Ruilverkavelingsproject Vissenaken Uitvoering monitoringprogramma
Voedselarm grasland op tertiaire koppen jaar –1 (2005)
Vlaamse Landmaatschappij Vlaams-Brabant, 2005 M. Boyen, D. Devolder, E. Dupae & H. Stulens
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
2/66
1. Inleiding De ruilverkaveling Vissenaken werd nuttig verklaard op 9 februari 1999 (B.S. 02-04-1999). Conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het Instituut voor Natuurbehoud en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, moet het monitoringsprogramma voor dit project opgemaakt en goedgekeurd worden voor de werken in uitvoering gaan op het terrein. Monitoring is het herhaaldelijk, gestandaardiseerd verzamelen van gegevens met als doel de overeenkomst met, of de mate van afwijking van vooropgezette normen vast te stellen. Met het oog op standaardisatie en statistische verwerking dient het verzamelen van de gegevens zo objectief mogelijk te verlopen. Het monitoringprogramma heeft als doel de effectiviteit na te gaan van de maatregelen die in de ruilverkaveling worden uitgevoerd voor het behoud of een verhoging van de actuele en potentiële natuurwaarden. Het beoogt een afwegingskader te creëren waaraan kan worden getoetst of de vooropgestelde natuurdoelstellingen bij een ruilverkaveling ook effectief worden gehaald. Hiermee kan onderzocht worden of een bijstelling van het gevoerde beheer zich opdringt. Het monitoringprogramma start net voor de aanvang van de werken. Gezien de ontwikkelingstijd die nodig is, zal men doorgaans pas geruime tijd na de beëindiging van de ruilverkaveling kunnen oordelen of de natuurdoelstellingen van de ruilverkaveling ook werkelijk gehaald werden. Het monitoringprogramma gaat door zolang als nodig voor een effectieve beoordeling. Het voorliggend rapport geeft de uitgangssituatie weer voor de module “voedselarm grasland op tertiaire koppen”.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
3/66
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
4/66
2. Methode Uitwerking modules jaar -1 = uitgangssituatie, vlak voor de uitvoering van de inrichtingsmaatregelen op het terrein jaar 0 = uitvoering van de inrichtingsmaatregelen jaar 1 = 1e jaar na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen jaar 2 = 2° jaar na uitvoering van de inrichtingsmaatregelen
2.1. Module Voedselarm grasland op tertiaire koppen Monitoringprogramma RVK Vissenaken Doelgemeenschap: Voedselarm grasland op tertiaire koppen Beoogd doel in plansituatie: • Ontwikkeling van voedselarm grasland i.f.v. dit vegetatietype en als biotoop voor akkervogels Geplande inrichtings- en beheersmaatregelen: • Verwerving en inrichting van de gronden met tertiaire opduikingen A. Beschrijving uitgevoerde inrichtingsmaatregelen in relatie tot geplande maatregelen: jaar 0 + resultaat jaar 1 B. Raadplegen logboek uitgevoerd beheer: jaar –1, 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 Monitoringgebied / stratificatie: zie ruilverkavelingsplan Parameters Monitoringfrequentie Apparatuur Aantal meetpunten + ligging Bemonsteringsfrequentie Expertise Tijdstip Werkbelasting Methode Parameters: Monitoringfrequentie: Apparatuur: Vegetatiestructuur en –samenstelling jaar –1, 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 lintmeter, plooimeter, bamboestokken, Bemonsteringsfrequentie: flora, loep, opnameformulier, fototoestel, Aantal meetpunten: 1x per aangeduid jaar software TURBOVEG 10 permanente kwadraten (3 m x 3 m) Tijdstip: Expertise: juni- juli veldkennis plantensoorten + Ligging: Methode: vegetatiekunde Zie figuur 1. opnames PQ’s volgens Braun-Blanquet Werkbelasting: jaar -1, 2, 5, 10: 5 MD jaar -1: 1 MD extra (uitzetten PQ’s)
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
Resultaat
• • • • • •
datum vegetatiesamenstelling + dekking output TURBOVEG + associa situering in vegetatietypologie interpretatie foto’s PQ’s
5/66
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
6/66
3. Resultaten 3.1. Voedselarm grasland op tertiaire koppen Op 5 plaatsen voorziet het ruilverkavelingsplan Vissenaken de ontwikkeling van voedselarm grasland op tertiaire koppen. Deze 5 plaatsen (zie figuur 1) werden volledig geïnventariseerd en de bedekking van elke soort werd genoteerd volgens de Tansley-schaal. Per locatie werden tevens 2 permanente kwadraten uitgezet (3 meter op 3 meter), tien in totaal. De coördinaten van de hoekpunten werden ingemeten met een hand-gps (met een foutmarge van 4 meter of meer). Deze coördinaten werden in GIS gecorrigeerd tot het gepaste formaat van het kwadraat bereikt werd. Per kwadraat werd tevens de bedekking per soort genoteerd volgens Tansley. De inventarisatie gebeurde op 7 september 2005. Plaats 3 was onmogelijk te inventariseren wegens herhaaldelijk behandeld met herbicide. Elke opname (zowel perceel als permanent kwadraat) werd ingevoerd in Turboveg en geanalyseerd met Associa. De Associa-resultaten zullen evenwel iets anders moeten geïnterpreteerd worden in het geval van een volledige perceelsopname dan in het geval van een permanent kwadraat. Op een grotere oppervlakte kunnen immers verscheidene vegetatietypes vertegenwoordigd zijn en is een interpretatie, louter uit Associa, misschien ontoereikend. Figuur 1: Ontwikkeling van voedselarm grasland op tertiaire koppen. Situering van de locaties, zoals aangeduid op het ruilverkavelingsplan.
Per locatie worden de volgende resultaten weergegeven: •
datum
Alle opnames gebeurden op 7 september 2005. Dit item wordt niet telkens herhaald bij de bespreking van de locaties.
•
vegetatiesamenstelling + dekking
De vegetatiesamenstelling en dekking is de terreinopname van de soortensamenstelling van het ganse perceel, of kwadraat, met de bijhorende bedekkingsgraad. De bedekking werd, zowel voor perceel als voor kwadraat,
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
7/66
opgenomen volgens de schaal van Tansley. Voor de opname van het kwadraat wordt hierbij dus enigszins afgeweken van het voorstel zoals vermeld in de tabel op pagina 3, nl. dat de bedekkingsgraad van de permanente kwadraten volgens Braun-Blanquet moest gebeuren. Deze tabel is de eigenlijke input in Turboveg die geanalyseerd werd door Associa.
•
output TURBOVEG + Associa
Het softwareprogramma Associa baseert zich op de kwantitatieve gegevens zowel als op de kwalitatieve gegevens van een opname. Op basis van de soortenlijst en de bedekkingsgarad (per soort) berekent Associa hoe groot de kans is dat de soortensamenstelling van de opname overeenkomt met een bepaald vegetatietype (“maximum likelihood”-principe). (Volgens Hennekens (mond. meded.) wordt Associa best default ingesteld.) In de tabel met de analyseresultaten van Associa worden naast de mogelijke vegetatietypes tevens een aantal waardes weergegeven ter interpretatie van deze resulterende vegetatietypes. Een eerste waarde is die van de “combined index”, een maat voor de gelijkenis van een opname met de “doorsnee” opname van een syntaxon uit de Vegetatie van Nederland (Schaminée et al., 1996). Hoe kleiner de maat, hoe groter de gelijkenis. Voor het toekennen van een opname aan een syntaxon werd door Zwaenepoel et al. (2002) een maximale waarde van 100 vooropgesteld voor de “combined index”. Dit is een arbitraire, maar werkbare werkwijze volgens Zwaenepoel et al. (2002). Vegetaties met een hogere waarde worden door hun dus niet weerhouden. Wij passen deze norm niet toe, maar geven wel de waarde van de “combined index”. Op voorstel van Hennekens (mond. meded.) wordt vooral belang gehecht aan de “incompleteness” (het al of niet “volledig“ zijn van een opname) en aan de “weirdness” (de aanwezigheid van “opnamevreemde“ soorten). Het IBN neemt maximum 1 als drempel voor de “incompleteness”. Het aantal “weird” soorten is tevens best kleiner dan 0, hoe negatiever, hoe beter. Dit betekent dat de eerst vermelde associatie (met de kleinste “combined index”) door Associa niet noodzakelijk de beste hoeft te zijn. In de Associa-tabel worden zowel het nummer als de (wetenschappelijke) naam van de meest waarschijnlijke syntaxa, volgens de vegetatie van Nederland (Schaminée et al., 1996), weergegeven. De Index (“Combined Index”) is berekend op basis van “–2ln(likelihood)” en de afstandsmaat. “–2ln” is een maat die in de statistiek gebruikt wordt om te berekenen welk resultaat het meest aannemelijk is. Hoe kleiner de waarde van “–2ln”, hoe groter de aannemelijkheid. Dit geldt ook voor de (Combined) Index. Toch moet er voorzichtig omgesprongen worden met de interpretatie van deze waarde, aangezien deze ervan uitgaat dat de kans op voorkomen van een soort niet voorspeld kan worden uit het voorkomen van andere soorten (deze aanname is fundamenteel onjuist). “–2ln” is in dit geval een maat die, bij onafhankelijke kansen op voorkomen van de soorten, aangeeft hoe groot de kans is dat een bepaalde opname een realisatie is van een bepaald type. Als de “Combined Index” kleiner is dan 100, is er een mogelijke overeenkomst met een bepaald vegetatietype. “Norm Lh.” (“normalised likelihood”) geeft het verschil weer tussen de gemiddelde waarde van het vegetatietype en die van de opname. Een negatieve waarde duidt erop dat de terreinopname weinig verschilt van de gemiddelde waarde van de opnames uit de referentiebibliotheek van Turboveg. De “incompleteness” is afgeleid uit “–2ln”. De soorten die in een opname niet voorkomen terwijl ze in een type wel voorkomen dragen hieraan bij, gewogen naar hun presentie in het type. In de tabel wordt de “normalised incompleteness” (Incompl) weergegeven, het verschil tussen de gemiddelde “incompleteness” en de “incompleteness” van de terreinopname. Net zoals bij de “normalised likelihood” duidt een negatieve waarde op weinig verschil met het gemiddelde van het vegetatietype. De “weirdness” is ook afgeleid uit “–2ln”. De bijdragen aan “weirdness” komen vooral van de soorten die niet in het type voorkomen en wel in de opname. In de tabel wordt de “normalised weirdness” weergegeven. De gegevens werden ingegeven in Turboveg versie 2.28. Voor de analyse in ASSOCIA werd het systematisch systeem PG2005 gebruikt.
•
situering in vegetatietypologie
Bij de situering in de vegetatietypologie worden de syntaxa, uit de Associa-tabel, schematisch geplaatst binnen de vegetatie van Nederland. Enkel de relevante klasses worden weergegeven. Waar mogelijk worden de belangrijkste kenmerken van de vegetatietypes bondig weergegeven.
•
interpretatie
De weergegeven vegetatietypes uit de Associa-tabel worden kort besproken, naar analogie met de terreinopname.
•
foto’s
Waar mogelijk werden foto’s bijgevoegd.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
8/66
PLAATS 1 Op het tijdstip van de inventarisatie (7/09/2005) was het afgebakende gebied (plaats 1 voor ontwikkeling van voedselarm grasland op het ruilverkavelingsplan) gedeeltelijk in gebruik als hooiland en als akker. Voor een correcte verwerking werd plaats 1 opgesplitst in twee delen: deel A is het gedeelte dat tijdens de inventarisatie in gebruik was als hooiland, deel B was tijdens de inventarisatie in gebruik als maïsakker. Figuur 2: situering van plaats 1, topografisch, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
Figuur 3: situering van plaats 1, op luchtfoto, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
9/66
Er werd een volledige Tansley-opname gemaakt van deel A. Deel B viel volledig in een maĂŻsakker, een vegetatieopname leek ons hier overbodig. De opname werd tevens verwerkt met Turboveg en Associa. Het resultaat van deze vegetatiekundige analyse is hieronder beschreven.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
10/66
PLAATS 1 – DEEL A Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 1: soortensamenstelling op plaats 1 (deel A), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 9)
Wetenschappelijke naam Achillea millefolium Anthriscus sylvestris Artemisia vulgaris Calystegia sepium Chenopodium album Cirsium arvense Geranium dissectum Geranium molle Glechoma hederacea Glyceria maxima Heracleum sphondylium Holcus lanatus Lathyrus species Linaria vulgaris Matricaria recutita Medicago lupulina Plantago major Polygonum persicaria Potentilla anserina Ranunculus repens Rumex acetosa Rumex obtusifolius Sonchus asper Stellaria media Tanacetum vulgare Taraxacum species Trifolium pratense Trifolium repens Urtica dioica
Nederlandse naam
Vegetatielaag
Bedekking (Tansley)
kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl
lf o r lf s r o o f s f d r o s o r o lf a r o r r f o f d o
gewoon duizendblad fluitekruid bijvoet haagwinde melganzevoet akkerdistel slipbladige ooievaarsbek zachte ooievaarsbek hondsdraf liesgras gewone bereklauw gestreepte witbol lathyrus (G) vlasbekje echte kamille hopklaver grote weegbree s.l. perzikkruid zilverschoon kruipende boterbloem veldzuring ridderzuring gekroesde melkdistel vogelmuur boerenwormkruid paardebloem (G) rode klaver witte klaver grote brandnetel
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 2: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 1 (deel A). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 9)
Syntaxon (nr) 16B 16BC01 33AA
Syntaxon (naam) Arrhenatheretalia Lolio-Cynosuretum Galio-Alliarion
Index 82 85 92
Norm Lh. 5 10 8
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
Incompl. 3 5 0
Weirdn. 6 12 11
11/66
Door Associa worden, voor deze opname, drie mogelijke syntaxa weergegeven die in aanmerking komen ter vergelijking met de terreinopname. Bij elk van de drie mogelijkheden zijn de drie andere indicatoren (“Norm Lh.”, “Incompl.”, “Weirdn.”) positief, wat wijst op een onduidelijk vegetatietype. Meest waarschijnlijke benadering blijft dan het vegetatietype met de kleinste (“combined”) Index, nl. het Arrhenatheretalia (16.B. Glanshaver-orde). Situering in vegetatietypologie Hier worden kort de analyseresultaten van Associa geschetst binnen de vegetatie van Nederland. 16. Klasse der matig voedselrijke graslanden De klasse der matig voedselrijke graslanden (Molinio-Arrhenatheretea) omvatten beweide en/of gehooide graslanden op voedselrijke tot relatief schrale standplaatsen, die niet zeer nat of uitgesproken droog zijn. Dit brede spectrum wordt vertegenwoordigd door een grote variatie aan begroeiingstypen. Met name door ontwatering en bemesting zijn de gemeenschappen echter op veel plaatsen verarmd en omgevormd in soortenarm productiegrasland.
16.A. Pijpestrootje-orde 16.B. Glanshaver-orde De orde omvat hooi- en weilanden op humeuze, vochtige tot vrij droge, doorgaans voedselrijke klei- en zavelgronden.
16.B.A. Verbond van grote vossestaart 16.B.B. Glanshaver-verbond 16.B.C. Kamgrasverbond Het verbond omvat veelal door runderen, maar ook door schapen beweide graslanden op vochtige tot vrij droge, basische (al of niet kalkrijke) tot vrij zure bodem. Het komt vooral voor op van nature voedselrijke klei- en zavelgronden, maar kan zich bij voldoende bemesting ook ontwikkelen op van nature schralere, zandige of venige gronden.
16.B.C.01. Kamgrasweide Het omvat beweide, voedselrijke graslanden op allerlei grondsoorten.
16.B.C.02. Associatie van ruige weegbree en aarddistel 33. Klasse der nitrofiele zomen Het zijn zoomgemeenschappen die in meerdere of mindere mate worden beschaduwd. De begroeiingen gedijen langs heggen en onder de beschutting van struiken en bomen. De begroeiingen zijn gewoonlijk weelderig ontwikkeld en bloemrijk, maar de soortenrijkdom loopt nogal uiteen. Tegenwoordig komen ze ook voor op door de mens gecreëerde standplaatsen, zoals op kapvlakten. In de regel komt de klasse voor, buiten invloed van het grondwater.
33.A. Orde der nitrofiele zomen 33.A.A. Verbond van look-zonder-look Interpretatie
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
12/66
De resultaten van Associa zijn niet echt eenduidig. Wel duiden alledrie de resultaten op een voedselrijkere bodem, wat overeenstemt met de bodemkaart. De bodem op plaats 1 wordt, volgens de bodemkaart van België, bijna volledig beschreven als U-L-S, een klein stukje als Adp(c). (U-L-S is een complex van klei-, zandleem- en lemige zandgronden. Adp(c) is een matig gleyige grond op leem, colluviaal.) Het tertiair dagzoomt hier niet. Deze conclusie is in tegenstrijd met het ruilverkavelingsplan. Volgens het ruilverkavelingsplan komt het perceel in aanmerking voor ontwikkeling van voedselarm grasland (op tertiaire koppen). Foto’s F1: foto van plaats 1.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
13/66
PLAATS 1 – DEEL A – PQ 1-1 De coördinaten van de vier hoekpunten van PQ 1-1 zijn terug te vinden in bijlage 2. Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 3: soortensamenstelling op plaats 1 (deel A, PQ 1-1), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 2)
Wetenschappelijke naam Cirsium arvense Glyceria aquatica Whlnbg. Holcus lanatus Ranunculus (Batrachium) species Rumex obtusifolius Tanacetum vulgare Trifolium species
Nederlandse naam akkerdistel liesgras gestreepte witbol boterbloem (G) ridderzuring boerenwormkruid klaver (G)
vegetatielaag kl kl kl kl kl kl kl
bedekking (Tansley) s s d a s a cd
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 4: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 1 (deel A, PQ 1-1). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 2)
Syntaxon (nr) 35AA01 33RG01 29AA01
Syntaxon (naam) Rubetum grati RG Urtica dioica-[Galio-Urticetea] Polygono-Bidentetum
Index 58 59 60
Norm.Lh. 5 11 -1
Incompl. 6 17 4
Weirdn. 5 9 -3
Volgens de beslisregels uit Associa (zie bijlage 1) is het vegetatietype 29AA01 vermoedelijk het meest vergelijkbaar met de terreinopname, aangezien het hier om een negative “normalised weirdness” en een licht positieve “normalised incompleteness” gaat. Situering in vegetatietypologie 29. Tandzaad-klasse Deze klasse omvat pioniergemeenschappen, zowel van natuurlijke als van door de mens gecreëerde standplaatsen. Tot de eerste categorie behoren oevers van rivieren, beken en kreken. Antropogene milieus zijn onder andere klei- en veenputten, sloten, greppels en jonge inpolderingen. Voldoende vocht en voedingsstoffen in combinatie met kale bodem zijn de voornaamste eisen waaraan voldaan moet worden.
29.A. Tandzaad-orde 29.A.A. Tandzaad-verbond 29.A.A.01. Associatie van waterpeper en tandzaad Het is een pioniergemeenschap van natte, matig tot zeer voedselrijke, zure tot neutrale, niet-zilte grond. De associatie is te vinden als een zoom langs sloten en beekjes in weidegebieden, op drassige, vertrapte plekken in weilanden, in bermsloten en –greppels, in droogvallende vennen, langs
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
14/66
geëutrofieerde veenputten, op drijftillen, langs drassige bospaden en op natte kapvlakten, aan de binnenzijde van de oeverbegroeiing langs voedselrijke plassen, veenwijken, kanalen, rivieren en beken en op vloeivelden.
29.A.A.02. Associatie van goudzuring en moerasandijvie 29.A.A.03. Ass. van ganzevoet en beklierde duizendknoop 29.A.A.04. Slijkgroen-associatie 33. Klasse der nitrofiele zomen Het zijn zoomgemeenschappen die in meerdere of minderde mate worden beschaduwd. De begroeiingen gedijen langs heggen en onder de beschutting van struiken en bomen. De begroeiingen zijn gewoonlijk weelderig ontwikkeld en bloemrijk, maar de soortenrijkdom loopt nogal uiteen. Tegenwoordig komen ze ook voor op door de mens gecreëerde standplaatsen, zoals op kapvlakten. In de regel komt de klasse voor, buiten invloed van het grondwater.
33.A. Orde der nitrofiele zomen 33.DG.01. Derivaatgemeenschap van Rubus armeniacus 33.DG.02. Derivaatgemeenschap van canadapopulier 33.RG.01. Rompgemeenschap van grote brandnetel De rompgemeenschap komt tot dominantie op allerlei standplaatsen waar een ruime beschikbaarheid van voedingsstoffen en een zekere beschutting tegen uitdroging gepaard gaan met een beheer van nietsdoen. Allerlei soortenrijkere gemeenschappen kunnen onder hypertrofe omstandigheden overgaan in deze rompgemeenschap. Dit kan het gevolg zijn van toenemende nutriëntentoevoer.
33.RG.02. Rompgemeenschap van fluitekruid 33.RG.03. Rompgemeenschap van groot hoefblad 35. Brummel-klasse Deze klasse omvat struwelen op voedselarme tot matig voedselarme, zure, droge tot vochtige, al dan niet lemige zandgronden. De gemeenschappen komen veelal lintvormig voor als mantels van bossen, langs bospaden, in houtwallen en lanen of op perceelsscheidingen. Vlakdekkend komen ze tot ontwikkeling op kapvlakten en in jonge aanplant.
35.A. Brummel-orde 35.A.A. Brummel-verbond 35.A.A.01. Associatie van bronskleurige bosbraam Het komt voor op mesotrofe, zure, matig vochtige tot vochtige zandgrond en op verdroogd hoogveen.
35.A.A.02. Associatie van witte bosbraam 35.A.A.03. Associatie van sierlijke woudbraam Interpretatie Ook hier duiden twee van de drie resultaten uit Associa op een voedselrijkere situatie dan verwacht. De bodem is U-L-S, beschreven bij plaats 1.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
15/66
Foto’s F2: foto van PQ1-1
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
16/66
PLAATS 1 – DEEL B – PQ 1-2 Niettegenstaande er geen vegetatieopname gebeurd is, vanwege maïsakker, werd toch reeds een permanent kwadraat voorzien. De coördinaten van de vier hoekpunten van PQ 1-2 zijn terug te vinden in bijlage 2. Vegetatiesamenstelling en dekking Deel 1B valt volledig binnen een huidige maïsakker. Een vegetatiekundige opname leek ons overbodig, evenzo het uitzetten van een permanent kwadrant. Op de situering werd echter al een voorstel gedaan voor uitzetting van een kwadraat voor toekomstige monitoring. Op datum van inventarisatie bestond dit gedeelte volledig uit maïs. Output Turboveg en Associa Niet relevant in dit geval. Situering in vegetatietypologie Niet relevant in dit geval. Interpretatie De bodem is U-L-S, beschreven bij plaats 1. Foto’s F3: foto van perceel 1, voornamelijk zicht op deel B
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
17/66
PLAATS 2 Plaats 2 situeert zich op een voormalige stortplaats (vnl. inert puin). Relevante conclusies met betrekking tot ontwikkeling van schraal grasland zijn moeilijk te maken. Plaatselijk ligt de locatie ook dieper in het landschap wat doet vermoeden dat er vroeger een ontginning heeft plaatsgevonden, en later terug opgevuld met puin. Figuur 4: situering van plaats 2, topografisch, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
Figuur 5: situering van plaats 2, op luchtfoto, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
18/66
PLAATS 2 Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 5: soortensamenstelling op plaats 2, situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 10)
Wetenschappelijke naam Agrimonia eupatoria Alnus glutinosa Anthriscus sylvestris Arrhenatherum elatius ssp. elatius Artemisia vulgaris Bryonia cretica (ssp. dioica) Calystegia sepium Cirsium arvense Corylus avellana Crataegus monogyna Dactylis glomerata Daucus carota Dryopteris carthusiana Equisetum arvense Eupatorium cannabinum Fraxinus excelsior Heracleum sphondylium Hieracium sabaudum Hieracium umbellatum Holcus lanatus Juglans regia Linaria vulgaris Medicago lupulina Melilotus alba Melilotus altissima Polygonum cuspidatum Prunus serotina Quercus robur Rosa canina Rubus fruticosus agg. Salix caprea Solidago canadensis Tanacetum vulgare Tragopogon pratensis ssp. minor Tussilago farfara Urtica dioica Vicia hirsuta
Nederlandse naam gewone agrimonie zwarte els fluitekruid gewone glanshaver bijvoet heggerank haagwinde akkerdistel hazelaar eenstijlige meidoorn kropaar peen smalle stekelvaren heermoes koninginnekruid gewone es gewone bereklauw boshavikskruid schermhavikskruid gestreepte witbol okkernoot vlasbekje hopklaver witte honingklaver goudgele honingklaver Japanse duizendknoop Amerikaanse vogelkers zomereik hondsroos gewone braam boswilg Canadese guldenroede boerenwormkruid gele morgenster klein hoefblad grote brandnetel ringelwikke
vegetatielaag kl b3 kl kl kl kl kl kl b3 b3 kl kl kl kl kl b3 kl kl kl kl b3 kl kl kl kl kl b3 b3 kl kl b3 kl kl kl kl kl kl
bedekking (Tansley) o o o f r r f o r o o s s s r r o o o a s r r o o a s r o la a o o s r o r
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
19/66
Output Turboveg en Associa Tabel 6: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 2. Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 10)
Syntaxon (nr) 31CA01B 38AA 31CA03
Syntaxon (naam) Echio-Melilotetum typicum Salicion albae Tanaceto-Artemisietum
Index 154 159 162
Norm.Lh. 15 26 18
Incompl. 0 2 0
Weirdn. 21 36 25
Aangezien de mogelijke vegetatietypes, die Associa hier ter vergelijking biedt, alledrie een hoge “combined index” hebben is er vermoedelijk weinig gelijkenis met de terreinopname. De hoge “normalised weirdness” en de lage “normalised incompleteness” zouden kunnen wijzen op een mengvorm tussen de verschillende vegetatietypes, doch een vergelijking tussen de vegetatietypes en de terreinopname is waarschijnlijk vergezocht (hoge “combined index”). Situering in vegetatietypologie 31. Klasse der ruderale gemeenschappen Gemeenschappen van ruderale standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd (vnl. stenig materiaal). Over het algemeen komen ze voor op humusarme grond en op plekken die in de volle zon liggen.
31.A. Raketten-orde 31.B. Orde van distels en ruwbladigen 31.C. Wormkruid-orde 31.C.A. Wormkruid-verbond Gemeenschappen op matig stikstofrijke zand-, leem-, zavel- en lichte kleigrond. Humusgehalte en zuurgraad lopen vrij sterk uiteen, maar uitgesproken basenarme gronden worden gemeden; op arme zandgronden verschijnt het pas nadat de basenrijkdom van het zand door kunstmest of wegverhardingsmateriaal is verhoogd. Overblijvende grassen nemen gemiddeld een grotere plaats in dan in andere ruderale gemeenschappen.
31.C.A.01. Honingklaver-associatie Komt voor op droge tot matig vochtige, min of meer humusarme, basenrijke, meestal omgewerkte of verplaatste grond, op zand, leem, zavel en krijt.
31.C.A.01.A. Subassociatie met grijskruid 31.C.A.01.B. Typische subassociatie Te vinden op kalkhoudende, neutrale tot basische, droge tot vrij vochtige zand-, leem-, en zavelgrond en op krijt. Het komt veelvuldig en plaatselijk vlakdekkend voor op opgespoten zandvlakten, verder in tichelgaten, zand-, leem- en mergelgroeven, op nieuwe zandlichamen van spoordijken, langs rasters van bouw- en spoorwegterreinen, in nieuwe wegbermen en op omgewerkte grond in de duinen.
31.C.A.02. Kweekdravik-associatie 31.C.A.03. Wormkruid-associatie
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
20/66
Deze associatie is veelal lintvormig ontwikkeld, hetzij in bermen van wegen, spoorwegen en kanalen, hetzij aan akkerkanten en dan met name langs de rand van zandige aardappelakkers. Vlakdekkend komt het vooral voor in terreinen die al enige jaren braak liggen of slechts extensief begraasd worden, zoals speelveldjes, puinhopen, verlaten moestuinen en schrale weitjes. Het is vooral aan te treffen op lichte, minerale, goed gedraineerde, matig stikstofrijke en niet uitgesproken kalkrijke gronden. Het substraat bestaat gewoonlijk uit zand, al of niet gemengd met stenig of kleiig materiaal.
31.C.A.03.A. Subassociatie met gewoon struisgras 31.C.A.03.B. Typische subassociatie 38. Klasse der wilgenvloedbossen en –struwelen De zachthoutooibossen omvatten de struweel- en bosgemeenschappen van periodiek overstroomde laaggelegen gronden. Boom- en struiklaag worden gedomineerd door smalbladige wilgen. De ondergroei bestaat meestal uit een weelderige ruigte.
38.A. Orde der wilgenvloedbossen en –struwelen 38.A.A. Verbond der wilgenvloedbossen en –struwelen 38.A.A.01. Bijvoet-ooibos 38.A.A.02. Gele lis-ooibos 38.A.A.03. Bittere veldkers-ooibos Interpretatie Niettegenstaande de Associa-resultaten onwaarschijnlijk lijken, door de hoge indicatie-waarden, lijkt het waargenomen vegetatietype toch vergelijkbaar met enkele verkregen vegetatietypes. Meer bepaald met de vegetatietypes uit de klasse der ruderale gemeenschappen. De terreinsituatie wijst inderdaad op een geaccidenteerd terrein met aangevoerd puin, vermoedelijk vroeger stort van inert puin. Ontwikkeling van schraal grasland lijkt hier moeilijk.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
21/66
Foto’s F4: foto van plaats 2
F5: foto van plaats 2
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
22/66
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
23/66
PLAATS 2 – PQ 2-1 De coördinaten van de vier hoekpunten van PQ 2-1 zijn terug te vinden in bijlage 2. Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 7: soortensamenstelling op plaats 2 (PQ 2-1), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 3)
Wetenschappelijke naam Anthriscus sylvestris Arrhenatherum species Calystegia sepium Cirsium arvense Fraxinus excelsior Holcus lanatus Linaria vulgaris Tanacetum vulgare Tussilago farfara
Nederlandse naam fluitekruid glanshaver (G) haagwinde akkerdistel gewone es gestreepte witbol vlasbekje boerenwormkruid klein hoefblad
vegetatielaag kl kl kl kl kl kl kl kl kl
bedekking (Tansley) o a o f s d o a o
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 8: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 2 (PQ 2-1). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 3)
Syntaxon (nr) 31CA03B 31CA03A
Syntaxon (naam) Tanaceto-Artemisietum typicum Tanaceto-Artemisietum agrostietosum
Index
Norm.Lh.
Incompl.
Weirdn.
46 47
-1 -1
4 4
-3 -3
De “combined index” is voor beide opgegeven vegetatietypes vrij klein. De “normalised weirdness” is voor beiden licht negatief en de “normalised incompleteness” is licht positief. Beide vegetatietypes komen in aanmerking ter vergelijking met de terreinopname. Situering in vegetatietypologie 31. Klasse der ruderale gemeenschappen Gemeenschappen van ruderale standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd (vnl. stenig materiaal). Over het algemeen komen ze voor op humusarme grond en op plekken die in de volle zon liggen.
31.A. Raketten-orde 31.B. Orde van distels en ruwbladigen 31.C. Wormkruid-orde 31.C.A. Wormkruid-verbond Gemeenschappen op matig stikstofrijke zand-, leem-, zavel- en lichte kleigrond. Humusgehalte en zuurgraad lopen vrij sterk uiteen, maar uitgesproken basenarme gronden
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
24/66
worden gemeden; op arme zandgronden verschijnt het pas nadat de basenrijkdom van het zand door kunstmest of wegverhardingsmateriaal is verhoogd. Overblijvende grassen nemen gemiddeld een grotere plaats in dan in andere ruderale gemeenschappen.
31.C.A.01. Honingklaver-associatie 31.C.A.02. Kweekdravik-associatie 31.C.A.03. Wormkruid-associatie Deze associatie is veelal lintvormig ontwikkeld, hetzij in bermen van wegen, spoorwegen en kanalen, hetzij aan akkerkanten en dan met name langs de rand van zandige aardappelakkers. Vlakdekkend komt het vooral voor in terreinen die al enige jaren braak liggen of slechts extensief begraasd worden, zoals speelveldjes, puinhopen, verlaten moestuinen en schrale weitjes. Het is vooral aan te treffen op lichte, minerale, goed gedraineerde, matig stikstofrijke en niet uitgesproken kalkrijke gronden. Het substraat bestaat gewoonlijk uit zand, al of niet gemengd met stenig of kleiig materiaal.
31.C.A.03.A. Subassociatie met gewoon struisgras De subassociatie komt voor op sterk doorlatende, min of meer zure zandgrond.
31.C.A.03.B. Typische subassociatie Komt vooral voor op zavel, alsmede op zandgronden met een hogere pH en een hoger gehalte aan fijne bodembestanddelen.
Interpretatie De mogelijke vegetatietypes uit Associa wijzen op een ruderaal type, wat overeen komt met de werkelijkheid. Zoals reeds eerder vermeld is een omzetting (ontwikkeling) naar schraal grasland praktisch moeilijk haalbaar. Volgens de bodemkaart van België wordt deze bodem beschreven als UL-S (complex) en lijkt dit geen tertiaire opduiking te zijn.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
25/66
PLAATS 2 – PQ 2-2 De coördinaten van de vier hoekpunten van PQ 2-2 zijn terug te vinden in bijlage 2. Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 9: soortensamenstelling op plaats 2 (PQ 2-2), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 4)
Wetenschappelijke naam Agrimonia eupatoria Anthriscus sylvestris Cirsium arvense Dactylis polygama Eupatorium cannabinum Festuca ovina Fraxinus excelsior Heracleum sphondylium Holcus lanatus Melilotus species Quercus robur Rubus fruticosus agg. Salix caprea Tussilago farfara Vicia hirsuta
Nederlandse naam gewone agrimonie fluitekruid akkerdistel kropaar koninginnekruid schapegras gewone es gewone bereklauw gestreepte witbol honingklaver (G) zomereik gewone braam boswilg klein hoefblad ringelwikke
vegetatielaag kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl b2 kl kl
bedekking (Tansley) o o s o o f s s d s s r f o r
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 10: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 2 (PQ 2-2). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 4)
Syntaxon (nr) 18AA02 16AB 31BA01B
Syntaxon (naam) Hieracio-Holcetum mollis Calthion palustris Echio-Verbascetum typicum
Index 66 66 70
Norm.Lh. 6 4 5
Incompl. 5 4 3
Weirdn. 7 4 6
Bij alledrie de mogelijke vegetatietypes zijn de waardes van zowel de “normalised weirdness” als die van de “normalised incompleteness” vergelijkbaar met elkaar. Ook de “combined index” van de drie types liggen kort bij elkaar. Volgens de beslisregels van Associa kunnen we hier aannemen dat het eerst weergegeven vegetatietype (18AA02) het meest vergelijkbaar zal zijn met de terreinopname. Situering in vegetatietypologie 16. Klasse der matig voedselrijke graslanden De klasse der matig voedselrijke graslanden (Molinio-Arrhenatheretea) omvatten beweide en/of gehooide graslanden op voedselrijke tot relatief schrale standplaatsen, die niet zeer nat of uitgesproken droog zijn. Dit brede spectrum wordt vertegenwoordigd door een grote variatie aan begroeiingstypen. Met name door
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
26/66
ontwatering en bemesting zijn de gemeenschappen echter op veel plaatsen verarmd en omgevormd in soortenarm productiegrasland.
16.A. Pijpestrootje-orde De orde omvat natte hooilanden; dit betreft zowel matig productieve als schrale graslanden. De bodem is relatief voedselarm tot voedselrijk, niet of licht bemest. De grondwaterstanden bevinden zich gedurende een groot deel van het jaar in de wortelzone van de vegetatie of zelfs daarboven.
16.A.A. Verbond van biezeknoppen en pijpestrootje 16.A.B. Dotterbloem-verbond Drassige, een of twee maal per jaar gemaaide, ’s winters periodiek overstroomde hooilanden op mineraalrijke, stikstofhoudende, veelal kleiige of venige gronden.
16.A.B.01. Veldrus-associatie 16.A.B.02. Associatie van harlekijn en ratelaar 16.A.B.03. Ass. van echte koekoeksbloem en gevleugeld hertshooi 16.A.B.04. Associatie van boterbloemen en waterkruiskruid 16.A.B.05. Bosbies-associatie 16.A.B.06. Associatie van gewone engelwortel en moeraszegge 16.B. Glanshaver-orde 18. Klasse van gladde witbol en havikskruiden Lintvormige plantengemeenschappen die vooral in de zandstreken voorkomen en daar als zomen de grens vormen tussen bos- en struweel enerzijds en lage vegetatie of open grond anderzijds.
18.A. Orde van gladde witbol en havikskruiden 18.A.A. Verbond van gladde witbol en havikskruiden 18.A.A.01. Associatie van hengel en gladde witbol 18.A.A.02. Associatie van boshavikskruid en gladde witbol De associatie ontwikkelt zich op zandig, droog tot matig vochtig substraat. De bodem is in vergelijking met die van de andere associatie van dit verbond minder lemig en/of bevat minder humus.
31. Klasse der ruderale gemeenschappen Gemeenschappen van ruderale standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd (vnl. stenig materiaal). Over het algemeen komen ze voor op humusarme grond en op plekken die in de volle zon liggen.
31.A. Raketten-orde 31.B. Orde van distels en ruwbladigen 31.B.A. Verbond van distels en ruwbladigen Het komt voor op voedsel- en basenrijke, droge grond, die gemakkelijk opgewarmd wordt. De gemeenschappen zijn zeer licht- en warmteminnend.
31.B.A.01. Slangekruid-associatie
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
27/66
Zij staat op lichte, doorlatende, basenrijke, stikstofhoudende, enigszins humushoudende grond, meestal op zand, soms op krijt.
31.B.A.01.A. Subassociatie met kromhals 31.B.A.01.B. Typische subassociatie 31.C. Wormkruid-orde Interpretatie Ook hier geldt dat de terreinopname het meest overeenkomt met de ruderale gemeenschappen.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
28/66
PLAATS 3 Een vegetatieopname van perceel 3 was onmogelijk aangezien het perceel volledig behandeld was met herbiciden. Ook tijdens een vorig terreinbezoek werd dit vastgesteld. Volgende plantenresten waren nog herkenbaar: paardenbloem, akkerdistel, paarse dovenetel, wilde peen, gekroesde melkdistel, bijvoet, perzikkruid, boerenwormkruid, hondsdraf, eik, knopkruid, klaver sp. De locatie van de permanente kwadraten werd toch reeds gekozen; de coördinaten van de hoekpunten zijn te vinden in bijlage 2. Figuur 6: situering van plaats 3, topografisch, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
29/66
Figuur 7: situering van plaats 3, op luchtfoto, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
Vegetatiesamenstelling en dekking Niet relevant. Output Turboveg en Associa Niet relevant. Situering in vegetatietypologie Niet relevant. Interpretatie Volgens de bodemkaart van België is dit de enige plaats, van de 5 geselecteerde, die effectief op een tertiaire opduiking ligt. In principe is dit de enige plaats waar dus ontwikkeling van schrale graslanden op tertiaire koppen in aanmerking komt. Gesprekken met plaatselijke landbouwers leerden ons echter dat ook hier vermoedelijk puin in de bodem verwerkt is. Door dit puin in de bodem zou de bodem onbewerkbaar zijn en was de enige oplossing om het perceel “netjes” te houden een regelmatige herbicidebehandeling.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
30/66
Foto’s Foto 6: foto van plaats 3
Foto 7: foto van plaats 3
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
31/66
Foto 8: foto van plaats 3
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
32/66
PLAATS 4 Perceel 4 situeert zich bovenop een bunker. Het aangeduide perceel viel op te delen in een talud en het bovengedeelte. Dit bovengedeelte was gedeeltelijk struweel en gedeeltelijk in akkergebruik. Er werd afzonderlijk een opname gemaakt van de talud en het struweel. Beide permanente kwadranten werden echter uitgezet in het struweel. Figuur 8: situering van plaats 4, topografisch, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
Figuur 9: situering van plaats 4, op luchtfoto, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
33/66
PLAATS 4 – DEEL A (kop) Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 11: soortensamenstelling op plaats 4 (deel A), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 11)
Wetenschappelijke naam Artemisia vulgaris Castanea species Cirsium arvense Heracleum sphondylium Juglans regia Picea abies Prunus avium Quercus robur Ribes rubrum Robinia pseudo-acacia Rubus fruticosus agg. Rubus idaeus Salix caprea Sambucus nigra Urtica dioica
Nederlandse naam bijvoet kastanje (G) akkerdistel gewone bereklauw okkernoot fijnspar zoete kers zomereik aalbes robinia gewone braam framboos boswilg gewone vlier grote brandnetel
vegetatielaag kl b3 kl kl b3 b3 b3 b3 kl b3 kl kl b3 b3 kl
bedekking (Tansley) r r o a r s r s f f cd f f o cd
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 12: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 4 (deel A). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 11)
Syntaxon (nr) 33AA 33AA04 33AA05A 43RG03 38AA
Syntaxon (naam) Galio-Alliarion Alliario-Chaerophylletum temuli Urtico-Aegopodietum alliarietosum RG Urtica dioica [Circaeo-Alnenion] Salicion albae
Index 69 71 72 74 76
Norm.Lh. 5 9 10 3 7
Incompl. 2 3 9 8 2
Weirdn. 6 12 11 1 9
Van de 5 mogelijke vegetatietypes dat Associa weergeeft zijn er drie met een lage “normalised incompleteness” en een hogere “normalised weirdness”, nl. 33AA, 33AA04 en 38AA. Volgens de beslisregels van Associa zou dit mogelijks kunnen wijzen op een mengvorm tussen de verschillende weergegeven vegetatietypes. Aangezien het hier over een opname gaat van een volledig “perceel” lijkt het plausibel dat er meerdere vegetatietypes te vergelijken zijn met de terreinopname, mogelijks zelfs in een mengvorm. Situering in vegetatietypologie 33. Klasse der nitrofiele zomen
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
34/66
Het zijn zoomgemeenschappen die in meerdere of minderde mate worden beschaduwd. De begroeiingen gedijen langs heggen en onder de beschutting van struiken en bomen. De begroeiingen zijn gewoonlijk weelderig ontwikkeld en bloemrijk, maar de soortenrijkdom loopt nogal uiteen. Tegenwoordig komen ze ook voor op door de mens gecreëerde standplaatsen, zoals op kapvlakten. In de regel komt de klasse voor, buiten invloed van het grondwater.
33.A. Orde der nitrofiele zomen 33.A.A. Verbond van look-zonder-look 33.A.A.01. Associatie van fijne kervel en winterpostelein 33.A.A.02. Heggedoornzaad-associatie 33.A.A.03. Kruisbladwalstro-associatie 33.A.A.04. Associatie van look-zonder-look en dolle kervel Het komt voor op licht tot vrij zwaar beschaduwde standplaatsen op humeuze, voedselrijke, vochthoudende maar niet natte, zwak zure tot basische grond, op zand, leem, löss, mergel en lichte klei. De natuurlijke standplaats wordt gevormd door open plekken in bossen op oeverwallen en stroomruggen van rivieren en grote beken en aan de voet van hellingen. Een antropogene pendant wordt gevormd door kapvlakten en door jonge bos- en struikaanplantingen.
33.A.A.04.A. Subassociatie met geel nagelkruid 33.A.A.04.B. Subassociatie met gewone hennepnetel 33.A.A.04.C. Arme subassociatie 33.A.A.05. Zevenblad-associatie Het komt voor op humeuze, vochthoudende, matig tot zeer voedselrijke, minerale grond. De voedselrijkdom kan een natuurlijke bodemeigenschap zijn, maar ook resultaat van bemesting.
33.A.A.05.A. Subassociatie met look-zonder-look De subassociatie komt voor in lanen en aan bosranden op rijke grond, bijvoorbeeld bij buitenplaatsen in kleistreken.
33.A.A.05.B. Subassociatie met gestreepte witbol 33.A.A.05.C. Arme subassociatie 33.A.A.05.D. Subassociatie met groot hoefblad 33.A.A.06. Kruidvlier-associatie 38. Klasse der wilgenvloedbossen en –struwelen De zachthoutooibossen omvatten de struweel- en bosgemeenschappen van periodiek overstroomde laaggelegen gronden. Boom- en struiklaag worden gedomineerd door smalbladige wilgen. De ondergroei bestaat meestal uit een weelderige ruigte.
38.A. Orde der wilgenvloedbossen en –struwelen 38.A.A. Verbond der wilgenvloedbossen en –struwelen 38.A.A.01. Bijvoet-ooibos 38.A.A.02. Gele lis-ooibos 38.A.A.03. Bittere veldkers-ooibos 43. Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
35/66
Deze klasse omvat zomergroene loofbossen op betrekkelijk voedselrijke bodems die niet zeer nat zijn. De gemeenschappen bezitten een duidelijke gelaagdheid, waarbij behalve de boomlaag ook de struiklaag, kruidlaag en moslaag doorgaans goed ontwikkeld zijn.
43.A.Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond 43.RG.01. Rompgemeenschap van fluitekruid 43.RG.02. Rompgemeenschap van grote brandnetel 43.RG.03. Rompgemeenschap van grote brandnetel De rompgemeenschappen hebben betrekking op bossen van jonge leeftijd of op bossen die intensief beheerd worden. Vooral in aanplantingen van Canadapopulier, treedt voldoende licht door tot de bosbodem voor de ontwikkeling van een productieve, gesloten kruidlaag. De kruidlaag bevat veel nitrofiele soorten. De gemeenschap is optimaal ontwikkeld in binnendijkse populierenbossen in het rivierengebied en in beekdallandschappen, op natte, lemige gronden die met populier zijn beplant.
Interpretatie Zoals reeds eerder vermeld wordt hier enkel het stuk beschreven, dat momenteel niet in akkerbouw is. De vegetatie heeft zich ontwikkeld boven op een bunker en het lijkt alsof er verscheidene fruitsoorten werden aangeplant (aanwezigheid van okkernoot, tamme kastanje, aalbes, framboos). Dit artificieel geheel is moeilijk te vergelijken met de vegetatietypes die Associa naar voor schuift als mogelijke vergelijking. Hier kunnen we nauwelijks spreken van een natuurlijke standplaats. Foto’s Foto 9: foto van plaats 4
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
36/66
PLAATS 4 – DEEL B (talud) Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 13: soortensamenstelling op plaats 4 (deel B), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 12)
Wetenschappelijke naam Achillea millefolium Agrimonia eupatoria Arrhenatherum elatius ssp. elatius Artemisia vulgaris Calystegia sepium Convolvulus arvensis Crepis capillaris Daucus carota Equisetum arvense Ficus carica Heracleum sphondylium Hypericum perforatum Leucanthemum vulgare Quercus robur Robinia pseudo-acacia Rubus fruticosus agg. Rubus idaeus Salix caprea Salix viminalis Sonchus asper Tanacetum vulgare Urtica dioica
Nederlandse naam gewoon duizendblad gewone agrimonie gewone glanshaver bijvoet haagwinde akkerwinde klein streepzaad peen heermoes vijgeboom gewone bereklauw sint-Janskruid margriet zomereik robinia gewone braam framboos boswilg katwilg gekroesde melkdistel boerenwormkruid grote brandnetel
vegetatielaag kl kl kl kl kl kl kl kl kl b3 kl kl kl b3 b3 kl kl b3 b3 kl kl kl
bedekking (Tansley) la lo o f o o lo lo r r o la o o f f f d o o o cd
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 14: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 4 (deel B). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 12)
Syntaxon (nr) 37AB 37AB01 33AA 31CA03
Syntaxon (naam) Carpino-Prunion Pruno-Crataegetum Galio-Alliarion Tanaceto-Artemisietum
Index 88 88 90 92
Norm.Lh. 8 11 9 4
Incompl. 3 4 2 1
Weirdn. 11 14 11 6
Associa geeft 4 mogelijke vegetatietypes weer, allen echter met een vrij hoge “combined index”. Aangezien alle types een zwak positieve “normalised incompleteness” en een “positieve weirdness” hebben, gaat het vermoedelijk over een mengvorm tussen de verschillende types die vergelijkbaar kan zijn met de terreinopname.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
37/66
Situering in vegetatietypologie 31. Klasse der ruderale gemeenschappen Gemeenschappen van ruderale standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd (vnl. stenig materiaal). Over het algemeen komen ze voor op humusarme grond en op plekken die in de volle zon liggen.
31.A. Raketten-orde 31.B. Orde van distels en ruwbladigen 31.C. Wormkruid-orde 31.C.A. Wormkruid-verbond Gemeenschappen op matig stikstofrijke zand-, leem-, zavel- en lichte kleigrond. Humusgehalte en zuurgraad lopen vrij sterk uiteen, maar uitgesproken basenarme gronden worden gemeden; op arme zandgronden verschijnt het pas nadat de basenrijkdom van het zand door kunstmest of wegverhardingsmateriaal is verhoogd. Overblijvende grassen nemen gemiddeld een grotere plaats in dan in andere ruderale gemeenschappen.
31.C.A.01. Honingklaver-associatie 31.C.A.02. Kweekdravik-associatie 31.C.A.03. Wormkruid-associatie Deze associatie is veelal lintvormig ontwikkeld, hetzij in bermen van wegen, spoorwegen en kanalen, hetzij aan akkerkanten en dan met name langs de rand van zandige aardappelakkers. Vlakdekkend komt het vooral voor in terreinen die al enige jaren braak liggen of slechts extensief begraasd worden, zoals speelveldjes, puinhopen, verlaten moestuinen en schrale weitjes. Het is vooral aan te treffen op lichte, minerale, goed gedraineerde, matig stikstofrijke en niet uitgesproken kalkrijke gronden. Het substraat bestaat gewoonlijk uit zand, al of niet gemengd met stenig of kleiig materiaal.
31.C.A.03.A. Subassociatie met gewoon struisgras 31.C.A.03.B. Typische subassociatie 33. Klasse der nitrofiele zomen Het zijn zoomgemeenschappen die in meerdere of minderde mate worden beschaduwd. De begroeiingen gedijen langs heggen en onder de beschutting van struiken en bomen. De begroeiingen zijn gewoonlijk weelderig ontwikkeld en bloemrijk, maar de soortenrijkdom loopt nogal uiteen. Tegenwoordig komen ze ook voor op door de mens gecreĂŤerde standplaatsen, zoals op kapvlakten. In de regel komt de klasse voor, buiten invloed van het grondwater.
33.A. Orde der nitrofiele zomen 33.A.A. Verbond van look-zonder-look 33.A.A.01. Associatie van fijne kervel en winterpostelein 33.A.A.02. Heggedoornzaad-associatie 33.A.A.03. Kruisbladwalstro-associatie 33.A.A.04. Associatie van look-zonder-look en dolle kervel 33.A.A.05. Zevenblad-associatie 33.A.A.06. Kruidvlier-associatie
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
38/66
37. Klasse der doornstruwelen Struwelen op matig vochtige tot droge, neutrale tot basische gronden. Sommige gemeenschappen komen onder min of meer natuurlijke omstandigheden voor (bijvoorbeeld in de duinen en op randen van mergelrotsen), andere op sterk door de mens bepaalde standplaatsen, zoals op kapvlakten en in heggen en houtwallen. Natuurlijke bosranden en open plekken in het bos vormen de oorspronkelijke standplaatsen van de gemeenschappen van deze klasse.
37.A. Sleedoorn-orde 37.A.A. Verbond van bramen en sleedoorn 37.A.A.01. Associatie van fluweelbraam en sleedoorn 37.A.A.02. Associatie van sleedoorn en slankstekelige braam 37.A.B. Verbond van sleedoorn en eenstijlige meidoorn De struwelen van matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, al of niet kalkhoudende, basische tot zwak zure gronden.
37.A.B.01. Associatie van sleedoorn en eenstijlige meidoorn Omvat struwelen op matig basenrijke tot basenrijke en plaatselijk kalkrijke, basische tot zwak zure, matig tot zeer voedselrijke en al of niet overstroomde klei- en leemgronden.
37.A.B.02. Associatie van hondsroos en jeneverbes 37.A.C. Liguster-verbond Interpretatie De opname werd gemaakt over het ganse talud. Ook hier is een vrij heterogene samenstelling. In het zuidwesten is er een artificiĂŤle begroeiing (rond de toegang van de bunker), in het noordoosten is er een vrij mooie vegetatieontwikkeling (zie foto 10). Enkel dit laatste stuk (noordoostelijke talud) lijkt te vergelijken met de vegetatietypes die door Associa opgegeven worden en meer bepaald met de wormkruid-associatie (31.C.A.03. Tanaceto-Artemisietum). In deze associatie geldt boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) als een kensoort. Verder komt ook bijvoet (Artemisia vulgaris, klassekensoort) en duizendblad (Achillea millefolium, constante soort) regelmatig voor.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
39/66
Foto’s Foto 10: foto van plaats 4
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
40/66
PLAATS 4 – PQ 4-1 De coördinaten van de vier hoekpunten van PQ 4-1 zijn terug te vinden in bijlage 2. Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 15: soortensamenstelling op plaats 4 (PQ 4-1), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 5)
Wetenschappelijke naam Heracleum sphondylium Rubus idaeus Urtica dioica
Nederlandse naam gewone bereklauw framboos grote brandnetel
vegetatielaag kl kl kl
bedekking (Tansley) a o d
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 16: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 4 (PQ 4-1). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 5)
Syntaxon (nr) 33DG02 33RG01 33AA05A 33AA04B
Syntaxon (naam) DG Populus x canadensis-[Galio-Urticetea] RG Urtica dioica-[Galio-Urticetea] Urtico-Aegopodietum alliarietosum Alliario-Chaerophylletum galeopsietosum
Index 12 13 16 17
Norm.Lh. -2 -2 -3 -4
Incompl. 11 2 9 5
Weirdn. -9 -3 -9 -9
Associa geeft 4 vegetatietypes weer, allen met een wel zeer kleine “combined index”. Alle types hebben een negatieve “normalised weirdness” en een uitgesproken positieve “normalised incompleteness” (33RG01 iets minder). Dit zou, volgens de beslisregels van Associa, kunnen betekenen dat de terreinopname vergelijkbaar kan zijn met een overgang tussen de verschillende mogelijke vegetatietypes (misschien 33RG01 buiten beschouwing gelaten). Situering in vegetatietypologie 33. Klasse der nitrofiele zomen Het zijn zoomgemeenschappen die in meerdere of minderde mate worden beschaduwd. De begroeiingen gedijen langs heggen en onder de beschutting van struiken en bomen. De begroeiingen zijn gewoonlijk weelderig ontwikkeld en bloemrijk, maar de soortenrijkdom loopt nogal uiteen. Tegenwoordig komen ze ook voor op door de mens gecreëerde standplaatsen, zoals op kapvlakten. In de regel komt de klasse voor, buiten invloed van het grondwater.
33.A. Orde der nitrofiele zomen 33.A.A. Verbond van look-zonder-look 33.A.A.01. Associatie van fijne kervel en winterpostelein 33.A.A.02. Heggedoornzaad-associatie 33.A.A.03. Kruisbladwalstro-associatie 33.A.A.04. Associatie van look-zonder-look en dolle kervel
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
41/66
Het komt voor op licht tot vrij zwaar beschaduwde standplaatsen op humeuze, voedselrijke, vochthoudende maar niet natte, zwak zure tot basische grond, op zand, leem, löss, mergel en lichte klei. De natuurlijke standplaats wordt gevormd door open plekken in bossen op oeverwallen en stroomruggen van rivieren en grote beken en aan de voet van hellingen. Een antropogene pendant wordt gevormd door kapvlakten en door jonge bos- en struikaanplantingen.
33.A.A.04.A. Subassociatie met geel nagelkruid 33.A.A.04.B. Subassociatie met gewone hennepnetel 33.A.A.04.C. Arme subassociatie 33.A.A.05. Zevenblad-associatie Het komt voor op humeuze, vochthoudende, matig tot zeer voedselrijke, minerale grond. De voedselrijkdom kan een natuurlijke bodemeigenschap zijn, maar ook resultaat van bemesting.
33.A.A.05.A. Subassociatie met look-zonder-look De subassociatie komt voor in lanen en aan bosranden op rijke grond, bijvoorbeeld bij buitenplaatsen in kleistreken.
33.A.A.05.B. Subassociatie met gestreepte witbol 33.A.A.05.C. Arme subassociatie 33.A.A.05.D. Subassociatie met groot hoefblad 33.A.A.06. Kruidvlier-associatie 33.DG.01. Derivaatgemeenschap van Rubus armeniacus 33.DG.02. Derivaatgemeenschap van canadapopulier Ruigtes waarin echte bossoorten ontbreken. Plantensociologisch gezien hebben de hier bedoelde populierenaanplantingen niet het karakter van bossen maar veeleer van ruigten onder een scherm van bomen die veel licht doorlaten. Het ontbreken van bosplanten is niet zozeer toe te schrijven aan te geringe beschaduwing, maar vooral aan het feit dat de Canadapopulieren vaak worden aangeplant op voormalige landbouwgrond en op jonge rivier- en zeekleigronden, waar geen bosbodem aanwezig is en geen bosplanten in de omgeving aanwezig zijn.
33.RG.01. Rompgemeenschap van grote brandnetel De rompgemeenschap komt tot dominantie op allerlei standplaatsen waar een ruime beschikbaarheid van voedingsstoffen en een zekere beschutting tegen uitdroging gepaard gaan met een beheer van nietsdoen. Allerlei soortenrijkere gemeenschappen kunnen onder hypertrofe omstandigheden overgaan in deze rompgemeenschap. Dit kan het gevolg zijn van toenemende nutriëntentoevoer.
33.RG.02. Rompgemeenschap van fluitekruid 33.RG.03. Rompgemeenschap van groot hoefblad Interpretatie De 4 mogelijke vegetatietypes, door Associa, situeren zich allemaal binnen de klasse der nitrofiele zomen. Door het artificiële karakter van de begroeiing blijft het echter moeilijk om besluiten te trekken ivm een mogelijk vegetatietype.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
42/66
Foto’s Foto 11: foto van plaats 4, PQ 4-1
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
43/66
PLAATS 4 – PQ 4-2 De coördinaten van de vier hoekpunten van PQ 4-2 zijn terug te vinden in bijlage 2. Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 17: soortensamenstelling op plaats 4 (PQ 4-2), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 6)
Wetenschappelijke naam Juglans regia Rubus fruticosus agg. Salix caprea Urtica dioica
Nederlandse naam okkernoot gewone braam boswilg grote brandnetel
vegetatielaag b3 kl b3 kl
bedekking (Tansley) f cd f d
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 18: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 4 (PQ 4-2). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 6)
Syntaxon (nr) 38AA 43RG03 33AA 33RG01 31
Syntaxon (naam) Salicion albae RG Urtica dioica [Circaeo-Alnenion] Galio-Alliarion RG Urtica dioica-[Galio-Urticetea] Artemisietea vulgaris
Index 33 34 34 36 37
Norm.Lh. -3 -1 -4 4 -4
Incompl. 3 10 2 2 2
Weirdn. -6 -7 -6 4 -6
4 van de 5 vegetatietypes hebben een negatieve “normalised weirdness” (behalve 33RG01). 4 van de 5 hebben een licht positieve “normalised incompleteness” (behalve 43RG03). 38AA, 33AA en 31 lijken het best te vergelijken met de terreinopname, eventueel in overgang met 43RG03. Situering in vegetatietypologie 31. Klasse der ruderale gemeenschappen Gemeenschappen van ruderale standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd (vnl. stenig materiaal). Over het algemeen komen ze voor op humusarme grond en op plekken die in de volle zon liggen.
31.A. Raketten-orde 31.B. Orde van distels en ruwbladigen 31.C. Wormkruid-orde 33. Klasse der nitrofiele zomen Het zijn zoomgemeenschappen die in meerdere of minderde mate worden beschaduwd. De begroeiingen gedijen langs heggen en onder de beschutting van struiken en bomen. De begroeiingen zijn gewoonlijk weelderig ontwikkeld en bloemrijk, maar de soortenrijkdom loopt nogal uiteen. Tegenwoordig komen ze ook
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
44/66
voor op door de mens gecreëerde standplaatsen, zoals op kapvlakten. In de regel komt de klasse voor, buiten invloed van het grondwater.
33.A. Orde der nitrofiele zomen 33.A.A. Verbond van look-zonder-look 33.A.A.01. Associatie van fijne kervel en winterpostelein 33.A.A.02. Heggedoornzaad-associatie 33.A.A.03. Kruisbladwalstro-associatie 33.A.A.04. Associatie van look-zonder-look en dolle kervel 33.A.A.05. Zevenblad-associatie 33.A.A.06. Kruidvlier-associatie 33.DG.01. Derivaatgemeenschap van Rubus armeniacus 33.DG.02. Derivaatgemeenschap van canadapopulier 33.RG.01. Rompgemeenschap van grote brandnetel De rompgemeenschap komt tot dominantie op allerlei standplaatsen waar een ruime beschikbaarheid van voedingsstoffen en een zekere beschutting tegen uitdroging gepaard gaan met een beheer van nietsdoen. Allerlei soortenrijkere gemeenschappen kunnen onder hypertrofe omstandigheden overgaan in deze rompgemeenschap. Dit kan het gevolg zijn van toenemende nutriëntentoevoer.
33.RG.02. Rompgemeenschap van fluitekruid 33.RG.03. Rompgemeenschap van groot hoefblad 38. Klasse der wilgenvloedbossen en –struwelen De zachthoutooibossen omvatten de struweel- en bosgemeenschappen van periodiek overstroomde laaggelegen gronden. Boom- en struiklaag worden gedomineerd door smalbladige wilgen. De ondergroei bestaat meestal uit een weelderige ruigte.
38.A. Orde der wilgenvloedbossen en –struwelen 38.A.A. Verbond der wilgenvloedbossen en –struwelen 38.A.A.01. Bijvoet-ooibos 38.A.A.02. Gele lis-ooibos 38.A.A.03. Bittere veldkers-ooibos 43. Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond Deze klasse omvat zomergroene loofbossen op betrekkelijk voedselrijke bodems die niet zeer nat zijn. De gemeenschappen bezitten een duidelijke gelaagdheid, waarbij behalve de boomlaag ook de struiklaag, kruidlaag en moslaag doorgaans goed ontwikkeld zijn.
43.A.Orde der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond 43.RG.01. Rompgemeenschap van fluitekruid 43.RG.02. Rompgemeenschap van grote brandnetel 43.RG.03. Rompgemeenschap van grote brandnetel De rompgemeenschappen hebben betrekking op bossen van jonge leeftijd of op bossen die intensief beheerd worden. Vooral in aanplantingen van Canadapopulier, treedt voldoende licht door tot de bosbodem voor de ontwikkeling van een productieve, gesloten kruidlaag. De kruidlaag bevat veel nitrofiele soorten. De gemeenschap is optimaal ontwikkeld in binnendijkse populierenbossen in het rivierengebied en in beekdallandschappen, op natte, lemige gronden die met populier zijn beplant.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
45/66
Interpretatie Ook hier geldt dat de opname van deze artificiële vegetatie moeilijk te vergelijken is met de vegetatietypes van Associa. PLAATS 5 Plaats 5 situeert zich op een voormalig stort. Het is grotendeels spontaan verbost met nog enkele open plekken langs de weg. Deze plaats ligt ook wat dieper in het landschap. Vermoedelijk is hier vroeger een ontginning geweest, vooraleer er terug een geleidelijk opvulling gebeurde met puinafval. Figuur 10: situering van plaats 5, topografisch, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
Figuur 11: situering van plaats 5, op luchtfoto, met aanduiding van de permanente kwadraten (PQ) en van de foto’s (F).
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
46/66
PLAATS 5 – DEEL A (open stuk) Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 19: soortensamenstelling op plaats 5 (deel A), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 13)
Wetenschappelijke naam Agrimonia eupatoria Anthriscus sylvestris Arrhenatherum elatius ssp. elatius Artemisia vulgaris Chamaenerion angustifolium Cirsium arvense Daucus carota Holcus lanatus Hypericum perforatum Linaria vulgaris Potentilla anserina Potentilla reptans Syringa species Tanacetum vulgare Vicia cracca
Nederlandse naam gewone agrimonie fluitekruid gewone glanshaver bijvoet wilgeroosje akkerdistel peen gestreepte witbol sint-Janskruid vlasbekje zilverschoon vijfvingerkruid sering (G) boerenwormkruid vogelwikke
vegetatielaag kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl
bedekking (Tansley) r o d o r o cd f o o f o s f o
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
47/66
Tabel 20: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 5 (deel A). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 13)
Syntaxon (nr) 31CA01B 31CA03B
Syntaxon (naam) Echio-Melilotetum typicum Tanaceto-Artemisietum typicum
Index 69 70
Norm.Lh. 0 1
Incompl. 1 2
Weirdn. -1 1
Beide vegetatietypes hebben een vergelijkbare waarde voor de “combined index”. Tevens hebben ze vergelijkbare waarden voor de “normalised incompleteness” en voor de “normalised weirdness”. Beide vegetatietypes zijn volgens de beslisregels waarschijnlijk te vergelijken met de terreinopname. Situering in vegetatietypologie 31. Klasse der ruderale gemeenschappen Gemeenschappen van ruderale standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd (vnl. stenig materiaal). Over het algemeen komen ze voor op humusarme grond en op plekken die in de volle zon liggen.
31.A. Raketten-orde 31.B. Orde van distels en ruwbladigen 31.C. Wormkruid-orde 31.C.A. Wormkruid-verbond Gemeenschappen op matig stikstofrijke zand-, leem-, zavel- en lichte kleigrond. Humusgehalte en zuurgraad lopen vrij sterk uiteen, maar uitgesproken basenarme gronden worden gemeden; op arme zandgronden verschijnt het pas nadat de basenrijkdom van het zand door kunstmest of wegverhardingsmateriaal is verhoogd. Overblijvende grassen nemen gemiddeld een grotere plaats in dan in andere ruderale gemeenschappen.
31.C.A.01. Honingklaver-associatie Komt voor op droge tot matig vochtige, min of meer humusarme, basenrijke, meestal omgewerkte of verplaatste grond, op zand, leem, zavel en krijt.
31.C.A.01.A. Subassociatie met grijskruid 31.C.A.01.B. Typische subassociatie Te vinden op kalkhoudende, neutrale tot basische, droge tot vrij vochtige zand-, leem-, en zavelgrond en op krijt. Het komt veelvuldig en plaatselijk vlakdekkend voor op opgespoten zandvlakten, verder in tichelgaten, zand-, leem- en mergelgroeven, op nieuwe zandlichamen van spoordijken, langs rasters van bouw- en spoorwegterreinen, in nieuwe wegbermen en op omgewerkte grond in de duinen.
31.C.A.02. Kweekdravik-associatie 31.C.A.03. Wormkruid-associatie Deze associatie is veelal lintvormig ontwikkeld, hetzij in bermen van wegen, spoorwegen en kanalen, hetzij aan akkerkanten en dan met name langs de rand van zandige aardappelakkers. Vlakdekkend komt het vooral voor in terreinen die al enige jaren braak liggen of slechts extensief begraasd worden, zoals speelveldjes, puinhopen, verlaten moestuinen en schrale weitjes. Het is vooral aan te treffen op lichte, minerale, goed gedraineerde, matig stikstofrijke en niet uitgesproken kalkrijke
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
48/66
gronden. Het substraat bestaat gewoonlijk uit zand, al of niet gemengd met stenig of kleiig materiaal.
31.C.A.03.A. Subassociatie met gewoon struisgras 31.C.A.03.B. Typische subassociatie Komt vooral voor op zavel, alsmede op zandgronden met een hogere pH en een hoger gehalte aan fijne bodembestanddelen.
Interpretatie Er is ook hier geen duidelijk vegetatietype dat naar voor komt bij Associa. Toch duiden de mogelijke types op een ruderale standplaats. Dit gegeven lijkt te kloppen gezien de “bodemgeschiedenis” van de plaats.
Foto’s Foto 12: foto van plaats 5
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
49/66
PLAATS 5 – DEEL B (bos) Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 21: soortensamenstelling op plaats 5 (deel B), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 14)
Wetenschappelijke naam Agrimonia eupatoria Crataegus monogyna Dryopteris carthusiana Festuca ovina Fraxinus excelsior Glechoma hederacea Hedera helix Holcus lanatus Hypericum perforatum Juglans regia Lonicera species Malus species Phleum pratense Quercus robur Ranunculus repens Ribes rubrum Rubus fruticosus agg. Rumex acetosa Salix caprea Salix viminalis Solidago canadensis Sorbus aucuparia Tussilago farfara Urtica dioica
Nederlandse naam gewone agrimonie eenstijlige meidoorn smalle stekelvaren schapegras gewone es hondsdraf klimop gestreepte witbol sint-Janskruid okkernoot kamperfoelie (G) appel (G) timoteegras s.l. zomereik kruipende boterbloem aalbes gewone braam veldzuring boswilg katwilg Canadese guldenroede wilde lijsterbes klein hoefblad grote brandnetel
vegetatielaag kl b3 kl kl b3 kl kl kl kl b3 kl b3 kl b3 kl kl kl kl b3 b3 kl b3 kl kl
bedekking (Tansley) r o s o r r f o r r r r r r r r d s d r s o r o
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 22: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 5 (deel B). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 14)
Syntaxon (nr) 36AA01 34AA01C 36AA02
Syntaxon (naam) Salicetum auritae Senecioni-Epilobietum inops Salicetum cinereae
Index 97 98 114
Norm.Lh. 16 17 18
Incompl. 5 3 5
Weirdn. 21 23 22
De drie weergegeven vegetatietypes hebben een hoge “combined index”, wat erop wijst dat een vergelijking met de terreinopname weinig waarschijnlijk kan zijn. De hoge “normalised weirdness” en de lage (positieve) “normalised incompleteness” kunnen mogelijks erop wijzen dat de terreinopname een mengvorm is tussen de weergegeven vegetatietypes.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
50/66
Situering in vegetatietypologie 34. Klasse der kapvlaktegemeenschappen Deze klasse omvat kruidachtige begroeiingen van beperkte levensduur, die binnen bosgebieden worden aangetroffen waar open plekken zijn ontstaan als gevolg van kap, brand of windworp. De gemeenschappen vallen op door de aanwezigheid van hoog opschietende, lichtminnende pionierplanten met rozerode en gele bloemen. Door de plotselinge toename van de lichtinval op de bosbodem treedt versnelde mineralisatie op van de humus, wat leidt tot een sterke toename van de biomassa in de kruidlaag. Na enkele jaren verdwijnen de kapvlakte-begroeiingen weer.
34.A. Orde der kapvlaktegemeenschappen 34.A.A. Wilgeroosjes-verbond Pionierbegroeiingen op droge tot vochthoudende (maar niet natte), zandige tot lemige, zure, meestal min of meer voedsel- en kalkarme gronden met een ruwe humuslaag.
34.A.A.01. Wilgeroosjes-associatie Het wordt aangetroffen op zure, zandige tot lemige gronden. Het heeft zijn zwaartepunt in pleistocene zandstreken waarvan de bodem zo voedselarm is dat agrarisch gebruik tegenwoordig niet (meer) rendabel is.
34.A.A.01.A. Subassociatie met mannetjesereprijs 34.A.A.01.B. Subassociatie met rankende helmbloem 34.A.A.01.C. Arme subassociatie 36. Klasse der wilgenbroekstruwelen Struweelgemeenschappen van natte standplaatsen op venig substraat. De wisseling in de waterstand is beperkt. De voedselrijkdom van de standplaatsen kan sterk variëren, maar zwoel extreem voedselarm als zeer voedselrijk milieu wordt gemeden. Het meest komen ze voor in natte duinvalleien, laagveenmoerassen, beekdalen en aan de randen van hoogvenen.
36.A. Orde der wilgenbroekstruwelen 36.A.A. Verbond der wilgenbroekstruwelen 36.A.A.01. Associatie van geoorde wilg Komt voor op zure, mesotrofe veengrond, waarbij de minerale bodem zich vaak op geringe diepte bevindt. De gemeenschap groeit onder meer aan de randen van hoogvenen en in de relatief voedselarme kern van laagvenen. In hoogveengebieden is ze ook aanwezig op plekken waar het veen enigszins is veraard.
36.A.A.02. Associatie van grauwe wilg Het komt voor in binnendijkse, mesotrofe tot eutrofe moerassen. In vergelijking met 36.A.A.01. zijn de standplaatsen doorgaan sminder venig en minder voedselram, de verschillen tussen de hoogste en de laagste waterstand zijn groter. Zo groeit de gemeenschap in laagveengebieden, in beekdalen, in en aan de randen van geëutrofieerde vennen, op niet overstroomde plaatsen in het rivierengebied en in duinvalleien; een karakteristieke standplaats vormen ook spoorsloten. In de begroeiingen komen behalve moerasplanten ook waterplanten voor.
36.A.A.02.A. Subassociatie met hennegras
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
51/66
36.A.A.02.B. Typische subassociatie 36.A.A.02.C. Subassociatie met kruipwilg Interpretatie Het artificiële karakter van de bodem maakt het moeilijk om een duidelijk afgelijnd vegetatietype (Associa) te vergelijken met de bestaande, aanwezige vegetatie. Foto’s Foto 13: foto van plaats 5
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
52/66
PLAATS 5 – PQ 5-1 De coördinaten van de vier hoekpunten van PQ 5-1 zijn terug te vinden in bijlage 2. Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 23: soortensamenstelling op plaats 5 (PQ 5-1), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 7)
Wetenschappelijke naam Anthriscus sylvestris Arrhenatherum elatius ssp. elatius Artemisia vulgaris Cirsium arvense Dactylis glomerata Daucus carota Holcus lanatus Potentilla anserina Potentilla reptans Rumex acetosa Urtica dioica
Nederlandse naam fluitekruid gewone glanshaver bijvoet akkerdistel kropaar peen gestreepte witbol zilverschoon vijfvingerkruid veldzuring grote brandnetel
vegetatielaag kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl kl
bedekking (Tansley) o o s o o d o a o s r
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 24: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 5 (PQ 5-1). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 7)
Syntaxon (nr) 12AA01D 31RG08
Syntaxon (naam) Plantagini-Lolietum puccinellietosum distantis RG Cichorium intybus-[Agropyretalia repentis/Arrhenatheretalia]
Index 42 45
Norm.Lh. 5 3
Incompl. 7 11
Weirdn. 5 -1
De twee weergegeven vegetatietypes hebben een relatief lage “combined index”, wat op een mogelijke vergelijking met de terreinopname wijst. De andere indicatoren zijn evenwel niet eenduidig. Situering in vegetatietypologie 12. Weegbree-klasse Plantengemeenschappen op verdichte of verslempte, voedselrijke tot matig voedselrijke bodem, die weinig zuurstof bevat. Het betreft tredplantengemeenschappen en jaarlijks langdurig overstroomde weilanden. Ze worden aangetroffen op bereden en betreden wegranden, op parkeerplaatsen en op speelterreinen, maar ook tussen straatstenen en trottoirtegels.
12.A. Weegbree-orde 12.A.A. Varkensgras-verbond
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
53/66
Het omvat antropogene tredplantengemeenschappen. De betreding of berijding is een permanente milieufactor, maar kan variëren in intensiteit.
12.A.A.01. Associatie van Engels raaigras en grote weegbree Aangepast aan intensieve betreding of berijding (sterke verdichting). Deze associatie wordt aangetroffen op allerlei substraten, en zowel onder bomen als in het volle zonlicht. Gangbare standplaatsen zijn parkeerterreinen, speelplaatsen, wegranden en betreden gazons.
12.A.A.01.A. Typische subassociatie 12.A.A.01.B. Subassociatie met tengere rus 12.A.A.01.C. Subassociatie met wilde cichorei 12.A.A.01.D. Subassociatie met stomp kweldergras 12.A.A.02. Associatie van varkenskers en schijfkamille 12.A.A.03. Associatie van vetmuur en zilvermos 12.B. Fioringras-orde 31. Klasse der ruderale gemeenschappen Gemeenschappen van ruderale standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd (vnl. stenig materiaal). Over het algemeen komen ze voor op humusarme grond en op plekken die in de volle zon liggen.
31.A. Raketten-orde 31.B. Orde van distels en ruwbladigen 31.C. Wormkruid-orde 31.RG.01. Rompgemeenschap van bijvoet 31.RG.02. Rompgemeenschap van grote zandkool 31.RG.03. Rompgemeenschap van akkerwinde 31.RG.04. Rompgemeenschap van kweek 31.RG.05. Rompgemeenschap van akkerdistel 31.RG.06. Rompgemeenschap van klein hoefblad 31.RG.07. Rompgemeenschap van oeverstekelnoot 31.RG.08. Rompgemeenschap van wilde cichorei 31.RG.09. Rompgemeenschap van grote kaardebol en kweek Interpretatie Beide mogelijke vegetatietypes wijzen op een bodemtype met mogelijks verdichting (bereden en/of betreden) en/of materiaal (stenig,…) dat van elders afkomstig is (ruderale standplaats). Deze interpretatie zou kunnen stroken met de aanwezige abiotiek in het gebied. Vergelijking van de opgegeven vegetatietypes met de aanwezige vegetatie is moeilijk vanwege het artificiële karakter van deze vegetatie.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
54/66
Foto’s Foto 14: foto van plaats 5, PQ 5-1
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
55/66
PLAATS 5 – PQ 5-2 De coördinaten van de vier hoekpunten van PQ 5-2 zijn terug te vinden in bijlage 2. Vegetatiesamenstelling en dekking Tabel 25: soortensamenstelling op plaats 5 (PQ 5-2), situering per vegetatielaag, en bedekking volgens Tansley. (originele nummering in Turboveg: relevé 8)
Wetenschappelijke naam Rubus fruticosus agg.
Nederlandse naam gewone braam
vegetatielaag kl
bedekking (Tansley) d
Vegetatielaag: b1 (boomlaag – hoog), b2 (boomlaag – midden), b3 (boomlaag – laag), s1 (struiklaag – hoog), s2 (struiklaag – laag), kl (kruidlaag), jl (juveniel), zl (zaailing < 1 jaar), ml (moslaag). Bedekking volgens Tansley: d (dominant – soort overheerst), c (co-dominant – soort overheerst samen met andere soorten), a (abundant – soort is veel aanwezig, maar nooit (co-)dominant), f (frequent – soort is vrij talrijk), o (occasional – soort is verspreid aanwezig), r (rare – soort is zeldzaam), s (sporadic – soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig), l (local – soort komt alleen plaatselijk voor binnen het afgegrensde gebied).
Output Turboveg en Associa Tabel 26: analyseresultaten door Associa, van de opname op plaats 5 (PQ 5-2). Meest waarschijnlijke syntaxa worden weergegeven (nummer en wetenschappelijke naam volgens de vegetatie van Nederland, Schaminée et al., 1996) samen met enkele indicatieve waardes. (originele nummering in Turboveg: relevé 8)
Syntaxon (nr) 40RG03 39RG02 41DG02 42RG02 31AB03C
Syntaxon (naam) RG Rubus fruticosus-[Betulion pubescentis] RG Rubus fruticosus-[Alnion glutinosae] DG Rubus fruticosus-[Dicrano-Pinion] RG Rubus fruticosus-[Quercion roboris] Balloto-Arctietum verbascetosum
Index 1 1 4 4 14
Norm.Lh. -2 -3 -3 -4 -5
Incompl. 13 10 10 9 5
Weirdn. -10 -10 -10 -10 -9
De vijf vegetatietypes hebben een zeer lage “combined index”. De “normalised weirdness” is overal negatief, de “normalised incompleteness” is echter overal positief. Dit zou kunnen wijzen op een mogelijke overgangsvorm tussen (enkele van) de vijf vegetatietypes. Situering in vegetatietypologie 31. Klasse der ruderale gemeenschappen Gemeenschappen van ruderale standplaatsen, dat wil zeggen plekken waar op de een of andere manier materiaal van elders aan het substraat is toegevoegd (vnl. stenig materiaal). Over het algemeen komen ze voor op humusarme grond en op plekken die in de volle zon liggen.
31.A. Raketten-orde Ruderale pioniergemeenschappen van meestal sterk verstoorde grond.
31.A.A. Verbond van kleverig kruiskruid 31.A.B. Kaasjeskruid-verbond Komen voor op relatief humusrijke grond en gedijen niet alleen in het volle licht maar ook in halfschaduw. Het voorkomen ervan wijst meestal op ammoniakhoudende grond.
31.A.B.01. Associatie van kleine brandnetel 31.A.B.02. Kruipertjes-associatie 31.A.B.03. Associatie van ballote en andere netels
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
56/66
Ruderale zoomgemeenschap van zonnige tot halfbeschaduwde, zeer stikstofrijke, vaak ammoniakhoudende plaatsen op basische, kalk- en humushoudende, matig droge tot vochthoudende zand-, leem-, löss- en lichte kleigrond. De soortenrijkdom van deze ruderale gemeenschap blijft alleen in stand als bodem en vegetatie tegelmatig verstoord worden door lichte betreding en ‘gescharrel’ van dieren of door afvalstorting, afbranden of erosie.
31.A.B.03.A. Typische subassociatie 31.A.B.03.B. Subassociatie met grote zandkool 31.A.B.03.C. Subassociatie met kaarsen 31.B. Orde van distels en ruwbladigen 31.C. Wormkruid-orde 39. Klasse der elzenbroekbossen Door zwarte els gedomineerde bossen die op zeer natte standplaatsen, die ’s winters veelal blank staan en ’s zomers hoogstens oppervlakkig uitdragen. Ze zijn karakteristiek voor veenbodems en komen zowel voor in laagten in beekdalen, waar de bomen tot 20 m hoog kunnen worden, als in laagveengebieden, waar de hoogte beperkt blijft tot ongeveer 10 m. Een hoge struiklaag is gewoonlijk slechts pleksgewijs ontwikkeld. De kruidlaag in elzenbroekbossen wordt gevormd door soorten die ook in moerasruigten en rietlanden worden aangetroffen, en bevat nauwelijks of geen specifieke bosplanten. Vooral zeggesoorten spelen een belangrijke rol.
39.A. Orde der elzenbroekbossen 39.RG.01. Rompgemeenschap van hennegras 39.RG.02. Rompgemeenschap van gewone braam 39.RG.03. Rompgemeenschap van moeraszegge 39.RG.04. Rompgemeenschap van grote brandnetel 40. Klasse der berkenbroekbossen Het zijn open, lage bosgemeenschappen op natte, venige standplaatsen. Het voor de planten beschikbare water is zuur en voedselarm en in hoofdzaak afkomstig van regen. De klasse wordt voorts gekenmerkt door het optreden van dwergstruiken in de ondergroei, vooral heide- en veensoorten. De begroeiingen hebben een geringe jaarlijkse productie.
40.A. Orde der berkenbroekbossen 40.DG.01. Derivaatgemeenschap van zwarte appelbes 40.RG.01. Rompgemeenschap van gagelstruwelen 40.RG.02. Rompgemeenschap van pijpestrootje 40.RG.03. Rompgemeenschap van gewone braam Deze rompgemeenschap omvat soortenarme berkenbroekbossen. In de ondergroei komt braam tot hoge bedekking. Deze rompgemeenschap komt vooral voor in het laagveengebied in de randzone van oude kraggen, maar plaatselijk ook aan verdroogde randen van hoogveen.
41. Klasse der naaldbossen Deze klasse omvat een grote verscheidenheid aan vegetatietypen, variërend van hoog opgaande donkere naaldbossen tot open struweelbegroeiingen. Door aanplant van naaldhout op de pleistocene zandgronden en in de duinen zijn grote oppervlakten bossen tot ontwikkeling gekomen die ook tot deze klasse gerekend kunnen worden. De structuur van deze bossen is eenvoudig; een struiklaag ontbreekt veelal en in sparrenbossen is door de geringe hoeveelheid licht alleen de moslaag goed ontwikkeld.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
57/66
41.A. Orde der naaldbossen 41.DG.01. Derivaatgemeenschap van Amerikaanse vogelkers 41.DG.02. Derivaatgemeenschap van gewone braam Deze derivaatgemeenschap omvat dennenbossen met een ondergroei van bramen.
41.DG.03. Derivaatgemeenschap van zandzegge 41.RG.01. Rompgemeenschap van bronsmos en haarmos 41.RG.02. Rompgemeenschap van fijn en groot laddermos 41.RG.03. Rompgemeenschap van adelaarsvaren 42. Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond Gemengde loofbossen met ruwe berk, zomereik en beuk als belangrijkste boomsoorten. Berken komen vooral in jonge bossen op de meest voedselarme gronden veel voor; beuken domineren in een later stadium van de successie, vooral op iets rijkere, lemige gronden. De bossen zijn betrekkelijk soortenarm en eenvoudig van structuur. De klasse is gebonden aan zure, voedselarme, droge tot vochtige zandgronden.
42.A. Orde der eiken- en beukenbossen op voedselarme grond 42.DG.01. Derivaatgemeenschap van Amerikaanse vogelkers 42.DG.02. Derivaatgemeenschap van Amerikaanse eik 42.RG.01. Rompgemeenschap van gladde witbol en brede stekelvaren 42.RG.02. Rompgemeenschap van gewone braam Deze gemeenschap omvat door bramen gedomineerde bossen op oorspronkelijk voedselarme, droge tot matig vochtige zandgronden. Voorts kan ze ontstaan door verdroging van broekbossen op natte veengronden. De toename van bramen op de zandgronden kan enerzijds duiden op externe toevoer van stikstof dor atmosferische depositie of door direct inwaaien van meststoffen van nabijgelegen landbouwgronden, anderzijds op veranderende lichtomstandigheden.
Interpretatie De aard van de verkregen vegetatietypes, romp- en derivaatgemeenschappen, laat reeds uitschijnen dat de terreinopname geen mooi beeld geeft van een vegetatietype. Gezien de aard van de bodemgeschiedenis is dit vermoedelijk wel zo en zullen de vegetatietypes moeilijk te vergelijken met de huidige aanwezige vegetatie.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
58/66
Foto’s Foto 15: foto van plaats 5, PQ 5-2
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
59/66
3.2. Monitoring in de toekomst Aangezien de resultaten van deze monitoring niet echt wijzen op goede kansen voor de ontwikkeling van voedselarm grasland stellen we voor om deze module in de toekomst niet verder op te volgen. De mogelijke maatregelen, en vooropgestelde doelen, dienen ook bijgesteld te worden. Een goede ontwikkeling van voedselarm grasland op tertiaire koppen lijkt ons moeilijk op de voorgestelde locaties.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
60/66
4. Literatuur De Langhe, J.E., Delvosalle, L., Duvigneaud, J., Lambinon, J. & C. Vanden Berghen, 1988. Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden. Uitgave van het Patrimonium van de Nationale Plantentuin van België, Meise. Schaminée I.H.I., Stortelder A.H.E. & E.J. Weeda, 1996. De vegetatie van Nederland. Opulus Press. van der Meijden, R., 1996. Heukels’ flora van Nederland. Wolters-Noordhoff Groningen. Zwaenepoel A. et al., 2002. Systematiek van natuurtypen voor het biotoop grasland. MINArapport 102/99/01.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
61/66
5. Bijlages Bijlage 1 Het identificatieprogramma ASSOCIA O. van Tongeren ASSOCIA is de werknaam voor een programma, dat ontwikkeld is om opnamen te identificeren. Identificatie van opnamen vindt in principe plaats door gebruik te maken van een gecompliceerde afstandsmaat. Voor elke opname wordt deze afstandsmaat berekend uit twee afzonderlijke afstandsmaten, die gecombineerd worden: de zogenaamde combined index. Verder geeft het programma nog een aantal indices, die aanwijzingen kunnen geven over het karakter van heterogene opnamen. De lijst van indices ziet er als volgt uit: I. Recht toe recht aan berekende indices, zonder rekening te houden met verschillen in homotoniteit (homogeniteit) tussen de verschillende typen a. -2ln(likelihood) b. Distance index c. Combined index d. Incompleteness (incompleetheid) e. Weirdness (vreemde soorten index) II. Genormaliseerde indices, die rekening houden met verschillen in homotoniteit tussen de verschillende typen. f. Normalised likelihood g. Normalised incompleteness h. Normalised weirdness
a. -2ln(likelihood) is een maat die in de statistiek gebruikt wordt om te berekenen welk resultaat het meest aannemelijk is. Hoe kleiner de waarde van -2ln(likelihood), hoe groter de aannemelijkheid. Het programma gaat ervan uit, dat de soorten zich min of meer onafhankelijk gedragen, m.a.w. dat de kans op voorkomen van een soort niet voorspeld kan worden uit het voorkomen van andere soorten. Hoewel deze aanname fundamenteel onjuist is, levert het programma toch goede identificaties op. We kunnen echter geen gebruik maken van de bij -2ln(likelihood) gebruikelijke significantie-toetsen.Ln(likelihood) is de som van de logarithmen van de presenties (uitgedrukt als fracties, dus getallen tussen 0 en 1) van de in een opname aanwezige soorten, vermeerderd met de som van de logarithmen van (1presentie) van de in een opname afwezige soorten. Dit getal wordt met -2 vermenigvuldigd om een positief getal te verkrijgen, de logaritmen van getallen tussen 0 en 1 zijn immers negatief. Over de statistische eigenschappen van deze index zijn boeken vol geschreven, maar zoals eerder vermeld gelden deze uitsluitend bij onafhankelijke kansen voor de verschillende soorten.-2ln(likelihood) is in dit geval een maat die, bij onafhankelijke kansen op voorkomen van de soorten, aangeeft hoe groot de (getransformeerde) kans is dat een bepaalde opname een realisatie is van een bepaald type.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
62/66
b. De afstandsmaat waarvoor gekozen is, wijkt af van de gebruikelijke euclidische afstand tot de gemiddelde opname van een type. Gekozen is om, voor de in een opname aanwezige soorten, het verschil te bepalen tussen de bedekking van deze soorten in de opname en de karakteristieke bedekking (gemiddelde bedekking in geval van aanwezigheid) in het type. Als een soort in een type geheel niet voorkomt is de karakteristieke bedekking 0. De verschillen worden gekwadrateerd en vervolgens gesommeerd, waarna uit de som de wortel getrokken wordt. c. De gecombineerde index wordt berekend uit een gemodificeerde -2ln(likelihood), waarbij extra gewicht gegeven kan worden aan de aanwezige soorten in een opname, en de afstandsmaat, door beide tot een zekere macht te verheffen en vervolgens met elkaar te vermenigvuldigen. De machten (som=1) fungeren als gewichten voor beide samenstellende indices. d. Incompleteness: Incompleteness is afgeleid uit -2ln(likelihood). De soorten die in een opname niet voorkomen terwijl ze in een type wel voorkomen dragen hieraan bij, gewogen naar hun presentie in het type. e. Weirdness (vreemde soortenindex): Ook weirdness is afgeleid uit -2ln(likelihood), maar de bijdragen aan weirdness komen vooral van de soorten die niet in het type voorkomen en wel in de opname. De soorten die wel in het type voorkomen dragen ook bij aan de weirdness, maar worden gewogen met (1-presentie). f, g en h: Per type wordt de gemiddelde waarde berekend van -2ln(likelihood), incompleteness en weirdness. Deze waarde wordt afgetrokken van -2ln(likelihood), incompleteness resp. weirdness. Zo wordt elke opname vergeleken met een gemiddelde opname van elk type. Deze indices zijn gemaakt om vergelijking mogelijk te maken tussen typen met zeer verschillende homotoniteit. Een negatieve waarde voor deze indices betekent dat een opname beter lijkt op het type dan de gemiddelde opname van het type, een positieve waarde dat een opname slechter lijkt op het type dan de gemiddelde opname van dit type. Voor de indices a t/m e wordt per opname een lijstje gegeven van de best passende typen. Bij a (-2ln(likelihood)) wordt voor elk type in de lijst tevens de normalised -2ln(likelihood) gegeven. Bij c (de gecombineerde index) wordt voor elk type in de lijst tevens de normalised weirdness en de normalised incompleteness gegeven. Beslisregels (voorlopig) Kijk in alle gevallen naar zoveel mogelijk indices om een goed beeld te krijgen!!! Wijzen alle indices in dezelfde richting, dan is het meestal duidelijk, zijn er verschillen dan is er mogelijk wat aan de hand. Een goed begin is om de volgende determinatietabel te volgen en daarna de in aanmerking komende typen op te zoeken bij de overige indices. De determinatietabel gaat uit van de gecombineerde index, die op basis van onze praktijkervaring de meeste juiste toewijzingen geeft. In een volgende versie zal getracht worden deze regels aan te passen en te formaliseren, waardoor de beslissing verder geautomatiseerd kan worden.
1a Gecombineerde index (standaard opties) geeft 1 type aan: Dit type is waarschijnlijk het juiste type. .....…………………...............................................................................................................…………..2
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
63/66
1b Gecombineerde index (standaard opties) geeft meer dan 1 type aan ................................…………..4 2a Normalised incompleteness en normalised weirdness beide kleiner dan 0 .............…………..mooi zo 2b Normalised incompleteness groter, normalised weirdness kleiner dan 0 ............………….soortenarm 2c Normalised incompleteness kleiner, normalised weirdness groter dan 0 ….........…………...soortenrijk 2d Normalised incompleteness en normalised weirdness beide groter dan 0 ..................………….........3 3a Normalised incompleteness weinig groter dan 0, normalised weirdness veel groter dan 0 .............................................................………….. soortenrijke vorm van een heterotoon type 3b Normalised incompleteness veel groter dan 0, normalised weirdness weinig groter dan 0 ..........................................................………….... soortenarme vorm van een heterotoon type 3c Beide veel groter dan 0 ................................... kijk de opname en het type na: Mogelijkheden: Nieuw type (ook kijken naar normalised -2ln(likelihood), deze moet dan ook zeer hoog zijn voor het type), overgang tussen twee typen, waarbij een van beide zeer incompleet is (kijk ook in de lijst van typen volgens -2ln(likelihood)), etc. (nog aan te vullen) 4a Eén type heeft negatieve of zwak positieve normalised weirdness en negatieve of zwak positieve normalised incompleteness, de overige typen duidelijk positieve normalised weirdness en/of positieve normalised incompleteness ..............…………………..........……………………… type met beide negatief is vermoedelijk juiste type (bekijk bij twijfel ook andere typen) 4b Twee of meer typen met negatieve of zwak positieve normalised incompleteness en duidelijk positieve normalised weirdness .............................………………….................... mengvorm van (of overgang tussen?) twee of meer typen 4c Twee typen met negatieve normalised weirdness en duidelijk positieve normalised incompleteness ........................................ overgang tussen twee typen N.B. LET BIJ OVERGANGEN E.D. OP ROMP- en DERIVAATGEMEENSCHAPPEN: GEVAARLIJK !!!!! Ga vervolgens bij het (de) desbetreffende type(n), voor zover mogelijk, na of ze vooraan staan in de verschillende lijstjes en of de bijbehorende genormaliseerde indices een niet te hoge waarde vertonen. a -2ln(likelihood): weegt standaard zwaar mee in de beoordeling, zou dus niet teveel moeten afwijken. Echter: -2ln(likelihood) is in het algemeen hoger voor heterotone typen, dus de laagste waarde geeft, wanneer een heterotoon type en een homotoon type veel op elkaar lijken, niet altijd het correcte type. Wanneer in zon geval de genormaliseerde -
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
64/66
2ln(likelihood) minimaal is voor het type waarop u uitgekomen bent, dan is er niets aan de hand. b Afstandsindex: Wanneer het type hier afwijkt is er in principe weinig aan de hand. Met name bij soortenrijke typen komen grotere afwijkingen voor. Enkele soorten met een afwijkende bedekking kunnen ook al tot grotere verschillen leiden. Als de dominante soorten van een associatie dezelfde zijn als de dominanten in een romp- of derivaatgemeenschap wordt vaak, vermoedelijk ten onrechte, een romp- of derivaatgemeenschap aangegeven in plaats van het juiste type. Vaak echter geeft deze index ook goede informatie over afwijkende dominanties. c Zie bovenstaande determinatietabel d Incompleteness: als hier afwijkingen zijn, betekent dit meestal dat in plaats van een niet geheel volledige gemeenschap een (uiteraard) complete romp- of derivaatgemeenschap vermeld staat. Wanneer deze niet in het lijstje van de weirdness-index (e) staat, betekent dit dat er veel vreemde soorten voor de romp- of derivaatgemeenschap aanwezig zijn, dus dat er niets aan de hand is. Wanneer ook de weirdness van de romp- of derivaatgemeenschap laag is, moet de opname nog even goed vergeleken worden met de desbetreffende gemeenschappen e Weirdness: Eigenlijk mag het gevonden type volgens de determinatie niet ontbreken in de lijst van typen met de minste vreemde soorten. Soms zijn hier echter soortenrijkere gemeenschappen opgenomen in de lijst. Vergelijk daartoe de synoptische tabel van de desbetreffende typen met de opname. Meestal is ook hier weinig aan de hand.
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
65/66
Bijlage 2 De coördinaten van de vier hoekpunten van de verschillende permanente kwadraten. Nummer PQ PQ 1-1 PQ 1-1 PQ 1-1 PQ 1-1 PQ 1-2 PQ 1-2 PQ 1-2 PQ 1-2 PQ 2-1 PQ 2-1 PQ 2-1 PQ 2-1 PQ 2-2 PQ 2-2 PQ 2-2 PQ 2-2 PQ 3-1 PQ 3-1 PQ 3-1 PQ 3-1 PQ 3-2 PQ 3-2 PQ 3-2 PQ 3-2 PQ 4-1 PQ 4-1 PQ 4-1 PQ 4-1 PQ 4-2 PQ 4-2 PQ 4-2 PQ 4-2 PQ 5-1 PQ 5-1 PQ 5-1 PQ 5-1 PQ 5-2 PQ 5-2 PQ 5-2 PQ 5-2
X 186953,83062500000 186951,90637900000 186953,95890800000 186955,94729600000 186913,34929400000 186913,41343600000 186910,33464100000 186910,33464100000 186918,48229700000 186921,33456500000 186917,27224400000 186920,03807900000 186922,11245600000 186924,79185900000 186920,90240300000 186923,58180600000 187302,20924100000 187305,08343800000 187305,08343800000 187302,20924100000 187232,94109000000 187235,81528700000 187235,89386300000 187233,09653900000 187441,02128400000 187443,31322600000 187445,29957700000 187443,00763400000 187424,90128500000 187427,26962600000 187429,17957800000 187426,96403400000 188751,92310300000 188754,61468100000 188750,40177600000 188752,97632900000 188765,73207100000 188767,37042300000 188769,94497600000 188768,54067500000
RVK Vissenaken – monitoring T = -1 – module voedselarm grasland op tertiaire koppen
Y 168898,44321100000 168896,42275200000 168894,43436400000 168896,29446900000 168946,19658900000 168949,27538300000 168949,27538300000 168946,19658900000 168882,55209500000 168881,68777200000 168880,13198900000 168879,09480100000 168863,53697700000 168862,49978900000 168860,94400700000 168859,82038600000 169246,27638500000 169246,27638500000 169243,25847800000 169243,11476800000 169226,87555400000 169227,01926400000 169223,77452600000 169223,75767500000 168772,23194400000 168774,14189700000 168771,92635200000 168770,09279800000 168745,49261000000 168747,32616500000 168745,03422200000 168743,27706500000 167640,51005900000 167639,33980800000 167637,81848100000 167636,29715400000 167659,81921000000 167662,51078800000 167661,34053700000 167658,53193300000
66/66