Skip to main content

IPO Advies_lokaalwoonbeleid.pdf

Page 1

sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:41

Pagina 1

Lokaal woonbeleid op het platteland

Advies Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) van het Ondersteunend Overleg voor het Bestuurlijk Overleg


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:42

Pagina 2

2

Volgende thema-experten maakten deel uit van de Themagroep Lokaal woonbeleid op het platteland, in alfabetische volgorde: Voorzitter - Henk Meert Secretarissen - Eva Verstraete Deskundigen - Joost Dessein en Sofie Vandelannoote Administratie Binnenlandse Aangelegenheden, Directoraat - generaal - Katie Heyse Administratie Cultuur, Afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheekwerk - Virna Saenen Administratie Cultuur, Agentschap Sociaal - Cultureel werk voor jeugd en volwassenen - Noella Ottoy Administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn, Afd. Inspectie en Toezicht - Cel lokaal sociaal beleid - Ann Vandenbussche AROHM, Afdeling Ruimtelijke Planning - Inge Pennincx AROHM, Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen - Inge Leenders AROHM, Afdeling Woonbeleid - Gunther Gysemans De Lijn - Paul Arents Gemeente Ieper - Jimmy Vancalbergh Gezinsbond - Arnold Vanheule Koning Boudewijnstichting - Johan Alleman KVLV - Monique Swinnen Landelijke Gilden v.z.w. - Koen Van den Broeck Mobiliteitscel - Martine Serbruyns Provincie Limburg - Ann Janssen Vereniging van de Vlaamse Provincies (VVP) - Eva Brusselman en Jeroen Mercy Samenlevingsopbouw - Chris Verstraete Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting - Henk Van Hootegem Vlaams Ouderen Overleg Komitee v.z.w. - Mie Moerenhout Vlaamse Jeugdraad - Frans De Wachter


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:44

Pagina 3

Inhoudsopgave Inhoudsopgave ....................................................................................................................................................................................................................3

1.

Inleiding ..........................................................................................................................................................................................................4

2.

Advies vanuit de IPO-Themagroep t.a.v. lokaal woonbeleid op het platteland ......................................................................................5

2.1.

Niet dwingen, wel stimuleren ..........................................................................................................................................................................5

2.2.

Specifieke aandacht voor samenwerkingsmogelijkheden met private actoren ..............................................................................................6

2.3.

Bevorderen van toegang tot comfortabel en betaalbaar wonen......................................................................................................................6

2.4.

Beleid ten aanzien specifieke woonvormen op het platteland ........................................................................................................................8

2.5.

Specifieke aandacht voor de koppeling tussen wonen en zorg op het platteland ..........................................................................................9

2.6.

Ten slotte..........................................................................................................................................................................................................9

3.

Theoretisch kader bereikbaarheid en kwaliteit van voorzieningen in landelijke gebieden ................................................................10

3.1.

Wettelijke kader ............................................................................................................................................................................................10

3.2.

Wonen en het specifieke van het platteland ..................................................................................................................................................11

3.3.

Referenties ....................................................................................................................................................................................................13

ussche

4.

Werking Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) ..................................................................................................................................15

4.1.

Het doel..........................................................................................................................................................................................................15

4.2.

Samenstelling IPO ........................................................................................................................................................................................15

4.3.

Besluitvormingsprocedure aangaande een advies over een thema..............................................................................................................15

4.4.

Meer informatie ..............................................................................................................................................................................................15

3


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:45

Pagina 4

1 1. Inleiding

Op het Bestuurlijk overleg van het Interbestuurlijk Plattelandoverleg (IPO) van 27 juni 2005 kreeg de IPO-raad de opdracht om een beleidsadvies te formuleren rond het thema 'Lokaal woonbeleid'. Tijdens het Bestuurlijk overleg van 17 oktober 2005 werd aangegeven dat het oorspronkelijke thema "lokaal woonbeleid" best kan geïnterpreteerd worden in functie van "wonen en zorg". Bovendien werd aangedrongen op een duidelijke afbakening van het advies in functie van de eigenheden van het platteland.

4

De Themagroep heeft deze suggesties ernstig overwogen. Ze stelt vast dat het adviseren van de verschillende besturen over het thema "wonen en zorg" moeilijk kan zonder de globale context van huisvesting op lokaal niveau in rekening te brengen. Na twee grondige besprekingen komt de Themagroep tot het besluit dat zij voldoende rurale eigenheden vindt die het lokale woonbeleid differentiëren in verhouding tot de meer verstedelijkte gebieden van Vlaanderen. Binnen deze ruime context krijgt ook het meer specifieke thema "wonen en zorg" een duidelijker invulling, zowel qua sociale doelgroepen als qua infrastructuur (patrimonium en aard en niveau van voorzieningen). Anders gezegd: het differentiëren van het lokaal woonbeleid in functie van het platteland, met bijhorende specifieke adviezen, verrijkt onze kijk op het thema "wonen en zorg" en leidt volgens de Themagroep dan ook tot meer relevante en genuanceerde adviezen. Het advies (Hoofdstuk 2) met de achtergrond en situering ervan (Hoofdstuk 3) werd voorgelegd op het Bestuurlijk overleg van 30 januari 2006. In het laatste hoofdstuk (Hoofdstuk 4) is de werking van het IPO kort toegelicht.


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:47

2

Pagina 5

2. Advies vanuit de IPO-Themagroep t.a.v. lokaal woonbeleid op het platteland Aangaande onderstaand advies is er consensus binnen de Themagroep. 2.1.Niet dwingen, wel stimuleren Tal van plattelandsgemeenten zijn over het algemeen te kleinschalig om elk een eigen lokaal woonbeleid uit te werken, met aandacht voor een woonplan, de aanstelling van een huisvestingsambtenaar en een lokaal woonoverleg. Bovendien is het zo dat vele problemen en uitdagingen gedragen worden door een groep aan elkaar grenzende gemeenten die zo samen een subregionale entiteit uitmaken. Daarom steunt de Themagroep de Vlaamse minister van wonen Marino Keulen in zijn poging om via samenwerking tussen de verschillende overheden de Vlaamse gemeenten bij te staan in hun lokaal woonbeleid. De Themagroep is van mening dat dit initiatief vooral belangrijk is voor het Vlaamse platteland omwille van de eerder omschreven beperkte bestuurskracht van de individuele gemeenten. De Themagroep is echter ook van mening dat - om geloofwaardig te zijn - dit gepaard moet gaan met een substantiële tegemoetkoming onder de vorm van personeel en logistiek. Die middelen worden gebiedsgericht ingezet en dienen te vertrekken van de lokale en subregionale noden van het gebied. Lokale besturen die weten dat een programma slechts een tijdelijk kader heeft wat betreft de financieringsmogelijkheden zijn nèt daarom niet altijd geneigd om - zeker op vrijwillige basis - te participeren binnen dat programma. Naar analogie met het cultuurbeleid is de Themagroep daarom van mening dat gemeenten die initiatieven nemen inzake lokaal woonbeleid daarvoor ook structureel moeten beloond worden. Het initiatief tot dergelijke gebiedsgerichte intergemeentelijke samenwerking dient echter genomen te worden door de gemeentebesturen zelf. De Themagroep is daarbij van mening dat het huidige beleid, onder meer in het kader van de zogenaamde "experimentenpot" minder een ad hoc beleid moet zijn en dus structureel moet georganiseerd worden. Daarom suggereert de Themagroep dat de Vlaamse overheid een kader uitschrijft waarin enkele criteria de toekenning voor deze middelen omkaderen (zoals minimaal bevolkingsaantal binnen het samenwerkingsverband - bijvoorbeeld 30.000). Dit advies erkent en valoriseert de reeds bestaande vormen van intergemeentelijke samenwerking en pleit voor een veralgemening en 'standaardisering' van deze formule. Een centraal team met een dergelijke concrete missie inzake (inter)gemeentelijk woonbeleid benut allerlei schaalvoordelen, het kan onderlinge tegenstrijdigheden qua lokale beleidsintenties op elkaar afstemmen en het kan bovendien op structurele wijze koppelingen leggen tussen de verschillende bestuursniveaus. De Themagroep vraagt daarbij uitdrukkelijk aandacht voor de rol die de intercommunales daarin kunnen spelen. Zij stelt vast dat de meeste intercommunales tot op heden te weinig betrokken zijn bij deze vorm van intergemeentelijke samenwerking.

5


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:48

Pagina 6

2.2. Specifieke aandacht voor samenwerkingsmogelijkheden met private actoren

6

Alhoewel dit geen specifiek plattelandsprobleem is, blijkt uit de dagelijkse praktijk dat intergemeentelijke samenwerking met private actoren (we denken hier onder meer aan de Regionale Instituten voor de Samenlevingsopbouw - RISO) lonend kan zijn (zie bijvoorbeeld Pajottenlands intergemeentelijk initiatief). Het huidige wettelijke kader maakt het moeilijk, zoniet onmogelijk om dergelijke private actoren samen met lokale besturen als één rechtspersoonlijkheid te laten optreden (bv. binnen een vzw-structuur). Omwille van de beperkte slagkracht van lokale besturen op het platteland is een formele krachtenbundeling met dergelijke actoren hier vooral een opportuniteit die niet langer mag gehypothekeerd blijven. Omdat intercommunales "zuiver" georganiseerd zijn vraagt de Themagroep ook aandacht voor hun samenwerkingsmogelijkheden met private actoren die - gezien het thema ook deels in de non-profitsector kunnen gesitueerd worden (zoals bijvoorbeeld de RISO's). Juist omwille van de beperkte draagkracht van tal van plattelandsgemeenten ligt het voor de hand dat de intercommunales hier een voortrekkersrol kunnen spelen. Naast de institutionele samenwerking inzake Lokaal Woonbeleid vraagt de Themagroep ook aandacht voor participatie door de bewoners en het georganiseerde middenveld. 2.3. Bevorderen van toegang tot comfortabel en betaalbaar wonen De structuur van de woningmarkt op het platteland, meer bepaald het aanbod volgens woonvormen en de gerelateerde venale waarden (verkoopsprijzen), maken dat het niet voor de hand ligt om op korte termijn een substantieel aandeel sociale huurwoningen te realiseren in dit gebied. Toch is de Themagroep van oordeel dat de uitbouw van het sociale huurpatrimonium op het platteland prioritair is. Ze adviseert daarom de Vlaamse Regering om in samenwerking met de andere bestuursniveaus aanzienlijke middelen vrij te maken om de achterstand inzake het sociale huurpatrimonium op het platteland te kunnen wegwerken. Naast deze prioritaire beleidslijn adviseert de Themagroep de Vlaamse en de provinciale overheid ook om een actievere rol te spelen in de werkingsmogelijkheden van SVK's die het bestaande aanbod aan private huurwoningen wensen te valoriseren. De Themagroep stipt in dit verband de volgende maatregelen aan: Het ondersteunen van grootschalige informatiecampagnes rond de werking van sociale verhuurkantoren. De Themagroep benadrukt het belang van het repetitieve karakter van een dergelijke campagne. De Themagroep beseft dat deze maatregel niet uniek van toepassing is voor het rurale gebied, doch gezien de typische structuur van het woningenaanbod zal een dergelijke maatregel vooral in functie van het platteland effecten sorteren. De Themagroep juicht ook de bestaande maatregel toe die SVK's die minstens 30 woningen beheren, financiëel ondersteunt. Dit is inderdaad een belangrijke stimulans om intergemeentelijk te werken in een plattelandscontext waar schaarste is op de private huurmarkt. Inzake de mogelijke herbestemming van niet-residentiële gebouwen tot groepswoningen met sociaal karakter neemt de Themagroep thans een principieel standpunt in, in afwachting van de adviesnota door de IPO-Themagroep "Hergebruik van functieloze gebouwen op het platteland". De Themagroep vindt principieel dat de huidige verordenende plannen moeten kunnen herzien worden opdat de bewoning van leegstaande agrarische gebouwen en andere relatief grootschalige panden met een oorspronkelijk niet louter residentiële functie (zoals gerelateerde industrieel-agrarische gebouwen, waaronder bijvoorbeeld bloemmolens of brouwerijen) mogelijk wordt onder bepaalde omstandigheden die thans niet mogelijk zijn. De Themagroep maakt daarbij een onderscheid tussen dergelijke gebouwen naargelang hun locatie ten opzichte van de bestaande bewoning. Het is evident dat voor dergelijk patrimonium, gesitueerd in bestaande


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:50

Pagina 7

7

woonkernen of aansluitend bij een bestaande concentratie van woningen, meer mogelijkheden dan tot op heden kunnen gecreëerd worden in functie van groepswoningen met sociaal karakter. De Themagroep benadrukt daarbij dat groepswoningen met sociaal karakter, in tegenstelling tot de stad, op het platteland quasi uitsluitend mogelijk zijn binnen het bestaande agrarische en gerelateerde gebouwenpatrimonium. De Themagroep pleit echter niet om ook ruimtelijk geïsoleerd gelegen agrarische en andere niet-residentiële gebouwen om te vormen tot wooneenheden. De voorgaande maatregel houdt ook in dat de Vlaamse overheid, in samenwerking met de provincies en ook lokale besturen en private actoren, de uitbreiding van zorgboerderijen stimuleert op het platteland. Deze maatregel heeft raakvlakken met drie specifieke rurale thema's: de kwaliteit van de rurale omgeving als rustgevende context, het groter aandeel ouderen in heel wat rurale gebieden en het valoriseren van agrarisch patrimonium in multifunctionele zin. De Themagroep pleit bovendien voor een beleid dat erop gericht is dat zorgfuncties op landbouwbedrijven een substantiële inkomensbron zouden betekenen voor de initiatiefnemende landbouwers.


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:51

Pagina 8

2.4. Beleid ten aanzien specifieke woonvormen op het platteland Permanent bewoonde caravans en weekendhuisjes op campings zijn emblematisch voor specifieke rurale woonvormen. Nochtans blijkt uit onderzoek, steunend op een rondvraag bij de Vlaamse OCMW's, dat het platteland ook met andere specifieke woonvormen geconfronteerd wordt (o.a. nomadische groepen zoals foor- en circusreizigers, woonwagenbewoners - zie Meert et al 2002). De Themagroep adviseert in dat verband twee concrete maatregelen:

8

Het ontwikkelen van een samenhangend en gebiedsgedifferentieerd beleidskader dat woonzekerheid (en -comfort) garandeert voor deze specifieke groepen die meer eigen zijn aan het platteland dan aan de stad. Afhankelijk van de concrete sociaal-ruimtelijke context kan dit zowel een herhuisvesting inhouden naar andere segmenten van de woningmarkt als een valorisatie en formalisering van bestaande wooninitiatieven. Ook hier adviseert de Themagroep dat dergelijke maatregelen steeds rekening zouden houden met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, met respect dus voor bestaande toestand en bestaande plandocumenten. Het opzetten van een (bijvoorbeeld: drie-jaarlijkse) screening van het bestaande 'afwijkende' woningenaanbod in Vlaanderen (afwijkend in de zin van woononzekerheid, illegaal, oncomfortabel) via gerichte bevraging van de OCMW's. Alhoewel deze maatregel opnieuw geheel gebiedsdekkend is voor Vlaanderen laat hij toch toe om specifieke ontwikkelingen in het rurale gebied tijdig te detecteren (wat bijvoorbeeld niet het geval is geweest met het campingwonen dat reeds sinds de jaren zeventig bestaat en pas begin jaren negentig tot een relatief groot huisvestingsprobleem uitgroeide). Omwille van het relatief groter aantal eigenaars dat de eigen woning betrekt op het platteland adviseert de Themagroep een beleid dat er op gericht is oudere eigenaars te stimuleren/ aan te sturen hun woning functioneel aan te passen. Dit heeft niet alleen tot gevolg dat de kwaliteit van het woningpatrimonium toeneemt, maar ook dat de bejaarde eigenaar in staat is langer in zijn woning te blijven, al dan niet bijgestaan door een mantelzorger en/of professionele zorgverleners.


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:52

Pagina 9

2.5. Specifieke aandacht voor de koppeling tussen wonen en zorg op het platteland De Themagroep adviseert de verschillende publieke beleidsactoren die in het kader van de Vlaamse Wooncode kunnen optreden inzake sociale woningbouw, om zorginitiatieven zo veel als mogelijk te laten aansluiten bij dergelijke concrete kleinschalige wooninitiatieven. Dit zal op het platteland de grotere (tijds)afstanden tussen wonen en zorgfuncties in belangrijke mate helpen verkleinen. In die zin is de Themagroep van mening dat de Vlaamse overheid een belangrijke opdracht heeft om op de diverse beleidsniveaus een nieuwe planningscultuur voor het platteland te helpen realiseren. Die planningscultuur moet gericht zijn op het combineren van verschillende functies, met aandacht voor schaal en complementariteit, opdat afstanden gereduceerd zouden worden en het mobiliteitsvraagstuk ook zou aangepakt worden. De Themagroep adviseert de Vlaamse overheid daarbij ook om na te gaan in welke mate en desgevallend hoe ze dergelijke complementaire planning van functies kan laten realiseren door private projectontwikkelaars in het rurale gebied. De Themagroep adviseert om de invulling van deze zorgfuncties niet enkel te beschouwen vanuit de ouderen als zorgbehoevende groep, maar ook vanuit andere sociale groepen die, afhankelijk van gebied tot gebied, met een duidelijke achterstelling inzake zorgarrangementen te kampen hebben. Met het oog op de koppeling tussen wonen en zorg adviseert de Themagroep de Vlaamse overheid om het lokaal woonbeleid en het lokaal sociaal beleid onderling beter af te stemmen zodat complementariteit en meerwaarde kan gerealiseerd worden (bijvoorbeeld met inbreng van de Regionale Welzijnsraden). De Themagroep adviseert de Vlaamse overheid tenslotte ook om in de context van het platteland de koppeling tussen wonen en zorg op Vlaams niveau te organiseren via een structureel overleg tussen wonen, welzijn en platteland. De Themagroep benadrukt voorts dat dit advies over wonen en zorg slechts een eerste aanzet vormt die ze verder zal uitwerken in een tweede adviesnota over bereikbaarheid en kwaliteit van voorzieningen op het Vlaamse platteland. 2.6. Ten slotte Het is duidelijk dat het voorgestelde advies inzake het stimuleren van intergemeentelijke samenwerking als de draaischijf voor een succesvol lokaal woonbeleid voor het platteland moet beschouwd worden. De overige geformuleerde adviezen houden verband met deze maatregel en zullen er in de praktijk vaak afhankelijk van zijn qua slaagkracht.

9


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:54

Pagina 10

3

3. Theoretisch kader bereikbaarheid en kwaliteit van voorzieningen in landelijke gebieden 3.1. Wettelijk kader

De wettelijke basis van het lokaal woonbeleid wordt gelegd in Art. 28 § 1 van de Vlaamse wooncode. Art. 28 §1 van de Vlaamse Wooncode legt de verantwoordelijkheid voor het lokaal woonbeleid bij de gemeenten, die 3 basisopdrachten hebben: 1. Stimulieren van sociale huisvesting;

10

2. Woonkwaliteitsbewaking; 3. Ondersteunen van woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden.

In de praktijk betekent dit dat de gemeenten bijvoorbeeld volgende activiteiten kunnen ondernemen om deze basisopdrachten uit te voeren: 1. Organiseren van lokaal woonoverleg in functie van sociale huisvesting (art. 28 §2); 2. Toepassen van Vlaamse beleidsinstrumenten voor sociale huisvesting en woonkwaliteitsbewaking; 3. Het aanstellen van een huisvestingsambtenaar en/of uitbouwen van een huisvestingsdienst en/of woonloket/woonwinkel (gemeentelijk of intergemeentelijk volgens behoefte en mogelijkheden); 4. Opmaak van een lokaal woon(beleids)plan; 5. Voorzien in specifieke gemeentelijke reglementeringen; 6. Samenwerking met Sociaal Verhuurkantoor; 7. Het voeren van een grond- en pandenbeleid. De Vlaamse minister van wonen Marino Keulen heeft bovendien recent ook een protocol afgesloten tussen de Vlaamse regering, de Vlaamse provincies, de Vereniging van de Vlaamse Provincies en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten om het lokaal woonbeleid concreet te ondersteunen.


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:55

Pagina 11

3.2. Wonen en het specifieke van het platteland De wettelijke bepalingen in het kader van de Vlaamse Wooncode maken geen onderscheid in functie van het al dan niet landelijke karakter van de gemeenten. Nochtans zijn er duidelijke verschillen in de rurale versus urbane woonsituatie. Bovendien blijkt dat ook binnen het Vlaamse rurale gebied een vrij grote onderlinge diversiteit bestaat. Sommige gebieden zijn zowel functioneel als morfologisch-landschappelijk nog sterk ruraal, terwijl ander gebieden weliswaar morfologisch nog wel ruraal aandoen, doch functioneel-sociologisch duidelijk sterk interageren met het stedelijke gebied. Enkele eenvoudige vaststellingen verduidelijken het specifieke karakter van de Vlaamse plattelandsgemeenten in vergelijking met het meer verstedelijkte gebied: 1. Een zeer beperkt aandeel huurwoningen, dominantie van de eigendomssector (Goossens et al 1997). De beperking van het aantal private huurwoningen hypothekeert de uitbouw en continuering van sociale verhuurkantoren op het platteland. Bovendien is de (ver)huurprijs van het private woningenbestand hoog in die rurale gebieden die aanleunen bij het stedelijke gebied (omwille van de relatief grotere vraag). Klassieke voorbeelden zijn Pajottenland en Hageland. 2. Nagenoeg alle Vlaamse plattelandsgemeenten kennen een zeer beperkt aandeel sociale huurwoningen; 3. Het grote aantal eigendomswoningen houdt in dat slecht wonen (woningen zonder klein comfort) in een plattelandscontext ook duidelijk voorkomt in dit segment van de woningmarkt. In het stedelijke gebied is slecht wonen daarentegen numeriek vooral een zaak van huurders. 4. Op basis van de woningtelling van 1991 is berekend dat wie op het platteland aangewezen is op een private huurwoning, in tegenstelling tot de stad, meer kans heeft om een woning met beperkte kwaliteit te moeten huren (Meert et al 2002). In tegenstelling tot de stad kent het platteland immers een in omvang zeer beperkte primaire huursector. Globaal genomen is de kwaliteit van de particuliere huurwoningen er iets minder goed dan in het stedelijke gebied. Processen van stedelijke gentrificatie en woningrenovatie op het platteland laten alleszins vermoeden dat de kwaliteit van de huurwoningen in beide gebieden ondertussen zal gestegen zijn. Toch tonen tussentijdse resultaten, gebaseerd op de verwerking van de SEE van 2001, dat vooral het westelijke deel van het Vlaamse platteland nog steeds beduidend meer slechte huurwoningen telt dat het stedelijke gebied (bron: Vanneste et al 2006). 5. Het plattelandsgebied kent ook enkele zeer specifieke woonvormen die niet in het stedelijk gebied voorkomen. Dit wordt het duidelijkste aangetoond met het campingwonen. Ook het agrarisch wonen (bewonen van boerderijen) is uiteraard specifiek voor het platteland. Hier rijst overigens de zeer specifieke vraag naar de toekomst van het agrarisch patrimonium dat steeds meer met leegstand geconfronteerd wordt. 6. Omwille van de grotere afstand tussen woningen onderling, tussen voorzieningen onderling en tussen wonen en voorzieningen, stellen zich enkele specifieke problemen qua bereikbaarheid van voorzieningen vanuit het rurale residentiële gebied. Onderzoek wijst uit dat het hierbij op het platteland niet enkel gaat om de groep ouderen, maar evenzeer om bijvoorbeeld jongeren (zie Thissen en Linseele 2001) en alleenstaande vrouwen (Coorevits 2003).

11


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:57

Pagina 12

7. Plattelandsgemeenten zijn in vergelijking met stedelijke gemeenten beperkt qua inwonersaantallen en bestuurskracht (personeelsuitrusting en budget). Dit heeft, in vergelijking met het stedelijke gebied tal van consequenties: er is sowieso minder aandacht (mogelijk) voor huisvesting, er is minder concrete kennis en deskundigheid aanwezig bij gebrek aan hoger opgeleid personeel, … Bovendien heerst er in het rurale gebied vaak ook - niet altijd louter latent - meer weerstand tegen woonvormen en -formules die afwijken van het klassieke verkavelingswonen met individueel woningbezit als normerende woonformule (zie in dat verband Meeus & Meert 2005).

12

8. Qua relatie tussen zorgverstrekking en wonen is de organisatorische schaal duidelijk verschillend van het stedelijk gebied. Dit geldt voor verschillende sociale groepen. Voor bijvoorbeeld asielzoekers die in een Lokaal Opvang Initiatief verblijven op het platteland gelden duidelijk andere noden dan voor asielzoekers die in een stedelijke context verblijven (Loopmans en Stuyck 2002 , Meert et al 2004). De impact van deze beperkingen, eigen aan het rurale gebied, zijn vrij aanzienlijk. Samen met het vrijblijvende karakter van de bepalingen in de Vlaamse Wooncode aangaande een lokaal woonbeleid betekent dit dat wellicht weinig lokale besturen uit het rurale Vlaanderen eigenhandig een doelgericht woonbeleid zullen en kunnen opzetten om de hierboven vastgestelde knelpunten structureel te bestrijden. Daarom formuleert de Themagroep volgende concrete adviezen voor het Interbestuurlijke Plattelands Overleg.


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

14:58

Pagina 13

3.3. Referenties Coorevits L., (2003) AGORA, 'Moeders alleen in tijd en ruimte' december, pp.34-36 Goossens L., Thomas I., Vanneste D. et al. (1997), Algemene Volks- en Woningtelling op 1 maart 1991. Huisvesting in sociaal-economisch en geografisch perspectief 1981-1991, (Monografie Nr. 10), Brussel: Nationaal Instituut voor de Statistiek. Loopmans M. en Stuyck K. (2002) Vrije plaatsen in de herberg of rest er alleen de stal? Bedenkingen over leefbaarheid en het spreidingsbeleid voor asielzoekers, Ruimte en Planning, jaargang 22, nr. 3, pp. 213-216. Meert H., Bourgeois M. en De Rijck R. (2002), Omvang en ruimtelijk-economische dimensie van het grijze wooncircuit in Vlaanderen: een experimenteel onderzoek naar methodiekbepaling. Programma Beleidsgericht Onderzoek 1998. Brussel: Vlaams Gewest Meert H., Blommaert J., Stuyck K., Peleman K. & Dewilde A. (2004), Van balen tot onthalen, Federaal Wetenschapsbeleid, Gent: Academia press, 206p. Meeus B. & Meert H. (2005), The stigma of the non-productive family. Attitudes towards social housing. Paper presented at the International Colloquium: Mobility, Poverty, Insecurity and Hospitality, Université de Paris X-Nanterre (29-30/09/2005) (CD-rom). Ons Zorgnetwerk vzw. (2004), Woningaanpassing. Verslag van een innoverend concept in de thuiszorg, 61 pp. Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (2005), Nota ten behoeve van de IPO-Themagroep (23 september 2005). Thissen F., & Linseele W. (2001), Leefbaarheid op het Vlaamse platteland vanuit het perspectief van jonge bewoners; verslag van een onderzoek in de dorpen tussen Leie en Schelde. Masterdam: AME Universiteit van Amsterdam Vanneste D., Goossens L., Thomas I., et al. (2006), Sociaal-Economische Enquête 2001. Monografie Huisvesting (voorlopige titel), Brussel: Nationaal Instituut voor de Statistiek.

13


sociaalwonendefinitief.qxd

14

27/11/2007

14:59

Pagina 14


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

15:01

Pagina 15

4

4. Werking Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) 4.1. Het doel

Het Interbestuurlijk Plattelandsoverleg (IPO) is het kader voor een brede dialoog over het Vlaamse platteland, vertrekkend vanuit het oogpunt van een duurzame, kwaliteitsvolle en dynamische ontwikkeling. Het Ondersteunende IPO-overleg resulteert op geregelde tijdstippen in adviezen, naar aanleiding van een vraag van (één van) de leden (Ondersteunend of Bestuurlijk overleg). Een advies bevat beschouwingen of standpunten die geformuleerd worden naar aanleiding van specifieke of algemene noden, problemen of mogelijkheden die zich voordoen in het landelijke gebied. In het advies kan een gerichte vraag of opdracht omschreven worden die gericht is naar (een lid of meerdere leden van) de Vlaamse regering, (een commissie of meerdere commissies van) het Vlaams Parlement, de provincie- of gemeentebesturen. Deze adviezen kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek, verdere bespreking, het opzetten, uitwerken en beoordelen van ervaringsprojecten en pilootprojecten, vernieuwende initiatieven en concrete voorstellen en suggesties naar het beleid en de beleidsvoerders toe.Voorstellen en suggesties kunnen worden gezien als oplossingen voor knelpunten en tegenstrijdigheden in regelgeving, overheidsinstrumenten en acties. 4.2. Samenstelling IPO

20 personen

Bestuurlijk Overleg 10 Vlaamse Ministers, 5 Provinciale Gedeputeerden Plattelandsbeleid, 5 Burgemeesters Ondersteunend Overleg Kerngroep Onafhankelijke Deskundigen, Wetenschappers, Maatschappelijke Belangenorganisaties, themavoorzitters, WSG, VVP, Kabinet voor Plattelandsbeleid, VLM - Afdeling Platteland

20-tal personen

Themagroepen niet limitatief

IPO-Raad Vertegenwoordigers van de Overheid (Vlaams, Provinciaal en Lokaal), Wetenschappers, Deskundigen en Maatschappelijke Belangenorganisaties

Interbestuurlijk Plattelandsoverleg

Interbestuurlijk Plattelandsoverleg

In het Bestuurlijk overleg, waar de politieke besluitvorming gebeurt, zetelen politieke mandatarissen vanuit de drie bestuursniveaus. Het Ondersteunend overleg bestaat uit een IPO-raad, van waaruit de Themagroepen worden gevormd, en een Kerngroep welke instaat voor een gecoördineerde inhoudelijke en beleidsdomeinoverschrijdende afstemming van de thema's.

4.3.Besluitvormingsprocedure aangaande een advies over een thema In de Themagroep streeft men maximale consensus na. Indien geen consensus wordt bereikt, noteert men het meerderheidsstandpunt. Aan de leden van de Themagroep en de administraties op wiens beleidsdomein het advies betrekking heeft, wordt gevraagd hun mening of advies te geven t.a.v. het voorgestelde meerderheids-standpunt. De beslissingen in het Bestuurlijk overleg worden genomen bij consensus. Onthoudingen zijn mogelijk, zonder dat deze de beslissingen blokkeren. 4.4. Meer informatie T. +32 2 543 69 73, www.ipo-online.be, coördinator: Sarah De Baets, ipo@vlm.be.

15


sociaalwonendefinitief.qxd

27/11/2007

15:02

Pagina 16

www.vlm.be www.plattelandonline.be Vlaamse Landmaatschappij ~ Afdeling Platteland Dienst Vlaams Geïntegreerd Plattelandsbeleid en Advisering T. 02 543 69 73 ~ ipo@vlm.be Gulden Vlieslaan 72 ~ 1060 Brussel

fotografie: VLM, Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid in opdracht van VLM, www.prospector.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
IPO Advies_lokaalwoonbeleid.pdf by Vlaanderen-be - Issuu