DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
2
Bijlage
De preventieve en actieve aanpak van werkloosheid in Vlaanderen Evaluatie van de Vlaamse prestaties in het kader van de Europese werkgelegenheidsrichtsnoer 1 en 2
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
69
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Inleiding: opzet en situering van deze bijlage
van 57% in januari 2000 tot 65% in januari 20011. Uit de dynamische gegevens die opgevolgd worden in het kader van de Europese richtsnoeren blijkt echter dat het risico op langdurige werkloosheid in 2001 is toegenomen voor volwassen werkzoekenden, en gestabiliseerd voor jonge werkzoekenden. De daling van het absolute aantal en relatieve aandeel langdurige werklozen is dan ook minstens gedeeltelijk een gevolg van de kleine cohortes nieuwe werkzoekenden in de voorgaande gunstige periode (1999-2000). Het zijn precies deze relatief kleine cohortes werkzoekenden die in 2001 de kaap van de ‘langdurige’ werkloosheid (vanaf 1 jaar voor volwassenen) overschrijden. Indien geen efficiënte preventieve en actieve aanpak geboden wordt aan de huidige – en grotere – cohortes nieuwe werkzoekenden, en bijgevolg hun instroom in de langdurige werkloosheid wordt teruggedrongen, bestaat het risico dat het aantal en aandeel langdurig werklozen vanaf de zomer van 2002 opnieuw zal toenemen.
Het opzet van deze bijlage is de evaluatie van de Vlaamse prestaties in het kader van het Europese richtsnoer 1 (preventieve aanpak) en richtsnoer 2 (actief arbeidsmarktbeleid). Deze kwantitatieve en kwalitatieve evaluatie is gebaseerd op de VDAB-cijfers die traditioneel worden opgemaakt in functie van het Vlaams en Nationaal Actieplan Europese richtsnoeren (VLAP en NAP). Een integraal overzicht van de VDAB-prestaties en -indicatoren vindt u in de VDAB-bijlage (bijlage 3). Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van twee nieuwe internationaal vergelijkbare bronnen die werden ontwikkeld in functie van de opvolging van deze twee Europese richtsnoeren: het Eurobarometer-survey bij geregistreerde werkzoekenden en de European Labour Market Policy (LMP) databank. De Vlaamse overheid heeft meegewerkt aan de realisatie van beide bronnen. Achteraan deze bijlage vindt u een aantal kerncijfers en tabellen gebaseerd op deze beide internationale bronnen.
1.2 De beleidsuitdaging van ‘interim-werkloosheid’
de
Bovendien heeft ook het ‘draaideureffect’ van de arbeidsreserve in een neerwaartse conjunctuur een impact op deze cijfers. Van de groep ‘nieuw’ ingeschreven werkzoekenden in de loop van 2000 is in de loop van 2001 allicht een aanzienlijk gedeelte tijdelijk uit de werkloosheid gestroomd2, maar 12 maand na datum is ruim één derde (één vierde bij de jongeren) nog steeds of opnieuw werkzoekend. Deze vaststelling wijst op een steeds grotere dynamiek in de arbeidsreserve, de uitstroom uit de werkloosheid neemt toe, maar een duurzame tewerkstelling is hierbij niet gegarandeerd, met als gevolg een relatief grote instroom in de ‘langdurige’ werkloosheid 6 of 12 maanden na de initiële intrede. Dit fenomeen van toenemende ‘interim-werkloosheid’ vormt een belangrijke uitdaging voor het beleid, een mogelijk antwoord zou er bv. in kunnen bestaan de dossiers van de (tijdelijk) onbereikbare werkzoekenden (die bv. niet reageren op de uitnodiging voor een intakegesprek voor de trajectwerking in de 3e of 4e maand werkloosheid omdat ze tijdelijk aan het werk zijn) ook de volgende maanden intensief te blijven opvolgen, vermits de kans groot is dat deze werkzoekenden een aantal maanden later terug tot de doelgroep van geregistreerde werkzoekenden zullen behoren. In deze zin kan de opstart van de trajectovereenkomst beter niet uitof afgesteld worden omwille van de (vaak tijdelijke) initiële onbereikbaarheid van de werkzoekenden. De combinatie van een individuele trajectbegeleiding voor de niet-werkende werkzoekenden met een aangepaste opvolging van (ex-)werkzoekenden in een tijdelijk of precair werknemersstatuut kan een meer sluitend antwoord bieden op de toenemende interim-werkloosheid.
1. Instroom en uitstroom van werkzoekenden 1.1 Het risico op langdurige werkloosheid neemt toe voor volwassen werkzoekenden De verzwakte economische conjunctuur in Vlaanderen en de stijging van de werkloosheid sinds de zomer van 2001 heeft een duidelijke weerslag op de Europese prestatie-indicatoren m.b.t. de preventieve aanpak van langdurige werkloosheid. Met name bij de volwassen werkzoekenden neemt de instroom in de langdurige werkloosheid fors toe (van 24,6% in 2000 tot 35,7% in 2001), bij de jonge werkzoekenden (- 25 jaar) blijft de instroom in de langdurige werkloosheid stabiel (ongeveer 25%). Van de meer dan 113.000 volwassen werkzoekenden (ouder dan 25 jaar) die zich in de periode tussen januari en december 2000 inschreven als werkzoekende is 12 maanden later ruim één op drie (meer dan 40.000) nog steeds werkzoekend, tegenover één op vier het jaar voordien (zie VDAB-bijlage 3). Deze vaststelling lijkt in tegenspraak met de recente toename van het aantal en aandeel kortdurig werkzoekenden in Vlaanderen. Het aandeel kortdurig werkzoekenden (minder dan één jaar werkzoekend) is toegenomen
1)
Bij een terugval in de conjunctuur en een grotere instroom in de werkloosheid zal het % kortdurig werkzoekenden logischerwijze toenemen (nieuwe kortdurig werkzoekenden als gevolg van bedrijfssluitingen, schoolverlaters vinden moeilijker werk,…).
2)
Pas als deze onderbreking 3 maand overschrijdt wordt de teller van de werkloosheidsduur terug op nul gezet.
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
70
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
1.3 Evaluatie op basis van de Eurobarometer-enquête bij ingeschreven werkzoekenden
de). Deze instroompercentages in de langdurige werkloosheid liggen opvallend hoger dan op basis van de administratieve opvolging van de volledige groep nieuw ingeschreven werkzoekenden (zie hoger). De meest correcte vergelijkingsbasis vormt de instroom in de langdurige werkloosheid zonder onderbreking. Op basis van de Eurobarometer-resultaten bedraagt deze 38% in het Vlaams Gewest t.o.v. 41% in België en 42% als EU-gemiddelde. Het is opnieuw de vlottere uitstroom van de Vlaamse jonge werkzoekenden die voor het positieve verschil zorgt (31% ononderbroken instroom in de langdurige werkloosheid tegenover 39% als Belgisch en Europees gemiddelde). Maar ook deze instroompercentages zonder onderbreking liggen nog steeds een stuk hoger dan o.b.v. de administratieve bestanden (cf. hoger, in 2001 instroom in de langdurige werkloosheid in het Vlaams Gewest van 25% voor jongeren en 36% voor volwassenen)5.
De beperkte internationale vergelijkbaarheid van de Europese indicator over de instroom in de langdurige werkloosheid werd reeds uitgebreid toegelicht in het vorige Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2001. De belangrijkste reden hiervoor is dat de teller van de werkloosheidsduur door de Belgische bemiddelingsdiensten pas terug op nul gezet wordt na een werkloosheidsonderbreking van minstens 3 maand, terwijl dit in andere lidstaten al na één maand, één week of zelfs één dag het geval is. Om deze en andere problemen m.b.t. de beperkte internationale vergelijkbaarheid van deze Europese prestatie-indicatoren op te lossen heeft Gallup Europe in opdracht van de Europese Commissie in 2001 een Eurobarometer-survey gelanceerd in een aantal EUlidstaten3, met gebruik van internationaal geharmoniseerde concepten inzake de registratie van de werkloosheidsduur en het aanbieden van een individueel actieplan. Voor België werd dit onderzoek uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau op basis van de bestanden van een cohorte nieuw ingestroomde werkzoekenden bij de drie Gewestelijke bemiddelingsdiensten4.
1.3.1
1.3.2 De uitstroom naar werk Van de groep die niet langer is ingeschreven als werkzoekende is in Vlaanderen een overgrote meerderheid op het ogenblik van de bevraging aan het werk (82% tegenover 74% als EU-gemiddelde, cf. cijferbijlage 2). Het aandeel ex-werkzoekenden die op het ogenblik van de bevraging (opnieuw) onderwijs, vorming of enige andere ‘activeringsmaatregel’ volgt is in Vlaanderen en België in internationaal perspectief uitzonderlijk beperkt (samen slechts 4% tegenover 12% gemiddeld in de EU). Deze lage score is deels een gevolg van de sterke doorstroom van werkloosheid naar werk in Vlaanderen, maar wijst er ook op dat de transitie tussen werkloosheid en het volgen van één of andere vorm van bijkomend onderwijs, vorming of werkervaring beperkt is in België en Vlaanderen. Anderzijds hangt het natuurlijk af van de beoordeling van de betrokken ex-werkzoekenden in hoeverre een aantal werkgelegenheidsprogramma’s en -initiatieven in België en Vlaanderen (bv. IBO en WEP+) door hen beschouwd worden als ‘gesubsidieerde’ tewerkstelling, dan wel als werkervaring of vorming en opleiding6.
De instroom in de langdurige werkloosheid
Uit deze survey-resultaten blijkt alvast dat de instroom in de langdurige werkloosheid in België niet langer het hoogst is van alle EU-lidstaten, zoals klassiek werd vastgesteld o.b.v. de administratieve bestanden van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening. De instroom in de langdurige werkloosheid (met en zonder tussentijdse onderbreking) ligt in België wel nog iets hoger dan het EU-gemiddelde (58% tegenover 55%), in Vlaanderen ligt deze instroom iets lager dan gemiddeld (52%), met name dankzij de relatief lage instroom in de langdurige werkloosheid van jonge werkzoekenden (46% tegenover 57% in België en 52% als EU-gemiddel-
3)
In totaal hebben 10 EU-lidstaten hun medewerking verleend aan deze survey: België, Frankrijk, Oostenrijk, de drie Scandinavische lidstaten (Denemarken, Zweden en Finland) en de vier Zuid-Europese lidstaten (Italië, Spanje, Griekenland en Portugal). Het ‘EU-gemiddelde’ dat in de bespreking en tabellen wordt vermeld is dus in feite het gemiddelde voor deze 10 lidstaten. Naast Luxemburg, Duitsland en Ierland ontbreken dus ook Nederland en het VK. De resultaten van het in internationale vergelijkingen vaak vermelde preventief en actief arbeidsmarktbeleid in Nederland (sluitende aanpak) en het VK (new deal) kunnen dus spijtig genoeg niet worden getoetst aan dit internationale survey-onderzoek. Het blijft dan ook een open vraag in hoeverre de doorgaans erg gunstige prestatie-indicatoren o.b.v. de administratieve bestanden van de Public Employment Services van Nederland en het VK de toets van een geharmoniseerd concept van ‘individueel actieplan’ of ‘actieve maatregelen’ kunnen doorstaan.
4)
Voor de + 25 jarigen werd de instroom niet-werkende werkzoekenden (nwwz) in de maand april 2000 geselecteerd, voor de – 25 jarigen de instroom in de maand september 2000. Beide cohorten werden bevraagd in april 2001 (12 maand later voor de volwassen werkzoekenden, 6 maand later voor de jongeren, conform de opvolgingstermijnen van het eerste Europese richtsnoer)
5)
Een mogelijke verklaring voor dit verschil kan zijn dat ex-werkzoekenden die aan het werk zijn per definitie moeilijker bereikbaar zijn voor een interview, wat tot een overschatting van het restpercentage in de werkloosheid zou kunnen leiden (al zou een methodologisch correct survey-onderzoek niet in deze valkuil van een aselecte non-respons mogen trappen). Voor zover de inschrijving als werkzoekende retrospectief bevraagd werd (Was u op 31 april 2001 ingeschreven als werkzoekende?) kan dit ook tot een zekere vertekening leiden
6)
Beleidsmatig ressorteren IBO en WEP+ onder werkervaring (in combinatie met een opleiding), vermits de betrokkenen een arbeidscontract hebben is de kans groot dat ze het bij een bevraging melden als een ‘gesubsidieerde job’
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
71
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
De internationale vergelijking leert in ieder geval dat het ‘rijke’ gamma aan werkgelegenheidsprogramma’s in België en Vlaanderen zorgt voor een relatief hoog % exwerkzoekenden met een ‘gesubsidieerde job’ (25% tegenover 16% als EU-gemiddelde), o.m. als gevolg van de nadruk die in het Belgische arbeidsmarktbeleid lange tijd gelegd werd op de klassieke ‘opslorpingsprogramma’s’ zoals GESCO en DAC. Bovendien behoort ook een omvangrijk nieuw beleidsinitiatief zoals het startbanenplan tot de categorie ‘gesubsidieerde jobs’. Desondanks ligt de verwachting dat de betrokken job een permanent karakter zal hebben relatief hoog in Vlaanderen en België (respectievelijk 71% en 69% tegenover 61% als EU-gemiddelde). Van alle ex-werkzoekenden die op het ogenblik van de bevraging (6 maand na hun inschrijving voor jonge werkzoekenden en 12 maanden voor volwassen werkzoekenden) aan het werk waren hebben er in Vlaanderen 19% deze job gevonden via hun ‘publieke dienst voor arbeidsbemiddeling’ (in Vlaanderen de VDAB), dit aandeel ligt gemiddeld in België en de EU iets lager (resp. 16% en 14%).
Volgens de Europese afspraken mogen in de administratieve opvolging ook de ‘klassieke’ verwijzingen naar vacatures meegerekend worden als een individueel actieplan, voor zover er een effectief contact tussen de werkzoekende en de bemiddelaar heeft plaatsgevonden, en de werkzoekende zich effectief heeft aangeboden bij de werkgever. Op basis van deze ruime definitie wordt het Belgische ‘voldoeningspercentage’ voor het Nationaal Actieplan berekend. Voor Vlaanderen stelt zich hierbij het ‘probleem’ dat de klassieke arbeidsbemiddeling waarbij de consulent werkzoekenden doorverwijst naar openstaande vacatures en de verdere afhandeling ervan administratief opvolgt, steeds meer vervangen wordt door mededelingen van vacatures en het gebruik van moderne zelfredzaamheidstools, waarbij vacatures en cv’s electronisch worden doorgestuurd of on line-raadpleegbaar zijn (zoals WIS en KISS). Deze intensieve en moderne bemiddelingsactiviteit wordt echter niet gevaloriseerd in het in dit opzicht erg traditionele Europese ‘voldoeningspercentage’ o.b.v. de administratieve bestanden. De opvolging van deze Europese indicator o.b.v. de VDAB-bestanden is dan ook weinig relevant in het kader van het Vlaamse arbeidsmarktbeleid. Vandaar het belang om in de Vlaamse context het voldoeningspercentage op te volgen op basis van een meer ‘enge’ definitie van een individueel actieplan, met name het afsluiten van een individuele trajectovereenkomst met de betrokken werkzoekenden. Uit deze cijfers (cf. VDAB-bijlage 3) blijkt een gevoelige toename bij de jonge werkzoekenden (van 23% in 2000 tot 34% in 2001) en een lichte toename bij de volwassenen (van 31% in 2000 tot 35% in 2001), wat wijst op de verruimde toepassing van de trajectwerking in Vlaanderen in 2001. Deze vaststelling wordt bevestigd door de vergelijking van het cumulatief aantal bereikte werkzoekenden in de trajectwerking (161.600 in 2001 tegenover 141.000 in 2000). De dynamiek in de trajectwerking is dan ook verder toegenomen in 20017. Het aantal lopende trajectovereenkomsten op de laatste dag van het jaar is daarentegen licht gedaald: van 61.600 eind 2000 tot 55.800 eind 2001, grotendeels als gevolg van de keuze om ongeveer 12.000 geïnitieerde trajecten niet langer mee te rekenen bij de openstaande ‘caseload’ omdat de geplande afspraken voor deze trajecten om diverse redenen (o.m. onbereikbaarheid van de betrokken werkzoekenden) niet in praktijk werden gebracht (en bijgevolg niet als een ‘echt’ traject beschouwd worden, alhoewel de inspanning voor de opstart van het traject werden gerealiseerd en een individuele trajectovereenkomst werd ondertekend). Uitgedrukt als een % van het totaal aantal ingeschreven niet-werkende werkzoekenden op de laatste dag van het jaar bedraagt de ‘dekkingsgraad’ van de trajectwerking 31% in 2001.
2. Het bereik van de trajectwerking 2.1 Opvolging op basis van de VDAB-bestanden: het bereik neemt toe Naast de instroom in de langdurige werkloosheid vraagt Europa eveneens om voor de betrokken cohorte ‘nieuw’ ingestroomde werkzoekenden na te gaan in hoeverre in de betrokken opvolgingsperiode (6 maand voor jonge werkzoekenden, 12 maand voor volwassenen) met hen een ‘individueel actieplan’ werd afgesloten. In de Vlaamse beleidscontext kan het Europese concept van individueel actieplan vertaald worden als het afsluiten van een individuele trajectovereenkomst. Ook hier is het echter moeilijk een geharmoniseerde definitie te laten hanteren in de bestanden van de diverse openbare diensten voor arbeidsvoorziening in de diverse EU-lidstaten. Dit ‘administratieve’ voldoeningspercentage is bijgevolg sterk afhankelijk van de wijze waarop dit ‘individueel actieplan’ in praktijk wordt geoperationaliseerd en geregistreerd. Vandaar de noodzaak om ook deze prestatie-indicator op te volgen o.b.v. een geharmoniseerd survey (cf. Eurobarometer, zie verder).
7)
gemeten als de som van het aantal in- en uitstroombewegingen in de loop van het jaar in vergelijking met het aantal lopende trajectovereenkomsten op de eerste dag van het jaar is deze dynamiek toegenomen van 2,1 in 2000 tot 2,2 in 2001
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
72
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Dat deze bereikcijfers al bij al relatief laag liggen (slechts één op drie van de nieuw ingestroomde werkzoekenden wordt bereikt, een gemiddeld bereik van één op drie geregistreerde nwwz) is een logisch gevolg van de talrijke in- en uitschrijvingen in het werkzoekendenbestand. Deze ‘inspanningsindicator’ wordt immers berekend t.o.v. de totale instroom in het werkzoekende segment, dus inclusief werkzoekenden die al zeer kort na de inschrijving werk vinden, en bijgevolg onbereikbaar zijn voor de trajectwerking. De hogervermelde ‘dekkingsgraad’ wijst erop dat ook op een willekeurig ogenblik (momentopname eind 2001) slechts één op drie van de Vlaamse geregistreerde niet-werkende werkzoekenden actief opgevolgd wordt in het kader van de trajectwerking.
met een globaal laag bereikcijfer in Vlaanderen tot gevolg (26% tegenover 30% als EU-gemiddelde). De lage score voor werkervaring in Vlaanderen is allicht een gevolg van de subjectieve evaluatie door de betrokken werkzoekenden, waarbij een WEP+ of IBO-contract allicht vaak beschouwd wordt als een gesubsidieerde tewerkstelling (ze hebben immers een arbeidscontract), terwijl deze programma’s beleidsmatig ressorteren onder werkervaring. Vlaanderen wijkt voor deze indicatoren ook enigszins af van het ‘Europees gemiddelde’ doordat de kortgeschoolde werkzoekenden er relatief iets meer dan gemiddeld participeren aan vorming, opleiding en individuele begeleiding, terwijl het globale beeld voor Europa precies omgekeerd is. Deze cijfers bevestigen dan ook de prioriteit die in het Vlaamse beleid geboden wordt aan de laaggeschoolde werkzoekenden.
2.2 Evaluatie op basis van de Eurobarometer-enquête bij ingeschreven werkzoekenden
Opnieuw valt het grote verschil op met de ‘voldoeningspercentages’ die voor België worden berekend op basis van de administratieve databanken van de drie Gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling (anno 2001 bij jongeren 58% en bij volwassenen 48%, tegenover respectievelijk 31% en 21% in de Eurobarometersurvey), wat erop wijst dat in het administratieve voldoeningspercentage een groot aantal ‘klassieke bemiddelingsactiviteiten’ meegerekend worden die door de betrokken werkzoekenden niet ervaren worden als een ‘intensieve bemiddeling’ via een individueel actieplan. In het kader van het Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren (editie 2001 én 2002) wordt deze administratieve voldoeningsindicator dan ook afzonderlijk berekend beperkt tot het afsluiten van een individuele trajectovereenkomst. Het op deze wijze berekende voldoeningspercentage voor Vlaanderen (34% voor jongeren en 35% voor volwassenen, cf. VDAB-bijlage 3) sluit alvast sterker aan bij het internationaal geharmoniseerde survey-resultaat voor Vlaanderen (respectievelijk 30% en 23%).
De beperkte interregionale en internationale vergelijkbaarheid van het ‘administratieve’ voldoeningspercentage voor dit eerste Europese richtsnoer kan worden verholpen door het gebruik van een geharmoniseerd concept van een ‘individueel actieplan’ in de Eurobarometer-survey. Het concept ‘individueel actieplan’ wordt in dit survey geoperationaliseerd als het aangeboden krijgen en volgen van één of meerdere van de volgende drie actieve maatregelen: vorming en opleiding, werkervaring, een intensieve individuele begeleiding of job-coaching. Globaal genomen ligt het aandeel werkzoekenden die werden bereikt via één of meerdere van deze drie actieve maatregelen iets lager in Vlaanderen en België dan gemiddeld in de EU (26% tegenover 30%). Het aandeel jonge/volwassen werkzoekenden die in de loop van hun eerste 6/12 maanden werkloosheid genoten hebben van vorming of opleiding ligt in Vlaanderen even laag dan gemiddeld in België en de EU (respectievelijk 13%, 12% en 14%). Het aandeel werkzoekenden dat een intensieve begeleiding (individueel actieplan, intensieve job-coaching) heeft genoten ligt in Vlaanderen iets hoger dan gemiddeld (19% tegenover 17% als Belgisch en EUgemiddelde, met name bij de jonge werkzoekenden ligt dit bereik in Vlaanderen iets hoger dan gemiddeld), al blijft dit bereikcijfer nog steeds ver beneden het ‘goede praktijkvoorbeeld’ van bv. Denemarken (36%). Het aandeel werkzoekenden dat bereikt werd via een concrete werkervaring ligt opvallend laag in Vlaanderen (slechts 2% tegenover 4% in België en 10% als EU-gemiddelde),
2.2.1
Profiel en evaluatie van de actieve maatregelen 8
Type opleiding Uit de verdeling naar type van de gevolgde vorming en opleiding blijkt dat in Vlaanderen het ‘special apprenticeship support’ (allicht voornamelijk leerlingwezen en deeltijds leren/werken) en de opleiding op de werkvloer (o.m. IBO) relatief sterk zijn uitgebouwd9.
8)
Het profiel en de evaluatie van de gevolgde werkervaring wordt hierbij buiten beschouwing gelaten omwille van de erg beperkte omvang ervan in het Vlaams Gewest (een bereik van slechts 2% van de ingeschreven werkzoekenden tegenover 10% als EU-gemiddelde)
9)
al zijn de absolute aantallen betrokken werkzoekenden erg klein om hierover betrouwbare uitspraken te doen. Van de 981 ondervraagde Vlaamse werkzoekenden hebben er 125 (of 13%) één of andere vorm van opleiding gevolgd in de opvolgingsperiode, waarvan 35 werkzoekenden via een ‘special apprenticeship support’ en 39 werkzoekenden een opleiding op de werkvloer
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
73
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Verder heeft in Vlaanderen een relatief groot aandeel van de opgeleide werkzoekenden meer dan één type opleiding gevolgd (naar schatting 50% tegenover 10% gemiddeld in de EU), wat erop kan wijzen dat Vlaamse werkzoekenden relatief vaak ‘geïntegreerde’ opleidingsvormen krijgen aangeboden en volgen.
ting blijkt verder dat de Vlaamse werkzoekenden meer dan gemiddeld tevreden zijn over deze intensieve begeleiding: 59% van de Vlaamse werkzoekenden (zowel jongeren als ouderen) vond de begeleiding nuttig of zeer nuttig, tegenover 50% gemiddeld in België en 34% gemiddeld in de EU. Gemiddeld vond één op drie van de Europese werkzoekenden deze begeleiding niet nuttig, in het Vlaams Gewest is dit slechts 12%. Opvallend is hierbij dat de kortgeschoolde werkzoekenden (tot maximaal 20 jaar onderwijs gevolgd) relatief meer tevreden zijn over deze begeleiding dan de hooggeschoolden (63% tegenover 52%), wat een bevestiging kan betekenen voor de beleidsprioriteit die in de trajectwerking geboden wordt aan laaggeschoolde werkzoekenden.
Duur van de opleiding De door werkzoekenden gevolgde opleiding duurt in Vlaanderen gemiddeld langer dan in Europa. De mediane duur van de opleiding bedraagt in Vlaanderen 120 dagen tegenover 90 dagen gemiddeld in Europa. Evaluatie van de gevolgde opleiding door de betrokken werkzoekenden
3. Is de trajectwerking sluitend?
In het onderzoek werd aan de betrokken werkzoekenden ook gevraagd in welke mate de gevolgde opleiding een ondersteuning betekende in hun zoektocht naar een job. Hieruit blijkt dat meer dan de helft van de Vlaamse werkzoekenden hun opleiding als ‘zeer nuttig’ ervaarden, tegenover slechts één op vier gemiddeld in Europa. Het spiegelbeeld treffen we aan bij het aandeel werkzoekenden dat hun opleiding als nutteloos beschouwt (7% in Vlaanderen tegenover 24% gemiddeld in Europa). Het Vlaams Gewest scoort op deze ‘tevredenheidsmeting’ ook beter dan het Belgisch gemiddelde, met name de tevredenheid van de Waalse opgeleide werkzoekenden ligt opmerkelijk lager (32% zeer nuttig, 28% niet nuttig). Het valt op dat in de drie Scandinavische landen, waar de deelname aan vorming en opleiding door werkzoekenden het hoogst ligt, de tevredenheid over de impact van de gevolgde opleidingen op het vinden van een job het laagst is. Dezelfde vaststelling geldt voor de werkervaringsprogramma’s en de individuele begeleiding (omvang het grootst in de Scandinavische landen, tevredenheid van de betrokkenen het laagst). Deze vaststelling hangt allicht samen met de geldende vormings- en begeleidingsplicht voor werkzoekenden in deze Scandinavische landen. Uit de deelnamecijfers blijkt dat hierdoor een relatief hoog aandeel werkzoekenden actief bereikt wordt10 , de keerzijde van de medaille is dat de verplichte deelname bij een aantal (minder gemotiveerde) werkzoekenden leidt tot een negatieve evaluatie van de impact ervan.
Een derde en laatste prestatie-indicator in het kader van het 1e Europese richtsnoer is het ‘niet-navolgingspercentage’ of het aandeel werkzoekenden die instromen in de langdurige werkloosheid zonder dat met hen een individueel actieplan werd afgesloten. De bovenstaande analyse (§2) biedt reeds een zicht op het bereik en bijgevolg ook het niet-bereik van de trajectwerking in Vlaanderen. In de Europese indicatoren wordt deze niet-naleving echter toegespitst op de groep werkzoekenden die instroomt in de langdurige werkloosheid, zodat duidelijk wordt in hoeverre de preventieve aanpak ook ‘sluitend’ is.
3.1 Opvolging op basis van de VDAB-bestanden Het afsluiten van een individueel actieplan wordt in de Europese vergelijking o.b.v. de administratieve bestanden van de Public Employment Services ruim afgebakend, dus inclusief de klassieke vacature-verwijzingen (voor zover een effectief contact met de werkgever heeft plaatsgevonden, zie hoger). Voor de jonge Vlaamse werkzoekenden verbetert deze ‘niet-naleving’ tegenover vorig jaar (daling van 36% in 2000 tot 30% in 2001), voor de volwassen werkzoekenden verslechtert de situatie (van 31% tot 40% niet-navolging, cf. VDAB-bijlage).11 Deze evolutie bij de volwassen werkzoekenden kan deels verklaard worden vanuit het gewijzigde beleid van de VDAB (verschuiving van klassieke vacature-verwijzingen naar mededelingen van vacatures en on-line vacature-selecties, die niet meegerekend worden als een ‘individueel actieplan’), vandaar het belang om ook deze indicator te berekenen beperkt tot de trajectwerking (deze indicator is tot op heden niet beschikbaar).
Evaluatie van de intensieve begeleiding door de betrokken werkzoekenden Het aandeel werkzoekenden met een individueel actieplan, intensieve begeleiding of job-coaching ligt in het Vlaams Gewest dus iets hoger dan gemiddeld in België en Europa (19% tegenover 17%), en dit dankzij een hoger bereik bij de jongeren. Uit de tevredenheidsme-
10) In de Scandinavische landen wordt ongeveer 45% van de ingeschreven werkzoekenden in de opvolgingsperiode bereikt via één of meerdere actieve maatregelen, tegenover slechts 26% in Vlaanderen en België. 11) De berekening van deze niet-nalevingspercentages is in principe ook mogelijk op basis van het Eurobarometer-survey. De huidig beschikbare tabellen laten deze berekening echter (nog) niet toe.
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
74
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
De huidige indicator wijst er in ieder geval op dat minstens 40% van de volwassen werkzoekenden en minstens 30% van de jonge werkzoekenden instromen in de ‘langdurige’ werkloosheid zonder het afsluiten van een individuele trajectovereenkomst. De preventieve aanpak van werkzoekenden is dus nog niet sluitend in Vlaanderen. Deze hoge ‘niet-naleving’ kan ook worden genuanceerd door het aantal werkzoekenden die niet bereikt werden in hun eerste 6/12 maanden werkloosheid te vergelijken met de totale instroom in de werkloosheid (inclusief de groep die snel uitstroomt naar werk). Deze ‘ruime’ niet-naleving ligt gevoelig lager in Vlaanderen en daalt zelfs lichtjes voor de jonge werkzoekenden (van 8,7% tot 7,5%), maar is wel verdubbeld voor de volwassen werkzoekenden (van 7,6% in 2000 tot 14,3% in 2001, cf. VDAB-bijlage).
Europese richtsnoer dan ook verfijnd naar het onderwijsniveau van de betrokken werkzoekenden (zie VDAB-bijlage 3). Uit de vergelijking met de prestatie-indicatoren van vorig jaar blijkt dat het hogere bereik van jonge werkzoekenden in de trajectwerking zowel geldt voor laagals hooggeschoolden. Het voldoeningspercentage blijft hierdoor veel hoger voor de prioritaire doelgroep van laaggeschoolden (een bereik van 52% tegenover 22% bij hooggeschoolde jongeren). De instroom in de langdurige werkloosheid bevestigt overigens de desondanks blijvende kloof tussen laaggeschoolde en hoger geschoolde jonge werkzoekenden (instroom respectievelijk 32% en 21%). De vastgestelde daling van het niet-bereik bij de jonge werkzoekenden (van 36% tot 30%) zet zich ook sterker door bij de laaggeschoolden, waardoor de ‘gunstige’ kloof met de geschoolde werkzoekenden nog groter wordt. Voor de jonge werkzoekenden wordt de beleidskeuze om prioritaire aandacht te besteden aan de lagergeschoolden dus verder in de praktijk gebracht.
In opvolging van dezelfde vaststelling in het vorige Vlaams Actieplan werd door de VDAB onderzocht om welke reden vele ‘nieuwe langdurig werklozen’ niet werden bereikt in de trajectwerking. De hoge leeftijd van een aantal van deze werkzoekenden en de onbeschikbaarheid omwille van ziekte of zwangerschap bleken belangrijke verklarende factoren. Bovendien is omwille van de specifieke registratie van de werkloosheidsduur in België (waarbij werkloosheidsonderbrekingen van minder dan 3 maand geen aanleiding geven tot een nieuwe startdatum van de werkloosheid) een aantal van deze ‘langdurig’ werklozen in realiteit tijdelijk aan het werk in de opvolgingsperiode (bv. een aantal weekcontracten in een uitzendkantoor), wat hen eveneens moeilijk bereikbaar maakt voor de trajectwerking.
Bij de volwassen werkzoekenden valt op dat het toegenomen bereik van de trajectwerking zich voornamelijk situeert bij de geschoolde werkzoekenden (van 24% in 2000 tot 31% in 2001, tegenover een stabilisatie rond 36% à 37% bij de laaggeschoolden), en dat de toename van het niet-bereik volledig op rekening komt van de laaggeschoolden (42% niet-naleving in 2001 tegenover 28,5% in 2000, de niet-naleving bij de geschoolde werkzoekenden stabiliseert rond 36%). Deze vaststelling vormt een belangrijke uitdaging voor het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid. De gevraagde prioritaire aandacht voor de laaggeschoolde werkzoekenden blijkt in de praktijk immers niet steeds gegarandeerd bij de volwassen werkzoekenden. In het licht van de prioritaire doelstellingen van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid is in de toekomst dan ook extra aandacht vereist voor deze doelgroep van laaggeschoolde volwassen werkzoekenden, met bijzondere aandacht voor de laaggeschoolde 45plussers.
4. Bereik en niet-bereik van de trajectwerking volgens onderwijsniveau De in de Europese werkgelegenheidsstrategie vooropgestelde preventieve aanpak wordt in Vlaanderen vertaald in de veralgemeende trajectwerking voor jonge en volwassen werkzoekenden, met een systematische ‘intake’ in hun 3e of 4e maand werkloosheid (in voege sinds 01/01/2001). Met het oog op het efficiënt inzetten van de beperkte middelen wordt hierbij prioritaire aandacht gevraagd voor de laaggeschoolde werkzoekenden, omdat de ervaring heeft geleerd dat voor deze groep het risico van langdurige werkloosheid veel hoger dan gemiddeld is. Een systematische trajectbegeleiding voor alle hooggeschoolde werkzoekenden in hun eerste maanden werkloosheid genereert immers een groot ‘dead weight’-effect, vermits deze hooggeschoolde werkzoekenden doorgaans vlot doorstromen naar werk, en voor hen de nodige zelfredzaamheidstools (zoals WIS en KISS) voldoende toegankelijk zijn. De betrokken prestatie-indicatoren worden in het Vlaams monitoringsinstrument voor de opvolging van dit eerste
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
5. Een actief arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen? In richtsnoer 2 vraagt Europa dat de lidstaten zich inspannen om het percentage werklozen en inactieven voor wie actieve maatregelen gelden ter bevordering van hun inzetbaarheid te verhogen. Het geleidelijk bereiken van het gemiddelde van de drie best presterende lidstaten, en ten minste 20% is daarbij het streefdoel. In het tweede richtsnoer worden als mogelijke actieve maatregelen specifiek het verbeteren van de IT- en communicatievaardigheden vermeld, en meer algemeen de deelname aan onderwijs, opleiding of ‘soortgelijke maatregelen’. Het is dus duidelijk dat onder ‘actieve maatregelen’ door Europa in de eerste plaats permanente vorming wordt verstaan, al is het concept van ‘actief arbeidsmarktbeleid’ op zich ruimer opgevat.
75
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
5.1 Activeringspercentage op basis van de Europese Labour Market Policy (LMP) databank
scoort België relatief laag op de indicator over het % overheidsuitgaven inzake beroepsopleiding in verhouding tot het BBP (‘slechts’ 0,16% tegenover bv. 1,46% in Zweden, 0,86% in Denemarken, 0,32% in Frankrijk, 0,39% in Duitsland, enz…, zie tabel 7 van deze bijlage), maar kunnen in deze vergelijking bv. de investeringen via de sectorale fondsen niet in rekening gebracht worden, vermits dit geen ‘overheidsinvestering’ is).
In de nieuwe Europese ‘Labour Market Policy’ databank (LMP) worden diverse types van actieve maatregelen onderscheiden: naast vorming en opleiding ook arbeidsherverdeling en jobrotatie, tewerkstellingsstimulerende maatregelen, directe jobcreatie, hulp bij het opstarten van een eigen zaak en integratie van personen met een handicap. In een korte toelichting achteraan deze nota vindt u enige aanvullende duiding over de zin en onzin van het gebruik van deze LMP-databank voor een internationale vergelijking van het ‘activeringspercentage’, enkele resultaattabellen voor Vlaanderen en een internationale vergelijking. Ook tabel 13 uit het Vlaams Monitoringsinstrument in Bijlage 1 is hier relevant: deze biedt een raming van het activeringspercentage voor België.
De LMP-databank bevat naast deze ‘statische’ berekening van het activeringspercentage ook een meer dynamisch beeld van het bereik en de in- en uitstroom (+ bestemming) van de diverse maatregelen. De VDAB heeft dit jaar een belangrijke inspanning geleverd om voor een aantal maatregelen ook deze dynamische tabellen op te stellen (zie de tabellen 2 tot 5 bij deze bijlage).13 Uit deze dynamische gegevens blijkt het grote verschil in dynamiek tussen enerzijds de (korte) opleidingsmodules voor werkzoekenden en de expliciet op doorstroming gerichte werkervaringsprogramma’s, en anderzijds de klassieke opslorpingsprogramma’s zoals DAC en GESCO, waarbij de doorstroom relatief beperkt blijft. Het spreekt dan ook voor zich dat de eerste reeks maatregelen (opleiding en werkervaring in functie van doorstroming naar het ‘normaal economisch circuit’) op zich veel sterker aansluit bij het prinicpe van een ‘actief arbeidsmarktbeleid’ dan de klassieke en structurele tewerkstellingsstimulerende of –creërende programma’s. Omwille van het gebrek van deze dynamische gegevens voor de meeste maatregelen (zeker in internationaal vergelijkend perspectief) blijft de berekening van het globale ‘activeringspercentage’ in de praktijk beperkt tot een momentopname over het ‘totale’ gemiddeld aantal begunstigden, waarbij het belangrijke dynamische perspectief (hoeveel werkzoekenden bereikt het betrokken programma in de loop van een jaar, in welke mate wordt de doorstroom naar werk gerealiseerd?) tot nader order noodgedwongen grotendeels buiten beschouwing blijft.
Uit de internationale vergelijking in de LMP-databank blijkt dat het globale activeringspercentage vrij hoog ligt in België en het Vlaams Gewest (circa 50%, dus ruim boven de 20% minimumnorm), maar dat het % (beroeps)opleiding relatief beperkt blijft. Deze vaststelling houdt verband met de traditionele klemtoon in het Belgische beleid op stimulering en creatie van arbeidsplaatsen voor werkzoekenden (cf. (voordeel)banenplannen, klassieke opslorpingsprogramma’s), terwijl het luik vorming en opleiding relatief minder goed zou zijn uitgebouwd. Een methodologisch correcte internationale vergelijking van deze opleidingsinspanning en –investering is echter geen sinecure. Ook de nieuwe LMP-databank beantwoordt in dit opzicht vooralsnog niet aan de hooggespannen verwachtingen. Zo is het tot op heden niet mogelijk alle opleidingsinspanningen voor Vlaamse werkzoekenden in de databank te verdisconteren. Bijvoorbeeld de prestaties geleverd door de derden kunnen pas vanaf volgend jaar via het cliëntvolgsysteem vollediger in beeld worden gebracht . Het aandeel deelnemers aan beroepsopleiding uitgedrukt in een ‘activeringspercentage’ ligt relatief laag in België (6% tegenover meer dan 20% in Zweden, Denemarken en Duitsland, en meer dan 10% in Spanje, Italië, Oostenrijk, Finland en het VK), maar de berekeningswijze van deze indicator vertoont ernstige methodologische gebreken12, wat impliceert dat deze indicator vooralsnog zeker geen betrouwbare internationale vergelijking biedt. Ook
5.2 Activeringspercentage op basis van VDAB-gegevens De mate waarin Vlaanderen een actief arbeidsmarktbeleid voert kan ook louter op basis van de bestanden van de VDAB opgevolgd worden. In 2001 werden 49.300 Vlaamse niet-werkende werkzoekenden (nwwz) bereikt via opleidingsmodules in de trajectwerking (module 3 tot en met 6).
12) Zo worden alle werknemers die bereikt worden via tewerkstellingsstimulerende maatregelen (bv. RSZ-bijdrageverminderingen) of directe jobcreatie (bv. klassieke opslorpingsprogramma’s) meegerekend in de noemer van het activeringspercentage voor werkzoekenden (en risico-werknemers) in beroepsopleiding. As deze ‘actieve maatregelen’ inzake jobcreatie en tewerkstellingsstimulering sterk zijn uitgebouwd in een lidstaat (zoals bv. in België) is bijgevolg het % activering van werkzoekenden via beroepsopleiding per definitie beperkt. 13) O.m. voor de trajectwerking in haar geheel en voor de opleidingsmodules (3 tot en met 6) afzonderlijk. De uitstroom wordt hierbij telkens gemeten 6 maanden na het afsluiten van de betrokken module of trajectovereenkomst. In regel is enkel het rest% werkzoekenden dat 6 maanden na datum nog steeds geregistreerd is als niet-werkende werkzoekende (nwwz) gekend, voor een aantal modules is eveneens de uitval voor het afronden van de betrokken opleiding gekend. De effectieve doorstroom naar werk kan in de huidige stand van zaken dus niet precies gemeten worden, van de groep werkzoekenden die niet langer geregistreerd is als nwwz is een aantal allicht doorgestroomd naar een andere tewerkstellings- op opleidingsmaatregel of naar de inactiviteit (bv. verzorgen van het eigen huishouden, brugpensioen of het stelsel van oudere ‘uitgeschreven’ werklozen).
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
76
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Een mogelijke zinvolle indicator in dit verband is de verhouding tot het gemiddeld aantal ingeschreven werkzoekenden in het betrokken jaar. Deze verhouding stabiliseert in Vlaanderen rond 27% in 2000-2001, maar ligt wel duidelijk hoger dan in 1999 (22,4%). In de periode 2000-2001 is de participatiekloof tussen mannen en vrouwen verder verkleind. 14
stemt16) is de deelnamekans in een bepaalde referentiemaand zoals gemeten in de NIS-enquête naar de arbeidskrachten. Ook in deze indicator merken we een duidelijke positieve trend in Vlaanderen, de deelnamekans voor werkzoekenden neemt toe van 8,4% in 1999 tot 9,2% in 2000 (tegenover 5,4% in het Waals Gewest en 6,5% in het Brussels Gewest).
Ook deze verhouding is zeker geen perfecte ‘activeringsmaat’, vermits een cumulatief bereikcijfer (som van alle opgeleide werkzoekenden in de loop van een jaar) moeilijk vergelijkbaar is met een gemiddeld aantal werkzoekenden (aantal nwwz op het einde van een willekeurige maand van het jaar). De Europese Commissie vraagt dan ook aan de lidstaten een ‘gemiddeld’ aantal of voltijds equivalent (VTE) opgeleide werkzoekenden te berekenen, maar de praktische haalbaarheid en inhoudelijke relevantie van deze maatstaf is eveneens twijfelachtig. 1000 werkzoekenden gedurende 1 dag opleiden levert immers ongeveer hetzelfde gemiddelde of VTE op als 4 werkzoekenden gedurende het hele jaar opleiden, terwijl het ‘actieve bereik van werkzoekenden’ in het eerste geval duidelijk hoger ligt.
5.3 Uitstroomkansen na afloop van de trajectovereenkomst De doorstroomresultaten van de trajectwerking en meer specifiek van de vormings- en opleidingsmodules binnen deze trajectwerking worden (in het kader van de toelevering van gegevens voor de LMP-databank) berekend door 6 maanden na het afsluiten van de trajectovereenkomsten of vormingsmodule(s) na te gaan of de betrokken werkzoekenden nog steeds zijn ingeschreven als niet-werkende werkzoekende (nwwz). Deze opvolging (zie tabellen 2 tot 5 in deze bijlage) kan reeds gebeuren voor alle trajecten en opleidingsmodules die werden afgesloten in de loop van 2000, voor 2001 is nog geen volledig beeld mogelijk, vermits voor de trajecten die eind 2001 werden afgesloten de voorziene opvolgingsperiode van 6 maanden momenteel nog lopende is. Daarom wordt voor 2001 de evaluatie beperkt tot de modules die werden beëindigd in de eerste 6 maanden van 2001.
Het bereik van de Vlaamse werkzoekenden via vorming en opleiding kan ook op een andere wijze berekend worden. Zo kan het gemiddeld aantal in de loop van een maand bereikte werkzoekenden via vorming en opleiding vergeleken met het aantal ingeschreven werkzoekenden op de laatste dag van de maand.15 Anno 2001 bedroeg deze verhouding in het Vlaams Gewest 7,5% (13.649 / 181.439). Deze verhouding is toegenomen ten opzichte van 2000 (6,6% of 11.673 / 177.980), wat wijst op een toegenomen opleidingsinspanning voor de Vlaamse werkzoekenden. Dat deze indicator licht toeneemt in 2001 terwijl het aandeel in de loop van het jaar via opleidingsmodules bereikte werkzoekenden stabiliseert (zie hoger), wijst erop dat de duur en/of combinatie van opleidingsmodules in de trajectwerking gewijzigd is in 2001.
De economische groeivertraging en de toename van de werkloosheid in de tweede helft van 2001 vertaalt zich in een toename van het ‘restpercentage’ werkzoekenden die 6 maanden na afsluiten van hun trajectovereenkomst of één of meerdere specifieke opleidingsmodule nog steeds werkzoekend (nwwz) zijn. Voor de globale trajectwerking neemt dit restpercentage toe van ongeveer één op vier (26%) in 2000 tot ongeveer één op drie (32%) in 2001. De evolutie is gelijklopend voor de uitstroom na afloop van de opleidingsmodules (toename van het restpercentage werkzoekenden van 27% in 2000 tot 32% in 2001).17 Deze evolutie verloopt dus parallel met de globaal toegenomen instroom in de ‘langdurige’ werkloosheid (zie hoger).
Een andere indicatie van de deelnamekans van Vlaamse werkzoekenden aan vorming en opleiding die hierbij methodologisch aansluit (maar niet volledig overeen-
14) Deze kloof verkleint van respectievelijk 6 procentpunten in 2000 (30% tegenover 24%) tot 3 procentpunten in 2001 (29% tegenover 26%), wat deels een gevolg is van de toename in de module persoonsgerichte vorming, waarin de vrouwelijke werkzoekenden oververtegenwoordigd zijn. 15) Deze methode combineert in feite elementen uit een dynamische benadering (het totaal aantal bereikte werkzoekenden in de loop van een maand) met een momentopname (vergelijking met het gemiddeld aantal ingeschreven nwwz op de laatste dag van een maand), en komt zo deels tegemoet aan het probleem dat moeilijk een cumulatief bereikcijfer over een volledig jaar vergeleken kan worden met een ‘gemiddeld’ aantal ingeschreven werkzoekenden, en geeft anderzijds eveneens het nodige gewicht aan een hoog bereik van werkzoekenden via korte arbeidsmarktgerichte opleidingen 16) De referentiepopulatie verschilt immers. In de NIS-enquête wordt gewerkt met het ILO-concept van werkzoekenden (met als voorwaarden niet-werken, onmiddellijke beschikbaarheid en actief zoekgedrag) tegenover de geregistreerde arbeidsreserve (nwwz inclusief werkzoekenden in opleiding) in de VDAB-bestanden 17) Uit deze uitstroomresultaten blijkt dus dat de restpercentages nauwelijks verschillen tussen de globale trajectwerking (met en zonder ‘actieve’ opleidingsmodules) en trajecten met minstens één specifieke opleidingsmodule. Uit deze vaststelling kan echter niet afgeleid worden dat het netto-effect van de opleidingsmodules erg beperkt of onbestaande zou zijn, vermits de doelgroep sterk verschilt. Het zijn met name de werkzoekenden met een relatief grotere afstand tot de arbeidsmarkt waarvoor in samenspraak met de trajectbegeleider gekozen wordt om één of meerdere opleidingsmodules in te lassen, bij de zelfredzame en geschoolde werkzoekenden blijft de trajectbegeleiding vaker beperkt tot een kwalificerende intake, eventueel gevolgd door mededelingen van of verwijzingen naar vacatures (algemene trajectopvolging). Dat de restpercentages voor beide groepen ongeveer gelijk zijn kan er zelfs op wijzen dat ‘dankzij’ de deelname aan vorming en opleiding de uitstroom uit de werkloosheid voor de werkzoekenden met een gebrek aan algemene of beroepsspecifieke competenties verhoogd wordt tot de ‘controlegroep’ van werkzoekenden met een meer gemiddeld profiel.
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
77
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
De verdeling van deze ‘restpercentages’ naar een aantal persoonskenmerken (geslacht, leeftijd en werkloosheidsduur) levert interessante aanvullende informatie op. Globaal ligt het restpercentage in de werkloosheid na afloop van de trajectovereenkomst iets hoger bij vrouwelijke werkzoekenden (anno 2000 een verschil van 3 procentpunten met de mannelijke werkzoekenden), maar verdwijnt deze kloof bijna volledig als gevolg van de kentering in de werkloosheid in 2001 (vooral het restpercentage bij de mannelijke werkzoekenden neemt dus toe).
Uit de verdeling volgens werkloosheidsduur blijkt dat het profiel van de instroom in de trajectwerking drastisch is gewijzigd in 2001. Het aandeel ingestroomde werkzoekenden met een voorafgaande werkloosheidsduur van minder dan 6 maand is toegenomen van 48% in 2000 tot bijna 73% in 2001. Dit wijst enerzijds op het versterkte ‘preventieve’ karakter van de trajectwerking via de uitbreiding van de ‘systematische’ intake in de 3e of 4e maand werkloosheid. Anderzijds speelt ook de conjuncturele kentering in de loop van 2001 een rol (cf. de vele nieuwe kortdurig werklozen), en het feit dat de trajectwerking stilaan op kruissnelheid komt (waardoor het onbereikte ‘reservoir’ werklozen die voor de opstart van de trajectwerking in de werkloosheid stroomden stilaan opdroogt). De uitstroom uit de werkloosheid is duidelijk beperkter voor langdurig werklozen. Van de trajecten beëindigd in 2000 is 32% van de langdurig werklozen (> 1 jaar) 6 maanden later nog steeds werkzoekend, tegenover slechts 18% voor de zeer kortdurig werklozen (< 6 maand). Dit verschil in uitstroom naargelang de werkloosheidsduur is wel sterk verminderd in 2001 (een restpercentage van respectievelijk 34% en 30%), het zijn dus vooral de nieuwe kortdurige werklozen die in de tweede helft van 2001 minder vlot uit de werkloosheid stroomden.
Uit de verdeling naar leeftijd blijkt dat het restpercentage in de werkloosheid bij jonge werkzoekenden (met name tussen 20 en 24 jaar) iets lager ligt dan gemiddeld, en dat de werkzoekenden tussen 45 en 49 jaar de hoogste restpercentages optekenen (41% tegenover 32% gemiddeld). Dit verschil in uitstroom naargelang de leeftijd loopt grotendeels parallel met de globale afname in kansen op de arbeidsmarkt voor oudere werkzoekenden. De erg lage restpercentages voor werkzoekenden ouder dan 50 jaar verbazen in dit opzicht, maar houden allicht grotendeels verband met de mogelijkheid voor deze 50plussers om zich te laten uitschrijven als werkzoekende (met behoud van de RVA-uitkering). Het is overigens opvallend dat zowel bij de mannen als de vrouwen deze 50-plussers in 2001 plots veel minder uit de werkloosheid stromen dan in 2000 (restpercentage neemt fors toe van 13% à 15% tot 33% à 37%), wat erop wijst dat de conjuncturele vertraging de oudere werkzoekenden sterker treft dan gemiddeld. Ook de mannelijke werkzoekenden tussen 45 tot 49 jaar ondervinden relatief sterk de gevolgen van de malaise op de arbeidsmarkt (hun restpercentage neemt toe van 31% tot 41%, de kloof met het gemiddelde restpercentage wordt groter).
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
78
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Toelichting bij 5.1: Zin en onzin van een ‘activeringspercentage’ op basis van de Europese Labour Market Policy (LMP) databank
Ook de begunstigden van deze diverse programma’s worden meegerekend bij de berekening van het globale percentage ‘actief arbeidsmarktbeleid’. Een groot aantal van de begunstigden zijn dus in feite werknemers, tewerkgesteld via een specifiek programma (bv. klassieke opslorpingsprogramma’s) of een tewerkstellingsstimulerende maatregel (bv. via een RSZ-bijdragevermindering). De vergelijking van dit totale aantal ‘begunstigden’ met het gemiddeld aantal ingeschreven werkzoekenden loopt dan ook mank, de overgrote meerderheid van deze begunstigden is immers niet ingeschreven als werkzoekende, voor een aantal was dit ook bij hun intrede in de betrokken maatregel niet het geval. Om aan dit probleem te verhelpen wordt het % actief arbeidsmarktbeleid niet berekend t.a.v. het gemiddeld aantal werkzoekenden (F), maar wordt het totaal aantal begunstigden (E) toegevoegd aan de noemer van de betrokken verhouding (=E/E+F). Hierdoor wordt echter de opleidingsinspanning ten aanzien van de werkzoekenden (wat het prioritaire objectief is van het betrokken richtsnoer) in het berekende % geminimaliseerd, vermits in zowel de teller als de noemer een groot aantal tewerkstellingsprogramma’s en tewerkstellingsstimulerende maatregelen worden meegerekend. Als deze ‘actieve maatregelen’ inzake jobcreatie en tewerkstellingsstimulering sterk zijn uitgebouwd in een lidstaat (zoals bv. in België) wordt bijgevolg in de gebruikte indicator het % activering van werkzoekenden via beroepsopleiding per definitie beperkt.
In de nieuwe Europese ‘Labour Market Policy’ databank (LMP) worden diverse types van actieve maatregelen onderscheiden (vorming en opleiding, arbeidsherverdeling en jobrotatie, tewerkstellingsstimulerende maatregelen, directe jobcreatie,…). In tabel 6 bij deze bijlage vindt u een budgettaire internationale vergelijking. Het Belgische arbeidsmarktbeleid is traditioneel sterk toegespitst op directe jobcreatie voor werklozen (cf. klassieke ‘opslorpingsprogramma’s ter bestrijding van de werkloosheid’ zoals DAC, GESCO en PBW), die in hoofdzaak gefinancierd worden via de toekenning van ‘trekkingsrechten’ aan de regionale overheden via een ‘activering’ van het federale ‘passieve’ budget van de werkloosheidsverzekering (RVA-uitkeringen). Ook deze klassieke tewerkstellingsprogramma’s ressorteren bijgevolg onder de internationale (OESO en EC) definitie van actief arbeidsmarktbeleid, al is het structurele karakter van het merendeel van deze jobs inmiddels gebleken, en heeft de Vlaamse overheid een groot aantal van deze ‘nepstatuten’ inmiddels geregulariseerd. Met name de harmonisatie van de loon- en arbeidsvoorwaarden met deze van de sector waarin ze effectief tewerkgesteld zijn impliceert een aanzienlijke budgettaire inspanning van de Vlaamse overheid. Anderzijds blijft de (groten)deels federale financiering via de trekkingsrechten ongewijzigd, en wordt samen met de structurele verankering van deze jobs het aantal ervan verder uitgebreid (cf. middelen voor bijkomende tewerkstelling in het Vlaams social profit-akkoord). In deze zin blijft de basisfinanciering van deze jobs (activering RVA-budget) en het opzet ervan (rechtstreekse jobcreatie) ongewijzigd. Het risico bestaat dus dat volgens een strikte definitie van ‘actief arbeidsmarktbeleid’ deze budgetten en betrokkken werknemers niet langer meegerekend worden, en de indruk ontstaat dat de investering in ‘actief arbeidsmarktbeleid’ door de Vlaamse overheid fors is teruggelopen, terwijl in realiteit het tegendeel het geval is.
De Europese Commissie is zich bewust van het belang om de specifieke opleidingsinspanning te meten, vandaar dat in de vergelijkende tabel in het ‘Joint Employment Report’ naast het algemene ‘activeringspercentage’ voor de diverse lidstaten ook het afzonderlijke % vorming en opleiding berekend wordt. Uit deze internationale vergelijking blijkt dat het globale activeringspercentage vrij hoog ligt in België (circa 50%, dus ruim boven de 20% minimumnorm), maar dat het % vorming en opleiding relatief beperkt zou zijn. De hogervermelde opmerking over de minimalisering van het berekende % opleidingsinspanning in België maakt deze indicator echter methodologisch onbetrouwbaar.
Daarnaast kent België ook een belangrijke traditie inzake tewerkstellingsstimulerende maatregelen, o.m. het voordeelbanenplan en allerlei andere verminderingen van de werkgeversbijdrage voor de sociale zekerheid met het oog op het creëren van nieuwe jobs.
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
79
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
TABEL 1:
Kerncijfers Eurobarometer-survey over de preventieve en actieve aanpak van de ingeschreven werkzoekenden (april 2000 - april 2001) EU-gemiddelde (10 lidstaten) (n)
(%)
België (n)
(%)
Vlaams Gewest (n)
(%)
Aantal respondenten (geïnterviewde werkzoekenden) totaal jonge werkzoekenden (< 25 jaar) volwassen werkzoekenden (> 25 jaar)
19.263 9.173 10.090
Instroom in de langdurige werkloosheid totaal jonge werkzoekenden (6 maand werkzoekend) volwassen werkzoekenden (12 maand werkzoekend)
10.567 4.778 5.789
55% 52% 57%
1.179 575 604
58% 57% 59%
510 201 309
52% 46% 57%
Instroom in de langdurige werkloosheid zonder onderbreking totaal jonge werkzoekenden (6 maand werkzoekend) volwassen werkzoekenden (12 maand werkzoekend)
8.106 3.566 4.540
42% 39% 45%
848 395 453
41% 39% 44%
373 135 238
38% 31% 44%
Uitstroom uit de werkloosheid totaal jonge werkzoekenden (6 maand) volwassen werkzoekenden (12 maand)
8.696 4.395 4.301
45% 48% 43%
865 438 427
42% 43% 41%
471 239 232
48% 54% 43%
Bestemming van de uitstroom uit de werkloosheid totaal uitstroom naar werk waarvan via de openbare dienst voor arbeidsvoorziening waarvan gesubsidiëerde jobs waarvan een permanent karakter verwacht wordt onderwijs, opleiding, activeringsmaatregel
8.696 6.445 922 1.037 3.914 1.023
74% 14% 16% 61% 12%
865 735 120 181 505 35
85% 16% 25% 69% 4%
471 385 74 96 272 18
82% 19% 25% 71% 4%
19.263 2.711 3.284 1.946 5.697
14% 17% 10% 30%
2.044 251 347 85 526
12% 17% 4% 26%
981 125 186 19 257
13% 19% 2% 26%
Deelname aan 'actieve maatregelen' tijdens werkloosheidsperiode totaal aantal respondenten vorming en opleiding individueel actieplan, intensieve begeleiding of job-coaching werkervaring minstens één van deze 3 actieve maatregelen
2.044 1.013 1.031
90
Mediane duur van de opleiding (in dagen)
981 440 541
150
120
Evaluatie van de opleiding door de betrokken werkzoekenden zeer nuttig nuttig niet nuttig
647 1.084 648
24% 40% 24%
112 77 44
45% 31% 18%
66 43 9
53% 34% 7%
Evaluatie van de individuele begeleiding door de betrokken werkzoekenden zeer nuttig nuttig niet nuttig
460 1.576 1.085
14% 48% 33%
94 169 78
27% 49% 22%
56 103 23
30% 55% 12%
Bron: Gallup Europe (Bewerking Administratie Werkgelegenheid, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap)
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
80
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
Trajectopvolging 2001
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
1.551
50 en ouder
11.622
1.541
25-44
45-49
81
15.891
2.055
25-44
45-49
2.106
11.764
2.467
8.721
18.534
35.282
55.767
1.706
9.788
1.964
8.208
21.289
48.016
66.012
1.277
3.004
18.753
7.498
3.994
34.526
1.738
2.151
14.130
8.024
5.443
31.486
3.015
5.155
32.883
15.522
9.437
66.012
Totaal
Bron: VDAB (opgemaakt voor de LMP-databank)
waarvan <25 jaar
>12 maanden
waarvan <25 jaar
6-12 maanden
waarvan <25 jaar
<6 maanden
Total
voor deelname
Werkloosheidsduur
659
6.724
20-24
50 en ouder
3.879
29.208
jonger dan 20
Vrouwen
892
7.074
20-24
50 en ouder
5.430
jonger dan 20
26.559
3.596
45-49
Mannen
27.513
25-44
9.309
55.767
13.798
Stock
20-24
jonger dan 20
Totaal
Deelnemers
1.706
9.788
1.964
8.208
21.289
48.016
66.012
1.277
3.004
18.753
7.498
3.994
34.526
1.738
2.151
14.130
8.024
5.443
31.486
3.015
5.155
32.883
15.522
9.437
66.012
Totaal
Geregistreerd
Werkzoekend
Vroegere status
Instroom
Stock = toestand eind december 2001, overgedragen naar 2002 Uitstroom = evaluatie zes maanden na beëindiging van de maatregel
TABEL 2:
gesteld
TewerkAndere
2.371
15.461
3.949
11.977
15.186
37.277
64.715
1.296
3.192
20.059
6.809
3.601
34.957
1.844
2.286
14.532
7.130
3.966
29.758
3.140
5.478
34.591
13.939
7.567
64.715
Totaal
Dropouts
1.662
10.135
2.617
7.779
11.233
26.089
44.003
820
1.897
13.542
4.915
2.533
23.707
1.235
1.345
9.652
5.281
2.783
20.296
2.055
3.242
23.194
10.196
5.316
44.003
Werk
Bestemming
709
5.326
1.332
4.198
3.953
11.188
20.712
476
1.295
6.517
1.894
1.068
11.250
609
941
4.880
1.849
1.183
9.462
1.085
2.236
11.397
3.743
2.251
20.712
heid
Werkloos-
werkloosheid
30%
34%
34%
35%
26%
30%
32%
37%
41%
32%
28%
30%
32%
33%
41%
34%
26%
30%
32%
35%
41%
33%
27%
30%
32%
Restpercentage in de
Andere maatregel
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
Trajectopvolging 2000
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
4.584
2.193
45-49
50 en ouder
82
2.613
45-49
17.680
2.441
2.953
5.025
15.374
14.582
30.374
63.428
18.729
4.739
13.511
13.887
29.353
61.593
1.180
2.922
18.875
6.403
4.200
33.580
1.804
2.486
14.113
6.912
4.533
29.848
2.984
5.408
32.988
13.315
8.733
63.428
Totaal
Vroegere status
Instroom
2.441
17.680
5.025
15.374
14.582
30.374
63.428
1.180
2.922
18.875
6.403
4.200
33.580
1.804
2.486
14.113
6.912
4.533
29.848
2.984
5.408
32.988
13.315
8.733
Geregistreerd
Werkzoekend
63.428
Totaal
Bron: VDAB (opgemaakt voor de LMP-databank)
waarvan <25 jaar
>12 maanden
waarvan <25 jaar
6-12 maanden
waarvan <25 jaar
<6 maanden
Total
voor deelname
Werkloosheidsduur
879
19.347
25-44
50 en ouder
6.687
3.784
33.310
20-24
jonger dan 20
Vrouwen
1.314
50 en ouder
13.890
25-44
1.971
6.858
20-24
45-49
4.250
jonger dan 20
28.283
33.237
25-44
Mannen
13.545
8.034
61.593
Stock
20-24
jonger dan 20
Totaal
Deelnemers
Stock= toestand eind december 2000, overgedragen naar 2001 Uitstroom = evaluatie zes maanden na beëindiging van de maatregel
TABEL 3:
gesteld
TewerkAndere
3.217
21.786
7.409
17.018
9.431
22.556
61.360
1.101
2.826
18.778
6.395
3.326
32.426
1.623
2.439
14.536
6.945
3.391
28.934
2.724
5.265
33.314
13.340
6.717
61.360
Totaal
Dropouts
2.426
14.844
5.437
12.084
7.842
18.569
45.497
938
1.703
13.418
4.984
2.512
23.555
1.406
1.670
10.657
5.666
2.543
21.942
2.344
3.373
24.075
10.650
5.055
45.497
Werk
Uitstroom Bestemming
791
6.942
1.972
4.934
1.589
3.987
15.863
163
1.123
5.360
1.411
814
8.871
217
769
3.879
1.279
848
6.992
380
1.892
9.239
2.690
1.662
15.863
heid
Werkloos-
werkloosheid
25%
32%
27%
29%
17%
18%
26%
15%
40%
29%
22%
24%
27%
13%
32%
27%
18%
25%
24%
14%
36%
28%
20%
25%
26%
Restpercentage in de
Andere maatregel
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
Trajectmodules beroepsopleiding 2001
1.006
45-49
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
83
597
188
45-49
50 en ouder
35.033 7.911
1.556
5.107
14.558
7.916
19.212
68.803
1.192
3.225
23.712
7.749
2.337
38.215
1.398
2.116
16.226
7.044
3.804
30.588
2.590
5.341
39.938
14.793
6.141
68.803
Totaal
Instroom Vroegere status
7.911
35.033
5.107
14.558
7.916
19.212
68.803
1.192
3.225
23.712
7.749
2.337
38.215
1.398
2.116
16.226
7.044
3.804
30.588
2.590
5.341
39.938
14.793
6.141
68.803
Geregistreerd
Werkzoekend
6.999
923
2.777
1.380
3.873
Totaal
Bron: VDAB (opgemaakt voor de LMP-databank)
waarvan <25 jaar
>12 maanden
waarvan <25 jaar
6-12 maanden
waarvan <25 jaar
<6 maanden
Total
voor deelname
13.649
5.013
25-44
Werkloosheidsduur
1.585
332
20-24
jonger dan 20
7.715
223
50 en ouder
Vrouwen
408
3.360
25-44
45-49
1.470
472
5.933
20-24
jonger dan 20
Mannen
411
8.373
25-44
50 en ouder
3.055
804
13.649
Stock
20-24
jonger dan 20
Totaal
Deelnemers
Stock = jaargemiddelde werkzoekenden Uitstroom = evaluatie zes maanden na beëindiging van de maatregel
TABEL 4:
gesteld
TewerkAndere
4.301
20.734
3.094
8.231
2.143
7.346
36.311
734
1.839
13.142
3.845
887
20.447
931
1.247
8.880
3.703
1.103
15.864
1.665
3.086
22.022
7.548
1.990
36.311
Totaal
787
3.040
532
1.259
320
912
5.211
62
174
1.720
614
141
2.711
74
187
1.355
649
235
2.500
136
361
3.075
1.263
376
5.211
Dropouts
2.331
11.483
1.869
4.824
1.299
4.770
21.077
486
992
7.569
2.208
479
11.734
649
696
5.186
2.235
577
9.343
1.135
1.688
12.755
4.443
1.056
21.077
Werk
Uitstroom
1.183
6.211
693
2.148
524
1.664
10.023
186
673
3.853
1.023
267
6.002
208
364
2.339
819
291
4.021
394
1.037
6.192
1.842
558
10.023
heid
Werkloos-
Bestemming
werkloosheid
34%
35%
27%
31%
29%
26%
32%
28%
40%
34%
32%
36%
34%
24%
34%
31%
27%
34%
30%
26%
38%
33%
29%
35%
32%
Restpercentage in de
Andere maatregel
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
Trajectmodules beroepsopleiding 2000
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
759
200
45-49
50 en ouder
84
345
184
45-49
50 en ouder
415
116
45-49
50 en ouder
9.765
6.386
1.556
30.653 7.140
7.140
3.607
9.765
5.137
14.481
54.899
654
2.183
19.097
6.201
1.593
29.728
1.185
2.105
13.791
6.129
1.961
25.171
1.839
4.288
32.888
12.330
3.554
54.899
Geregistreerd
30.653
3.607
2.013
762
5.137
14.481
54.899
654
2.183
19.097
6.201
1.593
29.728
1.185
2.105
13.791
6.129
1.961
25.171
1.839
4.288
32.888
12.330
3.554
54.899
Totaal
Instroom Vroegere status Werkzoekend
1.179
Totaal
Bron: VDAB (opgemaakt voor de LMP-databank)
waarvan <25 jaar
>12 maanden
waarvan <25 jaar
6-12 maanden
waarvan <25 jaar
<6 maanden
Total
voor deelname
3.275
4.247
25-44
Werkloosheidsduur
1.364
312
20-24
jonger dan 20
6.453
2.870
25-44
Vrouwen
1.389
433
20-24
jonger dan 20
5.220
7.117
25-44
Mannen
2.753
744
11.673
Stock
20-24
jonger dan 20
Totaal
Deelnemers
Stock = jaargemiddelde werkzoekenden Uitstroom = evaluatie zes maanden na beëindiging van de maatregel
TABEL 5:
gesteld
TewerkAndere
8.088
33.466
3.871
10.485
3.463
10.664
54.615
665
2.213
19.017
6.128
1.376
29.399
1.227
2.136
13.935
6.144
1.774
25.216
1.892
4.349
32.952
12.272
3.150
54.615
Totaal
1.428
4.535
676
1.492
581
1.355
7.382
57
209
2.300
1.014
239
3.819
82
205
1.844
1.081
351
3.563
139
414
4.144
2.095
590
7.382
Dropouts
4.894
20.158
2.435
6.735
2.278
7.580
34.473
436
1.279
12.054
3.878
736
18.383
934
1.418
8.745
4.000
993
16.090
1.370
2.697
20.799
7.878
1.729
34.473
Werk
Uitstroom
1.766
8.773
760
2.258
604
1.729
12.760
172
725
4.663
1.236
401
7.197
211
513
3.346
1.063
430
5.563
383
1.238
8.009
2.299
831
12.760
heid
Werkloos-
Bestemming
werkloosheid
27%
30%
24%
25%
21%
19%
27%
28%
36%
28%
24%
35%
28%
18%
27%
28%
21%
30%
26%
22%
31%
28%
23%
32%
27%
Restpercentage in de
Andere maatregel
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2
Vlaams Actieplan Europese richtsnoeren 2002
85
0,00
0,50
1,00
1,50
2,00
2,50
B
DK
D
E
B 0,16 0,08 0,27 0,12 0,47 0,00 1,11 0,74
F
DK 0,86 0,00 0,32 0,28 0,16 0,04 1,67 0,48 0,06 0,11 0,32 0,03 0,91 0,38
D 0,39
IRL
E 0,16 0,00 0,19 0,05 0,08 0,03 0,51 0,27
I
0,19 0,08 0,31 0,00 0,90 0,49
F 0,32 0,12 0,03 0,51 0,06 0,92 0,63
IRL 0,20
A
0,18 0,00 0,06 0,01 0,48 0,25
I 0,23
FIN
0,29 0,08
0,04 0,04 0,04
A 0,17
FIN 0,44 0,06 0,07 0,09 0,32 0,03 1,01 0,39
S
0,07 0,57 0,07 0,08 2,26 0,15
S 1,47
0,00 0,68 0,04
NO 0,11 0,01 0,04 0,51
NO
Overheidsuitgaven voor activeringsmaatregelen in verhouding tot het BBP (Europese lidstaten en Noorwegen: 1998)
Bron: LMP-databank (bewerking Steunpunt WAV)
(%)
2 beroepsopleiding 3 jobrotatie en arbeidsherverdeling 4 tewerkstellingsstimuli 5 inschakeling personen met een handicap 6 rechtstreekse jobcreatie 7 stimuli voor het oprichten van een onderneming categorieën 2 t/m 7 categorieën 4 en 6
TABEL 6:
2 beroepsopleiding
3 jobrotatie en arbeidsherverdeling
4 tewerkstellingsstimuli
5 inschakeling personen met een handicap
6 rechtstreekse jobcreatie
7 stimuli voor het oprichten van een onderneming
DE PREVENTIEVE EN ACTIEVE AANPAK VAN WERKLOOSHEID IN VLAANDEREN
Bijlage 2, Vlaamse prestaties richtsnoeren 1 en 2