v&**
•&•
RK
*
( I *
-.'.
r
«
l%
4
V •
-
v
%•
JULI-AUCUSTUS 2014
I
x4^
TWEEMAANDELI)KS-JAARGANG 33 nr. 4
W y ^1 U i l E >1 r / i ^ ' L A .J Ü 3 C H .\i»>» »1 £ . H A « Cili'Jrl'JOt
i
LJ i'
•
Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties moulures - voegen - pleister metselen - tadelakt- natuurlijke bindmiddelen vette kalk
^Vjfl
+32(0)3 880 73 73 Arte Constructo ibcrglei 18 - 2627 Schelle - Belgium j w w w .
info@arteconstructo.be
33/4
M.1
EN, L A N D S C H A P P E N
Tweemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse overheid, Onroerend
EN
ARCHEOLOGIE
Erfgoed
ISSN 0770-4948 Jaargang 33 nr. 4 JULI-AUGUSTUS2014
Inhoud
Een Belgische mitrailleurpost in de Vlavlakte van Oudkapelle (foto O. Pauwels)
Voorzitter Sonja Vanblaere Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kern redactie Marjan Buyle Rudy De Graef Herman Van den Bossche Peter Van den Hove Redactie Anna Bergmans Jo Braeken Marc De Borgher Anton Ervynck Jos Gyselinck Catheline Metdepenninghen Dieter Nuytten Paul Van den Bremt Maarten Van Dijck Thomas Van Driessche Inge Verdurmen Tom Verhofstadt Linda Wylleman Ereleden Edgard Goedleven Marcel M. Cells Jo De Schepper Suzanne Van Aerschot Hedwig Van den Bossche Christine Vanthillo Het tijdschrift M&.L is opgenomen m het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd als tijdschrift met peer review. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Red actiesec reta r i a at Diane Torbeyns diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 AbonnementenBelgië: 40 € {losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. I B A N B E 4 8 3751 1109 8627 BIC-codeBBRUBEBB van Monumenten &. Landschappen Koning Albert ll-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel
24
40
Belgische en Franse militaire posten aan het Ijzerfront
Het Schildehof: een door de natuur ingenomen kasteeldomein
Bezette stad, verwoeste stad: Leuven 1914
Hanneiore Decoodt
Marieke Jaenen en Robin Engels
Hilde Verboven
* Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Website www.menl.be Advertentiewerving info@onroerenderfgoed.be Vormgeving Bart Delva Druk die Keure - Brugge Fotografie Oswald Pauwels Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert H-laan 19 bus 5 i 2 i o Brussel
M&LI
1
£*,
'I De Dodengang in •(foto O. Pauwels)
4
33ste jaargang van M&L in het teken van erfgoed uit WO I O p 4 augustus van dit jaar zal het 100 jaar geleden zijn dat het Duitse leger België binnen viel. Wat in het oosten van ons land begon als een bewegingsoorlog, waarbij het Belgische leger gevecht na gevecht werd teruggeslagen, mondde enkele weken later in het westen van het land uit in een jarenlange stellingenoorlog.
Littekens die men aanvankelijk uit steden, dorpen en landschappen wilde wissen, onder andere tijdens de grote wederopbouw, werden langzaam relicten die men w o u gaan behouden en beschermen; oorlog werd erfgoed, en dit erfgoed werd plots meer dan ooit geprofileerd als dé allerlaatste getuige van de Eerste Wereldoorlog
Overal in het Vlaamse landschap heeft die Croote Oorlog sporen nagelaten, weliswaar met erg grote contrasten. Voor heel wat van die overblijfselen is de laatste decennia een bijzondere aandacht ontstaan.
In wat een bijzonder herdenkingsjaar belooft te worden wil de redactie van het tijdschrift MalL dan ook de nodige aandacht schenken aan de actuele Vlaamse erfgoedzorg rond Wereldoorlog I.
2
In iedere uitgave van dit jaar zullen bijdragen opgenomen worden over m o n u m e n t e n , landschappen en archeologie in relatie tot de Eerste Wereldoorlog. Verhalen die beginnen bij het in kaart brengen en inventariseren van oorlogserfgoed, verhalen die gaan over onderzoek, verhalen over de vele diverse pogingen o m te beschermen en te behouden, verhalen over hoe een oorlog na 100 jaar ons erfgoed werd, verhalen over hoe dit erfgoed als unieke getuige de herinnering aan de Croote Oor/og voor toekomstige generaties levend kan houden.
i e règne du béton armé Ze maakten deel uit van grotere verdedigingswerken en boden bescherming tegen beschietingen of bombardementen. En hoewel ze reeds voordien bestonden, kwam de bouw van individuele versterkte posten, beter bekend als bunkers, pas tijdens de Eerste Wereldoorlog volop tot ontwikkeling. De constructie ervan, in vaak heel moeilijke omstandigheden, was meermaals een huzarenstuk. Hannelore Decoodt neemt ons mee naar wat ooit de verwoeste gewesten waren en wijst op het belang van enkele bewaard gebleven en waardevolle bunkersites in de Westhoek; getuigen van de Crooten Oorlog, getuigen van strijd en vooral van veel lijden.
Een onafgewerkte droom In de 18de eeuw bouwde Joanna de Pret het bescheiden i6de-eeuwse Schildehof om tot een volwaardig kasteeldomein met barokke tuinen, fonteinen en watervallen volgens de nieuwste technologische verworvenheden. Een eeuw later had eigenaar baron Henri op zijn beurt grootse plannen met de gebouwen en de omgeving die inmiddels als landschapstuin was aangelegd. Om het erfgoedplan voor de herwaardering van de verwaarloosde site te kunnen onderbouwen, verdiepte Marieke Jaenen zich in de boeiende geschiedenis van het Schildehof: een verhaal van dromen en ambities en helaas ook van onafgewerkte projecten en verval.
Leuven brandt! De vernieling van de Leuvense universiteitsbibliotheek in 1914 staat nog altijd in het collectief geheugen gegrift. Minder bekend is het verhaal van de niets ontziende terreur op burgers tijdens deze beginfase van de Croote Oorlog. Hilde Verboven reconstrueert met de nodige historische kritiek maar ook met empathie het grote leed van zovele onschuldige Leuvense burgers. Door getuigenverklaringen te toetsen aan archiefbronnen en aan historische literatuur komt, verlost van de toenmalige oorlogspropaganda, een objectief relaas van deze gebeurtenissen naar boven. Het monumentale oorlogsmonument vóór het station wil aan de hand van gehistoriseerde friezen in de eerste plaats deze slachtoffers herdenken. Maarten Van Dijck focust in een kadertekst op de lotgevallen van de universiteitsbibiotheek en Claartje Verloove op de wederopbouwarchitectuur in de Leuvense binnenstad.
^T^-
•^•i.-^wi
^trr
< ^^
Belgische en Franse militaire posten aan het Ijzerfront Hannelore Decoodt
Van een klein Belgisch opslagplaatsje voor springstof in Nieuwpoort tot een heuse Duitse artilleriebunker waaraan heel wat bloed kleeft in Sint-Juliaan, van een Franse post voor radiotelegrafie in Oostduinkerke tot een Amerikaanse mitrailleurs- en observatiepost in Poperinge. De bewaarde militaire posten uit de Crooten Oorlog in de frontzone illustreren elk op zich kleine facetten van het grote oorlogsverhaal. Ze getuigen van militaire strategieën en organisatie, van improvisatie en ontwikkeling van bunkertypes, van stellingenbouw en camouflage, van strijd en veel, veel lijden. De voorbije jaren werden veel waardevolle bunkersites in de Westhoek als m o n u m e n t beschermd. Dit artikel wil een inleiding op het thema zijn. O m d a t er nog niet veel gepubliceerd is over Belgische en Franse militaire posten aan het Ijzerfront, worden enkele Belgische en Franse voorbeelden extra belicht.
Prentbriefkaart van een zwaar
Öheluvelt 1914-1916
Après la batdille - les abris The Shelters alter the Batlle.
geteisterd oorlogslandschap met bunker, grafkruisje en noodwoning (collectie auteur)
IM&L
Après la bataille - les abris
Inventarisatie in dienst van
"(...) en overal was't een gruwelijk hetzelfde: een grijnzen van de naakte woestheid, brandpuin, hoomstompen, loopgraven, houwitzers, stekeldraad, wapens, kanonschachten, een aarde als door stuip op stuip omwoeld en daarboven de eenzame vlucht der zwarte raven. De steden, of wat er nog van bestond, lagen daar alsof ze in een zak geschommeld waren en dan weer uitgeschud. De dorpen waren eenvoudig weg, niet meer bestond er van dan puinhoopen, den eenen wat hoogerdan den andere.... En nu! Geen hoomen meer maar stompen, geen wegen meer maar zompen; geen land maar een grond bezet met duizend monster pokkeputten, geene vruchtbare aarde meer, maar een baaierd, een chaos, het uitzien van een schoot die zijn eigen ingewand naar buiten heeft gewoeld (...)". Zo verwoordt de katholieke politicus Henri Brutsaert zijn indrukken, wanneer hij in december 1918 voor de eerste keer de regio leper en Poperinge opnieuw bezoekt (1). Even beeldrijk beschrijft hij hoe het landschap er bezaaid ligt met al dan niet begraven menselijke resten. Er is volgens hem niets meer over in het verwoeste land, enkel "de witte vlekken van de beruchte 'unterstanden' waarvan de naam alleen vol sombere gedachtenissen klinkt als een verdoemenis"(2).
Na de Eerste Wereldoorlog worden er diverse initiatieven genomen om deze oorlogsrelicten te inventariseren. Zo zet het Belgische leger tijdens het interbellum grootscheepse campagnes op om bunkers uit de Eerste Wereldoorlog te inventariseren en te evalueren op hun potentiële militaire waarde bij eventuele nieuwe vijandelijkheden. Hierbij komen vooral de Duitse bunkers langs de kust, langs de Belgisch-Nederlandse grens en rond Antwerpen in aanmerking (3). De Belgische krijgsmacht blijkt echter niet alleen vanuit een louter militair standpunt begaan met militaire verdedigingswerken uit de Eerste Wereldoorlog. Ze selecteert eveneens 25 Sites de guerre of Ooriogsoorden met de bedoeling om deze te bewaren en open te stellen. Deze sites, vooral in de noordelijke Westhoek gelegen, herbergen heel wat militaire infrastructuur waaronder heuse Duitse bunkercomplexen en indrukwekkende artilleriestukken (4). Door deze sites te ontsluiten kon uiteraard de dapperheid van de geallieerden en in het bijzonder het Belgische leger aan het Ijzerfront beklemtoond worden. Nauwelijks een vijfde van deze Ooriogsoorden bleef tot nu toe bewaard.
"En toch kwamen de menschen terug!". Het land wordt geruimd en geëffend, lijken worden ontgraven, velden opnieuw bewerkt, huizen heropgebouwd. De grauwe oorlogszone herrijst stilaan uit zijn as. Ondanks de naarstige bewoners worden niet alle oorlogssporen in en rond de verwoeste gewesten gewist. Een fractie van het enorme arsenaal Unterstanden blijft staan, en hierbij niet alleen de Duitse, maar ook vele Britse, Belgische, Franse en zelfs Amerikaanse verdedigingsconstructies.
Een gelijkaardig uitgangspunt is terug te vinden bij de Britse kolonel E.G.L. Thurlow, die in samenwerking met The British Legion clusters van militaire posten en individuele militaire constructies in de leperboog in kaart wil brengen, die volgens hem absoluut voor het nageslacht moeten bewaard blijven: "These pill-boxes are the chief reminders of the scenes of heroic deeds, of comradeship, and of the prowess of those who fought in "the Salient" during the memorable years of 1914igjS"(5). Hij brengt de volgens hem te behouden
Verdwenen bunkers uit de B-categorie van Thurlow, In 1938 gefotografeerd door C. Watson. B.II.2 (boven) stond bij Maison du Hibou (Smt-Juliaan), B,l.2 (onder) bij Iron Cross (Pilkem) ( © Bob Grundy)
bunkers onder in twee categorieën. Van de 144 constructies in de A-categorie ("those considered essential") zijn er vandaag 25 constructies bewaard gebleven (6), van de 35 constructies in de B-categorie ("those considered most desirable for retention') nog zeven. De verdwijning van deze oorlogsrestanten kan ook vastgesteld worden aan de hand van de gids leper en de frontstreek 1934-1918 uit de jaren i 9 6 0 . Hierin maken Roland Annoot en Alfred Caenepeel melding van ongeveer 250 bunkers in het frontgebied (7). In 1995 moet Paul Van Damme vaststellen dat er hiervan ondertussen een vijftigtal volledig often dele verdwenen zijn en dat andere constructies heel erg in verval geraakt zijn (8). Maar ook nu nog worden er bunkers afgebroken.
Exacte cijfers geven over het huidig aantal overgebleven bunkers en schuilplaatsen in de Westhoek is onmogelijk, omdat het vaak moeilijk te bepalen is wat een eenheid vormt. Veel militaire posten zijn bovendien ondergronds, waardoor ze pas na graafwerkzaamheden aan het licht komen. Maar ongetwijfeld zijn ook nog niet alle bovengrondse militaire constructies getraceerd, omdat ze diep verscholen zitten in de bossen, overwoekerd zijn met klimplanten of omgeven zijn door gebouwen. In de databank van het oorlogserfgoed in de Westhoek levert de typologie schuilplaatsen / hunkers / depots meer dan vierhonderd verwijzingen op (n). Eén verwijzing kan meerdere militaire constructies bevatten.
Wfjot's 'm a name? Vooral vanaf de jaren 1990, samen met een vernieuwde algemene belangstelling voor de Grooten Oorlog, wordt er meer onderzoek gevoerd naar bunkers en wordt hierover gepubliceerd. Archeologen, historici en andere geïnteresseerden lijsten de bunkers in hun gemeente of regio op, gaan deze intekenen of voeren er vaak zeer grondig historisch onderzoek naar uit (9). In de periode 2002-2006 wordt een algemene poging ondernomen om de resterende bakstenen en betonnen militaire posten uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek in kaart te brengen tijdens het project Inventarisatie van de relicten uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek, een samenwerking tussen de provincie West-Vlaanderen en de Vlaamse overheid (10). Deze snelinventaris vormt de basis van de recente thematische beschermingscampagne van militaire posten in de Westhoek, waarbij thans 77 sites met militaire posten voorlopig of definitief als monument beschermd zijn.
6
IM
L
Met de militaire posten die nu algemeen bekend zijn als bunkers bedoelt men relatief kleine versterkte militaire verdedigingswerken, die bescherming moeten bieden tegen beschietingen of bombardementen. Ze vormen een onderdeel in een groter verdedigingswerk. Hoewel er vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog al gelijkaardige beschermende constructies zijn opgetrokken, zal deze verdedigingsvorm vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog tot ontwikkeling komen (12). Bunkers hebben oorspronkelijk één, soms meerdere specifieke functies: commandopost, mitrailleurpost, observatiepost, manschappenverblijfplaats, communicatiepost, geschutpost, medische post, opslagplaats voor munitie. Het gaat meestal om betonnen constructies, maar er zijn ook bakstenen voorbeelden bewaard. Eén correcte algemene term voor de militaire verdedigingswerken uit de Eerste Wereldoorlog is
er niet. In WO I werd de term bunker nog niet gebruikt als verdedigingswerk (13). De militaire betekenis van bunker zou pas vanaf de jaren 1930 gebruikt worden door de Duitsers. Niettemin wordt de term bunker toch gebruikt, omdat het de enige term is die het uitgebreide arsenaal aan bakstenen en betonnen militaire verdedigingswerken min of meer dekt en bij iedereen als dusdanig gekend is. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren verschillende termen in omloop, die niet altijd consequent toegepast werden. Dit zijn enkele courant gebruikte benamingen: in Duitse documenten of op Duitse stafkaarten kan er sprake zijn van Manschafts Eisenbeton Unterstand of MEBU, ofkortwegvan U of Unterstand. Andere benamingen zijn Blockhaus, Betonklotz of Betonstand. Varianten van deze Duitse terminologie zijn overgenomen in andere talen: Vlamingen spreken bijvoorbeeld vaak over onderstanden. Geïsoleerde bovengrondse betonnen posten worden in het Engels ook wel eens met Blockhouses aangeduid, in het Frans met Block-haus of Blockhaus. Kleine Duitse constructies met één of meerdere schietgaten worden door de Britten pill boxes genoemd, een term die gaandeweg voor alle Duitse constructies gebruikt wordt (14). Betonnen schuilplaatsen worden door de Britten concrete of ferro-concrete shelters of dugouts genoemd, vooral als het gaat om ingegraven constructies. Elephant shelters zijn de geallieerde betonnen constructies, die opgetrokken zijn met zware gebogen golfplaten (15). Britse betonnen constructies maken in het laatste oorlogsjaar soms ook gebruik van kleine golfplaten, de zogenaamde baby elephants.
De Duitse lichtere variant van de elephant plate wordt Heinrich genoemd. In het Frans, dus ook in het Belgisch leger, spreekt men vaak van abri (de...) of poste de... zoals poste de mitrailleur, poste d'observation of surveillance, poste de commandement of poste de combat, abri de bombardement, abri de tir. Ook in de andere talen krijgen constructies met specifieke functies specifieke benamingen. Een vaak gebruikte term voor een militaire post waarin wapens zijn opgesteld, is casemate of kazemat (16).
Kenmerken van bunkers en schuilplaatsen in de Westhoek Veel van de overgebleven schuilplaatsen en bunkers in de Westhoek zijn in beton (17). Uitzonderingen hierop zijn de talrijke bakstenen schuilplaatsjes langs de Belgische frontlijn (18). Het beton is al dan niet versterkt, meestal met zware profielen of ronde ijzers. Elementen als de dikte van dak en muren, de kwaliteit van het beton en de wijze van bewapening bepalen of een constructie al dan niet bestand is tegen inslagen van kogels, shrapnels of zware artilleriegranaten. Betonnen muren van één meter dikte met verankerd ijzer zijn bestand tegen een voltreffer van een 15 cm granaat (19). Vooral in commandoposten zijn de muren of de daken vaak meer dan één meter dik (20). Door bijvoorbeeld op het betonnen dak een laag aarde of zandzakjes aan te brengen met daarop nog een dunne laag beton, zijn deze constructies nog beter bestand tegen inslagen. Betonnen fundamenten moeten het kantelen van de constructie verhinderen bij een voltreffer.
Typische elephant shelter met bewaarde golfplaten in SintElooi, opgetrokken in de winter van 1917/1918 door de Australische genie (foto K. Vandevorst)
M&LI
7
Vele betonnen constructies zijn gegoten binnen een houten bekisting, die vaak ter plekke bleef. Zoals reeds vermeld worden ook golfplaten als plafond gebruikt waardoor de militairen bij een voltreffer enigszins beschermd zijn tegen afbrokkelende stukken beton (21). Ook de buitenmuren kunnen gegoten zijn tegen gegolfd plaatijzer. Andere bekistingsmogelijkheden zijn zakjes aarde, houten balken of takkenwerk. Ook geprefabriceerde betonstenen en zelfs bakstenen kunnen als gietvorm dienen. Heel vaak zijn de betonnen verdedigingsconstructies opgetrokken tegen of in bestaande muren, kelders of daken van gebouwen of ruïnes. Het gebruik van bestaande gebouwen heeft als voordeel dat de militaire constructie onzichtbaar is voor de vijand. Camouflage is een belangrijk aspect voor de doeltreffendheid van de constructie. Hiervoor maakte men ook gebruik van takkenwerk, het onder aarde brengen van de constructie en zelfs het 'vermommen' van de constructie als een huis met een zadeldak (22). Het construeren van dergelijke betonnen verdedigingswerken is een complexe onderneming, zeker aan het front in volle oorlogstijd: de materialen moeten aangevoerd worden, een gietvorm moet gemaakt en eventueel met ijzer of staal versterkt worden, het beton moet gemengd en gegoten worden en vervolgens voldoende tijd kunnen uitdrogen. Dit moet allemaal gebeuren zonder dat de vijand iets opmerkt. Een deel van de militaire posten dichtbij de frontlijn is daarom opgetrokken
Britse betonnen observatiepost, in juli 1916 opgetrokken in de hoevegebouwen van Hussar Farm in leper (foto K. Vandevorst)
aan de hand van geprefabriceerde betonnen elementen. De Duitsers fabriceren bijvoorbeeld in Wervik speciale stenen met volle en halve gaten, die eenmaal geschrankt met speciale ijzers verankerd kunnen worden. Deze constructies blijken echter minder stevig te zijn dan de gegoten varianten, maar aan de frontlinie is het veel eenvoudiger om dit soort constructies te realiseren (23). De Britten ontwikkelen trouwens compleet geprefabriceerde mitrailleurposten, de zogenaamde Moirpill boxes (24). Elementen die de aard en functie van een constructie wezenlijk bepalen, zijn de aanwezigheid van observatiegleuven, periscoopgaten of mangaten met ijzeren treden in het dak voor observatie, schietopeningen of een borstwering aan de achterzijde van de bunker vanaf waar mitrailleurs gehanteerd kunnen worden, granaatwerpgaten, openingen voor het afvuren van lichtpijlen en voor het binnenbrengen van bekabeling (25). Een bunker of schuilplaats heeft deur- en vensteropeningen aan de achterzijde, dit wil zeggen aan de veilige kant weg van het front. Soms zijn scharnieren terug te vinden. Vooral in de Duitse constructies zijn stalen deuren en pantserplaten voor de vensteropeningen gebruikt, die in een aantal gevallen bewaard zijn. Bij de verovering van een vijandelijke constructie wordt de bunker soms aangepast, waarbij de nieuwe frontzijde wordt versterkt en eventueel voorzien wordt van een schietgat, terwijl aan de achterzijde een nieuwe toegang wordt gecreëerd. Dergelijke aanpassingen blijken broodnodig te zijn. Na de geallieerde verovering van de Duitse artilleriepost bij Cheddar Villa in Sint-Juliaan (bij de Duitsers gekend als Falscher HofVanheule) tijdens de Derde Slag bij leper vallen er verschillende doden onder de Britse bezetters van de post wanneer er een granaat
Duitse artilleriepost in Sintuliaan, gekend als Cheddar Villa of Falscher Hof Vanheule. Foto uit 1959 door Robert Wright (© In Flanders Fields Museum)
8
I1VI&L
binnenvliegt langs de brede toegangspoort, die door de gewijzigde frontsituatie nu aan de vijandelijke zijde is komen te liggen (26). In veel bunkers zijn er binnenin nog sporen bewaard van de houten bekleding, die diende als verloren bekisting. Het interieur van andere constructies is dan weer witgekalkt. Schietopeningen, granaatwerpgaten, vensteropeningen en dergelijke zijn vaak met hout bekleed. Soms kan in een constructie een zinkput of een gootsysteem aangetroffen worden, evenals ventilatiegaten, schouwtjes, opbergruimtes en restanten die wijzen op elektriciteit of telefoonlijnen. Naarmate de oorlogsmaanden verstrijken, worden ontwerpen onderzocht en verfijnd, zowel in de Duitse als in de geallieerde stellingen. Uiteraard worden ook de versterkte constructies van de vijand op hun kwaliteiten onderzocht tijdens raids of na verovering (27). Vooral de Duitsers zullen er in slagen efficiënte standaardtypes te ontwikkelen, die onder meer in hun stellingen langs de BelgischNederlandse grens en rond Antwerpen toegepast worden (28). Tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog zullen bunkers de ruggengraat vormen van indrukwekkende bunkerstellingen, een verdedigingsstrategie die rechtstreeks uit de stellingenoorlog van 1914-1918 is ontwikkeld (29). Historische context De context van de militaire post is cruciaal om de typologische kenmerken van een constructie te begrijpen. Onder context kan verstaan worden: de wijze van inplanting bijvoorbeeld als onderdeel van een stelling, de hoogteligging, de afstand ten aanzien van de vijand, de aanwezigheid van reliefelementen, bossen en bebouwing.
De uitbouw van Duitse en Britse militaire verdedigingswerken Een verdedigingsconstructie moet uiteraard eveneens gekaderd worden in de evolutie van de militaire strategieën. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maken de verdedigingsstrategieën en de rol die bunkers en schuilplaatsen hierin spelen zowel bij de Duitse als bij de geallieerde troepen een hele evolutie door (30). Wanneer de bewegingsoorlog in het najaar van 1914 vastloopt langsheen een frontlijn van Nieuwpoort tot aan de Zwitserse grens, graven beide oorlogvoerende partijen zich in {31). Aan beide zijden worden verdedigingssystemen uitgebouwd, die tijdens de lange oorlogsjaren sterk evolueren. Zeer tijdelijke, rudimentaire schuilputten worden door middel van gangen met elkaar
Australische post uit de winter van 1917/1918 op Messmes Ridge. Door de inplanting was de constructie niet zichtbaar voor de meer oostelijk gelegen vijand (foto K. Vandevorst)
Duitse mitrailleurpost uit 1916 op Messmes Ridge. Wellicht was deze post net oi^er the top kwetsbaar, want ze lag pal in het zicht van de vijand (foto K. Vandevorst)
De bunker of linie in de frontzone kan bovendien tijdens een slag of gevecht een specifieke rol gespeeld hebben en zo een bijzondere historische waarde genereren. Vooral tijdens de Derde Slag bij leper en het Bevrijdingsoffensief bewijzen vele Duitse constructies hun defensief'nut'. Van sommige bunkers en schuilplaatsen is geweten dat ze ook tijdens kleinschaliger gevechten of raids een rol speelden. Sommige verdedigingsconstructies of linies kunnen heel specifiek in verband gebracht worden met een bepaalde eenheid en/of een bepaalde persoon, dankzij militaire verslaggeving of een beschrijving in een dagboek. Dergelijke beschrijvingen behandelen vaak de verdediging of verovering van de militaire post. Ook inscripties kunnen gegevens bevatten over de bouw of het gebruik van de constructie. Deze historische context is van groot belang om de waarde van een constructie in te schatten.
M&LI
9
verbonden en groeien uit tot complexe loopgravenstelsels. Binnen één linie worden meerdere verdedigingslijnen met loopgraven en verbindingsgangen, prikkeldraadversperringen en allerhande verdedigingswerken uitgebouwd. En enkele kilometers achter de eerste linie wordt dieper in het hinterland nog een tweede, een derde linie aangelegd. Het systeem van ononderbroken loopgraven wordt tijdens de laatste oorlogsjaren evenwel verlaten onder druk van de groter wordende kracht en intensiteit van de artillerie, die de stellingen voortdurend aan flarden schiet. Bovendien wordt het door een gebrek aan manschappen steeds moeilijker om een volledige lijn te bezetten. Goed gepositioneerde betonnen militaire posten bieden een 'efficiënt' alternatief. Door de massale inzet van de mitrailleur is de vorming van één aaneengesloten lijn trouwens minder noodzakelijk geworden. Zeker na de Derde Slag bij leper zien we hoe langs beide zijden nieuwe stellingen worden ingericht, waarbij bunkers een cruciale rol spelen.
Foto uit de jaren 1930 van de Duitse Albrechtstellung ter hoogte van Sint-juliaan, waar de bunkers bijna tegen elkaar waren opgetrokken ( © In Flanders Fields Museum)
Het Duitse leger heeft het actiefst de kaart van de bunkerbouw getrokken. Na de Tweede Slag bij leper hebben de Duitsers bijna overal de goed verdedigbare hoogtes van de midden-West-Vlaamse heuvelrug ingenomen (32). Strategisch gezien is dit een enorm voordeel ten aanzien van de lagergelegen geallieerden: vanuit hun hoger gelegen stellingen kunnen ze de vijand nauwlettend in de gaten houden en desgewenst onder vuur nemen. Bovendien kunnen ze uit het zicht van de vijand stellingen met betonnen verdedigingswerken uitbouwen, iets waar ze zich vanaf de zomer van 1915 volop op toeleggen.
Voor de Britten, die lagergelegen posities innemen en dus vaker in het zicht van de vijand dienen te opereren, blijkt de bouw van betonnen militaire verdedigingsconstructies in de leperboog een veel moeilijker opgave, onder meer vanwege logistieke problemen. Aanvankelijk beperken de Britten zich tot het versterken of bouwen van observatieposten voor de artillerie in bestaande boerderij gebouwen (33). Hier en daar worden betonnen schuilplaatsen of medische posten uitgebouwd, onder meer in de aanloop naar het offensief van de zomer van 1917 (34). Globaal genomen blijft de bunkerbouw bij de Britten eerder een initiatief van bepaalde legereenheden, dat niet door de opperste legerleiding wordt gesteund. De Britse legerleiding is er namelijk van overtuigd dat het front niet lang stil zou staan, massieve betonnen verdedigingsconstructies zijn voor hen niet nodig. De Britten leggen zich veeleer toe op het uitgraven van deep dugouts, heuse ondergrondse systemen die wel gemakkelijker uit het zicht van de vijand gerealiseerd kunnen worden. Tijdens de Derde Slag bij leper zouden de Britten op pijnlijke wijze moeten ervaren hoe doeltreffend de Duitse bunkers zijn. Vanaf de winter van 1917/1918 leggen ook zij zich toe op de uitbouw van stellingen met vele betonnen verdedigingswerken.
Verdedigingsopbouw bij de Belgen Vandaag de dag kunnen er in de noordelijke Westhoek minimum negentig militaire posten bovengronds waargenomen worden, waarvan aangenomen wordt dat ze door Belgische of Franse eenheden zijn opgetrokken. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de ongeveer tweehonderd betonnen en bakstenen bunkers en schuilplaatsen langsheen de Frontzate, de bedding van de voormalige spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide die tijdens de Eerste Wereldoorlog de Belgische eerste verdedigingslijn vormt. Het frontleven in de IJzervlakte wordt volledig beheerst door het water. Dit water kan zowel voorals nadelen bieden (35). Het grote strategische voordeel is dat een gecontroleerde inundatie als een eerste, 'natuurlijke' verdediging kan ingezet worden (36). De realisatie en instandhouding van deze inundatie vergt niettemin veel moeite (37). Anderzijds is het uitbouwen van een efficiënte verdediging niet zo evident in de IJzervlakte. Het betreft met name een polderlandschap, doorkliefd met talrijke grachten die breed en diep kunnen zijn. Zeker in de winter kan het terrein er bijzonder nat bij liggen. In dit nat, vlak gebied kan zo goed als onmogelijk gegraven worden. Verdedigingsstructuren dienen bijgevolg bovengronds gebouwd te worden, waardoor ze kwets-
10 I M
L
baarder zijn voor de vijandelijke artillerie. In de uitgestrekte poldervlakte is de aanwezige bebouwing bovendien eerder schaars en zeer verspreid en zijn er weinig bestaande beschuttingselementen aanwezig. De verdedigingswerken liggen er vaak maar open en bloot bij, pal in het zicht van de Duitse vijand die vanaf de hoger gelegen gebieden aan de overkant van de IJzer - in het noorden vanaf de duinen van Westende, in het midden vanaf de omgeving van Keiem, in het zuiden vanaf de hoogte bij Klerken - gretig het doen en laten van de geallieerden volgen. Ontelbare jutezakken worden met aarde of zand gevuld, getransporteerd en geplaatst voor de uitbouw van kilometerslange loopgraven (tranchées) en verbindingsgangen {hoyaux). Deze worden bijkomend beschermd door kilometerslange, opeenvolgende rijen prikkeldraadversperringen. Talloze passerelles worden aangelegd om het transport van mens en materiaal mogelijk te maken in de al te natte zones. En ook het aantal paden, wegen en (smal)spoorwegen die gestaag verschijnen, is eindeloos. In eerste instantie worden vele abris opgetrokken met behulp van de voorhanden zijnde bouwmaterialen. Cruciale verdedigingswerken en strategisch prioritaire functies zoals observatieposten, mitrailleurposten of commandoposten worden gaandeweg onder-
gebracht in versterkte structuren. Daar waar mogelijk worden versterkingen opgetrokken in bestaande gebouwen, die als camouflage kunnen dienen. Dorpscentra en boerderijen vóór en achter de frontlinie worden aldus tot kleine of grote steunpunten versterkt. Maar ook elders verschijnen versterkte punten, die in militaire documenten of op kaarten vaak aangeduid worden met point d'appui, redoute o[ouvmge (38). Naast baksteen wordt vanaf 1915 ook beton gebruikt voor de uitbouw van deze versterkingen.
Belgische commandopost langs het Eieleed in Oudekapelle, opgetrokken bij een vooroorlogs bakstenen gebouw, waarvan de muren zijn versterkt (foto O- Pauwels)
Deze versterkingen maken deel uit van heuse stellingen, die voortdurend uitgebreid en verbeterd worden. De Belgische stellingen dichtbij de frontlinie worden continu aangelegd. De zone tussen de IJzer en de Lovaart evolueert zo tot een terrein met een zeer dicht netwerk aan opeenvolgende verdedigingslijnen. In de zomer van 1918 legt het Belgische leger nog nieuwe stellingen en bretellen aan, waarin betonnen posten een cruciale strategische functie toegedicht krijgen (39). Zoektocht naar doeltreffende ontwerpen Het Belgische leger legt zich al vrij vroeg toe op de bunkerbouw. Aan het Ijzerfront wordt op grote schaal gebruik gemaakt van beton (40). Reeds in 1915 worden betonnen constructies opgetrokken in de stellingen. De typologische en bouwtechnische
M&LI n
diversiteit in de overgebleven Belgische verdedigingsconstructies aan het Ijzerfront is groot. Niettemin blijkt de Belgische genie gezocht te hebben naar doeltreffende ontwerpen, die steeds verder ontwikkeld worden. Zo wordt in de zomer van 1915 een type mitrailleurpost ontworpen, dat voldoende solide blijkt te zijn om de hele oorlog mee te gaan, op enkele kleine aanpassingen na (41). Vandaag zijn nog enkele exemplaren bewaard gebleven.
Grondplan van een mitrailleurpost, zoals opgetrokken bij Point d'Appui A of Redoute de l'Erreur (© Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis)
K
3
'msm
Het mitrailleurpostje in de Vlavlakte van Oudekapelle (Diksmuide) is in november 1915 opgetrokken in het Point d'Appui A, later aangeduid met Redoute de l'Erreur. Dit verdedigingswerk maakt deel uit van de jme Ligne Bis, op zijn beurt behorend tot de eerste Belgische verdedigingslinie. Het verdedigingswerk wordt volledig omgeven door loopgraven met een borstwering van drie meter dik en prikkeldraadversperringen. Er zijn drie mitrailleurposten in de loopgraaf aan oostelijke zijde ingewerkt, waaronder de hier bewaarde constructie. Het meest opvallend kenmerk van deze bijna vierkante mitrailleurposten zijn de kleine afmetingen, de schietopening die trapsgewijs naar binnen toe versmalt en de uitsparing onder de schietopening voor het plaatsen van de driepoot van de mitrailleur.
•* / H ° * x ^ »-l- --
o.J.
-
•
1
^
«?•
*>//. Mitrailleurpost in de Vlavlakte (foto O. Pauwels)
w
i
Langs de Keiweg in Oostvleteren vinden we hetzelfde type mitrailleurpost terug, nu opgetrokken in de periode november 1916-januari 1918. De mitrailleurpost is ingeplant in een stelling, die deel uitmaakt van de verdedigingspositie die iets noordwaarts via geïnundeerd gebied aansluiting vindt bij Fintele, de verdedigingsstelling van de Lovaart, en in zuidoostelijke richting verder loopt tot Noordhoek, Woesten en Vuile Seule Cabaret ten zuidwesten van Elverdinge, waar er aansluiting is met de Britse stelling bij Brandhoek. Ter hoogte van Oostvleteren is de stelling opgebouwd uit een aaneenschakeling van ouvrages die met loopgraven en prikkeldraadversperringen met elkaar verbonden zijn. Of de wijze van bewapening van de betonnen constructie geëvolueerd is ten aanzien van de mitrailleurpost uit 1915, de Redoute de l'Erreur, is niet achterhaald. Een nieuwigheid is de aanwezigheid van granaatwerpgaten. Ook de mitrailleurpost langs de Kasteelweg in Oostvleteren heeft granaatwerpgaten. Deze constructie is pas in de zomer van 1918 opgetrokken, als onderdeel van een nieuwe stelling ten oosten van het dorpscentrum van Oostvleteren.
Een mitrailleurpost langs de Kasteelweg te Oostvleteren, uit 1918 (foto K- Vandevorst)
I ML
Gebruik van geprefabriceerde betonnen elementen Opvallend is dat deze laatste mitrailleurpost gebouwd is met langwerpige betonstenen, die in elkaar haken en met elkaar verankerd zijn via ronde ijzers. Deze betonnen stenen vormen zogenaamde spouwmuren, waartussen beton gegoten is. De betonstenen fungeren tegelijk als gietkoffer en als schokdemper. Veel Belgische constructies zijn met dergelijke geprefabriceerde betonstenen gebouwd (42). Ook andere types en formaten van geprefabriceerde betonnen elementen zijn mogelijk. Bij de bouw van de twee
imposante militaire posten bij het steunpunt Scheewege in Lampernisse (Diksmuide) zijn bijvoorbeeld grote betonpanelen gebruikt (43). Er worden in de geniedepots eveneens betonnen balken gemaakt, als verloren bekisting of als bedekking van de betonnen posten (44). Ook bakstenen worden massaal geproduceerd voor volwaardige bakstenen constructies zoals langs de Frontzate waar nog een tweehonderdtal bakstenen structuren kunnen onderscheiden worden (45). Een observatiepost, een medische post en een mitrailleurpost zijn dan wel weer in beton opgetrokken. Strategisch belangrijke functies krijgen duidelijk voorrang bij de afweging of de posten al dan niet met het steviger beton worden opgetrokken.
gebrek aan degelijke transportmogelijkheden. Alleen al het transport van het materiaal naar de voorste linies en de voorposten in het geïnundeerde gebied is verre van evident, daar de vijand alle bewegingen zeer nauwlettend in de gaten houdt.
Een huzarenstuk Het optrekken van betonnen versterkingen blijkt een hachelijke onderneming te zijn. Dit kan bijvoorbeeld gelezen worden in het dagboek van Georges Beel, die bij de genie vele betonnen blockhaus optrekt (46). Tijdens werkzaamheden in de winter van 1915-1916 in de omgeving van Oudekapelle, Sint-Jacobskapelle en Nieuwkapelle bijvoorbeeld wordt zijn eenheid meermaals beschoten door les boches. Beel kan nipt aan de voltreffers ontsnappen, maar verschillende kompanen worden bij deze beschietingen al dan niet dodelijk getroffen. Door het reële gevaar van vijandelijke beschietingen werden veel betonnen constructies 's nachts gebouwd. Bovendien worden de werkzaamheden sterk gehinderd door het moeilijke terrein en het
M & L I 13
En zoals reeds gezegd blijft de bouw van een betonnen bunker een erg complexe onderneming, die in de grootste stilte dient te gebeuren. Het vergt weinig verbeelding om te beseffen dat het versterken van de voorposten in het geïnundeerd gebied vóór de Frontzate een huzarenstuk moet geweest zijn. Voorposten in het geïnundeerd gebied De uitbouw van verdedigingswerken in het geïnundeerd gebied wordt sterk beperkt door het kleine aantal bruikbare locaties, afhankelijk van het waterpeil dat in het overstroomd gebied gehandhaafd wordt. Deze beperkte ruimte dient bijgevolg zo efficiënt mogelijk ingericht te worden.
Uiteenlopende functies kunnen daarom in één compacte militaire post verenigd worden, zoals het geval is bij een bewaarde post in Ramskapelle (47). Zoals reeds vermeld vormt de voormalige spoorwegberm Nieuwpoort-Diksmuide tot aan het einde van de oorlog de Belgische eerste linie. De Duitse eerste linie situeert zich op de rechteroever van de IJzer. Het niemandsland tussen de IJzer en de spoorwegzate is ten noorden van de Dodengang in Diksmuide kilometerbreed en wordt door de Belgische genie vanuit de Ganzenpoot kunstmatig onder water gehouden. In dit geïnundeerde gebied steken hoger gelegen eilandjes boven het wateroppervlak uit, waarop in vele gevallen landbouw-
Detail van een Duitse loopgravenkaart van i8 april 1917 met situering van het steunpunt P. De Belgische stellingen zi)n met rood aangeduid, de Duitse met blauw (© National Archives. Captured German Trench Maps}
Een luchtfoto van 24 augustus 1918. De Ijzer, bovenaan in beeld, vormt de Duitse frontlijn. Het steunpunt P met de betonnen post is uitgelicht {© Koninklijk Museum van het Leger en de Knjgsgcschiedenis)
M I ML
Detail uit een luchtfoto van 23 maart 1918, met zicht op het steunpunt P met de betonnen post, de loopgraaf, prlkkeldaadversperringen. passerellen en
een smalspoor (© Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis)
als commandopost en wachtpost. Er zijn ook mitrailleurs opgesteld. Wanneer de Vierde Legerdivisie vanaf mei 1916 deze sector bezet, worden er plannen gemaakt om de gemetste mitrailleurposten te vervangen door betonnen posten voor flankerend mitrailleurvuur. De mitrailleurposten moeten zodanig ingeplant worden dat ze elkaar qua vuurbereik dekken bij een eventuele vijandelijke vooruitgang. In de sector Ramskapelle verschijnen De bewaarde betonnen post is opgetrokken bij een versterkt eilandje, dat aanvankelijk wordt aangebijgevolg heel wat mitrailleurposten met een duid met steunpunt '8', later met steunpunt 'P'. typische flankeringsmuur, waarmee de schietDit steunpunt vormt een halte langs de passerelies opening aan het zicht van de vijand onttrokken is. tussen de Belgische eerste linie aan de spoorwegEen houten balk in de vloer loodrecht op de schietberm en de voorposten Wolvenest en Roedesterkte. opening dient voor de bevestiging van de driepoot Het steunpunt fungeert de eerste oorlogsjaren van de mitrailleur. Dit type mitrailleurpost is steeds sites gevestigd zijn. Deze eilandjes worden tijdens en na de Slag aan de IJzer door de strijdende partijen ingenomen en gaandeweg als voorposten ingericht. Er worden passerelies, telefoonleidingen en later ook smalsporen aangelegd vanaf de spoorwegbedding om deze voorposten gemakkelijk te kunnen bereiken.
Plan van een gelijkaardige mitrailleurpost met flankeringsmuur, waarbij de schietopening trapsgewijs verbreedt. ( © Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedemsj
Frontzijde van de militaire post bij steunpunt P met opening voor een mitrailleur {foto K. Vandevorstj
2' h
M & L I 15
De militaire post bij steunpunt P, gefotografeerd vanaf de frontzate, de voormalige Belgische frontlijn. Dit gebied was tijdens de oorlog geïnundeerd (foto K. Vandevorstj
gecombineerd met één of meerdere aanpalende ruimtes. In de bewaarde constructie zijn er twee ruimtes. De meest noordelijke ruimte dient wellicht als manschappenverblijf of commandopost, de andere ruimte als medische hulppost. Terwijl het steunpunt P aan het begin van de bezetting door de Vierde Legerdivisie nog als poste de major wordt aangeduid, is er enkele maanden later sprake van een poste de secours. Het steunpunt zal tot het einde van de oorlog als hulppost gebruikt worden en ingepast worden in een systeem van medische evacuatie, waarbij de gewonden stapsgewijs en volgens de aard en de ernst van de verwondingen naar specifieke medische voorzieningen steeds verder achter het front gebracht worden. In een dergelijke hulppost kan de meest dringende medische verzorging toegebracht worden, opdat de gewonden een verdere evacuatie zouden overleven. Een plan van de genie van de Vierde Legerdivisie, wellicht uit oktober 1916, toont hoe een medische hulppost dient ingericht te worden. Tegen de vooren achtermuur van het linkerdeel van de ruimte kunnen telkens drie brancards boven elkaar geplaatst worden. In het rechterdeel kunnen de eerste meest dringende zorgen toegebracht worden op een schuin geplaatste tafel. Er zijn ook een bank, tafel en schouw voorzien. De sporen die in het middelste deel van de constructie bewaard gebleven zijn, waaronder de verankerde ijzers, wijzen mogelijk op een gelijkaardige inrichting. Dankzij de inscriptie P / IIP 4 D.A. is geweten dat de constructie is opgetrokken door de 4 Division Armee (4 D.A.), de Vierde Legerdivisie die tussen
16 I M & L
eind mei 1916 en maart 1917 de sector bezet. PI IIP is te lezen als Pionniers / II Pionniers. Pas eind december 1916 is naar aanleiding van de hervorming van de genie een tweede bataljon genie {II pioniers) opgericht, wat betekent dat de constructie voltooid is tussen eind december 1916 en maart 1917. Wellicht is het decauvilhspoor oi smalspoor langsheen de hulppost richting voorposten tijdens de bezetting van de Vierde Legerdivisie aangelegd. Ten noorden van de constructie zijn loopgraven en prikkeldraadversperringen uitgebouwd. Vanaf de zomer van 1918 wordt melding gemaakt van masques of camouflageschermen die de vijand het zicht op de stelling dienen te ontnemen. "C'est Ie règne du béton armé" In de Belgische sectoren worden vanaf de zomer van 1915 vele betonnen militaire posten opgetrokken met uiteenlopend ontwerp of functie. "C'est Ie règne du béton armé" staat er te lezen in een document van de genie van de 4de Legerdivisie over hun periode in de sector Ramskapelle (48). Ze beschrijven deze periode tussen mei 1916 en april 1917 als een vrij rustige periode waarin massaal loopgraven en verbindingsgangen worden aangelegd, evenals mitrailleurposten, munitiedepots enzovoort. Het beton wordt ofwel 's nachts ter plekke gegoten, ofwel worden de verdedigingswerken opgetrokken met geprefabriceerde betonnen elementen, die in het geniedepot van Wulpen vervaardigd worden. Voor de realisatie van deze gigantische werken dient de genie heel wat geniedepots in te richten, al dan niet met werven, magazijnen en ateliers. In elke sector wordt een
Achterzijde van een Belgische dubbele mitrailleurpost uit 1918 in Oostkerke, opgetrokken achter de Grote Beverdijkvaart, naast de spoorlijn Diksmuide-Veurne. Opvallend zijn de afgeronde vormen (foto K. Vandevorstj
hoofddepot ingericht (49). Deze depots worden op hun beurt bevoorraad door legerdepots in de omgeving van Calais (50). Daarnaast zijn er dichter bij de frontlijn bijkomende, kleinere depots voor materialen en werktuigen ingericht. In alle legers zijn er specifieke genietroepen. Deze krijgen de (al dan niet verplichte) hulp van hulptroepen, burgers, krijgsgevangenen en/of koloniale eenheden voor het transport van het materiaal, de uitbouw van stellingen en de bouw van militaire constructies achter het front (51).
Ook infanterie en artillerie worden ingezet voor de uitbouw van de stellingen. De Belgische mannen van de genie worden vaak aangeduid met de sapeurs-pionniers of kortweg pionniers. Hun organisatie wordt tijdens de oorlog meermaals aangepast en uitgebreid. Zij worden voor specifieke taken bijgestaan door sapeurs-mariniers (voor de instandhouding van de inundaties vanaf Nieuwpoort, later aangeduid met sapeurs-pontonniers), sapeursmineurs (ondermijning), projecteurs (schijnwerpers), fonteiniers (voor watervoorziening), telegrafisten, spoorwegtroepen en specifieke compagnies voor smalspoorlijnen, enzovoort (52). De Belgische genie-eenheden worden voor de uitvoering van hun werken ook bijgestaan door compagnies tmvailleurs, vooral samengesteld met oudere militairen, later ook met troupes auxiliaires du genie of TAG aangeduid (53). Ook infanterie-eenheden worden ingezet volgens een beurtrolsysteem, met frontdienst (wacht) in de voorste lijnen, piketdienst achter de linie en halve rust in de kantonnementen. Vooral tijdens de piketdienst dienen de militairen werken uit te voeren (54). In tijden van hoge nood kunnen er nog tijdelijke infanterie-eenheden opgevorderd of samengesteld worden voor het uitbouwen van stellingen (55).
Voorzijde van een Belgische dubbele mitrailleurpost uit 1918 in Oostkerke. De opgehoogde wal vóór de schietgaten is bedoeld om de schietgaten maximaal te beschermen. Hier liggen nog tal van versteende zandzakjes (foto K. Vandevorstj
Franse militaire posten Het Ijzerfront is geen louter Belgisch front. Aan het Ijzerfront zijn er, weliswaar in veel mindere mate dan in de leperboog, diverse nationaliteiten actief, zowel aan de frontlijn als in het hinterland. Wellicht de meest voorkomende nationaliteit na de Belgische is de Franse. Hierbij moeten ook Franse
IVI&LI 17
die de Duitsers aan de overkant van het kanaal leper-IJzer onder vuur nemen. De Duitse artillerie laat zich van zijn kant niet onbetuigd, waardoor ook Zuidschote onder verwoestend artillerievuur komt te liggen. Zo stelt de 46ste batterij op 6 september 1917 vier artilleriestukken op nabij Ferme Beauséjour. Op 29 september moet de batterij deze positie verlaten, omdat de toestand er onhoudbaar geworden is.
Inscripties op een Franse militaire post in Zuidschote. Deze post werd La Cauloise gedoopt, verwijzend naar de Franse 133ste divisie {foto H. Decoodt, bew. H. Denis)
Franse post voor radiotelegrafie, afgewerkt met tongewelven in en vensterbanken onder de vensteropeningen (foto K. Vandevorst)
Detail van een vensteropening. Via de opening onderaan kon de nodige bedrading binnengebracht worden (foto K. Vandevorst)
18 I M & L
koloniale eenheden gerekend worden. Franse Fusiliers Marins springen de Belgen bij tijdens de Slag aan de IJzer in oktober-november 1914. Franse troepen bezetten een groot deel van de oorlog de sector tussen Nieuwpoort-Stad en de Noordzee (56). De omgeving van Steenstrate en Merkem wordt in verschillende periodes door Franse eenheden verdedigd. En ook kantonnementen in het noorden van de Westhoek worden door Franse eenheden uitgebouwd en/of in gebruik genomen. Enkele betonnen constructies herinneren aan deze Franse aanwezigheid. Het is niet altijd evident om louter op basis van de fysische kenmerken de nationaliteit van een betonnen verdedigingswerk te achterhalen, omdat bij de bouw vaak dezelfde constructiewijzen, grondstoffen en materialen zijn gebruikt. Er zijn in de Westhoek relatief weinig verdedigingsconstructies gekend waarvan met zekerheid is vastgesteld dat ze van Franse origine zijn (57). Enkele van deze overgebleven Franse constructies zijn toch wel markant te noemen. Het bunkertje aan de Groigne in Oudekapelle (Diksmuide) met een spitse hoefijzerboog waarin Arabische tekens zijn gekrast, is wellicht het bekendste voorbeeld. Deze inscripties getuigen van de aanwezigheid van Arabische manschappen die 'als onderdanen' deel uitmaken van het Franse leger en in de omgeving van Oudekapelle gekantonneerd zijn (58).
La Cauloise Een meer geïmproviseerde bunker van Franse makelij is terug te vinden in Zuidschote (leper), bij een hoeve die op militaire stafkaarten wordt aangeduid met Ferme Beauséjour. Deze constructie lijkt op het eerste zicht niet echt bijzonder, ware het niet van de inscripties. Dankzij deze inscripties is geweten dat de constructie opgetrokken is door de 265e Regiment d'Artillerie de Campagne, behorende tot de 133e Division d'Infanterie in de periode september-november 1917 (59). Op dat moment is het geallieerde offensief (Derde Slag bij leper) volop aan de gang en zijn in de omgeving van Zuidschote Franse batterijen gepositioneerd
De eerder onregelmatige en geïmproviseerde afwerking van de constructie, waaronder het gebruik van diverse bekistingsmaterialen, kan verklaard worden door de moeilijke oorlogsomstandigheden waarin deze constructie is opgetrokken. Wat deze grauwe betonnen constructie zo bijzonder maakt, is het feit dat ze met gracieuze letters tot La Cauloise is omgedoopt. La Cauloise is de naam die de 1336 Division d'Infanterie zich toe-eigende. Dit betreft naar verluidt een zeldzaam voorbeeld van een Franse divisie, die zich een naam heeft aangemeten. Franse post voor radiotelegrafie Een andere opmerkelijke Franse constructie is te vinden in het Hannecartbos in Oostduinkerke (Koksijde), een plek die tot de sector Nieuwpoort behoort en waar een groot deel van de oorlog Franse eenheden gelegerd zijn (60). Dankzij inscripties is geweten dat de constructie is opgetrokken door de Franse territoriale geniecompagnie 2/1 in oktober 1916 onder leiding van Cousin en Leguay. Het betreft een Franse post voor radiotelegrafie. Typologisch gezien is dit een
Besluit
Dankzij deze inscripties konden de bouwperiode, de bouweenheid en functie van de post
opvallende en uiterst zeldzame constructie. Wat in de eerste plaats in het oog springt, is de voorgevel aan westelijke zijde die veel hoger en breder is dan de eigenlijke constructie erachter. Vermoedelijk is het de bedoeling om op de eigenlijke constructie zandzakjes te plaatsen, die door de veel grotere voorgevel op hun plaats worden gehouden bij eventuele vijandelijke beschietingen uit oostelijke richting. De constructie is bovendien mooi afgewerkt met tongewelven in en vensterbanken onder de vensteropeningen, rondbogige muuropeningen en een plint. Via de kleine openingen onderaan de vensteropeningen kan de noodzakelijke bedrading naar binnen worden gebracht. Deze unieke post voor radiotelegrafie is vermoedelijk opgetrokken in dienst van de Franse artillerie, die heel wat batterijen in deze omgeving heeft opgesteld.
Honderd jaar na datum blijken in de Westhoek nog honderden militaire verdedigingsconstructies uit 1914-1918 aan weer en wind en aan overijverige afbraakpogingen te weerstaan. Het betreft een bont gezelschap aan verdedigingswerken met heel uiteenlopende kenmerken. Zeker de Belgisch en Franse constructies zijn niet steeds zo gekend. Nochtans werden heel wat geallieerde bakstenen en betonnen verdedigingswerken opgetrokken aan het Ijzerfront en dat vanaf de zomer van 1915. Deze militaire posten zijn wellicht niet zo 'spectaculair' als hun Duitse tegenhangers. Ze zijn bovendien minder in grootse, gecentraliseerde campagnes opgetrokken, zoals bij de verderafgelegen Duitse stellingen of bij de bunkerstellingen uit het interbellum. De Belgische en Franse bunkers zijn veeleer in een specifieke context - op verschillende tijdstippen, door verschillende eenheden, in een verschillend defensief verband - opgetrokken, wat het historisch onderzoek niet vergemakkelijkt. Deze grauwe oorlogsrestanten vormen tastbare getuigen van de Grooten Oorlog, die gekoesterd moeten worden omdat ze heel uiteenlopende aspecten van de stellingenoorlog in de Westhoek illustreren, en dat niet alleen typologischbouwtechnisch of militair-strategisch. In de eerste plaats mag niet vergeten worden dat deze verdedigingswerken in de frontzone door mensen gerealiseerd en 'benut' zijn in heel ellendige omstandigheden.
achterhaald worden (foto K. Vandevorst. bew. H- Denis)
Duitse bunker bij Kaserne i (Herzog Albrecht) in Sint-Juliaan, bij de Britten gekend als Alberta.
Hannelore Decoodt is erfgoedonderzoeker bij het agentschap Onroerend Erfgoed.
Ondanks de A-classificatie van Thurlow is deze post verdwenen ( © In Flanders Fields Museum)
M&L I 19
Eindnoten
(i) (2) {3)
(4)
(5)
(6)
VANDEKERCKHOVE J., Dr. Henri Brutsaert ° 1868 - + 193S, onuitg. monografie, p. 93. (7) Unterstand is een Duits woord voor schuilplaats. Reeds in 1921 wordt door de Belgische genie een inventaris opgemaakt van de vijandelijke stellingen. Maar ook tijdens (8) de jaren 1930 worden de bunkers langs de kust en de Hollandstdlung verder geïnventariseerd en ingetekend. Zie Brussel, Koninklijk Legermuseum (KLM): Moskou-archief, dozen 3067, 3775 & 5259: documenten in verband met de classificatie van militaire constructies uit de Eerste Wereldoorlog; SAKKERS H., DEN HOLLANDER J. en MURK R., (9) De Hoüandsteüung van Knokke tot Antwerpen. Stille getuige van de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 2011, p. 59, p. 215235. Les sites de guerre. Campagne 1914-1918, Brussel, 1922. Zie ook: VAESEN f.. Hergebruik of oorlogstoerisme? De omgang met Belgische militaire sites als sporen van de strijd, 1918-1940, in Quand les canons se taisent - En toen zwegen de kanonnen, Akten van het internationaal colloquium georganiseerd door het Rijksarchief België en het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis, Brussel, 3-6 november 2008. Zijn publicatie. The pillboxes of Flanders uit 1933 moet tegelijk gezien worden als een gids naar de bunkers in de frontzone. Een versie van deze kaart met een indeling van deze bunkers en bijhorende notities van Thurlow is te raadplegen op Mapping the Front: Ypres. British mapping 1914-1918; Great War Trench Map DVD Collection, Western Front Association in association with the Imperial War Museum, 2008. The British Legion is in 1921 opgericht uit Britse oud-strijdersverenigingen en wil in eerste instantie steun bieden aan ex-militairen en hun familie. Tegelijk speelt deze organisatie een belangrijke rol in het Britse fronttoerisme. Tenslotte wil deze vereniging ook ijveren voor het behoud van (10) belangrijke oorlogssites. Uit DECOODT H., Geschilderde muuradvertentie voor 'Haig House', te raadplegen op https;// inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/215708. (n) Een groot deel van deze constructies maakte deel uit van Duitse stellingen bij Wieltje (36 constructies) en ten zuiden van Sint-fuliaan (70 constructies). In deze stellingen waren (12) de bunkers bijna tegen elkaar opgetrokken. Vandaag zijn hiervan nog vier Duitse posten van de Albrechtstellung of Ca-
nopus Trench (ID 1307) bewaard, drie militaire posten van Cambrai Reserve (ID 1302,1303 en 1304) evenals de mitrailleurpost Pickelhaube House (ID 1301). De ID-nummers verwijzen naar de Inventaris van het Wereldoorlogerfgoed, te raadplegen op https;//inventaris.onroerenderfgoed.be/woi. ANNOOT R. en CAENEPEEL A., leper en de frontslreek 191418. Saillant d'Ypres. Ypres Salient. Ypem Bogen, Brugge, ca. i960, p. 3, 64. VAN DAMME P., Bunkers in de leperse Frontstreek. Anno 1995, in Shrapnel, jg. 7, nr. 3 (september 1995), p. 17-46. Zie ook VERBEKE R., Betonnen schuilplaatsen en bunkers, te raadplegen op http;//www.digilife.be/teleducatie/vbssj/ omd99/Roger%2oV%2oVerbeke/versterkmgen.htm [geraadpleegd op 10/6/2014]. Als het referentiewerk voor Britse en Duitse militaire verdedigingswerken uit de Eerste Wereldoorlog aan het westelijke front kan verwezen worden naar OLDHAM P., Pill-boxes on the Western Front. A guide to the design, construction and use of concrete pill boxes 1914-1918, Londen, 1995. Van dezelfde auteur verscheen recent volgende publicatie over Britse militaire posten: OLDHAM P., Armageddon's Walls. British pill boxes 1914-1918, Bamsley, 2014. De publicatie GILS R., Vesting Antwerpen, dl. IV. Bunkers en bunkerstellingen (1914-1945) (België onder de wapens 19J, Erpe, 2001 kan als een inleiding op hoofdzakelijk Belgische en Duitse bunkers gelezen worden. Daarnaast zijn er enkele heel gedegen studies verschenen over de oorlogsgeschiedenis in specifieke regio's of gemeentes, waarin veel aandacht wordt besteed aan de bunkerbouw. Enkele voorbeelden voor de frontzone zijn; VANCOILLIE J., Halfweg Menin Road en Ypemstrasse. Gheluvelt 1914-1918 (Association for Battlefield Archaeology in Flanders. Studies 3), Voormezele, 2002; WACKENIER W., Alveringem in de Grote Oorlog, Brugge, 2006; LAMBRECHT E., Ten aanval. De strijd om de voorposten aan de Ijzer, Brugge, 2013; BARTON P., BOSTYN F. en VANCOILLIE f., Bayernwald: het Croonaertsbos in de Eerste Wereldoorlog, Zonnebeke, 2000. Deze Inventaris van het Wereldoorlogerfgoed kan geraadpleegd worden op; https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ WOI Op 3/6/2014 waren er 404 records in de databank, onder de typologie bunkers en schuilplaatsen. Deze databank wordt nog aangevuld met nieuw ontdekte items in de Westhoek. Het Belgische leger liet in de buitenlinie van de vesting Antwerpen vóór het uitbreken van de oorlog permanente schuilplaatsen optrekken met beton, aarde en metaal. Zie:
Restanten van een Duitse bunker
,
bij Epernon te Merkem. Op de betonnen restanten zijn een gedenkplaat en kruis aangebracht ter herinnering aan de gesneuvelde jean Taymans (foto K- Vandevorst)
-i.
éiéÊ |MW'
JH
fSSSm
i^fi
m H ife-^'^
j
'S
J V/
n1 J J if
-^1^ Bi lMattfw*Miiiiiii'''in- ^ I ••MMMMHMB
20 I M&L
•Mm:M
^üj^iiü i j
;a|feg w
*
^
Pi^-.- jp ^ T B | v ^S^^^^ka.
% \
f
^teMyMJj
wferv *
^Sggïjfcj^,N '-,
.
fc
^H
(13)
(14)
(15)
(16) (17)
(18)
Vergeten linies. Antwerpse bunkers en loopgraven door de lens schappen in de post te onttrekken. Zie GILS R., Be-vestigd Twee imposante Belgische verleden. 1000 jaar versterkingskunst in België (België onderposten de bij Ferme Scheewege van Leutnant Zimmermann (igiS), dl. i, Antwerpen, 2013, (Lampernisse), ten westen van wapens, 2), 1996, p. 61. p. 121-122. De term bunker was ten tijde van de Eerste Wereldoorlog (22) In bijvoorbeeld Die Schlacht in Flandem. Herausgegeben vonde Grote Beverdijkvaart, elnem Infanterie-Regiment: 307 Bilder aus dem Berelch Diks-op één kilometer verwijderd van wel al gekend als opslagplaats voor kolen en brandstof. Zie muide, Munchen, 1918 illustreren foto's deze vormen van de Belgische frontlijn OLDHAM P., Armageddon's Wal, p. 10. camouflage bij Duitse verdedigingswerken in de frontzone. (foto K. Vandevorst) De term pill box zou voor het eerst in de zomer van 1917 gebruikt zijn. Zie: Ibidem, p. 1-10. Dutpill-box zou verwijzen (23) In Bayernwald (Wijtschate) zijn dergelijke posten uit betonstenen bewaard gebleven. Zie bijvoorbeeld ID 1727. naar de vorm van een pillendoos, een vaak aangehaalde stelling, noemt Oldham onwaarschijnlijk. Vermoedelijk is de (24) Op de vestingen van leper zijn bijvoorbeeld twee Moir pill boxes bewaard. Zie ID 1450. benaming afgeleid van een pillar-box, een brievenbus op straat: de schietopeningen van militaire posten zouden na- (25) Met granaatwerpgaten of granaatgaten worden openingen bedoeld, waarin bezetters van een post granaten kunnen melijk gelijken op de gleuven van brievenbussen. smijten om eventuele belagers van de post te treffen. Vanuit Dit type van golfplaten zou in oorsprong gebaseerd zijn op een bunker had een bezetter vaak maar een zeer beperkt zicht een Frans ontwerp zijn, cf. French Pattern Elephant, loopgraop de omgeving, de vijand zou de bunker ongezien kunnen venparcours Memorial Museum Passchendaele 1917. besluipen. De bunkerbemanning kreeg via deze granaatgaten VAN ME1RVENNE R. en DEVOS P., De Duitse bunkerlinie de kans om deze vijand alsnog te bestoken met granaten. van Steendorp-Vrasene, 1917, Gent, 2002, p. 23. Deze openingen werden ook in de Belgische bunkers uit het Beton werd reeds bij de Romeinen gebruikt voor de bouw interbellum voorzien. Zie GILS R., Vesting Antwerpen, dl. IV, van verdedigingswerken, waaronder Hadrian's Wall. Zie p. 49 en 74; http://www.bunkergordel.be/1-2n-beschrijOLDHAM, Pill-boxes..., p. 9, ving%20tpg.htm [geraadpleegd op 28/5/2014]. De Belgische frontlinie langs de bedding van de voormalige
spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide wordt ook aangeduid als (26) Zie ID 1306. de Frontzate. Hier heeft de Belgische genie ongeveer twee- (27) Zie bijvoorbeeld GRAND QUARTIER GENERAL DES ARMEES DU NORD ET DU NORD-EST, Bulletin de renseignehonderd schuilplaatsen met baksteen opgetrokken. De ments du Génie, februari 1916. Dit bulletin is volledig gewijd Erontzate komt uitgebreid aan bod in het artikel DEBEIL F. en HULSTAERT W., Consolidatieproject restanten Eerste We- aan betonnen verdedigingswerken aan het westelijke front. reldoorlog, in Ms;i. Monumenten, Landschappen si Archeolo- Hierin worden onder meer de kenmerken en kwaliteiten van de Duitse verdedigingswerken en de effecten van artilgie, jg. 30, nr. 5, 2011, p. 24-67. leriebeschietingen op deze bouwwerken onderzocht. (19) BOSTYN F. en DENDOOVEN D., De Westhoek en het Stenen (28) Zie SAKKERS H., DEN HOLLANDER ). en MURK R., Erfgoed van de Eerste Wereldoorlog, in Open Monumentendag, 14 september 2003. Steen in de zuidelijke Westhoek (brochure), op.cit., p. 33 en 39; Vergeten linies..., p. 76-80; GILS R., Vesting Antwerpen, dl. IV, p. 12-28. Tussen het Zwin (Knokke) 2003, p. 2. en Vrasene is de Hollandstellung aangelegd met 411 bun(20) Commandoposten zijn doorgaans ook gesofisticeerder uitkers. De Stellung Antwerpen is een bunkerlinie met 830 gewerkt. bunkers (839 volgens Vergeten linies...) die grotendeels op(2i| Een golfplaat, ook wel schrikplaat genoemd, dient er ook getrokken zijn tussen de forten rond Antwerpen. De Stelvoor om scheuren in het beton aan het oog van de man-
1VI&LI 21
De achterzijde van een militaire post (foto K. Vandevorst)
lung Antwerpen-Tumhout (of Tumhoutkanalstdlung] loopt van Schoten langs het kanaal naar Turnhout, tot in OudTurnhout en bevat 132 bunkers. Bij de aanleg van deze stellingen zijn gestandaardiseerde bunkerontwerpen (zogenaamde Regelhauten) gebruikt. Bij ieder ontwerp zijn de benodigde hoeveelheden bouwmaterialen en het aantal arbeidsuren berekend. Dankzij deze principes en de terugkerende bouwtechnieken hoopt m e n in een relatief korte periode een groot aantal militaire werken te realiseren. Verder onderzoek moet uitmaken in welke mate er sprake is van Regdbau in de Duitse stellingen dichterbij het front, zoals de Flandern I Stellunguit 1918. (29) Zie GILS R., Vesting Antwerpen, dl. IV, p. 3 en 29. (30) Deze evolutie komt o.m. aan bod in OLDHAM P., Pillboxes...; BARTON P., DOYLE P. en VANDEWALLE J., Beneath Flanders Fields. Tunnels en mijnen 1914-18, Zonnebeke, 2005; BOSTYN F. en DENDOOVEN D., op.cit. (31) De bewegingsoorlog eindigde met het stilvallen van de Slag aan de Ijzer (18 oktober - 10 november 1914) en de Eerste Slag bij leper (19 oktober - 22 november 1914). (32) De Tweede Slag bij leper startte met de Duitse gasaanval ter hoogte van Steenstrate op 22 april 1915 en eindigde op 24 mei 1915. (33) De bewaarde betonnen observatiepost bij Hussar Farm is hiervan een mooi voorbeeld. Zie de Inventaris van het Wereldoorlogerfgoed, ID 1429. (34) Zie bijvoorbeeld de betonnen medische post bij Essex Farm, ID 720. Het geallieerde offensief barstte op 31 juli 1917 in volle hevigheid los. Dit offensief, ook wel gekend als de Derde Slag bij leper of de Slag hij Passendale, bloedde dood bij Passendale op 10 november I9t7. (35) Voor een beschrijving van de Ilzervlakte en de Belgische verdedigingsopbouw kan onder meer verwezen worden naar BRETON W., Les caractéristiques du Front Beige, Lausanne-Parijs, 1918. (36) Een groot strategisch nadeel is dat tijdens de koude wintermaanden de watervlakte bevroren kan raken, waardoor de
22 I 1V1 L
vijand gemakkelijk de voorposten en eerste linie zou kunnen bereiken. Zo moeten er in januari en februari 1917 dringend bijkomende obstakels opgeworpen worden. Zie MALEVE L., Historique du "Génie" de Namur, Namen, 1933, p. 29. (37) De inundatie van de IJzervlakte werd in stand gehouden door de sapeurs-pontonniers, die hiervoor hoofdzakelijk in Nieuwpoort opereerden. Tijdens de oorlog vormt het sluizencomplex Ganzenpoot namelijk het zenuwknooppunt voor de uitgevoerde inundaties en de waterhuishouding in het gebied Nieuwpoort-Diksmuide-Lo. Een klein opslagplaatsje voor springstof langs de Brugse Steenweg in Nieuwpoort getuigt van het enorme strategische belang van dit sluizencomplex: hierin werd springstof bewaard waarmee het sluizencomplex vernield kon worden bij een Duitse doorbraak. Zie https://inventaris.onroerenderfgoed.be/ dibe/relict/212724. (38) Een point d'appui is een steunpunt, een geconcentreerde verdedigingsopstelling van troepen. Een redoute is een kleine geheel omsloten veldschans zonder inspringende hoeken. Een ouvrage wordt vertaald als verdedigingswerk. Uit GILS R., Vesting Antwerpen, dl. IV, p. 92-93; Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, 1995; van Dale Groot Woordenboek Frans-Nederlands, 1990. (39) Een bretelle is een dwarsstelling. (40) Zie GILS R., Vesting Antwerpen, dl. IV, p. 9. Er wordt geschat dat aan Belgische zijde ongeveer 350.000 a 4 0 0 . 0 0 0 m ' beton voor schuilplaatsen werd verwerkt. (41) Zie DECOODT H., Belgische mitrailleurspost (W.O. 1) Vlavlakte te Diksmuide (Oudekapelle), Belgische mitrailleurspost (W.O. 1} Keiweg 4 U Vleteren (Oostvleteren), Belgische mitrailleurspost (W.O. 1) Kasteelweg te Vleteren (Oostvleteren), onuitg. beschermingsdossiers. Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen, 2ori-2ot2. (42) WACKENIER W., Alveringem in de Grote Oorlog, Brugge, 2 0 0 6 , p. 115 en 199. Zie ook DEBEIL F. en HULSTAERT W., op.cit., p. 39-40.
^WfC:
0*i&&*r
^
^
ft
'•.•£I**+AJ ^--..iSty^i/rfj
(43) Dergelijke betonpanelen zijn ook gebruikt bij de verster- (53) De samenstelling en de opdrachten van deze troupes auxili- Elephant shelter in Sint-Elooi, aires konden heel gediversifieerd, zo blijkt uit de studie van opgetrokken in de winter van king van het station van Ramskapelle. Zie DEBEIL F. en VANDEWEYER L., Hulptroepen van de genie van het Belgi-1917/1918 door de Australische HULSTAERT W., op.cit., p. 48-51. sche leger, in DESCAMPS F., VANCOILLIE J. en VANDE- genie (44) Ibidem, p. 39, 45-46. WEYER L, op.cit., p. 221-327. (45) Ibidem, p. 24-67. (foto K. Vandevorst) (46) DE MOOR J. en VERBEKE R., Dagboeknotities oorlogsvrijwil-(54) VERBEKE R., De wacht aan de IJzer, in CHIELENS P., DENDOOVEN D. en DECOODT H., De laatste getuige. Het oorliger Genie. Beel Georges. 1^14-1^18, (onuitg. transcriptie), logslandschap van de Westhoek, Tielt, 2006. 2011 (te raadplegen in leper, IFFM). {47) Zie https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/re- (55) Specifieke taken blijven niettemin de verantwoordelijkheid van de genie. Bij de uitbouw van stellingen in de omgeving lict/212732. Hier kan een uitgebreide bronnenvermelding van Vleteren en Poperinge in de zomer van 1918 bijvoorteruggevonden worden. beeld is de genie verantwoordelijk voor het optrekken van de (48) Historique 1934-igiS du Génie de la IV D.A., onuitg. werk, p. mitrailleurposten, de verdedigingsaccessoires en het tracé 28-29. van de loopgraven, terwijl de graafwerkzaamheden zelf uit(49) Volgens MALEVE L., op.cit., p. 32 zijn deze hoofddepots ingevoerd moeten worden door de infanterie. Zie nota van de gericht in Woesten en Oostvleteren (beide grondgebied Vleiste Genie (is,e D.A.), Instruction pour Ie travail, 28/6/1918 teren), Lo en Fortem (beide Lo-Reninge) en Wulpen (Kok(Brussel, KLM: Fonds iste Legerdivisie, nr. 1321/24). si jde). (50) Historiek van het Bataljon Genie Depot en Maintenance (bro-(56) In de periode juni-november 1917 wordt de sector Nieuwchure), Sectie I, Voorgeschiedenis. poort overgenomen door Britse eenheden. (57) In de omgeving van Vleteren is een relatief hoge concentra(51) Aan Duitse zijde worden hiervoor ook krijgsgevangenen en tie aan Franse constructies bewaard. Een deel ervan is opgeal dan niet verplicht tewerkgestelde burgers ingezet. De Brittrokken aan de hand van de typische gebogen golfplaten. ten doen naast Duitse krijgsgevangenen ook een beroep op Zie bv. ID 1678. het Labour Corps, waarvan heel wat koloniale hulptroepen deel uitmaken. Hierover meer in DESCAMPS F., VAN- (58) Zie ID 259. Deze constructie kwam al in meerdere publicaC0ILL1E J. en VANDEWEYER L, Ten oorlog met schop en ties aan bod, waaronder in DEBEIL F. en HULSTAERT W., houweel. Bijdragen over de hulptroepen van de genie van het Bel-op.cit., p. 53-57. Deze constructie werd geconsolideerd en gische, Duitse en Britse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, ten dele gereconstrueerd tijdens het reeds hoger vermelde 2009. consolidatieproject in 2007-2008. (52) VERBEKE R., Organisatie genie, 2013 in Overzichten i.v.m.(59) Zie DECOODT H., Franse militaire post (W.O. I) te leper Belgisch leger in 1914-1918, map te raadplegen in leper, (Zuidschote), onuitg. beschermingsdossier. Onroerend ErfIFFM. Zie ook BRETON W., op.cit., p. 25-26. goed West-Vlaanderen, 2014. (60) https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/212731
M&L I 23
Het Schildehof: een door de natuur ingenomen kasteeldomein MariekeJaenen en Robin Engels
Het kasteeldomein Schildehof aan de Schijnvallei
Van bronnen tot tekst
in Schilde kende sinds de i 6 d e eeuw een rijke geschiedenis met achtereenvolgende eigenaars, die het domein steeds groter en imposanter maakten. In 1924 verliet de laatste bewoner het kasteeldomein en in 1951 werd het ondertussen erg verwaarloosde domein verkocht. Grote delen van het park werden verkaveld en het prachtige kasteel zelf werd op de kelders na met de grond gelijk gemaakt. De gemeente Schilde kocht het park en het overblijvende gebouwenbestand met de ruïnes van enkele bruggen, de Venustempel en het onafgewerkte kuuroord Bobines-les-Bains. Het werd gebruikt als gemeentepark en zelfs enkele jaren als stortplaats. Rond 1971 groeide de interesse voor het park en het wordt thans door verschillende verenigingen gebruikt. Vandaag is het domein volledig begroeid met heesters en bomen en heeft de natuur haar plaats herwonnen op de bouwkundige relicten. De gemeente Schilde wil het park en haar erfgoed herwaarderen en nam het initiatief o m een masterplan op te stellen de toekomstige ontwikkeling en beheer.
24 I M&L
De gemeente nam in 2010 het initiatief om een multidisciplinair team aan te stellen om een masterplan op te maken voor het behoud, het beheer en de herbestemming van het cultuurhistorische park en zijn bouwkundige relicten. De opdracht omvatte de ontwikkeling van een visie over de toekomst van het park en een plan van aanpak voor het beheer op korte en lange termijn. In dit kader werd een tuin- en bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd waarvan dit artikel een weerslag is (1). Het werd hoofdzakelijk opgemaakt aan de hand van literatuuronderzoek, archivalische en iconografische bronnen en bezoeken aan het domein. De studie werd chronologisch opgebouwd rond vijf historische periodes: 16de tot begin 18de eeuw, 1723-1756,1764-1850,1871-1923 en 19241971. Voor de eerste en de derde periode werden er niet zoveel bronnen gevonden waardoor er voornamelijk beroep werd gedaan op iconografische bronnen zoals kaarten, bouwplannen en foto's en op de publicatie van Alfons Bousse over de geschiedenis van Schilde (2). De bouwgeschiedenis van de tweede periode was daarentegen rijkelijk gedocumenteerd en terug te vinden in het archief van de familie van de Werve en de Schilde, bewaard in het Rijksarchief van Antwerpen. Dit archief bezit een kaartenboek Cartes geographiques des terres, hois, planus, viviers, et biens apartenants a Mess. Paul Jacques baron de Cloots et de Schilde, opgemaakt door Pierre Philippe Ricquier in 1723, plannen van Van Baurscheit en documenten over de werklieden, bouw en afwerking van het kasteel (3). De bronnen voor de vierde en vijfde periode zijn grotendeels afkomstig uit het archief van de
"W
*TSB&:
^S^ptJ' I T ^ ^ T
v.-ïï
<r
Heemkundige kring Scilla, met veel foto's en prentbriefkaarten van het Schildehof en een gedeelte van het archief van baron Henri uit de periode 1871-1893. Verder bewaart het gemeentearchiefvan Schilde veel kaartmateriaal uit de 18de en 19de eeuw, dat belangrijke informatie opleverde voor de opmaak van de tuingeschiedenis.
HOF TEN BROECK WORDT SCHILDEHOF (i6de-i8cle eeuw) In de vroege middeleeuwen was het land aan het Schijn moerassig en werd begonnen met drainage voor het verkrijgen van goede weidegronden. Deze gronden waren enerzijds de beste graasweiden en anderzijds interessante grond waar verschillende rijke families een landgoed of lusthof op lieten bouwen. Zo ontstond ook het Hof ten Broecke, waar de families de Drake's, de Wijnegems en de Berchems in de 15de en 16de eeuw vermoedelijk een lusthof uitbouwden met op het omwalde opperhof een woning met toren en op het neerhof een woning, schuur en stallingen (4). In de eerste helft van de 16de eeuw was Alvarao D'Almaras eigenaar van Hof ten Broecke. Hij verkocht het in 1545 aan zijn schoonbroer Willem van de Werve: "te wetene eerst een steenen huys met eenen torre rontsomme, ontwatert ende vuyten watere gefondeert genaemt 't hofften hroucke, gestaen ende gelegen onder
Schilde, metten nederhove ende huysinge daer toe hehoorende" (5). Van de Werve breidde zijn domein uit door de weide Hertsenbeemd gelegen onder Wijnegem te ruilen met drie percelen in Schilde van Melchior Charles, stadsgriffier van Antwerpen. In 1559 verpandde de hertog van Brabant, koning van Spanje, Filips II de heerlijkheid Schilde, zodat Hof ten Broecke de zetel van de heerlijkheid van Schilde werd. De oudste zoon van Willem, Filips van de Werve (71566), volgde hem op als eigenaar van de heerlijkheid Schilde (6). Hoe het kasteel en de tuin er toen uitzagen is niet geweten. De enige beschrijving van het kasteel en domein uit de 16de eeuw werd in verband met schulden op 18 augustus 1598 opgemaakt: "in de sale, hoven op de solders, in de neercamer op de rechte sijde in't incomen, in de garde robbe daemeffens, in de keuken, int cleyn keuckentken daerneffens, in de camer heneffens de keucken, int cleyn camercken daemeffens, in de grootte salette, in de caemer naast de salette, in't camerken soo men naer den Thoren gaet, in de gaeldereye in de brouwery heneden thuis opt nederhoff'ty). Het kasteel zelf bestond toen uit één bouwlaag met een zolder en een kelder (8).
Gezicht op de grondvesten van het voormalige kasteel (foto O. Pauwels)
In 1643 verkocht Anna van de Werve zeven jaar voor haar dood het kasteel en het domein aan Michiel van Cauwenberghe en zijn vrouw Maria de Lattre. Van Cauwenberghe huurde op hetzelfde
1VI&LI 25
eigenlijk los van het kasteel op een eigen fundering. Het kasteel was gebouwd in baksteen, met de constructieve gedeelten van de vensters, kruismonelen en deuren in natuursteen. De fundering was tegelijkertijd ook de kelder met daarboven de begane grond en een zolderverdieping met dakkapellen afgewerkt met trapgevels. Een eenvoudig overdekt bruggetje verbond de toren met de begane grond van het kasteel. Ook vanuit de zolderverdieping was vanuit een dakkapel een verbinding naar de toren.
Johanna de Pret en J.P Van Baurscheit de Jonge creëren een prachtig kasteeldomein (1723-1756) Het kasteel rond 1678 (Le Roy)
Tekening van de bestaande toestand van het kasteeldomein, getekend door Ricquier In 1973 (RAA, Y i / 0 4 0 . Archief van de familie van de Werve en van Schilde)
moment het Puttenhof in Schilde van de abdij van Affligem. Willem de Lattre erfde de heerlijkheid Schilde en verkocht dit op 24 september 1681 aan Karel Bruno van de Werve. Het kasteel zag er toen grotendeels uit zoals Jacques Le Roy het in zijn Notitia Marchionatus, Sacri Romani Imperii, hoc est Urhis et Agri Antuerpiensis uit 1678 naar een gravure van Frans Erlinger afbeeldde (9). Deze gravure is de enige iconografische bron uit de 17de eeuw en toont de oostelijke gevel van het kasteel van op de Haverdries. Ze toont een kasteel met een vierkante verdedigingstoren met dakruiter. Deze toren stond
i , .•,(rl„„ i „ . , , f
CM» i i r
il f*
n
•
•f * t t • - * • ? • « • t t t t t t t t t t t '
k.l Port fti<ci(,(V* . J - . » u t*.WT 4^ Ti
26 I M
L
^
}*
> r
»» >»
De erfgenaam Karel Hendrik van de Werve verkocht de heerlijkheid Schilde, de goederen en alles wat hij daar bezat, zelfs de meubelen en de schilderijen, aan Paolo Jacomo Cloots. In het kasteel bevond zich toen een chambre des peintures of kunstkamer. In deze grootste kamer van het Tekening van de nieuwe aanleg van het kasteeldomein, getekend door Ricquier In 1973. De heraanleg van de tuin, het canal en het tuinpaviljoentje zijn op deze tekening al opgenomen (RAA, Y i / 0 4 0 , Archief van de familie van de Werve en van Schilde)
kasteel hingen onder andere werken van Pieter Paul Rubens. Cloots zou een fortuin verzameld hebben met de handel op het Verre Oosten wat hem toeliet Schilde en de barontitel te kopen. Hij werd op 15 januari 1723 als nieuwe heer van Schilde door Karel VI, hertog van Brabant, beleend met de heerlijkheid en geadeld met de titel van baron. Van toen af werd Schilde een baronie en de nieuwe baron mocht zich de Cloots noemen. Hij liet door Pierre Philippe Ricquier in 1723 Cartes geographiques des terres, bois, planus, viviers, et hiens apartenants a Mess. Paul Jacques baron de Cloots et de Schilde en het boek Cartesfiguratievesdes terres, bois, planus, viviers, et biens apartenants a Mess. Paul Jacques baron de Cloots et de Schilde opmaken (10). Aan deze verzameling werd een plattegrond van de bestaande toestand van het kasteeldomein toegevoegd (11). Blijkbaar was er tegen 1720 een bescheiden renaissancetuin aangelegd (12). De tuin was opgedeeld in naast elkaar ligende compartimenten, gescheiden door een geometrisch drevenstelsel. De belangrijkste dreven zijn hier aangelegd richting het Schijn. Verder werd het domein gedeeltelijk omsloten door grachten, die van water uit de Schijn voorzien werden. Het domein zelfbestand links van het kasteel uit het groot star bos [nr. 12] en werkgrond Haverdries met linden [nr. 6]. Voor het kasteel was er de zogenaamde base cour [nr. 2j met links en rechts van het toegangspad een schuur en het huis van de hovenier. Beide gebouwen waren opgetrokken in baksteen met een dak van stro of pannen. Het kasteel zelfwas gelegen in het canal [nr.ij. Tegen het Schijn was een klein bebost perceel dat toegang gaf tot de sluis [nr.iij. Rechts van de base cowr was de boomgaard [nr. 3J, met daarachter de aangelegde renaissance tuin [nr. 4]. Over de gracht gaf de dreef doorheen het cleyne star [nr. 9] toegang naar de weide den groot bempte [nr.ioj. Het Cleijne en Grote Star was samengesteld uit hakhout en voorzag de eigenaar tot in de 19de eeuw van inkomen. Rechts van dit alles was er een lange dreef tot aan het Schijn die het kasteeldomein scheidde van het Speelhof. Het Speelhof, ten westen van het kasteel, was opgebouwd uit weiden en bossen (13).
werken tot een goed einde te brengen (14). Voor de renovatie van het kasteel werd eerst Willem Ignatius Kerricx aangesteld. Volgens een rekening uit 1725 maakte hij "de tekeningen van de remise, een plan en de opgaende teckening voor de achterste fagade van het kasteel met de capelle, verandering van de keuken, voor de teckeningen van de poort met de modellen, voor de houten modellen, het maken van twee steene vazen en voor de twee wapens van Bentemer steen"(15). Verder in de rekeningen wordt er niets meer over Kerricx vermeld en komt enkel nog de naam Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge als ontwerper voor. Van Baurscheit was een bekende Antwerpse architect, die op dat moment ook op het kasteel in 's Gravenwezel werkzaam was. Het is mogelijk dat Joanna de Pret rond 1725 deze bouwwerf bezocht had en voor een gelijkaardig kasteel van dezelfde architect koos. Er zijn namelijk verschillende gelijkenissen, waaronder het ontwerp van de poorten en de voorgevel. Van Baurscheit werd waarschijnlijk rond 1725 door de barones aangesteld en bleef uiteindelijk gedurende 30 jaar verbonden aan het Schildehof. Hij zou het kasteel in twee fasen verbouwen (16).
De eerste werken die aan het kasteel werden uitgevoerd, vonden plaats tussen 1726 en 1733. Deze waren gericht op de inrichting van een keuken en een nieuwe gevel. Van Baurscheit bezorgde de aannemers de juiste afmetingen van de oude constructie en het nieuwe ontwerp (17). Enkele van deze aannemers waren: J. Verbrugghen, Jan Govaert, Hendrick Ghens, Max Verdeyen, Klaes en Nicolaes van Himmerseel, Peter De Bruyn, Anthoni Smidt, Gilliam De Wolf, Karel de Beuckelaer en Jacobus Barrevoedts. Peter Leemans zorgde voor het opzetten van het dak van de nieuwe
Het kasteeldomein op de gravure van 1749 door Pieter Balthasar Bouttats {RAA, Y1/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde)
Baron de Cloots stierf kinderloos in 1723 en de baronie en al de goederen van Schilde kwamen toe aan zijn weduwe Joanna de Pret. Zijn plannen om het kasteeldomein tot een prachtig kasteel naar de mode van de tijd om te bouwen en met hovingen, prielen, dreven, waterpartijen en fonteinen te voorzien, waren toen nog niet afgewerkt, maar zijn weduwe zette gedreven de werkzaamheden voort. Zij hertrouwde op 17 april 1728 met Jan Albert van Hove, eerste raadspensionaris van de stad Antwerpen. Ook hij stierf en mocht de verfraaiingswerken aan het kasteel niet beëindigd zien. Dus was het opnieuw de taak van Joanna de Pret om de
IVT L I 27
De gravure van Pieter Balthasar Bouttats toont een rechthoekig terrein: een betrouwbaar, maar optisch vertekend beeld van het kasteeldomein uit 1749 (RAA, Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde)
keuken. Met de constructie van nieuwe keukenmuren werden er ook nieuwe fundaties in de vijver gezet, waardoor de oppervlakte van het kasteel vergrootte. De zijgevels werden gelijk gemaakt en het nieuwe schallen dak kreeg dakkapellen. De nieuwe aanbouw werd "bestrijcken, besetten ofte calleijen van den heelen nieuwen bouw, so onder water als boven, buijten en binnen muren met die materialen die zullen aangewezen worden"(18). De balken werden met leem geplackt en de vloeren geplaveid. De twee kleine torentjes werden mee in de nieuwe zijgevels en dakconstructie verwerkt en werden bekroond met twee koperen bollen (19). De schrijnwerker C. De Winter leverde het houtwerk van de keuken, de trap en de dakconstructie. Baptista Rombouts leverde 2 corven gemeijn glas. Er werd voor de voorgevel naar het model van Van Baurscheit door Jean Baptiste Lisse blauwe hardsteen geleverd voor de plinten, de voet van de pilastres rustique, comiche, vensterlij sten en deuromlijsting.
3*? tJTT
•
... "
28 I M&L
Ook het interieur van het kasteel werd onder handen genomen. Zo werd de eetkamer door de schilder Peeters in verschillende kleuren geschilderd. Volgens de rekening werden de volgende kleuren gebruikt (20): wit, oker, ivoor, schijtgeel, Engels rood, bruin schytgeel, lac, Berlijns blauw (21), vermiljoen (22), bruine oker, koningsgeel, schelpwit en Spaans groen (23). Verder kwam er een nieuwe 'grote' trap met zeven treden in blauwe hardsteen (24). Voor de constructie van de keuken werd de oude keuken afgebroken samen met de muur langs de vijver. De keuken werd voorzien van een trap met een geornamenteerde borstwering, een houten vloer, een afzonderlijk schutsel of kasten en verschillende planken in de 'vaethoek' waar het dienstpersoneel het eten kon klaarmaken. Er werd een pomp gemetst tegen de muur langs het water. Met een groots kasteel moest natuurlijk ook een grootse tuin gepaard gaan. Het domein werd helemaal heraangelegd. Wie verantwoordelijk was voor het ontwerp van de tuin werd niet teruggevonden. Het plan met de algemene aanleg van het kasteeldomein, inclusief het tuinpaviljoentje, de grand canal en de fonteinen, werd reeds in 19221923 opgemaakt. Dit was enkele jaren voor Joanna de Pret beroep deed op Kerricx en daarna op Van Baurscheit. Wie de ontwerper ook was, hij heeft de tuin ingericht als een baroktuin, waar de begrenzingen werden doorbroken en doorkijken ontstonden. De nieuwe paden, kanalen en bomenrijen benadrukte deze doorkijken en suggereerden een dieptewerking, dat op het einde bekroond werd met terrassen, fonteinen en watervallen. Er werd een relatie gelegd tussen de gebouwen en de tuin. De nieuw aangelegde intieme ruimten werden aangelegd en de versieringselementen kwamen op de kruispunten van de assen. Grachten bakenden het domein af. Waarschijnlijk gebeurde dit meer uit esthetische en functionele redenen om de boomgaarden genoeg water te geven dan ter bescherming. De bossen maakten plaats voor grasperken met lanen. De Haverdries met linden werd omgevormd tot een boomgaard. Verder kocht Philip Henquine 260 lindebomen. Twee jaar later werden fruitbomen geleverd en divers plantsoen door Harmans, waaronder 160 eijcken boomen; 12 eijcken in de dreven; 30 eijcken op den waeijenbergh; 5000 jluijten; 66 groote esschen boomen en 21 lindebomen (25). In de tuin zelf kwamen vanaf 1732 verschillende Spaanse hagen of Taxushagen. De beeldhouwer Michiel Van der Voort (1667-1737) ontwierp vier beelden voorstellende de vier seizoenen waarvoor passende sokkels piëdestallen in blauwe steen voorzien werden. De siertuinen speelden een belangrijke rol in het geheel van de tuin naast het kasteel. Vanuit
de salons van het kasteel keek men links en rechts op de parterre de broderie en dus ook op de beelden. De beide parterres hadden elk zes gelijkwaardige plantenbedden met diverse perkornamentiek. Vaak werden de tussenruimtes ingevuld met gekleurd grind, en afgeboord met platte banden met solitaire bloemen in een keurige gehakte grond (26). Ze waren omhaagd met een latwerkhaag. Een van de belangrijkste plannen van baron de Cloots was het aanleggen van een grote vijver van 240 m lang en 40 m breed zoals het grand canal in Versailles! Er werd ter hoogte van het Schijn een sluis gebouwd om het water op het nodige peil te houden en naar het voorbeeld van Versailles kwam er ook een waterval en fonteinen. In het verlengde van het kasteel, aan het einde van het canal kwam er een tuinpaviljoentje in de vorm van een torentje, genaamd Mon Plaisir. Baron de Cloots was rijk geworden met de handel op China van de Oostendse Compagnie (27). Met gevolg dat dit torentje zoals vele chinoiserieën een westerse creatie met een oosterse inspiratie was. Van Baurscheit ontwierp het tuinpaviljoentje enfagon de Chine in een periode waar de rococochinoiserie haar hoogtepunt had tussen 1720 en 1760 (28). Het torentje was niet alleen een lust voor het oog, maar diende ook om de pompinstallatie van de fonteinen en de watervallen in onder te brengen (29). Het stond op een twee verdiepingen hoog terras in blauwe hardsteen. Jean Baptiste Lisse was ook hier verantwoordelijk voor het leveren van de blauwe hardsteen uit Feluy. Verder werd er ook beroep gedaan op de steenhouwer Francjois Folie, de metser Van Leemans en de loodgieter Kokx. Dit balkon kon bereikt worden met een rijk uitgewerkte trappenpartij. In 1729 leverde Van Baurscheit aan Johanna de Pret de tekeningen voor beeldhouwwerk en siraten en grouppe voor op het terras. Achter het torentje was een afsluiting in de vorm van een haag aangebracht. Links en rechts van de trappen was een waterpartij met een fontein in een blanken steen. Aan het uiteinde van het canal, in het verlengde van het torentje, werd een waterval voorzien die met een speciaal mechanisme vanuit het torentje bediend kon worden. Peter Steenot leverde hiervoor de koperen buizen en ciraten voor defontijne en cascade en Slavon zorgde voor de treckende pomp.
tussen de tuinen.(3o) De blauwe hardsteen van Feluy werd opnieuw door de steenhouwer Jean Baptiste Lisse geleverd, de hekken en het ijzerwerk van de brugleuningen werden gesmeed door Cornells Markx (1692-1773) (31).
Het tuinpaviljoentje volgens de gravure van Pieter Balthasar Bouttats van het kasteeldomein in 1749 (RAA. Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde)
Joanna de Pret speelde in 1745 ook een belangrijke rol in de aanleg van de nieuwe steenweg van Deurne naar Schilde. Zo legde ze enkele jaren later, in 1750-1751, de Belle Vuedreef aan als verbinding tussen het kasteel en de Steenweg (32). Rond 1755 had de tuin drie hoofdassen met doorkijken van Turnhoutsebaan naar het Schijn. Deze assen werden ortogonaal met elkaar verbonden door twee verbindingswegen. De middelste hoofdas werd als Belle Vuedreef doorgetrokken naar de Turnhoutsebaan en de Kasteeldreef kruiste de hoofdas. Tussen 1755-1758 werd het kasteel opnieuw verbouwd. Joanna de Pret deed nog steeds beroep op Van Baurscheit. Het kasteel kreeg nu het
Ontwerp van de voorgevel het kasteel Van Baurscheit rond 1755 (© KIK)
Op het neerhof of base cour werd de remise en de schuur gerenoveerd. Ze kregen een witte bepleistering om stilistisch aan te sluiten bij de gevelafwerking van het kasteel. Verder werd op het neerhof naar ontwerp van Van Baurscheit een statige kasteelpoort opgericht met een brug over de kasteelgracht. Hij ontwierp ook de balustrades van de andere twee bruggen die verbinding gaven
A/I&L I 29
uitzicht dat het zou behouden tot 1870. Om het ontwerp van Van Baurscheit uit te voeren werd er in 1755-1756 heel wat natuursteen geleverd voor vensters, pilasters, plinten en mouluren. In de briefwisseling zijn zelfs de modellen uit papier geknipt op schaal 1/100 bewaard. De modellen in blauw papier waren voor de blauwe hardsteen, de beige voor de witte natuursteen (33). Deze modellen dienden voor 15 vensters op de eerste verdieping en vier vensters op de gelijkvloerse verdieping. Opvallend veel materiaal voor een eerste verdieping in vergelijking met de gelijkvloerse verdieping. Dit is evident want tot op dat ogenblik bestond het gebouw enkel uit één bouwlaag. De twee zijgebouwen op het terras werden afgebroken om een imposante gevel te vormen bestaande uit twee bouwlagen. De bestaande gevels werden omgebouwd totdat de vensters symmetrisch tegenover elkaar stonden. Deze ingrijpende verbouwingswerken zorgden er ook voor dat het interieur, ruimteconcept en circulatie van het kasteel aangepast moest worden. In 1757 leverde Vervoert 264 stukken bremer steen gekant (34) voor de biljartkamer en de trap. Er werd een plafond afgewerkt met vaulinnen. Verder werden er zes vazen verguld door N. Van Strijp en de glasmaker Rombouts leverde drie glas-in-lood ramen. Het is echter onduidelijk over welke kamer het gaat. De schilder Fransis Coeckx schilderde drie plafonds aan het water, te beginnen met de eetkamer en dan de nieuwe zaal. Het is mogelijk dat het hier om de biljartzaal gaat. Waarschijnlijk bedoelde men met de drie kamers aan het water, de kamers aan de achtergevel. Een grondplan van het kasteel rond 1880 toont drie opeenvolgende
Het kasteeldomein, j.-j.F. de Ferraris 1777 (www kbr.be)
30
M L
kamers, namelijk het kleine salon, het grote salon en de eetkamer. Het is mogelijk dat in de 18de eeuw het kleine salon als biljartzaal diende. Rond 1757 werd door Coeckx in de drie kamers het hout en drie schouwen gemarbeleert. Hij rekende de barones ook aan voor het teeckenen van eenen patroonen goude leer en het schilderen van de klijne patroon van het goude leer (35). Mogelijk was dit goudleer voor de eetkamer bedoeld. Het is niet duidelijk of het hier gaat om nieuw goudleer of om de restauratie van het bestaande. Hij schilderde ook de doeken van de kapel. Hij gebruikte hiervoor de kleuren bruin, wit, omber, Berlins blauw, geel en hoeck groen (36).
Het kasteeldomein terug in handen van de familie van de Werve's (1764-1850) Na het overlijden van Joanna de Pret in 1764 kwam de baronie van Schilde, evenals het kasteel, opnieuw in het bezit van de familie van de Werve, namelijk van Filips Lodewijk Ignatius Jozef van de Werve, de tweede zoon van Joanna's nicht Maria Anna de Pret, die gehuwd was met Karel Filips Hendrik Jan Baptist van de Werve. Hij trouwde op 27 april 1767 met Marie-Alexandrine de Fraula (37). Zij stierfin 1770, maar de baron liet dat niet aan zijn hart komen en trouwde in datzelfde jaar met Therese-Fran^oise Peeters. Tijdens dit huwelijk liet hij op de plaats van drie huizen - het Vosken, SintMaarten en de Sikkel, die hij in Antwerpen had aangekocht in 1781 en 1783 - het hotel van de Werve bouwen in neoclassicistische stijl. Waarschijnlijk werd dit pand ontworpen door de Franse architect Barnabé Guimard (1731-1805) (38).
Uit deze periode zijn er geen afbeeldingen of archiefdocumenten van het Schildehof teruggevonden. De enige bron is de Ferrariskaart uit 1777 die een algemeen beeld van het domein. Er moet bij deze kaart toch wel enige historische kritiek toegepast worden, maar de tuinen links en rechts lijken verdwenen of aangepast te zijn. Verder staan er maar vier bouwwerken op het plan aangeduid: de pagode, het kasteel, de remise en schuur. De tweede vrouw van Filips Lodewijk Ignatius Jozef van de Werve stierfin 1789 kinderloos. Hij hertrouwde in 1791 met Marie
Louise della Faille en kreeg twee kinderen, JacquesJoseph en Marie-Josèphe. Tussen 1795 en 1809 leefde de baron in zijn hotel in Kipdorp. In 1809 bood de baron in het Schildehof onderdak aan 180 Franse soldaten en tijdens hetzelfde jaar logeerde in zijn woning op Kipdorp de maarschalk Bernadott (39). Aan de hand van de kaarten uit 1795 en 1809 kan opgemaakt worden dat het kasteeldomein in deze periode een drastische verandering onderging: de vergane baroktuin werd omgevormd tot een Het kasteeldomein, 1795 (Gemeentearchief Schilde)
Het kasteeldomein, 1809, eerste kadasterplan (Gemeentearchief Schilde)
1VI&L I 31
r^£i%i:^v
_*•
'• m • ''-ft,''-
. " 'k*£l'':' '•
Ruïne van de Venustempel vanop de pijlenbrug (foto O. Pauwels)
Schapenstal, prentbriefkaart 1880 (S. lila)
32 I M L
Torentje, prentbriefkaart 1880 (Scüla)
Binnenkrant
m l a 1 We'll be
II II
II
f « ^ Msfi -»
f
Ji "m
l/l
iilflllllflilllllli ii*! ifijiiiiuiiin
H 'H'
5 Si
.„. Mauritshuis in Den Haag (foto M. Buyle)
^rl
•
miiimi
school en later de zetel van de Nationale Bibliotheek. In 1822
Restauraties
wordt de Koninklijke verzameling er ondergebracht en krijgt dit voormalige woonhuis de functie van museum, dat het tot op de dag van vandaag nog is.
<v
Ö
Marjan Buyle
aan uitbreiding toe. Hiervoor werd het buurhuis, een mooi art
•i-H
PQ
De uitgelezen schilderijencollectie trekt uiteraard zeer talrijke bezoekers. Het woonhuis met zijn beperkte afmetingen was
"EEN MOOI, HEEL MOOI EN ALLERMOOIST HUIS" HEROPENING VAN HET MAURITSHUIS IN DEN HAAG NA RENOVATIEWERKEN
deco pand uit 1933, aangekocht. Het architectenbureau Hans
"Een mooi, heel mooi en allermooist huis", zo beschreef bouw-
duurzame materialen die de tand des tijds kunnen doorstaan.
van Heeswijk kreeg de opdracht om beide panden op te frissen en ze met elkaar te verbinden via een ondergrondse ruimte, een opdracht waarin ze met verve zijn geslaagd. Er werd bewust gekozen voor een niet al te trendy, tijdloze stijl met
heer en opdrachtgever Johan Maurits, graaf van NassauSiegen, zijn woonst aan de Hofvijver, een prestigieuze locatie
De collectie
pal naast het Binnenhof. Het werd gebouwd tussen 1633 en
De topstukken zoals de lyde-eeuwse meesterwerken Het meisje
1644 naar ontwerp van de bekende i7de-eeuwse bouwmeester
met de parel en Cezicht op Delft van Johannes Vermeer,
Jacob van Campen, onder toezicht van Constantijn Huyghens.
De anatomische les van Rembrandt en Het puttertje van Carel
Het is, samen met het Paleis op de Dam, één van de belang-
Fabritius zijn internationaal bekend en zijn de grote publieks-
rijkste getuigen van het Nederlandse classicisme. De graaf
trekkers van deze collectie, waarvan enkele belangrijke stukken
bevond zich tijdens deze bouwwerken in Brazilië en over de
tijdens de renovatiewerken een wereldtournee maakten langs
voortgang van de werf werd dus druk gecorrespondeerd. Deze
Japan, de Verenigde Staten en Italië. Minder bekend zijn de
briefwisseling leverde interessante gegevens op over de bouw-
schitterende portretten van Hans Memling en Hans Holbein;
geschiedenis, de uitvoerders en de aankleding van exterieur en
een onlangs verworven Stilleven met kazen, amandelen en
interieurs. In de 18de eeuw wordt dit gebouw een militaire
krakelingen van de Vlaamse schilderes Clara Peeters;
Een van de tentoonstellingszalen met Het meisje met de parel. Let op de nieuwe wandbespanning (foto R. Tilleman © Mauritshuis Den Haag)
een voorbeeld van samenwerking tussen figurenschilder en
nieuwe trap. Hij kan eveneens naar het art deco pand, dat is
landschapschilder: Het aardse paradijs met de zondeval van Adam uitgebouwd met onder andere tentoonstellingsruimtes, een en Eva door Pieter Paul Rubens en Jan Brueghel en de ontwape-
auditorium, een evenementenzaal, een bibliotheek, een bras-
nende snel geschilderde Lachende jongen van Frans Hals.
serie, een educatieve kunstwerkplaats en administratieve lokalen. Het museum beschikt tevens over een eigen
Een vernieuwd museum voor de toekomst
restauratieatelier.
De werken werden binnen het voorziene tijdsbestek van 2 jaar en binnen het vooropgestelde budget van 30 miljoen afge-
De nieuwe ingangstrap vanuit de onthaalruimte naar het Mau-
werkt. Gezien de complexiteit van het gegeven (de werf moest
ritshuis is uiteraard een ingrijpende verandering. Toch blijft het
op een drijvende constructie op de vijver worden uitgebouwd)
oorspronkelijk uitzicht van de hal op het gelijkvloers vrij intact
en het grote aantal aannemers die hun activiteiten op mekaar
bewaard. De nieuwe elementen zijn herkenbaar als heden-
moesten afstemmen, is dit toch wel een ongelooflijke presta-
daagse invullingen, maar zijn door hun sobere tijdloze vorm-
tie, die alleen mogelijk is dankzij uiterst gedegen voorbereiding
geving niet opdringerig en overheersen het totaalbeeld niet.
en coördinatie. De Gouden Zaal De bezoekerstoegang is nu opnieuw langs de voorzijde van het
Van deze uitgebreide renovatie werd gebruik gemaakt om de
statige gebouw. In vroeger jaren moesten de bezoekers name-
historische Gouden Zaal te restaureren. De monumentale
lijk binnen langs een dienstingang op de zijkant van het
wand- en plafondschilderingen van de Italiaanse schilder
gebouw. Links van het plein leiden een trap en een lift naar de
Giovanni Antonio Pellegrini (1675-1741) werden gerestaureerd
aangename ontvangstruimte, die ruim opgevat is en volop
en teruggeplaatst. Ze waren bedekt met dikke vernislagen,
natuurlijke lichtinval krijgt. De lift is uniek is zijn soort, omdat
verkleurde retouches en een mysterieuze 'grijze waas'. Deze
hij volledig opgebouwd is uit glas, ook daar waar de liftschacht
laatste bleek na analyses en wetenschappelijk onderzoek te zijn
en de cabine naast elkaar schuiven. In de rest van het gebouw
veroorzaakt door de vervulling door hout- en kolenkachels,
is er ook maximaal aandacht besteed aan toegankelijkheid voor
waarmee de ruimte vroeger verwarmd werd.
iedereen, ook voor personen die minder mobiel zijn. Vanuit deze foyer kan de bezoeker het Mauritshuis betreden via een
Renovatie van de interieurs Omdat In 1704 een grote brand alle interieurs verwoest had, waren er weinig of geen restanten van de oude aankleding
De nieuwe toegangslift naar de onthaalruimte (foto M. Buyle)
bewaard. Uit oude iconografische documenten van vóór de brand is duidelijk te zien dat deze interieurs zeer rijkelijk waren aangekleed met kaarsenlusters, lambriseringen, uitgewerkte plafonds met schilderijen of met cassetten, guirlandes, spiegels en talrijke schilderijen. De vroegere museumaankleding met linnen doeken is thans vervangen door in Frankrijk geweven zijde, met ingeweven motieven naar i8de-eeuws model. De eveneens nieuw geweven gordijnen zijn niet meer aan moderne rails, maar aan traditionele gordijnroedes opgehangen. In de zalen werd aan de wanden gekozen voor een zijde met ingeweven motief en effen gordijnen. In de kabinetten is dit omgekeerd: effen wandbespanning gecombineerd met gordijnen met ingeweven motief. In de trapzaal Is de overwegende kleur rood, in de zalen is dit mosgroen of diepblauw. Dit muurtextiel draagt bij tot de huiselijke uitstraling van het voormalige woonhuis en werkt zeer goed als achtergrond van de tentoongestelde schilderijen.
Verlichting Verlichting van schilderijen is altijd een heikel punt. In overleg met de lichtontwerper Hans Wolff werd de oude halogeenverlichting verlaten en werd geopteerd voor ledverlichting. Hierbij werd rekening gehouden met de optimaal toelaatbare lichtintensiteit voor de kunstwerken. In 1987 waren acht moderne kroonluchters geplaatst. Deze werden vervangen door glazen exemplaren in i8de-eeuwse stijl, vervaardigd in Venetië, die de sfeer in de zalen aangenamer maken en beter passen bij de
Bartholomeus Johannes van Hove, Mauritshuis, toestand in 1825 (foto M. Buyle)
Huidig uitzicht van de voorgevel met herstel van de oorspronkelijke polychromie. De nieuwe lift en ingang bevinden zich in de linkerhoek van het voorplein (foto M. Buyle)
huiselijke sfeer van het museumhuis, die men wilde behouden.
Bentheimer zandsteen en de beelden van het fronton werden
De ledverlichting werd opgehangen aan lichtkronen, die in de
grijswit geschilderd om marmer te suggereren. De zesdelige
Gouden Zaal ietwat storend werkt. Een alternatief voor deze
raamindeling, die er in de loop der tijden in geplaatst werd, is
zeer zichtbare lichtkronen zou welkom zijn, maar het Is altijd
nu vervangen door de oorspronkelijke vierdelige raaminde-
schipperen in historische zalen met stucwerk en wandbehang
ling.
of lambriseringen, waar je niet zomaar ongestraft in de muren en in het plafond kan beginnen boren. Een lichtkroon is in
Openingstentoonstelling
deze gevallen dan mischien het minste 'kwaad' en bovendien
Deze kleine openingstentoonstelling reconstrueert de bouw-
gemakkelijk reversibel.
geschiedenis en de verdere evolutie van dit I7de-eeuwse woon-
Exterieur
oude gezichten van het exterieur in zijn stedelijke context,
huis. Originele tekeningen van het interieur, schilderijen met Na grondig bouwhistorisch en materiaaltechnisch onderzoek
prenten en andere voorwerpen schetsen een levendig beeld
werd besloten tot een buitenafwerking in de geest van het
van het pand en zijn bewoners. Opmerkelijk stuk in deze ten-
oorspronkelijk ontwerp: zichtbaar baksteenparement met zorg-
toonstelling is het grote schilderij dat bouwmeester Jacob van
vuldig aangebrachte voegen, en beschildering van de onderde-
Campen maakte. Hij was namelijk ook schilder. Op dit doek
len zoals gewild door de ontwerper Jacob van Campen:
zijn opvallend veel reminiscenties aan Brazilië, waar zijn
de natuursteen werd geschilderd In de gelige kleur van de
opdrachtgever lang verbleef.
De nieuwe ondergrondse onthaalruimte (foto R. Tilleman © Mauritshuis Den Haag)
Het Mauritshuis bevindt zich vlak naast het historische Binnenhof, aan Plein 29 in Den Haag. Tot i november elke dag geopend van iou tot i8u, en donderdag tot 20U. Vanaf 1 november is het museum gesloten op maandagen. Meer informatie op de website www.mauritshuis.nl De openingstentoonstelling Mauritshuis. Het gebouw loopt nog tot en met 4 januari 2015.
Wetgeving
van toelatingen voor werken aan beschermde monumenten waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is of het geven van advies bij voorgenomen sloop van een gebouw op de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed. Verder blijven de gemeenten een belangrijke rol spelen in de procedure tot
> An Verhelst
bescherming van onroerend erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurhistorische landschappen, archeologische sites) alsook in de procedure tot wijziging of opheffing
HET ONROERENDERFCOEDDECREET EN ONROERENDERFCOEDBESLUIT: KRACHTLIJNEN, TOTSTANDKOMING EN INFORMATIESESSIES
van beschermingsbesluiten. Het zijn de gemeenten die de openbare onderzoeken organiseren, en die na de beëindiging hiervan een advies aan de minister uitbrengen over de definitieve bescherming, opheffing of wijziging. Ook voorziet het ontwerpdecreet in de oprichting van één
Met de definitieve goedkeuring van het Onroerenderfgoed-
technische adviesraad, de Vlaamse Commissie voor Onroe-
besluit door de Vlaamse Regering op 16 mei 2014 werd de
rend Erfgoed. Deze komt in de plaats van de expertencommis-
voorlopig laatste horde genomen voor de totstandkoming van
sie en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en
de nieuwe onroerenderfgoedregelgeving en de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2015. In dit artikel wordt achtereenvolgens ingegaan op de krachtlijnen van het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet, de totstandkoming ervan en de
Landschappen. Dit is een vereenvoudiging van het bestuurlijk landschap. Naast de technische adviesraad blijft de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening-Onroerend Erfgoed (SARO) bestaan.
informatiesessies die het agentschap in het najaar organiseert. De huidige regelgeving legt het zwaartepunt van het onroerenKrachtlijnen
derfgoedbeleid nagenoeg volledig bij de Vlaamse Overheid.
Met het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet is in de eerste plaats
Dit is niet bevorderlijk voor het creëren van draagvlak voor dit
werk gemaakt van de nodige afstemming tussen de verschil-
beleid. Met de aanduiding of erkenning van actoren wenst het
lende vormen van onroerend erfgoed en dit door te kiezen
Onroerenderfgoeddecreet uitdrukkelijk anderen mee verant-
voor 1 decreet voor het Onroerend Erfgoed. Zo komt het
woordelijk te stellen voor het onroerend erfgoed en hen
Onroerenderfgoeddecreet en -besluit in de plaats van een wet
hiervoor ook te honoreren. Eerder werd de erkenning als
(de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten
onroerenderfgoedgemeente of intergemeentelijke onroeren-
en landschappen), drie bestaande decreten (het decreet tot
derfgoeddienst al aangehaald. Andere actoren waarvoor een
bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten
erkenning wordt voorzien in het decreet en een erkenningspro-
van 1976, het decreet houdende bescherming van het archeo-
cedure en -criteria in het besluit, zijn onroerenderfgoeddepots,
logisch patrimonium van 1993 en het decreet betreffende de
archeologen, metaaldetectoristen en een kwaliteitslabel voor
landschapszorg van 1996) en hun (vele) uitvoeringsbesluiten.
erfgoedondernemers.
Een verbetering van die decreten en besluiten was ten zeerste
Het hoger aangehaalde debat in de commissie naar aanleiding
wenselijk voor een meer geïntegreerde en eigentijdse benade-
van de conceptnota betreffende het onroerend erfgoed heeft er toe
ring van de erfgoedzorg.
geleid dat de vaststelling van de inventaris bouwkundig erf-
De nieuwe regelgeving is bovendien aangegrepen om een
goed uitgebreid wordt naar alle inventarissen (landschapsatlas,
aantal belangrijke veranderingen, die de afgelopen jaren uit-
inventaris archeologische zones, inventaris bouwkundig erf-
drukkelijk gevraagd zijn, door te voeren. Denken we hierbij aan
goed, inventaris houtige beplantingen met erfgoedwaarde,
de implementatie van het internationaal Verdrag van Valletta
inventaris historische tuinen en parken). Aan deze vaststelling
(1992) dat richtlijnen oplegt inzake archeologie; de afstem-
is een zorgplicht gekoppeld aangezien het Onroerenderfgoed-
ming van onroerend erfgoed met het proces van ruimtelijke
decreet bepaalt dat elke administratieve overheid zoveel moge-
ordening, natuur, bos en milieu; de afschaffing van de koppel-
lijk zorg in acht moet nemen voor de erfgoedkenmerken van
subsidies en de noodzaak van een vernieuwde handhaving.
onroerende goederen die opgenomen zijn in een aan een openbaar onderzoek onderworpen vastgestelde inventaris.
Met de afschaffing van de koppelsubsidies onroerend erfgoed
Eveneens als gevolg van het debat in de commissie introdu-
realiseren we een doorbraak uit het Witboek Interne Staats-
ceert het decreet een openbaar onderzoek bij de vaststelling
hervorming. Maar ook op andere punten treedt de nieuwe
van de inventarissen. Dat moet burgers toelaten om opmerkin-
regelgeving de principes van de interne staatshervorming bij.
gen te formuleren bij opname van onroerend goed in de
Zo is er een grotere rol weggelegd voor gemeenten, al dan niet
inventarissen van het onroerend erfgoed. Hiermee wordt de
via intergemeentelijke samenwerking. Voortaan kan een
betrokkenheid van de burger vergroot. De Vlaamse Commissie
gemeente een erkenning als Onroerenderfgoedgemeente aan-
voor Onroerend Erfgoed adviseert daarna de Vlaamse Regering
vragen. Deze erkenning laat toe dat de gemeente welbepaalde
over de inventaris en over de opmerkingen en bezwaren
taken overneemt van het Vlaamse niveau waaronder het geven
afkomstig uit het openbaar onderzoek.
Radicaal vernieuwend is het archeologiebeleid. Het verdrag
goedrichtplan en het handhavingsluik. Het onroerenderf-
van Valletta (1992) wordt geïmplementeerd waardoor men
goedrichtplan biedt een visie op de toekomstige ontwikkeling
tegemoet komt aan de internationale bepalingen. Tegelijkertijd
van de betrokken onroerende goederen binnen een thema of
is een nieuwe archeologieprocedure ingevoerd die een verbete-
gebied, verduidelijkt aandachtspunten uit het onroerenderf-
Ö
ring moet zijn voor bouwheren en verkavelaars. Momenteel
goedbeleid en formuleert beheers- en ontwikkelingsdoelstellin-
CU
weet de bouwheer pas nadat er een bouwvergunning is afgele-
gen. Zo vormen de onroerenderfgoedrichtplannen de sectorale
verd of hij al dan niet te maken heeft met archeologie.
voorstellen voor inrichtings- en uitvoeringsplannen van andere
Ö Ö •T—I
PQ
Het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet bepaalt eenduidig, aan
beleidsdomeinen en -velden.
de hand van oppervlaktecriteria, welke bouwheren een archeo-
Ook zorgt het Onroerenderfgoeddecreet voor een goed onder-
logietraject moeten doorlopen. Ook worden de vrijstellings-
bouwd handhavingsluik en bevat het een aangepast instru-
regels duidelijk omschreven. Dat geeft een grotere rechts-
mentarium waardoor zowel zachte als strengere handhaving
zekerheid voor iedere bouwer in Vlaanderen. Er is een volledig
mogelijk is, naar gelang de actuele dreiging van het verlies van
nieuwe procedure uitgewerkt die parallel loopt met de aan-
erfgoedwaarden. Waar mogelijk wordt met vormen van zachte
vraag van een bouwvergunning of verkavelingsvergunning.
handhaving opgetreden via vroegtijdige raadgevingen en aan-
Op die manier worden eventuele vertragingen tot het minimum
maningen. Waar de dreiging te groot is of het verval al is inge-
herleid. Deze tijdswinst betekent voor vele bouwheren ook een
treden, worden strengere en snellere vormen van gerechtelijke
financiële winst.
of administratieve handhaving ingezet. De strafwaardigheid, de noodzaak tot onmiddellijk optreden, het te verwachten
Op het gebied van de bescherming van onroerend erfgoed
tijdsverloop en andere factoren bepalen de keuze van de her-
werden een aantal verfijningen en aanpassingen doorgevoerd
stelmaatregelen. Waar mogelijk kan het herstel ook via minne-
aan de procedure. De termijn tussen de voorlopige en defini-
lijke schikkingen worden betracht. De prioriteiten worden
tieve bescherming is ingekort van 12 maanden tot 9 maanden.
vastgelegd in een handhavingsprogramma.
Daarnaast besteedt het Onroerenderfgoeddecreet, op basis van praktijkervaring, aandacht aan een procedure voor wijzi-
Totstandkoming
ging of gehele of gedeeltelijke opheffing van een bescherming.
De intentie voor de opmaak van een Onroerenderfgoeddecreet
Dit kan gebeuren in vier gevallen: de erfgoedwaarden zijn
werd ingeschreven in het Regeerakkoord 2009-2014.
onherstelbaar aangetast of verloren gegaan, een verplaatsing van het beschermde goed is noodzakelijk voor het behoud
In 2010 werd werk gemaakt van een conceptnota Onroerenderf-
ervan, de wijziging/opheffing is vereist omwille van het alge-
goeddecreet. Over deze conceptnota werd een publieke bevra-
meen belang of het goed beheer vereist de toevoeging van
ging gehouden die een vijfigtal reacties opleverde van
gegevens (i.e. beheerdoelstellingen, voorschriften instandhou-
adviescommissies, koepelinstanties van publieke actoren,
ding en onderhoud).
overheidsinstanties, verenigingen van gebruikers, erfgoedkoepels, individuen en plaatselijke belangengroepen. De concept-
Ook wordt voorafgaand aan de voorlopige bescherming ver-
nota en de gebundelde aandachtspunten uit de publieke
plicht advies ingewonnen bij de colleges van burgemeester en
bevraging werden besproken in de Commissie Leefmilieu,
schepenen van de betrokken gemeenten; de departementen of
Natuur, Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed van het
agentschappen van de Vlaamse overheid bevoegd voor ruimte-
Vlaams parlement. In deze Commissie werden eveneens hoor-
lijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed (RWO), leef-
zittingen georganiseerd waardoor enkele respondenten hun
milieu, natuur en energie (LNE), mobiliteit en openbare
visie nader konden toelichten.
werken (MOW) en landbouw en visserij (LV); én bij de Vlaamse Commissie voor Onroerend Erfgoed. Dit verplicht
In 2011 werd een resolutie betreffende de conceptnota Onroerend
advies moet er onder meer toe bijdragen dat er een betere
Erfgoed aangenomen door het Vlaams Parlement. Deze resolu-
afstemming met andere beleidsvelden gevonden wordt.
tie somt een aantal zaken op waarvan gevraagd werd of ze
Omwille van dezelfde reden wordt de procedure om een toela-
opgenomen zouden worden in het op te maken Onroerenderf-
ting aan te vragen afgestemd en geïntegreerd in de procedure
goeddecreet. Zo wordt in de conceptnota onder meer voorge-
om een bouwvergunning of een vergunning in het kader van
steld lokale besturen als partners te behandelen in het Vlaamse
de milieu-, bos- en natuurregelgeving aan te vragen. Als boven-
erfgoedbeleid en duidelijke voorwaarden te koppelen aan de
dien vooreen onroerend goed, naasteen beheersplan in het
erkenning van onroerenderfgoedgemeenten, inclusief welke
kader van het Onroerenderfgoeddecreet, ook een beheersplan
taken zij toegewezen krijgen. Met betrekking tot de inventaris-
in het kader van het Bosdecreet of het Natuurdecreet wordt
sen wordt gevraagd te kiezen voor het vaststellen van verschil-
opgemaakt, worden alle beheersdoelstellingen geïntegreerd in
lende inventarissen die weliswaar geïntegreerd en digitaal
één plan.
ontsloten moeten worden. Nieuw daarbij is het voorstel om bij de vaststelling van de actualiseringen van de inventarissen een
Tot slot introduceert het Onroerenderfgoeddecreet nog twee
openbaar onderzoek te voeren. Inzake archeologie vraagt de
belangrijke nieuwigheden: de intrede van het onroerenderf-
conceptnota een onderzoek te doen naar enerzijds financiering
en administratieve dossierstromen, gecorreleerd aan verschil-
(17 januari), tweede principiële (4 april) en definitieve goedkeu
lende oppervlaktegrenzen en anderzijds het solidariseren van
ring (16 mei) van het Onroerenderfgoedbesluit. Verwacht
de archeologiekost (archeologiefonds). Ten slotte wordt ook
wordt dat het Onroerenderfgoedbesluit in het najaar van 2014
aandacht gevraagd voor onder meer draagvlak, een sterke
wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De inwerking-
pijler bestuurlijke handhaving, het blijvend inzetten op de
treding van de nieuwe regelgeving werd bepaald op 1 januari
integratie van onroerend erfgoed in de ruimtelijke ordening en
2015 met uitzondering van hoofdstuk 5. Archeologie.
de gevolgen van de afschaffing van de koppelsubsidies.
Dit hoofdstuk kan immers pas in werking treden nadat er vol-
De eerste versie van Onroerenderfgoeddecreet, die op 15 juli
doende archeologen erkend zijn conform de bepalingen in
2011 een eerste principiële goedkeuring kreeg van de Vlaamse
hoofdstuk 3 van het Onroerenderfgoeddecreet.
Regering, hield duidelijk rekening met de vragen van de resolutie. Na deze goedkeuring won de Vlaamse Regering officieel de adviezen in van allerlei instanties zoals de Strategische Advies-
Informatiesessies
raad Ruimtelijke Ordening- Onroerend Erfgoed (SARO) en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV). Daarnaast bezorgden diverse instanties - Vereniging Vlaamse Provincies (WP), Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten (WSC), Forum Vlaamse Archeologie (FVA), beroepsvereniging van de vastgoed sector (BVS), Vlaamse Architectenorganisatie (NAV) en de Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) - op eigen initiatief hun advies over het voorontwerp.
In het najaar 2014 organiseert het agentschap Onroerend Erfgoed infomomenten over de nieuwe regelgeving en dit op maat van de verschillende doelgroepen. Intergemeentelijke diensten, provincie- en gemeentebesturen worden uitgenodigd voor een van volgende informatiesessies: - Limburg: VAC Hasselt dinsdag 16 september van oguoo tot 12U30
In 2012 hechtte de Vlaamse Regering haar tweede principiële goedkeuring aan het voorontwerp van Onroerenderfgoeddecreet en de bijhorende Memorie van Toelichting. Na de goedkeuring won de Vlaamse Regering officieel de adviezen in van de Strategische AdviesRaad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media (SARC), de Minaraad, de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (iste, 2de en 3de afdeling) en de Raad van State.
- Vlaams-Brabant: Provinciehuis Leuven vrijdag 19 september van oguoo tot 12U30 - Oost-Vlaanderen: VAC Cent woensdag 24 september van oguoo tot 12U30 - Antwerpen: Lamot Mechelen vrijdag 26 september van oguoo tot 12U30 - West-Vlaanderen: Provinciehuis Boeverbos Brugge dinsdag 7 oktober van i3uoo tot 16U30 Na een algemene toelichting over de nieuwe regelgeving
In 2013 volgde de definitieve goedkeuring van het ontwerp van Onroerenderfgoeddecreet, gevolgd door de behandeling van
krijgen de aanwezigen de kans vragen te stellen aan de medewerkers van Onroerend Erfgoed. Volgende zaken
dit ontwerp in het parlement. De parlementaire behandeling
komen aan bod:
werd afgesloten met een plenaire bespreking en stemming van
Welke gevolgen heeft de nieuwe regelgeving voor de dage-
het Onroerenderfgoeddecreet op 3 juli 2013, gevolgd door de
lijkse werking van lokale besturen en in welke mate zijn ze
bekrachtiging en afkondiging ervan door de Vlaamse Regering
betrokken? Hoe en vanaf wanneer kan men een erkenning
op 12 juli. Op 17 oktober 2013 ten slotte werd het Onroeren-
verkrijgen als onroerenderfgoedgemeente, IOED en/of
derfgoeddecreet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
onroerenderfgoeddepot? Wat is de rol en betrokkenheid
Samen met de definitieve goedkeuring van het ontwerp van
van gemeenten bij een bescherming? Wat houdt de
Onroerenderfgoeddecreet keurde de Vlaamse Regering de
nieuwe premieregeling in voor de lokale besturen?
conceptnota uitvoeringsbesluit Onroerenderfgoeddecreet goed.
Het gedetailleerd programma verschijnt later op de website.
In deze nota werd dieper ingegaan op een aantal thema's die verder dienden te worden uitgewerkt in het uitvoeringsbesluit
Een toelichting voor ambtenaren van de Vlaamse overheid
bij het Onroerenderfgoeddecreet. Meer bepaald werden vol-
gaat door op donderdag 25 september van oguoo tot
gende thema's besproken: het erkennen van onroerenderf-
12U30 in het Auditorium (Hoorzaal) van het Boudewijnge-
goedgemeenten en intergemeentelijke onroerenderfgoed-
bouw in Brussel. Volgende zaken komen aan bod:
diensten, het erkennen van onroerenderfgoeddepots, het
Wat wordt er verwacht van andere beleidsvelden en/of
erkennen van archeologen, de methodiek van het inventarise-
agentschappen in de uitvoering van de nieuwe regelge-
ren en het aanduiden van gebieden waar geen archeologisch
ving? Wat betekent de zorgplicht voor geïnventariseerde
erfgoed te verwachten valt, toelatingsplichtige handelingen aan
erfgoedobjecten en erfgoedlandschappen voor andere
of in beschermde goederen, subsidies en premies en premies
beleidsvelden en/of agentschappen? Hoe verlopen de
voor de buitensporige directe uitvoeringskost van het verplicht
erkenningsprocedures van de actoren? Welke gevolgen
archeologisch onderzoek en archeologisch solidariteitsfonds.
heeft de nieuwe regelgeving voor de geïntegreerde advise-
Over deze conceptnota werd het advies ingewonnen van de SARO en de KCML. In 2014 volgden dan de eerste principiële
ring binnen de Vlaamse overheid?
De wijziging van het decreet werd op vrijdag 9 mei 2014
M ^ ! CU
Ö • i—i
PQ
De algemene studiedag over de nieuwe onroerenderfgoed-
bekrachtigd door de Vlaamse Regering. Dit gewijzigde decreet
regelgeving richt zich op belanghebbenden uit de sector
tot bescherming van het varend erfgoed treedt pas in werking
(eigenaars, bouwheren, architecten, archeologen, make-
op een ogenblik dat nog bepaald moet worden in een uitvoe-
laars, metaaldetectoristen, notarissen, kerkfabrieken, ...).
ringsbesluit. De inwerkingtreding van de gewijzigde regel-
Zij kunnen zich vanaf eind augustus inschrijven voor de
geving wordt voorzien na 1 januari 2015, de datum dat het
algemene studiedag van donderdag 30 oktober van oguoo
Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 in werking treedt
tot 17UOO in Lamot Mechelen. Na een algemene toelich-
(zie artikel Het Onroerenderfgoeddecreet en het Onroerenderf-
ting over de nieuwe regelgeving in de voormiddag, zijn er
goedbesluit: krachtlijnen, totstandkomingen informatiesessies in
in de namiddag parallelle workshops rond specifieke the-
deze Binnenkrant). Omwille van juridisch-technische redenen
ma's. Volgende zaken komen aan bod:
is er voor gekozen het vernieuwde Varenderfgoeddecreet pas
Wat zit er vervat in de nieuwe onroerenderfgoedregelge-
na het Onroerenderfgoeddecreet in werking te laten treden.
ving? Wat verandert er in de praktijk? Waarom moet men een erkenning aanvragen? Hoe en vanaf wanneer kan men
Werkwijze
een erkenning als archeoloog of metaaldetectorist aanvra-
Naar aanleiding van verschillende adviezen is er gekozen voor
gen? Waar moet men toevalsvondsten melden? Welke
een bijsturing van het Varenderfgoeddecreet en niet voor een
financiële ondersteuning kan men krijgen voor het beheer
fundamentele herziening ervan. Aan de hand van een discus-
van erfgoed?
sienota, die ruim werd verspreid, werd advies ingewonnen over de uit te werken wijzigingen in het decreet. Er werden adviezen
Voor inschrijvingen en gedetailleerde programma's:
ingewonnen bij de KCML Afdeling Varend, bij het departement
zie www.onroerenderfgoed.be.
Mobiliteit en Openbare Werken, bij het agentschap Kunsten en Erfgoed en een gezamenlijk advies bij de Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed (SARO) en de Strategische Adviesraad voor Cultuur, jeugd. Sport en Media (SARC). De discussienota werd vanaf 14 maart 2013 ook ter beschikking gesteld op de website van het agentschap Onroerend Erfgoed, waarbij werd gepeild naar reacties van alle geïnteresseerden. Alle suggesties en adviezen werden mee in overweging genomen bij het uitwerken van dit wijzigingsdecreet. Zo werd bijvoorbeeld naast de beheerspremieregeling ook een onderhoudspremieregeling ingeschreven voor het continu en periodiek onderhoud van beschermde vaartuigen. Bij de herziening werd ook rekening gehouden met de internationale context. Er werd nagegaan hoe deze thematiek behandeld wordt door internationale organisaties en vertaald wordt in internationale verdragen. Tevens werd onderzocht hoe in
Haven Lillo Fort (foto K. Vandevorst)
een aantal buurlanden wordt omgegaan met het maritieme en fluviale erfgoed.
> Lynn De Clercq Wijzigingen De voornaamste wijzigingen aan het decreet van 29 maart
DE HERZIENING VAN HET VARENDERFCOEDDECREET
- een verduidelijking van het begrip 'varend erfgoed' en een
Het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van het
- het decretaal verankeren van de inventaris van het varend
2002 zijn de volgende: verfijning van enkele definities;
varend erfgoed (hierna: Varenderfgoeddecreet) is intussen
erfgoed en het voorzien van een procedure tot vaststelling
meer dan tien jaar oud. Het bestaan van dit decreet heeft een
van deze inventaris;
evolutie teweeg gebracht in de wereld van het varend erfgoed.
- het afstemmen van de beschermingsprocedure op de proce-
Deze evolutie wordt over het algemeen positief ervaren door
dure van het Onroerenderfgoeddecreet, en in het bijzonder
alle betrokken partijen: de eigenaars, de gebruikers, het mid-
ook het voorzien van een procedure tot wijziging of ophef-
denveld, maar ook de liefhebbers van dit erfgoed. Toch was het decreet aan actualisering toe. Het decreet van 2002 is immers
fing van een bescherming; - het verduidelijken en uitbreiden van de rechtsgevolgen van
het eerste dat specifiek voorzag in de bescherming van het
een bescherming waarbij wordt voorzien in een toelatings-
varend erfgoed. Enkele verbeteringen en uitbreidingen zijn
procedure voor het buiten Vlaanderen brengen van
nodig op basis van de ervaringen met deze regelgeving.
beschermd varend erfgoed en in een meldingsprocedure
voor het wijzigen van het uitzicht van het beschermd varend erfgoed;
Congres
- het uitbreiden van de mogelijkheden tot financiële ondersteuning voor het beheer van het varend erfgoed naast het toekennen van premies voor een goedgekeurd beheersprogramma door te voorzien in een snellere regeling voor het terugkerend eenvoudig onderhoud;
Madeleine Manderyck
- het voorzien van een handhavingsluik om de bepalingen van dit decreet naar behoren te kunnen handhaven zonder het stimulerende karakter van het decreet aan te tasten. Tegelijk werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om het Varenderfgoeddecreet zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet, om de relatie met het Topstukkendecreet van 24 januari 2003 duide-
•i-H
WOOD ^CANVAS (AND RABBIT CLUE) IN THE MODERN WORLD. INTERNATIONAL CONFERENCE OISTAT, ARCHITECTURE ^ TECHNOLOGY COMMISSION (ANTWERPEN, COSTA, 13-15 JUNI 2014)
lijk te regelen en om opvolging te geven aan het Witboek Interne Staatshervorming.
OISTAT, International Organisation of Scenographers, Theatre Architects, and Technicians, de niet-gouvemementele organisa-
Vervolgtraject
tie opgericht in 1968 als wereldwijd netwerk voor theaterdesig-
Het wijzigingsdecreet van 9 mei 2014 zal dus pas In werking
ners, -techniekers en -architecten, organiseerde in Antwerpen
treden als het uitvoeringsbesluit bij het Varenderfgoeddecreet
de jaarlijkse bijeenkomst van haar Architecture a[ Technology
wordt aangepast. Er werd omwille van de transparantie van de
Commission. Meer dan 90 deelnemers uit ruim 20 landen
regelgeving gekozen om een volledig nieuw uitvoeringsbesluit
bogen zich drie dagen over het thema hoe oude theatergebou-
op te maken in plaats van een vernieuwing van het bestaande
wen mét hun waardevolle interieurs en uitrustingen volwaardig
besluit. Dit heeft als voordeel dat het besluit beter leesbaar zal
gebruiken voor hedendaagse producties. De organisatoren.
zijn. Volgende vernieuwingen in het uitvoeringsbesluit zullen
Peter McKinnon {York University Toronto, Canada), Jerome
voorgesteld worden:
Maeckelberg en Ivo Kersmaekers (beide OISTAT, België) verza-
- het expliciteren van de criteria voor opname in de inventaris van het varend erfgoed; - het opstellen van een lijst van meldingsplichtige handelingen; - het regelen van een toelatingsprocedure voor het buiten Vlaanderen brengen van beschermd varend erfgoed; - het uitwerken van een premieregeling voor periodieke onderhoudswerken aan het beschermd varend erfgoed; - het vereenvoudigen van de procedure voor het bekomen van
melden een keur van gespecialiseerde sprekers die de overwegend buitenlandse toehoorders wisten te boeien zowel met allerlei historische aspecten van het theater als met het aanreiken van onvermoede mogelijkheden om oude theatermachinerieën in te zetten voor hedendaagse creaties. Dit alles werd gevisualiseerd door workshopsessies onder de titel Hands on rigging op een werkend model op schaal 1/4, gemaakt door studenten van het Brusselse RITS onder leiding van Chris Van Coethem.
een beheerspremie voor ingrijpende werken aan het
De laatste maanden kwamen de plannen voor de ingrijpende
beschermd varend erfgoed.
verbouwing van de Bourlaschouwburg in Antwerpen uitgebreid aan bod in de pers. Er werd ook internationaal ruchtbaarheid gegeven door de recente aanwijzing als een van The 7 Most Endangered in het Europa Nostra programma. Het valt dan ook te betreuren dat Het Toneelhuis, als vragende partij voor de
Meer weten? Op www.onroerenderfgoed.be kan je de teksten van het vernieuwde decreet en de bijhorende documenten terugvinden. Daar word je ook op de hoogte gehouden van bijkomende stappen die worden gezet in het herzieningsproces.
ö C ö
verbouwing van de Bourla, afwezig bleef bij alle sessies. De directie moest dus ongeïnformeerd deelnemen aan het einddebat van deze overigens zeer informatieve en perfect georganiseerde conferentie.
De Bourlaschouwburg, het voormalige ThéStre Royal Frangais is een ontwerp van stadsarchitect Pierre Bourla. Hij werd gebouwd tussen 1829-1834 voor de opvoering van Franse en Italiaanse opera. In 1934 werd het gebouw de thuisbasis van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, de KNS. Dit gezelschap betrok in 1980 de nabijgelegen nieuwe Stadsschouwburg, maar verhuisde in 1993 terug naar de gerestaureerde Bourla. Het Toneelhuis heeft het gebouw thans in gebruik.
samenwerking met het buitenland, in 1993 tot een goed einde gebracht werd. Het was een step by step-proces met als hoofddoel de conservering van het unieke historische ensemble. Naast de theaterzaal en het -mechanisme bleef immers ook de uitrusting met ca. 1600 originele kostuums, schermen, rekwisieten en archief bewaard. Het theater is open voor bezoek en voor studie. Er worden per jaar ook vier è vijf historische voorstellingen gegeven (met kopie van schermen en kostuums). Het theater fungeert als een soortfunctional museum. Ondanks dat er veel vraag is naar meer voorstellingen wordt hierop niet ingegaan. Het zou de draagkracht van het monument overstijgen. Dat is overigens erkend als werelderfgoed. Dezelfde status bezit het wereldberoemde Drottningholm Slottheater (Zweden), eveneens van 1766. Torsten Nobling, architect en theaterconsultant (Zweden), lichtte de recente, eerder beperkte aanpassingen toe die noodzakelijk waren
Vooraanzicht Bourlaschouwburg, tekening Louis Baeckelman, 1860 (Vleeshuis Antwerpen, foto O. Pauwels)
omwille van de publieke toegankelijkheid. Zo kwamen er fijne metalen leuningen ter bescherming van de oorspronkelijke marmerimitatie op de muren. In dit theater werd de elektrische verlichting pas bij de restauratie in 1920 aangebracht. Deze
Na een rondleiding in de schouwburg op donderdagavond met Freek Boey, technisch directeur van Het Toneelhuis, werd er op vrijdag 13 juni gestart met een bezoek aan De Munt in Brussel. Daar werd toelichting gegeven over de geplande renovatie van de ateliers en de technische ingrepen aan de scène (het huidige theatermechanisme dateert uit jaren 1980). Een demonstratie werd gegeven bij het schaalmodel van een 18de eeuws theatermechanisme . Het schaalmodel is gemaakt in de jaren '90 als evocatie van een barok theatermechanisme en de spectaculaire mogelijkheden daarvan. Het namiddagprogramma was gewijd aan de historiek van theater en theaterarchitectuur in het algemeen. Jiri Bl^ha, kunsthistoricus en conservator van het paleistheater in Óesky Krumlov (Tsjechië) schetste de geschiedenis van bij de bouw in 1766 over de sluiting in 1898, het verwerven door de staat in 1945, de schade wegens niet passend gebruik in de jaren 195866 en de moeizame restauratie vanaf de jaren 1980 die dankzij
werd aangepast om een meer authentiek aandoend, flikkerend effect te bekomen. Ook hier maken de voorstellingen gebruik van kopieschermen en -kostuums. Bruno Forment, muziek- en operahistoricus (VUB en UCent) gaf vervolgens onder de titel Lost, but Partially Recovered: The Original Stock Sets of the Bourla een inkijk in de rijkdom van de theaterdecors van het voormalige Theatre Royal Frangais in Antwerpen, de huidige Bourlaschouwburg. Een document in het Antwerpse Felixarchief Indicateurs des decors de répertoire van 1911 aangevuld met foto's geeft een overzicht van circa 3000 schermen en rekwisieten die in 134 opera's en operettes gebruikt werden. Verschillende ensembles kunnen toegewezen worden aan de Parijse decorateurs Philastre en Cambon, die ze in 1834 leverden samen met de theatermachinerie en de beschilderde doeken voor de zaal en de foyer. De schermen zijn spijtig genoeg verdwenen maar enkele foto's geven een glimp van deze schitterende trompe l'oeil decors. De lijst vermeldt ook de naam
Langsdoorsnede Bourlaschouwburg, tekening Louis Baeckelman, 1860 (Vleeshuis Antwerpen, foto O. Pauwels)
van het Brusselse atelier Albert Dubosq, waarvan een belang-
traditie van het theatre ó I' italienne, dus met een hellende
rijke hoeveelheid decors thans nog bewaard wordt in de Stads-
scène. Bij de renovatie in 1997-1999 onder leiding van de
schouwburg van Kortrijk.
Luikse architect Charles Vandenhove werd de scènevloer vlak
Per Simon Edstrom, theateromnipracticus (OISTAT, Zweden)
gelegd en uitgerust met een draaitafel. De verhoging van de
sprak uit eigen jarenlange ervaring. In zijn opmerkelijke lezing
scène had slechte zichtlijnen in de zaal tot gevolg. Dit resul-
The sounds of wood and canvas in the theaters of wood and can-
teerde vervolgens in het recente project om nu ook de zaal aan
vas vergeleek hij het theaterinterieur met een muziekinstru-
te passen. Van Goor stelde echter dat het probleem van de
ment. Het delicate evenwicht tussen de zaal en de scène en de
zichtlijnen moet gerelativeerd worden. De historische theater-
gebruikte materialen, wood <% canvas, geeft aan het theaterinte- zalen zijn zo geliefd bij het publiek dat het zich eigenlijk niet zo rieur een specifieke resonantie. Acteurs én publiek zijn er
stoort aan die kleine imperfecties, die juist het verschil maken
gevoelig aan. De spreker benadrukte dat deze aspecten moe-
met een hedendaagse schouwburg! Van Goor deed een oproep
ten gerespecteerd worden wil men de authentieke beleving
voor het behoud van de hellende scènevloeren, als essentieel
ervan vrijwaren. Veranderingen zoals een houten vloer vervan-
deel uitmakend van het concept van het théótre d I' italienne.
gen door een ander materiaal kan grote invloed hebben op
Volgens zijn ervaring is dat gegeven perfect in te zetten voor
deze belevingswaarde. Hij zette zijn lezing klank bij door twee
hedendaagse producties.
regenmachines te demonstreren.
Tot slot van de voormiddag sprak Jerome Maeckelbergh over
David Wilmore, theaterhistoricus en -restaurateur (University
Bourla Theatre: Renovation versus Restoration. Als scenograaf en
of Manchester, UK), die de Bourla bezocht in de jaren 1980 en
kenner van het Bourlamechanisme gaf hij zijn visie over de
toen al een oproep deed voor de volledige restauratie, stelde
voorgenomen verbouwing van de Antwerpse schouwburg.
dat de igde-eeuwse theatermechanismen op een unieke manier 'flexibel' zijn aangezien ze volledig uit hout zijn opgebouwd met weinig metalen onderdelen. Sinds 1980 tonen verschillende realisaties in Engeland aan dat ze - net als bepaalde andere aspecten van het industrieel erfgoed, zoals molens - perfect opnieuw in dienst kunnen gesteld worden: Tyne Theatre Q Opera House, Georgian Theatre Royal Richmond, Theatre Royal Newcastle upon Tyne en andere. Ook de Bourlamachinerie kan naar zijn mening gebruikt worden en zo opnieuw tot leven gebracht! Hij deed een oproep om daar zo snel mogelijk mee te beginnen. Het ongebruikt laten werkt onvermijdelijk de verwaarlozing in de hand.
Zaterdag kwamen de meer technische aspecten aan bod. Reinhold Daberto, architect en theaterconsultant (München, Duitsland) benadrukte het cruciale belang van de samenhang tussen scène en zaal. Beide vormen één functionele ruimte met een specifiek perspectief. Hij verdedigde bovendien de stelling dat barokke theatermachines heel ingenieuze bewegingen van decors en rekwisieten mogelijk maken en dat dit met hedendaagse theateruitrustingen veel minder het geval is. De weinig nog bewaarde oude theatermechanismen moeten dan ook niet alleen geconserveerd worden maar vooral ook opnieuw gebruikt worden. Chris Abott, schrijver (King's College Londen, UK) gaf een boeiende lezing over het gebruik van de traditionele theatertechnieken (bijvoorbeeld de trappe of val) nog tot de jaren 1940, met name in het pantomimetheater. De problematiek van de hellende scènevloer, eigen aan het concept théótre ó I' italienne, is een heikel en steeds terugkerend thema. Martien van Goor, architect bij Greiner Van Goor Huijten Architecten (Amsterdam, Nederland) gaf daarover een verhelderende mededeling onder de titel The endagered raked stage. Als voorbeeld lichtte hij de aanpassingen aan de Koninklijke Schouwburg in Den Haag toe. De huidige theaterzaal kwam in 1911 na een brand tot stand. De Weense architecten Fellner en Heimer ontwierpen toen een gebouw volledig in de
Zaal en toneelmond naar ontwerp van Pieter Dens van 1865 (foto O. Pauweis)
ö QJ ö ö • 1—1
PQ ir
Oude theatertechnologie kan vandaag inspirerend zijn voor scenografen. Dat werd treffend naar voor gebracht door JeanCuy Lecat, Frans theaterdesigner. Zijn uitgangspunt was de interactie tussen het theater en de architectuur. Hij toonde zijn enscenering voor de opera Cuitlaume Teil van André-Modeste Crétry voor de Opera Royal de Wallonië in Luik in het seizoen 2012-2013. Het oude Luikse theatergebouw was op dat moment in restauratie. Er werd daarom in een tent gespeeld. Voor de gelegenheid herbouwde Lecat een traditioneel, gedeeltelijk handbediend theatermechanisme. Spectaculaire bewegende scènewisselingen, zoals gebruikelijk in de barokopera maakten een spectaculaire opvoering mogelijk met beperkte middelen. Het publiek was heel enthousiast. Dat was ook de ervaring van Peter Ruthven Hall, architect en theaterdesigner (Charcoalblue London, UK), betrokken bij talrijke herinrichtingen van Engelse theaters als The Old Vic in Londen en het Theatre Royal Clasgow. Hij sprak over Raked stages in the UK en ook hij relativeerde het ideaal van de perfecte zichtlijnen. Hij stelde dat het publiek zowieso houdt van de traditionele theaterinterieurs. Imperfectie is hier misschien juist een aantrekkingspunt. Hij benadrukte wel het belang van een goede balans tussen het auditorium en de scène, die een natuurlijke interactie moet mogelijk maken tussen acteurs en publiek. De veel gehoorde vraag naar een vlakke scènevloer is volgens de spreker eerder ingegeven door praktische problemen van theatermakers en gaat niet uit van het publiek.
Het theatermechanisme gebouwd in 1833-34 door de Parijse firma Philastre & Cambon (foto O. Pauwels) De stad Antwerpen liet in 2013 als eigenaar een haalbaarheidsstudie opstellen, die spijtig genoeg niet publiek gemaakt werd. In de pers ontvouwde Het Toneelhuis echter wel de plannen en deelde mee dat de werking niet kan verder gezet worden zonder de sloop van het nog oorspronkelijke theatermechanisme (1834, Philastre &, Cambon, Parijs) en zonder de ingrijpende wijzigingen in de zaal, met name het dichtleggen van de parterre en wegnemen van het eerste balkon. Deze voorgenomen
Hierop volgde een presentatie door Jerome Maeckelberg en Mare Brigou, Antwerps scenograaf, op een daartoe gebouwd schaalmodel. Zij toonden concrete mogelijkheden en oplossingen voor het maken van voorstellingen op hellende toneelvloeren. Vervolgens demonstreerden zij onvermoede mogelijkheden voor het gebruik van het ondertoneel bij een historisch mechanisme. Daarvan wordt vaak gedacht dat er enkel barokke ensceneringen mee kunnen gerealiseerd worden. Een creatief scenograaf kan vandaag echter nog steeds het publiek verrassen met de vele mogelijkheden die dergelijke theatermechanismen bieden.
ingrijpende verbouwingen gaven trouwens aanleiding tot de aanwijzing in het Europa Nostra programma The 7 Most
Dominique Lauvernier, historicus (Université de Caen, Frankrijk)
Endangered. Maeckelberg stelde dat er geen rekening gehou-
stelde dat de bewaarde theatermachines in Europa veelal date-
den werd met de bestaande schelpvorm van de zaal.
ren van het einde van de 18de- en vooral uit de 19de eeuw
Hij toonde via simulaties dat de verbouwing met een vlakke
wanneer er al een zekere vereenvoudiging en standaardisatie
scènevloer en een andere zaalhelling bovendien slechtere
ontstaan was. Het baroktheater uit de 17de en i8de eeuw heeft
zichtlijnen zal opleveren dan de bestaande. Het plan om bre-
een meer bewegend en 'ludiek' karakter en is op een manier
dere trekken te plaatsen is volgens de spreker niet wenselijk en
'abstracter' dan de igde-eeuwse theaterenscenering die stilaan
ook niet realiseerbaar gezien de specifieke opbouw van het
evolueerde naar het zogenaamde salon ferme , dat veel statischer
bestaande dakspant en de breedte van de toneelmond, een
is. Naar zijn mening kan het baroktheater zeer inspirerend zijn
vast gegeven. In de pers liet Het Toneelhuis al herhaaldelijk
voor hedendaagse producties, iets dat trouwens al aangetoond
weten dat als het mechanisme moet bewaard blijven, er enkel
werd in de presentatie van Jean-Guy Lecat over Cuillaume Teil.
een museumfunctie overblijft voor de Bourlaschouwburg.
Lauvernier vestigde er de aandacht op dat de Bourlaschouw-
De spreker weerlegde dit met klem en gaf vele mogelijkheden
burg ontworpen en uitgerust is volgens de ideeën van Boullet,
aan - mede aan de hand van een werkend schaalmodel - om
uiteengezet in zijn Essoi' sur l'art de construire les théótres, leurs
het bestaande mechanisme creatiefin te zetten niet alleen
machines et leurs mouvemens, uitgegeven in Parijs 1801. Hij
voor historische voorstellingen maar vooral ook voor heel
verwees daarvoor naar het recent gerestaureerde en opnieuw
verscheiden hedendaagse producties.
in gebruik genomen Ancien Thédtre de Chótellerault (1844,
Frankrijk) waarbij de oude theatermachine opnieuw in gebruik
Het oude theatermechanisme biedt zeer veel mogelijkheden
is gesteld en dienstig is voor hedendaagse producties.
voor hedendaags gebruik. Deze barokke theatertechniek
Om de werking van de traditionele theatermachines te visuali-
spreekt immers een soort universele taal, simpel en verstaan-
seren demonstreerden Chris Van Coethem en James McKer-
baar. Zij is tegelijk eenvoudig én ingenieus, overal gelijkend,
man (York University, Toronto Canada) op zondagmorgen de
wat het gebruik vergemakkelijkt. Samen met het groeiend stre-
waaier aan mogelijke bewegingen op het schaalmodel 1/4
ven naar duurzame en ecologische theaterinfrastructuur ont-
gemaakt door de studenten RITS Brussel. Beiden zijn over-
stond de laatste jaren een ware revival. Jongeren gaan er zich
tuigd dat de mogelijkheden van dergelijke ingenieuze en tege-
aan interesseren. Workshops worden georganiseerd zodat de
lijk zeer eenvoudige machines vandaag onderbenut blijven.
kennis zich opnieuw verspreidt.
Daar komt volgens deze theatertechnici stilaan verandering in
Oude theatermechanismen blijken performant niet alleen voor
aangezien de historische theatertechnieken nu ook deel uitma-
historische opvoeringen maar ook voor hedendaags theater.
ken van de opleiding tot theatertechnicus en scenograaf.
Het zijn instrumenten die uitdagen om vandaag artistieke
Zij ondervinden dat deze oude technieken inspirerend zullen
projecten te realiseren.
zijn voor de verdere ontwikkeling van een meer duurzame en
Een theatermechanisme dat uit zijn context gehaald wordt en
ecologisch verantwoorde theatertechnologie.
naar een museum overgebracht, verliest zijn waarde en betekenis. De werking ervan kan veel beter zichtbaar gemaakt worden
Tot slot was er een debat met de Stad Antwerpen als eigenaar
via een schaalmodel. De verplaatsing van een theatermecha-
van de Bourlaschouwburg (Jan Rombouts, kabinetschef Sche-
nisme, zoals dat van de Bourla, naar een museum impliceert
pen Heylen), Het Toneelhuis (Cuy Cassiers, Artistiek Direc-
eigenlijk de bouwvan een nieuw theatergebouw, gezien de
teur), Marc Lambert van het Theater Technisch Advies Bureau
enormiteit van de machinerie.
(TTAS), medeverantwoordelijk voor de haalbaarheidsstudie en
Het niet gebruiken van het theatermechanisme leidt onvermij-
Frank Peeters (Docent theatergeschiedenis Universiteit Ant-
delijk tot verwaarlozing en verval, wat vandaag spijtig genoeg
werpen). Dit panel bevestigde zijn eerder al in de pers bekend
vast te stellen is in de Bourla.
gemaakte standpunt. Het Toneelhuis wenst in de Bourla-
Alvorens veranderingen aan te brengen, als bijvoorbeeld het
schouwburg te blijven. De locatie is cruciaal en het publiek is
vlak leggen van de toneelvloer of het wijzigen van de zicht-
gehecht aan het gebouw. De bestaande theaterzaal en het
lijnen, is een goede kennis en volledige documentatie zowel
-mechanisme voldoen voor Het Toneelhuis niet op het vlak
van de theaterzaal als van het -mechanisme noodzakelijk.
van theaterinfrastructuur, veiligheid en arbeidsvoorwaarden.
Alle elementen moeten in balans blijven.
Zeker reizende voorstellingen zijn moeilijk. Op basis van een
De conferentie was een oproep om de mogelijkheden van
haalbaarheidsstudie kiest men voor het slopen van het theater-
waardevolle historische theaterinfrastructuur en -technologie
mechanisme en de vervanging door een nieuw, dat in belang-
verder te verkennen en volop in te zetten voor hedendaagse
rijke mate kan voldoen aan de noden van Het Toneelhuis.
producties. Oude theaters zijn geen musea, maar levende
Om de zichtlijnen te verbeteren zou men ook de parterre van
cultuurhuizen!
het auditorium verbouwen en het eerste balkon verwijderen. Zoals in de Scala van Milaan wenst Het Toneelhuis het Bourlamechanisme in een museum onder te brengen, waar het beter zichtbaar zou zijn dan nu. Deze visie ging uiteraard lijnrecht in tegen al wat er op de drie congresdagen aan bod was gekomen! Alle aanwezigen betreurden de afwezigheid van Het Toneelhuis op de conferentie en deden heel wat concrete suggesties om het theatermechanisme opnieuw in gebruik te stellen. Als besluit van de drie conferentiedagen werden een aantal conclusies genomen. De meest bekende historische theaters in Europa zijn hoftheaters. De Bourlaschouwburg in Antwerpen heeft ontegensprekelijk een uitzonderlijke en unieke waarde als historisch stadstheater opgevat als thédtre ó I' italienne. Terecht wordt een erkenning als werelderfgoed in het vooruitzicht gesteld. Cruciaal is het gegeven dat auditorium en scène één conceptueel geheel vormen. Dit maakt een onmiddellijke interactie tussen spelers en toeschouwers mogelijk. Het behoud van de hellende scènevloer én de specifieke schelpvorm van de zaal zijn daarbij cruciale elementen. Het theatermechanisme zelfheeft anderzijds ook een uitzonderlijke industrieel-archeologische waarde en vormt een onvervangbaar onderdeel van het historische theatergebouw.
Informatie en lijst van theatergebouwen met een bewaarde houten machine op: http://woodandcanvas. info.yorku.ca/theatr/ Voor de geschiedenis van de Bourlaschouwburg en de restauratie: M.MANDERYCK, Een tempel voorde muzen. De schouwburg van Pierre Bourla te Antwerpen, in M&L, jg. 12, nr. 2,1993, p. 22-45 e r l bijhorende binnenkrant. In het blogartikel van Carsten Jung, Secretaris-generaal van PERSPECTIV - Association of Historie Theatres in Europe, wordt gefocust op het slotdebat, u vindt het via: http://theatresroute.weebly.com/blog/the-future-of-thebourla-schouwburg-antwerp-be-by-carsten-jung-perspectiv
ö
> Marjan Buyle
soort 'gesproken poster' als het ware. Uit de inzendingen
M
wordt door de werkgroep een programma samengesteld. ConCall for Papers Colloquium BRK-APROA/Onroerend Erfgoed
Ö Ö Ö
congres 2015
'4
grestalen zijn Nederlands en Frans met simultaanvertalingen naar de andere landstaal (Engelstalige lezingen zijn per uitzondering ook mogelijk, maar worden niet vertaald).
INNOVATIE IN DE CONSERVATIE-RESTAURATIE: OPPORTUNITEITEN EN BEPERKINGEN
• i—i
PQ
een korte presentatie (maximum 10 minuten) te geven, een
> Inge Verdunnen Als je de pers en de publicaties moet geloven, is conservatierestauratie van kunstwerken uitgegroeid van een puur ambachtelijk gegeven in de 19de en eerste helft 20ste eeuw tot een hoogtechnologisch gebeuren, gedirigeerd door wetenschappers en ingewikkelde apparaten. Maar belanden we op die
NEGENDE LANDSCHAPSCONTACTDAG THEMA: DE CONSTRUCTIE VAN DE WILDERNIS 03 OKTOBER - ZONHOVEN
manier niet in een ander uiterste? Wetenschappelijke technieken kunnen een grote hulp zijn voor de conservatie-restauratie,
Tijdens de Vlaamse landschapscontactdag staat het onderzoek
nieuwe apparatuur kan als het ware dwars door het kunstwerk
naar de genese en dynamiek van het Vlaamse cultuurland-
heen kijken en waardevolle informatie bezorgen. Maar kunnen
schap centraal. Dit uniek platform biedt de mogelijkheid om
ze ooit het hoofd en de handen, de sensibiliteit en de noodza-
recente onderzoeksmethoden en -resultaten omtrent land-
kelijke handvaardigheid van de restaurateur vervangen? Is de
schapsgenese voor te stellen. Daarnaast is er ook ruimte voor
zo geroemde multidisciplinariteit en pluridisciplinariteit een
discussie en uitwisseling van kennis en ideeën binnen het
mythe of een verworvenheid? Tijd dus voor een tussentijds
brede landschapsonderzoek.
bilan van de innovatieve technieken, apparaten en producten,
Dit jaar ligt de focus op het thema 'De constructie van de wil-
een kritische reflectie over de wijze waarop de wetenschap kan
dernis': Landschappen met een hoog 'wildernisgehalte' wor-
helpen om de restauratie te optimaliseren. Tijd ook om na te
den in Vlaanderen vanuit ecologisch standpunt gewaardeerd
denken over de plaats en de relevantie van de restaurateur en
om hun hoge biodiversiteit. Die hoge natuurwaarden worden
zijn/haar veranderende rol in deze hoogtechnologische, virtu-
dikwijls rechtstreeks in relatie gebracht met een langdurig en
ele en gemediatiseerde maatschappij van de 21ste eeuw.
traditioneel gebruik als cultuurlandschap. Dat traditionele
Mogelijke thema's en onderwerpen van dit 8ste BRK-APROA/
teit. Elk landschap en landgebruik is immers het resultaat van
Onroerend Erfgoed colloquium, dat zal doorgaan op 12 en
hoe mensen in dat landschap in de eigen tijd omgaan met de
13 november 2015, zijn:
materiële ruimte en de ecologie.
aspect betekent niet noodzakelijk een onveranderlijke stabili-
1. Innovatieve onderzoekstechnieken: mogelijkheden en beperkingen (nota: dit colloquium focust op onderzoeksme-
Simpelweg het 'traditionele' landschap afbeelden als een eeuwig onveranderbaar gegeven, strookt dus niet met de werkelijk-
thodes die impact hebben op de uitvoering van de conser-
heid. Het idee van het statische eeuwige landschap, zoals
vatie-restauratie en niet op onderzoeksmethodes die louter
verkondigd door vroeg 20ste-eeuwse landschapsschilders en
kunsthistorische informatie bijbrengen) 2. Nieuwe methodes en producten in de praktijk van de restauratie: consolidatie, reiniging, verlijming, fixering 3. Methodes van virtuele restauraties en reconstructies: positieve inbreng en mogelijke gevaren 4. De nieuwe internationale wet- en regelgeving en haar
landschapsfotografen als Jean Massart, is echter diep geworteld in onze psyche. Natuur- en landschapsbeheerders spreken dan weer vaak van 'herstelprojecten'. Niets is echter minder waar: het landschap is altijd in beweging gebleven en heeft constant veranderingen ondergaan, leder 'herstelproject' is niets meer dan een creatie van een nieuw landschap in een
impact op de praktijk van de conservatie-restauratie: verbo-
hedendaagse setting waarin we bepaalde aantrekkelijke ken-
den producten (desinfecteringsproducten, bepaalde solven-
merken uit het verleden overzetten. Het door ons als traditio-
ten in traditionele vernissen en verven), verboden
neel ervaren landschap is met andere woorden een constructie
materialen (ivoor, schildpad, loodwit)
net als het idee van traditie zelf. De landschapscontactdag
5. Innovatie in de ontsluiting van de conservatie-restauratie:
focust op het gegeven dat de 'wildernis' maakbaar is en steeds
tentoonstellingen, publiekswerking, nieuwe technologieën
verandert qua invulling en ecologische en culturele waarde van
in musea, monumenten en erfgoedsites
periode tot periode. Het uitgangspunt zijn deze veranderingen die in de zogenaamde 'traditionele' landschappen diverse
Geïnteresseerden om een lezing te geven over één van deze
relicten hebben nagelaten in de 'wildernis' en die toelaten
onderwerpen sturen een (werk)titel en een korte inhoud van
oudere landschappen, ingrepen en landschapsgebruiken te
hun lezing (halve tot hele A4 pagina volstaat) naar:
analyseren. Hoe gaan we vandaag om met de problematiek
marieanne.buyle@rwo.vlaanderen.be. Deadline voor de inzen-
van historische landgebruiken in zogenaamde natuurland-
dingen is 30 oktober 2014. Er bestaat ook de mogelijkheid om
schappen?
Het raakvlak tussen natuur- en cultuurlandschap vormt een
De vier laureaten werden na een brede oproep en jurering door
uitdaging voor elke landschapsdeskundige, historisch-geo-
de Koninklijke Commissie van Monumenten en Landschappen
graaf, historicus, landschapsarcheoloog of ruimtelijke planner
(KCML) geselecteerd uit in totaal 18 kandidaturen. Elke laure-
met interesse voor het verleden en de toekomst van het land-
aat krijgt 2.500 euro en de ultieme winnaar sleept daar
schap in Vlaanderen. De landschapscontactdag streeft ernaar
bovenop nog eens 12.500 euro in de wacht.
ö
de interactie en samenwerking tussen verschillende invalshoeken en disciplines in landschapsonderzoek te versterken.
Open Monumentendag 2014 Alle vier de laureaten stellen op de editie 'Erfgoed, vroeger, nu
Deze landschapscontactdag gaat door op vrijdag 3 oktober 2013 in het Recreatiepark Heidestrand, Zwanenstraat 105, 3520 Zonhoven. Het programma en praktische informatie vind je op de website van Onroerend Erfgoed: www.onroerenderfgoed.be
2014) hun monument of project open voor het grote publiek. De laureaten van de Vlaamse Monumentenprijs 2014 kort aan u voorgesteld: Kasteel d'Ursel en omgeving in Hingene (Bornem) Tot in 1973 was het kasteel d'Ursel in Hingene de favoriete zomerresidentie van de adellijke familie d'Ursel. Dit bijna vier eeuwen lang. In 1994 kocht het Antwerpse provinciebestuur het beschermde kasteel aan, waarbij niet de herbestemming
Prijzen
maar wel de redding van het waardevolle patrimonium de eerste bekommernis was. De provincie opteerde dan ook voor het maximale behoud van de historische materie. Hoewel de restauratie om praktische en financiële redenen in verschillende fasen zou verlopen, maakte men van in het begin werk
> San Van de Voorde
van een totaalvisie, en zette de provincie in op grootschalig, multidisciplinair onderzoek van het gebouw en het domein. De resultaten van het onderzoek waren richtinggevend om de
MONUMENTEN VALLEN IN DE PRIJZEN
verdere restauratie én de herbestemming te bepalen.
Begin juli 2014 maakte Vlaams minister van Onroerend Erf-
namelijk muzikale, cultuurhistorische en receptieve activiteiten
goed, Geert Bourgeois, de vier laureaten bekend van de
plaatsvinden.
Eind 2003 opende kasteel d'Ursel als cultuurhuis, waarin voor-
Vlaamse Monumentenprijs 2014. De laureaten zijn Kasteel
Kasteel d'Ursel kwam als een van de laureaten uit de bus
d'Ursel en omgeving in Hingene (Bornem), het voormalige
omdat de restauratie van het kasteel met de omgeving een
station van Moerbeke, Huis Proot in Koekelare en de vzw De
mooi voorbeeld is voor de onroerenderfgoedzorg in Vlaande-
Muren Spreken. De laureaten zijn stuk voor stuk voorbeelden van goed beheer en van vakkundige restauratie met inbreng van nieuwe technieken. De vier projecten getuigen allen van een deskundige opbouw en uitwerking en tonen aan dat de zorg voor erfgoed op een holistische wijze kan gebeuren, door het onder meer een nieuwe maatschappelijke rol te geven. In september vindt de bekendmaking plaats van de ultieme winnaar van de Vlaamse Monumentenprijs 2014.
Vlaamse Monumentenprijs 2014 De Vlaamse Monumentenprijs plaatst de zorg voor onroerend erfgoed in de kijker, erkent het werk dat velen er op vrijwillige of professionele basis in steken. De prijs wil die zorg blijvend stimuleren én er een draagvlak voor creëren. De minister bekroont daarom een persoon, een instelling of een project met een belangrijke, recente verwezenlijking binnen de Vlaamse monumentenzorg, landschapszorg of archeologie. Zowel beschermd als niet-beschermd waardevol onroerend erfgoed komt in aanmerking voor een nominatie.
PQ
en in de toekomst' van Open Monumentendag (14 september
Kasteel d'Ursel (© Onroerend Erfgoed)
15
ö o; ö ö •rH
PQ
ren. De gekozen restauratieopties zijn duidelijk gebaseerd op
Vzw de Muren Spreken
gedegen vooronderzoek. Ook de restauratie is zeer zorgvuldig
Vzw De Muren Spreken is een vereniging zonder winstoog-
uitgevoerd, zowel van het exterieur als het interieur met zijn
merk die het grote publiek en de betrokken instanties in Vlaan-
unieke wandbespanningen en behangpapieren. Het project
deren bewust wil maken van de historische en esthetische
toont ook een ruime aandacht voor de archeologische opgra-
waarde van reclamemuurschilderingen uit onder meer het
vingen en de ontsluiting van het omliggende landschap en de
Interbellum. De vzw stelde een zo volledig mogelijke inventaris
verbinding met de Schelde. De jury looft ook de aandacht voor
op van de nog overblijvende, waardevolle exemplaren (nu 80).
het immateriële erfgoed en de goede ontsluiting ervan met
Het werkt hiervoor samen met het agentschap Onroerend
onder andere een eigen tijdschrift dat handelt over het leven
Erfgoed dat een selectie opnam in de Inventaris Onroerend
van de hertog en zijn familie in het kasteel.
Erfgoed. De vzw ijvert ook voor eventuele bescherming van enkele muurschilderingen en tracht restauraties te organiseren.
16 Station, Moerbeke Het in 1910 opgericht station van Moerbeke werd in 1996 beschermd als monument als voorbeeld van een typisch landelijk stationsgebouw. In opdracht van het gemeentebestuur werd het gebouw volledig gerestaureerd en kwam er aan het station een nieuwbouw bij die het uitzicht van een treinloods heeft. Die uitbreiding situeert zich aan de noordzijde, zodat de hoofdingang en de wisselwerking tussen station en dorp behouden blijft. Deel uitmakend van het cultuurcentrum van de gemeente biedt de nieuwe treinloods onderdak aan de bibliotheek, terwijl het stationsgebouw zelf als vergader-, archief- en tentoonstellingsruimte dienst doet. De jury duidt dit dossier aan als mooi voorbeeld van restauratie en herbestemming van een gebouw met kenmerkende bescheiden architectuur. Het behoud van de herkenbaarheid van zowel exterieur als interieur is hierbij lovenswaardig.
Station Moerbeke (© Onroerend Erfgoed)
Muuradvertentie op de gevel van het Haig House in leper (© Onroerend Erfgoed)
De jury looft dit project omdat het erin slaagde deze kwetsbare reclameschilderingen onder de aandacht te brengen van zowel de media en ruime bevolking als van de bevoegde instanties. Hoewel het bij De Muren Spreken niet om één concrete restauratie gaat, is de jury van oordeel dat het een verdienstelijk én vernieuwend project betreft ten opzichte van het behoud en beheer van onroerend erfgoed. De grote bereidheid van de vrijwilligers die blijven ijveren voor het behoud van dit erfgoed, wordt ten zeerste geapprecieerd. Huis Proot, Koekelare Huis Proot werd in 1896 opgericht in eclectische stijl en is een mooi voorbeeld van een goed bewaarde dokterswoning in een landelijke dorpskern. Het huis illustreert de sociale status van een dokter in een plattelandsgemeente tijdens de late 19de eeuw. De herenwoning en het dokterskabinet hebben gaaf bewaarde interieurs waarbij de oorspronkelijke kleurstelling en afwerking behouden zijn. Op initiatief van de gemeente Koekelare werd het huis in 1998 beschermd als monument. De gemeente besloot ook de site te verwerven, te restaureren en er een nieuwe invulling aan te geven. De woning kreeg nadien een culturele functie en dient nu als receptie- en ontvangstruimte met multimediazaaltje. In het voormalige koetshuis of dokterskabinet zijn twee sociale huurappartementen ingericht, terwijl de vroegere tuin werd omgevormd tot een openbaar parkje. De restauratie van het geheel had tot doel de grootsheid van de dokterswoning in ere te herstellen. Hiervoor werden de imitatieschilderingen gerestaureerd, kwam er gelijkaardig behang aan de muren, werd het schrijnwerk hersteld en gebruikte men de originele kleurstelling. De jury is van oordeel dat dit een verdienstelijk project is. Niet alleen omwille van de zorgvuldig uitgevoerde restauratie, maar ook door de goedgekozen herbestemming als culturele ruimte, sociale huurappartementen en groenzone. Het project toont aan dat ook
5^^v=^V^X
kleinere gemeentebesturen in staat zijn om een mooi beheerproject op te starten en tot een goed einde te brengen.
Huis Proot, Koekelare, toestand na restauratie (© NV Monument Vandekerckhove)
Inventarissen
augustus 2014 zal de inventaris ongeveer 125 vaartuigen bevatten. De databank zal in de komende jaren regelmatig worden aangevuld met geactualiseerde en bijkomende onderzoeksresultaten.
> Maarten Van Dijck
U vindt de inventaris via https://inventaris.onroerenderfgoed. be/ivm.
DE TEWATERLATING VAN DE INVENTARIS VAN HET VAREND ERFGOED Op 7 augustus 2014 werd de Inventaris van het Varend Erfgoed boven de doopvont gehouden. Hij geeft een overzicht van de vaartuigen met erfgoedwaarde die in Vlaanderen bewaard zijn.
Varia
Het varend erfgoed is een eerder onbekend aspect van ons erfgoed. Om vele redenen is het nochtans heel aantrekkelijk. De vaartuigen getuigen van onze omgang in het verleden met
> Anton Ervynck
de zee, de rivieren en de kanalen. Ze werden gebruikt om goederen te transporteren, om te vissen en om pleziertochten te maken. Voor ieder soort gebruik werden specifieke vaartuigen gebouwd die ons herinneren aan de 'yachtman of-vrouw',
OORLOGSERFGOED ONTDEKT EN ALWEER VERDWENEN
maar ook aan de noeste arbeid van de binnenschippersfamilies, matrozen, officieren, vissers, havenarbeiders én scheeps-
Op 6 maart van dit jaar verscheen in lokale krantenedities en
bouwers. Als rode draad door dit erfgoed loopt het
op de regionale televisie een bericht van Koen Deman en Chris
vakmanschap en de techniek die zich steeds verder ontwikkelt.
Vanysacker, twee erfgoedliefhebbers uit Gistel. Ze meldden de
Een erfgoed om te koesteren dus.
vondst van een Duitse tekst op de muur van een voormalige
Het agentschap Onroerend Erfgoed startte de inventarisatie in
straat. Het gaat om een metersbrede tekst van vier lijnen,
paardenstal op de hoek van de Cistelse Vaarstraat en Kaai2006-2008 met twee verkennende deelinventarissen over hou-
in nette gotische letters. De eerste letter is rood geschilderd,
ten vissersvaartuigen en scherpe zeiljachten. Tussen 2010 en
de volgende zwart:
2013 werden vrijwel alle havens, kanalen en rivieren in Vlaande-
"Ich bin ein armes stummes Tier,
ren bezocht. Voor elk item werd getracht aan de hand van
kann Freud und Leid dir niemals sagen.
foto's, een eventueel plaatsbezoek, literatuur- en archiefonder-
Drum findest du den Freund in mir
zoek de belangrijkste gegevens weer te geven over de geschiedenis, aandrijving, afmetingen en bouwvan het vaartuig. De huidige eigenaar van het vaartuig wordt behoudens enkele
das durch Not und Tod wird tragen. Daher hab ich die eine Bitte: Pfleg mich nach alter Menschen Sitte!".
uitzonderingen niet weergegeven om redenen van privacy. Vaartuigen zijn uiteraard roerend, wat wil zeggen dat de aan-
Vrij vertaald betekent dit: Ik ben een arm dier zonder stem,
duiding van de ligplaats slechts indicatief gegeven wordt. Een
ik kan je vreugde noch leed ooit vertellen. Je vindt in mij de
schip kan steeds op tocht zijn of van ligplaats wijzigen.
vriend die jou door nood en dood zal dragen. Ik heb daarbij slechts één verzoek: verzorg mij op een menselijke manier!
Veel historische types van vaartuigen zijn al lang verdwenen,
In vertaling gaat het rijm verloren maar het is duidelijk dat de
maar van andere categorieën die de laatste anderhalve eeuw
tekst enig literair gehalte heeft. Het is niet bekend of het een
rondvoeren zijn er nog exemplaren bewaard. Alle soorten vaar-
replica is van een bestaande tekst. In elk geval levert een speur-
tuigen komen in de inventaris aan bod. Het gaat om zeil- en
tocht op het wereldwijde web geen vergelijking op.
motorjachten, rond- en platbodems, militaire schepen, binnenvaartschepen, varende kranen, sleepboten, lichtschepen,
De taal en het lettertype geven aan dat deze tekst wellicht uit
loodsboten, vissersschepen en zelfs een emmerbaggerboot. Er
de eerste wereldoorlog stamt, toen er in Gistel een sterke
zijn vaartuigen geïnventariseerd daterend vanaf de late 19de
Duitse militaire aanwezigheid was. Paarden maakten in die tijd
eeuw tot ongeveer 1970. De inventaris bevat naast vaartuigen
een uiterst belangrijk deel uit van het oorlogsapparaat.
die nog varen ook schepen die op de wal worden bewaard.
Ze deelden lief en leed met de soldaten, en er was een hechte band tussen mens en dier. De tekst geeft dit ook weer: het is
Er kan in de Inventaris van het Varend Erfgoed worden gezocht
een oproep om verantwoord en bezorgd om te gaan met de
op type, functie, datering, materiaal en aandrijving. Tegen eind
dieren waarvan er zoveel tijdens de oorlogsjaren het loodje
Mn r * ommcs mmnes lier fcU ïriuc ^ U d ^ o W a a . (iriim C.nü^i ou v un^ .» n k f ^ «icn uurcr SMOS urn teo .
/
I^HBIHIHHHlHHHiHlBHH De Duitse tekst op de muur van de paardenstal te Gistel (foto K. Vandevorst)
legden (zie ook M&L 33-2). Dat de auteur spreekt vla de mond
••••••
van het metselwerk zou mogelijk een oplossing bieden.
van het paard maakt de boodschap nog aangrijpender. In die
Dat deed vragen rijzen naar haalbaarheid, kostprijs en de uit-
zin is de Cistelse vondst een uniek oorlogsdocument.
eindelijke bestemming van het stuk, problemen die er uiteindelijk niet meer toe deden. Iemand moet zenuwachtig geworden
Helaas was de paardenstal bij de ontdekking van de tekst al
zijn van al die erfgoedaandacht en zo kon op een ochtend in
voorbestemd om afgebroken te worden. Op de plek is een
april worden vastgesteld dat de tekst zorgvuldig, letter per
nieuwbouwproject gepland en een sloopvergunning was al
letter, was weggehakt.
uitgereikt. Door een aantal geïnteresseerden is snel een poging ondernomen om de tekst te redden maar dat bleek technisch
Veel waardering gaat uit naar Koen Deman, Mare Dewilde,
heel moeilijk. De letters waren op een dunne pleisterlaag
Els Jacobs, Kris Vandevorst, Chris Vanysacker en Jan Verbeke
geschilderd en de muur zelfwas in slechte staat. De schilde-
voor hun inspanningen om deze vondst te documenteren en te
ring van de muur halen was dus geen optie, enkel het verzagen
redden. Dat het uiteindelijk toch niet gelukt is, ligt niet aan hen.
'Les barbares et les esclaves détestent les sciences et détruisent les monuments des arts; les hommes libres les aiment et les conservent'.
Rapport sur les destructions opérées par Ie vandalism, et sur les moyens de Ie réprimer. Séance du 14 Fructidor, l'an II, Parijs (31 augustus 1794)
landschapstuin. De heraanleg van de tuin ging gepaard met een heraanleg van de grachten. Er werd aan de hand van de grachten en de beplanting een scheiding gemaakt tussen het tuingedeelte en het parkgedeelte. Het canal werd heraangelegd met twee uitstulpingen waarover telkens een brug werd gebouwd. In de breedste uitstulping werd een Venustempel gebouwd op een klein eilandje. Voor deze tempel kwam een Pijlenbrug. Hoe de andere brug er uitzag is niet geweten. Links van de tuin werd naar de mode een oranjerie opgericht om het tuingedeelte beter te kunnen onderhouden. De sinaasappelbomen en andere planten konden hier overwinteren. Aan de zuidkant van de oranjerie kwam er een muurserre. In de rechterhoek direct aan het Schijn kwam een schapenstal. Deze schapenstal werd in baksteen opgebouwd. Het uitkragend leien dak met dakruiter werd ondersteund door houten balken die op een exotische manier werden afgewerkt of gesculpteerd. Het Chinese torentje werd gerestaureerd en gemoderniseerd. Met de nieuwe aanleg van de vijver werden de fonteinen en watervallen afgebroken, waardoor het torentje zijn functie verloor. Een prentbriefkaart uit circa 1900 toont een open gelijkvloerse verdieping waar een zitbank staat. De rococoramen en -deuren zijn verdwenen, samen met het arduinen terras. Het is mogelijk dat de toren verder gedecoreerd werd in een neogotische-Moorse stijl. Het domein links van het kasteel werd met een gracht omringd en de vier beelden van Michiel van der Voort uit de siertuin werden langs de wandelwegen verspreid in de tuin geplaatst. Ook het oude Speelhof kreeg nieuwe lanen en doorzichten. De oude 'percelering' van het eikenbos werd nu weggewerkt door de creatie van doorzichten in de vorm van een passer.
Baron Henri's onafgewerkte droom (1871-1923) De baron stierfin 1834 en zijn vrouw vier jaar later. Ondertussen kwamen het Schildehof en het hotel te Kipdorp in handen van hun zoon Jacob Jozef Marie Francois de Paule van de Werve. Hij trouwde in 1843 op 50-jarige leeftijd met Charlotte Auguste Marie Clotilde de Cossé-Brissac. In 1844 kregen zij een zoon Hendrik Maria Jacob Hyacinth van de Werve. Zij werd in 1845 weduwe, maar de zoon, baron Henri, zal het kasteeldomein verder vergroten (40). Hij trouwde in 1866 met de Parijse Marie Jeanne Octavie de Béthisy. Een jaar later werd hun enige zoon Emmanuel Marie Richard Joseph Henri Gaston van de Werve in Parijs geboren. Tien jaar later ontbinden Henri en Marie hun huwelijk. Baron Henri is altijd in Schilde blijven wonen en was van 1871 tot aan zijn dood burgemeester van de gemeente.
Schilde Hof van Schilde Chateau de Schilde
Baron Henri had grootse plannen met het kasteel en het omliggende domein. Hij nam in 1871 contact op de Parijse architect Henri Parent (18191895) om hem raad te vragen over de renovatie van zijn kasteel. De opzet van de plannen was een uitbreiding van het i8de-eeuwse kasteel met vier stevige hoektorens en dakversieringen om het imposanter te maken. De baron was intensief met de decoratie van zijn kasteel bezig; zo was hij in 1891 geïnspireerd door het kasteel van Bonnetable, waar zijn neef woonde. Uit briefwisseling blijkt dat hij zelf verschillende voorstellen naar Parent stuurde, die deze probeerde te integreren in de ontwerpen. Voor de uiteindelijke bouw van het kasteel werd hoofdzakelijk beroep gedaan op Franse werklieden (41). De heer Aupetit was de hoofdaannemer die de beslissingen voor Parent in Schilde nam. Parent raadde enkele Parijse kunstenaars aan zoals Gilbert voor het uitwerken van de verschillende beelden (die stierf al in 1891) en voor het stucwerk Bex (42). De baron had grootste plannen voor het kasteel, maar die werden nooit afgewerkt. Een prentbriefkaart rond 1900 toont dat de natuurstenen van de gevel ter hoogte van de tweede bouwlaag, in tegenstelling tot de eerste bouwlaag, volledig zijn uitgewerkt. Hieruit kan afgeleid worden dat de steenhouwers ter plaatse de steen bewerkten. De tekening op het briefpapier van de baron toont het kasteel met een volledig afgewerkte gevel.
Kasteel rond 1890 (Sella)
Net als voor zijn kasteel wilde de baron het domein heraanleggen. Om zijn plannen te kunnen verwezenlijken liet hij omstreeks 1880 de rivier het Schijn verleggen, waardoor zijn domein een stuk vergroot werd. Hoewel deze toch wel erg ingrijpende werken veel mankracht, geld en tijd moeten gekost hebben, werd hierover niets teruggevonden. Waarschijnlijk werd bewust
1VI&L I 33
verleggen van het Schijn voedde ze via een nieuw gecreëerde vertakking ten oosten van het domein de grachten in het park. Verder werd de tuin vereenvoudigd. De sporen van de historische tuin werden met de grond gelijk gemaakt om een nieuw ontwerp te kunnen uitvoeren. Baron Henri liet achter het koetshuis een volière bouwen, aan de grote vijver {canal) een steiger oprichten en de oranjerie verbouwen. Er werd naast de vijver een houten turnzaal gebouwd waar de baron oefeningen kon doen. De baron gaf ook de opdracht tot het bouwen van een persoonlijk kuuroord, het zogenaamde, mysterieuze paviljoen Palais Bobine. Kuren was tijdens het laatste kwart van de 19de eeuw erg in trek bij de hogere klasse. Vanuit de gezondheidszorg werd hygiëne hoog aangeschreven. Het is ook in deze periode dat badhuizen, zwembaden en sanatoria gebouwd werden. De baron had waarschijnlijk de droom om in zijn eigen park een klein Bobine-les-Bains te maken, zoals het gelijknamig kuurrood waar hij regelmatig verbleef tijdens zijn lange ziekteperiode in de jaren 1880-1890. Hij schreef op het briefpapier van Bobine-les-Bains zelfs een gedicht over dit kuuroord. Op het briefpapier staat een afbeelding van het kuuroord. De baron verwees zijn architect Parent naar dit kuuroord (43). Uiteindelijk werd het paviljoen Palais Bobine als een soort mini-kuuroord gebouwd op het nieuw aangelegde terrein langs het Schijn. Maar ook dit
Ruïne van Polais Bobine, toestand in 2011 (foto M. Jaenen)
gekozen om hierover geen bewijzen te bewaren, omdat met de verlegging van het Schijn een gedeelte van het grondgebied van de aanpalende gemeente Oelegem werd ingepalmd. Na het
Gezicht op het kasteeldomein met tuinaanleg, 1880 (Gemeentearchief Schilde)
A;r.:.-;;?-.'-..'5
Kz^t V'
•'••'
'•'••••., c i i ' i , .
. ' . . ' . • . ' • • •'
ifi„A s
wm-
• 'i-\'•''•::'-''l\V\'''}--'~y-r':::'-''''-'-'-':-'-'':''^Ê
• • • • . • ' ƒ • • • • ••'-'1,.,l77^.
'•'..''
'-*';'-'t.;, - -'.'•'.••;.•'•••• •-'• •^^':^•';;•^:/:•'•ii••^.•
34 I M&L
:'•'••
' - »:'
bouwwerk werd nooit voltooid en dus ook nooit gebruikt. Net als de gevel van de gelijkvloerse verdieping van het kasteel vertoont het zware logge blokken steen die nog afgewerkt moeten worden. Volgens de visie van baron Henri zou Palais Bobine mee geïntegreerd worden in een groot nieuw ontwerp van de tuin. Er werden twee onuitgevoerde tuinontwerpen van onbekende ontwerper teruggevonden uit het laatste kwart van de 19de eeuw. De enige verwijzing naar een tuinarchitect staat in een brief waar de baron begin 1891 aan Parent vroeg of hij geen tuinarchitect kende. Parent verwees naar de heer Lambert. Hij zou verantwoordelijk geweest zijn voor de aanleg van Place Camot (nu Pare de la République) in Lyon (44). Verder werd hier niets meer over teruggevonden. Aan de hand van verschillende prentbriefkaarten en een plan uit 1880 kan er wel een beeld van de tuin opgemaakt worden. Zo waren de paden rond de Pijlenbrug en Venustempel met een lichte constructie afgezet en waren er veel gras/grasperken en open plaatsen met doorzichten. De wallen van de grachten en vijver bestonden uit gras, waardoor men overal rond de vijver met een bootje kon aanmeren. De bomen en andere beplantingen waren gegroepeerd en gesnoeid (45).
De grootse plannen voor het kasteel, Palais Bobine en de tuin werden nooit helemaal gerealiseerd. Waarom is niet gekend, misschien wegens gezondheidsproblemen of financiële redenen. Het blijft een open vraag. Mondelinge bronnen beweren dat een waarzegster ooit tegen de baron zou gezegd hebben dat wanneer het kasteel af zou zijn, hij zou sterven... Uiteindelijk stierf hij met een onafgewerkte droom.
De grondvesten van het kasteel rond i960 (Scüla]
Na het overlijden van Fran^oise op 22 september 1951 besloten de erfgenamen, haar neven en nichten, de goederen te verkopen. (47) De NV Compagnie Immobilière de Belgique kocht een groot deel van de eigendommen op om ze te verkavelen voor bouwgrond. De gemeente Schilde kocht het kasteel en het park in 1953. Het vervallen kasteel werd tot op de grondvesten afgebroken en de tuin herbestemd als gemeentepark. Het toenmalig gemeentebestuur liet alle huisvuil, ook van buiten de gemeente, in het park storten, langs het Schijn, aan weerszijden van de Vinckenlei. In 1962-1963 en 1964-65 gaven zij de toelating aan de Antwerpse Waterwerken, die achter het park een reeks waterbekkens zouden graven, om tonnen vrijgekomen grond op te spuiten op het zuidelijke deel van het park, over een oppervlakte van 13 ha. Hierdoor ging een biotoop van zeldzaam gevlekte orchis verloren, de verbinding van de hofgracht met het Schijn verdween en de waterhuishouding werd ontredderd(48). Als gevolg van deze werken is het Schijn volledig afgesneden van het park. Het reliëf is zelfs omgekeerd en het terrein helt nu af van het Schijn richting kasteel (49).
Eerste stappen tot herwaardering Afbraak van het kasteel en verval van het domein (1924-1971) Baron Gaston, zijn zoon, de laatste afstammeling van de baronnen van Schilde, heeft de droom van zijn vader niet kunnen verder zetten. Hij huwde op 10 juli 1890 met Frangoise Charlotte de la Boessière-Thiennes en overleed kinderloos, nog voor zijn vader op 18 augustus 1923. Hij liet alles aan zijn echtgenote na (46). Op 21 maart 1924 maakte baron Henri na zijn overlijden al zijn bezittingen over aan zijn schoondochter. Onder het talrijke vastgoed van Schilde hoorde het kasteel van Schilde met aanhorigheden, oranjerie, paviljoen, vijver, park, ijskelder, serren en verschillende hoeven met tuinen, gronden, weiden, hooiland, wegen, dennenbossen en dreef. Het is niet juist geweten in hoeverre de weduwe van baron Gaston zich nog om het kasteel bekommerde, maar langzaam geraakte het in verval.
Bij het nieuwe gemeentebestuur in 1971 werden er onmiddellijk maatregelen getroffen om het park te redden. Het park werd opengesteld voor het publiek, de paden werden verhard en er kwam een verbod op huisvuilstorten. In de oorspronkelijke moes- en plantentuin van het kasteel van Schilde startte de werkgroep Dodoenstuin in 1974 met de aanleg van een 'historische' kruidentuin als hulde aan de eerste Vlaamse kruidenkundige Rembert Dodoens (1517-1585). In de kruidentuin staan overwegend inheemse soorten uit Dodoens' Cruydeboeck uit 1554. Aanvullend werden moestuinen aangelegd waar groenten geteeld worden volgens principes van het ecologisch tuinieren. In 1971 werd de vervallen oranjerie door de Heemkundige Kring Scilla eigenhandig gerestaureerd. Het kreeg een nieuw dak, ramen en deuren. De oorspronkelijk wit bepleisterde gevel werd gezandstraald "om haar authentieke karakter in
1VI&L
35
wilgjes zijn uitgegroeid tot een pionier-wilgenbos en dat er van de aanplantingen, overwegend bestaande uit climaxboomsoorten, nog weinig overblijft (51). In 1981 werd er langs de oranjerie een natuureducatief paviljoen gebouwd naast de oranjerie door architect E. De Pessemier uit Antwerpen (52). In 2003 fungeerde het Schildehof als decor voor het kunstproject Tussen hemel en aarde. Beelden in Schildehof. Het project bracht kunst en natuur samen en waar interactie tussen beide werd nagestreefd (53). In dit jaar kwam er ook een eerste noodkreet vanwege de natuurgidsen in verband met de slechte toestand van de erfgoedelementen in het park.
Het huidige park en de visie voor het toekomstige beheer: een nieuw plan van aanpak Gezicht op de oranjerie (foto O. Pauwels)
ere te herstellen". De ernaast gelegen conciërgewoning werd omstreeks 1980 heringericht. De eerste fitometer werd in het park in 1972 geopend en in 2005 werd het loopparcours van het Schildehof door de Provinciale Sportdienst als mooiste loopparcours van de provincie Antwerpen erkend. In 1973 werd een bedrijfsregeling opgemaakt door de dienst Waters en Bossen, houtvesterij Antwerpen. In deze bedrijfsregelingen werd voorgesteld om, naast het normale bosbeheer, bestaande uitdunningen en kappingen, ook aanplantingen uit te voeren, vooral dan op de opgehoogde gronden. Een eerste aanzet werd gegeven door de actie Plant een Boom in 1973. Toen werd een vierkant perceel van precies 100 x 100 m aangeplant als arboretum. Ondanks veel inzet en goede wil waren de invloed van de opgespoten gronden en de vraatzucht van de konijnen veel te sterk. Van dit arboretum is tegenwoordig, met uitzondering van een enkele boom, niets meer te merken. Ook in 1973 werd op de funderingen van het kasteel een terras aangelegd. De open gedeelten van de kelder werden (50) gevuld met vuistenen in gebakken aarde en afgedekt met een betonnen vloer. Het terras kreeg een ijzeren afsluiting. Er werd tussen 1974 en 1978 bebost door groepsgewijze aanplantingen (circa 50 a) van populier, Spaanse aak, witte els, zomerlinde en moeraseik. Deze groepen werden verder gemengd met zilverspar, Oostenrijkse den, inlandse eik, es, beuk, lijsterbes, olm en Abies grandis. In deze bedrijfsregeling staat verder te lezen dat "de zaailingen van wilg, waar mogelijk, behouden worden om mee het pionierhestand te helpen vormen". Het hoeft dus niet te verbazen dat anno 2000 deze
36 I M
L
Vandaag is er in het park nog maar weinig te merken van de rijke geschiedenis van het kasteel, de tuinen en haar bewoners. Hier en daar bemerkt men relicten in de vorm van mooi gekapte natuurstenen onder een dense begroeiing, een stuk verhard pad, een gevallen zuil, of een smeedijzeren krul van een half vergane borstwering. Het beheer van het park beperkte zich tot het vrijhouden van de wandelpaden en de fitometer parcours. Slechts sporadisch bleef een imposant doorzicht gevormd door aangeplante boomgroepen gespaard van dichtgroei. Door het versnipperd gebruik en beheer toont het park een grote verscheidenheid aan indrukken en mist het zijn vroegere krachtige identiteit. Verder werd duidelijk dat de schier onherstelbare link met de Schijnvallei die beeldwaarde geen goed doet. Het waren de plaatselijke erfgoed- en natuurverenigingen die de kat de bel aanbonden en de gemeente stelde in 2010 een multidisciplinair team aan met als opdracht een masterplan voor behoud, beheer en herbestemming van het cultuurhistorische park en de bouwkundige relicten. In dit kader werd dit bouw- en landschapshistorisch onderzoek uitgevoerd. Het inzicht in de geschiedenis van het park heeft het team toegelaten de bestaande toestand te begrijpen, een visie te ontwikkelen voor het park die de erfgoedwaarden ervan versterkt en tegelijk een breed draagvlak te creëren bij alle belanghebbende partijen, begaan met het park. De analyse van het park gebeurde niet enkel vanuit historisch perspectief. Voor elk van de samenstellende delen van het park - ruimtelijke entiteiten, wegen en paden, constructies en bouwkundige elementen, waterpartijen, vegetatie-
bestanden, zichtassen en perspectieven, toegangen en parkmeubilair - werd een analyse gemaakt vanuit ruimtelijk, bouwhistorisch, ecologisch en beheersmatig standpunt. Een stapsgewijze waardering liet toe te evalueren wat van elk parkelement de waarde was voor de toekomstige ontwikkeling en liet meteen toe om de prioriteiten voor aanpak te definiëren. Een parkelement in een slechte toestand van bewaring, maar van groot belang voor de ruimtelijke beleving of het begrip van de erfgoedwaarde van het park kon zo naar voor geschoven worden als een prioriteit in de realisatie van de totaalvisie. Deze geïntegreerde aanpak heeft als voordeel dat alle aspecten van het park - naast erfgoedbeheer bijvoorbeeld ook natuurontwikkeling of alternatief gebruik gelijkwaardig worden benaderd en geen enkele belanghebbende gebruiker in de kou blijft staan. Deze benadering biedt een antwoord op de vaak eenzijdige visie die de vele gebruikers en partners op een ruimtelijke entiteit hebben met een dito eisenpakket voor de ontwikkeling. Ook biedt het de gemeente een hefboom om met beperkte middelen in te zetten op aspecten die een groot effect resorteren, eerder dan geconfronteerd te worden met een totaalproject met overeenkomstig budget.
De meerlagige analyse en waardering leidden tot een algemene visie voor de ontwikkeling en het beheer van Schildehof Deze is de historische gelaagdheid van het park te versterken omdat ze cruciaal is voor het begrip van zowel de landschappelijke als cultuurhistorische totstandkoming. Vanuit die visie worden inrichtingsconcepten uitgewerkt voor de toekomst van het park. Deze inrichtingsconcepten versterken telkens één van de historische periodes en hebben betrekking op duidelijk definieerbare parkentiteiten en duidelijk aflijnbare interventies. De versterking van de periode 'baroktuin' bijvoorbeeld, heeft betrekking op de zowel bouwkundige als landschappelijke relicten van de symmetrische Franse tuin en vereist het herstel van welbepaalde poorten, rechte dreven, dito grachten, bruggen en andere parkelementen. De versterking van de periode 'Engelse landschapstuin' veronderstelt het herstel van de follies, de organische waterpartijen en de boomgroepen die de diepte aan het landschap geven. Het hedendaags park kent dan weer waarde toe aan de natuurontwikkeling in zones van het park die dermate zijn verstoord dat een historische reconstructie zo goed als uitgesloten is, en aan hedendaags parkgebruik zoals sport, spel en educatie. Het samenvoegen van de inrichtingsconcepten leidt tot het masterplan voor het Schildehof. Als belangrijk element in het masterplan wordt gezien de opstelling van een zonering, gebaseerd op de gradient van meer cultuur-
EIRSTE BOUWFASE
HCfVtihlEniUWmWOMm
TWEEDE BOUWFASE MNBMJBSCHen
ffUMWR
BOUWFASE OMVOaUWCrOFENGElSAUK
VIERDE BOUWFASE
SAXONtfNmVANOlWfllVl
VIJFDE BOUWFASE W K M K K W U
2t5DE BOUWFASE - mUWl FUNCTlfS « HfTftWK
historische tot meer natuurlijke waarden, die leidt tot een gedifferentieerd beheer en gekaderd gebruik. Na de opstelling en goedkeuring van de visie, de inrichtingsconcepten en het masterplan, kon een plan van aanpak worden uitgewerkt met naast algemene beheersdoelstellingen ook erg concrete actiepunten zoals de herziening van het beschermingsstatuut - vandaag is het park slechts gedeeltelijk als dorpsgezicht beschermd - en het opstellen van doelgerichte beheersplannen voor deelzones tot concrete restauratievoorstellen met een evaluatie van de prioriteit. De inventarisatiefase identificeerde niet minder dan 33 bovengrondse bouwkundige relicten. Naast de evidente ruïnes van het kasteel, gaat het om verschillende brugjes, follies, poorten en hekwerken, oranjerie, serres, tot relicten van verhardingen en verdwenen gebouwen of begrenzingen, aangelegde waterpartijen als grachten en vijvers en aangeplante
proje t l gebied • • •
historische kernzone
i^H
pjrkbos
*
•
M
n ^ ' T f I
De historische gelaagdheid van het park als betekenisgever (Stramien/Origin/Haskoning)
Beheersmatige zonering Schildehof (Stramien/Ongin/Haskoning
opgehoogde Schijnvallei rethtgetroVken Schijnvallei j ! De Pont nat uur reservaat
fietljnd/ruigte/elzenbos
M L
37
vegetatie. Elk van de vijf historische fasen van het park is hierin vertegenwoordigd. Het ondergronds erfgoed is mogelijk nog rijker dan het bovengronds gezien de boeiende geschiedenis van het cultuurhistorisch park en landschap. Bovengronds zijn vandaag uiteraard de natuurwaarden belangrijker geworden. Een analyse van de vegetatie heeft toegelaten om een onderscheid te maken tussen de zones met overheersende vegetatietypes. Historisch waardevolle bosbegroeiingen van eik en beuk vormen de basis van het park en dateren uit de 17de- en i8de-eeuwse fase als Warande en Speelhof van het domein. Het aspect van hoog loofbos met bladerdak boven horizontale dreven en zichten is als belangrijkste karakteristiek van zulk cultuurhistorisch bos bewaard voornamelijk in het westelijk deel van het park. Het oostelijk deel bevat een ontzettend grote variatie aan beplanting en daardoor een boeiende natuur, afgeboord door opnieuw eiken en haagbeuken als duidelijk herkenbaar relict van de parkaanleg. In De Pont, het parkgedeelte beheerd door Natuurpunt, heeft sinds de jaren 1970 een waterpartij met rietmoeras alle kansen gekregen tot ontwikkeling, omgeven door ruigte, struweel en graslanden. Bijzondere aandacht is er voor de bomengroepen die werden aangeplant bij de vorming van de Engelse landschapstuin, de zogenaamde dumps. Deze hadden tot doel de zichten te leiden in de tuin tussen open en gesloten delen en werden opgesnoeid teneinde de perspectieven te behouden. Deze bomengroepen zijn vandaag overwoekerd en dichtgegroeid en noodzaken een alternatief beheer. Als laatste zone is de opgehoogde schijnvallei voorzien van een minder waardenvol pioniersbos van schietwilgen en vlieren en erg brandnetelrijk. De bodem bestaat hier dan ook uit een afgedicht vuilnisstort.
Voor elk van de bouwkundige relicten werd een schetsmatig voorstel voor restauratie en beheer in
Jan PieterVan Baurscheit de Jonge, ontwerp voor de inkompoort, 1723 (©KIK)
het erfgoedplan opgenomen, kaderend in de algemene visie en gekoppeld aan een prioriteitenevaluatie en een budgetraming. Enkele van deze deelrestauraties zullen na realisatie een bijzonder groot effect hebben op de herkenbaarheid en aantrekkelijkheid van het historische park enerzijds en op de voortgang van het erfgoedstappenplan betreffende het park anderzijds. Elk van de deelrestauraties van bouwkundig erfgoed wordt ook gekoppeld aan een project van park- of landschapsherstel en aan een beheersplan. Zo werd bijvoorbeeld de restauratie van de brug en poort aan de hoofdinkom van het park, een ontwerp van Jan Pieter Van Bauerscheit uit 1723, in combinatie met de aanpalende ringgracht als bijzonder sprekend startproject naar voor geschoven. Deze natuurstenen brug met smeedijzeren hek is relatief goed bewaard in vergelijking met de andere bruggen, borstweringen en hekwerken die Van Bauerscheit voor het park ontwierp. Zo passen beide historische bruggen op de ringgracht eveneens in de visie om eerst de poorttoegangen en bruggen in het park te restaureren om de herkenbaarheid, toegankelijkheid en doorwaadbaarheid te verbeteren. In een latere fase kunnen dan de pijlenbrug en de Venustempel, in combinatie met het herstel van de minutieus vormgegeven boomgroepen en het ruimen van de vijvers deel uitmaken van het herstel van de Engelse landschapstuin. De oranjerie dient als enige herkenbaar gebouw in zijn volle glorie gerestaureerd en kan gebruikt worden door de verschillende verenigingen die in het park actief zijn.
We mogen ook niet nalaten het park in de 21ste eeuw binnen te leiden: het masterplan stelt voor op de plaats van het voormalige koetshuis een onthaalpaviljoen op te trekken waar informatieverstrekking en fietsenstalling kunnen gecombineerd worden met andere ondersteunende functies. Twee deelprojecten kwamen naar voor in het masterplan als boeiende evenwichtsoefeningen voor ideeënwedstrijden. De ontwikkeling van een cultureel activiteitenplatform op de kasteelruïnes als focusplek van het park, moet gecombineerd worden met de conservatie van de kasteelkelders, die een waardenvol habitat zijn voor vleermuizen. Verder is het theoretisch mogelijk om binnen een ruimer kader van het beekvalleiherstelproject Groot Schijnproject de meanderende loop te herstellen, maar wellicht vormt het behoud en beheer van het afgedicht stort een ecologische uitdaging en een boeiende aanzet tot vernieuwende landschapsinvulling van dit soort verstoorde landschappen. Deze geïntegreerde aanpak met verschillende toetsingsmomenten met alle belanghebbenden had tot gevolg dat de evidente erfgoedwaarden van het
38 I M & L
park bij alle partijen aan belang wonnen en de restauratie ervan dan ook breed gedragen zal worden. Maar tevens leidde ze tot de opmaak van een inzichtelijke zonering van het park wat gedifferentieerd gebruik en beheer toelaat, niet enkel met aandacht voor de cultuurhistorische erfgoedwaarden maar tevens voor een meer hedendaagse gelaagde parkbeleving. De aanpak liet ook toe binnen de algemene visie goed gedefinieerde en overzichtelijke deelprojecten te definiëren die voor de initiatiefnemers haalbaar zijn en stap voor stap de realisatie van een totaalconcept toelaten, terwijl er voldoende ruimte blijft voor herziening en actualisatie.
Partners in het projectteam Gemeente Schilde: Steven Dietvorst, schepen Ruimtelijke Ordening en Erik Binon, cultuurconsulent: aanzet en begeleiding opmaak Erfgoedplan Stramien Structuur & Architectuur: algemene coördinatie, ruimtelijke, stedenbouwkundige en landschappelijke aspecten Origin Architecture & Engineering en Marieke Jaenen: historisch onderzoek en erfgoedkundige aspecten Royal Haskoning Consultants, Architecten en Ingenieurs: ecologische studie en beheersaspecten
(13) Ibidem. (14I BOUSSE A., op. rit. (15) Antwerpen, Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde, nr. 870. (16) Ibidem. (17) Ibidem. (18) Antwerpen, Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde, nr. 870. (19) Ibidem. (20) De verf werd geleverd of aangekocht in blaese, dierenblazen. (21) Dit Berlijns blauw wordt ook wel Pruisisch blauw genoemd en is een pigment dat rond 1704 in Berlijn werd uitgevonden. (22) Vermiljoen is een rood-oranjeachtig pigment en bestaat uit kwiksulfide. (23) Spaans groen of Verdigris (Grieks groenj is een groen pigment gebaseerd op een complex van koper acetaat, koperoxiden en kopercarbonaat (24) Antwerpen, Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde, nr. 870. (25) Ibidem, nr. 870, 205. Binnen het erfgoed plan werd er geen boomsoortinventaris van de 18de- en de igde-eeuwse bomen in het Schildehof opgemaakt. (26) BLEYS J. en VERMEULEN L, Laarhof, Kasteel van Reet, Hoboken, 2011. (27) BOUSSE A., op. at. (28) VANDEPERRE N.. Chinoiserie: de gedroomde stijl, in Vreemd gebouwd, westerse en niet-westerse elementen in onze architectuur, Antwerpen, 2002. (29) Antwerpen, Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde, nr. 378. (30) BOUSSE A., op. rit. (31) Het kasteel van Seneffe werd in de tweede helft van de 18de eeuw ook gebouwd in blauwe hardsteen uit Feluy. (32) Antwerpen, Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde, nr. 25, 21. (33J Ibidem, nr. 870. (34) Deze Bremersteen wordt nu Buckeberger of Obemkirchersteen genoemd. Deze witte natuursteen werd in de 18de eeuw vooral in de Noordelijke Nederlanden gebruikt. (35) Antwerpen, Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde, nr. 870.
(36J Ibidem.
Marieke Jaenen is bouwhistorica en doceert aan de Master Monumenten- en Landschapszorg van deUA. Robin Engels is ir. Architect, Msc in Conservation en projectverantwoordelijke bij Origin Architecture & Engineering.
Eindnoten (i) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9) (10) (11) (12)
JAENEN M., Tuin- en bouwhistorische studie: Schildehof, onuitg. studie, 2011. BOUSSE A., Geschiedenis van Schilde, Schilde, 1982. Antwerpen. Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde BOUSSE A.. op rit. Antwerpen, Stadsarchief: Schepenregister, R.H. 216, II 25 aug. 1545, P 287, r°-v°. BOUSSE A., op rit. Antwerpen, Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde, nr. 91. Het neerhof was vaak het lager gelegen gebied voor het kasteel en vertegenwoordigde het dagelijkse leven. LE ROY J. .Notitia Marchionatus. Sacri Romani Imperii, hoc est Urbis et Agri Antuerpiensis, 1678. Antwerpen, Rijksarchief: Yi/040, Archief van de familie van de Werve en van Schilde Ibidem, nr. 892-893. Ibidem.
(37) VAN LANGENDONCK L., Het hotel van de Werve de Schilde in het Antwerpse Kipdorp (circa 17&}). in Vreemd gebouwd. Westerse en niet-Westerse elementen in onze architectuur, Antwerpen, 2002. (38) Ibidem; BOUSSE A., op. rit. (39) VAN LANGENDONCK L, op. rit. (40) BOUSSE A., op. ril. {41J Op zich is het opmerkelijk dat de baron, die volgens de geschiedschrijving zoveel voor Schilde deed en aan Schilde gaf, niet zorgde voor lokale werkgelegenheid bij de verbouwing van zijn kasteel. (42) Schilde, Archief Heemkundige kring Scilla, Archief Baron van de Werve. (43) Ibidem. (44) Ibidem. (45) De doorzichten op de prentbriefkaarten van de Heemkundige Kring Scilla werden op een contemporain plan uit 1880 aangeduid. Wat er op de afbeeldingen te zien is en wat er op het plan staat, komt goed met elkaar overeen. Hieruit kan er verondersteld worden dat de aanleg van de tuin er uitzag als op de kaart en kan de kaart als een belangrijke bron gebruikt worden. (46) BOUSSE A., op. rit. (47) Ibidem. (48 j Schilde, Archief Heemkundige kring Scilla (49) Bosbeheerplan Schildehof, Provinciaal Instituut voor Hygiëne: Natuurcel 2006. (50) Gemeentearchief Schilde dossier: bouwen van terras in Gemeentepark 1973/39. (51) Bosbeheerplan Schildehof, Provinciaal Instituut voor Hygiëne: Natuurcel 2006. (52) Gemeentearchief Schilde, bouwen van een natuureducatief paviljoen 1981. (53) Tussen hemel en aarde. Beelden in het Schildehof, tent. cat.. Schilde, 2003.
Bezette stad, verwoeste stad: Leuven 1914 Hilde Verboven
Puinen na de brand van 25 augustus 2 september 1914, gezicht op de Leuvense Oude Markt en de Kortestraat. De hoge muur links is de uitgebrande universiteitsbibliotheek (Stadsarchief Leuven, collectie Sprengers, map 45)
40 I M & L
Leuven brandt! Dat was het gerucht dat snel de ronde deed na 25 augustus 1914, een dag die in de geschiedenis van de stad als een moment van verwoesting en dood staat gebrandmerkt. Het reiaas over de gebeurtenissen tijdens de snelle Duitse opmars in de beginweken van de Eerste Wereldoorlog kreeg internationaal weerklank. Leuven stond symbool voor een heel land dat aan militaire barbarij ten prooi viel. Want was deze onschuldige universiteitsstad met haar rijk gevulde bibliotheek niet net een baken van kennis, wetenschap, intellectueel leven? En werd niet net
Jotthier. Het tweede en meest prominente monument staat op het plein vóór het Leuvense station. Bedoeling was de vele voorbijgangers telkens opnieuw te herinneren aan de slachtofferrol van de stad uit de begindagen van de oorlog. Wie de stad voor het eerst bezocht, kon er ook niet naast kijken. Leuven had geleden en dat moest iedereen weten. Tien jaar geleden werd het monument gerestaureerd in het kader van de herwaardering en heraanleg van de stationsomgeving. Toch lijkt de herinnering aan de gebeurtenissen die het symboliseert, vervaagd. Vraag een Leuvenaar naar WO I en hij zal zich in het beste geval de brand van de universiteitsbibliotheek herinneren. Dat is ook het beeld dat internationaal het meest weerklank vond en tot het collectieve geheugen is doorgedrongen. Opvallend is het ontbreken van elke verwijzing naar de lotgevallen van de Leuvense bevolking. Nochtans maakte de militaire terreur veel slachtoffers onder de burgers.
deze wereld onder de voet gelopen? Het oorlogsverhaal van Leuven was veel méér dan alleen de grote brand. In die eerste oorlogsweken deelde Leuven het lot van enkele andere kleine stadjes en dorpen die onder de pietwals van een leger op doortocht werden vermorzeld, zoals Visé, Soumagne, Aarschot, Andenne, Rossignol, Dinant, Tamines, Dendermonde. En daarbij vielen veel doden onder de burgerbevolking. Meer dan andere steden groeide Leuven uit tot een icoon, dat handig in de oorlogspropaganda werd uitgespeeld. Niet zozeer de slachtoffers, maar de vernieling van de universiteitsbibliotheek wekte diepe verontwaardiging. Tot de beeldvorming droeg ook de naoorlogse ornamentiek op oorlogsmonumenten bij. In een golf van patriottisme werden na 1918 in vrijwel alle gemeenten van het land monumenten voor de herdenking van de talrijke oorlogsslachtoffers opgericht. Meestal waren die heel militair ingekleurd en lag de focus op de herdenking van de gesneuvelden aan het front en in het leger. Artistieke monumenten voor de burgerdoden waren er weinig, waardoor hun plaats in het hele herdenkingsritueel vrij snel ondergesneeuwd raakte. Leuven heeft uitzonderlijk twee nog bewaarde monumentale oorlogsmonumenten voor burgerslachtoffers (1). Op de stedelijke begraafplaats werd in 1924 een mooi uitgewerkt gedenkmonument onthuld van de beeldhouwer Louis
Dit artikel brengt opnieuw het verhaal achter het oorlogsmonument op het stationsplein opgedragen aan de burgerslachtoffers van WO I in Leuven. Het monument werd ingehuldigd in 1923. Tijdens de restauratie van 2003-2004 werden twee bas-reliëfs volledig vernieuwd. Ze waren door de Duitse bezetter afgekapt tijdens de Tweede Wereldoorlog wegens te 'aanstootgevend' (2). Materieel mag het monument dan wel zijn opgefrist, ook mentaal verdient het een opknapbeurt. Waar staat het precies voor? Welke herinnering probeert het vast te houden? Zijn we nog in staat om de iconografie van het monument te interpreteren? Door het vergeten verhaal te ontrafelen, krijgt het opnieuw betekenis en wordt het een echte herdenkingsplek. Ook dat is erfgoedzorg.
Iconografie van en oorlogsmonument Wat beeldt het oorlogsmonument op het Leuvense stationsplein precies uit? Daarvoor volstaat een blik op het monument met zijn verschillende basreliëfs in art deco stijl, die door de beeldhouwer Marcel Wolfers werden gesculpteerd (3). Het ontwerp is van de Brusselse architect Achilles de Bondt. De monumentale constructie op het Stationsplein draagt duidelijk een architecturale stempel: twee op elkaar gestapelde, driehoekige volumes vormen de sokkel voor een obelisk met bovenaan drie allegorische figuren: Hoop, Gerechtigheid en Vaderlandsliefde.
1VI&LI 41
Linkse zijwand van de onderste sokkel, oorlogsmonument stationsplein Leuven (foto K. Vandevorst)
Rechtse zijwand van de onderste sokkel, oorlogsmonument stationsplein Leuven (foto K. Vandevorst)
.X ^
Op elke zijde van de sokkel staan burgers en militaire taferelen afgebeeld. De eerste zijwand van de onderste sokkel stelt de vernietigende kracht van de Duitse inval voor. Duitse ruiters doorboren een lam met een lans, waarbij het lam symbool staat voor de onschuldige bevolking. In een volgende scène op hetzelfde tafereel bewegen figuren zich tegen de achtergrond van een oplaaiende vuurzee. Het is de bevolking die voor de brand van Leuven op de vlucht slaat: twee vrouwen met een kind hebben hun hele hebben en houden op een hondenkar geladen en verlaten de stad. Rechts figureren vurende soldaten nabij een brandend gebouw. Het tweede reliëf toont mensen met trekdier en kar, die hun oude leven weer opnemen. Deze scène verbeeldt de wederopbouw. Van het jonge, herenigde gezin draait de man zijn hoofd demonstratiefin de richting van het plattelandstafereel met dier en kar, weg van de vluchtende en schietende soldaten. De oorlog ligt achter hem, een nieuw leven wenkt. Onderaan symboliseren de voorstellingen dus de periode 1914 (inval) en 1918 (wederopbouw). Op de derde zijde van de onderste sokkel staan de namen van onder andere 127 burgerlijke slachtoffers van Leuven die in de periode 1914-18 vielen. Omdat het monument een stedelijk initiatief was, herdenkt het de burgerslachtoffers die binnen de toenmalige gemeentegrenzen de dood vonden. Het totale aantal slachtoffers lag echter hoger. Op de daarboven geplaatste kleinere sokkel zijn beknoptere taferelen van burgers én militairen uitgebeeld: gedeporteerden, vastgebonden burgers en terugkerende soldaten op het einde van de oorlog. Ook deze sokkel omspant symbolisch de periode 1914-18.
De toeschouwer kan hierin verschillende elementen herkennen: de brand, de vlucht van de bevolking, scènes uit het begin en het einde van de oorlog, militaire en burgerlijke taferelen. Heel
expliciet zijn de beelden niet, wat de interpretatie ervan niet vergemakkelijkt. Ook opvallend is de beeldentaal, die een sfeer van gelatenheid ademt. Burgers dragen hun lot met waardigheid, als helden die hun leven voor het vaderland offeren. Nergens is plaats voor een uiting van doodsangst of wanhoop. Op het eerste gezicht lijken de bas-reliëfs een gestileerde weergave van de werkelijkheid te zijn. Om goed te begrijpen hoe dit monument zich verhoudt tot de historische werkelijkheid, keren we terug naar de eerste maanden na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, de periode waarin de verwoesting van Leuven plaatsvond.
Van doortocht tot bezetting Op 4 augustus 1914 verkeerde het hele land in staat van grote opwinding: de oorlog was uitgebroken! Nadat koning Albert I de voorgaande dag het Duitse ultimatum voor een vrije doortocht door België had afgeslagen, staken de eerste Duitse troepen de Belgische grens ten noorden van Luik over. Wat het land tijdens die warme zomerweken niet had durven vermoeden, gebeurde toch. De snelle doortocht Een snelle doortocht door ons land was het sluitstuk van het Duitse aanvalsplan (4). Bedoeling was in korte tijd door te stoten tot Parijs en van daaruit de Franse grenstroepen in de rug aan te vallen. Zes weken waren daarvoor voorzien. Een ware overrompeling moest het worden. Het Reichs Heer zette daarom een stevige troepenmacht in op de noordelijke sector, die als een pletwals door België zou trekken. Om niet nodeloos veel troepen aan de opmars te onttrekken, bleef alleen een kleine bezettingsmacht over, die met ijzeren hand het bezette gebied bestuurde. Niets mocht de snelle opmars hinderen, laat staan tegenhouden. Het kleinste oponthoud zou als een daad van verzet
1VI L I 43
^H,
A y*^
yr
Bmï
JJumtaifïén
5
z
• Belgische uilval (26-26 aug)
\_-,
Antwerpen
fe^^^uX
Duitse doortocht door België augustus 1914 ^—Getehme (18-19 aug) Belgische tortengordels 0 Onroerend Erfgoed
Genl
Mechelen Kfiln
Ha3 - ^ T ^ ^ " Leuven ) Brussel • TjgH&n
Jeper
\
f
f^\
Ajfeastricht
< ^ \ v^
W
/
^Bonn
N*»^«.
f
/A*
^LutkSoumagneV,^ /
Andenne
~-^
^
l
Mons
/
/
ttnant
^ Frankrijk
T L/ Y
0
10 20
40K.kjn»tert
Duitse doortocht door België, augustus 1914. Gericht op het
^RosslgnoL^jon
V
/
\ ^
f
^Luxembourg
>
worden beschouwd en dus ook streng worden bestraft.
centrale en zuidelijke deel van België (H. Verboven, gebaseerd op VON KLUCKA.. 1920)
Tijdens de aftocht zorgden kleine groepjes militairen vanuit primitieve straatversperringen voor de nodige rugdekking van het Belgisch leger (Stadsarchief Leuven, collectie Uytterhoeven. map 87)
44 I M&L
Wat vaak vergeten wordt, is dat in de maanden augustus-september 1914 een oost-west front doorheen België liep. De Duitse doortocht was gericht op het zuidelijke en centrale deel van het land, van waaruit de snelste toegangswegen naar Parijs liepen. Omdat snelheid zo cruciaal was, kon de verovering van het noordelijke deel gerust even wachten. En dat het vooruit ging, bewijzen de data waarop de Duitse troepen steden en dorpen innamen. Op 7 augustus viel Luik, 13 augustus trokken ze massaal door Sint-Truiden, 18 augustus overschreed het Duitse leger de Getelinie, nam het Aarschot in en bereikte op 19 augustus Leuven. Eén dag later marcheerden de pinhelmen Brussel binnen. Drie dagen aan een stuk trok het oorlogsapparaat de hoofdstad binnen... en weer buiten, want de tocht ging verder richting Frankrijk. En al die tijd stond het Belgische leger alleen in voor de verdediging van zijn grondgebied. Pas bij Charleroi (21-23 augustus) en Mons (23-25 augustus) snelden voor het eerst internationale troepen, waaronder het Franse en het getrainde Britse overzeese beroepsleger, de British Expeditionary Forces, te hulp. Een maatje te klein Het Belgisch leger was duidelijk een maat te klein voor de Duitse overmacht: niet alleen in getalsterkte, maar het onderging ook een grondige hervorming die nog niet helemaal was doorgevoerd op het moment dat de oorlog uitbrak. Qua uitrusting, materieel en logistiek was het totaal niet voorbereid op de uitvoering van militaire operaties op zijn grondgebied. Tijdens de verdediging zette de Belgische legerleiding in op vier punten of linies: de Luikse fortengordel, de
Getelinie, Antwerpen en de fortengordel rond Namen (5). Het dichtst bij de Duitse grens lag de onneembaar gewaande fortengordel rond Luik. Terwijl Duitse troepen de stad al op 7 augustus binnen marcheerden, ging de belegering van de forten nog ruim een week verder. Dat belette Duitse troepen niet om ondertussen al verder te trekken via een bres in de fortenlinie. Tot een tweede confrontatie kwam het nabij de Getelinie tussen Tienen en Diest. Daar had het Belgische leger het veldleger opgesteld, waar het de natuurlijke beschermingsmogelijkheden in de Getevallei maximaal benutte. Op 18-19 augustus raakten de twee legers te velde met elkaar slaags, maar de Belgische divisies waren niet opgewassen tegen het veel grotere Duitse leger. Er werd dan ook snel tot de aftocht beslist. Tot dan was Leuven het hoofdkwartier van het Belgische leger, waar ook de koning als opperbevelhebber zijn intrek had genomen. Nabijheid was belangrijk voor de leiding over de militaire operaties. Toen bleek dat de Duitse opmars bij de Gete niet te stoppen viel, week het Belgisch leger volgens het voorziene plan naar Antwerpen uit. Antwerpen diende als nationaal reduit. Militaire krachten werden in deze belangrijke havenstad gebundeld om van daaruit tegenaanvallen te organiseren. Maar door de terugtrekking lag de rest van het land vrij voor een ongehinderde doortocht. Of toch bijna, want na de doorbraak van de Getelinie ondervonden de Duitse troepen op hun weg naar Leuven hinder van kleine verzetshaarden. Ook bij later militair verzet, onder andere nabij Namen, reageerden de Duitse troepen telkens bijzonder gefrustreerd. De machtsovername van 19 augustus 1914 Het scenario was dat burgemeesters van gemeenten waar Duitse troepen doortrokken, hun stad of dorp zonder strijd aan het militaire bevel overdroegen. Meteen volgden duidelijke instructies: van het bestuur en de bevolking werd absolute volgzaamheid geëist. Ze mochten geen strobreed in de weg leggen. Voor Leuven werd dit scenario bittere realiteit op 19 augustus 1914. Het Belgische opperbevel had de stad nog maar net, in de vroege ochtend, hals over
Mi^fei*..^
kop ontruimd (6). In de voormiddag vertrokken de laatste militairen naar Mechelen en kort daarvoor was het militair hospitaal aan het Rode Kruis overgedragen (7). Enkele uren later keken de Leuvenaars toe hoe Duitse troepen zonder slag of stoot hun stad inpalmden. Lange kolonnes trokken in parade door de stad. Op dat moment wachtten burgemeester Colins samen met de twee overgebleven schepenen - de anderen waren vertrokken in de stad om de machtsovername met de Duitse officieren te regelen. Colins bleef burgemeester, maar het was snel duidelijk wie er aan de touwtjes trok. De inkomende Duitse troepen gedroegen zich meteen als autoritaire bezetters. Van de bevolking eisten ze logement, levensmiddelen, paarden en oorlogsbelastingen. Door de instelling van de avondklok op zeven uur werd het openbare leven aan banden gelegd. Bij de intrede van de duisternis moesten op belangrijke doorgangswegen de ramen in de voorgevel verlicht blijven, zodat de voorbijkomende troepen niet ongezien onder vuur konden worden genomen. Bleek dat de bezetter last had van een onveiligheidsgevoel. De ene strenge verordening volgde de andere op. Colins ondertekende ze noodgedwongen, maar ze lieten duidelijk aanvoelen wie nu eigenlijk de baas was. Nadat de burgemeester en schepenen op 21 augustus als afschrikkingsmiddel werden gegijzeld, hielden ze het na hun vrijlating voor bekeken (8). Colins en de zijnen verlieten na enkele dagen in het geheim de stad.
Geweld op burgers Het lot van Leuven in de beginweken van de oorlog wordt meestal geassocieerd met de beruchte 'brand van Leuven', waarbij de kostbare boekencollectie van de universiteitsbibliotheek verloren ging. Veel minder bekend is het verhaal over hoe het de burgerbevolking in die week van 25 augustus tot 2 september 1914 verging. Ronduit schokkend zijn de ooggetuigenverklaringen die onuitgegeven of in boekvorm nog tijdens de Eerste Wereldoorlog verschenen (10). Maar in welke mate zijn ze betrouwbaar en representatief? Daarom werden de getuigenverklaringen geconfronteerd met archieven uit die periode (11). Aan de hand van de historische literatuur werden ze ingepast in de algehele oorlogscontext. De puzzelstukjes bleken verdraaid goed in elkaar te passen.
allies, New York, 1915. p. 90)
4 * . Wïn tl*
3 u'éjk
Tijdens de daaropvolgende cruciale dagen viel een leemte in het bestuur. Nog maar één schepen en de stadssecretaris bleven op post, maar ook zij kregen te maken met de terreur ten overstaan van de burgerbevolking. De laatst overgebleven schepen, Schmit, die in de chaos zijn vrouw en kinderen was kwijt geraakt, droeg op 30 augustus 1914 de macht over aan een noodcomité van 'vrijwilligers'. Leuvenaars zonder verkozen mandaat, vooral veel mensen van de universiteit, die elkaar vonden in de overtuiging dat de stad een burgerlijk bestuur nodig had, al was het maar als spreekbuis bij de bezettingsmacht, om erger te voorkomen. Kort voordien was een nieuwe militaire bevelhebber aangetreden. Sinds 23 augustus werd in Leuven een Etappe-Kommandantur geïnstalleerd voor het militair bestuur van Leuven en omgeving (9). Die maakte deel uit van een uitgebreid hiërarchisch militair apparaat, de Militarverwaltung, onder leiding van een gouverneur-generaal, die op 23 augustus in het hele bezette deel van België werd georganiseerd. In Leuven nam EtappeKommandant von Manteuffel zijn intrek in het stadhuis. Kort na zijn aantreden zou een golf van geweld over de stad en zijn bewoners spoelen.
Verwoestingen op het stationsplein van Leuven, augustus 1914 (uit HARDING DAVIS R., With the
ÉË
•;
si?.L,.Jii
Ü
""^iJtffStr HIBSai
Gesmoord in bloed en vuur Sinds de intocht van de eerste Duitse troepen had Leuven moeten wennen aan een nieuw leven onder een vreemde bezetting. Dat was te merken aan de talrijke nieuwe richtlijnen op affiches aan de straatmuren die de bevolking een hele hoop geboden en verboden oplegden. Het gewone leven raakte danig ontwricht: veel Leuvenaars waren voor de komst van de Duitsers al weggetrokken, waardoor de bevolking was uitgedund. Overal verschenen militairen in het straatbeeld en bij mensen thuis. Controleposten beknotten hun bewegingsvrijheid. Er was geen pers meer, waardoor de bevolking afgesneden raakte van informatie. En terwijl de universiteit stil lag, installeerden de vele kloosters van de stad een netwerk ziekenzalen voor de gewondenopvang in hun gebouwen. Bovenal was het station een belangrijke draaischijf voor de aanvoer van troepen en materiaal naar en van het front. Leuven lag immers op een belangrijke spoorweglijn van en naar Duitsland. Zo speelde het leven zich voortaan afin de eerste dagen van een bezette stad. Vaak wordt verondersteld dat de uitbarsting van geweld onmiddellijk volgde op de inname van Leuven, maar dat was niet zo. Tussen
1VI&L I 45
De Universiteitsbibliotheek in Leuven als oorlogsmonument Maarten Van Dijck
De verwoeste oude universiteitsbibliotheek op de Oude Markt (foto archief Onroerend Erfgoed, Vlaams-Brabant)
In augustus en september 1914 vielen ongeveer 5500 burgerslachtoffers bij wat een snelle Duitse doortocht had moeten worden (1). Steden en dorpen als Visé, Melen, Andenne, Dinant, Aarschot, Tamines en Leuven werden uitermate zwaar getroffen. In Leuven herinneren vele herdenkingsplaten en enkele artistieke monumenten aan de oorlogstragedie. In 1925 werd ter nagedachtenis van de slachtoffers op het Martelarenplein aan het station, waar tientallen burgers werden gefusilleerd, een herdenkingsmonument opgericht. Op de stedelijke begraafplaats staat een monument van Louis Jotthier voor zowel de militaire als de burgerlijke slachtoffers. De laatste verdediger van Leuven, de soldaat Leon Schreurs, die op 19 augustus 1914 sneuvelde bij de Tiensepoort, kreeg een gedenkteken tegenover de centrale gevangenis van Leuven. De namen van straten en pleinen zoals het maarschalk Ferdinand Fochplein (inmiddels omgedoopt tot het Rector De Somerplein), de Leon Schreursvest, het Herbert Hooverplein en de Bondgenotenlaan herinneren aan de Groote Oorlog. In de verwoeste stadsdelen is de wederopbouwarchitectuur herkenbaar aan de jaar- en gedenksteen op de gevels van de huizen. Een merkwaardige herinnering aan de verwoesting is terug te vinden in de zogenaamde Thiéryvleugel van de SintGeertruiabdij. Kanunnik Armand Thiéry (18681955) verwerkte fragmenten van verwoeste gebouwen uit de stad in de gevels van de westelijke huizenrij in de tuin van de abdij. Het beroemdste monument dat aan de brand van Leuven herinnert, is evenwel de Centrale Bibliotheek
46 I M
L
van de KU Leuven. Deze universiteitsbibliotheek aan het Monseigneur Ladeuzeplein, het vroegere Volksplein, is een nieuw gebouw dat na de Eerste Wereldoorlog werd opgetrokken. De oude bibliotheek die eind augustus 1914 in vlammen opging, was gevestigd in de Regavleugel van de universiteitshal tussen de Naamsestraat en de Oude Markt. Dit was de vroegere lakenhal, die in de loop der tijden aangepast werd om er onder andere de bibliotheek onder te brengen. Ongeveer 300.000 boeken, 800 incunabelen en 950 manuscripten gingen in de brand verloren. De Amerikaanse gezant in Brussel, Brand Whitlock, noteerde in zijn memoires dat monseigneur Jules De Becker, de rector van het Amerikaanse college in Leuven, er in slaagde om relatief onbewogen het menselijk leed te beschrijven. Bij het verhaal van de brand van de bibliotheek echter begon de man onbedaarlijk te snikken. De uitgebrande bibliotheek wekte algemene verontwaardiging op, wat dankbaar in de oorlogspropaganda werd gebruikt. Het Duitse leger kon worden voorgesteld als een brutale agressor zonder respect voor het cultureel erfgoed en zodoende speelde de bibliotheek een rol in de mobilisatie van mensen en middelen voor de oorlogsinspanning. De nieuwe bibliotheek werd vanaf de aanvang geconcipieerd als een aandenken aan de vaderlandse geschiedenis en het oorlogsverleden. De collectie van de bibliotheek werd opnieuw samengesteld op basis van donaties en Duitse leveringen van boeken en manuscripten, een element dat uitdrukkelijk werd vermeld in het artikel 247 van het Verdrag van Versailles van 1919. Voor het ontwerp van het nieuwe bibliotheekgebouw werd beroep gedaan op de Amerikaanse architect Whitney Warren (1864-1943), die in Parijs aan de École des Beaux-arts had gestudeerd en een reputatie had verworven met onder meer het ontwerp van het Grand Central Station in New York. De eerste steen van de Leuvense bibliotheek werd in 1921 gelegd door koning Albert I. Het gebouwd werd ingehuldigd op 4 juli 1928, niet toevallig de Amerikaanse Independence Day. Whitney Warren ontwierp een gebouw dat inzake stilistische vormgeving en bouwprogramma aansluiting zocht bij de historische Brabantse en Vlaamse renaissance architectuur. Het complex refereerde aan de contouren van de typische historische stadshallen, met de toren op de noordelijke binnenplaats als verwijzing naar de Belgische en Noord-Franse belfortbouw.
De bibliotheek bestaat uit twee noordzuid georiënteerde langsvleugels verbonden door drie kleinere dwarsvleugels rondom twee binnenplaatsen. De aaneengeschakelde steile leien zadeldaken zijn voorzien van twee of drie rijen klimmende dakkapellen met ijzeren fleurons. Zoals gebruikelijk op Amerikaanse universiteitscampussen werd in de toren een beiaard geïnstalleerd. Het ontwerp van Frederick C. Mayer telde 48 klokken, maar dat aantal werd bij de restauratie in 1983 tot 63 opgevoerd. Een 25-tal verkoolde boeken verpakt in verzegelde glazen kistjes worden als aandenken aan de brand in de bibliotheek bewaard. Het opzet voor de interne werking van de nieuwe bibliotheek en de indeling van het gebouw incorporeerde de toenmalige ontwikkelingen in de Amerikaanse bibliotheekwetenschappen, waarbij de voorbouw met de publieke gaanderij en de leeszaal werd afgescheiden van de achterbouw met het boekenmagazijn. De voor- en achterbouw werden met elkaar verbonden door de centrale dwarsvleugel met de cataloguszaal, de vleugel aan de Blijde Inkomststraat met de administratie (onder meer de Spoelberchkamer), enkele seminaries en het tabularium met de kostbare werken en uiteindelijk de dwarsvleugel aan de Arendstraat met seminarielokalen en instituten met handbibliotheek. Aanvankelijk was het de bedoeling om in de balustrade van de voorgevel het opschrift Furore Teutonico diruta dono Americano restituta te verwerken. Het opschrift (vertaling: door Duits geweld geveld, met Amerikaans geld hersteld), bedacht door professor Armand Thiéry en uitgevoerd door beeldhouwer Pierre De Soete, werd uiteindelijk op vraag van rector monseigneur Ladeuze niet in het gebouw verwerkt, uit vrees de hernieuwde relaties met de Duitse wetenschappelijke wereld te beschadigen. Deze beslissing lokte een hevige polemiek uit. Een deel van het opschrift werd bij het zwaar getroffen Dinant als herdenkingsmonument gebruikt, waar het in 1940 door het Duitse leger werd opgeblazen. Een stuk van de letterbalustrade met de sierletters ITUTA, bleef in Leuven en staat nu opgesteld in het Torenhof van de Centrale bibliotheek. Bij de nieuwe inval van de Duitse troepen in mei 1940 ging de universiteitsbibliotheek opnieuw in vlammen op. De heropgebouwde collectie van 900.000 boeken ging daarbij verloren. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd beslist om de bibliotheek te herstellen onder leiding van Henri Lacoste (1885-1968). De voornaamste wijzigingen aan het ontwerp van Whitney Warren waren het bouwen van een museumruimte en
depot boven de leeszaal en een uitbreiding van het boekenmagazijn tot negen niveaus. Er werd nu gebruik gemaakt van vuurvaste betonnen vloeren, brandsassen en stalen deuren om het brandrisico te beperken. Lacoste koos ervoor om het interieur van de leeszaal veel warmer dan voorheen aan te kleden met overvloedig gebruik van blonde eik. Hij voegde aan de leeszaal eveneens een tweede boekengalerij toe. De in 1987 als monument beschermde bibliotheek vormt een iconografisch statement. Het Belgisch patriottisme blijkt uit de borstbeelden van koning Albert I, koningin Elisabeth en prins Leopold. De muurankers werden in verschillende varianten van de vorstelijk monogrammen A/E vervaardigd. De geallieerde overwinning wordt weergegeven door de beruchte gehelmde Madonna, Onze-LieveVrouw van de Zegepraal, die met een zwaard de kop van de Pruisische arend doorboort terwijl ze op haar linkerarm het kind Jezus draagt. Ze wordt geflankeerd door Sint-Joris met de draak en SintMichiel met de duivel. Boven de gehelmde Madonna beeldt een basreliëf de brand van de oude universiteitsbibliotheek in de Lakenhal uit. In de zijtrapgevels verwijzen de Amerikaanse adelaar, de Italiaanse wolvin, de Belgische leeuw, de Schotse eenhoorn en de Franse haan naar de geallieerde bondgenoten. De Belgisch-Amerikaanse vriendschap blijkt uit de inscripties van de Amerikaanse technische scholen en ingenieursscholen die de heropbouw financieel steunden.
Universiteitsbibliotheek in Leuven, opgetrokken als oorlogsmonument in 1928. Toestand rond 1930 (oude postkaart)
(1) Deze tekst is gebaseerd op MONDELAERS L, Centrak Bibliotheek Katholieke Universiteit Leuven, in Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed, https://inventaris.011roerenderfgoed.be/dibe/ relict/74154; COPPENS C , DEREZ M. en R0EG1ERS ]. (eds.), Universiteitsbibliotheek Leuven 1425-2000: Sapientia aedificavit sibi domum. Leuven, 2005; DE SCHAEPDRIJVER S., De Groote Oorlog. Hel koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen-Amsterdam, 2013; VAN IMPE J., De Leuvense universiteitsbibliotheek: historische wandelgids, Leuven, 2012.
M&LI 47
Van Steenberghe, werd op die manier in zijn villa doodgeschoten toen hij zijn slapende kinderen na het uitbreken van de beschietingen in veiligheid wou brengen. Terwijl zijn gezin en de vier huispersoneelsleden uit de woning werden verjaagd, verborgen de schutters zijn lijk in de badkuip. Het werd later verkoold teruggevonden (14).
Sporen van een straatbeschieting op de voorgevel van een huis in de Blijde Inkomststraat, Leuven, waar een pas bevallen vrouw tijdens de straatbeschietmgen door een kogel in het hoofd wordt getroffen (Stadsarchief Leuven, collectie Sprengers)
de Duitse machtsovername en de verwoesting van de stad zat bijna een week, In die week gebeurde van alles, maar niets dat wees op het blinde geweld dat zich weldra over de stad zou uitstorten. Het kwam allemaal heel abrupt. Na zes dagen bezetting weerklonken op 25 augustus 1914 's avonds plots op verschillende plaatsen in de stad geweerschoten. De hele dag al waren troepen nerveus in de weer geweest, omdat tussen Leuven en Mechelen Duitse voorposten slaags waren geraakt met Belgische eenheden uit de vesting Antwerpen (12). Vanuit Leuven vertrokken versterkingen naar de conflicthaarden en werden verse bataljons via het station aangevoerd. Over het hoe en waarom het geweld zich plots op de stad zelf richtte, lopen de meningen uiteen. Feit is dat geheel onverwacht de achtergebleven Leuvenaars in hun woningen na ingang van de avondklok diezelfde avond geluiden van aanstormende paarden door de straten hoorden, gevolgd door beschietingen. Duitse troepen trokken wild om zich heen schietend door de straten. Het geluid van knallende geweren en mitrailleurs verspreidde zich snel door de stad, want manschappen die overal waren ingekwartierd snelden naar buiten en werden prompt vaak zelf onder vuur genomen. Er werd geschoten vanop straat, maar ook vanuit portieken of leegstaande huizen, waarin soldaten hun toevlucht hadden genomen. Vooral de grote doorgangswegen door de stad leden onder felle beschietingen. Bewoners vluchtten naar hun kelders. De eerste slachtoffers vielen in huizen waar de bewoners zich niet snel genoeg uit de voeten maakten. Ze werden getroffen door een verdwaalde kogel of wanneer ze bij een raam op de uitkijk stonden om te zien wat er aan de gang was (13). Soldaten drongen overal binnen en schoten op alles wat bewoog. Vele mensen stierven tijdens razzia's in hun huizen. Een welgesteld man. Pierre
48 I M&L
Brand Intussen laaiden in het stadscentrum de eerste brandhaarden op als gevolg van systematische brandstichtingen in een zone rond het stadhuis en het station. Militairen in speciale pakken duwden karren met een vat ontvlambare vloeistof voor zich uit, spoten het goedje op de gevels en in kelders en ontstaken het vuur met toortsen. Brandpastilles, waarvan later enkele exemplaren werden teruggevonden, dienden als brandversneller. In een mum van tijd stonden hele straatgedeeltes in lichterlaaie. Eén van de getroffen gebouwen was de middeleeuwse lakenhal waarin de beroemde manuscripten- en boekencollectie van de universiteitsbibliotheek was ondergebracht. Bij de brand van het eigendom van graaf van der Stegen de Schrieck, een nazaat van Rubens, zou ook een deel van de diplomatieke correspondentie van Rubens in rook zijn opgegaan (15). Opvallend is dat de brandstichtingen vooral in de rijkere buurten voorkwamen. De huizen van deze welgestelde burgers werden eerst geplunderd en daarna in brand gestoken. Drank, baar geld, waardevol meubilair, maar ook kunstwerken waren gegeerd. Na de brand van de Sint-Pieterskerk bleek Het laatste avondmaal van Dirk Bouts verdwenen (16). Vier panelen werden na de oorlog in Duitse musea teruggevonden. Het Verdrag van Versailles van 1919 verplichtte tot een snelle teruggave aan Leuven, zodat de verspreid geraakte panelen opnieuw konden worden verenigd.
Ook door de brand kwamen mensen om. Verschillende getuigenissen hebben het over Leuvenaars die in hun kelder waren gevlucht en er nadien niet meer uit geraakten. Door instortend puin was de uitgang versperd. Of ze stikten door de rook. Wie toch de straat op geraakte, liep het risico te worden neergekogeld. Dat lot overkwam onder meer Vincent Lenertz, docent architectuur aan de universiteit van Leuven (17). Met zijn gezin had hij zijn toevlucht in de kelder van zijn woning gezocht. Als Luxemburger sprak hij vloeiend Duits en stapte naar buiten in de overtuiging op welwillendheid van de militairen te mogen rekenen, toen die bezig waren de huizen van zijn buren aan de Tiensevest in brand te steken. Hij smeekte zijn gezin te sparen, maar werd zelf doodgeschoten. Als om te tonen wat protesterende mensen overkwam, mocht Lenertz' lijk niet van de openbare weg worden
: g :
Kaart van de brand van Leuven gegeorefereerd op een hedendaagse topografische kaart { H . Verboven. kaart Stadsarchief Leuven. © topokaart NG1)
gehaald. Het bleef dagenlang voor zijn huis liggen. Een hele week woedde de brand, van 25 augustus tot 2 september. Elke dag ging een ander stadsgedeelte in de vlammen op. Executies Tussen de branden door sleepten troepen mensen uit hun huizen. Wie langs achtertuinen en straten probeerde te ontsnappen, maar op militairen stootte, werd naar centrale verzamelpunten in de stad gedreven: het station, de kazerne in de Tiensestraat, de militaire rijschool of de patronage De Becker in Kessel-Lo. Daar zaten ze dagenlang op elkaar gepakt en opgesloten. Hun aantal wordt op enkele duizenden geraamd (18). Onderweg waren ze getuigen van executies: mensen die met opgestoken handen tegen een muur waren opgelijnd, klaar om elk moment te worden gefusilleerd. Op het stationsplein lagen de lichamen van minstens 30 burgers die al waren geëxecuteerd. Verschillende dagen na elkaar werden telkens kleine groepjes mensen, in verschillende gevallen vaders en (schoon) zonen, uit de bijeengedreven massa gepikt en op het stationsplein afgemaakt, bij wijze van afschrikking. Groepsexecuties kwamen het meest bij het station voor, maar ook op andere locaties werden her en der burgers willekeurig neergeschoten. Merkwaardig waren de schijnexecuties, duidelijk bedoeld om de angst bij de bevolking er goed in te houden. Zo werd ene Victor Wullus op beschuldiging van gewapend verzet opgepakt (19). Hij onderging lijdzaam de hele vertoning die bij
een executie hoort. Militairen leidden hem naar het stationsplein. Maar in plaats van een echte fusillade, klonk alleen het geluid van geweerschoten en werd de man naar een kamp afgevoerd. Daar stierf hij twee jaar later alsnog aan ontberingen.
In de laatste week van augustus 1914 lagen lijken in de Leuvense straten (uit GIBSON H..1917)
Levend schild Dagen aan een stuk zeulden Duitse militairen met groepen gevangenen door de stad. Sommigen werden na enkele uren vrijgelaten, maar anderen bleven dagenlang opgepakt. Alsof de militairen wilden bewijzen dat straatmilities Leuven hadden overgenomen, werden ze tijdens hun gedwongen tochten door de stad beschoten. Als levend schild werden ze voor de Duitse troepen uitgedreven tot ver buiten de stad. In die dagen deed het Belgisch
IVI&L I 49
leger een uitval uit de vesting Antwerpen, waarbij het op Duitse posities rond Mechelen botste. Dat tijdelijke front ter hoogte van Boortmeerbeek, Schiplaken, Verbrande Brug zou de bestemming worden. Minstens drie verschillende transporten uit Leuven werden als levend schild ingezet. Felix Boon, wijnhandelaar uit Leuven, ondervond het aan den lijve en schreef het in een dagboek neer {20). In zijn kolonne vertrok een groep van 74 burgergevangenen, ingedeeld in kleine groepjes en van elkaar gescheiden door Duitse manschappen, onderweg beschimpt, geschopt en geslagen. Tot twee keer toe werd de voettocht onderbroken en dreigde een deel van de gevangenen te worden geëxecuteerd, handen op de rug gebonden, geknield in een veld langs de weg, maar dan ging de tocht onverwacht toch weer verder. Zodra zij het front naderden, stuurden de Duitse begeleiders de niets vermoedende gevangenen voor hen uit. Een andere groep mannen maakte een hele odyssee: eerst werden ze per trein afgevoerd richting Duitsland, tot de trein rechtskomkeer maakte en terug naar Leuven leek te rijden. Maar daar reed hij voorbij. Brussel was blijkbaar de eindbestemming. Van daaruit ging de tocht te voet naar Vilvoorde. Voorbij Zemst kregen ze de opdracht verder naar Mechelen op te marcheren, niet wetende dat ze daarmee recht op het schootsveld van de Belgische mitrailleurs rond Mechelen afstevenden. Boon en de zijnen staken ongeschonden het front over, maar deze groep werd effectief onder vuur genomen.
Leuvense gedeporteerde vrouwen en kinderen in het Duitse gevangenenkamp Munster, augustus 1914- februari 1915 (foto databank Europeana)
Op transport gezet Van de massa's mensen die bij het station bijeen waren gedreven, werden vanaf 26 augustus mannen en vrouwen met kinderen op transport naar Duitse gevangenenkampen gezet. In Leuven kwamen regelmatig treinen aan met verse troepen, paarden en materieel, die meestal leeg naar Duitsland terugkeerden. Tijdens de week van geweld in Leuven maakte de Kommandantur gebruik van deze transporten om opgepakte burgers in veewagons naar Duitse gevangenenkampen af te voeren. Dat gebeurde in verschillende
etappes en met wisselende bestemmingen: Keulen, Munster, Celle en Soltau (21). De tocht duurde telkens een viertal dagen, omdat de trein vaak oponthoud had. Door de barre omstandigheden -teveel mensen op elkaar, nauwelijks bevoorraad en onderweg beschimpt of geslagen- overleefden sommigen het transport niet. Zo werd de hoogbejaarde Pierre Bal op 27 augustus van de trein gehaald en naar een Duits hospitaal overgebracht, waar hij in september overleed (22). Ook kinderen behoorden tot de treinlading. Bernard en Louise Mahy, zeven en negen jaar oud, kwamen in een Duits kamp terecht nadat hun vader tijdens een razzia thuis was geëxecuteerd (23). Uitgerekend in de eerste oorlogsmaanden hadden deze kampen nauwelijks voorzieningen. Soltaukamp was aanvankelijk een verzamelplaats op de heide, waar gevangenen met wat stro en een deken beschutting zochten tegen de kou in een put in de grond (24). Pas tegen november 1914 waren de eerste houten barakken klaar. Voor de meesten duurde hun gevangenschap een vijftal maanden, een zeldzame keer onderbroken door een humanitair bezoek van de lokale schepenen en burgemeester die de leefomstandigheden in het kamp kwamen controleren. Voor de schone schijn werd in het gevangenenkamp van Munster zelfs een gerechtsonderzoek ingesteld, maar een reden voor de opsluiting van deze grote groepen burgers werd nooit opgegeven. Eind januari-begin februari 1915 kregen ze gratie naar aanleiding van de verjaardag van de Duitse keizer. Maandenlang had niemand iets van hen vernomen. Schoonveegoperatie De eerste drie dagen van geweld, 25 tot 27 augustus, maakten in het stadscentrum de meeste slachtoffers. Hoewel weinigen zich nog op straat waagden, een groot deel van de bevolking gevangen zat of gedeporteerd naar Duitse gevangenenkampen, werd de stad finaal schoongeveegd op 27 augustus. De Duitse bevelhebbers kondigden een artilleriebombardement op het centrum aan, dat ook de rest
Het barakkenkamp in het Duitse Soltau, waarheen vele Leuvense gevangenen werden gedeporteerd (uitOTTE K..p. 35)
50 I M
L
Vluchtelingen tijdens de exodus uit Leuven, 27 augustus 1914 (uit GIBSON H., 1917)
van de stad in de as zou leggen. Wie zich nog in de stad bevond, kreeg 'genereus' enkele uren de tijd om Leuven te verlaten. Leuven liep bijna helemaal leeg, met uitzondering van hospitalen waar dokters en verplegend personeel op post bleven. Zij brachten de gewonden in kelders in veiligheid. Het dreigende bombardement bracht een ware exodus op gang, van mensen die op zoek waren naar een veilig onderkomen in Tienen, Elanden of Brussel. Ongelukkig was de keuze van een duizendtal vluchtelingen die door Wilsele richting Rotselaar trok. Ze beseften niet dat ze recht op plaatsen afstevenden, waar op dat ogenblik schermutselingen tussen Duitse en Belgische troepen aan de gang waren. Hoewel hen een veilige uittocht in het vooruitzicht was gesteld, werd de stroom vluchtelingen naar het noorden opgepakt en opnieuw naar Leuven geleid (25). Aan het station bracht een trein de groep naar het gevangenenkamp in Soltau, het laatste transport. Dat het bombardement nooit werd uitgevoerd, hebben die mensen niet geweten. Binnen de kortste keren zaten alle uitvalswegen rond Leuven vol. De stad stroomde leeg. Onderweg hielden controleposten de toestand in de gaten. Af en toe pikten ze mensen uit de vluchtelingenstroom en zetten hen aan de kant. Zo onderwierp de wachtpost van Tervuren alle voorbijtrekkende religieuzen, die gemakkelijk aan hun kledij te herkennen waren, aan een grondige controle (26). Bij één van de paters werd een notitieboekje gevonden met een, naar verluidt, opruiende antiDuitse tekst. Hij werd onmiddellijk in het nabijgelegen veld geëxecuteerd. De anderen waaronder de rector van de universiteit, monseigneur Ladeuze, werden op karren naar een kazerne in Tervuren afgevoerd, waar ze een dag later na een tussenkomst bij de gouverneur-generaal in Brussel werden vrijgelaten.
Een gelijkaardig scenario speelde zich daar af: willekeurige arrestaties, opsluiting van grote aantallen burgers op verzamelplekken, straatexecuties, brandstichtingen. Op 2 september werden de laatste huizen in brand gestoken. Met het vertrek van de bevolking viel ook het geweld op burgers stil. Slachtoffers Het totaal aantal slachtoffers van al dat geweld is lang onbekend gebleven. Niemand had een overzicht over de gebeurtenissen. Een deel van de bevolking was sinds de intocht van het Duitse leger de stad ontvlucht. Velen keerden niet terug, omdat ze intussen een nieuw onderkomen in GrootBrittannië, Frankrijk of Nederland hadden gevonden. Anderen deden dat wel, maar wisten niets over het lot van hun verdwenen buren, familie of vrienden. Zij konden gevlucht zijn, gevangen zitten in Duitsland of omgekomen. Natuurlijk deden wel geruchten de ronde van mensen die getuige waren geweest van deze of gene executie, maar dan ging het telkens om individuele gevallen. Meer duidelijkheid volgde.
De ontgraving van in de stad begraven slachtoffers van de terreur op de bevolking in Leuven (Stadsarchief Leuven, collectie Sprengers, map 49)
Nadat het centrum geklaard was, verschoven de operaties vanaf 28-29 augustus naar Kessel-Lo.
M & L I 51
En de wereld keek toe
Noodwoning in de Brusselsestraat in Leuven als vervanging van een uitgebrande winkel (foto databank Europeana)
toen het ziekenhuispersoneel de lijken begon te bergen (27). Slachtoffers van executies lagen op straat of waren eerder in een massagraf nabij het stationsplein gedumpt. Het graf was nauwelijks afgedekt en de in ontbinding verkerende lijken verspreidden een doordringende geur. De kris kras door de stad verspreide graven werden in de winter van 1914-15 ontgraven. De stoffelijke resten werden geïdentificeerd en naar de stedelijke begraafplaats overgebracht. Van nog anderen is helemaal niets meer vernomen. Zij werden in de naoorlogse jaren door de rechtbank dood verklaard (28). Tot enkele jaren na de oorlog zou het duren vooraleer de slachtoffers van 1914 voldoende bekend waren. Op basis van archieven, overlijdensregisters en publicaties werd hun aantal op 272 vastgesteld, maar vermoedelijk waren het er meer {29). Ooggetuigen vermelden bijvoorbeeld meermaals dat op transporten of in vluchtelingenstromen heel jonge kinderen door gebrek aan voeding, drinken en algemene uitputting omkwamen. In de dodenstatistiek ontbreekt nochtans deze leeftijdsgroep. De materiële schade was enorm. Het stadsgedeelte tussen het stadhuis en het treinstation, de Diestsepoort en de Tiensepoort was bijna helemaal vernietigd. Veertien procent van het volledige woonbestand in Leuven en Kessel-Lo was in de as gelegd, ongeveer 1530 huizen (30). Ook verschillende openbare gebouwen, zoals het theater, de concertzaal Tafelrond, de SintPieterskerk, de Academie voor Schone Kunsten, het justitiepaleis en de hallen leden onder de brand. Sommige gebouwen waren opvallend van de brand gespaard gebleven: het station, de post en het gotische stadhuis. Niet toevallig had de bezettingsmacht deze gebouwen zelf nodig. Jarenlang zou de heropbouw nog op zich laten wachten. Wie terugkeerde, zocht tijdelijk elders een onderkomen. Een echte oplossing voor de tijdelijke huisvesting van daklozen was er eigenlijk niet. Wel verschenen in het straatbeeld zo'n 260 barakken als noodwoning of tijdelijk winkelpand bovenop de puinen (31). 52
M&L
Hoe het nieuws verspreid raakte De eerste berichten over de gewelddaden in Leuven bereikten de buitenwereld via vluchtelingen, die op 27 augustus in groten getale in Brussel waren toegestroomd. Gezanten van het neutrale Amerika en Spanje, die in Brussel op post waren gebleven, raakten gealarmeerd door berichten over de slechte behandeling van hun eigen onderdanen (32). Zij tekenden protest aan bij de Duitse gouverneurgeneraal. Op 28 augustus trokken Gibson, de secretaris van het Amerikaanse gezantschap in Brussel, samen met de Zweedse en Mexicaanse zaakgelastigde naar Leuven om de situatie ter plekke te verifiëren (33). Zij zagen met eigen ogen de lijken op straat liggen en Duitse manschappen huizen in brand steken, plunderen en mensen deporteren. Op 28-29 augustus verschenen de eerste krantenberichten in binnen- en buitenland (34). De eerste journalist die Leuven bereikte was de jonge onervaren Nederlandse oorlogscorrespondent Mokveld, die vanuit Maastricht het front overstak en tot bezet gebied doordrong (35). In het spoor van de vernielingen volgde hij al fietsend de marsroute van het Duitse leger. Hij arriveerde vermoedelijk 27 of 28 augustus in Leuven, waar hij een bijna volledig verlaten stad aantrof. Hier en daar laaiden nog brandjes op, maar bovenal beschreef de correspondent de verschrikkingen en de doordringende lijkengeur. Andere journalisten slaagden er niet in tot Leuven door te dringen. Door hun betrokkenheid bij de oorlog was het voor Franse en Britse journalisten per definitie onmogelijk om in bezet gebied te geraken. Het Duitse leger liet overigens geen geaccrediteerde journalisten toe. Nog anderen, zoals de Amerikaanse journalisten, opereerden vanuit hun ambassade in Brussel (36). Van daaruit konden ze verschillende plaatsen in oorlogsgebied bereiken, maar de stemming sloeg helemaal om toen de Duitse troepen de hoofdstad innamen. Vele journalisten hielden het toen voor bekeken, zodat weinigen nog in de buurt waren toen de verschrikkingen over Leuven bekend raakten. De nestor van de Amerikaanse oorlogscorrespondenten, Richard Harding Davis, passeerde op 27 augustus in een Duitse trein, maar hij mocht de stad niet in (37). Zijn collega's van de New York World, Alexander Powell en oorlogsfotograaf Donald Thompson, trokken pas begin september kortstondig door Leuven (38). De Amerikaanse activist en correspondent Mary Boyle O'Reilly zou op 28 augustus Leuven undercover hebben bezocht (39), maar de waarachtigheid van haar verhaal is lang niet zeker.
n LOUVAIN I L FAUT LIRE
Pubfccitertsafhche voor het boek var Albert Fugloter De Woedende handen a(n al een mdtatie i« auteur (Sucfeart hief Leuven. Collectie Eugene Sprengers)
Merkwaardig is het werk van Albert Fuglister, een Zwitsers zakenman die in Leuven woonde toen de gewelddaden uitbarstten (40). Als een burgerjournalist avant la lettre ging hij op zoek naar getuigenissen bij zijn medestadsbewoners en gaf hij een platform aan hun verhalen. Hij wilde de buitenwereld sensibiliseren rond dit onrecht. In Zwitserland en Frankrijk gaf hij honderden lezingen met 'lichtbeelden' van de verwoestingen in Leuven, die hij in maart 1915 met moeite uit bezet gebied had gesmokkeld toen hij als burger van het neutrale Zwitserland naar zijn thuisland terugkeerde en er bovendien een spreekverbod kreeg opgelegd (41). Ook de Leuvense hoogleraar Fernand Mayence worstelde met de censuur. Hij nam de Duitse versie over Leuven onder de loupe en weerlegde die met feiten, zijn eigen ervaringen en die van andere ooggetuigen. Met de grootste moeite vond hij een clandestien uitgeverijtje dat zijn manuscript in 1916 drukte en verdeelde, tot de Duitse geheime politie de uitgeverij oprolde en de hele stock in beslag nam (42). Mayence was de eerste die een lijst met de namen van de Leuvense burgerslachtoffers naar buiten bracht. Verschillende versies Binnen de kortste tijd circuleerden verschillende versies over de verwoesting van Leuven. De officiële Duitse versie luidde dat de aanpak in Leuven een noodzakelijke vergeldingsmaatregel was voor de
lafhartige beschieting van Duitse troepen door gewapende burgers Ifrancs-tireurs) die in de stad waren geïnfiltreerd (43). De gewelddaden werden in verband gebracht met de uitval van het Belgisch leger vanuit de vesting Antwerpen in de richting van Leuven-Vilvoorde op 25-26 augustus. Gesterkt door de overtuiging dat een Belgische overwinning nabij was, schoten burgers naar verluidt vanuit hun woningen op Duitse troepen in de straat. Het waren dus de Leuvenaars zelf die naar de wapens hadden gegrepen en de spiraal van geweld in gang hadden gezet. Dat Leuven een zware straf over zich heen riep, had ze aan zichzelf te wijten, aldus de Duitse versie. De Duitse beeldvorming over een vijandige burgerbevolking die in opstand kwam, daartoe aangezet door de Belgische militaire autoriteiten die in het geheim munitie en wapens leverde, leefde hardnekkig door bij brede lagen van de Duitse bevolking (44). Dat was al zo vóór het uitbreken van de oorlog, een beeld dat terugging op de Frans-Duitse oorlog van 1870. Niet toevallig duidden Duitse kranten het fenomeen van een complotterende burgerbevolking systematisch aan met het Franse label^oncs-tireurs en niet met het Duitse equivalent Freischiitz. Met die perceptie trokken troepen ten strijde, wat een enorm wantrouwen ten aanzien van de burgerbevolking creëerde. Kenmerkend in deze context was de geagiteerde reactie van de Duitse bevolking op gevangen genomen Belgische burgers die naar kampen werden afgevoerd. Deze mensen zouden voorbijmarcherende Duitse soldaten met kokende olie hebben overgoten, de ogen van gewonden uitgekrabd en vingers als trofeeën afgekapt (45). Het is illustratief voor het irrationele vijandbeeld in Duitse middens. Hetfrancs-tireurs verhaal groeide uit tot de enige Duitse verklaring voor de harde aanpak van de burgerbevolking tijdens de eerste
La guerre
ï-rancs-tireurs
Affiche voor het boek van Albert Fuglister met getuigenverklaringen over de verwoesting van Leuven
Leuvense'francs-tireurs'in de Duitse beeldvorming (Stadsarchief Leuven, collectie Sprengers, map 49)
de 1914 15. — Der Krieg von 1914 15.
de Louvain.
— Franktireurs
aus Lowen.
1VI&LI 53
oorlogsmaand. Opvallend is het hoe de Duitse regimenten die eind augustus in Leuven waren, de gebeurtenissen nauwelijks of in bedekte termen beschrijven (46). Als in een mantra weerklonk telkens weer de versie over de Leuvense^ancstireurs. België trok resoluut de kaart van de mensenrechten. De Duitse troepen hadden zich bezondigd aan schendingen van het internationale oorlogsrecht door zich op een totaal weerloze burgerbevolking te wreken als represaille voor de tegenstand van het Belgisch leger tijdens de Duitse doortocht. Niet de bevolking was de gewelddaden begonnen. En als er al geschoten werd, dan gebeurde dat door Duitse troepen die in een bewust gecreëerde chaos op elkaar waren beginnen vuren. Tot deze conclusie kwam de Belgische onderzoekscommissie die al tijdens de eerste oorlogsdagen in opdracht van de minister van Justitie was aangesteld om eventuele schendingen van de regels van het volkenrecht te documenteren. Met dat doel voor ogen verzamelde de onderzoekscommissie alle mogelijke getuigenverklaringen, van vluchtelingen die de gewelddaden zelf hadden ondergaan of er getuige van waren geweest. Het eerste schriftelijke rapport over Leuven met op dat ogenblik nog erg fragmentarische en onvolledige informatie dateert van 31 augustus 1914 (47).
In de Duitse beeldvorming schoten burgers vanuit woning en openbare gebouwen op Duitse troepen (Stadsarchief Leuven, collectie Uytterhoeven, map 89)
Sensibilisering in het buitenland Zowel Duitsland als België mobiliseerden de beschikbare diplomatieke kanalen en persbureaus om hun versie van de feiten in het buitenland te doen doordringen. Van Duitse zijde verspreidde het Wolff persbureau de eerste berichten over Leuven, die gretig door Duitse en andere kranten werden opgepikt (48). Als eerste bespeelde de Duitse overheid de publieke opinie: op 29 augustus via de Duitse ambassadeur in de VS en enkele dagen later deed keizer Wilhelm zijn versie over de fmncs-tireurs oorlog in een telegram aan president Wilson uit de doeken (49). Daartoe aangezet door de reacties in het buitenland bundelde het Auswartiges Amt de getuigenissen ter ondersteuning van het^-ancs-tireurs verhaal tot een zogenaamd Witboek (50). Ondanks de vraag naar internationaal toezicht berustte dit rapport eenzijdig op Duitse getuigenissen. Maar ook Belgische vertegenwoordigers lieten zich niet onbetuigd als het erop aankwam om de beeldvorming te beïnvloeden, zeker niet als het de publieke opinie in het buitenland kon sensibiliseren. Leuven was een troef voor de Belgische zaak. Zo er nog twijfels konden bestaan over de rol van de burgerbevolking in bezet gebied, voor het cultureel erfgoed bestond dat niet. De verwoesting van de
54 I M L
universiteitsbibliotheek, een bron van kennis en wetenschap, stond gelijk met een daad van barbarij, een aanslag op de beschaving. Bijzonder voor Leuven was de diaspora van intellectuelen na de sluiting van de universiteit (51). De universiteiten in bezet land hadden onderling afgesproken om geen nieuw academiejaar te openen voor de duur van de oorlog. Bijna de helft van de Leuvense studenten streed aan het front. Onder het professorenkorps hadden vele hoogleraars contacten in het buitenland, zodat zij vrij snel hun weg naar andere universiteiten vonden. Daar werden ze vaak gevraagd hun ervaringen over de verwoesting van Leuven voor publiek te brengen (52). Het verklaart waarschijnlijk mee waarom de gruwel in Leuven meer dan in welke andere geteisterde stad zo'n grote weerklank heeft gekregen. Een belangrijk instrument in handen van de regering was de al genoemde Belgische onderzoekscommissie naar de schendingen van de regels van het volkenrecht, wiens rapporten druk internationaal werden verspreid door parlementariërs, regeringsleden en diplomaten (53). Begin september stuurde de regering de onderzoekscommissie op pad. In Londen werd die ontvangen door niemand minder danfeingGeorge, buitenlandminister sir Grey en Franse en Russische gezanten. Het resultaat was dat de Britten het onderwerp door een eigen onderzoekscommissie op de rooster lieten leggen. Ze deden daarvoor een beroep op ooggetuigen onder de ruim
i2o.ooo Belgische vluchtelingen in GrootBrittannië (54).
Een goed bewaard 'geheim' is de crypte op de stedelijke begraafplaats met de graven van 84 Leuvense slachtoffers
In de Verenigde Staten ontving president Woodrow Wilson de Belgische onderzoekscommissie in het Witte Huis (55). Op 11 september 1914 was de delegatie in New York aangekomen op zoek naar Amerikaanse steun. Door op de morele rol van de Verenigde Staten in te spelen, raakte ze misschien wel een gevoelige snaar bij de Amerikaanse president, maar die liet zich toch niet tot een koersverandering in zijn buitenlandse politiek vermurwen. De VS waren neutraal en zouden dat tot 6 april 1917 ook blijven. In hun ogen toonden de twijfelachtige rapporten de schendingen van mensenrechten niet glashard aan, in elk geval onvoldoende voor een diplomatieke of militaire interventie. Intussen had ook de Duitse lobby zijn werk gedaan en verschenen pro-Duitse artikels, die twijfel zaaiden over de juiste toedracht van de feiten. Het idee dat burgers op Duitse troepen schoten, bleef hardnekkig standhouden. De Duitse beeldvorming bleef ook na de oorlog doorleven, onderbouwd met dezelfde argumenten, breed gedragen, zelfs in academische kringen (56). Aan die lange periode van negationisme kwam pas na de Tweede Wereldoorlog een einde, toen Duitse academici de argumentatie rond de francs-tireurs kwestie aan een grondige bronnenkritiek onderwierpen (57). Pas in 1958 werd de kwestie als mythe ontkracht. Sindsdien groeide een consensus rond de interpretatie over de aanpak van Leuven in 1914. De gewelddaden ten aanzien van de bevolking waren effectief een vergelding én een pressiemiddel ten aanzien van het Belgische leger om zich niet langer tegen de doortocht van de Duitse troepen te verzetten. Deed het leger dat wel, dan wreekten gewapende troepen zich systematisch op de bevolking. De gewelddaden in Leuven barstten niet toevallig los op een dag dat het Belgische leger daadwerkelijk een uitval vanuit de vesting Antwerpen op de Duitse flank deed op 25 en 26 augustus. Duitse militairen bedienden zich maar al te graag van de perceptie over de vijandige burgerbevolking als voorwendsel om die excessen van geweld op weerloze burgers te verantwoorden.
{foto H. Verbeven)
op het stationsplein en de stedelijke begraafplaats in Leuven bij tot de herdenkingscultuur waarvoor ze oorspronkelijk zijn geconcipieerd? Ongetwijfeld, maar naarmate de afstand in tijd tussen het herdachte en de herdenking groter wordt, treedt onherroepelijk betekenisverlies op. De persoonlijke betrokkenheid van mensen vervaagt en alles wordt wat abstracter. In het geval van de Leuvense gedenktekens uit de Eerste Wereldoorlog draagt de kennis over het verhaal achter de beeltenis zeker bij tot een beter begrip van waar het monument voor staat, maar omgekeerd is dat eigenlijk nauwelijks het geval. Daarvoor is de beeldentaal op het monument voor de hedendaagse mens te gestileerd en dus nog moeilijk te verstaan. Eigenlijk heeft de toeschouwer
Oorlogsmonument aan het Leuvense station, detail (foto K. Vandevorst)
Tot slot Elk monument markeert een gebeuren in tijd en ruimte. Functioneel is zo'n constructie niet, maar het ontleent zijn bestaansreden aan de menselijke behoefte aan herdenkingsrituelen. Bij ingrijpende gebeurtenissen wil men kunnen terugkeren naar een betekenisvolle plaats of object in een poging om de herinnering levend te houden. Dragen de oorlogsmonumenten van de Eerste Wereldoorlog
MlkL I 55
Wederopbouwarchitectuur in Leuven Claartje Verloove
De verwoeste Statiestraat, nu Bondgenotenlaan, vanuit het stadhuis van Leuven. In het midden bovenaan op de foto de uitgebrande stadsschouwburg (Stadsarchief Leuven, collectie Uytterhoeven, map 89)
Ruines it louvaln Th» mins «I Louualn
Op 30 augustus 1914 werd ter vervanging van het gevluchte stadsbestuur het Comité des Notables opgericht, dat onder leiding stond van professor Alfred Nerincx (i). De eerste bekommernissen van het Comité waren voedselbevoorrading, waterbedeling, voorlopige huisvesting van daklozen, het weer op gang trekken van de handel in voorlopige barakken en de organisatie van de politie. Na het lenigen van de eerste nood, gaf het Comité in september 1914 opdracht tot het systematisch ruimen van puin en het schoonmaken van straten. Dit werk gebeurde door verschillende ploegen en onder leiding van de Leuvense ingenieur-architect Vital Vingeroedt. Op 21 mei 1915 waren al 684 bouwvallige gevels gedemonteerd. Hoe beslist het Comité was over het ruimen van puin, zo besluiteloos was stadsarchitect Eugène Frische in het adviseren van bouwaanvragen voor panden in de verwoeste zones. Deze terughoudendheid had in eerste instantie te maken met de vrees voor minderwaardige 'bouwsels' in allerhande stijlen en materialen die een snelle en ongecontroleerde wederopbouw in de aanhoudende oorlogsomstandigheden met zich mee zou brengen. Omwille van de omvang van de verwoestingen en onder invloed van de opkomende principes van de town planning, ontstond geleidelijk aan bij het stadsbestuur een consensus over de aanpak. In afwachting van een 'groter plan', een rooilijnplan, dat ingrijpende veranderingen moest mogelijk maken, werden de meeste bouwaanvragen in de kernzone geweigerd om latere kosten voor onteigening zoveel mogelijk te beperken. Deze kernzone bevatte naast de Grote Markt ook de aanzetten van de Statiestraat, de Tiense-, de Naamse-, de Brusselse- en de Mechelsestraat. In tussentijd konden gedeeltelijk vernielde huizen, ongeacht hun ligging, zonder aanvraag hersteld
Ro» 't " SUHon (.cloell«m«Bt titmt SUtlon street (no» Ihe ftliles rt«nue)
itt
ftllié»).
worden, en werd buiten de kernzone de wederopbouw toegestaan van verwoeste panden. In totaal zouden 75 huizen heropgebouwd worden tijdens de oorlog. De eerste aanzet tot de wederopbouw was de oprichting van de Rooilijncommissie in oktober 1914 onder impuls van waarnemend burgemeester Nerincx. Hijzelf was hiervan voorzitter en werd bijgestaan door onder meer Vital Vingeroedt en de professoren kanunniken Raymond Lemaire en Armand Thiéry. De Rooilijncommissie omschreef haar opdracht als het "onderzoeken welke rooilijnveranderingen en hervormingen in het centrum van de stad mogelijk zijn geworden door de ramp die haar heeft getroffen". In februari 1915 presenteerde ze een rooilijnplan dat bepalend zou worden en uitging van vier basisprincipes: stadsverfraaiing met valorisatie van belangrijke stadsgezichten, een soepeler verkeersafwikkeling, een betere verbinding tussen bepaalde stadsdelen, en sanering van ongezonde woontoestanden. Het plan stelde vier beslissende aanpassingen voor. In de eerste plaats werd het gesloten karakter van de Grote Markt hersteld door de reconstructie van het i5de-eeuwse Tafelrond en de realisatie van een schermblok op het huidige Pieter De Somerplein, dat het vrije gezicht vanuit de Statiestraat, de huidige Bondgenotenlaan, moest afschermen om de Grote Markt en het stadhuis opnieuw hun gepaste 'middeleeuwse' context te geven. De problematiek van het schermblok was niet nieuw. Het was een vooroorlogse discussie die ontstond na de afbraak van het i8de-eeuwse Brouwershuis in 1870-1871 in functie van de voltooiing van de Statiestraat. Die nieuwe laan met neoclassicistische gevelwanden, het resultaat van de i9de-eeuwse oostelijke stadsuitbreiding naar ontwerp van stadsarchitect Francois Henri Laenen, bood een rationeel, typisch igde-eeuws perspectief van haast een kilometer lang op het gotische stadhuis. Dat stadhuis hoorde echter, volgens kunsthistorici, ingebed te liggen in een middeleeuwse, meer gesloten structuur waarin het ten volle tot zijn recht zou komen, van op korte afstand aanschouwd en verrassend in al zijn rijkdom en detailwerk. Met de opmaak en goedkeuring van een rooilijnplan, waarin het schermblok werd verankerd, zou het pleit voor eens en voor altijd beslecht worden. Althans, zo dacht men. Een tweede ingrijpend voorstel was de verbreding van de belangrijkste straten in en rond het centrum: de Oude Markt, de Vaartstraat, de Diestse-, Tiense-,
56 I M
L
Nooit uitgevoerd ontwerp uit 1915 voor een schermblok om de Bondgenotenlaan visueel af te sluiten van het middeleeuws centrum {Stadsarchief Leuven)
•HHHHH
Naamse- en de Brusselsestraat. Enerzijds was dit uit esthetische overwegingen, om het gezicht op de gevels van waardevolle gebouwen vrij te maken, anderzijds omwille van de organisatie van het toenemende verkeer. Een derde, hierbij aansluitende suggestie bestond in de wijziging van het stratenpatroon om een vlottere en rechtstreekse verbinding tussen stadsdelen te garanderen. Een laatste belangrijke aanpassing bestond in het saneren van ongezonde huizen en stadsdelen. Naast deze rooilijncorrecties haalde de Commissie, zij het toen nog beperkt, ook de vormgeving van de wederopbouwarchitectuur aan: zij koos resoluut voor traditioneel opgevatte gevels die aan het straatbeeld een typisch Leuvens uitzicht moesten geven. Later zou die 'herkenbare Leuvense fysionomie' door Charles Lagasse de Locht, voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML), en Paul Saintenoy omschreven worden als een homogeen ensemble van diephuizen met individueel uitgewerkte, pittoreske trap- en puntgevels naar lokale voorbeelden. Bij het rooilijnplan en het begeleidend rapport van de Commissie kan men enkele kanttekeningen plaatsen. Allereerst valt op hoezeer in de beeldvorming van de wederopbouw gefocust wordt op de problematiek van en rond de Grote Markt. Hier werd de kiem gelegd voor de opsplitsing van het stadscentrum in twee delen. Enerzijds is er het gebied rond de Grote Markt waarin de historische gebouwen primeerden en de problematiek van het
schermblok en het verkeer alle aandacht opeiste. In een later stadium werden hier zeer strenge vormvereisten opgelegd. Anderzijds is er het stadsdeel tussen de Naamsestraat en de Slachthuiswijk, waarin de problematiek van handel, verkeer en hygiëne centraal stond en waar beperkte vormen materiaalvereisten werden opgelegd die nog afzwakten naargelang men verder van de kernzone verwijderd was. Een tweede bemerking komt overeen met de kritiek van de Vereniging voor Belgische Steden en Gemeenten (VBSC) die, samen met de KCML, geraadpleegd werd om het voorgestelde rooilijnplan goed te keuren. De Vereniging merkte op dat er in de studie, en in het bijzonder in de discussie rond het schermblok, teveel aandacht was gegaan naar esthetiek. Dit verhinderde elke verdere discussie over een alternatieve vormgeving van de architectuur en inplanting van de gebouwen. Door de standvastige houding van Vingeroedt zou er een blijvende kloof ontstaan tussen enerzijds de Rooilijncommissie en de KCML, en anderzijds de op een modernere leest geschoeide VBSG, later bijgetreden door de architect Huib Hoste en de Ligue Beige d'Expansion Artistique, die onder meer Victor Horta onder haar leden telde. Ondanks de polemiek rond het schermblok, werd het principe van het rooilijnplan door de betrokken partijen op 13 november 1915 aanvaard. Van de drie voorgestelde schermblokprojecten werd in december 1917 het ontwerp van Emile Janlet weerhouden
M
L I 57
Gedenksteen in de Leuvense wederopbouwpanden, hier op gevel van Bondgenotenlaan 140, eerste verdieping: 1914, het stadswapen, de stedenkroon, het zwaard en de fakkel {foto K, Vandevorst)
omdat het realiseerbaar was zonder 'extern' kapitaal. De Rooilijncommissie had haar vooropgestelde doel bereikt. De definitieve goedkeuring van de rooilij nplannen werd echter doelbewust uitgesteld tot na de oorlog, namelijk met het Koninklijk Besluit van 19 april 1919. Een volgende, beslissende fase in de wederopbouw was de oprichting in januari 1916 van het Raadgevend Comiteit voor Stadsschoon, dat de Rooilijncommissie verving en bestond uit een lid van de KCML, meestal kanunnik Lemaire, de archeoloog kanunnik René Maere, de kunstenaar Franz Vermeylen en de architect Vingeroedt die tevens voorzitter was. De opdracht van het Comiteit was het opstellen van programma's met esthetische en hygiënische eisen, het verlenen van adviezen en het controleren van de fraaiheid van bouwwerken en stadsaanleg. Voor de opmaak van de programma's met esthetische en hygiënische eisen onderscheidde het Comiteit binnen de geteisterde zone drie deelgebieden met elk een eigen problematiek: de Grote Markt waar het verkeersprobleem moest verzoend worden met de esthetische eisen, de Oude Markt waar gangen moesten gesaneerd worden en een betere verbinding met de Parijsstraat noodzakelijk was, en de zone Parijsstraat - Brusselsestraat - Pensstraat die in een vloeiend tracé in mekaars verlengde moesten afgebogen worden omwille van een vlotte verkeersstroom die tegelijk een ontlasting van de Naamsestraat inhield. Voor elk van deze zones tekende Vital Vingeroedt de rooilijnplannen uit. In 1919 zouden ze samen met de rooilijnplannen voor de kernzone en het schermblok goedgekeurd worden. Door haar adviserende en controlerende functie inzake de fraaiheid van bouwwerken en stadsaanleg, zou het Comiteit een enorme macht krijgen die zich vooral liet voelen in de architecturale uitwerking van de wederopbouw. Zoals vermeld, koos de Rooilijncommisie, hierin bijgetreden door de KCML, in 1915 al resoluut voor regionale traditionele architectuur. Hier waren twee redenen
58
IM 1
voor. Enerzijds zocht zij voor de wederopbouw naar een stijl die een antwoord kon bieden op het overdreven decoratieve eclecticisme en het strakke, uniforme neoclassicisme van de 19de eeuw. Ook deze discussie was niet nieuw. Het was een vooroorlogs en internationaal debat waarbij pittoreske schoonheid, de herwaardering van streekgebonden architectuur en de functionele structuur van spontaan gegroeide middeleeuwse steden opnieuw in de belangstelling stonden, duidelijk onder invloed van de denkbeelden van Camillo Sitte (1843-1903) en Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc (1814-1879). Anderzijds voltrok de wederopbouw zich in de periode vlak na de bevrijding en moest de stad als een feniks herrijzen uit haar as, grootser dan voorheen en (architecturaal) verwijzend naar een rijk verleden, zonder echter de verschrikkelijke verwoestingen uit het collectieve geheugen te wissen. De stedelijke verplichting om elk wederopbouwpand te voorzien van een zogenaamde wederopbouwsteen, een gedenksteen met opschrift ig/14 en het stadswapen waarop een brandende toorts en zwaard, getuigt hiervan. In La reconstruction des villes et villages détruits par la guerre de 1914 uit 1915 pleitten Charles Lagasse de Locht en Paul Saintenoy al voor een bouwreglement dat enerzijds de reconstructie van de meest typische, plaatsgebonden pittoreske architectuur kon garanderen en anderzijds het gebruik van pre-i9de-eeuwse stijlen voorschreef. Het Comiteit en het stadsbestuur zouden deze visie integreren in hun raadgevingen en verordeningen door te streven naar de getrouwe reconstructie van een aantal voor Leuven belangrijke, typerende gebouwen en van homogene straatbeelden met harmonieuze gevelmaterialen en -composities, geïnspireerd op Vlaamse bouwstijlen en typologieën uit de 15de, 16de en 17de eeuw. Voor Leuven werd een bouwtypologie aanbevolen van diephuizen met trap-, voluten- en puntgevels, opgetrokken in baksteen en verlevendigd met witte natuursteen. Het gebruik van zogenaamde similisteen, een cementbepleistering met imitatie van natuursteen, werd verboden binnen de kernzone. De combinatie met stijlvreemde, typisch i9de-eeuwse elementen zoals balkons, erkers en winkelpuien - in de wederopbouwarchitectuur veel voorkomend en duidelijk een anachronisme - werd ogenschijnlijk niet in vraag gesteld. Dat het Comiteit haar rol ernstig nam, blijkt uit het feit dat ze elke bouwaanvraag voor een pand in de kernzone adviseerde en bijstuurde waar nodig. Bovendien keek ze nauwlettend toe op de uitvoering van de vergunde aanvraag. De grotere vrijheid bij het bouwen buiten de kernzone blijkt onder meer uit de stijlverschuiving naar een meer eigentijdse, op art deco geïnspireerde vormentaal, en het getolereerde gebruik van similisteen.
De doelstellingen die geformuleerd waren bij aanvang van het discours rond de wederopbouw in Leuven, werden grotendeels gerealiseerd: stadsverfraaiing met valorisatie van belangrijke stadsgezichten, een soepeler verkeersafwikkeling, een betere verbinding tussen bepaalde stadsdelen, en sanering van ongezonde woontoestanden. Uitzondering hierop is het schermblokproject, dat nooit uitgevoerd werd. De aanvankelijk bedoelde vernieuwing vanuit de traditie werd tijdens de wederopbouw verengd tot het reproduceren van traditionele vormen en bouwschema's in de geveldecoratie, vrij geïnterpreteerd, historiserend en veelal op de renaissance en barok geïnspireerd onder invloed van protagonisten als Vital Vingeroedt, kanunnik Lemaire en Charles Lagasse de Locht. Hen werd een (te) grote hang naar esthetiek verweten in het streven naar stadsverfraaiing en het zoeken naar een gepaste context voor waardevolle historische gebouwen. Bij het adviseren in de stadskern werd immers elk gevelplan in detail bekeken en gerelateerd aan de omringende bebouwing. Daarom bestaat de neiging wederopbouwarchitectuur te reduceren tot gevelarchitectuur. Tot op zekere hoogte klopt deze stelling. Het is logisch dat de advisering zich beperkte tot volume en gevel en dat het Comiteit zich niet uitsprak over de meestal typisch igde-eeuwse grondplannen achter de historiserende facades. Toch dient opgemerkt dat bij de wederopbouw van vele panden door Wederopgebouwd herenhuis aan de Bondgenotenlaan 140
opdrachtgevers en architecten bijzondere aandacht werd besteed aan een zeer verzorgde interieurafwerking , doorgaans eclectisch van stijl, met fraai stucwerk, marmeren schouwen, decoratieve parketvloeren en binnenschrijnwerk met rijk uitgewerkt hang- en sluitwerk. De Leuvense wederopbouwarchitectuur kan dus niet herleid worden tot 'fa^ade-architectuur' en verdient zonder meer een integrale evaluatie en waardering. Een eerste officiële stap daartoe werd gezet op 7 november 2013 met de voorlopige bescherming van het stadsgezicht van de Bondgenotenlaan en zeven monumenten die getuigen van de igde-eeuwse, gespaarde basisbebouwing aan de vroegere Statiestraat of representatief zijn voor de wederopbouwarchitectuur in Leuven.
(1) Deze tekst is gebaseerd op BRUNFAUT G., La Cite Détruite (Louvain), in Le Document, jg. V, vol. II, nr. 42, 1926, p.ioi106; CELIS J., De Leuvense stationswijk, 1875-1875. Het ontstaan en de ontwikkeling van een stadsbeeld in de negentiende eeuw, onuitg. lic. verh., KU Leuven, 1985-1986; CRAB J. e.a., Leuven, een stad die groeit. Een gemeenschap houwt aan haar milieu, Leuven, 1975, p. 107-119; DEREZ M., Het archief pakt uit: archief Vital Vingeroedt: vijf meter lovaniensia in het universiteitsarchief, in Ex qfficina, 1, Leuven, 1984, p. 25-36; PEETERS M., Gids voor oud Leuven, Antwerpen, 1983^.33-37; STAES )., CELIS )., CRESENS F. e.a., Mechelen, Leuven, Tienen ... retour. Een treinreis door het verleden, Leuven, 1987, p. 89-121; STYNEN H. e.a., 15/18. Het verwoeste gewest, Brugge, 1985; UYTTENHOVE P. en CELIS J., De wederopbouw van Leuven na 1914, Leuven, 1991; UYTTERHOEVEN R., Leuven, Bierstad door de eeuwen heen, Kessel-Lo, 1983, fig. 105-108; ID., Leuven weleer. De Nieuwe Bovenstad: tussen 'Statiestraat" en Tiensestraat, dl. 2, Leuven, 1986, fig. ia-27b; VAN EVEN E., Louvain dans le passé et dans le présent, Leuven, 1895.
in neorococostijl, architect A. Stevens, 1921 (foto K. Vandevorst)
Beeldbepalende herenwoning aan de Bondgenotenlaan i i 6 ,
fftfft
bewaarde getuige van de 19deeeuwse bebouwing in die straat (foto K. Vandevorst)
1VI&L I 59
er een leeswijzer bij nodig. Door de plaatsing van verschillende taferelen op één reliëf treedt een vermenging op van gebeurtenissen in tijd en ruimte die zich in de werkelijkheid op verschillende tijdstippen en plaatsen afspeelden. Op dit monument is dat uitgesproken het geval. Per paneel worden scènes vermengd uit de burgerlijke en de militaire wereld, uit de begin- en eindperiode van de oorlog, uit Leuven en aan het front. Dit bemoeilijkt de interpretatie. Toch ambieert het oorlogsmonument geen volledige weergave van hoe Leuven de terreur op haar bevolking ervaren heeft. Ook hetgeen op de voorstellingen ontbreekt is veelzeggend. Uit de historische reconstructie van de feiten blijkt dat executies en straatbeschietingen veel slachtoffers onder de burgerbevolking maakten, maar niets
Kreuzland, Kreuzland über alles van de Nederlandse cartoonist Louis Raemaekers, gebruikt in de geallieerde oorlogspropaganda ter ondersteuning van Poor little Belgium (© Stichting Louis Raemaekers)
60 I M&L
daarover in de afbeeldingen op het monument. De ontwerper heeft gekozen voor een verstilde, ingehouden en zeer gestileerde uitbeelding van het gegeven. Niet het brede gebaar of de expliciete emotie telt. Deze benadering schept voor de ene een grimmige, voor de andere een ingetogen sfeer. Bij de keuze van de locatie voor het monument is wel degelijk rekening gehouden met het perspectief van de burgerslachtoffers. Het stationsplein was de belangrijkste executieplaats, een grafveld van de geëxecuteerden, tevens brandhaard, draaischijf voor de coördinatie van de gebeurtenissen en vertrekplaats van gedeporteerden. Tussen locatie en beeldentaal van het monument bestaat een duidelijke consistentie, ook al is het uitgebeelde moeilijk te begrijpen vanuit een hedendaags perspectief.
Leuven, doos 'WO I dagboeken'; Onuitg. oorlogsdagboek van Felix Boon, Universiteitsarchief KULeuven, PP, BE/212934/PP/BOON. waarvan fragmenten zijn uitgegeven in SERRIEN P., Oorlogsdagen. Antwerpen, 2013, p. 3946; Rapports sur la violation du droit des gens en Belgique. dl. 1. Parijs-Nancy, 1916; MOKVELD L., De overweldiging van België : ervaringen, als Nederlandsch journalist opgedaan, tijdens een viermaandelijksch verblijf bij de Duitsche troepen in België, Rotterdam, 1916; GRONDIJS L., Les Allemands en Belgique (Louvain et Aerschotj. Témoignage d'un neutre. Parijs-Nancy, 1915; GIBSON H., A Journal From Our Legation in Belgium, New York, 1917. Ook de volgende paragrafen zijn op deze documenten gebaseerd, (n) Stadsarchief Leuven, Modern archief, nrs. 1428; 1458-1464: 1487-1489; 1491; 1679; 3236: 4864; 29376- 29380; 2938929393; 50002/626/64-65; Koninklijk Legermuseum, Moskouarchief, nr. 3955. (12) TASNIER L. en VAN OVERSTRAETEN R., op.cit.. p. 129. (13) Stadsarchief Leuven, Modern archief, nr. 29389: Devijver, Vaartstraat: Koninklijk Legermuseum, Moskouarchief, nr. 3955, getuigenis pater Rosier. (14) FUGLISTER A., op.cit., p. 94-95 ; Stadsarchief Leuven, Overlijdensregister Kessel-Lo, 1911-1915, nr. 128; CUVELIER [., L'invasion allemande (La Belgique et la guerre. 2), Brussel, 1926, p. 275. (15) FUGLISTER A., op.cit., p. 69. (16) DE GRUBEN H., op. cit., p. 127; The Peace Treaty of Versailles (28 June, igigj , in HACKEN R. (ed.). The World War 1 Document Archive, laatste update 11 november 1998. Brigham Young University Library, geraadpleegd op 16 mei 2014, http://net.lib.byu.edu/'rdh7/wwi/versa/versa7.html. Hilde Verboven is erfgoedonderzoeker bij het (17) Ibidem, p. 181; DEREZ M., 'The Oxford of Belgium'. Een kwestie van beeldvorming, in CEUNEN M. en VELDEMAN P. agentschap Onroerend Erfgoed (red.), Aan onze helden en martelaren... Beelden van de brand van Leuven, Leuven, 2004, p. 123. (18) Dit cijfer hebben we niet kunnen verifiëren. Van ruim 200 gedeporteerden hebben we een aanvraag voor vergoeding bij de rechtbank van Oorlogsschade teruggevonden, maar deze archieven zijn zeker niet volledig. FUGLISTER A., Eindnoten op.cit., p. 61, 133: enkele duizenden bij het station, 2000 a 3000 in de rijschool en een vijfhondertal in de patronage. (1) DE MAESSCHALK K. e.a., Oorlogsmonumenten iqiq-igiS in (19) Stadsarchief Leuven, Modern archief, nr. 29389. Vlaams-Brabant, Brussel, 2002. Zie ook inventaris bouw- (20) Oorlogsdagboek van Felix Boon, Universiteitsarchief KULeuven, BE/212934/PP/BOON; Leuven verwoest, in Nieuwe kundig erfgoed, online databank: oorlogsgedenkteken op Rotterdamsche Courant. 30 augustus 1914; FUGLISTER A., de stedelijke begraafplaats van Leuven (ID 214971) https:// op.cit., p. 98-99,100-106,127-136. inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/214971 en het monument voor de oorlogsslachtoffers van WO I (ID (21) Munster, Geile en Soltau zijn drie dorpen ten noorden van 200146) https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/ Hannover, Duitsland. FUGLISTER A., op.cit., p. 79-83,114, relict/200146. 127-136, bevestigd aan de hand van archieven over gedeporteerden in het Stadsarchief Leuven, Modern archief, nr. (2) CEUNEN M. en VANDERAUWERA M., Wot een monument lijden kan... Oprichting, lotgevallen en restauratie van het oor- 29380, 29391-29392; Bryce report. Report of the Committee on alleged German outrages appointed by His Majesty's governlogsmonument op het Martelarenplein, in Mcjt, jg. 24, nr. 6, ment, Londen, 1915. 2005, p. 63. (3) VAN HELLEMONT Y. en PIEN A., De restauratie van het (22) Stadsarchief Leuven, Modern archief, nr. 1489. Martelarenmonument te Leuven, WTCB-publicaties, 2004. (23) Stadsarchief Leuven, Modern archief, nr. 29380; Overlij(4) VANDEWEYER L, De Eerste Wereldoorlog. Koning Albert en densregister Kessel-Lo 1914, nr. 132; KADOC, archief BE/942855/1884/1200, p. 60. zijn soldaten, Antwerpen, 2005. (5) TASNIER L. en VAN OVERSTRAETEN R., Les operations (24) OTTE K., Lager Soltau. Das Kriegsgefangenen- und Intemiertenlager des Ersten Weltkriegs (ic)i4-ig2i). Geschichte und Gemilitaires {La Belgique et la guerre, 3), Brussel, 1926; DONVIL R., De grote oorlog op kleine schaal. De gevechten aan de schichten, Soltau, 1999, p. 20-29. Getelinie in Oost-Brabant (1914/, Leuven, 2012. (25) FUGLISTER A., op.cit., p. 129; Stadsarchief Leuven, Modern archief, nr. 29380, 29391-29392. (6) VANDEWEYER L, op.cit., 2005, p. 82. (7) ID., De stad moet verder leven, in CEUNEN M. en VELDE- (26) GRONDIJS L, op.cit.. p. 89-99. MAN P. (red.) Aan onze helden en martelaren... Beelden van (27) Oorlogsdagboek Eerste Wereldoorlog van Valerius Claes, de brand van Leuven, Leuven, 2004. p. 61-81. Vlaamse Kapucijn: KADOC, archief BE/942855/1884/1200. (8) MAYENCE F., Het Duitsche leger te Leuven in augustus J914(28) Bijvoorbeeld Torfs, Verstraeten SALMA nr. 50002/626/64, en het Duitsche Witboek van 10 mei 1915. Twee betoogschrijïen overlijdensregister 1914 nr. 575BIS in de marge; nr. 57iter. (29) De namen van deze slachtoffers zullen vanaf zomer 2014 in uitgegeven door de zorgen van de Belgische regeering, Leiden, de databank van burgerslachtoffers van In Flanders Fields 1918, p. 29 en 130. kenniscentrum worden opgenomen en online raadpleeg(9) Ibidem, p. 105-109. baar zijn. (10) FUGLISTER A., Louvain. Ville martyre, Parijs-Londen, 1916; DE GRUBEN H., Les Allemands d Louvain. Souvenirs (30) Stadsarchief Leuven, kaartcollectie Plan indiquant les imd'un témoin, Parijs, 1915; MAYENCE F., op cit.; Onuitg. oormeubles incendiés au mol d'aoüt 1914. logsdagboek van Marie Téréza Van Mellaert, KADOC (31) UYTTENHOVE P. en CELIS J.. De wederopbouw van Leuven BE/942855/485/21, Inventaris van het archief Congregatie na 1514, Leuven, 1991, p. 48. van de Dochters van Maria (Paridaens) Leuven, nr. 21; On- (32) BRAND WHITLOCK, Belgium under the German occupauitg. oorlogsdagboek van professor Scharpé, Stadarchief tion. I: A personal narrative, Londen, 1919, p. 100-102.
Net zoals het monument moeilijk te interpreteren is, leidden de historische gebeurtenissen in Leuven in de week van 25 augustus en 2 september 1914 ook tot uiteenlopende interpretaties en controverse. Daders en slachtoffers stelden de feiten op een andere manier voor, afhankelijk van de doelen die ze daarmee wilden bereiken. Minstens drie onderzoekscommissies namen onafhankelijk van elkaar de zaak ter harte, maar politiek-militair heeft dat de allianties nooit veranderd. Wel heeft het nog tijdens de Eerste Wereldoorlog de publieke opinie wakker geschud en zeker een rol gespeeld in de humanitaire acties ten bate van België. Nadat het nieuws over de militaire vergelding op de burgerbevolking tijdens de Duitse doortocht van augustus 1914 in het buitenland doordrong, evolueerde de beeldvorming van Brave little Belgium, het kleine landje dat zich tegen een militaire reus verzette, tot Poor little Belgium, een meelijwekkend land dat zijn wrede lot onderging.
Landwehr-lnfanterie-Regiment 53 im Weltkrieg 1914-18. Regi(33) GIBSON H., op.cit. (34) Leuven door de Duitschers verwoest, in De nieuwe gazet, 30 au- mentsgeschichte verfasst an hand der Akten des Regiments, Essen, 1928, p. 10-13; SUHRMANN W., Geschichte des gustus 1914; Leuven is tot één hoop asch geworden\, in De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad, 29-8-1914; Ochtendblad A. Landwehr-Infanterie-Regiments Nr. 31 im Weltkriege, bearb. De oorlog: Leuven verwoest, in Nieuwe Rotterdamsche Courant, aufGrund der amtl. Kriegstagebücher aufVeranl. des Reichsarchivs, (Erinnerungsblatter Deutscher Regimenter. Truppen29-8-1914; Refugee from Louvain charges Germans with masteile d. ehem. preufi. Kontingents, 238), Oldenburg, Bersacre, in The New York Times, 29-9-1914. lijn, 1928. (35) MOKVELD L, België: ervaringen, als Nederlandsch journalist opgedaan, tijdens een viermaandelijksch verblijf bij de Duitsche(47) lo violation de droit des gens en Belgiue. I. Rapports offciels de la Commission d'enquête sur la violation des régies du droit des troepen in België, Rotterdam, 1916. gens, des lois et des coutumes de la guerre, (Publication offi(36) KLEKOWSKI E., Americans in Occupied Belgium, igi^igiS. cielle du gouvernement beige), Parijs, Nancy, 1915, p. 47-53; Accounts of the war from journalists, tourists, troops and mediDagboek Felix Boon, Universiteitsarchief KULeuven, cal staff, Jefferson, 2014, p. 30-42; CROZIER E., American BE/212934/PP/BOON, p.10-14. reporters on the Western Front, Westport, 1980, p. 35-42. (37) HARDING DAVIS R., With the Allies, Londen. 1915, p. 84- (48) FUGLISTER A., op.cit., p. 151; Ochtenhlad A. De oorlog: Leuven verwoest, in Niewe Rotterdamsche Courant, 29 aug 1914; 91. Amtliche Kriegs-Depeschen: nach Berichten des Wolff schen Te(38) POWELL E.A., Fighting in Flanders. Londen, 1915. legr. Bureaus, Berlin, z. d., p. 81. (39) KLEKOWSKI E., op.cit., p. 42. (40) FUGLISTER A., Louvain. Ville martyre, Parijs-Londen, (49) Germany defends action in Louvain. Government Statement says priests gave arms (0 civilians (Washington 29 august), in 1916; FUGLISTER A., A neutral description of the sack of LouThe New York Times, 30 augustus 1914; ZUCKERMAN L., vain, Concord, New Hampshire, 1929. The Rape of Belgium: The Untold Story of World War I, New (41) L'affaire Füglister au Grand Conseil Bernois, in Gazette de York, 2004, p. 64-73. Lausanne, 21 mei 1915, p. 2; La Suisse neutre et les semeurs de haine, in Gazette des Ardennes (journal des pays occupés), 18(50) AUSWARTIGES AMT, Die völkerrechtswidrige Führung des Belgischen Volkskriegs, Berlijn, 1915, p. 231-328. juli 1915, p. 484. (42) MAYENCE F., op.cit. (51) DEREZ M., op.cit., p. 129. (43) Leuven is tot één hoop asch geworden!, in De Tijd: godsdienstig(52) MULS, De gruweljaren 1914-1916; steden en landschappen, staatkundig dagblad, 29-8-1914: Ook de lokale bevelhebber. Bussum, 1916, p. 27-29; THE TIMES, History of the War, Etappen Kommandant von Manteuffel, verspreidde deze verLonden, 1915, p. 487. sie van de feiten: MOKVELD L., op.cit., p. 79. Hetzelfde (53) De Duitsche gruwelen in België, in De Tijd: godsdienstig-staatgold voor de opperbevelhebber van het Duitse iste Leger: kundig dagblad, 31-8-1914. VON KLUCK A., Der Marset auf Paris und die Marneschlacht (54) Committee on alleged German outrages. Report of the Com1914, Berlijn, 1920, p. 23-24, 26. mittee on alleged German outrages appointed by His Majesty's government, Londen, 1915; WILSON T., Lord Bryce's Investi(44) HORNE J. en KRAMER A., German atrocities, 1914. A history gation into Alleged German Atrocities in Belgium, 1914-15, in of denial. New Haven-Londen, 2001, p. 89-174; DE Journal of Contemporary History, 14 (3), juli 1917, p. 369-383. SCHAEPDRIJVER S., Degroote oorlog. Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam-Antwerpen, 1997,(55) ZUCKERMAN L, op.cit., p. 64-73. p. 95. (56) MEURER C, The blame for the Sack of Louvain, in Current (45) FUGLISTER A., op.cit., p. 75-83. History, juli 1928, p. 556-566. (46) DZIOBEK O., Geschichte des Infanterie-Regiments Lübeck(57) SCHÖLLER P., Der Fall Löwen und das Weijibuch, Böhlau, 1958. (3. Hanseatisches), 162, z.p., 1922, p. 25-35; KOCH O., Das
62 I M&L
Summar BELGIAN AND FRENCH MILITARY POSTS ON THE YZER FRONT, AN INTRODUCTION The former front zone is still scattered with numerous concrete and brick military defences from the Great War. Between 2002 and 2006 an attempt was made to make a general inventory of these concrete and brick remains of the Great War in the Westhoek, This inventory was at the basis of the recent thematic protection campaign during which 77 sites with military posts have been listed for protection. This article treats bunkers, small defences offering protection against shooting or shelling and having one or several military functions. Although the term bunker was not known yet during World War I, it is nevertheless used as it is the only name more or less covering the diverse range of brick and concrete military posts and these are commonly known under this name. For the Westhoek it concerns a typologically varied collection of military constructions, with very diverse building-technical features. As of the summer of 1915, bunkers became an essential element in warfare. More in particular on the German and Belgian side numerous concrete defence constructions were built. The British army would not start building bunkers before the final year of war. These military posts exemplify various aspects of the war of position in the Westhoek, for typological-building technical matters as well as of military-strategic point of view. Although some designs were copied several times, there is no sign of standardization in the front zone as was the case with more outlying German positions along the Belgian-Dutch border and around Antwerp. The logistics for the construction of cast concrete bunkers this close to the frontline were a gigantic undertaking. Many of these constructions were therefore composed of prefabricated concrete elements. The perilous war conditions and the lack of materials obliged them to improvise. Location and camouflage of these constructions were of vital importance for their efficiency. Many posts had to be adapted for re-use due to changing war situations. Most bunkers in the Westhoek tell a bloody war story, making them important historical witnesses of the long years of war in the Westhoek. This article aims to be an introduction to the theme. Since only little has been published on Belgian and
French concrete posts, we focus in detail on defence constructions on the Yzer front by means of a few examples. In this flat polder landscape water determined a great deal of life at the front. As one could not dig here, all defence works needed to be constructed aboveground. What's more, there were only very few buildings in this open landscape, making defence works even more vulnerable. Therefore as of the summer of 1915, major defence works were being constructed in concrete, as well in the flooded area before the frontline as in the consecutive lines of defence behind the frontline. There was a search for efficient design which was then further adapted. There is nevertheless a lot of building-technical diversity in the remaining bunkers at the Yzer front. The French army was also active on the Yzer front and left some remarkable military constructions. The inscriptions which have been left on the constructions help us to identify these bunkers.
SCHILDEHOF: A CASTLE DOMAIN TAKEN OVER BY NATURE Since the 16th century the castle domain Schildehof on the Schijn valley in Schilde, has known a rich history. The successive lords of the castle made the domain ever larger and more impressive. At first it was not the famous noble van de Werve family which turned the court into a stately castle domain, but most probably Michiel van Cauwenberghe and Maria de Lattre (1643-1681) who constructed the garden with moats and alleys around the mediaeval fortified Hof (court) ten Broecke. During the 18th century Joanna de Pret, widow of Paolo Jacomo Cloots, transformed the farm into a castle and the domain was completely renovated following the most modern standards. A baroque garden was laid out with a garden pavilion housing the machinery of fountains and waterfalls near the grand canal. Joanna de Pret took on famous artists to renovate the castle, among which W.I. Kerricx, J.P. van Baurscheit de Jonge and M. van der Voort de Oude. With a view to preserve their building efforts for future generations, they had land surveyors carefully trace out the castle domain and other properties. It wasn't until the 19th century that the de Werve family left their mark on the Schildehof. Around 1800 baron Ignatius de Werve transformed the - in the meantime obsolete - French baroque garden into a landscape garden. There were winding paths, plants in clusters.
M&LI 63
fanciful ponds and garden follies like the Venus temple, the Arrows' bridge and an orangery. His grandson baron Henri, mayor of the municipality of Schilde, preserved the main part of this garden design. Despite his ambitious plans for redesigning the castle domain, he only added a jetty at the 'grand canal' and an unfinished bathhouse Bobine-les-Bains. Furthermore he renovated and expanded the rococo castle into a neo-Renaissance castle with four corner towers. The design and execution were carried out by the Parisian architect Henri Parent and his team of workmen. After baron Henri's death the domain and castle dilapidated. Following the sale in 1951 the castle was demolished and the domain cut up in lots and sold. The commune of Schilde bought the domain and turned it into a municipal park. It became neglected rapidly and was used as a dumping site for some years. Since 1971 there has been renewed interest for the park and it is being used by a number of associations. Nowadays the domain is completely overgrown with shrubs and trees. Nature has regained its place on the remains. Recently Schilde decided to revaluate the site and a heritage plan was drafted. Besides a broadly supported vision it also contains a concrete plan of action.
OCCUPIED CITY, DEVASTATED CITY. LEUVEN 1914 Leuven ablaze! This rumour went around quickly after August 25,1914, a day forever marked in the city's history as a moment of destruction and death. The news of the events during the German push of the first weeks of World War I, spread rapidly all over the world. Leuven became the emblem of an entire country falling victim of military barbarism. Wasn't this innocent university town with its rich library a beacon of knowledge, science and intellectual life? And wasn't it exactly this world which was now being trampled under foot? More than other cities Leuven became an icon, which was played off shrewdly in war propaganda. The destruction of the university library, rather than the victims, caused a general indignation. The post-war ornamentation on war memorials also helped to create a certain image. In Leuven the most prominent war monument is located on the station square. This article retells the story behind the monument
on this station square, dedicated to World War I civilian casualties in Leuven. Which is the memory we wish to keep? Are we still capable of reading the monument's iconography? A fortnight after the German troops had crossed the Belgian border, they took Leuven, the date was August 19, 1914. In another week a wave of terror overran the city. Especially the inhabitants had to pay for it: executions, raids, arson, street shelling, deportation, people beings used as human shields, those were the ingredients of a week of uncontrolled terror. In a few days 272 people were killed, thousands were on the run and many were transported to concentration camps. During the German push through Belgium, the population in occupied zone served as a means of exchange. In August and September 1914 frustration about trouble and resistance by the Belgian army were taken out by German troops on a defenceless population. Shortly after these horrors of war the news about Leuven leaked out bit by bit internationally. Great Britain even founded a committee of inquiry especially for this matter. There was great indignation, but it never came to a conviction for violation of international law. A century after the facts, the images of the monument on the Leuven station square seem hard to comprehend by modern man. Although the memory of this terror seems to have faded in time, the centennial commemoration of World War I is a perfect occasion to revive this story and thus contribute to a better understanding and public support for this war monument. By unravelling the story behind the ornamentation, it regains its significance and becomes a true place for commemoration. This is also an aspect of heritage care.
A. M, C O N S U L T , ^
1
AM Consult bvba Anthonis de Jonghestraat 6A B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 61 53 f:03 7óó 18 52 a.m.consuit@skynet.be www.amconsultbe
Uw partner voor het opsporen van de oorzaken van: Vochtvlekken Schade aan pleisterwerk Waterlnflltraties Betonrot Schimmels Houtaantasting door zwam Condensvormlng Houtaantasting door Insecten Opstijgend vocht Regendoorslag Door: Gravimetrlsche vochtanalyse Kwantitatieve zoutanalyse RH en T datalogging Endoscopie Microscopisch onderzoek in situ en/of in het labo Ifv de onderzoeksmethoden
Wij leveren: gefundeerd en praktisch behandelingsadvies voor een efficiënte aanpak van het probleem
B o u w o n d e r n e m i n g
STEENEN HUIS Restoratie & Renovatie
Sonck Frédéric • Siermetselwerk • Ruwbouw • Gewelfbouw • Bekisten en storten van betonnen trappen in bestaande gebouwen • Gevelreiniging • Steenkapperij: monelen, maaswerk, hogels, pinakel, kapitelen • Natuursteenherstelling met minerale mortel • Gips-, kalk-, leem- en cementpleisterwerk: 1 of 2 lagensysteem • • • •
Lijsten - Stuc - Fixeren van verpoederd pleisterwerk Eigen productie van gebluste kalkdeeg Vloer- en wandbetegeling Schilderwerken met silicaatverf (KEIM)
Tel.: 0472/77.65.04 - Fax: 09/282.93.26
Restauratie en Monumentenzorg