Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2007
Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie
Els Bernaerts Tom Coulier Els Demuynck
Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2007
Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2007 Els Bernaerts, Tom Coulier en Els Demuynck maart 2009 Rapport, 91 blz
Depotnummer: D/2009/3241/093
Departement Landbouw en Visserij afdeling Monitoring en Studie Ellipsgebouw (6de verdieping) Koning Albert II - laan 35, bus 40 1030 Brussel Tel. 02 552 78 20 - Fax 02 552 78 21 e-mail: ams@vlaanderen.be Vermenigvuldiging en/of overname van gegevens zijn toegestaan mits de bron expliciet vermeld wordt: Bernaerts E., Coulier T. & Demuynck E. (2009) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2007, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Wij doen ons best om alle informatie, webpagina's en downloadbare documenten voor iedereen maximaal toegankelijk te maken. Indien u echter toch problemen ondervindt om bepaalde gegevens te raadplegen, willen wij u graag hierbij helpen. U kunt steeds contact met ons opnemen.
Inhoudsopgave Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1. De akkerbouwsector........................................................................................................... 5 1.1. Structurele kenmerken................................................................................................ 5 1.2. Rentabiliteit ................................................................................................................ 6 Bedrijfstak akkerbouw ....................................................................................................... 6 Bedrijfsresultaten ............................................................................................................. 11 2. De melkveesector ............................................................................................................. 14 2.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 14 2.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 15 Bedrijfstak rundvee en voedergewassen .......................................................................... 15 Bedrijfsresultaten ............................................................................................................. 18 3. De rundvleessector ........................................................................................................... 21 3.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 21 3.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 22 Bedrijfstak rundvee en voedergewassen .......................................................................... 22 Bedrijfsresultaten ............................................................................................................. 23 4. De varkenssector .............................................................................................................. 27 4.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 27 4.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 28 Bedrijfstak vermeerdering................................................................................................ 29 Bedrijfstak vetmesting...................................................................................................... 31 Bedrijfsresultaten ............................................................................................................. 32 5. De groente- en aardbeiensector ........................................................................................ 35 5.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 35 5.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 37 Rentabiliteit glasgroentebedrijven.................................................................................... 37 Rentabiliteit bedrijven met overwegend groenten in openlucht....................................... 42 Rentabiliteit champignonbedrijven .................................................................................. 44 Rentabiliteit aardbeienbedrijven ...................................................................................... 45 Rentabiliteit groente- en aardbeienbedrijven: samenvattend overzicht ........................... 47 6. De fruitsector (exclusief de aardbeiensector)................................................................... 50 6.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 50 6.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 51 7. De sierteeltsector (exclusief boomkwekerij).................................................................... 55 7.1. Structurele kenmerken.............................................................................................. 55 7.2. Rentabiliteit .............................................................................................................. 57 Rentabiliteit potplantenbedrijven ..................................................................................... 57 Rentabiliteit azaleabedrijven ............................................................................................ 58 Rentabiliteit snijbloemenbedrijven .................................................................................. 59 Rentabiliteit sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij): samenvattend overzicht ....... 61 8. Samenvattend overzicht ................................................................................................... 64 8.1. Landbouw................................................................................................................. 64 8.2. Tuinbouw ................................................................................................................. 67 Bijlagen .................................................................................................................................... 69 Bijlage 1: Methodologische toelichting ............................................................................... 69 Waarnemingsveld............................................................................................................. 69 Steekproef......................................................................................................................... 69 Wegingssysteem............................................................................................................... 70 2
Rentabiliteit ...................................................................................................................... 72 Bijlage 2: Definities indicatoren .......................................................................................... 77 Bijlage 3: Lijst met figuren .................................................................................................. 86 Bijlage 4: Lijst met tabellen ................................................................................................. 88
3
Inleiding Voorliggend jaarverslag beoogt een technisch-economische analyse van de land- en tuinbouwactiviteit. De resultaten 2007 berusten op de verwerking van de boekhoudgegevens van 659 Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven, die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN). Ter vergelijking worden ook de indicatoren van voorgaande jaren opgenomen. De gegevens van 2001, 2002 en 2003 zijn gebaseerd op het boekhoudnet van het voormalige Centrum voor Landbouweconomie. Dit boekhoudnet werd vanaf 2004 grondig hernieuwd o.a. door de introductie van een nieuw boekhoudpakket. Er werd geopteerd om de gegevens van 2004, het overgangsjaar, om betrouwbaarheidsredenen niet op te nemen in het rapport. Inhoudelijk worden eerst voor de belangrijkste bedrijfstypes de structurele en technisch– economische indicatoren weergegeven. Achtereenvolgens komen volgende sectoren aan bod: akkerbouw, melkvee, rundvlees, varkens, groenten-aardbeien, fruit en sierteelt. De rentabiliteitsindicatoren zijn geen gewone rekenkundige gemiddelden, maar worden berekend door een systeem van weging, waarbij de waargenomen waarden worden geëxtrapoleerd naar de verschillende sectoren. De weging beperkt zich niet tot de sectoren alleen; op basis van de gewogen gemiddelden van de bedrijfstypes worden gewogen gemiddelden voor respectievelijk de gehele land- en tuinbouwsector berekend. Deze resultaten worden ondergebracht in het hoofdstuk samenvattend overzicht. Voor een correcte interpretatie van de kengetallen worden achteraan in de publicatie de gebruikte definities en een methodologische toelichting opgenomen. Inzake de opgestelde statistieken, dienen volgende beschouwingen in acht te worden genomen: - de resultaten van voor 2005 zijn niet altijd 100% vergelijkbaar met die vanaf 2005. Door de grondige hernieuwing van het boekhoudpakket zijn immers een aantal definities en concepten gewijzigd, zodat niet voor alle indicatoren de volledige reeks kon worden opgesteld. - de kengetallen die in dit rapport worden opgenomen hebben alleen betrekking op de ondernemingen die behoren tot het waarnemingsveld dat gedekt wordt door het boekhoudnet, namelijk de bedrijven waarvan de economische bedrijfsomvang voldoende groot is om beschouwd te worden als beroepsmatig. - bij de beoordeling van de resultaten dient rekening gehouden te worden met de boekhoudkundige principes die door de afdeling Monitoring en Studie (AMS) voor de bedrijfseconomische boekhouding worden toegepast (toegerekende lonen voor eigen arbeid, toegerekende rente op geïnvesteerde kapitalen, afschrijvingen op vervangingswaarde, enz.). Deze principes worden opgelegd in het kader van de werking van het Europees Informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen (ILB). - hoewel getracht wordt om de bedrijven via een correcte steekproeftrekking te selecteren, vertegenwoordigen de bestudeerde bedrijven vanuit statistisch standpunt niet op een volmaakte wijze het bestudeerde universum. Voor sommige (sub)sectoren (o.a. rundvleessector) zijn de kengetallen gebaseerd op een beperkt aantal waarnemingen, waardoor de cijfers met de nodige omzichtigheid dienen te worden geïnterpreteerd.
4
1. De akkerbouwsector 1.1. Structurele kenmerken Vlaanderen telt in 2007 1.663 gespecialiseerde akkerbouwbedrijven met beroepsmatig karakter. Dit is een zeer lichte stijging (+0,6%) ten opzichte van 2006 (tabel 1). Tabel 1: Structuur van de gespecialiseerde akkerbouwsector, 2001-2007 Aantal bedrijven Oppervlakte akkerbouw per bedrijf (ha) waarvan granen aardappelen (excl. pootgoed) suikerbieten Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha)
2001 1.578 30,19 46,2% 19,3% 20,7% 42,1
2005 1.732 32,43 51,2% 18,5% 17,5% 43,5
2006 1.653 33,27 52,8% 19,7% 16,9% 45,0
2007 1.663 34,34 53,7% 19,5% 17,0% 46,2
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Bijna drie vierde van de bewerkte oppervlakte is bestemd voor akkerbouwteelten. Dit aandeel is licht toegenomen ten opzichte van 2006. De trend van schaalvergroting zet zich voort. Het areaal akkerbouwgewassen (+3,8%) en de oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (+2,8%) zijn toegenomen, maar er is een grote spreiding tussen de bedrijven onderling (figuur 1). Terwijl de meeste bedrijven (41%) tussen 10 en 25 hectare akkerbouw bewerken, behoort 46% van de oppervlakte tot de 18% bedrijven met 50 ha en meer. Figuur 1: Verdeling volgens grootteklasse, 2007 50% 40% 30% 20% 10% 0% ≤ 10
10-25
25-50
50-75
75-100
>100
ha akkerbouw aantal bedrijven
ha akkerbouw
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De voornaamste akkerbouwgewassen zijn granen, aardappelen en suikerbieten. Zij vertegenwoordigen samen 90% van het akkerbouwareaal. Ten opzichte van 2006 steeg het areaal akkerbouwgewassen met 3,8%. De stijging was algemeen, zowel granen (+5,5%),
5
aardappelen (+2,5%) en suikerbieten (+4,4%) stegen in areaal. Wintertarwe is, met een aandeel van 64% van het graanareaal, het belangrijkste graangewas. De oppervlakte aardappelen verdeelt zich als volgt: 86% bewaaraardappelen en 14% vroege.
1.2. Rentabiliteit De analyse van de financiĂŤle bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 57 bedrijven, met gemiddeld 48,6 ha cultuurgrond. De gegevens van de bedrijfstak akkerbouw hebben betrekking op alle bedrijven met desbetreffende teelt.
Bedrijfstak akkerbouw Wintertarwe Het rendement van de graanoogst lag in 2007 9% lager dan in 2006 (tabel 2). De zachte, natte winter en een te droge aprilmaand lagen aan de basis van een laattijdige toediening van de eerste stikstoffractie, een zwakke groei en een verhoogde ziektedruk. Daarna werd de oogst bemoeilijkt door de regenachtige zomer. Tabel 2: Evolutie van de opbrengstcijfers van wintertarwe, 2001-2007 -
2001
2002
2003
2005
2006
2007
rendement (kg/ha)
7.976
8.083
8.768
8.391
8.178
7.439
gemiddelde prijs (euro/100kg)
11,7
10,5
13,5
10,5
14,1
22,5
opbrengst graan (euro/ha)
934
848
1.186
877
1.152
1.671
variabele kosten (euro/ha)
-
-
-
611
610
631
bruto saldo (*) (euro/ha)
-
-
-
456
757
1.279
(*)
inclusief opbrengsten nevenproducten
Bron: AMS
De graanprijzen stegen sterk in 2007. De prijs per kg voor wintertarwe steeg met bijna 60%. Talrijke factoren veroorzaakten deze evolutie. De extreme weersomstandigheden (o.a. droogte in AustraliĂŤ en de Verenigde Staten, nat weer in Europa) lagen aan de basis van een slechte oogst binnen en buiten Europa. De grote vraag vanuit India, Egypte en China en in mindere mate de extra vraag naar tarwe voor de productie van biobrandstoffen stuwden de tarweprijs flink hoger. Ten slotte waren de voorraden wereldwijd historisch laag, waardoor het prijseffect op de beurs ten volle kon spelen. De graanprijsstijging was meer dan voldoende om de lagere rendementen te compenseren zodat de geldelijke opbrengst graan steeg met 45% tot 1.671 euro per hectare. Als gevolg van regionale verschillen in de korrelopbrengst, varieert dit kengetal naargelang van de landbouwstreek. De Polders en de Leemstreek behalen betere resultaten dan het Vlaams gemiddelde (tabel 3).
6
Tabel 3: Regionale opbrengstcijfers van wintertarwe, 2007 -
Polders
Zandstreek
Zandleemstreek
Leemstreek
Rendement in kg/ha
7.943
6.813
7.127
7.852
Opbrengst in euro/ha
1.787
1.527
1.598
1.745
Prijs in euro/100kg
22,5
22,4
22,4
22,2
Bron: AMS
De totale variabele kost per ha voor wintertarwe steeg licht tegenover 2006 (+3,5%). De bestrijdingsmiddelen namen het grootste aandeel van de variabele kosten voor hun rekening (figuur 2). Het aandeel loonwerk daalde licht, terwijl de kost van zaad iets aan belang won. Figuur 2: Verdeling van de variabele kosten per ha wintertarwe, 2007
energie 10%
werk door derden 25%
overige 2%
zaai- en pootgoed 13%
meststoffen 18%
bestrijdingsmiddelen 32%
Bron: AMS
Bewaaraardappelen De oogst 2007 werd gekenmerkt door hoge opbrengsten per hectare (tabel 4). De hogere opbrengsten en een groter areaal dan vorig jaar zorgden voor een zeer goede oogst. Dit ruime aanbod drukte op de aardappelprijzen.
7
Tabel 4: Evolutie van de opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2001-2007 -
2001
2002
2003
2005
2006
2007
37.469
46.664
42.054
40.865
34.522
45.846
9,1
5,9
11,3
10,9
15,5
9,3
3.426
2.733
4.754
4.459
5.351
4.266
variabele kosten (euro/ha)
-
-
-
1.541
1.717
2.118
bruto saldo (*) (euro/ha)
-
-
-
2.918
3.658
2.163
rendement (kg/ha) gemiddelde prijs (euro/100kg) opbrengst (euro/ha)
(*)
inclusief opbrengsten nevenproducten
Bron: AMS
De opbrengstcijfers variĂŤren naargelang van de streek (tabel 5). De Zandstreek en de Kempen noteerden in 2007 de beste resultaten. Er is ook een licht regionaal prijsverschil bij de LMNbedrijven. De aardappelprijs aan teler is o.a. afhankelijk van het aandeel aardappelen onder contract, het aandeel thuisverkoop, de aardappelvariĂŤteit en de kwaliteit. Tabel 5: Regionale opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2007 -
Polders
Zandstreek
Kempen
Zandleemstreek
Leemstreek
Rendement in kg/ha
43.271
47.425
47.167
46.144
45.979
Opbrengst in euro/ha
4.238
4.314
4.283
4.226
4.492
9,8
9,1
9,1
9,2
9,8
Prijs in euro/100kg Bron: AMS
Figuur 3 geeft een verdeling van de variabele kosten. Net zoals bij de graangewassen is het aandeel van de bestrijdingsmiddelen het grootst, op de voet gevolgd door de kost voor pootgoed. De variabele kosten zijn sterk gestegen (+23%). De kosten voor bestrijdingsmiddelen stegen met 50%, die voor het pootgoed met 42%.
8
Figuur 3: Verdeling van de variabele kosten per ha bewaaraardappelen, 2007 overige 2%
energie werk door derden 4% 17%
zaai- en pootgoed 33%
meststoffen 9% bestrijdingsmiddelen 35%
Bron: AMS
Suikerbieten De weersomstandigheden waren moeilijk in 2007. Na de zaai was er een aanhoudende droogte, waardoor de planten niet opkwamen, of in 2 fasen opkwamen. Het slechte weer werkte ziekten in de hand. Niettemin was de opbrengst per hectare gemiddeld (tabel 6). Het suikergehalte was hoger dan in 2005 en 2006. Tabel 6: Evolutie van de opbrengstcijfers van suikerbieten, 2001-2007 -
2001
2002
2003
2005
2006
2007
57.890
65.365
69.608
64.797
66.810
65.030
4,7
4,3
4,3
4,0
3,3
3,2
2.728
2.825
2.992
2.599
2.237
2.074
suikergehalte (%)
-
-
-
16,9
16,4
17,2
variabele kosten (euro/ha)
-
-
-
1.096
1.073
1.139
bruto saldo (*) (euro/ha)
-
-
-
1.504
1.169
942
rendement (kg/ha) gemiddelde prijs (euro/100kg) opbrengst (euro/ha)
(*)
inclusief opbrengsten nevenproducten
Bron: AMS
De effecten van de suikerhervormingen laten zich opnieuw voelen. De gegarandeerde prijs voor witte suiker wordt vanaf 2006 over 4 jaar met 36% verlaagd. In 2007 ontvingen de planters een minimumprijs van 28,91 euro per ton suikerbieten binnen quotum tegenover 32,86 euro per ton in 2006. Door een hoger suikergehalte daalde de uiteindelijk betaalde prijs aan producent in zeer geringe mate. De daling van de minimumprijs wordt gecompenseerd door middel van ontkoppelde steun, die wordt opgenomen in de bedrijfstoeslag. Deze steun stijgt van 6,49 euro per ton
9
quotumbieten voor de campagne van 2006 naar 8,33 euro per ton quotumbieten voor 2007. Er dient opgemerkt te worden dat deze premie niet wordt opgenomen in de opbrengst per ha. De matige opbrengsten en de lichte prijsdaling resulteerden in een dalende financiĂŤle opbrengst per ha. Er zijn duidelijk regionale verschillen in de rendementen en hierdoor ook in de financiĂŤle opbrengsten (tabel 7). De Leemstreek noteert de hoogste opbrengst per ha. Tabel 7: Regionale opbrengstcijfers van suikerbieten, 2007 -
Polders
Zandstreek
Leemstreek
Rendement in kg/ha
64.602
64.860
66.377
Opbrengst in euro/ha
2.083
2.063
2.108
Prijs in euro/100kg
3,2
3,2
3,2
Suikergehalte (%)
17,3
17,4
17,2
Bron: AMS
De variabele kosten belopen in 2007 1.139 euro per ha (+6,1%), waarvan het werk door derden de belangrijkste kostenfactor is, goed voor een derde van de totale variabele kost (figuur 4). Alle variabele kosten zijn toegenomen, behalve de energiekost. De grootste stijging wordt waargenomen bij de bestrijdingsmiddelen (+13%). Het duurdere suikerbietenzaad en het feit dat op sommige plaatsen tweemaal gezaaid moest worden, zorgde voor een toename van 8% van de kosten voor zaaigoed. Figuur 4: Verdeling van de variabele kosten per ha suikerbieten, 2007
energie 6%
werk door derden 33%
overige 4%
zaai- en pootgoed 20%
meststoffen 13%
bestrijdingsmiddelen 24%
Bron: AMS
10
Bedrijfsresultaten Opbrengsten In figuur 5 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. Hieruit blijkt dat veel gespecialiseerde akkerbouwbedrijven naast de akkerbouwteelten ook nog andere activiteiten uitoefenen. De opbrengsten uit marktbare gewassen maken 63% uit van de totale opbrengsten. De premies in het kader van het GLB zijn in de post overige opbrengsten geklasseerd. Figuur 5: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2007
overige opbrengsten 14%
pluimvee 14% varkens 3% rundvee en voedergew assen 6%
marktbare gew assen 63%
Bron: AMS
Door de goede resultaten van de granen liggen de totale opbrengsten uit marktbare gewassen hoger dan in 2006. De mindere resultaten voor suikerbieten en aardappelen temperen dit effect enigszins. De compenserende bedragen in de suikersector, die vanaf 2006 bij de bedrijfstoeslag worden gevoegd, zorgen voor het hogere aandeel van de overige opbrengsten. Kosten Ook aan kostenzijde is het duidelijk dat veel akkerbouwbedrijven een gemengd karakter hebben (figuur 6). De kosten voor de berekende lonen, de veevoeders en de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 52% van de kosten voor hun rekening. De kosten stegen met 3% in vergelijking met 2006. Veevoeders zorgden voor de grootste stijging. De kosten voor zaai- en pootgoed stegen met 29% en voor bestrijdingsmiddelen met 20%. Dit kan verklaard worden door de verhoogde ziektedruk bij veel gewassen, en door de gestegen prijzen voor bestrijdingsmiddelen. Alle kosten stegen, behalve de berekende en betaalde lonen.
11
Figuur 6: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2007
w erk door derden 6% betaalde lonen 1% berekende lonen 25%
overige kosten 8%
zaai- en pootgoed 7% veevoeders 13% meststoffen 4% bestrijdingsmiddelen 7% energie 3%
grond- en gebouw enkapitaal 14%
w erktuigkosten 12%
Bron: AMS
Inkomen Op de akkerbouwbedrijven is er in 2007 een duidelijke inkomensverbetering ten opzichte van 2006. Indien men alle kosten in rekening brengt, inclusief vergoeding voor eigen kapitaal en arbeid, wordt het netto bedrijfsresultaat net positief. Per hectare is er 1 euro winst. De opbrengst per 1.000 euro kosten stijgt met 4% tot 1.000 euro. Het familiaal arbeidsinkomen (netto bedrijfsresultaat vermeerderd met toegerekende lonen voor familiale arbeid) per FAK is verhoogd met 13% tot 32.687 euro. Dit komt overeen met 86% van het vergelijkbaar inkomen. De vergoeding die een bedrijf ontvangt voor eigen arbeid en kapitaal is het bedrijfsinkomen. Dit kengetal bedraagt in 2007 39.099 euro per FAK of een stijging met 14% ten opzichte van 2006.
12
Tabel 8: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, euro, 2001-2007 2001 Oppervlakte cultuurgrond (ha) 40,6 Aantal VAK 1,46 Aantal FAK Rentabiliteit (euro) Opbrengsten/ha cultuurgrond marktbare gewassen 2.073 rundvee en voedergewassen 128 varkens 130 pluimvee 506 overige opbrengsten 313 Totale opbrengsten 3.150 Kosten/ha cultuurgrond zaad en pootgoed 186 veevoeders 475 meststoffen 154 bestrijdingsmiddelen 196 energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal 408 berekende lonen 998 betaalde lonen 78 werk door derden 222 overige kosten Totale kosten 3.267 Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond -117 Opbrengst per 1.000 euro kosten 964 Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond 881 Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK -
2002 39,1 1,55 -
2003 41,4 1,5 -
2005 46,2 1,49 1,42
2006 45,9 1,52 1,39
2007 48,6 1,48 1,35
2.039 149 116 367 329 3.001
2.237 197 104 611 366 3.515
1.912 170 121 945 372 3.520
2.047 194 162 406 489 3.299
2.223 212 111 499 502 3.546
219 423 134 204 427 1.193 74 208 3.495 -494 859 699 -
211 560 141 202 435 1.100 82 200 3.567 -53 985 1.048 -
188 742 110 213 117 358 516 985 42 185 302 3.758 -238 937 748 24.142 888 28.811
186 451 116 202 117 403 451 1.012 52 203 239 3.433 -134 961 878 28.898 1.038 34.169
240 468 127 244 117 414 484 905 52 213 280 3.545 1 1.000 906 32.687 1.084 39.099
Bron: AMS
13
2. De melkveesector 2.1. Structurele kenmerken In Vlaanderen zijn er in 2007 3.772 gespecialiseerde melkveebedrijven, waarvan 75% sterk gespecialiseerd en 25% matig gespecialiseerd (tabel 9). Tabel 9: Structuur van de gespecialiseerde melkveesector, 2001-2007 Aantal bedrijven
Aantal melkkoeien per bedrijf
Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha)
Oppervlakte grasland en voedergewassen per bedrijf (ha)
2001 2005 2006 2007 2001 2005 2006 2007 2001 2005 2006 2007 2001 2005 2006 2007
Sterk gespecialiseerd (PR 411) 3.021 3.244 2.947 2.820 51 49 52 54 31,0 33,2 34,4 36,2 28,4 29,1 30,0 31,6
Matig gespecialiseerd (PR412) 1.643 1.172 1.039 952 38 35 38 39 31,3 34,1 36,1 37,0 24,9 26,1 27,8 28,2
Gespecialiseerd (PR41) 4.664 4.416 3.986 3.772 46 46 48 50 31,1 33,4 34,8 36,4 27,2 28,3 29,4 30,7
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Het aantal gespecialiseerde melkveehouders is opnieuw gedaald. De verschuiving van matig naar sterk gespecialiseerd zet zich voort. Het aantal melkkoeien op de bedrijven blijft toenemen. In 2007 werd het melkquotum opnieuw met 0,5% uitgebreid, wat deze uitbreiding deels kan verklaren. Op bedrijfsniveau bestaan er grote verschillen: bijna 30% van de melkkoeien wordt gehouden op bedrijven met meer dan 75 melkkoeien, terwijl 17% van de bedrijven minder dan 25 melkkoeien heeft (figuur 7). De bedrijven bewerken gemiddeld 36,4 ha per bedrijf en deze oppervlakte wordt elk jaar groter. Het grootste aandeel van de cultuurgrond (84,3%) is bestemd voor grasland en voedergewassen.
14
Figuur 7: Verdeling van de gespecialiseerde melkveebedrijven volgens aantal melkkoeien, 2007 50% 40% 30% 20% 10% 0% ≤ 25
25-50
50-75
75-100
>100
aantal melkkoeien aantal bedrijven
aantal melkkoeien
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
2.2. Rentabiliteit Voor de analyse worden enkel de sterk gespecialiseerde bedrijven (productierichting 411) in beschouwing genomen om de invloed van andere bedrijfstakken zoveel mogelijk uit te schakelen. Het betreft de resultaten van 90 bedrijven, met een gemiddelde melkproductie van 383.558 liter melk, 82,2 GVER en 37,2 hectare cultuurgrond.
Bedrijfstak rundvee en voedergewassen De financiĂŤle opbrengst per ha van de bedrijfstak rundvee en voedergewassen is sterk verbeterd ten opzichte van 2006 (+30%). De opbrengsten bestaan voor 86% uit de opbrengsten uit melkproducten (tabel 10). Dit laatste kengetal is gestegen door een volumevermeerdering, gecombineerd met een sterk verbeterde melkprijs (+25%). Gemiddeld werd er op de bedrijven meer melk geproduceerd in 2007, wat deels toe te schrijven is aan de quotumverhoging in het kader van de MTR. Het percentage melk dat aan de melkerij verkocht werd daalde licht tot 95% van het geproduceerde volume. Technisch scoren de bedrijven ook beter: de gemiddelde melkgift per koe neemt nog elk jaar toe.
15
Tabel 10: Evolutie van de rentabiliteitscijfers melk, 2001-2007 melkgift per koe (liter/koe) vetgehalte (g/liter) eiwitgehalte (g/liter) melkproductie (liter/bedrijf) waarvan: - bestemd voor de melkerij (%) - gevoederd aan vee (%) prijs per liter aan melkerij (euro/100 liter) opbrengst rundvee en voedergewassen (euro/ha) opbrengst rundvee en voedergewassen per GVER (euro) waarvan - opbrengst melkproducten - overige opbrengst rundvee en voedergewassen variabele kosten per GVER (euro/GVER) variabele kosten per liter (euro/l) bruto saldo per GVER (euro) opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten (euro) gemiddelde krachtvoederkost voor melkvee (euro/kg)
2001 6.091 43,7
2002 6.056 43,3
2003 6.496 43,8 293.715 94,5 2,8 30,74 3.138
2005 6.612 43,4 34,7 318.872 94,3 2,9 29,02 3.209
2006 6.744 43,5 34,7 343.016 96,0 2,5 28,45 3.266
2007 6.993 43,5 35,0 383.558 95,0 2,7 35,68 4.336
308.895 94,2 3,1 33,91 3.496
297.327 93,8 3,6 30,83 3.327
-
-
-
1.491
1.508
1.953
-
-
-
1.223 268
1.264 244
1.676 277
-
-
-
568 0,135 923 6.539
593 0,135 914 6.211
680 0,146 1.273 6.247
-
-
-
0,188
0,187
0,229
Bron: AMS
De melkprijs was in 2007 gemiddeld gevoelig hoger dan in 2006 (25% meer). Aan de jarenlange daling van de melkprijzen kwam een einde in maart 2007. Door een groeiend onevenwicht tussen vraag en aanbod op wereldniveau stegen de prijzen voor melkvet en melkeiwit tot de hoogste prijzen in de beschouwde periode. De opbrengst uit melkproducten steeg dan ook gevoelig. De inkomenssteun in het kader van de MTR is niet opgenomen in de opbrengsten rundvee en voedergewassen. Deze komt bij overige opbrengsten van de bedrijfstak rundvee en voedergewassen. Bij de overige opbrengsten rundvee en voedergewassen is er een stijging merkbaar en dit ondanks de prijsdaling bij de runderen en een sterke prijsdaling bij de nuchtere kalveren (figuur 8). Dit heeft vooral te maken met de gestegen opbrengsten uit de verkoop van voedergewassen. Ook het sterk positieve inventarisverschil in 2007 heeft een grote invloed.
16
Figuur 8: Evolutie van de prijs van koeien (euro per 100 kg) en nuchtere kalveren (euro per stuk), 2001-2007 240
160
80
0 2001
2002
2003
goed gevormd
55%
2004
2005
verwerking
2006
2007
nuchtere kalveren
Bron: BIRB, BVK en marktberichten
Aan kostenzijde bereikten de variabele kosten 680 euro per GVER of 0,146 euro per geproduceerde liter. Per GVER komt dit neer op een stijging van 15%, per geproduceerde liter melk op een stijging van 9%. De bijkomende voederkosten maken hiervan bijna de helft uit (figuur 9). Ten opzichte van 2006 is de bijkomende voederkost sterk gestegen. Het aandeel van voeder in de totale variabele kost stijgt van 40% in 2006 naar 46% in 2007. Figuur 9: Verdeling van de variabele kosten per GVER, 2007
overige 10%
zaai- en pootgoed 4%
meststoffen 6% bestrijdingsmiddelen 3%
werk door derden 14%
energie 9%
diergeneeskundige zorgen 8%
bijkomende voederkosten 46%
Bron: AMS
17
Bedrijfsresultaten Opbrengsten In figuur 10 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen meer dan 80% voor hun rekening. Figuur 10: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2007
pluimvee 1%
overige opbrengsten 10%
marktbare gew assen 5%
varkens 2%
rundvee en voedergew assen 82%
Bron: AMS
Door de hogere opbrengsten uit rundveehouderij, en in mindere mate de gestegen inkomsten uit marktbare gewassen zijn de totale opbrengsten per ha toegenomen. Ze bereiken nu de hoogste waarde van de beschouwde periode. Bij de opbrengsten in rundveehouderij worden ook de opbrengsten en inventarisverschil van de voedergewassen meegerekend. In 2007 was dit inventarisverschil sterk positief. De inventaris wordt gewaardeerd aan de marktwaarde van het einde van 2007. Hierdoor vallen de opbrengsten hoger dan verwacht uit. De ontkoppelde melkpremie die nu bij de bedrijfstoeslagregeling opgenomen is, zit, net als in 2006, bij overige opbrengsten. Kosten De melkveesector had in 2007 te maken met sterk stijgende kosten. De totale kosten namen toe met 12% tegenover 2006. De absolute uitschieter was de kost voor veevoeders, die met maar liefst 46% steeg. De kosten voor loonwerk (+13%), werktuigen (+11%), grond en gebouwen (+11%) stegen ook fors. De kosten voor de berekende lonen, grond- en gebouwenkapitaal en de veevoeders zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 69% van de kosten voor hun rekening (figuur 11). De grootte van hun aandeel is gestegen tegenover 2006.
18
Figuur 11: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2007 overige kosten 7% w erk door derden 5%
zaai- en pootgoed 2% veevoeders 15%
meststoffen 2% bestrijdingsmiddelen 1% diergeneeskundige zorgen 2%
berekende lonen 33%
energie 3% w erktuigkosten 9% grond- en gebouw enkapitaal 21%
Bron: AMS
Inkomen Het inkomen van de gespecialiseerde melkveebedrijven is in 2007 zeer gunstig geĂŤvolueerd en bereikt het hoogste niveau van de beschouwde periode. De totale opbrengsten stegen sterker dan de totale kosten (inclusief de vergoeding voor eigen arbeid) waardoor het netto bedrijfsresultaat positief wordt (170 euro/ha) en er een opbrengst van 1.033 euro per 1.000 euro kosten geboekt wordt. Het familiaal arbeidsinkomen, uitgedrukt per familiale arbeidskracht, bereikt 44.388 euro of 117% van het vergelijkbaar inkomen. De vergoeding die een bedrijf ontvangt voor zijn eigen arbeidskrachten en zijn kapitaal (het bedrijfsinkomen per FAK) is in 2007 met 58% gestegen.
19
Tabel 11: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, 2001-2007 2001 Oppervlakte cultuurgrond (ha) 33,3 Aantal ha grasland en voedergewassen 30,3 Aantal melkkoeien 50,7 Aantal VAK 1,47 Aantal FAK Rentabiliteit (euro) Opbrengsten/ha cultuurgrond marktbare gewassen 152 rundvee en voedergewassen 3.496 varkens 35 pluimvee 11 overige opbrengsten 237 Totale opbrengsten 3.932 Kosten/ha cultuurgrond zaad en pootgoed 78 veevoeders 603 meststoffen 127 bestrijdingsmiddelen 45 diergeneeskundige zorgen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal 926 berekende lonen 1.569 betaalde lonen 8 werk door derden 192 overige kosten Totale kosten 4.463 Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond -532 Opbrengst per 1.000 euro kosten 881 Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond 1.037 Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK -
2002 32,0 28,8 49,1 1,40 -
2003 32,5 28,9 45,2 1,45 -
2005 35,3 30,5 48,2 1,51 1,50
2006 36,0 31,8 50,9 1,48 1,48
2007 37,2 32,9 54,8 1,54 1,53
107 3.327 52 12 199 3.696
241 3.138 77 119 213 3.787
207 3.209 85 9 409 3.920
203 3.266 66 9 551 4.096
265 4.336 111 54 546 5.313
75 603 124 45 906 1.647 1 199 4.508 -811 820 836 -
90 679 117 59 908 1.725 4 203 4.747 -959 798 766 -
84 523 100 61 105 126 432 869 1.609 2 222 351 4.484 -564 874 1.047 24.551 1.267 29.776
82 542 103 60 110 144 441 960 1.591 2 222 346 4.604 -508 890 1.083 26.366 1.329 32.356
89 787 107 62 115 152 486 1.052 1.666 1 249 376 5.142 170 1.033 1.836 44.388 2.113 51.084
Bron: AMS
20
3. De rundvleessector 3.1. Structurele kenmerken De gespecialiseerde vleesveesector (exclusief bedrijven met mestkalveren) telt in 2007 1.484 bedrijven, of een stijging met 5,6% ten opzichte van 2006 (tabel 12). Tabel 12: Structuur van de gespecialiseerde vleesveebedrijven, 2001-2007 Aantal bedrijven Aantal runderen per bedrijf Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha) Oppervlakte grasland en voedergewassen per bedrijf (ha)
2001 1.439 125 26,2
2005 1.333 123 27,7
2006 1.405 123 28,0
2007 1.484 127 28,2
23,3
23,8
23,8
23,8
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De bedrijfsoppervlakte en het aantal runderen per bedrijf stijgt. De grootte van het bedrijf varieert echter sterk van bedrijf tot bedrijf (figuur 12). Ongeveer de helft van de runderen wordt gehouden op de 25% grootste bedrijven (meer dan 150 runderen). De meeste bedrijven hebben tussen de 50 en de 100 runderen. Figuur 12: Verdeling volgens grootteklasse, 2007 50% 40% 30% 20% 10% 0% < 50
50-100
100-150
150-200
200-250
250-500
>500
aantal runderen aantal bedrijven
aantal runderen
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
21
3.2. Rentabiliteit De analyse is gebaseerd op de resultaten van 29 gespecialiseerde vleesveebedrijven (PR 42), met gemiddeld 116 GVER, 54 zoogkoeien en 45,3 hectare cultuurgrond. Het betreft voornamelijk gesloten zoogkoeienbedrijven, waarbij de stieren van eigen bedrijf afgemest worden.
Bedrijfstak rundvee en voedergewassen De financiĂŤle opbrengsten per ha uit rundvee en voedergewassen stijgen licht boven die van 2006 (+1%) en bereiken het hoogste niveau van de beschouwde periode (tabel 13 en 14). Tabel 13: Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, 2005-2007 opbrengst rundvee en voedergewassen (euro/ha) opbrengst rundvee en voedergewassen (euro/GVER) variabele kosten rundveehouderij en voedergewassen (euro/GVER) bruto saldo (euro/GVER) opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten (euro) gemiddelde krachtvoederkost voor vleesvee (euro/kg)
2005 1.648 711 423 289 3.555 0,192
2006 1.869 738 449 289 3.214 0,218
2007 1.890 736 484 252 2.805 0,249
Bron: AMS
De rundvleessector werd gekenmerkt door iets lagere prijzen per kg verkocht dier (figuur 13) dan in 2006. De opbrengst per GVE steeg licht. Deze stijging wordt verklaard door de goede prijs die ontvangen werd voor voedergewassen. Het inventarisverschil van voedergewassen ging van sterk negatief naar positief. Figuur 13: Evolutie van de verkoopprijzen van de levende dieren in euro per 100 kg, 2001-2007 320
240
160
80
0 2001
2002 stieren dikbil
2003
2004
stieren goed gevormd
2005 koeien dikbil
2006
2007
koeien goedgevormd
Bron: BIRB
22
Aan kostenzijde bedroegen de variabele kosten 484 euro per GVER. De bijkomende voederkosten maken hiervan 52% uit (figuur 14). Ten opzichte van 2006 is de belangrijkste evolutie de stijging van de voederkost met 33%. Gezien het grote aandeel van de voederkost in de totale kosten is deze grote stijging nefast voor het bruto saldo. De stijging van 24% van de kosten voor diergeneeskundige zorgen is ook niet onbelangrijk. Figuur 14: Structuur van de variabele kosten per GVER, 2007
w erk door derden 9%
overige 5%
zaai- en pootgoed 3% meststoffen 5% bestrijdingsmiddelen 2%
energie 7%
diergeneesk. zorgen 17%
veevoeder 52%
Bron: AMS
De geringe daling van de opbrengsten voor rundvee en voedergewassen, gecombineerd met de sterke stijging van de variabele kosten zorgde voor een daling van het bruto saldo met 13%. De opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten is door de sterk gestegen krachtvoederkost verder gedaald met 13%, na een daling in 2006 met 10%.
Bedrijfsresultaten Opbrengsten Na het relatief sterke jaar 2006 was 2007 een zeer zwak jaar voor de rundvleessector. In figuur 15 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. Het aandeel van de opbrengsten uit rundvee en voedergewassen tegenover de totale opbrengsten daalt tot 60%. Het dient opgemerkt dat de premies (zoogkoeienpremies, enz.) in de overige opbrengsten opgenomen zijn. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen zijn licht gestegen (+1%). De bedrijven hebben vaak een gemengd karakter. De prijsstijging van een aantal akkerbouwproducten (zie hoofdstuk 1) zorgden voor een positieve evolutie van de opbrengsten uit marktbare gewassen (+35%).
23
Figuur 15: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2007 overige opbrengsten 22%
marktbare gewassen 17%
varkens 1%
rundvee en voedergewassen 60%
Bron: AMS
Kosten De totale kosten per ha zijn sterk gestegen in 2007 (+10%). De kosten voor bestrijdingsmiddelen, meststoffen, veevoeders en de werktuigkosten zijn relatief sterk gestegen. De berekende lonen, de veevoeders en de kosten voor het grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 62% van de kosten voor hun rekening (figuur 16). Figuur 16: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2007 overige kosten 10%
zaai- en pootgoed 2% veevoeders 17% meststoffen 2%
w erk door derden 4%
bestrijdingsmiddelen 2% diergeneeskundige zorgen energie 6% 2%
berekende lonen 31%
grond- en gebouw enkapitaal 14%
w erktuigkosten 10%
Bron: AMS
24
Inkomen De totale kosten zijn zeer sterk gestegen, terwijl de opbrengsten stagneerden, zodat het netto bedrijfsresultaat gedaald is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten lager zijn dan in 2006. Het netto bedrijfsresultaat is sterk negatief. Het familiaal arbeidsinkomen per ha is gedaald met 13%. Door een afname van de oppervlakte bewerkt per FAK van de bedrijven in de steekproef, is de daling van het familiaal arbeidsinkomen per FAK groter (-18%). Het inkomen blijft zeer laag in vergelijking met andere landbouwsectoren en ten opzichte van de gemiddelde loontrekkende. Het arbeidsinkomen per FAK daalt tot slechts 37% van het vergelijkbaar inkomen.
25
Tabel 14: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2001-2007 Beteelde oppervlakte Aantal ha grasland en voedergewassen Aantal dieren in GVER Aantal VAK Aantal FAK Rentabiliteit (euro) Opbrengsten/ha cultuurgrond marktbare gewassen rundvee en voedergewassen varkens pluimvee overige opbrengsten Totale opbrengsten Kosten/ha cultuurgrond zaad en pootgoed veevoeders meststoffen bestrijdingsmiddelen diergeneeskundige zorgen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal berekende lonen betaalde lonen werk door derden overige kosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK Bron: AMS
2001 37,5 31,6 1,45 -
2002 38,4 31,8 1,37 -
2003 34,1 29,0 1,35 -
2005 43,9 34,0 102 1,41 1,41
2006 45,6 34,6 115 1,34 1,34
2007 45,3 33,4 116 1,40 1,40
397 1.586 51 244 757 3.034
381 1.669 4 210 724 2.987
376 1.813 15 0 671 2.874
312 1.648 14 0 620 2.596
407 1.869 28 0 632 2.936
549 1.890 31 0 709 3.179
69 688 105 57 540 1.279 15 137 3.769 -735 805 544 -
79 644 104 65 552 1.276 4 145 3.783 -797 789 479 -
74 404 106 54 512 1.436 0 172 3.589 -715 801 721 -
73 467 84 63 153 86 295 456 1.159 0 180 297 3.313 -717 783 442 13.737 661 20.527
87 587 77 61 196 100 337 505 1.126 0 164 322 3.561 -625 825 501 17.038 768 26.110
90 681 90 84 216 95 386 531 1.175 0 161 410 3.919 -740 811 435 14.016 7226 23.402
26
4. De varkenssector 4.1. Structurele kenmerken De gespecialiseerde varkenssector telt in 2007 2.435 bedrijven. In tabel 15 worden enkele structurele kenmerken weergegeven. Er werd een opdeling gemaakt naar specialisatie: fokkerij (zeugen aanwezig maar geen mestvarkens), mesterij (vleesvarkens aanwezig maar geen zeugen) en andere. De gecombineerde bedrijven vormen de grootste groep. Het totale aantal bedrijven is gedaald met 17,7% ten opzichte van 2001 en die daling is merkbaar bij alle specialisaties, percentsgewijs het minste bij de mesterij. De afname werd mede beleidsmatig gestimuleerd door het milieubeleid (opkoopregeling, enz.). In 2006 was er even een stijging van het aantal bedrijven, maar in 2007 werd de dalende trend hervat. Tabel 15: Structuur van de gespecialiseerde varkenssector, 2001-2007 Aantal bedrijven
Aantal varkens per bedrijf
Aantal zeugen per bedrijf
Ha cultuurgrond/bedrijf
fokkerij
mesterij
andere
2001
145
829
1.985
2005
115
758
1.578
2006
123
804
1.592
2007
112
772
1.551
2001
895
1.165
1.490
2005
1.211
1.220
1.628
2006
1.287
1.200
1.660
2007
1.427
1.257
1.700
2001
249
0
172
2005
320
0
181
2006
325
0
187
2007
392
0
190
2001
7,32
6,41
13,24
2005
8,05
6,90
14,90
2006
10,06
7,28
15,97
2007
11,69
7,72
16,46
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Het gemiddeld aantal varkens op deze bedrijven stijgt bij alle specialisaties. Er is echter een groot verschil naargelang van de specialisatie en tussen de bedrijven onderling (figuur 17). Worden alle varkensbedrijven in aanmerking genomen, dan worden de meeste varkens (28,3%) gehouden op bedrijven met meer dan 2.500 varkens. De meeste bedrijven (24,8%)
27
hebben tussen de 1.000 en 1.500 varkens. Op de zeugenbedrijven ressorteren de meeste zeugen (31,2%) en bedrijven (44,9%) onder categorie 100-200 zeugen. Figuur 17: Verdeling volgens grootteklasse, 2007 1. Alle bedrijven 30%
20%
10%
0% <500
500-1000
1000-1500
1500-2000
2000-2500
>2500
400-500
>500
aantal varkens aantal bedrijven
aantal varkens
2. Bedrijven met zeugen 60%
40%
20%
0% <100
100-200
200-300
300-400
aantal zeugen aantal bedrijven
aantal varkens
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
4.2. Rentabiliteit De financiĂŤle bedrijfsresultaten hebben betrekking op 64 gespecialiseerde bedrijven (productierichting 501) met gemiddeld 1.238 omgerekende varkens en met 17,8 hectare cultuurgrond. 28
Voor de berekening van de gegevens per bedrijfstak, worden de bedrijven geselecteerd met meer dan 75 fokzeugen voor de vermeerdering en met meer dan 300 mestvarkens voor de vetmesting. De meeste bedrijven in de steekproef zijn gecombineerde bedrijven, zodat deze ondernemingen in beide bedrijfstakken in aanmerking worden genomen.
Bedrijfstak vermeerdering Deze resultaten zijn gebaseerd op 101 bedrijven met een bedrijfstak met meer dan 75 fokzeugen. De gespecialiseerde zeugenhouderij scoort technisch steeds beter: het aantal grootgebrachte biggen stijgt en het sterftepercentage daalt (tabel 16). Het aantal worpen per jaar stagneert. Tabel 16: Evolutie van de rentabiliteitscijfers zeugenhouderij, 2001-2007 gemiddeld aantal aanwezige zeugen aantal worpen per zeug per jaar aantal grootgebrachte biggen per zeug per jaar sterftepercentage biggen opbrengsten zeugenhouderij (euro/gem. aanwezige zeug) variabele kosten (euro/gem. aanwezige zeug) bruto saldo (euro/ gem. aanwezige zeug) opbrengsten per 1.000 euro voederkosten (euro) gemiddelde verkoopprijs per big (euro) gemiddelde prijs krachtvoeder voor biggen (euro/kg) gemiddelde prijs krachtvoeder voor zeugen (euro/kg)
2001 149 2,11 18 15,5 842
2002 145 2,13 18,5 13,8 611
2003 142 2,16 19,1 13,8 545
2005 145 2,16 19,9 13,2 697
2006 150 2,20 20,2 14,0 723
2007 161 2,19 21,2 13,1 660
2.282
1.697
1.527
531 167 1.879
555 168 1.853
644 16 1.374
-
-
-
38,7 0,260
40,3 0,278
33,1 0,321
-
-
-
0,160
0,175
0,219
Bron: AMS
De geldelijke opbrengst per zeug daalde in 2007 met 8,7%. De prijs voor biggen daalde nog onder de prijs van 2003. Aan kostenzijde bereikten de variabele kosten per zeug 644 euro of een stijging met 16%, wat toe te schrijven is aan de stijgende voederkost. De voederkosten nemen drie kwart van de totale variabele kosten voor hun rekening (figuur 18).
29
Figuur 18: Verdeling van de variabele kosten per zeug, 2007 overige variabele kosten w erk door derden 7% 1% energie 8% diergeneeskundige zorgen 10%
veevoeder 74%
Bron: AMS
Door de sterk gestegen kosten die niet konden doorgerekend worden in de verkoopprijs van de biggen daalt het bruto saldo voor de zeugenhouderij tot 16 euro per zeug, een daling met meer dan 90% tegenover 2006. De opbrengst per 1.000 euro voederkosten daalde met 26%.
30
Bedrijfstak vetmesting Deze resultaten zijn gebaseerd op de resultaten van 103 bedrijven met een bedrijfstak met meer dan 300 mestvarkens. De financiĂŤle opbrengst per gemiddeld aanwezig vleesvarken daalde licht tegenover 2006 (tabel 17). Tabel 17: Evolutie van de opbrengstcijfers vleesvarkenshouderij, 2001-2007 gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens gemiddeld gewicht van verkochte vleesvarkens (kg) sterftepercentage (%) opbrengsten vleesvarkenshouderij (euro/gem. aanwezig vleesvarken) variabele kosten (euro/gem. aanwezig vleesvarken) bruto saldo (euro/gem. aanwezig vleesvarken) opbrengsten per 1.000 euro voederkosten (euro) gemiddelde verkoopprijs per vleesvarken (euro) gemiddelde prijs krachtvoeder voor vleesvarkens (euro)
2001 858 214
2002 850 188
2003 858 185
2005 862 109 2,97 218
2006 913 110 2,89 228
2007 952 110 2,74 222
1.740 -
1.541 -
1.529 -
120 98,0 2.009 123 0,170
130 98,2 1.932 128 0,176
164 58,5 1.475 118 0,221
Bron: AMS
De gemiddelde verkoopprijs per vleesvarken ligt een stuk lager dan in 2006. Toch zijn de opbrengsten per vleesvarken niet sterk gedaald. De waarde van de inkomende biggen worden als negatieve opbrengst geboekt bij de omzet en aanwas (zie definitie). Hierdoor heeft de lage biggenprijs hier een positief effect op de opbrengsten van de bedrijfstak vetmesting. Aan kostenzijde stijgen de variabele kosten per gemiddeld aanwezig vleesvarken met 26% door de stijgende voederprijzen. De totale voederkosten nemen 92% in (figuur 19) en zijn gevoelig gestegen ten opzichte van 2006. Figuur 19: Verdeling van de variabele kosten per vleesvarken, 2006 w erk door derden 1% energie 1% diergeneesk. zorgen 2%
overige variabele kosten 4%
veevoeder 92%
Bron: AMS
31
De licht dalende opbrengsten gecombineerd met sterk gestegen kosten resulteren in een bruto saldo dat met 40% gedaald is tegenover 2006.
Bedrijfsresultaten Opbrengsten Uit de structuur van de bedrijfsopbrengsten van de gespecialiseerde bedrijven blijkt dat 83% afkomstig is van de varkens, wat wijst op een zeer sterke specialisatie (figuur 20). De opbrengst uit varkens daalt met 4,3%. De opbrengst uit marktbare gewassen stijgt met 39,7%, tot 9% van de totale opbrengsten. Dit is mogelijk door de goede prijsvorming voor graan en de grotere oppervlakte cultuurgrond per bedrijf. Figuur 20: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2007 overige opbrengsten 2%
marktbare gewassen 9% rundvee en voedergew. 2%
pluimvee 4%
varkens 83%
Bron: AMS
Kosten De totale kosten per omgerekend varken zijn verder gestegen (+14,4%) tot de hoogste waarde van de laatste jaren. Vooral de kosten van de veevoeders dragen bij tot de stijging. De veevoeders, de berekende lonen en de kosten voor het grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 81% van de kosten voor hun rekening (figuur 21).
32
Figuur 21: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2007 overige 8% berekende lonen 14% w erk door derden 2% grond- en gebouw enkapitaal 10%
veevoeders 57%
w erktuigkosten 3% energie 3%
diergeneesk. zorgen 3%
Bron: AMS
Inkomen Door de sterke stijging van de kosten en de dalende opbrengsten is het inkomen op de gespecialiseerde varkensbedrijven verminderd. De totale opbrengsten zijn niet voldoende om de totale kosten (inclusief de vergoeding voor eigen arbeid) te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten lager zijn dan 1.000. Het familiaal arbeidsinkomen per FAK daalt met 71% tot 14.528 euro. Dat is 38% van het vergelijkbaar inkomen voor 2007. Het bedrijfsinkomen per omgerekend varken daalt met 63%, per familiale arbeidskracht daalt het bedrijfsinkomen met 61%.
33
Tabel 18: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2001-2007 Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal omgerekende varkens (gemiddeld aantal aanwezige per jaar) Aantal VAK Aantal FAK Rentabiliteit per omgerekend varken (euro) Opbrengsten marktbare gewassen rundvee en voedergewassen varkens pluimvee overige opbrengsten Totale opbrengsten Kosten Zaai- en pootgoed veevoeders meststoffen bestrijdingsmiddelen diergeneeskundige zorgen energie werktuigkosten grond- en gebouwenkapitaal berekende lonen betaalde lonen werk door derden overige kosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat per omgerekend varken Opbrengst per 1.000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen per omgerekend varken Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen per omgerekend varken Bedrijfsinkomen per FAK
2001 13,6 1.081 1,42 -
2002 14,7 1.088 1,42 -
2003 13,7 1.104 1,36 -
2005 15,9 1.234 1,51 1,50
2006 16,2 1.240 1,59 1,54
2007 17,8 1.238 1,50 1,46
13,6 5,2 253,3 6,4 3,6 282,1
13,9 5,3 204,2 6,9 3,6 234,0
15,0 4,4 189,5 7,0 3,7 219,6
14,0 3,3 248,8 13,0 4,1 283,2
18,7 4,5 256,2 11,9 5,6 296,9
26,1 4,8 245,1 13,0 6,2 295,3
1,7 136,5 0,8 1,4 7,6 30,1 45,5 0,2 9,2 262,2 19,9 1.076 65,3 50.073 -
2,1 131,7 1,0 1,7 7,5 29,2 46,8 0,2 8,8 258,0 -24,1 907 22,8 17.583 -
1,9 130,3 0,8 1,6 7,1 28,7 44,2 0,6 8,2 250,2 -30,7 877 13,5 11.111 -
1,7 135,9 0,9 1,8 11,1 9,6 7,2 28,4 43,7 0,2 6,1 17,5 264,0 19,2 1.073 62,9 51.839 68,8 56.600
2,2 143,2 1,1 1,9 11,2 9,9 8,3 30,8 45,9 1,1 6,9 18,2 281,2 15,8 1.056 61,7 49.693 69,1 55.719
2,7 181,2 1,0 2,6 11,1 9,7 10,1 32,4 43,2 0,8 7,1 19,7 321,5 -26,1 918 17,1 14.528 25,4 21.527
Bron: AMS
34
5. De groente- en aardbeiensector 5.1. Structurele kenmerken In Vlaanderen zijn er in 2007 2.041 gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven met beroepsmatig karakter of een daling van 5% ten opzichte van vorig jaar (tabel 19). De daling is merkbaar bij alle specialisaties. Tabel 19: Structuur van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven -
gespecialiseerde glasgroentebedrijven
bedrijven met overwegend groenten in openlucht
champignonbedrijven
aardbeienbedrijven
gespecialiseerde groentebedrijven
aantal bedrijven
2001 2005 2006 2007
974 851 823 779
541 620 587 578
91 74 60 57
415 388 410 376
2.322 2.214 2.143 2.041
oppervlakte groenten per bedrijf (ha) (1)
2001 2005 2006 2007
0,99 1,12 1,16 1,22
5,53 6,62 6,72 6,91
0,18 0,21 0,23 0,22
1,99 2,23 2,02 2,18
2,37 2,96 2,98 3,10
oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (ha)(2)
2001 2005 2006 2007
2,08 2,26 2,29 2,25
13,38 15,21 15,77 15,63
0,92 0,44 0,51 1,12
6,03 6,71 7,24 6,69
5,69 7,01 7,32 7,34
(1) de oppervlakte die in aanmerking wordt genomen is afhankelijk van de specialisatie: oppervlakte aardbeien, groenten in openlucht, glasgroenten en champignons voor respectievelijk de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, bedrijven met overwegend groenten in openlucht, glasgroentebedrijven en champignonbedrijven
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De gespecialiseerde glasgroentebedrijven vormen de grootste groep. De gemiddelde oppervlakte groenten onder glas bedraagt op deze bedrijven volgens de meitelling 1,18 ha, waarvan tomaten (50,0%) en kropsla (17,9%) de grootste oppervlakte voor hun rekening nemen. Paprika sluit de top 3 af met 9,6% van de oppervlakte. Deze 3 groenten zijn, samen met komkommers, goed voor 82% van de oppervlakte onder glas. De gemiddelde oppervlakte groenten bedraagt 1,22 ha; 97% van de oppervlakte groenten op deze bedrijven wordt dus onder glas gekweekt. Bij de bedrijven met overwegend groenten in openlucht 1 wordt volgens de telling de grootste oppervlakte groenten ingenomen door prei (31,7%), gevolgd door witloofwortelen voor forcerie op het bedrijf (28,0%) en bloemkolen (7,7%). Vollegrondsgroenten worden op deze bedrijven vaak gecombineerd met andere land- en tuinbouwteelten, zodat het aandeel van groenten in openlucht slechts 43,9% bedraagt van de totale oppervlakte cultuurgrond op de bedrijven. Op de aardbeienbedrijven vindt men zowel aardbeien onder glas, onder plastic kappen als in volle grond. Van de totale oppervlakte in mei is 28% onder glas en hoge plastic kappen en 1
De extensieve groenteteelt wordt niet als tuinbouwteelt maar als akkerbouwteelt beschouwd en maakt dus geen deel uit van de oppervlakte groenten in openlucht.
35
72% in volle grond. Naast aardbeien worden op de aardbeienbedrijven nog andere land- en tuinbouwgewassen geteeld. De oppervlakte aardbeien bedraagt slechts 30% van de totale oppervlakte cultuurgrond. De champignonbedrijven blijven dalen in aantal. De oppervlakte groenten blijft constant, maar de cultuuroppervlakte voor de champignonbedrijven neemt gemiddeld sterk toe. Dit wijst op een mindere specialisatie van deze bedrijven. Gemiddeld is de oppervlakte van de groentebedrijven gestegen. Gespecialiseerde glasgroentebedrijven, bedrijven met groenten in openlucht en aardbeienbedrijven dalen in oppervlakte. Champignonbedrijven worden groter. Er blijft echter een grote spreiding tussen de bedrijven onderling (figuur 22). Figuur 22: Verdeling bedrijven volgens grootteklasse, 2007 1. gespecialiseerde glasgroentebedrijven 50% 40% 30% 20% 10% 0% <50
50-100
100-150
150-200
200-250
250-300
≼300
oppervlakte glasgroenten (in are) aantal bedrijven
opp. glasgroenten (are)
2. bedrijven met overwegend groenten in openlucht 40% 30% 20% 10% 0% <2,5
2,5-5
5-10
10-15
15-20
≼20
oppervlakte groenten in openlucht (in hectare) aantal bedrijven
opp. groenten openlucht (ha)
36
3. champignonbedrijven 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% <10
10-20
20-30
≼30
oppervlakte champignons (in are) aantal bedrijven
opp. champignons (are)
4. aardbeienbedrijven 50% 40% 30% 20% 10% 0% <50
50-100
100-200
200-300
300-400
≼400
oppervlakte aardbeien (in are) aantal bedrijven
opp. aardbeien (in are)
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Departement Landbouw en Visserij
5.2. Rentabiliteit De analyse van de financiĂŤle bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 124 gespecialiseerde groentebedrijven.
Rentabiliteit glasgroentebedrijven Voor de analyse van de rentabiliteit worden enkel de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven in rekening gebracht om de invloed van andere tuinbouwtakken zoveel mogelijk uit te sluiten. De glastuinbouwteelten leveren op deze bedrijven 98% van de totale geldopbrengsten per are cultuurgrond (tabel 20) en deze bedrijven bewerken gemiddeld 1,58 ha.
37
Tabel 20: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven, euro per are, 2001-2007 Totale opbrengsten waarvan glasgroenten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK
2001 2.587 2.555 2.650 -63 976 816 27.809
2002 2.435 2.406 2.547 -112 956 758 28.165
2003 3.115 3.063 2.869 246 1.086 1.202 41.952
2005 2.774 2.717 2.943 -170 942 785 27.446
2006 2.491 2.441 2.705 -214 921 633 25.635
2007 2.288 2.231 2.572 -285 889 554 23.192
Bron: AMS
Gemiddeld voor alle glastuinbouwbedrijven in het boekhoudnet was een daling van de totale opbrengsten merkbaar in 2007 (-8,2%). De totale kosten verminderden ook, maar veel minder (-1,4%). Er werd vooral bespaard op energie voor verwarming (-21%), en op bestrijdingsmiddelen (-29%). Kosten voor grond- en gebouwenkapitaal stegen het sterkst (+9%). In figuur 23 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. Hieruit blijkt dat de lonen (berekende plus betaald personeel) en de kost voor de energie voor verwarming meer dan de helft van de totale kosten uitmaken. Figuur 23: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde glasgroentebedrijven, 2007 Directe kosten teelten 3%
Overige kosten 3%
Verkoopkosten 4% Grond- en gebouwenkapitaal 17%
Betaald personeel 14% Werk door derden 1%
Overige materialen 2% Zaad- en plantgoed 8%
Berekende lonen 18%
Werktuigkosten 7% Energie voor verwarming 19%
Meststoffen 3%
Bestrijdingsmiddelen 1%
Bron: AMS
De lagere opbrengsten die niet gecompenseerd werden door een voldoende kostenverlaging hadden in 2007 een negatieve invloed op de inkomensvorming. Het arbeidsinkomen per VAK werd met 9,5% neerwaarts bijgesteld en bereikte 61% van het vergelijkbaar inkomen. Hiermee zakte het arbeidsinkomen in 2007 verder weg in vergelijking met het goede jaar 2003. Gemiddeld werken er 3,78 arbeidskrachten op de gespecialiseerde glasgroentebedrijven, waarvan 1,79 familiale arbeidskrachten. Achter dit gemiddelde schuilt echter een grote variatie. Onder andere afhankelijk van het teeltplan kunnen de resultaten tussen de bedrijven sterk uiteenlopen. In tabel 21 worden de gegevens weergegeven van enkele belangrijke bedrijfstakken.
38
Tabel 21: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken tomaten, komkommer, kropsla en paprika, 2005-2007 Tomaten - opbrengst verkoop (euro/are) - ontvangen prijs (euro/kg) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are) Komkommer - opbrengst verkoop (euro/are) - ontvangen prijs (euro/stuk) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are) Kropsla - opbrengst verkoop (euro/are) - ontvangen prijs (euro/stuk) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are) Paprika - opbrengst verkoop (euro/are) - ontvangen prijs (euro/kg) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are)
2005
2006
2007
3.247 0,77 1.562 1.685
3.466 0,78 1.783 1.683
3.423 0,78 1.588 1.835
1.634 0,33 770 864
1.557 0,26 791 766
1.541 0,27 673 868
446 0,37 235 211
557 0,42 287 270
349 0,28 203 146
1.493 0,99 1.359 134
2.019 1,37 1.541 478
2.037 1,41 1.697 340
Bron: AMS
De slaprijs was in 2007 zeer laag. Gemiddeld ontvingen de telers 14 cent per krop minder dan in 2006, een daling van 32%. Een overaanbod, gecombineerd met een kwakkelzomer en dus een lage vraag, zorgde voor een slechte prijsvorming. Ook in het buitenland kon de Vlaamse sla niet afgezet worden. De variabele kosten daalden met 29%. Deze daling was vooral toe te schrijven aan een sterke daling van de energiekosten (-39%) door het minder koude voorjaar. Daarnaast daalden de kosten voor bestrijdingsmiddelen met 50%, waarmee ze terug op het niveau van 2005 komen, na een sterke stijging in 2006. De opbrengsten daalden sterker dan de kosten (-37%) zodat het bruto saldo met 37% afnam tot 146 euro per are. Uit een indeling van de variabele kosten blijkt dat de energie de belangrijkste kost is (figuur 24). In vergelijking met de andere glasgroenten wegen de kosten voor het plantgoed relatief meer door.
39
Figuur 24: Structuur van de variabele kosten voor de productie van kropsla onder glas, 2007 werk door derden 3%
overige 5% zaai- en pootgoed 22%
meststoffen 5% energie 44%
bestrijdingsmiddelen 9%
verkoopkosten 12%
Bron: AMS
De prijs voor tomaten bleef ongeveer ongewijzigd. De ontvangsten per are waren ook vergelijkbaar met die van 2006, ondanks het minder goede weer tijdens de zomer. Ook in deze teelt dalen de kosten voor energie met 23% tegenover 2006. De kosten voor meststoffen stegen echter fors met 24%. Het grote aandeel van energie (figuur 25) in het totaal zorgde ervoor dat de variabele kosten daalden met 11%. Het bruto saldo steeg met 9% tot 1.835 euro per are. Figuur 25: Structuur van de variabele kosten voor de productie van tomaten onder glas, 2007 overige variabele kosten 7% directe kosten teelten 6%
werk door derden 2%
zaai- en pootgoed 18%
meststoffen 8% bestrijdingsmiddelen 3%
energie 48%
verkoopkosten 8%
Bron: AMS
De gemiddelde komkommerprijs in 2007 is ongeveer dezelfde als in 2006. De opbrengsten per are bleven ongeveer constant. Aan kostenzijde daalden de variabele kosten met 15%, zodat het bruto saldo opnieuw steeg naar het niveau van 2005. Energie is de belangrijkste variabele kost bij de komkommerteelt, de daling bij de variabele kosten is voor het grootste deel toe te schrijven aan een daling van de energiekosten (figuur 26).
40
Figuur 26: Structuur van de variabele kosten voor de productie van komkommers onder glas, 2007
directe kosten teelten 6% werk door derden 2%
overige variabele kosten 4% zaai- en pootgoed 23%
meststoffen 8% energie 43%
bestrijdingsmiddelen 3%
verkoopkosten 11%
Bron: AMS
De prijs voor paprika’s steeg in 2007 boven de prijs van 2006. De aanvoer vanuit Spanje was immers laag, door residuproblemen bij de paprikateelt ginder. In tegenstelling tot de andere serregroenten stegen voor paprika de variabele kosten met 10%. Een grote stijging is waargenomen bij de kost voor bestrijdingsmiddelen. In 2006 was deze kost al meer dan verdubbeld tegenover 2005, in 2007 stijgt deze kost nogmaals met 124%. De belangrijkste stijging zat voor de paprikateelt echter bij de kost voor energie. Deze kost steeg met bijna 10%. Door het zeer grote aandeel van energie in de totale variabele kost (65%) is deze stijging in absolute cijfers veel belangrijker dan de stijging bij de kost voor bestrijdingsmiddelen. De gestegen opbrengsten konden de gestegen variabele kosten niet compenseren. Dit resulteert in een daling van het bruto saldo met 29% ten opzichte van 2006. Figuur 27: Structuur van de variabele kosten voor de productie van paprika onder glas, 2007 overige variabele kosten 3% directe kosten teelten 8%
zaai- en pootgoed 14% meststoffen 2% bestrijdingsmiddelen 3% verkoopkosten 5%
energie 65%
Bron: AMS
41
Rentabiliteit bedrijven met overwegend groenten in openlucht Gemiddeld hebben de bedrijven 14,0 ha cultuurgrond en werken er 2,55 arbeidskrachten op de bedrijven, waarvan 1,80 familiale. De totale opbrengsten per ha cultuurgrond bij de bedrijven met overwegend groenten in openlucht daalden in 2007 met 4%. Verder blijkt uit tabel 22 dat de tuinbouwteelten ongeveer 93% van de totale inkomsten van deze bedrijven leveren. De inkomsten uit tuinbouwteelten stegen met 2%. Tabel 22: Bedrijfsresultaten van de bedrijven met overwegend groenten in openlucht, euro per ha, 2001-2007 Totale opbrengsten waarvan tuinbouwteelten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per ha Arbeidsinkomen per VAK
2001 13.518 12.754 13.683 -165 988 6.041 27.041
2002 13.484 12.863 13.692 -208 985 5.578 27.809
2003 11.356 10.672 12.995 -1.639 874 3.565 19.692
2005 10.727 9.680 12.178 -1.451 880 3.893 22.803
2006 13.664 11.988 15.098 -1.434 905 4.840 24.923
2007 13.094 12.195 14.614 -1.520 896 4.368 23.962
Bron: AMS
De totale kost daalde met 3%. Deze daling wordt vooral veroorzaakt door een daling van de loonkost. De kost voor fictieve en betaalde lonen daalde met 6%. De kost voor de energie voor verwarming daalde met 10%, maar deze kost is minder belangrijk op deze bedrijven. De kost voor zaai- en plantgoed steeg fors met 18%, de werktuigkosten, waarbij energie voor verwarming niet meegeteld wordt, stegen met 12%. In figuur 28 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. Hieruit blijkt dat een derde van de kosten voor rekening van de berekende lonen is. Daarnaast vallen ook de grote aandelen van de werktuigkosten, kosten van grond- en gebouwenkapitaal en de kosten voor zaai- en plantgoed op. Figuur 28: Structuur van de kosten voor de bedrijven met overwegend groenten in openlucht, 2007 Verkoopkosten 4%
Directe kosten teelten Overige kosten 3% 3%
Grond- en gebouw enkapitaal 12%
Berekende lonen 34%
Zaad- en plantgoed 12% Energie verw arming 1%
Betaald personeel 7%
Meststoffen 2% Bestrijdingsmiddelen 3%
Werktuigkosten 16%
Werk door derden 3%
Bron: AMS
42
De opbrengsten daalden sterker dan de kosten, waardoor het netto bedrijfsresultaat daalde. Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht daalde met 4% tot 63% van het vergelijkbaar inkomen. De resultaten verschillen sterk per teelt, zodat afhankelijk van het teeltplan de resultaten sterk kunnen verschillen tussen de bedrijven onderling. In tabel 23 worden de rentabiliteitsgegevens per are weergegeven voor prei en bloemkool. Tabel 23: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken prei en bloemkool, 2005-2007 prei - opbrengst verkoop (euro/are) - prijs (euro/kg) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are) bloemkool - opbrengst verkoop (euro/are) - prijs (euro/stuk) - variabele kosten (euro/are) - bruto saldo (euro/are)
2005
2006
2007
221 0,66 54 167
162 0,46 59 103
212 0,62 77 135
112 0,59 39 73
172 0,89 50 122
175 0,85 47 128
Bron: AMS
Voor prei werd het jaar 2007 bij de LMN-bedrijven gekenmerkt door hogere financiĂŤle opbrengsten dan in 2006, gecombineerd met hogere kosten. Zowel kosten als opbrengsten stegen met 30%. Dit had een hoger bruto saldo tot gevolg. Het weer was relatief warm en vochtig, waardoor de prei een verhoogde ziektedruk kende. Hierdoor steeg de kost voor gewasbescherming met 24%. De kosten voor het zaai- en pootgoed stegen met 40%. Dat zijn de belangrijkste variabele kosten, samen met de verkoopkosten (figuur 29). Het jaar werd gekenmerkt door een moeilijke prijsvorming door een haperende export. De kwaliteit was goed. Op het einde van het seizoen, vanaf oktober, begon de prijs op te lopen. De bedrijven in de LMN-steekproef behaalden goede resultaten voor 2007, wat resulteerde in een hoger bruto saldo dan in 2006. Figuur 29: Structuur van de variabele kosten bij de teelt van prei in volle grond, 2007 overige 7% werk door derden 14%
zaai- en pootgoed 32%
energie 7%
verkoopkosten 17%
meststoffen 7% bestrijdingsmiddelen 16%
Bron: AMS
De vollegrondsbloemkolen werden in 2007 tegen iets lagere prijzen dan in 2006 verkocht. Toch stegen de opbrengsten per are iets (+2%). De kosten daalden licht met 6%. Deze twee evoluties zorgden voor een stijging van het bruto saldo. Zaad en plantgoed, verkoopkosten 43
(verpakkingsmateriaal, commissies, enz.) en loonwerk zijn de drie belangrijkste kosten (figuur 30). Loonwerk won aan belang vergeleken met 2006. Figuur 30: Structuur van de variabele kosten bij de productie van bloemkolen in volle grond, 2007 overige 11% zaai- en pootgoed 26% werk door derden 16%
energie 9%
verkoopkosten 15%
meststoffen 12%
bestrijdingsmiddelen 11%
Bron: AMS
De gemiddelde witloofprijs daalde in 2007. Het VBT meldt een daling van de middenprijs van 1,05 euro per kg in 2006 naar 0,98 euro per kg in 2007. De aanvoer daalde ook. Bij de bedrijven in de LMN-steekproef zien we een sterkere daling in de gemiddeld ontvangen prijs, van 1,07 euro per kg naar 0,78 euro per kg.
Rentabiliteit champignonbedrijven In tabel 24 worden de bedrijfsresultaten weergegeven, waaruit blijkt dat op de gespecialiseerde champignonbedrijven 98% van de opbrengsten afkomstig is van de verkoop van champignons. De gemiddelde referentieoppervlakte bedraagt 1,67 ha. Het aantal arbeidskrachten stijgt tot 7,25, waarvan 1,91 familiale. De totale opbrengsten per VAK zijn het hoogst in de beschouwde periode, ondanks het toegenomen aantal VAK. In 2004 en 2005 kampte de sector met zeer lage prijzen door Poolse import. Aangezien de niet-geautomatiseerde pluk arbeidsintensief is, heeft Polen hier een voordeel door lagere loonkosten. De laatste jaren herstelt de prijs zich, doordat telers meer neigen naar een directe afzet van hun product, met de nadruk op de kwaliteit. Het aanbod aan champignons was in 2007 eerder krap, dit had slechts een miniem effect op de prijs. De kosten stegen sterk, maar deze konden niet volledig doorgerekend worden in de prijs. De goede opbrengsten kunnen verklaard worden door een gecombineerd effect van een lichte productiestijging en een lichte prijsstijging.
44
Tabel 24: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde champignonbedrijven, euro per VAK, 2001-2007 Totale opbrengsten waarvan champignons Totale kosten Totale kost per kg geproduceerd (euro/kg) Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per VAK Verkoopprijs (euro/kg)
2001 85.027 82.519 85.224 -
2002 78.089 75.864 82.647 -
2003 77.474 74.661 84.040 -
2005 75.352 73.712 84.044 1,60
2006 80.859 79.802 84.614 1,65
2007 87.293 85.791 87.728 1,62
-196 998 28.489 1,32
-4.558 945 24.598 1,31
-6.565 922 23.382 1,35
-8.692 897 24.859 1,40
-3.756 956 29.618 1,56
-435 995 32.345 1,58
Bron: AMS
De gestegen kosten per VAK (+3,7%) zijn volledig toe te schrijven aan de stijging van de kost voor compost (+13%) en dekaarde (+23%). Ook de loonkost voor betaald personeel steeg licht (+5%). Betaalde lonen en compost zijn goed voor de helft van de kosten. Figuur 31: Structuur van de kosten voor de champignonbedrijven, 2007
Grond- en gebouwenkapitaal 6%
Verkoopkosten 5%
Overige 5%
Berekende lonen 14%
Dekaarde 5% Betaald personeel 24% Compost 26% Energie verwarming 4%
Werk door derden 4% Werktuigkosten 7%
Bron: AMS
Bovenstaande ontwikkelingen resulteerden in een arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht van 32.345 euro, wat overeenkomt met 85% van het vergelijkbaar inkomen voor 2007.
Rentabiliteit aardbeienbedrijven Op de gespecialiseerde aardbeienbedrijven is 83,3% van de opbrengsten afkomstig van de verkoop van aardbeien. De totale opbrengsten per ha cultuurgrond stegen in 2007 met 10% ten opzichte van 2006 (tabel 25).
45
Tabel 25: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, euro per ha, 2001-2007 Totale opbrengsten groenten onder glas waarvan aardbeien onder glas groenten in openlucht waarvan aardbeien in openlucht Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 ₏ kosten Arbeidsinkomen per hectare Arbeidsinkomen per VAK
2001 56.955 30.950 22.513 63.500 -6.545 897 22.724 19.482
2002 61.240 32.364 24.969 65.244 -4.004 939 28.886 25.168
2003 65.000 28.717 30.907 64.082 918 1.014 32.299 29.419
2005 62.751 33.643 19.697 65.383 -2.630 960 25.640 27.110
2006 70.230 39.112 22.110 75.375 -5.145 932 25.830 25.480
2007 77.183 31.846 31.606 32.789 32.653 81.415 -4.232 948 26.944 26.335
Bron: AMS
De middenprijs voor aardbeien op de Belgische veilingen lag hoger in 2007 dan in 2006. Door het warme voorjaarsweer waren veel aardbeien vroeg rijp, wat een grote aanvoer betekende, met een lagere prijs tot gevolg. Vanaf juni was de aanvoer al heel wat minder en herstelde de prijs zich. De gestegen prijs en de goede oogst zorgden voor een stijging van de opbrengst per hectare met 10%. De opbrengsten van de groenten onder glas daalden met 18%, de opbrengsten van groenten in openlucht en onder plastic stegen met 48%. Bij deze groenten onder glas en in openlucht maken aardbeien op de aardbeienbedrijven meer dan 99% van de opbrengsten uit. Figuur 32: Middenprijs aardbeien op Belgische veilingen, 2001-2007 3,5 3 2,5 2 1,5 1 0,5 0 2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Bron: VBT
De totale kosten per ha zijn met 8,0% gestegen. De stijging was algemeen, in absolute cijfers waren de stijging bij de overige onkosten en de kost voor het plantgoed het belangrijkste. De overige kosten bestaan vooral uit kosten voor krachtvoeders, wat de stijging verklaart. Ook het betaald personeel zorgde voor een grote stijging. De kost voor loonwerk steeg met bijna 50%, maar doordat deze kost slechts 1% van de totale kost uitmaakt is de impact van deze stijging miniem. In figuur 33 wordt de verdeling van de kosten weergegeven. Hieruit blijkt dat de kosten voor lonen (berekende en betaalde) 38% innemen.
46
Figuur 33: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, 2007
Directe kosten teelten 3%
Overige onkosten 12%
Verkoopkosten 4% Grond- en gebouw enkapitaal 16% Overige materialen 2% Zaai- en plantgoed 10% Energie verw arming 5%
Berekende lonen 24%
Betaald personeel 14% Werk door derden 1% Werktuigkosten 6% Bestrijdingsmiddelen 2% Meststoffen 1%
Bron: AMS
Per ha uitgedrukt, bleef het inkomen redelijk stabiel. Het arbeidsinkomen per VAK stijgt met 3,4% tot 69% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 3,42 arbeidskrachten op de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, waarvan 1,65 familiale.
Rentabiliteit groente- en aardbeienbedrijven: samenvattend overzicht Gemiddeld voor alle groente- en aardbeienbedrijven noteert men in 2007 een daling van de opbrengsten per are cultuurgrond met 7% tegenover 2006. Deze daling is volledig toe te schrijven aan de teelten onder glas. De teelten in openlucht tekenden een stijging op van 7%. Figuur 34 geeft de structuur van de opbrengsten weer. Hieruit blijkt dat op een gemiddeld groentebedrijf 66% van de opbrengsten afkomstig is van teelten onder glas. In 2006 was dit nog 70%.
47
Figuur 34: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2007 Overige 4%
Teelten in open lucht 30%
Teelten onder glas 66%
Bron: AMS
De kosten daalden ook, maar minder sterk (-4%). Uit de verdeling van de kosten volgens oorsprong (figuur 35) blijkt dat de belangrijkste kosten die voor lonen (36%), grond- en gebouwenkapitaal (15%) en verwarming (11%) zijn. De kosten voor grond- en gebouwenkapitaal en de werktuigkosten worden belangrijker. Dit duidt op investeringen in de tuinbouwbedrijven. Figuur 35: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2007 Directe kosten teelten Overige onkosten 4% 3% Verkoopkosten 4% Grond- en gebouw enkapitaal 15%
Berekende lonen 24% Betaald per soneel 12% Werk door derden 1%
Overige materialen 2% Zaai- en plantgoed 9% Energie verw arming 11%
Werktuigkosten 9% Meststoffen Bestrijdingsmiddelen 4% 2%
Bron: AMS
Per are uitgedrukt is het arbeidsinkomen afgenomen met 12%. Het arbeidsinkomen per VAK is minder sterk gedaald door de grotere oppervlakte per VAK. Het inkomen bereikte 64% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 3,31 arbeidskrachten op de gespecialiseerde groentebedrijven, waarvan 1,84 familiale.
48
Tabel 26: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven, 2001-2007 Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal VAK Rentabiliteit Opbrengsten/are cultuurgrond teelten onder glas teelten in openlucht overige Totale opbrengsten Kosten/are cultuurgrond zaai- en plantgoed bestrijdingsmiddelen meststoffen energie voor verwarming werktuigkosten overige materialen kosten van grond- en gebouwenkapitaal verkoopkosten directe kosten teelten berekende lonen betaald personeel werk door derden algemene onkosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat euro/are cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen (in euro per VAK) Arbeidsinkomen (in euro per are cultuurgrond)
2001 -
2002 -
2003 -
2005 5,7 3,22
2006 5,3 3,25
2007 5,7 3,31
379 136 3 518
367 139 5 511
405 119 6 543
322 111 15 448
358 132 20 510
317 141 18 476
49 12 26 67 30 13 76 22 12 133 73 8 20 541 -23 957 25.675 183
48 12 27 54 31 14 80 22 12 135 73 9 21 538 -27 950 26.749 181
48 12 26 60 31 12 77 23 15 131 72 9 21 537 6 1011 32.094 209
42 9 18 59 38 9 67 19 14 121 64 7 19 486 -39 921 26.116 146
45 11 20 73 46 10 78 21 16 137 69 8 24 558 -48 913 25.699 158
45 10 21 57 47 10 83 21 14 131 66 8 22 534 -58 892 24.096 139
Bron: AMS
49
6. De fruitsector (exclusief de aardbeiensector) 6.1. Structurele kenmerken In 2007 telt de Vlaamse fruitsector 866 gespecialiseerde fruitbedrijven met beroepsmatig karakter of een daling met 1% tegenover 2006 (tabel 27). Van hun oppervlakte cultuurgrond is 85% bestemd voor fruit. De appelen en peren nemen de grootste oppervlakte voor hun rekening en zijn samen goed voor ruim 93% van de oppervlakte fruit. Het gemiddeld areaal peren per bedrijf neemt verder toe ten nadele van het areaal appelen. Voor de eerste maal is de gemiddelde oppervlakte peren hoger dan de gemiddelde oppervlakte appelen. Tabel 27: Structuur van de gespecialiseerde fruitbedrijven, 2001, 2005 - 2007 Aantal bedrijven Oppervlakte fruit per bedrijf (in ha) (1) waarvan appelen peren Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (in ha) (1)
2001 998 12,6 56,50% 37,50% 14,9
2005 896 14,3 49,70% 43,30% 16,7
2006 874 14,4 47,80% 44,50% 17,1
2007 866 14,8 46,17% 46,48% 17,4
exclusief aardbeien
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
De gemiddelde oppervlakte van de bedrijven is licht gestegen ten opzichte van 2006. Er is een grote spreiding tussen de bedrijven onderling (figuur 36). Ongeveer de helft van de totale oppervlakte fruit zit geconcentreerd bij 34% van de bedrijven. De helft van de bedrijven heeft ongeveer 70% van de totale oppervlakte ter beschikking. Figuur 36: Verdeling volgens grootteklasse, 2007 30%
20%
10%
0% <5
5-10
10-15
15-20
aantal bedrijven
20-25
25-30
≼30
opp fruit (hectare)
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Departement Landbouw en Visserij
50
6.2. Rentabiliteit De analyse van de financiĂŤle bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudgegevens van 59 gespecialiseerde fruitbedrijven, die gemiddeld 17,3 ha cultuurgrond bezitten. De opbrengsten uit fruit (zonder aardbeien) maken bij de gespecialiseerde fruitbedrijven bijna 96% van de totale opbrengsten uit (tabel 29). De totale opbrengsten zijn de hoogste in de beschouwde periode. Ze stijgen met 28% tegenover 2006. De stijging is volledig te danken aan de stijging van de opbrengsten uit fruit. De totale kosten per hectare zijn met 8% gestegen in vergelijking met 2006. De toename van de energiekost (+25%) en de directe kosten aan de teelten (+31%) zijn procentueel het grootst, maar in absolute cijfers zijn de lonen van het betaalde personeel verantwoordelijk voor de grootste stijging (+17%). In figuur 37 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Hieruit blijkt dat de lonen (berekende + betaalde lonen) en de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal de voornaamste kosten zijn. Zij zijn samen verantwoordelijk voor bijna twee derde van de totale kosten. Figuur 37: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde fruitbedrijven (zonder aardbeienbedrijven), 2007
Verkoopkosten 7%
Directe kosten teelten 5%
Overige 3%
Berekende lonen 22%
Grond- en gebouw enkapitaal 18% Betaald personeel 23%
Meststoffen 1% Bestrijdingsmiddelen 7%
Werktuigkosten 12%
Werk door derden 2%
Bron: AMS
Bovenstaande ontwikkelingen resulteren in 2007 in een sterke stijging van het arbeidsinkomen per VAK ten opzichte van 2006 (+51%), wat neerkomt op 121% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 4,12 arbeidskrachten op de gespecialiseerde fruitbedrijven, waarvan 1,53 familiale arbeidskrachten. De bedrijfsresultaten zijn echter afhankelijk van het aandeel van de diverse soorten fruit in het teeltplan. De belangrijkste fruitrassen in Vlaanderen zijn appelen en peren. Het is daarom interessant om deze bedrijfstakken afzonderlijk te beschouwen (tabel 28). De gemiddeld ontvangen prijs voor appelen en peren was een stuk hoger dan in 2006. Er was een goede oogst, en in het buitenland had men te kampen met mislukte teelten door extreme weersomstandigheden tijdens de bloei. De variabele kosten stegen zowel bij de appelen als bij
51
de peren. De stijging van de variabele kosten was minder belangrijk dan de stijging van de opbrengsten. Dit resulteerde in een toename van het bruto saldo voor de appelen en de peren. Het bruto saldo voor de peren stijgt opnieuw boven dat van de appelen. Tabel 28: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken appelen en peren, 2005 – 2007 1. Appelen
Opbrengst (in euro/are) Ontvangen prijs (in euro/kg) Variabele kosten (in euro/are) Bruto saldo (in euro/are)
2005 127,4 0,336 38,1 89,3
2006 166,4 0,381 41,3 125,1
2007 212,8 0,444 45,3 167,5
2005 184,5 0,626 34,1 150,4
2006 161,6 0,475 40,2 121,4
2007 228,1 0,611 47,6 180,5
2. Peren
Opbrengst (in euro/are) Ontvangen prijs (in euro/kg) Variabele kosten (in euro/are) Bruto saldo (in euro/are) Bron: AMS
Bij de variabele kosten voor appelen en peren (figuur 38) maken de bestrijdingsmiddelen en de verkoopkosten de hoofdbrok uit. Samen zijn ze goed voor meer dan de helft van de variabele kosten. Bij de overige kosten zitten vooral directe kosten aan teelten. Figuur 38: Structuur van de variabele kosten voor de productie van fruitgewassen, 2007 1. appelen overige 21%
meststoffen 5%
bestrijdingsmiddelen 25% werk door derden 7%
energie 16%
verkoopkosten 26%
52
2. peren overige 20%
meststoffen 7%
bestrijdingsmiddelen 26% werk door derden 6%
energie 15%
verkoopkosten 26%
Bron: AMS
53
Tabel 29: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (excl. aardbeien), 2001-2007 Referentieoppervlakte (ha) Aantal VAK Opbrengsten/ha cultuurgrond fruit andere teelten overige Totale opbrengsten Kosten/ha cultuurgrond zaai- en plantgoed bestrijdingsmiddelen meststoffen werktuigkosten overige materialen kosten van grond- en gebouwenkapitaal verkoopkosten directe kosten teelten algemene onkosten arbeid bedrijfsleider + gezinsleden betaald personeel werk door derden Totale kosten Netto bedrijfsresultaat euro/ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen (in euro per VAK) Arbeidsinkomen (in euro per ha cultuurgrond)
2001 13,38 2,6
2002 13,41 2,8
2003 13,53 2,9
2005 16,3 3,6
2006 16,9 3,9
2007 17,3 4,1
10.384 245 897 11.526
11.975 334 1.069 13.378
12.530 474 897 13.901
14.026 380 414 14.820
15.360 312 370 16.041
19.743 292 545 20.580
11 751 130 1.241 16 2.832 770 305 537 3.256 2.046 410 12.305 -779 937 23.304 4.523
4 819 175 1.258 11 3.079 854 331 580 3.494 2.323 363 13.291 87 1.007 28.799 5.904
21 883 186 1.306 21 3.148 906 325 544 3.556 2.674 334 13.904 -3 1.000 29.131 6.227
47 934 226 1.748 15 3.061 942 536 463 3.737 2.953 277 14.939 -120 992 29.674 6.571
31 1.072 261 1.813 20 3.176 1.066 683 452 3.738 3.263 379 15.954 87 1.005 30.448 7.088
26 1.159 254 2.053 23 3.106 1.232 897 541 3.689 3.828 353 17.160 3.420 1.199 46.072 10.937
Bron: AMS
54
7. De sierteeltsector (exclusief boomkwekerij) 2 7.1. Structurele kenmerken In Vlaanderen zijn er in 2007 890 gespecialiseerde sierteeltbedrijven met beroepsmatig karakter of een daling met 6% ten opzichte van 2006 (tabel 30). De daling is merkbaar bij alle bedrijfstypes, maar is het minst sterk bij de azaleabedrijven. Tabel 30: Structuur van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij), 2001-2007 -
Aantal bedrijven
Oppervlakte sierteelt per bedrijf (in ha) (1)
Oppervlakte cultuurgrond per bedrijf (in ha)
2001 2005 2006 2007 2001 2005 2006 2007 2001 2005 2006 2007
Gespecialiseerde potplantenbedrijven 340 287 260 240 0,83 1,09 1,08 1,18 1,50 1,84 1,79 1,80
Gespecialiseerde azaleabedrijven 229 192 164 162 1,60 1,85 2,10 2,29 1,99 2,46 2,62 2,79
Gespecialiseerde snijbloemenbedrijven 224 168 154 142 0,63 0,75 0,82 0,97 1,71 2,11 2,14 2,01
Gespecialiseerde sierteeltbedrijven 1.247 1.011 948 890 1,23 1,46 1,48 1,52 2,10 2,92 2,93 3,21
(1)
de oppervlakte die in aanmerking wordt genomen is afhankelijk van de specialisatie: oppervlakte potplanten, azalea's en snijbloemen voor respectievelijk de gespecialiseerde potplanten-, azalea- en snijbloemenbedrijven.
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
Sierteelt komt zowel in openlucht als onder beschutting voor. Voor de gespecialiseerde potplantenbedrijven is ongeveer 54% van de oppervlakte sierteelt onder glas, voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven is dit 52% van de oppervlakte. Voor de azaleabedrijven is de oppervlakte onder glas net niet de helft van de oppervlakte sierteelt (49%). Alle sierteeltbedrijven samen hebben ongeveer 60% van hun oppervlakte sierteelt in openlucht en 40% onder glas. De gemiddelde oppervlakte van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven is sterk gestegen tegenover 2006 (+10%), het aandeel sierteelt daalt van 50% van de cultuuroppervlakte in 2006 tot 47% van de cultuuroppervlakte in 2007. De bedrijfsgrootte varieert sterk van bedrijf tot bedrijf (figuur 39). Zo zit bij de azaleabedrijven 51% van de totale oppervlakte azalea’s bij de 24% grootste bedrijven, en betelen de 50% kleinste potplantbedrijven slechts 11,5% van de totale oppervlakte potplanten. Bij snijbloemenbedrijven betelen de 22% grootste bedrijven 55% van de oppervlakte snijbloemen.
2
Bij gebrek aan voldoende bedrijven in het LMN van een aantal bedrijfstypes (o.a. boomkwekerij) worden deze types niet opgenomen in de referentiepopulatie. Voor meer details wordt verwezen naar de paragraaf ‘wegingssysteem’ in de methodologische toelichting.
55
Figuur 39: Verdeling van de sierteeltbedrijven per grootteklasse, 2007 1. potplantenbedrijven 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% <50
50-100
100-150
aantal bedrijven
150-200
200-400
≥400
oppervlakte potplanten (in are)
2. azaleabedrijven 40%
30%
20%
10%
0% <100
100-200
200-300
300-400
aantal bedrijven
oppervlakte azalea (in are)
40-60
60-80
≥400
3. snijbloemenbedrijven 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% <40
aantal bedrijven
80-100
≥100
oppervlakte snijbloemen (in are)
Bron: eigen berekeningen, FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
56
7.2. Rentabiliteit De analyse van de financiĂŤle resultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 75 gespecialiseerde sierteeltbedrijven.
Rentabiliteit potplantenbedrijven De gespecialiseerde potplantenbedrijven in het LMN bewerken gemiddeld 1,29 ha, waarvan 1,19 ha potplanten, ofwel 92%. Van de opbrengsten is 89% afkomstig van de verkoop van potplanten (tabel 31). Tabel 31: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde potplantenbedrijven, euro per are, 2001-2007 Totale opbrengsten waarvan potplanten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK
2001 3.289 2.600 3.331 -42 987 1.090 31.837
2002 3.605 2.487 3.641 -36 990 1.167 34.078
2003 3.444 2.281 3.540 -96 973 1.076 35.105
2005 2.941 2.342 3.120 -179 943 813 30.377
2006 2.662 2.270 2.904 -242 917 718 29.115
2007 3.003 2.686 3.067 -64 979 797 34.052
Bron: AMS
De opbrengsten herstelden zich na een dip in 2006. De potplanten brachten gemiddeld 15% meer op, de totale opbrengsten stegen met 11%. De stijging van de opbrengsten ging gepaard met een lichtere stijging van de kosten. De totale kosten stegen met 5%. In figuur 40 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Hieruit blijkt dat de grootste kostenposten de lonen (berekend en betaald), het zaad- en plantgoed en de kosten van grond- en gebouwenkapitaal zijn. Deze kosten zijn samen goed voor 60% van de totale kost.
57
Figuur 40: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde potplantenbedrijven, 2007 Directe kosten teelten 5% Verkoopkosten 3%
Overige 6%
Berekende lonen 14%
Betaald personeel 14%
Grond- en gebouw enkapitaal 14%
Werk door derden 2% Overige materialen 9%
Werktuigkosten 7% Energie voor verw arming 8%
Zaai- en plantgoed 18%
Bron: AMS
De totale opbrengsten zijn niet toereikend om de totale kosten te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Zowel het netto bedrijfsresultaat als de opbrengsten per 1.000 euro kosten zijn gestegen in 2007 tegenover 2006. Het arbeidsinkomen is toegenomen. Per are stijgt dit met 10%, per volwaardige arbeidskracht stijgt het met 15% tot 34.052 euro, of 90% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 3,03 volwaardige arbeidskrachten op de gespecialiseerde potplantenbedrijven, waarvan 1,37 familiale arbeidskrachten.
Rentabiliteit azaleabedrijven De opbrengsten uit azalea’s maken bij de gespecialiseerde azaleabedrijven 85% uit van de totale opbrengsten (tabel 32). Gemiddeld bewerken zij 1,89 ha. De totale opbrengsten zijn ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van de vorige jaren. Het prijzenpeil voor azalea’s daalde in 2007 licht ten opzichte van 2006. De overige opbrengsten op de azaleabedrijven stegen aanzienlijk. Gezien hun geringe aandeel in de totale opbrengsten is de impact hiervan beperkt. Tabel 32: Structuur van de opbrengsten voor gespecialiseerde azaleabedrijven, euro per are, 2001-2007 Totale opbrengsten waarvan azalea’s Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK
2001 1.143 1.098 1.180 -37 969 414 30.787
2002 1.157 1.085 1.165 -8 993 419 32.334
2003 1.089 991 1.216 -127 896 341 24.892
2005 1.179 1.037 1.291 -110 914 364 27.332
2006 1.158 1.043 1.243 -84 932 395 31.172
2007 1.138 966 1.240 -102 918 400 31.130
Bron: AMS
58
De totale kosten per are zijn de laatste jaren constant gebleven. Nochtans zijn de verkoopkosten, de werktuigkosten en de loonkosten sterk gestegen. De grootste besparingen zijn gerealiseerd op de grondstoffen (energie voor verwarming en zaai- en pootgoed). In figuur 41 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Hieruit blijkt dat de lonen (betaald en berekend), werktuigkosten en de kost van grond- en gebouwenkapitaal de voornaamste kosten zijn, goed voor ruim twee derde van de totale kost. Figuur 41: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde azaleabedrijven, 2007 Directe kosten teelten 5%
Overige 6%
Verkoopkosten 4%
Grond- en gebouw enkapitaal 17%
Berekende lonen 33%
Betaald personeel 8%
Overige materialen 6% Zaad- en plantgoed 3%
Werktuigkosten 10%
Energie voor verw arming Bestrijdingsmiddelen 6% 2%
Bron: AMS
Ook voor de gespecialiseerde azaleabedrijven zijn de totale opbrengsten niet toereikend om de totale kosten te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het arbeidsinkomen per are is constant gebleven en komt nu op 400 euro. Uitgedrukt per volwaardige arbeidskracht, betekent dit 31.130 euro of 82% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 2,42 arbeidskrachten op de gespecialiseerde azaleabedrijven, waarvan gemiddeld 1,84 familiale arbeidskrachten.
Rentabiliteit snijbloemenbedrijven De snijbloemenbedrijven in het LMN beschikken gemiddeld over 0,90 ha cultuurgrond. De opbrengsten uit snijbloemen maken op deze bedrijven 88% uit van de totale opbrengsten (tabel 33). De totale opbrengsten per are zijn met 16% toegenomen tegenover 2006. De stijging bij de opbrengst uit snijbloemen is redelijk groot (+12%), maar de grootste stijging zit bij de overige opbrengsten.
59
Tabel 33: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 2001-2007 Totale opbrengsten waarvan snijbloemen Totale kosten Netto bedrijfsresultaat Opbrengsten per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per are Arbeidsinkomen per VAK
2001 2.361 2.272 2.949 -588 801 509 16.002
2002 2.659 2.484 3.200 -541 831 659 19.782
2003 2.638 2.526 3.272 -634 806 545 17.350
2005 2.464 2.277 3.091 -627 797 528 17.813
2006 2.330 2.130 3.031 -701 769 467 15.884
2007 2.710 2.394 3.689 -979 735 237 7.311
Bron: AMS
De kosten stegen in 2007 sterk tegenover 2006. De grootste stijgers zijn de grondstoffen. Zowel bestrijdingsmiddelen, zaai- en plantgoed, meststoffen als verwarmingsenergie stijgen in kostprijs per are. In figuur 42 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Opvallend zijn het grote aandeel van de kosten voor de berekende lonen, de energie voor verwarming en de kost voor grond- en gebouwenkapitaal. Figuur 42: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 2007
Verkoopkosten 5%
Overige 10%
Berekende lonen 28%
Grond- en gebouw enkapitaal 17% Betaald personeel 6% Zaai- en plantgoed 6%
Werktuigkosten 9% Energie voor verw arming 19%
Bron: AMS
Het arbeidsinkomen per are is met 237 euro/are fors lager dan in 2006. Het arbeidsinkomen per VAK daalt ook, tot 7.311 euro/VAK, 20% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 2,91 arbeidskrachten op de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, waarvan 2,03 familiale arbeidskrachten.
60
Rentabiliteit sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij): samenvattend overzicht In tabel 34 worden de resultaten weergegeven van 2005 tot 2007. Cijfers van voorgaande jaren waren niet beschikbaar omdat de statistieken van het voormalige CLE inclusief de boomkwekerij zijn, zodat ze niet vergelijkbaar zijn. Figuur 43 geeft de structuur van de opbrengsten en kosten weer. Hieruit blijkt dat op een gemiddeld sierteeltbedrijf meer dan 70% van de opbrengsten afkomstig zijn van teelten onder glas. De totale opbrengsten stegen in 2007 met 22% ten opzichte van 2006. Figuur 43: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2007 Overige 2% Teelten in openlucht 27%
Teelten onder glas 71%
Bron: AMS
De belangrijkste kosten zijn deze voor lonen (betaald en berekend), grond- en gebouwenkapitaal, zaad en plantgoed. Zij maken samen bijna twee derde uit van de totale kosten (figuur 44). Figuur 44: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2007 Algemene onkosten 4% Werk door derden 1% Betaald personeel 10%
Berekende lonen 23% Directe kosten teelten 4% Verkoopkosten 3%
Zaai- en plantgoed 14%
Bestrijdingsmiddelen 1% Meststoffen 1%
Energie voor verw arming 9% Werktuigkosten 8% Overige materialen 7% Grond- en gebouw enkapitaal 15%
Bron: AMS
61
De totale opbrengsten zijn, ondanks de sterke stijging, niet toereikend om de totale kosten te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het gemiddeld arbeidsinkomen per VAK daalde met 8% bij de sierteeltbedrijven en bedraagt in 2007 21.379 euro of 56% van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 2,66 arbeidskrachten op de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, waarvan 1,67 familiale.
62
Tabel 34: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2005-2007 Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal VAK Rentabiliteit Opbrengsten/are cultuurgrond teelten onder glas teelten in openlucht overige Totale opbrengsten Kosten/are cultuurgrond zaai- en plantgoed bestrijdingsmiddelen meststoffen energie voor verwarming werktuigkosten overige materialen grond- en gebouwenkapitaal verkoopkosten directe kosten teelten berekende lonen betaald personeel werk door derden algemene onkosten Totale kosten Netto bedrijfsresultaat euro/are cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen (in euro per VAK) Arbeidsinkomen (in euro per are cultuurgrond)
2005 1,4 2,66
2006 1,4 2,47
2007 1,4 2,66
1.136 529 78 1.743
1.017 516 57 1.589
1.372 523 37 1.932
233 25 20 190 144 135 271 79 70 498 205 24 133 2.027 -284 860 21.906 420
227 20 20 189 163 100 258 65 62 484 175 19 64 1.848 -259 860 23.112 400
317 28 28 209 176 154 338 77 84 503 224 22 85 2.244 -313 861 21.379 414
Bron: AMS
63
8. Samenvattend overzicht
8.1. Landbouw Gemiddeld voor alle landbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2007 gedaald ten opzichte van 2006. Het familiaal arbeidsinkomen per FAK daalt met 15% (figuur 45) en bedraagt 67,3% van het vergelijkbaar inkomen. Figuur 45: Evolutie van familiaal arbeidsinkomen voor het landbouwbedrijf, euro per FAK, 2001-2007 40.000
30.000
20.000
10.000
0 2001
2002
2003
2005
2006
2007
Bron: AMS
De opbrengsten per hectare zijn gestegen met 8,3% wat vooral toe te schrijven is aan de inkomsten uit de marktbare gewassen (+20,1%) en de opbrengsten uit rundvee en voedergewassen (+35,7%). Bij de marktbare gewassen lagen de goede prijzen van tarwe aan de basis. Door de uitzonderlijke omstandigheden wereldwijd was het aanbod van tarwe op de wereldmarkt kleiner dan normaal. De verhoging bij bedrijfstak rundvee en voedergewassen is vooral te danken aan de betere prijzen voor de voedergewassen. Aan kostenzijde noteerde men eveneens een verhoging van de totale kosten per hectare (+9,5%). De variabele kosten (+17,2%) stegen sterker dan de vaste (+2,6%). Het meest opvallende in 2007 was de stijging met 23,3% van de kosten voor veevoeders (in navolging van de krapte op de graanmarkt). Zaai- en pootgoed (+19%) en bestrijdingsmiddelen (+22%) stegen ook opvallend sterk ten opzichte van vorig jaar. Bij de vaste kosten stegen de rentekosten op grond, gebouwen en quota (+13,2%) en de werktuigkosten (+9,4%) het sterkst. De inkomensverdeling is sterk heterogeen tussen alle geanalyseerde sectoren. Figuur 46 geeft een overzicht van het bedrijfsinkomen voor alle productierichtingen ten opzichte van het gemiddeld inkomen in de Vlaamse landbouw. Terwijl de varkens in 2006 nog het sterkste resultaat neerzetten, werden ze in 2007 de zwakste sector. De vleesveesector komt opnieuw als weinig rendabele bedrijfstak naar voren. De melkveesector heeft in 2007 een sterk resultaat neergezet met als resultaat het hoogste bedrijfsinkomen per familiale arbeidskracht. De hoge prijzen voor tarwe zorgden ervoor dat de akkerbouw ook hoger dan gemiddeld scoorde.
64
Figuur 46: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2007
Varkens
Vleesvee
Melkvee sterk gespecialiseerd
Akkerbouw
-40%
-30%
-20%
-10%
0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
Bron: AMS
65
Tabel 35: Overzicht bedrijfsresultaten van de landbouwsector, 2001-2007 1. Evolutie 2001-2007 Aantal bedrijven Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal VAK Aantal FAK Netto bedrijfsresultaat/ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen/ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen/ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK
2001 480 30,95 1,51 1,49 -320 945 1.327 27.564 -
2002 472 31,57 1,50 1,48 -915 844 783 16.702 -
2003 453 31,59 1,49 1,47 -827 862 899 19.319 -
2005 416 36,2 1,61 1,58 -417 928 1.180 27.087 1.427 32.774
2006 418 36,9 1,61 1,57 -325 946 1.272 29.973 1.555 36.651
2007 434 38,2 1,76 1,72 -424 936 1.144 25.517 1.462 32.599
2. Resultaten per productierichting
Aantal bedrijven Oppervlakte cultuurgrond (ha) Aantal FAK Netto bedrijfsresultaat per ha cultuurgrond Opbrengst per 1.000 euro kosten Familiaal arbeidsinkomen per ha cultuurgrond Familiaal arbeidsinkomen per FAK Bedrijfsinkomen per ha cultuurgrond Bedrijfsinkomen per FAK
Akkerbouw
Melkvee sterk gespecialiseerd
Vleesvee
Varkens
Totaal landbouw
59 48,9 1,36
91 37,0 1,53
31 43,2 1,38
65 17,9 1,46
434 38,2 1,72
26 1.007 936 33.686 1.114 40.107
161 1.031 1.827 44.180 2.104 50.881
-799 805 411 12.794 711 22.149
919 14.375 21.521
-424 936 1.144 25.517 1.462 32.599
Bron: AMS
66
8.2. Tuinbouw Gemiddeld voor alle tuinbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2007 sterk toegenomen ten opzichte van 2006 (figuur 47). Het arbeidsinkomen per VAK bedraagt in 2007 29.827 euro (79% van het vergelijkbaar inkomen), een stijging van 12%, wat resulteerde uit een daling bij de groentebedrijven (-6%) en de sierteeltbedrijven (-8%) en een zeer sterke stijging bij de fruitbedrijven (+51%). Figuur 47: Evolutie van het arbeidsinkomen voor het tuinbouwbedrijf (euro per VAK), 2001-2007 30.000
20.000
10.000
0 2001
2002
2003
2005
2006
2007
Bron: AMS
Een vergelijking van de diverse sectoren ten opzichte van het gemiddelde Vlaamse bedrijfsinkomen in de tuinbouw wordt weergegeven in figuur 48. Hieruit blijkt het uitzonderlijk sterke resultaat van de fruitsector en de zwakke inkomenspositie van de snijbloemenbedrijven, en in mindere mate de glasgroenten in 2007. Figuur 48: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2007 champignons aardbeien glasgroenten groenten open lucht potplanten azalea's snijbloemen fruit 0% 13
0% 11
% 90
% 70
% 50
% 30
% 10
0% -1
0% -3
0% -5
0% -7
0% -9
Bron: AMS
67
Tabel 36: Evolutie bedrijfsresultaten van de tuinbouwsector, 2001-2007 2001* 288 5,5 2,73 -2.200 943 12.700 25.285
Aantal bedrijven in steekproef Referentieoppervlakte (ha) Aantal VAK Netto bedrijfsresultaat/ha Opbrengst per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen/ha Arbeidsinkomen per VAK * : inclusief boomkwekerijbedrijven
2002* 274 5,4 2,62 -1.900 952 13.500 27.537
2003* 262 5,5 2,82 -1.200 971 14.800 29.572
2005 235 7,0 3,17 -3.144 919 11.860 26.138
2006 234 6,9 3,21 -3.212 921 12.271 26.514
2007 258 7,4 3,34 -1.964 953 13.606 29.827
Tabel 37: Overzicht bedrijfsresultaten tuinbouwsector per deelsector, 2007 bedrijfsresultaten Aantal bedrijven in steekproef Referentieoppervlakte (ha) Aantal VAK Aantal FAK Netto bedrijfsresultaat per ha referentieoppervlakte Opbrengst per 1.000 euro kosten Arbeidsinkomen per referentieoppervlakte (euro/ha) Arbeidsinkomen per VAK (euro/VAK) Familiaal arbeidsinkomen per referentieoppervlakte (euro/ha) Familiaal arbeidsinkomen per FAK (euro/FAK) Bedrijfsinkomen per referentieoppervlakte (euro/ha) Bedrijfsinkomen per FAK (euro/FAK)
Groenten
Fruit
124 5,74 3,31 1,84 -5.791 892 13.872 24.096 7.316 22.785 9.269 28.865
59 17,49 4,12 1,53 3.420 1.199 10.937 46.072 7.109 81.134 8.146 92.960
Niet-eetbare tuinbouwproducten 75 1,37 2,66 1,67 -31.288 861 41.383 21.379 18.969 15.603 28.023 23.051
Tuinbouw 258 7,41 3,34 1,73 -1.964 953 13.606 29.827 7.778 33.235 9.475 40.486
Bron: AMS
68
Bijlagen Bijlage 1: Methodologische toelichting Waarnemingsveld Het waarnemingsveld omvat alle Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven die bij de meitelling door de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie geteld zijn en een beroepsmatig karakter hebben (d.w.z. een economische omvang van minstens 4 SGE 3 ). Zowel de bedrijven waarvan het bedrijfshoofd een natuurlijk persoon is als bedrijven met een rechtspersoon aan het hoofd komen in aanmerking. De bedrijven zonder landbouwproductie (aannemers voor landbouwwerken en de coöperatieven voor gemeenschappelijk gebruik van landbouwmachines) en de openbare instellingen (onderzoeksinstellingen, onderwijsinstellingen, enz.) met landbouwproductie behoren echter niet tot het waarnemingsveld. Voor de berekening van de rentabiliteit werd de populatie beperkt tot 120 SGE gezien de moeilijkheid om de bedrijven van een heel grote dimensie te vertegenwoordigen. De referentiepopulatie telt in 2007 15.200 landbouwbedrijven en 3.750 tuinbouwbedrijven 4 .
Steekproef De resultaten 2007, die in dit verslag worden opgenomen, zijn afkomstig van respectievelijk 428 en 229 Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven met een economische omvang van 4 tot 120 SGE, waarvan de resultaten als normaal kunnen worden beschouwd. De samenstelling van de steekproef is gebaseerd op het plan van steekproeftrekking. In dit plan van steekproeftrekking wordt berekend hoeveel bedrijven er van elk bedrijfstype en van elke klasse van economische bedrijfsomvang nodig zijn per landbouwstreek om voor ieder bedrijfstype het inkomen met dezelfde graad van nauwkeurigheid te kunnen schatten. Voor de tuinbouw wordt er geen opdeling gemaakt per landbouwstreek, enkel per bedrijfstype en dimensieklasse. De basisperiode voor het bijhouden van deze boekhoudingen valt samen met het kalenderjaar (1 januari – 31 december).
3
Een standaardgrootte-eenheid is een eenheid om de economische bedrijfsomvang van een onderneming te meten. Een SGE is gelijk aan 5.755 euro bruto standaardsaldo “2002” (gemiddelde 2000 tot en met 2004) en 5.380 euro bruto standaardsaldo “2000”. Voor meer details over de bruto standaardsaldi wordt verwezen naar de publicatie: R. Debecker, E. Demuynck, Vlaamse brutostandaardsaldi voor de gewassen en de veehouderij (2000-2004), AMS, Brussel, 64 p. 4
Bij gebrek aan voldoende bedrijven in het LMN van een aantal bedrijfstypes, worden deze types niet opgenomen in de referentiepopulatie (zie wegingssysteem). De bedrijfstypologie werd berekend op basis van BSS 2000 naar analogie met de steekproef van het LMN.
69
Wegingssysteem - weging resultaten landbouwbedrijven Een systeem van weging, op basis van typologie, landbouwstreek en grootteklasse, wordt toegepast op de resultaten van de boekhoudingen, waarbij de waargenomen waarden worden geĂŤxtrapoleerd naar de verschillende groepen van de betrokken landbouwers van het waarnemingsveld. Om het wegingssysteem te kunnen toepassen, worden de bedrijven van de steekproef en van de referentiepopulatie verdeeld in een aantal cellen. Daarbij worden de bedrijven ingedeeld in 5 streken, 8 bedrijfstypes en 3 klassen van economische bedrijfsomvang. Tenzij anders vermeld zijn de gegevens die in dit rapport voorkomen voor een agglomeraat van bedrijven verkregen door weging van de berekende gemiddelde steekproefwaarde in de verschillende cellen van dit agglomeraat (streek x bedrijfstype x grootteklasse) met het aantal bedrijven die in de referentiepopulatie in deze cellen voorkomen. Indien het gaat over de verhouding tussen twee gegevens (opbrengst per hectare cultuurgrond, enz.), dan betreft het de deling van de gewogen gemiddelde waarde van de teller door de gewogen gemiddelde waarde van de noemer. De 5 bestudeerde landbouwstreken zijn: Polders en Duinen, Zandstreek, Kempen (+ Luikse Weidestreek), Zandleemstreek en Leemstreek. De limieten van de drie klassen van economische bedrijfsomvang (uitgedrukt in SGE) zijn: van 4 tot minder dan 15, van 15 tot minder dan 26, van 26 tot minder dan 120. De bedrijfstypes of de productierichtingen (PR) zijn gebaseerd op de communautaire typologie 5 . De bedrijfstypes die voor de weging van de resultaten van de landbouwbedrijven in rekening worden gebracht zijn:
Codes 1 411 412 42 43 501 602 tot 605 71 72 811+812
5
Bedrijfstypes : Gespecialiseerde akkerbouwbedrijven (akkerbouw) : Gespecialiseerde melkveebedrijven (melkvee, sterk gespecialiseerd) : Gespecialiseerde melkveebedrijven met jongvee (melkvee, matig gespecialiseerd) : Gespecialiseerde rundveejong- en mestveebedrijven (mestvee) : Rundveebedrijven : melk, jong- en mestvee gecombineerd (gemengd rundvee) : Gespecialiseerde varkensbedrijven (varkens) : Bedrijven met combinaties van gewassen (combinaties van gewassen) : Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren (combinaties van veeteelt - rundvee) : Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op veredeling (varkens - rundvee) : Bedrijven met combinaties van akkerbouw en melkvee (akkerbouw en melkvee)
De classificatie volgens de productierichting is gebaseerd op een beslissing van de Europese Commissie van 7 juni 1985 houdende de instelling van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, L220, 17 augustus 1985).
70
813+814 82
: Bedrijven met combinaties van akkerbouw met graasdieren andere dan melkvee (akkerbouw en ander rundvee) : Bedrijven met diverse gewassen- en veeteeltcombinaties (akkerbouw en varkens)
Bij gebrek aan voldoende pluimveebedrijven in het LMN (productierichting 502 en 503), worden deze types niet in de analyse opgenomen. Een aantal productierichtingen worden voor de weging bijeengevoegd, zodat er uiteindelijk 8 bedrijfstypes overblijven, namelijk: 1+602 tot en met 605 411 412 42 43+71 501 72+82 811 tot en met 814
Akkerbouw Melk, sterk gespecialiseerd Melk, matig gespecialiseerd Mestvee Gemengd rundvee Varkens Varkens en rundvee of akkerbouw Akkerbouw en rundvee
- weging resultaten tuinbouwbedrijven Het wegingssysteem voor de tuinbouw is een gelijkaardig systeem als dat voor de landbouw, maar er wordt geen opdeling naar landbouwstreek gemaakt. De bedrijven van de steekproef en van de referentiepopulatie worden verdeeld in een aantal cellen. Daarbij worden de bedrijven ingedeeld in 10 bedrijfstypes en 3 klassen van economische bedrijfsomvang.
Een tuinbouwbedrijf wordt gedefinieerd als een bedrijf waar meer dan twee derde van zijn totaal bruto standaardsaldo afkomstig is van tuinbouwteelten. De indeling van de bedrijven gebeurt niet volgens de EU-typologie, maar volgens een classificatiesysteem zoals dit door het CLE werd opgesteld 6 . Men onderscheidt voor de weging volgende types van bedrijven: Groentebedrijven 1. champignons 2. aardbeien 3. gespecialiseerde glasgroenten 4. overige glasgroenten 5. overwegend groenten in openlucht Sierteeltbedrijven 6. potplanten 7. azalea’s 8. snijbloemen 9. overige bloemen Fruitbedrijven 6
Voor meer details wordt verwezen naar de volgende publicatie: D. Van Lierde, N. Taragola, Structuur van de Belgische tuinbouwbedrijven in 1999, CLE-studie A90, Brussel, 205 p. Er werden wel twee wijzigingen doorgevoerd voor de weging: de begoniabedrijven werden onder de overige bloemen geklasseerd en de naam van kasplanten werd vervangen door potplanten.
71
10. fruit Daarnaast bestaan er nog drie andere types, nl. de boomkwekerijbedrijven, de bedrijven met overige blijvende teelten (andere dan gespecialiseerde boomkwekerij- en fruitbedrijven) en de overige tuinbouwbedrijven. Deze types zijn echter niet in de analyse opgenomen omdat ze onvoldoende vertegenwoordigd zijn in de steekproef of een te gemengd karakter hebben. De limieten van de drie klassen van economische bedrijfsomvang (uitgedrukt in SGE) zijn: van 4 tot minder dan 15, van 15 tot minder dan 26, van 26 tot minder dan 120.
Rentabiliteit Het beoordelen van bedrijfsresultaten gebeurt met behulp van een aantal rentabiliteitscriteria. Deze kengetallen zijn gebaseerd op de opbrengsten en de kosten van het bedrijf. De opbrengsten en kosten worden exclusief btw geboekt. Alle kosten of slechts bepaalde kosten van de opbrengsten in mindering brengen, resulteert in andere inkomenscriteria. In wat volgt worden eerst enkele conceptuele en methodologische toelichtingen in verband met opbrengsten en kosten gegeven om daarna een aantal rentabiliteitscriteria te definiĂŤren. - Opbrengsten Landbouw Voor de bepaling van de opbrengsten wordt het bedrijf ingedeeld in 4 bedrijfstakken: marktbare gewassen, rundveehouderij (inclusief graasdieren) en voedergewassen, varkenshouderij, pluimveehouderij en overige. De opbrengsten van een landbouwbedrijf bestaan uit de waarde van de verkochte landbouwproducten, de inventarisverandering van de voorraden, de omzet en aanwas van het vee en de waarde van de marktbare producten van het bedrijf verbruikt in het huishouden of op het bedrijf (als zaaizaad of veevoeder). De ruwvoedergewassen die door het grondgebonden vee (runderen) worden verbruikt, worden niet gewaardeerd omdat zij deel uitmaken van de bedrijfstak rundvee. Wanneer een deel van deze voeders gevoederd wordt aan ander vee dan runderen, dan wordt dit gewaardeerd als een opbrengst van de tak rundveehouderij en als kost voor de andere diersoort. Tuinbouw Bij de tuinbouwboekhoudingen worden de opbrengsten ingedeeld in opbrengsten van tuinbouwteelten en de overige opbrengsten. De opbrengsten van een tuinbouwbedrijf bestaan uit de waarde van de verkopen, verbruiken en voorraadveranderingen van de tuinbouwteelten en de opbrengsten van de landbouw die berekend worden zoals hierboven beschreven. De verdere onderverdeling van de opbrengsten tuinbouwteelten is verschillend naargelang van de sector.
72
De opbrengsten van de landbouw worden steeds in de post overige in rekening gebracht.
- Kosten Het voortbrengen van landbouwproducten vereist de inzet van productiefactoren, nl. arbeid en kapitaal (inclusief grond). De hiermee gepaard gaande kosten worden de factorkosten genoemd. De factorkosten bestaan uit de vergoeding voor de arbeid van bedrijfsleider, gezinsleden en derden en uit de beloning voor het kapitaal (grond- en bedrijfskapitaal). De non-factorkosten omvatten onder meer de kosten voor zaai- en pootgoed, bestrijdingsmiddelen, meststoffen en veevoeder, afschrijvingen, loonwerk en onderhoudskosten. Zowel de factorkosten als non-factorkosten bestaan deels uit betaalde en deels uit aangerekende kosten. De aangerekende kosten bij de factorkosten omvatten de (berekende) vergoeding voor de familiale arbeid en de vergoeding voor kapitaal. Van de non-factorkosten zijn alle afschrijvingen en intern verbruik berekende kosten. Naast de indeling in factor- en non-factorkosten kunnen de kosten ook opgesplitst worden in structurele (vaste) en operationele (variabele) kosten. Kosten van grond, gebouwen, werktuigen en arbeidskrachten houden verband met de structuur van het bedrijf. Deze structurele kosten zijn vast op korte en middellange termijn. Kosten die op korte termijn sterk variĂŤren met de omvang (meststoffen, veevoeders, enz.) worden operationele kosten genoemd. In het schema op volgende bladzijde wordt een vergelijking gemaakt van de indeling in factor- en non-factorkosten met de opsplitsing naar structurele en operationele kosten.
- Rentabiliteitscriteria Voor de analyse van de bedrijfsresultaten bestaat er een waaier aan rentabiliteitscriteria. De definitie van een aantal worden in volgend schema weergegeven. Voor de opstelling van het rentabiliteitsverslag worden het netto bedrijfsresultaat, het (familiaal) arbeidsinkomen en het bedrijfsinkomen berekend. Netto bedrijfsresultaat Het netto bedrijfsresultaat is het verschil van de totale opbrengsten en de totale kosten van het bedrijf en kan positief (winst) of negatief (verlies) zijn. Dit kengetal geeft aan in welke mate de totale opbrengsten al of niet toereikend zijn om alle kosten te dekken. Alle productiefactoren krijgen hierbij een normale vergoeding, dus ook de familiale arbeid en het kapitaal. De vergoeding voor de familiale arbeid omvat enkel een vergoeding voor de handenarbeid van het bedrijfshoofd en de overige gezinsleden. Het ondernemersloon (de vergoeding voor de bedrijfsleiding en ondernemerschap) is echter niet in de kosten begrepen.
73
Netto bedrijfsresultaat
Zaai- en pootgoed Veevoeders
Meststoffen
Operationele of variabele kosten
Bestrijdingsmiddelen
Non-factorkosten
Overige operationele kosten
Kosten grond, gebouwen en werktuigen
Afschrijvingen
T o t a l e o p b r e n g s t e n
Overige structurele kosten
Betaalde lonen A r b e i d
F a c t o r k o s t e n
Vergoeding bedrijfsleider
Vergoeding gezinsleden B e d r i j f s k a p i t a a l
Aangerekende vergoeding bedrijfskapitaal
Betaalde intresten bedrijfskapitaal
S t r u c t u r e l e o f
T o t a l e k o s t e n
v a s t e k o s t e n
Aangerekende pacht G r o n d
Betaalde pacht
74
Het netto bedrijfsresultaat kan dan ook beschouwd worden als de beloning voor het management van de bedrijfsleider. Een ander kengetal waarbij aan alle productiefactoren een normale vergoeding wordt toegerekend, is de opbrengsten per 1.000 euro kosten. Bij een verhouding groter (kleiner) dan 1.000 is het netto bedrijfsresultaat positief (negatief). De opbrengsten-kostenverhouding geeft het relatieve verschil aan tussen opbrengsten en kosten. (Familiaal) arbeidsinkomen Het is duidelijk dat de toegerekende lonen op familiale bedrijven een aanzienlijk deel van de totale kosten vertegenwoordigen. Aangezien deze kosten niet werkelijk betaald worden, is het interessant om naast het bedrijfsresultaat ook het familiaal arbeidsinkomen te berekenen. Het familiaal arbeidsinkomen wordt verkregen door van de totale opbrengsten alle kosten, behalve het toegerekend loon van de familiale arbeidskrachten, in mindering te brengen. Het is de vergoeding van alle familiale arbeid (incl. arbeid bedrijfsleider) vermeerderd met het netto bedrijfsresultaat. Teneinde de eenheidsinkomsten in de landbouw te berekenen, wordt dit criterium uitgedrukt per aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK, zie toelichting tabellen). Het totaal arbeidsinkomen is het familiaal arbeidsinkomen vermeerderd met de betaalde lonen. Dit inkomen wordt uitgedrukt per volwaardige arbeidskracht (VAK, zie toelichting tabellen). Deze indicator maakt het mogelijk om bedrijven te vergelijken die in verschillende mate een beroep doen op betaald personeel. Het familiaal arbeidsinkomen per FAK of arbeidsinkomen per VAK kan vergeleken worden met de rest van de economie. Daartoe wordt dit kengetal vergeleken met het vergelijkbaar inkomen. Dit komt overeen met het gemiddelde bruto salaris van een voltijds tewerkgestelde loontrekkende. Bedrijfsinkomen Het bedrijfsinkomen omvat naast de vergoeding voor de familiale arbeid en het ondernemerschap ook de vergoeding voor de inbreng van eigen kapitaal van de ondernemer. Dit kengetal wordt berekend door het familiaal arbeidsinkomen te vermeerderen met de toegerekende interesten en pachten op het eigen grond- en bedrijfskapitaal. Om de bedrijven te vergelijken wordt dit criterium uitgedrukt per aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK, zie toelichting tabellen).
In het schema op volgende bladzijde worden de diverse rentabiliteitscriteria schematisch weergegeven.
75
Betaalde lonen
Vergoeding gezinsleden Totaal arbeidsinkomen Familiaal arbeidsinkomen
Vergoeding bedrijfsleider Arbeidsinkomen bedrijfsleider
Bedrijfsinkomen
Netto bedrijfsresultaat T o t a l e o p b r e n g s t e n
Aangerekende vergoeding bedrijfs- en grondkapitaal
Afschrijvingen
Betaalde intresten bedrijfskapitaal
Betaalde pacht
Non-factorkosten (excl. afschrijvingen)
76
Bijlage 2: Definities indicatoren Oppervlakte cultuurgrond De oppervlakte cultuurgrond is gelijk aan de beteelde oppervlakte in eigendom of in pacht. Dit is de totale kadastrale oppervlakte van het bedrijf verminderd met de oppervlakte van gebouwen, binnenplaats, wegen, grachten, tuin, bos, enz. Oppervlakte grasland en voedergewassen De oppervlakte grasland heeft betrekking op het tijdelijk en blijvend grasland (inclusief het begraasde gedeelte van boomgaarden en uitloopweide). Grasland als nateelt wordt niet opgenomen. Onder voederteelten verstaat men voederbieten, andere wortel- en knolgewassen, maïs (excl. korrelmaïs), klavers, luzerne en andere voederteelten. Referentieoppervlakte De referentieoppervlakte is voor de champignonbedrijven de totale teeltoppervlakte van de champignonteelt, zijnde het product van de teeltoppervlakte van alle stellingen in één cel, het aantal cellen en het aantal teelten tijdens het boekjaar. Voor de andere bedrijven is dit de beteelde oppervlakte tijdens het boekjaar. Aantal melkkoeien Het aantal melkkoeien geeft het gemiddeld aantal aanwezige melkkoeien in eigendom weer. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal grootvee-eenheden rundvee (GVER) Dit cijfer geeft het gemiddeld aantal aanwezige grootvee-eenheden rundvee in eigendom weer. Het aantal GVER wordt geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Het aantal GVER wordt bepaald door het aantal dieren (rundvee) in eigendom om te zetten met behulp van volgende coëfficiënten: - runderen jonger dan 3 maanden 0,0 GVER - runderen van 3 maanden tot en met 2 jaar 0,6 GVER - runderen ouder dan 2 jaar 1,0 GVER Aantal zeugen Het aantal zeugen is het gemiddeld aantal aanwezige zeugen in eigendom. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal vleesvarkens Het aantal vleesvarkens wordt gedefinieerd als het gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens in eigendom. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Aantal omgerekende varkens Het aantal omgerekende varkens geeft het gemiddeld aantal omgerekende varkens in eigendom weer. De dieren worden geteld rekening houdend met de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf. Een dier-jaar komt overeen met de aanwezigheid van een dier op het bedrijf gedurende een heel jaar. Een omgerekend varken wordt bepaald door het aantal varkens in eigendom om te zetten met behulp van volgende coëfficiënten:
77
- vleesvarkens - opfokzeugen - zeug - opfokbeer - beer
1,0 omgerekend varken 1,0 omgerekend varken 2,0 omgerekende varkens 1,0 omgerekend varken 1,5 omgerekend varken
Aantal volwaardige arbeidskrachten (VAK) Het aantal VAK is het aantal betaalde en niet-betaalde regelmatig en niet-regelmatig tewerkgestelde personen die omgerekend worden tot volwaardige arbeidskrachten. Een VAK vertegenwoordigt dan een persoon van 21 tot 65 jaar die voltijds op het landbouwbedrijf werkzaam is. De omrekening gebeurt als volgt. Eerst wordt het aantal personen omgezet tot arbeidskrachten. Het aantal arbeidskrachten wordt bepaald door het aantal gewerkte uren te delen door het aantal gewerkte uren van een voltijds tewerkgestelde (2.400 uren vanaf 2004). Het bedrijfshoofd en/of de bedrijfsleider wordt als één eenheid gerekend, tenzij hij/zij nog een nevenactiviteit uitoefent. Een persoon die gedurende het boekjaar meer dan 2.400 uren gewerkt heeft, telt eveneens voor één eenheid. Voor de verdere omzetting van arbeidskrachten naar VAK worden er nog coëfficiënten toegepast om de arbeidsgeschiktheid in rekening te brengen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de niet betaalde en betaalde arbeidskrachten. Niet betaalde arbeidskrachten: Leeftijd Geschoold 18 - 65 jaar Ongeschoold 18 - 65 jaar 17 jaar 16 jaar 14 - 15 jaar
% 100 100 67 58 50
Betaalde arbeidskrachten: geschoolde meerderjarige: 100% ongeschoolde meerderjarige: 83% minderjarige: 14 - 15 jaar: 50% 16 jaar: 58% 17 jaar: 67% Voor alle arbeidskrachten (betaald en niet-betaald) ouder dan 65 jaar mag de omrekeningsnorm in geen geval hoger zijn dan 67%. Aantal niet-betaalde (meestal familiale) volwaardige arbeidskrachten (FAK) Het aantal FAK is het aantal niet-betaalde regelmatig en niet-regelmatig tewerkgestelde personen die omgerekend worden tot volwaardige arbeidskrachten volgens de normen toegelicht onder ‘aantal volwaardige arbeidskrachten’. Opbrengsten tuinbouwbedrijven De totale opbrengsten bij de tuinbouwsectoren worden ingedeeld in hun voornaamste bestanddelen. Deze indeling is niet dezelfde voor de verschillende bedrijfstypes. - Champignons Dit kengetal omvat de waarde van de champignons van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf.
78
- Tomaten onder glas Tomaten onder glas is de waarde van de tomaten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. De waarde van tomaten van zowel de verwarmde teelten, de koude teelten als de late teelten zijn opgenomen in deze post. - Komkommers onder glas Komkommers onder glas is de waarde van de komkommers van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier zowel komkommers van de vroege als van de late teelt die geteeld werden onder glas. - Kropsla onder glas Kropsla onder glas is de waarde van de kropsla van het boekjaar die werd verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier de lentekropsla, de zomerkropsla, de herfstkropsla en de winterkropsla die geteeld werd onder glas. - Andere groenten onder glas Andere groenten onder glas is de waarde van de groenten, met uitzondering van tomaten, komkommers en kropsla, die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Aardbeien worden bij de groenten gerekend. Het betreft teelten onder staand of plat glas, en teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt onder glas. - Teelten onder glas en champignons Teelten onder glas en champignons is de waarde van alle teelten onder staand of plat glas, van alle teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt onder glas, en van de champignons van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Teelten in openlucht Teelten in openlucht is de waarde van alle teelten in openlucht: teelten onder plastic serres, onder plastic kappen, in open grond, in trekbakken voor witloof en teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt in openlucht. - Groenten in openlucht Groenten in openlucht is de waarde van de groenten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. Aardbeien worden bij de groenten gerekend. Het betreft teelten in open grond, onder plastic serres, onder plastic kappen of teelten die zowel onder glas als in open grond werden geteeld en verkoopsklaar werden gemaakt in openlucht. De extensieve groenteteelt wordt niet als tuinbouwteelt maar als akkerbouwteelt beschouwd en maakt dus geen deel uit van de groenten in openlucht. - Fruit Fruit is de waarde van het fruit van het boekjaar dat werd verkocht of verbruikt op het bedrijf. Het betreft hier de opbrengst van appelen, peren, krieken, pruimen, braambessen, frambozen, bessen, druiven en kersen. Aardbeien worden bij de groenten en niet bij het fruit gerekend. - Andere teelten (gespecialiseerde fruitbedrijven) Andere teelten is de waarde van de teelten die naast de teelt van fruit en klein fruit worden beoefend en die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf tijdens het boekjaar. - Tuinbouwteelten Tuinbouwteelten is de waarde van de tuinbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Landbouwteelten Landbouwteelten is de waarde van de landbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Potplanten Potplanten is de waarde van de potplanten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf.
79
- Azalea Azalea is de waarde van de azalea's die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Snijbloemen Snijbloemen is de waarde van de snijbloemen die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Perkplanten Perkplanten is de waarde van de perkplanten die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf. - Overige tuinbouwteelten Overige tuinbouwteelten is de waarde van de tuinbouwteelten van het boekjaar die werden verkocht of verbruikt op het bedrijf en die in de betreffende tabel nog niet werden genoemd. - Overige opbrengsten Overige opbrengsten is het verschil van totale opbrengsten en de in de tabel reeds geciteerde opbrengsten. - Totale opbrengsten Totale opbrengsten zijn alle opbrengsten van het bedrijf. Kosten tuinbouwbedrijven De kosten worden uitgesplitst in hun voornaamste bestanddelen. Deze indeling is niet dezelfde voor de verschillende bedrijfstypes. - Berekende lonen (Arbeid bedrijfsleider en gezin) Dit is het toegerekende loon voor de arbeid van de bedrijfsleider en de gezinsleden. Voor deze arbeid wordt het uurloon berekend op basis van de minimumlonen vastgesteld door het Nationaal Paritair ComitĂŠ voor het tuinbouwbedrijf, verhoogd met de sociale lasten. - Betaald personeel Betaald personeel zijn de werkelijk betaalde lonen en sociale lasten, eventueel verhoogd met de waarde van de voordelen in natura. - Werk door derden Werk door derden zijn de kosten voor de werken door ondernemers met hun eigen machines (bv. ploegen, sproeien, vervoer). - Werktuigkosten Werktuigkosten zijn de kosten voor het normaal onderhoud van werktuigen (machines en voertuigen), de huur van werktuigen, de aanschaffing van klein gereedschap, de kosten van brand- en smeerstoffen, verzekeringen en belastingen alsmede de toegerekende kosten van interesten en afschrijvingen. De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Zodra het bedrag van de gecumuleerde afschrijving gelijk is aan de vervangingswaarde wordt geen afschrijving meer toegerekend voor het betrokken werktuig. Er wordt 5% interest berekend op het gemiddelde van de inventariswaarde bij begin en einde van het boekjaar. - Bestrijdingsmiddelen Bestrijdingsmiddelen zijn de kosten voor de verbruikte bestrijdingsmiddelen (insecticiden, fungiciden, herbiciden, acariciden, bodemontsmetting, loofdoding, groeiregulator, toevoegmiddelen, bewaarmiddelen, rodenticiden, molluskiciden en dergelijke) met betrekking tot de oogst van het boekjaar. - Meststoffen Meststoffen zijn de kosten voor alle verbruikte meststoffen (organische mest, kunstmest, kalkmest, bladvoeding, groenbemester, schuimaarde en dergelijke) voor de teelten van het boekjaar. Dit zijn
80
zowel aangekochte meststoffen als meststoffen van het eigen bedrijf. In deze post zijn eveneens de kosten voor (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam begrepen. - Energie voor verwarming Deze post omvat de kosten voor brandstoffen verbruikt voor verwarming. - Zaai- en plantgoed Zaai- en plantgoed zijn de kosten voor champignonbroed en voor aangekocht en eigen zaai- en plantgoed voor de teelten van het boekjaar. Aangekochte planten, bestemd voor voortverkoop worden ondergebracht bij de "Directe kosten teelten"; dit kan vooral voorkomen op de potplantenbedrijven. De kosten van jonge bomen voor de aanleg van nieuwe fruitpercelen worden hier niet geboekt; ze worden als investering beschouwd. - Compost Compost zijn de kosten voor (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam verbruikt voor de paddenstoelen van het boekjaar. - Broed Broed zijn de kosten van het verbruikte broed voor de champignons van het boekjaar. - Dekaarde Dekaarde zijn de kosten van de verbruikte dekaarde voor de champignons van het boekjaar. - Overige materialen Overige materialen is het verschil van totaal grondstoffen en de reeds vermelde kostenposten voor grondstoffen. - Totaal grondstoffen Totaal grondstoffen zijn de kosten voor verbruikte bestrijdingsmiddelen, meststoffen, (doorgroeide) compost voor champignon en substraat voor oesterzwam, energieproducten, aangekocht en eigen zaad- en plantgoed, champignonbroed, dekaarde voor champignonteelt, alsook overige grond- en hulpstoffen (zoals steun- en bindmateriaal, substraat, bloempotten, plastic en andere plantbenodigdheden) voor de teelten van het boekjaar. - Kost grond- en gebouwenkapitaal Kost grond- en gebouwenkapitaal zijn de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal. Onder grond- en gebouwenkapitaal dient hier te worden verstaan: - de grond - de grondverbeteringen (bv. drainage) - de bedrijfsgebouwen (bv. opslagplaats, garage, champignoncellen, ketelhuis) - de glasopstand met de bijhorende installaties, hierin zijn ook begrepen de installaties voor de witloofforcerie en de installaties op de champignonbedrijven - de afsluitingen en het steunmateriaal - de blijvende beplantingen (bv. bomen, struiken). De kosten van het grond- en gebouwenkapitaal omvatten de betaalde kosten (pacht, huur, verzekeringen, belastingen, normaal onderhoud) en de toegerekende kosten van interest en afschrijving op het geĂŻnvesteerd kapitaal. De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Zodra het bedrag van de gecumuleerde afschrijving gelijk is aan deze vervangingswaarde wordt geen afschrijving meer toegerekend voor het betrokken goed. Er wordt geen afschrijving berekend op de blijvende beplantingen die nog niet in opbrengst zijn.
81
Voor de interestberekening worden volgende procenten toegepast: - grond: 1,5% Er wordt een waarde van de grond genomen die voor de streek van ligging normaal kan worden genoemd. Er wordt alleen interest berekend op de waarde van de grond in eigendom; - grondverbeteringen, bedrijfsgebouwen, glasopstanden, installaties, blijvende beplantingen in opbrengst : 5% op het gemiddelde van de inventariswaarde bij begin en einde van het boekjaar; - blijvende beplantingen die nog niet als in opbrengst beschouwd worden bij het begin van het boekjaar: 5% op de waarde bij het begin van het boekjaar. - Verkoopkosten Verkoopkosten zijn de veilingkosten, huur kisten, marktgeld, inpakmaterialen, commissielonen, productiefonds en dergelijke. Een deel van de verkoopkosten kan echter begrepen zijn in het "werk door derden" (bijvoorbeeld transportkosten). - Directe kosten teelten Dit zijn de keuringskosten, de aankoop van planten voor voortverkoop, grondontleding, de hagelverzekering, de kosten van de bijen, de aankopen op stam, de toegerekende intresten voor planten en het omlopend kapitaal. - Overige onkosten Overige onkosten zijn kosten voor water, telefoon, abonnementen, lidgelden, enz. Ook de kosten van veehouderij (aangekocht en eigen veevoeder, veeartskosten, veeverzekering, quota), van neventakken en de interest op het levend kapitaal zijn in deze post begrepen. Totale kosten Totale kosten zijn de som van totaal bewerkingskosten, totaal grondstoffen en totaal overige kosten. Opbrengsten landbouwbedrijven Bij de landbouwsectoren wordt een onderscheid gemaakt tussen opbrengsten marktbare gewassen, rundveehouderij en voedergewassen, varkenshouderij, pluimveehouderij en overige opbrengsten. - Opbrengsten marktbare gewassen Onder marktbare gewassen verstaat men de land- en tuinbouwgewassen die voornamelijk voor de verkoop worden of kunnen worden geteeld, zoals granen, peulvruchten, vlas, aardappelen en suikerbieten. De opbrengst marktbare gewassen omvat de waarde van de verkochte, in het huishouden verbruikte en de intern verbruikte (als zaaigoed, veevoeder) marktbare gewassen. Verder wordt ook de waarde van de bijproducten van de marktbare gewassen (bv. stro, kleine aardappelen, enz.) en hooi in rekening gebracht, nl. de verkopen en het intern verbruik. Ten slotte wordt ook het inventarisverschil van de hoofd- en bijproducten in rekening gebracht. - Opbrengsten rundveehouderij (graasdieren) en voedergewassen Hierin zijn begrepen: - de waarde van de melkproductie: Dit omvat de waarde van de melkproducten (volle melk en zuivelproducten (boter, room, kaas,‌)), verkocht, verbruikt in het huishouden of gevoederd aan het vee. - de omzet en aanwas van het rundvee: De omzet en aanwas wordt gedefinieerd als: [ V + O(u)] – [A + O(i)] + [(EIvol-BIvol)*(EIw/EIvol+BIw/BIvol)/2], met: V = verkopen O(u) = overgangen uit (waarde van de dieren overgebracht naar een andere veecategorie) A = aankopen O(i) = overgangen in (waarde van de dieren overgebracht naar een andere veecategorie)
82
EIvol(w) = volume (waarde) bij eindinventaris BIvol (w) = volume (waarde) bij begininventaris - overige opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen: Deze post omvat onder meer verkochte voedergewassen, inventarisverschillen voedergewassen, opbrengsten schapen, opbrengsten paarden, enz.
- Opbrengsten varkenshouderij Hierin zijn begrepen: - de omzet en aanwas van de varkens: De omzet en aanwas van de varkens wordt op dezelfde wijze berekend als bij het rundvee (zie: opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen). - overige opbrengsten varkenshouderij: Deze post omvat onder meer ontvangen dekgelden, enz. - Opbrengsten pluimveehouderij De opbrengsten van de pluimveehouderij omvat de opbrengst van consumptie- en broedeieren (verkopen en verbruik in het huishouden) en de omzet en aanwas van het pluimvee, berekend op dezelfde wijze als het rundvee (zie opbrengsten rundveehouderij en voedergewassen). - Overige opbrengsten Deze omvatten onder meer: - ontvangen subsidies - werk voor derden - opbrengsten van overige dieren - vergoedingen in het kader van BSE, vogelpest, enz. - diverse opbrengsten voor het gehele bedrijf (verhuur quota, enz.). Kosten landbouwbedrijven - Kosten zaad, poot- en plantgoed De kosten voor zaad, poot- en plantgoed, aangekocht en van eigen bedrijf, verbruikt voor de oogst opgenomen in het beschouwde boekjaar. De kosten voor jonge bomen voor de aanleg van nieuwe fruitpercelen worden hier niet geboekt; ze worden als investering beschouwd. - Kosten veevoeders Deze post omvat: - de aangekochte veevoeders - de veevoeders van het eigen bedrijf. Dit zijn de gevoederde marktbare producten van eigen bedrijf. Hierin zijn begrepen: de melkproducten, de hoofd- en bijproducten van de marktbare gewassen en hooi. De door de graasdieren verbruikte voedergewassen (gras, rapen, voederbieten, voedermaĂŻs, enz.) worden niet opgenomen. - Kosten meststoffen Het betreft de aangekochte meststoffen die uitgestrooid worden voor de oogst van het boekjaar. - Kosten bestrijdingsmiddelen Het gaat over de kosten voor bestrijdingsmiddelen die verbruikt werden voor de oogst. - Kosten diergeneeskundige zorgen Dit zijn de dierenartskosten, inclusief de kosten voor de geneesmiddelen. De kosten voor kunstmatige inseminatie worden geboekt onder overige kosten (zie kosten overige).
83
- Kosten energie Deze omvatten de energiekosten voor de in het boekjaar verbruikte energie (elektriciteit, aardgas, stookolie, enz.).
- Kosten werktuigen Het betreft: - afschrijvingen van werktuigen - toegerekende rente op dood kapitaal - werktuigen - onderhoudskosten werktuigen - verzekering werktuigen - belasting werktuigen (verkeersbelasting, belasting op drijfkracht,…) - de aankopen van klein gereedschap - de kosten voor huur van werktuigen - de kosten voor het gebruik van privé-vervoermiddelen voor het bedrijf - kosten voor smeermiddelen De afschrijving wordt berekend op de vervangingswaarde. Voor de toegerekende intresten wordt 5% rente berekend op de gemiddelde balanswaarde (vervangingswaarde – gecumuleerde afschrijvingen). - Kosten grond- en gebouwenkapitaal De kosten van het grond- en gebouwenkapitaal omvatten volgende elementen: - afschrijvingen voor grondverbeteringen, bedrijfsgebouwen, glasopstand, blijvende teelten, afsluitingen, steunmateriaal en quota - toegerekende rente op onroerende goederen (met uitsluiting van de gronden, maar inclusief de aangekochte of overgenomen quota) - kosten huur quota - betaalde pacht (inclusief de door de pachter voor rekening van de eigenaar betaalde lasten) - toegerekende pacht voor de gronden in eigendom - verzekering onroerende goederen - onderhoudskosten voor gebouwen en grondverbeteringen - overige kosten grond- en gebouwenkapitaal (onroerende voorheffing, brandverzekering,…) De afschrijvingen worden, met uitzondering van de quota, berekend op de vervangingswaarde. Voor de toegerekende intresten wordt 5% rente berekend op de gemiddelde balanswaarde (vervangingswaarde – gecumuleerde afschrijvingen). - Kosten berekende lonen De toegerekende lonen voor de arbeid van de niet-betaalde arbeidskrachten wordt berekend op basis van de cao-minimumlonen vastgesteld door het Nationaal Paritair Comité voor de land- en tuinbouw, verhoogd met de sociale lasten. - Kosten betaalde lonen Dit zijn de werkelijk betaalde lonen en sociale lasten. - Werk door derden Dit zijn de werken uitgevoerd door ondernemers met hun eigen machines (vb. maaidorsen, sproeien, enz.). - Kosten overige Deze rubriek omvat de niet elders in de desbetreffende tabel vermelde kosten (dekgelden, verzekering, enz.). Netto bedrijfsresultaat Dit bedrag is het verschil tussen de totale opbrengsten en de totale kosten. Een positief (negatief) bedrag duidt een winst (verlies) aan.
84
Opbrengst per 1.000 euro kosten Het gegeven opbrengsten per 1.000 euro kosten geeft weer hoe groot de totale opbrengst is bij 1.000 euro kosten. Indien dit getal groter (kleiner) is dan 1.000, dan is er winst (verlies). Familiaal arbeidsinkomen Het arbeidsinkomen van het gezin is gelijk aan het toegerekend loon voor de niet betaalde regelmatig tewerkgestelde personen, vermeerderd met de winst of verminderd met het verlies. Arbeidsinkomen Het totaal arbeidsinkomen is het familiaal arbeidsinkomen vermeerderd met het betaald loon. Bedrijfsinkomen Het bedrijfsinkomen is het familiaal arbeidinkomen vermeerderd met de toegerekende vergoeding op het eigen geĂŻnvesteerde bedrijfs- en grondkapitaal.
85
Bijlage 3: Lijst met figuren Figuur 1: Verdeling volgens grootteklasse, 2007....................................................................... 5 Figuur 2: Verdeling van de variabele kosten per ha wintertarwe, 2007 .................................... 7 Figuur 3: Verdeling van de variabele kosten per ha bewaaraardappelen, 2007......................... 9 Figuur 4: Verdeling van de variabele kosten per ha suikerbieten, 2007 .................................. 10 Figuur 5: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 200711 Figuur 6: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2007 ........ 12 Figuur 7: Verdeling van de gespecialiseerde melkveebedrijven volgens aantal melkkoeien, 2007.......................................................................................................................................... 15 Figuur 8: Evolutie van de prijs van koeien (euro per 100 kg) en nuchtere kalveren (euro per stuk), 2001-2007....................................................................................................................... 17 Figuur 9: Verdeling van de variabele kosten per GVER, 2007 ............................................... 17 Figuur 10: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2007 . 18 Figuur 11: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2007 .......... 19 Figuur 12: Verdeling volgens grootteklasse, 2007................................................................... 21 Figuur 13: Evolutie van de verkoopprijzen van de levende dieren in euro per 100 kg, 20012007.......................................................................................................................................... 22 Figuur 14: Structuur van de variabele kosten per GVER, 2007............................................... 23 Figuur 15: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 200724 Figuur 16: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2007 ........ 24 Figuur 17: Verdeling volgens grootteklasse, 2007................................................................... 28 Figuur 18: Verdeling van de variabele kosten per zeug, 2007................................................. 30 Figuur 19: Verdeling van de variabele kosten per vleesvarken, 2006 ..................................... 31 Figuur 20: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2007 .. 32 Figuur 21: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2007 ........... 33 Figuur 22: Verdeling bedrijven volgens grootteklasse, 2007 .................................................. 36 Figuur 23: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde glasgroentebedrijven, 2007 ..... 38 Figuur 24: Structuur van de variabele kosten voor de productie van kropsla onder glas, 2007 .................................................................................................................................................. 40 Figuur 25: Structuur van de variabele kosten voor de productie van tomaten onder glas, 2007 .................................................................................................................................................. 40 Figuur 26: Structuur van de variabele kosten voor de productie van komkommers onder glas, 2007.......................................................................................................................................... 41 Figuur 27: Structuur van de variabele kosten voor de productie van paprika onder glas, 2007 .................................................................................................................................................. 41 Figuur 28: Structuur van de kosten voor de bedrijven met overwegend groenten in openlucht, 2007.......................................................................................................................................... 42 Figuur 29: Structuur van de variabele kosten bij de teelt van prei in volle grond, 2007 ......... 43 Figuur 30: Structuur van de variabele kosten bij de productie van bloemkolen in volle grond, 2007.......................................................................................................................................... 44 Figuur 31: Structuur van de kosten voor de champignonbedrijven, 2007 ............................... 45 Figuur 32: Middenprijs aardbeien op Belgische veilingen, 2001-2007 ................................... 46 Figuur 33: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, 2007 ........ 47 Figuur 34: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2007... 48 Figuur 35: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2007............ 48 Figuur 36: Verdeling volgens grootteklasse, 2007................................................................... 50 Figuur 37: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde fruitbedrijven (zonder aardbeienbedrijven), 2007........................................................................................................ 51 Figuur 38: Structuur van de variabele kosten voor de productie van fruitgewassen, 2007 ..... 52
86
Figuur 39: Verdeling van de sierteeltbedrijven per grootteklasse, 2007.................................. 56 Figuur 40: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde potplantenbedrijven, 2007....... 58 Figuur 41: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde azaleabedrijven, 2007.............. 59 Figuur 42: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 2007 .... 60 Figuur 43: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2007 .. 61 Figuur 44: Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2007 ........... 61 Figuur 45: Evolutie van familiaal arbeidsinkomen voor het landbouwbedrijf, euro per FAK, 2001-2007................................................................................................................................. 64 Figuur 46: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2007.................................................................................................................... 65 Figuur 47: Evolutie van het arbeidsinkomen voor het tuinbouwbedrijf (euro per VAK), 20012007.......................................................................................................................................... 67 Figuur 48: Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK (% afwijking t.o.v. het Vlaams gemiddelde), 2007.................................................................................................................... 67
87
Bijlage 4: Lijst met tabellen Tabel 1: Structuur van de gespecialiseerde akkerbouwsector, 2001-2007 ................................ 5 Tabel 2: Evolutie van de opbrengstcijfers van wintertarwe, 2001-2007.................................... 6 Tabel 3: Regionale opbrengstcijfers van wintertarwe, 2007...................................................... 7 Tabel 4: Evolutie van de opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2001-2007........................ 8 Tabel 5: Regionale opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2007 .......................................... 8 Tabel 6: Evolutie van de opbrengstcijfers van suikerbieten, 2001-2007 ................................... 9 Tabel 7: Regionale opbrengstcijfers van suikerbieten, 2007 ................................................... 10 Tabel 8: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, euro, 2001-2007 .. 13 Tabel 9: Structuur van de gespecialiseerde melkveesector, 2001-2007................................... 14 Tabel 10: Evolutie van de rentabiliteitscijfers melk, 2001-2007 ............................................. 16 Tabel 11: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, 2001-2007..... 20 Tabel 12: Structuur van de gespecialiseerde vleesveebedrijven, 2001-2007........................... 21 Tabel 13: Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, 2005-2007 ................................................. 22 Tabel 14: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2001-2007 ........... 26 Tabel 15: Structuur van de gespecialiseerde varkenssector, 2001-2007.................................. 27 Tabel 16: Evolutie van de rentabiliteitscijfers zeugenhouderij, 2001-2007............................. 29 Tabel 17: Evolutie van de opbrengstcijfers vleesvarkenshouderij, 2001-2007 ....................... 31 Tabel 18: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2001-2007............... 34 Tabel 19: Structuur van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven ......................... 35 Tabel 20: Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde glasgroentebedrijven, euro per are, 2001-2007................................................................................................................................. 38 Tabel 21: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken tomaten, komkommer, kropsla en paprika, 2005-2007................................................................................................................... 39 Tabel 22: Bedrijfsresultaten van de bedrijven met overwegend groenten in openlucht, euro per ha, 2001-2007........................................................................................................................... 42 Tabel 23: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken prei en bloemkool, 2005-2007 ............. 43 Tabel 24: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde champignonbedrijven, euro per VAK, 2001-2007................................................................................................................................. 45 Tabel 25: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde aardbeienbedrijven, euro per ha, 20012007.......................................................................................................................................... 46 Tabel 26: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven, 20012007.......................................................................................................................................... 49 Tabel 27: Structuur van de gespecialiseerde fruitbedrijven, 2001, 2005 - 2007...................... 50 Tabel 28: Rentabiliteitscijfers van de bedrijfstakken appelen en peren, 2005 – 2007............. 52 Tabel 29: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (excl. aardbeien), 2001-2007................................................................................................................................. 54 Tabel 30: Structuur van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven (exclusief boomkwekerij), 2001-2007................................................................................................................................. 55 Tabel 31: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde potplantenbedrijven, euro per are, 20012007.......................................................................................................................................... 57 Tabel 32: Structuur van de opbrengsten voor gespecialiseerde azaleabedrijven, euro per are, 2001-2007................................................................................................................................. 58 Tabel 33: Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde snijbloemenbedrijven, 20012007.......................................................................................................................................... 60 Tabel 34: Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2005-2007 .............. 63 Tabel 35: Overzicht bedrijfsresultaten van de landbouwsector, 2001-2007............................ 66 Tabel 36: Evolutie bedrijfsresultaten van de tuinbouwsector, 2001-2007............................... 68
88
Tabel 37: Overzicht bedrijfsresultaten tuinbouwsector per deelsector, 2007 .......................... 68
89