigheid van minister Geert Bourgeois heropend voor het publiek. Sinds 2001 werd het ingrijpend gerestaureerd. De restauratie werd voorafgegaan en begeleid door bouwhistorisch onderzoek. Bijzonder daarbij is dat de oorspronkelijke empiremeubelen gemaakt voor
BIIVJNENKRANT
dit Antwerpse paleis hun weg terugvonden naar de historische interieurs op de eerste verdieping. Het Paleis op de Meir, vroeger Koninklijk Paleis genoemd, dankt zijn naam aan de vorstelijke gebruikers die er sinds Napoleon een residentie inrichtten voor zijn representatieve ontvangsten. Sinds 1970 kreeg het paleis als Internationaal Cultureel Centrum een grote bekendheid als centrum van actuele kunst. In de jaren 1990 had de werking van het ICC echter aan dynamiek ingeboet en ter gelegenheid van de manifestatie Antwerpen 1993, Culturele Hoofdstad van Europa, kreeg het Centrum voor Beeldcultuur met het Filmmuseum er zijn zetel. Het gebouw en vooral de mooie interieurs waren echter aan restauratie toe. Nadat het Filmmuseum een nieuwe locatie op het Antwerpse Zuid had gekregen, kon er vanaf 2000 door de Vlaamse overheid, eigenaar van het gebouw gewerkt worden aan de omvattende restauratie van dit fraaie 18de-eeuwse stadspaleis met zijn vorstelijke interieurs. Ook het koetshuis en de tuin zijn opgenomen in het masterplan, opgesteld in het kader van de herbestemming. De totale kostprijs bedraagt ruim 6,5 miljoen euro.
Een vorstelijck stadspaleis in de 18 de eeuw Het Paleis op de Meir met zijn statige klassieke gevel en zwierige rococointerieurs geldt in de architectuurgeschiedenis als het belangrijkste werk van de Antwerpse architect Jan-Pieter Van Baurscheit (1699-1768). Opdrachtgever was Joan-Alexander van Susteren, één van de talrijke Antwerpse negotieanten, ondernemers die fortuin verdienden met beleggingen in risicovolle ondernemingen als de Oostendse Compagnie. De familie was afkomstig uit een katholieke brouwersfamilie van 's Hertogenbosch, maar was in het begin van de 18dc eeuw naar Antwerpen uitgeweken. Van Susteren wenste een echt stadspaleis, een monument voor het geslacht van Susteren-Roose, dat door de aankoop van de heerlijkheid 's Gravenwezel er in geslaagd was een adellijke status te verwerven. Hij gaf
de opdracht aan de toen meest gerenommeerde Antwerpse architectingenieur Jan-Pieter Van Baurscheit, wiens vader een succesvol beeldhouwatelier had in Antwerpen. Daar waar andere beeldhouwateliers in Antwerpen architectuur als nevenactiviteit beoefenden (denken we maar aan de ateliers Verbrugghen en Kerrickx) was Van Baurscheit een van de eerste beeldhouwers die zich vanaf de jaren 1740 vrijwel uitsluitend toelegde op de bouwkunst. Door zijn ervaring in het beeldhouwatelier stond de jonge Van Baurscheit als architect dicht bij de uitvoerende ambachtslieden. Het bedrijf leverde zowel het ontwerp als de uitvoering en was bekend voor de kwaliteit en de schoonheid van het werk. De kundigheid in het profileren en de beheersing van het ornament, harmonisch opgenomen in een klassieke architectuur, waren het handelsmerk. De boekhouding en de correspondentie van het bedrijf bleven grotendeels bewaard in het Antwerpse stadsarchief, waardoor de bouw van dit paleis op de Meir goed gedocumenteerd is.
Van Baurscheit werkte vanaf 1728 voor de familie van Susteren aan de verfraaiing van hun kasteel in 's Gravenwezel, dat toen een volledig nieuwe gevel kreeg. In Antwerpen bezat de familie op de Meir tegen de Wapper enkele oudere huizen die JoanAlexander liet afbreken en vanaf 1745 verving door dit prestigieuze stadspaleis, opgetrokken volgens de allernieuwste Franse mode. Vanaf 1741 was Van Baurscheit directeur en docent architectuur aan de Antwerpse Academie, die hij losmaakte van de aloude Sint-Lucasgilde. Hij kende zowel de klassieke Romeinse architectuurtheorie van Vignola en Scamozzi als de eigentijdse Franse architectuurtraktaten, vooral van d'Aviler en Blondel. Franse, Weense en Noord-Nederlandse voorbeelden lagen aan de basis van het nieuwe stadspaleis op de Meir. De imposante pilastergevel in kolossale orde met Korinthische kapitelen -Van Baurscheit vond deze klassieke orde het best passen bij het karakter van zijn opdrachtgever- werd volledig opgetrokken in verschillende
soorten Duitse natuursteen. De ontwerper beheerste als geen andere de regels van Ie bon goüttn van la belle decoration, canons van de decoratieve vormentaal van de 18 dt eeuw. Het symmetrische gevelschema gaf hij een opvallend middenrisaliet. De hoofdingang werd bekroond met een barok kulfstuk vol beeldhouwwerk, de gepaste omkadering voor het centrale wapenschild van de familie van Susteren. De fraaie bewerking van de natuursteen, de strak getrokken profielen van de vensters en de sluitsteen in de vorm van een vrouwenhoofd waren een toonbeeld van goede smaak. De beeldhouwwerken met het familiewapen benadrukten de status van de opdrachtgever. Voor de organisatie van het interieur liet Van Baurscheit zich inspireren door de Franse stadspaleizen van d'Aviler: het gelijkvloers was representatief, op de verdieping kwamen de appartements de commodité, de verblijfsvertrekken. Uit de bewaarde bouwrekeningen blijkt dat Van Baurscheit alle ontwerpen maakte voor de vaste interieurelementen, gaande van de stucplafonds tot de trap en de lambriseringen. Veel marmeren schouwen, spiegels en vast meubilair werden door zijn ateliers geleverd. Elk vertrek is helder geproportioneerd met een centrale schouw als blikvanger. Het effect op de bezoeker moet groots geweest zijn. Dat was ook de bedoeling, want voor Van Baurscheit was dit paleis een proef van meesterschap. Jacobus Van der Sanden, de Antwerpse kroniekschrijver vermeldde rond 1770 dat hij voor dit stadspaleis de prijs der bouwkunst kreeg.
Quartier General Imperial d' Anvers onder Napoleon In 1811-1812 werd het mooie hotel, inclusief het meubilair, aangekocht voor Napoleon. Antwerpen was immers één van de belangrijkste militaire havens in het Franse Keizerrijk en Napoleon wenste er regelmatig te verblijven. Onmiddellijk maakte de keizerlijke architect Pierre Fontaine (1762-1853) plannen voor de inrichting van het Quartier Imperial d' Anvers. Het exterieur veranderde nauwelijks, maar het interieur werd
BllNJNElVJXRANT
Paleis op de Me/r, het Hollands salon (® S. Dewickere)
Paleis op de Meir, basreliëfin het Hollands salon (®S. Dewickere]
aangepast, vooral op de eerste verdieping. Hier werd een suite van ontvangstsalons ingericht in empirestijl, met vooral in de rechter vleugel de keizerlijke appartementen, opgevat als een enfilade van salons. De Parijse decorateur en keizerlijk hofleverancier Darrac leverde de interieuraankleding van wandbekledingen, gordijnen en behangpapier tot spiegels en meubilair. De inventaris van 1814 geeft een duidelijk beeld van de rijkdom van dit empire-interieur en zijn meubilair, meestal van Parijse makelij: stoelen, tafels, hemelbedden, kasten en commodes in mahoniehout, pendules in verguld brons, kristallen luchters en wandlichten. Het belangrijkste deel daarvan bleef bewaard, deels in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel en deels in bruikleen bij de Koninklijke familie. De oude 18de-eeuwse salons op het
gelijkvloers kregen in de Napoleontische tijd alleen een opfrisbeurt: «Ces pieces d' un gout ancien ont été restaurées avecsoin..., e/Zes offrent beaucoup de richesses». Het Koninklijk Paleis onder Hollands en Belgisch Bewind Napoleon zou echter nooit in zijn Antwerpse residentie verblijven, want in 1815 kwam het land onder Hollands Bewind. Het gebouw met zijn keizerlijke meubilair werd als paleis ter beschikking gesteld van koning Willem I, die er evenals zijn zoon, de Prins van Oranje, herhaaldelijk verbleef. De prachtige Zaal der XVIII Provinciën op de eerste verdieping naar een ontwerp van de directeur van de Academie Mathieu Van Bree, herinnert vandaag nog aan de Hollandse tijd. Tijdens de overgang naar het Belgisch Bewind was het Koninklijk
Paleis de speelbal in de machtswisselingen. In oktober 1830 werd het gedurende een maand de zetel van de bijzondere regeringsmacht over de zuidelijke provincies, daarna werd het ingenomen door het Voorlopig Belgisch bewind. De Belgische vorsten gebruikten het vooral voor de ontvangst van buitenlandse gasten, die gewoonlijk met de boot in Antwerpen aankwamen. In het vooruitzicht van de 75-jarige onafhankelijkheid van België in 1905, liet koning Leopold II grondige verbouwingswerken uitvoeren om de allure van het paleis nog te vergroten. De oude salons op de eerste verdieping aan de kant van de Wapper werden weggebroken voor de huidige grote spiegelzaal en er werd een verbindingsgalerij gebouwd tussen de zijvleugels aan de tuinkant. Al die tijd bleef het Napoleontische meubilair ter plaatse.
Internationaal Cultureel Centrum (ICC) vanaf 1970 Koning Albert I verbleef in het paleis bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914, maar koning Boudewijn maakte er haast geen gebruik meer van, vooral nadat het gebouw in de jaren '50 door het protocol ongeschikt werd bevonden voor koninklijke overnachtingen. In 1968-'69 werden belangrijke herstellingswerken uitgevoerd door het Ministerie van Openbare Werken. Samen met het toekennen van culturele autonomie aan Vlaanderen en met de uitbouw van de culturele centra door Frans Van Mechelen, minister van Nederlandse Cultuur, groeide het besef dat de functie als koninklijk paleis niet langer houdbaar was. Het gebouw was eigendom van de Belgische staat en was ter beschikking gesteld van het Hof. Koning Boudewijn zag af van deze ter beschikkingstelling. Het gebouw viel dus zonder bestemming zodat de minister van Openbare Werken, Jos De Saegher, namens de Belgische Staat het ter beschikking kon stellen van het Ministerie van Nederlandse Cultuur. Op 19 december 1969 vond de plechtige overdracht plaats en werd er een bestuurscommissie geïnstalleerd met vertegenwoordigers van het ministe-
M&L
B 1 N N E 1 \ K R A N T
rie, de stad Antwerpen en de provincie. Al die tijd bleven de mooie interieurs met hun waardevol, vooral empiremeubilair, ter plaatse bewaard. In een brief van 22 december 1969 liet koning Boudewijn bij monde van zijn hofmaarschalk aan Minister De Saegher van Openbare Werken weten: "dat het de wens van de koning is dat het koninklijk karakter van het paleis zou behouden blijven. Het meubilair en de kunstvoorwerpen zullen om die reden ter plaatse gelaten worden, ter beschikking voor het Inrichten van culturele manifestaties". In 1970, nadat in januari het Koninklijk Paleis/ Internationaal Cultureel Centrum was opgericht, werden de deuren van het paleis geopend voor het grote publiek. Een eerste tentoonstelling kreeg als titel ICC koninklijk paleis, bouwer Et bewoners. De interessante catalogus en de uitgebreide fotoreeks die het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium toen maakte tonen zeer overtuigend de unieke waarde van deze fraaie interieurs met hun aankleding en meubilair. Wegens de specifieke werking van het ICC gericht op actuele kunst werd er in 1976-1977 door directeur Flor Bex besloten om een gedeelte van het meubilair aan de Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis in Brussel in bruikleen te geven. Een gedeelte werd tentoongesteld, een gedeelte
werd gebruikt om het Bellevuemuseum in te richten. Het grootste gedeelte werd echter in 1980 aan het Hof in bruikleen gegeven, in 1995 gevolgd door meubilair dat in het museum was ondergebracht. Al in 1970 was de minder waardevolle inboedel zoals fornuizen, kolenschoppen, bedden en bidets, overgemaakt aan de Oudheidkundige musea van de stad Antwerpen, achtereenvolgens ondergebracht in het Hessenhuis, het Godefriduspakhuis en thans in de kazerne Luchtbal. De gordijnen met toebehoren werden samen met een reeks interieurelementen als zetels, een kamerscherm en kandelaars op de zolders van het paleis opgeborgen. Bij de herstellingswerken aan het dak werden ze naar een veilige plaats in de kelder overgebracht. Een aantal meubelen vonden een plaats in de conciërgewoning.
Restauratie in opdracht van de Vlaamse overheid 2 0 0 0 - 2 0 1 0 In 1996 werd het paleis officieel van de federale overheid overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap zodat er een nieuwe toekomst kon worden uitgetekend. Op 8 mei 1998 gaf Vlaams ministervan cultuur, gezin en welzijn, met het oog op de restauratie van het gebouw, zijn akkoord voor de 'onbestemdverklaring' van het Koninklijk Paleis op de Meir te Antwerpen. Zoals voor alle onbestemde gebouwen van de Vlaamse Overheid ging de
Paleis op de Meir, detail van het Maarschalksalon f*S. Demickere)
bevoegdheid over het Paleis hierdoor over van het Ministerie van cultuur naar de toenmalige Vlaamse administratie van de Gebouwen, thans Agentschap Facilitair Management. De Afdeling Gebouwen, nu Agentschap voor Facilitair Management van de Vlaamse overheid, trad op als bouwheer voor de restauratie, dit in nauwe samenwerking met Monumenten en Landschappen, nu Agentschap Ruimte en Erfgoed. Een stuurgroep en een werkgroep zorgden voor de communicatie en besluitvorming. Zoals gezegd had de werking van het ICC in de jaren 1990 aan dynamiek ingeboet en de noodzaak tot restauratie deed zich steeds meer gevoelen. Op 24 mei 2004 gaf Vlaams minister van Binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken (tevens bevoegd voor de gebouwen en voor monumenten en landschappen), Paul Van Grembergen het Paleis op de Meir in erfpacht aan Erfgoed Vlaanderen vzw, met de bepaling dat deze erfpacht zou ingaan bij het einde van de restauratie. Op 7 oktober 2008 werd voor een termijn van 30 jaar een overeenkomst afgesloten tussen de Patrimoniumdiensten van de federale overheid en Erfgoed Vlaanderen vzw, dat het oorspronkelijk meubilair en de kunstvoorwerpen van het voormalig Koninklijk Paleis terug opgesteld zouden worden in het Paleis op de Meir. De eigenlijke restauratie werd in 2000 opgestart met het bouwhistorisch onderzoek. De historisch-archivalische studie, waarbij ook de archieven van Parijs, Brussel en Den Haag onderzocht werden, gebeurde door Mimi De Bruyn. Het materieeltechnisch onderzoek zowel naar de oorspronkelijke afwerking van de gevels en van het schrijnwerk als naar de 18 de -, 19 de en 205te-eeuwse interieurs leverde de nodige informatie om een gefundeerde restauratievisie uit te werken. Het Architectenbureau Van hunsel £t Partners uit Antwerpen trad op als architect samen met Grontmij en Ingenieursbureau Jan Van Aelst als studiebureaus voor de technische installaties en de stabiliteit.
B 1 N N E 1 M K R A N T
Paleis op de Me/r, schilderij van Balthasar Beschey in het Maarschalksalon (®S. Dewickere)
Paleis op de /Me/r, het plafond van de spiegelzaal (*S. Dewickere)
In 2001 werden de dakwerken uitgevoerd door Algemene Ondernemingen Verstraete en Vanhecke, gevolgd in 2003 door het herstel van het buitenschrijnwerk dat nog grotendeels dateert uit de Hollandse tijd. De luiken op de binnenkoer werden toen teruggeplaatst. Naar aanleiding van deze werken werden twee oorspronkelijke 18de-eeuwse schuiframen met kleinhouten op de binnenkoer ontdekt. Ze worden bewaard achter de gesloten luiken tegen de traphal. In 2004 werd de IS^-eeuwse natuurstenen voorgevel met het gebeeldhouwde kuifstuk, uitgevoerd in Duitse zandsteen van Bentheim, Oberkirchner en Ernzen, gereinigd en hersteld en aansluitend in 2005 de overige gevels, beide door Renotec. Later in 2008 werden de bak- en zandsteengevels aan de Wapper en de binnenkoer opnieuw afgewerkt met een dunne vliesbepleistering van zuivere kalkzandmortel zoals dat in de 18de eeuw was (Altritempi). Tegelijk werden inwendig de noodzakelijke aanpassingswerken in verband met toegankelijkheid en brandveiligheid uitgevoerd, vooral het maken van een nieuwe vluchtweg met rookafvoer, een personen- en een goederenlift en een afzonderlijke keldertoegang rechtstreeks naar de tuin (Bouwonderneming Fr. Goedleven). In de kelders kwam nieuw sanitair.
De eigenlijke interieurrestauratie startte in 2006 wanneer Salvartes in de twee 18de-eeuwse salons rechts van de inkom de grote wanddoeken van Balthasar Beschey met Het leven von Jozef restaureerde. De prachtige schilderijen van rond 1764 zijn nu te bewonderen in de chocolaterie op het gelijkvloers. Het eerste interieur dat aan de beurt kwam was de grote spiegelzaal op de eerste verdieping gebouwd door Leopold II (2007 Altritempi). Hier kon het belangrijkste deel van de decoratie met rijkelijk verguldsel bewaard blijven, gereinigd en geretoucheerd. Nieuwe technische installaties voor verlichting, verwarming en ventilatie werden zo onzichtbaar mogelijk ingebracht. Zoals overigens voor alle interieurs was er veel aandacht voor het behoud en de restauratie van het hang- en sluitwerk, waar dank zij reinigings- en conservatieproeven door de Opleiding Conservatie en Restauratie van de Artesis Hogeschool Antwerpen (Patrick Storme) de oorspronkelijk vuurverguldingen konden bewaard blijven. Ook de talrijk bewaarde kristallen luchters en wandlichten konden dank zij de samenwerking met deze opleiding op een conserverende wijze gereinigd, hersteld en (gedeeltelijk) opnieuw bedraad worden. In een tweede (2008-2009 Renotec NV) en een derde fase (20092010 Altritempi) werden de overige interieurs gerestaureerd, waarbij de
meeste wanden en plafonds dienden herschilderd in overeenstemming met de gegevens uit het vooronderzoek. Vooral de zogenaamde balkonzaal, eigenlijk de antichambre aan de trapzaal, is spectaculair: hier werd het oorspronkelijke marmerstuc blootgelegd en aangevuld met de oorspronkelijke kleurstelling op plafond en schrijnwerk. Voor de Zaal der XVIII Provinciën werd er dan weer gekozen om de bestaande kleurstellingen van de marmers te bewaren. Ook de talrijke zijden gordijnen die teruggaan tot de Leopold ll-tijd en op de zolders bewaard bleven, werden minutieus gereinigd en hersteld en waar nodig aangevuld (2010 Joke Vandermeersch en partners). Zij zijn onmisbaar in dergelijke interieurs samen met het oorspronkelijke empiremeubilair dat in april 2010 terugkeerde naar het Paleis, dankzij de speciale ministeriële opdracht van Edgard Goedleven. Eerder waren er in de loop der jaren enkele conserveringsprojecten uitgevoerd van ter plaatse bewaard meubilair en van de uitzonderlijk waardevolle parketvloeren uit het begin van de 19dc eeuw met de Opleiding Conservatie en Restauratie (Charles Indekeu).
Bij de restauratie werd gekozen om de salons op de eerste verdieping in de rechtervleugel museaal in te richten en het meubilair zoveel als mogelijk op een historisch verantwoorde wijze
TVI&L
B11MNENXRANT
terug op te stellen, wetende dat er niets zo verplaatsbaar Is als meubelen. Als basis dienden vooral de meubelinventarissen van 1814 en de ANSnummering van 1905. Na de heropstelling van het meubilair in de empirekamers viel het op dat deze heldere, strakke interieurs, elk in een verschillende grijstint geschilderd, hun architecturale uitdrukking pas herwonnen door de goed gekozen plaatsing van de mahoniemeubelen en van de decoratieve objecten van verguld brons: consoletafels met spiegeleffecten tegen de muren, monumentale kandelabers en klokken op de schouwen en talrijke op rij geplaatste zetels en stoelen tegen de wanden, centraal opgehangen kristallen luchters die zich in de wandspiegels oneindig schijnen te herhalen, dat alles aangevuld met rijkelijk gehangen zijdetextiel. Heropening op 5 mei 2 0 1 0 als Paleis op de Meir Door de overheid werd er voor gekozen om het voormalige Koninklijk Paleis als 'open monument' toegankelijk te maken voor het brede publiek. Hiervoor werd beroep gedaan op Erfgoed Vlaanderen vzw door middel van een erfpachtovereenkomst in 2004 voor de openstelling en het verdere onderhoud van het paleis. Om dit mogelijk te maken is er een commerciële invulling van het gelijkvloers en van het koetshuis. De mooie 18deeeuwse salons in de linkervleugel kunnen nu bewonderd worden, genietend van een kopje koffie met gebak, met zorg ingericht als brasserie Café Imperial (Gunther en Sabine Dieltjens), terwijl De Spiegelzaal ter beschikking is voor feestelijke ontvangsten. De rechtervleugel werd omgetoverd tot The Chocolate Line (Dominique Persoone) waar in de Maarschalksalons bijzondere pralines te koop worden aangeboden, terwijl de oude keuken heringericht werd tot creatief chocoladeatelier. Kom, Beleef en Proef! Bibliografie - LEEMANS H., Het koninklijk paleis, bouwer Et bewoners (tent.cat.), Antwerpen, 1970;
- BAUDOUIN F., Jan Peter van Baurscheit de jonge, architect, 1699-1767, in Lira f/egons, 4, 1994, p. 205-237; - DE BRUYN M, Bouwhistorische studie van het voormalig Koninklijk paleis te Antwerpen, /We/r50(onuitg.studie), Antwerpen, 2000; - DE BRUYN M., Het Paleis op de Meir in Antwerpen van particuliere woning tot Keizerlijke en Koninklijke verblijfplaats, in Gentse Bijdragen tot de interieurgeschiedenis, Leuven, 2004; - DE CLERCQ L, Materiaaltechnisch onderzoek [eerste versie onuitg. studie), Antwerpen, 2000-2001; - BREEDVELDT-BOER I. Tekenen en vasseren. Het bedrijf van Jan-Peter van Baurscheit (1699-1768) en de architectuur in het tweede kwart van de 78* eeuw (onuitg.doct.), Utrecht, 2003; - PAS i . Beeldenstorm in een spiegelzaal. Het ICC en de actuele kunst 1970-1990, Tielt, 2005.
naar alle waarschijnlijkheid terug tot de eerste helft van de 13dc eeuw. In 1716, op het figuratieve stadsplan van Martinus Haecke (leper) is het begijnhof reeds in zijn huidige configuratie afgebeeld. Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt het begijnhof volledig verwoest. De heropbouw gebeurde naar ontwerp van de architecten Jozef en LucViérin (Brugge) en Richard Acke (Kortrijk), terwijl de architecten LucViérin (Brugge) en Lucien Coppé (Brugge) instaan voor het ontwerp van de kapel. Door de precaire financiële toestand van het land en problemen bij de aanbesteding laat de voltooiing van het begijnhof tien jaar op zich wachten. In 1990 werd het verkocht aan De /.owe uit Proven (Poperinge), die het inricht als een verblijfscentrum voor volwassen mentaal gehandicapten.
Het Paleis is gelegen op de Meir 50 en vormt de hoek met de Wapper. Informatie over bezoek, nocturnes en andere evenementen op www.erfgoed-vlaanderen.be, www.paleisopdemeir.be, lnfo@erfgoed-vlaanderen.be.
Als pleinbegijnhof geeft het Diksmuidse begijnhof ons een beeld van de steden en het wonen in vervlogen tijden. Het betreft een geslaagd evenwicht tussen individueel en sociaal gericht wonen, tussen bebouwing en open ruimte, tussen steen en groen, een module, die tijdens de jaren 1920 in de tuinwijkgedachte werd opgenomen. Het is het enige begijnhof in Vlaanderen dat na W.O. I werd herbouwd in een historiserende stijl.
Dominique
Vieren
DIKSMUIDE. HFT R F G I J N H Q F : FASF 1 Het begijnhof van Diksmuide is een na de Eerste Wereldoorlog heropgebouwde begijnhofsite ten noorden van de historische stadskern van Diksmuide, ingeplant aan de rand van de waterzieke Beerstblote-broeken en in de nabijheid van de Handzamevaart. De stichting van het begijnhof klimt
Het is een typisch pleinbegijnhof, bestaande uit twee huizenrijen gelegen langs de lange zijden van een grosso modo driehoekig begraasd pleintje met centraal gelegen ronde waterput en diverse bloemenperkjes. De schuingeplaatste Sint-Godelievekapel sluit de twee naar elkaar toelopende huizenrijen ten westen visueel af. De toegang uitgevend op de Begijnhofstraat bestaat uit een rondbogige poortomlijsting. De huizenrijen zijn van het binnenplein afgesloten door vrij hoog ommuurde voortuintjes, toegankelijk via getoogde (zuidzijde) of rondbogige (noordzijde) poortjes. De huizenrij aan de noordzijde wordt de 'poldervleugel' genoemd, de huizenrij aan de zuidzijde is de 'stadsvleugel'. Links van de toegangspoort staat het zogenaamde 'huis van juffrouw Sybille', namelijk het poortge-
B 1 N N E 1 M K R A N T
bouw. De stadsvleugel is een gaaf bewaarde huizenrij, waar zowel exterieur als interieur nagenoeg origineel zijn gebleven. Het begijnhof kreeg een aantal jaar terug veel aandacht door zijn deelname aan de Monumentenstrijd, een crossmediaal project waarmee de Vlaamse overheid en de VRT op een interactieve en educatieve manier het Vlaamse publiek wilden sensibiliseren voor het eigen onroerende erfgoed. Het begijnhof van Diksmuide was één van de 30 geselecteerde projecten en haalde het in februari 2007 de finale, als finalist van de provincie WestVlaanderen, waar het uiteindelijk de 4dc plaats behaalde. De vzw de Lovie is een instelling ten dienste van personen met een handicap en heeft tevens als doelstelling de instandhouding, het beheer en de ontsluiting van beschermd erfgoed te verzorgen, in het bijzonder van de open monumenten waarvan zij eigenaar is. De Lovie wenst dan ook het begijnhof te restaureren, waarbij zowel rekening dient te worden gehouden met de cultuurhistorische en architectuurhistorische waarden van de site als met de functionele inrichting voor mensen met een handicap. In deze eerste fase van de restauratie worden de stadsvleugel en het poortgebouw gerestaureerd. Het poortgebouw en een woning van de stadsvleugel worden beschouwd als 'open monumenten' dus publiek toegankelijke gebouwen. In de eerste woning in de stadsvleugel, in een authentiek bewaard en te restaureren interieur, zal de bezoeker kunnen kennismaken met de begijnenwoning, waarbij hierin zelfs zal kunnen overnacht worden. In het poortgebouw worden de onthaalbalie, een galerij, een demonstratieruimte en een winkelproject (producten vervaardigd door de bewoners) voorzien. De rest van de straatvleugel wordt bestemd als woningen voor personen met een verstandelijke handicap.
Beschermingen
Hannelore
Decoodt
WO l-nORLOGSINFRASTRUCTUUR UIT HFT HINTERLAND Vlaams Minister Geert Bourgeois besliste om enkele sites uit de Eerste Wereldoorlog voor bescherming voor te dragen. Het betreft een Duitse officiersmess bij het Praatbos in Vladslo/Diksmuide, twee Duitse elektriciteitscabines in Geluwe/Wervik en een Duitse watertoren in Zarren/ Kortemark. In de stellingenoorlog van '14-"I8 vormt het hinterland een cruciaal gegeven. Deze achterliggende gebieden herbergen installaties en infrastructuur die onmisbaar zijn voor het frontgebeuren maar om evidente redenen beter in veiliger zones gesitueerd zijn, zoals hospitalen, munitiedepots, enz. Ook de kantonnementen, waar de militairen na een verblijf in de eerste linies op 'halve rust' kunnen, zijn in dit hinterland gesitueerd. Over het algemeen zijn er in Vlaanderen slechts weinig tastbare sporen uit de Grooten Oorlog bewaard, die getuigen van het bestaan en de inrichting van en het leven in het hinterland.
Twee Duitse elektriciteitsgebouwen uit W.O. I te Wervik (Geluwe)
De officiersmess bij het Praatbos in Vladslo is tijdens WO I opgetrokken door en voor Duitse eenheden. Het gebouw is bedoeld als ontspanningsruimte met cinema en kapel voor de militairen. In en rond het Praatbos bouwt de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog kantonnementen uit. Vlakbij ligt de Duitse militaire begraafplaats met het Treurend Ouderpaar van Kathe Kollwitz. De officiersmess is een merkwaardig en uiterst zeldzaam Duits bakstenen gebouw, dat tijdens WO I opgetrokken wordt in een niet streekeigen stijl- en regelwerk. In Geluwe/Wervik staan nog twee Duitse elektriciteitsgebouwen uit WO I. Electriciteit zou toen aan belang winnen en zelfs onontbeerlijk worden als licht- en energiebron voor tal van
De Duitse officiersmess uit W.O. I bij het Praatbos te Diksmuide (Vladslo)
Deze restauratiefase omhelst de volledige restauratie, zowel exterieur als interieur, van de stadsvleugel en het poortgebouw.
M&L
B l l ^ N E N K R A l M T
neostijlen tot 1914', en maakt samen met vier andere kerken in Antwerpen, deel uit van het pakket 'nieuwgebouwde parochiekerken in de provincie Antwerpen naar ontwerp van een niet-provinciale architect'.
DiWfse watertoren uit W.O. I te Kortemark (Zonen)
militaire installaties. Deze elektriciteitsgebouwen getuigen van de enorme logistieke infrastructuur die achter de frontlijn werd uitgebouwd. Eén van de twee elektriciteitsgebouwen is verworden tot een merkwaardige ruïne. De Duitse watertoren in Zarren/Kortemark wordt in 1916 door de Duitse bezetter gebouwd bij het station van Zarren om stoomlocomotieven van ketelwater te voorzien. Dit station vormt tijdens de oorlog een belangrijk logistiek centrum en verkeersknooppunt in het Duitse hinterland. Dit unieke gebouw bevat in oorsprong op de derde, blinde verdieping waterreservoirs op beperkte hoogte, met een pompsysteem waarmee het water naar de reservoirs wordt getransporteerd om van daaruit onder druk de treinen te kunnen bevoorraden.
De bescherming wordt gemotiveerd door de historische, meer bepaald de stedenbouwkundige en de architectuurhistorische, de artistieke en de volkskundige waarden van het geheel. De parochiekerk van de Heilige Familie en Sint-Cornelius met devotiekapel, kerkmeestershuis en pastorie is opgericht in nauwe samenhang met de aansluitende wijk, waarin ze door haar prominente aanwezigheid een beeldbepalende en structurerende rol vervult. De cluster bestaande uit kerk, devotiekapel, kerkmeestershuis en pastorie werd ontworpen door Frans Mertens (1864-1943) die een verzorgd maar weinig bevlogen architecturaal oeuvre naliet. Het algemeen concept en de drieledige opbouw van de kerk gaan terug op voorbeelden uit de Franse hooggotiek. Meest opvallend zijn de grote eenvormigheid tussen de verschillende bouwonderdelen en de monumentaliteit van de volledige site. Naast de opmerkelijke architecturale samenhang van de verschillende bouwonderdelen en de perfecte afstemming van de uitwendige vormgeving op de inwendige opbouw, is de artistieke waarde vooral terug te vinden in de nog intact bewaarde, figuratieve beschildering van de koorsluiting en de corresponderende glas-
in-loodramen. De stijl van de muurschildering is ver verwijderd van de bewogen historiserende muurschilderingen van de academies of de onderrichtende prenten van de Sint-Lucasscholen. Het eenvoudige ontwerp met eenvoudige, lineaire vormen en sterk geabstraheerde, stereotiepe figuren is eerder een volkse, wellicht met sjablonen aangebrachte versie van nieuwe iconografische thema's die voortvloeien uit de 'rationele' geometrische art nouveau. De gebrandschilderde glasin-loodramen in het koor zijn ontworpen door Louis Crespin en uitgevoerd door het atelier Frans-David Crickx. Zij dateren van 1950 en behoren tot het latere werk van Crespin. Wellicht bepaalden het nog agrarisch karakter van de nieuwe parochie en de aanwezigheid van talrijke slagerijen de keuze van de heilige Cornelius, patroon van boeren en hoornvee, als tweede beschermheilige. Bijzondere verering genoot ook Onze-LieveVrouw van de Vruchtbare Wijnstok, die aanroepen werd tegen de hoge koorts. Daarnaast zijn er de broederschappen van Sint-Vincentius, de Heilige Cornells en de Heilige Kindsheid. Aan de kerk is ook een devotiekapel gehecht, toegewijd aan OnzeLieve-Vrouw van Lourdes, die nog steeds intensief wordt bezocht.
Patricia
Van
Vlaenderen
ARDOOIF. HPT PRINSFNHOF PARnrHIFKFRK HFIIIfiF FAMIIIF FN SINT-rORNFIIUS IN RDRGFRHOUT/ANTWFRPFN Vlaams minister Geert Bourgeois besliste op 21 april 2010 om de parochiekerk Heilige Familie en SintCornelius samen met devotiekapel, kerkmeestershuis en pastorie, in Antwerpen/Borgerhout aan het Koxplein 27 en Betogingstraat 2-4 definitief te beschermen. Deze bescherming kadert in de thematisch-typologische bescherming van 'religieus erfgoed in
Het Prinsenhof zsn de Prinsendreef in Ardooie kent zijn ontstaan in de feodale structuren van het Ancien Régime. De notabelenwoning is gebouwd in 1766 als administratief centrum van de Ardooise dorpsheerlijkheid, als ambtswoning voor J.B. Van Coquelaere, die in zijn persoon de functies combineerde van griffier, prijzer, notaris, ontvanger en zaakgelastigde van de heer. Door de strategische ligging aan de toenmalige hoofdwegen is het statige pand in de 19de eeuw onder de Ardooise brou-
B 1 N N E 1 \ K R A N T
Deze bescherming kadert in de thematisch-typologische bescherming van 'religieus erfgoed in neostijlen tot 1914', en maakt - samen met vier andere kerken in Antwerpen - deel uit van het pakket 'nieuwgebouwde parochiekerken in de provincie Antwerpen naar ontwerp van een niet-provinciale architect'.
wersfamilie Vanden Bussche geëvolueerd tot herberg met afspanning en smidse. Tot het begin van de 21 ste eeuw behield het een horecafunctie. De gevelordonnantie en de Lodewijk XV-stijlkenmerken in het interieur, onder andere in het stucwerk op de schouwboezem, vertellen het verhaal van de 18de-eeuwse notabelenwoning. De zeldzame restanten van een oud balspel in de tegelvloer wijzen op het 19de- en 20ste-eeuwse herbergverleden en getuigen van het Ardooise dorpsleven en de traditionele volksspelen. Het Prinsenhof vormt samen met de midden-18dc-eeuwse herberg De Kaai, eveneens ter bescherming voorgesteld, een fraai en zeldzaam voorbeeld van sobere maar voorname 18de-eeuwse dorpsarchitectuur, die met hun herbergtypologie een beeldbepalende en typerende rol vervullen binnen de bebouwing van de Ardooise dorpskern. De voormalige notabelenwoning en herberg Het Prinsenhof werden beschermd als monument, maar de herberg De Kaai werd niet weerhouden voor definitieve bescherming.
Sibylle De Sadeleer
PAROrHIFKFRK SINT CAROLUS BORRQMEUS FN OMGFVINfi TF WESTFRLQ-HEULTJF Vlaams minister Geert Bourgeois besliste op 21 april 2010 om de Sint Carolus Borromeuskerk te WesterloHeultje samen met de omgeving definitief te beschermen.
De parochiekerk is beschermd als monument, de omgeving met het dorpsplein, de pastorie, het parochiecentrum, een bidtuin en het verderaf gelegen voormalige klooster annex school als dorpsgezicht. Dit geheel van gebouwen en elementen weerspiegelt de identiteit van het gehucht Westerlo-Heultje en zijn relatie met de adellijke familie de Merode. Westerlo-Heultje is een voorbeeld van een gehucht dat zich op het einde van de 19de eeuw ontwikkeld heeft in het ontginningsgebied van de Kempen. Uniek voor Heultje is dat het hier werkelijk om een 'stichtingsdorp' gaat: onder impuls en met de financiële bijdrage van gravin Jeanne de Mérode (1853-1944), de tweede ongehuwde dochter van Graaf Charles-Antoine de Mérode-Westerloo, ontstond een nieuwe zelfstandige dorpsgemeenschap met een eigen parochiale en sociale infrastructuur. Dit grootschalige project, gefaseerd voltooid in de periode 1894-1922, is één van de vele opdrachten die de familie de Merode toevertrouwde aan de Leuvense architect Pieter Langerock (1859-1923). Voor Gravin Jeanne de Merode (1853-1944), verwant met het ultramontaanse Sint-Lucasmilieu en zeer actief in katholieke bewegingen, lag de keuze van Langerock, opgeleid aan de Gentse Sint-Lucasschool en stagiair van Joris Helleputte, voor het bouwproject in Heultje dan ook voor de hand. De gehuchtskern van Westerlo-Heultje bestaat uit een gaaf bewaard geheel van rondom of nabij een plein gelegen hoofdgebouwen die een architecturaal ensemble vormen in een neogotische of neotraditionele baksteenarchitectuur en het centrum tot op vandaag sterk karakteriseren en structureren.
een parochiekerk in landelijke context, met kenmerken eigen aan de SintLucasneogotiek, maar tegelijk ook referenties aan de lokale bouwtraditie. Het oorspronkelijke planconcept van eind 19de eeuw, een éénbeukige kruiskerk met toren, koor en kerkhof, bleef gaaf bewaard. Zowel binnen de 19 de eeuwse kerkbouw als binnen het kerkelijk totaaloeuvre van P. Langerock is hier sprake van een vrij zeldzaam architectuurconcept wat zich vooral uit in de plattegrond, het kleinschalige type van een éénbeukige kruiskerk, en de aandacht voor zichtbare materialen en structuren zoals de tegelvloer en de ziende kap. Het interieur wordt gekenmerkt door een eenvoudig vanuit en in harmonie met het kerkgebouw bedacht gaaf bewaard geheel van binnenarchitectuur, afwerking, beeldhouwwerk en meubilair. Het kerkhof is inherent aan het toenmalige kerkconcept en wordt aldus mee opgenomen in de afbakening van de bescherming.
B
De gaaf bewaarde uitwendige vormgeving en planindeling van de pastorie (1896-1898) beantwoordt aan de geijkte bouwtypologie van de pastoorswoning uit del9de-vroeg 20e eeuw. Het plein creëert een zekere ruimtelijkheid waardoor de monumentaliteit van de diverse gebouwen tot zijn recht komt. Het oorspronkelijke schoolconcept van de voormalige meisjesschool bleef gaaf bewaard en is nog sterk gebaseerd op de 19deeeuwse typologieën met als vaste componenten de rondom een speelplaats gegroepeerde klassenvleugels, de typische gaanderijen en "gemakken" en de afsluitingsmuur met poort.
De Sint Carolus Borromeuskerk (18961898) is een zeldzaam voorbeeld van
1V1&L
B 1 N N E N K R A N T
Het klooster en de schoolgebouwen getuigen van een eenvoudige, maar verzorgde baksteenarchitectuur met een minimaal gebruik van natuursteen en beperkte referenties aan de neotraditionele en/of neogotische bouwstijl. Het rijker uitgewerkte kloostergebouw verleent het geheel een monumentale indruk en bevestigt de sociale positie van de zusters in de dorpsgemeenschap.
Greta
Paesmans
IFUVFNS UNIVERSITAIR PATRIMONIUM Vlaams minister Geert Bourgeois, bevoegd voor het onroerend erfgoed, besliste op 5 mei 2010 om 11 universiteitsgebouwen en -sites ter bescherming voor te dragen binnen het thema Universitair Patrimonium Leuven en dit ter aanvulling op de al beschermde universitaire colleges, instituten en instellingen. De voorstellen volgen op de recente actualisatie van de inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Leuvense binnenstad uit 1971. Bijkomend vervolledigt dit pakket het voorstel Leuven: Universiteitsgebouwen, een zes eeuwen oude aanwezigheid in de historische binnenstad, dat door de UNESCO in 2002 op de indicatieve lijst van het Werelderfgoed werd geplaatst. De ruim 30 universitaire instituten en instellingen, ontstaan vanaf het midAnatomisch Theater, Minderbroederssstraat 12 (1876, J. Helleputtej
Literatuur
{Herman
van den Bosschel
EEUWIG GRQEM Instituut voor Bacteriologie, Vital
HISTQRISCHF PARKFN FN TUINEN IN BFIGIF
Decosterstraat 102 (1897, A. Van Arenbergh)
den van de 18 eeuw toen het onderwijs evolueerde van zuiver theoretisch naar meer op de praktijk gericht onderricht, zijn door hun concept, oorspronkelijke uitrusting of bewaarde collecties bijzondere getuigen van evoluerende wetenschap en techniek. Van de bestaande instellingen en instituten in Leuven waren er totnogtoe 4 beschermd. Omwille van historische, artistieke of industrieel-archeologische waarden, en rekening houdend met criteria als zeldzaamheid, gaafheid, authenticiteit, representativiteit, ensemble- en contextwaarde, werden volgende instituten definitief beschermd, hetzij als monument of stadsgezicht, hetzij als uitbreiding van een bestaande bescherming: - instituten in de historische binnenstad: het Vesaliusinstituut met Anatomisch Amfitheater, het Pathologisch Instituut, het Instituut voor Bacteriologie, het Instituut voor Farmaceutische Wetenschappen, het Paleontholgisch Instituut, het Kolenmuseum, het huis de Dorlodot, en het huis Renaer; - instituten op de Campus Arenberg in Heverlee: hetThermotechnisch Instituut en de Speciale Scholen voor Ingenieurs, het Landbouwinstituut, en het Instituut voor Lichamelijke Opvoeding.
In Eeuwig Groen, Historische Parken en Tuinen in België nemen Anne-Marijn Somers en Guy Laurent de lezer dankzij de sfeervolle foto's van Lil Meert mee op een kleurrijke wandeling langsheen 12 bekende en minder bekend tuinen en parken in België. Op hun lichtvoetige tocht staan zij ook stil bij geschiedkundige feiten en familie anekdoten die hen verteld zijn door de huidige eigenaars, bewoners of beheerders. Er gaat ook aandacht naar wetenswaardigheden over planten- en bomen. Beide auteurs kregen in het verleden als groenjournalist de gelegenheid om een rubriek over bijzondere tuinen en parken op te starten en dit was de verre aanleiding tot dit boek. De talrijke foto's en uitspraken van de eigenaars maken het boek tot een waardevol tijdsdocument, dat niet pretendeert de ultieme tuinhistorische referentie voor de besproken tuinen en parken te zijn. Zolang de thematische inventaris van tuinen en parken van Vlaanderen niet gebiedsdekkend is afgerond, is het laatste woord over de tuinkunst in onze is nog niet geschreven. In Wal-
EEUWIG ^«GROEN
Historische Parken en Tuinen in België
IVI&L
B 1 M N E N K R A N T
lonië is de inventaris intussen wel afgerond. Nathalie de Harlez heeft in 2008 een compilatiewerk met als titel Porcs etjardins historiques de la Wallonië gepubliceerd en het is spijtig dat dit boek hier in de bibliografie ontbreekt. Dit boek streeft niet naar volledigheid, maar de weerhouden tuinen en parken vertegenwoordigen wel een representatief staal. Door de eindverantwoordelijkheid van de passages over de geschiedenis van de tuinen en parken bij hun eigenaars, bewoners of beheerders te leggen, nemen de auteurs geen eigen standpunt in ten overstaan van de soms tegensprekelijke visies van 'experten' in de complexe materie van de tuinkunst. Het hoofdstuk met de geschiedenis van de tuinkunst vanaf de vroege middeleeuwen is met zijn tien pagina's niet meer dan een zeer vluchtig overzicht in 10 bladzijden van de 13de tot de vroege 19de eeuw in Europa, zonder enige link naar de tuinen en parken in België. Dat is echt een gemiste kans, want Xavier Duquenne's artikelenreeks hierover in De woonstede door de eeuwen heen was een goede basis geweest. Onder de titel Geldverslindend blok aan het been? worden dan weer spijkers met koppen geslaan. De analyse van het complex beheer van landgoederen en het niet steeds toeschietelijk administratieve klimaat waarin het zich afspeelt, zijn waarheidsgetrouw geformuleerd.
Eeuwig groen, Historische Parken en Tuinen in België is vooral bedoeld als fraai, informatief en breed toegankelijk kijkboek dat de lezer aanzet om de tuinen en parken die publiek toegankelijk zijn, te gaan bezoeken. Het boek doet de tuinen en parken aan van de kastelen van Voort en Hex in Limburg, het kasteel van Attre en het park van Mariemont in Henegouwen, het kasteel van Freyr in Namen, de Leuvense Kruidtuin, het kasteel park van Kwabeek, het arboretum Wespelaar en het landgoed Eimeren in Vlaams-Brabant, de tuinen van Edingen in Waals-Brabant, het kasteel van Leeuwergem in Oost-Vlaanderen en het kasteel Belvedère of Kijckuit in Antwerpen.
LAURENT Guy en SOMERS AnneMarijn, Eeuwig Groen, Historische Parken en Tuinen in België, Uitgeverij Davidsfonds, Leuven, 2010, 176 p., D/2010/0240/19 ISBN: 978-90-5826-687-3 NUR:680
I
Peter Van den Hove en Marjan
Buyle
DF TORFN VAN LFFNDF Leende is een dorp gelegen in Noordoost-Brabant, ten zuidoosten van Eindhoven en in het zuidoosten van de huidige provincie Noord-Brabant in Nederland. De huidige woonkern wordt nog steeds gedomineerd door de middeleeuwse parochiekerk en toren. De toren zelf is het onderwerp van een nieuwe en omvangrijke publicatie: De geheimen van een middeleeuwsgebouw. De toren van Leende in woord en beeld ontleed. De auteur is Max Farjon. Het boek is een luxueuze en rijkelijk geïllustreerde uitgave die in detail weergeeft hoe de toren werd gebouwd en door welke gebeurtenissen het uiterlijk van de toren werd beïnvloed doorheen de eeuwen. Naast de historische context en de bouwgeschiedenis komen ook het orgel, de klokken en het uurwerk in de publica-
EE1VAI/DDEL qEBOUPV
EEUMi
tie ruim aan bod. Het boek is in harde kaft uitgegeven (formaat 34 x 24cm), bevat een groot aantal tekeningen en illustraties, een losse tekening van de toren en een 32 pagina's tellende losse bijlage die meer informatie verschaft bij de tekeningen in het boek. Vernieuwend aan deze publicatie van het bouwhistorisch onderzoek van de toren is dat de veelheid en de verscheidenheid aan gegevens, die bij een dergelijk grondig onderzoek worden aangetroffen, in extenso gepubliceerd worden en dus beschikbarvoor andere onderzoekers van gelijkaardige gebouwen of gebouwenonderdelen. De gegevens en de verwerking ervan werden samengebracht door een uitgebreid team van onderzoekers van verschillende vakspecialisaties: bouwkundig restauratieadviseur, specialist in klokken, geotechnisch adviseur, metselaar, museumconservator, me-
1VI&L
B I N N E N K R A N T
chanicus, constructeur, projectadministrateur, bouwhistoricus en anderen. Het iconografisch materiaal dat hier bijeengebracht werd, is indrukwekkend. Ondanks het gebruik van vooruitstrevende technologische meettechnieken, is voor de uiteindelijke weergave van de resultaten ook veel gebruik gemaakt van traditionele weergaves in minutieus uitgevoerde aquarellen. Hiermee sluit de auteur mooi aan bij de 19de-eeuwse en vroeg 20ste-eeuwse traditie van uitgebreide bouwdocumentatie. De tekeningen en aquarellen laten de lezer als het ware doorheen het gebouw kijken en zo komt hij bijvoorbeeld ook te weten waarmee deze uiterst dikke middeleeuwse muren aan de binnenkant waren opgevuld, of hoe de middeleeuwse metselaar de funderingen legde. Vooral de pagina's 5.6 en 5.7 (de paginering is enigszins 'eigenzinnig') zijn mooi omdat hier een aantal gelijkaardige Brabantse bakstenen torens uit Nederland en België op schaal naast elkaar opgesteld zijn. De overeenkomsten zijn uiteraard groot. Leende behoorde immers vroeger tot het hertogdom Brabant. Dit boek is zeker een inspirerende aanwinst voor bouwonderzoekers!
FARJON Max, De geheimen van een middeleeuws gebouw. De toren van Leende in woord en beeld ontleed. Leende, Stichting De Toren van Leende, 2010, 260 p., ISBN 978-90-812572-4-4. Prijs: € 59,95. Meer info is verkrijgbaar via redactie@detorenvanleende.nl of www.detorenvanleende.nl.
Peter Van den Hove
MARINFKQRPS Fl ANIDFRN De Eerste Wereldoorlog betekende op militair gebied veel meer dan de stellingenoorlog in de Westhoek alleen. Over een territorium van het IJzerfront tot de Nederlandse grens regeerde het illustere Marinekorps Flandern. De opdracht van het Marinekorps was dan ook cruciaal: van hieruit werd de strijd op én in de Noordzee uitgevochten, en werden de bevoorradingsroutes naar en van Groot-Brittannië onder vuur genomen. De havens Zeebrugge en Oostende werden de uitvalsbases voor de Duitse onderzee- en torpedoboten. Gezien het uitermate strategische belang ervan, bouwde het korps een onwaarschijnlijk netwerk uit van gigantische kustbatterijen, bunkers, loopgraven en vliegvelden. In het oosten werd de Hollandstellung aangelegd. De Brugse binnenstad was het zenuwcentrum van wat haast een aparte militaire staat leek. De Marineinfanterie-eenheden namen deel aan de Slagen bij leper en groeven zich eveneens in aan de oevers van de IJzer. Het Marinekorps beschikte over eigen luchtmachteenheden waarin vliegeniers als Osterkamp en Christiansen roem oogstten. Ze voerden verkennin-
gen uit, vielen met torpedo's schepen aan, bestookten de troepen in de loopgraven en leverden luchtgevechten met geallieerde toestellen die de installaties aanvielen. Marinekorps Flandern is een volledig her- en vooral bijgewerkte uitgave van Johan Ryheuls studie die in 1996 verscheen en behandelt uitvoering de oorlog ter land, op zee en in de lucht. De voorbije jaren diepte hij uit archieven en bij de betrokken families in Duitsland verloren gewaande documenten op die een heel nieuw licht werpen op de geschiedenis die WestVlaanderen tekende.
RYHEUL Johan, Marinekorps Flandern - De Vlaamse kust en het hinterland tijdens de Eerste Wereldoorlog, Erembodegem, 2010. Het boek is een luxueuze uitgave in harde kaft, kost € 44 en is verkrijgbaar via de boekhandel of via onderstaande website. Meer info: Flying Pencil, flyingpencil@telenet.be; www.flyingpencil.be; 053/41 07 03 of 0497/62 75 93.
Tentoonstelling
JO
HviARINEKORPS FLANDERN •DE VLAAMSE KUST EN HEI HINTERLAND TIIDTNS DE EERSIÏ WERELDOORLOG
Marjan
Buyle
BRUSSEL IN VOGFIVLUCHT Eén van de meest fascinerende kunstwerken uit de Brusselse musea is het Gezicht op Brussel, dat geschilderd werd door Jean-Baptiste Bonnecroy uit 1664. Met een ijzingwekkende precisie is op dit enorme schilderij de stad weergegeven, netjes binnen haar stoere omwalling ingeschreven. Heel merkwaardig is het gezichtpunt vanuit vogelvlucht, in een tijd waarin de
M&L
B 1 N N E 1 M K R A N T
Over de woning Peeters in Deurne verscheen een omstandig artikel van Ann Verdonck en Marc Dubois in MüL, jaargang 26, nr. 5, 2007. Het betreft het pand aan de Ter Rivierenlaan 55, opgetrokken in 1932 naar een ontwerp van Gaston Eysselinck als een variant op het Citrohan-type van Le Corbusier. Dit beschermd monument in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid werd onlangs gerestaureerd en herschilderd in de oorspronkelijke kleuren. Omdat de eigenaar een tijdlang in het buitenland verblijft, zoekt hij naar een geschikte huurder met een 'hart' voor dit erfgoed. vliegtuigen nog moesten uitgevonden worden. De tentoonstelling van het Erfgoedfonds neemt je dit jaar mee op een ongewone wandeling doorheen Brussel. Het vertrekpunt: het 17de eeuwse schilderij 'Gezicht op Brussel' van Jean-Baptiste Bonnecroy! Het schilderij houdt het midden tussen een landschap en een landkaart. De belangrijkste gebouwen, waarvan er nog vele bestaan, zoals het stadhuis en de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal zijn gemakkelijk herkenbaar. Ook biedt het schilderij veel gegevens over verdwenen of gedeeltelijk verdwenen monumenten zoals het hof van de hertogen van Brabant en de tweede stadsomwalling gebouwd tijdens de 14de eeuw. Die stadswal zal later afgebroken worden voor de aanleg van de kleine ring, waardoor de oorspronkelijke omtrek van de stad, de zogenaamde vijfhoek, grotendeels bewaard gebleven is.
Na een interactieve wandeling doorheen het schilderij, word je ondergedompeld in de verschillende wijken van Brussel. Dankzij verscheidene foldertjes met routes kan je je na de tentoonstelling laten begeleiden doorheen de stad. Een eerste interessante wandeling vertrekt vanuit de Coudenberg en laat toe kennis te maken met het Paleis van de Hertogen van Brabant. Dit prestigieus gebouw is een van de herkenbare monumenten op het schilderij van Bonnecroy. Laatje verrassen en herontdek het Brussel van toen en nu aan de hand van het schilderij!
Contact: erikleovangrieken@gmail.com
Redactie
MEtL 29/2, VERGETEN BETON? VFRnillDELIIKINn
Varia
Marjan Buy Ie
TE HUUR: FFN WONING VAN fiASTON FYSSFIINCK
Met betrekking tot het artikel Vergeten beton? De bunkergordel Bruggenhoofd Gent m\ de redactie onze lezers wijzen op het bestaan van een eerdere publicatie rond deze bunkergordel, met name JANSSEN E., Bruggenhoofd Gent, (België onder de wapens, 26), Erpe, 2007. Deze publicatie wordt weliswaar niet door de auteur in voormeld artikel vermeld, maar lijst wel een interessant overzicht op van bunkers in en rond Gent en illustreert dit uitvoerig met beeldmateriaal.
1VI&L
Het was de gewone man met toegestaan om grote ^ vogels te jagen, op gelijk welke manier. Vaak werd ^ i"1" "P ^ . . . . .
.
.
...
,
kraanvogel met de
dit privilege echter pas laat expliciet op tekst gezet. ^ h .J Filips de Goede verbiedt in 1465 "ne aussi tendre Taamm smatis filez a nobles oyseaulx et oyseaulx deproyè' (83). De (5pen(:er l ' 8! ) 'bescherming' van de edele vogels of 'herenvogels' komt dan terug in latere plakkaten, zoals dat van Karel V, wat tot 1795 de grondslag van de gewestelijke jachtwetgeving zou blijven (84).
komkommerfamilie) die worden uitgehold en van binnen met lijm ingesmeerd. In de vrucht plaatste men vervolgens een kever. Een vogel die de kever wou eten, stak bek en kop in de kolokwint, maar bleef met de plakkende vrucht over de kop ronddolen en werd zo een makkelijke prooi (80). Uiteraard konden vogels ook met pijl en boog verschalkt worden. I n d e 14 c -eeuwse Tacuinumsanitatis in medicina staat een jachtscène waarbij de kruisboog wordt gebruikt (81). Het gebruik van dit wapen was evenwel niet aan iedereen toegelaten en was eerder een voorrecht voor de lieden met hogere status (of hun personeel). Alhoewel er veel slinkse manieren waren om een kraan te verschalken, was het inderdaad vroeger niet iedereen toegelaten dat ook te doen (en nu helemaal niet meer want de soort is beschermd). De jacht op grote vogels was een privilege van de adel, een feodaal recht (82).
Als de adel op jacht ging naar reigers, zwanen, kraanvogels, enz., deden ze dat bovendien op een andere wijze dan met strikken en netten, op een manier die met hun status en prestige overeen kwam. Ze gebruikten roofvogels (waarvan het houden de gewone man trouwens ook ontzegd was) om de prooien te doden in een open strijd. Bij de kraanvogeljacht deden valken het werk, meestal de grotere soorten zoals de lokale havik {Accipiter gentilis), de slechtvalk {Falco peregrinus) of de giervalk {Falco rusticolus) (85). Deze laatste soort diende vanuit het noorden van Scandinavië te worden ingevoerd en er ontstond een echte handel in deze vogels, waarbij Brugge in de 14 c eeuw trouwens één van de belangrijkste draaischijven was (86). In een typische kraanvogeljacht werden de vogels gevangen met twee speciaal daarvoor afgerichte valken die de prooi naar de grond dwongen (87). Vaak werden ook jachthonden ingezet omdat de valken de geslagen kraanvogel moeilijk in bedwang konden houden, zonder gevaar op eigen verwondingen. Dergelijke kranenjacht staat reeds afgebeeld op een 11 '""-eeuwse Angelsaksische kalender, bij de maand oktober. De scène toont een edelman te paard die een roofvogel draagt op de rechterarm. Hij benadert een prooi die gemakkelijk als een kraanvogel te herkennen is en die zich ophoudt te midden van waterwild. Langs de andere zijde na-
• De valkenjacht op de kraanvogel in het Angelsaksische fotton
hbsrm
Manuscript (uit Dobney et al. 2007)
Kraanvogels in het Vaticaanse manuscript van het
Kvrtthre nm .intiiriunr m Ons iiol.-inl% cnK p i e: fit- in ill.i nmlnniriiiK wrquev* tl,cn(i:-3>V iiciu ric nim-ni .M ptne Tjwie «riiiicin fciiLinp min ^«criii- .ihc oiti* K IIUT
iiip:(m a i r Cr oiifiint fno : K oiriim -t^UiiT MnpUHAt^tf i.itr.-eiii roiwrnr iioiuvrïnT.iii.ifiinTdirettiiOubini ij umi cnmrnntinitrwrinifi"
De arte venandi otm avibus (1230-1245)
dert een tweede jager te voet, eveneens vergezeld van een grote roofvogel die op het punt staat op te vliegen in de richting van de prooi (88). Een zeer uitgebreide en gedetailleerde beschrijving van de valkenjacht wordt gegeven in het De arte venandi cum avibus, in 1230-1245 opgesteld door de Roomse keizer Frederik II van Hohenstaufen, aan zijn hof in Sicilië (89). Het werk omvat zes boeken, waarvan het eerste, op een voor die tijd ongebruikelijk realistische wijze de algemene ornithologie behandelt, en de volgende twee de dressuur van de valken. De drie andere boeken behandelen de jacht op specifieke prooien. Het grote belang van de kraanvogel, en de status die met deze jacht geassocieerd was, komen duidelijk tot uiting doordat aan de soort apart een volledig volume gewijd is. Boek vijf behandelt de jacht op reigers en het laatste volume bespreekt de eenden als buit. Al is het werk van keizer Frederik II door zijn realisme van belangrijke wetenschappelijke waarde en vormt het binnen de jachtcultuur een hoogtepunt (90), dan toont het toch ook enige aspecten van het jachtbedrijf die niet echt diervriendelijk te noemen zijn. Zo wordt beschreven dat de keizer geregeld levende kraanvogels nodig heeft in zijn Siciliaanse residentie. De reden is duidelijk: de vogels moeten dienen als oefenmateriaal voor de valkerij. Bij de kranen worden daartoe de nagels van de poten afgebrand, de bek gebonden, de ogen verzegeld en de poten in een lus gebonden. Daarna worden ze vastgebonden aan een paal, met een stuk vlees op de rug vastgebonden; dit alles om de giervalken een opleiding te geven. Wanneer de roofvogels een op deze wijze geïmmobiliseerde kraanvogel leren doden, mogen ze beginnen oefenen op een wandelend dier, uiteraard ook grotendeels van zijn krachten beroofd, om dan tenslotte het gevecht aan te gaan met een vliegende vogel die aan een touw wordt vastgehouden (91).
Dat de kraanvogel, met zijn apart boekvolume, dus zeer belangrijk was als prooi voor de edele jacht, is goed te relateren met het feit dat de vogels archeologisch enkel worden vastgesteld in Vlaamse kastelen, en niet in rurale of monastieke sites. De adel was dus uitermate geïnteresseerd in de kraanvogel, en uit de jachtliteratuur komt het beeld naar voor dat de vogel, althans in de middeleeuwen, dan ook niet zo zeldzaam was. Dit strookt eveneens met het groot aantal toponiemen. Bij de speciale voorzieningen rond de kranenjacht hoorden dus het houden van valken en jachthonden. Daarnaast moest men ook jachtgebieden hebben waarin de vogels, behalve dan tijdens de jacht, ongestoord konden pleisteren. Dit brengt weer het concept van het kranenschot in gedachte. Historisch onderzoek zou mogelijk kunnen toelichten hoeveel van de toponiemen met 'kraan' een band hebben met de feodale adel. Wellicht zijn er dat veel, eenvoudigweg omdat deze wat stillere, natte plekken niet tot het cultuurland zullen behoord hebben waardoor ze als 'woeste gronden' automatisch onder het gezag van de feodale heer vielen. In Sint-Kruis-Winkel (ten noorden van Gent) behoorde de Kranenmeers, langsheen de Moervaart, toe aan de graven van Vlaanderen, als deel van de vorstelijke domeinen. Voor hun gebruik van een deel van die meers betaalden diverse personen een heerlijke cijns. Bovendien leverden zij elk jaar een speciale dienst. De tekstpassage die dit stipuleert komt uit het zogenaamde 'Spijkerboek van Gent' en dateert uit 1444: "Dit naer volghende sijn de late ende groette van der cranen meersch te Wiincle ende moeten leveren een crane van eenen eije van I jare so groet ghewassen dat hij sprijnghen mach ute eenre viertalen ende huut eenen muddekine eten in sente Jans avonde voer de noene in sgraven steen ende elc laet es sculdich te gheldene in de crane naer de groette
T De regels rond het
uit het 'Spijkerboek
uitbaten van de
van Gent' uit 1444
Kranenmeers te
(Rijksarchief Gent)
Slnt-Kruls-Winkel
^., T „mn- C ^ f ^ . n f t f i ; , ; » ! ! ^ vnfci ty***
*«,»» rrouii
"Vtv «i.->i« ^ « v t n t o v cvS: Rliuf <X\\(0\ umBBetm* «»,,
"Vo'>l(wrcin«»-p()v"9cV»t\-l-«CfVCeir«>miatft-cp.«n[»teur<i
van sieve mersch ende voert als verwandelt es men sculdich maercghelt van den pondgrooten 15 grooten" (92). Dit laat zich vertalen als "Dit zijn de namen van de laten en de grootte van de Kranenmeers in Winkel. Zij moeten leveren een kraanvogel van een jaar oud, groot genoeg opdat hij uit een viertelkzn springen en eten uit een muddeken. Dit moet gebeuren op Sint-Jansavond vóór de middag, in het Gravensteen. Elke laat moet bijdragen in de kraanvogel naargelang van de grootte van zijn deel van de meers. Verder is men nog verschuldigd bij elke eigendomswisseling voor markgeld 15 groot per pond groot te betalen". De clausule van de levering in het Gravensteen wijst erop dat die bepaling op een veel oudere realiteit terugging. Het Gravensteen werd immers omstreeks 1366 als grafelijke residentie vervangen door het Hof ten Walle, het latere Prinsenhof (93). Bovendien was de verschuldigde erkenning in natura eerder gering. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de grafelijke politiek in de loop van de 13 e eeuw om dit voordien woeste gebied toch maar in uitbating te laten nemen. Ter verklaring van deze resultaatsverbintenis dient geweten dat met een kraanvogel van een jaar oud een jong wordt bedoeld dat datzelfde jaar uit het ei is gekropen. Dat gebeurt doorgaans in mei (94). Het viertel, waaruit het jong moet kunnen springen, is een inhoudsmaat voor graan, die in het gebied rond Gent (Oudburg) ongeveer 27 liter bedraagt (95). Het muddeken of meuke, waaruit het dier moet kunnen eten, is de helft van een viertel en omvat dus ongeveer 13,5 liter (96). De datum van levering, 'Sint-Jansavond', komt op onze kalender overeen met 24 juni (97). Plaats van levering, het Gravensteen, ligt natuurlijk in Gent. De grafelijke hofhouding wenst dus elk jaar één kraanvogeljong te ontvangen. O m d a t er op het moment van het uitbreken van de eieren wat statistische speling zit (sommige jongen worden al in april geboren en andere pas in juni) en omdat de start van het broedseizoen van jaar tot jaar wisselt (bijvoorbeeld in functie van de lengte van de winter), was het tevens belangrijk aan te geven welk minimumformaat het aan te bieden jong moest hebben. Het criterium was dat het dier uit een graanmaat moest kunnen springen. Te jonge dieren kunnen dat nog niet. Dat het dier uit een muddeken moet kunnen eten, betekent waarschijnlijk dat het zelfstandig moet zijn, dus voor de voeding niet meer afhankelijk van de ouders. Dat zou kunnen betekenen dat men de vogel in het Gravensteen nog enige tijd in leven hield. Kraanvogels kunnen
op zichzelf voedsel zoeken van zodra ze twee tot drie maanden oud zijn (98); dat betekent dat men in de populatie te Sint-Kruis-Winkel naar de vroegst geboren dieren moest zoeken. De kuikens die pas eind mei uit het ei kropen waren op SintJansavond immers slechts iets meer dan een maand oud. Maar waarom dan de vogel zo vroeg opeisen? Sint-Jan is een dag waarop er wel vaker taksen moesten worden betaald, maar dat kan niet enkel de reden zijn. Wellicht speelt hier het risico mee dat wat oudere jonge vogels reeds kunnen vliegen, en dan moeilijker te vangen zijn (of in het Gravensteen bij te houden). Kraanvogels groeien snel; ze ruien en krijgen de veren waarmee ze kunnen vliegen (en in de herfst de migratie aanvatten) al op de leeftijd van drie maanden (99). Blijft dan nog de vraag waarom een jonge kraanvogel op het Gravensteen werd uitgenodigd? Wellicht zal het dier na een kort verblijf in gevangenschap gefigureerd hebben op een of ander banket. Precies daarom zal men trouwens een jong exemplaar gewild hebben. Oudere vogels zijn culinair minder interessant (zie verder).
De tekst over de kranenmeers te Sint-Kruis-Winkel onderschrijft een aantal eerder beschreven observaties: het voorkomen van de kraanvogel als broedvogel in het westen van het land, nu duidelijk tot minstens in de 15 e eeuw, dat de kraan-toponiemen effectief op broedplaatsen kunnen slaan, en de nauwe band tussen de feodale adel en Grus grus. De middeleeuwse kraanvogel blijkt te lijden te hebben gehad van de jacht (als stroperij of edel tijdverdrijf), het roven van eieren of zelfs van jonge vogels. De vraag is daarbij natuurlijk welke impact dat op de populatie had. O p basis van de historische bronnen is dat moeilijk in te schatten; er is immers steeds het gevaar dat de vroegere notulist zich aan dichterlijke overdrijving te buiten ging. Toch blijkt dat tijdens het kerstmenu van Henry III in 1251 te York 115 kraanvogels zouden zijn opgediend (100). Tijdens een feestmaal ter gelegenheid van de inhuldiging van de aartsbisschop van York, in 1465, werden naar het schijnt zelfs 204 kraanvogels geserveerd! Men vond dat toen al "more than the fowlers of England could supply" (101). In dat opzicht is de Vlaamse graaf nog bescheiden in zijn vraag aan Sint-Kruis-Winkel. Heeft dat misschien te maken met een toen al relatieve zeldzaamheid van de soort? Het is opmerkelijk dat ook in de archeologische sites waarin de vogel bij ons opduikt nooit grote vondstaantallen bereikt worden. Dat blijkt een algemeen kenmerk te zijn, ook voor Centraal-
Europese streken, waarin grotere populaties verondersteld worden. Een overzicht opgesteld in de jaren '70 van de vorige eeuw geeft 51 vindplaatsen met enkel in drie gevallen meer dan vijf botfragmenten van kraanvogel (102). De ervaring in de archeozoölogie leert dat middeleeuws jachtwild in vetgelijking met de resten van huisdieren altijd weinig frequent is, zelfs in de sites met hoge status (wat niet impliceert dat de aanwezigheid niet betekenisvol is). In het geval van vogels heeft dat een beetje te maken met problemen rond inzameling en determinatie van de resten, maar het algemene patroon blijft toch geldig.
DF KRAAN IN DE KEUKEN Dat de kraanvogel werd gegeten, lijdt geen twijfel (103). De botvondsten uit archeologische sites zijn vaak gefragmenteerd en tonen snijsporen. Dit is bijvoorbeeld vastgesteld te Veurne (104), te Maastricht (105) en ook op Engels materiaal (106). Het is dan ook interessant na te gaan op welke manier de soort in de culinaire literatuur opduikt. De zoektocht is daarbij natuurlijk beperkt tot de Romeinse en jongere perioden, waarbij het van de Romeinse kookliteratuur zelfs niet zeker is of die enige betekenisvolle invloed heeft gehad op de eetgewoonten in onze streken, in de eerste eeuwen van onze tijdsrekening. De overgebleven teksten beschrijven immers steeds een Mediterrane situatie en het is niet duidelijk of (of in welke mate) die kookhandleidingen ook in het noorden van het imperium circuleerden. Ze tonen wel welke culinaite ideeën de Romeinse bezetters als erfgoed met zich meebrachten. O f er in Romeins Oudenburg, Velzeke. Tienen of Tongeren ooit zo gekookt is, is echter een andere vraag. Het bekendste en meest omvattende Latijnse kookboek is uiteraard dat van Apicius (107). Het zesde deel (Aeropetes) gaat over het bereiden van gevogelte, waarbij een deel van de recepten vooral de nadruk leggen op het serveren van een goede saus bij het gepluimde gedierte. De kraanvogel duikt meerdere malen op, zonder dat er echter een recept is dat exclusief voor deze vogel mag gebruikt worden. In wat volgt, worden zes recepten in vertaling gegeven, waarbij de nummers verwijzen naar de opeenvolging binnen Apicius' zesde boek. O p een culinaire interpretatie van alle ingrediënten en stappen in de bereidingen wordt niet ingegaan; dat is voer voor specialisten en zou trouwens te ver leiden. De recepten suggereren wel een zekere verfij-
ning, en tonen aan dat met een kraanvogel perfect te koken valt. Kraanvogel of eend (recept 212) Was de kraanvogel of eend, bindt hem op en stop hem in een pot. Voeg water toe, zout, dille, en kook hem tot hij half gaat is. Wanneer hij stijf wotdt, haal hem er dan uit en doe hem in een pan met olie en garum, met een bundeltje oregano en koriander. Tegen het einde van de kooktijd voeg je wat defritum toe, om het te kleuren. Maal peper, lavaszaad, komijn, koriander, duivelsdrek, wijnruit, caroenum en honing, giet er wat van het kooknat bij, leng aan met azijn. Doe het terug in de pan om warm te worden, bind het met zetmeel. Leg de vogel op een schaal en giet de saus er overheen. Saus bij kraanvogel, eend of kip (recept 213) Neem peper, gedroogde ui, lavaszaad, komijn, selderijzaad, ontpitte pruimedanten, mulsum, azijn, garum, defritum, olie en kook tot een saus. Wanneer je een kraanvogel kookt, zorg dan dat het water de kop niet raakt, maar dat die zich buiten het water bevindt. Wanneer hij gekookt is, wikkel de kraanvogel dan in een warme doek en trek aan de kop: die komt er met pezen en al af, zodat het zachte vlees en de botten achterblijven; met de pezen is hij namelijk niet te eten. Kraanvogel of eend met raapjes (recept 214) Was de vogel, bind hem op en kook hem in een pot met water, zout en dille tot hij halfgaar is. Kook de raapjes, zodat ze hun bitterheid kwijtraken. Haal de vogel uit de pot, was hem opnieuw en doe de vogel in een pan met olie en garum en een bundeltje prei en koriander. Leg er een gewassen en fijngesneden raap bovenop, breng aan de kook. Na een korte kooktijd doe je er defritum bij om het te kleuren. Maak de volgende saus klaar: peper, komijn, koriander en duivelsdrek, giet er azijn bij en wat van het kooknat, giet het over de eend (of kraanvogel) heen om mee te koken. Wanneer het kookt, bind je het met zetmeel, en stort je het over de raapjes. Bestrooi met peper en dien op. Een ander recept voor saus bij kraanvogel of eend (recept 215) Peper, lavaszaad, komijn, gedroogde koriander, munt, oregano, pijnboompitten, dadels uit Karië, garum, olie, honing, mosterdzaad en wijn. Een ander recept voor kraanvogel of eend (recept 216) Rooster de vogel, overgiet haar met de volgende saus: maal peper, lavaszaad, oregano, garum, ho-
ning, een beetje azijn en olie. Laat flink koken. Doe er zetmeel bij en leg op de saus schijfjes gekookte kalebas of colocasia, om mee te koken. Als je ook nog varkenspootjes hebt, kook die met kippenlevertjes. Bestrooi in de opdienschaal met fijngemalen peper en dien op. Een ander recept voor saus bij gekookte kraanvogel of eend (recept 217) Peper, lavaszaad, selderijzaad, rucola en koriander, munt, dadels uit Karië, honing, azijn, garum, defrutum en mosterdzaad. Maak dezelfde saus als je de vogel in een pan roostert. De kraanvogel is dus voor de Romeinse (top)chef een vertrouwd ingrediënt maar krijgt geen aparte receptuur mee. De bereidingen blijken ook toepasbaar op waterwild, algemeen geklasseerd als 'eenden'. Dit patroon van het ontbreken van soortspecifieke bereidingen zullen we ook vaak in jongere kookliteratuur terugvinden. Uit Apicius'hotk blijkt trouwens ook dat kraanvogel wellicht niet de meest geliefde vogel was om een banket te bekronen. Het pezige karakter van het vlees, zoals beschreven in recept 213, verhoogt niet bepaald de appetijt. Tussen de Romeinse en de middeleeuwse culinaire cultuur (108) zit voor een deel continuïteit maar de historische ontwikkelingen van de vroege middeleeuwen maken toch dat, na eeuwen waarin in Noordwest-Europa weinig over het bereiden van voeding op schrift is gesteld, de koks van de late middeleeuwen niet langer bij Apicius gaan kijken om te zien hoe ze bepaalde dieren moesten bereiden. De middeleeuwse teksten doen eenvoudiger aan dan Apicius' bereidingen. Ze bewijzen echter opnieuw dat kraanvogel op tafel verscheen. Vermeldingen van kraanvogel in recepten vinden we in middeleeuwse kookboeken afkomstig uit adellijke huishoudens. Een bekend voorbeeld is het 14 c -eeuwse Le Viandier de Taillevent, opgesteld of gebundeld door Guillaume Tirel "dit Taillevenf, de chef-kok van de Franse koning Charles VI, regerend van 1380 tot 1422. In de versie bewaard in de Bihliothèque Nationale van Frankrijk (109) staat " Uistardes grues gantes. Cuissiés comme la seigoingne. Butor. Aussi comme une segoine. Cormorant. Comme un haron (Grote trappen, kraanvogels, wilde ganzen. Maak ze klaar zoals de ooievaar. Roerdomp. Ook zoals een ooievaar. Aalscholver. Zoals een reiger). O p een andere plek in het manuscript lezen we dan: "[SJogoingnes. Soientplumees comme une oe lessiés les pies et la teste soient arsonnee et emflambee
•* Titelpagina van Le livre de
Taillmm grant oiysmer de So/ de France
taiilcuentgrantcoy ümertmlRoytK 5ranccf
<Ü)nlcBtont)aXwen ïa maiTon öe fmffiamabcCtjanOatö/piea noftceöamc öe Coiifo;t.
tresbien au sel menu (Ooievaars. Moeten gepluimd worden zoals een gans. Laat de poten en de kop aan het dier. Ze moeten aan het spit geregen en perfect goudbruin geroosterd worden. Opdienen met fijn zout). Dat het spit de beste manier was om een kraanvogel klaar te maken, toont ook een Engels kookboek uit het midden van de 15 e eeuw (110). In vrij letterlijke vertaling luidt de receptuur voor een geroosterde kraanvogel: "Neem een kraanvogel, en steek hem in het gehemelte, en laat hem doodbloeden. Verwijder het bloed en stoom hem (111), haal de ingewanden eruit onder de vleugel of aan de buik, plooi zijn poten aan de knieën onder de dijen, snij de vleugels af bij het gewricht dichtst bij het lichaam, en laat hem zijn hoofd en zijn nek houden. Verwijder de luchtpijp, draai de nek rond het spit, bind dat vast, plaats de bek in het lijf en de slokdarm, en zet de vleugels en de poten recht zoals bij een gans. Als je hem wil begieten met saus, maal dan (112) eerst, doe er saus bij met poeder van peper, gember en mosterd, azijn en zout, en dien hem dan op". De kok kon echter niet altijd over een volledige vogel beschikken. In de Ménagier de Paris, een kookboek uit het eind van de 14 e eeuw (113), staat " Paon, faisans, cigoignes, heron, outardes, grues, gentes, butor, cormorant
(Lyon, ISóe eeuw) (uit Moulin 1988)
soientplumez a sec ou seignees comme Ie signe, et laissiez a ceulx a qui il appartient les testes et queues, et aux autres testes et piez, et du seurplus comme du eigne' (114). Voor alle grotere wilde vogels (fazanten, patrijzen, wilde eenden, ooievaars, reigers, kraanvogels, roerdompen, grote trappen, aalscholvers, lepelaars en talingen) die sporadisch voorkomen in de middeleeuwse kookboeken blijken de bereidingen niet veel, of niet, te verschillen tussen de soorten. Ze werden inderdaad gewoonlijk geroosterd en occasioneel ingestreken met saus om het uitdrogend effect van het vuur tegen te gaan (115). Kraanvogels blijken ook voor de middeleeuwer opnieuw niet de meest favoriete wilde vogels te zijn; dat zijn de patrijs en de fazant. Dat valt bijvoorbeeld af te leiden uit het werk van Magninus die in een overzicht van sausbereidingen aan deze twee vogelsoorten speciaal veel aandacht schenkt (116). Uit de lectuur van de middeleeuwse kookboeken komt het beeld naar voren dat, wat de kraanvogel betreft, de jacht interessanter moet geweest zijn dan het culinair plezier daarna. Ook qua presentatie zijn afbeeldingen van kraanvogels, in eigen pluimage gepresenteerd als deel van een gerecht, niet bekend. Voor zwanen is dat bijvoorbeeld wel het geval (117). In de Lage Landen duikt de kraanvogel in één handschrift op, het Wel ende edelike spijse, een kookboek uit de tweede helft van de 15 e eeuw (118). Recept 12 luidt: "Reygers cranen gantes wilde velt hoendere faysante lemmoegen soo sal men braden ende laerderen ende eten met eenen pepere wel ghewijnt ende wel ghecruut wel heet van haren smoute" (reigers, kraanvogels, ganzen, wilde patrijzen, fazanten, hazelhoenderen(?). Deze moet men roosteren en larderen en eten met een peper(saus) met voldoende wijn en specerijen, goed heet van hun vet). Opnieuw een eenvoudig recept dus, nu niet aan het spit maar op het rooster. In de gedrukte kookboeken uit de Lage Landen vinden we de kraanvogel enkel nog in een midden-16 c -eeuws werk (119) en in het op het Italiaans kookboek Opera van Bartolomeo Scappi (1570) gebaseerde Koocboec oft familieren keukenboec van Antonius Magirus (1612) (120). In andere en jongere kookboeken uit de Nederlanden komt Grus grus niet meer voor, maar hij wordt tot het eind van de 16de eeuw wel nog vermeld bij de beschrijving van banketten. Een voorbeeld is het banket van het Gulden Vlies gehouden te Utrecht op 3 januari 1546, waarbij als gevogelte naast zwaan, grote trap, kalkoen, pauw, fazant, reiger, kapoen, duif, patrijs.
houtsnip en plevier, ook kraanvogel op tafel werd gezet (121). Het Ouverture de cuisine'm 1604 opgesteld door Lancelot de Casteau (122), komt uit de hofhouding van de prins-bisschoppen van Luik en geeft naast recepten ook een beschrijving van de gerechten opgediend in vier gangen op het banket bij de feestelijke intrede van prins-bisschop Robert de Berghes, op 12 december 1557. Bij de eerste gang komt o.a. Grue rostie en oliue op tafel, en bij de derde zowel Grue rostie als Paste de grue. Het verdwijnen van de kraan uit de jongere kookboeken kan te maken hebben met de veranderde context waarin die werken tot stand kwamen. De verschuiving van feodale, adellijke hofhoudingen naar de huishoudens van de (rijkere) burgerij, verklaart misschien de verminderde aandacht voor het grotere gevederde wild. O f heeft de in de postmiddeleeuwse periode toenemende zeldzaamheid van de kraanvogel er iets mee te maken? In het eerste oorspronkelijke Nederlandse kookboek. De Verstandige Koek, OfSorghvuldige Huys-houdster, wordt in de uitgave van 1670 een lijst gegeven van vogels die voor de keuken in aanmerking komen (123). De kraan is daar niet (meer) bij, wel pauwen, zwanen, reigers, roerdompen, wulpen, kalkoenen, rotganzen, ganzen, fazanten, korhoenen, patrijzen, houtsnippen, watersnippen, kievieten, plevieren, lijsters, kwartels, leeuweriken, spreeuwen, vinken, hoenders, kapoenen, duiven, eendvogels, smienten, pijlstaarten en talingen. De grote trap en de ooievaar, die in oudere kookliteratuur wel nog aandacht krijgen, blijken eveneens verdwenen. Duidt dit op een verandering in eetcultuur, of op de verminderde voorradigheid van de dieren? Uit culinair oogpunt zou het interessant zijn te weten hoe een kraanvogel smaakt. Natuurbehoud en algemene ethische principes rond de omgang met dieren verhinderen ons echter (terecht) dit proefondervindelijk vast te stellen. Een aantal bronnen geven wel een idee van de keukenwaarde van de kraan. Waar Apicius reeds wees op de pezige aard van het kranenvlees (zeker in de nek) wordt dit in het algemeen onderschreven door een 17 -eeuwse Engelse bron: "adult cranes are tough, gross, sinewy and engender a melancholique bloud' (124). Jongere dieren hebben deze kenmerken nog niet en werden wellicht daarom verkozen door de grafelijke huishouding te Gent. In het algemeen wordt de 'eetbaarheid' of verteerbaarheid' van bepaalde ingrediënten, opgediend in de vroegere keukens, echter volledig foutief ingeschat, op basis van onze huidige culinaire context en onze geringe vertrouwdheid
met de vroegere kooktechnieken (125). Jacob van Maerlant vermeldt dat men het vlees van de kraanvogel best kan laten versterven om het zacht te krijgen: "Sijn vleesch es swan ende swaer; Bedi raetmen over waer, Dat best ware dat hi laghe In der somertijt twee daghe, Ende in wintertijt daghe drie: Want aldus so moerwet hi. " (126) In de 17 e eeuw noteert men in ieder geval over de kraan: " 't Is gantsch geen schadelijck vogel, en een seer goet eeten jae beter als een trapgans.." (127). In de Pseudo-Turpinus, een verhaal uit de eerste helft van de 12 c eeuw, over de (veel oudere) avonturen van Karel de Grote tijdens zijn veroveringen in Spanje, worden de eet- en drinkgewoonten van de grote held uit de doeken gedaan. De tekst vertelt dat hij veel brood at en nog meer vlees. Bracht men hem een schaap, dan at hij er een kwartier van. Van een varken stelde hij zich tevreden met een schouder, maar hij kon ook volstaan met twee kippen, een gans, twee kapoenen of een kraanvogel. Daarbij dronk hij weinig wijn die hij steeds met water aanlengde (128). Kraanvogel moet dus verteerbaar geweest zijn. Binnen de middeleeuwse gezondheidsleer werd elk voedselbestanddeel als een beïnvloeding gezien op een stelsel waarin men streefde naar een evenwicht, binnen het lichaam, van de vier humores (de gele gal, de zwarte gal, het slijm en het bloed). Het overheersen van één van deze lichaamsstoffen leidde respectievelijk tot de gedragscondities gekend als cholerisch (driftig), melancholisch (somber, verdrietig, en met een onvervuld verlangen), flegmatisch (rustig, weinig emotioneel) en sanguinisch (vurig, energiek). Dit concept dateert minstens van bij Aristoteles en werd verder uitgewerkt door Galenus. In de vroege 6 e eeuw schrijft Anthimus, de lijfarts van Theodorik, koning van de Franken, dat het vlees van kraanvogels alleen af en toe mag worden gegeten, wanneer men er echt trek in heeft. Vermits de dieren geacht werden zwart vlees te hebben, wekken ze immers zwarte gal op (129). Deze zwarte gal (in het Grieks melaina chole) leidt tot een melancholische kijk op de wereld, waarbij men dus allerminst vrolijk wordt. De eerder vermelde 17 e -eeuwse Engelse bron stelde hetzelfde. In de 14 c -eeuwse Tacuinum sanitatis in medicina wordt het nuttigen van een kraanvogel omschreven als geschikt voor mensen die hard werken (130).
Het vlees blijkt volgens deze bron moeilijk te verteren, waardoor het aangeraden is een gevangen (gedode) vogel een nacht bij de nek op te hangen, met een steen aan de poten, waarna men bij de bereiding voldoende aromatische kruiden moet gebruiken. In het ideale geval zou het dier met een valk moeten gevangen zijn, maar vogels werden volgens een afbeelding bij de tekst ook gevangen met een kruisboog. De minder edele vormen van de kraanvogeljacht, met strikken, netten, lijm of gif, zullen bovendien altijd wel hebben bestaan.
KRAANVQGFIS IN GEVANGFNSCHAP In het gepresenteerde overzicht werden kraanvogels tot nu toe uitsluitend als een deel van de wilde avifauna gezien. Nochtans suggereerde het 15 ^eeuwse tekstfragment uit het Spijkerboek van Gent reeds dat jonge kraanvogels misschien een tijdje in het Gravensteen in gevangenschap in leven werden gehouden. Dat het effectief mogelijk was om kraanvogels, tegen hun migratiedrang in, als huisdier te houden, wordt bewezen door historisch beeld- en tekstmateriaal (131). O p een miniatuur geschilderd door Simon Bening (1483-1561) staat een scène waarin een gegoede familie in het voorjaar de werken in de tuin gade-
Kraanvogels in een tuin. afgebeeld in het HerniessyGetijdentoek, Brugge, ca. 1530 tassel, Koninklijke bliotheek)
'
'
,
•
'
•
.
•
.
Een kraanvogel in huls, uit de Légende dorée. 1450-1460, Brugge (uit Smeyers 1989)
slaat. De prent vertegenwoordigt de maand maart in het kalenderdeel van het zogenaamde HennessyGetijdenboek geschilderd te Brugge, circa 1530 (132). Duidelijk zijn twee kraanvogels te zien: één pikt wat graantjes weg op het pad, de andere paradeert voor het portiek van de rijke woning (133). De scène toont aan dat kraanvogels in gevangen-
schap konden gehouden worden en dat ze de nabijheid van de mens kunnen leren verdragen. Wellicht waren de vogels gevlerkt, om te verhinderen dat ze andere oorden opzochten. Dit wordt trouwens ondersteund door een reeks van ander beeldmateriaal. O p een triptiek die Maria en engelen afbeeldt, staat een kraan op de achtergrond. Het is opnieuw een werk van Bening (134). O p een van de illustraties bij de Légende dorée, een bundel heiligenverhalen samengebracht tussen 1450 en 1460 te Brugge, zien we een kraanvogel en een kleine hond in een huiselijke omgeving. De dieren maken geen deel uit van het verhaal en zijn blijkbaar gewoon als vertrouwde huisgenoten afgebeeld (135). Andere 15 c -eeuwse voorbeelden van kraanvogels in een stedelijke of huiselijke context, opnieuw uit Brugge, zijn een miniatuur van Philippe de Mazerolles (136), de openingsscène in het Livre des proprietés des chosesvzn Jean Corbechon, gemaakt rond 1480 in opdracht van Lodewijk van Gruuthuse (137), en een miniatuur uit een ander laat-15 -eeuws Livre des proprietés (138). Ook de schilderkunst vergeet de kraanvogel trouwens niet. O p de achterzijde van de twee zijstukken van een triptiek van Hans Memling (eind 15 c eeuw) staan in totaal negen kraanvogels (139). Eén daarvan houdt een steen in de poot, een bekende allusie op de waakzaamheid van de dieren (140). Andere, 16 de -eeuwse schilderijen, zoals drie werken van Jan Mostaert (141) en een
Een kraanvogel in gevangenschap, •4 Een kraanvogel
des proprietés
In gevangenschap,
(1482)
in het Lme dei proprietés (1482) (uitYapp 1981)
M&L
detail m het Livre
(uitYapp 1981)
•4 De Gentse SintPietersabdij in de flanóm
ih-
strata van Antomus Sanderus (1641-1644)
• Kraanvogels (?) in een tuin van de Gentse SintPietersabdii in de Flanöria illustrata van Antonius Sanderus (1641-1644)
^Ê^^St^-W^W^t ander toegeschreven aan de anonieme Monogrammist LC (142), tonen de vogel eveneens in de nabijheid van mensen. Merkwaardig in dit laatste geval, waar twee kraanvogels op het voorplan zijn afgebeeld, is het feit dat een belletje boven het gewricht van de poten gebonden is, wat duidt op een vorm van controle over de vogels. Het is zelfs mogelijk dat kraanvogels staan afgebeeld in de binnentuin van de Sint-Pietersabdij in de Flandria illustrata van Antonius Sanderus (1641-1644) (143). In de 19de-eeuwse historische literatuur wordt daar trouwens (helaas zonder originele bronvermelding) naar verwezen (144). Het steeds weerkeren van afbeeldingen van kraanvogels in gevangenschap is merkwaardig. Het valt immers moeilijk voor te stellen hoe een migrerende vogel, die in de natuur uitermate schuw is en helemaal niet van menselijke aanwezigheid houdt, het toch in park en tuin te midden van allerlei ander gevogelte kon uithouden. Maar blijkbaar is dit toch mogelijk; in dierentuinen ondergaan allerlei kraanvogelsoorten trouwens hetzelfde lot en ze komen daar schijnbaar redelijk goed mee weg. Kraanvogels die omwille van de conservatie van hun soort in kweekprogramma's door mensen zijn grootgebracht blijken zich zelfs sterk te hechten aan hun verzorgers (145). Maar betekent dit dat de kraanvogel aan het eind van de middeleeuwen een huisdier werd, zoals de kip of de gans? Het begrip 'huisdier' leidt nogal tot verwarring. Voor sommigen slaat het op elk dier dat je in of nabij huis houdt maar biologen definiëren dat nauwer en gaan er van uit dat een 'gedomesticeerd' dier
(een betere term dan 'huisdier') verschilt van de wilde soortgenoten in bouw en gedrag, en er in slaagt te kweken onder menselijke controle. Die verschillen zijn veelal het resultaat van gerichte ingrepen in de kweek en maakten van een everzwijn een varken, van een wolf een hond, en van een Bankiva-hoen een kip. Of de huisdier-status ooit voor de kraanvogel heeft gegolden, is zeer de vraag. Morfologische verschillen tussen wilde en gevangen kraanvogels zijn nooit vastgesteld en of de soort in de late middeleeuwen in gevangenschap heeft gebroed, is niet zeker.
M&L
Afbeeldingen uit het oude Egypte bewijzen duidelijk dat kraanvogels reeds duizenden jaren voor onze tijdsrekening werden gehouden (146), en Griekse en Romeinse bronnen suggereren het voortbestaan van deze traditie (147). Het broeden van de vogels in een menselijke omgeving is uit de klassieke bronnen echter niet aan te tonen. Voor de middeleeuwse data geldt in feite hetzelfde: veel aanwijzingen voor het houden van de vogels maar geen onomstotelijk bewijs voor het kweken in gevangenschap (148). Misschien op één uitzondering na: rond 1260 beschrijft Albertus Magnus in zijn De animalibus dat kraanvogels nestelden in een tuin te Keulen (149). De auteur vermeldt tevens dat hij jaarlijks de nesten kon observeren. O f dit echter een bewijs is voor domesticatie, valt te betwijfelen. Misschien gaat het gewoon om vogels die zich aangepast hadden aan de nabijheid van mensen en in de stad broedden, zoals ooievaars plachten te doen. O p zich is dit feit trouwens al verwonderlijk genoeg; schuwe kraanvogels horen eigenlijk niet in een stadstuin thuis. Laten we trouwens hopen dat de 'Grote Albert' zich niet heeft vergist zoals in een Goudse keure uit 1507 die het schieten naar de op het stadhuis nestelende kraanvogels strafbaar stelde (150). Wellicht ging het hier niet om kraanvogels maar om op hoge gebouwen nestelende ooievaars. Dat kraanvogels in gevangenschap werden gehouden compliceert wel de interpretatie van de archeologische vondsten. De botten afkomstig uit de voorloper van het Brugse Prinsenhof zouden bijvoorbeeld wel eens van gevangen dieren kunnen komen. Bovendien is het mogelijk dat in de adellijke hofhoudingen dieren van op afstand werden aangevoerd om deel uit te maken van een menagerie. Als men leeuwen kon aanvoeren om de dierentuin van het Gentse Prinsenhof te bevolken (151), moet dat ook met kraanvogels mogelijk zijn geweest.
EEN LANGZAAM VERDWIJNEN? Hoe lang de kraanvogel het in de postmiddeleeuwse periode bij ons precies heeft uitgehouden, is niet geweten. Uit een overzicht van de wat oudere (19 e - en vroeg-20 ste -eeuwse) wetenschappelijke vogelliteratuur blijkt dat toen voor ons land wel aantallen van overvliegende kranen worden vermeld, maar geen blijvende vogels meer, laat staan broedgevallen (152). Het verdwijnen van de broedpopulatie, zonder twijfel te wijten aan een combi-
natie van jachtdruk, verstoring en het vernielen van de geschikte broedbiotopen (bijvoorbeeld door de drooglegging van moerassen), moet vroeger in de tijd gesitueerd worden. Oudere postmiddeleeuwse bronnen geven aanwijzingen voor de achteruitgang van het kraanvogelbestand maar laten niet toe het verdwijnen van de soort adequaat te documenteren. Een zeldzaam ooggetuigenverslag uit de noordelijke Lage Landen, uit de 17 e eeuw, stelt wel dat de kraanvogels "Plachten sich oock hier te lande ^onthouden gelijck oock de trapgans, inde wilde veenen ende dat is oorsaecke beijde van oudts inden placcaete zijn gestelt, sedert de veenen soo gepopuleert zijn, en blijven daar geene meer, maer comen bij wijlen, en gaen als d'andere wintertochtvogels" (153). Broedvogelpopulaties blijken dus toen al vrijwel verdwenen te zijn. Andere aanwijzingen voor de achteruitgang zijn het feit dat het Friese verbod om eieren te rapen uit 1542, en het Drentse uit 1608 (zie eerder) daarna niet meer herhaald worden, wat trouwens ook geldt voor algemene verboden op het jagen van kraanvogels. Een bundeling van jachtverordeningen en privileges uit 1605 vermeldt, voor het huidige Nederland, kraanvogels nog als bejaagbaar wild in plakkaten gedateerd op 27 maart 1502, 26 december 1517 en 17 maart 1595 (154). In het plakkaat van december 1517 wordt de jacht op deze vogels wel al verboden, maar enkel om het privilege voor te behouden aan de jachtgrondbezitters. Daarna schijnt de kraan echter uit de jachtwetgeving te verdwijnen.
Het niet langer vermelden van een dier in de historische bronnen is natuurlijk altijd moeilijk te evalueren. "Absence of evidence is no evidence of absence", zegt men dan. Toch lijkt het zeker dat de kraanvogel, als broedvogel, ergens vroeg in de postmiddeleeuwse periode uit de Lage Landen is verdwenen. In Vlaanderen kan dat vroeger gebeurd zijn dan in de noordelijke provinciën. Archeologische vondsten zijn er voor de postmiddeleeuwse periode in Vlaanderen in elk geval niet. Na het banket van de Luikse prins-bisschop in 1557 verdwijnt de kraan uit de kookliteratuur. De soort figureert ook niet op de postmiddeleeuwse markten keukenstukken, of de culinaire stillevens, die de Vlaamse schilderkunst zo befaamd maakten. Bij Joachim Beuckelaer (Antwerpen, circa 1530 - circa 1573) is de vogel er in elk geval niet meer; de aandacht bij het grotere gevogelte wordt er getrokken door de kalkoen (155). De kraan verschijnt ook niet op de stukken van Frans Snyders (Antwerpen,
1579-1657), gezien de uitbundigheid van de daar geëtaleerde keukeningrediënten zeker een veeg teken (156). Dat de oorspronkelijke, tot in de middeleeuwen algemene naam 'kraan' evolueerde tot het huidige 'kraanvogel', kan misschien ook met de steeds toenemende zeldzaamheid van het dier te maken hebben. O p de duur wisten de meeste mensen mogelijk niet meer dat met een 'kraan' niet alleen een hijswerktuig of een tap, maar ook een vogel kon bedoeld worden? In elk geval is, ergens tussen de middeleeuwen en de tijd waarin wij nu leven, de kraanvogel uit 'onze gewesten' verdwenen. Historisch onderzoek zou zeker meer klaarheid kunnen brengen in het verdwijnen van Grus grus uit Vlaanderen, vooral wanneer men zou stoten op indicaties van het voorkomen van de soort na de 16 e eeuw. Een mogelijke aanwijzing dook recent op in een studie van het voorkomen van voormalige veldvijvers in het Biscopveld in Wingene-Beernem (157). O p een 17 e -eeuwse kaart van het vijverdomein Wildenburg (te Wingene), opgemaakt door Loys de Bersaques omstreeks 1640 (158), staat een kraanvogel of een reiger afgebeeld (159). Dit is natuurlijk maar één van de voorbeelden van informatie die nog in de archieven verborgen zit. Een systematisch overzicht van vogels in postmiddeleeuws bronnenmateriaal zal wel niet eenvoudig, en zeker niet snel te maken zijn, maar wanneer historici de documenten met meer aandacht voor de dierenwereld gaan doornemen, kan geleidelijk een corpus aan informatie worden opgebouwd (160).
(161). De vogels passen zich echter steeds meer aan en gebruiken nu ook kleinere wetlands te midden van uitgestrekte cultuurlandschappen. Daarnaast is de jacht op de dieren in de zuiderse overwintergebieden funest, net zoals het schaarser worden van goede pleisterplaatsen, nodig tijdens de trek. Wat dat laatste betreft, is het wel een goede tendens dat de kranen een agrarisch biotoop hebben ontdekt dat voor de rest een ramp is voor het natuurbehoud: de maïsakker. De na de oogst achtergebleven korrels en kolven vormen een krachtvoer tijdens de najaarstrek. De kraanvogel heeft zich trouwens aan nog andere, na de middeleeuwen uit de Nieuwe Wereld ingevoerde gewassen aangepast. Zo vormen aardappelen ook een gegeerde ravitaillering tijdens de trek. Kranen hebben deze knol leren eten, iets later dan wij dat deden, maar het zijn dan ook geen mensen. Essentieel is dat een compromis wordt gevonden tussen het verlies dat landbouwers lijden wanneer kraanvogels hun akkers bezoeken, de belangen van het natuurbehoud en het overleven van de soort. Het betalen van compensatie is een makkelijke optie, net zoals het moedwillig 'slordig' oogsten op bepaalde plaatsen (wat natuurlijk wederom met een compensatie gepaard gaat). Mits er aan een aantal basisvoorwaarden voldaan wordt, kan de kraan het in de toekomst wellicht zelfs midden een steeds groeiende mensenpopulatie uithouden. O n danks het dramatische beeld van de teloorgang van
•4 Kraanvogels (?) op een kaart van het vijverdomein Wildenburg te Wingene, door Loys de Bersaques omstreeks 1640 (Gent. Universiteitsbibliotheek)
• Een kraanvogel In de Doelpolder
(14 maart 2008) (foto G. Spanoghe)
DE TERUGKEER VAN DE KRAAN De voornaamste bedreiging voor het voortbestaan van de Euraziatische kraanvogel is het verloren gaan van goede broedbiotopen in het noorden
M&L
•
mÊÊmmBm
A Een kraanvogel in Knokke (februari 2000) (foto G. Spanoghe)
de soort, dat uit de archeologische en historische data uit de Lage Landen naar voor komt, is het voortbestaan van de soort op wereldwijd vlak niet bedreigd (162). Nu (althans in Europa) de grootste gekte rond de vogeljacht voorbij is, en hier en daar het ethisch besef inzake milieubescherming veld wint, kan het met onze lokale natuur alleen maar beter gaan. Als er maar niet teveel mensen meer bijkomen, natuurlijk. Hoe het overleven van Grus grus als soort kan worden geholpen, blijkt uit het verhaal van het Lac du Der (bij Saint-Dizier) in de Champagnestreek in Frankrijk. Het is verbazend hoe snel de ontwikkeling van dit gebied de kraanvogels ten dienste kwam (163). Het meer werd tussen 1971 en 1975 aangelegd als waterbekken om Parijs tegen overstromingen te behoeden. Het gaat hier niet om klein bier; de omvang van de waterpartij laat zich afleiden aan de oeverlengte, die met 80 kilometer de Belgische kust overtreft. Vermits het meer op de trekroute van de kraanvogels ligt, kreeg het de eer-
M&L
ste bezoekers van de soort in het begin van de jaren '80. En vanaf dan ging het snel. In november 1994 telde men 25.500 dieren op één dag, zes jaar later waren er dat op 26 november 2000 reeds 72.760! Uiteindelijk verkozen een groeiend aantal vogels niet verder naar het zuiden te trekken maar het Lac als winterplaats te gebruiken. De terugkeer van de kraan toont zich momenteel ook in een uitbreiding van het broedgebied, waarbij de vogel ook in de drukke Lage Landen terug voet aan de grond probeert te krijgen (164). O p zich is dit een merkwaardige vaststelling; het betekent dat de kraan een situatie probeert te herstellen die sinds de 17 e eeuw ondenkbaar was. Tegelijk roept dit de vraag op wat dan wel het hoofdprobleem was in de vroege post-middeleeuwen? Wat deed de vogel verdwijnen, om dan nu langzaamaan terug te keren? Is er dan toch een groeiend respect voor de natuur, die er voor zorgt dat soorten met enige flexibiliteit een nieuwe kans krijgen? Kunnen landbouwers, net zoals mosselboeren, er eindelijk
mee leven dat een deel van de productie naar de natuurlijke predatoren gaat? In 2001 noteerde men, sinds eeuwen, het eerste nieuwe broedgeval van de kraan in Nederland (165). In dat jaar zijn er, na de trek, drie paren in het Fochteloërveen gebleven, in de broedtijd. Eén van deze paren heeft daar begin mei van dat jaar een jong gekregen. Het heeft de naam Tsuru gekregen, een naam die aan het Japanse woord voor kraanvogel is ontleend. In 2003 is een tweede koppel tot broeden gekomen. Het gaat moeizaam maar de kraanvogel is wellicht terug in de Lage Landen. Geheel gebed in de sfeer van het huidige natuurbeheer laat men de reïntroductie echter niet geleidelijk verlopen. In het Natuurpark Lelystad bij Lelystad houdt men een groep kraanvogels die als kern moet gaan dienen voor de introductie van de kraanvogel nabij de Oostvaardersplassen. Een van de strategieën is om wilde kraanvogels aan te trekken door de aanwezigheid van gekortwiekte vogels. Wat natuurherstel betreft, is de gelijkenis tussen Engeland en de Lage Landen frappant. Net zoals in de Verenigde Provinciën, is de kraanvogel op de Britse eilanden in de 17 e eeuw verdwenen. Sinds 1979 heeft zich echter weer een kleine broedpopulatie gevestigd in de Norfolk Broads, het grootste beschermde wetland'm Groot-Brittannië. De broedende populatie telt nu enkele tientallen vogels, waarvan er elk jaar weer een aantal in slagen om jongen groot te brengen. Het gaat moeizaam, maar er is hoop. Ook op andere plaatsen in Engeland worden momenteel initiatieven genomen om de kraan definitief terug te krijgen (166).
CONCLUSIE De kraanvogel was vroeger duidelijk een algemeen bekende vogel, die mogelijk al wat zeldzamer was in de late middeleeuwen, en definitief het loodje legde als broedvogel in de Lage Landen in de postmiddeleeuwse periode. Archeologische vondsten, naamgeving, toponiemen, en historisch bronnenmateriaal laten geen twijfel over deze interpretatie. Het dier had bovendien een inniger relatie met de mens dan we ons nu nog kunnen voorstellen. De soort duikt op als deel van het gekortwiekte gevogelte op het neerhof, als jachtbuit van de meest edele valken, als bezoeker van de meersen en weilanden, en als een van de hoogstandjes op het laatmiddeleeuwse banket.
De Gentse vondst van een stenen kraanvogel, en vooral de identificatie van de soort, is dus minder verwonderlijk dan het bij de ontdekking leek. Grus grus is werkelijk een deel van ons erfgoed, niet als exotisch gevogelte maar wel als deel van een wildernis die nu volledig verdwenen is.
— Anton Ervynck is bioloog en onderzoekt de relatie tussen mens en dier doorheen de tijd aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed — Daniel Lievois is historicus. Zijn aandacht gaat voornamelijk uit naar de materiële geschiedenis van de stad Gent. — Baudouin Van den Abeele is professor in de middeleeuwse geschiedenis aan de Université catholique de Louvain en verbonden aan het Fonds de la Recherche Scientifique. Hij bestudeert vooral teksten rond wetenschap en dieren.
EINDNOTEN (1) Zie BRU e.a. in dit nummer. (2) De auteurs danken alle medewerkers van de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent voor hun bijdrage aan dit kraanvogelproject. (3) Zie voor de biologie van de kraanvogel: CRAMP S. en SIMMONS K.E.L (eds.), The birds of the Western Palearctic. Vol. II, Oxford, 1980; JOHNSGARD P. (ed.). Cranes of the World (Papers in the Biological Sciences), Lincoln (Nebraska), 1983 (http://digitalcommons.unl.edu/bioscicranes/); MEINE C D en ARCHIBALD G.W., The cranes: status survey and conservation action plan. Gland, Switzerland, 1996; of meer vulgariserend; COUZI L. en PETIT P., Ia grue eendree: Histoire naturelle d'un grand migrateur. Bordeaux, 2005. Belangrijke websites zijn: http:// www.soortenbank.nl/soorten.phprsoortengroep=vogels&menue ntr)'=soorten&id= 142&tab=beschrijving; bttp://www.savingcranes.org/eurasiancrane.html. (4) Met dank aan Geert Spanoghe (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) voor het gebruik van enkele kraanvogelfoto's. (5) Isidorus van Sevilla, Etymologiae, XII.7.14, uitgegeven ais LINDSAY W.M. (ed.), Isidori Hispalensis de Seville, Etymologiarum sive onginum libre AX Oxford, 1911. (6) JOHNSGARD P., Cranes of the World: I. Classification and evolution, in JOHNSGARD P. (ed.). op. at., p, 3-10 (http;//digitalcommons.unl.edu/bioscicranes/). (7) MILNE-EDWARDS A., Recherches anatomiques et paléontologiques pour servir a Thistoire des oisseaux fossiles de la France. Vol. 1 &2, Paris, 1867-1871; MILNE-EDWARDS A., Observations sur les oiseaux dont les ossements ont été trouvés dans les cavernes du sud-ouest de la France, in Matériaux d'Histoire naturelle primaire de THornme, jg. 6, 1875, p. 473-503; LYDEKKER R., Catalogue ofthe fossil birds in the British Museum (Natural History), London, 1891, (8) Inventaire national du Patrimoine naturel (Frankrijk): http:// inpn.mnhn.fr/isb/servlet/!SBServlet?action=Espece&typeAction
= 10& page Ret urn = ficheEspeceArcheozoo.jsp&numero_ taxon=416704.
(27) Sic, maar de evolutie * cranpoel > crampoel, met n> m vóór p is een te betrouwen vorm.
(28) Wellicht de soortnaam en niet een familienaam, wegens: (1) de benoemde realiteit (een perceel), en (2) het ontbteken van j - vóór tinction between the extinct Pleistocene European crane, Grus pri- cranen-. migenia, and the extant Asian Sarus crane, G. antigone, in Geo- (29) DE FLOU K., Woordenboek der toponymie van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië. het Land van den Hoek, de graafschappen bios,]%. 18, nr. 6, 1985, p. 877-881. Guines en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu. (11) Invenraire narional du Patrimoine narurel (Frankrijk): http:// Achtste deel Brugge, 1928, p. 683-691. inpn.mnhn.fr/isb/scrvlet/lSBServlet?action=Espece&typeAction (9)
http://fr.wikipedia.org/wiki/Grus_primigenia.
(10) NORTHCOTE E.M. en MOURER-CHAUVIRÉ C , The dis-
= 10&pageReturn = ficheEspeceArcheozoo.jsp&numero_ taxon=3076.
(30) Met dank aan Jan Bastiaens (VIOE), voor de aangebrachte literatuur en de analyse van de Kempense toponiemen.
(31) MENNEN V, Toponymie van Eksel (Nomina Geographica Flandgrus, in prehistoric Europe and its relation to the Pleistocene crane, rica Monografieën 18, Onomastica Neerlandica 11), Leuven, 2002. Grus primigenia, in BENECKE N. (ed.). The Holocene history of
(12) Pag. 203, fig. 1. bij VON DEN DRIESCH A., The crane. Grus
(32) DEMETS J., Bijdrage tot de toponymie van Merksplas (onuitgeg. the European vertebrate fauna. Modern aspects of research (Archaolic.verh.), Katholieke Universiteit Leuven, 1987. logie in Eurasien, è), Berlijn, 1999, p. 201-207. (33) MARYNISSEN A., Bijdrage tot de toponymie van Turnhout en (13) VON DEN DRIESCH, op. cit. Oud-Turnhout {onmtgeg. lic.verh.). Katholieke Universiteit Leu(14) K1NZELBACH R., Der VÖ^C/gromphena hei Plinius: ein ausgestorbener Kranich auf Sardimen, in Bonner zoologische Beitrdge, ven, 1985. jg. 50, 2002, p. 221-226. (15) VON DEN DRIESCH, op. cit. (16) Mietje Germonpré (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen), mond. med. (17) Een interessante website in opbouw is Animaliter' (Tiere in der Literatut des Mittelalters), zie; http://www.encyclopaedia-animalium.germanistik.uni-mainz.de/. (18) VERWIJS E. en VERDAM J., Middelnederlandsch woordenboek, 's Gravenhage, 1894. Zie CD-rom Middelnederlands, Den
(34) VERMEEREN M., Poppel toen en nu. Deel 4: De plaatsnamen van Poppel 1211-1995, Poppel, 1997. (35) MENNEN V, Van Vriesput tot Klein Duitsland. Acht eeuwen Lommelse plaatsnamen. Lommei, 1992. (36) VAN DEN EECKHOUT R.C., Toponymie van het land van Brcr/tf (onuitgeg. doctoraatsproefschrift). Katholieke Universiteit Leuven, 1958. (37) JANSEN L., Bijdrage tot de toponymie van Beerse en Vosselaar (onuitgeg. lic.verh.), Katholieke Universiteit Leuven, 1988.
(38) PROOST G., Bijdrage tot de toponymie van Gierle (onuitgeg. lic. verh.). Katholieke Universiteit Leuven, 1975. (19) Gherardus de Shueren, Vocabularius qui intitulatur Teutonista (39) JANSEN L, op. cit. vulganter dicendo der Duytschlender. 2 vol.. Colonic, 1477. (40) MARYNISSEN A., op. cit. (20) Reinaerts historie'm MARTIN E. (cd.), Reinaert. Willemsgedicht (41) SCHÖNFELD M., Veldnamen in Nederland (Mededelingen van van den Vos Reinaerde und die Umarbeitung und Fortsetzung Reide Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, afdenaerts historie, Paderborn, 1874, p. 274; HELLINGA W.G. ling Letterkunde, Nieuwe reeks, dl. 12, nr. 1), Amsterdam, 1949, (ed.), Van den vos Reynaerde, I. Teksten. Diplomatisch uitgegeven p. 129. naarde bronnen vóór 1500, Zwolle, 1952, f. 9Ir, vv. 5848-5849 (42) MARYNISSEN A., op. cit. (zie CD-rom Middelnederlands, Den Haag/Anrwerpen, 1998). (43) BUIKS C , Laatmiddeleeuws landschap en veldnamen in de Baro(21) Handschrift Leiden, U.B. Letterk. 605 (olim 91), I5e eeuw, nie van Breda, Assen, 1997. f. 114 (zie CD-tom Middelnederlands, Den Haag/Antwerpen, (44) SMITH A.H., The place names of Gloucestershire, Cambridge, 1998). 1964. Geciteerd door DOBNEY K, JAQUES D., BARRETT J. (22° Jacob van Maerlant, Der naturen bloeme, boek III, vers 1823 en en JOHNSTONE C . Farmers, monks and aristocrats: the envivolgende, bij VERWIJS E. (ed.), Jacob van Maerlant's Naturen ronmental archaeology of Anglo-Saxon Flixborough (Excavations at bloeme, Groningen, 1878, p. 233. Flixborough 3), Oxford, 2007, p. 196. (23) Figuur uit MOULIN L.. Les liturgies de la table. Une histoire cul-(45) BOISSEAU S. en YALDEN D.W, The former status of the crane Haag/Antwerpen, 1998.
turelle de manger et du boire, Antwerpen, 1988.
Grus grus in Britain, in Ibis, jg. 140, 1998, p. 482-500. (46) YALDEN D.W, Place-name and archaeological evidence on the (25) FAYEN, A. (ed.), Liber traditionum sancti Petri Blandiniensis recent history of birds in Britain, in Acta zoologica cracoviensia, Livre des donations faites a TAbbaye de Saint-Pierre de Gand depuis nr. 45 (speciaal nummer), 2002, p. 415-429. ses origines jusqu'au Xle siècle, avec des additions jusqu'en 1273,(47) in PIG I ERE R, Evolution de ['économie alimentaire et des pratiques (24) CD-rom Middelnederlands, Den Haag/Antwerpen, 1998.
VAN DERHAEGHEN V. en PIRENNE H. (eds.), Cartulairede la vtlle de Gand (Oorkondenboek der stad Gent) public par ordre de la Commission des Archives de Gand, Deuxième série: Chartes et documents. 1.1, Gand, 1906, p. 12 - 13. Met dank aan Frank Kinnaer (Stedelijke Dienst Archeologie, Mechelen) voor deze tip. (48) (26) DE VOS A. en STOCKMAN L, Meetjeslandse toponiemen tot (49) 1600 (manuscript reeds deels uitgegeven door de Stichting Achiel de Vos en de Vakgroep Nederlandse Taalkunde van de UGent). Met dank aan dr. Luc Vandurme voor zijn vriendelijke medewerking.
(50)
d'élevage de TAntiquité au ham Moyen Age en Gaule du nord. Une étude régionale sur la zone limoneuse de la Moyenne Belgique et du sud des Pays-Bas (B.A.R.-hternational Series, 2035J, Oxford, 2009. p. 54-55. PIGIERE E, op. cit., p. 54-55. VAN DOORSLAER H., Archeozoölogie van de Warandemotte te Veurne (onuitgeg. lic.verh.). Universiteit Gent, 1985, p. 32-33. DE MEULEMEESTERJ., De circulaire versterkingen de Warandemotte te Veurne (Archaeologica Belgica, 213, Conspectus MCMLXXV111), Btussel, 1979; De circulaire versterking te Veurne
(Archaeologtca Belgica, 223, Conspectus MCMLXXIX),
Brussel,
1980; De grafelijke motte te Veurne (Archaeologica Belgica, 247, Conspectus MCMLXXXI), Brussel, 1982; Mottes castrales du Comté de Flandre. Etat de la question apr'es les fouilles récentes, in
(68) ALBARELLA U. en THOMAS R., They dined on crane: bird consumption, wild fowling and status in medieval England in Acta zoologica cracoviensia, nr. 45 (speciaal nummer), 2002, p. 23-38. (69) DOBNEY K. en JAQUES D., Avian signatures for identity and
Chateau Gaillard XI, Etudes de Castellologie médtévde, Caen,
status in Anglo-Saxon Engeland, in Acta zoologica cracoviensia,
1983, p. 101-115.
nr. 45 (speciaal nummer), 2002, p. 7-21.
(51) Een definideve inventaris is niet voorhanden want het materiaal is nog in onderzoek: ERVYNCK A. en LENTACKER A , onge-
(70) RACKHAM O., The history of the countryside, London, 1986, p. 119. (71) TURNER W., Avium praecipuarum quarum apud Plinium et
publiceerde gegevens. (52) CALLEBAUT D., Castrum, Partus und Abtei von Ename, in BOHME H.W, (ed.), Burgen der Salierzeit. Teil 1. In den nordlichen Landschaften des Reiches, Sigmaringen, 1991, p. 291-309. (53) CALLEBAUT D., DE GROOTE K., ERVYNCK A. en VAN
Aristotelem mentio est, brevis et succincta historia, Keulen, 1544 (Brussel, KBR, V H . 12.407 A.L.P.). (72) T H O E SCHWARTZENBERG EN HOHENLANSBERG G.F. Groot placaat en charter-boek van Vriesland, Leeuwarden, 1768-
STRYDONCKM., Was het nu 70 of 80? Radiokoolstofdaterin-
1793. Geciteerd in VLEK R., Craen placht zich {onthouden als
gen voor het castrum te Ename (Oudenaarde, prov. Oost-Vlaande-
bejaagbaar vederwild, in Trouw, 22 juni 2001. Met dank aan Jan Desmet (Brugge) voor de informatie.
ren), in Archeologie in Vlaanderen, jg. VI, 2002, p. 231-241. (54) CALLEBAUT D., Ename and the Ottoman west horder policy in the middle Scheldt region, in DE GROOTE K., TYS D. en PIETERS M, (eds.). Exchanging medieval material culture. Studies on archaeology and history presented to Frans Verhaeghe, Brus-
1608, in DrentsPlakkatenboek, p. 120-121, geciteerd in SPEKT, Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie. 2, Utrechr, 2004, p. 584. (74) Referentiecollectie van het Laboratório de Arqueozoologia, Univer-
sel, 2010, p. 217-248. (55) DEFORCE K., ERVYNCK A., HILLEWAERT B., HUYGHE J., LENTACKER A., VAN HAASTER H. en VAN NEER W., Het archeologische onderzoek. De voorgeschiedenis van het Bourgondische Hof, in HILLEWAERT B. en VAN BESIEN E. (eds.), Het
sidad Autonoma de Madrid, met dank aan Arturo Morales. (75) MACPHERSON H.A., A history of fowling, Edinburgh, 1897, p. 445. Geciteetd door DOBNEY K. e.a., op. cit., p. 196. (76) FOLKARD H.C., The wild-fowler: a treatise on ancient and modern wild-fowling. Historical and practical, London, 1859. Geci-
Prinsenhof in Brugge, Brugge, 2007, p. 22-39.
teerd door DOBNEY K. e.a., op. cit., p. 197.
(56) PIGIERE E, op. cit., p. 54-55. (57) Bonelnfo: www.cultureelerfgoed.nl/werken/onderzoek-O.
(73) Placcaet opte jacht ende onderholdinge van wiltwerck, d.d. 24 mei
Met
dank aan Frits Laarman (Rijksdienst voot het Cultureel Erfgoed, NI) voor het toegankelijk maken van deze informatie. (58) IJZEREEF G.F. en LAARMAN R, The animal remains from Deventer (8th-19th centuries AD, in Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, jg. 36, 1986, p. 405-443. (59) DE JONG T , Dieren op het plein. Opgegraven dierresten van het Kazerneplein te Gorinchem (ArcheoService Rapport, 1), 1998, Eindhoven. (60) DE JONG T , Dierlijk bot, in PETERS S.A.L. (ed.), Archeologisch onderzoek Sint Oedenrode Kerkstraat (BAAC-rapport), 's-Hettogenbosch, in druk, p. 111-133. (61) IJZEREEF G.F., Gegeten en verdronken... Een onderzoek naar de dierlijke resten van de Voorst, in RENAUD J.G.N. e.a. (eds.). Het kasteel Voorst. Macht en val van een Overijsselse burcht, Zwolle, 1983, p. 115-132.
(77) "Mannen met een tamboer kunnen makkelijk een haas vangen. Een buizerd (?) met vlinders is aas voor een kraan": MACPHERSON H.A., op. cit. Geciteerd door DOBNEY K. e.a., op. cit., p. 197. (78) Met dank aan Paul Van den Bremt (VIOE) voor de geleverde informatie. (79) MATTHEY L, Vincken moeten vincken locken. Vijf eeuwen vangst van zangvogels en kwartels in Holland (Hollandse Studiën, 39;, Hilversum, 2002, p. 99. (80) SUDEN B., SCHUWEY P. en PERNET C , Paraphrase de /Ixeutique de Denys, in TRINQU1ER J. en VENDRIES C , Chasses antiques. Pratiques et representations dans Ie monde grécoromain (Ille siècle av. - IVe siècle apr. J.-C),
Rennes, 2009,
p. 243-256. (81) Uitgegeven als: SPENCER J. (ed.). The four seasons of the House ofCerruti, New York en Bicester, 1983, p. 119. In het Tacuinum Sanitatis van Luik, afkomstig uit Milaan, einde 14de eeuw, wor-
(62) BULT E.J., Polanen, Monster. Een analyse van het zoo-archeolo-
den de kraanvogels gewoon geschoten met pijl en boog, niet de
gisch materiaal {onuitgeg. scriptie), Universiteit van Amsterdam,
kruisboog (Liège, BU, 1041, f. 52r, reprod. OPSOMER C. (ed.),
1986. (63) DE JONG T , Huisdieren, jachtwild, vissen en weekdieren: een weerspiegeling van gevarieerde maaltijden, in ARTS N. (ed.). Het kasteel van Eindhoven. Archeologie, ecologie en geschiedenis van een heerlijke woning 1420-1676, Eindhoven, 1992, p. 214-236. (64) VAN DE H O U T M., Vogels uit middeleeuws en subrecent Utrecht (onuitgeg. doctotaalverslag), Rijksuniversireit Groningen, 1982. (65) CLASON A., FRUMMEL W. en BRINKHUIZEN D.C., Vogelen en vissen. Een glimp van de Nederlandse vogel- en viswereld uit het verleden, in Westerheem, jg. 28, nr. 1, 1979, p. 9-23. (66) Beide laatste sites: DE JONG T , ongepubl. gegevens. Met dank voor deze informatie. (67) BOISSEAU S. en YALDEN D.W., op. cit.; YALDEN D.W., op. cit.
L'art de vivre en santé. Images et recettes du moyen ige. Le Tacuinum Saniratis (manuscrit 1041) de la Biblioth'eque de TUniversité de Liège, Uège, 1991, p. 129. (82) DAM J.H., Het jachtbednjf in Nederland en West-Europa, Zutphen, 1953, p. 384-395. (83) RENDORPJ., Verhandeling over het regt van de jagt, Amsterdam, 1777. (84) RENDORP J.,ff/»,«fc.p. 35. (85) CUMMINS J., The hound and the hawk. The art of medieval hunöH^, London, 2001, p. 187-194. (86) CUMMINS J., op. cit., p. 197. (87) 'Jacht-bedryff' (circa 1635), uitgegeven door SWAEN A.E.H. Jachthedrijf. Naar het handschrift in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, Leiden, 1948, p. 9. Geciteerd door DAM J.H.,
Het Jachthedrijf in Nederland en West-Europa, Zutphen, 1953, LIN L., Les liturgies de la table. Une histoire culturelle de manger p. 503. et du boire, Antwerpen, 1988. (88) Cotton Tiherms Manuscript B. V., Part 1, folio no. f. 7v (October), (110) Manuscripr Douce Ms. 55 in de Bodleian Library, Oxford, deels British Library, afgebeeld in: DOBNEY K. e.a., op. at., p. 196. opgenomen in: AUSTIN T, Two Fifteenth-Century Cookery (89) W1LLEMSEN CA. (ed.), De arte venandi cum avibus, Leipzig, Books, Oxford, 1964 (herdruk van: Idem, Oxford, 1888), geci1942; VAN DEN ABEELEB., Lafauconnerie au Moyen Age: conteerd in RENFROW C , Take a thousand eggs or more. A collecnaissance, affaitage et médectne des oiseaux de chasse d'apr'es les trai-tion of 15th century recipes. Vol. 2, s. loc, 1991, p. 143. tes latins (Collection Sapience 10), Paris, 1994, p. 133-135; PAU- (111) Vetmoedelijk om de vogel te pluimen. LUS A. en VAN DEN ABEELE B., Frédéric II de Hohenstaufen, (112) De originele tekst zegt "mynce hymfyrsf, alsof het vlees van de L'art de chasser avec les oiseaux. Le traite de fauconnerie De arte vogel zou moeten gemalen worden. Een parallelle, kortere versie venandi cum avibus, traduit, introduit et annoté (Bibliotheca Cynevan hetzelfde recept, in Harleian Ms. 4016 (British Museum) getica 1), Nogent-le-Roi, 2000. Zie ook VAN DEN ABEELE B„ (AUSTIN, op. at., geciteerd door RENFROW, op. at., p. 142), Quelques pas de grue a travers l'histoire naturelle médiévale. Un re- maakt echter duidelijk dat het malen van kruiden voor de saus gard diversifié sur le réel in STOFFEL J.-F. (ed.), Le réalisme. wordt bedoeld. Contributions au séminaire d'histoire des sciences 1993-1994, Lou(113) PICHON J. (ed.), Le Ménagier De Paris, Traite De Morale Et vain-la-Neuve, 1996, p. 71-98. D'économie Domestique Compose Vers 1393, Par Un Bourgeois (90) VAN DEN ABEELE B., op. at.. 1996. Parisien, Paris, 1846. (91) CUMMINS].,»/.. ot,p.204. {\U) Ménagier de Paris: BRERF.TON G.E. en FERRIER J.M. (eds.), (92) Rijksarchief Gent, Fonds Vorstelijke Domeinen Oost-VlaandeLe Mesnagier de Paris, Paris, 1994, p. 678. ren nr. 216, 1444, f. 87. (115)SCULLYT., The Art ofCookery in the Middle Ages, Woodbndff, (93) LALEMAN M.C. EN STOOPS C , De walm de 13de en de 14de 1995, p. 77-78. eeuw, in Het prinselijk boften Walk. Gent, Gent, 2000, p. 13-23. (116) Regimen sanitatis Magnini Mediolanensis medici famosissimi (94) JOHNSGARD P., Cranes of the World: Eurasian Crane fGrus Attrebatensi Episcopo directum, Leuven, 1482, geciteerd in grusj, in JOHNSGARD P. (ed.), op. at, p. 227-237 (http:// SCULLY, op. at., p. 78. digitakommons.unl.edu/bioscicranes/). (117) Zie bijvoorbeeld het doek 'Keukeninterieur' van David Teniets (95) VANDEWALLE P., Oude maten, gewichten en muntstelsels in de Jonge, uit 1644. Vlaanderen, Brabant en Limburg (Belgisch Centrum voor landelijke (118) Universiteitsbibliotheek Gent, tin 1035. Uitgegeven als SERgeschiedenis, 82), Gent, 1984. Voor Gent is 1 zak graan 107,3 RURE C.A., Keukenhoek, uitgegeven naar een handschrift der liter, waardoor een viertel (een vierde deel) 26,83 liter omvat. vijftiende eeuw (Maatschappij der Vlaemsche Bibliophilen X), (96) VANDEWALLE P., op. at.: 1 zak (107,3 liter) = 2 halsters = 4 Gent, 1872. Een nieuwe uitgave door C. Muusers is te vinden veertellen = 8 meukens = 16 achtelingen = 64 pinten. op: http://www.coquinaria.nl/kooktekst/EdelikespijseO.htm. (97) STRUBBE E.I. en VOET L, De chronologie van de Middeleeu(119)COCKX-INDESTEGE E. (ed.). Een nyeuwen Coock Boeck, wen en de moderne tijden in de Nederlanden, Antwerpen, 1960. Kookboek samengesteld door Gheraert Vorselman en gedrukt in Mcr dank aan Thomas Van Driessche (VIOE) voor de hulp bij de Antwerpen in 1560, Wiesbaden, 1971, p. 172. histotische literatuur. (120) SCHILDERMANS J., SEES H. en WILLEBRANDS M., Lieve (98) http://www.savingctanes.org/commonquestions.html. schat, wat vind je lekkerf Het Koocboek' van Antomus Magirus (99) http://www.savingcranes.org/commonquestions.html. (1612) en de Italiaanse keuken van de renaissance, Leuven, 2007. (100) RACKHAM O., op. at., p. 119. (121) DE RE1FFENBERG E, Archives pour servir a l'histoire civile et (101) STONE D.J., The consumption and supply of birds in late medielittéraire des Pays-Bas, faisant suite aux archives philologiques, val England, in WOOLGAR C.M., SERJEANTSON D. en Bruxelles, 1829, p. 363-364. WA1.DRON T. (eds.). Food in Medieval England. Diet and (122) MOULIN L., Ouverture de cuisine par Lancelot de Casteau, AnNutrition, Oxford, 2009, p. 148-161. vers, 1983. Zie ook: http://www.uni-giesseii.de/gloning/tx/ (102) PIEHLER H.-M., Knochenfunde von Wildvögeln aus archdologiouv3.htm. schen Grahungen in Mitteleuropa (Neolithicum bis Mittelalter) (123)ANON., De Verstandige Koek, Of Sorghvuldige Huys-houdster (onuitgeg. Inaug.-Diss.), Miinchen, 1976. (KANS Katernen 2), Amsterdam, 1993. (103) Zie voor een culinair overzicht: WlTTEVEEN J., On swans, cranes (124) MUFFETT T, Health's improvement, or rules comprizing and and herons: Part 2, cranes, in Petitspropos culinaires, jg. 25, 1987, discovering the nature, method and manner of preparing all sorts of p. 50-59. food used in this nation, London, 1655. Geciteetd door ALBA(104) VAN DOORSLAER H., op. at., p. 32-33. RELLA U. en THOMAS R., op. at, p. 23. (105) PIGIERE E, »/.. ot, p. 54-55. (125) Johanna Maria van Winter, pers. med. (106) ALBARELLA U. en THOMAS R., op. cit., p. 23. (126) VERWIJS E., op. at., boek III, vers 1883-86; of Jacob van (107) Apicii Coelii. De opsontis et condimentis she arte coquinaria, libri Maerlant, Der naturen bloeme (circa 1270), deels uitgegeven als decern, in vertaling uitgegeven door ANDRE J., Apicius. Van JONGEN L., Over vogels. Jacob van Maerlant, Amersfoort en culinaire, Paris, 1965. In Nederlandse vertaling (door Janiek Brugge, 2005, p. 82. Kistemaker) raadpleegbaar op: (127) De trapgans is de grote trap (Otis tarda),'jacht-hedryff(circa http://www.apiciana.nl/derecoquinaria/inhoud.html. 1635), zie SWAEN, »/..«/. (108) Met dank aan Jan Moens (VIOE) voor de culinaire literaruur. (128) DEMARQUETTE N., Précis historique sur la maison de Harnes (109) http://www.diachronie.be/lexique/textes/14e/1380-nationale. (Mémoires de la société imperiale d'agriculture, séant a Douai, html. Zie ook SCULLYT, The ViandierofTaillevent. An edition of all extant manuscripts, Ottawa, 1988. Figuur kaft uit MOUreeks 2, dl. 3), Douai, 1855, p. 236.
(129) STOLL U. en KEIL G., Brief des erlauchten Anthimus an Theo- (145) Zie DESMET J., Vogels in de kop. Over de menselijke kijk op vogels. Deel 2, Amsterdam en Antwerpen, 2009, p. 429-448. derteh, den König der Franken, Auszug aus dem Lorscher Arzneihuch. Ühersetzung der Handschrift Msc. Med 1 der Staatsbtblio- (146) HOULIHAN P.F., The birds of Ancient Egypt, Warminster, 1986, p. 83-86; BOESSNECKJ., Ewe Darstellmgdes Kranichthek Bamberg, Stuttgart, 1989. fangs und ihre Bedeutung fiir die Haltung des Kranichs im alten (130) Uitgegeven ais: SPENCER], (ed.), op. ctt., p. 119. Agypten, in Tierarztliche Umschau, jg. 11, 1956, p. 222-225. (131) Wat voigt is een samenvatting van het betoog in VAN DEN ABEELE B., Une grue dans Ie jardin. Captivité, apprivoisement (147) BÖHR E., Mit Schopfan Brust und Kopf Der Jungfernkranich, in CLARK A.J., GAUNT J. en GILMAN B. (eds.). Essays in ou domestication d'un grand échassier au Moyen Age, in BECK C. honor of Dietrich von Bothmer, Amsterdam, 2002, p. 37-47 en en GUIZARD F. (eds.), La bete captive au Moyen Age et a la pi. 5-8. Renaissance, in druk. (148) Zie voor de bibliografische referenties: VAN DEN ABEELE, (132) Brussel, Koninklijke Bibliotheekvan België, Ms. Il 158, fol. 3v. op. cit., in druk. Zie WATTEEUW L. in DELSAERDT P. e.a. (eds.). Cent trésors (149) De animalibus, VI, 1, 4, paragr. 26: "et hoc accidit in Colonia, de la Biblioth'eque Royale de Belgique, Bruxelles, 2005, p. 35-36; ubi sunt grues domesticas pullificantes". Geciteerd in STADEER DESTREE J., Les Heures de Notre-Dame dites de Hennessy, H. (ed.), Albertus Magnus, De animalibus libn XXVI. Nach der Bruxelles, 1895. Kölner Urschrifi hrsg, 2 vol. (Beitrdge zur Geschichte der Phtloso(133) Met dank aan Marjan Buyle (VIOE) en Guy Dupont (Dienst phie des Mittelalters, 15-16J, Munster, 1916 en 1921. Stadsarcheologie, Stad Gent), voor het doorspelen van informa(150) ROLLIN COUQUERQUE L.M. en MEERKAMP VAN EMde. DEN A. (eds.). Rechtsbronnen der stad Gouda, 's Gravenhage, (134) KRENT, en MCKENDERICK S., Illuminating the Renaissance, 1917. Geciteetd in MATTHEYL, op. cit, p. 151. the triumph ofFlemish manuscript painting in Europe, Los Ange(151) LIEVOIS, D., Op bezoek bij de hertogen van Bourgondië, in Het les, 2003, p. 480. prinselijk hof ten Walle. Gent, Gent, 2000, p. 98-120. (135) New York, Pierpont Morgan Library, M 672, f. 61. Zie SMEY(152) DESMET ]., Vogels. Hun levensloop in België, hun wedervaren ERS M., L'art de la miniature famande du VLlle au XVIe siècle, met de mens, Brugge, 1987, p. 81. Tournai, 1989, p. 333. (153)'Jacht-bedryff' (circa 1635), zie SWAEN, op. cit., geciteerd in (136) Berlin, Staatsbibliothek zu Berlin-Preussischer Kulturbesitz, DAM, op. ctt., p. 503. Depot Breslau 2, vol. 1, f. 1. Zie BRINKMAN B., Diefiamische (154)MERULA PG.F.P.N., Placaten ende Ordonnancien op 't stuck Buchmalerei am Ende des Burgunderreichs. Der Meister des Dresdvan de Wildernisse, 's Gravenhage, 1605. ner Gebetbuchs, Turnhout, 1998, p. 73. (155) Zie de catalogus in VERBRAEKEN P. (ed J, Joachim Beuckelaer. (137) Paris, Bibliothèque nationale de France, fr. 134, f. 1. Zie Het markt- en keukenstuk in de Nederlanden 1550 - 1650, Gent, BRINKMAN B., op. cit., p. 76. 1986, p. 113-199. (138) London, British Library, Royal 15.E.I1I, f. 11 (1482). Zie YAPP (156)GODDEERIS B., DE SMET G. en ROGGEMAN W, Some B., Birds in medieval manuscripts, London, 1981, p. 117. gastronomie aspects of bird species in still life paintings of Frans (139) DEVOS D., Hans Memling. L'zuvre complet, Antv/erptn, 1994, Snyders (Antwerp, 1579-1657), in Belgisch Tijdschrift voor Filolop. 210-211. gie en Geschiedenis, jg. 80, 2002, p. 1431-1448. (140) Zie LIEVOIS e.a., dit nummer. (157) TERMOTE J., Historisch-geografisch onderzoek naar het voorko(141) FRIEDLANDER M., Early Netherlandish Painting, t. X. Lucas men van de voormalige veldvijvers in het Bulskampveld en de movan Leyden and other Dutch masters of his time, Leiden en Brusgelijkheden van herstel in het natuurinnchtingsproject Biscopveld sel, 1973, pi. 22, ill. 35; pi. 25, ill. 43; pi. 16, ill. 23. (onuitgeg. rapporr voor de Vlaamse Landmaatschappij), 2010. (142) AINSWORTH M., An unfinished landscape painting attributed (158) Universiteitsbibliotheek UGent, zonder verder specificatie verto the Master LC and sixteenth-century workshop practice, in meld bij TERMOTE, op. cit. MULLER N.E., ROSASCO B.J. en MARROW J.H. (eds.), (159) Met dank aan Johan Termore (Koksijde). Herri met de Bles. Studies and explorations of the world landscape (160) De mogelijke kraanvogels afgebeeld in de binnentuin van de frW/>;o«, Turnhout, 1998, p. 117-127. Zie p. 117: "Landschap Sinr-Pierersabdij door Anronius Sanderus in zijn Flandria illusmet de roeping van Mattheus" (Brussel, Koninklijke Musea trata (1641-1644) (zie eerder) vormen geen bewijs voor het voor Schone Kunsten, inv. nr. 6087), waar op het voorplan twee toenmalig nog voorkomen van de soorr in het wild. kraanvogels zijn afgebeeld. (161) Zie de informatie geleverd door de International Crane Founda(143) SANDERUS A., Flandria illustrata sive descriptio comitatus istius tion: http://www.savingcranes.org/. per totem terrarum orbem celeberrimi, Amsterdam, 1641-1644. (162) The IUCN Red List of Threarened species: http://www.iucn(144) O'KELLY DE GALWAY A., Dictionnaire archéologitjue et expliredlist.org/apps/redlist/details/143780/0. catif de la science du blason. Bergerac, 1901, p. 282-283, met (163) DESMET J., op. at., p. 429-448. verwijzing naar DE REIFFENBERG E, Recueil héraldique et (164) Zie de informarie op: http://waarnemingen.be/soort/view/19 historique, Anvers, 1835-1836. Deze laatste referentie blijkt on(165) http://www.ivnvechtplassen.org/ivn_vogels_winter/Kraan vindbaar en is waarschijnlijk een vergissing. Een verwijzing naar vogel_Grus-grus.hrml. het houden van kraanvogels in de abdij is wel te vinden bij DE (166) Zie: http://www.rspb.org.Uk/wildlife/birdguide/name/c/crane/ BARANTE M. (avec des remarques par Ie baron DE REIFFENindex.aspx; http://www.fspb.org.uk/supporting/campaigns/ BERG), Histoire des dues de Bourgogne de la maison de Valois, greatcraneprojeer/. Bruxelles, 1836, p. 407. Zie ook: D1MIERA., Menagerie cistercienne, in Citeaux, commentarii cistercienses. Achel, 1973, nr. XXIV, p. 25 en p. 29.
Daniel
Lievois,
den Aheele
Baudouin
en Anton
Van
Ervynck
ÜE KRAANVOGEL, EEN KRACHTIG SYMBOOL
• De kraanvogel in een Frans bestiarium, ca. I4S0
m&émiMW (itfimt (irfxIMitimujfamittmbué-
(Konmkliike bibliotheek. Den Haag. MMW. 10 B 25)
\_Ju(icc jmncfuvfc nmtmlimmfcmfn fmtmt-0epfttt<mt ^jüf%$É; fmè Vmttat hbiiudümificté awe fitptött itémguttibz
De 'natuurlijke h i s t o r i e ' van de
kraanvogel
toont aan dat de soort geen onbekende middeleeuws
Vlaanderen
die periode
werd afgebeeld
tale plaat
van Doornikse
kalksteen
monumenen dat
dergelijk
kunstwerk
terreinen
van de Gentse Sint-Pietersabdij
bovendien
werd opgegraven
geen toeval (2). De
blijkt beladen
met symboliek
op de is
kraanvogel
en hoort
goed thuis in een van de machtigste van de Lage Landen (3).
was in
(1). Dat de vogel in op een
EEN WFRFID VAN SYMBOI IEK
aldus abdijen
Behalve in Zuid-Amerika komen er op elk continent kraanvogels voor. Het gaat om een hele reeks soorten maar alle zijn ze gekenmerkt door hun grootte, opvallend pluimage, complex gedrag en, voor wie daar gevoelig voor is, esthetisch voorkomen. Overal maken deze sierlijke vogels een blijvende indruk op mensen en worden hen allerlei eigenschappen toegedicht (4). In de Chinese traditie staat de kraanvogel symbool voor een lang leven, en de ziel van de doden wordt naar verluidt op de rug van een kraanvogel naar de
hemel gebracht. In de Japanse cultuur wordt dat overgenomen maar komt daar ook de betekenis van vreugde en geluk bij (het gaat dan wel om een andere soort: Grus japonensis). Zowel taoïsten als boeddhisten beschouwen de vogel als een boodschapper van de goden, een 'hemelse vogel' (5). De hoge vlucht bij de trek is daar uiteraard de verkla-
Een vlucht kraanvogels (foto Andreas Trepte)
ring voor. Opvallend is dat de kraanvogel in de oude verhalen vrijwel steeds een positieve betekenis wordt toegedicht. Bij de meeste andere dieren benadrukt men in de overlevering de tweestrijd tussen goede en slechte eigenschappen, maar niet zo bij de kraan (6). Er is slechts één belangrijke uitzondering. In sommige traditionele culturen in India of NoordAmerika taxeert men hem vooral als een vogel die sluw en geslepen als een vos met listen en lagen zijn weg door het leven vindt. Uit alle voorbeelden komt echter één conclusie duidelijk naar voor: de kraanvogel vormt een krachtig symbool. Zelfs als er niet van diepe symboliek of mythologie sprake is, staat de kraanvogel nog steeds voor schoonheid, kracht en beheerste elegantie (7).
KLASSIEKE BRONNEN Van essentieel belang voor de studie van de symbolische betekenis van de kraanvogel tijdens de middeleeuwen zijn de antieke Griekse auteurs. H u n gedachtegoed werd overgenomen en aangevuld door de Romeinen en hun teksten raakten via Arabische bronnen in middeleeuws Europa verspreid. Een uitvoerige bespreking van de klassieke teksten zou te ver leiden maar een overzicht van enkele algemene verhalen kan nuttig zijn om de middeleeuwse bronnen te interpreteren, die voor het Vlaamse kraanvogelepos van belang zijn (8). Een aantal verhalen komt steeds weer terug bij de klassieke auteurs. Zo zou de vlucht van de kraanvogels de inspiratiebron geweest zijn voor het opstellen van het alfabet. Inderdaad neemt de formatie waarin de vogels vliegen soms de vorm aan van een eenvoudige Griekse alfa, lambda oiypsilon, maar of het hele alfabet op die manier kan worden verklaard, blijft toch de vraag. De structuur van de kraanvogelformatie krijgt in elk geval veel aandacht. Hoewel sommigen stellen dat een groep op trek steeds een vaste leider heeft, wordt ook vaak opgemerkt dat de vogel die vooraan vliegt, en die de anderen met luide stem richting geeft, zich na een tijd laat vervangen. Dit gebeurt omdat de lei-
der vermoeid wordt, of schor van het vele roepen. Cicero (106-43 BC) stelde dat de vogels in de formatie hun hoofd lieten rusten op de rug van hun voorganger, een observatie die vogelkenners niet kunnen bevestigen. Elders wordt dan weer gesteld dat vermoeide vogels bij het vliegen ondersteund, zelfs gedragen worden door twee soortgenoten, wat evenmin door waarnemingen werd bewezen. Dat kraanvogels heel hoog vliegen, werd verklaard door hun wens om van ver te kunnen zien in welke landen zij terecht komen, en gebeurde ook uit voorzorg om stormen te ontwijken. Sinds Plinius nam men bovendien aan dat kraanvogels bij lange vluchten een steen inslikten of in de poten meedroegen. Vooral de snelste vliegers zouden dit doen om te verhinderen dat ze de tragere leden van het peloton zouden losgooien. Dit extra gewicht kon ook dienen als ballast bij hevige wind maar zou ook worden gebruikt om weer uit te braken of gewoon los te laten bij het eind van de reis, om uit het geluid van de vallende steen te kunnen afleiden of ze boven water of land waren geëindigd. Zeelieden kenden trouwens het gevaar van vallende stenen wanneer een troep kranen over trok. Wellicht heeft dit verhaal te maken met het feit dat kraanvogels, net zoals veel vogelsoorten, steentjes inslikken om in de krop of de maag het vermalen van voedsel te vergemakkelijken. Als deze steentjes, gastrolieten genaamd, weer vrijkomen, hebben ze een typisch gepolijst uitzicht. O p hun jaarlijkse trektocht zouden de vogels in één geval zeker een vaste leider kiezen, en binnen de
formatie zelfs wachters aanstellen. Dat zou gebeuren bij de populatie die in Egypte ging overwinteren, omdat de dieren zeker waren daar vijanden te ontmoeten. Deze tegenstrevers waren, zo overtuigen ons de antieke teksten, de Pygmeeën. Die kleine mensen waren gezworen vijanden van de kraanvogels die ze, gezeten op de rug van een ram, met knuppels bekampten. Over de oorsprong van deze voortdurende en schijnbaar nooit besliste oorlog bestaan verschillende verhalen, het ene al fantasierijker dan het andere (9). Volgens de klassieke bronnen wordt er, wanneer kraanvogels in grote groep overnachten, een beurtrol opgezet en zijn er altijd een paar vogels die de wacht optrekken. Deze waken op één been en houden een steen vast in de opgetrokken poot. Als ze dan toch in slaap sukkelen, valt de steen en worden ze weer gewekt. Dit verhaal steunt enigszins op de werkelijkheid. Een groep kraanvogels is bij het foerageren effectief zeer waakzaam en het is zo dat ze soms op één poot staan. Dat ze daarbij stenen vasthouden, is echter nog niet bewezen. Wat ook vaak terugkomt is de vermelding dat kraanvogels slangen aten en dat ze donker, zelfs zwart van kleur worden bij het verouderen. Het eerste is biologisch juist maar de tweede anekdote, die teruggaat op Aristoteles (384-322 BC), kan niet door natuurobservaties worden gestaafd. Deze en andere verhalen werden doorheen de geschiedenis ijverig gekopieerd en soms wat aangepast, maar de kern kwam in de middeleeuwse en zelfs latere teksten terecht. Dat het kopiëren van teksten ver kon gaan, toont het voorbeeld van de oorlog tussen de kraanvogels en de Pygmeeën. Dit gegeven werd zelfs herhaald door Olaus Magnus toen die in 1555 zijn Historia de Gentibus Septentrionalibus publiceerde, een beschrijving van het leven in Noord-Europa (10). Dat Pygmeeën daar niet thuis horen, was kennelijk geen bezwaar.
MIDDELEEUWSE ENCYCLOPEDIEËN EN BESTIARIA In de middeleeuwen ontstaat de tendens om encyclopedieën samen te stellen, waarbij men zoveel mogelijk informatie over zaken uit de natuur probeerde te bundelen. Men wou als het ware een bibliotheek schrijven, in één volume (11). Het genre kende zijn hoogtepunt in de 12 e en 13 e eeuw maar de oorsprong ligt veel vroeger, met name bij Isidorus van Sevilla, die in de 7 c eeuw, in navolging van de klassieke auteurs en sterk aanleunend bij hun verhalen, zijn Etymologiae (12) schreef. Over de kraanvogel worden in dit twintigdelige werk diverse bijzonderheden vermeld. Hun naam berustte op het geluid van hun roep. Ze vliegen zeer hoog en in een geordende formatie die lijkt op een letter. De vogel die de groep leidt moedigt de anderen al roepend aan, tot hij te schor wordt en zich laat vervangen. Isidorus voegde er aan toe dat ze op wacht staan met een steen in hun poot en dat ze donket worden op oudere leeftijd. Binnen de traditie van de (middeleeuwse) encyclopedieën zullen deze kenmerken steeds weer herhaald worden en kritiekloos aangevuld met informatie uit de klassieke bronnen uit de oudheid. Wat Isidorus niet direct had overgenomen komt op die manier weer in beeld, zoals de strijd met de Pygmeeën of het inslikken van ballast.
Een andere middeleeuwse literaire traditie bood feitelijke informatie, maar had vooral aandacht voor de moraliserende impact van de natuur. De toenmalig bekende planten, dieren en andere natuurfenomenen werden overlopen in allegorische verhalen, waarbij de spirituele betekenis van elk natuurgegeven duidelijk werd. De lezer kwam dus niet alleen iets te weten over flora, fauna of geologie, maar kreeg tegelijk een levensles. Binnen dit genre zouden de bestiaria heel populair worden, bundelingen van soortbeschrijvingen van bestaande (of, zoals we nu weten, gefantaseerde) dieren, waarbij de moraliserende commentaren uiteraard weer niet ontbreken (13). De oorsprong van deze traditie ligt bij een anonieme vroegchristelijke, in het Grieks geschreven tekst uit de 2 c eeuw van onze tijdrekening, de Physiologus, waarvan de oudste, in het Latijn bewaarde kopieën uit de 8''Ie eeuw stammen (14). Deze tekst vermeldt de kraanvogel echter niet (mogelijk omdat de vogel ook niet in de Bijbel voorkomt) en even zag het er dus naar uit dat de vogel in de literaire traditie van de bestiaria zou vergeten raken.
In de 12 e eeuw duikt de kraanvogel evenwel opnieuw op in een dierenboek. Het gaat om een bestiarium exclusief gewijd aan vogels {aves), met Aviarium als toepasselijke titel. Het werk is van de hand van Hugues de Fouilloy (of Hugo de Folieto in het Latijn), prior van een abdij nabij Amiens van 1132 tot 1172 (15). Het neemt veel over van de vroege encyclopedisten en volgt wat de kraanvogel betreft vrij nauwgezet de beschrijving van Isidorus van Sevilla. O p deze wijze raakt grus, zoals de soort in de bestiaria wordt genoemd, opnieuw in 'het circuit' en zal de soort aandacht krijgen van latere auteurs van dierenboeken, die trouwens toch vooral van elkaar en uit oudere bronnen kopieerden. Wat het persoonlijke leven van de lezer aangaat, biedt de kraanvogel een moraliserende les over het belang van een geordend leven (de formatie waarin de vogels vliegen) het voortdurend in acht nemen van waakzaamheid, en de behoedzaamheid voor onheil (het waken met een steen in de poot). De scène van de wakende kranen wordt trouwens al gauw de meest gebruikte afbeelding wanneer de soort in de dierenboeken wordt beschreven. De vogels krijgen bovendien een grote populariteit. Naast de duif en de arend is de kraanvogel een van de meest algemeen afgebeelde vogels in middeleeuwse Engelse manuscripten (16). Gaandeweg ruimen de dierenboeken plaats voor meer wetenschappelijke literatuur. Bij Albertus Magnus krijgen persoonlijke observaties bijvoorbeeld meer aandacht (17). Toch valt het op hoe zelfs nog bij Conrad Gessner, toch één van de eerste echte dierkundigen, in zijn 16 e -eeuwse Historiae animalium (18), een mengeling voorkomt van wetenschappelijke notities en van de oude, vertrouwde mythen. Zelfs de oorlogvoerende Pygmeeën ontbreken bij hem niet op het appel. Pas later zouden die mythen volledig uit de dierenliteratuur verdwijnen. Als symbool voor de waakzaamheid blijft Grus grus voorkomen in de postmiddeleeuwse emblemata, de bundels van zinnebeeldige platen met motto en bijschrift, die tot in de 18 c eeuw heel populair bleven (19). Deze prenten verbeelden elk een eigenschap of een ander abstract gegeven (zoals zonden, waarden, kunsten of wetenschappen), via een compositie van elementen met symbolische betekenis. Een invloedrijk meesterwerk in dit genre is de Iconologia overo Descrittione Dell'imagini Universali cavate daU'Antichita et da altri luoghi van Cesare Ripa waarvan de eerste editie verscheen in 1593. De waakzaamheid of Vigilanza wordt in de vele
uitgaven van het boek (tot aan het eind van de 18 c eeuw) verbeeld als een dame met een boek in de rechter hand, en een roede en een brandende lamp in de linker hand (20). O p de achtergrond staat een vogel die een steen in de poot houdt, zonder twijfel een kraanvogel. Een in het Nederlands vertaalde editie van de Iconologia geeft de verklaring van deze symboliek (21): "Een Vrouwe met een Boeck in de rechter hand, in d'ander een Roede met een ontsteken Lampe, ter sijden staet een Kraen, die een steen in de klauw heeft. 't Is soo seer in de gewoonte, dat dese vlijtigh en wacker genaemt wort, die slechts een levendige ofwackere geest heeft, alhoewel dese naem verkregen is, door de wackerheyt die men mette lichaemlijcke oogen sien kan, niet te min wort de gestadige oefninge, gelijck als in de Natuyre verandert, en sich eygen gemaeckt, en wort soo wel de Wackerheyt des lichaems, als des geests, door dit beeld uytgedruckt, te weten, de Wackerheyt des Geests door 't Boeck, waer in men de wetenschappen leerende, den Mensche wacker en vaerdigh maeckt, om de ongevallen der fortuyne tegen te staen, en de driften des gemoeds te beschouwen. De Roede maeckt het slaeperige lichaem wacker, gelijck het Boeck en de spieglinge of contemplatie de droomige geesten opwecken. Daerom seght Salomon in zijn Hooge Lied, soo wel tot het lichaem als totte ziele, lek slaep, maer mijn herte waeckt.
• De Wockerfieyt uit de Iconologio vertaald door Dirck Pietersz. Pers, 1644
De Kraene leert ons datmen gestadigh op zijn eygen hoede moet wesen, en voor zijn eygen leven, want gelijck veele Natuyrschrijvers verhaelen, wanneer dese Kraenen komen om te rusten, soo verposen zy malkanderen op deser maniere, dat die daer op den Schildwacht staet, eenen steen tusschen zijn klauwen vat; en soo langh de steen niet neder valt, zijnse seker datse beschermt zijn door de Wackerheyt van haeren medegesel: en als die valt, 't welck niet kan geschieden, dan door den slaep van den schildwacht, soo worden zy van 't geluyt wacker en vliegen wegh. De Lampe bediet, dat de Wackerheyt eygentlijck verstaen wert in dien tijd, die daer bequaemst is totte ruste en slaep. Daerom stelden de Oude hare schaerwachten eenige seeckere uyren des nachts, waer in de Soldaten mosten wacker zijn tot versekeringe van het Heyrleger: en wierde de geheele nacht gedeelt in vier wachten, gelijck Caesar 't selve verhaelt in 't eerste van zijne Commentarien."
IN MONASTIEKE CONTEXT Naast de persoonlijke moraliserende boodschap van een geordend en waakzaam leven kreeg de kraanvogel ook een religieuze symboliek. Dat de kraan slangen at, is betekenisvol. De slang was immers het duivelse dier dat de mens uit het Aards Paradijs liet verdrijven. Ze werd zo het symbool van de bedreiging van de ware leer. Het afdwalen hiervan noopte dus tot waakzaamheid, maar dit gold ook voor de verleidingen van het kwade in het algemeen. De kraan met een steen in zijn poot illustreerde zelfs voor de gedachte dat men Christus altijd in zijn gedachten moet houden en dat men voor Hem voortdurend inspanningen moet leveren. Het reeds genoemde Aviarium van Hugues de Fouilloy gaat specifiek op deze religieuze symboliek in. Het loont de moeite enkele passages uit het Aviarium nog eens door te nemen. We maken gebruik van een ietwat aangepaste Nederlandse vertaling van een handschrift uit de 12 e eeuw, afkomstig uit de Duinenabdij te Koksijde en nu bewaard in het Grootseminarie te Brugge (22). Het manuscript staat bekend onder de naam de avibus en behandelt de kraanvogel in het 44'' te hoofdstuk: " Wanneer kraanvogels van de ene naar de andere plaats vliegen, behouden ze tijdens de vlucht hun vaste formatie. Zo symboliseren ze diegenen die er zich op toeleggen te leven volgens de regels. Tijdens hun vlucht vormen ze uit zichzelf letters, net zoals diegenen die goed leven
S-iH UU«H
B
Rucsduin ^ginrr-miain fcquunmr [hut UitnvHD-'6wclfaauran
qui rnfr prccepraft^turc bent mumdofoananrClmdam vol alias oimwdiFqticdamareno» -pcfiiMr-cpuafilams qiupnnnnlo mni ngnnmifobntur-fitos fcqttï nuwb? vmrapupf debcr ua ramt TirRnroctamcrnuambone opa Tzomf fayiu«ib?ftu8 yditmdo -Dononftra-.^ucauwm alias a Ttccdi^fijaucafoöafiicnr-TOnc "Ölfitbitfbstumpdiar.utpfhwi
spontaan vorm geven aan de geboden van de Schrift. Eén van hen gaat de anderen voor. Hij krijst voortdurend, zoals een prelaat, die de eerste plaats heeft in het bestuur [van de Kerk], zijn volgelingen door zijn gewoonten en levenswijze moet voorgaan. Zo waarschuwt hij zonder onderbreken en toont door zijn prediking zijn volgelingen de weg van het goede gedrag aan. Als de [vogel] die de anderen voor gaat hees wordt, neemt een ander zijn plaats in. Als een prelaat het Woord Gods niet verkondigt aan zijn onderdanen of niet kan verkondigen — omdat hij bijvoorbeeld hees is — moet een andere zijn plaats innemen. Bij het vallen van de avond, zoekt de [vogel] die vooropvliegt, een rustplaats waar hij met de anderen neerstrijkt. Ze regelen dan alle samen de wacht om zichzelf te beschermen, zodat de overige vogels veilig kunnen genieten van de rust van de slaap. Die wachters zijn als verstandige broeders, die in het belang van de gemeenschap in de vergankelijke zaken voorzien en die geestelijk zorg dragen voor iedereen in het bijzonder. Zij waken naar best vermogen over de gehoorzaamheid van hun medebroeders, zodat zij op verstandige wijze de aanval van demonen en de invloed van leken afweren. Kraanvogels die uitgekozen worden als wachters om over de anderen te waken, klemmen een steentje in hun opgetrokken poot. Als een van hen in slaap sukkelt, laat hij het steentje uit zijn poot glijden. De vogel schiet dan wakker en krijst luid. De steen is Christus, de poot is de waakzame aandacht. Zoals men zich met zijn voeten voortbeweegt, heeft ook de geest met zijn emoties als het ware voeten waarmee hij zijn verlangens najaagt. Als dus iemand waakt ter bescherming van zichzelf of zijn medebroeders, moet hij een steentje in zijn poot of dus Christus voor zijn geest houden. Verder moet hij er met uiterste inspanning over waken dat hij, als hij in zonde in slaap valt, het steentje niet loslaat, met andere woorden dat hij Christus niet uit zijn aandacht verliest. Maar als het toch valt, moet hij het in de biecht uit-
schreeuwen, zodat hij zijn slapende medebroeders 4 wekt. Hij moet hen aansporen tot waakzame wijs- De l < r a a n v o g e l heid, zowel voor zichzelf als voor hun fouten. Zo zie je r J
J
J
Grootseminarie
hoe het leven van religieuzen kan worden geïnspireerd Brugge. 12de eeuw door de observatie van vogels'. Tot daar de tekst uit de avibus. De kraanvogel staat hier dus niet alleen symbool voor de vrome levenswandel van christenen, maar meer specifiek ook voor het leven binnen een kloostergemeenschap (23). Het hoge vliegen van de vogels duidt op de intense contemplatie, de hemelse vervoering die wordt bettacht in het klooster. De formatie van de vogels verwijst naar de strenge ordening van het monastieke bestaan. De broeders steunen elkaar in het respecteren van de leer, nemen hun verantwoordelijkheid binnen de gemeenschap maar worden in alles voorgegaan door een meerdere, de abt. Een democratisch tintje krijgt de tekst door te stellen dat als de abt om een of andere reden zijn taken niet kan vervullen (wanneer de leidende vogel schor of vermoeid wordt), iemand anders uit de gemeenschap het leiderschap moet overnemen. Deze religieuze, christelijke symboliek hoorde dus niet van meet af aan bij de kraanvogel. Ze kwam tot stand op basis van antiek bronnenmateriaal en vormt een voorbeeld van de 'recyclage' van aloud gedachtengoed binnen de christelijke tradities.
Een kudde schapen, een herder en een gekruisigde kraanvogel: christelijke symboliek bij Sun Jiabo (National Art Museum of China, Beijing. 2008, foto Gregor Kneussel)
1VI&L
Uiteindelijk is vrijwel elk aspect van het gedrag van de kraanvogel in monastieke context te interpreteren. De jaarlijkse migraties zijn zelfs duidelijk symbolen voor de eeuwige spirituele pelgrimstocht die de monnik volgt, op weg naar een hemels leven, dichter bij God (24). Anderzijds moet worden vermeld dat de monastieke symboliek niet de enige context vormt om het groepsgedrag van de vogels te interpreteren. Kraanvogels worden bijvoorbeeld vergeleken met ridders die in strak gelid ten strijde trekken. Dit is het geval in de encyclopedie van Brunetto Latini (circa 1260), die hierin sterk afwijkt van de traditie van de bestiaria (25).
HERALDIFK Gezien de overvloed aan symboliek is het niet verwonderlijk dat de kraanvogel ook in de heraldiek een beduidende plaats inneemt. Overzichten van T Heraldische voorstel- de wapens van adellijke families tonen dit aan (26) ling van enkele grote vogels (uit fox-Davies
en dat de telgen van het geslacht Wachtmeister de poot van de kraanvogel (27) in hun blazoen dragen, is een sprekende vaststelling. De gecombineerde verwijzing naar de wakende houding van de vogels en naar de hechte familieband met een eigen 'pied de grué ^pedigree), getuigt van heraldische spitsvondigheid. Er verschijnen echter nog meer grote vogels in de wapenkunde. Dit maakt de betekenis van sommige schilden en blazoenen niet altijd even duidelijk; de voorstellingen zijn immers vrij gestileerd en soms niet echt op voorbeelden uit de natuur gebaseerd (28). Vooral populair bij de heraldische grote vogels, de roofvogels niet meegerekend, zijn de ooievaar, de lepelaar, de kraanvogel en de reiger (29). Volgens de vakliteratuur zijn die op schilden en vlaggen op volgende wijze van elkaar te onderscheiden: "De ooievaar en lepelaar staan altijd op één poot, de ooievaar houdt daarbij meestal nog een slang of een paling in de bek en wordt uitsluitend in zijn natuurlijke kleur afgebeeld; de lepelaar is onmiddellijk herkenbaar aan de zonderlinge vorm van zijn snavel. De kraanvogel licht altijd zijn rechterpoot op en houdt daarin een steen (die in het Frans trouwens 'vigilance' heet); de reiger heeft geen ander kenmerk dan zijn eigenaardige kop' (30). Deze heraldische voorschriften resulteren in standaard afbeeldingen, zoals te zien in vroeg-20ste-eeuwse handboeken (31). Als exotische toevoeging komt daar nog de struisvogel
Een vogel met gemengde kenmerken in de To))ogra|)(iic<i Hlberraco van Giraldus Cambrensis (uilYapp 1981)
bij, die altijd zou te herkennen zijn aan het hoefijzer in zijn bek, in navolging van het populaire geloof dat de vogels ijzer konden verteren (32). Soms houdt hij ook een sleutel of een ander stuk ijzer in de bek (33). In de praktijk blijken dergelijke heraldische voorschiften evenwel niet altijd eenvoudig toe te passen bij de identificatie van het gevogelte op wapens en vlaggen. Enige natuurhistorische omkadering is duidelijk vereist. Wat de kraanvogel betreft moet er bovendien rekening mee worden gehouden dat de vogel in de post-middeleeuwen ophoudt bij ons te broeden en aldus minder (of uiteindelijk geheel niet meer) in de aandacht staat. Uiteindelijk raakt de soort als deel van onze avifauna vergeten en beschrijft men oude afbeeldingen van kraanvogel als 'reiger'. Omgekeerd is men in Engeland in een bepaalde periode reigers crane gaan noemen, gewoon omdat men niet meer wist op welke soort die term sloeg (34). Anderzijds is de stelling niet vol te houden dat de verwarring tussen de grote vogels vroeger iets algemeens was, en mogelijk te wijten aan een gebrek aan biologische kennis of vertrouwdheid met de vogelwereld. Het onderscheid tussen de 'grote drie' werd vroeger wel degelijk nauwkeurig gemaakt. Dat is bijvoorbeeld goed te zien aan een 13 '-eeuwse afbeelding, waarop reiger Warded)., ooievaar {ciconid) en kraan {grus) samen staan afgebeeld (35). Maar natuurlijk kon het ook wel eens mis gaan.
vooral wanneer vogels werden getekend aan de hand van de overgeleverde tekst alleen, zonder dat er een goed voorbeeld in de buurt was of men de dieren uit eigen observatie kende. In een werk van Giraldus Cambrensis staat een langpotige vogel met de vlek op de kop en de staart van een kraanvogel, de kuif van een reiger en de rafelende borstveren van een ooievaar. Het dier wordt beschreven als ciconia, de ooievaar (36). Hoe snel conflicten kunnen ontstaan tussen de heraldische en natuurhistorische interpretatie van een afbeelding wordt geïllustreerd door het wapenschild van de Vlaamse Heraldische Raad zelf. Bij de recente toekenning van het wapen en zegel wordt officieel gesteld dat het wordt samengesteld als "doorsneden van sabel en van lazuur, over alles heen een kraanvogel van zilver, gebekt en gepoot van goud, houdend een schildje van zilver in de opgeheven rechterpoof (37). De tekst verklaart verder: "Om zijn bevoegdheidsdomein aan te geven, kreeg hij geen steen maar een blanco schildje in de opgeheven poof. De vogel op het schild van de Vlaamse Heraldische Raad heeft inderdaad de bouw, de houding en de kleuren van een kraanvogel, maar draagt wel een brede kuif in de nek. Dat is bij Grus grus niet het geval, zodat de afbeelding eerder aan een reiger doet denken. Wellicht vindt dit kleine euvel zijn oorsprong in de afgenomen vertrouwdheid met de kraanvogel in ons land, waardoor een traditie van heraldische afbeeldingen ontstaat, die afwijkt van de natuurlijke werkelijkheid.
DE KRAANVOGEL VAN DE SINT-PIFTFRSABDIJ: EEN HERALDISCH PROBLEEM? Ondanks de sterke religieuze symboliek, en de expliciete verwijzing naar het monnikenleven, valt het op dat de kraanvogel in de Lage Landen blijkbaar niet voorkomt op de wapenschilden van abdijen, een vastelling die op één uitzondering na ook voor andere Europese regio's geldt (38). Een oproep tot meer informatie in het tijdschrift Heraldicum Disputationes (Kwartaalblad voor Heraldiek) leverde voorlopig niks op (39). Ook in de reeks Heraldiek van Abdijen en Kloosters waarin reeds twintig monastieke sites zijn besproken (40), is geen kraanvogel terug te vinden. Er is voor de Lage Landen evenwel één uitzondering: de Gentse SintPietersabdij. O p de terreinen van de vroegere Sint-Pietersabdij werd bij opgravingen in 2006 een plaat in Doornikse kalksteen gevonden, met een afbeelding van een grote vogel, op basis van de biologische kenmerken te identificeren als een kraanvogel (41). De vondst werd al snel in verband gebracht met de vogel die op het 16 e- tot 17 c -eeuwse zegel van het opperleenhof (de feodale entiteit) van de abdij, het schild van de abdij vasthoudt. In de traditionele overlevering rond de abdij was die schildhouder vergeten geraakt, maar een speurtocht naar de heraldiek, van de abdij zelf, maar ook van de indivi-
• Een schild van de Gentse SintPietersabdij bewaard in het lofndorium van de Gentse SintBaafsabdij (herkomst onbekend, foto Stad Gent, Dienst Stadsarcheologie
duele abten, van de architecturale resten, en van historische bronnen, toont aan dat de vogel tot aan het eind van het bestaan van de abdij (het eind van de 18 c eeuw) een prominent deel was van de 'marketing' van dit belangrijke site. Een probleem is wel dat de afbeelding van de vogel in de jongere tijden niet langer naar de natuur werd geschilderd. Zetten we even de feiten op een rij. We kennen een monumentale plaat met kraanvogel wellicht daterend uit de volle middeleeuwen, de postmiddeleeuwse zegels van het opperleenhof, een serie van postmiddeleeuwse schilden van de abdij of van abten met een paar kraanvogels als schildhouders (42), historische verwijzingen naar 'kraan'-toponiemen op het grondbezit van de abdij (43), en de aanwezigheid van de vogels in het portaal van de barokke kerk (44). Komt daarbij dat de kraanvogel een bekende was in de Vlaamse middeleeuwen. De vogel broedde ooit in onze streken, werd bejaagd, gegeten en zelfs in gevangenschap gehouden, misschien zelfs in de abdij (45). De kraanvogel paste, als edele jachtbuit (46), trouwens ook goed in de feodale context van de abdij, met haar duidelijke band met de Vlaamse topadel, de graven van Vlaanderen. Een groep kraanvogels hoeft trouwens niet uitsluitend met een monastieke symboliek te worden verbonden, maar kan ook staan voor een groep ridders die in het gelid ten strijde trekt. Alles pleit er dus voor dat de schildhouders op de postmiddeleeuwse wapens van abdij en abten kraanvogels zijn (47), en dat de vogel doorheen de ganse vol- tot postmiddeleeuwse geschiedenis van de site als symbool aanwezig is (48). Er zijn wat tegenargumenten denkbaar maar die houden uiteindelijk weinig steek, zoals het feit dat voor de opgegraven kraan niet onomstotelijk vaststaat dat die in een heraldische context moet geïnterpreteerd worden. Maar misschien is het mogelijk dat de monumentale plaat in Doornikse kalksteen ooit deel uitmaakte van een groter geheel, waarbij twee vogels een schild omringden? De vraag blijft trouwens wat die meer dan levensgrote vogel anders als functie had in de architecturale decoratie van de abdij (49)? Gaat het dan toch om loutere symboliek, bedoeld om mensen op het rechte pad te houden, of zit hier nog meer achter? Natuurlijk blijft er de wat problematische heraldische identificatie van de postmiddeleeuwse schildhouders, los gezien van de vogel op de steen en alle andere bewijsmateriaal. De kuif van de dieren is niet conform met het concept van een kraanvogel
Gekleurde pentekening met het wapenschild van de Sint-PietersaMij, door L de Clerck naar L.Vlaming, 1806 (Stad Gent, Stadsarchief)
Cltdue
2ian j ,
JttferS.
M&L
maar dit kan, zoals gezegd, aan zoölogische vervreemding te wijten zijn. En wat zou een alternatieve identificatie kunnen zijn? De kuif kan alleen maar naar reigers verwijzen, de ' usual suspects wanneer kraanvogels fout geïdentificeerd worden. Er is echter geen enkel aanwijsbaar verband tussen reigers en de abdij, en het 16 c- tot 17 '-eeuwse zegel van het opperleenhof van Sint-Pieters toont dat in oorsprong een vogel zonder kuif bedoeld was, die niet anders dan een kraanvogel kan zijn. Natuurlijk volgen de historische voorbeelden niet strikt de heraldische regelgeving van vandaag; alles evolueert en enige flexibiliteit moet steeds in acht worden genomen. Het is inderdaad zo dat de vogels op de postmiddeleeuwse schilden van de abdij geen steen in de poot houden (alhoewel de dieren in het portaal van de barokke kerk dat wel doen), maar ze tonen wel één poot opgelicht. O p het 16 -17 eeuwse zegel van het opperleenhof draagt de vogel geen steen maar wel een kromstaf met een schild in
• Gravure met de voorstelling van abt Philippe Standaert (1730-1759), naar 'het leven' in een medaillon voorgesteld door N. Heylbrouck. midden 18de eeuw (Stad Gent, Stadsarchief!
T •
Het wapenschild
Gravure met de
en de wapenspreuk
voorstelling van abt
van abt Amand
Philippe Standaert
Hovenlmck
(1730-1759), detail
(1654-1679)
(Stad Gent,
(Stad Gent,
Stadsarchief)
Stadsarchief)
yrw <y\~6Verendissimoquc TA MDA TT-RT /lhhnH M&L
^
V W
de poot. De vigilance werd dus vervangen door de abdijsymbolen, zoals dat ook gebeurde op het schild van de Vlaamse Heraldische Raad. O p het jongere zegel en de abtswapens is die houding meer gestileerd. De vogels rusten gewoon op de basis van het heraldisch ensemble, en houden de poot op ter bescherming van de schilden, een duidelijke verwijzing naar de oorspronkelijke waakhouding. Men zou op heraldische grond ook kunnen argumenteren dat de schildhouders van de abdij struisvogels zijn (50). Dit zou kunnen worden afgeleid uit het dragen van een stuk ijzer in de bek, in het Gentse voorbeeld een sleutel of een zwaard. De algemene bouw van de Gentse vogels, en specifiek de lange bek én zelfs de foutieve kuif, passen echter geheel niet bij deze identificatie. Struisvogels hebben trouwens slechts twee tenen en de afgebeelde vogels vier (één naar achteren, drie naar voor gericht), net zoals kraan- en veel andere vogels. Bovendien dragen de schildhouders gewoon de symbolen van de macht van de abten en de abdij in de bek. De sleutel (van Petrus) staat voor het geestelijke gezag, terwijl het zwaard de wereldlijke macht suggereert. Er zijn ook abdijschilden bekend waarbij elke vogel een sleutel in de bek houdt.
Bij de wapens waarbij het abdijwapen met het familiewapen van de betrokken abt wordt gecombineerd, gaat het steeds om een sleutel in de bek van de heraldisch rechtse vogel, ook verwijzend naar de drie sleutels in het abdijschild. Bij de linkse vogel ziet men respectievelijk een paling of een andere vis bij abt Robert Willocqueau (16811682), een Sint-Jacobsschelp bij abt Antoine Musaert (1720-1730), een dolk bij abt Gudwalus Seiger (1760-1789) en een olijftak bij abt Martin van de Velde (1789-1796, f 1820). Opmerkelijk genoeg toont het oudste bekende abtsschild, dat van abt Amand Hovelinck (1654-1679), vogels die niets in de bek houden, geen kuif hebben en een opgezette staart. Kraanvogels dus.
EEN BLIJVEND SYMBOOL? Vandaag is de symboliek van de kraanvogel beter bekend uit verhalen uit het verre Oosten dan uit onze eigen tradities. Dit komt natuurlijk voor een belangrijk deel door het verdwijnen van de soort uit Vlaanderen, waardoor alleen de echte natuurverkenners nog met de dieren in aanraking komen.
Een grote vogel op de hoek van de Bastionstraat te Gent (foto Stad Gent. Dienst Stadsardieologie, 2009)
Een grote vogel
Onze-Lieve-Vrouw-
(kraan of reiger?)
Waver
boven het altaar
op het glasraam
(foto P. Vanschoon-
van de Leugemeete
Schildering links-
'De Ochtend' in de
beek, © Erfgoed
te Gent, met
wintertuin van het
Vlaanderen vzw)
de evangelisten
Ursulinenklooster te
Johannes en Paulus (3,9 x 1,9 m, uit VanWerveke 1909)
Kraanvogels maken geen deel meer uit van het dagelijks leven en daardoor raakt vergeten hoe de migraties van soms wel duizenden dieren een van de meest indrukwekkende beelden uit de vogelwereld bieden (51). Ook de betekenis van de trek van de vogels als seizoensverschijnsel raakt doot een steeds grotere vervreemding van de natuur vergeten. In de 17 e eeuw, een periode met bijzonder strenge winters, noteerde men dat [kraanvogels] " comen bij wijlen, en gaen ah d'andere wintertochtvogels. En als hij in dese landen uijt 't Oosten over comt soo is hij een voorbode van groote koude,..!' (52). In de Limburgse Kempen merkte men op dat de doortrek van de kraanvogels in de herfst dikwijls gebeurde na een korte periode van 10 tot 14 dagen mooi warm weer. Het verband tussen de trek en deze korte nazomerse periode was zo sterk dat die tijd de kranezomer V/CÏA genoemd (53). En zo zijn nog vele voorbeelden te citeren van de sterke indruk die kraanvogels maakten op de mens (54). Vetgeten we bijvoorbeeld niet dat, in de tijd dat de vogels nog bij ons broedden, men hun dans kon bekijken, een vertoon zonder weerga.
Detail van de schildering linksboven het altaar van de Leugemeete te Gent, met twee kraanvogels
Grote vogels blijven het trouwens algemeen goed doen als 'pakkende' voorstellingen, zowel in de traditionele kunsten (zoals in de glasramen van het Ursulinenklooster te Onze-Lieve-Vrouw-Waver, circa 1900) (55) als in de recente graffiti op een huis op een hoek van de Bastionstraat te G e n t (56). Misschien komt de kraanvogel nog ooit wel terug in Vlaanderen en herleven de symboliek, de mythen en de verhalen rond deze soort. Voor het zover is, kunnen we de vogel niet meer eer bewijzen dan zoveel mogelijk over zijn verleden in kaart te brengen. Dat nieuwe informatie nog steeds kan opduiken, bewijst de recente vaststelling dat kraanvogels ook deel uitmaakten van de binnendecoratie van een laatmiddeleeuwse, nu verdwenen kapel uit Gent. Het gaat om een deel van het godshuis van Sint-Jan en Sint-Pauwei in de Brugsepoortstraat, dat werd opgericht in of kort vóór 1316. De stichting ervan werd door de Gentse schepenen bekrachtigd op 9 maart van dat jaar. Het diende voor de opvang van vrouwen en stond onder de dage-
uit Van Werveke
lijkse leiding van een meesteres, die verantwoording aflegde aan een comité van voogden. In de kapel van het godshuis werden in 1861 muurschilderingen vrijgelegd op initiatief van Jean Baptiste Béthune (1821-1894). Deze bevindingen werden samen met de eerder ontdekte schilderingen van de Gentse milities gecalqueerd door Adrien Bressers
M&L
(1897-1986) en zijn medewerkers, terwijl de toen nog bestaande kapel en alle bouwkundige details werden opgemeten door architect August Van Assche (1826-1907). De schildering met de kraanvogels bevond zich op de zuidoostelijke wand, links van het altaar. Het ensemble toont de twee evangelisten, Johannes en Paulus. De levensgroot afgebeelde heiligen waren ondergebracht in rijk versierde gotische nissen, waarboven twee vogels een kijkje nemen. Rechts van het altaar was een Boom van Jesse afgebeeld. Onder de omlijsting van die voorstelling knielde de grafelijke familie met graaf Lodewijk II van Nevers, ook Lodewijk van Crécy genoemd (gestorven in 1346), gravin Margareta van Frankrijk, en hun zoon Lodewijk van Male (geboren in 1330). H u n identificatie is gesteund op hun wapenschilden. Dat geeft een datering tussen 1330 en 1346. Onder meer omdat Lodewijk van Male als jongeman was afgebeeld, opperde Alfons Van Werveke (1860-1932) dat de schildering kort voor 1346 tot stand kwam. Anderzijds had Lodewijk II van Nevers al in december 1339 het graafschap Vlaanderen definitief verlaten. Daarom mag worden verondersteld dat zijn afbeelding wellicht voor 1339 werd aangebracht. Interessant is ook dat Jacob van der Hasselt, voogd van het godshuis, kastelein van Rupelmonde en een vertrouweling van de graaf, in 1334 in de kapel een altaar en kapelanij stichtte. Daaruit kan worden afgeleid dat de muurschilderingen pas daarna werden aangebracht. O p grond van die redenering kan men vermoeden dat de muurschilderingen met de kraanvogels dateren van tussen 1334 en 1339 (57).
— Daniel Lievois is historicus. Zijn aandacht gaat voornamelijk uit naar de materiële geschiedenis van de stad Gent. — Baudouin Van den Abeele is professor in de middeleeuwse geschiedenis aan de Université catholique de Louvain, en verbonden aan het Fonds de la Recherche Scientifique. Hij bestudeert vooral teksten rond wetenschap en dieren. — Anton Ervynck is bioloog en onderzoekt de relatie tussen mens en dier doorheen de tijd aan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed.
FINDNQTEN (1) Zie ERVYNCK e.a., in dit nummer. (2) Zie BRU e.a., in dit nummer. (3) De auteurs danken alle medewerkers van de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent voor hun bijdrage aan dit kraanvogelproject. Met dank ook aan Leen Charles, Stadsarchivaris van de Stad Gent voor haar medewerking aan de illusttaties van dit artikel. (4) Zie voor een uitgebreide bespreking: LEMA1RE T., Op vleugels van de ziel. Vogels m voorstelling en verbeelding, Amsterdam, 2007, p. 279-310, en JOHNSGARD P., Cranes of the World: S. Cranes in myth and legend, in JOHNSGARD P. (ed.), Cranes of the World (Papers in the Biological Sciences), Lincoln (Nebraska), 1983. p. 70-74 (http://digitalcommons.unl.edu/bioscicrancs/). Zie ook de cultuurhistorische informatie over kraanvogels op de Website Animaliter - Tiere in der Literatur des Mittelalters (http://www.encyclopaedia-animalium.gcrmanistik. uni-mainz.de). (5) LEMAIRE, op. at., p. 304. (6) VAN DEN ABEELE B., Migrations médiévales de la grue, in Micrologus. Natura, scienze esocieta medievali, jg. Vlll, 2000, p. 6578.
Deze nieuwe Gentse vondst van kraanvogels is uiteraard heel interessant, en niet alleen vanwege de datering. De kapel, bekend als de Leugemeete, omdat de zonnewijzer steevast het verkeerde uur aangaf, bevond zich immers in de parochie Akkergem, die afhing van het patronaat van de Sint-Baafsabdij. Het godshuis had dus niets te maken met de Sint-Pietersabdij. Wat is dan de verklaring dat hier de afbeelding van twee kraanvogels voorkomt? Hebben de vogels iets te maken met de twee evangelisten waarboven ze staan, of zit hier een nog complexer symbolisch verhaal verscholen? Gaat het hier ook om de waakzaamheid of het monastieke samenleven, of is er nog een andere traditie van kraanvogelsymboliek die ons voorlopig of voor altijd ontsnapt? Het verhaal van de kraanvogel is duidelijk nog niet uitverteld, en wordt dus, zonder twijfel, vervolgd.
(7) De titel van deze bijdrage is niet geheel toevallig ontleend aan de website van de Vereniging voor Geweldloze Krijgskunst, http:// www.wgk.be/kfaanvogel.html. (8) Zie de overzichten bij JOHNSGARD P, op. ctt. (http://digital commons.unl.edu/bioscicfanes/); COUZ1 L. en PETIT P., La grue eendree: Histoire naturelle dun grand migrateur. Bordeaux, 2005. (9) DAZEN V, D'un monde a l'autre. La chasse des Pygmées dans l'iconographie impériale, in TRINQUIER j . en VENDRIES C. (eds.), Chasses antiques. Pratiques et representations dans Ie monde gréco-romain (IJle siècle av. - IVe siècle apr. J.-C), Rennes, 2009, p. 215-233; MATHIEU R., Le combat des grues et des Pygmées, in LHomme, jg. 166, 1990, p. 55-73. Zie ook LEMAIRE, op. cit., p. 295-298 voor een uitgebreid overzicht, en p. 298-302 voor een omkadering van deze mythe. (10) Olaus Magnus, Historia de Gentihus Septentrionalibus, Rome, 1555. Raadpleegbaar via http://books.google.be. Voor andere klassieke verhaallijnen zie bijvoorbeeld LEMAIRE, op. cit.
(11) Zie p. 74-80 bij VAN DEN ABEELE B., Quelquespas de grue a travers l'histoire naturelle médiévale. Un regarddiverstfié sur Ie réel, in STOFFEL J.-F. (ed.), Le réalisme. Contributions au séminaire d'histoire des sciences 1993-1994, Louvain-ia-Neuve, 1996. p. 7198. (12) Isidorus van Sevilla, Etymoiogiae, XII.7.14, uitgegeven als LINDSAY W.M. (ed.), Istdori Hispalensis, Etymologiarum sive originum lihri XX, Oxford, 1911. (13) MCCULLOCH F, Medieval Latin and French bestiaries. Chapel Hill, 1960. (14) HENKEL N., Studiën zum Physiologus im Mittelalter, Tubingen, 1976. (15) CLARKW.B. (ed.). The medieval hook of birds: Hugh of Fouilloys Aviarium, Binghamton, 1992. (16) Dit werd voor Engeland vastgesteld door YAPP B., Birds in medieval manuscripts, London, 1981. (17) STADEER H. (ed.), Albertus Magnus, De animalibus UbriXXVI.
Erfgoed, Vlaamse Overheid), secretaris van de Vlaamse Heraldische Raad. (29) PAMA C , Rietstap's handboek der wapenkunde (4e editie). Leiden, 1961, p. 153. (30) PAMA C , o/., af., p. 153. (31) FOX-DAVIES A.C., A complete guide to heraldry, London en Edinburgh, 1909, p. 243-248. (32) PAMA C , (y. «>., p. 153. (33) FOX-DAVIES A.C., op. cit., p. 243. (34) GEORGE W. en YAPP B., The naming of the beasts. Natural history in the medieval bestiary, London, 1991. (35) Apocalypse commentary of Alexander of Bremen, Cambridge University Library Ms. Mm.v.31, f.l40r (13de eeuw). Plate 14, p. 106-107 in YAPP B.,(i/).o>. (36) Giraldus Cambrensis, Topographia Hibernica, B.L. Ms. Royal 13 B viii, f 9v. Plate 20 p. 118-119 in YAPP B., op. cit. (37) Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaamse Heraldische
Nach der Kölner Urschrifi hrsg., 2 vol. (Beitrdge zur Geschichte der
Raad. - Toekenning van wapen en zegel, in
Philosophie des Mitteklters 15-16), Munster, 1916 en 1921. Zie
p. 9049.
ERVYNCKe.a., dit nummer. (18) Conrad Gessner's Historiae animalium verscheen in 4 volumes in 1551-1558 te Zurich. Een vijfde deel werd toegevoegd in 1587.
Staatshlad22.03.200ö,
(38) DIMIER A., Menagerie cistercienne, in Citeaux, commentarii cistercienses, Achel, 1973, nr. XXIV, p. 25, vermeldt het optteden van de kraanvogel in het schild van de Hongaarse cistercienzerab-
De eerste vier delen van het werk werden uitgegeven in het Duits
dij Zirk (bisdom Veszprem), die in 1182 als dochterabdij door
in 1563, on line consulteerbaar via een editie uit 1600: http://
Clairvaux werd gesticht..Een algemeen probleem is wel dat er
www.humi.mita.keio.ac.jp/treasures/nature/Gesner-web/bird/
geen encyclopedisch standaardwerk is over kerkelijke heraldiek.
html/normal/IOOl.html.
Ook HELM B.B., Heraldry in the Catholic Church: Its Origins,
(19) HENKEL A. en SCHONE A , Emblemata. Handbuch zur Stnnbildkunst des XVI. und XVII. Jahrhunderts. 2de uttg., Stuttgart, 1978; en specifiek: VON ERFFA H.M., Crus vigilans. Bemerkungen zur Emblemarik, in Philobiblon, jg. 1, 1957, p. 286-306. (20) Iconologia del Cavaliere Cesare Ripa Perugino NotabilmenteAccresciuta d'lmmagini, di Annotazioni, e dt Fatti dallAbate Cesare Orlandi..., Perugia, 1764-67, vol. 5, p. 365- Zie ook: http://www. humi.keio.ac.jp/-matsuda/ripa/npa_index.html. (21) Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants, vertaald door Dirck Pie-
Customs, and Laws, New Jersey, 1978 helpt niet om kerkelijke kraanvogels op te sporen. (39) X., 07109 Kraanvogel, in Disputationes. Bijlage aan Heraldicum Disputatwnes, jg. 14, nr. 3, 2009, p. xxiv. Met dank aan Mare Van de Cruys, Homunculus. (40) De reeks 'Heraldiek van Abdijen en Kloosters wordt uitgegeven door Homunculus, Wijnegem. Zie ook http://users.telenet.be/ homunculus/. (41) Zie BRU e.a., dit nummet, en alle illustraties daar.
tersz. Pers, Amsterdam, 1644. De facsimile is uitgegeven als:
(42) BRU e.a., dit nummer.
Cesare Ripa. Iconologia of uytbeeldinghe des verstands. Met intro-
(43) ERVYNCK e.a., dit nummer. Het gaat om cranaberga, het oudst
ductie vanjochen Becker, Soest, 1971. Zie ook: http://www.dbnl.
bekende Vlaamse kraantoponiem, vermeld in FAYEN A. (ed.),
org/tekst/persOO 1 cesaO 1_01 /persOO 1 cesaü 1_01 _ 1150.php.
Liber traditionum sanct'i Petri Blandiniensis - Livre des donations
(22) 'De avihus. Grootseminarie Brugge, manuscript 89/54. Raad-
faites a TAbbaye de Saint-Pierre de Ganddepuis ses origines jusqu'au
pleegbaar via http://www.historischebronnenbrugge.be. Zie voor
Xle siècle, avec des additions jusqu'en 1273, in VAN DER HAEG-
een Franse vertaling van de oorspronkelijke tekst over de kraan-
HEN V. en PIRENNE H. (eds.), Canulaire de la ville de Gand
vogel: VAN DEN ABEELE B., op. cit., 1996.
(Oorkondenboek der stad Gent) publié par ordre de la Commission
(23) VAN DEN ABEELE B., op. cit., 2000, p. 65-78. In feite ver-
des Archives de Gand, Deuxième série: Chartes et documents, t. I,
meldt Rabanus Maurus, een 9de-eeuwse bron van her 'Aviarium
Gand, 1906, p. 12-13 (met dank aan Frank Kinnaer (Stedelijke
dit reeds (Rabanus Maurus, De rerum naturis, boek VII, ed.
Dienst Archeologie, Mechelen) voor deze tip), en de 'Craenen
Patrologia Latina III, col. 244).
busch' te Desselgem (DE FLOU K., Woordenboek der toponymie
(24) VAN DEN ABEELE B., op. et., 2000, p. 78.
van Westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den
(25) CARMODY F.J. (ed.), Li Livres dou Tresor de Brunetto Latini,
Hoek, de graafschappen Guines en Boulogne, en een gedeelte van het
Berkeley, 1947. VAN DEN ABEELE B., op. cit. 2000, p. 70. (26) DE RENESSE T , Dictionnaire des figures héraldiques. Tome 1, 4me fascicule, Bmxelles, 1894, p. 386-394.
graafschap Ponthieu. Achtste deel, Btugge, 1928, p. 683). (44) BRU e.a., dit nummer. (45) O'KELLY DE GALWAY A., Dictionnairearchéologiqueet expltca-
(27) DE RENESSE T , op. cit., p. 394.
tifde la science du blason. Bergerac, 1901, p. 282-283, met ver-
(28) Met dank aan Patrick van Waterschoor (Agentschap Ruimte en
wijzing naar DE RE1FFENBERG E, Recueilhéraldiqueet histori-
que, Anvers, 1835-1836. Deze laatste tefeiende blijkt onvind-
1230-1240. De betekenis van deze afbeelding, noch de relatie
baat en is waarschijnlijk een vergissing. Een verwijzing naar het
met andere dierenfiguren op het gebouw zijn momenteel uitge-
houden van kraanvogels in de abdij, door de Reiffenberg is wel te
klaard.
vinden bij DE BARANTE M. (avec des remarques par Ie baron
(50) Een suggestie van de Vlaamse Heraldische Raad, met dank aan
DE REIFFENBERG), Histoire des dues de Bourgogne de la maison
Patrick van Waterschoot (Agentschap Ruimte en Erfgoed,
de Valois, Bruxelles, 1836, p. 407. de Reiffenberg vermeldt wel
Vlaamse Overheid).
niet op welk archiefstuk hij zich baseert. Of zou hij steunen op
(51) VAN DEN ABEELE B., op. cit., 2000, p. 65.
mondelinge overlevering? Vergeten we niet dat de laatste monnik
(52) Jacht-bedryff (circa 1635), uitgegeven door SWAEN A.E.H.,
van de abdij pas in 1841 overleed. Zie ook: DIMIER A., op. cit.,
Jachtbedrijf. Naar het handschrift in de Koninklijke Bibliotheek te
p. 25 en p. 29.
's-Gravenhage, Leiden, 1948, p. 9. Geciteerd in: DAM J.H., Het jachtbedrijfin Nederlanden West-Europa, Zutphen, 1953, p. 503.
(46) Botmateriaal van de kraanvogel is wel nog niet aangetroffen bij opgravingen op de abdijterreinen. Zie BALLMANN P., Knochen-
(53) BURNY J., Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse
funde vort Vögeln aus der Abtei Sunkt Peters zu Gent, Belgien (VII
Kempen (1910-1950). Tweehonderd gesprekken samengevat (Publi-
bis XVIIIJahrhundert), in Le Gerfaut, jg. 68, 1978, p. 551-576.
caties van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg Reeks XI.II
Evenmin duiken kraanvogels op in de archiefstukken rond de
afl. I), Maastricht, 1999, p. 60-61.
voeding binnen de abdij, samengebracht in: ROELANDT D.,
(54) Zie LEMAIRE T, op. cit., p. 279-310.
De voedingsgewoonten in de Gentse Sint-Pieters- en Sint-Baaf-
(55) Met dank aan Erfgoed Vlaanderen voor het fotomateriaal.
sabdij tijdens de late middeleeuwen, in Handelingen van de
(56) Met dank aan Peter Stcurbaut (Dienst Stadsarcheologie, Stad Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe Gent), voor deze vondst. teeks, dl. XXVI, 1972, p. 41-68. Ooievaars en reigers doen dat (57) BETHUNE J.B. en VAN WERVEKE A., Het godshuis Sint-fan
wel. (47) De vroegere heraldisten waren klaarblijkelijk overtuigd van deze
en Sint-Pauwei te Gent bijgenaamd de Leugemeete, Oorkonden (Maatschappij der Vlaamse Bibliophilen, 4de reeks, nr. 13), Gent,
interpretatie. Wanneer O'KELLY DE GALWAY, op. cit., verwijst
1902; VAN WERVEKE A., Het godshuis Sint-fan en Sint-Pauwei
naar DE REIFFENBERG, op. cit., luidt het: 'Au dire de M. de
te Gent bijgenaamd de Leugemeete. De kapel en haar muurschilde-
Reiffenberg, le célèbre polygraphe, dans l'abbaye de Mont-Blan-
ringen van circa 1346. Licht en steendrukplaten met toelichting
din a Gand (Belgique), on nourrissait autrefois une grue, qui
(Maatschappij der Vlaamse Bibliophilen, 4de reeks nr. 15), Gent,
était l'emblème héraldique de eet ancien monastère". (48) Het is zelfs mogelijk dat de kraanvogels die opduiken in het
1909. Zie ook o.m.: GOOSSENS M., De middeleeuwse muurschilderkunst, in Gent, duizendjaar kunst en cultuur. Deel I, Gent,
midden-I2 e-eeuwse, in het Latijn geschreven satirische dieren-
1975, p. 35-39; MARTENS M., De muurschilderkunst te Gent
epos, de Ysengrimus, verwijzen naar de monniken van de Sint-
(12de-16de eeuw) (Verhandelingen Koninklijke Academie voor Let-
Pietersabdij. De tekst zou in elk geval te Gent tot stand gekomen
teren, Wetenschappen en Schone Kunsten van België), Brussel,
zijn. In een passage waarin de bisschop van Doornik wordt aan-
1989, en de recente bijdrage over de calques die werden gemaakt
geklaagd, luidt het: "Ik stel jullie deze bisschop ter navolging
van de schilderingen: BALDEWIJNS J. en WATEEUW L, Cal-
voor. Wat voor wijsheid bezit die voddendrager van Clairvaux?
ques van de muurschilderingen uit de Leugemeete met voorstellingen
Hij vlecht strootjes, zoekt knopen in biezen en vilt kiezelstenen.
van de stedelijke milities (1861-2004), in Handelingen van de
Laat hem dus maar kraanvogels gaan melken! Neem van deze
Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, Nieuwe
bisschop, die rooft als de duivel en vasthoudt als de hel, het voor-
reeks, dl. LX, 2006, p. 337-368. Met dank aan Guy Dupont
treffelijke gedrag over!" (boek V, vs. 125-130, vertaling uit:
(Dienst Stadsarcheologie, Stad Gent), om ons hierop attent te
NIEUWENHUIS M., Ysengrimus. Uit het Latijn vertaald Am-
maken.
sterdam, 1997). De tekst zou bedoelen dat de bisschop, die bij een bezoek reeds de Sint-Baafsabdij op kosten had gejaagd, dit nu ook maar met de Sint-Pietersabdij moest doen. Het 'melken van de kraanvogels' slaat dan op het beroven van de monniken van Sint-Pieters. Met dank aan Frank Kinnaer (Stedelijke Dienst Archeologie, Mechelen) voor deze informatie. Zie ook: MANN ]., Ysengrimus. Text with translation, commentary and introduction (Mittellateinische Studiën und Texte Bd. XII), Leiden-New YorkKöln, 1987. (49) Het enige andere bekende voorbeeld van een monumentale stenen plaat met kraanvogel maakt deel uit van de Dom van Munster (Westfalen). Daar is in de buitenzijmuur van het zuidelijk transept van de kathedraal, op vrij grote hoogte, een rond medaillon aangebracht met een grote kraanvogel (135 x 82 cm), die een steen in de opgeheven poot houdt. De datering is circa
I SUMMARY
k V
k
A stone bird: a unique 'monument' in the Ghent Saint Peter's abbey
Hunted, caught and eventually disappeared: the natural history of the crane in Flanders
Excavations near the entrance of the baroque Our Lady's - Saint Peter's church in Ghent, brought to light the western part of Saint Peter's mediaeval abbey church. O n e of the building phases can be linked to the reconstruction following a fire in the early 15th century. T h e square pillars between the nave and the side aisles were adapted. Large stone slabs on top of the foundations served as basis for the new bundle pillars. At the northern range of pillars the archaeologists discovered two remarkable slabs: the memorial plate of cellarius Egidius van Axel (second half of the 13th century) and a plate with the image of a large bird, engraved 'from life'.
T h e common crane (Grus grus) has its breeding grounds up north and migrates southwards to hibernate following seven different routes. This migration is done in large groups and that is why we can see the birds passing in autumn and early spring in the east of the country. T h e crane does not breed in our country and only rarely does it land in Flanders on its annual migration. This has led to the perception that it is not part of our fauna and thus not an element of our heritage. This was proven wrong in an interdisciplinary historical study of the crane in Flanders.
T h e characteristics of the depicted animal led to the identification as a common crane. Further research revealed that in Saint Peter's abbey the crane has a heraldic significance. Cranes support the coat of arms of the abbey, of Saint Peter abbey's feudal estate and of the consecutive abbots. Proof thereof can be found in archives as well as on the buildings raised by the abbey. There are some remarkable witnesses in the facade of the baroque abbey church and also in Zwijnaarde, which had been a dependency of the abbey since the Middle Ages (including a country place for the abbots; nowadays known as Zwijnaarde castle) there are coats of arms supported by cranes. The unique stone which has been recovered is actually waiting for a preserving treatment and will in the future be placed in the Saint Peter abbey's art gallery.
Archaeological discoveries, the nomenclature of the species, toponymy and other historical sources prove that without any doubt the crane used to be a commonly known bird, which moreover was in a closer relation with man than we can imagine. The species appears with clipped wings in the fowl yard, as catch of falcons, a visitor of ponds and meadows, and as one of the highlights of late mediaeval banquets. What's more, there is sufficient proof that the bird was not only a frequent visitor in Flanders but also used to brood here. T h e northern breeding grounds used to stretch out much more to the south. Besides the heydays of the species, the sources also throw a light on the eventual disappearance. It is clear that the crane had already become somewhat endangered towards the late Middle Ages, and as a breeding bird definitely disappeared in post-mediaeval times. Still the memory remains. Although Grus grus has now disappeared, it is still part of our heritage, not as an exotic bird, but as part of an original, but completely vanished wilderness.
1VI&L
• # * * • ,
S
The crane, a powerful symbol Ê. ' Nowadays the symbolics of the crane are rather known from stories from the Far East than from our own traditions. This is of course mainly due to the fact that the species has disappeared in Flanders, as a result of which only nature explorers still are in touch with these animals. Cranes no longer being part of our daily life, we tend to forget how the migration of thousands of animals offers one of the most impressive images in the world of birds. Also the significance of migrating birds as a seasonal phenomenon is forgotten because of our growing alienation from nature. Let us not forget that when the birds were still breeding here, one could admire their dance, an unparalleled display. Besides these impressive natural scenes, there were also other behaviours attributed to the crane, not always rightly, giving the bird an extra symbolical dimension. Classical literature is of essential importance for studying the symbolics of Grus grus during the Middle Ages in Flanders. A number of stories recur regularly in Greek and Roman texts, eventually returning in mediaeval encyclopaedia and bestiaries. These were used as moral tales for the reader's personal life, the crane illustrating the importance of a well-ordered life (represented by the birds flying in a strict formation, preceded by one leader), and of being on guard all the time (the idea that cranes would keep watch holding a stone in their claws, waking them up when it would be released should a bird fall asleep). This symbolic link also has a religious dimension, referring to the monastic life of mediaeval monks with its wellordered life, the obedience to the leader and vigilance for calamities and straying from the true doctrine. Together with its feudal status (as noble game) this explains why the crane plays a principal part in the heraldry of Saint Peter's
f /
X
abbey in Ghent.
A/I&L
}
fA
\
^V
'•/'i
u
s\ |
¥zn
Ï
t
T
tfi
rv4T
M
^s^, c
!'.
i t *
i i
j»
'*
'mm t*~'-
m
wH
^p»
* • H^il
lx.Q
.n
inas^
CD
,.
^ «if?gai «.
i^
ri T
rt
tTT:xx:x-
Jm±
nmmm ^iiiiiiir
WR R ] lllfflfflffl •w
•<^ iLa
Iff
BHR^HM
*5B
«Z^!
•pp
^s
.