MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 20 13
MEI-. -JUNI 2001
AANDELIJKS
M&L
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdclinij Monumenten en Landschappen M O N U M E N T E N
EN
L A N D S C H A P P E N
Redactie Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL
Tel. (02)553 82 34 - Fax (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lm.vlaanderen.be Coördinatie: LucTack Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns
Coi'er: Schip onder zeil tussen Oostende en Antwerpen (foto 0. Pauwels)
Abonnementsvoorwaarden 2001 België: 1300 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 250 fr.). CJP'ers betalen: l l O O f r . Buitenland: 2000 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Albert H-laan 20 - Bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MftL-jaarabonnement 2001". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be
Internet
Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 - Fax: (050)34 37 68
Redactiecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Bracken, M. Buyle, M, De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J, Gyselinck, A. Malliet, V. Meul, G. Plomteux, L Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch.Vanthillo, L Wylleman.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64
Zonder schnftel ike opzegg ng voer 'e: e n:e ^ar elk ka enda aai wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL
Tel.; (02)553 82 36 - Fax: (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
J-ai O-Ua 6
Verantwoordelijke uitgever
Het z e i l o p l e i d i n g s s c h i p de M e r c a t o r Marcel Vanden Bosch
25
De S t . - A l b e r t u s k e r k van Zwartberg en de St. T h e o d a r d u s k e r k van B e r i n g e n - M i j n : m i j n k a t h e d r a l e n van Henri Lacoste Patrik Jaspers
il
56
De S t . - A l b e r t u s k e r k en de S t . - T h e o d a r d u s k e r k : p r o b l e m a t i e k en r e s t a u r a t i e Peter Zeelmaekers
64
Summary
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
P.E.C. International n.v. Verbindingsstraat 2, B-91()0 St.-Niklaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09
Uw patrimonium. .onze zorg Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polyhieerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Kleine Breedstraat 33 - B-9100 SINT NIKLAAS Erkend aannemer cat D k i l o cat D l kl 3, D21 kl 3, D24 kl 4
E v e n w i c h t tussen w e t e n s c h a p en v a k m a n s c h a p
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek)
ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M.
0 9 / 3 7 2 63 03
Van Der Biest L.
0 3 / 7 7 1 44 66
Vandenborre H.
0 9 / 3 7 2 63 03
FAX
0 9 / 3 7 2 63 03
alk voor renovatie, restauratie en decoratie van ons patrimonium !
CORIDECOR kalkverven binnen- en buitendecoratie
"Miniere Si San tRomedio
Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B- 2627 Schelle (België) Tel.: 00.32.3/880.73.73 Fax: 00.32.3/880.73.70
N.V RESTAURATIE "MERCATOR 55 Scheepsbouw en scheepsherstelling Verkoop, nazicht & onderhoud van veiligheidsmaterialen
ROYERSSLUIS KAAI 48
H. BAELSKAAI 8A
2030 ANTWERPEN
8400 OOSTENDE
Tel. 03-201 89 70
Tel. 059-33 96 00
Fax 03-201 89 71
E-mail: info@skb.be
Fax 059-33 96 01
OPDEDRYNCK bvba H. Baelskaai 35 - 8400 Oostende Tel. 059-34 03 11
Elektriciteit Camerabewaking Inbraak- en brandbeveiliging in • Bouw • Industrie • Tertiaire sector • SCHEEPVAART EIGEN STUDIEBUREAU Beveiligingsonderneming erkend door het ministerie van Binnenlandse Zaken onder het nr. 20064437
M&L
sikkEn
Sikkens Bouwverven Akzo Nobel Decorative Coatings C. Levisstraat 2 - 1800 Vilvoorde TEL: 32(0)2/254.25.60 FAX: 52(0)2/254.22.96
Een nieuwe dimensie in kwaliteit en kleu r
•
Marcel Vanden Bosch
MET ZEILOPLEIÜINGSSCHIP DE MERCATOR • Schip onder zeil tussen Oostende en Antwerpen (foto 0 . Pauwels)
• |~ In 1932 kwam het zeilopleidingsschip M e r c a t o r , een barkentijn het eerst in de vaart. spectaculaire
van toekomstige uitbreken
teweeg in de
Belgische officieren.
voor
bracht
een
opleiding
Tot aan het
van de Tweede Wereldoorlog
19 volwaardige officieren
met drie masten,
Deze barkentijn
vooruitgang
Na de veeleisende oorlogsjaren
de
legde het
kwam de
M e r c a t o r in 1947 zwaar gehavend
de
haven binnengevaren.
herstelling
aanpassing leidingsschip
Een grondige
waren nodig om het opnieuw te laten functioneren.
nam het ook deel aan enkele
Op 14 augustus
boord.
heeft het schip uit die periode expedities
op zijn naam
In 1935 bracht
het twee reuzengrote
het Paaseiland
naar België, en - allicht
oorlog
schip. Er werd beslist het als museumschip
staan.
bouwen en het beheer in handen
beelden
van
het meest
v.z.w. Mercator.
Zijn bescherming
permanente
van pater
Damiaan
opdracht
houden en rendabel
om te
te geven van de als
monument
in 1995 maakte dat verkregen kon worden
met het stoffelijk
overschot
definitief
zeilopleidings-
enkele
het schip te restaureren.
boord.
Na de
1960 zette de Mercator
bewogen gebeuren -, in 1936 meerde het aan
aan
als op-
zeilwedstrijden.
een punt achter zijn carrière als
spraakmakende
en
zeereizen af, al of niet met
in spe aan
Daarnaast
Antwerpse
om
De v.z.w. heeft als
de M e r c a t o r te onderte maken.
DE MARITIFMF DPI FIDINfi IN BELGIF VÓÓR DF MFRCATOR Toen ons land onafhankelijk werd in 1830, werd maritiem onderwijs verstrekt in twee zeevaartscholen, één in Antwerpen en één in Oostende. Die scholen bestonden toen al vrij lang, de school van Antwerpen was immers gesticht in 1798, die van Oostende in 1820. In beide scholen werd echter alleen theoretisch onderricht verstrekt. Toekomstige officieren waren verplicht om voor hun opleiding aan te monsteren op schepen van de koopvaardij, hetzij onder Belgische, hetzij onder een vreemde vlag. Een dergelijke inscheping verliep voor deze toekomstige officieren niet zonder moeilijkheden. Zij moesten aanmonsteren in de allerlaagste rang, en aangezien zij nog alles te leren hadden, werden zij door de andere bemanningsleden niet altijd op de meest enthousiaste manier ontvangen en bejegend. Het was dan ook een harde leerschool. Maar zelden was er sprake van een praktische opleiding'. Zij waren meestal aan hun lot overgelaten en moesten met vallen en opstaan hun 'stiel' zelf zien te leren. Aan het begin van de 20ste eeuw kwam er verandering in deze toestand. In 1903 werd in Antwerpen een naamloze vennootschap gesticht, de Belgische Zeevaartvereniging. Zij had als opdracht een opleidingsschip uit te reden voor de toekomstige Belgische zeeofficieren. Aan de basis van deze vereniging lag vooral graaf Paul de Smet de Naeyer. Hij was toen minister van Financiën en Openbare Werken en had een grote belangstelling voor de maritieme uitbouw van ons land. Het eerste Belgisch zeilopleidingsschip, 'Comte de Smet de Naeyer', had geen hulpmotor en was uitgerust voor vrachtvervoer. O p 12 februari 1905 vertrok het uit Antwerpen voor zijn eerste reis. Het verging echter al op zijn tweede reis, tijdens een storm in de Golf van Gascogne. Drieëndertig bemanningsleden stierven op 19 april 1906 de zeemansdood, waaronder de commandant, twee officieren, de aalmoezenier en 18 cadetten. De verslagenheid in het land was bijzonder groot en de opleiding van toekomstige zeeofficieren werd meteen opnieuw in vraag gesteld. Het nieuwe opleidingsprogramma voorzag uiteindelijk eerst een theoretische opleiding aan boord van een stationair opleidingsschip. Daarvoor werd een Brits zeilschip aangekocht dat, na een aantal aanpassingen, omgedoopt werd tot 'Comte de Smet de Naeyer II'. Later zouden de toekomstige officieren de praktijk
Radetien aan het werk in de tuigage
leren gedurende 48 maanden op een varend schoolschip op zee. In afwachting van een eigen varend schoolschip werd een overeenkomst gesloten met een Duitse rederij om Belgische cadetten te laten inschepen op één van hun schepen, de 'R.C. Rickmers' een vijfmastbark. Die overeenkomst werd echter geen succes. Intussen had de Belgische Zeevaartvereniging beslist om met de steun van de Regering een nieuw schip te laten bouwen. Het werd een viermastbark die de naam 'L'Avenir' kreeg. Het schip werd gebouwd op een Duitse werf in Bremerhaven. Tijdens de periode van 1908 tot 1932 volbracht 'L'Avenir' 24 grote reizen, waarvan sommige meer dan een jaar duurden. 'L'Avenir' bleef overigens tijdens de hele Eerste Wereldoorlog in de vaart. In 1932 zou de Belgische Zeevaartvereniging 'L'Avenir' verkopen. Intussen had de Regering beslist zelf een nieuw opleidingsschip te laten bouwen, waarvan de uitbating toevertrouwd zou worden aan de Belgische Zeevaartvereniging. Het plan van het schip werd getekend door A. de Gerlache, directeur-generaal van het Zeewezen. De bouw werd toevertrouwd aan de scheepswerf Ramage en Ferguson te Leith in Schotland. Het schip kreeg de naam Mercator, naar de bekende Vlaamse cartograaf Gerard Mercator, of Gerhard Cremer.
M&L
HET NIEUWE ZEILQPLEIDINGSSCHIP MERCATOR
De vooroorlogse periode van 1932 tot 1940
De Mercator, een barkendjn, heeft een bruto tonnenmaat van 778,86 ton en is voorzien van een huipmotor van 500 pk. De totale lengte bedraagt 78,40 meter, de grootste breedte 11,09 meter en de diepgang 4,50 meter.
De Mercator vertrok voor zijn eerste reis uit Antwerpen op 5 september 1932. Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zou het schip in totaal 19 volwaardige reizen uitvoeren. Tijdens de 20ste reis werd het schip verrast door het uitbreken van de oorlog en kon het niet naar zijn thuishaven terugkeren.
De kostprijs van dit nieuwe zeilschip beliep 9 miljoen frank. Bij de levering bleek het echter geen volledige voldoening te schenken, zodat het weer naar de werf werd gestuurd voor een aantal aanpassingswerken die meer dan een half miljoen zouden kosten. De Mercator was nadien een uitstekend zeilschip. Het schip telt drie masten, respectievelijk met een hoogte van 39, 41 en 40 meter. Volledig opgetuigd telde het 15 zeilen met een totale oppervlakte van 1.600 m 2 . De geschiedenis van het schip kan worden opgedeeld in drie grote periodes: de vooroorlogse — van 1932 tot 1940 - , de oorlogsjaren - v a n a f 1940 tot het in 1947 weer in België kwam - , en de naoorlogse periode - van 1950 tot I960.
Oe 'Mercator' aan de kade in het Antwerpse Bonapartdok (niet gedateerde
Tijdens de vooroorlogse periode legde de Mercator in totaal 161.686 zeemijlen af, waaronder 78.866 al zeilend. Het schip werd niet uitsluitend ingezet voor de opleiding van toekomstige officieren. Tevens werd medewerking verleend aan wetenschappelijke ondernemingen, zoals het verzamelen van specimen voor het Natuurhistorisch Museum te Brussel. Bij het biologisch onderzoek van de zeefauna werden een vijftigtal nieuwe specimen van de zeefauna ontdekt, die de Mercator meebracht. Het schip zou trouwens ook echt geschiedenis schrijven. De reis van 3 november 1934 tot 21 mei 1935 bracht het schip naar het Paaseiland, waar het een Frans-Belgische expeditie zou ophalen. Daar wachtte het een zware opdracht: twee reuzenbeelden moesten aan boord geladen worden. Het zwaarste woog 6 ton, terwijl het schip voor anker moest gaan op meer dan 250 meter voor de kust. De Mercator bracht dit titanenwerk niettemin tot
foto privé archief)
• De 'Mercator' ti)dens de derde zeilrace voor opleidingsschepen van Oslo naar Oostende in I960 (foto privé archief)
M&L
Het opleidingsschip
tweede zeilrace
op weg van Brest
voor schoolschepen
naar de Canarische
in 1958
eilanden ti|dens de
(foto privé archief)
een goed einde, en de waardevolle vracht kon op 12 mei 1935 in Brussel worden afgeleverd. De reis van 14 oktober 1935 tot 4 mei 1936 is zeker niet minder rijk aan historische herinneringen. Tijdens die reis werd het stoffelijk overschot van pater Damiaan, de held van de melaatsen die zijn leven liet op het eiland Molokaï, naar België teruggebracht. De aankomst van het schip te Antwerpen in aanwezigheid van vele prominenten uit het hele land en de triomftocht die de lijkstoet volgde van Antwerpen overTremelo naar Leuven, de laatste rustplaats van de intussen zalig verklaarde Damiaan, zijn voor alle aanwezigen herinneringen die nooit vervagen. In 1938 ondernam het schip nog een metkwaardige reis naar IJsland voor een onderzoek in verband met de geisers.
De oorlogsjaren van 1940 tot 1947 Begin 1940 verliet de Mercator zijn thuishaven Antwerpen voor zijn 20ste reis. Achtereenvolgens werden de havens van Oostende, Tenerife, Rio de Janeiro, Lobito en Banana aangedaan, en op 14 september 1940 werd afgemeerd in Boma. Door de oorlogstoestand en de bezetting van het land was het uitgesloten naat België terug te keren. Het schip weid daarom afgeleid naar onze toenmalige kolonie, Belgisch-Kongo. Tijdens dat verblijf verleende het schip zijn medewerking aan het in kaart brengen van de kust van Belgisch-Kongo. Begin 1943 werd het schip opgeëist door de Britse Admiraliteit en vertrok het ondet Britse vlag naar Freetown om daar tot augustus 1945 dienst te doen als Submarine Depot Ship. O p de tentoonstelling die momenteel aan boord van het schip opgebouwd is, zijn meerdere foto's te zien die genomen werden tijdens dit verblijf, alsook de Britse vlag die het schip toen voerde. Aan het einde van de oorlog was het eens zo prachtige en goed onderhouden schip zo goed als onherkenbaar. Na lange en moeizame besprekingen werd de Mercator tenslotte naar België gesleept, waar het in Antwerpen aankwam op 18 januari 1947. Pas na grondige expertises werd beslist het schip weer volledig in orde te stellen en het opnieuw in te schakelen voor de opleiding van de cadetten. De werken werden toevertrouwd aan de firma Beauval en Goedeme uit Gent.
Het schip werd evenwel niet integraal heropgebouwd volgens zijn oorspronkelijke structuur. Steunend op de ervaringen opgedaan tijdens de vooroorlogse periode werd het wenselijk geacht bepaalde aanpassingen door te voeren om het schip en de opleiding optimaal te laten functioneren. Gelukkig zijn wij nog in het bezit van de wijzigingen die aan de oorspronkelijke inrichting werden aangebracht. Dat zou bijzonder nuttig lijken wanneer later, bij de bescherming van het schip als monument, beslist moest worden over de verdere restauratiewetken. Toen alle werken voltooid waren, werd een proefreis van een maand ingelast, waarna het schip opnieuw zijn oorspronkelijke opdracht kon gaan vervullen.
De naoorlogse periode van 1950 tot 1960 De eerste naoorlogse reis liep van 20 januari 1951 tot 22 april 1951 en bracht het schip onder meer in Tenerife, Casablanca, Rio del Oro, Napels en Algiers. De vooroorlogse reizen hadden veelal in het kader gestaan van wetenschappelijke expedities
T De Mercator op zee (foto 0. Pauwels)
TFCHNISCHE FICHE Type tuigage Barkentijn: dit is het type gemengd tuig met razeilen (dwarse tuiging) in de voor- of fokkemast (hoogte: 39 m), met langsscheeps getuigde grote mast (hoogte: 41 m) en bezaanmast (hoogte: 40 m) met schoenerzeilen en met een boegspriet. Bruto tonnenmaat:
778,86 ton
Lengte: Breedte: Diepgang:
78,40 m ll,09m 4,50 m
Scheepsromp met geklonken ijzeren platen, stalen structuur en bovenbouw. Houten dekken.
Besturing: • op de commandobrug bevinden zich o.a. een magnetisch standaardkompas, een gyrostuuraanwijzer, een log om de snelheid en de afgelegde weg aan te duiden, een clinometer om de slagzij aan te geven, drie spreekbuizen, een telegraaf om de bevelen van de brug naar de machinekamer over te brengen en signaalvlaggen.
• onder de commandobrug (in de kaartenkamer) bevinden zich het gyroscopisch kompas, het radarscherm, het echo-dieplood, de controlepost voor de navigatielichten, de elektrische koersaanwijzer, het druklog, de barometers en de scheepsklok.
Uitrusting dek: Vooraan, in het midden van het bakdek, bevindt zich de ankerspil. Deze kaapstander wordt gebruikt om het kabeltouw in te halen, soms ook om het anker te lichten. O p het voorschip bevinden zich twee ankers van 1595 kg. De kraanbalk dient om de ankers op het dek te plaatsen. De lengte van de ankerketting bedraagt 240 m (135 vadem), om de vadem gemerkt. Sonore verklikking van de gevierde lengte d.m.v. scheepsbel. Het gaat hier om een geschenk van de Stad Antwerpen met het opschrift: 'De Stad Antwerpen aan het Belgische schoolschip Mercator 1932' Elektrische ankerspil onder de bak. Reserveschroef en anker van 1.405 kg O p het achterdek: het noodroer en een magnetisch kompas.
Globale inrichting: - O p een zeilschip bestaat de bovenbouw op het dek uit de bak (vooraan), het brughuis (midscheeps), de kampanje (achteraan). Het verblijf van de onderofficieren en de matrozen was op het tussendek vooraan, dit van de kadetten op het tussendek achteraan. Het appartement van de commandant bevindt zich achteraan in de kampanje aan stuurboordzijde. De kapitein verbleef aan bakboordzijde (salon. slaap- en badkamer, hut)
•
Schip onder zeil tussen Oostende en Antwerpen (foto 0. Pauwels)
^
r.
i
ï
i
- Keuken achter de kaartenkamer (bovendeks).
1
h 1 1Wk^jnmSÊÊ'
- Zeilkooi (tussendeks)
km—jz^m
^^^^t^aS^aiwfflAjaj^
M&L
- Matrozenverblijf en Post 1: allerlei bestemmingen, o.a. het atelier voor het herstellen van de zeilen en de slaapplaats van de kadetten. Hangmatten en altaar.
- Post II: klaslokaal, refter en slaapzaal waarop uitgeven: de pantry, een bergplaats voor het oliegoed, de consultatieplaats voor de scheepsarts, het hospitaal en de apotheek. - Verder nog: de kajuiten van de aalmoezenier, de officieren, en de elektricien-werktuigkundige, de scheepsarts, de hofmeester, de chef-mecanicien en de boordcommissaris. Post III, de messroom van de officieren (met mahoniehouten lambrisering); de radiohut (dit alles tussendeks). - Onder Post I bevinden zich de koelruimte en de proviandkamer (onderdeks) - Het ruim
Machinekamer en hulpaandrijving • Dieselmotor 'Burmeister & Wain', 6 cilinders, bouwjaar 1932. • Bouwplaats: 'Ramage &C Ferguson Ltd, Engineers and Shipbuilders, Leith', nr 2691932. • Generatoren: 2 'Gardner' 5-cilinder Dieselmotoren en generatoren 'Crompton Parkinson', 220V, 30 kW, 1600 t • Pompen: een pomp 'SAM' met 2 cilinders, een centrifugale pomp 'Sunderland' e.a. • Schakelbord anno 1932 • Scheepstelegraaf met wijzeraanduiding. • Scheepsschroef met 2 bladen die tijdens het zeilen in verticale stand kan gezet worden. Beveiliging - Tussendeks: waterdichte deur die vanuit bovendeks d.m.v. een tand- en heugelsysteem bediend wordt en die met 2 wielen over een spoor rijdt. - Bovendeks: 10 houten reddingssloepen.
De machinekamer (foto 0. Pauwels)
en representaties in het buitenland. Na de oorlog nam het schip ook deel aan de grote zeilraces, waarbij het overigens bijzonder verdienstelijk was. Het schip nam deel aan drie grote zeilwedstrijden en tweemaal kwam het als eerste over de meet. Maar in geen van die twee gevallen behaalde het ook de eerste prijs. Aan deze wedstrijden namen immers schepen van verschillende grootte deel, die ook verschillende tuigages droegen. De inrichters hadden daarom een handicapformule ingebouwd bij het opmaken van de definitieve rangschikking. En die formule speelde in het nadeel van de Mercator. Tijdens de laatste wedstrijd waaraan het schip deelnam, de koers Oslo-Oostende in 1960, kwam het weer als eerste aan maar werd het in de officiële rangschikking slechts derde. Toch ontving het twee bijzondere prijzen: één om als eerste vierkant getuigd schip over de eindstreep te zijn gevaren, en een andere prijs voor de beste overtocht. Die zeilwedstrijd was trouwens een onderdeel van de allerlaatste officiële reis van het schip. Na de prijsuitreiking in Oostende vervolgde de Mercator zijn laatste reis met een bezoek aan Lissabon naar aanleiding van de 500ste verjaring van de dood van Hendrik de Zeevaarder. Toen het schip daarna op 14 augustus 1960 de haven van Antwerpen binnenliep, kwam er meteen een eind aan een glorierijke loopbaan. De Mercator zou nooit meer als zeilopleidingsschip zee kiezen.
WAAROM DE MFRCATOR UIT DF VAART GENOMEN WERD Al bij de heropbouw van het opleidingsschip Mercator op de werf Beauval en Goedeme, maar vooral nadat het schip opnieuw in de vaart was gebracht, dook de vraag op: 'waarom nog een zeilopleiding?'. Voor deze vraag bestonden verscheidene argumenten: - in de handelsvaart was inmiddels volledig afstand gedaan van zeilschepen; - in sommige landen, waaronder ook naties met een grote maritieme traditie, werd geen zeilopleiding meer verstrekt; - einig scheepswerven, zeker in België, hadden nog ervaring in het ontwerpen en bouwen van zeilschepen; De zickcnboe? " ' n ^ periode dat de Mercator niet beschikbaar (foto 0. Pauwels) was, hadden heel wat officieren hun opleiding
De Mercator ïan op de boegspriet (foto 0. Pauwels)
uitsluitend gekregen aan boord van cargoschepen. Daardoor waren twee categorieën zeeofficieren ontstaan, met en zonder opleiding aan boord van de Mercator. Mogelijk vreesden deze laatsten dat als de zeilopleiding bestendigd werd, zij als tweederangsofficieren beschouwd zouden worden. De toenmalige minister van Verkeerswezen, E. Anseele, stelde al op 27 juni 1956 twee concrete vragen aan de drie overkoepelende organisaties, de Belgische Zeevaartvereniging, het Koninklijk Belgisch Zeemanscollege en de Georges Lecointekring: 'Zoals U weet zal zich binnen afzienbare tijd het probleem stellen van de vervanging van het opleidingsschip Mercator. Ik zou het ten zeerste op prijs stellen indien uw vereniging in voltallige vergadering het probleem wilde bestuderen en indien U bij het Bestuur van het Zeewezen een omstandig verslag wilde indienen dat de uiteindelijke en gemotiveerde zienswijze van uw vereniging zou uiteenzetten. Dit verslag zou dan door een beperkte werkgroep als basis van bespreking worden genomen.
O p 3 juni 1957 kwam uiteindelijk een groep vooraanstaanden uit de sector samen om uitvoerig te discussiëren over de algemene opvatting van het nieuw te bouwen opleidingszeiischip. Hun verslag vermeldt uitdrukkelijk dat bij die discussie de aard van het schip - een nieuw zeilschip dus — niet meer aangeroerd moest worden, aangezien dit punt vroeger voldoende werd besproken. Ook dit advies ging naar het Kabinet van de Minister, maar het bleef, net als het vorige, zonder gevolg. Intussen hadden parlementsverkiezingen plaats waardoor RW. Segers aan het hoofd kwam van het departement van Verkeerswezen. Enkele maanden na zijn aantreden ontving hij een dossier van de administratie waaruit duidelijk bleek dat zij haar houding ten overstaan van vroeger volledig had aangepast. Daartoe meende zij enkele 'doorslaggevende' elementen in verband met vroegere rampgevallen, die met het eigenlijke dossier geen enkel verband hadden, naar voren te moeten schuiven. Uit die nota lichten wij volgende passages: 'Bij de leiders van de Belgische rederijen is er geen eensgezindheid in verband met de vervanging van Mercator (er wordt niet gesproken van de verhoudingen tussen voor- en tegenstanders)'. De grote meerderheid van de zeevaartofficieren in de meeste belangrijke maritieme naties krijgen geen zeilopleiding meer. Van de drie Belgische zeilopleidingsschepen:
• De mess van de officieren (foto 0. Pauwels)
De drie verenigingen gingen in op het verzoek van de Minister zodat het Bestuur van het Zeewezen hem op 12 december 1956 een dossier kon voorleggen waaruit het volgende uittreksel: 135.540 'Gelet op de quasi-unanimiteh van de uitgebrachte adviezen en met inachtneming van het feit dat de bijzonderste deskundigen die de doorslag moeten geven bij de besprekingen in de vroeger voorgestelde werkgroep, reeds omstandig hun advies hebben uitgebracht, ben ik van oordeel dat het geen zin meer heeft om thans nog een vergadering te wijden aan het vraagstuk ter bepaling van het type opleidingsschip dat Mercator zal vervangen. In deze voorwaarden ben ik zo vrij de heer Minister beleefd te verzoeken zijn akkoord te willen betuigen met het princiep dat MERCATOR zo spoedig mogelijk dient vervangen door een zeilschip, met hulpmotor, zonder lading, die plaatsruimte biedt voor ongeveer 200 opvarenden'. Zelfs na dergelijke adviezen was het probleem nog niet snel van de baan. De Minister liet het dossier voorlopig rusten.
M&L
- kende de 'Comte de Smet de Naeyer' een tragisch einde in de Golf van Gascogne; - is 'L'Avenir' met man en muis vergaan enkele maanden na de verkoop van het schip aan een Duitse reder; - is Mercator bijna gekapseisd tijdens zijn eerste reis (als eerste reis wordt bedoeld de reis bij levering van het schip, waarna grondige aanpassingen werden doorgevoerd, waardoor Mercator een uitstekend zeilschip werd)' De nota verwees verder omstandig naar de toen recente ramp met het Duitse zeilschip 'Pamir', en besloot uiteindelijk dat de beste oplossing erin zou bestaan de opleiding van de toekomstige dekofficieren te verzekeren aan boord van schepen eigendom van privé-reders. Wellicht sterk onder de indruk van het vergaan van de 'Pamir', verkoos de administratie geen verantwoordelijkheid meer te nemen in dit dossier. Door dit feit aan te halen, legde zij wel zwaar de nadruk op de persoonlijke en politieke verantwoordelijkheid van de Minister.
Er werden nog heel wat nota's gewisseld en contacten genomen, waarvan sommige, op historisch vlak, zeker buitengewoon interessant en leerzaam zijn, maar die ons te ver zouden leiden. Uiteindelijk maakte minister RW. Segers op 6 december 1960 volgende beslissing van de Ministerraad bekend aan de Administratie: 'Er wordt afgezien van het verder gebruik van Mercator dat 'voorlopig niet wordt vervangen door een ander zeilopleidingsschip'. Dat de Minister de uiteindelijke beslissing niet rechtstreeks nam maar het dossier voorlegde aan de Ministerraad, toont duidelijk aan hoe groot de verdeeldheid in de betrokken milieus intussen geworden was en hoe moeizaam gezocht werd naar een compromis. Gelijktijdig met de betekening van voornoemde beslissing gaf minister RW. Segers trouwens een nieuwe opdracht aan de administratie: 'Het zal passen mij regelmatig verslagen te laten geworden omtrent elke reis van een cargo waarop
cadetten werden ingescheept. Daarenboven dient op het einde van elk opleidingsjaar en dit gedurende drie opeenvolgende jaren een omstandig rapport opgesteld waaruit zal moeten blijken welke de weerslag is op de opleiding van de cadetten van de gewijzigde amarinage'.
DE MERCATOR GERED! Toen beslist was de Mercator definitief uit de vaart te nemen, moest tegelijk uitgemaakt worden welke verdere bestemming het schip zou krijgen. Sommigen stelden voor het aan het buitenland te verkopen, waar voldoende belangstelling bestond; anderen gaven er, om begrijpelijke redenen, de voorkeur aan het schip te slopen en op die manier eens en voorgoed een lijn te trekken onder het 'Mercator-dossier' en de zeilopleiding. Mede na een interventie van Z.M. Koning Boudewijn nam minister Segers de gelukkige
Na de bereiding in de keuken werden de maaltijden verdeeld vanuit de pantry
Het dokterskabinet
(foto 0. Pauwels)
(foto 0. Pauwels)
M&L
beslissing het schip voor ons land te redden. Hij formuleerde die beslissing als volgt: 'Naar mijn inzicht moest de nieuwe bestemming bepaald worden door de betekenis die het schip genoot voor de opleiding van onze zeeofficieren en rekening houdend met het nut dat het... ook in de toekomst... nog kan opleveren, zelfs nu het uit de vaart werd genomen. Het schip verkopen in de vreemde? Daartoe kon ik onmogelijk besluiten omdat de Mercator een symbool geworden is van onze nationale koopvaardij en van de opleiding onzer zeelui'. Zo werd beslist het schip ter beschikking te stellen van de daartoe speciaal opgerichte v.z.w. Mercator, het in te richten als museumschip en het open te stellen voor het publiek. Het werd, op 27 mei 1961 op de linkeroever te Antwerpen plechtig ingehuldigd door Z.K.H. Prins Albert.
HET EINDE VAN DE ZEILQPLEIDING? Toen minister RW. Segers op 6 december 1960 de beslissing nam het opleidingsschip Mercator uit de vaart te nemen, betekende dit slechts een tijdelijk opschorten van de zeilopleiding. Daarover zou slechts definitief worden beslist na drie jaar en grondige evaluatie van de resultaten van de gewijzigde amarinage. Dat zou echter niet zo lang op zich laten wachten. Na heel wat verdere besprekingen op basis van voorstellen die ook van de privé-sector uitgingen, besliste minister A. Bertrand, die intussen RW. Segers aan het hoofd van Verkeerswezen had opgevolgd, al op 29 oktober 1962 dat er geen staatsschip meer ter beschikking gesteld zou worden voor de opleiding van de officieren en dat die dus uitslui-
^
tend zou gebeuren aan boord van cargo's van privérederijen. Hoewel het uit de vaart nemen van de Mercator en het afsluiten van langlopende huurcontracten voor cargo's bij steeds meer mensen de overtuiging had doen groeien dat er misschien geen vervanger van de Mercator meer zou komen, kwam de beslissing toch nog hard aan. Ook in de pers werd nog erg kritisch gereageerd. Een Vlaamse krant titelde toen bijvoorbeeld: Minister Bertrand schaft de zeilopleiding af... na goedgespeelde komedie.
DE V.Z.W. MERCATOR Toen minister RW. Segers de beslissing nam het opleidingsschip Mercator voor de toekomst te bewaren werd meteen bepaald hoe dat zou worden gerealiseerd. De Overheid kon daarvoor niet zelf instaan. Daarom werd het schip ter beschikking gesteld van een v.z.w. die de opdracht had het te behouden in de staat waarin het zich bevond en er een symbool van te maken voor de scheepvaart in ons land. O p 25 mei 1961 werd in uitvoering van die beslissing bij notariële akte de v.z.w. Mercator opgericht, waarvan het hoofddoel in de statuten omschreven werd als volgt: 'De vereniging heeft tot doel de nodige fondsen te verwerven en te beheren met het oog bij te dragen tot het in stand houden van het zeilopleidingsschip Mercator'. Van bij de start genoot de v.z.w. Mercator de Hoge Bescherming van Zijne Majesteit de Koning. Maar de opdracht was niet eenvoudig. Het schip in zijn toestand behouden, een museum inrichten aan boord, zorgen voor de exploitatie van dit museum, alle lasten van personeel, verwarming, verzekeringen... dit alles stelde, zeker bij de aanvang, zware financiële problemen. De vereniging kon slechts van start gaan nadat ze een lening had afgesloten voor de aankoop van de vereiste toonkasten in het museum, alsook voor het aanbrengen van kleine wijzigingen aan het schip om een vlotte doorloop van de bezoekers mogelijk te maken. Aan deze wijzigingen moest de Overheid eerst haar goedkeuring hechten, want het schip was nog steeds eigendom van de Belgische Staat. Van bij de start legde de vereniging zichzelf twee strikte richtlijnen op:
- de jaarrekeningen moeten steeds met een positief saldo sluiten, zoniet zouden het daaropvolgende jaar de toegangsprijzen worden aangepast, - deze toegangsprijzen moeten steeds zo laag mogelijk gehouden worden, speciaal voor schoolbezoeken, om te kunnen voldoen aan de opdracht om van het schip een symbool te maken voor de scheepvaart in ons land en tevens de jeugd aan te zetten om voor een loopbaan op zee te kiezen. Na een paar jaar werd duidelijk dat, om dit doel te kunnen bereiken, de vereniging minstens 100.000 bezoekers per jaar moest tellen, enerzijds om de exploitatiekosten van het museum en het dagelijks onderhoud te verzekeren en anderzijds om de nodige reserves aan te leggen voor grote onderhoudswerken die zich zeker zouden opdringen. Tijdens de eerste tien jaar kreeg het schip 816.073 bezoekers (gemiddeld 81.607 per jaar), gespreid als volgt:
1961 1966 1962 1967 1963 1968 1964 1969 1965 1970
78.028 83.052 74.328 59.722 50.603 70.804 149.881 62.560 100.741 86.354
Het uitzonderlijk hoge aantal bezoekers in 1964 was te danken aan de aanwezigheid van het schip in Antwerpen gedurende het grootste gedeelte van het jaar en aan een eerste bezoek, tijdens de zomermaanden, aan Oostende in het kader van de grote feestelijkheden rond het eeuwfeest van de Stad. Met een gemiddelde van 81.607 bezoekers zag de toekomst er niet rooskleurig uit. De Raad van Beheer nam dan ook tijdig de initiatieven die zich opdrongen: een lichte aanpassing van de tarieven, verbeterd onderhoud van het schip, een uitbreiding van de bezoekmogelijkheden, een aantrekkelijk museum aan boord, meer doelgerichte publiciteit... Van 1965 af werd ook geopteerd voor Oostende als vaste ligplaats. De resultaten bleven niet uit, zoals mag blijken uit de cijfers voor de daaropvolgende twintig jaar (2.330.218 of gemiddeld 116.511 per jaar)
108.184 116.803 118.403 115.281 111.264 121.504 112.863 118.306 115.252 113.844 116.215 118.969 136.346 116.467 105.300 121.181 101.937 133.031 101.079 127.989
goederen van de Staat beheerd door het ministerie van Verkeerswezen (bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart) overgedragen naar het Vlaams Gewest, omvatte onder meer de Mercator (ter beschikking gesteld van de v.z.w. Mercator).
De aantallen bezoekers waren dus positief geëvolueerd, maar de exploitatie- en vooral de onderhoudskosten waren in verhouding nog veel sterker gestegen. Het was dus duidelijk dat ofwel de toegangsprijzen sneller aangepast moesten worden, ofwel dat gemiddeld 125.000 bezoekers per jaar aangetrokken moesten worden. O m sociale redenen en om het dagelijks onderhoud en de bewaking te garanderen, was het inderdaad noodzakelijk gebleken met de uitbreiding van de bezoekuren ook de personeelsbezetting te verhogen. Bovendien vergde het ouder wordende schip steeds meer onderhoud.
O p 10 november 1995 ondertekende minister L. Martens het ministerieel besluit waarbij de Mercator— na het ontvangen van de voorgeschreven adviezen - definitief opgenomen werd op het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Bij ministerieel besluit van 24 september 1996 werd de Mercator definitief beschermd als monument overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976, gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995.
1971 1981 1972 1982 1973 1983 1974 1984 1975 1985 1976 1986 1977 1987 1978 1988 1979 1989 1980 1990
Alle kosten van exploitatie en onderhoud, dus ook de grote herstellingen, waren volledig voor rekening van de vereniging, zonder dat zij er enige subsidie voor kreeg. Alle gelden kwamen dus van de jaarlijkse bijdragen van de leden, van de inkomgelden en de opbrengst van de verkoop van enkele souvenirs aan boord. Slechts één maal, bij de vernieuwing van het houten hoofddek, werd een eenmalige subsidie van 3.000.000 frank gekregen van de Nationale Loterij.
DF MFRCATOR VERANDERT VAN EIGENAAR... EN WORDT FFN RFSCHFRMD MONUMENT De Mercator V/AS oorspronkelijk eigendom van de Belgische Staat. Met de regionalisering kwam daar evenwel verandering in. Het Koninklijk besluit van 23 februari 1994 tot vaststelling van de lijst der
De Mercator was voortaan dus eigendom van het Vlaams Gewest. Velen in en rond de v.z.w. Mercator dachten dat daaruit alleen een nieuwe overeenkomst tussen de vereniging en de nieuwe eigenaar zou resulteren en dat er geen oplossing zou komen voor de echte, groeiende problemen rond de instandhouding van het schip. Deze veronderstelling bleek snel fout te zijn. De gebeurtenissen volgden elkaar snel op, en perspectieven openden zich voor een nieuwe, mooie toekomst voor de Mercator. Minister J. Sauwens plaatste de Mercator op 9 september 1994 op het voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten.
Vanaf dat ogenblik kon de v.z.w. Mercator dossiers indienen om restauratiepremies te verkrijgen voor een grondige restauratie van het schip. Daarvoor moest echter eerst een overeenkomst ondertekend worden tussen het Vlaams Gewest, Administratie Waterwegen en Zeewezen, die eigenaar was van het schip, en de v.z.w. Mercator, die het beheer van het schip verder zou waarnemen. Deze overeenkomst moest juridisch zo opgesteld zijn dat het decreet op het verlenen van restauratiepremies toepasselijk zou zijn. De overeenkomst kon, na moeizame besprekingen, door beide partijen ondertekend worden op 27 mei 1999. De vereniging was intussen echter niet werkloos blijven toezien. Bestekken werden opgemaakt voor de uit te voeren werken. Vanaf de start werden alle betrokken diensten op lederaal (zeevaartcontrole) en gewestelijk vlak (afdelingen Vloot en Monumenten en Landschappen) bij die werkzaam-
heden betrokken, met de betrachting bij het officieel indienen van de dossiers elke vertraging te vermijden. Toen minister L. Martens op 27 mei 1999 het ministerieel besluit ondertekende waarbij de v.z.w. Mercator een premie werd verleend voor restauratiewerken aan het voormalige opleidingsschip Mercator te Oostende, waren alle dossiers zo ver gevorderd dat binnen de kortste tijd de vereiste aanbestedingen op Belgisch en op Europees niveau konden worden uitgeschreven. Intussen hadden ook het Vlaams Gewest en de v.z.w. Mercator een akkoord bereikt dat bij de restauratie van het schip en het latere onderhoud, alles in het werk zou worden gesteld om het schip maximaal te behouden zoals het tijdens de naoorlogse periode in de vaart was, rekening houdend dus met de wijzigingen die aan de oorspronkelijke structuur werden aangebracht bij Beauval en Goedeme. Ook de kleine aanpassingen die de v.z.w. Mercator destijds, met het akkoord van de federale overheid, had doorgevoerd om een vlot bezoek aan het schip mogelijk te maken, werden gerespecteerd.
DE MOTIVERING VAN DE MQNUMENTWAARDE Het Ministerieel Besluit waarbij de Mercator als monument werd beschermd dateert van 24 september 1996. De motivering luidt als volgt: 'Omwille van het algemeen belang gevormd door de industrieel-archeologische waarde als laatste Belgisch schoolschip met zeilen en hulpmotor dat • werd gebouwd in 1932, nl. in de laatste periode dat er nog zeilkoopvaardijshepen in de omvaart waren, wat duidelijk blijkt uit de gecombineerde aanwezigheid van traditionele en eigentijdse kenmerken, dit laatste vooral wat de uitrusting aangaat; • inzicht verleent in een opleidingsmethode bij de Belgische Marine tot 1960; • heeft deelgenomen aan bijzondere wetenschappelijke opdrachten en sportmanifestaties.'
DE RFSTAÜRATIEWERKEN De werken werden opgesplitst over drie aanbestedingen: elektriciteitswerken, droogdokwer- ken en het bouwen van vier nieuwe reddingsboten.
• Het schip in het droogdok voor restauratie (foto 0. Pauweis)
Elektriciteitswerken In de voorbije jaren werden in eigen regie, bij het uitvoeren van onderhoudswerken in de kajuiten en de aanpassing van de tentoonstelling in de onderscheiden posten, al heel wat elektrische leidingen vernieuwd. Een meer grondige aanpak was nochtans noodzakelijk om alle brandgevaar te vermijden. Daarom werden nog heel wat kabels vernieuwd: de voedingskabels naar het hoofdschakelbord in de machinekamer, de doorverbindingen achter het hoofdschakelbord, alle doorverbindingen van het hoofdschakelbord naar de verdeelkasten doorheen het schip, alsook naar de elektrisch bediende machines en motoren. Van deze gelegenheid werd gebruikgemaakt om op het schip een alarm- en branddetectiesysteem in te bouwen. Dat was dringend noodzakelijk voor de veiligheid van de bemanning en voor de vrijwaring van het schip.
M&L
•4
•4
Oe Mercator
Het vastklinken
op het droge
van de nagels
(foto 0. Pauwels)
(foto 0. Pauwels)
Deze werken werden toevertrouwd aan de firma Opdedrynck uit Oostende. Ze werden uitgevoerd in december 1999 en januari 2000. Daarna vertrok het schip naar Antwerpen voor de droogdokwerken.
Droogdokwerken De droogdokwerken werden toevertrouwd aan de firma Scheepvaart en Konstruktiebedrijf S.K.B, uit Antwerpen. Boven dek werd het campagnedek volledig waterdicht gemaakt. Daarvoor moest het bestaande houten dek, met alles wat er op staat, afgenomen worden en moest het stalen ondergebinte volledig ontroest worden. Waar nodig werd staal en/of hout vervangen of hersteld. Vervolgens werd het houten dek teruggeplaatst, samen met alles wat er op stond.
Het opwarmen van de klinknagels (foto 0. Pauwels)
Hetzelfde gebeurde met het brugdek. Daar werd evenwel over de volledige oppervlakte een stalen plaat als onderlaag aangebracht. Het bakdek onderging een nog grondiger opknapbeurt. Dezelfde werkzaamheden werden er uitgevoerd, maar omdat de toestand van het houten dek zo slecht was, werd het haast volledig vernieuwd. De sierstukken, zowel onder de boegspriet als op het achterschip, waren nog oorspronkelijk. Maar zij verkeerden in een bijzonder slechte staat en werden daarom vervangen. Er werd voor gezorgd dat deze kopieën een zo getrouw mogelijk weergave zijn van de oorspronkelijk stukken. De romp onder de waterlijn werd grondig geïnspecteerd. Waar nodig werden nieuwe platen ingestoken die, volgens de richtlijnen van de Afdeling Monumenten en Landschappen, niet gelast werden maar geklonken, zoals in de oorspronkelijke toestand. Tijdens de werken bleken bijkomende werken noodzakelijk. Vooral aan de romp, onder de boegspriet, werd bij het wegnemen van de sierstukken duidelijk dat een gedeelte van de platen aan vervanging toe was. Deze en andere onvoorziene werken maakten dat het schip drie weken langer in het droogdok bleef dan voorzien was.
Al deze werken werden uitgevoerd van februari tot april 2000. Na afloop nam het schip zijn ligplaats in Oostende opnieuw in.
Vier nieuwe reddingsboten De vier reddingsboten die zich aan boord bevinden, waarvan één met motor, waren in een te slechte toestand om ze nog te water te laten. In het kader van de restauratiewerken werd daarom voorzien
Onder de waterlijn is een stalen plaat vervangen en vastgeklonken met klmknagels (foto 0. Pauwels)
T
Wanneer het schip
loodrechte stand
De elektnsclie
onder zeil vaart
geplaatst zodat de
ankerlier waarmee
wordt de schroef,
vaart minder
het anker wordt
die bi| zeilschepen
afgeremd wordt
neergelaten en
slechts uit twee
(foto 0. Pauwels)
opgehaald
pallen bestaat in
(foto 0. Pauwels)
DF MERCATOR IN HET PROJECT 'SCHELDEMOND MARITIEM^
vier nieuwe boten te maken volgens het aan boord zijnde model. De bouw van deze boten werd toevertrouwd aan de firma Scheepvaart en Konstruktiebedrijf S.K.B, uit Antwerpen, die de houtconstructie in onderaanneming liet uitvoeren door de firma Lowyck & Zoon uit Oostende.
M&L
Scheldemond Maritiem is een project in het kader van de grensoverschrijdende samenwerking Euregio Scheldemond. Het is opgezet om maritiem cultuurhistorische, toeristische producten te ondersteunen. Naast de productieontwikkeling wordt ook aandacht besteed aan samenwerking tussen verschillende projecten zodat op termijn één toeristisch netwerk ontstaat. Zo wordt er samengewerkt voor promotie en voor de ontwikkeling van een verbindend element. Euregio Scheldemond w\\ met diverse projecten de sociaal-culturele ontwikkeling in de grensregio van Zeeland en Vlaanderen stimuleren. Scheldemond Maritiem is één van die projecten. Naast de Mercator zijn bij dit project nog vier andere sites betrokken: de restauratie van de jachthoogaars 'Alcyon' in Vlissingen, het vuurtorenschip 'Westhinder' in Gent, het Maririem Museum Zeeland in Vlissingen en het Gravenkasteel in Rupelmonde.
De Provincie West-Vlaanderen en Toerisme Vlaanderen verlenen, via de Europese Commissie, steun aan het project de Mercator voor de verdere restauratie van het schip — onder andere via de reddingsboten - , en voor de verbetering van het onthaal en van het bezoek. Tot dat laatste behoren: - het bewerken van oude fdms van de Mercator wzn voor en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog, zodat permanent beelden vertoond kunnen worden van het schip op zee; - het aanbrengen van de vereiste video-infrastructuur om de vertoning van die fdms mogelijk te maken; - de levering en inwerkingstelling van audiogidsen, zodat de bezoekers een toestel kunnen huren om tijdens hun bezoek uitleg over de geschiedenis van het schip en het leven aan boord te krijgen in de taal van hun keuze; - het bouwen van een nieuw paviljoen voor de verkoop van tickets en souvenirs. • Op het achterdek
worden bi| defect
staat een
van het normaal
magnetisch kompas
stuurmechamsme
en een stuurwiel
op de brug
dat kan gebruikt
(foto 0. Pauwels)
T Bakboord is de linkerzijde van een schip wanneer men naar de voorsteven kijkt (foto 0. Pauwels)
Al deze verbeteringen aan onthaal en opvang van de bezoekers werden intussen volledig gerealiseerd.
DF VERDERE TOEKOMST VAN DE MERCATOR Na de bescherming van de Mercator en de uitvoering van heel wat restauratiewerken moet de v.z.w. Mercator dit monument nu verder onderhouden en het de uitstraling geven die het verdient. De jongste jaren was de publieke belangstelling voor het schip nochtans licht verzwakt, zoals blijkt uit de bezoekcijfers van de afgelopen vijfjaar:
1995 1996 1997 1998 1999
91.255 135.540 97.582 95.956 92.130
Met uitzondering van 1996, toen het schip enkele weken in Brussel verbleef in het kader van het Eeuwfeest van de Brusselse haven, en daar een uitzonderlijk succes kende met gemiddeld 1.950 bezoekers per dag, werden er voor die periode minder dan 100.000 bezoekers per jaar geteld. De mogelijkheid om restauratiepremies te krijgen is een grote financiële steun. Maar niettemin blijft het noodzakelijk dat er elk jaar minstens 115.000 bezoekers zijn om de steeds stijgende exploitatiekosten te dragen. Bovendien moet de v.z.w. ook reserves aanleggen voor het eigen aandeel in de vierjaarlijkse droogdokbeurt, die de zeevaartcontrole heeft opgelegd. Die werken hangen trouwens volledig af van eventuele restauratiepremies. O m de belangstelling voor het schip in Oostende te bestendigen, zal het niet alleen noodzakelijk zijn
het blijvend te onderhouden en te restaureren, maar ook het opnieuw een varende en ambassadeursfunctie te geven, zij het in beperkte mate. Binnen de toelating voorzien in het beschermingsbesluit is het wenselijk dat het schip zich elk jaar voor een kortere periode verplaatst naar een andere haven in België of een omringend land. Precies door die verplaatsing komt het schip het best in de kijker te staan. Elke reis, vooral dan een reis onder zeil, is veruit de beste reclame met het oog op een hoog bezoekersaantal. Helaas vergen dergelijke verplaatsingen heel wat supplementaire uitgaven, terwijl ook telkens een aantal bezoekdagen verloren gaat: het schip moet vooraf klaargemaakt worden, het is niet te bezoeken tijdens de reis, het moet weer in orde gemaakt worden bij zijn terugkomst... Bovendien stelt het onder zeil brengen van het schip steeds meer problemen. De huidige zeilen dateren uit de jaren 1950 en zijn dringend aan vervanging toe. Als de Mercator (ie.e\ne.tmt aan Sail 2001 in Antwerpen en aan de grote feestelijkheden in Brugge 2002 - wat ten overstaan van het Vlaams Gewest een must is is een beslissing om een volledig stel nieuwe zeilen aan te schaffen, zeker verantwoord.
Marcel Vanden Bosch Beheerder, Secretaris-penningmeester van de v.z.w. Mercator.
Patrik
Jaspers
DE ST.-ALBERTUSKERK VAN ZWARTBERG EN DE ST.-THEODARDUSKERK VAN BERINGEN-MIJN: MUNKATHEÜRALEN VAN HENRI LACOSTE
De Smt-Theodarduskerk van Bermgcn-Hi)n (foto 0. Pauwels)
Honderd jaar zijn er verlopen sinds
André
deze bewogen geschiedenis
Dumont
in As, in de
landschap
in 1901 steenkool ontdekte
Limburgse
Kempen. In de eeuw die hierop
werd de geschiedenis grotendeels de ondergang
bepaald
van
volgde
van de mijnbouw.
de bloei en
De sporen
infrastructuur, gedomineerd
Midden-Limburg
door de opkomst,
aanwezig
van
uitgestrekte
zijn overal in het
in de vorm van vervoers-
terrils en grote
mijnterreinen,
door de schachttorens. tuinwijken
Maar ook de
met hun scholen,
zieken-
huizen, casino's en kerken die in de nabijheid
van
de mijnen werden opgericht, zijn alle getuigen van het Limburgse mijnverleden (1). De kerken die de verschillende mijndirecties lieten bouwen, vallen op door hun monumentaliteit
en hun rijk-
dom. Daarom werden ze na verloop van tijd aangeduid met de term
'mijnkathedralen'.
Dit artikel vestigt de aandacht op twee van die mijnkathedralen, de Sint-Albertuskerk van Zwartberg en de Sint-Theodarduskerk van BeringenMijn, beide gebouwd naar ontwerp van Henri Lacoste. Deze kerken, waarvan de torens het Limburgse landschap beheersen, zijn even belangrijke getuigen van het mijnverleden als de schachttorens.
WAT7IIN MIINKATHFDRALEN? De term 'mijnkathedralen' wijst op de grote en rijk aangeklede kerken die de verschillende mijnmaatschappijen in de Limburgse Kempen lieten bouwen in hun arbeiderswijken (2). Het gaat hier over de Heilig Hartkerk van Winterslag (Adrien Blomme, 1925) (3), de Christus Koningkerk van Waterschei (Gaston Voutquenne, 1936) (4), de Sint-Barbarakerk van Eisden (August Vanden Nieuwenborg, 1936) (5), de Sint-Albertuskerk van Zwartberg (Henri Lacoste, 1940) en de Sint-Theodarduskerk van Beringen-Mijn (Henri Lacoste, 1943). O o k de mijndirectie van Houthalen had in de jaren 1950 de intentie een mijnkathedraal te bouwen voor de wijk Meulenberg. Het project van Isia Isgour uit 1957 werd niet uitgevoerd als gevolg van de steenkoolcrisis (6).
répondre au geste du groupe Dumont qui a construit une église a Waterschei, la localité voisine... Les rivalités commerciales ont des ramifications lointaines et inattenduesir (7). Tot slot konden de mijnmaatschappijen hun imago effectief oppoetsen door de bouw van de mijnkathedralen. Aanvankelijk stond een deel van de katholieke Limburgse elite negatief ten opzichte van de mijnbouw. Zij vreesde dat de industrialisatie van de Kempen gepaard zou gaan met de komst van vreemde arbeiders en van het socialisme, waardoor oude zeden en geloof zouden verdwijnen. Deze vrees bleek later ten dele ongegrond en toen de mijnmaatschappijen actief kerkelijke instellingen gingen ondersteunen, onder meer door de bouw van kerken en vrije scholen, werden ze beschouwd als een bondgenoot in de strijd om 'Limburg voor Christus te bewaren' (8). Deze verschuiving in de houding van katholiek Limburg ten opzichte van de mijndirecties komt onder meer naar voor in het literaire werk van de franciscaan Hilarion Thans. In zijn poëzie is een overgang merkbaar van een afwijzen van de mijnindustrie, die hij verantwoordelijk stelt voor het verdwijnen van de voorvaderlijke Kempen met haar ongeschonden heidevlakten (9), naar een aanvaarden van de mijnindustrie. Zo bevat het werk 'Zwarte Kempen' de opdracht: 'Aan Baron Evence Coppée. De mijn- en kerkbouwer'en eindigt hetzelfde werkje met volgende passage. " Toch, diep in z'n hart (- van de Kempische mijnwerker) leeft nog, onverwoestbaar, vroeg of laat heroplevend: zijn Geloof. Zoals, ook boven de zwarte Kempen, bonkig en onverzettelijk rijst, laatst, en hoogst, en schoonst: de Kerkbouw" (10).
HENRI LACOSTE n n De vraag naar de motieven van de mijndirecties bij de bouw van de mijnkathedralen is niet eenduidig te beantwoorden. Volgende elementen speelden zeker in meer of minder mate mee. Een eerste motief is van praktische aard. Er moesten kerken worden gebouwd opdat de overwegend katholieke bevolking van de tuinwijken, die op dat moment gemiddeld uit duizend woningen bestonden, hun kerkelijke plichten konden voldoen. Maar de kerk moest ook het prestige en het imago van de mijnmaatschappij versterken, in concurrentie met de omringende mijnzetels. Dat blijkt onder meer uit het volgende citaat: "Mr. Allard, Directeur Gérant, a decide la construction d'une église a coté du groupe scolaire pr'es de la voie du chemin de fer, pour
Architect Henri Lacoste werd geboren te Doornik in 1885. In 1904, na zijn middelbare studies, trok hij achtereenvolgens naar de Académie Royale des Beaux Arts' te Brussel, waar hij vijfjaar de architectuuropleiding volgde, en naar Parijs, waar hij aan de 'Ecole Supérieure des Beaux Arts' eveneens architectuur studeerde. Na zijn studie nam hij deel aan een archeologische missie van het 'Institut de France' in Delphi, die abrupt beëindigd werd toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hij keerde terug naar België, meldde zich aan als oorlogsvrijwilliger en werd ingelijfd bij de 'Mission Dhuique', die de opdracht had bedreigde gebouwen en kunstwerken in de frontstreek veilig te stellen (12).
Pas na de oorlog kon de carrière van Henri Lacoste tot ontplooiing komen. In een eerste fase ontwierp hij vooral oorlogsmonumenten. Het oorlogskerkhof van Rossignol (Luxemburg) is hiervan een mooi voorbeeld (13). In het kader van de wederopbouw maakte hij urbanistische plannen, onder andere voor Cherques en Bléharies, twee dorpen ten zuiden van Doornik. Deze plannen werden slechts gedeeltelijk gerealiseerd. Een fraaie verwezenlijking in deze periode is zeker de kerk van Bléharies (1925-1926) (14). Wegens de gedurfde constructie in gewapend beton werd zij algemeen geapprecieerd als een voorbeeld van moderne kerkbouw in België. Ook vermeldenswaard zijn de cafés en de cabarets die hij ontwierp in opdracht van zijn schoonvader, brouwer Carbonelle, en de bouw van zijn eigen huis in Oudergem (15). Al vlug nam de carrière van Lacoste een hoge vlucht. In 1924 ontving hij de 'Prix de Hainaut' voor zijn architecturale oeuvre. Het aanzien dat hij genoot vertaalde zich in een aantal belangrijke publieke opdrachten. Tussen 1930 en 1938 nam hij deel aan vijf Belgische archeologische missies in Apamea in Syrië (1930, 1931, 1935, 1937, 1938) (16). Daarnaast kreeg hij de opdracht voor het ontwerpen van het paviljoen van Belgisch-Congo voor de koloniale tentoonstelling te Vincennes (1931) (17) en voor de tentoonstelling van het water in Luik (1939) (18). Voor de wereldtentoonstelling die in 1935 te Brussel gehouden werd, ontwierp Lacoste de paviljoenen van het CommissariaatGeneraal, van de decoratieve kunsten, van het Katholieke Leven en van Griekenland (19).
De twee belangrijkste opdrachten die Henri Lacoste aan het einde van de jaren 1930 kreeg, kwamen van de Limburgse steenkoolmijnen. In november 1937 contacteerde de mijnmaatschappij 'S.A. du charbonnage des Liégeois en Campine' van Zwartberg hem voor een project voor een kerk en een pastorie voor de tuinwijk van Zwartberg. De Sint-Albertuskerk van Zwartberg werd gebouwd in de periode 1939-1940. In 1938 vroeg de mijnmaatschappij 'S.A. charbonnages de Beeringen' hem een ontwerp voor een kerk met daarbij een pastorie, twee kapelanijen, parochiale gebouwen en sociale voorzieningen. De Sint-Theodarduskerk te Beringen werd gebouwd tussen 1939 en 1943 en afgewerkt tot 1949. In de periode na de Tweede Wereldoorlog was Henri Lacoste vooral actief als lesgever en als lid van verschillende commissies, onder meer van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML). Daarnaast bracht hij het tot directeur en eredirecteur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Brussel. In deze fase van zijn carrière waren de architecturale verwezenlijkingen beperkt. Vermeldenswaard is het 'Home Achiel Vanacker', een vakantiehuis van de R T T te Oostduinkerke (25). Een opmerkelijke realisatie op het vlak van interieurarchitectuur is de herinrichting van de centrale bibliotheek van de universiteit van Leuven, die in 1940 door een brand vernield was. Al in 1944 werden hiervoor de eerste plannen getekend, maar het zou tot omstreeks 1950 duren eer de wederopbouw voltooid was. Vanaf 1960 legde Henri Lacoste zijn verschillende functies geleidelijk neer en trok hij zich meer en meer terug in zijn studeerkamer, waar hij zich toelegde op de structuren en de verhoudingen van de antieke urbanisatie en architectuur. Hij overleed in 1968.
Naast deze belangrijke publieke opdrachten, waarvan jammer genoeg niets bewaard bleef, werden in de jaren 1930 een aantal 'semi-publieke' gebouwen naar ontwerp van Lacoste gebouwd. In 1931 ontwierp hij een gebouw met laboratoria voor het Brugmannziekenhuis te Jette voor de 'Fondation Reine Elisabeth' (20). In 1935 tekende hij de plannen voor het sanatorium van Buizingen en in 1939 voor 'Home Familia', een sanatorium en een openluchtschool in De Haan.
DF SINT-ALBERTUSKFRK VAN ZWARTBERG (Tnrenlaan, Zwartherg-Genk) (26)
Henri Lacoste nam in de jaren 1930 eveneens deel aan de wedstrijden voor de heraanleg van de Elisabethwijk, (21) de Kunstberg (22) en het Zuidstation (23) te Brussel. Geen van deze ontwerpen werd uitgevoerd. Indrukwekkend is zijn ontwerp voor de heraanleg van het Ladeuzeplein en het stadspark te Leuven, maar dat ontgroeide evenmin de ontwerpfase (24).
Als in oktober 1937 de mijndirectie aan een aantal architecten (28) een voorontwerp voor de kerk van Zwartberg vraagt, hebben hun arbeiderswijken al een behoorlijke omvang aangenomen. Tussen de verschillende tuinwijken, gelegen ten oosten en ten westen van de weg van Genk naar Meeuwen, is er
Bouwgeschiedenis (27)
richting van de kerk grotendeels voltooid zou zijn voor de kerkwijding die voorzien was 7 juli 1940. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zorgde echter voor ernstige vertragingen. Het plaatsen van het orgel en het aanbrengen van het witte stucwerk op het ciborium en in de doopkapel, werden onderbroken door het uitbreken van de oorlog in mei 1940. Deze werkzaamheden werden pas hervat in augustus 1940. De beelden van de transkapellen, de balustrade van de kooromgang en de wijdingsmozaïek waren pas voltooid omstreeks juni 1941, hoewel ze al besteld waren in de eerste maanden van 1940.
i in A Sint-Albertuskerk van Zwartberg. Westgevel (foto 0. Pauwels)
een duidelijk sociaal onderscheid, hetgeen zich uit in de grootte en de uitrusting van de woningen (29). De kerk maakt echter geen deel uit van één van deze wijken, maar staat op het raakpunt van de verschillende wijken, zodat ze voor iedereen gemakkelijk bereikbaar is. Door haar ligging langs een verbindingsweg fungeert de kerk bovendien als een echte blikvanger (30). De mijndirectie koos uit de verschillende voorontwerpen dat van Henri Lacoste. Dit werd op 16 augustus 1938 door de KCML goedgekeurd. De definitieve plannen werden goedgekeurd op 28 november 1938. In januari 1939 werd de bouw van de kerk aangevat. Voor de fundering werd een beroep gedaan op de firma Pieux Franki. De aannemers Gelpkens en Vanonkelen uit Tienen realiseerden de ruwbouw van de kerk en de pastorie. In augustus 1939 waren de werken aan het schip al zover gevorderd dat de dragende structuur van het dak kon worden aangebracht. Gelijktijdig met de bouw van de kerk werd werk gemaakt van haar inrichting, volledig naar ontwerp van Lacoste. Het had er alle schijn van dat de in-
M&L
De kerk werd in gebruik genomen in september 1940, na de voorlopige inzegening door de deken van Genk. De kerkwijding vond plaats op 10 oktober 1941. Voor de daaropvolgende 25 jaar is er weinig te melden. De kerk vervulde haar functie van cultusgebouw en de mijn waakte over haar prestigeproject als een goede huisvader. Maar omstreeks 1965 traden ingrijpende veranderingen op. De mijn van Zwartberg werd gesloten en aanpassingen van de liturgie, voorgeschreven door Vaticanum II, stelden nieuwe eisen aan het kerkgebouw. De sluiting van de mijn had tot gevolg dat de kerkfabriek zelf verantwoordelijk werd voor het onderhoud van de kerk, dit terwijl haar middelen beperkt waren. Maar belangrijker was de impact van de vernieuwde liturgie op het interieur en het exterieur van de kerk. De vereiste aanpassingen gebeurden onoordeelkundig, hetgeen enkel te verklaren is door een gebrek aan besef van de waarde en het belang van het kerkgebouw. Nog maar net kon voorkomen worden dat het ciborium werd afgebroken. Wel werd het sacramentstorentje ontmanteld waarbij het tabernakel op het Onze-Lieve-Vrouwealtaar geplaatst werd. Voor het priesterkoor werd een nieuw koor aangebracht in beton, waarbij de communiebank en een deel van de rijke vloerbekleding van het koor werden verwijderd. Het hoofdaltaar werd verplaatst naar dit nieuwe koor. Het monumentale orgel tegen de westgevel kwam in verval. Het werd vervangen door een orgeltje rechts van het koor, waar ook het zangkoor een plaats vindt. Een droevig lot was ook de doopkapel beschoren. Bij de omvorming tot weekkapel werd de doopvont, beroofd van haar piramidale deksel, links van het koor voor het Onze-Lieve-Vrouwealtaar opgesteld. De sacristie, oorspronkelijk ingericht onder het koor, werd omgevormd tot douches en kleedkamers voor het nabijgelegen voetbalplein. Een nieuwe sacristie werd ingericht in de galerij tussen de kerk en de doopkapel.
In de loop van de jaren 1980 begon de kerk technische gebreken te vertonen. Het dak van de kerk moest in het begin van de jaren 1990 vervangen worden. Later werden ook werken uitgevoerd aan de toren. De glas-in-betonramen aan de zuidkant van de kerk zijn erg beschadigd. Ook hier dringt een restauratie zich op. De kerk werd gebouwd op initiatief van de mijndirectie, maar voor rekening van de kerkfabriek. Facturen op naam van een kerkfabriek waren immers vrij van belasting. Naast de financiële middelen van de mijn kon de kerkfabriek rekenen op een subsidie van 1 miljoen frank van de gemeente Genk. Het perceel waarop de kerk gebouwd werd, was een schenking van de mijndirectie aan de kerkfabriek. Het bestek uit 1939 voorzag in de volgende kosten: - ruwbouw kerk: 2.500.000 frank - ruwbouw pastorie en galerij: 244.000 frank - aankleding: 318.000 frank Omgerekend volgens de Abex-index vertegenwoordigt de som een waarde van 155.000.000 frank in 2000.
• Sint-Albenuskerk van Zwanbsrg.
Bij de afrekening in 1942 verkreeg men de volgende sommen: - ruwbouw kerk en pastorie: 3.420.000 frank - aankleding: 757.000 frank Het honorarium van de architect bedroeg 6% van deze som, of 250.000 frank. De totale kostprijs bedroeg 4.427.000 frank. Omgerekend volgens de Abex-index is dat 225.000.000 frank in het jaar 2000(31).
Architectuur Bij de kerk van Zwartberg zijn er drie bouwvolumes te onderscheiden: het kerkschip, de toren en de pastorie. Het schip van de kerk bestaat uit één beuk van zeven traveeën. Het halfronde koor heeft een kooromgang met vijf transkapellen en een galerij erboven. Het schip is overspannen door spitse gordelbogen. Hierop rust de dakstoel die zichtbaar gelaten is. Onder het schip van de kerk zijn er een fietsenstalling en sanitair, onder het koor bevindt zich de sacristie. De kerk werd immers op een kunstmatig verhoogd terrein gebouwd. Ten zuiden van de kerk staat een massieve toren met op het gelijkvloers de doopkapel. Ten noorden van de kerk ligt de pastorie, met op het gelijkvloers een woning voor de koster. Zowel toren als pastorie zijn door een galerij met de kerk verbonden.
Portaal van de westgevel (foto 0. Pauwels)
Opvallend bij de architectuur van de kerk is dat ze opgebouwd is uit eenvoudige vlakken en volumes. Het grondplan bestaat uit rechthoeken en (halve) cirkels terwijl voor de ramen en deuren meestal de typische mijterbogen of boogvormige openingen gebruikt werden. De verschillende bouwvolumes zijn overzichtelijk ten opzichte van elkaar geplaatst en er werd naar gestreefd de zuiverheid van de volumes te bewaren. Daarom is de sacristie in de kelder ingericht zodat geen toegevoegd bouwvolume de zuivere lijn van het koor teniet zou doen. De opbouw van het grondplan en de gevelopstand zouden beantwoorden aan ideale verhoudingen die teruggaan op de antieke architectuur (32). Kenmerkend voor de buiten- en de binnenarchitectuur is het sobere, maar verzorgde metselwerk. Friezen met visgraat- of ruitmotief versieren de gevels. Algemeen wordt aangenomen dat Lacoste tijdens de Tweede Wereldoorlog door de 'Mission Dhuique' kennis maakte met de Vlaamse baksteenarchitectuur. Zo is de toren geïnspireerd op die van
M&L
de Sint-Niklaaskerk van Veurne, een kerk die in het kader van de 'Mission Dhuique' werd opgemeten (33). In tegenstelling tot dit metselwerk, dat zowel aan interieur als aan exterieur een traditionalistisch of regionalistisch karakter geeft, werd er ook gewapend beton gebruikt. Bij de kerk zijn zowel de gordelbogen als de dakstoel in dit materiaal uitgevoerd, terwijl de toren bestaat uit een betonskelet bekleed met metselwerk. De technische ontwerpen voor dit betonskelet werden gemaakt door ingenieur Vanderhaegen. Deze architectuur sluit stilistisch aan bij de 'versoberde traditionalistische baksteenarchitectuur' waarbij moderne constructieve methodes en functionele principes gecombineerd zijn met een traditionele vormgeving (34). Dit ligt in de lijn van wat er in Nederland gebeurde. De rationalistische architectuur van H.P. Berlage en zijn navolgers ging uit van de intrinsieke waarde van de toegepaste bouwmaterialen en van de eisen van logische indeling en rationele vormgeving, waarbij de decoratie ondergeschikt werd aan de architectuur. In het verlengde hiervan ligt de regionalistische architectuur, beoefend door architecten die vandaag gerekend worden tot de Delftse School. Deze stroming werd sterk bepaald door architecten die werkten in de invloedssfeer van Berlage, bijvoorbeeld A.J. Kropholler. Zij vonden inspiratie in de traditionele baksteenbouw van de eenvoudige, landelijke bouwkunst. Typisch voor hun architectuur is het gebruik van traditionele materialen en vormen terwijl voor representatieve gebouwen veel aandacht besteed wordt aan het monumentale aspect (35). Naast de opgesomde kenmerken is er nog een aspect dat de kerken van Lacoste gemeen hebben met de rationalistische en regionalistische architectuur: de tegenstelling tussen de sobere architectuur en de rijke inrichting van het interieur, die als het ware ten dienste staat van de architectuur. Henri Lacoste maakte de ontwerpen voor alle onderdelen van het interieur en toont zijn meesterschap volledig in deze ontwerpen voor toegepaste kunsten. Dit maakt de kerk tot een uniek totaalkunstwerk.
Toegangspoorten De hoofdingang van de kerk bevindt zich in het portaal tegen de westgevel en bestaat uit een monumentale boogvormige poort geflankeerd door twee deuren van secundaire orde. Zowel poort als deuren zijn van hout, bekleed met platen van gedreven koper.
Smt-Albertuskerk
toestand,
van Zwartberg.
Uit. De kunst
Zicht op cibonum
van bouwen,
en hoofdaltaar.
apnl-mei 1941
Oorspronkeli|ke
(foto 0. Pauwels)
De grote poort is versierd met de voorstelling van twee vogels, zestien medaillons en vijf banden met opschriften. Bij de medaillons, voor het merendeel versierd met bloemmotieven of verstrengelde decoratieve banden, vinden we eveneens een aantal vroegchristelijke motieven terug (36). Zo zijn er de vis, het anker, de drie verstrengelde ringen, druiven en aren die respectievelijk verwijzen naar Christus, de deugd hoop, de Drievuldigheid en de eucharistie. De opschriften, op de linker deurvleugel in het Latijn, op de rechter deurvleugel in het Grieks, houden geen verband met de voorstellingen op de medaillons. De vertaling luidt als volgt: (37) "Het huis van god naderend, laat de roes van zorgen. Zo zult ge vroom verschijnen voor de rechter die hier zetelt". De versiering van de twee secundaire deuren in het westportaal is verwant aan die van de grote poort. Beide deuren bevatten twee medaillons en drie banden met opschriften. Het opschrift van de noordelijke zijdeur luidt: "Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden". Het opschrift op de zuidelijke deur luidt: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven". Naast de toegang via dit portaal kan de kerk ook betreden worden via de galerij tussen kerk en toren. De toegangspoort is eveneens versierd met gedreven koperplaten waarbij een decoratief patroon uitgewerkt werd door middel van noppen en traanvormige elementen. De poort naar de doopkapel onder de toren is op een soortgelijke manier versierd. Hierbij herneemt Lacoste een ontwerp dat al in 1926 voor de toegangspoort van de kerk van Bléharies werd uitgevoerd (38).
Ciborium en hoofdaltaar (39) Het was duidelijk de bedoeling van de architect dat de aandacht van de bezoeker bij het betreden van de kerk, onmiddellijk naar het hoofdaltaar zou gaan, het centrum van het kerkgebouw. De blik wordt in de diepte getrokken door de perspectieflijnen die zichtbaar gemaakt zijn door de opeenvolging van gordelbogen en de aanwezigheid van de kroonluchters in het kerkschip. Bovendien wordt het hoofdaltaar bekroond door een monumentaal wit ciborium dat door zijn afmetingen en kleur als blikvanger fungeert. De architect zei zelf dat hij de kleuren goud en wit gereserveerd had voor het hoofdaltaar, om het belang ervan te benadrukken (40). De vormgeving van het ciborium, een constructie in gewapend beton bekleed met wit imitatiemar-
mer, roept herinneringen op aan het ciborium dat Henri Lacoste ontwierp voor het oorlogskerkhof van Rossingnol en verwijst naar bepaalde Italiaanse ciboria, bijvoorbeeld dat uit de kerk 'San Lorenzo fuori Ie mura' te Rome (41). De altaartafel bestaat uit een zwart marmeren tafelblad, de vier wanden zijn bekleed met gedreven en vergulde koperplaten. Voor- en achterkant dragen als versiering het Christusmonogram, vergezeld van alfa en omega. Door het materiaalgebruik verwijst Lacoste naar de middeleeuwse traditie van de gouden altaren die we kennen via het antependium van de Sint-Ambrosiuskerk van Milaan, dat van de dom van Aken en dat van Bazel. Omdat hij voor de versiering enkel gebruikmaakte van het Christusmonogram geeft hij uiting aan de opvatting dat het gezalfde altaar in eerste instantie een symbool is van Christus (42). Achter het altaar, in de kleine apsis van het ciborium, werd een kleine sacramentstoren aangebracht. Het tabernakel is ingewerkt in een witte zuil en afgedekt met een prismavormig dak dat omgevormd kan worden tot expositietroon om het Heilig Sacrament uit te stallen. O p het altaar stond een tweede tabernakel, waarvan de functie niet duidelijk is (43). Al in 1947 werd dit tabernakel op verzoek van de toenmalige parochiepriester vervangen door een verzilverd kruisbeeld.
T Sint-Albertuskerk van Zwartberg. Schip (foto 0. Pauwels)
Zowel het tabernakel als het kruis worden geflankeerd door zes kandelaars in de vorm van een gestileerde bloem waaruit de kaars oprijst. De godslamp is opgehangen aan het ciborium. De vorm is geïnspireerd op de Visigotische votiefkronen (44). De letters die aan de cilinder hangen vormen het woord ichtus, dat staat voor Jesus Christus, Gods Zoon, Verlosser. De vormgeving van het ciborium en van het hoofdaltaar is sober en monumentaal en verwijst naar historische voorbeelden. Het materiaalgebruik bij het altaar is zeer rijk en in overeenstemming met zijn verheven functie.
Priesterkoor en paaskandelaar Rondom het ciborium strekt zich het priesterkoor uit, dat ommuurd is. Deze ommuring wordt vooraan beëindigd door twee ambones in metselwerk.
• Smt-Albertuskerk van Zwartberg. Kooromgang, ambo, paaskandelaar en kroonlucbter (foto 0. Pauwels)
In het kader van de liturgische beweging werd het belang van de ambones sterk onderstreept. Ze waren de plaats bij uitstek om voor te lezen uit de Heilige Schrift en voor de predikatie, waarbij men zich kon beroepen op talrijke voorbeelden uit Italiaanse en Byzantijnse kerken van de 6de tot de 12de eeuw (45). De ambones vervangen de preekstoel die in een moderne kerk niet meer nodig was omdat het geluid door luidsprekers versterkt kon worden. Het meubilair van het priesterkoor bestaat uit een priesterbank, een bank en krukjes voor de misdienaars, drie knielbanken, een zetel en een lezenaar in smeedijzer. De priesterbank en de misdienaarsbank zijn van hout en zijn versierd met balustertjes. De priesterbank is identiek aan die van de kerk van Bléharies (46). De drie houten knielbanken zijn zeer robuust en zouden identiek uitgevoerd worden in Beringen. De zetel bij deze knielbanken is versierd met balustertjes. De koorlezenaar is van zwart smeedijzer, het steunvlak voor het boek is van rood leer. Het ontwerp werd geïnspireerd door soortgelijke lezenaars uit de kathedraal van Doornik (47). Voor het priesterkoor staat de communiebank, een eenvoudige constructie van zuiltjes in metselwerk en een blad in zwart marmer. Tussen het priesterkoor en de communiebank staat een monumentale bronzen paaskandelaar met een imitatiekaars in wit geschilderd aluminium. De eigenlijke paaskaars wordt geplaatst op een pin, vastgehouden door een bronzen hand die uit de onderste geleding van de paaskandelaar steekt.
Zijaltaren Links en rechts van het hoofdaltaar, tegen de oostelijke wand van het schip, bevinden zich de zijaltaren. De altaartombes hebben dezelfde vormgeving als het hoofdaltaar maar zijn kleiner. De zwartmarmeren, driehoekig bekroonde rug is versierd met een rond reliëf in verguld plaaster. O p elk zijaltaar staan een kruis en vier kandelaars. Aan de noordkant bevindt zich het altaar toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. De twee cassettes van de altaartombe zijn versierd met een bij, (48) symbool van de zuiverheid, en met drie sterren, verwijzend naar de titel 'Sterre der zee'. De tonde met een voorstellingvan Maria met kind, is een afgietsel van een reliëf van de Siënese beeldhouwer Michellozzo Michelozzi.
Nr. 109 Bijlage bij M&L 20/3 meijuni
2001
• Oezick op Reggio Calabm. Pieter Bruegel de Oude (IH5-IS69)
1
i^üllBI
Cü
B 1 N N E N K R A N T
Literatuur Herman-J.
van den Bossche
T H F F L O W E R I N f l OF T H F lANDSCHAPF GARDFN FNGIISH
PLEASURE
GROUNDS 17?0
-1R00
Tot vóór enkele jaren gingen de toonaangevende auteurs er nog steeds van uit dat de Engelse landschapsstijl bestond uit golvende graslanden met 'serpentine lakes' en bomendumps, binnen de beslotenheid van de 'green belt', het geheel badend in alle mogelijk denkbare tinten van groen. Een reactie op de (veel-)kleurigheid van de fleurige 'plate-bandes' (rabatten) en de bloemenperken (parterres de pieces coupées pour des fleurs' dus. Tot in de jaren zestig was het overigens heel gebruikelijk om het wezenlijk belang van 'flitsende' kleuren in de geometrische tuincompositie te minimaliseren Het is de grote verdienste van de auteur van 'Formal Gardens', Mark Laird, dat hij de al te monotoon groene ballon op overtuigende wijze wist te doorprikken. Voor de duidelijkheid: Mark Laird heeft het niet over de '(dear-)parken' waar het wild rondhing, maar over de 'pleasure grounds', de landschappelijke lusttuinen. In feite zijn die 'pleasure grounds' de formele tuinen uit de landschappelijke stijlperiode, want geconcipieerd en aangelegd 'for formal use'. Laird toont aan de hand van representatief archief- en beeldmateriaal aan dat - de wijzigende modes in het tuinontwerp van traditioneel geometrisch tot landschappelijk ten spijt tuinmannen op eigenzinnige wijze merkwaardige, veelal exotische boom-, struik- en plantensoorten bleven aanplanten op vraag van de naar exclusiviteit strevende landeigenaar. En dat volgens de meest zuinige methode: in driehoeksverband, vierkantsverband of als de vijf op een speelkaart, dat steeds weer van laag voorin naar hoog achterin.
IVI&L
Het gebruikelijk rustig 'natuurlijk' beeld dat wij hebben van de 'landscape garden' of de landschappelijke tuin werd dus in feite ontsierd door in het gelid aangeplante veelkleurige exoten in bladverliezende en wintergroene soorten en cultuurvariëteiten: wat Laird omschrijft als 'theatrical shrubberies' of theatrale struikmassieven. Het weze duidelijk: in de achttiende eeuw dekten de termen '(wild) nature' en 'landscape' exact dezelfde lading. De ware schoonheid van een tuin of een landschap was de resultante van het geldend credo 'embellir la nature par l'art'. Van landeigenaren en tot hun tuinmannen, zelfs de 'leading' landscape improver Lancelot Capability Brown toe, 'bezondigden' zich bijgevolg aan dergelijke theatrale 'displays'.
In tien hoofdstukken belicht Mark Laird alle aspecten van de bloeiende pleasure garden, van de architecturale en tuinbouwkundige ontwikkeling tot de gebruikte plantensoorten uit Noord-Amerika en Zuidoost-Azië. Hij heeft het zo bijvoorbeeld uitgebreid over de invloed van plantensoorten uit Noord-Amerika: de manie van de naaldhoutbomen en magnolia's. Tussen haakjes, het onderwerp van dit boek beperkt zich niet 'the British Isles'. Ook op het continent en in de Lage Landen van het einde van de 18de eeuw golden dezelfde principes, maar daar heeft Mark Laird het niet over. Als toemaat krijgt de lezer een aantal door de auteur eigenhandig gemaakte reconstructie aanzichttekeningen van autentieke theatrale schubberies, waarvan er reeds enkele gerealiseerd werden, bv. in Painshill Park. Mark Laird kreeg een opleiding als landschapsarchitect, werkt als historie landscape consultant en is docent 'Geschiedenis van het landschap' aan de universiteit van Toronto. The flowering of the Landschape Garden - English Pleasure grounds 1720 -1800 is dus een standaardwerk in de materie en een aanrader voor wie meer wil weten over beplanting in de tweede helft van 18dc eeuw.
The flowering of the Landschape Garden - English Pleasure grounds 1720 -1800, uitgegeven onder the auspiciën van de PENN STUDIES IN LANDSCAPE ARCHITECTURE bij de University of Pennsylvania Press, Philadelphia, 1999 ISBN 0-8122-3457-X
Jozef
DE K F U 7 F V A N
Braeken
MRI
Claude Perrault und die Architektur des Sonnenkönigs Der Louvre König Ludwigs XIV und das Werk Claude Perraults Michael Petzet München, Deutscher Kunstverlag, 2000, 596 p., ISBN 3-422-06264-5 Lijvige monografie over de Franse barokarchitect Claude Perrault (16131688) en zijn rol in de totstandkoming van het Louvre, waarvan de ontwerpen bouwgeschiedenis onder Lodewijk XIV en de tweestrijd tussen de Italiaanse en de Franse projecten in detail wordt geanalyseerd. De overige ontwerpen in opdracht van de Zonnekoning, de obelisk, het observatorium, de triomfbogen, de Thetisgrot, komen in een tweede deel uitvoerig aan bod.
Medicine and Magnificence British Hospital and Asylum Architecture, 1660-1815 Christine Stevenson New Haven, Yale University Press, 2000, 312 p., ISBN 0-300-08536-2 Typologische studie over hospitalen en gestichten uit de late 17de en 18de eeuw in Groot-Brittannië, een gouden tijdperk waarin openbare, militaire en caritatieve hospitaalcomplexen zoals het monumentale Greenwich en Chelsea de toenmalige moraal, militaire organisatie, liefdadigheid,
B 1 N N E N K R A N T
gezondheidszorg en stedelijke cultuur weerspiegelden. De interactie tussen architectuur, medische praktijk, functie, betekenis en beleving worden in hun historische evolutie geanalyseerd.
1
"
FEAROf^LASS
'
-1 '
! '
Karl Friedrich Schinkel Das architektonische Werk heute / The architectural work today Hillert Ibbeken en Elke Blauert (red.) Stuttgart, Edition Axel Menges, 2001, 348 p., ISBN 3-932565-21-5
Your Private Sky R. Buckminster Fuller, Discourse Joachim Krausse en Claude Lichtenstein (red.)
i
/
>
1 "* 1
•HJR' '
* J^HPMH i U
^i
^ * !ti j3BCif-'k ,.
B-.
^SP
historische en culturele context, de architectonische, esthetische en representatieve kwaliteiten en de eenheid tussen materiaal, structuur, ruimte en traditie.
Baden, Lars Muller Publishers, 2001, 320 p., ISBN 3-907044-94-0
YOUR PRIVATE SKY R. BUCKMINSTER FULLER DISCOURSE
Ernst May Architekt und Stadtplaner in Afrika 1934-1953 Eckhard Herrei Tubingen, Ernst Wasmuth Verlag, 2001, 207 p., ISBN 3-8030-1203-1 Compilatie van nooit eerder gepubliceerde geschriften of sleutelteksten van R. Buckminster Fuller (18951983), als aanvulling op een eerder gepubliceerde visuele compilatie (1999), die in hun vroegst geformuleerde vorm inzage geven in het wereldbeeld en de 'design science' van deze ingenieur-filosoof, schepper van futuristische creaties als het Dymaxion House en de Geodesie Dome, die het credo "Think globally, act locally" materialiseren.
Eerste, en zo volledig mogelijke compilatie van de nog bestaande bouwwerken van Karl Friedrich Schinkel, opgevat als een becommentarieerd fotografisch repertorium. Catalogus van meer dan 150 gebouwen, waaronder zowat 70 kerken, 30 musea, theaters en scholen, 17 paleizen of kastelen en 24 herdenkings- of grafmonumenten, op 130 locaties in Duitsland en Polen, voornamelijk geconcentreerd in Sachsen-Anhalt, Berlijn, Postdam, Brandenburg en Posen.
Fear of Glass Mies van der Rohe's Pavilion in Barcelona Josep Quetglas Basel, Birkhauser Verlag, 2001,192 p., ISBN 3-7643-6339-8 Onconventionele benadering van Mies van der Rohes Duits paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1929 in Barcelona, waarvan de in een recenter verleden wederopgebouwde versie nog steeds controverses uitlokt. Interpretatie van de architecturale.
Studie over het zelfgekozen Afrikaanse 'Exil' van de Duitse architect Ernst May (1886-1970), propagandist van de nieuwe grootstadgedachte, auteur van revolutionaire woningbouwmodellen en bezieler van "Das Neue Frankfurt" tijdens de Weimar-republiek, die in 1934 naar Oost-Afrika emigreerde en in twintig jaar tijd een omvangrijk en nooit eerder bestudeerd oeuvre tot stand bracht, gaande van koloniale 'Engelse' villa's tot experimentele 'townships' in systeembouw.
Exponiert Deutsche Pavilions auf Weltausstellungen Paul Sigel Berlin, Verlag Bauwesen, 2000, 366 p., ISBN 3-345-00734-7 Studie over de Duitse paviljoens op de Wereldtentoonstellingen van deze eeuw, waarvan de politiek-representatieve functie als enscenering van het nationale zelfbeeld zowel in architectuurhistorische als in cultuurhistorische zin kritisch wordt geanalyseerd. Naast onder meer Mies van de Rohes Barcelona-paviljoen en Speers
M&L
B I N N E N K R A N T
paviljoen in Parijs, wordt ruim aandacht besteed aan de belangrijke Brusselse paviljoens van von Seidl in 1910 en Eiermann en Ruf in 1958.
The Victorian Celebration of Death James Stevens Curl Stroud, Sutton Publishing, 2000, 330 p., ISBN 0-7509-2318-0 Even erudiete als onderhoudende cultuurhistorische studie, gewijd aan de omgang van het Victoriaanse Engeland met de rituelen en monumenten van de dood. De wijzigende attitude ten opzichte van de dood geeft het ontstaan aan de typische stedelijke begraafplaatsen die in hun evolutie worden gevolgd en zowel op hun kunstzinnige als landschappelijke kwaliteiten beoordeeld, met ruime aandacht voor begrafenisrituelen en funeraire parafernalia.
Architectuur en kritiek van de moderniteit Hilde Heynen Nijmegen, Sun, 2001,319 p., ISBN 90-6168-968-6 Nederlandse versie van het oorspronkelijk bij het Amerikaanse MIT verschenen essay over de verhouding tussen moderniteit, wonen en architectuur. Enkele belangrijke positiebepalingen in de architectuur - Loos, Giedion, Tafuri, Neue Frankfurt, New Babyion - worden geconfronteerd met inzichten uit de kritische theorie van onder meer de Frankfurter Schule. Architectuur moet daarbij worden beschouwd als een cultureel kader dat het dagelijks leven structureert en de tegenspraken van de moderniteit belichaamt.
Die Befrelung des Wohnens Ein Architekturphanomen der 20er und 30erJahre Andreas K. Vetter Tubingen, Ernst Wasmuth Verlag, 2000, 392 p., ISBN 3-8030-0191-9 Studie naar één van de meest bepalende architectuurfenomenen van de
M&L
modernistische avant-garde, de experimenten met - in Giedions woorden "Licht, Luft Bewegung, Öffnung", leidend tot het 'bevrijde wonen'. De individuele woning staat hierbij centraal, bekeken vanuit het perspectiefvan het 'Nieuwe Bouwen', de conceptualisering van het wonen en de beleving ervan, met aandacht voor de lichaamscultuur en het nieuwe mensbeeld, doorweven met tijdsdocumenten.
Anxious Modernisms Experimentation in Postwar Architectural Culture Sarah Williams Goldhagen en Réjean Legault (red.) Cambridge, The MIT Press, 2000, 335 p., ISBN 0-262-07208-4 Bundel essays gewijd aan de hernieuwd elan van het modernisme in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, als aanzet tot herinterpretatie en herwaardering van deze periode op basis van recent architectuurhistorisch onderzoek. Individuen en stromingen als de Smithsons, Saarinen, Rudofsky, ATBAT-Afrique, Team Ten, Bakema, de Italiaanse Neorealisten en de Japanse Metabolisten komen hierbij aan bod.
Twentieth Century Industrial Archaeology Michael Stratton en Barrie Trinder London, E £t FN Spon, 2000, 236 p., ISBN 0-419-24680-0 Overzicht van het industriële erfgoed, zowel gebouwd als landschappelijk, dat mee het beeld van deze eeuw in het Verenigd Koninkrijk als gevolg van wetenschappelijke en technologische innovaties heeft bepaald: van energiecentrales en de technologie van de voedingsindustrie, tot de productiecentra niet alleen van de nieuwe transportmiddelen, maar ook van de bewapeningsindustrie tijdens twee wereldoorlogen, met eraan gekoppeld de evolutie van de woningbouw.
Penster, Glas und Beschlage als hlstorisches Baumaterial Ein Materialleitfaden und Ratgeber Mila Schrader SuderburgHösseringen, Edition:anderweit Verlag, 2001, 304 p., ISBN 3-931824-04-7
Penster, Glas und Beschlage als historisches Baumaterial Ein Materialleilfaden und Ratgeber
EDITEON' -.anaerwett
Volgend deel in een voortreffelijke reeks handleidingen over historische bouwmaterialen en -technieken, als pleidooi voor authenticiteit en hergebruik, ditmaal gewijd aan het venster. Historiek, typologie en ambachten en technieken van de diverse vensteronderdelen als raamwerk, beglazing, hang- en sluitwerk, en de rol van het venster in de architectuur komen aan bod, uitvoerig geïllustreerd met voorbeelden en opmetingen.
Treillages de jardin du XVIe au XXe siècle Hubert Beylier en Bénédicte Ledere Paris, Editions du patrimoine, 2000, 176 p., ISBN 2-85822-357-2 Heruitgave van een album uit 1993 gewijd aan de treillage, een 'natuurlijk' tuinornament dat de architectuur imiteert in zijn historische evolutie van de 16dc tot de 205te eeuw. Iconografische documentatie onder meer geput uit voornamelijk 'klassieke' tractaten, met heldere toelichtingen over techniek en constructie, en een nieuwe bijdrage over het doorleven van de treillage in de periode van 1925 tot vandaag.
B1N1\ENKRA^T
The London Town Garden 1740-1840 Todd Longstaffe-Gowan New Haven, Yale University Press, 2001, 289 p., ISBN 0-300-08538-9
THE LONDON TOWN GARDEN
Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert ll-laan 2 0 - bus 7 1000 Brussel (tijdens de kantooruren) Tel. 02/553.82.27 - fax. 02/553.82.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be
Tentoonstellingen
Baanbrekende studie over de ontwikkeling van de privé-tuin in 'Georgian' Londen, en de bijdrage die niet alleen de bescheiden tuintjes vóór en achter het zich eindeloos herhalende 'terraced house' maar ook de 'garden squares' leverden tot de textuur van de 'klassieke' metropool. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de relatie tussen huis en tuin, en aan de sociale dimensie van het tuinieren als tijdverdrijf, dagelijks ritueel en aspiratie van de middenklasse.
The modern garden Jane Brown London, Thames ft Hudson, 2000, 223 p., ISBN 0-500-51006-7
ROTTERDAM n i l T U R F I F HOOFDSTAD VAN EUROPA ? n m Rotterdam pakt uit met een hele rist boeiende tentoonstellingen om hun statuut van Culturele Hoofdstad op te luisteren. Het museum Boijmans Van Beuningen, dat thans gesloten is in afwachting van een vrij spectaculaire nieuwbouw, is desalniettemin de locatie voor deze evenementen. Hetgeen aan de conservator de volgende uitspraak ontlokte: "Voor een museum dat gesloten is, zijn wij verdraaid veel open!". De nieuwbouw zal
niet alleen voor een betere ruimte zorgen, maar is tevens de aanleiding tot een herdefiniëring van wat een museum moet zijn, en dat is tegenwoordig veel meer naar buiten gericht dan de vroegere introspectie die vooral te maken had met de bewaarfunctie van de verzameling. De artistieke en wetenschappelijke precisie moet uiteraard blijven bestaan, maar het is even belangrijk om het grote publiek daarmee te confronteren. Drie grote tentoonstelingen worden aangekondigd: Pieter Bruegel de Oude, Meestertekenaar (van 24 mei tot 5 augustus 2001), Rubens, Jordaens, Van Dyck en tijdgenoten. Vlaamse tekeningen uit de zeventiende eeuw (ook van 24 mei tot 5 augustus 2001) en tenslotte, als klap op de vuurpijl, de tentoonstelling Jheronimus Bosch (van 1 september tot 11 november). De tentoonstelling Pieter Bruegel de Oude, Meestertekenaar, kwam tot stand in samenwerking met de Metropolitan Museum of Art in New York, waar de tentoonstelling na 24 september ook zal te zien zijn. De tentoonstelling werd mede mogelijk gemaakt door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Mondriaan Stichting. Pieter Bruegel de Oude was een absolute meester, niet alleen als schilder maar beslist ook als tekenaar. De tentoonstelling bevat 57 van de 61 van Bruegel gekende tekeningen met typische
Imkers, Pieter Bruegel de Oude (1525-1569)
Fraai geïllustreerd overzicht van de tuinkunst van deze eeuw, waarin architecten en kunstenaars op zoek naar absolute perfectie, een steeds actievere rol gingen spelen. Bijdragen gewijd aan het modernisme op het Europese vasteland, in GrootBrittannië en de Verenigde Staten, aan de beplanting, de naoorlogse en hedendaagse periode, geïllustreerd met uitvoerige portretten van elf meesterwerken van onder meer Guevrekian, Gropius, Burle Marx, Jacobsen en Barragan.
M&L
B 1 1 \ 1 \ E N K R A N T
taferelen zoals landschappen, bosgezichten, het landleven en voorstellingen vol absurditeiten. Ook het beroemde schilderij De toren van Babel zal te bewonderen zijn. Landschappen zijn vooral in zijn beginperiode heel belangrijk. Na zijn Italiëreis die ongeveer twee jaar duurde, werd het landschap bijna een obsessie. De Alpen hebben op hem een onuitwisbare indruk nagelaten en komen in de meeste tekeningen voor. Ook heeft hij oog voor de menselijke bezigheden in de stad en op het land, en voor moraliserende onderwerpen. Zo spot hij ongenadig met de alchimisten in hun uitzichtloze zoektocht naar het goud of naar de steen der wijzen. Bruegel is duidelijk thuis in de humanistische kringen van zijn tijd. Hij houdt de mensen een spiegel voor, onder het
motto "Niemand kent zichzelf." Primeur op de tentoonstelling is een tekening uit de eigen collectie, die thans aan Pieter Bruegel de Oude wordt toegeschreven. Het betreft de tekening met de Emmaüsgangers, waarin een wijds landschap met rivier, bergen en granzend vee te zien is, met op de voorgrond drie schetsmatige figuren: Christus met de twee Emmaüsgangers. Een tweede tentoonstelling betreft werk van Rubens, Jordaens, Van Dyck en tijdgenoten. Vlaamse tekeningen uit de 17de eeuw. Deze tekeningen behoren tot de vaste collectie van het museum zelf. Ze geven een duidelijk beeld van de diverse functies die zo'n tekening kon hebben: voorstudie, uitgewerkte schets, ontwerp voor pren-
Narrenschip, Jheronimus Bosch (c. 1450-1516)
ten of gewoon een snelle notitie van een indruk. De tentoonstelling maakt duidelijk dat het tekeningenkabinet van ht mseum een echte schatkamer is. Ook dit evenement is mede mogelijk gemaakt door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De meest bijzondere tentoonstelling is ongetwijfeld deze van Jheronimus Bosch. Het museum is er in geslaagd een vijftigtal schilderijen van Bosch en zijn directe omgeving samen te brengen. Ook zullen vrijwel al zijn tekeningen te zien zijn. Over Bosch' leven is vrijwel niets gekend en over de betekenis van zin werk zijn al boekenkasten vol geschreven. Het werk van Bosch is van een verbluffende moderniteit. Zo is de tekening van Het woud heeft oren pure Magritte (of moeten we eerder zeggen dat Magritte pure Bosch is?). Ook de invloed van Bosch op hedendaagse kunstenaars wordt op de tentoonstelling geïllustreerd aan de hand van werk van Salvador Dali, Jörg Immendorff, Robert Gober en anderen. De tentoonstellingsmakers hebben gepoogd om na te gaan in hoeverre Bosch zich inpaste in de schilderstraditie van zijn tijd en in welke mate hij vernieuwend was. Ook wordt zijn werk geplaatst in confrontatie met andere kunsttakken, zoals het edelsmeedwerk.
De tentoonstellingen gaan door in het Museum BoijmansVan Beuningen, Museumpark 18-20, 3015 CX Rotterdam (op 15 minuten loopafstand van het Centraal Station). Metro halte: Eendrachtsplein. Open van dinsdag tot en met zaterdag van 10 tot 17u, zondag van 11 tot 17u, maandag gesloten. Inlichtingen: ( 31/(0)10/4419400 of www.boijmans.rotterdam.nl. Catalogus met ruim 50 kleurenafbeeldingen van Bruegels belangrijkste prenten en tekeningen: 35 gulden. Wetenschappelijke catalogus door Metropolitan Museum op Art. Voorverkoop tickets FNAC Brussel (tel. 0900 00 600) of www.fnac.com.
1VI&L
B I N N E ^ K R A N T
7FIDZAME WFFIDF Deze zomer presenteren drie musea, het museum van Deinze en de Leiestreek, het museum voor Schone Kunsten van Gent en het museum Dhondt-Dhaenens in Deurie, een gezamenlijke tentoonstelling, waarvan de titel een parafrase is van de woorden van Karel van de Woestijne, die de Latemse uren met zijn vrienden 'avondstonden van een zeldzame weelde' noemde. Het is niet de zoveelste 'brave' tentoonstelling over deze vruchtbare kunstperiode. De tentoonstelling beoogt enerzijds SintMartens-Latem als kunstenaarskolonie in een historisch kader te plaatsen en anderzijds af te rekenen met de hardnekkige mythe dat er hier sprake is van een constante of van een school. Er zal blijken dat de getoonde fases de drie grote autonome, maar onderbroken momenten van het kunstenaarsdorp zijn, met veel individuele inbreng van de verschillende schilders en beeldhouwers.
De tentoonstelling gaat door op drie locaties, met elk een eigen invalshoek. Het museum voor Schone Kunsten in Gent stelt de eerste Latemse groep voor (1898-1910), met als belangrijkste vertegenwoordigers George Minne, Valerius de Saedeleer, Gustave van de Het voorjaar, Gustave van de Woestyne
Woestijne, Jules de Praetere en Albert Servaes. Het fenomeen van de kunstenaarskolonie is een karakteristiek verschijnsel van het kunstleven op het einde van de 19de eeuw. Ze vinden mekaar in hun afkeer voor het leven in een grootstad en streven naar een onmiddellijk contact met de natuur. Eigenlijk zijn ze gewoon voor de civilisatie op de vlucht, waarbij ze een nogal romantische visie op het 'oorspronkelijk' landleven hanteren. Het dorp Sint-Martens-Latem wordt gesitueerd binnen de historische context en vergeleken met Worpswede, Pont-Aven en de ideeën van de Nabis. De tweede Latemse groep (19051914), impressionistisch gekleurd, wordt voorgesteld in het museum van Deinze en de Leiestreek in Deinze en toont werk van Gustave de Smet, Leon de Smet, Frits van den Berghe, Constant Permeke en Maurice Sijs. Ze zijn meer improviserend, minder kritisch en minder spiritueel dan de eerste groep. In zekere zin en met het gepast voorbehoud hier en daar is hun kunst de voortzetting van de bourgeois-schilderkunst waar de eerste groep zich zo tegen verzet heeft. De Latemse groep (1920-1930) met expressionistische inslag komt aan bod in het museum Dhondt-Dhaenens in Deurie en toont werk van enkele kunstenaars, die opnieuw naar Latem waren afgezakt: Gustave de Smet,
Frits van den Berghe, Constant Permeke en Albert Servaes, en ook van Hubert Malfait en Gustave van de Woestijne. Het Vlaams expressionisme dient zich aan, de volkomen eigen synthese van kubisme en expressionisme, met vooral landelijke motieven en een levensbevestigende strekking. Veel werken in bruikleen waren zelden of nooit te zien. Bovendien wordt aan de hand van buitenlandse voorbeelden aangetoond in hoeverre de Vlaamse kunstenaars reageerden op de internationale ontwikkelingen.
De tentoonstellingen zijn geopend van 17 juni tot 23 augustus 2001 en gaan door in het museum voor Schone Kunsten, Citadelpark in Gent, het museum van Deinze en de Leiestreek aan de Luc Matthyslaan 3-5 in Deinze en het museum Dhondt-Dhaenens aan de Museumlaan 14 in Deurie. Eén ticket (300 BF, diverse kortingen) geeft toegang tot de drie musea, gedurende de hele periode van de tentoonstelling. Open van dinsdag tot en met zondag van 10 tot 18u. Reserveren kan op tel. 09/240 07 50, per fax op 09/221 60 15, of e-mail zeldzameweeldecSgent.be
VFN11S. VFRGFTFN MYTHF Venus, godin van de liefde, de schoonheid en de vruchtbaarheid is ongetwijfeld één van de meest befaamde figuren uit de klassieke mythologie. Haar naam roept het beeld op van de ideale schoonheid, maar herinnert eveneens aan de macht van liefde en passie. Sedert de Oudheid spelen beelden en verhalen van Venus een vooraanstaande rol. Het meest duurzame beeld van Venus kennen we vooral uit de Renaissance. Deze iconografische traditie zet zich voort tot in de 19dc eeuw: van Botticelli, Cranach en Titiaan over Rubens en Poussin tot Watteau en Boucher. Het personage van Venus wordt in de tentoonstelling voorgesteld in schilderijen, beelden, tekeningen en prenten
IVI&L
B I N I M E N K R A N T
Hier ontwikkelt hij een bijzonder geraffineerd schoonheidsideaal. Tal van kunstenaars uit het Noorden trokken in deze periode naar Italië om zich de nieuwe iconografie en de geïdealiseerde, driedimensionele voorstellingswijze eigen te maken. De 17^ eeuwse kunstenaars gaan iets discreter en ernstiger te werk. De Venusiconografie is nu gemeengoed geworden en zelfs burgers laten zich afbeelden als Venus en Amor bijvoorbeeld. In de 18de eeuw worden de voorstellingen luchtiger en in de 19dc eeuw kennen ze een verrassende heropleving in het spoor van de overtuigde academisten, die in Venus vooral de pure zuiverheid wilden beklemtonen. die thematisch gegroepeerd zijn: de geboorte van Venus uit het schuim van de golven, de opschik van Venus, haar wedervaren met Amor, Vulcanus en Bacchus, haar onmogelijke liefde voor Adonis en het overspel met Mars. De Venitiaanse kunstenaar Giorgione ontwerpt het later veel nagebootste voorbeeld van de liggende Venusfiguur. Het succes van de mythologische schilderkunst hangt nauw samen met de typisch maniëristische neiging om verrassende visuele beelden te realiseren. In 1530 nodigt Frans I de maniërist II Rosso Fiorentino uit om in Fontainebleau te komen werken.
De tentoonstelling loopt van 20 mei tot 19 augustus in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten aan de Leopold de Waelplaats in Antwerpen. Dinsdag tot zondag van 10 tot 17u, woensdag tot 21u en gesloten op maandag. Wandelgids en audiotour beschikbaar. Inlichtingen: Tel. 03/242 04 16 of e-mail: publiekswerking(o)kmska.be
Links: Sine Crere et Baccho friget Venus, Bartholomaus Spranger (1546-1611) Rechts: Venus, Atelier Sandra Botticelli (1445-1510)
M&L
Buitenkrant E.
Goedteven
FFN niIRBFI C D - R D M : DF B O U W V A N HFT STADHUIS VAN I FUVFN (14^9-14fi9): FFN ODfiGETUIGFNVFRSlAfi Het echtpaar Alfonsine en Jos ViaeneMaesschalk heeft van de studie van het stadhuis van Leuven een levenswerk gemaakt. Ze zetten hun belangstelling voor dit stadhuis ook om in daden. In 1998, bij de 550stc verjaardag van de eerste steenlegging van het stadhuis van Leuven, behoorden ze tot de meest dynamische organisatoren van de grootse feestelijkheden en namen daarenboven het voortouw van de zogenaamde "witte en blauwe stenentochten", die stenen onder meer van Avesnes-le-Sec in NoordFrankrijk per schip naar Leuven brachten. Voor de bouw van het Leuvense stadhuis in de vijftiende eeuw werd immers natuursteen aangevoerd vanuit Avesnes-le-Sec. Thans verrassen ze door de uitgave van twee CD-Roms onder de titel "De bouw van het stadhuis te Leuven, een ooggetuigenverslag". Over de bouw van het stadhuis te Leuven is een uiterst volledige boekhouding bewaard gebleven. Deze boekhouding, nauwkeurig bijgehouden gedurende de dertig jaar van de bouw van het stadhuis, laat toe de boeiende bouwgeschiedenis van het stadhuis op de voet te volgen. Al was mogelijk de taal van de middeleeuwse boekhouder niet zo bijzonder ingewikkeld; zonder een goede gids zou het toch niet eenvoudig geweest zijn er zijn weg in te vinden. De twee CD-Roms van Alfonsine en Jos Viaene-Maesschalk reiken alles aan wat maar nodig is om de boekhouding en de bouwrekeningen te begrijpen. Behoudens de weergave van de originele teksten door middel van goed leesbare digitale beelden, worden de oude teksten in verband met de bouw van het stadhuis ook weer-
B1NNE1MKRA1NT
gegeven in een hedendaags geschrift. Na het aanbrengen van hoofdletters, leestekens, de omzetting van Romeinse in gewone cijfers en het vervolledigen van de talloze afkortingen, zijn deze teksten verrassend goed leesbaar. De werkzaamheden kunnen tot in de kleinste details worden gevolgd. Het handschrift bestaat uit niet minder dan 7.168 bladzijden. Behoudens de uitgebreide documentatie over de rekeningen, zijn op de CD-Roms nog een indrukwekkende reeks bijdragen opgenomen, zoals: het Leuvens stadhuis in cijfers, de leveranties van Avesnes-le-Sec, leveranties van Dilbeek, het stadhuis van Brussel, het stadhuis van Leuven, de steen, bouwmeester de Layens, de urbanisatie Plaetse, de bevaarbaarheid van de Dijle, het vervoer van de natuursteen, de witte en blauwe Stenentochten, de bouwwerf van het stadhuis, de aanbestedingsprocedure, het verloop van de aanbestedingen, het schema van de aanbesteding, de Dilbeekse steengroeven, steenrijk Dilbeek, de geometrie van het Leuvense stadhuis. Op de CD's zijn eveneens de vroegere thans geactualiseerde studies over het stadhuis van Brussel (1960) en dat van Leuven (1977, 1980) opgenomen. Meeren meer blijkt immers dat beide stadhuizen en hun geschiedenis grote gelijkenissen vertonen. Verder zijn terug te vinden: • de bijdragen tot de tentoonstelling 550 jaar stadhuis (1998) • bijdragen van de Dilbeekse werkgroep over de steengroeven • een geometrische analyse van het Leuvense stadhuis van architect Ir. H. Vandevyvere • rekeningen van leveringen van steen uit de groeven van Avesnes-le-Sec, Dilbeek en Ecausinnes • een levendig en fraai geïllustreerd verslag van de "witte en blauwe stenentocht" van 1998. De beeldenbank bij de verschillende bijdragen bevat talloze foto's, afbeeldingen van tekeningen en schilderijen, grafieken, stambomen, plattegronden, opstanden, doorsneden en kaarten. De CD's verzekeren de gedigitaliseerde bewaring op een elektronische drager van de uitzonderlijk waardevolle reke-
ningen van het stadhuis, thans zeker een van de best gedocumenteerde monumenten van Vlaanderen. De vlotte en snelle toegankelijkheid van deze uitgebreide documentatie ontsluit niet alleen de geschiedenis van het Leuvens stadhuis voor een ruim publiek, maar nodigt ook uit tot verder onderzoek van deze onuitputtelijke bron van informatie. Een aanrader voor elke monumentenliefhebber die een beetje met een PC kan omgaan.
De twee CD's zijn een uitgave van de vzw Stichting Jan Speelbergh (SJS), Meidries 9, 3220 Holsbeek. Beide CD's kosten samen slechts 750 BEF en zijn te bestellen bij de Dienst Communicatie van de stad Leuven, Stadhuis, Grote Markt 9, 3000 Leuven (tel. 016/211.529).
Veerle De Houwer
ARCHITECTUUR- EN ATELIERARCHIEVEN. STUDIE EN VALORISATIE VAN KWETSBAAR FREfiOFD 'Fonds des villes'. Onder deze benaming stond de architectuur- en kunsthistorische documentatie, door architect Huib Hoste (1881 - 1957) verzameld in de loop van zijn carrière, bekend in het Leuvense Universiteitsarchief1. De projectdossiers, die tekeningen bevatten voor een honderdtal gebouwen van Hoste, waren vermengd geraakt met het archief van bouwkundig ingenieur Albert Merten, bewaard door dezelfde archiefinstelling. De band van deze archiefbestanddelen met Hoste geraakte in de vergetelheid met als gevolg dat het' Leuvense deel' van het Hoste-archief jarenlang zoek was.
(1) Het archief van Hoste geraakte verdeeld. Een deel wordt bewaard door het K.U.Leuven Universiteitsarchief, het andere deel bevindt zich in het Sint Lukasarchief in Brussel.
De gegevens uit dit archief werden hierdoor niet opgenomen in de gekende monografie van Marcel Smets over Hoste2. Hoewel het hier gaat om een voorbeeld uit lang vervlogen tijden (daterend van voor de splitsing van de Leuvense universiteit, toen Franstalige bibliothecarissen het bewind voerden over de collecties) toont het goed aan wat er allemaal mis kan gaan met de archieven van ons onroerend en roerend erfgoed, wanneer deze bewaard worden door instellingen die tijd, aandacht noch beleid hebben om deze kwetsbare getuigen naar behoren te behandelen. De situatie van ons onroerend en roerend erfgoed is er sinds de tijd van het 'Fonds des villes' ontegenzeglijk op verbeterd. Erfgoed staat in de publieke belangstelling en is het voorwerp van heel wat architectuur- en kunsthistorisch onderzoek. Toch bestaan er nog enkele problemen wat betreft het bronnenmateriaal voor dit onderzoek, de archieven van architectuur en kunstnijverheid of de architectuur- en atelierarchieven (AA-archieven). Elke onderzoeker op zoek naar informatie over een geliefd stuk erfgoed heeft het al ondervonden: in Vlaanderen is er geen centraal punt waar men terecht kan als startpunt voor architectuur- of kunsthistorisch onderzoek - geen centraal verzamelpunt, zelfs niet virtueel, voor archieven uit de wereld van architectuur en kunsten.
Het idee van een centraal verzamelpunt of beter een kenniscentrum voor architectuur en (in mindere mate, hoewel niet van minder belang) kunstnijverheid is niet ongewoon. Het komt wel voor in de ons omringende landen. Voorbeelden zijn legio: het 'Nederlands Architectuurinstituut', het 'Institut Frangais d'architecture', het 'Royal Institute of British architects', het 'Deutsches Architekturmuseum'....
(2) SMETS, M., Huib Hoste, voorvechter van een vernieuwde architectuur, Brussel, 1972.
M&L
B I N N E N K R A N T
Voornoemde instellingen werden meestal uitgebouwd rond een aantal belangrijke archieven. De onderzoeker kan er ook terecht in een uitgebreide bibliotheek. Architectuurgeschiedenis wordt er onveranderlijk gekoppeld aan architectuuractualiteit, waarbij het onderzoeksveld ook wordt opengetrokken tot ruimtelijke ordening, stedenbouw monumentenzorg .... De meeste instellingen hebben bovendien een taak als architectuurmuseum, waar regelmatig nationale en internationale tentoonstellingen georganiseerd worden. Bij dit alles geeft een gecentraliseerde aanpak meer uitstraling en naambekendheid (het NAI I). Daarenboven kunnen de (beperkt) beschikbare fondsen gekanaliseerd en doordacht besteed worden. Een gecentraliseerde benadering geeft een helder signaal, het is duidelijk waar AA-archieven terecht kunnen, waar de expertise in huis is om dit soort archieven gepast te verwerken en (al of niet virtueel) toegankelijk te maken ten dienste van de onderzoeker. Zoals aangegeven is de situatie in ons land helemaal anders. Verzuiling en particularisme hebben ertoe geleid dat 'AA'-archieven verspreid zitten bij de meest uiteenlopende archiefinstellingen, documentatiecentra en musea, bij verzamelaars, bij universiteiten en andere instellingen waar architectuuropleidingen gegeven worden en waar onderzoek rond architectuur- en kunstgeschiedenis wordt verricht.... Naast deze negatieve oorzaken van versnippering, zijn er ook andere redenen te vinden. Zo zijn 'AA'-archieven door hun aard immers vaak bestemd om onder bepaalde instellingen te berusten, denk maar aan de archieven van een kerkfabriek, die gegevens bevatten over bouw en verbouwing van haar kerk, verschillende overheden die gegevens bewaren over het gebouwenbestand in ons land enzovoort. Dit alles samen maakt een reële gecentraliseerde aanpak in ons landsgedeelte onmogelijk, wat de voordelen ervan ook mogen zijn.
De nadelen van de versnippering zijn niet alleen merkbaar voor de onderzoeker. De versnippering werkt ook in het nadeel van de 'AA'-archieven zelf. Het verspreid bewaren leidt tot een verschil in behandeling, waarbij de ene instelling al heel wat professioneler te werk gaat dan de andere. Architectuur- en atelierarchieven zijn bovendien moeilijk te bewerken en te ontsluiten. Titels uit de vakliteratuur liegen er niet om: 'Managing architectural records - an extreme sport'3, 'Tout a l'égout'4 en 'Leuk en lastig. De bewerking van architectenarchieven'5. Dit soort archieven bevat veel documenten van groot formaat, veel fotomateriaal, maquettes en modellen. De vaak fragiele tekeningen die er voorkomen nopen tot kostelijke digitale reproductie. Voor de verwerking van dit soort archieven is hoe dan ook nog meer ruimte en nog meer mankracht nodig dan voor 'traditioneel' archief en zijn er dus nog meer middelen vereist. In het verleden en soms zelfs tot op de dag van vandaag werden/worden deze archieven vaak zeer eenzijdig bekeken. Enkel fraaie uitvoeringstekeningen kregen de aandacht, terwijl de eigenlijke inhoud van architectuurarchieven veel rijker is. Er is dus duidelijk nood aan een methodiek voor het verwerken van 'AA'-archieven op een archieftheoretisch correcte manier, ten dienste van een architectuur- en kunsthistorisch onderzoek dat een interdisciplinair karakter vertoont. Met bovenstaande overwegingen in het achterhoofd werd door het K.U.Leuven Universiteitsarchief, het Katholiek Documentatiecentrum
(3) BIRK, S., "Managing Architectural Records: An "Extreme Sport"", in : Architectural Records Conference Report, http:/www.ccaha.org/arch_ records/contents.html, (2000). (4) HOVING, F.J., "Tout a l'égout? Selectie en vernietiging uit de archieven van het nederlands architectuurinstituut", in: Nederlands Archievenblad, 1(1994). (5) KOK, M., "Leuk en lastig, bewerking van architectenarchieven", in: Nederlands Archievenblad, mei 2000.
KADOC en het Raymond Lemaire Centre for Conservation van de K.U.Leuven het project 'Studie en valorisatie van architectuur - en atelierarchieven' opgestart, gesubsidieerd door het Max Wildiersfonds van het FWO. Experts uit andere instellingen werden aangezocht om in de wetenschappelijke begeleidingscommissie te zetelen. Het 'AAA'-project wil een oplossing bieden voor de bestaande problemen. Allereerst wordt binnen het project gewerkt aan de redactie van een handleiding voor het correct verwerken van 'AA'-archieven, die uiteraard een uniforme aanpak vooropstelt. De handleiding wordt opgemaakt uitgaande van literatuuronderzoek, op basis waarvan een methode wordt opgesteld, die getoetst wordt tijdens de verwerking van van twee 'proefarchieven': het archief van architect Huib Hoste (1881 - 1957) en het archief van professor Raymond M. Lemaire (1921 - 1997), de internationaal vermaarde expert in monumentenzorg. Beide archieven worden bewaard in het K.U.Leuven Universiteitsarchief. Het wordt een zeer praktische handleiding vanuit correcte archieftheoretische inzichten. Er zullen richtlijnen gegeven worden als antwoord op alle hoger aangehaalde problemen, die het bewerken van dit soort archieven moeilijk maken. Onder meer volgende vragen worden behandeld: Wat wordt verstaan onder 'AA'archieven'? Welke archivalia kunnen deel uitmaken van 'AA'-archieven, welke problemen komen voor bij het ordenen en beschrijven van deze archivalia en wat zijn mogelijke oplossingen? Welke terminologie dient gehanteerd te worden bij de beschrijving? Hoe kan men de verschillende documenttypes die in dit soort archieven voorkomen best bewaren? Om de rijke en complexe inhoud van 'AA' archieven te illustreren wordt een symposium georganiseerd over het 'Gesamtkunstwerk' waar de nadruk wordt gelegd op het interdisciplinaire karakter van architectuur- en kunst-
B 1 N N E N K R A N T
historisch onderzoek6. Het is ook de bedoeling te toetsen en/of duidelijk te maken in hoeverre de resultaten van het AAA onderzoek, mete name de ontwikkeling van een methodiek van beschrijving en ontsluiting van 'AA'archieven en de productie van een praktische handleiding, een bijdrage kunnen zijn tot dit inter- of multidisciplinaire onderzoek. Dat het nog nodig is om de nadruk te leggen op dit interdisciplinaire karakter kan weer geïllustreerd worden aan de hand van Huib Hoste. De talrijke, vaak bijzonder verdienstelijke studies die aan deze architect gewijd werden, raken steeds maar een deelaspect van zijn leven en werk aan. Gebouwen worden behandeld los van hun interieurinrichting, hoewel beide van de hand van Hoste zijn. Het omgekeerde komt eveneens voor. Het werk van Hoste als architectuurtheoreticus wordt los gezien van zijn gerealiseerde oeuvre. De functionele tuinen die Jean Canned - Claes voor de woningen van Hoste ontwierp, vormen het voorwerp van een studie over de tuinarchitect maar worden niet behandeld in studies over de architect...
Tevens wordt er gewerkt aan een model voor de elektronische verwerking van 'AA-archieven en de ontsluiting ervan op het www, waarbij uitgegaan wordt van bestaande internationale standaarden7 voor de verwerking van archieven. Dit laatste punt werd nog niet eerder aangeraakt, maar is toch van bijzonder belang. Hoewel de nood aan een meer gecentraliseerde benadering voor 'AA'archi even zich in Vlaanderen doet
voelen en de voordelen ervan aangetoond worden in de ons omringende landen is het (zoals reeds werd aangegeven) zo goed als onmogelijk een reëel centraal verzamelpunt voor dit soort archieven te creëren. Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, hier in dit geval schenkingsbesluiten en bestemmingsbeginselen. Ontsluiting van 'AA'-archieven via het www maakt het wel mogelijk langs virtuele weg te komen tot een centraal register van archieven met gekoppelde toegang tot de verschillende inventarissen. Dit idee is natuurlijk niet nieuw8. Evenmin behoort het tot de taken van dit project om een dergelijk virtueel register voor AA-archieven te concretiseren. We kunnen enkel hopen dat het ontwikkelde model voor de elektronische verwerking van 'AA'archieven ooit zal kunnen bijdragen tot de realisatie van wat minimaal vereist is: een Vlaams virtueel vertrekpunt voor bouw- en kunsthistorisch onderzoek.
(8) Met dank aan prof. J. Roegiers, hoofdarchivaris K.U.Leuven Universiteitsarchief.
Beschermingen Marijke
•
Michiels
MONUMENTEN, lANDSCHAPPFN. STADSEN DORPSGFZICHTFN. BESCHERMD IN DErEMRFR 2 Q O Q Ivervnlg)
GOOIK (Leerbeek) DE SINT-PIETERSKERK Monument 08/12/2000 Jan Bernard Thibaut ontwierp voor het kapittel van Nijvel de Sint-Pieterskerk (1769-1773) in classicistische stijl. Deze eenbeukige plattelandskerk met driezijdig gesloten koor en vierkante westtoren werd opgetrokken in baksteen met gebruik van arkose, groengetinte lokale zandsteen. Dorische pilasters en een bepleisterd tongewelf tekenen de sobere binnenruimte. Fraai 18de-eeuws meubilair en met medaillons versierde glasramen van rond 1900 uit het atelier van J. Dobbelaere. De grotendeels bewaarde bakstenen kerkhofmuur onderstreept de gaafheid van het geheel.
(6) Waarbij het interdisciplinaire niet alleen zit in het samenwerken van onderzoekers van verschillende disciplines bij de studie van 1 object maar ook in het bekijken door de individuele onderzoeker van alle aspecten die bij de realisatie van 1 object komen kijken. (7) Onder andere : International Standard for Archival Description (ISAD(G)), International Standard Archival Authority Record for Corporate Bodies, Persons and Families (ISAAR CPF) en de Art and Architecture Thesaurus (AAT), voor wat de terminologie betreft.
1VI&L
B 1 N N E N K R A N T
GOOIK (Leerbeek) DE PASTORIE VAN LEERBEEK Monument 08/12/2000 Sobere, classicistisch geïnspireerde plattelandspastorie uit 1768. Bij het tweelagig bakstenen dubbelhuis met symmetrische voor- en achtergevel is arkose voor vensterdorpels, deuromlijstingen, hoekkettingen en steigergaten gebruikt. In 1867 leidde provinciaal architect Louis Spaak (18041893) een inwendige verbouwing. Niettegenstaande deze aanpassingen getuigen plattegrond, houten draagstructuur, fraaie gewelfde kelders, monumentale Louis XV-trap en een gestucte schouwboezem met rocaillemotieven van de 18de-eeuwse origine. GOOIK (Leerbeek) HOEVE Sint-Pietersplein 1 Monument 08/12/2000 Middelgrote bakstenen vierkantshoeve met elementen in arkose, daterend uit de 18de en 19de eeuw. Woonhuis uit 1783 met een uitzonderlijke vormgeving van het gelijkvloers met doorgetrokken onder- en bovendorpels en met een Louis XV-sluitsteen opgehoogde steekboogvensters. GOOIK (Leerbeek) DE DORPSKERN VAN LEERBEEK Dorpsgezicht 08/12/2000 Het kerkhof, de pastorietuin en de met meidoornhaag omzoomde weide vormen typologisch één geheel met de bovengenoemde monumenten. Verder leveren de restanten van een overwegend ^ ^ - e e u w s e dorpsbebouwing een waardevolle bijdrage tot de perceptie van de site. LUBBEEK (Pellenberg) DE DORPSKERN VAN PELLENBERG Dorpsgezicht 08/12/2000 De kasseibestrating, de holle toegangsweg met haar dwars ingeplante bebouwing, de kerksteeg, relicten van
basisbebouwing en de oude dorpsschool (1911) vormen belangrijke identiteits- en structuurbepalende elementen van de kleine landelijke kern van Pellenberg en de SintPieterskerk. ZEMST (Eppegem) HOEVE PIEKAERTS Rekelstraat 37 Monument 08/12/2000
LEUVEN DE PLATAAN Naamsestraat 37 Monument 08/12/2000 Het 18de-eeuwse Sint-Annacollege werd in de 19de eeuw tot privéwoning aangepast. Van de 19deeeuwse tuinaanleg rest enkel de monumentale plataan met een imposant, circa 30 m. hoog silhouet. Met een stamomtrek van 424 cm behoort dit exemplaar tot de dikste van België. GEETBETS DE PASTORIE Monument 08/12/2000
Deze middelgrote U-vormige hoeve werd na 1918 opgetrokken met steun van het Oeuvre Suisse Beige. Bij dit voorbeeld van wederopbouwarchitectuur werd teruggegrepen naar de zogenaamd typisch Vlaamse stijl. Dit komt tot uiting in de algehele soberheid in materiaalgebruik, een levendige, pittoreske volumewerking en de detaillering met ondermeer kruisvensters, bolkozijnen en trap- en puntgevels. GEETBETS DE SINT-PAULUSKERK EN KERKHOFMUUR Monument 08/12/2000 De Sint-Pauluskerk, in oorsprong wellicht een castrale kapel, werd in 17651769, op de westtoren na, volledig herbouwd naar ontwerp van J. Hustin. Een uitbreiding in westelijke richting en een nieuwe klokkentoren uit 18551859 gaven het gebouw zijn huidige voorkomen. De ruim opgezette en rijk uitgevoerde plattelandskerk in Louis XV-stijl werd opgetrokken in baksteen en Gobertange. Binnen een ruim geproportioneerde eenbeukige ruimte met homogeen wit geschilderd Louis XV-interieur. Het voorname karakter wordt nog versterkt door het bijzonder fraaie 18de-eews meubilair.
De classicistische plattelandspastorie (1752-1753) is opgevat als een baken natuurstenen dubbelhuis met symmetrische gevelopbouw. De deur- en vensteromlijstingen met Gobertange plattebanden illusteren samen met de imitatie natuurstenen omlijstingen in bepleisterde baksteen een sobere Louis XlV-vormgeving. Het sobere interieur getuigt van een ecclectisch geïnspireerde verbouwing uit de tweede helft van de 19de eeuw. GEETBETS JAPANSE NOTENBOOM Monument 08/12/2000 De Japanse notenboom (Ginkgo biloba L) in de pastorietuin van Geetbets is een mooi ontwikkeld, circa 24 m hoog exemplaar. Volgens de 'Dendrologische Inventaris van België' bekleedt deze Ginkgo qua stamomtrek de tweede plaats onder de in België geregistreerde exemplaren. Hij kan tot de oudste in Europa aangeplante exemplaren gerekend worden. GEETBETS HET KERKHOF EN DE PASTORIETUIN Dorpsgezicht 08/12/2000 Het kerkhof rond de Sint-Pauluskerk en de pastorietuin vormt een karakteristiek omgevingselement en is typologisch één geheel met kerk en pastorie.
B 1 N N E N K R A N T
AVELGEM DE SPINNERIJ 'LEURENT' Doornikse Steenweg 151 Monument 08/12/2000 Goed bewaard voorbeeld van een Industriële spinnerij uit het begin van de XXste eeuw. Opgetrokken in een stijl nauw aansluitend bij de toenmalige Noordfranse stijl, vormt de fabriek een belangrijke materiële getuige van het industriële verleden in een landelijk gebied. AVELGEM DE ONMIDDELLIJKE OMGEVING Dorpsgezicht 08/12/2000 Het spinnerijcomplex Leurent uit 1907 bestaat uit een geheel van beeldbepalende onderdelen tegenover de dorpskern, zoals het eigenlijke fabrieksgebouw met bewaarde schoorsteen, de transmissieschacht, stoommachinezaal en ketelhuis, koelvijver, opslagplaats, brandstofpomp voor voertuigen, kantoorgebouw van 1946 en oorspronkelijke concierge- en directeurswoning. OOSTENDE DE ALBERTSCHOOL Ooststraat 29 Monument 08/12/2000 De school, ontworpen door stadsarchitect Achille Raoux, weerspiegelt de hoogconjunctuur van Oostende tijdens de Belle Epoque. De rond 1900 gebouwde school sluit aan bij het overheidsprogramma van 1852, waarbij aandacht voor het bouwconcept en hygiëne centraal stonden. Een verzorgd interieur sluit aan bij de art nouveau vormgeving van de gevels. BILZEN PAND 'PÉTRY1, WOONHUIS, STALLINGEN Klokkestraat 19 Monument 08/12/2000 Woning 'Retry', met een sterk gedecoreerde, gecementeerde voorgevel in
Pand Pétry
eclectische stijl en een bakstenen achtergevel met aangebouwde veranda, dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. Het U-vormig complex is opgebouwd uit een breedhuis en twee haakse achtergebouwen die als stallingen en koetshuis functioneerden. Binnen treft men een gaaf bewaard 19de-eeuws interieur. BILZEN PARK VAN PAND "PÉTRY" Stadsgezicht 08/12/2000 Van het oorspronkelijk veel grotere park dat reeds in de 19de eeuw bij dit pand hoorde rest nog de tuin, die er integraal onderdeel van uitmaakte. Deze tuin vormt een groen binnengebied binnen het huizenblok dat begrensd wordt door de Klokkestraat, de Omstraat en de Kloosterstraat. TONGEREN KAPEL SINT-JACOBSGASTHUIS Schiervelstraat 6-8 Monument 08/12/2000 Dit barokke rechthoekige zaalkerkje met vlakke koorsluiting uit 1660-1662 is het enige restant van de 17de eeuwse fase van het voormalige SintJacobsgasthuis waarvan de stichting
tot de 12de eeuw teruggaat als gasthuis voor pelgrims op hun tocht naar Santiago de Compostella. In het sober bepleisterd interieur ondermeer een barok marmeren praalgraf met ligbeeld, toegeschreven aan de Luikse beeldhouwer Jean Delcour (na 1697). MAASEIK KAPEL HH. HARLINDIS EN RELINDIS Monument 08/12/2000 Kapel op rechthoekig grondplan met driezijdige koorsluiting uit 16801681. De sobere barokstijl werd aangevuld met 18de-eeuwse gepolychromeerde stukwerkdecoratie met de voorstelling van de heilige Harlindis en Relindis. Aan de oostzijde leunt de kapel aan tegen een eenbeukig gebouwtje dat de zogenoemde H. Willibrordusput herbergt. MAASEIK OMGEVING KAPEL Dorpsgezicht 08/12/2000 In en rond de kapel hebben zich verschillende vormen van volksdevotie ontwikkeld, dit geldt ook voor de Sint-Willibrordusput of de put der H.H. Maagden. De bestaande aanplanting van enkele bomen en struiken
M&L
^
^
^
B 1 N N E N X R A N T
P
versterkt de geborgenheid van dit bedevaartsoord en vormt een noodzakelijke biotoop rond deze kapel. BORGLOON (Hoepertingen) SINT-JOBSKAPEL Monument 08/12/2000 De familie de Schaerembergh, heren van Hoepertingen, gaf in de eerste helft van de 17de eeuw opdracht tot de bouw van een bedevaartskapel. Opgetrokken in maaslandse stijl herbergt het een barok portiekaltaar dat vanuit de Sint-Vedastuskerk van Hoepertingen naar deze kapel werd
Dit pand is één van de twaalf kanunnikenhuizen die werden opgericht in de onmiddellijke omgeving van de kapittelkerk, buiten het eigenlijke monasterium. Het breedhuis (1712), opgetrokken in de overgang tussen maaslandse en LodewijkXV-stijl, heeft een symmetrische indeling met een centrale vestibule en tweemaal twee kamers. Voor- en achtergevel hebben dezelfde ordonnantie met getoogde
overgebracht.
venster- en deuropeningen in een mergelstenen omlijsting. Het rijk
BORGLOON (Bommershoven-Haren)
gestoffeerd interieur bevat een ontvangstsalon waarvan de wanden gedecoreerd zijn met olieverfschilderingen op doek. Een tweede salon is volledig versierd met overdadig gedecoreerd stucwerk. De originele schouwmantels en parketvloeren zijn nog
SINT-PIETERSKERK en KERKHOFMUUR Monument 08/12/2000 De kerk van Haren is een zeer oude, autonome stichting van de abdij van Corbie (Picardië). Verschillende bouwfasen volgden elkaar op: een romaanse onderbouw met gotisch schip uit de 15de eeuw, 17de eeuwse westgevel en 18de eeuws koor. Classicistisch, bepleisterd interieur met rijke stoffering. BORGLOON KERKHOF Dorpsgezicht 08/12/2000 Het kerkhof met linde- en kastanjebomen maakt integrerend deel uit van de kerksite. TONGEREN Grote Markt 19 Monument 08/12/2000 Het pand genaamd "De Pelicaen en Ganze" deed dienst als Rederijkerskamer en lokaal van de smeden ("smeehuis"). Het imposante hoekhuis in maaslandse renaissancestijl, gedateerd 1707 met mogelijk een oudere kern, werd aangepast in de 19de eeuw. In het interieur treffen we op de tweede verdieping rijke 18de eeuwse stoffering en op het gelijkvloers 19de eeuwse plafonds.
M&L
11
TONGEREN VOORMALIG KANUNNIKENHUIS Maastrichterstraat 6 Dorpsgezicht 08/12/2000
aanwezig. NIJLEN PASTORIE Kessel-Dorp 39 Monument 08/12/2000 Symmetrisch dubbelhuis met neoclassicistisch uitzicht, schilddak met lagere zijtraveeën en centrale deurtravee uit het derde kwart van de 19de eeuw. Het pand behoort tot de groep van pastoriën die midden 18de eeuw opgetrokken werden ter vervanging van een oudere pastorie en in de 19de eeuw verhoogd met een bovenverdieping. De oude 18de-eeuwse indeling is nog aanwezig. PUTTE HET HOEFIJZER Schrieksesteenweg 68 Monument 08/12/2000 De voormalige afspanning uit 1772 getuigt van het handelsverkeer naar de Kempen. De bouwstijl is een duidelijk voorbeeld van de 18de-eeuwse hoevebouw. De volkskundige waarde uit zich in de rol die de voormalig
herberg speelt in een oud volksverhaal in verband met het ontstaan van de spotnaam van de inwoners van Putte. PUTTE HEIHOEVE Vogelstraat 11 Monument 08/12/2000
•^••BBBMII^HBHHI^^^^^B^^^^I ^ ^ ^ ^
H
^^^Sk
W
--^- '
_^a^l Jpcaf-
, _-
•"M
^- ,
J MM
'<* '• i!l' ~
rm
De Heihoeve uit 1736 sluit architectuurhistorisch aan bij de traditionele hoevebouw uit de 18de eeuw. Deze hoeve getuigt - als landbouwuitbating van de commanderij van Pitsemburg van de rol die deze Duitse religieuze ridderorde in onze streken speelde. TONGEREN OMGEVING KANUNNIKENHUIS Stadsgezicht 08/12/2000 Het enige onbebouwde restant van het voormalige domein van het kanunnikenhuis II waar de voortuin met twee aparte bouwvolumes gesitueerd was. WAARSCHOOT VOORMALIG SPOORWEGSTATION Stationsplein 10 Monument 08/12/2000 Dit plattelandsstation werd in 1903 opgericht in een typische rondboogstijl met houten sierelementen. Het station is één van de drie nog bestaande oude stations die rond de eeuwwisseling werden ingeplant op de in 1862 aangelegde lijn GentEeklo(-Brugge).
A
"1
~É
B 1 N N E N K R A N T
WAARSCHOOT DE ONMIDDELLIJKE OMGEVING Dorpsgezicht 08/12/2000 Het stationsplein van Waarschoot wordt gekarakteriseerd door een typische bebouwing van rond 1900 waaronder enkele woningen met Jugendstilinslag en een rij arbeiderswoningen te dateren rond 1880. GENT (Drongen) HOEVE Berkstraat 6 Monument 08/12/2000 Een 18de-eeuwse hoevecomplex gekenmerkt door een typerend boerenhuis met gewitte gevel voorzien van korfboogdeurtje, rechthoekige vensters met kleine roedeverdeling en luiken en flankerende lagere zijaanbouwsels. Haaks tussen woonhuis en straat werd een karakteristiek bedrijfsgebouw met stallen, schuur en wagenhuis ingeplant. Woon- en bedrijfsgedeelten bewaren nog grotendeels oude interieurelementen. DUFFEL KASTEELTJE VAN PERWIJSBROECK Handelsstraat 2 Monument 08/12/2000 Het zogenoemde kasteel met aangrenzend park is een gaaf bewaard, neoclassicistisch landhuis, opgetrokken met gevoel voor eenvoud en symmetrie en kenmerkende vensters en serliana. De landelijke 19de-eeuwse woning is gelegen in de onmiddellijke omgeving van het dorpscentrum, nabij de Nete-overgang.
sierelement. In het gaaf bewaarde interieur komt de interesse van de architect voor het "Gesamtkunstwerk" duidelijk tot uiting, evenals het gebruik van uitgesproken kleurstellingen. WOMMELGEM Dasstraat 25 Monument 08/12/2000 Schoolgebouw in neorenaissancestijl uit 1878, opegtrokken met zorg voor het detail en de architecturale geleding en beantwoordend aan de toenmalige wettelijke normen. Het interieur bleef bewaard. ANTWERPEN POORT SINT-PAULUSKERK Monument 08/12/2000 Rijk uitgewerkt poortgebouw in classicistische stijl uit 1859-1862 naar ontwerp van B. De Proost en J. Van Roey. Het poortgebouw werd opgetrokken bij de aanleg van de Sint-Paulusstraat en geeft toegang tot de tuin bij de Sint-Pauluskerk, een restant van de boomgaard van het voormalig klooster. SINT-NIKLAAS SINT-JOZEFSKERK Monument 08/12/2000 Vrijwel intact bewaarde neogotische kerk (1872-1878) naar een ontwerp van stadsarchitect Edmond Serrure.
v i\ R A M Het kerkgebouw behoort tot de archeologische strekking en is tevens een uitdrukking van het kerkbeeld zoals dat tot uiting kwam in Vaticanum I (1869-1870). De benedenkerk is integraal aan het Oud Testament gewijd, het transept aan de populaire heiligendevotie en het hoogkoor verwijst naar het Nieuwe Testament. Het neogotische interieur behield grotendeels de sterk symbolisch geladen polychromie en inrichting. BONHEIDEN BAKHUISJE Oude Baan Monument 22/12/2000 Dit functionele gebouw werd uitgewerkt in een originele vormentaal. Eclectische stijlkenmerken ontleend aan de neomoorse en neotraditionele vormentaal uit het derde kwart van de 19de eeuw sieren het gebouw. BONHEIDEN SCHUUR VAN DE HOTTENTOTHOEVE Cassenbroek 1 Monument 22/12/2000 Met zijn kleinschalig woonhuis en imposante langschuur is de hoeve een karakteristieke voorbeeld van een landbouwcomplex in de streek. De deels versteende schuur vertoont een 18de of vroeg 19de-eeuws volume. De gedeeltelijk bewaarde lemen wanden gaan terug tot de traditionele vakwerkbouw. Schuur van de Hottentothoeve
IZEGEM Schoolstraat 10 Monument 22/12/2000 Representatieve woning uit het oeuvre van de modernistische architect J. De Bruycker tijdens het interbellum. Typerende elementen zijn de geometrische vormentaal, het betonskelet en de vlaggenmast als verticalizerend
M&L
•4 Smt-Albertuskerk van Zwartberg. De Heilige Lambertus in de transkapel: Alex Daoust (foto 0. Pauwcis)
A Sint-Albmuskerk
Tondo van Carlo
van Zwartberg.
Sarrabezolles
Zijaltaar van het
(foto 0. Pauwels)
Heilig Hart.
Het zuidelijke altaar is toegewijd aan het Heilig Hart. De tombe is versierd met twee pauwen, vroegchristelijk symbool van de onsterfelijkheid. Het plaasteren reliëf van het Heilig Hart is een origineel werk van de Franse beeldhouwer Carlo Sarrabezolles (49).
Kooromgang Achter het priesterkoor ligt een kooromgang met vijf halfronde transkapellen. Elke transkapel heeft een halfkoepelvormig gewelf van waaruit een kroonluchter in stervorm neerhangt. In de wand wordt een raampje geflankeerd door twee beelden op een sokkel, voorzien van een kaarsenhouder voor drie kaarsen en een bronzen bloemenvaas. De diverse heiligenbeelden werden ontworpen door de Dinantse beeldhouwer Alex Daoust en beschilderd door Joseph Claes. In de eerste kapel bevinden zich de beelden van de Heilige Franciscus van Assisi (50) en van de Heilige Antonius van Padua. In de tweede kapel is er een beeld van de Heilige Martinus, de patroon van Genk en van de Heilige Rochus, één van de traditionele pestheiligen. In de centrale kapel staan de beelden van de Heilige
Apollonia en Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans. In de vierde kapel bevindt zich een beeld van de Heilige Jozef, de handen gevouwen boven een zaag. Naast hem de Heilige Lambertus, patroon van het bisdom Luik.
Sint-Albertuskerk van Zwartberg. Balustrade van de galerij boven de kooromgang (foto 0. Pauweis)
1V1&L
De laatste kapel bevat een beeld van de Heilige Theresia van Lisieux en van de Heilige Isidorus (51). Boven de kooromgang en de transkapellen loopt een galerij die door vijftien boogvormige openingen uitgeeft op de kerkruimte. Deze bogen hebben een balustrade van smeedijzer. Het centrale paneel dat de opening volledig vult, toont een voorstelling van een ram. Die staat symbool voor Christus, die net als de ram uit het oude testament geofferd moest worden voor de zonden van het volk. De ram staat op een rots waaruit de vier paradijsrivieren - Tigris, Eufraat, Nijl en Indus - ontspringen. Achter hem zijn wijnranken waarin witte duiven nestelen, symbolen van het paradijs. Daarnaast zijn er veertien panelen met schapen, die van het water
• Sint-Albertuskerk van Zwartberg. Transkapel met de beelden van de Heilige Appolloma en Onze-Lleve-Vrouw (foto 0. Pauwels)
M&L
drinken dat vloeit uit de paradijsrivieren. Achter hen schieten bloemen op terwijl op de voorgrond cactussen te zien zijn. Het schaap symboliseert de gelovige, de paradijsrivieren de leer van Christus die de woestijn met cactussen omvormt tot vruchtbaar land met bloemen. Deze iconografie is geïnspireerd op vroegchristelijke en Byzantijnse voorbeelden zoals de apsismozaïek van de San Apollinare in Classe te Ravenna.
Het schip Het schip van de kerk wordt gedomineerd door de voorstelling van de twaalf apostelen in de glasramen, uitgevoerd in industriële glastegels gevat in gewapend beton. De figuren worden telkens geïdentificeerd door een opschrift met hun naam. Aan de noordkant zien we achtereenvolgens van koor naar
•4 Sint-Albertuikerk van Zwartberg. Wi|dingssteen. Kruisweg van de ateliers van Haredsous. Beeld van het Heilig Hart van Georges Dekomnck (foto 0. Pauwels)
van de abdij van Maredsous naar het ontwerp van beeldhouwer Jozef de Falloise (54). De kruisweg die Lacoste voor deze kerk ontwierp bestaat uit eenvoudige houten kruisen, waarop telkens het nummer van de statie aangebracht werd. Dezelfde kruisweg zullen we eveneens zien in de kerk van Beringen. Ook de twee monumentale beelden van OnzeLieve-Vrouw en het Heilig Hart werden geplaatst buiten de plannen van Henri Lacoste om. De mijndirectie liet ze omstreeks 1950 door Georges Dekoninck vervaardigen uit houten balken, die in de ondergrond gerecupereerd werden toen de ondersteuning van een aantal mijngalerijen verwijderd werd (55). De twee biechtstoelen die in de zijgangen van het schip staan opgesteld zijn eenvoudige eikenhouten meubels, versierd met balustertjes. De biechtstoelen van Zwartberg zijn verwant met die van Bléharies en identiek aan die van Beringen.
Westbouw
westgevel: Petrus, Paulus, Johannes, Mattheus, Thomas, Jacobus de mindere. Aan de zuidgevel zien we: Andreas, Simon, Jacobus de meerdere, Bartholomeus, Phillipus, Taddeus. De apostelvoorstellingen zijn, mee als gevolg van de techniek met gesneden glastegels, zeer statisch en herinneren aan de Byzantijnse mozaïeken uit de 7de eeuw (52). Het kleurgebruik is opvallend. Aan de noordkant domineren koele blauwe kleuren, terwijl aan de zuidkant vooral warme gele en rode kleuren gebruikt werden.
In de westbouw, aan de noordzijde, is op monumentale schaal een episode uit het leven van de Heilige Barbara, patrones van de mijnwerkers, uitgebeeld in de vorm van de zogenaamde Barbaratoren. Deze toren bestaat uit gedreven koperplaten aangebracht op een houten kern. Het houten beeld van de Heilige Barbara werd omstreeks 1950 vervaardigd door Raf Mailleux (56). De legende vertelt hoe Barbara door haar vader in een toren opgesloten werd wegens haar sympathie voor het christendom. Ze slaagde er echter in zich te laten dopen en als uitdrukking van haar geloof in
Sint-Albertuskerk
De twaalf kroonluchters in het schip, bestaande uit een met kruisjes opengewerkte cilinder, zijn zoals de godslamp geïnspireerd op Visigotische votiefkronen (53). Tegen de gordelbogen van het schip zijn zes wijdingsstenen aangebracht. Zes andere bevinden zich in de kooromgang en tegen de westgevel. Deze wijdingsstenen, bestaande uit een zwartmarmeren kruis waarop een smeedijzeren kaarsenhouder is bevestigd, markeren de plaatsen waar de kerkmuren tijdens de kerkwijding door de bisschop met heilige olie gezalfd werden en verwijzen door hun aantal naar de twaalf apostelen, pijlers van de kerk. Eveneens tegen de gordelbogen is een kruisweg aangebracht. Hij werd vervaardigd in de ateliers
van Zwartberg. Orgel (foto 0. Pauwels)
•4 Sint-Albertuskcrk
werd in hout
van Zwartberg.
uitgevoerd In
Barbaratoren.
Raf Hmlleux
Het beeld van de
(foto 0. Pauwels)
Heilige Barbara
de Heilige Drievuldigheid liet ze in haar toren drie vensters aanbrengen. Een monumentaal opschrift, dat de helft van de oppervlakte van de toren in beslag neemt, verwijst daarnaar. Gij deed het bekken verlichten met drie openingen om het doopsel op mystieke wijze te verklaren, Barbara. Moge dit de zielen een schitterende zuivering verschaffen door het licht van de drievuldigheid. Alleluja. De voet van de toren is versierd met de voorstelling van bijen en slangen. De bij is het symbool van de maagdelijkheid van Barbara. De betekenis van de slangen, hier aangebracht in de vorm van kaarsenhouders, wordt verklaard door het opschrift "Vleest behoedzaam zoals slangen en eenvoudig zoals duiven". Het is als het ware een aansporing van de Heilige Barbara aan de mijnwerkers om voorzichtig te zijn tijdens de arbeid. Tegen de westelijke gevel, boven de hoofdingang, bevindt zich een doksaal met een orgel. Het elektropneumatische orgel werd gebouwd door de firma Verschueren uit Tongeren. De balustrade van het doksaal is versierd met een monumentaal opschrift in ijzerplaat: "Alleluia alleluia zingt voor de Heer een nieuw lied alleluia alleluia alleluia". Boven dit opschrift is een boekensteun aangebracht versierd met een gregoriaanse notenbalk. Tussen de verschillende panelen van het opschrift zijn acht lichtarmaturen uitgewerkt als bloemen. Boven de zuidelijke zij-ingang van de kerk werd in Venetiaans glasmozaïek een wijdingsopschrift aangebracht, vergezeld van een afbeelding van de patroonheilige van de kerk. Het opschrift luidt: "Tijdens het pontificaat van Paus Pius XII het koningschap van Leopold UI, Koning der Belgen het episcopaat van Ludovicus fosephus, bisschop van Luik en het herderschap van Pastoor Fel. Breuls werd deze kerk in het jaar des heren 1940 genoemd naar de Heilige Albertus". De voorstelling van de Heilige Albertus, geïdentificeerd door een onderschrift, is opmerkelijk. Het betreft hier niet de populaire Albertus de Grote
IVODNPIOXIIPON )POLDOIIhBELGARy^ LVDOVICO^OiEPH' ISCOPO^LEODIEf^M l-RRFVLVPAROECAM. ^RANTDHOCTEMPLV ;TO*ALBERTO*DIGA I
/M€3P.
maar Albertus van Luik (f 1192), een vrij onbelangrijke bisschop zonder iconografische traditie. O m de heilige toch eenduidig te identificeren, gaf Lacoste hem een model in de hand van de eerste
kerk die aan hem werk toegewijd: de Sint-Albertuskerk van Zwartberg. De inspiratie voor de vormgeving van deze statische figuur is weerom te zoeken in de 7de-eeuwse Byzantijnse mozaïeken (57).
Slnt-Albertuskerk van Zwartberg. Wi|dingsopschiïft met afbeelding van Smt-Albertus in mozaïek
Doopkapel (58)
(foto 0. Pauwels)
De doopkapel op de benedenverdieping van de toren werd helemaal ingericht volgens de liturgische voorschriften van de tijd. Die stipuleerden dat het ongedoopte kind de kerk niet mocht betreden, zodat de doopkapel een onafhankelijke toegang moest hebben. Die bevindt zich hier in de galerij tussen kerk en toren. De doopkapel bestaat uit twee vierkante ruimtes die zich boven elkaar bevinden en met elkaar verbonden zijn door een achthoekige koker, ondersteund door acht zuilen. De achthoekige vorm is geen toeval. Het getal acht verwijst immers naar de verrijzenis van Christus op de achtste dag. De Christenen geloven dat het ongedoopte kind door het doopsel eveneens verrijst tot nieuw leven. O p de wand van de achthoekige koker zien we een opschrift: "Zoals het hert verlangt naar het water van de bron zo verlangt mijn ziel naar u mijn God", geïllustreerd door het gewei van een hert. Onder de koker staat de doopvont, een enorme koperen kuip met een piramidaal deksel. De kuip draagt het opschrift: "Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden". De doopvont is te bereiken door drie trapjes af te dalen, wat verwijst naar Christus die afdaalt in de Jordaan. De doopkapel wordt verlicht door een boogvormig glas-in-betonraam met een Byzantijns geïnspireerde voorstelling van het doopsel van Christus. Indirecte verlichting gebeurt via de achthoekige koker, gezien de bovenruimte verlicht wordt door drie ronde ramen met een voorstelling van de Heilige Geest in de vorm van een duif. De luchter die centraal naar beneden hangt in de koker, is uitgewerkt als een kruis met veelkleurige kristallen en lampjes die enorme parels lijken. Deze vormgeving verwijst naar een Byzantijns kruis uit de kathedraalschat van Doornik (59).
Vloeren, beschildering, ramen De aandacht die Henri Lacoste besteedde aan het interieur van de kerk ging zeer ver. Ook voor de vloeren, schilderwerken en decoratieve ramen maakte hij ontwerpen. Het merendeel van de vloeren is samengesteld uit ceramische tegels van Cerabel, waarbij zowel kleur als motieven geïnspireerd lijken op vloeren die ontdekt werden te Apamea. De vloer van de galerij
•4 Sint-Albertuskerk van Zwartberg. Doopkapel. Oorspronkeli|ke toestand (foto MarieChnstine Claes)
boven de transkapellen werd uitgevoerd in antiakoestisch beton gegoten in visgraatmotief. Voor de vloeren van de overdekte galerijen werden witte en zwarte keien gebruikt terwijl het motief van snijdende cirkels eveneens van antieke inspiratie is. Zeer belangrijk voor het algemene uitzicht van het schip is de beschildering van de dakstoel. Lichtblauw werd gebruikt voor de vlakken en goudbruin en donkerblauw voor de dragende structuur. Deze rijke beschildering verhoogt de feestelijke indruk van het interieur. Bij de decoratieve glasramen van het koor en de westgevel speelt de kleur een belangrijke rol. Het rode en het gele glas van de koorvensters zorgt voor een warm ochtendlicht, terwijl de groene en blauwe glasramen van de westgevel 's avonds een kil licht in het kerkschip werpen.
Interieurontwerpen voor de bijgebouwen, onuitgevoerde ontwerpen Ook voor het interieur van de bijgebouwen maakte Lacoste enkele ontwerpen. Voor de sacristie tekende hij het grondplan en de plaatsing van het meubilair. Voor de pastorie tekende hij schoorsteenmantels en vloeren en muurbeschilderingen voor de gang. Hij ontwierp zelfs de tuin van de pastorie. Enkel de vloeren en schoorsteenmantels van de pastorie werden uitgevoerd. Globaal gezien werden er maar enkele ontwerpen van Lacoste voor Zwartberg niet uitgevoerd: een monumentaal altaarkruis van smeedijzer, kristal en hout en enkele ontwerpen voor een preekstoel. Daarnaast werden wel enkele plannen gewijzigd: ciborium en hoofdaltaar, zijaltaren, doopkapel, wijdingsopschrift, orgelbalustrade, priesterbank en luchters van de transkapellen. Dit had eerder te maken met het niet in de smaak vallen van deze plannen bij de opdrachtgevers, dan met het afzwakken van te ambitieuze plannen (60).
DE SINT-THEQDARDUSKERK VAN BERINGEN-MIJN (Koolmijlaan. Beringen-Mijn) (6\) Bouwgeschiedenis (62) Het architecturale programma dat Henri Lacoste in Beringen realiseerde was omvangrijker en indrukwekkender dan dat voor het gebouwencomplex van Zwartberg. Naast een kerk met een voorplein omvat het complex een catechesezaal, een pastorie, twee kapelanijen, een parochiezaal, een patronaats-
zaal en een fietsenstalling. Al deze gebouwen werden gerealiseerd tussen 1939 en 1943. De ruimere stedenbouwkundige context, waarvoor Lacoste eveneens een ontwerp maakte, zou gevormd worden door een arbeiderswijk en een kerkhof ten westen van de kerk en een aantal voorzieningen zoals kinderheil, huishoudschool en TBC-dispensarium ten zuiden van de kerk. Van dit ambitieuze project werd in 1947 enkel het gebouw van het kinderheil in de Kerkstraat gerealiseerd. Ook in Beringen bestaat de tuinwijk uit enkele onderscheiden stedenbouwkundige elementen. De directeursvilla en de ingenieursvillas liggen aan de Koolmijnlaan, de bediendewoningen aan het Kioskplein en de arbeiderswoningen in twee wijken ten oosten en ten westen van de Koolmijnlaan. De kerk maakt geen deel uit van een van deze onderdelen maar ligt geïsoleerd tussen de verschillende onderdelen in (63). Toen de mijndirectie van Beringen begin 1938 besloot een kerk te bouwen vroeg ze aan verschillende architecten een voorontwerp. Naast Henri Lacoste gingen Jos Smolderen, Adrien Blomme, Robert Toussaint en ? Maeremans daarop in. Dat het de mijndirectie erom te doen was een bijzondere en imponerende kerk te bouwen, kan al afgeleid worden uit de namen van de architecten aan wie ze een voorontwerp vroeg. Lacoste, Smolderen en Toussaint zijn niet toevallig de architecten van imposante kerken voor de tentoonstellingen van Luik en Antwerpen in 1930 en van Brussel in 1935- Ook het feit dat het project van Lacoste gekozen werd terwijl het bijgeleverde bestek het hoogste was, doet vermoeden dat er de mijndirectie veel aan gelegen was een bijzondere kerk te bouwen (64). Het voorontwerp van Lacoste werd goedgekeurd door de KCML op 18 augustus 1938. De plannen werden door dezelfde commissie goedgekeurd in december van dat jaar. O p 16 juni 1939 startten de aannemers Gelpkens en Vanonkelen uit Tienen met de werkzaamheden. Het zou bijna vier jaar duren voordat de kerk op 18 april 1943 kon worden opengesteld voor de eredienst. De kerk werd gewijd op 30 augustus 1943 maar pas in 1949 was de afwerking van het kerkinterieur voltooid. De bouw van de kerk liep ernstige vertragingen op door de oorlogsomstandigheden. Transport en communicatie ondervonden moeilijkheden en handenarbeid was schaars door de mobilisatie. Niet te onderschatten was zeker ook de factor van de kolenschaarste. Zowel voor de productie van bakstenen, pannen, vloertegels, kristalglas als koperwerk waren aanzienlijke hoeveelheden energie nodig in de
Voorontwerp voor de kerk van Beringen-Hi|n: licht op het voorplein. Henri Lacoste. 1938 (foto: Archives d'Architecture Moderne, Brussel)
vorm van steenkool. Die was echter in grote mate gereserveerd voor de Duitse oorlogsindustrie. Hoewel de afwerking van het kerkinterieur voltooid was in 1949 zou het tot in 1957 duren eer de kerk klokken kreeg. Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de mijn van Beringen schonk de mijnmaatschappij drie klokken. Tot dan toe werd het klokkengelui door middel van luidsprekers in de toren uitgezonden. De aanpassing aan de vernieuwde liturgie in 1965 was in Beringen minder drastisch. De communiebank werd verplaatst naar de oostelijke wand van het koor en voor het priesterkoor werd een nieuw koor in hout aangebracht. Hier vindt het nieuwe houten altaar zijn plaats. Bij de omvorming van de sacristie tot weekkapel werd er een vals plafond geplaatst. Veel ingrijpender was de verkoop van de parochiezaal, de patronaatszaal, de kapelanijen en een deel van de fietsenstalling. Deze gebouwen waren eigendom gebleven van de mijnmaatschappij. Toen zij na de oprichting van de 'N.V. Kempische Steenkoolmijnen' (KS) haar patrimonium verkocht, gingen ook deze gebouwen over in particuliere handen. De parochiezaal en de patronaatszaal doen momenteel dienst als moskee.
Vanaf de jaren 1980 begon ook de kerk van Beringen bouwtechnische gebreken te vertonen. Het dak van de galerij voor de kerk werd al vervangen en aan de toren werden belangrijke werken uitgevoerd. De kerk werd in 1986 beschermd als monument, het hele complex geniet bescherming als dorpsgezicht. Ook deze kerk werd gebouwd door de mijn, maar op naam van de kerkfabriek omdat dit fiscaal voordelig was. Het perceel waarop de kerk staat, werd ook hier door de mijndirectie aan de kerkfabriek geschonken. De financiële lasten van de bouw en de inrichting werden bijna volledig door de mijn gedragen. Van de gemeenten Koersel en Beverlo, waaronder Beringen-Mijn in die periode viel, was weinig financiële hulp te verwachten. Zij hieven, in tegenstelling tot de gemeente Genk, geen gemeentelijke belasting op de steenkoolproductie en hadden zodoende veel minder inkomsten. De gemeente Koersel engageerde zich wel tot een subsidie van 150.000 tot 250.000 frank voor de aankoop van kerkmeubilair. In 1942 stortte ze effectief 100.000 frank. Of er later nog betaald werd, weten we niet. Het bestek van januari 1939 voor de bouw van de kerk voorzag de volgende kosten:
». Smt-Theodarduskerk van Beringen-Mijn. Z ht d d gevel van voorplein,
- ruwbouw: 2.163.000 frank . i n r i c hting: 742.000 frank ^^ i i i i «i • i r i i *-' m g e r e Kena volgens de Abex-inaex geert dat de waarde van 147.000.000 frank voor 2000.
kerk en parochiale voorzieningen (foto 0. Pauwels)
Als in juni 1943 de afrekening gemaakt wordt, blijkt dat de bouw en de inrichting van de kerk, de sacristie, de catechesezaal en de pastorie 4.100.000 frank hebben gekost, en dit terwijl een deel van de interieurontwerpen nog niet voltooid is. Het ereloon van de architect bedroeg 514.000 frank. Omrekenen via de Abex-index is hier moeilijk. Tussen 1939 en 1943 verdrievoudigden de prijzen van de bouwnijverheid, en het is onmogelijk te achterhalen welke uitgaven in welk jaar gedaan werden.
Architectuur Het schip van deze kruiskerk met een massieve vieringtoren omvat, naast de toegangstravee, nog vijf traveeën. Voor de kerk ligt een uitgestrekt voorplein omgeven door een overdekte galerij, als het ware een kloostergang, die aansluit op de toegangstravee van het kerkschip. De doopkapel, een afzonderlijk torenvormig gebouwtje, ligt ten zuiden van de kerk en sluit aan op de meest westelijke travee van het schip. Achter de kerk zijn enkele parochiale voorzieningen gegroepeerd rond een uitgestrekt binnenplein. Ten noorden en ten zuiden van het koor zijn in twee identieke bouwvolumes een catechesezaal en de sacristie ondergebracht. Aansluitend bij de sacristie en langs de Kerkstraat bevinden zich de pastorie en twee kapelanijen. Het binnenplein wordt aan de oostzijde begrensd door een parochiezaal en een patronaatszaal, aan de noordzijde door een galerij die dienst deed als fietsenstalling. Deze galerij vormt de noordelijke wand van het binnenplein en maakt de verbinding tussen de catechesezaal en de parochiezaal. De architectuur van deze kerk vertoont sterke overeenkomsten met de architectuur van de kerk van Zwartberg. Sober en verzorgd metselwerk typeert het exterieur en het interieur, terwijl de structuur in gewapend beton werd uitgevoerd. De betonstudies werden ook hier gemaakt door ingenieur Vanderhaegen. Stilistisch zijn er dezelfde rationalistische en regionalistische kenmerken als te Zwartberg. Waar de toren van de kerk van Zwartberg geconcipieerd is naar het voorbeeld van de kerk van Veurne, vertoont de vieringtoren van de kerk van Beringen sterke overeenkomsten met de kerktoren van Lo (65). Enkele architecturale vormen zoals de gordelbogen, gebruikt voor de overwelving van het
M&L
schip, de vorm van de vensteropeningen, de waterspuwers en het kruis als bekroning van de gevel, zagen we al in dezelfde vorm in de kerk van Zwartberg. Ondanks deze overeenkomsten heeft de kerk van Beringen een totaal andere sfeer. Dit hangt in de eerste plaats samen met het samenvoegen van de bouwvolumes. Waar het gebouwencomplex te Zwartberg overzichtelijk langs de weg uitgestrekt ligt en vanuit één standpunt te overzien is, zijn er in Beringen verschillende standpunten nodig om het grondplan van het complex te vatten. Hierdoor is ook de binnenruimte van de kerk gefragmenteerd en opgedeeld in een schip, transeptarmen en verborgen nissen langs het hoofdaltaar. Daarenboven is de lichtintensiteit in deze kerk veel lager dan te Zwartberg. Dit is een gevolg van de kleinere vensteropeningen, gevuld met kleinere glasstukken van donkere kleur, zodat meer beton gebruikt werd en er dus minder licht kan binnen-
schriften verwijst naar de psalmen en naar het boek Openbaring en duidt de betekenis van het kerkgebouw als een voorafbeelding van het Hemelse Jeruzalem (66). Opmerkelijk is dat de poorten langs de binnenkant identiek versierd werden omdat ze naar buiten openzwaaien. O p die manier is de versiering ook zichtbaar als de poorten geopend zijn.
Ciborium en hoofdaltaar
vallen. Voeg daarbij dat de aankleding van het interieur veel minder kleurrijk is en er ontstaat een algemene sfeer van soberheid en ingetogenheid. Toch verdienen ook in dit kerkinterieur enkele elementen naar ontwerp van Lacoste een nadere beschouwing.
De toegangspoorten De westgevel van de kerk wordt gedomineerd door drie monumentale bogen waarbij de middelste de hoogste is. In het benedengedeelte van deze bogen bevinden zich drie portalen met telkens een monumentale dubbele deur voorzien van koperbeslag. Boven de portalen is een balkon aangebracht van waarop de priester bij processies de gelovigen op het voorplein kan zegenen. De poorten zijn enkel versierd door middel van opschriften, verdeeld over vier registers die gescheiden zijn door rijen van noppen. De inhoud van de op-
Ook in deze kerk neemt het ciborium een dominante plaats in, hoewel de vormgeving eenvoudiger is en de perspectieflijnen niet zo benadrukt zijn als in Zwartberg. Het ciborium, een balkvormig volume waarvan de vier zijvlakken geopend zijn door spitse bogen en de bovenkant afgesloten werd door een koepelvormig gewelf, heeft een structuur in gewapend beton bekleed met witte marmerplaten. De vormgeving van dit ciborium verwijst naar het vroegchristelijke ciborium uit de zijbeuk van de San Appolinare in Classe te Ravenna (67) en naar het ciborium van de San Marco van Venetië. O o k de altaartafel en de altaarwand zijn bekleed met hetzelfde witte marmer. De enige versiering is een vergulde fries in gedreven koper langs de boogvormige openingen en een fries in mozaïek op de altaarwand. Centraal in de altaarwand zien we het tabernakeldeurtje in kostbaar zilverfdigraan met parels en paneeltjes in email met de figuren van Johannes, Maria en twee engelen. De figuren van Johannes en Maria werden overgenomen van een 12de-eeuws glasraam van de kathedraal van Chartres met de voorstelling van de kruisiging en de Hemelvaart (68). O p de altaarwand staat een baldakijntje uitstalling van het sacrament, geflankeerd monumentale 'marmeren' kandelaars in derd hout (69). Onder het baldakijntje zich een smeedijzeren kruis met een
voor de door zes beschilbevindt zilveren
Sint-Theodarduskerk van Benngen-MIjn. Het centrale portaal in de westgevel (foto 0. Pauwels)
Mm'JiïiMiMvM Christus waarvan de vormgeving verwijst naar de 'boom des levens'. Ook de ondersteuning voor de canonborden, een kruisbeeld geflankeerd door twee kandelaars in smeedijzer, werden door Lacoste ontworpen. De vormgeving van ciborium en hoofdaltaar is eenvoudig, rerwijl beide werden uitgevoerd in kostbare materialen. Het eerste ontwerp voor het ciborium, dat in juli 1941 afgevoerd werd als gevolg van
de materiaalschaarste, toont ons echter een zeer rijke en fantasierijke constructie die aan de sfeer van dit kerkinterieur onvermijdelijk een heel andere invulling had gegeven (70). Bij de opeenvolgende latere ontwerpen is er duidelijk een tendens naar vereenvoudiging en versobering merkbaar waarbij, naast de materiaalschaarste, ook de minder gunstige economische situatie van de steenkoolmijnen een rol speelde.
Priesterkoor De vloer van het priesterkoor, rond het ciborium en het hoofdaltaar, is rijkelijk versierd. Binnen een raster van rode en zwarte tegels werden een aantal panelen in mozaïek geplaatst. In het grote centrale paneel voor het altaar drinken vier pauwen, symbool van de onsterfelijkheid, aan de 'Bron van het Leven'. Zestien kleinere taferelen met de voorstelling van een vogel op een tak vervolledigen de compositie. De iconografische inspiratie is ook hier weer vroegchristelijk, terwijl kleur en vormgeving antiek lijken. De priesterbank en de misdienaarsbank in metselwerk en een rijke, veelkleurige marmerbekleding staan links en rechts op het koor. Het overige koormeubilair bestaat uit drie zetels en drie knielbanken. De zetels hebben opnieuw de versiering met balustertjes. De knielbanken zijn identiek aan die te Zwartberg. Een kostbaar processiekruis van gedreven zilverplaten, versierd met kostbare halfedelstenen, vindt ook een plaats op het koor.
COUÖE
.
" \^> : :
LGLISE DE ClBORIUM .
A-B
BE.ERINGE.N tcnuu O,O5I.M
Ar
Slnt-Theodarduskerk van Berlngen-Hijn. Tabernakeldeur van
Slnt-Theodarduskerk van Beringen-Mijn. Schip van de kerk. Ciborium. Kroonluchters (foto 0. Pauwels)
Sint-Theodarduskerk van Beringen-Mijn. Eerste ontwerp van het ciborium. Henn Lacoste. 1940 (foto: Archives d'Architecture Moderne, Brussel)
De ommuring van het koor eindigt hier eens te meer in twee ambones ter vervanging van de preekstoel. Drie trappen lager staat de communiebank, bekleed met zwart marmer en panelen in mozaïek met de voorstelling van een duif met palmtak, symbool voor de vrede, duidelijk van vroegchristelijke inspiratie. Langs het hoofdaltaar, in het verlengde van de zijbeuken van het schip, werden in twee donkere hoeken zwartmarmeren omlijstingen aangebracht met daarin een muurschildering door Joseph Claes. Aan de noordkant werd een voorstelling van het Heilig Hart gecombineerd werd met een voorstelling van Christus in de Majesteit. De schilder baseerde deze muurschildering op Romaanse voorbeelden. Aan de zuidkant zien we een traditionele voorstelling van de Heilige Barbara.
het hoofdaltaar (foto 0. Pauwels)
Smt-Thcodarduskerk van Beringen-Mi|n. Ambo. Lezing van het epistel. I9S7 (foto: archief van de Smt-Theodardusparochie van Beringen-Mijn)
M&L
Sint-Theodarduskerk van Beringen-Mijn. Nis naast het koor. Muurschildering met de voorstelling van Sint-Barbara. Jozef Claes. 1946. (foto 0. Pauwels)
Sint-Theodarduskerk van Beringen-Mijn. Vloermozaïek in het priesterkoor (foto 0. Pauwels)
Zijaltaren Tegen de oostelijke wand van de transeptarmen staan de zijaltaren, die bestaan uit een witmarmeren tombe waarboven een umbraculum, een altaarbaldakijn van middeleeuwse inspiratie. Bij het noordelijke zijaltaar is dit versierd met een voorstelling van Maria met het opschrift: "Geheel rein zijt gij hoogverheven moeder Gods ". Aan de zuidkant is er een voorstelling van de Heilige Jozef en het opschrift: "De Heer zoekt een man naar zijn hart". Beide voorstellingen zijn van de hand van Joseph Claes. De stijl van deze voorstellingen van Maria en Jozef is geïnspireerd op de Byzantijnse icoonschilderkunst. Tegen de wand boven de altaartombe wordt een smeedijzeren kruis met een zilveren Christus geflankeerd door vier kandelaars in verzilverd gedreven koper.
Glasramen van transept, koor en schip Transept en koor worden verlicht door enorme glasramen in glas in beton, samengesteld uit verschillende lancetten voorzien van een aantal medaillons met de voorstelling van een heilige. In het transept zijn er twee keer vijf lancetten, in het koor zijn er drie. Deze glasramen getuigen van een heel rijk kleurgebruik. De lancetten en de medaillons zijn afgeboord met witte punten, hetgeen herinnert aan de parelrand bij Byzantijns email (71). Het glasraam achter het hoofdaltaar bevat de voorstelling van Christus en de twaalf apostelen, waarbij alle apostelvoorstellingen — behalve Paulus en Jacobus de Meerdere - identiek zijn aan die in de kerk van Zwartberg.
M&L
Sint-Theodarduskerk van Beringen-Mi|n. Zijaltaar van SmtJozef. Voorstelling van Smt-Jozef. Jozef Claes. 1942 (foto 0. Pauwels)
De iconografie van de glasramen van de transeptarmen is complex en niet eenduidig. De verschillende heiligenvoorstellingen zijn enkel te identificeren dankzij de opschriften op de ontwerptekeningen terwijl de medaillons onderling geen samenhang vertonen. We bespreken de heiligen van beide glasramen beginnende bovenaan en steeds van links naar rechts • noordelijk transept 1. Maria, moeder van Christus 2. Anna, moeder van Maria 3. Jozef, echtgenoot van Maria 4. Joachim, vader van Maria 5. Scholastica (480-547), zuster van Benedictus 6. Martha, zuster van Lazarus 7. Methodius (9de eeuw), Grieks kerkvader 8. Goedele (652-712), patrones van Brussel 9. Walburga (710-779), kloosterlinge in Heidenheim en patrones van Beieren 10. Benedictus van Nursia (480-547), Latijns kerkvader 11. Broeder Luis de Léon (1527-1591), augustijner theoloog 12. Thomas van Aquino (1225-1274), dominicaans theoloog 13. Maur (500-584), leerling van Benedictus 14. Nestor (t306), Grieks martelaar 15. Ursmar (1713), patroon van Henegouwen 16. Lucas, evangelist 17. Nillus van Gottaferrata (910-1005), een kluizenaar uit Calabrië 18. O d o (879-942), abt van Cluny 19. Lambertus, patroon van Luik • zuidelijk transept 1. Salomo, de wijze koning 2. Koning van Israël 3. Koning van Israël 4. Koning van Israël 5. Franciscus van Siëna (+1375), karmeliet 6. Nicophorus (750-828), patriarch van Constantinopel 7. Gregorius de Grote (540-604), Latijns kerkvader 8. Odillia, een van de gezellinnen van de Heilige Ursula 9. Blanca van Castilië, moeder van Lodewijk IX 10. Bonaventura (1221-1274), franciscaans theoloog 11. Narcissus, bisschop van Gerona ten tijde van Diocletian us 12. Ambrosius (340-387), bisschop van Milaan en Latijns kerkvader
Sint-Theodarduskerk van Beringen-Mijn.
13. Rochus, populaire pestheilige 14. Bernardus, grote hervormer van de cisterciënzers in de 12de eeuw 15. Lodewijk IX (1215-1270), koning van Frankrijk 16. Martinus (317-397), bisschop van Tours 17. Bruno van Keulen (1030-1111), stichter der kartuizers 18. Franciscus (1182-1226), stichter der franciscanen 19. Albertus de Grote (1207-1280), dominicaans theoloog
Glasraam in het zuidertransept (foto 0. Pauwels)
De glasramen van het kerkschip zijn mijterboogvormig en er staat telkens een figuur op afgebeeld. We bespreken eerst de ramen van de noordkant, dan die van de zuidkant, steeds van oost naar west. Het eerste glasraam toont Maria met het kind Jezus als een Virgo Lactans. De figuur werd gekopieerd van een glasraam van de kathedraal van Chartres (72). Ernaast zien we Theodardus (613-670), bisschop van Tongeren en Maastricht en patroon van deze kerk. Hier past Lacoste dezelfde methode toe als bij
1VI&L
Smt-Theodarduskerk
•
• -•
van Benngen-MIjn. Glasraam in het
•
schip. De Heilige
;
Lodewi|k
i
(foto 0. Pauwels)
**
•*
prestigieuze reliek. Dit glasraam werd geïnspireerd op dat van koning Salomon uit de kathedraal van Chartres (75). Barbara met de toren, patrones van de mijnwerkers, vertoont treffende overeenkomsten met de voorstelling van een vrouwelijke heilige van het apsisfresco van de San Clemente te Tahull, nu in het museum voor Catalaanse kunst te Barcelona (76). Daniël, de oudtestamentische profeet, wordt getoond terwijl hij door twee leeuwen besprongen wordt. Ook Daniël wordt beschouwd als een patroon van de mijnwerkers wegens de analogie tussen het afdalen in de leeuwenkuil en het afdalen in de mijn. Het vierde raam bevat de voorstelling van Cyrillus van Alexandrië. Deze Griekse kerkvader uit de 5de eeuw bestreed het Nestorianisme.
Het kerkschip
: liljl^ •
•
1
:
f
-
•
de voorstelling van Sint-Albertus te Zwartberg. Een figuur zonder iconografische traditie wordt geïdentificeerd door de eerste kerk die aan hem werd toegewijd, zijnde de Sint-Theodarduskerk van Beringen-Mijn. De apostel Petrus is te herkennen aan de sleutel die hij vasthoudt. Deze figuur werd overgenomen van een koorraam van de kathedraal van Bourges (73). Naast hem staat de apostel Philippus met als attribuut het kruis, zijn martelwerktuig. Tenslotte is er de aartsengel Michael, met zwaard en globe, die hier de functie heeft van deurwachter. Ook voor deze figuur werd inspiratie gevonden in Chartres (74). Aan de zuidkant prijkt als eerste de Heilige Lodewijk IX, koning van Frankrijk. De doornkroon in zijn hand verwijst ernaar dat hij de SainteChapelle in Parijs liet bouwen als schrijn voor deze
Doorheen het hele kerkschip en het transept hangen dertig luchters in gedreven koper, waarin telkens een luidspreker werd voorzien. De luchters lijken op grote bloemen waarvan het hart gevormd wordt door een luidspreker en waarbij zich negen lampen tussen de bloemblaadjes bevinden. De wijdingsstenen bestaan ook hier uit een zwartmarmeren kruis met smeedijzeren kaarsenhouders. Bij de kaarsenhouders zijn er vier verschillende types, elk in de vorm van een gestileerde bloem. De kruisweg bestaat uit eenvoudige houten kruisen, identiek aan die van Zwartberg. Vier houten biechtstoelen, eveneens identiek aan die van Zwartberg, zijn opgesteld in de transeptarmen en aan weerskanten van de doorgang naar de doopkapel. Het orgel, ook hier van het elektropneumatische type, werd vervaardigd door Verschueren uit Tongeren. Het bevindt zich op het doksaal tegen de westgevel (77). Bijzondere versiering is er niet bij aanwezig.
De doopkapel De doopkapel, een vierkant gebouwtje met een achthoekig piramidaal gewelf van baksteen, is toegankelijk via een doorgang in de voorlaatste travee van het kerkschip. De toegang is afgesloten met een smeedijzeren hekwerk versierd met schelpen waaruit water naar beneden vloeit, in de vorm van gestileerde smeedijzeren stroken. De schelp als attribuut van Johannes de Doper verwijst naar het doopsel. De doopkapel is eveneens toegankelijk via een deur die uitgeeft op de overdekte galerij voor de kerk, zodat ook hier aan de liturgische richtlijn voldaan is dat een ongedoopte de kerk niet mag betreden.
z. Ook op deze deur komt het schelpmotief terug bij de versiering in gedreven koper. De doopvont is, net als in Zwartberg, drie trapjes lager geplaatst, In de zwartmarmeren sokkel is de symboliek van de vier paradijsrivieren verwerkt. De doopvont zelf wordt gevormd door een koperen bekken versierd met noppen en palmetten. Licht komt de doopkapel binnen door een glasraam met de voorstelling van het doopsel van Christus en door vier medaillons met de voorstelling van het Christusmonogram, drie ringen en drie vissen als symbool van de Drievuldigheid en een hand die het doopwater uitgiet.
Vloeren, beschildering, ramen De vloeren werden uitgevoerd in dezelfde tegels als te Zwartberg. Het grootste deel van de vloer van het schip bestaat uit een visgraatmotief in rood en wit terwijl de middengang een rijke versiering met medaillons en ruiten kreeg met het uitzicht van een kostbaar tapijt. Het betonnen schrijnwerk van het dak werd in het groen en het rood beschilderd, wat een soberder en donkerder effect geeft vergeleken met de veelkleurige beschildering te Zwartberg. Het gewelf van de vieringtoren werd rijkelijk beschilderd met een polychroom kruis op een groene achtergrond. Een voorstelling van het Lam Gods door Joseph Claes versiert het klokkengat. De beschildering van het plafond onder het doksaal en van de plafonds in de drie portalen bestaat uit polychrome banden en herinnert aan de miniaturen uit de Anglo-Ierse handschriften. Enkel in de vieringtoren en in de westgevel komen abstracte ramen voor. De ramen van de vieringtoren zijn de enige in de kerk die vervaardigd zijn door middel van industriële glastegel. De drie ramen in de westgevel zijn versierd met een kruis. De paarse en de blauwe kleur maken dat de kerk 's avonds baadt in een kil en hard licht.
Interieurdecoratie van de bijgebouwen, onuitgevoerde en gewijzigde ontwerpen Ook in Beringen beperkten de ontwerpactiviteiten van Henri Lacoste zich niet tot de kerk en haar interieur. Voor de sacristie ontwierp hij de wandbekleding met ingewerkte muurkasten, beschilderd in groen, rood en zwart, waarboven een monumentale calvarie, een afgietsel van de calvarie van LauwTongeren. Voor de pastorie en de kapelanijen ontwierp Lacoste de vloeren, de schoorsteenmantels, de buitendeuren en de smeedijzeren tralies voor de ramen. Al
Smt-Theodarduskerk
de (eestiaal.
van Beringen-Mijn.
Originele toestand
Beschildering van
(foto 0. Pauwels)
deze ontwerpen werden uitgevoerd. Een ander opmerkelijk ontwerp betreft een muurschildering voor de hal van de pastorie, met de voorstelling van de aartsengel Michaël en de storm op het meer, naar een llde-eeuwse Ottoonse miniatuur uit het Hitta Evangeliarum. Dit ontwerp werd niet uitgevoerd. De prachtige polychrome beschildering van patronaatszaal en feestzaal werden wel uitgevoerd maar bleven niet bewaard. Samen met de vloerontwerpen van Lacoste moet het geheel een exotische en rijke indruk gemaakt hebben. Een aantal prestigieuze plannen van Lacoste voor de kerk van Beringen werd nooit gerealiseerd. De belangrijkste reden hiervoor was waarschijnlijk de minder gunstige financiële situatie van de mijnmaatschappij vanaf 1944. De dakstoel van de galerij voor de kerk werd nooit beschilderd volgens de ontwerpen van Lacoste. Evenmin werden de twee marmeren fonteinen uitgevoerd die het voorplein moesten verfraaien, of nog de bekleding met bronsbeslag van de verschillende zijdeuren en de mooie beschildering van de dakstoel van de zijportalen. De evolutie van de plannen van het ciborium hebben we al gesproken. Het uitgevoerde sobere ciborium is slechts een schim van de oorspronkelijke ambitieuze plannen, die werden afgevoerd door de oorlogsomstandigheden. Ook het bijbehorende en stilistisch verwante ontwerp voor een monumentale paaskandelaar werd niet uitgevoerd. Voor de wanden achter de zijaltaren is er een ontwerp gekend van een wollen wandtapijt (78). De hoge kostprijs stond de realisatie in de weg. Boven de wijwatervaten had Lacoste zuilvormige verlich-
A/l&L
geven. De gegevens zijn verkregen door een fragmentarische en weinig systematische studie van literatuur over liturgie, architectuur en kerkbouw. Daarom mogen deze krachtlijnen niet als absoluut verstaan worden, maar als een eerste aanzet die kan inspireren tot verder onderzoek. Uit de literatuurstudie kwam naar voren dat het moeilijk is iets te zeggen over kerkbouw in het interbellum zonder aandacht te besteden aan de liturgische beweging, de technische vooruitgang en de stijlopvatting.
A Katafalk.
De techniek waarin
Eerste ontwerp.
deze katafalk was
Henri Lacoste.
gedacht werd al
1944.
gebruikt bij de
Niet uitgevoerd.
orgelbalustrade te Zwartberg
tingselementen in beton en kristalglas voorzien. Ook zij werden niet uitgevoerd. Dan zijn er nog verschillende preekstoelontwerpen, waarvan geen enkel werd gerealiseerd. Voor de katafalk maakte Lacoste drie opeenvolgende ontwerpen. Het laatste, eenvoudige ontwerp, waarbij zes driearmige kandelaars rond een lijkbaar staan, werd uiteindelijk uitgevoerd. De doopkapel had er volgens de oorspronkelijke ideeën van Lacoste veel indrukwekkender uit moeten zien. Een enorme torenvormige doopvont met verschillende niveaus in gedreven koper met daarboven een indrukwekkende luchter in smeedijzer, zouden de hele ruimte gevuld hebben. Ook het ontwerp voor een 'Bretoense calvarie' op het binnenplein achter de kerk, uit te voeren door Alex Daoust, werd afgevoerd wegens de hoge kostprijs.
DE KERKEN VAN ZWARTBERG EN BERINGEN: MODERNE KERKGEBOUWEN UIT HET INTERBELLUM? Wat verstaan we onder moderne kerkbouw in het interbellum? Hoewel tot op vandaag weinig of geen onderzoek verricht werd over kerkbouw in het interbellum, trachten we er toch enkele krachtlijnen van aan te
M&L
De liturgische beweging vindt haar oorsprong in de oproep van Paus Pius X in 1903 om 'alles in Christus te herstellen'. Hij spoorde de clerus aan te streven naar de heropbloei van het katholieke geloof door te waken over de waardigheid van het kerkgebouw en van de liturgie. Hij zag in de actieve deelname van de gelovigen aan de liturgie een wapen ter bestrijding van het om zich heen grijpende individualisme (79). De liturgische beweging presenteerde zich in verschillende vormen. In eerste instantie wilde zij de liturgie uitzuiveren en hervormen door na te gaan hoe ze historisch gegroeid was. Men stelde het als volgt: "/« 't verleden ligt het heden, uit het oudere straalt ons de betekenis van het nieuwe tegen (80). Bij het zoeken naar de wortels van de liturgie werd de vroegchristelijke liturgie van de Constantijnse tijd herontdekt, die als na te volgen ideaal werd gesteld. In de jaren 1920 en 1930 werd namelijk de deelname van de christelijke gemeenschap benadrukt als belangrijkste kenmerk van de Constantijnse liturgie. Dat was in tegenstelling tot de middeleeuwse liturgie waar de gelovigen meer aandacht gingen besteden aan persoonlijke devotie. Naast de herbronning van de liturgie werd uitermate veel belang gehecht aan het creëren van een waardige omgeving voor het vieren van de liturgie. Deze omgeving, het kerkgebouw, moest zo ingericht zijn dat het de actieve deelname van de gelovigen aan de liturgie bevorderde. De zorg voor het kerkgebouw beperkte zich niet tot de kerkarchitectuur, maar omvatte eveneens de inrichting van de kerk, de paramentiek en de liturgische muziek (81). De liturgie wordt zo tot '\..het volledige schoonheidsspel, waar alle onderdelen in harmonische samenwerking zijn (82). Hoewel de liturgische beweging zich in eerste instantie manifesteerde als een esthetische aangelegenheid, is de schoonheid van de kerk en van de liturgie niet het uiteindelijke doel maar slechts een middel. Het doel was te komen tot het 'herkerstenen' van de samenleving door de actieve deelname van
de gelovigen aan de eucharistie. De liturgische beweging stond uiteindelijk ten dienste van de Katholieke Actie. "Van het altaar moet de zending uitgaan tot de katholieke actie, want hier werd de kreet vernomen: gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom! Gij zult verkonden de grootsche werken van den Heer, want u heeft Hij geroepen uit de duisternis tot in zijn wonderbaar licht! 1 Petr. 2.9) De wereld heiligen! Hoe groot is onze roeping!" (83). De liturgische beweging verwelkomde enthousiast de technische vernieuwingen op het vlak van de architectuur. In de eerste decennia van de 20ste eeuw zien we voor het eerst het gebruik van gewapend beton in de kerkbouw. Voor Frankrijk zijn de betonnen kerken van Auguste Perret genoegzaam bekend. In België zijn de kerken van Bléharies (Henri Lacoste, 1924-26) en Zonnebeke (Huub Hoste, 1925) vroege voorbeelden van het gebruik van gewapend beton in de kerkbouw. Aanvankelijk werd de vraag gesteld of een onedel materiaal als beton gebruikt kon worden bij de kerkbouw, maar al snel werden de onmiskenbare voordelen ingezien. Een overspanning van het kerkschip in beton was namelijk uitermate geschikt om de doelstellingen van de liturgische beweging, namelijk de actieve deelname van de gelovigen aan de liturgie, in de praktijk te brengen. Door een overspanning in gewapend beton verkreeg men een breed en kort schip, zonder zijbeuken, zodat alle gelovigen het hoofdaltaar konden zien (84). Bijkomende stimulansen voor het gebruik van gewapend beton waren de relatief lage kostprijs en de snelle uitvoering. Zowel het teruggrijpen naar de vroegchristelijke liturgie als het gebruik van gewapend beton hadden invloed op de stijlopvatting. In de literatuur kreeg de vraag naar de stijl waarin een kerk gebouwd moest worden minder aandacht. Niettemin kunnen twee strekkingen onderscheiden worden. De 'modernisten' opteren voor het gebruik van de eigentijdse architectuurtaai. De 'traditionalisten' eisen een eigentijdse architectuurtaai, echter steeds geïnspireerd op het verleden. Wat betreft de eisen van de liturgische beweging en van de moderne technieken bestond er een grote mate van eensgezindheid tussen beide kampen. Het onderscheid lag enkel in de stijlopvatting. De 'modernisten' kennen we via de standpunten die H u u b Hoste in verschillende artikels over kerk-
bouw heeft uiteengezet (85). Hoste eiste een eigentijdse vormgeving, omdat enkel een origineel kunstwerk God waardig is. Zijn opvatting over de stijl van kerken definieerde hij echter enkel in negatieve zin door elke stijlnabootsing af te wijzen. Het is daarom moeilijk zich een beeld te vormen van wat Hoste in de jaren 1930 verstond onder deze eigentijdse architectuurstijl. Of hij zijn eigen architectuurtaai van die periode geschikt achtte voor de kerkbouw valt te betwijfelen. Als representatief gebouw had de kerk in zijn ogen een symboolwaarde, wat zich moest uiten in een aangepaste vormgeving. Het illustratiemateriaal bij de verschillende artikels van Hoste is zeer verscheiden en hangt een internationaal beeld op waaruit evenmin een eenduidige stijlopvatting naar voren komt. Tot slot deed ook Hoste een beroep op het begrip 'traditie' om het gebruik van de eigentijdse stijl te verantwoorden. De enige traditie die de kerkbouw kent was volgens hem dat ze steeds gebruikmaakt van de stijl van de eigen tijd. Door te opteren voor de moderne stijl in de kerkbouw, was men in de ogen van Hoste een uitermate orthodox traditionalist.
De andere, 'traditionalistische' stijlopvatting werd ontwikkeld binnen de liturgische beweging zelf. Van der Donck stelde in zijn boek over liturgie en kerkbouw dat een eigentijdse architectuur wenselijk was en verantwoordde dat eveneens door te verwijzen naar het verleden, waar de kerken steeds in de stijl van de eigen tijd gebouwd werden. Van der Donck relativeerde deze uitspraak echter onmiddellijk door het volgende te stellen: " Uit de traditie der kristelijke eeuwen zal de architect principes halen, die nu nog hun volle waarde behouden; zonder daarom slaafs de oude vormen na te bootsen ... Tot den godvruchtigen bezoeker moet de kerk een taal spreken, die iets zegt, een taal van onzen tijd, die hem duidelijk, maar toch vol wijding en waardigheid, wijst op de grootheid en de goedheid van God, die deze plaats tot woontent koos" (86) Eigentijdse kerkbouw dus, maar geïnspireerd op de traditie. Welke vorm de eigentijdse architectuurtaai uiteindelijk moest aannemen, zei Van der Donck evenmin. Hij liet dit over aan de persoonlijke opvatting van de architect, die een kunstenaar moest zijn. Hoewel er zich op het vlak van de theorievorming twee tegengestelde stijlopvattingen aftekenen, is het onderscheid in de praktijk niet duidelijk omdat geen van beide opvattingen duidelijk bepaalde aan welke vormelijke eisen de architectuur van een kerk moest voldoen. Daartegenover staat dat ze beide opteerden voor een eigentijdse architectuurtaai. De
modernisten verantwoordden deze keuze door te stellen dat de enige traditie in de kerkbouw het gebruik van de eigentijdse architectuurtaai is, de traditionalisten door hun eigentijdse architectuurtaal te inspireren op voorbeelden uit het verleden.
ge resultaten bereikt zijn, zal het mogelijk zijn een gefundeerd waardeoordeel over de afzonderlijke kerkgebouwen uit het interbellum uit te spreken.
In de literatuur uit de jaren 1930, die een overzicht geeft van de kerkbouw zonder daarom deel te nemen aan het discours over stijl en vormgeving, krijgen we een zeer gevarieerd beeld van wat tot de 'moderne kerkbouw' werd gerekend. Een themanummer van 5ö^> bijvoorbeeld, (87) toont aan de ene kant SintSuzanna te Schaarbeek (Jean Combaz), Sint-Augustinus te Vorst (Guiannotte en Watteyne), Sint-Jan de Doper te Sint-Jansmolenbeek (J. Diongre), volgens de modernistische architectuurgeschiedschrijving zowat de enige waardevolle bijdragen tot de kerkelijke architectuur van het interbellum. Maar ook over de volgende kerken, tot op vandaag verguisd wegens het gebruik van baksteen en traditioneel ogende boogvormen, wordt met lof gesproken: de Heilige Drievuldigheidskerk te Berchem (G. Van Meel), de kerk der Monfortanen te KontichKazerne (Van der Voodt), Onze-Lieve-Vrouw Boodschapkerk te Eisene (Camille Damman), de kerk van Dieghem (Julien De Ridder), de kerk van Pontisse (Robert Toussaint) en de abdij van Cordemoy (Henry Vaes). Het overzicht dat Marcel Smitz in 1937 gaf van de Belgische kerkbouw is even gevarieerd (88).
Niettemin willen we de kerken van Zwartberg en Beringen toetsen aan de voormelde criteria om te zien in welke mate ze deel uitmaken van de moderne kerkbouw uit het interbellum.
Hieruit blijkt dat we bij het invullen van het begrip 'moderne kerkbouw' afstand moeten nemen van de opvattingen van de modernistische architectuurgeschiedschrijving, die tot op vandaag slechts aandacht besteedde aan die kerken met meer uitgesproken modernistische kenmerken, waarbij de andere kerken verguisd werden als behorende tot de neostijlen. Voor Brussel kent men tot op vandaag enkel de volgende kerken: Sint-Jan de Doper te Sint-Jans-Molenbeek (J. Diongre), Sint-Suzanna te Schaarbeek (Jean Combaz) en Sint-Augustinus te Vorst (Guianotte en Watteyn). Voor Vlaanderen had men belangstelling voor het werk van Flor Van Reeth terwijl in Wallonië in het interbellum blijkbaar geen enkele kerk van betekenis gebouwd werd (89). We moeten ernaar streven de totaliteit van de kerkbouw in het interbellum te bestuderen, om op basis van eigentijdse opvattingen de betekenis en het belang van de afzonderlijke gebouwen te bepalen zonder daarbij onze persoonlijke hedendaagse opvattingen over 'moderne architectuur' te sterk te laten meespelen. Pas wanneer op dat vlak de nodi-
Zwartberg en Beringen als moderne kerkbouw
Henri Lacoste concipieerde beide kerken volledig in de lijn van de opvattingen van de liturgische beweging. Het hoofdaltaar is in beide gevallen de blikvanger in het kerkinterieur en is voor alle gelovigen goed zichtbaar, hetgeen de deelname aan de liturgie bevordert. Ook de doopkapel, die volgens de opvattingen van de liturgische beweging net na het altaar komt qua belangrijkheid, is volledig uitgewerkt volgens de liturgische voorschriften. Maar zelfs in kleinere elementen toont zich de vertrouwdheid van Lacoste met de liturgische beweging. Het enige nut van de wijdingsstenen is het opluisteren van de liturgie van de kerkwijding. En de heiligenbeelden zijn uit het kerkschip verbannen naar de kooromgang, waardoor de nadruk ligt op de deelname aan de eucharistie en niet meer op persoonlijke devotie. Wat betreft de technische aspecten van de architectuur en van de uitrusting zijn beide kerken in lijn met de technische mogelijkheden van het interbellum. De kerken zijn van gewapend beton, bekleed met metselwerk en ook de glasramen zijn technisch zeer modern. Daarenboven waren de kerken voorzien van 'modern comfort' zoals geluidsversterking, verwarming, sanitair en een fietsenstalling. Zoals we al stelden sluiten de kerken stilistisch aan bij de 'versoberde traditionalistische baksteenarchitectuur' en bij de Nederlandse 'regionalistische' architectuur. De kerken van Lacoste liggen dus in de lijn van de 'traditionalistische' kerkbouw. Uitgaande van historische voorbeelden wilde Lacoste komen tot een eigentijdse en moderne kerkbouw. Inspiratie voor architectuur en inrichting van beide kerken haalde hij bij de vroegchristelijke kunst, de Visigotische kunst, de Merovingische kunst, de Byzantijnse kunst, de Anglo-Ierse kunst, de Romaanse kunst en de Vlaamse baksteenarchitectuur. Hierdoor verenigde hij in deze kerken vijftien eeuwen christelijke kunst. Lacoste nam de historische voorbeelden echter nooit letterlijk over, maar steeds vereenvoudigd
en versoberd met het oog op een grotere monumentaliteit. Bij het ontwerpen van deze kerken toont Henri Lacoste zich een eclecticus in de letterlijke zin van het woord. Dit is niet zo vreemd, gezien hij zijn opleiding genoot aan de Academies voor Schone Kunsten van Brussel en Parijs, waar omstreeks 1900 het eclecticisme toonaangevend was. Men zou hem gebrek aan originaliteit kunnen verwijten. Tegen een dergelijk verwijt had Lacoste echter volgend verweer: "S'ilm'arrive de reproduire uneforme, ce nest pas pour imiter un 'style', c'est parce que, me trouvant dans les mêmes conditions que les anciens, je suis fondéa me servir parfois des mêmesformes queux" (90). En ondanks de historische inspiratie werd de stijl van deze kerken door de tijdgenoten ervaren als eigentijds en nieuw, hoewel we hier niet te doen hebben met modernisme in de strikte zin van het woord (91).
twee kerken de enige belangrijke realisaties van Lacoste uit deze periode die relatief ongeschonden tot ons gekomen zijn (93). Maar bovenal mogen we de betekenis van beide kerken als mijnmonumenten niet vergeten. Ze illustreren op onnavolgbare wijze de katholieke patronale maatschappijvisie die domineerde tijdens de opstarting van de mijnbouw in Limburg. De vraag of het mijnpatronaat de katholieke godsdienst misbruikte als factor bij de onderdrukking van de klassenstrijd of dat ze bij het oprichten van kerken en van sociale voorzieningen gedreven werd door filantropische denkbeelden, moeten we hierbij onbehandeld laten. Niettemin durven we stellen dat de visie van Hubert Leynen een kern van waarheid bevat. "Na meerdere eeuwen nog zullen deze bouwwerken getuigen, dat bij den aanvang der Kempische mijnuitbating de geestelijke en artistieke betrachtingen niet verdrongen werden door den zucht naar stoffelijke verrijking (94).
BESLUIT BFTRQKKEN KUNSTENAARS De waarde en de betekenis van beide kerken liggen op verschillende vlakken. In eerste instantie nemen de kerken van Lacoste een belangrijke plaats in binnen de moderne kerkbouw van het interbellum. Dat komt niet alleen omdat ze in de lijn liggen van de opvattingen van de liturgische beweging, de technische mogelijkheden of de 'traditionalistische' stijlopvattingen. In België en zelfs in Limburg werden heel wat kerken volgens deze opvattingen gebouwd (92). Wel belangrijk zijn de schaal, de rijkdom en de volledige voltooiing van het programma van beide kerken, hetgeen mogelijk was dankzij de uitgebreide financiële middelen van de opdrachtgevers. Door de persoonlijke kwaliteiten van Henri Lacoste als architect bezitten deze kerken daarenboven een grote vormelijke rijkdom die uitzonderlijk lijkt in de kerkbouw uit het interbellum. Dat beide kerken daarnaast een belangrijke plaats innemen in het oeuvre van Henri Lacoste kan niet ontkend worden. Gedurende meer dan tien jaar van zijn actieve loopbaan, die ongeveer veertig jaar duurde (1920-1960), vormden zij zijn belangrijkste opdrachten. Lacoste was er werkzaam als architect, urbanist, ontwerper van interieurdecoratie en zelfs van textiel en gelegenheidsversieringen. Voor de beide opdrachten kreeg hij een grote graad van autonomie om zijn denkbeelden en ontwerpen te realiseren, waarbij zelfs geld in een eerste fase niet echt een belemmering was. Daarenboven zijn de
Alex Daoust (1886-1947) (95) • Ontwerpen van tien heiligenbeelden voor de transkapellen van de kerk van Zwartberg. • Project voor een monumentale 'Bretoense calvarie' op het binnenplein van de kerk van Beringen. De in Dinant geboren Alex Daoust kreeg zijn opleiding aan de school van de abdij Maredsous. Vanaf 1920 combineerde hij een carrière als beeldhouwer met het beroep van leraar aan het Koninklijk Atheneum van Dinant. Hij maakte onder meer het monument ter nagedachtenis van de gesneuvelde Franse soldaten op de citadel van Dinant, 'LAssaut' (1927), een beeld van Don Quichote (1928), een aantal religieuze werken waaronder een viertal kruiswegen en een aantal werken met onderwerpen uit de Waalse folklore. De aanwezigheid van werk van Alex Daoust in de kerk van Zwartberg is te verklaren doordat de beeldhouwer bevriend was met Joseph Claes, vader van Michel Claes die een medewerker van Henri Lacoste was en werfleider te Zwartberg. De beelden die Daoust maakte voor de kerk van Zwartberg zijn mooi en charmeren vooral door hun naïeve karakter en hun frisse polychromie. Zij liggen in de lijn van de religieuze plastiek van hun tijd. Bij het ambitieuze project van de calvarie voor het binnenplein van de kerk van Beringen zou Daoust
niet enkel de ontwerpen leveren maar eveneens de werkzaamheden coördineren. Door de hoge kostprijs ging dit project niet door. Carlo Sarrabezolles (1888-1971) (96) • Tonde met voorstelling van het Heilig Hart van Jezus voor een zijaltaar van de kerk van Zwartberg. • Reliëf met engel voor een onuitgevoerd project voor een ciborium voor de kerk van Beringen.
voor de kerkinterieurs hebben weinig artistieke ambities maar vallen onder de noemer decoratieschilderwerken.
FINDNQTEN (1)
Bert Van Doorsiaer, Het zwarte goud der Kempen, in Monumenten en Landschappen, jg. 7, nr. 6, p. 42-60. Idem, Zwarte monumenten in groen Limburg. Naar een verdiende
Deze beeldhouwer werd opgeleid aan de Franse 'Ecole Nationale Supérieure des Beaux Arts'. Hij maakte vooral naam met zijn betonsculpturen voor de kerktoren van de 'Eglise Saint Louis' te Villemomble. De aanwezigheid van zijn werk in de kerk van Zwartberg is te verklaren vanuit zijn persoonlijke vriendschap met Lacoste, die dateerde van hun studietijd in Parijs. Beide opdrachten werden aan Sarrabezolles toevertrouwd aan het einde van de jaren 1930. Het zou echter tot na de oorlog duren eer de werken geleverd en betaald werden. Joseph Claes (1874-1956) (97) • Polychromie van de tien beelden voor de Kranskapellen van de kerk van Zwartberg. • Panelen met de voorstelling van Onze-LieveVrouw en Sint-Jozef boven de zijaltaren van de kerk van Beringen. • Voorstelling van het Lam Gods onder de vieringtoren van de kerk van Beringen. • Muurschilderingen met de voorstelling van het Heilig Hart en Sint-Barbara in de kerk van Beringen.
toekomst voor het mijnpatrimonium,
in Monumenten en Land-
schappen, jg. 9, nr. 4, p. 29-52. Hilde Heynen, André Loeckx, Marcel Smets, Geschiedenis op zoek naar waardig vervolg. Studie van de mtjnnederzettingen
in
Waterschei, Winterslagen Eisden, Brussel, 1991. Tine de Rijck, Sporen van een mijnverleden. Sociaal-geografische studies in de Limburgse mijnstreek, Leuvense geografische papers 9, Leuven, 1998. (2)
Het betreft hier geen kathedraal in de kerkrechtelijke zin van het wootd, namelijk een bisschopskerk. De term is overdrachtelijk gebruikt om de aandacht te vestigen op de monumentaliteit en de rijkdom van deze kerken. De term werd voor het eerst gebruikt in de publicatie: Z.N., Limburg, Brussel, 1953: p. 121. De kerken van Winterslag, Warerschei, Eisden, Zwartberg en Beringen-Mijn worden hier tot de mijnkathedralen gerekend. Kanunnik van der Donck rekende in 1962 de kerk van Winterslag niet bij de mijnkathedralen: Chanoine E. van der Donck, Cathédrales de la region miniere, in Journal des voyages, nr. 241, 1962, p. 20-22 en volgde de visie van Hubert Leynen uit 1948: Hubert Leynen, Nieuwe kerken in de Kempische kolenmijncités, in Snoecks grote almanak. Gent, 1948, p. 179-186. Ivo Keunen rekende ook de Sint-Martinuskerk van Houthalen-
Joseph Claes, geboren in Hasselt, groeide op in Namen waar hij aan de Academie een opleiding volgde in decoratieve schildertechnieken en tekenen. Tussen 1894 en 1901 verbleef hij in Parijs, waar hij een eigen expressionistische stijl ontwikkelde. Na zijn terugkeer naar Namen in 1901 vestigde hij zich als decoratieschilder, een beroep dat hij de rest van zijn leven zou uitoefenen. In 1913 kreeg Joseph Claes erkenning als kunstschilder nadat enkele van zijn werken getoond werden op de wereldtentoonstelling van Gent. Zijn artistiek oeuvre omvat vooral werken met een expressionistische inslag, waarbij taferelen uit het dagelijkse leven en landschappen een belangrijke plaats innemen.
centrum tot de mijnkathedralen. Dit is echter onjuist daar het hier de uitbreiding van de bestaande parochiekerk betreft, zonder bijdrage van de mijndirectie. Ivo Keunen, De mijnkathedralen van Limburg, in Zwartberg, zevenduizend flonkerende kristallen. Zwartberg, 1990, p. 89-93. (3) (4)
Z.N., Adrien Blomme, travaux d'architecte, Brussel, 1978, p. 23. Z.N.,
Parochie
Waterschei,
viering
60 jaar
kerkwijding.
Waterschei, 1996. (5) Jan Kohlbacher, 50 jaar parochie Sinte Barbara Eisden 1928W/S, Maasmechclen, 1979. (6)
Z.N.,
Projet d'église. Architecte I. Lsgour, in
Architecture.
Revue bimestrielle d'architecture et d'urbanisme, nr. 48, 1962, p. 304-305. Sus Driesen, Isia lsgour, architectuur, Genk, 1999, p. 12-13. (7)
Brussel, Archives d'Architecture Moderne. Bestand Lacoste, bouwdossier Zwartberg. I. Correspondance avec la direction du
De aanwezigheid van werk van Joseph Claes in de kerken van Zwartberg en van Beringen hangt samen met het feit dat zijn zoon, Michel Claes, medewerker was van Lacoste en werfleider te Zwartberg. De werken die Joseph Claes uitvoerde
Charbonnage. 21-10-1937: Brief van Michel Claes aan Henri Lacoste met de boodschap dat de mijn van Zwartberg Lacoste verzoekt een voorontwerp te maken voor de Sint-Albertuskerk. (8)
Dit ondersteunen van de katholieke instellingen was niet steeds belangeloos maar sloot aan bij een strategie van bevoogding van
(9)
de arbeiders waarbij men de kerkelijke leer gebruikte om sociale
F. Breuls, De kerk van Zwartberg, in Parochie Zwartberg: 2ff ver-
rust na te streven.
jaringvan de bond van het H. Hart, Averbode, 1949, p. 13-19. Pattik Jaspers, op. cit., 1997.
Hilarion Thans, Heide, Mechelen, z.j.
(10) Hilarion Thans, Zwarte Kempen, Brussel, 1943.
(27) Voor de bouwgeschiedenis deden we een beroep op volgende
(11) Voor een meer uitgebreid overzicht van leven en werk van Henri
bronnen:
Lacoste zie:
Ivo Keunen, Lacoste en de kerk van Zwartberg, in Zwartberg,
V.G. Martiny, Notice sur Henry Lacoste, membre ie l'académie, in
zevenduizend flonkerende kristallen, Tessenderlo, 1990, p. 95-107.
Koninklijke academie van België, jaarboek voor 1971, nr. 137,
Peter Zeelmaekers, Studie van de Sint-Albertuskerk te Zwartberg
1978, p. 155-182.
en haar ontwerper Henri Lacoste, onuitgegeven verhandeling
Claudia Berben, Drie kerken van Henry Lacoste, onuitgegeven
hogere opleiding monumentenzorg, Deurne, 1998, p. 73.
licentiaatverhandeling. Hoger Architectuurinstituut Diepenbeek,
Brussel, Archives d Architecture Moderne. Bestand Lacoste,
1991.
bouwdossier Zwartberg.
Patrik Jaspers, De Sint-Alhertuskerk van Zwartberg en de Sint-
Sint-Truiden, Monumenten en Landschappen. Dossier Sint-
Theodarduskerk van Beringen-Mijn: twee kerkinterieurs van Henri
Albertuskerk van Zwartberg.
Lacoste, onuitgegeven licentiaatvethandeling, KU Leuven, 1997. (12) Jo Cells, Henry Lacoste, in Resurgam, de Belgische wederopbouw na
W i Brussel, 1985, p. 223-224.
we enkel de naam van Robert Toussaint. (29) Bert Van Doorslaer, op. cit., 1990, p. 40.
(13) Norbert Noé, Quelques oeuvres de Henry Lacoste, in L'artisan ltturgique]g. 3, nr. 15, p. 290-301.
(30) Ivo Keunen, op. cit, 1990, p. 89-93. Hier wordt gesteld dat de mijndirectie een indrukwekkende kerk wenste te bouwen, ter compensatie van het minder aantrekkelijke uitzicht van de arbei-
(14) Norbert Noé, of n>., 1929. Henri Delerive, Leglise de Bléharies, son hisoire et sa construction, Doornik, 1988.
derswijken. (31) Voor deze omrekening maakten we gebruik van het indexcijfer
(15) ZN., Art deco architectuur-Brussel-
1920-1930, Brussel, 1996,
van 1940 omdat het merendeel van de kosten in dat jaar gemaakt weiden. Het gebruik van het indexcijfer van 1942 zou een verte-
p. 6, 166-167.
kend beeld gegeven hebben omdat tussen 1940 en 1942 de prij-
(16) V.G. Martiny, op. cit., 1971, p. 171-172. (17) Illustration Congolaise. Journal mensuel de propagande coloniale, nr. 117.
zen in de bouwnijverheid verdubbelden. (32) Voor meer informatie over dit gegeven, zie: Ivo Keunen, De
(18) Z.N., Exposition internationale de la technique de l'eau - Liège 1939-rapportgeneral.
(28) Van de andere architecten die een voorontwerp leverden kennen
Luik, 1941, p. 97-98. 291-298.
(19) Z.N., Le livre dor de l'exposition umverselle et internationale -
mijnkathedralen in Limburg, hun ontstaan, invloed op latere kerkenbouw, sculptuur en glasramen, in Ons heem. Driemaandelijks heemkundig tijdschrift voor Vlaanderen. Thema; Leven in en rond de mijn, jg. 48, nr. 3, p. 161-173.
Broxe/feim Brussel, 1935. Fran^oise Deville, De wereldtentoonstelling van de Heizel in 1935,
(33) Ivo Keunen, op. cit., 1990, p. 95-123, p. 101.
massabetovering, in Art deco architectuur - Brussel -
1920-1930,
(34) Leen Meganck, Het Miljoenenkwartier. Een Gentse woonwijk uit
(20) Julien Flament, Problèmes d'aujourd'hui. La fondation Reine
(35) Monumenten inventarisatie project. Handleiding inventarisatie
Brussel, 1996, p. 130-141,226-229.
Elisabeth, in Clarté, revue d'art décoratif, ]g. 5, nr. 7, p. 1-4. Jos Vandenbreeden en France Vanlaethem, Art deco en modernisme
het interbellum. Gent, 1995, p. 29-32.
jongere bouwkunst en stedebouw (1850-1940),
Zeist, 1987,
p. 39-40.
in België, architectuur in het interbellum, Brussel, 1997, p. 95-97.
(36) Een aantal van de niet figuratieve medaillons lijkt geïnspireerd op
(21) Henry Lacoste, Projet d'urbanisation du cartier Sainte-Elisabeth,
de stenen medaillons van het altaar van Wezeren. Zie: R. Nijs,
in L emulation, jg. 57, nr. 7, p. 105-109. (22) Z.N., Concours public d'architecture et d'urbanisme pour l'amënagement du Mont-des-arts a Bruxelles, in L 'emulation, jg. 58, nr. 5, p. 69-76. (23) Z.N., Concours public d'architecture et d'urbanisme pour l'aména-
Petrografiseh onderzoek van het Merovingisch altaar van Wezeren, in Monumenten en landschappen, jg. 7, nr. 3, p. 42-46. (37) We geven hier enkel de Nederlandse vertaling van de verschillende opschriften. Voor de Latijnse transcriptie: Patrik Jaspers, op. cit. 1997.
gement de la Station de Bruxelles-Midi et de ses abords - projet de
(38) Henri Delerive, op. cit, 1988.
l'architecte Henry Lacoste et de l'ingénieur Vanderhaegen, in
(39) We beginnen de bespreking van het interieur bij het hoofdaltaar
L'émulation, jg. 58, nr. 2, p. 21-26.
omdat volgens de opvattingen van de liturgische beweging het
(24) Mare Derez, Een plein voor een bibliotheek. Bij de heraanleg van
hoofdaltaar het centrum en de bestaansreden van het kerkge-
het Monseigneur Ladeuzeplein te Leuven, in Monumenten en
bouw is. We beschrijven het ootspronkelijke uitzicht van het
Landschappen, jg. 9, nr. 2, p. 29-54.
hoofdaltaar.
(25) Henry Lacoste, Home de vacances a Oostdumkerke (Flandre Occidentale), in Rythme, revue trimestriëlle, nr. 12, 1952, p. 8-10. (26) Henry Lacoste, De Sint-Albertuskerk, te Zwartberg, in De kunst van bouwen, jg. 1, nr. 2, p. 5-10.
(40) Henri Lacoste, op. cit., 1941, p. 9. (41) Peter Cornelius Claussen, Magistri Doctissimi Romam: die Römischen Marmorkünstler des Mittelalters, Stuttgart, 1987,
afb. 11.
(42) Kan. August Croegaert, Uitgewerkte plannen voor sermoenen en (57) Zie voetnoot 52. lessen over het heilig misoffer. Eerste deel: de mis der doopleerlingen, (58) De doopkapel onderging ingrijpende wijzigingen toen ze werd 2'uitgave, Z.P., 1946, p. 113-119.
omgevormd tot weekkapel. Het deksel van de doopvont werd
(43) In litutgische handboeken van de jaten 1930 werd gepleit voor
ontmanteld en de kuip werd vooraan in de kerk geplaatst. Het
het aanbrengen van twee tabernakels, hetgeen ervoor moest zor-
vloerniveau werd gelijk gemaakt zodat centraal een altaar
gen dat de ene priester de ciborie kon nemen en communie uit-
geplaatst kon worden. De koker werd dichtgemaakt met het oog
delen terwijl de andere de mis celebreerde. Deze richtlijn kan hier
op energiebesparing. Het lichtgevende kruis hangt nu boven het
niet als verklaring dienen, daar aan deze voorwaarde voldaan was
hoofdaltaar, tetwijl de restanten van de godslamp hier als luchrer
door de aanwezigheid van het vrijstaande sacramentstorentje.
fungeren.
(44) William Culican, The ends of the earth. Spain under the Visigoths(59) Pattik Jaspers, op. cit., 1997, afb. 186. and Moors, in The dark ages, the making of European civilization.(60) Voor een overzicht van deze plannen: Patrik Jaspers, Inventaris Londen, 1955, p. 176-196, afb. 13.
van een deel van het archiefbestand 'Henri Lacoste' bewaard in de
(45) Kan. August Croegaert, op, cit., 1946, p. 542.
'Archives d'Architecture Moderne' te Eisene: de stukken betreffende
(46) Patrik Jaspers, op. cit., 1997, afb. 168.
de St.-Albertuskerk van Zwartberg en de St.-Theodarduskerk van
(47) Patrik Jaspers, op. cit., 1997, afb. 185.
Beringen-Mijn, onuitgegeven vethandeling, V.U.B, Brussel,
(48) Lacoste gebruikte hetzelfde motief voor een deur van de Ateliers
1999.
Lacoste in Doornik en voor een aantal balustrades voor het
(61) Henri Lacoste. Inleidende nota's over de kerk van Sint Theodardus
paviljoen van het Commissariaat-Generaal op de wereldtentoon-
te Kleine-Heide (Beringen-Mijnen) Limburg. Een exemplaar van
stelling van 1935. Het zou geïnspireerd zijn op gouden bijen die
deze onuitgegeven tekst wordt bewaard in het patochiearchief.
in het graf van Childeric in Doornik ontdekt werden. Helmut
De transcriptie ervan vindt men bij: Patrik Jaspers, op. «V.,1997,
Roth, Kunst und Handwerk im frühen Mittelalter: Archeologische
bijlage l,p. 136-142.
Zeugnisse von Childeric I his zu Karl dem Grossen, Stuttgart, 1986,
Leynen, Beelden en menschen uit Limburg: Beringen geeft den toon,
afb. 52.
in De Vlaming, katholiek weekblad, jg. 61, nr. 35, p. 1-2.
(49) De plaasteren tondo die we hier zien, is het model dat moest die-
Ivo Keunen, Bezoek aan de zusterkerk Sint-Theodardus van
nen voor het vervaardigen van een reliëf in brons, hetgeen niet
Beringen-Mijnen, in Zwartberg, zevenduizend flonkerende kristal-
gebeurde door de hoge kostprijs.
len, Tessenderlo, 1990, p. 124-133.
(50) Dit beeld werd gestolen. (51) De iconografie is hier niet eenduidig. Men wilde Isidorus van Madrid (11de eeuw) voorstellen, de patroon van de landbouwers.
Maurice Thielemans, De Sint-Theodarduskerk van de parochie Kleine Heide te Beringen-Mijn, Beringen, 1993. Monumentenzorg Betingen, Sint-Theodarduskerk Beringen-Mijn
Naar deze heilige verwijzen het geknielde mannetje en de ploe-
Kleine Heide, Betingen, 1993.
gende engel. De figuur van de heilige, gekleed in bisschoppelijke
Patrik Jaspers, op. cit., 1997.
gewaad, is echter een voorstelling van Isidorus van Sevilla. een theoloog uit de 6de eeuw. (52) Onder invloed van het Byzantijnse hof werden het realisme en het materialisme van het hellenisme verlaten en kwam men tot
(62) Voor de bouwgeschiedenis deden we een beroep op volgende bronnen: Brussel, Archives d'Architecture Moderne. Bestand Lacoste, bouwdossier Beringen.
een verstrenging en een abstrahering waarbij de voorgestelde
Hasselt, Rijksarchief. Archief van de Sint-Theodardusparochie
figuren een statisch en vergeestelijkt karakter krijgen. Wolfgang
van Beringen, nrs. 8-10: dossier kerkbouw.
Fritz Volbach, Alt-christliche Mosaiken des IV his VII Jahrhunderts. Rom, Neapel, Marland, Ravenna, Bern, 1947. (53) Zie voetnoot 44. (54) Henri Lacoste was helemaal niet tevreden met her plaatsen van
(63) A. Linters, A. Van Doorslaer, L. Vandebergh, Beringen-Mijn: wonen en werken, Kunsr en oudheden in Limburg 24, Mens en machine 3, Sint-Truiden, 1979, p. 116. (64) Beverloo, archief heemkundige kring erfwacht. Lijst: Eglise de la
deze kruisweg. De panelen waren re klein en daarom niet in over-
paroisse des charbonnages de Beeringen: comparaison des pro-
eenstemming met het monumentale karakter van de kerk.
jets. Een kopie van dit document is in het bezit van de auteur.
Daarenboven waren de reliëfs goudkleurig, rerwijl de architect
Het meest volledige bestek, voor de kerk van Maeremans, voor-
deze kleur gereserveerd had voor de altaten.
ziet een kostprijs van 1.853.000 fr. Daarna komen de projecten
Brussel, Archives d'Archirecrure Moderne. Bestand Lacoste,
van Toussaint (1.997.000 ft.), Smolderen (2.000.000 fr.) en
bouwdossier Zwartbetg.
Blomme (2.031.000 fr.). Het bestek voor het project van
(55) Ivo Keunen, op. cit., 1990, p. 109-123, p. 121.
Lacoste, waarvan een aantal posten in verband met de afwerking
(56) De plannen van deze Barbararoren werden pas na de oorlog uit-
zoals glasramen, orgel en verwarming niet voorzien waren, be-
gevoerd. Hij werd ingewijd op 4 december 1948, het feest van
droeg 2.039.000 fr.
Sint-Barbara. Tot omstreeks 1950 sierde een plaasteren versie
(65) Ivo Keunen, op. cit., 1990, p. 124-133, p. 124.
van Sint-Barbara her centrale raam van de toren. Waarschijnlijk
(66) Voor een volledige transcriptie met vertaling van deze Latijnse
wegens de kostprijs werd de uitvoering in hout van dit plaasteren
opschtiften: Ivo Keunen, op. cit., 1990, p. 124-133, p. 126-127.
model uitgesteld.
Patrik Jaspers, op. cit., 1997, bijlage 3, p. 145-147.
(67) Raffaella Farioli, Ravenna Romana e Bizantina, Ravenna, 1977, p. 201.
(88) Marcel Schmitz, L'architecture moderne en Belgique, Brussel, 1937.
(68) Marcel Aubert en Paul Claudel, Vitraux des cathédrales de France Xlk etXllle stècles, Parijs, 1951, pi. VI.
(89) Andere kerken met uitgesproken modernistische kenmerken, zoals de kerk van Dessel-Wirgoor en de Sint-Antoniuskerk te
(69) Wegens de hoge kostprijs werden de kandelaars voorlopig in
Seraing naar ontwerp van Stan Leurs en de Christus Koningkerk
hour uirgevoerd. De uitvoering in marmer is er nooit gekomen.
van Raphael Verwilgen te Sint-Niklaas, zijn onbekend voor de
(70) Brussel, Archives d'Architecrure Moderne. Bestand Lacoste, plannen voor de kerk van Beringen, H.L. 1-1938/4.023. (71) Helmuth Roth, Kunst und Handwerk im frühen
Mittelalter.
Archeologische Zeugnisse von Childenc I bis zu Karl dem Grossen, Stuttgart, 1986, tafel 13.
modernistische architectuurgeschiedschrijving, hetgeen erop wijst dat hun oordeel niet gebaseerd is op een algemene studie van de kerkbouw uit het interbellum, maar uitgaat van een toevallige bekendheid met deze of gene kerk. (90) Sint-Ttuiden, Monumenten en Landschappen. Dossier Sint-
(72) Marcel Aubert en Paul Claudel, op. at.. 1951, pi. XII. (73) Marcel Aubert en Paul Claudel, op. cit., 1951, pi. XVII. (74) Marcel Aubert en Paul Claudel, op. cit., 1951, pi. XIII.
Albertuskerk van Zwartberg. Brief van 13 september 1938 van Henri Lacoste aan Mijnheer Allard. (91) Z.N., Limburg, Brussel, 1953, p. 121. Hier lezen we het volgen-
(75) Marcel Aubert en Paul Claudel, op. cit., 1951, pi. XIV.
de: "...werden
(76) Otto Demus, Romanesque mural painting. New-York, 1970,
gebouwd..." en "De kerken van Zwartberg en Beringen ... zijn zo
afb. 210.
in de mijncités allerprachtigste moderne kerken
mogelijk nog moderner van opvatting dan Waterschei." Hubert
(77) In het kader van de liturgische vernieuwing van Vaticanum II werd het orgel verplaatst naar de zuidelijke Transeptarm. (78) Lacoste had ook aandacht voor het litutgisch textiel zoals het ont-
Leynen, op. cit., 1948, p. 179."... vier mooie nieuwe kerken ... die alle vier echte meesterstukken van moderne religieuze bouwkunst zijn''
werp voor dit wandtapijt aantoont. Hij ontwierp onder meer het
(92) Voor Limburg vermelden we meer in het bijzonder de realisaties
lijkkleed voor de katafalk dat naar zijn ontwerp werd uitgevoerd.
van Jos. Deré en Karel Gessier. Hun stijl is ook tot het 'traditio-
Voor de liturgische gewaden maakte hij geen ontwerpen. Wel
nalistische' kamp te rekenen.
weten we dat de mijndirectie van Beringen steeds het advies vroeg
(93) De verschillende tentoonstellingspaviljoenen werden afgebroken,
van de architect voor het aankopen van de liturgische gewaden bij
het sanatorium van Buizingen is in vervallen staat en het vakan-
het huis Grosse te Brugge. In de sacristie van Beringen bewaart
tiehuis 'Home Familia' werd onlangs gesloopt.
men nog acht vierstellen uit de petiode van de bouw van de kerk.
(94) Hubert Leynen, op. cit., 1948, p. 186.
Enkel het zwarte vierstel is, samen met het lijkkleed van de kata-
(95) Jacques Toussaint, Alexandre-Joseph-Ghislain Daoust, in Biografie
falk, verdwenen. De vierstellen zijn van zeer hoge kwaliteit en in goede staat van bewaring.
Nationale, XLIV, suppl. 16. Brussel, 1986, coll. 365-368. (96) Beatrice Mayrand, Aude Agis-Garcin, Carlo Sarrabezolles, in
(79) Dom Lambert Beauduin, La piété de l'église: principes et faits, Leuven, Maredsous, 1914.
L'art sacré au Xxe siècle en France, Thonon-les-Bains, 1993, p. 121-122.
(80) Mgr. C. Callewert, Liturgische beweging. Wat ze niet is. - Wat ze
(97) Marie-Christine Claes, Joseph Claes 1874-1956, Namen, 1994.
wel is en moet zijn, Ora et labora-serie 40, Brugge, 1934, p. 11. (81) Mgr. C. Callewaert, op. cit., 1934. (82) Donna M. Ursula, Liturgie en Kunst, Ora et labora-serie 26, Brugge, 1932. (83) Dom A. Redlick, De mis als levensbron, Ora er labora-serie 9, Brugge, 1930. (84) Dom Sébastien Braun, Le mobtlter sacrédes églises nouvelles, actes du VI e congres catholique de Malines. Tome V: culture intellectuelle et sens chrétien, Brussel, Z.J., p. 146-160, p. 150. (85) Leuven, Universiteitsarchief.
Bestand Huub Hoste, dossier
betreffende kerkbouw en kloosterbouw. Manuscript van een onuitgegeven artikel over kerkbouw, 36 p. Huub Hoste, Ya-t-tl une architecture religieuse de ce temps, in Les beaux-arts, nr. 4, 119, p. 5-6. Huub Hoste, Kerkenbouw, in Opbouwen. Halfinaandelijks tijdschrift voor architectuur, 1934, nr. 13-14, p. 183-190. Huub Hoste, Kerken van onzen tijd in Opbouwen. Halfinaan-
Patrik
delijks tijdschrift voor architectuur, 1934, nr. 20, p. 285-287.
Licentiaat
Jaspers in de
(86) E. van der Donck, Parochieliturgie, Antwerpen, 1942, p. 29.
Gediplomeerde
(87) Battr. Revue mensuelle illustrée d'architecture, d'art et de decora-
archivistiek
tion, 1936, nr. 40.
kunstwetenschappen.
in de gespecialiseerde
en het hedendaags
studies in de
documentbeheer.
Peter
Zeelmaekers
DE S11MT-ALBERTUSKERK EN DE SllMT-THEOÜARDUSKERK: PROBLEMATIEK EN RESTAURATIE
De Sinl-AIbcrtuskerk van Zwartberg
RFTDNHFRSTELLING Structurele elementen (i) De gehele draagstructuur van beide kerken werd opgebouwd door middel van balken, kolommen en vloerplaten in beton. De dakstructuur van het schip werd ook in beton uitgevoerd. Dit om een
tweevoudige reden: brandveiligheid en stevigheid. Deze dakstructuur werd nadien decoratief geschilderd. In representatieve ruimtes werd de draagstructuur van balken en kolommen met baksteenomhulling uitgevoerd. Bij de kolommen werd het metselwerk als bekisting gebruikt. Voor de balken werd eerst een bekisting gemetseld op een tijdelijke draagstruc-
tuur waarna de balken in beton werden gegoten. < In niet representatieve ruimtes werd het beton- Detal1 van ie .
.
. 1 1
i
skelet zichtbaar gelaten.
llak
'
structuur van het
sch|p S|nt.A|bertus.
kerk Zwartberg
Vooral het beton in de 'open buitenruimte' was aan- ('ot0 Pe,er Zee|getast. D e draagstructuur van de torens aan de binnenzijde was over de gehele oppervlakte aangetast. Bij werken in 1999 aan de Sint-Albertuskerk te Z w a r t b e r g werd het betonskelet van de toren hersteld. D e d r a g e n d e dakplaat uit b e t o n van d e toren werd destijds voorzien van een d u n n e n e t w a p e ning. Deze b e w a p e n i n g was d o o r d e jaren losgek o m e n en h i n g o n d e r de betonplaat. Bij hogerv e r n o e m d e werken werd beslist o m deze fijne loszittende b e w a p e n i n g plaatselijk te verwijderen. D o o r het o n o o r d e e l k u n d i g plaatsen van d e w a p e ningen, en m e t de beperkte kennis in die periode, komt de wapening aan de oppervlakte. De reden hiervoor is minder kwalitatieve bekistingsmethodes en te weinig betondekking aan de oppervlakte. Bij de zichtbare oppervlaktes dient aldus de gehele betonoppervlakte hersteld te worden.
Betonaantastlng van
Schadebeeld aan de
het dak van de
waterspuwer van de
toren van de Sint-
toren voor de
Albertuskerk in
restauratie van de
Zwartberg
Sint-Albertuskerk in
(foto Peter Zeel-
Zwartberg
maekers)
(foto Peter Zeelmaekers)
M&L
Decoratieve elementen Schadebeeld aan de galmberden voor de
Waterspuwers Bij het schip en de toren van beide kerken staan waterspuwers. O m discussies met de uitvoerders te vermijden maakte Henri Lacoste een overvloed van detailplannen. Een mooi voorbeeld is "Détail d' une gargouilie". Het is een volledig uitgewerkte waterspuwer met bijhorende metselwerkverbanden. Bij een eerste onderhoudsdossier werd bij de SintAlbertuskerk vastgesteld dat een aantal van deze spuwers in een zeer slechte staat verkeerden door plaatselijke inwerking van vocht in het beton. Het grote probleem was de achterliggende verankering in het metselwerk.
restauratie van de Smt-Albertuskerk in Zwartberg (foto Peter Zeelmaekers)
Galmberden De galmberden werden uitgevoerd in beton met een zeer minimale dikte waardoor in de SintAlbertuskerk van Zwartberg zeer snel brokstukken losraakten. O m te vermijden dat deze brokstukken naar beneden vielen werden de galmberden tijdelijk ingepakt met gaas. De aantasting was zo ernstig dat plaatselijke herstelling onmogelijk was tijdens werken in 1999. Een aantal galmberden aan de westzijde werden in totaliteit vervangen.
Constructiemethode
(foto: archief van
voor het raam in
de Slnt-Theodardus-
beton bi{ de Sint-
parochle van
Theodarduskerk In
Berlngcn-MI|n)
Beringen-Mijn
Ramen in beton (2) Er zijn drie soorten van raamtypes te onderscheiden in Zwartberg en Beringen-Mijn op basis van het gebruikte materiaal: traditionele houten ramen
Detail van het raam in de luidgevel van de Smt-Albemiskerk in Zwartberg (foto Peter Zeelmaekers)
M&L
(inmiddels gedeeltelijk vervangen door PVC), ramen in gietijzeren kaders met glas in lood en ramen met kristalglas gevat in een gegoten betonkader. De techniek gebruikt voor de glasramen in beton van beide kerken was zeer gedurfd en nieuw. De techniek van het glas in beton blijkt ontwikkeld te zijn door Jean Gaudin, die in 1929 zijn "mosaïque translucide" toonde, glazen blokjes van 3 cm. dik en gevat in beton. In de jaren '30 werd er verder geëxperimenteerd maar pas na Wereldoorlog II zou de techniek ten volle aangewend worden bij de wederopbouw en de moderne architectuur. De glasramen van Zwartberg en Beringen werden vervaardigd in samenwerking met de kristalfabrieken van Val-Saint-Lambert. De keuze voor Val Saint-Lambert is evident: in 1935 had Lacoste hun paviljoen ontworpen voor de wereldtentoonstelling te Brussel. Deze glasramen zijn samengesteld uit stukken kristalglas waarrond gewapend beton werd gegoten. Het zou de eerste keer zijn dat in België glasramen volgens deze techniek vervaardigd werden.
Bij de kerk van Zwartberg werd gebruik gemaakt van industriële glastegels. Deze dienden bij de figuratieve ramen op maat gesneden te worden maar werden soms ook onder hun oorspronkelijke verschijningsvorm gebruikt. Voor de geometrische ramen werden doorgaans glastegels in de oorspronkelijke vorm gebruikt. Opmerkelijk is dat deze ramen gevat in beton nog op een traditionele wijze met raamdoken werden bevestigd. Het aangetast beton bedreigt momenteel de stabiliteit van een aantal ramen. Zo werd voor de ramen van de zuidzijde bij de Sint-Albertuskerk te Zwartberg een voorlopige afdekplaat aangebracht om verdere aantasting van het beton te voorkomen. Bij een aantal andere ramen aan de zuid-westzijde is de blote wapening visueel waarneembaar. Voor de ramen van de kerk van Beringen werd de techniek verfijnd. "Aucun fragment de dalle industrielle ne soit plus employé dans ces vitraux. Les verres irréguliers et rugueux sont seuls acceptables"(3). O p basis van de glasraamcartons werden in een kleilaag van 3 cm dikte de vormen van de verschillende onderdelen van de glasramen uitgesneden en daarna gegoten. Een tweede vernieuwing bij de ramen van Beringen is dat hier bij het gieten van het beton rond het glas de stukken glas op een concaaf houten blokje gelegd werden zodat er aan de buitenkant een beschermende rand in beton ontstond. Het is waarschijnlijk door dit procédé dat de ramen te Beringen beter bewaard zijn dan deze te Zwartberg.
Schadebeeld aan de onderzijde van het
De kleinere raamopeningen in beide kerken werden uitgevoerd met ramen in metaal of hout. Voor representatieve ruimtes worden de ramen in metaal voorzien van glas in lood. Een voorbeeld hiervan zijn de ramen van de kranskapellen te Zwartberg.
WATFRDICHTINGFN In de architectuur van Henri Lacoste komt regelmatig siermetselwerk dat gelijktijdig ook als waterdichting dienstig was. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het gemetseld hellend dak op de torens. Beide torens van de Sint-Theodarduskerk en de Sint-Albertuskerk werden afgedicht met metselwerk. Andere voorbeelden zijn: schuine raamdorpels, brandgevels,... Door de inwerking van vocht en de diverse vorstdooi cycli, slecht onderhoud, slecht voegwerk op de torens kan de waterdichting niet meer door dit
metselwerk gegarandeerd worden. Door een beperkte afwatering ontstond hierdoor op al de schuine delen mosvorming met bijhorende degradatie.
raam in de doopkapel van de SintAlbertuskerk in Zwartberg (foto Peter Zeel-
Bij de Sint-Albertuskerk werd gekozen om de schuine delen te reinigen, te herstellen en nadien te voorzien van een waterwerende toplaag. Het schuine metselwerk van de toren werd behouden. De slechte bakstenen werden verwijderd van het draagskelet uit beton en plaatselijk vervangen door recuperatiesteen. Deze uitvoeringsmethode werd gekozen omwille van de harde mortel. Hierdoor was er een goede hechting op het ondervlak in beton. Het geheel werd nadien waterdicht gemaakt met een coating. Deze coating had een benaderende kleur aan het baksteenmetselwerk. Bij de Sint-Theodarduskerk te Beringen werd het metselwerk van de toren na gevelreiniging behandeld met een steenverharder. Door een onoordeelkundige aanwending
maekers)
vertoont de toren op dit moment een grijze sluier.Een tweede probleem van waterdichting stelt
M&L
zich ter hoogte van de klokkenstoel. Door het binnenkomend regenwater via de galmgaten werd de draagvloer op het tussenniveau aangetast. Dit werd opgelost door het aanbrengen van een waterkerende laag op dit niveau.
DFCQRATIEF MFTSFLWFRK (4) Henri Lacoste was een meester in het gebruiken van uitzonderlijk decoratief metselwerk. André Jacqmain meldt hierover in zijn boek: "Henri Lacoste, die onze leermeester was in de Academie van Brussel, koesterde een voorliefde voor royaal metselwerk dat zich uit de bodem verheft en in een boog spant. Een boog die zich spant van zuil tot zuil strekt als een ononderbroken geheel die de leegte overschrijdt, één enkel gebaar, zonder dat de materie verandert." (5) Bij de Sint-Theodarduskerk en de Sint-Albertuskerk moet onderscheid gemaakt worden tussen dragend en niet-dragend metselwerk. Het dragende metselwerk en decoratief metselwerk voor het exterieur De standaardmaat van de gebruikte baksteen voor het buitenmetselwerk is 210 x 10 x 55. Uit de aanbestedingstabel bij de Sint-Albertuskerk kon achterhaald worden dat deze baksteen van de firma Nelissen uit Kesselt afkomstig was. O m het monochrome karakter van beide gebouwen te doorbreken werd een horizontale versieringsband van metselwerk gebruikt. Deze band werd tot in het kleinste detail door Henri Lacoste constructief ontworpen en uitgetekend. O p deze detailtekeningen werd de specifieke maatvoering voor elke type baksteen weergegeven. In vorige realisaties van Henri Lacoste (o.a. het sanatorium van Buizingen of de "Fondation Reine Elisabeth" te Jette) zijn er horizontale gekleurde versieringsbanden terug te vinden. Aansluitend met dit siermetselwerk wordt het expressieve karakter van het metselwerk bekomen door het plaatsen van schuine boorden in baksteen, overkragend metselwerk aan waterspuwers en dakrandbeëindigingen, siermetselwerk aan muurbeëindigingen, ... De vensterbanken werden in schuin en terugspringend metselwerk uitgevoerd. Dit is een steeds wederkerend element in de architectuur van Henri Lacoste. Een ander voorbeeld is de kapel van het sanatorium te Buizingen.
Henri Lacoste maakte een overvloed van detailplannen voor het metselwerk ten einde het ontwerp perfect te beheersen en discussie met de uitvoerders te vermijden. Het zichtbare metselwerk in representatieve ruimten in het interieur werd eveneens met baksteen afgewerkt. Deze steen heeft een andere module dan de baksteen van het interieur. Het expressieve karakter van het metselwerk werd in deze ruimten zeet minimaal gehouden. Het niet-dragende metselwerk Omwille van de kostprijs werd het niet-dragend metselwerk uitgevoerd met minder kwalitatief metselwerk. Een voorbeeld van dit metselwerk is de invulling van het betonskelet van de toren aan de binnenzijde. Het metselwerk aan de buitenzijde is één van de bouwtechnische problemen van dit ogenblik: door te grote vochtopname en vorst kwamen in het schuine metselwerk diverse stenen los en brak het uitspringend siermetselwerk af. Het grote probleem is identieke bakstenen te vinden met dezelfde afmetingen. Indien dezelfde stenen gevonden worden, is er een verschil in patine. Voor het siermetselwerk in de wanden is het onmogelijk om identieke stenen te vinden gezien deze destijds specifiek voor beide projecten op vraag werden gebakken. Het voegwerk werd met een diepe terugliggende horizontale voeg uitgevoerd. De invloed van de Nederlandse architectuur uit dezelfde tijdsperiode is herkenbaar. Door het diepe terugspringende karakter van deze voegen is het voegwerk in de verticale wanden nog van goede kwaliteit. Ook voor de vloer werd geregeld gebruik gemaakt van bakstenen. In beide kerken werd de bevloering aan de hoofdtoegangen met een baksteen uitgevoerd. Deze bevloering is versierd met kleine ceramische elementen. De randstenen komen los omwille van een minder goede bevestiging.
EINDNOTEN
Henri Lacoste op een plan van de glasramen van de kerk van Beringen.
(1) P. Zeelmaekers Studie van de Sint-Albenmkerk en haar ontwerper Henri Lacoste onuitgegeven verhandeling hogere opleiding monu-
(4) P. Zeelmaekers op cit, Deurne, 1998. p.79-86 (5) A. Jacqmain Alles over architectuur. Gent, 1988. p.76
mentenzorg Deurne, 1998 (2) P. Zeelmaekers op cit., Deurne, 1998. p.94-108 P. Jaspers, De Sint-Albertuskerk
van Zwartberg en de Sint-
Theodarduskerk van Beringen-Mijn: Twee kerkinterieurs van Henri Lacoste, onuitgegeven licentiaatverhandeling, K.U. Leuven, 1997. p. 45-49 (3) Brussel, Archives d'architecture Moderne. Bestand Lacoste, plannen voor de kerk van Beringen, H.L.1-1938/5.043. Opschrift van
Architect Postgraduaat in Monumenten- & Landschapszorg Zelfstandig architect en docent aan de Hogeschool Sint-Lukas Brussel
SUMMARY Mine Cathedrals
«•-;,- - -f*~Sf.^
The training ship 'The IVIercator' In 1932, the Mercator, a barkentine with three masts, was put into service. This training ship brought about a spectaculat progress in the training of future officers. Until then, they had to sign up on merchant ships for their practical training. But there, they were mostly left to fend for themselves and had to learn their métier on their own. The Mercator put an end to this wretched situation. Designed by A. de Gerlache, she was named after the famous Flemish cartographer Gerard Mercator. At the outbreak of the First World War, this remarkable ship had made 19 fully-fledged sea voyages, whether or not with future officers on board. In those years she was also deployed for scientific projects. Besides, she transported two colossal statues from the Eastern Islands to Belgium. But she is perhaps most renowned for bringing back the mortal remains of father Damiaan, the hero of the lepers, from the island of Molokai to Belgium in 1936. At the end of her 20th journey in 1940, the ship could not regain Belgium, due to the war situation and the occupation of the country. She sailed to Belgian Congo, where she was used for mapping the coastline. In 1947, the by then devastated ship was finally dragged to Belgium. During her repair, she was adapted to the new requirements for a training ship. As such she could regain her original function. At the same time, the Mercator took part in several sailing races, where she did not pass unnoticed. Her glorious career came to an end in 1960, when it was decided to take this training ship out of service for good. She was put at the disposal of a non-profit organisation 'Mercator' and accommodated as a museum ship. At first she was moored in the harbour of Antwerp, but in 1965 Ostend became her permanent berth. For years, the costs of the ship's exploitation and maintenance posed a constant problem. The tide turned when in 1994 the Belgian State, until then the owner of the Mercator, transferred the ownership to the Flemish Region. Soon afterwards, the ship was legally protected as a monument and subsidies could be obtained for her restoration that had become highly urgent by then. The opportunity was seized to restore the ship to her original situation as much as possible. Besides subsidies for her continual maintenance, the future of the Mercator also depends largely on a sufficient number of visitors in order to meet the ever-increasing exploitation costs. Trips to other harbours on the occasion of huge events - Sail 2001 in Antwerp, Bruges 2002... - may add to the reputation of this unique sailing ship.
M&L
The mine cathedrals are the five rich and impressive churches built in our Limburg province between 1925 and 1945 by the different mining companies on their housing estates. The reasons for their construction were of a practical nature although prestige and image were equally important. Two of these mine cathedrals, the Saint Albert church in Zwartberg and Saint Theodard in Beringen-Mijn were designed by Henri Lacoste. This Brussels architect received his training at the academies of fine arts in Brussels and Paris. During WW 1 he got to know the Flemish brick architecture via the 'Mission Dhuique', which proved quite important for his architectural carreer. On a number of archaeological missions to Apamea in Syria, Henri Lacoste became acquainted with the late Antique and early Christian art and culture. In his early carreer, Henri Lacoste mainly designed war monuments in memory of WW I. In the Thirties he created a number of exhibition pavillions of which unfortunately none has been preserved. Following WW II Henri Lacoste devoted most of his time to teaching at the Royal Academy of Fine Arts in Brussels. Looking at both churches, the most striking features are the modern construction with the use of reinforced concrete, whereas the design and use of materials refer to rationalistic and regional models. Rationalistic elements are to be found in the logic of the layout and the fact that decoration is subordinate to architecture. The beautiful decorative brickwork and the design of the towers inspired by mediaeval examples are more regionalistic elements. The sober architecture contrasts with the rich and colourful interior decoration. We could, in both cases, call it a 'Gesamtkunstwerk' since all details were carried out following Henri Lacoste's design. He had found his inspiration in 15 centuries of Christian art. In Zwartberg mainly the following elements are important: the brass entrance gate, the ciborium and the main altar, the paschal candlestand, the side altars, the chapels and the choir aisle's balustrade, the stained-glass windows in the nave, the Saint Barbara tower, the organ, the consecrative inscription and the interior of the baptistery. The sober decoration of the church in Beringen is due to the scarcity during WW II. The brass entrance gate, the ciborium and the main altar, the side altars, the stained-glass windows in the nave and transept and the baptistery are nevertheless fine examples of crafts during the interbellum period. The following aspects need to be taken into account when discussing modern church building during the interbellum: the liturgical movement, the technical innovations and the concept of style. The liturgical movement promoted a purification and reform of the liturgy mainly following the example of the Constantine rite. Eventually, the purpose was the active participation of the worshippers. For this purpose the architectute and decoration of the church had to be conceived in such a way that the main altar could be seen by all believers. Technical innovations such as the use of reinforced concrete made such a construction possible. There are two concepts of style based on these two elements. The modernist concept pleaded for contemporary churches. This choice was based on the tradition that throughout history the construction of churches followed the architectural style of its own time. The traditionalists equally promote a contemporary design, be it based on tradition. Neither concept solely determines the formal requirements of the churches' architecture. The literature on modern church construction during the interbellum offers a widely varied image. Churches which we now consider as modernist as well as churches which we label as "neo" or traditionalist, are included in the term 'modern church building'. These two mine cathedrals can also be included in the modern interbellum churches. They answer to the ideas of the liturgical movement, have a modern construction and follow a contemporary architectural language. These churches are important in more than one way. They are terrific examples of modern interbellum churches reaching a scale and quality which seems exceptional for this period. Moreover, both churches are the principal works of Henri Lacoste's oeuvre. But most of all these churches are meaningful mining monuments, witnesses of the catholic and patronizing social structure which had been introduced in Limburg with the mining industry.