Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
Vlaanderen sportief gepeild: V L A A N D E RE N
S P O R T I E F
GE P E I L D :
wie participeert niet? W I E
P A R T I C I P E E R T
N I E T ?
Ontwikkelingen in en determinanten O NT W I K KE L I N GE N
I N
E N
D E T E R M I N A NT E N
van (club)sportinactiviteit VA N
( C L U B ) S P O R T I N A C T I V I T E I T
Jeroen Scheerder (1) • Guy Pauwels (2) • Bart Vanreusel (1) (1) K.U.Leuven, Departement Sport & Bewegingswetenschappen, FLOK (2) Administratie Planning en Statistiek
1
| Inleiding
Tot en met de jaren zestig konden sport en de actieve beoefening van sport eenduidig afgebakend worden: zij waren bij uitstek het domein voor jonge, bewegingscompetente en prestatiegerichte mannen die veelal afkomstig waren uit de midden- en hoge sociale klassen. ‘Sport’ stond bovendien synoniem voor de in clubverband en gedurende de vrijetijd beoefende, piramidaal gestructureerde competitiesport (Crum, 1991; Stokvis, 1989: 25-33). In de voorbije decennia is de maatschappelijke belangstelling voor sport echter sterk toegenomen. Dit heeft de sport een meer pluriform karakter gegeven (Vanreusel & Scheerder, 2000). Onder meer het beoefenen, maar ook het bekijken, besturen en bestuderen van sport is in een stroomversnelling terecht gekomen. In de literatuur wordt deze ontwikkeling aangeduid als de ‘versporting van de samenleving’, of ook: de ‘vermaatschappelijking van de sport’ (Crum, 1991: 15). De ‘sport’ is nu een sterk gedifferentieerd landschap geworden, waarin zowel de traditioneel-georganiseerde competitiesport als de anders- of niet-georganiseerde recreatiesport sterk vertegenwoordigd zijn (Digel, 1990; Heinemann, 1989). In de afgelopen dertig jaar is de actieve sportbeoefening eveneens uitgegroeid tot een van de meest voorkomende vormen van vrijetijdsbesteding (Bollaert et al., 2000; Scheerder et al., 2002a). Diverse ontwikkelingen hebben hier toe bijgedragen, waaronder: (i) een verruimde perceptie op wat sport is en betekent, in die mate dat de
231
Vlaanderen gepeild ! term ‘bewegingscultuur’ nu een meer relevante omschrijving geworden is, (ii) de verschuiving van sport als exceptioneel gedrag naar sport als aanvaard en zelfs normatief gedrag, (iii) de sterk toegenomen infrastructurele voorzieningen inzake sport en actieve recreatie, (iv) een grotere kansengelijkheid tot actieve sportdeelname, (v) de ontmanteling van het louter jeugdige en mannelijke imago van sportbeoefening, en (vi) de ontwikkeling en implementatie van een actief Vlaams sportbeleid (Scheerder et al., 2002a; Scheerder & Vanreusel, 2002a; Vanreusel & Bulcaen, 1992: 5-6). Een aantal van deze evoluties vinden we eveneens terug in de basisdoelstellingen van de Sport voor Allen-beweging1, die medio jaren zeventig in een Europees charter werden vastgelegd (Council of Europe, 1975; 1980; Vanreusel et al., 2002b: 382). Ondanks de popularisering van de actieve sportdeelname, is er echter nog geen sprake van een democratisering van deze vorm van actieve vrijetijdsbesteding. Nog altijd oefenen een aantal sociale determinanten een aanzienlijke invloed uit op het sportdeelnamegedrag (Scheerder & Pauwels, 2002; Scheerder et al., 2001; 2002c). In deze bijdrage staat daarom de sociale gelaagdheid van de non-participatie in (georganiseerde) sport centraal, alsook de ontwikkeling ervan gedurende de afgelopen decennia. Wat de non-participatie in sport betreft, onderscheiden we enerzijds de niet-deelname aan sportactiviteiten in haar geheel (verder aangeduid als ‘nietsportdeelname’), en anderzijds de niet-deelname aan deze activiteiten in sportclubverband (verder aangeduid als ‘niet-clubsportdeelname’)2. Meer bepaald worden in deze bijdrage een aantal determinanten van deze non-participatievormen empirisch in kaart gebracht. In een eerste luik wordt de ontwikkeling van de sportdeelname gedurende de laatste drie decennia bestudeerd. Hierbij gaan we op zoek naar welke determinanten (nog steeds) het non-participatiegedrag bepalen. Vervolgens wordt de vraag gesteld of eigentijdse en belangrijke socialisatoren, namelijk het onderwijs, de media en het maatschappelijke middenveld, eveneens een invloed uitoefenen op de non-participatie in (georganiseerde) sport. Het derde en laatste luik focust specifiek op de relatie tussen (georganiseerde) sport en sociale cohesie. De bijdrage wordt afgerond met aanbevelingen voor het sportbeleid in Vlaanderen.
1.
Reeds in 1966 lanceerde de Raad van Europa de Sport voor Allen-idee. Een jaar later was Noorwegen de eerste Europese natie die een grootse nationale Sport voor Allen-campagne organiseerde. In 1975 ondertekenden de toenmalige ministers bevoegd voor sport in de landen van de Raad van Europa het Sport voor Allen-Handvest. Gebaseerd op de Verklaring van de Rechten van de Mens, onderschreef dit handvest het recht op actieve sportbeoefening voor iedere burger (Council of Europe, 1975). 2. Onderzoek naar de actieve sportbeoefening ongeacht de organisatiegraad wordt uitvoerig behandeld in andere, recente studies (o.a. Bollaert et al., 2000: 9.1-9.16; Scheerder & Pauwels, 2002; Scheerder et al., 2002a). Voor een algemeen overzicht van recente sportparticipatiestudies verwijzen we naar de secundaire bronnenanalyse van Vanreusel et al. (2002a).
232
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
2
| Onderzoeksmateriaal
2.1
| Steekproeven
Voor deze bijdrage wordt gebruik gemaakt van twee bestaande datasets: enerzijds de APS-surveys van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en anderzijds de PF/SBV-studies3 uitgevoerd aan de KULeuven. De datareeksen uit de PF/SBVstudies bieden de mogelijkheid om de (niet-)deelname aan (club)sport te bestuderen over een periode van dertig jaar (Scheerder et al., 2002a). De PF’79, de SBV’89 en de SBV’99 zijn drie grootschalige, cross-sectionele surveys waarbij de sportieve vrijetijdsbesteding van een aselecte steekproef van schoolgaande jongeren (lager en secundair onderwijs) in Vlaanderen op een gestandaardiseerde en analoge wijze bevraagd werd. De PF’69 daarentegen was een gemengd longitudinaal onderzoek bij Belgische jongens uit het secundair onderwijs. In de PF/SBV-studies werd eveneens het sportgedrag van de ouders van de geënquêteerde leerlingen onderzocht. Het zijn deze data die in deze bijdrage verder geanalyseerd worden in functie van de voorliggende vraagstelling. Omdat de gegevens over de volwassenen hier betrekking hebben op de ouders van scholieren, kunnen de bevindingen niet zonder meer aanleiding geven tot veralgemeende uitspraken over de volwassen populatie in Vlaanderen. De resultaten blijven hier immers beperkt tot specifieke groepen van meestal gehuwde, samenwonende of gescheiden mannen en vrouwen die ofwel een zoon hebben uit het eerste jaar van het secundair onderwijs (PF’69), ofwel een schoolgaande dochter tussen zes en achttien jaar (PF’79), ofwel een schoolgaande zoon of dochter tussen zes en achttien jaar (SBV’89 en SBV’99). In de PF/SBV-studies wordt gebruik gemaakt van een gestandaardiseerde vragenlijst, zodat telkens op een identieke wijze informatie ingewonnen kon worden (Renson, 1973; Scheerder, 1999). De vragenlijsten werden thuis tezamen met de ouder(s) ingevuld en bij inzameling via individuele controle-interviews met de leerlingen overlopen en waar nodig aangevuld. Voor de gegevens die voortbouwen op het tijdsoverzicht 1969-1999 doen we een beroep op drie APS-surveys (Carton & Loosveldt, 2000a; 2000b), namelijk: APS’97, APS’99 en APS’02. De data over 1997 en 2002 worden gebruikt voor een aanvullend tijdsperspectief, de gegevens over 1999 om de invloed van nieuwe variabelen te onderzoeken en de gegevens over 2002 om het luik rond sport en sociale cohesie uit te werken. In de APS-surveys gebeurt de bevraging door middel van een face-to-face onderzoek, namelijk aan de hand van persoonlijke interviews. Dit houdt in dat bij de 3. Physical Fitness-studies (data over 1969 en 1979) en Studies over de Bewegingsactiviteiten in Vlaanderen (data over 1989 en 1999); in deze sportparticipatiestudies, uitgevoerd door de onderzoekseenheid Sociale & Culturele Kinesiologie (SOCK) in samenwerking met het Studiecentrum voor Fysieke Ontwikkeling (KULeuven), worden sinds 1968 op regelmatige tijdstippen gegevens omtrent sportieve vrijetijdsbesteding bij jongeren en volwassenen verzameld. Voor een technisch verslag van deze studies kan men terecht bij respectievelijk Ostyn et al. (1980), Simons et al. (1990), Taks et al. (1991) en Scheerder & Vanreusel (2002b). De gegevens over 1969 kunnen in deze bijdrage slechts gedeeltelijk opgenomen worden omdat deze niet toelaten uitspraken te formuleren omtrent de actuele (non-)participatie.
233
Vlaanderen gepeild ! respondenten thuis een vragenlijst door een interviewer werd afgenomen. De APSsurveys zijn allemaal representatief voor de volwassen populatie in Vlaanderen. De onderzoekspopulatie omvat de Nederlandstalige bevolking – ongeacht nationaliteit – tussen 16 en 75 jaar (APS’97 en APS’99) en tussen 18 en 85 jaar (APS’02), woonachtig in het Vlaams Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor alle APS-analyses in deze bijdrage worden de 75-plussers niet mee onderzocht, omdat dit in functie van de actieve sportbeoefening voor een vertekening van de resultaten zorgt. In tabel 1 worden enkele descriptieve statistieken weergegeven van de verschillende steekproeven. TABEL 1
Beschrijvend overzicht van de steekproeven
responsratio
PF’79 89%
SBV’89 81%
SBV’99 71%
APS’97 56%
APS’99 41%
APS’02 71%
N mannen gemiddelde leeftijd SD leeftijd min. leeftijd max. leeftijd
9.698 41,7 7,3 23 76
4.312 40,2 6,4 23 72
5.178 40,4 5,5 24 72
762 42,8 16,2 16 75
701 42,1 15,9 16 79
718 47,2 17,2 18 85
N vrouwen gemiddelde leeftijd SD leeftijd min. leeftijd max. leeftijd
9.698 39,3 7,0 19 77
4.312 38,0 5,9 22 66
5.178 38,3 5,0 22 61
738 42,8 16,3 16 75
674 42,9 15,9 15 75
759 48,6 17,7 18 85
2.2
| Operationalisatie van de afhankelijke variabelen
In deze bijdrage staat de niet-(club)sportdeelname van de volwassenen in Vlaanderen centraal. We zijn dus geïnteresseerd in wie (nog) niet participeert in (clubgeorganiseerde) sportbeoefening, of beter: welke sociale determinanten een invloed uitoefenen op dit non-participatiegedrag. Zowel in de APS-surveys als in de PF/SBV-studies betekent niet-(club)sportdeelname dat de respondent in het jaar van de bevraging niet actief aan (georganiseerde) sportactiviteiten heeft deelgenomen.
234
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
De niet-deelname aan (club)sport wordt aldus bepaald aan de hand van de vraag of men al dan niet (georganiseerd) sportactief is (geweest)4 . In de APS’99 en de PF/SBV-studies worden naast de algemene sportparticipatie eveneens de sportintensiteit (alleen voor APS’99 en SBV’99) en de sportvoorkeur bevraagd. Wat de algemene sportparticipatie en de sportintensiteit betreft, worden in de APS-surveys de volgende vier vragen gesteld: “Hoe dikwijls bent u het voorbije jaar zelf sportief actief bezig geweest?” (APS’97 en APS’02) “Kan u zeggen of u nu lid bent of soms vroeger lid bent geweest van een sportvereniging of –club (ook wandelen en schaken), en indien u nu lid bent of dat dan is als actief lid, passief lid of bestuurslid?” (APS’99 en APS’02; in APS’97 werd alleen het actief lidmaatschap bevraagd) “Welke sporten beoefent u? Kunt u tevens voor elke sport zeggen of u deze in verenigingsverband, in een ander verband of in geen enkel verband, dus individueel doet?” (enkel in APS’99) “Hoeveel tijd besteedt u nu in een gemiddelde week aan sporten?” (enkel in APS’99) Voor de tweede vraag worden enkel de actieve leden als (georganiseerde) sportbeoefenaar aanzien. In de PF/SBV-studies wordt de respondent gevraagd tot maximum vijf sporttakken op te geven, alsook de organisatorische context waarin deze beoefend werden/worden en op welke leeftijd de beoefening van een specifieke sporttak desgevallend onderbroken of gestopt werd. Als voorwaarde voor actieve sportbeoefening wordt gesteld dat de activiteit een vrij gekozen, actieve deelname vereist die voldoende fysieke inspanning vergt. Bovendien dient de sportbeoefening in een sportieve vrijetijdscontext plaats te vinden wat betreft kledij, uitrusting, ruimtelijke omgeving en mentale instelling (Renson, 1973: 22 e.v.; Scheerder et al., 2002a: 16). Concreet betekent dit dat: • sportieve recreatievormen zoals wandelen en fietsen in aanmerking genomen worden indien zij in een sportieve vrijetijdscontext uitgeoefend worden; • een occasionele sportbeoefening zoals een week skiën, een weekend langlaufen of een dag kajakvaren opgenomen wordt; • fysieke activiteiten die het musculaire en/of cardiorespiratorische stelsel slechts matig belasten, doch een precieze coördinatie vergen – zoals pistool- of karabijnschieten – als sportactiviteit aanvaard worden;
4. Met ‘georganiseerde sportdeelname’ bedoelen we in deze bijdrage dus dat de actieve sportbeoefening plaatsvindt in verenigingsverband. ‘Ongeorganiseerde sportdeelname’ daarentegen duidt op de actieve sportbeoefening in vrij verband. Of nog: ‘georganiseerde sport’ is clubsport, en ‘ongeorganiseerde sport’ is vrije sport.
235
Vlaanderen gepeild ! • fysieke activiteiten zoals de verplaatsing naar en van het werk per fiets, het onderhoud van de tuin, opgelegde fysieke oefeningen tijdens de professionele of militaire opleiding, etc., uitgesloten worden wegens hun utilitaristisch karakter; • passieve sportconsumptie uitgesloten wordt (supporteren, een sportwedstrijd op TV volgen, het lezen van de sportpagina’s in de krant, …); • de zogenaamde ‘denksporten’, waaronder schaken, kaartspelen, woordspelen, etc., wegvallen. De voornaamste verschillen tussen de APS en de PF/SBV wat de operationalisatie van de afhankelijke variabele betreft, zijn dus dat denksporten in de APS wél opgenomen worden en niet in de PF/SBV, en dat in de PF/SBV zeer concreet afgebakend wordt wat wel en wat niet als sportactiviteit wordt aanvaard.
2.3
| Operationalisatie van de onafhankelijke variabelen
Wat de achtergrondvariabelen betreft die we in deze studie wensen op te nemen, wordt in eerste instantie een beroep gedaan op de bevindingen uit het rapport van Scheerder & Pauwels (2002). De resultaten in dit rapport gaven duidelijk aan dat sociale variabelen als opleiding, leeftijd, geslacht en vrijetijdskapitaal sterke predictoren zijn van de actieve sportbeoefening. Zowel in de APS-surveys als in de PF/ SBV-studies kunnen het geslacht, de leeftijd, het opleidingsniveau alsook de arbeidsmarktpositie geoperationaliseerd worden. Deze vier onafhankelijke variabelen vormen de gemeenschappelijke covariatenset van de APS-surveys en de PF/SBV-studies. Op basis van de bevindingen in Glorieux & Moens (2002), Scheerder & Vanreusel (2002) en Scheerder et al. (2002a; 2002c) wordt deze lijst nog verder aangevuld met variabelen die respectievelijk een symbolische invloed vanwege diverse socialisatiekanalen of een effect vanuit de (familiale) omgeving moeten kunnen aantonen. Voor de APS-surveys kan de lijst aangevuld worden met het vrijetijdskapitaal, de mediavoorkeur, de sociale participatie en de intensiteit van het TV-kijkgedrag; voor de PF/ SBV-studies wordt de lijst aangevuld met het sportverleden5 van de respondent, het sportkapitaal6 van de levenspartner van de respondent, de maritale status, de gezinsgrootte en de verstedelijkingsgraad van de woonomgeving. In tabel 2 wordt een overzicht gegeven van al deze achtergrondvariabelen.
5. Het ‘sportverleden’ gaat over de sportbeoefening ‘vroeger’. Aan de respondenten werd gevraagd welke sporttakken zij vroeger beoefend hebben en of de beoefening ervan tot op heden voortgezet werd. Over de drie meetpunten heen, geeft 11,7% van de respondenten aan de vroeger beoefende sport nog steeds te beoefenen. Voor het merendeel van de respondenten is er dus sprake van een discontinuïteit in de actieve sportloopbaan: ofwel werd gedurende een bepaalde periode geen sport beoefend, ofwel werd er van sporttak (en organisatiecontext) veranderd. 6. Het concept ‘sportkapitaal’ wordt als de actieve bewegingsculturele ervaring gedefinieerd die iemand gedurende de levensloop heeft opgebouwd. Dit wordt geoperationaliseerd door na te gaan of men ooit actief aan sport gedaan heeft in de vrijetijd, en zo ja in welke levensfase en in welk organisatorisch verband (club en/of vrij).
236
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
TABEL 2
APS
PF/SBV
categorieĂŤn man (ref) vs vrouw [leeftijd in jaren] (geen) lager onderwijs (ref), lager secundair, hoger secundair, hoger niet-universitair, universitair betaald werk (ref) vs niet-betaald werk
N categorieĂŤn
variabele APS + PF/SBV geslacht leeftijd opleidingsniveau
continu/ discreet
afkorting
Overzicht van de onafhankelijke variabelen
GESL LFT OPL
d c d
arbeidsmarktpositie
AMP
d
observatiemeetpunt vrijetijdskapitaal
OBS
d
1997 vs 2002
2
VT
d
4
mediavoorkeur
MEDIA
d
middenveldparticipatie intensiteit TVkijkgedrag
SOCUL/ LOKa TV
d
<10 uur per week (ref), 10-20 uur per week, 2140 uur per week, >40 uur per week populair (ref), gemiddeld, elitairkritisch non-participatie (ref) vs participatie weinig (ref), gemiddeld, veel
observatiemeetpunt sportverleden respondent
OBS
d
1979, 1989, 1999
3
SVR
d
vroeger geen sport (ref), (i) alleen clubsport vroeger, (ii) alleen vrije sport vroeger, (iii) zowel club- als vrije sport vroeger
4
d
237
2 5
2
3
2 3
continu/ discreet
SKP
d
MARS
d
gezinsgrootte
GZG
c
urbanisatiegraad
URB
d
variabele sportkapitaal partner van respondent
maritale status
categorieën nooit sport (ref), (i) ooit vrije sport, niet na 30j, (ii) ooit clubsport, niet na 30j, (iii) vrije sport na 30j, niet heden, (iv) clubsport na 30j, niet heden, (v) vrije sport heden, (vi) clubsport heden getrouwd/hertrouwd/ samenwonend (ref), gescheiden, weduw(e)(naar) [aantal kinderen in het gezin] ruraal (ref), semiurbaan, urbaan
N categorieën
afkorting
Vlaanderen gepeild !
7
3
3
a. SOCUL = sociaal-culturele middenveldparticipatie; LOK = lokaal-actieve middenveldparticipatie (zie verder) ref = referentiecategorie in de regressieanalyse; de overige categorieën worden met de referentiecategorie vergeleken
Om de informatie over de mediavoorkeur en de middenveldparticipatie gesynthetiseerd te vatten, wordt gebruik gemaakt van componentenanalyses. Voor de mediavoorkeur hanteren we de HOMALS-optie7 binnen SPSS. Deze techniek laat toe om de multipele nominale voorkeurschalen tot een beperkt aantal componenten te herleiden. De variabele ‘mediavoorkeur’ wordt samengesteld op basis van (i) de TVzendervoorkeur (n=8), (ii) de voorkeurradiozender (n=10), (iii) het tijdschrift dat men het liefst leest (n=32), en (iv) de krant die men hoofdzakelijk leest (n=10). Net als bij Glorieux & Moens (2002: 98; 374) levert deze analyse één duidelijke dimensie op (zie bijlage 1). Daarbij komt een hoge, negatieve waarde overeen met een elitaire mediavoorkeur (Radio3, De Morgen, De Standaard, Canvas, Weekend Knack, …) en een hoge, positieve waarde met een populaire mediavoorkeur (Zondagsblad, Radio Contact, TV Familie, TV Story, VTM, …) (zie bijlage 2).
7.
HOMogeneity analysis by means of Alternating Least Squares is een techniek die onder meer categoriecoördinaten en objectscores schat die op hun beurt toelaten verschillende patronen van elkaar te onderscheiden. HOMALS kan optimaal aangewend worden voor nominale variabelen (SPSS, s.a.: 49 e.v.).
238
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
Ook met betrekking tot de middenveldparticipatie kunnen we de beschikbare informatie vatten aan de hand van een componentenanalyse. Hiervoor wordt een CATPCA8 binnen SPSS uitgevoerd. Door middel van deze techniek worden onze dichotome participatievariabelen tot een beperkt aantal dimensies gereduceerd. Om als lid van een bepaalde vereniging aangeduid te kunnen worden, dient de respondent actief lid of bestuurslid te zijn in het jaar van de bevraging. Een passief lidmaatschap of een vroeger lidmaatschap wordt als ‘niet-lid’ beschouwd. Het lidmaatschap van een sportvereniging wordt in deze analyse logischerwijze niet opgenomen. Via de CATPCA bekomen we twee dimensies9 (zie bijlage 3). De eerste dimensie clustert het lidmaatschap van een culturele, politieke en/of belangenvereniging, terwijl de tweede dimensie het lidmaatschap bij onder meer een jeugdbeweging, cafévereniging en wijk- of buurtcomité groepeert. Analoog aan de bevindingen van Glorieux & Moens (2002: 96-97) kunnen we hier spreken van een component ‘sociaal-culturele middenveldparticipatie’ versus een component ‘lokaal-actieve middenveldparticipatie’.
3
| Algemene sportparticipatietrends in Vlaanderen 1969-1999
Gedurende de laatste dertig jaar is de actieve sportbeoefening in Vlaanderen sterk toegenomen. Dat geldt zowel voor de algemene sportdeelname als voor de georganiseerde sportdeelname (figuur 1). De grootste toename situeert zich voornamelijk vóór 1979, en in iets mindere mate ook ná 1989. De evolutie tussen 1979 en 1989 duidt eerder op een afvlakking. De jaren zeventig en negentig laten zich dan ook kenmerken door een actief sportbeleid in Vlaanderen. In de zeventigerjaren werden in het kader van de Sport voor Allen talrijke sportpromotiecampagnes opgestart om de bevolking in Vlaanderen tot actieve sportbeoefening te sensibiliseren. Gedurende de negentigerjaren beleefde het Vlaamse sportbeleid een tweede bloeiperiode, die voornamelijk in het teken stond van de bevordering van de georganiseerde (jeugd)sport (Scheerder et al., 2002a: 11 e.v.).
8. Principal Component Analysis for CATegorical data is een techniek waarbij categorische variabelen optimaal gekwantificeerd worden in de gespecifieerde dimensionaliteit, zodat niet-lineaire verbanden tussen variabelen gemodelleerd kunnen worden (SPSS, s.a.: 19 e.v.). 9. Theoretisch kunnen we op basis van de CATPCA ook drie componenten onderscheiden, daar Derde Wereldverenigingen/vredesbewegingen en religieuze of kerkelijke verenigingen ook sterk positief scoren voor de tweede dimensie. De reden waarom uiteindelijk toch geopteerd werd voor twee componenten is gelegen in het feit dat (i) het op basis van de scores voor de CATPCA verdedigbaar is deze twee soorten verenigingen te laten aansluiten bij de cluster van sociaal-culturele middenveldorganisaties, en dat (ii) voor de hier vernoemde verenigingen slechts een beperkt aantal participanten in aanmerking genomen kunnen worden.
239
Vlaanderen gepeild ! FIGUUR 1
Actieve sportbeoefening door volwassenen in Vlaanderen 1969-1999, PF’69-PF’79-SBV’89-SBV’99 (naar Scheerder et al., 2002a; Scheerder & Vanreusel, 2002b)
De tendensen in sportparticipatie geven aan dat vrouwen in de afgelopen dertig jaar een grotere progressie gemaakt hebben dan mannen, en dit zowel wat de algemene als de georganiseerde sportbeoefening betreft. Toch blijven mannen voor elke participatievorm nog altijd sterker vertegenwoordigd (tabel 3). Waar in 1969 iets meer dan de helft van de mannen en slechts een kwart van de vrouwen ooit sportief actief waren, zijn deze aantallen in 1999 lineair toegenomen tot respectievelijk een kleine 80% bij de mannen en iets meer dan 70% bij de vrouwen. De sportdeelname na dertigjarige leeftijd is zowel bij de mannen als bij de vrouwen gevoelig gestegen. Van net geen 20% bij de mannen en net geen 10% bij de vrouwen in 1969 tot respectievelijk bijna 60% en iets meer dan 50% in 1999. De cijfers omtrent ‘sportdeelname/ lidmaatschap na 30 jaar’ geven aan dat de (club)sportdeelname zowel bij mannen als bij vrouwen minder leeftijdsgevoelig geworden is, of nog: dat de life-time sportbeoefening een feit is. De actuele (georganiseerde) sportdeelname is bij de mannen sinds 1979 eerder gestabiliseerd, terwijl deze bij de vrouwen nog een duidelijke toename vertoont. Op het einde van de jaren negentig zegt 54% van de mannen en 49% van de vrouwen sportactief te zijn; de percentages voor het actueel clublidmaatschap bedragen respectievelijk 24% en 21%. Deze resultaten zijn goed vergelijkbaar met de bevindingen uit de APS-surveys (APS/MVG, 2002: 283; Scheerder & Pauwels, 2002: 18; 6465).
240
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
TABEL 3
Man/vrouw-ratio’s voor (club)sportparticipatie 1969-1999, PF’69-PF’79-SBV’89-SBV’99
ooit sport sport na 30j sport heden ooit lid lid na 30j lid heden
4
1969 2,12 2,11 1,50 1,40 -
1979 1,51 1,39 1,39 1,88 1,75 1,81
1989 1,29 1,28 1,21 1,57 1,55 1,50
1999 1,13 1,18 1,11 1,22 1,30 1,17
| Sociale determinanten van niet-deelname aan (club)sport 1979-2002
Met de trends betreffende de (club)sportdeelname tussen 1969 en 1999 in het achterhoofd, wensen we nu op zoek te gaan naar de sociale determinanten die een significante invloed uitoefenen op de niet-(club)sportdeelname gedurende de afgelopen decennia. Daarvoor zullen in eerste instantie de PF/SBV-gegevens gebruikt worden, aangevuld met de data uit de APS-surveys. Om een link te leggen tussen de APS-surveys enerzijds en de PF/SBV-studies anderzijds, worden alleen vergelijkbare afhankelijke variabelen in deze studie opgenomen. Dit impliceert dat de analyse beperkt wordt tot het actuele niet-(club)sportdeelnamegedrag. Deze gegevens vinden we terug in de PF’79, SBV’89, APS’97, SBV’99 en APS’02. De analyses op het APSmateriaal moeten het mogelijk maken de bevindingen uit de SBV’99 te toetsen, daar de PF/SBV-studies niet-representatieve steekproeven zijn. Om de analyse uit te voeren, wordt geopteerd voor een binaire logistische regressie. Dit is een adequate regressietechniek in functie van dichotoom verdeelde uitkomstvariabelen (niet-deelname versus deelname). De voorspelling wordt in kansen uitgedrukt, i.c. odds ratios, die telkens naar een bepaalde referentiecategorie verwijzen10. In deze bijdrage geeft de logistische regressie een antwoord op de vraag wat de kans is dat iemand niet actief aan (club)sport doet gegeven een aantal verklarende variabelen in het model. Op deze manier trachten we de nog steeds vigerende sociale ongelijkheden betreffende de niet-(club)sportdeelname empirisch te duiden. Tabellen 4 en 5 geven de resultaten weer van de binaire logistische regressieanalyse met als afhankelijke variabelen respectievelijk de niet-sportdeelname en de niet-clubsportdeelname, en als onafhankelijke variabelen (i) het observatiejaar, (ii) het geslacht, (iii) de leeftijd, (iv) het opleidingsniveau en (v) de arbeidsmarktpositie. Voor deze analyse wordt gebruik gemaakt van de voorwaartse, stapsgewijze regres-
10. voor de gehanteerde referentiecategorieën, zie tabel 2
241
Vlaanderen gepeild ! sie. Deze procedure laat toe ook de volgorde naar verklaringskracht van de covariaten te bepalen. Voor de PF/SBV wordt de reeks van achtergrondvariabelen in een tweede model verder aangevuld met (vi) het sportverleden van de respondent, (vii) het sportkapitaal van de levenspartner, (viii) de maritale status, (ix) de gezinsgrootte en (x) de urbanisatiegraad. Het tweede model levert de hoogste pseudo-verklaarde variantie (Nagelkerke R2) op, namelijk 44,7%. Uit dit model blijkt duidelijk dat respectievelijk het sportkapitaal van de partner en het sportverleden van de respondent de sterkste determinanten zijn van de actuele niet-(club)sportdeelname. De verstedelijkingsgraad daarentegen heeft voor de drie meetpunten geen beduidende bijdrage in het model, en wordt bijgevolg niet meer opgenomen in de verdere analyse. Voor de nietclubsportdeelname wordt deze eliminatie eveneens doorgevoerd voor de arbeidsmarktpositie, de gezinsgrootte en de maritale status. Zowel uit de analyse van het APS-materiaal als deze van het PF/SBV-materiaal blijkt dat het opleidingsniveau een iets sterkere bijdrage tot het ‘niet-sportdeelname’-model levert dan geslacht, meetpunt en arbeidsmarktpositie. Dat leeftijd in de APS, in tegenstelling tot de PF/SBV, de sterkste determinant is, valt logischerwijze te verklaren op basis van de verschillende leeftijdssamenstelling van de beide datasets. Gezien de representativiteit van de APS, mogen we stellen dat leeftijd aldus de meest bepalende factor is in de verklaring van de niet-sportdeelname. Wat de nietclubsportdeelname betreft, blijkt geslacht een sterkere determinant te zijn dan leeftijd. Om nu de impact van de achtergrondvariabelen doorheen de tijd te onderzoeken, maken we gebruik van het tweede PF/SBV-model, later aangevuld met bevindingen uit het APS-model. Om voor elk meetpunt uitspraken te kunnen formuleren, voeren we per covariaat een interactieterm in het model in en gaan na of deze een significant verschil oplevert. Het observatiejaar wordt in elke interactieterm opgenomen, telkens in combinatie met een andere achtergrondvariabele. Een significant verschil wijst er op dat het effect van de desbetreffende variabele wijzigt doorheen de tijd, terwijl een niet-significant verschil aangeeft dat het effect hetzelfde blijft over de verschillende meetpunten heen (tabellen 6 en 7). Uit de logistische regressieanalyse van de PF/SBV komt naar voor dat het actuele (club)sportdeelnamegedrag van de partner een zeer sterke invloed uitoefent op de niet-(club)sportdeelname van de respondent. Indien de partner heden sportactief is, is de kans klein dat de respondent tot de groep van de niet-(georganiseerde)sporters behoort. Hoewel dit effect lichte verschuivingen kent gedurende de afgelopen twee decennia, blijft de impact significant. De analyse voor het sportkapitaal van de partner geeft eveneens aan dat de kans tot niet-clubsportdeelname kleiner is, wanneer de partner sportactief is in een georganiseerde context dan wanneer deze in vrij verband in sport participeert. Niet alleen de sportbeoefening door de partner ook het sportverleden van de respondent zelf, is sterk bepalend voor (club)sportinactiviteit. Wie vroeger (club)sportinactief was, heeft een beduidend grotere kans om dit ook op latere leeftijd te blijven. In longitudinaal onderzoek werd reeds aangetoond
242
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
dat de stabiliteit van sportinactiviteit tussen jeugd en volwassenheid sterker is dan deze voor sportactiviteit (Scheerder & Vanreusel, 2002c; Vanreusel et al., 1997). Vanuit een socialisatieperspectief bekeken, impliceert (club)sportinactiviteit op jeugdige leeftijd een grotere kans tot een (club)sportinactieve levensstijl als volwassene. Bovendien suggereren de bevindingen in tabel 6 dat een vroeger lidmaatschap van een sportvereniging in het algemeen tot meer continuïteit binnen de sportloopbaan leidt, dan sportdeelname in een niet-georganiseerd verband. De beste garantie om op latere leeftijd in clubverband actief aan sport te doen, is klaarblijkelijk op jongere of jeugdige leeftijd reeds met georganiseerde sportbeoefening actief in contact gekomen zijn. Maar nog meer dan het eigen sportverleden blijkt dus de directe omgeving, i.c. de actieve sportbeoefening van de levenspartner, sterk bepalend voor (club)sportinactiviteit11. Hoewel het geslacht gedurende de laatste twintig jaar beduidend determinerend blijft voor de non-participatie in (georganiseerde) sport, kunnen we – net als voor de bivariate analyse – toch duidelijk vaststellen dat het verschil tussen mannen en vrouwen afneemt. In de voorbije decennia hebben vrouwen hun (club)sportinactiviteit sterker geminimaliseerd dan mannen. Waar vrouwen op het einde van de jaren zeventig tot meer dan tweemaal zoveel kans hadden om (club)sportinactief te zijn, is deze relatieve kansverhouding thans gereduceerd tot circa 1,3. De verschillen tussen de diverse sociale klassen (i.c. opleidingsniveaus) en leeftijden, zijn daarentegen niet beduidend gewijzigd tussen 1979 en 199912. Lageropgeleiden en ouderen hebben nog altijd significant meer kans om sport(club)inactief te zijn, dan respectievelijk hogeropgeleiden en jongeren. Zoals reeds uit de stapsgewijze regressieanalyse gebleken was, verklaren de gezinsgrootte, de maritale status en de arbeidsmarktpositie slechts zeer beperkt de non-participatie in sport. Gedurende het laatste decennium is de invloed vanwege deze variabelen zelfs onbeduidend geworden. Een groter aantal kinderen hebben, een gescheiden of alleenstaande ouder zijn of geen betaald werk verrichten, zijn factoren die dus niet noodzakelijk tot een grotere kans voor (club)sportinactiviteit leiden. De bevindingen uit de APS-analyse sluiten goed aan bij deze uit de PF/SBVanalyse. Bovendien geven ze aan dat het effect van leeftijd, geslacht en arbeidsmarktpositie omzeggens niet gewijzigd is gedurende de laatste vijf jaren. Alleen voor de invloed van het opleidingsniveau op het niet-sportdeelnamegedrag kan een significant verschil vastgesteld worden, in die zin dat de verschillen tussen de diverse oplei-
11. In die zin kunnen we ook een sterke samenhang vermoeden tussen het actieve sportgedrag van het kind/ de kinderen in het gezin en dit van de ouder(s) (Scheerder et al., 2003). Deze relatie kan niet volledig in kaart gebracht worden, daar in de PF/SBV-studies slechts één kind uit het gezin aan het onderzoek deelnam. Veeleer dan een oorzakelijk verband, is hier wellicht sprake van een selectie-effect. Het is waarschijnlijker dat sportieve partners met elkaar in contact gekomen zijn via de sport(club), dan dat de ene partner de andere tot sportbeoefening heeft aangezet. 12. Voor de ontwikkeling van het sportdeelnamegedrag tussen 1969 en 1999 merkten we eerder op dat de actieve sportbeoefening minder leeftijdsgevoelig geworden is (figuur 1). We kunnen dus stellen dat de sport voornamelijk in de zeventigerjaren haar uitsluitend jeugdig imago afgeworpen heeft.
243
Vlaanderen gepeild ! dingscategorieën nog iets scherper geworden zijn. Wel merken we op dat volgens de PF/SBV mensen zonder betaald werk in 1979 beduidend meer kans hadden op nietsportdeelname, terwijl volgens de APS in 1997 deze groep van mensen significant minder bij de niet-sportactieven opgemerkt kan worden. Het is hier wel belangrijk te vermelden dat in de APS-groep van mensen zonder betaald werk ook de nog schoolgaande populatie werd meegerekend. Daarentegen is het aantal PF/SBV-respondenten dat nog (voltijds) dagonderwijs volgt, uiterst klein gezien de samenstelling van de steekproef.
5
| Nieuwe sociale determinanten van niet-deelname aan (club)sport
Volgens de these van de symbolische samenleving zouden belangrijke maatschappelijke breuklijnen nu minder het gevolg zijn van verschillen in sociale posities bepaald door tewerkstelling, beroepsstatus of inkomen, doch meer tot uiting komen door de verschillen die vorm krijgen via invloedrijke socialisatiekanalen, waaronder onderwijs en media (Elchardus, 2002). Bovendien zou de invloed die uitgaat van het onderwijs en de media nog aangevuld worden door deze van de sociale participatie (Elchardus et al., 2001c). In de symbolische samenleving waarin we nu leven, zouden bijgevolg de materiële condities minder bepalend zijn voor de opvattingen en smaakpreferenties die mensen er op na houden. Nieuwe, dwingende contextvariabelen blijken zich te manifesteren. Met betrekking tot het domein van de actieve vrije tijd, vinden we bij Glorieux & Moens (2002) empirische ondersteuning voor deze trend tot detraditionalisering. In wat volgt willen we nagaan of actuele, invloedrijke socialisatoren – naast de reeds in kaart gebrachte sociale determinanten – een beduidende invloed uitoefenen op het niet-(club)sportdeelnamegedrag. De impact van de schoolloopbaan op de niet-(club)sportdeelname op latere leeftijd, kwam reeds in het vorige luik aan bod. Vandaar dat we hier specifiek zullen focussen op de mediaconsumptie en de middenveldparticipatie. De beschikbare vrije tijd – namelijk het aantal uren vrije tijd per week – steken we eveneens in de analyse13. De samenhang tussen (club)sportinactiviteit enerzijds en mediaconsumptie en sociale participatie anderzijds kan niet bestudeerd worden vanuit een historisch tijdsperspectief, daar deze variabelen in de PF/ SBV níet en in de APS bijna uitsluitend in 1999 bevraagd werden. We bekijken de situatie dus enkel op het einde van de jaren negentig. De bevindingen worden als een aanvulling gezien op de resultaten uit het vorige luik.
13. We doen dit omdat de variabele ‘vrijetijdskapitaal’ reeds in een vorige analyse een significante bijdrage leverde in de verklaring van het sportdeelnamegedrag. De extreme groepen (weinig vrijetijd en excessief veel vrijetijd) bleken toen eerder niet actief deel te nemen aan sport (Scheerder & Pauwels, 2002: 51-52).
244
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
De output van de stapsgewijze logistische regressie toont aan dat met betrekking tot de niet-sportdeelname, respectievelijk mediavoorkeur, het vrijetijdskapitaal en de lokaal-actieve middenveldparticipatie beduidend bijdragen tot de verklaring van het model (tabel 8). In het model voor de niet-clubsportdeelname daarentegen, blijkt van de nieuw toegevoegde variabelen alleen de lokaal-actieve middenveldparticipatie nog een bijdrage te leveren. Zowel in het eerste als in het tweede model blijft leeftijd evenwel de belangrijkste determinant. Het blijvend effect van leeftijd wordt door Glorieux & Moens (2002: 100-102) ook vastgesteld voor vrijetijdsbestedingpatronen. De intensiteit van het TV-kijkgedrag alsook de participatie in het sociaal-culturele middenveld blijken geen significante samenhang te vertonen met de (club)sportinactiviteit. Veel TV kijken of geen lid zijn van een sociaal-culturele vereniging hoeft bijgevolg niet noodzakelijk aanleiding te geven tot een grotere kans voor (club)sportinactiviteit. FIGUUR 2
Associatie tussen niet-sportdeelname en klassieke en nieuwe variabelen. Resultaten van de logistische regressie, APS’99
N=1323 referentiecategorieĂŤn: populair, man, weinig VT, non-participatie lokaal middenveld, (geen) lager onderwijs Hosmer-Lemeshow = .26 Nagelkerke R2 = .17
245
Vlaanderen gepeild ! FIGUUR 3
Associatie tussen niet-clubsportdeelname en klassieke en nieuwe variabelen. Resultaten van de logistische regressie, APS’99
N=1375 referentiecategorieĂŤn: man, non-participatie lokaal middenveld, betaald werk Hosmer-Lemeshow = .92 Nagelkerke R2 = .10
Uit de figuren 2 en 3 blijkt dat mensen met een populaire mediavoorkeur, mensen met weinig vrijetijd en/of niet-participanten van het lokaal-actieve middenveld, significant meer kans hebben om tot de groep van sportinactieven te behoren. Bovendien is er eveneens een beduidend sterke samenhang tussen het niet-participeren in het lokaal-actieve middenveld en het niet actief participeren in een sportvereniging. De uitkomsten naar leeftijd, geslacht en opleidingsniveau zijn vergelijkbaar met de eerder bekomen bevindingen. Deze resultaten geven duidelijk aan dat er sprake is van een invloed vanwege de grote socialiserende en beĂŻnvloedende instellingen als media, onderwijs en het lokale middenveld om al dan niet (club)sportinactief te zijn. Toch dienen we eveneens te beklemtonen dat zowel leeftijd als geslacht een zeer sterke invloed op de (club)sportinactiviteit blijven uitoefenen. Leeftijd en geslacht zijn immers de sterkste predictoren voor clubsportinactiviteit; alleen in het niet-sportdeelname-model neemt ook de mediavoorkeur een vooraanstaande plaats in. Omdat de impact vanwege media en middenveldparticipatie ten aanzien van de (niet)-deelname aan sport in het verleden nog maar zelden in kaart gebracht werd, gaan we hier kort nog na of deze socialisatoren ook een invloed uitoefenen op de intensiteit van het sportgedrag. Daarvoor worden drie intensiteitsgroepen onderscheiden: (i) de niet- tot matig sportactieven (0 tot en met 1 uur sport per week),
246
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
(ii) de sportactieven (tussen 1 en 3 uur sport per week), en (iii) de zeer sportactieven (meer dan 3 uur sport per week). De analyse zelf gebeurt aan de hand van een multinomiale logistische regressie, die gelijkaardig is aan de binaire logistische regressie doch meer algemeen is daar de afhankelijke variabele niet beperkt wordt tot twee categorieën. De analyse wijst uit dat in tegenstelling tot leeftijd, geslacht en vrijetijdskapitaal, mediavoorkeur, intensiteit van het TV-kijkgedrag noch opleidingsniveau significant determinerend zijn voor de intensiteit waaraan door volwassenen actief gesport wordt14. Laag- of hoogopgeleid zijn, een populaire of elitair-kritische mediavoorkeur hebben en/of veel of weinig TV kijken, blijkt niet bepalend voor de sportintensiteit. Non-participatie in het lokaal actieve middenveld daarentegen, geeft beduidend minder aanleiding om tot de groep van sportactieven te behoren, en meer kans tot de groep van zeer sportactieven.
6
| Het verband tussen niet-deelname aan (club)sport en maatschappelijke attitudes
Tot hier toe zijn we op zoek gegaan naar sociale determinanten die de niet(club)sportdeelname kunnen verklaren, alsook wat de persistentie is van een aantal van deze determinanten doorheen de tijd. We weten nu dat noch de sportdeelname, noch de clubsportdeelname erop achteruitgegaan zijn gedurende de afgelopen decennia en dat de sociale structurering van de sportdeelname (nog steeds) gebeurt via invloedrijke socialisatiekanalen. Nadat we in het voorgaande dus zijn ingegaan op factoren die mogelijk een invloed kunnen hebben op de (club)sportinactiviteit, keren we in het volgende en laatste deel de vraagstelling om: we zullen ons nu richten op de vermeende ‘effecten’ van (non-)participatie in (club)sport. Meer bepaald gaan we op zoek naar de mogelijke bijdrage die actieve (club)sportbeoefening zou kunnen leveren in de bestrijding van de teloorgang van de sociale cohesie in de samenleving. Door in onze inleiding te stellen dat de maatschappelijke belangstelling voor sport aanzienlijk gewijzigd is in de afgelopen decennia, suggereerden we eveneens dat de maatschappelijke betekenis van de sport(deelname) in die periode duidelijk meer in de kijker geplaatst werd, of dat de aandacht hiervoor vanwege het beleid althans toegenomen is. Aan actieve sportbeoefening worden inderdaad talrijke en belangrijke maatschappelijke functies en sociale betekenissen toegekend (De Knop & Hoyng, 1998; Van Bottenburg & Schuyt, 1996; Vanreusel & Bulcaen, 1992). In de richtinggevende beleidsnota Strategisch Plan voor Sportend Vlaanderen15 (Martens, 1997:
14. De bevindingen werden in deze bijdrage niet in een tabel opgenomen. 15. In het Strategisch Plan voor Sportend Vlaanderen werden voor de eerste maal in de geschiedenis van het Vlaams sportbeleid, systematisch de missie, de kerntaken, de strategische doelstellingen en de kritische succesfactoren omschreven betreffende het te voeren sportbeleid, alsook een fasering van deze beleidsmaatregelen.
247
Vlaanderen gepeild ! 15) wordt bijvoorbeeld de sociaal-integratieve waarde van sportdeelname als een belangrijke maatschappelijke functie van sport naar voor geschoven. Ook heel wat organisaties – veelal actief buiten de sport, i.c. de justitiële en welzijnssector – hebben de maatschappelijke waarde van actieve sportbeoefening ontdekt in de afgelopen decennia. De sociaal-integratieve waarde van sportdeelname zou gelegen zijn in de bijdrage tot verwezenlijking van ‘sociaal kapitaal’, het modern wervend politiek alternatief voor het oudere sociologische begrip ‘sociale cohesie’, ook wel als ‘coöperatief vermogen’ aangeduid (Knol et al., 2002: 16). Men zegt dat via sport sociale contacten tot stand komen en het gemeenschapsgevoel geïntensifieerd wordt. Actieve sportbeoefening zou de mogelijkheid bieden tot een versterkte sociale binding (‘bonding’) en zou eveneens sociale overbrugging (‘bridging’) bevorderen16, hoewel dit laatste aspect door een aantal auteurs sterk in twijfel getrokken wordt en bekritiseerd wegens het ideologische karakter en differentiërende vermogen dat de sport nog steeds heeft (zie bijvoorbeeld Booth & Loy, 1999; Bourdieu, 1978; 1991; Elling & De Knop, 1998; 2001; Elling, 2002; Stokvis, 1979). In het gedachtegoed van de sociale conflicttheorie blijft de sport voor deze auteurs grotendeels een domein van klassenstrijd waarin de sociale ongelijkheid voortdurend bevestigd wordt. De sport vervult niet steeds de voorbeeldfunctie die haar vaak wordt toegemeten. In hun empirische analyse van de relatie tussen sportdeelname en sociaal kapitaal stellen Breedveld & Van der Meulen (2002/2003; 2003) een onderzoeksmodel voor waarmee onderzoeksvragen over sport en sociale cohesie in een welbepaalde volgorde geplaatst kunnen worden, namelijk: wie sport (participatie) op welke wijze en met wie (sociale context) en met welke gevolgen van dien (sociale betekenis)? De vraagstellingen omtrent participatie en sociale context kwamen in de vorige paragrafen aan bod. Wat de sociale betekenis betreft, onderscheiden Breedveld & Van der Meulen (2002/2003: 41) drie aspecten, zijnde: netwerkvorming, pro-sociale opvattingen en pro-sociale gedragingen. Hier zullen we alleen kijken naar de relatie tussen (club)sport(in)activiteit en pro-sociale opvattingen. Waar het sociaal kapitaalonderzoek gedurende het laatste decennium in een academische stroomversnelling terechtgekomen is – daarbij voornamelijk schatplichtig aan het werk van de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam (1993; 1995; 2000) – staat het onderzoek naar de relatie tussen (club)sportbeoefening en sociaal kapitaal vooralsnog in de kinderschoenen. De vraag die zich dan opdringt is óf en in welke mate sport(deelname) kan bijdragen om de trend van een afnemend sociaal kapitaal af te remmen. Putnam zelf schrijft hierover: “[…] teamsports provide good venues for social-capital creation.” (2000: 411)
16. Volgens Putnam (2000) leveren ‘bonding’-netwerken – i.c. netwerken die vooral actoren met dezelfde beroepen, levensbeschouwingen of politieke overtuigingen verbinden – slechts een beperkte bijdrage aan de vorming van sociaal kapitaal. Het zijn voor deze auteur op de eerste plaats ‘bridging’-netwerken – i.c. netwerken waarin individuen met verschillende definiërende kenmerken participeren – die er voor zorgen dat leden van verschillende gemeenschappen met elkaar in contact kunnen komen.
248
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
Een andere Amerikaanse politicoloog, Eric Uslaner, poneert de stelling dat mensen die actief aan sport doen meer intermenselijk vertrouwen hebben en zich eveneens – omwille van het toegenomen vertrouwen – eerder zullen aansluiten bij vrijwilligersorganisaties (1999: 201). Putnam en Uslaner behoren tot de strekking die sterk optimistisch gestemd is over de potentie van de sport om sociale contacten te smeden tussen personen uit diverse bevolkingsgroepen. “Sport zorgt voor sociaal kapitaal, omdat het voor zelfvertrouwen zorgt en leert respect te hebben voor regels. […] En sport verschaft, evenals een andere belangrijke bepalende factor van vertrouwen (opleiding), waarden. Mensen van elke achtergrond ontmoeten elkaar op het veld, wat bijdraagt aan de vorming van de tolerantie die essentieel is voor algemeen vertrouwen. […] Geen andere vrijetijdsbesteding bevordert het vertrouwen of het maatschappelijk engagement zozeer als sport dat doet. Het bezoeken van musea doet ook allebei toenemen, maar de effecten verdwijnen zodra we corrigeren voor opleidingsniveaus.” (Uslaner, 1999: 201) Geïnspireerd door de stellingen van Putnam en Uslaner en met de eerder geduide ontwikkelingen inzake niet-(club)sportdeelname in het achterhoofd, wensen we in dit laatste luik exploratief het verband na te gaan tussen (club)sport(in)activiteit en een aantal al dan niet pro-sociale opvattingen. Daarom dat in de volgende analyse het sociaal kapitaal-concept centraal staat en dat we zowel structurele componenten (i.c. participatie) als een aantal culturele componenten (i.c. attitudes) van dit concept zullen bestuderen. Daarvoor maken we gebruik van een aantal vragen in de APS’02 over democratische attitudes. Meer bepaald richten we ons op vijf waarden die collectieve actie mogelijk maken of juist belemmeren: (i) het nastreven van eigenbelang (utilitair individualisme), (ii) het versterken van vooroordelen17 (etnocentrisme), (iii) het zich politiek machteloos (politiek wantrouwen) of (iv) sociaal onveilig voelen (onveiligheidgevoel), en (v) het nastreven van een eerder behoudsgezinde ingesteldheid (traditionalisme)18. Deze reeks van waarden legt het accent op onder meer een gebrek aan solidariteit, intolerantie, geslotenheid, rigiditeit en een afwijzen van het streven naar gelijkheid (Hooghe, 2002: 76). Het onderschrijven van deze houdingen zal in de praktijk democratische netwerkvorming en sociale coöperatie bemoeilijken en bijgevolg een onsuccesvolle integratie binnen het sociale weefsel bewerkstelligen. Deze schalen refereren aan een gebrek aan sociaal kapitaal, zodat het aannemelijk is ze verder als afhankelijke variabelen op te nemen. Dat deze en geen andere attitudinale componenten van het sociale kapitaal weerhouden werden, heeft op de eerste plaats te maken met de beschikbaarheid ervan binnen de APS-sur17. Enkel de negatieve houdingen ten aanzien van de out-group, i.c. migranten, werden voor deze schaal in aanmerking genomen. Het concept ‘etnocentrisme’ impliceert in principe ook de positieve houdingen ten aanzien van de in-group; deze houdingen werden in onze analyse evenwel niet mee opgenomen. 18. Voor een theoretische en methodologische uitdieping van de hier opgesomde waardehoudingen verwijzen we naar Billiet (1998), Elchardus & Glorieux (2002), Elchardus & Heyvaert (1990), Hooghe (2002), Waege & Agneessens (2001) en Waege & Billiet (1998).
249
Vlaanderen gepeild ! vey, dan wel dat met deze set aan attitudevariabelen een algemeen geldende operationalisering van de notie ‘sociaal kapitaal’ beoogd zou worden. Dit maakt dat in deze bijdrage (nog) andere attitudes opgenomen worden dan bijvoorbeeld het geval is in andere studies over de relatie tussen sport en sociale cohesie (cfr. Breedveld & Van der Meulen, 2002/2003; Seippel, 2002; Van der Meulen & Breedveld, 2003). Hooghe (2002: 75) benadrukt dat ‘sociaal kapitaal’ moeilijk te operationaliseren is, en dat er bovendien binnen de internationale literatuur geen algemeen aanvaard meetinstrument voor dit concept bestaat. Begrippen als ‘vertrouwen’ en ‘wederkerigheid’ laten zich immers niet ondubbelzinnig vatten in hanteerbare surveyvragen. We hebben er echter voor geopteerd betrouwbare meetschalen in de analyse op te nemen, namelijk deze schalen die minimaal uit meerdere items bestaan. Ook deze optie om enkel met betrouwbare meetschalen te werken, heeft het aantal afhankelijke variabelen beperkt. Alle respondenten krijgen voor elke attitude een waarde die de som is van de scores voor de verschillende schaalgebonden items19. Op basis van de frequenties van deze waarden worden de respondenten in drie gelijke groepen ingedeeld. Per meetschaal zijn er aldus drie categorieën van respondenten, namelijk: (i) zij die de attitude het minst onderschrijven, (ii) zij die gematigd scoren voor de attitude, en (iii) zij die de attitude het meest onderschrijven. Omdat we drie groepen onderscheiden, maken we gebruik van een multinomiale logistische regressieanalyse. We rapporteren enkel de resultaten van de eerste groep, terwijl de derde groep als referentiecategorie fungeert (tabel 9). In elk model controleren we voor de invloed van leeftijd, geslacht en opleiding; de waarden van deze achtergrondvariabelen worden echter niet mee in de tabel opgenomen. Een hoge, significante odds ratio geeft aan dat er een beduidend grotere kans bestaat om met de desbetreffende opvatting minimaal of zelfs helemaal niet in te stemmen. De resultaten van de multinomiale logistische regressieanalyse brengen aan het licht dat (club)sportinactiviteit een positieve samenhang vertoont met antisociale attitudes. Mensen die niet actief aan sport doen (in clubverband) hebben een aanzienlijk grotere kans om hoog te scoren voor utilitair individualisme, etnocentrisme, politiek wantrouwen en traditionalisme. Alleen voor het onveiligheidgevoel kunnen eerder neutrale waarden opgemerkt worden. We stellen eveneens vast dat de clubsportdeelname niet voor elke opvatting betere kansen tot een pro-sociale houding kan voorleggen, ook de actieve sportbeoefening in vrij verband vertoont immers sterke positieve verbanden. (Club)sportinactiviteit kent een vergelijkbare samenhang met de diverse attitudes als het niet-lidmaatschap van een sociaal-culturele vereniging. Wel laat het lidmaatschap van een sociaal-culturele vereniging geen significante samenhang zien voor traditionalisme, terwijl het dit wel doet voor onveiligheidgevoel. Het lidmaatschap van een lokaal actieve vereniging daarentegen, levert nergens significante verbanden op. Dit neutraliserend effect kan voornamelijk ver19. Alleen de respondenten die voor alle items een mening hebben geformuleerd, werden in aanmerking genomen.
250
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
klaard worden vanuit de bijdrage vanwege caféverenigingen. Het lidmaatschap van dit soort verenigingen vertoont doorgaans een sterkere positieve samenhang met de hier gehanteerde anti-sociale houdingen. In vergelijking met andere, niet-verenigingsgebonden vrijetijdsbestedingen, waaronder theater-, museum- of concertbezoek, leidt vrije sportbeoefening over het algemeen tot een zwakker verband met de hier bestudeerde opvattingen. Alleen het frequenteren van een bibliotheek en het bijwonen van een sportwedstrijd kennen lagere of geen significante waarden. Uit deze analyses kunnen we afleiden dat niet alleen leden van sociaal-culturele verenigingen, museumbezoekers, etc., maar óók (club)sporters zich sociaal betrokken voelen en blijk geven van een zin voor inburgering. Deze uitkomsten liggen in de lijn van de onderzoeksresultaten die we terugvinden bij Breedveld & Van der Meulen (2002/2003: 44-46), Elchardus et al. (2000: 19-22; 2001b: 115-118), Hooghe (2002: 91), Seippel (2002: 15-16) en Van der Meulen & Breedveld (2003, in press). (Club)sport is een ontmoetingsplaats en kan beantwoorden aan een maatschappelijke behoefte tot affiliatie en het opbouwen van een sociaal netwerk. Voor de clubgeorganiseerde sport geldt bovendien dat deze sector meer actieve leden telt dan enig ander soort vrijetijdsvereniging. In onze bespreking komen we hier op terug. Hoewel we hier onmiskenbaar beduidende verbanden kunnen vaststellen tussen sportdeelname en een aantal pro-sociale attitudes, dienen toch ook enkele kanttekeningen geformuleerd. Vooreerst zijn de relaties die we vaststellen zwakker dan deze tussen, bijvoorbeeld, het opleidingsniveau en de diverse houdingen. De hier bestudeerde opvattingen worden meer beïnvloed door de kansen die men gekregen heeft inzake scholing dan wel door het al dan niet participeren in (club)sport. Voorts bestaat in het sociaal kapitaalonderzoek onzekerheid omtrent de causale richting van de samenhang tussen participatie en democratische opvattingen die participanten erop na houden. Concreet: bevordert de actieve (club)sportbeoefening de vorming van sociaal kapitaal (socialisatie), of ligt het verband juist omgekeerd en komen individuen met een aanleg voor sociale interactie gemakkelijker in contact met de (georganiseerde) sport waardoor haast automatisch een concentratie optreedt van meer democratisch-geïnspireerde burgers (selectieve recrutering)? Heel wat bronnen in het sociaal kapitaalonderzoek betogen dat de relatie tussen vrijwillige (verenigings)participatie en het onderschrijven van een meer democratisch waardepatroon een selectie-effect betreft, en geen – of althans in mindere mate – een socialisatieeffect (Hooghe, 2002: 33-34; Stolle, 1999: 269-270). Dat we in deze studie enkel een beroep kunnen doen op cross-sectionele data impliceert dat hier geen uitspraken geformuleerd kunnen worden over de richting van de causaliteit. Daarvoor is longitudinaal of (quasi-)experimenteel onderzoek aangewezen (Elchardus et al., 2001b: 108; Hooghe, 2002: 74; Stolle, 1999: 270). Elchardus et al. (2001b: 109) opperen evenwel een test die een socialisatie-effect moet kunnen aantonen, namelijk door na te gaan of de vroegere participatie tijdens de jeugd zijn sporen nalaat op de houdingen en de mate van sociale integratie op volwassen leeftijd. Deze auteurs verwijzen hier onder meer naar de deelname aan sport in verenigingsverband. Als namelijk het vroegere lid-
251
Vlaanderen gepeild ! maatschap een effect heeft op de huidige attitudes, dan zou men kunnen veronderstellen dat de participatie een invloed uitoefent op de sociale integratie, eerder dan andersom. Onze data geven evenwel geen eenduidige bevindingen met betrekking tot de actieve sportbeoefening op jongere of zelfs jeugdige leeftijd (hier enkel te bepalen aan de hand van een vroeger lidmaatschap van een sportclub). Tenslotte hebben we in onze analyse geen rekening kunnen houden met de intensiteit van de sportbeoefening, de duur van het lidmaatschap van een sportvereniging, de communicatiepatronen onder de participanten, etc. Toekomstig onderzoek zal de bevindingen uit deze studie verder moeten aanvullen en wellicht ook nuanceren.
7
| Besluit
Door toedoen van de toegenomen welvaart, de gemiddelde stijging van het opleidingspeil en de verspreiding van de massamedia in de afgelopen halfeeuw, zijn ook de populariteit van en de keuzemogelijkheden binnen de sport sterk gestegen. Meer mensen, voornamelijk steeds meer vrouwen en ouderen, komen nu actief met sport in contact of krijgen daar de kans toe. De sportinactiviteit is met andere woorden gedurende de laatste decennia niet toegenomen. Een ook de vermeende daling van participatieniveaus in het verenigingsleven kan wat de georganiseerde sport betreft, niet vastgesteld worden20. Daarmee is het maatschappelijke draagvlak voor de sport verbreed. Maar ondanks het toegenomen sportaanbod en de popularisering van de sport, blijft de actieve sportbeoefening sterk sociaal gestructureerd: niet-deelname aan (club)sport blijft nog steeds bij bepaalde groepen in de samenleving meer voorkomen dan bij andere. Dat maakt dat nog altijd een groot aantal mensen niet actief in contact komt met sportbeoefening. Deze vaststelling is een aandachtspunt op zich voor een beleid dat de sport voor/door allen hoog in het vaandel draagt. De bevindingen uit de voorliggende studie geven aan dat: • parallel aan de algemene toename van de sportdeelname, ook de participatie in de verenigingssport aan belang gewonnen heeft; nooit kon een terugval in sportclublidmaatschap opgemerkt worden; • niet-deelname aan (club)sport nog altijd zeer goed voorspelbaar is op basis van traditionele sociologische achtergrondvariabelen, i.c. leeftijd, geslacht en opleidingsniveau; • gedurende de laatste twee decennia de invloed van leeftijd en opleidingsniveau op de (club)sportinactiviteit onverminderd blijft; het geslacht daarentegen wordt een steeds minder bepalende factor;
20. Dat we in de sport geen daling van het aantal clubleden kunnen vaststellen, geldt zowel voor jongeren als voor volwassenen (Scheerder et al., 2002a: 23; 38; 64; 93). Daarmee doen we echter geen uitspraak over de intensiteit of de duur van het lidmaatschap. Voor heel wat participanten is er immers eerder sprake van een kortstondig ‘clubcontact’ in plaats van een geëngageerd lidmaatschap.
252
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
• niet-deelname aan (club)sport (nu) ook sterk bepaald wordt door determinanten als mediavoorkeur en lokale middenveldparticipatie; • (club)sportinactiviteit een duidelijke negatieve samenhang vertoont met een aantal pro-sociale opvattingen. Een beleid dat de positieve effecten van actieve sportbeoefening wil doen gelden – zowel deze van medische, educatieve als sociale aard – moet op de eerste plaats een beleid zijn dat de kansenongelijkheid inzake sportdeelname sterk minimaliseert of zelfs wegwerkt. Vandaar dat onderzoek naar determinanten van nonparticipatie belangrijk kan zijn voor een beleid dat het participatiegedrag van bepaalde doelgroepen wil beïnvloeden of bevorderen. In het afgelopen decennium heeft de Vlaamse overheid zich met haar sportbeleid terecht in hoofdzaak gefocust op de georganiseerde jeugdsportparticipatie (zie Bloso, diverse jaargangen; Martens, 1997; Vlaams Parlement, 2000; Vlaamse Raad, 1995). In deze bijdrage daarentegen, werd het sociale profiel van de volwassen, (nog) niet-(georganiseerde-)sporter gedeeltelijk in kaart gebracht. Toekomstige generaties volwassenen, en senioren in het bijzonder, zullen meer tijd, middelen en motivatie hebben om te participeren in recreatieve sport- en bewegingsactiviteiten (Crum, 1998; Scheerder, 2002). Het is belangrijk dat het beleid op deze aankomende behoefte kan inspelen. Dit hoeft geenszins te betekenen dat het jeugdsportbeleid uit het oog verloren mag of moet worden, integendeel. De beleidsaandacht zou mogelijks meer op vier invloedrijke socialisatiekanalen afgestemd kunnen worden: (i) het gezin, (ii) het onderwijs, (iii) de media en (iv) de middenveldparticipatie. Wat het gezin betreft, hebben we in deze bijdrage vastgesteld dat – gecontroleerd voor andere achtergrondvariabelen – het sportkapitaal van de levenspartner zeer sterk de (club)sportinactiviteit van de betrokkene bepaalt. De kans om (club)sportinactief te zijn, neemt beduidend toe wanneer ook de partner niet-actief participeert in (club)sport. Zonder hier uitspraken te formuleren over de causaliteit van dit verband – namelijk dat een onsportieve partner ‘sportief’ wordt door toedoen van het sportieve gedrag van de andere partner, dan wel dat sportief aangelegde mensen meer kans hebben op een sportieve partner, bijvoorbeeld door aansluiting bij een sportclub – is toch duidelijk dat de primaire socialisator, met name de familiale omgeving, een zeer belangrijke stimulator is om al dan niet deel te nemen aan (club)sport. Dat blijkt ook uit andere studies die een significant verband vaststellen tussen sportinactieve ouders en sportinactieve kinderen (Hultsman, 1993; Scheerder et al., 2002a; 2002b; 2003). Het beleid zou meer kunnen inspelen op de (georganiseerde) sportbeoefening in familiaal verband. Naast jeugdsport en seniorensport dus ook aandacht voor familiesport in clubverband. Dat zal mogelijks een belangrijkere opdracht worden voor sportfederaties en sportverenigingen. Via ouders kunnen kinderen bereikt worden, en mogelijks ook omgekeerd. In de literatuur worden evenwel ook andere actoren uit de onmiddellijke leefomgeving als belangrijke socialisatoren van (club)sportinactief gedrag bij jongeren aangeduid, i.c. peers en vrienden (Anders-
253
Vlaanderen gepeild ! sen & Wold, 1992; Wold & Anderssen, 1992). Het effect van deze actoren zou bij adolescenten sterker worden met toenemende leeftijd (Hendry et al., 1993). Wat hier echter primeert is de vaststelling dat de (club)sportinactiviteit van ‘directe naasten’ toelaat (club)sportinactieve doelgroepen te detecteren. Andere socialisatoren, namelijk het onderwijs, de media en het lokaalsociale netwerk, blijken eveneens een sterk bepalende invloed uit te oefenen op nietdeelname aan (club)sport. Mensen met een beperkte schoolloopbaan, mensen met een populaire mediavoorkeur en/of mensen die niet participeren in het lokaal actieve middenveld, zijn eveneens mensen met een significant grotere kans tot (club)sportinactiviteit. Dit zijn de doelgroepen die, nog steeds, een extra inspanning vragen vanwege een Sport voor Allen beleid. Aangezien deze groepen met twee socialisatiekanalen duidelijk in contact komen, namelijk met het onderwijs enerzijds en met populaire media anderzijds, kunnen sportstimulerende beleidsacties best via deze kanalen ondernomen worden. Het medium onderwijs kan voornamelijk in de adolescentiefase een belangrijke rol vervullen. Hier is er niet enkel het vak lichamelijke opvoeding, doch ook het extracurriculaire sport- en bewegingsaanbod dat een sportsocialiserende rol kan spelen. In Vlaanderen worden de laatste jaren reeds beleidsinitiatieven genomen waarbij de naschoolse sport door een samenwerking tussen school, sportclub en lokale overheid uitgebouwd wordt (Scheerder, 2003). Deze initiatieven zouden in de toekomst blijvend ondersteund moeten kunnen worden, met daarbij een sterke focus op scholieren uit het beroeps- en technisch secundair onderwijs enerzijds en vrouwelijke schoolverlaters anderzijds (Scheerder et al., 2002b; Scheerder & Vanreusel, 2002b: 32 e.v.). In deze bijdrage lag het accent echter op de (club)sportinactieve volwassenen. Deze doelgroep kan men via de meer populaire media bereiken en sensibiliseren. Zeker het clubsportaanbod zou op deze manier nog meer in de kijker geplaatst mogen worden. Van alle vormen van vrijetijdsbesteding kent de sport nagenoeg het grootste non-profit maatschappelijke middenveld (cfr. Elchardus et al., 2001a: 34; Van Bottenburg & Schuyt, 1996: 18). Dat verklaart wellicht de groeiende interesse vanuit het sociaal kapitaalonderzoek voor de sport. Alle federaties in aanmerking genomen, kan het aantal actieve sportverenigingen in Vlaanderen anno 2000 op meer dan 20 000 geschat worden (APS/MVG, 2001: 286). Het totaal aantal leden van deze clubs zou ruim twee miljoen bedragen. Haast geen enkele andere sector doet bovendien meer beroep op vrijwilligers dan de sportsector. In de APS’02 zegt 4,6% van de bevolking, d.i. een slordige 250 000 mensen, regelmatig onbetaald vrijwilligerswerk te verrichten in een sportvereniging. Alleen de volontaire hulpverlening bij familie, buurt of kinderopvang scoort hier iets hoger. Het economische equivalent van dit segment wordt geschat op 250 miljoen euro (Laporte et al., 1997: 55-56). Dat actieve clubsportparticipatie, zoals aangetoond in deze bijdrage, bovendien een beduidend vermogen tot inburgering heeft en in die zin een aanzienlijke bijdrage levert tot de ‘sociale economie’, is een extra argument om het maatschappelijke belang van de georganiseerde breedtesport in Vlaanderen te onderstrepen. Sportverenigingen vormen dus
254
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
een maatschappelijk belangrijk en groot organisatiekader. Dat biedt vanuit cohesieoogpunt perspectieven voor het beleid. Voor de Vlaamse overheid is de georganiseerde sport dan ook het medium bij uitstek om een aangepast sportbeleid door te voeren, daar zij over deze sector een onmiddellijke invloed kan uitoefenen via erkenning en subsidiĂŤring. Het is op de eerste plaats met dit kanaal dat de overheid nog niet-sportende burgers zal moeten aanspreken, indien men een meer langdurige participatie nastreeft.
255
Vlaanderen gepeild ! BIBLIOGRAFIE
Anderssen, N. & Wold, B. (1992). Influences on leisure-time physical activity in young adolescents. Behaviour, support and values of parents and peers. Research Quarterly for Exercise & Sport 63: 341-348. APS/MVG (2001). Vrind 2000. Vlaamse Regionale Indicatoren. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Administratie Planning & Statistiek. APS/MVG (2002). Vrind 2001. Vlaamse Regionale Indicatoren. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Administratie Planning & Statistiek. Billiet, J. (1998). Sociaal kapitaal, levensbeschouwelijke betrokkenheid en maatschappelijke integratie in België. Tijdschrift voor Sociologie 19(1): 33-54. Bloso (diverse jaargangen). Jaarverslagen 1993 tot en met 2000. Brussel: Commissariaat-generaal voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport & de Openluchtrecreatie. Bollaert, L., Stoffen, M., De Knop, P., Corijn, E., Matthijs, K., Neefs, H. & Delanghe, L. (2000). Toerisme, recreatie en vrijetijd in Vlaanderen anno 2000 (Onderzoek in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – Administratie Wetenschap & Innovatie). Brussel/Leuven: VUBrussel/Onderzoekseenheid Vrijetijd, Toekomst & Beleidsplanning / KULeuven/Departement Sociologie. Booth, D. & Loy, J. (1999). Sport, status and style. Sport History Review 30: 1-26. Bourdieu, P. (1978). Pratiques sportives et pratiques sociales. In: HISPA (Ed.). 7ème Congrès international de l’Association Internationale de l’Histoire de l’Education Physique et du Sport (HISPA Congrès, Paris; 1978). (pp. 17-37). Paris: Institut National du Sport et de l’Education Physique. Bourdieu, P. (1991). Sport and social class. In: C. Mukerji & M. Schudson (Eds.). Rethinking popular culture. Contemporary perspectives in cultural studies. (pp. 357-373). Berkeley (Cal.): University of California Press. Breedveld, K. & Van der Meulen, R. (2002/2003). Vertrouwen in de sport. Een empirische analyse van de relatie tussen sportdeelname en sociaal kapitaal. Vrijetijdstudies 20(2): 37-49. Carton, A. & Loosveldt, G. (2000a). Basisdocumentatie culturele verschuivingen in Vlaanderen 1996-2000 (Onderzoeksverslag Departement Sociologie/afdeling Dataverzameling & Analyse). Leuven: KULeuven/Departement Sociologie. Carton, A. & Loosveldt, G. (2000b). Procesevaluatie van de dataverzameling in het kader van het meetinstrument: culturele verschuivingen in Vlaanderen 2000 (Onderzoeksverslag Departement Sociologie/afdeling Dataverzameling & Analyse 24). Leuven: KULeuven/Departement Sociologie. Council of Europe (1975). The European Sport for All Charter. Strasbourg: Council of Europe/Committee for the Development of Sport. Council of Europe (1980). The European Sport for All Charter. Text and background. 2 nd edition. Strasbourg: Council of Europe/Committee for the Development of Sport.
256
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
Crum, B. (1991). Over versporting van de samenleving. Reflecties over de bewegingsculturele ontwikkelingen met het oog op sportbeleid. Rijswijk: Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid & Cultuur. Crum, B. (1998). Nadenken over vraag en aanbod. Seniorensport in de eerste jaren van de 21ste eeuw. Lichamelijke Opvoeding 86(8): 360-365. De Knop, P. & Hoyng, J. (1998). De functies en betekenissen van sport. Tilburg: Tilburg University Press. Digel, H. (1990). Die Versportlichung unserer Kultur und deren Folgen für den Sport. Ein Beitrag zur Uneigentlichkeit des Sports. In: H. Gabler & U. Göhner (Eds.). Für einen besseren Sport. (pp. 73-96). Schorndorf bei Stuttgart: Hofmann. Elchardus, M. & Glorieux, I. (Eds.) (2002). De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes. Tielt: Lannoo. Elchardus, M. & Heyvaert, P. (1990). Soepel, flexibel en ongebonden. Een vergelijking van twee laat-moderne generaties. Brussel: VUB Press. Elchardus, M., Hooghe, M. & Smits, W. (2000). Tussen burger en overheid. Een onderzoeksproject naar het functioneren van het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen (Samenvatting van de onderzoeksresultaten: oorzaken en gevolgen van middenveldparticipatie, deel 1; TOR Rapport 2000/5). Brussel: VUBrussel/TOR. Elchardus, M., Hooghe, M. & Smits, W. (2001a). De vormen van middenveldparticipatie. In: M. Elchardus, L. Huyse & M. Hooghe (Eds.). Het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Een onderzoek naar de sociale constructie van democratisch burgerschap. (pp. 15-46). Brussel: VUBPress. Elchardus, M., Hooghe, M. & Smits, W. (2001b). De werken van het middenveld. In: M. Elchardus, L. Huyse & M. Hooghe (Eds.). Het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Een onderzoek naar de sociale constructie van democratisch burgerschap. (pp. 105-134). Brussel: VUBPress. Elchardus, M., Huyse, L. & Hooghe M. (Eds.) (2001c). Het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Een onderzoek naar de sociale constructie van democratisch burgerschap. Brussel: VUBPress. Elchardus, M. (2002). Op in rook? In: M. Elchardus & I. Glorieux (Eds.). De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes. (pp. 7-30). Tielt: Lannoo. Elling, A. (2002). Ze zijn er (niet) voor gebouwd. In- en uitsluiting in de sport naar sekse en etniciteit. Nieuwegein: Arko Sports Media. Elling, A. & De Knop, P. (1998). ‘Sport integreert’, maar niet altijd en voor iedereen. In: J. Steenbergen, A.J. Buisman, P. De Knop & J.M.H. Lucassen (Eds.). Waarden en normen in de sport. Analyse en beleidsperspectief (Lichamelijke Opvoeding & Sport: Praktijk, Theorie & Onderzoek). (pp. 131-146). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. Elling, A. & De Knop, P. (2001). Sport en sociale integratie. Ervaringen en meningen uit het veld. Vrijetijdstudies 19(2/3): 35-52. Glorieux, I. & Moens, M. (2002). Hoe vrij is de vrije tijd? Over de symbolische structuren van het vermaak. In: M. Elchardus & I. Glorieux (Eds.). De symbolische samenleving. Een exploratie van de nieuwe sociale en culturele ruimtes. (pp. 85-108). Tielt: Lannoo.
257
Vlaanderen gepeild ! Heinemann, K. (1989). Der ‘nicht-sportliche’ Sport. In: K. Dietrich & K. Heinemann (Eds.). Der nicht-sportliche Sport. Beitrage zum Wandel im Sport (Texte, Quellen, Dokumente zur Sportwissenschaft 25). (pp. 11-28). Schorndorf bei Stuttgart: Hofmann. Hendry, L.B., Shucksmith, J., Love, J.G. & Glendinning, A. (1993). Young people’s leisure and lifestyles (Adolescence & Society). (pp. 58-74). London: Routledge. Hooghe, M. (2002). Sociaal kapitaal in Vlaanderen. Een onderzoek naar de relatie tussen verenigingsleven en democratische politieke cultuur. (Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam; doctoraatsproefschrift). Hultsman, W.Z. (1993). The influence of others as a barrier to recreation participation among early adolescents. Journal of Leisure Research 25(2): 150-164. Knol, F., Maas-de Waal, C., Roes, T., Breedveld, K. & De Hart, J. (Eds.) (2002). Zekere banden. Sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid. Den Haag: Sociaal & Cultureel Planbureau. Laporte, W., Bollaert, L., De Knop, P., Taks, M., Verhoeven, M., Duysters, A. & Van Bunder, D. (1997). Het vrijwilligerswerk in een veranderende sportwereld. Een empirische studie inzake de ontwikkeling van professionele deskundigheid. Brussel: Interuniversitair Onderzoekscentrum voor Sportbeleid. Martens, L. (1997). Strategisch plan voor sportend Vlaanderen. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Kabinet van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin & Welzijn. Ostyn, M., Simons, J., Beunen, G., Renson, R., Van Gerven, D. (Eds.) (1980). Somatic and motor development of Belgian secondary schoolboys. Norms and standards. Leuven: Leuven University Press. Putnam, R. (1993). Making democracy work. Civic traditions in modern Italy. Princeton: Princeton University Press. Putnam, R. (1995). Bowling alone. America’s declining social capital. Journal of Democracy 6(1): 65-78. Putnam, R.D. (2000). Bowling alone. The collapse and revival of American community. New York (NY): Simon & Schuster. Renson, R. (1973) Sociokulturele determinanten van de somatische ontwikkeling, de motorische vaardigheid en het sportgedrag van 13-jarige Belgische jongens. (Leuven: KULeuven – Instituut voor Lichamelijke Opleiding; niet-gepubliceerd doctoraatsproefschrift lichamelijke opvoeding). Scheerder, J. (1999). Onderzoek naar de bewegingsactiviteiten bij leerlingen en hun ouders in Vlaanderen – Participatieonderzoek anno 1999 (SBV’99) (Technische bijlagen en wetenschappelijke instrumentaria). (ongepag.). (Leuven: KULeuven/Departement Sport- & Bewegingswetenschappen; intern werkinstrument). Scheerder, J. (2002). Sport en senioren. Naar een kwalitatief actief vrijetijdsaanbod voor toekomstige ouderengeneraties. In: P. De Knop, B. Vanreusel & J. Scheerder (Eds.) Sportsociologie. Het spel en de spelers. (pp. 374-384). Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg. Scheerder, J. (2003). School, sport en samenleving. Naar een flexibele opdracht voor de leerkracht lichamelijke opvoeding. In: G. Steens & K. Geeraerts (Eds.). Praktijkgids sportmanagement. Mechelen: Kluwer. (in press)
258
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
Scheerder, J. & Pauwels, G. (2002). Vlaanderen sportief gepeild! Resultaten van de APS-survey 1999 (Stativaria 26). Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Administratie Planning & Statistiek. Scheerder, J., Taks, M., Dehaese, J. & Lagae, W. (2003). The role of mothers’ sport capital in the active sport participation behavior of teenage girls. Empirical evidence for 1979, 1989 and 1999, in Flanders (Belgium). (submitted) Scheerder, J., Taks, M., Vanreusel, B. & Renson, R. (2002a). 30 jaar breedtesport in Vlaanderen: participatie en beleid. Trends 1969-1999 (Sport & Maatschappij 1). Gent: Publicatiefonds voor Lichamelijke Opvoeding. Scheerder, J. & Vanreusel, B. (2002a). ‘Sport’ in beweging. De bewegingscultuur in een veranderende samenleving. In: P. De Knop, B. Vanreusel & J. Scheerder (Eds.) Sportsociologie. Het spel en de spelers. (pp. 31-56). Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg. Scheerder, J. & Vanreusel, B. (2002b). Actieve sportbeoefening in Vlaanderen. Technisch verslag van de SBV'99 met enkele cijferreeksen. Leuven: ACCO. Scheerder, J. & Vanreusel, B. (2002c). Jong geleerd, oud gedaan? Over lifetime-sportbeoefening. In: P. De Knop, B. Vanreusel & J. Scheerder (Eds.) Sportsociologie. Het spel en de spelers. (pp. 368-374). Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg. Scheerder, J., Vanreusel, B., Taks, M. & Renson, R. (2001). Is de actieve sportbeoefening in Vlaanderen gedemocratiseerd? Over de sociale gelaagdheid van de sportdeelname gedurende de periode 1969-1999. Tijdschrift voor Sociologie 22(4): 383-417. Scheerder, J., Vanreusel, B. & Taks, M. (2002b). Social determinants of active participation in leisure time sport activities among 15-18 year olds. A multivariate analysis 1989-1999. In: W. Verbessem & E. De Boever (Eds.) On quality physical education (Proceedings Book 1 st European Physical Education Association (EUPEA) Symposium; Brussels; November 9, 2002). (p. 137). Ghent: Publicatiefonds voor Lichamelijke Opvoeding. Scheerder, J., Vanreusel, B., Taks, M. & Renson, R. (2002c). Social sports stratification in Flanders 1969-1999. Intergenerational reproduction of social inequalities? International Review for the Sociology of Sport 37(2): 219-245. Seippel, Ø. (2002). Sport and social capital. Theoretical clarifications, empirical investigations – the case of Norway (Paper presented at the 15th World Congress of Sociology; Brisbane; 2002). Simons, J., Beunen, G., Renson, R., Claessens, A., Vanreusel, B. & Lefevre, J. (1990). Growth and fitness of Flemish girls. The Leuven Growth Study (HKP Sport Science Monograph 3). Champaign (Ill): Human Kinetics. SPSS (s.a.). SPSS categorical analysis (manual with SPSS 10.0). Chicago (Ill.): SPSS. Stokvis, R. (1979). Strijd over sport. Organisatorische en ideologische ontwikkelingen. Deventer: Van Loghum Slaterus. Stokvis, R. (1989). De sportwereld. Een sociologische inleiding. Alphen aan den Rijn: Samsom. Stolle, D. (1999). Onderzoek naar sociaal kapitaal. Naar een attitudinale benadering. Tijdschrift voor Sociologie 20(3/4): 247-281.
259
Vlaanderen gepeild ! Taks, M., Renson, R. & Vanreusel, B. (1991). Hoe sportief is de Vlaming? Een terugblik op 20 jaar sportbeoefening 1969-1989 (Rapporten van de Onderzoekseenheid Sociaalculturele Kinantropologie 13). Leuven: KULeuven/Instituut voor Lichamelijke Opleiding. Uslaner, E.M. (1999). Vrijwilligerswerk en sociaal kapitaal. Effecten van vertrouwen en religie op participatie in de Verenigde Staten. In: P. Dekker (Ed.). Vrijwilligerswerk vergeleken. Nederland in internationaal en historisch perspectief (Civil Society & Vrijwilligerswerk 3). (pp. 181205). Den Haag: Sociaal & Cultureel Planbureau. Van Bottenburg, M. & Schuyt, K. (1996). De maatschappelijke betekenis van sport. Arnhem: NOC*NSF. Van der Meulen, R. & Breedveld, K. (2003). Sport en cohesie. Kansen en beperkingen. In: K. Breedveld, R. Van der Meulen, R. Goossens, H. Van der Poel, W. Ooijendijk, M. Van Bottenburg & J. Lucassen (Eds.). Periodieke rapportage sport. Starteditie 2003. Den Haag: Sociaal & Cultureel Planbureau. (in press) Vanreusel, B. & Bulcaen, F. (1992). De sociale betekenis van sportdeelname (Rapporten van de Onderzoekseenheid Sociaalculturele Kinantropologie 15). Leuven: KULeuven/Instituut voor Lichamelijke Opleiding. Vanreusel, B., Renson, R., Beunen, G., Claessens, A.L., Lefevre, J., Lysens, R. & Vanden Eynde, B. (1997). A longitudinal study of youth sport participation and adherence to sport in adulthood. International Review for the Sociology of Sport 32(4): 373-387. Vanreusel, B. & Scheerder, J. (2000). Sport: cultuur in beweging. Een verkenning van cultuurtrends in de sport (Samenleving & Sport 2; Rapport op vraag van de Koning Boudewijnstichting). Brussel: Koning Boudewijnstichting. Vanreusel, B., Scheerder, J., Van Gestel, J. & Steens, G. (2002a). Secundaire bronnenanalyse van de sportparticipatie en de fysieke activiteit in Vlaanderen (Deelrapport 1). In: J. Lefevre, M. Taks, R. Phillipaerts, I. De Bourdeaudhuij & M. Theeboom. Onderzoek naar de graad van sportparticipatie en fysieke activiteit op Vlaams niveau en het opstellen van een instrument voor de evaluatie van sportpromotiecampagnes (Eindrapport). Brussel: Interuniversitair Onderzoekscentrum voor Sportbeleid. Vanreusel, B., Taks, M. & Renson, R. (2002b). Belgium – Flanders. Origins, development and trends of Sport for All. In: L.P. DaCosta & A. Miragaya (Eds.). Worldwide experiences and trends in Sport for All. (pp. 379-400). Aachen: Meyer & Meyer Sport. Vlaams Parlement (2000). Beleidsnota Sport 1999-2004 ingediend door de heer Johan Sauwens, Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport. Stuk 157 (1999-2000)-1: 202 e.v. Vlaamse Raad (1995). Beleidsnota Cultuur, Gezin en Welzijn in Vlaanderen. Werken aan netwerken in een menswaardige samenleving: beleidsprioriteiten 1995-1999 ingediend door de heer Luc Martens, Vlaams minister van Cultuur, Gezin en Welzijn. Stuk 129(1995)-1: 156 e.v. Waege, H. & Agneessens, F. (2001). Impressies over sociale relaties, waarden en tradities. Vijf jaar vragen naar de verhouding tussen individu en gemeenschap. In: J. LemaÎtre & H. Van Geel (Eds.). Vlaanderen gepeild! De Vlaamse overheid en burgeronderzoek 2001. (pp. 133-156). Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Administratie Planning & Statistiek.
260
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
Waege, H. & Billiet, J. (1998). Individualisme. Een kwestie bij de eeuwwende? In: L. Bral (Ed.). Vlaanderen gepeild! De Vlaamse overheid en waardeonderzoek. (pp. 13-44). Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Administratie Planning & Statistiek. Wold, B. & Anderssen, N. (1992). Health promotion aspects of family and peer influences on sport participation. International Journal of Sport Psychology 23: 343-359.
261
Vlaanderen gepeild ! TABELLEN EN BIJLAGEN
TABEL 4
Resultaten van de stapsgewijze logistische regressieanalyse voor de logit om niet aan (club)sport deel te nemen, PF’79-SBV’89-SBV’99 niet-sportdeelnamea niet-clubsportdeelnameb model 1 model 2 model 1 model 2 rangorde rangorde rangorde rangorde naar naar naar naar verkla- evolutie verkla- evolutie verkla- evolutie verkla- evolutie ringsringsringsringsNagelNagelNagelNagelkracht kracht kerke R2 kracht kerke R2 kracht kerke R2 kerke R2 OPL 7.8 SKP 29,1 OPL 4,6 SKP 15,2 GESL 9,0 SVR 42,2 GESL 5,9 SVR 27,4 LFT 9,8 GESL 43,3 LFT 7,3 GESL 28,4 OBS 10,2 OPL 44,0 OBS 7,7 OPL 29,2 AMP 10,4 LFT 44,3 AMP 7,7 LFT 29,8 OBS 44,5 OBS 29,8 GZG 44,6 MARS 44,6 AMP 44,7 a b
URB werd door de stapsgewijze procedure niet weerhouden in het model voor niet-sportdeelname. AMP, GZG, MARS en URB werden door de stapsgewijze procedure niet weerhouden in het model voor nietclubsportdeelname.
TABEL 5
Resultaten van de stapsgewijze logistische regressieanalyse voor de logit om niet aan (club)sport deel te nemen, APS’97-APS’02 niet-sportdeelname rangorde naar evolutie verklaringskracht Nagelkerke R2 LFT 14,9 OPL 18,8 GESL 20,4 OBS 20,9 AMP 21,4 a
niet-clubsportdeelnamea rangorde naar evolutie verklaringskracht Nagelkerke R2 GESL 4,8 LFT 8,9 OPL 10,3 -
OBS en AMP werden door de stapsgewijze procedure niet weerhouden in het model voor nietclubsportdeelname.
262
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
TABEL 6
Geschatte parameters (Exp(ß)) van de logistische regressieanalyse voor de logit om niet aan (club)sport deel te nemen, PF’79-SBV’89-SBV’99 niet-sportdeelname Variabelen SKP
SVR
GESL OPL
LFT GZG MARS AMP
categorieën ooit vrije sport ooit clubsport na 30j vrije sport na 30j clubsport vrije sport heden clubsport heden alleen clubsport vroeger alleen vrije sport vroeger club- + vrije sport vroeger vrouw lager secundair hoger secundair hoger niet-universitair universitair gescheiden weduw(e)(naar) geen betaald werk interactietermen
niet-clubsportdeelname
1979 1989 (ns) (ns) (ns) 0,608*** (ns) (ns) 0,686** 0,493*** 0,096*** 0,072*** 0,133*** 0,090***
1999 (ns) 1,460*** (ns) (ns) 0,185*** 0,225***
1979 1989 1999 (ns) (ns) (ns) (ns) 0,635** (ns) 0,508*** (ns) 0,543** 0,609** 0,590** (ns) 0,719*** 0,454*** 0,746** 0,121*** 0,116*** 0,206***
0,229***
0,366***
0,313***
0,188***
0,182***
0,289***
0,245***
(ns)
(ns)
(ns)
0,204*** 2,197*** 0,669*** 0,591*** 0,468*** 0,503*** 1,035*** -
0,298*** 1,792*** (ns) (ns) 0,531*** 0,604** 1,026*** -
0,255*** 1,271*** (ns) 0,712** 0,491*** 0,623** 1,032** -
0,087*** 0,153*** 0,161*** 2,201*** 1,572*** 1,353*** 0,698*** 0,711** (ns) 0,647*** 0,709** 0,734** 0,473*** 0,486*** 0,557*** 0,442*** 0,490*** 0,528*** 1,020*** 1,027*** 1,016** 1,048*** (ns) (ns) (ns) (ns) (ns) 0,560** (ns) (ns) 1,256*** (ns) (ns) significantie interactieterma
0,338*** 0,237***
significantie interactieterma
SKPxOBS SVRxOBS GESLxOBS
*** *** ***
*** *** ***
OPLxOBS LFTxOBS GZGxOBS MARSxOBS AMPxOBS
(ns) (ns) (ns) (ns) **
(ns) (ns) -
**p<.01 ***p<.001; (ns) = niet-significant referentiecategorieën: partner nooit sport, respondent geen sport vroeger, man, (geen) lager onderwijs, getrouwd/hetrouwd/samenwonend, betaald werk a Dit geeft de significantie aan van het verschil in de tijd van de geschatte parameter door toevoeging van een interactieterm.
263
Vlaanderen gepeild ! TABEL 7
Geschatte parameters (Exp(ß)) van de logistische regressieanalyse voor de logit om niet aan sport deel te nemen, APS’97-APS’02
variabelen LFT
OPL GESL AMP
categorieën lager secundair hoger secundair hoger niet-universitair universitair vrouw geen betaald werk interactietermen LFTxOBS OPLxOBS GESLxOBS AMPxOBS
niet-sportdeelname 1997 2002 1,042*** 1,049*** (ns) 0,673* 0,669* 0,656* 0,309*** 0,322*** 0,110*** 0,330*** 1,914*** 1,716*** 0,616*** (ns) significantie interactieterma (ns) * (ns) (ns)
*p<.05 **p<.01 ***p<.001; (ns) = niet-significant referentiecategorieën: (geen) lager onderwijs, man, betaald werk a Dit geeft de significantie aan van het verschil in de tijd van de geschatte parameter door toevoeging van een interactieterm.
TABEL 8
Resultaten van de stapsgewijze logistische regressieanalyse voor de logit om niet aan (club)sport deel te nemen, klassieke vs nieuwe variabelen, APS’99 niet-sportdeelnamea rangorde naar evolutie verklaringskracht Nagelkerke R2 LFT 8,5 MEDIA 11,6 GESL 13,5 VT 15,1 LOK 15,9 OPL 16,9 a b
niet-clubsportdeelnameb rangorde naar evolutie verklaringskracht Nagelkerke R2 LFT 6,3 GESL 8,4 LOK 9,3 AMP 9,7 -
AMP, SOCUL en TV werden door de stapsgewijze procedure niet weerhouden in het model voor nietsportdeelname. MEDIA, OPL, SOCUL, TV en VT werden door de stapsgewijze procedure niet weerhouden in het model voor niet-clubsportdeelname.
264
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
TABEL 9
Resultaten van de multinomiale logistische regressieanalyse voor de logit om een specifieke attitude niet of minimaal te onderschrijven, APS’02 utilitair individualisme actuele sportdeelname
etnocentrisme
politiek wantrouwen
onveiligheidgevoel
traditionalisme
%a
OR
%
OR
%
OR
%
OR
%
OR
37/25
1,820***
47/26
1,606**
42/22
1,948***
40/25
(ns)
37/21
1,520*
ref. cat.: geen actuele sportdeelname Nagelkerke R2
14,1
21,2
15,0
17,1
17,0
alleen actuele vrije sport
36/25
1,629**
47/26
1,632**
42/22
2,033***
39/25
(ns)
34/21
1,453*
actuele clubsport (+ actuele vrije sport)
38/25
1,830**
43/26
(ns)
42/22
1,760**
42/25
(ns)
42/21
1,718**
ref. cat.: geen actuele sportdeelname Nagelkerke R2
13,9
21,4
15,1
17,4
17,5
actuele clubsport
39/27
1,731*
46/26
(ns)
44/21
1,833**
43/23
1,622*
43/21
1,632*
alleen actuele vrije sport + vroeger clubsport
35/27
(ns)
54/26
1,858*
41/21
1,866*
47/23
1,802*
42/21
(ns)
alleen actuele vrije sport + nooit clubsport
36/27
1,496*
43/26
(ns)
42/21
2,166***
35/23
(ns)
30/21
(ns)
geen actuele sportdeelname + vroeger clubsport
17/27
0,460*
26/26
(ns)
28/21
(ns)
33/23
(ns)
23/21
(ns)
ref. cat.: nooit clubsport + geen actuele sportdeelname Nagelkerke R2 lid sociaal-culturele vereniging
14,5 41/29
21,6
2,149***
48/35
15,4
1,716**
41/30
17,6 1,528*
43/31
17,9 1,553*
34/28
(ns)
ref. cat.: geen lid sociaal-culturele vereniging Nagelkerke R2 lid lokaal-actieve verenigingb
14,3 38/31
21,2 (ns)
43/37
14,2 (ns)
41/32
17,7 (ns)
16,8
44/32
(ns)
33/29
(ns)
ref. cat.: geen lid lokaal-actieve vereniging Nagelkerke R2 lid van een vereniging (incl. sportclub)
13,5 35/26
20,9
1,638**
38/37
14,0 (ns)
37/27
17,1 (ns)
37/29
16,6 1,402*
32/26
(ns)
ref. cat.: geen lid van een vereniging Nagelkerke R2 naar een sportwedstrijd gaan
13,9 32/31
20,9 (ns)
42/34
14,0 (ns)
38/28
17,4 (ns)
38/30
16,6 (ns)
34/26
(ns)
ref. cat.: nooit Nagelkerke R2 naar ballet, dans, theater en/of toneel gaan
13,3 40/22
2,612***
20,7 46/29
1,953***
13,9 42/23
2,108***
16,8 39/27
17,1
1,700**
35/24
1,366*
ref. cat.: nooit Nagelkerke R2 naar concert en/of festival gaan (rock, pop, klassiek, jazz, blues, folkloristisch, traditioneel)
15,9
38/23
1,957***
21,9
48/24
1,958***
15,7
43/20
2,304***
18,0
41/24
16,9
1,706**
38/19
1,848***
ref. cat.: nooit Nagelkerke R2 museum, tentoonstelling en/of galerij bezoeken
14,3 38/22
2,699***
21,7 47/22
2,721***
15,9 42/19
2,566***
17,8 37/28
17,6 (ns)
265
34/23
1,496*
Vlaanderen gepeild ! utilitair individualisme %a
etnocentrisme
OR
%
1,538*
46/25
politiek wantrouwen
OR
%
(ns)
41/20
onveiligheidgevoel
OR
%
1,605**
40/23
traditionalisme
OR
%
(ns)
37/19
OR
ref. cat.: nooit Nagelkerke R2
16,3
naar de bibliotheek gaan
35/26
23,3
16,5
17,3
17,3 1,547*
ref. cat.: nooit Nagelkerke R2
13,5
20,6
14,4
17,3
17,0
*p<.05 **p<.01 ***p<.001; (ns) = niet-significant a percentage van respondenten die houding het minst onderschrijft, voor respectievelijk groep die eigenschap wél heeft versus groep die eigenschap niet heeft (bv. wél sportdeelname vs. geen sportdeelname)21 b exclusief sportverenigingen In elk model wordt er gecontroleerd voor de invloed van leeftijd, geslacht en opleiding.
BIJLAGE 1
Componentladingen op mediavoorkeuren op basis van HOMALS, APS’99
TV-zendervoorkeur voorkeurradiozender meest geliefde tijdschrift meest gelezen krant Fit
dimensie 1 0,598 0,567 0,516 0,507 0,547
21. Zo zeggen 37% van de sportbeoefenaars eerder niet-utilitair individualist te zijn versus 25% van de nietsportbeoefenaars.
266
Vlaanderen sportief gepeild: wie participeert niet?
BIJLAGE 2
Categoriecoördinaten op mediavoorkeuren op basis van HOMALS, APS’99 Mediavoorkeur Radio3 De Morgen
Mediavoorkeur Feeling andere TV-zender Het Nieuwsblad/ magazines over -1,849 De Gentenaar/ natuur ’t Stad andere tijdDe Standaard -1,833 schriften Canvas/Ketnet -1,675 TV1 hobby- en doeWeekend Knack -1,501 het-zelf-bladen computer- en Radio1 -1,341 internetbladen buitenlandse Knack -1,322 radiozender culturele financiële bladen -1,023 magazines De Gazet van reis- en avontuur-0,900 Antwerpen/ bladen Mechelen regionale -0,886 andere krant TV-zender Studio Brussel -0,823 Radio2 GezondheidsVakbladen -0,818 magazines Het Beste uit -0,789 Autoblad Reader’s Digest Humo -0,774 Onze Tijd De Financieel -0,642 Kanaal2 Economische Tijd Interieur-0,592 Radio Donna magazines luistert nooit naar Margriet -0,563 de radio Het Laatste Marie Claire -0,409 Nieuws/De Nieuwe Gazet Buitenlandse Het Belang van -0,401 TV-zender Limburg -2,432 -2,244
-0,348 -0,242
mediavoorkeur Libelle Het Volk
0,497 0,502
-0,234
P-magazine
0,526
-0,203
VT4
0,583
-0,164
Telepro
0,597
-0,063 TV Ekspres
0,649
-0,036 locale radiozender 0,650 -0,023
sportblad
0,689
0,000
Kwik/Blik
0,702
0,127
Flair
0,750
0,136
Teve Blad
0,782
0,302
Dag Allemaal
0,865
0,305
Top Radio
0,876
0,332
VTM
0,884
0,355
lokale krant
0,910
0,357
TV Story
0,951
0,398
TV Familie
1,025
0,416
Radio Contact
1,071
0,479
Zondagsblad
1,221
0,490
muziek- en filmtijdschriften
1,266
267
Vlaanderen gepeild ! BIJLAGE 3
Componentladingen op middenveldparticipatie op basis van CATPCA, APS’99 dimensie 1 dimensie 2 sociaal-culturele lokaal-actieve participatie participatie Lidmaatschap Derde Wereld-vereniging/vredesbeweging (Amnesty International, Wereldwinkel, …) 0,439 0,465 Gemeentelijke adviesraad/schoolraad 0,487 -0,260 Gezinsvereniging (BGJG, …) 0,390 -0,215 milieu-/natuurvereniging 0,408 -0,044 politieke vereniging/partij 0,471 0,068 Religieuze of kerkelijke vereniging (parochiaal werk, …) 0,446 0,522 socio-culturele vereniging (KWB, Davidsfonds, …) 0,557 -0,147 Vakbond/middenstandsorganisatie/ werkgeversorganisatie 0,336 -0,219 Vereniging voor kunstbeoefening (toneel, literatuur, …) 0,384 0,119 Cafévereniging (vogelpik, spaarkas, duiven, …) -0,005 -0,268 Jeugdbeweging/-vereniging/-club 0,049 -0,335 Hulpdiensten (Rode/Vlaams Kruis, vrijwillige brandweer, …) 0,050 -0,455 wijk-/buurtcomité 0,229 -0,402 Cronbach’s α Total Cronbach’s α
268
0,481 0,727
0,213