Skip to main content

M&L_11_5.pdf

Page 1

MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 11/5 //

SEPTEMBER-OKTOBER 1992 //

TWEEMAANDELIJKS //


o

Restauratie HH. Petrus & Pauluskerk te Oostende - 2de fase : Torens De torens werden gerestaureerd met de natuursteen Vinalmont

ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (091) 22 22 39 - 22 20 48 / Fax (091) 20 27 75


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948 •

11 jaargang Nr. 5 •

september-oktober 1992

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen, Afdeling Pers & Voorlichting. Zandstraat3,1000 Brussel. Tel.: (02) 209 27 37. Eindredactie: M.M. Celis. Productie en promotie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns. Vormgeving: L. Tack.

Redactiecomlté Voorzitter: E. Goedleven. Leden: H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt.

Advertentiewerving De Ganzerik. J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89.

Druk

Inhoud Beschouwingen bij een inventarisatie _ Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck De Voerstreek. Ter inleiding Frieda Schlusmans

10

Het Voerense landschap Hubert Bats

14

De Voergemeenten. Agrarische nederzettingsmodellen en hun componenten Frieda Schlusmans

34

Sint-Pieters-Voeren en de Commanderie van de Duitse Orde Frieda Schlusmans

51

Summary

63

M&L Binnenkrant

Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Abonnementsvoorwoarden 1992 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Zandstraal 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1992". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Cover: de Voerslreek (foto 0. Pauwels)

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


Een PRODUKTENGAMMA g e b a s e e r d op 3 hoofdpijlers, - RESTAURATIE - WATERDICHTING - HULPSTOFFEN

Uit d e produktengroep restauratie en waterdichting: INDUPACT :

geconcentreerde aanhechtingslaag voor poreuze ondergrond.

INDUCRYL :

elastische en gekleurde waterdichte coating op basis v a n acrylharsen met interne weekmaking,

REWAH fabriceert produkten, geeft advies en technische hulp. Foto : Interbrew te Leuven. INDUCRYL als beschermende afwerkingslaag bij betonreparatie.

Nijverheidsweg 24

2240 Zandhov

Tel. (03) 485 55 33

Fax (03) 485 74 47

SUPPORT - SURFACE RESTAURATIE + CONSERVATIE.

Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.

MAAR HET KAN Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

^yplMM*ttc&£&4&n& • Jeuc

• tSfaifödxM*- • <l~Ax%fcA*&mee

Maatsch. zetel: Bennesteeg 3, 9000 Gent (091)23 87 03 Bedrijfszetel: Wapenstraat 12B, 2000 Antwerpen (03) 248 12 97

l i ' Li

Solar

Kleine Breedstraat 33, 9100Sint-Niklaas. Of bel (03) 776 91 62.

DEPIGEONAL I


Fragment Gemeentehuis Schaarbeek.

NATUURSTEEN VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. 03/325.03.83 TELEFAX 03/325.68.66

iv

AMINCK

GASSTRAAT11A 9100 LOKEREN TEL. 091/48.12.17 TELEFAX 091/48.96.61

GILLEBERTUSSTRAAT 32 1090 BRUSSEL TEL. 02/772.15.85


Toestand na restauratie

Toestand vóór restauratie

Gemeentehuis Sint-Gillis Brussel Bouwonderneming: Sintra SA, Les Bons Villers Architect: Mr. Willems Droogreiniging: Procédé Peeling

EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT

EXHYDRO® : goedkeuring - BUTGB - ATG/H606 EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie

VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...

REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)

CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...

REMAL : - volledig gamma

RENOVATION MAINTENANCE Avenue Galilee 5 - Zoning Nord 1300 WAVRE

Tel. (010)22 82 88 Fax (010) 22 84 58

PVBA


Closter, Originele Engelse Teakmeubelen ^ E

IMPERPLp MnaérsiRcónéir-

leakhouten tuinmeubelen? Van "Closter" natuurlijk Omdat "Closter" je de zekerheid biedt van jarenlange Engelse traditie, op klassieke wijze gebouwd in eerlijke plantage-teak. En omdat je bij "Closter" ook de kussens en houtstok-parasols vindt. Omdat "Closter" je laat kiezen uit meer dan 70 originele modellen, die voor iedere plaats en elke smaak een gepaste oplossing weten te bieden.

De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Perfekte vochtbestrijder. Inlichtingen: Mechelsestraat 121, 3000 Leuven Tel. (016) 23 98 25 Smederij

icmm

:£> [RESTAUBATIEI

MOLENBAAN 18 2160 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • •

Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tafels

TUINMEUBELEN, OOK OM NAAR TE KIJKEN. Voor dokumentatie en een verdeler in uw buurt, bel, schrijf of fax: AFRA, Kerkstraat 10, 2330 Merksplas, Tel: 014/63 36 39 - Fax: 014/63 50 90

Gediplomeerd restaurateur

7~^-

'—

ALGEMENE BOUWONDEi VERNIEUWBOUW mjm RESTAURATIH\VLKKEJ*v GEVELWERKEN 1 J* NATUURSTEENifeiSTI fcftGEN^ BETONREPAR^^H SPECIALE. TECHNIEKIN

de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:

n

De restauratiematenalen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft.

H H

Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

•

Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.

H

Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransportan niet belemmeren.

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en mjektiemortels van hoogwaardige kwa[ SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

^ Si

T a x 050/31 03^73

Solar

KMTM Breedstiaat 33.9100 St -Niklaas

wor meer informatie belt u.' oj/yyóyi. 61


ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft V zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnenzware heiaard torst?


Zo kan de geschiedenis

zich blijven

Zo treedt op een dag ons patrimo-

herhale n

speelt, is dit een steuntje voor een mo-

nium uit de schaduw.

nument, een stukje verleden of een

Zo maken we op een dag kennis

kunstwerk.

met ons verleden.

Zo komen elk jaar tientallen miljoenen vrij om onze geschiedenis te bewaren.

Zo verruimen we op een dag onze blik met kunst.

En betekent een kans met de

Al die dagen komen er mede dank-

Nationale Loterij tegelijk een kans

zij de Nationale Loterij.

voor talrijke opgravingen, restauraties

Want telkens wanneer iemand

of ontdekkingen.

© De Nationale Loterij. Een kans hebben is t e ge lij k een kans

geven

P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ E3Laan 49 - 9800 DEINZE Tel. : (091)86 07 6 3 - 8 6 61 50 Fax: (091)86 04 15

r

N.V. MODERN RENOVATION TECHNICS S A STABILITEIT

RENOVATIE - RESTAURATIE

-

- Droogleggen van muren. - Reinigen van gevels. - Verharden en waterwarend maken van natuur- en baksteen. - Restauratie van natuursteen. - Betonherstelling - Zwambestrijding - Houtwormbestrijding.

Technische studie-Berekeningen. Scheurinjekties van steen en beton. Consolidatie van muren. Plaatsen van chemische verankeringen. Plaatsen van trekkers-vijzeltechniek. Opvijzelen van konstrukties. Polymeerchemische restauratie van hout.

SOUVERAINESTRAAT 38/42 - 9800 DEINZE - TEL. 091/86.97.67 - FAX 091/86.98.26


M&L

BESCHOUWINGEN BIJ EEN INVENTARISATIE SUZANNE VAN AERSCHOT-VAN HAEVERBEECK

Sint-MartensVoeren. Het dorp met de beschermde Sint-Martinuskerk (foto totodienst LINl

Het afsluiten van de eerste inventarisatie van een streek en het uitbrengen van het verzamelde materiaal in de boeken* reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, vormen telkens opnieuw unieke momenten van gemengde voldoening en schroom. Het afgebakende terrein is nu uitgekamd, significante elementen van het bouwkundig erfgoed zijn onderkend midden al het gebouwde, de gegevens zijn "afgelezen" en In verband gebracht: een ruime synthese tussen het visueel ervaarde en het intellectueel verwerkte dient nu in bondige verwoording gebracht in de historische en architec-

tuurhistorische inleidingen van het nieuwe inventarisdeel.

Ee^en gelijklopend AML-themanummer laat toe dit overzicht te articuleren, te preciseren waar nodig en ruim te stofferen met de verzamelde illustraties die soms op een groter formaat en in een nieuwe context beter tot hun trekken kunnen komen. Geen vereenvoudigd afkooksel dus maar wel een nieuwe, vrijere behandeling van het bestudeerde thema, opgewerkt met uitwijdingen, bemerkingen en typische accenten. Net als het inventarisdeel van het kanton Voeren, komt het "Voeren "-nummer wellicht precies op tijd: de bestaande literatuur hoort immers ofwel tot de zuiver historische - veelal gezien vanuit de Luiksehoek - ofwel tot de eerder toeristische promotie, ofwel tot de bijzonder gespecialiseerde studiën.


M&L

9

Er is dus blijkbaar nood aan een overzichtelijke, algemene benadering waarin zowel het landschappelijke als het historische en het gebouwde aan bod komen als afzonderlijke en gerelateerde factoren. Systematisch veldwerk, aanvullend onderzoek van de soms moeilijk op te sporen archivalische en iconografische bronnen en plaatselijke inbreng van de lokale specialisten en bevolking hebben op korte tijd toegelaten een soort van momentopname en radiografie van de streek te maken. De aparte karakteristieken kwamen stilaan tot uiting en konden aldus beter worden omlijnd. Zowel de geografische en historische context als het bewaarde bouwkundig erfgoed situeren de streek in een ruimer, grensoverschrijdend kader, overlopend in Nederland, Duitsland en Wallonië. Op zich is het een soort van rijke smeltkroes geworden, waarin diverse invloeden en mogelijkheden op creatieve wijze werden verwerkt. De ietwat afgezonderde ligging en het doorleven van de traditionele landbouwactiviteiten hebben een geïntegreerd behoud van het erfgoed in de hand gewerkt. Nu het toerisme hier gaat optreden in een eurregionaal kader dient met grote zorg gezocht naar een behoorlijk evenwicht: permanente en tijdelijke bewoners, vakantiegangers en ééndagstoeristen moeten, naast het oppervlakkig aantrekkelijke, het ware en aparte karakter van deze streek leren

ontdekken en beseffen dat haar heden en toekomst afhangen van hun attentvolle bekommernis en positieve zorg en betrokkenheid. In de Voerstreek werd tot op heden slechts weinig officieel beschermd: hoop en al kwamen 5 monumenten, 2 dorpsgezichten en 4 landschappen op de lijst, dankzij initiatieven genomen in de periode van 1956 tot 1986. De huidige stand van zaken toont aan dat "evidente" elementen van het bouwkundig erfgoed, als onder meer de Commanderie van Sint-Pieters-Voeren, de abdij van Sinnich en andere niet in deze lijst zijn opgenomen. Voor beide "monumenten" en hun omgevend "dorpsgezicht", evenals een viertal afzonderlijke "monumenten ", werd de procedure onlangs ingezet. Deze eerste fase zal verder worden aangevuld met andere, waarin de doorsneebebouwing en de ensembles systematisch zullen opgenomen worden. Deze beschermingspolitiek zal evenwel moeten uitdeinen in een globale aanpak, waarin de voor de streek zo typische en harmonieuze verwevenheid van het landschappelijke en het gebouwde voor de toekomst verzekerd wordt. M&L wil bijdragen tot de basisvoorlichting van verantwoordelijke overheden, bevolking en bezoekers en er bovendien voor zorgen dat de hele streek beter zou worden begrepen, geapprecieerd en tenslotte gewoon en ten volle zou worden genoten om haar aparte eigenheid.

LUST DER BESCHERMDE MONUMENTEN, STADS- EN DORPSGEZICHTEN EN LANDSCHAPPEN Modingen L M

Dal van de Berwinne Toren van de O.-L.-Vrouwekerk

30.05.86 03.08.56

's-Gravenvoeren D L L L M

Kloosterstraat 92: erf met het hoevecomplex De Kruisgraef Hoogbos Kinkenberg, O.-L.-Vrouwekapel met omgeving Kloosterstraat 92 (verdwenen)

18.07.80 03.07.85 22.07.85 30.11.60 18.07.80

St-Martens-Voeren D M

Onmiddellijke omgeving van de St.-Martinuskerk St.-Martinuskerk met kerkhofmuur

St-Pieters-Voeren M St.-Annakapel

11.04,84 11.04.84

12.04.74 •

'

•

•

'•

• • < • • * •


10

M&l.

DE VOERSTREEK. TER INLEIDING FRIEDA SCHLUSMANS

Teuven. De abdij van Smnich. Aquarel van A. Schaepkens, ca.1850 (Algemeen Rijksarchief Brussel, Prentenkabinet)

De gemeente Voeren maakt deel uit

(Plombières, Sippenaeken, Hombourg),

van het administratief arrondissement

ten zuiden de gemeenten Aubel,

Tongeren. Ze is sinds 1977 samengesteld

Dalhem (Neufchateau, Warsage,

uit de gemeenten 's-Gravenvoeren,

Berneau) en Visé en ten westen Visé.

Moelingen, Remersdaal, Sint-Martens-

De smalle westelijke uitloper van

Voeren, Sint-Pieters-Voeren en Teuven.

Moelingen grenst aan de Maas.

Ze is ten oosten van het aaneenge-

Het meest oostelijke punt (Remersdaal)

sloten grondgebied van de provincie

ligt op 9 km van de Duitse grens en op

Limburg gelegen, en grenst ten noorden

een 10-tal km van Aken.

aan Nederland (provincie Limburg), met van west naar oost de gemeenten Eijsden, Margraten (Sint-Geertruid, Mheer, Noorbeek) en Wittem (Slenaken), en voor het overige aan Wallonië, met ten oosten de gemeente Plombières

Do 'oor deze ligging aan drie grenzen wordt het gebied gekenmerkt door een zeker syncretisme, wat niet alleen visueel en materieel tot uitdrukking komt onder meer in het landschap en het gebouwenpatrimonium, maar ook blijkt uit geschiedenis, taal en samenlevingspatronen. Deze diversiteit dient echter


M&L

11

gerelativeerd: het gebied maakt duidelijk en in alle opzichten deel uit van het Maasland, een historische en culturele entiteit, die zich door de eeuwen heen ondanks de verschillende land- en taalgrenzen tot een reëel territorium wist te profileren. Een element, dat het uitzicht van de gemeente thans in hoge mate bepaalt, is de uitsluitend agrarische uitbouw van het gebied. Het ontbreken van andere tewerkstelling dan de landbouw en de vrij geïsoleerde ligging bij gebrek aan uitgebreide transportinfrastructuur hield de bevolkingsaangroei laag. Vooral de sterke groei van de toeristische sector bracht hierin sinds de laatste decennia verandering. Toch bleven de bestaande historische structuren en het landelijke uitzicht, op enkele zeer recente en beperkte ontwikkelingen na, gaaf bewaard.

DE HISTORISCHE ACHTERGROND De streek waarin Voeren zich situeert wordt reeds zeer vroeg bewoond; bij Maastricht werden bewoningssporen ontdekt van circa 250 000 vóór Christus. De archeologische vondsten in Voeren dateren uit

het neolithicura: het zijn silexontginningen en -werkplaatsen. Ze vertonen geen sporen van permanente bewoning. In de Romeinse periode wordt het gebied zoals de rest van Zuid-Limburg bewoond en in cultuur gebracht. De val van Keulen in het midden van de 5de eeuw sluit deze periode af en brengt de Franken aan de macht. Er zijn geen duidelijke sporen die een continuïteit van bewoning kunnen staven. Mogelijk blijft de bewoning behouden in de dalen, terwijl de hellingen opnieuw bebost raken. In de Karolingische periode ligt het gebied dicht bij het machtscentrum van het toenmalige Frankische rijk; de nabijheid van de Karolingische residenties Herstal en Aken is voor Voeren ongetwijfeld van betekenis geweest. Voeren wordt voor het eerst vermeld in 878 als een Karolingisch kroondomein. De opvolgers van Karel de Grote verbleven er waarschijnlijk meermaals. Met zekerheid te identificeren materiële sporen uit deze periode werden echter tot nog toe niet gevonden. Bij de kerkelijke organisatie van het rijk wordt het gebied bij het bisdom Tongeren-Maastricht, later bij Luik ingedeeld. Het was toen reeds ingedeeld in parochies, die later zullen ressorteren onder het aartsdekanaat Maastricht.

De Voerstreek tijdens het Ancien Régime. "Carte du Duché de Limbourg, du comté de Daelhem, de la seigneurie de Fauquemonl, du pays de Rolduc et d'une padie de la principauté de Liège. Dessinée en 1785 par Nicolas Marchal" (Algemeen Rijksarchief Brussel)


12

M&L

Door het Verdrag van Verdun (843) valt het gebied onder het aan Lotharius toegewezen middenrijk; door het Verdrag van Meerssen (870) wordt het een deel van het Oost-Frankische rijk. In de feodale periode ontstaan een aantal vorstendommen, waarvan de heren zich zeer onafhankelijk opstellen tegenover de Duitse keizer. De politiek van de keizers is er dan ook op gericht de buiten proporties gegroeide macht van deze vazallen te breken door er een sterk georganiseerde Rijkskerk tegenover te plaatsen. In deze context ontstaat het ten westen aan Voeren grenzende prinsbisdom Luik (980). Voeren behoort gedeeltelijk tot het hertogdom Limburg (de oostelijke gemeenten Remersdaal en Teuven), met als centrum de stad en burcht Limburg aan de Vesder, gedeeltelijk tot het minder belangrijke graafschap Dalhem, waarvan het centrum onmiddellijk ten zuiden van Voeren ligt. De interesse van de graven - later hertogen - van Brabant voor het gebied ten oosten van de Maas dateert reeds uit de 11de eeuw, wanneer de hertogtitel van Neder-Lotharingen de inzet wordt voor een strijd tussen de verschillende dynastieën die het grondgebied bewonen. Zij krijgt echter een nieuwe dimensie met het ontstaan van de handelsweg Brugge-Keulen, die door de opkomst der steden een

De toestand tijdens het Frans Bewind

(1795). Voeren is ingedeeld bij het Franstalige departement van de Ourthe (tekening R. De Meerleer)

NOORDZEE

Departement van de Ourthe Departement van de Nedermaas

geweldig economisch belang heeft. Een eerste Brabants ingrijpen in de overmase gebieden is de vereniging van Dalhem met Brabant in 1244. De successieoorlog om het hertogdom Limburg, in 1288, beslist ten voordele van Brabant in de legendarische slag van Woeringen, en de vereniging van Limburg met Brabant voltooit de Brabantse expansie ten oosten van de Maas. "Limburg en de Landen van Overmaas" vormen een Brabantse enclave, door het prinsbisdom Luik van het hertogdom afgescheiden. Sint-Pieters-Voeren komt in bezit van de Duitse Orde en blijft een vrije rijksheerlijkheid, rechtstreeks ressorterend onder het Duitse Rijk. In 1430 wordt het gebied samen met Brabant opgenomen in het Bourgondische rijk. Het wordt in 1548 door Karel V ingedeeld bij de Bourgondische Kreits. Zoals het hele gebied rondom Maastricht heeft Voeren zwaar te lijden van de oorlogsverrichtingen in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1632). Het Partagetractaat (1661) verdeelt het gebied tussen Spanje en de Verenigde Provinciën. Dit brengt een versnippering teweeg die pas door het Verdrag van Fontainebleau (1785) zal worden rechtgetrokken. Ook de oorlogen van Lodewijk XIV (1667-1713) en de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748)


M&L

13

- Delvaux H., Dictionnaire géographique de la province de Liège. 2 vol., 1842. - Diriken P., Geogids Voeren. Sint-Truiden, 1990. - Ernst S.P., Histoire du Limbourg, suivie de celle des comtés de Dalhem et de Fauquemont et des annales de l'abbaye de Rolduc, 7 vol., Liège, 1837-1847. - Gelder W. Van, Voerstreek (Toeristisch Wegwijs), Antwerpen, 1981. - Geukens B., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen. Provincie Limburg. Kanton Sint-Martens-Voeren. Brussel-Sint-Truiden, 1975. - Heemkring Voeren en Omstreken, Architectuur in Voeren en Omstreken. 1794-1914, Voeren, 1989. - Jappe Alberts W., Geschiedenis van de beide Limburgen, deel I, Assen, 1972; deel II, Assen, 1974. - Knapen-Lescrenier A.-M., Répertoire bibliographique des trouvailles archéologiques de la province de Liège. Les ages de la Pierre, Brussel, 1966. - Langohr J. en Van Overloop J., Het land van Overmaas, Antwerpen, 1936. - Munier W.A.J., Historische Atlas van Limburg II. Serie kerkhistorische kaarten. Kerkelijk circumscriptie van de tegenwoordige provincie Limburg en omliggende gebieden, Assen, 1976. - Nijssen J., Manuscript Voerense percelen. Voeren, 1992. - Nijssen J.-Vandenabeele Elza, Molenboekje Voeren en omliggende (V.V.V. Voerstreek en Opbouwwerk Voeren), Voeren, 1991. - Palmans P., Voeren anders bekeken (Vlaamse Toeristische Bibliotheek), Antwerpen, 1986. - Poswick E., Les Délices du duché de Limbourg, Verviers, 1951. - Rahlenbeck C., Histoire de la ville et du comté de Dalhem, Bruxelles, 1852. - ld.. Les pays d'Outre-Meuse. Etudes historiques sur Dalhem, Fauquemont et Rolduc, Bruxelles, 1888. - Ruwet J., L'Agriculture et les Classes rurales au Pays d'Herve sous l'Ancien Régime, Liège, 1943. - Ryckel A. de. Les communes de la province de Liège. Notices historiques, Liège, 1892. - ld., Lesfiefs du comté de Dalhem, in Bulletin de la société d'Art et d 'Histoire du Diocese de Liège, jg. 17, 1908, p.279-301. - Schopman W., La formation et Ie développement territorial du duché de Limbourg du Xle siècle jusqu 'en 1288, in Bulletin de la BIBLIOGRAFIE Société verviétoise d'Archéologie etd'Histoire,\%.5\, 1964, p.5-159. - Dans J., Notes historiques sur les anciens pays d'Outre-Meuse, in - Thisquen J., Histoire de la ville de Limbourg, in Bulletin de la Notices historiques sur les églises du diocese de Liège, vol.8. 1877, Société verviétoise d'Archéologie et d'Histoire,]g.9, 1907; 10, 1908. - Defize-Lejeune A.M., Répertoire bibliographique des trouvailles archéologiques de la province de Liège (depuis l'Age du Bronze - De Voerstreek, in De Tijdspiegel, speciaal nummer, jg.25, 1970, 3. jusqu'aux Normands),Bm&sd, 1964. - De Voerstreek, in De Tijdspiegel, jg.3l, 1976,2-3.

hebben hun repercussies in het bestudeerde gebied. De abdij van Sinnich (Teuven) lijdt in deze periode zware schade. In de nieuwe administratieve indeling tijdens het Frans Bewind (1795) wordt Voeren ingedeeld bij het departement van de Ourthe, met Luik als hoofdplaats, en dit in tegenstelling tot de overige Nederlandstalige gebieden van het latere Belgisch en Nederlands Limburg, die bij het departement van de Nedermaas worden ingedeeld, met Maastricht als hoofdplaats. Door het Verdrag van Wenen (1815) komt Willem van Oranje in het bezit van het koninkrijk der Nederlanden, dat de Verenigde Provinciën, de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik omvat. Hij vormt met het departement van de Nedermaas de provincie Limburg, met het departement van de Ourthe de provincie Luik. Voeren wordt dus bij de provincie Luik ingedeeld. Aangezien hierdoor de taalgrens echter iets zuidelijker loopt dan de provinciegrens, wordt Voeren bij de taalgrensregeling van 1962 bij de provincie Limburg gevoegd. Deze maatregel geeft bij bepaalde groepen nog steeds aanleiding tot hevige polemieken, die herhaaldelijk de context van de locale politiek overstijgen.


14

M&L

HET VOERENSE LANDSCHAP HUBERT BATS

Terrasvorming langs een beekdai (foto 0. Pauwels)

Gesitueerd tussen de Belgisch-Neder-

gouw in het westen en het Land van

landse grens in het noorden, de Maas

Herve in het zuidoosten, is een recht-

in het westen en de provincie Luik die

streeks gevolg van de oostelijke geo-

de zuid- en oostgrens vormt, is de Voer-

grafische ligging, de hoogte boven het

streek het meest zuidoostelijk gelegen

zeeniveau en de samenstelling van de

stukje van Vlaanderen.

ondergrond.

De zes landelijke Voerdorpen Moelin-

Deze drie criteria liggen aan de basis

gen, 's-Gravenvoeren, Sint-Pieters-

van de grote verscheidenheid in het

Voeren, Sint-Martens-Voeren, Teuven en

gradiëntrijke Voerense landschap met

Remersdaal beslaan een oppervlakte

zijn oude Maasterrassen, uitgestrekte

2

van ongeveer 50 km .

leemplateaus en weidegebieden,

Het eigen specifieke karakter van dit

asymmetrische dalen, poelen, bronge-

overgangsgebied tussen droog Haspen-

bieden, graften, houtkanten.


M&L

Mergelontsluiting in de steile zuidelijk georiënteerde flank van het Voerdal te 's-Gravenvoeren (Keften) (eigen foto)

15

holle wegen, grubben, verlaten grint-, vuursteen- en mergelgroeven, hoogstamboomgaarden, plateau-, helling- en bronbossen... De vegetatie vertoont kenmerken van zowel het middeneuropese als het atlantische floradistrikt. Omwille van hun natuurwetenschappelijke, esthetische en cultuurhistorische waarde genieten reeds verschillende landschappen een wettelijke bescherming: de vallei van de Berwijn tussen Moelingen en Berneau, de Kruisgraaf en het Hoogbos te 's-Gravenvoeren en de Martelberg-graftengebied te SintMartens-Voeren. (1) GEOLOGIE Gulpense kalken

Mergelgroeve in het Konenbos te SintMartens-Voeren (eigen foto)

Mergelgroeve te Sint-MartensVoeren (Ulvend) (eigen foto)

De ondergrond van de Voerstreek bestaat praktisch volledig uit krijtgesteente, door de zee in subhorizontale lagen afgezet tijdens het Mesozoïcum of secundair tijdperk (ongeveer 248-65 miljoen jaar geleden). Door het zich onophoudelijk - gedurende miljoenen jaren - opstapelen van dode organismen met een kalkskelet op de bodem van een ondiepe subtropische zee, ontstond een kalklaag met een maximale dikte van 100 m onder het Vrouwenbos te Sint-Martens-Voeren en 70-80 m in de omgeving van De Plank (Sint-Martens-Voeren) en Gieveld (Teuven). De grootste dikte wordt bereikt centraal onder de plateaus in het oosten van de Voerstreek en neemt geleidelijk af in westelijke richting. Deze sedimenten, "Gulpense kalken" of "formatie van Gulpen" genoemd, behoren meer bepaald tot de krijtlagen van het Senoon. Zij werden gevormd gedurende de periode tussen ±100 en 65 miljoen jaar geleden - het zogenaamde "Boven Krijt" - in een zee die zich uitbreidde over Noord- en Midden België, Zuid-Nederland en Noord-Duitsland. Het is een zacht, fijnkorrelig gesteente met eerder weinig en verspreide silexbanken, waarin fossiele resten van onder andere belemnieten (2), zeeëgels, koralen en schelpen voorkomen. Het materiaal is te zacht en bevat te veel klei, zand en leem om door middel van een onderaards gangensysteem in blokvorm ontgonnen te worden als bouwmateriaal (3). Voor exploitatie in dagbouw

ten behoeve van de cementindustrie is de afzetting daarom eveneens ongeschikt. Plaatselijke landbouwers ontgonnen de losse mergel op kleine schaal in mergelkuilen ter verbetering van hun akkers en weilanden. De opkomst van de kunstmest na de Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan deze bemestingstechniek. De nu verlaten groeven en ontsluitingen, die zich meestal in de bovenste helft van de dalflanken bevinden, zijn grotendeels begroeid en dus nauwelijks in het landschap herkenbaar. Deze lokaties waar het krijtgesteente dagzoomt komen verspreid over de ganse streek voor. Zij zijn uitermate geschikt voor de bestudering van de geologie en van de voor de streek kenmerkende kalkflora.


16

Uittreksel uit de topografische kaart van het Nationaal Geografisch Instituut, kaartblad Liège-Eupen, uitgave 1989. Schaal 1/100.000

M&L

Vaalser groenzand Onderaan in het krijtmassief komen groene glauconietrijke zanden (4) voor, doorspekt met voor het grondwater ondoorlaatbare kleilagen, het zogenaamde "Vaalser Groenzand" of "formatie van Vaals". De afzetting dagzoomt enkel langs de bovenloop van de Noorbeek, in de Veursvallei stroomopwaarts van het gehucht Kwinten, over de gehele lengte van de vallei van de Gulp, onderaan de taluds van enkele holle wegen die deze dalen met de plateaus verbinden en langs de Berwijn. Het op de kleilagen stagnerende grondwater bereikt er de oppervlakte onder de vorm van talrijke bronnen. Het nergens dagzomen van de formatie van Vaals ten westen van het gehucht Altenbroek, met uitzondering van een kleine lokatie langs de Berwijn, verklaart de afwezigheid van bronnen in de westelijke Voerstreek. Wanneer het kalkrijke bronwater in contact komt met de lucht kan in bepaalde omstandigheden het calciumcarbonaat uit het water neerslaan en poreuze laagjes vormen op het oppervlak van stenen, takjes...: het zogenaamde travertijn (5) of bronsteen.

Primaire kalkgesteenten De secundaire gesteenten rusten op schalie-, zand- en kalksteenlagen daterend uit het Primair of Paleozoïcum, meer bepaald het Boven Carboon, het Onder Carboon en het Devoon (ongeveer 400275 miljoen jaar geleden). Alleen de harde kalksteen uit het Onder Carboon,

zo een 300 miljoen jaar geleden eveneens door de zee afgezet in horizontale lagen, maar daarna geplooid en gebroken onder invloed van de Hercynische bergvorming op het einde van het primair tijdvak, dagzoomt in de Voerstreek op twee plaatsen: in de westelijke dalflank van de Berwijn tussen Moelingen en Bemeau en in de oever van de Veurs even stroomopwaarts van de samenvloeiing met de Voer. Het zijn meteen de enige lokaties in Vlaanderen waar primaire gesteenten dagzomen.

Vuursteen Op het einde van het Mesozoïcum (ongeveer 70 miljoen jaar geleden) werd de formatie van Gulpen nog bedekt met Maastrichtiaan tufkrijtafzettingen (6): de "formatie van Maastricht". Deze zeeafzetting verdween in latere geologische perioden echter volledig door oplossing en erosie zodat alleen de meest weerstandbiedende hoekige vuursteenknollen (7), vervat in een matrix van roodbruine tot okerkleurige verweringsklei overbleven. Het vuursteeneluvium of residuele silexgesteente bevindt zich zadelvormig in 10 tot 15 meter dikke paketten, bovenaan in de ondergrond van alle heuveltoppen. De dikte vermindert in zuidelijke richting. Vuursteen is nog van betekenis als bouwmateriaal voor woningen, wegverhardingen of bermverstevigingen. Groeven en ontsluitingen worden onder andere aangetroffen in het Hoogbos te 's-Graven-


M&L

17

voeren, in het Vrouwenbos te Sint-Martens-Voeren, alsook te Rullen (Sint-Pieters-Voeren).

Tertiaire zanden en alpiene bergvorming Over de secundaire krijtlagen werd een weinig tot niet gelaagde tertiaire homogene kwartshoudende laag fijn zand afgezet, eveneens van mariene oorsprong, daterend uit het Oligoceen (ongeveer 3824 miljoen jaar geleden). Deze uitgeloogde laag treft men enkel nog aan op de plateaus bij de provinciegrens in het zuidoosten van de Voerstreek en op de langgerekte heuvelrug tussen de vallei van de Veurs en de Gulp. De verlaten zandgroeve in het Vrouwenbos te Sint-Pieters-Voeren is eveneens een getuige van deze afzetting.

Zwerfsteen in de vallei van de Veurs ten zuiden van het Broekbos te SintMartens-Voeren (eigen foto)

Onder invloed van de alpiene bergvorming (8) werden de aangrenzende gebieden, waaronder de Ardennen en de Voerstreek, geleidelijk tot enkele honderden meter boven de zeespiegel opgestuwd. Terzelfdertijd verplaatste de strandlijn van de toenmalige zee zich steeds verder in noordwestelijke richting. Het Voerense landschap, zoals wij het nu kennen, werd gevormd vanaf het ogenblik dat de zee zich definitief teruggetrokken had van de subhorizontaal afgezette sedimenten. De voornaamste landschapsvormende faktoren zijn het regenwater, het klimaat en de rivierwerking. Het regenwater lost het krijtgesteente op en verzamelt zich via oppervlakkige afvoer en bronnen in geulen, sloten, beken en rivieren die dieper insnijden naarmate het land opgeheven wordt en de zee zich verder verwijdert.

Rivierwerking van Maas en Rijn Zodra de Maas en de Rijn vanaf de harde, stroomopwaarts gelegen, primaire gesteenten terecht kwamen op de zachtere secundaire en tertiaire materialen bouwden zij er een waaiervormig afzettingspatroon op, bestaande uit grove zanden en grind. Aanvankelijk volgde de Maas een oostelijke stroomrichting ten opzichte van de huidige loop. Tijdens het Plioceen (ongeveer 5-3 miljoen jaar geleden) stroomde de Maas in de Rijn ten oosten van Heerlen. De huidige kiezeloöliet formaties opgebouwd uit grind, zand en klei op de meer dan 200 meter hoge plateaus in het zuidwesten van SintPieters-Voeren en ten zuiden van "De Plank", zijn maasafzettingen meegevoerd vanuit het Juragebergte in Frankrijk. Bij de aanvang van het Pleistoceen, ongeveer 3 miljoen jaar geleden, volgde de Maas een meer westelijke bedding.

De grindterrassen in Belgisch- en Nederlands Limburg zijn beddingafzettingen, gevormd gedurende de laatste 700.000 jaar door erosie van de harde gesteenten in de bovenloop van de Maas en meegevoerd door de stroom tijdens het Kwartair (Pleistoceen: ongeveer 3-0,01 miljoen jaar geleden). De zuidwest-noordoost verlopende sedimentatiegrens van de Pleistocene Maasterrassen bevindt zich halverwege tussen 's-Gra ven voeren en Sint-MartensVoeren op een hoogte van ongeveer 150 meter. Ter hoogte van Schoppem en Kattenrot dagzomen langs deze grens pleistocene grinden en zanden. Het Maasterrassenlandschap in de westelijke Voerstreek bevindt zich grosso modo op het grondgebied van Moelingen en 's-Gravenvoeren. Tijdens de Würmijstijd, die 10.000 jaar geleden eindigde, werd het landschap volledig bedekt met een homogene niveo-eolische lösslaag (9). In het Maasterrassengebied schommelt de dikte ervan overal tussen 2 en 4 meter. Het valleilandschap ten oosten van de sedimentatiegrens van de pleistocene Maas wordt gekenmerkt door dunnere lössafzettingen die enkel op de smalle plateaus en de naar het noorden georiënteerde zachte hellingen voorkomen. (Bisschops, Felder en Bosch, 1984 en 1989; Diriken, 1986; Paulissen, 1986; Denis, 1990).


18

M&L

De dalflanken in het westelijk gelegen Maasterrassenlandschap bestaan uit kalkrijke grind-, zand- en leemmengsels. Het aanwezig zijn van de formatie van Vaals onderaan in de dalflanken resulteert in het voorkomen van natte verweringsklei en verweringsmergel. De beek- en riviervalleien werden opgevuld met colluviale en alluviale (10) leem-, klei-, zand- en grindafzettingen. In de vallei van de Veurs en de Gulp worden daarenboven vuursteenbreksies en conglomeraten van gerolde vuursteen aangetroffen. Dunne alcalische veenlagen (11) komen voor in de vallei van de Veurs (Pahaut, 1960 en 1964; Palmans, 1984; Bisschops, Felder en Bosch, 1988; Vaes, 1990).

DE TOPOGRAFIE

DE BODEM 1. De langgerekte heuvelkam op de achtergrond is de zuidwest-noordoost verlopende sedimentatiegrens van de pleistocene maasterrassen (eigen foto) 2. 3. Grlntgroeven In het Voerterras te s-Gravenvoeren (eigen foto)

De pleistocene losslagen op de plateaus hebben zich gedurende het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden tot op heden) onder invloed van het vochtig-gematigde klimaat ontwikkeld tot diepe, vruchtbare leemgronden met een hoge landbouwwaarde. Langs de randen van de plateaus en bovenaan de zachtglooiende hellingen zijn de leemgronden steniger door vermenging met de onderliggende silexlagen, terwijl in de omgeving van de oostelijke sedimentatiegrens van de Pleistocene Maas in Altenbroek en Schoppemerheide vermenging van de leem met kwartsgrind optreedt. Bovenaan zijn de dalflanken in de centrale en oostelijke Voerstreek - meer bepaald waar de formatie van Gulpen voorkomt - bedekt met kalkrijk droog verweringsleem, al dan niet met vuursteen en andere gesteenten vermengd: de zogenaamde kleefaarde.

De Voerstreek maakt deel uit van de geleidelijk in noordwestelijke richting afbellende hoogvlakte tussen Vesder en Maas (Pahaut, 1964). De hoogste punten worden aangetroffen in het Vrouwenbos te Sint-Martens-Voeren (270 meter) en in de omgeving van de Stroevenboshoeve bij de provinciegrens, eveneens te Sint-Martens- Voeren (285 m). In het uiterste zuidoosten bevindt de Reesberg (Remersdaal) zich op een hoogte van 287,5 m. De Berwijn, De Voer, de Noorbeek, de Veurs en de Gulp erodeerden in dit plateau brede en 50 tot 100 m. diepe dalen. Zij liggen mede aan de basis van het uitgesproken golvend karakter van het landschap. De bovenlopen van de Voer, de Veurs en de Noorbeek bevinden zich op 140 tot 160 m. hoogte, de vallei van de Gulp op 150 tot 180 m (12). Het westelijke Maasterrassenlandschap is eerder zachtglooiend. Men kan er drie massieven in onderscheiden: de terrassen tussen Maas en Berwijn met een hoogte van 60 tot 80 m., de terrassen tussen Berwijn en Voer op een hoogte van 80 a 100 m en de afzettingen ten noorden van de Voer tussen 's-Gravenvoeren en de Nederlandse grens. Dit laatste is fysionomisch een erg afzonderlijk gebied. Een netwerk van handvormig vertakte droge depressies verbindt het op een hoogte van ongeveer 160 m. gelegen plateau bij de Nederlandse grens met de meer dan 60 m. lager gelegen Voerbedding (Pahaut, I960).

Dellen en puinkegels Droge depressies of "dellen" zijn kenmerkend voor streken met een hoge infiltratiecapaciteit van bodem en ondergrond. Men vindt ze dus vooral in kalksteengebieden, in mindere mate in de leem- en zandstreek. Zij werden evenals de rivierdalen grotendeels


M&L

Het Waterwegske te Sint-MartensVoeren. Een watervoerende holle weg waarin talrijke bronnen ontspringen (foto 0. Pauwels)

Het graftengebied op de Martelberg te Sint-MartensVoeren (foto 0. Pauwels)

19


20

M&L

door erosie gevormd tijdens en onmiddellijk na de ijstijden. Oppervlakkige ontdooiing van de schaars begroeide bodems gedurende de iets minder koude perioden veroorzaakte gelifluctie (13) op de permanent bevroren ondergrond (permafrost). Toen de ondergrond na de Wiirmijstijd helemaal ontdooide drong het water doorheen het krijtgesteente zodat de dalbodem verdroogde. De meeste beekdalen gaan stroomopwaarts over in dellen (Pahaut, 1964; Palmans, 1984; Diriken, 1986; Antrop, 1989). Het weggeërodeerde materiaal stapelde zich soms plaatselijk op in het dal onder de vorm van puinkegels. Zo heeft het gehucht Krindaal zich ontwikkeld op een pleistocene puinkegel. Het waren gegeerde nederzettingsplaatsen omwille van hun vlakke struktuur, de verhoogde bodemvruchtbaarheid en gunstige waterhuishouding.

Bronnen

Uittreksel uit de topografische kaart van het Nationaal Geografisch Instituut, kaartblad Tongeren. uitgave 1986, schaal 1/50.000

De talrijke bronnen in de centrale en oostelijke Voerstreek zijn gelokaliseerd op plaatsen waar dalen de ondoorlaatbare kleilaag onderaan de secundaire krijtgesteenten aansnijden. Het bronwater lost het krijtgesteente in de onmiddellijke omgeving op, zodat amfitheatervomnige bronkommen ontstaan in de dalflanken (Diriken, 1986).

solifluctieactiviteit (14) tussen de noorder- en de zuiderhelling, mogelijke verschillen in de erosiebestendigheid tussen de gesteenten op en in de beide dalwanden en een eenzijdige opvulling met materiaal afgezet door de overheersende zuidwestenwinden. De bovenloop van het Voerdal is een typisch voorbeeld van een asymmetrisch droog dal (Pahaut, 1964; Palmans, 1984; Diriken, 1986; Antrop, 1989) Ten gevolge van grote schommelingen in de erosiebasis van het pleistocene hydrografisch net werden de terrasvormige dalwanden en de brede, diepe dalen van de Maas en zijn bijrivieren gevormd. Onder invloed van klimatologische factoren, de afwisseling van glaciale en interglaciale perioden (15), volgden talrijke sedimentatie- en erosieprocessen eikaar op. Ook tectonische (16) veranderingen veroorzaakten een vertikale erosie in het stroomgebied. Alluviale vlakten worden gevormd zowel door accumulatie van het alluvium als door horizontale (zijdelingse) erosie (17). Bij een hernieuwde vertikale erosie kan er zich een dieper gelegen bedding vormen terwijl restanten van de oudere achtergelaten worden. Deze vlakkere delen langs de dalwanden noemt men rivierterrassen (Diriken, 1986; Antrop, 1989; Denis, 1990)

Dolmen De asymmetrie van de meeste Voerense valleien een steile zuidelijk georiënteerde flank en een zachthellende noordelijk georiënteerde - is het gevolg van een complex van verschillende faktoren. De belangrijkste zijn het verschil in insolatie en bijgevolg in

Typisch voor het Voerense landschap zijn deze komen trechtervormige, depressies die het gevolg zijn van de oplossing door koolzuurhoudend water van het kalkgesteente in de ondergrond . Het regenwater sijpelt doorheen de lemige bodem


M&L

21

• Het gehucht Krindaal bevindt zich op een pleistocene puinkegel (eigen foto)

Amfitheatervormige bronkom te Teuven (eigen foto)

die het gebied bedekt en dringt via diaklazen (18) in de kalksteenlagen. Deze lossen op zodat er steeds bredere holten ontstaan waarin de bovenliggende tertiaire en kwartaire sedimenten wegzakken. Wanden en basis van de depressies of oplossingsdolinen zijn bijgevolg bekleed met leem, zand en grind. De afmetingen van de dolinen zijn onder meer afhankelijk van de grootte en het aantal diaklazen in de krijtlagen, de dikte van de oorspronkelijke deklagen, de hoeveelheid water die in de sedimenten kan doordringen en van de mechanische en chemische werking van de begroeiing. Stabiele dolinen vertonen een helling van 30 a 40 graden, terwijl bij depressies in vorming de helling 60 tot 70 graden bedraagt. Deze laatsten vertonen ook scheuren in de bodembedekkende vegetatie en de bodem. Mooie dolinen komen voor in de omgeving van Driessen (Teuven), het Vrouwenbos, de Plank, Ulvend (Sint-Martens-Voeren) het Veursbos en Rullen (Sint-Pieters-Voeren) (Pahaut, 1964; Tummers, 1982; Diriken, 1986; Antrop, 1989).

Holle wegen Hun ontstaan houdt verband met de introductie van de landbouw in onze streken vanaf het Neolithicum omstreeks 4000 voor Christus (19) (Antrop, 1989). De initiële, door betreding schaars begroeide paden, vereist voor de ontginning van het oerbos en het bewerken van de landbouwpercelen, werden onder invloed van natuurlijke processen verder fysisch uitgebouwd. Gedurende droge perioden waaide de wind de onbegroeide bovenste leemlagen weg, terwijl tijdens vochtige seizoenen het afstromend regenwater de grond meevoerde. Het doorsnijden van een kleilaag bij het uitdiepingsproces geeft ontstaan aan bronnen in de taluds en watervoerende holle wegen zoals onder andere het Waterwegske in Sint-Martens-Voeren (Diriken 1986). Stroomerosie (20) kan een belangrijke bijdrage

leveren in het vormingsproces van holle wegen op de dalbodem van droge dalen of Grubben. Door hun ligging, die grotendeels bepaald is door de morfologie van het landschap, krijgen zij regelmatig een tijdelijke waterafvoer te verwerken. De oppervlakkige ontwatering van het plateau tussen 's-Gravenvoeren en de Nederlandse grens, gebeurt bij hevige neerslag via de holle weg genaamd de Horstergrub. Het krijt- en leemdek op een kleihoudend substraat kan langs de taluds gemakkelijk naar beneden schuiven, waarbij het materiaal meestal zijn onderlinge samenhang behoudt. Ook bladert het dagzomend krijtgesteente onder invloed van vorstwerking laagsgewijs af. Dit proces noemt men desquamatie. De vorming van holle wegen is dus het resultaat van de gekombineerde werking van wind- en stroomerosie, afschuivingen, al dan niet op een kleisubstraat, en desquamatie. De belangrijkste beperkende faktor voor de verspreiding en de dichtheid is echter het ontbreken van reliëf. Samen met de streek rond het West-Limburgse Halen en een aantal Haspengouwse lokaties behoort Voeren tot de gemeenten in Vlaanderen met de belangrijkste concentraties aan holle wegen. De dichtheid bedraagt er meer dan 0,375 kilometer holle wegen per vierkante kilometer (Allemeersch, 1987). Een aantal studies in verband met wegenpatronen, sociaal-economische plattelandsgeschiedenis en recente sedimenten laten vermoeden dat de genese van holle wegen in onze streken slechts gedurende de Late Middeleeuwen volop op gang komt. Pas dan waren de meest noodzakelijke voorwaarden vervuld; namelijk een belangrijk akkerareaal met een periodisch onbedekte bodem en een zekere verkeersintensiteit op onverharde wegen. De onderlinge vergelijking van een aantal historische kaarten - onder andere de Ferrariskaart van omstreeks 1775, de kaart van Vandermaelen (± 1845) en de eerste, tweede en


22 •

M&L

h

*

é

w •

•Cr^''-^-'^

•''••'•• • ^:.' .V

Htt- '.vmi

• Een doline In het Vrouwenbos te Sint-MartensVoeren (eigen foto)

Krindaal en Plank. Bemerk de steile zuidelijk georiënteerde helling en de zachthellende noordelijk georiënteerde (eigen foto)

derde versie van de topografische kaart van het Depot de la Guerre en het Institut Cartographique Militaire, daterend respectievelijk uit de periode rond 1871, 1897 en 1939 - toont aan dat de vorming van holle wegen nog steeds doorgaat. Enkele landbouwwegen en interregionale verbindingen werden pas hol gedurende de 18de en 19de eeuw. Kenmerkend voor het Voerense landschap is het grote aantal ondiepe holle wegen (75% is minder dan 2,5 meter diep). Als belangrijkste oorzaken hiervoor worden een vrij beperkt akkerareaal en een dun of ontbrekend leemdek op een krijt en/of kleisubstraat aangegeven. De loodrecht op de hoogtelijnen verlopende holle wegen zijn het diepst. Recent kregen meerdere holle wegen een nieuwe bestemming als wandelpad (Allemeersch, 1987).

oorspronkelijk fungeerde als perceelscheiding wordt na het samenvoegen van twee of meer percelen meestal totaal verwijderd. In oppervlakkige bodemlagen treedt vervolgens versnelde erosie op doordat de bodemdeeltjes niet meer door wortels vastgehouden worden. Na enige tijd blijft er slechts een knik langs de helling over waarin het krijtgesteente dagzoomt (Adams en Nieuwerth, 1978; Alleijn, 1981; Palmans, 1984; Diriken, 1986; Antrop, 1989). Het graftengebied op de naar het zuidoosten georiënteerde flank van de Martelberg tussen de BelgischNederlandse grens en de weg van Sint-MartensVoeren naar Ulvend overbrugt een hoogteverschil van ongeveer 80 m. over een horizontale afstand van slechts 500 m.

Graften

HYDROGRAFIE

Op talrijke steile hellingen komen, evenwijdig met de hoogtelijnen, al of niet begroeide taluds voor. Zij worden in Zuid Limburg "graven " of "graften" genoemd. Algemeen wordt aanvaard dat graften ontstaan zijn ingevolge de ontginning van hellingbossen, evenwijdig met de hoogtelijnen. Bosranden die na de ontginning van het woud, dat eens de hele streek bedekte, overbleven, fungeerden als hindernis waartegen, ten gevolge van erosie en ploegen evenwijdig met de hoogtelijnen, zich een laag colluvium afzette. De aldus ontstane steilranden behoeden de helling voor verdere erosie en maken het boven- en onderliggende perceel minder steil. Ze fungeren tevens als veekering en als perceelscheiding, terwijl het houtgewas kan geëxploiteerd worden, meestal als hakhout. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen talrijke graften door perceelvergroting. De begroeiing die

Van west naar oost worden in de Voerstreek drie tot het hydrografisch bekken van de Maas behorende rivieren onderscheiden. De Berwijn, met zijn sterk meanderende bedding, ontspringt in de omgeving van Aubel en mondt uit in de Maas bij de Belgisch-Nederlandse grens in Moelingen. Het gemiddelde debiet bedraagt te Moelingen lm 3 per seconde, maar kan na hevige regen of tijdens dooiperioden oplopen tot 8m3 per seconde. Daarmee is het meteen de grootste Voerense rivier. De Voer, die aan de streek en drie dorpen haar naam gegeven heeft, ontspringt ten zuiden van Sint-PietersVoeren in het gehucht "De Zwaan". De belangrijkste bron bevindt zich in het park van de Kommanderie van Sint-Pieters-Voeren. In Sint-Martens-Voeren ontvangt de Voer de Veurs en in 's-Gravenvoeren de uit Nederland komende Noorbeek. De stroomsnel-


M&L

23

heid bedraagt bij normale afvoeren 0,70 tot 1 m per seconde. In het Nederlandse Eijsden mondt ze in de Maas uit. De Gulp, een bijrivier van de Geul, ontspringt bij Henri-Chapelle en stroomt in Teuven de BelgischNederlandse grens over naar Slenaken. De Voerense beken en rivieren worden gekenmerkt door een goede waterkwaliteit, een beperkte beddingdiepte, grote stroomsnelheden tengevolge van een sterk verval, een meanderend tracé en een hoog gemiddeld debiet door de aanwezigheid, in de oostelijke en centrale Voerstreek, van talrijke watervoerende holle wegen en bronnen. De sterk waterdoorlatende bodem en ondergrond (leem-, krijt- en grindafzettingen) verklaren het weinig ontwikkeld hydrografisch net met talrijke droge dalen. Zijdalen met permanente waterloop zijn kort of ontbreken. De Gulp ontvangt langs zijn linkeroever enkele beekjes; de voornaamste zijn de Remersdaalbeek en de Mabroekbeek. De Berwijn, de Voer, de Veurs en de Noorbeek hebben minder zijdalen met permanente waterloop. Een apart geval vormt het nu genormaliseerde dal van "de Beek" tussen Warsage en 's-Gravenvoeren, die enkele lager gelegen weilanden ontwatert.

• Een Wad in de Voer te 's-Gravenvoeren (eigen foto)

•• De Derwijn te Moelingen (foto 0 . Pauwels)

Komende van Warsage vermindert het debiet van het beekje geleidelijk (Pahaut, 1960; Sweron, 1982; Agrotechnic NV, 1987).

HISTORIEK Fragmentarische cijnsrekeningen, pachtkontrakten en gerechtelijke uitspraken tonen aan dat vóór de 14de eeuw in de streek een antarctisch landbouwsysteem (21) bestond, waarin het accent lag op de graanteelt. Naast gemengde bedrijven met overwegend akkerland in de valleien van de Berwijn en de Voer kwamen grote oppervlakken woeste gronden en heidegebieden voor, restanten van de roofbouw op het vroegmiddeleeuwse woud. Deze gemeenschappelijke gronden waren vrij van tienden (22), werden door hoofdzakelijk schapen begraasd en leverden allerhande bosprodukten (eikels, geriefhout... enz.). Omstreeks de tweede helft van de 14de eeuw wordt in de omgeving van Herve een eerste beperkte omschakeling van akkerland in weide vastgesteld om te ontsnappen aan de tienden op de graanopbrengst en om de veestapel te kunnen vergroten in overeenstemming met de bevolkingsaangroei.


24

De hoeve Gieveld op het plateau te Teuven (foto 0. Pauwels)

Uittreksel uit de Carte manuscrite de la me droite de la Meuse. a hauteur de Maastricht, et des environs de Hen/e, attribuée aux ingénieurs géographes trangais, 1749 (uit Chevalier de Soupire Mémoire détaillé du pais de Limbourg. Paris, Arsenal, Ms. 4748)

M&L

De grote omschakeling naar grasland en veeteelteconomie komt echter pas vanaf de 16de eeuw definitief op gang. Zij ging uit van enkele kernen, onder andere van Aubel in het Berwijndal. De omschakeling naar grasland is sterker uitgesproken in het private bezit dan in de grote grondbezittingen van adel en kerk. Dit vindt wellicht zijn verklaring in het traditionalisme en de meer extensieve landbouwtechnieken die deze laatste kenmerken. Daarbij komt dat de speculatie op vermindering der tienden geen rol speelt, aangezien adel en kerk zelf decimator (23) zijn en dus eerder belang hebben in het behoud van de graanteelt. Deze evolutie kan ook niet los gezien worden van de sociaal -economische verhoudingen in het land van Overmaas en het hertogdom Brabant, waarvan de streek deel uitmaakte. De bloei van steden als Luik en Aken deed sedert het begin van de 15de eeuw een afzetgebied voor landbouw- en zuivelprodukten in de onmiddellijke omgeving ontstaan. Zuivelprodukten ontsnapten aan de protektiepolitiek van het hertogdom Brabant, die vooral de graanuitvoer trachtte te verijdelen. Bovendien bleek al gauw dat weidecultuur meer aangepast was aan de pedologische (24) voorwaarden van de vallei van de Berwijn dan akkerbouw. Naarmate men zich echter van het Berwijndal verwijderde nam het weide-overwicht af. De uitgestrekte leemplateaus op de Maasterrassen tussen Moelingen en 's-Gravenvoeren en de colluviale gronden in de valleien van de Voer en de Gulp waren nog volledig onder akkerbouw naar Haspengouws model. Op het einde van de 18de eeuw is de toestand analoog. De Cabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden

rr

(1771-1778), getekend op initiatief van graaf de Ferraris, geeft de bewoningskernen (Moelingen, 's-Gravenvoeren...enz.) weer, omgeven door een boomgaardengordel. De dorpen liggen geïsoleerd in een brede zone van bouwland naar Haspengouws model. Zij zijn met elkaar verbonden door smalle grasland-en bosstroken in de onmiddellijke omgeving van de Voer, Veurs, Noorbeek en Gulp. De Lohoeve bij de provinciegrens, op de kaart vermeld als "LM Neme Cense", is een nieuwe ontginning uitgaande van de commandeur van Sint-PietersVoeren. De ontginning van de Schoppemerheide bevindt zich eveneens in haar beginstadium. De open ruimten, zowel op de plateaus als in de valleien, worden maximaal voor akkerbouw aangewend. In de vallei van de Gulp komen, meer dan in de andere valleien, restanten van een uitgesproken cultuurzonatie voor. Langs de dalhellingen treft men van onder naar boven achtereenvolgens aan: beemdgronden op de dalbodem, een bewoningsstrook met boomgaardzone onderaan op de helling, een hoger gelegen akkerstrook - nu deels beplant met laagstam - en een beboste kam.

'f. h

f vt-f'

^sa^f*!?

;- ïkï-J**

:M« '" m.-r

•• -

Tot omstreeks 1880 behoudt de akkerbouw in de valleien van de Voer en de Gulp, op de Maasterrassen en de centrale en de oostelijke plateaus, onverminderd haar overwicht. In de zuidelijke boszomen langs de Voer en de Gulp worden enorme bressen geslagen. De grote toename van het aantal weidepercelen in de westelijke Voerstreek en de dalen van de Voer en de Gulp doet zich voor gedurende de periode van 1880 tot 1910 als gevolg van de graankrisis. Het op de markt brengen van overzeese granen deed de prijzen catastrofaal dalen. Intensivering van het veeteeltbe-


25

drijf, waarbij het gemengd bedrijf niet werd verlaten, was het logisch gevolg in geheel België. De zuivelproduktie werd in de hand gewerkt door een sterke demografische ontwikkeling, de veredeling van de veerassen, de industrialisatie en de ontwikkeling van het melkerijwezen en de algemene stijging van de levensstandaard. Het hoge weideaandeel wordt geïllustreerd door cijfers van de landbouwtelling van 1929 en de militaire kaart van 1931 (Ruwet, 1943; Walpot, 1959).

HET HUIDIGE BODEMGEBRUIK Na de Tweede Wereldoorlog stimuleerde onder andere de toenemende rationalisatie in de veeteelt de verdere omschakeling naar grasland. In het westelijke Maasterrassenlandschap is in de vijftiger jaren de boomgaardexpansie opvallend (Ruwet, 1943; Walpot, 1959). Omstreeks 1950 wordt in de centrale en oostelijke Voerstreek ongeveer 70% van de landoppervlakte aangewend voor agrarische doeleinden. Hiervan is slechts 5% akkerland, tegenover 43% permanente weiden en 22% weideboomgaarden. Het permanente grasland was algemeen buiten de bossen. Intensief uitgebate hoogstamboomgaarden kenmerkten de vallei van de Voer, terwijl de akkerbouw beperkt bleef tot de grote uitbatingen op de plateaus: De Plank, Gieveld, Op de Eiken., enz. (Pahaut, 1964)

uitsluitend op de minst steile hellingen en plateaus met ondiepe leemgronden voor. De teelten zijn beperkt tot voedergewassen, hoofdzakelijk maïs als wintervoeder voor de uitgebreide veestapel (Diriken, 1986). Op de traditionele akkerbouwplateaus is een verschuiving merkbaar naar laagstamfruitteelt. De op ecologisch, dendrologisch en landschappelijk vlak waardevolle hoogstamboomgaarden (25) die vroeger meestal rond de dorpskernen aangetroffen werden verdwijnen geleidelijk om plaats te maken voor kale weiden, laagstamplantages of maïsakkers. Gemengde bedrijven met akkerbouw, fruit-en veeteelt worden meer en meer vervangen door grote, gespecialiseerde bedrijven, meestal met veeteelt. Deze schaalvergroting, specialisatie en rationalisatie in de landbouw heeft een onmiskenbare vervlakkende invloed op het typische boccagelandschap van de centrale- en oostelijke Voerstreek met zijn mozaïek van door hagen omsloten weiden, boomgaarden, akkers en bossen. De streek vormt de overgang naar het "Land van Herve" (Vandenabeele & Nijssen, 1979; Palmans, 1984). De bossen op het grondgebied van de gemeente Voeren beslaan een oppervlakte van 845 ha. Ongeveer de helft is in het bezit van openbare besturen en wordt beheerd door de Dienst Waters en Bossen. Het betreft vooral gemengde loofhoutbestanden (Roskams, 1989).

VEGETATIE Momenteel worden op de gemakkelijk te bewerken, vlakke, niet erosiegevoelige plateaus met diepe leemgronden op het grondgebied van Moelingen en 's-Gravenvoeren hoofdzakelijk akkerbouwgewassen verbouwd. De hellingen zijn bebost terwijl de meeste al dan niet met populieren beplante weiden en boomgaarden zich rond de dorpen bevinden. Het landschap is analoog met de leemstreek van droog Haspengouw. In de centrale en oostelijke Voerstreek ligt het accent onverminderd op de graslandcultuur en de teelt van voedergewassen (Maesmans, 1990). Weiden zijn het meest renderend en aangewezen in de valleien. De ontkalkingsklei die achterblijft na verwering en oplossing van het krijtgesteente is vrij zwaar voor hoogwaardig akkerland. Vaak zijn de hellingen te steil zodat erosie zou optreden op niet door een plantendek beschermde akkers. In SintMartens-Voeren ligt 55% van de totale oppervlakte van het grondgebied onder weide, in Teuven 65% en in Remersdaal 68%. Het akkerland is in het oostelijk deel van de Voerstreek sterk gereduceerd, het bedraagt nauwelijks 5% van het totale bodemgebruik en komt

Plantengeografisch behoort het gedeelte van de Voerstreek ten westen van 's-Gravenvoeren tot het Brabants district (26) en de regio ten oosten van 's-Gravenvoeren tot het Maasdistrict (27). De lage Maasterrassen en de alluviale vlakte van de Maas,stroomafwaarts van Wezet, worden traditioneel tot het fluviatiel subdistrict (28) van het Brabants distrikt gerekend. De Atlantische Floraprovincie, waartoe gans Vlaanderen botanish behoort, en de Middeneuropese gaan er in elkaar over. Vooral het hoger boven het zeeniveau gelegen oostelijke deel van de Voerstreek wordt gekenmerkt door een later begin van het voorjaar en door meer vorstdagen. Wat de gemiddelde jaartemperatuur betreft is er praktisch geen verschil met meer westelijk gelegen gebieden. Sommige plantesoorten slagen er niet meer in om in die omstandigheden te overleven, terwijl andere het juist beter doen (Palmans, 1984). Soorten met een meer continentale verspreiding zijn onder andere Trosvlier. Mispel en Witte veldbies (Berten, Kenis, Vaes en Vanhaeren, 1990).


26

Weiden en boomgaarden concentreren zich rond de dorpen (foto 0. Pauwels)

Hellingen zijn begroeid met bossen (foto 0. Pauwels)

M&L


M&L

0 1. De reuzepaardestaart is kenmerkend voor de vegetatie in de onmiddellijke omgeving van kalkrijke bronnen 2. Bruine orchis... 3. Knautiain wegberm 4. Dalkmid...

27

Ook planten die normaal in heel wat zuidelijker gelegen streken voorkomen bereiken op de Voerense zuiderhellingen hun meest noordelijke verspreidingsgrens. Vermeld worden: Wilde marjolein, Kruidvlier, Beemdkroon, Borstelkrans, Vliegenorchis en Bijenorchis (Palmans, 1984). Op tegen koude noordoostwinden beschutte hellingen met zich dicht onder de oppervlakte bevindende waterdoorlatende krijtlagen, heeft zich op enkele, gedurende jaren extensief beweide of gemaaide, weinig bemeste percelen een soortenrijke vegetatie van droge kalkgraslanden ontwikkeld. Zij wordt gekenmerkt door zich traag verspreidende, elders vrijwel ontbrekende, begrazingsresistente grassen en overwegend meerjarige kruiden. Sedert de Tweede Wereldoorlog ging het areaal sterk achteruit door de opkomst van de kunstmest, de mechanisatie in de landbouw en de schaalvergroting. Bij het uitblijven van een graas- of maaibeheer kan Gevinde kortsteel, een overblijvende grassoort, al vlug in de vegetatie overheersen ten koste van de typische kalkgraslandplanten. Elders krijgen vooral Sleedoom en Meidoom de gelegenheid om uit te groeien waardoor een haast ondoordringbaar struikgewas kan ontstaan (Verlinden, Dumortier en Maelfait, 1989). Het intensiever bemesten, beweiden en maaien van kalkgraslandvegetaties, wat op praktisch alle door hun ligging gemakkelijk te bewerken percelen reeds gebeurd is, heeft geleid tot de ontwikkeling van soortenarme glanshaver- en kamgrasweiden. Typische orchideëenrijke kalkgraslanden met onder andere Gewone agrimonie. Ruige leeuwetand.

Geelhartje, Rolklaver, Wilde marjolein, Ruige weegbree. Gewone sleutelbloem, Sleedoorn, Knolboterbloem, Kruisbes, Kleine pimpernel. Grote tijm, Doffe ereprijs, Kleine kaardebol, Knautia, Borstelkrans, Aarddistel, Duifkruid en Donderkruid vindt men momenteel enkel nog langs de steile dalhelling van de Berwijn bij de taalgrens en op een perceel, in de vallei van de Veurs (Palmans, 1978 en 1984). Drainage, aanplant van populieren, toepassen van kunstmest en herbiciden zijn de oorzaken van de kwaliteitsvermindering en verruiging gedurende de laatste decennia van de vegetatie van de meeste beekdalgraslanden en brongebieden met specifieke plantesoorten als Bittere veldkers. Kale vrouwenmantel (Berten, 1990), Veldrus, Zeegroene rus, Moeraszegge, Waterbies, Getand vlotgras. Groot moerasscherm. Geoord helmkruid, Beekpunge, Penningkruid, Koekoeksbloem, Lidrus, Dotterbloem en Brede orchis. De Reuzepaardestaart is kenmerkend voor de vegetatie in de onmiddellijke omgeving van kalkrijke bronnen (Palmans 1978). In ecologisch opzicht is het beekdal van de Veurs het meest boeiende omwille van de erin voorkomende alkalische venen (Pahaut, 1964). De waterkwaliteit van de Voerense waterlopen is behoorlijk. Waterplanten als Vlottende Waterranonkel en Bronmos getuigen van biologisch zeer waardevolle rivieren. Inclusief mag men hun smalle dalen ook als biologisch zeer waardevol beschouwen. (Vanlook, 1990).


28

M&L

De bosflora bevat op de hellingen hoofdzakelijk soorten van kalkrijke droge gronden. Op droge, zure, voedselarme bodems bovenaan de hellingen en op de plateaus heeft zich het Zuur Eikenbos ontwikkeld met als kensoorten Mispel, Witte Veldbies en Valse Salie. Dominerende boomsoorten zijn Zomer- en Wintereik, Ruwe berk. Lijsterbes en Hulst. In de kruidlaag domineren Adelaarsvaren en Kamperfoelie andere planten zoals Lelietje van dalen, Sporkehout en Blauwe bosbes. Voedselarme bossen onderscheiden zich behalve in de soortensamenstelling ook in hun opbouw van de rijkere bostypen. De boomlaag bevat minder grote ranke bomen en is ijler, evenals de struiklaag. Soms wordt dit gevarieerde bosbestand vervangen door monocultuur aanplantingen van Beuk, Lork of Spar, hetgeen een totale verstoring van de lichtomstandigheden en dus van de vegetatie veroorzaakt (Palmans, 1978; Palmans, 1984). Dit was het geval in het Sint-Gillisbos en het aangrenzende Vrouwenbos te Sint-Martens-Voeren. Daarom zijn deze bossen, die met hun gezamenlijke oppervlakte van 248 ha het grootste boscomplex van Voeren vormen, plantkundig minder interessant. Andere plateaubossen zijn de hoogste delen van het Veursbos op het grondgebied van Sint-MartensVoeren, Teuven en Remersdaal, Kattenrot en Schoppemte 's-Gravenvoeren (Diriken, 1986). Vele Voerense holle wegen zijn bebost (foto 0. Pauwels)

Op enkele heuveltoppen met zure droge zandige bodems kan zich een heidevegetatie ontwikkelen

met Struikheide, Stekel- en Kruipbrem, Pilzegge, Vleugeltjesbloem, Klein warkruid en Bochtige smele (Berten, 1990). Een aantal steile hellingen met kalkrijke bodem zijn begroeid met het Eiken-Haagbeukenbos met als meest voorkomende boomsoorten: Gewone es, Zomereik, Haagbeuk, Hazelaar en Zoete kers. Het uitgesproken voorjaarsaspekt en de soortenrijkdom van deze vroegere boerengeriefhakhoutbossen (29) zijn het meest opvallend. Tot de kenmerkende kruiden van de Voerense hellingbossen behoren Bosrank, Gevlekte aronskelk, Muskuskruid, Gulden sleutelbloem. Eenbes, Speenkruid, Bosanemoon, Gele dovenetel, Kleine maagdenpalm, Bosbingelkruid, Zwarte Rapunzel, Muursla en Heelkruid (Palmans, 1984). Voorkomende orchideeënsoorten zijn: Bergnachtorchis, Bleek bosvogeltje en Grote keverorchis. Een eerder zuidelijke plantesoort is de Kruidvlier(Vanlook, 1990). De soorten- en voedselrijkdom van de hellingbossen neemt af met de hoogte waarop men zich op de helling bevindt (Rossenaar, 1987). De Grootste delen van het Hoogbos en Schoppemerbos te 's-Gravenvoeren, het Broekbos te SintMartens-Voeren, en het Teuvenerbos zijn hellingbossen. Goed ontwikkelde bosranden, opgebouwd uit een enkele nieters brede-overwegend uit doomige struiken als Sleedoom, Meidoorn, Hondsroos en Spaanse aak bestaande - mantelzone die tot het bos behoort en een tot het grasland behorende zoom met ruigteplanten als Wilde marjolein, Borstelkrans, Gewone agrimonie en Rapunzelklokje, zijn zeldzaam (Palmans, 1978). Bepaalde plantesoorten, kenmerkend voor bosranden, zoals Ruwe dravik en Kleine kaardebol komen elders in Limburg niet of nauwelijks voor (Cryns, 1987). De gemeente Voeren heeft in verhouding veel beboste holle wegen. 16% van de wegbermen, vooral degene die aansluiten op hellingbossen, is bebost en het betreft voor 91% halfnatuurlijke bospercelen met meestal kenmerkende vertegenwoordigers van het eikenhaagbeukenbos. Voor gans de provincie vormt slechts 8,7% van de begroeiing in de holle wegen een half-natuurlijke bosvegetatie. Hagen komen voor langs 14% van de holle wegen. De grazige, weinig of niet verruigde gedeelten herbergen een kruidenrijke vegetatie waarin talrijke kalk-en thermofiele planten voorkomen (Cryns, 1987). Vermeld worden: Gewone agrimonie. Wilde marjolein. Grote tijm. Kleine kaardebol, Gewone rolklaver en Beemdkroon.


29

FAUNA Het faunistisch belang van de Voerstreek houdt rechtstreeks verband met de verscheidenheid en de gaafheid van het landschap. De goed gestructureerde, uitgestrekte, talrijke plateau- en hellingbossen, afgewisseld met weidegebieden en akkers in het boccagelandschap van de centrale en oostelijke Voerstreek, het dichte net van onverharde holle wegen, de hoogstamboomgaarden, de vegetatiestructuur en samenstelling, de rust en de stilte in het gebied zijn bepalend voor de aanwezigheid van schuil- en nestgelegenheid, het voedselaanbod, het aantal vogelsoorten en de dichtheid per soort. Prooivogels als Buizerd, Torenvalk en uilen, diverse mezensoorten, waaronder Glanskop, Matkop, Pimpel- en Koolmees, Grote- en Kleine bonte specht. Boomklever, Ekster, Zwarte kraai, Tjiftjaf, Tuinfluiter, Zwartkop, Roodborsttapuit, Vlaamse Gaai en Appelvink zijn geen zeldzaamheden voor de Voerense holle wegen en aansluitende bossen (Grabriels, 1987; Stevens, 1987). De kalkgraslanden herbergen talrijke droogteminnende of xerofiele soorten zweefvliegen, mieren, vlinders, sprinkhanen en landslakken. Planten als Wilde marjolein en Beemdkroon kunnen bezocht worden door dagvlindersoorten als Citroenvlinder, Distelvlinder, Dagpauwoog, Atalanta en zelfs Koninginnepage. In het Sint-Gillisbos en het aangrenzende Vrouwenbos werden nesten van de Rode bosmier aangetroffen (Diriken, 1986). De soortenrijkdom aan landslakken neemt in Limburg duidelijk toe van de Zandstreek over de Leemstreek naar de Krijtstreek, gelijklopend met het kalkgehalte van de bodem. Ook het microklimaat schijnt van belang te zijn (Stevens, 1987). De Wijngaardslak, onder de gastronomen misschien beter bekend als "Escargot de Bourgogne", is gebonden aan kalk voor de opbouw van het slakkenhuis en bereikt in Zuid-Limburg de noordgrens van haar areaal (Palmans, 1984). De soort heeft een voorkeur voor brandnetelvelden. Tot voor enkele decennia kwam de Zalm nog vrij algemeen in de Berwijn voor. De bouw van stuwdammen op de Maas en de toenemende verontreiniging werkten zijn verdwijning in de hand. Ook de Otter werd vroeger wel eens langs de Berwijn gesignaleerd, maar nu is hij eveneens totaal verdwenen (Diriken, 1986).

De populaties van amfibiëen als Vuursalamander, Vroedmeesterpad en Geelbuikvuurpad zijn eveneens bedreigd. De achteruitgang houdt verband met de milieukwaliteit en met het verdwijnen van het kleinschalig karakter van het landschap en van poelen, veedrinkputten en bronnen waarin de eitjes gelegd worden (Palmans, 1984). De Voerstreek herbergt samen met Zuid-Limburg een belangrijk gedeelte van de Vlaamse dassenpopulatie. In het graftengebied op de Martelberg worden dassenburchten gesignaleerd (Griel, 1987). De Kruisgraaf te 's-Gravenvoeren, een droge smalle beboste handvormig vertakte noord-zuid georiënteerde en plaatselijk tot 20 meter diepe holle weg, bevat meerdere burchten, evenals de beboste steile dalhelling langs de Berwijn en het Vrouwenbos.

BELEID In dit artikel werd gepoogd om een beeld te schetsen van de voor Vlaanderen unieke geomorfologische, bodemkundige, topografische, historische, landschappelijke, floristische en faunistische aspekten van het Voerense landschap. Ingevolge het Gewestplan Sint-Truiden - Tongeren hebben de open ruimten in Voeren een bestemming als natuurgebied, parkgebied, kasteelhoeve, landschappelijk waardevol agrarisch gebied of agrarisch gebied. De beperkingen aan het eigendomsrecht die daarbij worden opgelegd zijn echter veel algemener en veel minder aangepast aan de concrete situatie, vergeleken met de erfdienstbaarheden die opgelegd worden bij de bescherming van landschappen (30). Zo kan men op basis van het Gewestplan niet verhinderen dat de steeds zeldzamer wordende typische kalkvegetatie, waarmee sommige hellingen, graften of holle wegen in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden begroeid zijn, met kunstmest en/of herbiciden behandeld worden. De wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet, zoals aangevuld door de wet van 11 augustus 1978, evenals de wet op het natuurbehoud van 12 juli 1975 en het bosdecreet van 13 juni 1990 hebben repercussies op de open ruimten. De historische en culturele aspecten van het landschap komen in deze wetgevingen echter vrijwel niet aan bod. De huidige wetgeving inzake monumenten en landschappen blijkt evenmin het geschikte instrument te


f v;,; ':r* : •

&-' •

'

•f'^B;-

.

^WTWW&^SÊÊ

•'.••9m JK^w^r

im\

k-mmsSié,


M&L

31

De identiteit van het Voerense landschap zou het best voor de toekomst kunnen gevrijwaard worden op basis van een globaal en bindend beheersplan, met financiële tegemoetkoming voor de betrokkenen, opgesteld, uitgevoerd en opgevolgd onder de leiding van een multidisciplinair samengesteld beheersorgaan. Een erkenning van de Voerstreek als regionaal landschap zou hiertoe misschien een bijdrage kunnen leveren. Tot op heden hebben regionale landschappen echter geen juridische basis. Het begrip wordt voor het eerst vermeld in het "Natuurontwikkelingsplan 1990-1995 voor Vlaanderen" van de Vlaamse Regering. Een regionaal landschap kan worden omschreven als een streek met een oppervlakte van minstens 10.000 hectare. De schoonheid van de natuur en het landschap als samenhangend geheel dient het lokale belang te overschrijden. Het is onder andere de bedoeling om binnen de perimeter van regionale landschappen het natuurlijk en cultureel patrimonium te beschermen, te beheren en te ontwikkelen. Terzelfdertijd tracht men de toegankelijkheid op passende wijze te stimuleren via toeristische, recreatieve en educatieve maatregelen om de socioeconomische belangen van de streek te behouden en te versterken. Een regionaal landschap wil een forum zijn waar openbare besturen, diensten en verenigingen elkaar kunnen ontmoeten om samen te werken aan de ontwikkeling van een streek.

VOETNOTEN

mm 1. Poelen worden steeds zeldzamer in het landschap (eigen foto) 2. Wijngaardslakken in het Veursbos te Sint-MartensVoeren (eigen foto) 3. Nest van de Rode Bosmier in het Vrouwenbos te Sint-MartensVoeren (eigen foto)

(toto 0 . Pauwels)

zijn om de Voerstreek in haar geheel te beschermen. De wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen beoogt dit ook niet. Enkel die delen van het landschap waarvan de historische, esthetische en wetenschappelijke waarden van nationaal belang zijn komen voor wettelijke bescherming in aanmerking. Overigens is het administratief deel van de beschermingsprocedure nagenoeg onuitvoerbaar voor zodanig grote oppervlakken. De wet zelf is ook beperkt in haar toepassing. Zo kunnen eigenaars van een beschermd landschap ook niet tot het nemen van aktieve beheersmaatregelen worden verplicht, noch is er voor beschermde landschappen een beheerstoelage voorzien. Er kunnen enkel, om reden van het algemeen belang, beperkingen aan het eigendomsrecht worden opgelegd, ter vrijwaring van de intrinsieke waarden van het landschap.

(1) De vallei van de Berwijn tussen Moelingen en Bemeau, de Kruisgraaf en het Hoogbos te 's-Gravenvoeren en de Martelberg- graftengebied te Sint-Martens-Voeren werden in toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, gewijzigd bij decreet van 13 juli 1972 als landschap gerangschikt. De beschermingsbesluiten werden respectievelijk getroffen op 30 mei 1986, 3 juli 1985, 22 juli 1985 en 2 juli 1990. (2) Deze uitgestorven diersoort behoort tot een groep verwant aan onze huidige inktvissen. (3) Dit in tegenstelling tot de meer noordelijk en westelijk gelegen, jongere formatie van Maastricht waarin o.a. te Kanne, Ziehen en Zussen op Belgisch grondgebied indrukwekkende gangenstelsels werden aangelegd. Het onderaardse wingebied strekt zich grosso modo uit van Valmeer in België tot Valkenburg in Nederland (Breuls & De Grood, 1986). (4) Glauconiet is een onder de vorm van donkergroene tot zwarte ijzerhoudende korrels voorkomend mineraal. Het wordt overwegend in onze tertiaire zanden aangetroffen. (5) De oplosbaarheid van het krijtgesteente (Calciumcarbonaat) door het grondwater wordt verhoogd onder invloed van koolzuur ingevolge de vorming van bicarbonaten. CaC03 + H2C03 » Ca (HC03)2 In een koolzuurarme omgeving treedt een omgekeerde reactie op en kan calciumcarbonaat neerslaan onder de vorm van poreuze laagjes op stenen, takjes,... enz.


M&L

(6) Poreuze, zachte, doch homogene kalksteen van witgeelachtige kleur patinerend tot lichtgrijs, voor 98% bestaande uit koolzure kalk (CaC03) en voor 2% uit andere bestanddelen, vooral zand (Gyselinck, 1989). (7) Vuursteen of silex vormt meestal onregelmatige concreties in krijt- of kalksteen doordat kiezelzuur (Si02) de kalk (CaC03) verdrong. De voorhistorische mens gebruikte dit harde en na splijting vlijmscherpe materiaal zonder enige kristalstruktuur voor het maken van werktuigen en het slaan van vuur. De ontginning, vooral in gebieden waar het krijtgesteente zich onder een dun leemdek bevindt, evolueerde van verzamelen tot georganiseerde mijnbouw. Omstreeks 3200 voor Christus kende de vuursteenindustrie haar hoogtepunt. Belangrijke centra waren Zuid-Limburg en de omgeving van Mons (Spiennes). Te Sint-Geertruid, een Nederlands buurdorp, bevindt zich een mijnencomplex waar vuursteen in 15 meter diepe galerijen door middel van meer dan 1 0 0 0 mijnschachten werd ontgonnen. Op tal van plaatsen in de omgeving was men gespecialiseerd in het vervaardigen van messen, pijl- en speerpunten en soms zeer grote bijlen zoals in het Hoogbos en te Rullen. Na 1800 voor Christus verdrong het brons deze vuursteenindustrie (Palmans, 1984). (8) Opstuwing van de Alpen: op de geologische tijdschaal situeert zich de meest aktieve fase tussen ongeveer 26 en 3 miljoen jaar geleden. Vanuit de diepte werden gesteenten onder invloed van massale bewegingen van de vloeibare en gloeiende magmastroom in het inwendige van de aarde verschillende km naar boven gestuwd (Diriken, 1986). (9) Onverweerd, zacht aanvoelend, geelachtig, kalkhoudend (14-15% CaCo3) materiaal door de wind meegevoerd en afkomstig van morenen (gletsjerpuin) van de Scandinavische gletsjers. (10) Colluvium: grond afkomstig van hogergelegen terreindelen, afgespoeld onder invloed van regen. Alluvium: grond door overstromende rivieren in valleien afgezet. (11) Niet zure venen onder invloed van de kalkrijke bodem. (12) Nationaal Geografisch Instituut, Topografische kaarten, kaartbladen 34/7-8,1976, en 42/3-4, 1975, schaal 1/25000. (13) Verschuivingen op hellingen van een ontdooide bovengrond over een bevroren ondergrond. (14) De zuidwaarts georiënteerde hellingen ontdooien vlugger en de massabewegingen zijn er belangrijker dan op de noordelijk georiënteerde ten gevolge van de grotere temperatuurverschillen tussen dag en nacht en de grotere impakt van de regenrijke zuidwestenwinden. Hierdoor wijkt de in zuidelijke richting georiënteerde helling sneller terug en is meer aan erosie onderhevig (Antrop, 1989). (15) Glaciale en interglaciale perioden: ijstijden en tussen ijstijden. De geweldige daling van de temperatuur tijdens de ijstijden veroorzaakte een enorme uitbreiding van het poolijs en van de berggletsjers. Gedurende de tussen-ijstijden werd het klimaat telkens terug zachter. (16) Tectoniek: horizontale (plooien en overschuivingen) en vertikale (breuken) bewegingen van de afzettingen. (17) Bij hoogwaterstanden kan de rivier tijdelijk een deel van haar vlakte overstromen. De stroomsnelheid neemt hierdoor snel af en dus ook de transportcapaciteit. Vlakbij de oever zal het grove sediment (zand) afgezet worden terwijl op grotere afstand van de rivier fijner slib (klei) wordt achtergelaten. Geleidelijk ontstaat hierdoor een differentiatie tussen de iets hoger gelegen oeverwallen bestaande uit grof sediment en de lager gelegen kommen met fijner sediment. De oeverwallen vormen in feite natuurlijke dijken (Antrop, 1989). (18) Spleten in het krijtgesteente. (19) In Nederland en België werd de landbouw 'ingevoerd' door een volk dat vanuit Centraal-Europa (het Donaugebied) kwam en dat gekenmerkt wordt door de zogenaamde Bandkeramiekcultuur. (4400 tot 3800 voor Christus) Deze stammen vestigen zich op de vruchtbare en gemakkelijk te bewerken gronden van de leemplateaus van Limburg, Haspengouw en Henegouwen. Hun concentratie was bijzonder hoog daar waar een relatief dun leemdek op een krijtondergrond rustte (voor onze streken het gebied dat men nu Droog-Haspengouw noemt). Een derge-

(20)

(21)

(22) (23) (24) (25)

(26)

(27)

(28)

(29)

(30)

lijke ondergrond is immers rijk aan silexknollen, de belangrijkste grondstof voor het vervaardigen van stenen werktuigen. Hun landbouwsysteem was nog beperkt tot wisselbouw ("shifting cultivation") en hun levenswijze bijgevolg semisedentair. Jacht en het verzamelen van voedsel bleven belangrijk, evenals de veeteelt. Het klimaat was in die tijd warm en vochtig met gemiddelde julitemperaturen rond de 18 graden. Men noemt die periode het Atlanticum (Antrop, 1989). Opname en afvoer van materiaal door een fluïdum, met andere woorden het uitdiepen van de bedding van een holle weg onder invloed van de kracht van stromend water. De huidige omschakeling van grasland naar akkerbouw leidt tot een sterke toename van de stroomerosie in Voeren (Allemeersch, 1987). Een bedrijfsvorm die in de eerste plaats in alle behoeften van zijn werkgemeenschap moet voldoen. Een ruil van produkten speelt daarbij geen belangrijke rol. Cijns. I/IO van de opbrengst van het land werd als kerkelijke belastingen betaald. Ontvanger van tienden. Bodemkundige. Hun ecologisch belang is onder andere het gevolg van het feit dat de weilanden onder hoogstamboomgaarden niet zo intens door de landbouwer beïnvloed worden. Voortdurend nieuwe grasinzaaiingen of sterke bemestingsdruk worden praktisch niet toegepast. De holten in oude bomen en de hagen die de boomgaarden meestal omsluiten zijn belangrijk voor de overleving van tal van vogels (holenbroeders) en insekten. De oppervlakte hoogstamboomgaarden is vooral sinds de jaren 70 sterk afgenomen. Dendrologisch zijn hoogstamboomgaarden belangrijk omwille van hun enorme variatie aan fruitrassen in vergelijking met de op massaproduktie afgestemde laagstamaanplantingen. Het aangeplante assortiment was vooral bepaald door de wensen van de eigenaar. Meestal werden streekeigen of zelfs plaatselijke rassen aangeplant (Berten, 1990). Het Brabants district bestrijkt een uitgestrekt oppervlak dat bedekt is met een bijna ononderbroken lösslaag waarin kalk en krijtformaties opduiken tussen Luik en Maastricht, in het bekken van Bergen en in de omgeving van Doornik (De Langhe J.E. e.a., 1988). Het Maasdistrict, in het noorden ongeveer door het Samber- en Maasdal begrensd, bestrijkt gebieden met dagzomende Siluur-, Devoon- en Karboonlagen (De Langhe J.E. e.a., 1988). Het fluviatiel subdistrikt zet het Brabants distrikt naar het noorden voort. Het omvat een smalle strook ten oosten van het Kempens distrikt die breder wordt naar het noorden toe alwaar het vooral de lage valleien van de grote Nederlandse rivieren bestrijkt (De Langhe J.E. e.a., 1988). Deze bossen worden aldus genoemd omdat ze van oudsher voorzagen in het hout voor brandstof, constructiemateriaal... van de plaatselijke bevolking. Gewestplan Sint-Truiden - Tongeren, kaartbladen 34/7, 34/8 en 42/4. Koninklijk Besluit houdende vaststelling van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren (5.4.1977).

BIBLIOGRAFIE - Adams A. & Nieuwerth K., Oxer grenzen, gradiënten en graften. Naar een internationaal beschermd Limburgs landschap, ANWB 9/78 p. 462-468. - Adams A. & Visschers V., Struktuurplan Voerstreek, studierapport, 1976. - Agroptechnic N.V., Studie mn de waterbeheersing van het stroomgebied van de Voer, 1987, Niet gepubliceerd, 16 pp. - Alleijn W.P. (Red.), Houtwallen in het boerenland. Ontstaan en onderhoud van houtwallen, -singels, -kaden, heggen en graften. Utrecht, Natuuren Milieu, 1981, nr 14, p. 46-49. - Allemeersch L., Ontstaanswijze en historiek, in Holle wegen in Limburg, Provinciaal Natuurcentrum Rekem-Lanaken, 1987, p. 17-27. - Allemeersch L., Fysisch-geografische aspekten, in Holle wegen in Limburg. Provinciaal Natuurcentrum Rekem-Lanken, 1987, p. 28-40.


ML Nr. 69 Bijlage bij M&L11/5 sep.-okt. 1992

Begraafplaats Schoonselhof, Antwerpen (foto M.M.C.)

BINNENKRANT


M&L

2 ling en beschadiging: oorlogen, beeldenstormen, natuurrampen, vandalisme en andere hebben ons glasramenpatrimonium tot een minimum beperkt. Reden te meer om er zorgvuldig mee om te springen.

ÜTERAÏUUR GLAS IN LOOD

Sint-Joris en Sint-Michiel, Museum :3muthuuse te Brugge (toto A.C.L.)

In de reeks M&L-cahiers verscheen als eerste nummer een boek over glas In lood. Dit vrij onbekende onderdeel van ons kunstpatrimonium verdient onze aandacht en onze waardering. Het glasramenpatrlmonlum Is vrij beperkt. Dit heeft verschillende oorzaken: Glas In lood Is door zijn aard een fragiele kunstvorm. Als dunne wand tussen de buitenarchitectuur en het interieur Is het onderhevig aan vernie-

Glasramen staan niet op zichzelf. Men moet ze steeds zien als een onderdeel van een volledig interieur met, wat de kerken betreft, gepolychromeerde retabels, geschilderde altaren, sculpturen, orgels, meubilair, muurschilderingen. Dit alles vormde samen met de glasramen een aantrekkelijk kleurig geheel. Ook de iconografie werd op de glasramen verdergezet. Het maakte aldus integrerend deel uit van een geheel. Anderzijds zijn glasramen, door hun aard en hun functie, ook een op zich staande kunstvorm. Het glas Is een

bijzondere materie, heel sterk en heel fragiel tegelijkertijd. Het biedt In zijn kunstuiting speciale mogelijkheden omdat ook de lichtinval op de vele kleurige onderdelen een rol speelt. Glasramen zijn bijzonder sfeerscheppend en spreken tot de verbeelding, zoals ze ook In vroeger tijden tot de verbeelding van de eenvoudige kerkganger moeten gesproken hebben. Niet alleen in de kerken, maar ook in de kastelen en de burgerhuizen werden glasramen ter verfraaiing aangewend. Dit was trouwens niet enkel in het verleden het geval. Denken we maar aan de bekende glasramenensembles In de hulzen van de Art Nouveau, waar ze een integrerend deel uitmaken van de kleurige binnenlnterieurs. Tot op de dag van vandaag is de glasramenkunst een levende kunst gebleven, waarvan de stijl mee geëvolueerd is tot merkwaardige realisaties van de moderne en hedendaagse kunst. Zoals elke tak van de restauratie is ook de glasramenrestauratle de laatste jaren geëvolueerd naar een wetenschappelijke aanpak. De behandeling van een glasraam begint met een uitgebreid en grondig vooronderzoek. Kunsthistorisch stellen zich vragen als: wie heeft het raam besteld? Wie heeft het ontworpen? Wie heeft het uitgevoerd? Wat stelt het voor? In welke context werd het gemaakt. Het technisch vooronderzoek stelt zich vragen als: welke technieken werden gebruikt? Welke grondstoffen werden er aangewend? Is het glas gedegradeerd? Welke zijn de oorzaken? Wat is er aan te doen? Hierna kan men een bestek opmaken, dat tijdens de werkzaamheden kan en moet verfijnd en bijgestuurd worden. Zoals in alle takken van de restauratie pleit men ook hier voor een minimale ingreep, een conserverende behandeling, met respect voor het authentieke document, het originele materiaal, de

B I N N E N K R A N T


M&L geschiedenis van het glasraam en de latere ingrepen. Het carter bestaat uit drie grote delen: het eerste brengt een kunsthistorisch overzicht van de geschiedenis van de glasraamkunst in Vlaanderen en Brussel. Het tweede is gewijd aan de restauratie van glasramen en het derde is een glasramengids.

GLAS IN LOOD

kunstvorm. De gids beschrijft zowel de oudst bewaarde ramen, zoals de 14de-eeuwse ramen van de SintEustachiuskerk te Zichem als de moderne en hedendaagse realisaties van deze fascinerende kunstvorm. M. Buyle

TECHNISCHE GEGEVENS Formaat: 21 x 29,7 cm Aantal pagina's: 144 Illustraties: 200 foto's, waarvan 180 in kleur Papier: houtvrij kunstdruk Job glanzend 135 gr. Afwerking: garengenaaid gebrocheerd

i

1

-^M

Prijs: 995,- fr. Auteurs: Yvette Vanden Bemden, Joost Caen, Warner Berckmans, Anne Malliet, Lode Lambrechts

i

Eindredaktie: Ann Bergmans, Marjan Buyle, Anne Malliet Het eerste, kunsthistorisch gedeelte geeft een overzicht van wat er in onze monumentenzorg nog aan glasramen bewaard is. Dit is uiteraard slechts een fractie van hetgeen er ooit gemaakt werd. Er wordt ingegaan op de stijlevolutie, die soms samenhangt met het ontdekken van nieuwe technieken en materialen die nieuwe mogelijkheden bieden. Het verhaal begint met kleine glasraamvondsten uit de romaanse periode en eindigt in de huidige tijd. Het deel over de restauratie beschrijft de werkwijze, de wetenschappelijke aanpak en de nieuwe techieken die in deze tak van de restauratie aangewend worden. Helder en duidelijk worden alle stappen omschreven en uitgelegd. Er wordt vele belang gehecht aan een wetenschappelijke documentatie van de werken. Het laatste deel tenslotte is de glasramengids. Deze voert ons langs de belangrijkste bewaarde ensembles, die iedereen kan gaan bekijken. Overzichtelijke plattegronden en beschrijvingen van de ramen maken deze bezoeken tot een leerzame tocht en kennismaking met de bloeiende

De publikaties omvatten zowel streng wetenschappelijke studies, die zich tot specialisten richten, als meer bevattelijke werken bestemd voor de geïnteresseerde leek. Het Provinciaal Documentatiecentrum heeft nu een catalogus van deze publikaties samengesteld. Hij geeft een bondig overzicht van alle werken die het documentatiecentrum ter beschikking stelt over conservatie en restauratie van onroerend en roerend cultuurpatrimonium. De publikaties zijn thematisch geordend volgens de deelgebieden van conservatie en restauratie. Het onroerend patrimonium omvat landschappen, dorpen, tuinen, steden, losstaande gebouwen, gevolgd door een lijst van werken over gespecialiseerde technieken: steen- en metselwerk, hout, metaal, muurschilderingen, binnenhuisinrichting. Voor het roerend patrimonium worden volgende onderwerpen behandeld: schilderijen, beelden, meubels, hout, glas- en aardewerk, papier, foto's, leder, textiel, metaal. C. Vanthillo

Produktie en vormgeving: Luc Tack Karel Verhelst, Conservatie en Restauratie. Catalogus van publikaties beschikbaar in het Provinciaal Documentatiecentrum Abdij Sint-Truiden, Provincie Limburg, 1991,84 pp.

U kan het glasramencahier bestellen bij het Bestuur Monumenten en Landschappen, Pers en Voorlichting, Zandstraat 3 te 1000 Brussel (tel.: 02/209.27.36) door overschrijving van 995,-bfr. op het rekeningnummer 470-0278201-29 met de vermelding "Glas in lood".

Het Provinciaal Documentatiecentrum Abdij Sint-Truiden is gevestigd in de Diesterstraat 1, te 3800 Sint-Truiden (tel.: 011/68.65.11). Het is op werkdagen geopend van 9 tot 12 uur en van 13 lot 17 uur. De meeste publikaties kunnen ontleend worden.

CONSERVATIE EN RESTAURATIE Het Provinciaal Documentatiecentrum Abdij Sint-Truiden beschikt over een uitgebreide cultuur- en kunsthistorische bibliotheek. Publikaties over het roerend en onroerend cultuurpatrimonium in Limburg, maar ook buiten de provinciegrenzen nemen hierin een belangrijke plaats in. Tijdens de laatste jaren werd een bijzondere inspanning geleverd om een breed gamma van werken aan te kopen met betrekking tot problemen rond conservatie en restauratie van stedelijke en plattelandssites, gebouwen, schilderijen, beelden, stuc....

LANDSCHAPSWANDELING BOKRIJK Dit is de vijfde uitgave in de reeks landschapswandelingen die door het Provinciaal Natuurcentrum Limburg wordt uitgegeven. De vorige nummers behandelden Nieuwenhoven, Alden Biezen, Ruilingen en Hageven. In deze brochures wordt een typisch Limburgs landschap doorgelicht:

B I N N E N K R A N T


M8d 4 Achteraan in de brochure is een wandelkaart opgenomen. Vier wandelroutes die het domein doorkruisen, zijn hierin opgenomen. M. De Borgher

De 120 pagina's tellende Landschapswandeling Bokrijk is uitgegeven in handig zakformaat (met een weerbestendige kaft). De brochure is te koop aan 150,-fr. in het domein Bokrijk en in het Provinciaal Natuurcentrum, Zuivelmarkt 33, 3500 Hasselt, tel.: 011/21.02.66

BRUXELLES. ARCHITECTURE CIVILE ET MILITAIRE zijn ontstaan, de bodemgesteldheid, de fauna en flora, de beïnvloeding van het landschap door de mens. Hierbij wordt de nadruk gelegd op de ecologische samenhang tussen de verschillende aspecten van het landschap. De brochure is opgesteld in een voor de leek verstaanbare taal en het geheel is rijk geïllustreerd met tal van tekeningen en kaarten van de hand van Pollie Gregoor, graficus en natuurkenner. In de Landschapswandeling Bokrijk komen volgende elementen aan bod: • het natuurlijk kader: bodem en water. Bokrijk is gelegen op de overgang van het Kempisch plateau en de Demervallei. Het gebied ontvangt water dat werd afgedamd zodat hier veel vijvers liggen. Bokrijk maakt deel uit van het "vijvergebied Midden-Limburg". • de invloed van de mens: het Domein Bokrijk is in de 13de eeuw ontstaan als abdijhoeve, temidden van de heide. Men ontgon de omliggende velden en zette heide en moeras om in akkers, weilanden en visvijvers. Na de Franse Revolutie werd de hoeve omgebouwd tot kasteel. Toen het Provinciebestuur het in 1938 aankocht, kreeg het een drievoudige bestemming: natuur, cultuur en recreatie. • planten en dieren: de brochure geeft een overzicht van de biotopen in Bokrijk met hun flora en fauna: de bossen, het arboretum, het park, het openluchtmuseum en de vijvers. Tenslotte wordt het belang toegelicht van Bokrijk als vogelgebied van internationale allure.

Ongetwijfeld slechts weinige architectuur-historiografen kunnen bij ons weten bogen op een dermate verbijsterende bibliografie als de Brusselse Gentenaar Victor-Gaston Martiny, huidig Voorzitter van de autonome sectie Brussel-Hoofdstad van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, maar tegelijk ondermeer Academicus, ere-Hoofdarchitect-directeur van de Provincie Brabant en Professor emeritus van de U.L.B. Ondanks zijn stilaan meer dan respectabele leeftijd, blijft deze innemende autoriteit de Brusselse scène verbazen met een wetenschappelijke produktie waar de meesten onder ons nauwelijks van durven dromen. In het bijzonder het te boek stellen van de verworven kennis van een stilaan verdwijnende generatie architecten en stedebouwkundigen, ter attentie van jongere vorsers, strekt hem hierbij ter ere. Tekenend hiervoor is onder meer het vrijwel onopgemerkt gebleven, voor een beperkte kring bestemde Une Ecole d'Architecture, des Tendances 1766-1991, gewijd aan de architecten afgestudeerd aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten, waarop wij later meer in detail zullen terugkomen.

(Nouvelles Editions Vokaer). Temidden architecturen waar de auteur zich merkbaar thuisvoelt, krijgt de nog niet vertrouwde lezer aldus opnieuw de kans zich te laten meeslepen door de - steeds subtiel en fraai literair ingeklede - kritiek op de blijkbaar inherent menselijke, niet aflatende vernieling van de bouwkundige nalatenschap van onze voorvaderen. Overtuigd voorstander van een doorgedreven stadsarcheologisch onderzoek, gaat de belangstelling van de auteur hierbij gereputeerd naar de alsmaar schaarser wordende restanten van de eerste en tweede stadsomwallingen, waarbij de dramatische en moedwillige instortingen aan de Wolvengracht, eind 1987, wellicht het recentste historisch dieptepunt vormen. Ongemeen rijk, met niet minder dan 228 sepia-kleurige figuren geïllustreerd, is het in dit werk ook gewoon boeiend en leerrijk bladeren, al vergt het niet meteen onderscheidbaar verschil tussen archiefdocumenten en bijvoorbeeld recente foto-opnamen vanwege de lezer wel enige extra aandacht. Een lichte blaam gaat overigens naar de uitgever omwille van de onverklaarbaar mindere kwaliteit van de enkele kleurenbladzijden. M.M. Gelis.

Victor-Gaston Martiny, Bruxelles. Architecture civile et militaire avant 1900, Editions J.M. Collet, Brainel'Alleud, 1992,100pp.,228ill., 12 pi.

Victor-I

Architecture civile et militaire

Met Bruxelles. Architecture Civile et Militaire avant 1900 brengt de auteur intussen een geactualiseerde maar drastisch ingekorte heruitgave van het in 1980 verschenen - en sinds lang onvindbaar gevonden - Bruxelles, ^architecture des origines a 1900

B I N N E N K R A N T

AVANT WOO


M&L

LANDSCHAPSZORG STICHTING LIMBURGS LANDSCHAP In 1971 staken enkele natuurvrienden de hoofden bij elkaar om een speciale inspanning te leveren voor de bescherming van het Limburgse landschap. Zij kwamen tot het besluit dat door aankoop en goed beheer van natuurterreinen de natuur op de meest efficiënte manier beschermd wordt. Alzo krijgen bedreigde planten en dieren een reële kans op voortbestaan, daar hun natuurlijke omgeving behouden blijft. In de loop der jaren werden er reeds in meer dan 20 gebieden percelen in beheer genomen, deels in eigendom, deels in huur. Sommige gebieden zijn klein in oppervlakte of de werkzaamheden zijn er nog maar net gestart. In andere gebieden, onder meer het Stamprooierbroek in MolenbeerselKinrooi, de oude kanaalarm in Dllsen, de Broekbeemd in Wellen, de Bosbeek "Den Tösciï'ln NeeroeterenMaaseik, de Slangenbeekbron in Zonhoven, de Laambroeken in HeusdenZolder en het Sterrebos in StevoortHasselt beheert de Stichting Limburgs Landschap tussen de 10 en 60 ha

waardevolle Limburgse natuur. De beheersplannen staan meestal bol van erg arbeidsintensieve werken. Gelukkig kan de vereniging hiervoor reeds jaren rekenen op de inzet van vele vrijwilligers: jongeren via jeugdbeweging en school, enkele plaatselijke werkgroepjes, en andere. Reeds een tiental jaren beschikt de Stichting daarnaast over een aantal arbeidskrachten uit het alternatieve circuit. Naast arbeid vergt dit natuurlijk ook middelen. Hiervoor kan gerekend worden op de steun van de Vlaamse Gemeenschap, de Provincie Limburg, enkele gemeentebesturen, het Wereld Natuurfonds en de Koning Boudewijnstichting. Er is voor de Stichting Limburgs Landschap een educatieve taak weggelegd. Op regelmatige tijdstippen worden wandelingen georganiseerd in haar en andere natuurgebieden. Wil je hieraan deelnemen? Vraag de wandelkalender samen met de Koerier, het tweemaandelijks tijdschrift van de Stichting. Wil je met familie- of vriendenkring komen wandelen in één van de natuurgebieden? Dit is geen probleem: een telefoontje volstaat. Een datum wordt dan afgesproken met de plaatselijke gids.

Voor meer informatie over de Stichting Limburgs Landschap, haar natuurgebieden, werking, wandelingen en beheerswerken: Sint-Katarinaplein 10, bus 19, 3500 Hasselt. Tel.: 011/24.21.57. Lid kan je worden door storting van 400,-fr., jongeren (-18) 200,-fr., op rekeningnummer 456-4022001 -20. Giften vanaf 1000,-fr. zijn fiscaal aftrekbaar, mits hernieuwde goedkeuring van de officiële instanties.

het maatschappelijk denken over "ruimte voornatuur"\e stimuleren. De kaart geeft een overzicht van de waardevolle landschappen en natuurgebieden waarover Limburg nog beschikt. Ook de plaatsen waar er kansen zijn voor natuurontwikkeling zijn aangegeven. De nadruk ligt op samenhang, vandaar dat ook verbindingen zijn ingetekend. De kaart is vrij maximalistisch ingekleurd: alle nog bestaande gebieden met hoge natuurwaarden zijn opgenomen, dus los van de gewestplannen. De kaart bevat volgende categoriën: • Natuurgebieden: dit zijn zowel de echte natuurgebieden (heide, beekvalleien, moerasgebieden) als bossen en kleinschalige landbouwlandschappen waar ander sectoren mee de natuurwaarden bepalen. Een nevencategorie Natuurontwikkeling: dit zijn gebieden met een lage actuele natuurwaarde die door natuurontwikkeling opnieuw kunnen aansluiten bij de omringende natuurgebieden. • Kleine landschapselementen: dit zijn gebieden met een hoge dichtheid van kleine landschapselementen zoals houtkanten, kleine bosjes, holle wegen, poelen,.... Een nevencategorie zijn de gebieden waar deze elementen moeten ontwikkeld worden. De Groene Wenselijkheidskaart zal op een groot aantal plaatsen met behulp van natuurverenigingen en gemeentebesturen opgehangen worden. Het provinciebestuur wil met deze campagne de Limburgers wijzen op het belang van de natuur in hun provincie. Ze wil tevens impulsen geven naar gemeentebesturen waar men in het kader van de milieuconvenanten met de Vlaamse Gemeenschap natuurontwikkelingsplannen zal opstellen. M. De Borgher

EEN GROENE WENSELIJKHEIDSKAART V O O R LIMBURG Het idee van de Groene Wenselijkheidskaart is ontstaan binnen de Provinciale Adviesraad voor Leefmilieu van het Provinciebestuur van Limburg als een aansluiting op de Groene Hoofdstructuur voor Vlaanderen. Het is een visie van de "groene sector" \n Limburg en heeft als doel

B I N N E N K R A N T

Geïnteresseerden kunnen de kaart gratis afhalen bij de plaatselijke milieuverenigingen, gemeentebesturen of bij het Provinciaal Natuurcentrum, Zuivelmarkt 33 te 3500 Hasselt (tel.: 011/21.02.66)


M&L Muurschildering op de boogtimpaan van de westmuur in de Sint-Laurentiuskerk te Ename. Vóór restauratie. (foto IAP)

BUIÏENKRANÏ MERKWAARDIGE MUURSCHILDERINGEN TE ENAME Tijdens bouwonderzoek door het Instituut voor het Archeologisch patrimonium in de ottoonse Sint-Laurentiuskerk te Ename, werd een orgelfront weggenomen en kwam een rondbogig tympaan vrij. Hierop waren nog de oude bepleisterings- en schilderlagen bewaard, hetgeen niet het geval is voor de rest van de kerk die vrijwel volledig gedecapeerd werd voor het aanbrengen van een nieuwe strakke bepleistering. Door de conserveringsploeg van het Bestuur Monumenten en Landschappen werd een eerste vooronderzoek verricht, dat hoofdzakelijk visueel was en zich grotendeels beperkte tot de reeds zichtbare delen van de beschildering. Het aantal zeer kleine steekproeven werd beperkt gehouden omdat vrijgelegde verflagen te fragiel zijn. Het is altijd verkieslijk om de vrijlegging onmiddellijk te laten volgen door de restauratie: fixering van pleister- en verflagen, retouchering, eventuele beschermlaag. De oudste en 'originele' afwerkingslaag in Ename was uiterst dun en schijnt bijna geen zand te bevatten. Mogelijk is het zelfs enkel een kalk-

Detail van een Romaanse engel. Vóór restauratie. (foto IAP)

laagje als ondergrond voor de muurschilderingen. Het is zeer waarschijnlijk dat het 'ottoonse' kerkinterieur volledig beschilderd was. Bij steekproeven onder de nieuwe pleisterlaag op de muren werden kleine resten gevonden van de oude afwerkingslaag en deze restanten bevatten alle sporen van beschildering. Deze oudste schilderlaag, die kan teruggaan tot de 11de eeuw, is blijkbaar enkel decoratief en vertoont als kleurenpalet gele en rode okers en blauw. Op de boog rond het tympaan is deze verflaag nog het duidelijkst zichtbaar, al werd ze door het afkappen van het pleisterwerk beschadigd aan de randen (een zoveelste pleidooi om voorafgaandelijk onderzoek te verrichten wanneer pleisterwerk wordt afgekapt!). Het betreft een typische vegetale rankwerkversiering in voornamelijk gele okers. De oudste beschildering is

op het tympaan slechts af en toe zichtbaar, omdat er zich een tweede verflaag op bevindt. Voor het aanbrengen van deze tweede beschildering werd een nieuwe pleisterlaag (kalk en zand) aangebracht, die naar de buitenkanten toe steeds dunner wordt en op niets uitloopt. Deze tweede periode is wel figuratief en bestaat uit een halve kring van zwevende engelen. In het midden vermoeden we een centrale figuur en links hiervan is mogelijk een kruisigingsscène afgebeeld. Het kleurenpalet is veranderd: het blauw is niet meer aanwezig (blauw was een kostbaar pigment!) en er zijn verschillende kleuren rood (aardekleuren) gebruikt, alsook wit en zwart. Vermits de nimbussen en de vleugels van de engelen zwart zijn, is het niet uitgesloten dat het om zilverblad gaat. Archeologisch onderzoek wees op de aanwezigheid van een open tribune onderaan dit tympaan. We kunnen dus veronderstellen dat de oudste beschildering de decoratieve omkadering vormde voor deze tribune. Figuratieve schilderingen zouden op die plaats (tegenlicht) trouwens moeilijk leesbaar geweest zijn. Op de overige kerkmuren waren ongetwijfeld wel figuratieve voorstellingen geschilderd. De tweede beschilderingsperiode behoort tot de romaanse schildersstijl. Het zou kunnen dat bij deze schildercampagne de tribune al dichtgemaakt was. De aanzet van grotere scènes (centrale figuren en kruisiging) zou hierop kunnen wijzen. Louter stilistisch kan deze tweede periode uit de 12de of de 13de eeuw dateren.

N N E N K R A N T


M&L De schildertechniek van deze periode is merkwaardig: eerst werden de figuren in donkerrood geschilderd, hetgeen nadien werd opgehoogd met lichter rood waarmee de carnaties en de plooien werden aangebracht. Deze bovenste verflaag is erg verweerd en fragiel, zodat de engelen nu een donkerder uitzicht hebben dan oorspronkelijk bedoeld was. De nimbussen van de engelen en de andere figuren werden met een passer ingekrast. Het passerpunt en de cirkel zijn duidelijk zichtbaar. In een latere periode werden deze engelen plaatselijk bijgewerkt: ze kregen nieuwe zwarte ogen (op de verkeerde plaatsen) en een rode mond. Overwogen moet worden of deze storende overschilderingen tijdens de restauratie niet dienen weggenomen te worden. Hierboven bevinden zich nog een groot aantal witsellagen en bepleisteringen, die vrij resistent zijn en het vrijleggen zullen bemoeilijken. De gebruikte techniek bij deze twee schilderperiodes is een temperatechniek; dit is een schildering uitgevoerd op een droge pleisterlaag (of soms op een pleisterlaag die al droog was maar voor het schilderen opnieuw bevochtigd wordt). Men gebruikte pigmenten (veel aardekleuren) die getemperd zijn in een waterig bindmiddel (ei, lijm, gom...). Dit is uit te maken door een laboratoriumonderzoek. Gezien deze beschildering tot de oudste van België behoort, is een dergelijk onderzoek zeker een noodzakelijk onderdeel van de restauratie. Deze restauratie zal met uiterste zorg moeten gebeuren: vrijlegging en plaatselijke fixering zullen gelijktijdig moeten uitgevoerd worden, omdat zowel de pleisterlagen als de verflagen in slechte toestand van bewaring zijn. Dit eerste summier onderzoek zit uiteraard vol gissingen en veronderstellingen. Pas na volledige vrijlegging en restauratie zal hierover meer duidelijkheid ontstaan, al zal de oudste beschilderingsperiode, op de buitenboord en enkele lacunes in de tweede laag na, zijn geheimen bewaren. Men kan uiteraard de romaanse muurschilderingen niet opofferen voor de 'ottoonse'. De vondst van deze muurschilderingen is zéér belangrijk, al was het maar

mmm

omwille van de relatieve schaarste van muurschilderingen uit deze periode in onze streken. Uit archieven en geschriften is geweten dat er in deze eeuwen ontzettend veel en belangrijke muurschilderingsensembles waren, maar de meeste hiervan zijn verdwenen. De mooiste reeks romaanse muurschilderingen wordt bewaard in de kathedraal van Doornik. Ze worden rond het einde van de 12de eeuw, begin van de 13de eeuw gedagtekend. Twaalfde-eeuwse schilderingen zijn nog bewaard in de refter van de voormalige Sint-Baafsabdij te Gent, waar vier monumentale figuren de vensterbogen sieren. In de romaanse SintPauluskerk te Vossem (Brabant) werden in het koor ook opeenvolgende beschilderingsperiodes aangetroffen: een gotische kruisiging bedekt er gedeeltelijk een romaanse schildering (circa 1230) met hetzelfde onderwerp. Restauratie van een dergelijke situatie is altijd een moeilijke opgave, omdat er ook visueel naar een aanvaardbaar uitzicht moet gestreefd worden. Op hoop van zegen voor de muurschilderingen van Ename! M. Buyle

M&L-ANTIQUARIAAT Geregeld ontvangt de redactie van M&L radeloze lezersbrieven, op zoek naar oude, sindsdien uitgeputte nummers. Bij wijze van dienstverlening aan verknochte abonnees brengt de binnenkrant (gratis) telkens nodig deze rubriek, en dit op eenvoudige aanvraag bij de redactie. Zandstraal 3, 1000 Brussel. De M&L-af levering 1/1 (november 1981 wordt gezocht door Mare Vandenbergh, Nobelstraat 22, 2128 Baal (tel.: 016/53.28.20)

ZINGENDE TORENS DE BEIAARD VAN DE ONZE-UEVE-VROUWKERK TE DEINZE Sinds verscheidene jaren wordt door René Gailly International Productions in samenwerking met het Bestuur Monumenten en Landschappen een reeks opnamen op CD (nu reeds 9) uitgegeven van gerestaureerde orgels in Vlaanderen. In de parallelreeks Zingende torens werd onlangs "Landscapes" voorgesteld, het - ook alweer - 5de exemplaar, waar de beiaard van de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Deinze te beluisteren valt, solo of in samenspel met het Groot Harmonie Orkest van de Gidsen. De beiaard wordt bespeeld door Aimé Lombaert; Frangois De Ridder dirigeert het Groot Harmonie Orkest van de Gidsen, terwijl Hans Swinnen instond voor de arrangementen. De grote-tertsbeiaard van Deinze die in 1988 werd geïnstalleerd, is een totaal nieuw instrument, het eerste in zijn soort. De grote tertsklokken werden in de tweede helft van de tachtiger jaren door de Koninklijke Eijsbouts Klokkengieterij uit Asten (Nederland) ontwikkeld, in samenwerking met de Technische Hogeschool van Utrecht. Het vinden van het juiste klokprofiel om in de totaalklank van de klok de grote terts te laten meeklinken, zoals bij alle andere instrumenten, is een evolutie in de klokgletkunst waarvan het belang op dit ogenblik nog niet te meten is. Naast enkele kleinere klokkenspellen, voornamelijk in Nederland, maar ook in België (onder meer Lissewege, Brugge) zijn er slechts twee andere grote-tertsbelaarden: de S. Stearns Major-Third Carillon (53 klokken) in het Bell Tower Center \e Houston, Texas en de Arvella Schuller MajorThird Carillon (52 klokken) in de Crystal Cathedralte Garden Grove, California, beide in de USA. De beiaard van Deinze hangt in de toren van de Onze-Lieve-Vrouwkerk en telt nu 37 klokken (3 octaven). De installatie is echter voorzien voor een volwaardige vier-octaafsbeiaard van 48 klokken. Zij werd door de firma Clock-o-Matic uit Herent (Leuven) gerealiseerd. Aimé Lombaert was de ontwerper-adviseur. Vanuit een gedegen muziektheoretische bagage wist componist Hans

B I N N E N K R A N T


M8d

8 Swinnen (1941) zich een zelfstandige loopbaan op te bouwen met wel erg gevarieerde bezigheden. Het meest in het oog springend daarbij zijn enerzijds revisies en restauraties van partituren die anders nooit verklankt zouden kunnen worden, anderzijds bewerkingen en transcripties van zogenaamde "volks"- en lichtere muziek om aan functionele behoeften te kunnen voldoen. Maar ook als componist heeft hij zich laten gelden met een vioolconcerto, een aantal cantates, een musical, enkele werken voor instrumentale solo en orkest en diverse kamermuziekbladzijden. Aimé /.omöaert(1945) deed zijn muzikale studies aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Gent, het Lemmensinstituut en de Koninklijke Beiaardschool te Mechelen. Als beroepsbeiaardier concerteerde hij op zowat alle belangrijke beiaarden ter wereld. Hij is stadsbeiaardier en titularis van de Belfortbeiaard te Brugge en de stadsbeiaard te Poperinge. Hij realiseerde of werkte mee aan ontelbare opnames voor radio en TV, LP en CD rond de beiaard. Hij maakt deel uit van de Raad van Bestuur van de Belgische Beiaardiersgilde en de Beiaardwereldfederatie. Ook is hij werkzaam als ontwerperadviseur bij restauraties van beiaarden en klokkenspellen. Aan de stad Deinze is hij verbonden als stadsbeiaardier en als leraar aan de Academie voor Muziek, Woord en Dans. De Muziekkapel van de Gidsen omvat een Groot Harmonieorkest van 85 musici en een Trompetterskorps van 23 uitvoerders. Haar repertoire is zeer uitgebreid en gaat van J.S. Bach tot I. Strawinsky, met inbegrip van alle klassieke, moderne en hedendaagse meesters van de meest lopende strek-

kingen. Zij voert ook vaak werk van Belgische componisten uit. Het orkest bestaat reeds meer dan honderdvijftig jaar en heeft een uitstekende reputatie. De oorsprong van de Muziekkapel ligt bij Koning Leopold I. Toen hij in 1832 met zijn jonge echtgenote LouiseMarie van Orleans in België aankwam, traden verschillende orkesten op. Daarop besloot de koning een orkest op te richten dat aan de Koninklijke Wacht verbonden zou worden. Zijn keuze viel op het orkest en de dirigent van het Eerste Linieregiment, die hij reeds aan het werk gehoord had. Met dirigent Bender, die ook de bekende regimentsmars van het Eerste Regiment Gidsen schreef, begon het orkest aan een succesvolle carrière. Het vergezelde de Koning op zijn reizen en gaf weldra ook concerten in binnen- en buitenland. De Muziekkapel kon steeds een beroep doen op uitstekende dirigenten. Sinds 1985 wordt ze geleid door Kapitein Norbert Nozy. Frangois De Ridder (1951) begon op jeugdige leeftijd zijn muzikale studies aan de Muziekacademie August De Boeck te Asse. Na de humaniora studeerde hij verder aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Gent voor notenleer en klarinet en te Brussel voor harmonie- en fanfaredirectie bij Jean Segers. In 1971 begon hij aan een militaire loopbaan, eerst als klarinettist bij de Muziekkapel van de Ardense Jagers te Arlon, nadien bij de Muziekkapel van de Belgische Luchtmacht te Brussel. In 19834 werd hij kapelmeester a.i. bij de Muziekkapel van de Belgische Rijkswacht en sinds november 1988 is hij adjunct-kapelmeester bij het Groot Harmonieorkest van de Gidsen. Thans is hij ook leraar klarinet aan de Muziekacademie te

Asse en assistent harmonie- en fanfaredirectie aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel.

"Landscapes" The Major-third carillon of Deinze Aimé Lombaert, carilloneur - Symphonic Band of the Belgian Guides - Frangois De Ridder (L. Van Beethoven, P. Benoit, E. Hullebrouck, H. Tijssens, J. De Stoop, M. Veremans, G. Feremans, K. Mestdagh, J.P. Rameau, G.F. Handel, J.S. Bach, M. Corette, A. Lombaert, J. Lerinckx, R. Barnes, P. Vermeerscho, W. Van Cleemput, W. Vogel) CD 88 905 (DDD))

JAARVERGADERING VAN DE "VEREINIGUNG DER LANDESDENKMALPFLEGER IN DER BUNDESREPUBUK DEUTSCHLAND" DORTMUND, 22-25 JUNI 1992 Het thema van de vergadering, dit jaar georganiseerd door het Westfalisches Amt für Denkmalpflege, belichtte in het bijzonder structurele wijzigingen en monumentenzorg in het Ruhrgebied. Dortmund als vergaderingsoord bood een voorbeeld bij uitstek: van de kleine, door de Tweede Wereldoorlog aangetaste middeleeuwse stad resten grosso modo het algemeen tracé van de omwalling, een deel van het stratenpatroon en deels gerestaureerde, deels wederopgebouwde middeleeuwse kerken en kloosters, met markante

Dortmund, Lübkestrasse 4 (1914)

B I N N E N K R A N T


M&L torens middenin de meer dan nodig herbouwde commerciële stadskern. Randgebieden en omgevende dorpen werden in de loop van de 19de en 20ste eeuw opgenomen in een gedifferentieerde stadsuitleg: de grootschalige industrialisatie van het Ruhrgebied veranderde de structuren van een aantal dorpen, die nieuwe functies moesten vervullen op het vlak van administratie en verzorging; kleine preindustriële bedrijven ontwikkelden zich samen met nieuwe vestigingen - ten koste van de landbouwgrond - tot industriële centra met aanpalende woongebieden. Oorlogsschade en verdere uitbouw vroegen om een eigentijdse aanpak die interessante architectuur van de jaren '50-'60 opleverde. De teloorgang van de zwaarindustrie luidde het nieuwe post-industriële tijdperk in, met al wat dit opnieuw aan structuurveranderingen met zich mee kon brengen. De zorg om belangrijke getuigen van het pre- en industriële tijdperk enerzijds en de vraag naar het 'Vergroenen"van het landschap maakte een ruime en gestoffeerde allround inventarisatie noodzakelijk. Aansluitend dienden uitgebalanceerde voorstellen uitgewerkt wat het conserveren en reconverteren betreft. Alle aandacht ging uiteraard naar de bepalende elementen van de "rode draad"'m de geschiedenis van het gebied, en dit zowel wat de ensembles en structuren als de aparte "monumenten" \n de ruimste zin betreft. Voor beide "groepen" werd een "soepele, creaf/eve" begeleiding in samenspraak met de gemeenten bij wet voorzien. Vanaf de derde dag werd per thema vergaderd in kleinere werkgroepen: een gespreksstimulerende oplossing die soms wel frustrerend overkomt omwille van de verplichte keuze. Omdat 19de- 20ste-eeuwse stadsuitbreiding en tuinsteden op het eigen Bestuur aan de dag zijn, zowel wat de inventarisatie als de beschermingen betreft, werd geopteerd voor de werkzaamheden en de excursie van deze groep. Voornamelijk de bespreking van en het bezoek aan de Gartenstadt brachten interessante elementen aan. Het verhaal gaat terug tot 1910 met de oprichting van een Gartenstadt Genossenschaftot groepering van 234 leden - meestal ambtenaren - op

zoek naar een geschikte bouwgrond voor de realisatie van de ideale tuinstad (*) In 1912 komt hiervoor een oplossing, dankzij de tussenkomst van de stad, en volgt de eerste steenlegging van Gartenstadt Dortmund-Schönau met aansluitende opdracht aan architect Professor H. Metzendorf. Algemene en gedetailleerde plannen worden in de loop van 1913 uitgewerkt, voorgelegd aan stedelijke en andere instanties en uiteraard besproken met de leden van het Genossenschaft. De eerste 45 huizen worden officieel overgedragen en de eerste bouwfase wordt hiermee afgerond (mei 1914). De verdere uitbreiding begint vanaf de jaren 1922, onder leiding van het Dortmundse architechtenbureau D. & K. Schulze, met hoogtepunt van de bouwactiviteiten in 1927; met de dood van K. Schulze in 1929 wordt ook het "artistiek toezicht" opgeheven. Interessant is de sinds 1922 aangevatte discussie omtrent het bouwen van garages die pas in 1931 wordt beslecht ten voordele van het groeiend aantal autobezitters: een weerspiegeling van de sociale status van de Tuinstadbewoners. Na enige beschadiging tijdens de Tweede Wereldoorlog (1944,1945) wordt de begrenzende weg van de tuinstad - de Westfalendamm - als nieuwe "Bundesstrasse" opgenomen in de ontwikkeling van de Dortmundse wegeninfrastrucuur. De tuinstad wordt hiermee enigszins uit haar gewenst isolement gehaald en meer betrokken bij de stadsuitbreiding. De verdere ontwikkeling loopt over het opheffen van het Genossenschaft (1969) en het verkavelen van een aantal gemeenschappelijke groene ruimten (vanaf 1970). Vanaf dezelfde periode protesteren de bezorgde inwoners tegen de groeiende "tertiarisering"\/an de vermelde Westfalendamm. In samenspraak met de Dortmundse en algemene Westfaalse Monumentenzorg wordt geleidelijk een Denkma/pf/egep/an uitgedokterd, in 1989 gematerialiseerd door het bureau Krause & Partner. Na historisch onderzoek, ontleding van de oorspronkelijke plannen en besprekingen met de bewoners worden begeleidende basispricipen geformuleerd die in grote lijnen neerkomen op:

1 0 Prioriteit voor het behoud van de algemene Ruimtelijke Structuur: algemene aanleg, percelering en open ruimten. 2° Aandacht voor de verhouding bebouwde oppervlakte/terreinoppervlakte (V/T): Ruimte en Volume. 3° Vastleggen van beeldbepalende elementen, rekening houdend met hun "documentaire waarde", architecturale kwaliteiten en gaafheid; elementen uit verschillende bouwperiodes kunnen aldus aan bod komen. 4° Rekening houden met de beeldbepalende beplanting, zo mogelijk steunend op de bestaande voorschriften 5° Tot een minimum herleiden van bijkomende erfdienstbaarheden en het verzekeren van een degelijke begeleiding bij aanvragen tot verbouwen of vernieuwen. 6° Nadrukkelijk vermijden dat de indruk zou ontstaan dat de wijk voortaan wordt bevroren en iedere aanpassing, herwaardering of verdere ontwikkeling - onder meer met nieuwe bouw voornamelijk op de nog beschikbare percelen - in se uitgesloten zijn. De Gartenstadt heeft grosso modo haar structuur bewaard en is inmiddels uitgegroeid tot een bijzonder elitair en dicht begroeide woonwijk. Van het collectieve verband is nog weinig te bespeuren: alleen enkele nu ietwat desolate pleintjes en het beschermde gezamenlijke tuiniershuis getuigen van de oorspronkelijke opzet. De privatisering heeft slechts een aantal huizen ongemoeid gelaten. Van meetaf aan waren verschillende types voorzien voor losstaande en enigszins gegroepeerde bebouwing. Afmetingen en indeling van de woonen dienstruimten vertonen enige differentiëring maar horen duidelijk tot het "betere" type, met een voorliefde voor de eensgezinswoning, voornamelijk in de eerste fase. In een tweede bouwfase komen tweegezinswoningen voor, ondergebracht in een ruime V///a-acW/ge"bouw met twee bouwlagen en mogelijk aanleunend bij een lieftallig regionalisme dat mettertijd enige vereenvoudiging ondergaat in afwerking en versiering. De latere aanpassingen hebben deze lijn doorgetrokken met nieuwe, vervlakkende beraping, standaardvensters en -deuren en sporadisch aanbouwsels, pergola's enzovoort. Bedoeling is corrigerend op te treden

B I N N E N K R A N T


M&L

10

bij toekomstige interventies zonder daarom een terugkeer naar de oorspronkelijke toestand op te dringen. De "c/)aof;sche"begroening wordt vooralsnog ongemoeid gelaten, ook al wordt gedacht aan voorlichting en begeleidend advies bij nieuwe aanplantingen. De gehanteerde basisprinciepen, met gelijklopende opties wat de "verlichte" begeleiding betreft, werden doorgenomen met het Westvlaamse inventaristeam dat precies beschermingsvoorstellen voor de oudste, zogenaamde "Dumontverkaveling"\/an De Panne aan het uitwerken was. Naast de gekende, konden enige "Dortmundse" benaderingen verweven worden in de algemene en meer bijzondere beschouwingen. Hiermee kan eens te meer worden aangetoont dat internationale contacten vruchtbaar zijn in toepassingen op kort en lange termijn. Ze bieden de mogelijkheden even door te discussiëren en door te denken over analoge problemen, om uit te komen op een verruimde synthese; ze tonen ook aan dat er nood is aan een continue voorlichting en bijscholing op het vlak van de evoluerende doctrine, wil men niet vervallen in een vervlakkende en uitsluitend op de praktijk gerichte routine... S. Van Aerschot-Van Haeverbeeck.

19DE INTERNATIONAAL FILMFESTIVAL VAN VLAANDEREN-GENT 7-18 OKTOBER 1992 Sinds het ruchtmakende Cités-Cinésgebeuren in het Gentse Floraliënpaleis (zie M&L, jg. 8, nr. 1) en het vooruitziend gebleken M&L-themanummer over filmtheaters (jg. 7, nr. 5) is de 7de Kunst onwelvoeglijk lang uit deze kolommen weggebleven. Van Filmgebeuren gezuiverd tot Filmfestival biedt deze 19de Gentse editie - hoewel nooit helemaal afwezig - opnieuw enkele ondubbelzinnige aanknopingspunten met de "monumentenzorg", wat enige extra aandacht verdient. Naast de Officiële Selectie (een 30-tal films in- en buiten competitie), de sectie Filmspectrum en de Focus op Quebec, worden - bij wijze van wereldprimeur - in het bijzonder een selectie films vertoond uit de Piper Heidsieck classic film collection. In samenwerking met het British Film Institute startte Piper Heidsieck immers een ambitieus project op tot restauratie van unieke filmklassiekers, met de bedoeling deze opnieuw te vertonen. Gespreid over de periode 1992-1995 wordt de collectie van ruim 200 films opgebouwd tegen 1995, wanneer de 100ste verjaardag wordt herdacht van de eerste publieke filmvoorstelling in Parijs door de gebroeders Lumière.

Voor het filmfestival ging de keuze naar "The Freed Unit", een reeks grote (*) dr. Chronik der Gartensiadt, uit Krause & MGM-musicals, alle geproduceerd Partner, Dortmunt-gatenstadt, Denkmalpfledoor Arthur Freed vanaf 1939. geplan 1989 (met de nodige illustraties opgeZo wordt de Piper Heidsieck Classic nomen in de Tagungsbeilage mit Programm). Film Collection groots geopend met de vertoning van Vincente Minnelli's The Pirate.

C O M M A N D E U R IN DE KROONORDE Bij koninklijk besluit van 3 maart 1992 werd aan Baron Andries Van den Abeele, ondervoorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, het ereteken van Commandeur in de Kroonorde verleend. Zijne Majesteit koning Boudewijn verleende deze hoge onderscheiding aan Baron Van den Abeele omwille van diens uitzonderlijke verdiensten inzake de bevordering van de monumentenzorg. De versierselen en de oorkonde van de onderscheiding werden hem op 4 juli 1992 in een beperkte vriendenkring overhandigd.

Uit het ongemeen gediversifieerd programma onthouden wij verder graag de hulde aan Laurel & Hardy, naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de geboorte van Oliver. Naast de dagelijkse (avond)vertoning van een Laurel & Hardy kortfilm, vormt de projectie van The Sons of the Desert, op 10 oktober, hierbij ongetwijfeld een hoogtepunt. Drie gelijklopende tentoonstellingen beogen daarnaast wat materiële bestendigheid te verlenen aan het intrinsiek vluchtige medium. Vooreerst wordt aan de hand van 120 foto's, affiches, tekeningen... een overzicht geboden uit het leven en werk van de Italiaanse filmcomponist Nino Rota, huiscomponist van onder meer Fellini, maar evenzeer auteur van soundtracks voor King Vidor, Luchino Visconti en Francis Ford Coppola. Europese Filmmakers in Hollywood 1905-1945 vjeró samengesteld met materiaal uit tegelijk het Gentse Stadsarchief, het archief van Johan Daisne en het Koninklijk Filmarchief. Europese cineasten die - in drie opeenvolgende emigratiegolven - in Amerika carrière maakten krijgen hier het zoeklicht. Ernst Lubitsch, Josef Von Sternberg, Fritz Lang, Sirk en Wilder - in totaal een 37 cineasten komen zo naast Mariene Dietrich aan bod via foto's, brieven, knipsels en affiches. Alexandre Trauner: 50 jaar Film schetst aan de hand van schilderijen, tekeningen en foto's dan weer een beeld van de carrière van één van 's werelds bekendste decor-ontwerpers.

B I N N E N K R A N T


M8d 1

ii

2

1. Bezoek van minister Johan Sauwens aan het restauratieatelier G. Potvlieghe te Ninove. Van links naar rechts: J. De Poorter, zaakvoerder van het restauratiebedrijl Vande Kerckhove, hoofdaannemer van de restauratie van het orgel (onderaannemerszijn G. Potvlieghe en J.-P. Draps): Gemeenschapsminister Johan Sauwens; P. Roose, orgetdeskundige van het Bestuur Monumenten en Landschappen; H. Craeybeckx, voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen; A. Fauconnier, orgeldeskundige van het Bestuur Monumenten en Landschappen en belast met het toezicht op de restauratie van het orgel. 2. Werkbezoek aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. De restauratie van het retabel van Neerharen is voltooid. Van links naar rechts: Liliane Masschelein, directrice van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium; Myriam Serck, restauratrice die de leiding had van de restauratie; Gemeenschapsminister Johan Sauwens; (uiterst rechts en maar half in beeld, J. Van den Eede, voorzitter van het Museum voor religieuse kunst Antwerpen)

Alexandre Trauner werd geboren in Hongarije. Hij studeerde aan de School voor Schone Kunsten te Boedapest. Omdat hij al een hartsgrondige hekel had aan het Horthy-regime en het toen heersende antisemitisme, verliet hij zijn geboorteland en besloot zich te vestigen in Frankrijk, waar hij in 1920 aankwam. Trauner voelde zich al gauw thuis in het Parijs van de twintiger jaren. Aangemoedigd door het intellectueel klimaat waarin de vrijheid en de vruchtbaarheid van de verbeelding in hoog aanzien stonden, werd hij één van de vele artiesten in de Franse hoofdstad die niet langer tevreden waren met één medium, maar zich ook op andere disciplines gingen toeleggen, zoals ballet, decor, fotografie, modeontwerp, architectuur... Voor Trauner zou het de cinema worden.

Zijn doorbraak in de filmwereld kwam toen hij als assistent in dienst werd genomen door ontwerper Lazare Meersen, die hem liet meewerken aan films als René Clairs Le Million en 14 Juillet, of Jacques Feyders La kermesse héroïque. In 1932 had Trauner een beslissende ontmoeting met dichter-scenarist

Jacques Prévert, het begin van een diepe en ononderbroken vriendschap. Van toen ook dateert het ontstaan van wat men thans de Grote Franse Filmshow zou kunnen noemen, met Jacques Prévert die de scenario's schreef, Trauner die de decors ontwierp. Marcel Carné, Pierre Prévert, de gebroeders Allégret en Jean Grémillion die regisseerden en Maurice Jaubert en Joseph Kosma die de muziek componeerden. Twintig jaar lang zouden deze mensen elkaar inspireren en aan de eindresultaten - de films die uiteindelijk gemaakt werden - droeg Trauner die onnabootsbare stijl en atmosfeer bij die al zijn werk kenmerkt. Het was het gouden tijdperk van de Franse film, met films als Dróle de drame (1937), Hotel du Nord (1938), flemor(jues(1940)... Na 1940, tijdens de Bezetting, moest Trauner onderduiken, maar hij bleef verder werken, aan Carné en Préverts Les Visiteurs du So/ren Les Enfants du Paradis. Het duurde niet lang of zijn uitzonderlijk talent werd ook in het buitenland opgemerkt. De daaropvolgende tien jaar zou hij hoofdzakelijk in Hollywood doorbrengen, waar hij werkte voor onder andere Billy Wilder, Anatole Litvak, Orson Welles, Fred Zinnemann en John Houston. Met The Man Who Would Be King van laatstgenoemde kwam in 1974 een eind aan zijn Amerikaanse periode. Na zijn terugkeer in Europa is Trauner blijven werken voor regisseurs als Joseph Losey, Bertrand Tavernier, Claude Berri, Luc Besson en Arthur Joffé. Een 200-tal voorbeelden van Trauners werk - overwegend schilderijen en tekeningen - werden bijeengebracht. De tentoonstelling die hieruit resulteerde biedt een uniek inzicht in een groot en uitermate rijk oeuvre van een meester in niet één, maar twee visuele kunsten: de schilderkunst en de cinema.

Het 19de Internationaal Filmfestival van Vlaanderen - Gent heeft plaats van 7 tot en met 18 oktober 1992.

SUBSIDIERING Op voorstel van Gemeenschapsminister Johan Sauwens, bevoegd voor Monumenten en Landschappen, vaardigde de Vlaamse Executieve op 8 juli 1992 een nieuwe vereenvoudigde en versoepelde regeling uit voor de vaststelling en uitbetaling van de subsidies voor werken aan beschermde monumenten. Na de versoepeling van de regeling voor de erkenning van de aannemers, is het thans mogelijk om bij delikate restauraties, inzonderheid aan het kunstbezit der monumenten, de werken toe te vertrouwen aan de beste en meest deskundige restaurateurs, zelfs wanneer die werkzaam zijn in een klein bedrijf. Vele van deze kleine bedrijven beschikken over een grote ervaring en deskundigheid die soms in schril contrast staan met hun financiële toestand of de staat van hun boekhouding en administratie. Voor de restauratie van een kunstwerk dient echter de vakkennis en de ervaring het belangrijkste criterium te zijn. Door de recente vereenvoudigingen moet het voor elke gespecialiseerde restaurateur voortaan mogelijk zijn zich in orde te stellen met de thans geldende voorschriften voor het uitvoeren van werken aan beschermde monumenten. De vakkundige restauratie is voor het cultureel erfgoed van essentieel belang en de inschakeling van de beste restaurateurs is dan ook een absolute vereiste. Gemeenschapsminister Johan Sauwens liet inmiddels reeds zijn

B I N N E N K R A N T


M&L

12

belangstelling blijken voor de gespecialiseerde restauratie-ateliers. Op vrijdag 4 september 1992 bracht hij een bezoek aan het restauratieatelier van het Koninklijk Instuut voor het Kunstpatrimonium te Brussel, waar enkele Antwerpse retabels worden gerestaureerd en te Ninove aan het restauratie-atelier van orgelbouwer G. Potvlieghe, waar het orgel van de Sint-Pauluskerk van Antwerpen in restauratie is.

DOCUMENTATIECENTRUM STICHTING LEEFMILIEU Het documentatiecentrum van de Stichting Leefmilieu werd in augustus 1992 vergroot en vernieuwd en werd op vrijdag 25 september ingehuldigd door de heer N. De Batselier, Vicevoorzitter van de Vlaamse Executieve en Gemeenschapsministervan Leefmilieu en Huisvesting. De heropening gaat gepaard met de eerste tentoonstelling 'Focus op Milieu'. Er wordt een selectie getoond van ingezonden foto's naar aanleiding van de gelijknamige fotowedstrijd. Het hernieuwde documentatiecentrum bevat drie grote delen: een bibliotheek, een videotheek en een diatheek. Men treft er een waaier van informatie aan over alle mogelijke onderwerpen die betrekking hebben op het leefmilieu. In de Bibliotheek \s de informatie gegroepeerd in vijf hoofdonderdelen; 1. Meer dan 8000 naslagwerken, boeken, rapporten en dossiers en eindwerken worden thematisch gerangschikt in 14 grote rubrieken. Nieuw is dat deze werken kunnen opgezocht worden in een geautomatiseerd bestand via diverse ingangen (auteur, titel, trefwoord). 2. Er is een knipselarchief uitgebouwd waarbinnen de knipselmappen thematisch zijn gerangschikt volgens dezelfde 14 hoofdrubrieken als het boekenbestand. De onderverdeling per rubriek is daarentegen afhankelijk van de steeds evoluerende actualiteit. De knipselmappen worden samengesteld uit persknipsels uit dag- en weekbladen, tijdschriften, publikaties en andere documentatiebronnen.

3. Er kunnen ook een 120-tal tijdschriften geraadpleegd worden (zij zijn alfabetisch gerangschikt). Zij belichten de milieumarkt, het milieubeleid, het milieurecht, de visie van de industrie, consument en milieubeweging, geven technische, wetenschappelijke of educatieve informatie over natuur(beheer) en milieuzorg). Het zijn de belangrijkste Belgische en Nederlandse tijdschriften, maar ook enkele Engelse, Duitse en Franse. 4. Er is een afzonderlijke afdeling milieu-educatie uitgebouwd waarin volgende thema's aan bod komen: leefmilieu algemeen, energie, afval, water, lucht, bodem, geluid, fauna en flora, verkeer, bossen en bomen, voeding, landbouw, ruimtelijke ordening, bezoekerscentra en natuurpaden. U vindt er lespaketten, didactisch materiaal en nuttige basisinformatie ten behoeve van het milieu-onderricht in het basisen secundair onderwijs. 5. Een vijfde afdeling bevat persoverzichten, documentatie van de Vlaamse Raad, Staatsbladen, activiteitenkalender, nieuwe publikaties. Alle aanwezige documentatie kan vrij worden geraadpleegd. Er worden geen werken ontleend. Wel is er kopiëerfaciliteit (abonnees betalen 2,-bfr. per A4-kopie en 4,-bfr. per A3kopie; voor niet-abonnees is dit respectievelijk 5,-bfr. en 10,-bfr.). De Videotheek is voornamelijk samengesteld uit opnamen van televisieprogramma's. De meest belangrijke uitzendingen worden bijgehouden. Tevens zijn enkele originele milieueducatieve produkties beschikbaar. Meer dan 50 titels zijn reeds aanwezig. De banden worden gratis ontleend voor niet-commerciële doeleinden (mits betaling van 2000,-Bfr. waarborg per ontleende band). Ze kunnen in het documentatiecentrum worden bekeken. In de Diatheek is een beperkt aanbod beschikbaar voor educatief gebruik. M. De Borgher.

Het Milieudocumentatiecentrum is gevestigd Kipdorp 11, te Antwerpen en is elke werkdag vrij toegankelijk van 9 uur tot 17 uur.

CONGRESSEN RESTORATION 92 - RAI AMSTERDAM VAN 20 TOT EN MET 22 OKTOBER De nieuwste inzichten, materialen en technieken, gecombineerd met traditioneel vakmanschap. Daar draait het om tijdens de internationale vakbeurs Restoration 92, die van dinsdag 20 tot en met donderdag 22 oktober plaatsvindt in de Delta- en Randstadhal van de RAI, in Amsterdam. Evenals vorige keer, in 1990, kent de beurs een Restauratorenpaviljoen. De bezoeker vindt er onder andere restauratoren van schilderijen, meubels, tapijten, textiel, uurwerken, papier en monumenten. Verder kent Restoration een Informatieplein waarop non-profit organisaties hun diensten en informatie aan de betrokken doelgroepen aanbieden. Daarnaast zijn er landeninzendingen uit Italië, Frankrijk en Groot-Brittannië. Nieuw op de beurs is een Tuin-restauratieplein. In deze gezamenlijke presentatie laat een internationaal gezelschap van tuin- en landschapsarchitecten zien hoe tuinen in hun oude luister kunnen worden hersteld. De vakbeurs beslaat een zeer breed terrein. Van het herstel en behoud van kunstwerken, meubilair, textiel, boeken, archieven, tot de restauratie en conservering van gebouwen en (natuur-)monumenten. Het expositieprogramma omvat niet alleen produkten, materialen en technieken. Ook gespecialiseerde dienstverleners zoals architecten, conservatoren, restauratoren, onderzoeks- en opleidingsinstituten geven acte de presence. De bezoekersdoelgroep voor de vakbeurs bestaat uit beheerders van collecties, restauratoren, conservatoren, onderzoekers, medewerkers en directies van musea, antiquairs, archivarissen, interieurontwerpers, architecten, aannemers en ambtenaren die betrokken zijn bij het restauratiebeleid van overheidsinstanties. Maar ook particuliere opdrachtgevers zijn welkom. Restoration 92 is meer dan een vakbeurs. Onder de titel "Conservation,

B I N N E N K R A N T


M8cL

ia training, materials and techniques: latest developments"mói gelijktijdig een groot internationaal congres plaats. Doel van dit congres is een bijdrage leveren aan de internationale uitwisseling van kennis en ervaringen. Een van de hoofdonderwerpen van het congres Is "opleiding". Er is grote behoefte aan een goede training van restauratoren. Het congres gaat in op de ontwikkeling van een internationale standaard voor opleidingen. Daarnaast verschaft een aantal vermaarde restauratoren en conservatoren inzicht in de huidige werkwijzen. In parallelsessies komen de sectoren musea, archieven, gebouwen en tuinen en parken aan bod. In de cases ligt de nadruk op de keuze van materialen en technieken. Speciale aandacht gaat uit naar de conservering en restauratie van moderne kunst. Tot slot behandelt het congres de Nederlandse politieke richtlijnen op conserveringsgebied, het zogenaamde Deltaplan.

Restoration 92, Internationaal Tentoonstellings- en Congrescentrum RAI, te Amsterdam, van dinsdag 20 tot en met donderdag 22 oktober 1922, dagelijks van 10 tot 20 uur. Aanmelding voor het congres kan bij het Congressecretariaat Restoration 91, p/a RAI Organisatie Bureau Amsterdam, tel.: 020-549.12.12, toestel 1744

- de kostprijs van de desurbanisatie; - een nieuwe stedelijke kunst ("art urbain'); - de toekomst van onze landschappen; - de multidimensionele ordening. De aandacht zal hierbij in eerste instantie gaan naar essentiële projecten van openbare besturen, lokale gemeenschappen, de privé sector en gespecialiseerde professionelen, het decor waaraan de nieuwe stedebouw kan worden getoetst. Ook andere dan Waalse deskundigen zijn met hun ervaring en know how op dit colloquium welkom. Kandidaturen en thema's voor lezingen worden dan ook met belangstelling ingewacht.

Voor alle inlichtingen, zich wenden tot de Direction Générale de l'Aménagement du Territoire et du Logement, Mademoiselle Nathalie Hardy-tel.: 081/33.25.52 of Monsieur Marc Schepers tel.: 081/33.21.37-rue des Brigade d'lrlandes, 5100 Namur (Jambes)-fax.: 081/33.21.10.

Dit keerpunt in het Brusselse beleid wordt geïllustreerd aan de hand van tekeningen, foto's, maquettes en diamontages. Het zal ook worden toegelicht en in het openbaar worden besproken tijdens een reeks Middagen van de stedebouw ó\e bij de tentoonstelling aansluiten.

ÏENÏOONSMG INTERNATIONALE CONFERENTIE VERS UN NOUVEL URBANISME CHARLEROI 14-15 DECEMBER 1992 Naar aanleiding van de 30ste verjaardag van de Belgische organieke wet op stedebouw, organiseren de Waalse Gewestminister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening en de Direction Générale de l'Aménagement du Territoire et du Logement gezamenlijk een internationaal bedoelde conferentie, teneinde een nieuwe impuls te geven aan het debat over de ruimtelijke ordening, in het bijzonder op het niveau van het concept. Volgende werkthema's worden hierbij vooropgesteld:

voer te bevorderen, de openbare ruimte nieuw aan te leggen, het natuurlijk en bouwkundig erfgoed te valoriseren... kortom, om het leven in de stad weer aangenaam te maken. Wordt in de tentoonstelling ook voorgesteld, hel omvangrijke werk dat de Executieve heeft geleverd om de instrumenten te smeden waarmee zij een echt stedebouwkundig beleid in en voor Brussel moet kunnen voeren. Daartoe behoren de sectoriële studies ter voorbereiding van het Gewestelijk Ontwikkelingsplan, het opstarten van de zogenaamde "iv(//(confracfen"waarmee de stadsvernieuwing moet worden aangezwengeld, de nauwkeurige inventarisering van het bouwkundig erfgoed in het kader van de nieuwe, gewestelijke ordonnantie voor de bescherming van monumenten en landschappen er; de nadere uitwerking van de geïnformatiseerde kartografie van het hele gewestelijke grondgebied. Tijdens de periode 1991-1992 werden tenslotte ook belangrijke stadsontwikkelingsschema's uitgewerkt voor de buurten gelegen aan het Zuidstation, in de Kanaalzone en voor de leegstaande kazernes.

FONDATION POUR L'ARCHITECTURE BOUWEN AAN EEN LEEFBAAR BRUSSEL Van 19 september tot 11 oktober 1992 stelt de Fondation pour l'architecture de tweede uitgave van haar jaarlijkse tentoonstelling Bouwen aan een leefbaar Brussel wor, gewijd aan de acties die de Executieve van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest terzake onderneemt. De tentoonstelling toont hoe de Executieve sinds 1989 haar inspanningen heeft voortgezet om bewoners het recht op wonen te verzekeren, om particuliere renovatie-initiatieven te ondersteunen, om het openbaar ver-

Bij de tentoonstelling gaat een tweetalige, geïllustreerde informatiebrochure. Daarin wordt het algemeen, Brussels ruimtelijk beleid van de Executieve omschreven en worden de doelstellingen en de prioritaire ingrepen toegelicht, die elk Kabinet binnen elke beleidssector heeft uitgestippeld.

Bouwen aan een leefbaar Brussel, Fondation pour ^Architecture, Kiuisstraat 55,1050 Brussel, van 19 september tot 11 oktober. Dagelijks, behalve op maandag; open van 12u30 tot 19 u., zaterdag en zondag van 11 utot19u.

wSHW8RH8ggSBanBKBSMBmB»gBBaBnsBmgnnB


M&L

14

Henry Van de Velde, Binneninrichting van het Karl Ernst OsthausMuseum, zicht op de zogenaamde "Brunnenhalle", 1902

HENRY VAN DE VELDE - KARL ERNST OSTHAUSMUSEUM - HAGEN Niet zomaar lukraak werd het Karl Ernst Osthaus-Museum te Hagen uitverkozen voor de creatie van een ambitieuze retrospectieve, gewijd aan het oeuvre van de - toch maar - Belgische kunstenaar/designer/architect

Henry Van de Velde. In 1898, op nauwelijks 24-jarige leeftijd gestart met de bouw van een eigen museum, werd Karl Ernst Osthaus zich van langsom meer bewust van het ultra-conventionele van de gehanteerde neorenaissancestijl, naar ontwerp van de Berlijnse architect Carl Gérard. Nog in 1900 vertrouwde Osthaus de binnenafwerking van zijn museum toe

aan Henry Van de Velde, wiens vernieuwend werk hij had ontdekt in het tijdschrift Dekorative Kunst. Beiden troffen het dermate goed, dat niet alleen het concept van het gebouw zelf op revolutionaire wijze werd omgegooid, maar het aanvankelijk aan de natuurwetenschappen opgedragen Museum Folkwang uiteindelijk op 19 juli 1902 opengesteld werd als

B I N N E N K R A N T


M8d

Henry Van de Velde, rieten zetel uit het huis Possehl, 1905 (Museum für Kunst und Kulturgeschichte, Lübeck)

15

wereldwijd eerste Museum voor hedendaagse Kunst. Mede door het vroegtijdig overlijden van Kar! Ernst Osthaus in 1921 en de daaropvolgende bestemmingswijziging en verbouwing tot kantoorruimten, gingen de bevreemdende, tegelijk vegetatieve en mozarabisch ogende binnenruimten van het museum, door Van de Velde geordend rond Joris Minne's Knapenfontein, ei zo na behoren tot de mythen van de architectuurgeschiedenis. De bijkomende verspreiding van de als Entartete Kunst gebrandmerkte verzamelingen zouden pas in 1945 de heropening toelaten van een omgedoopt Karl Ernst Osthaus-Museum, dat in 1955 opnieuw een onderkomen vond in het voormalige Museum Folkwang... De sindsdien aangevatte geleidelijke restauratie van dit interieur, tot voor kort beperkt tot de - meest spectaculaire - fonteinhal met corresponderende cirkelvormige doorbraak op de verdieping, werd nu merkbaar vervolledigd met de reconstructie van houten aankledingen als het tochtportaal, de borstweringen, deuren en ramen, lambrizeringen en aanverwante. De uitdaging was dan ook van formaat. Henry Van de Velde met een ruime 1000 objecten aan een internationaal publiek voorstellen als een Europees kunstenaar avant la lettre

vraagt inderdaad een meer dan gewone aanpak. Betracht wordt bovendien alle facetten van deze ongemeen veelzijdige figuur aan bod te laten komen, gaande van diens schilderijen en tekeningen, over mobilair, huisraad, juwelen, textielontwerpen, grafische vormgevingen tot en met, uiteraard, architectuur. De tentoonstelling is overigens chronologisch opgevat, een uitgangspunt dat - gelet op de verrassende wendingen in Van de Velde's carrière - reeds een verhaal op zich vormt, of, om maar eens de overigens fraaie vouwfolder na te praten: - Antwerpen, Paris, Brussel 1881-1892: oriëntering en artistieke definiëring; - Brussel 1893-1900: eerste realisaties op vaste grond; - Berlin 1900-1901: Verrukking en verrukking wekken; - Weimar 1902-1917: ontplooiing, rijpheid, beginnende verstarring; - Schweiz und Holland 1917-1926: isolement en vooringenomenheid; - Brussel 1926-1947: Erkenning en late rechtvaardiging; - Schweiz 1947-1957: uitrusten en gevierd worden. Meteen is ook de indeling aangegeven van de flamboyante - maar onmenselijk zware - zo maar even 466 hoogglanzende pagina's tellende begeleidende catalogus, met wetenschappelijke bijdragen van een 16 internationale autoriteiten terzake, waaronder de Vlaamse Luc Verpoest (al liet hij zich onlangs, bij een bord Gnocci in het Berlijnse Bauhaus-Archiv niet zonder enige vrolijkheid ontvallen maar tweede keuze te zijn geweest...). De nadere bespreking van dit gedrukte monument blijve ons hoe dan ook nog even bespaard: het oeuvre van Henry Van de Velde èn het ongetwijfeld weldoordachte pennewerk van zovele deskundigen, doorbladert men niet zo maar op een drafje. Temeer daar de tentoonstelling nog maar aan het beginpunt staat van een lange omzwerving - met oponthoud in Gent - wordt dit gewaarborgd bijtijds nog goedgemaakt. Intussen blijft de verplaatsing naar Hagen alvast warm aanbevolen. Naast het museumgebouw zelf en de tentoonstelling, staat hier immers ook een verplicht bezoek aan het in 19061908 door Van de Velde voor de familie Osthaus gebouwde Hohenhofop het programma. Bovendien loopt tegelijkertijd, in het naburige Munster

de - helaas niet bezochte - aanvullen de tentoonstelling 1910. Halbzeitder Moderne. Van de Velde, Behrens, Hoffmann und die anderen, het tijdskader van gelijkgestemden dus. M.M. Cells

Henry Van de Velde. Ein europaischer Künstler in seiner Zeil - Karl Ernst Osthaus-Museum, Hagen, van 6 september tot 8 november 1992, dagelijks behalve op maandag, van 11 tot 18 uur, op donderdag van 11 tot 20 uur. - Kunstsammlungen zu Weimar, Kunsthalle am Theaterplatz, van 26 november 1992 tot 30 januari 1993, dagelijks behalve op maandag, van 10 tot 18 uur, op donderdag van 10 tot 20 uur. - Bauhaus-Archiv, Museum für Gestaltung, Berlin, van 22 februari tot 18 april 1993, dagelijks behalve op dinsdag, van 10 tot 17 uur. - Museum voor Sierkunst, Gent, van 3 mei tot 4 augustus 1993, dagelijks behalve op maandag, van 9.30 tot 17 uur. - Verder nog; Zurich en Nürnberg. 1910. Halbzeit der Moderne. Van de Velde, Behrens, Hoffmann und die anderen. Westfalisches Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte Munster, Domplatz 10, van 6 september tot 8 november 1992, dagelijks behalve op maandag, van 10 tot 18.00 uur. De tentoonstellingscatalogus, tot stand gekomen onder leiding van Klaus-Jürgen Sembach en Birgit Schulte, kost ter plaatse een schamele 50,-DM (zowat 1000,-bf), ingebonden een 98,-DM. Daarnaast tekende Birgit Schulte voor Henry Van de Velde in Hagen, Neue Folkwang Verlag, 330 pp., ter plaatse 40,-DM.

B I N N E N K R A N T


M&L

33

Antrop M., Het landschap meervoudig bekeken. Monografieën Stichting Leefmilieu, 1989, 30,400 pp. Berten R., De Heide, in Natuur en Flora in Limburg, 1990. p. 127-132. Berten R.. Lineaire elementen en Hoogstamboomgaarden, in Natuur en Flora in Limburg, 1990, p. 183-188. Berten R. (Red.), Natuur & Flora in Limburg, Eigen uitgave in samenwerking met de natuurverenigingen van Limburg, 1990, 235 pp. Berten R., Kenis A., Vaes L. & Vanhaeren R., De bossen, in Natuur en Flora in Limburg, 1990, p. 109-126. Bisschops J.H., Felder W.M. en Bosch P.W., Geologische kaart van Zuid-Limburg en omgeving. Pre-Kwartair. Rijks Geologische Dienst Haarlem 1984 schaal 1/50.000. Bisschops J.H., Felder W.M. en Bosch P.W., Geologische kaart van Zuid-Limburg en omgeving. Oppeniaktekaart. Rijks Geologische Dienst Haarlem 1988 schaal 1/50.000. Bisschops J.H., Felder W.M. en Bosch P.W., Geologische kaart van Zuid-Limburg en omgeving. Afzettingen van de Maas. Rijks Geologische Dienst Haarlem 1989 schaal 1/50.000. Bosmans H., Over de krijtperiode en krijtfossielen, in Hona, Ihemnmmm&r De krijtstreek, 1982, jg. 17. nr. 4. Breuls T.& De Grood E., (1986), De onderaardse kalksteengroeven van Caestert. Studiegroep onderaardse kalksteengroeven S.O.K. van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Niet gepublicieerd. Griel D., Camivora. Driemaandelijks tijdschrift voor roofdierbescherming, 1987, jg. 5 - 2/3. Grijns B., De Vegetatie van de holle wegen: een kwantitatieve analyse en verscheidenheid, in Holle wegen in Limburg, Provinciaal Natuurcentrum Rekem-Lanaken, 1987, p.55-72. De Langhe J.E. e.a.. Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridojyten en Spermatofyten). Meise. 1988, Patrimonium van de Nationale Plantentuin van België, 972 pp. Denis P., Geomorfologie, in Natuur en Flora in Limburg, 1990, p. 15-45. De Voerstreek, uitgave De Tijdspiegel, jg. 31 afl. 2 en 3,1976. Diriken P., Voeren, in Toeristisch-recreatieve atlas van Limburg deel IV: De Voerstreek. Geogids: L IV.4.1., 1986. Gabriels J., Vogels in relatie tot de kenmerkende vegetatie van holle wegen. hmveKhg 1987, Lisec, p. 133-152. Gyselinck J., Mergel als bouwsteen, in Monumenten en Landschappen, jg. 8, nr.4, 1989. Heukels/Van Der Meyden, Flora van Nederland, 1990, 662 pp. Hermy M. (Red.), 1989. Natuurbeheer. Van de Wiele, Stichting Leefmilieu, Natuurreservaten en Instituut voor Natuurbehoud, 224 pp. Langendries R., Planten van de krijtstreek, in Hona, themanummer De krijtstreek, 1982, jg. 17 nr. 4. Lemoine-Isabeau C. & Helin E., Cartes inédites du pays de Liège au XVIir siècle, Gemeentecrediet van België, Brussel, 1980.

- Maesmans A., Landbouwkundige nota, 1990, Niet gepubliceerd. - Pahaut P. (1960), Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, Kaartblad Visé 108W & Verklarende tekst bij het kaartblad. - Pahaut P. (1964), Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, Kaartblad Sint-Martens-Voeren 108E & Verklarende tekst bij het kaartblad. - Pahaut P. (1965), Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, Kaartblad Gemmenicb 109W & Botselaar 109E & Verklarende tekst bij het kaartblad. - Palmans R., De Flora van de Voerstreek, 1978, Niet gepubliceerd. - Palmans R., Landschap en Natuur in de vallei van de Veurs - een wandeling in de Voerstreek, 1983, Niet gepubliceerd. - Palmans R., De Voerstreek - Leven langs grenzen, in Natuurreservaten, 1984, jg. 6, nr. 4. - Paulissen E.. De Maas: Kenmerken en betekenis, in Verslagboek Maassymposium, te Maaseik, 1986. - Roskams M., Beleidsvisie bossen, 1989, Niet gepubliceerd. - Rossenaar A.J., Vegetatie Onderzoekje in het Hoogbos, in Kruipnieuws - Wintergroen, 1987, jg. 20: p. 19-30. - Ruwet J., 1'Agriculture et les Classes rurales au Pays de Herve sous l'Ancien Régime. Bibliotheek der faculteit van Wijsbegeerte en Letteren, Luik, 1943. - Stevens J. (Red.). Holle wegen in Limburg, Provinciaal Natuurcentrum Rekem - Lanaken i.s.m. LISEC & LIM., 1987, 151 pp. - Stevens J., Faunistiek van holle wegen, in Holle wegen in Limburg, Provinciaal Natuurcentrum Rekem-Lanaken, 1987, p.73 - 76. - Stevens J., De broedvogels in relatie tot de plantengroei en de omgeving, in Holle wegen in Limburg, Provinciaal Natuurcentrum Rekem-Lanaken, 1987, p.77 - 90. - Sweeting M., Karstlandforms. Macmillan, 1972 p. 44-73. - Sweron G., Voeren, een landschapspark voor toeristische ontmoeting, studie i.o. en m.m.v. de V.Z.W. "Opbouwwerk Voeren", 1982,80 pp. - Tummers W, J., C, Natuurlijke dolken in het Zuid-Limburgse heuvellandschap, in De natuurgids,}g.20, nr.2, 1982. - Vaes L., De bodem in Limburg, in Natuur en Flora in Limburg, 1990,p.47-52. - Vandenabeele E., Nyssen J. en Palmans R., De Voerstreek, in Informationen und materialien zur Geographic der Euregio Maas-Rhein, heft 5, Aachen 1979, p.28 - 34. - Vanlook W., De plantengroei van onze beekdalen, in Natuur en Flora in Limburg, 1990, p.79-100. - Verlinden A., Dumortier M. en Maelfait J.P., Graslanden, Ruigten en Zomen, in: M.Hermy (red.). Natuurbeheer. Van de Wiele, Stichting Leefmilieu, Natuurreservaten en Instituut voor Natuurbehoud, Brugge, 1989, p.87 - 104. - Walpot M., De evolutie van het agrarisch landschap in de landen van Overmaas, in Heem, tweemaandelijks tijdschrift voor Overmaas, 1959, nr. 4-5, p.34 - 48.


34

M&L

DE VOERGEMEENTEN. ARISCHE NEDERZETTINGSMODELLEN EN HUN COMPONENTEN. FRIEDA SCHLUSMANS

Moelmgen. het kerkplein (nummers 44-48) vóór 1914. Het oorlogsgeweld liet dit gedeelte van de dorpskern ongemoeid (Collectie Th. Broers. Moelingen)

138 Mouland -- Place de i'Eglise

Het uitgesproken grensgebiedkarakter

dan ook de landelijkheid van het

van de Voerstreek blijkt reeds bij een

gebied, het agrarisch karakter.

oppervlakkige beschouwing van de

De Voergemeenten illustreren verschil-

kaart. Het uit zich ook in de verschillende

lende typen van landelijke gemeen-

aspecten van het fysisch en cultureel

schap, die door historische omstandig-

milieu.

heden gaaf bewaard bleven. De landbouw was en is - zij het recent in afne-

Toch is dit niet het aspect dat we centraal wensen te stellen. De Voerstreek profileert zich even duidelijk als "hinterland", een gebied zonder stedelijke kern, als deel van de streek tussen Maas en Rijn, met op ongeveer gelijke afstand de belangrijkste centra van de regio: Maastricht, Luik en Aken. Eén van de meest typische karakteristieken is

mende mate - de belangrijkste bedrijvigheid, en deze bedrijvigheid gaf niet alleen vorm aan het landschap, maar ook aan de nederzettingspatronen en hun componenten. Merkwaardig en boeiend is dat dit proces op een zo kleine oppervlakte op een sterk verschillende wijze verlopen is.


M&L

35

NEDERZETTINGSPATRONEN EN MODELLEN VAN AGRARISCHE BEDRIJVIGHEID Het autarkisch model

(foto 0. Pauwels)

•

Het vroeg-middeleeuwse landbouwmodel, dat in onze streken ontstaat op de ruïnes van het Romeinse Rijk, wordt gekenmerkt door de schaarste (1). De schaarsheid van goederen, het chronisch ontbreken van de meest noodzakelijke produkten, bepaalt het bestaan van de gemeenschappen. Een beperkte bevolking leeft in ver uiteen gelegen nederzettingen, van elkaar gescheiden door het wegvallen van de transportinfrastructuur en de natuurlijke hindernissen van een gebied waarin de wildernis terug de overhand begint te krijgen. Alle beschikbare krachten worden ingezet om te voldoen aan de behoeften van de eigen gemeenschap. Hoewel het autarkisch model in wezen een gemengd bedrijf is, ligt de nadruk duidelijk op de graanteelt. Dit model zal dan ook het best gedijen in die gebieden waarvan de bodem zich bij uitstek tot de akkerbouw leent, met name de leemgronden van de vruchtbare Europese lössgordel. Het autarkisch model is in deze zin de primitieve voorganger van het Haspengouwse landbouw-, landschaps- en nederzettingsmodel, zoals het zich in de vroege middeleeuwen ontwikkelt en zich door zijn voor de akkerbouw geschikte bodemgesteldheid door de eeuwen heen weet te handhaven. Zijn kenmerken zijn het open landschap met aaneengesloten akkers en de gegroepeerde bewoning, gelegen in een krans van hoogstamboomgaarden. De verklaring voor de vorm van dit nederzettings-

type wordt gezocht in een veelheid van factoren. Het aaneensluiten van akkers is een logische landinrichting in de oorspronkelijk gemeenschappelijke uitbating der vroege middeleeuwen, met de wisselbouw - het zogenaamde drieslagstelsel - als basis. De rijkdom van de bodem maakt een verdeling in grote percelen mogelijk. Bovendien bemoeilijkt de grote diepte van de waterspiegel, eigen aan deze leemstreken, het graven van waterputten. De krachten dienden gebundeld om de gemeenschap van tenminste één waterput te voorzien. De bewoning concentreert zich rondom deze gemeenschappelijke watervoorziening. Ook wanneer de stichting van de nederzetting zich situeert in een onrustige periode, zal de neiging tot samenwonen groter zijn. Samenvattend kan gesteld worden dat concentratie optreedt wanneer samenwerking nodig is om te overleven (2). Dit autarkisch model, dat in grote lijnen samenvalt met het Haspengouwse, is dus het primitieve model van elke agrarische samenleving. Ongeacht de karakteristieken van het fysisch milieu, en hoewel reeds vroeg krachten in het werk traden die een differentiatie in het landelijk samenleven teweeg brachten, bleef het gedurende een groot gedeelte van het Ancien Régime in voege. Dit is zeker het geval op het grootgrondbezit van de religieuze gemeenschappen, die het autarkisch model als basis van hun bestaanswijze hadden.

Differentiatie van de modellen De bevolkingsexplosie van de 12de en 13de eeuw levert West-Europa een belangrijke uitbreiding van haar cultureel areaal. Dit feit, gecombineerd met een


36

M&L

- /?,•//'i

Woelingen op de Ferranskaart (1771-1777). Een typisch Haspengouws dorp van het plemdorptype, de bewoning geconcentreerd rondom de kerk. De bebouwing Is omringd door boomgaarden en huisweiden, daarbuiten strekken de akkers zich uit in een weids landschap (Heruitgave van de Ferrariskaart door Ph. Van der Maelen. 1832. Nationaal Geografisch Instituut)

verbetering van de landbouwtechnieken biedt de mogelijkheid de economie van de schaarste te verlaten. Er worden overschotten geproduceerd, waardoor handel mogelijk wordt. Waar voorheen de produktie moest voorzien in de behoeften van de eigen gemeenschap, kan nu voor het eerst aan specialisatie worden gedacht. De specifieke geschiktheid van het fysische milieu, en meer bepaald de bodem, tot dan toe noodgedwongen verwaarloosd, krijgt thans belangstelling. Naast de kwaliteiten van de leembodems, die de westelijke Voergemeenten van nature voorbeschikten voor het Haspengouws model, worden reeds vroeg de specifieke eigenschappen van de magere, vochtige gronden ten oosten van de Maasterrassen als grasland onderkend. Een specialisatie in de veeteelt dringt zich als het ware vanzelf op.

Toch is de aanzet van wat zal uitgroeien tot een ware agrarische revolutie niet alleen van fysische aard. Ook sociale factoren spelen een rol. De opkomst van de steden, en meer bepaald de gunstige centrale ligging van Voeren en het Land van Herve tussen Luik en Aken, creëerden afzetgebieden voor de landbouwprodukten. Bovendien bood een specialisatie in de veeteelt nog andere voordelen. Zo golden de zware tienden op de graangewassen en de protectionistische maatregelen van Brabant tegen de graanuitvoer niet voor zuivelprodukten. Reeds in de 16de eeuw wordt een begin gemaakt met de omschakeling, aanvankelijk beperkt tot Aubel. Herve zelf is op dit ogenblik nog niet in de evolutie betrokken. In de 17de eeuw dringt de graslandcultuur door tot het hart van het Land van Herve; in 1683 is de omschakeling voor dit gebied een feit (3). Het oostelijke gedeelte van de Voerstreek, meer bepaald het Gulpdal, met de gemeenten Teuven en Remersdaal, sluit zich vanaf het einde van de 18de eeuw bij deze ontwikkeling aan. Op de Maasterrassen (Moelingen en 's-Gravenvoeren), evenals op de leembodems van het Voerdal (Sint-Martens-Voeren en Sint-Pieters-Voeren), door zowel bodemgesteldheid als reliëf uitstekend geschikt voor de akkerbouw, blijft de toestand ongewijzigd.

De toestand op het einde van de 18de eeuw De hogerbeschreven toestand is die, welke in de periode 1771-1777 door Ferraris in zijn stafkaart wordt opgetekend (4). Deze grafische gegevens worden door het Theresiaans Kadaster van 1787 bevestigd (5). De Ferrariskaart toont Moelingen als een typisch Haspengouws dorp van het pleindorptype, de bewoning geconcentreerd rondom de kerk, op de


M&L

37

w

Ai 's Gravenvoeren en Sint-MartensVoeren op de Ferrariskaart (1771-1777). Ook hier is nog steeds het Haspengouwse landbouwmodel in voege (Heruitgave van de Ferrariskaart door Ph. Van der Maelen, 1832. Nationaal Geografisch Instituut)

V

rechteroever van de Berwinne. De bebouwing is omringd door boomgaarden en huisweiden. Daarbuiten strekken de akkers zich uit in een weids landschap. 's-Gra ven voeren, nochtans gelijkaardig qua fysisch milieu, vertoont een variante: hoewel ook duidelijk een pleindorp met gegroepeerde bewoning, strekt het zich duidelijk lintvormig uit langsheen de oevers van de Voer. Door het ontbreken van de ondoorlaatbare lagen Vaalser Groenzand in de ondergrond is de bodem hier zeer doorlaatbaar, zodat het grondwater

op een vrijwel onbereikbare diepte stagneert. Het graven van waterputten was onmogelijk, de inwoners waren voor drinkwater aangewezen op het Voerwater en regenwater. Typhus- en cholera-epidemieën kenmerken dan ook de geschiedenis van het dorp tot het einde van de 19de eeuw. Hiervan getuigt nog het houten kruis op hoek van de Kloosterstraat en Jolettestraat, dat in 1857 door de familie Walpot werd opgericht ter verlossing van de cholera-epidemie die het dorp toen teisterde (7). Pas in 1891-1893 wordt een waterleiding aangelegd die bronwater uit Sint-Martens-Voeren aanvoert (6). De gietijzeren kranen die voor de voorziening ervan instonden, bleven op verschillende plaatsen in de gemeente bewaard. Ook Sint-Martens-Voeren vertoont, zonder een echt pleindorp te zijn, een gegroepeerde bewoning, die in het zuiden geleidelijk aan verdunt en overgaat in het rij dorppatroon van Sint-Pieters-Voeren. Een verklaring voor deze langgerekte vorm, zoals voor die van het belangrijke gehucht Veurs (Sint-Martens-Voeren), ligt niet onmiddellijk voor de hand. Mogelijk heeft het te maken met de ontginningswijze van de omliggende bossen, die hier nog zeer dicht zijn (8). De oostelijke Voergemeenten van het Gulpdal leunen qua bodemgesteldheid duidelijk aan bij het Land van Herve. Door de overschakeling naar eenzijdige veeteelteconomie op het einde van de 18de eeuw beginnen ze geleidelijk aan het uitzicht aan te nemen van de Herfse nederzettingen. Het akkerareaal neemt af, steeds meer gronden worden als weilanden in gebruik genomen. In Teuven wordt


38

M&L

1. 's-Gravenvoeren. De Kloosterstraat in 1908 (Collectie Th. Broers, Moelingen) 2. Sint-MartensVoeren. De kerkstraat circa 1930 (Collectie Th. Broers, Moelingen) 3. Ook nu nog wordt Remersdaal gekenmerkt door de zeer lage densiteit van de bebouwing. De bouw van de neogotische St.-Heribertuskerk in 1876-1879 (arch. L Blandot van Huy) gaf aanleiding tot de eerste en enige verdichting van het dorpsweefsel (eigen foto)

reeds 35,9% van het areaal als weide gebruikt, in Remersdaal is dit ongeveer 50%. De "Vergrünlandung" zet nadrukkelijk in. Remersdaal is zeer dunbevolkt, het dorpscentrum is uiterst beperkt. De gehuchten Mabroek, Reesberg (Riesbrugge op de Ferrariskaart) bestaan elk uit een paar hoeven; enkele grote hoeven liggen verspreid in het landschap (Boender, Middelhof, Driesen). Teuven is dichter bevolkt, doch ook hier is er van een eigenlijke dorpskern geen sprake. De bebouwing ligt aan de wegen die het dorp doorkruisen.

's-Gravenvoeren. Gezicht vanaf de oude postweg naar het zuiden toe (foto 0. Pauwels)

Het is niet duidelijk op welk tijdstip en waarom deze gemeenten het voor een veeteelteconomie typische nederzettingspatroon hebben aangenomen. Wanneer we op de Ferrariskaart onze blik zuidwaarts laten gaan, over de grens met Aubel, zien we daar het landschap dat de Voergemeenten een eeuw later zal kenmerken, namelijk het volledig tot ontwikkeling gekomen bocagelandschap. De akkers zijn vrijwel volledig uit het landschap verdwenen, de percelen zijn omheind door hagen. Boomgaarden komen voor, doch niet meer in de strikte samenhang met de bebouwing, zoals in het Haspengouwse type. De bebouwing is verspreid. De ontstaanredenen van dit model worden eens te meer gezocht in velerlei factoren. De fysische kenmerken van bodem en reliëf zullen aan het fenomeen zeker niet vreemd zijn. Rustige tijden, een grote

bevolkingsdruk, individuele ontginningsaanpak en gelijkmatig verspreide hulpbronnen werken een verspreid patroon in de hand (9). Zo is de drinkwatervoorziening in de oostelijke Voerstreek geen probleem door de aanwezigheid van de talrijke bronnen. Mogelijk speelden ook bedrijfseconomische factoren een rol, zoals de voordelen die het wonen in de onmiddellijke omgeving van weidegronden en vee met zich meebrengen. Feit is dat dit nederzettingstype recenter is dan het Haspengouwse. Het is een evolutie uit een ouder patroon. Opmerkelijk is het hoog percentage bebost areaal dat vooral het zuiden van Voeren op het einde van de 18de eeuw nog vertoont. De ontginning van het primitieve bos nam hier zoals elders in Europa reeds in de vroege middeleeuwen een aanvang. Op een oude 11de- of 12de-eeuwse ontginning duidt de plaatsnaam "Kattenrot" in 's-Gravenvoeren (10). De hier gelegen hoeve wordt op de Ferrariskaart als "Maison Cattenroth" aangeduid. De bewoning ter plaatse is nog steeds beperkt tot deze ene hoeve, die in haar huidige vorm op de deurlatei van de woonhuisdeur 1727 gedateerd is. De ontginning is op het einde van de 18de eeuw nog volop aan de gang. Een ontginning uit de tweede helft van de eeuw is die waarop zich de "Lohoeve" in Sint-PietersVoeren bevindt. De hoeve wordt op de Ferrariskaart


40

BtrnvNim

M&L

,#

,

X !) I

(

'—.

'S

I

•' /.-

II i,tiii'iih-*'f'

* '"^

">>s/

Remersdaal op de Ferrariskaar1(17711777). De oostelijke Voergemeenten beginnen op het einde van de 18de eeuw geleidelijk aan het uitzicht aan te nemen van de Hertse nederzettingen. Ongeveer 50 % van het areaal is reeds als weide in gebruik (Heruitgave van de Ferrrariskaart door Ph. Van der Maelen, 1832. Nationaal Geografisch Instituut)

Remersdaal. Pontus (eigen foto)

-- ' >

nog aangeduid met de benaming "ha Neme Cense". De ontginning, uitgevoerd tussen 1771 en 1773, ging uit van de commanderie van de Duitse Orde te SintPieters-Voeren. Nog in 1870 richt baron O. de Loë de Mheer, toenmalig eigenaar van de commanderie, een hoeve op temidden van het Vrouwenbos (SintMartens-Voeren), van waaruit met de ontginning van dit bos gestart wordt (11). Een gelijkaardig geval is het "Driesenhof" in Teuven, gesticht ca. 1849, waar de ontginning uitgaat van het kasteel van Teuven met de bedoeling een gedeelte van het daar gelegen Bovenste Bosch in cultuur te brengen (12). Ook nu nog beslaat het bebost areaal 20% van de oppervlakte van de gemeente Teuven.

volgende eeuw. De landbouwtelling van 1866 (13) geeft een lichte vooruitgang van het weideprocent aan, en ook de topografische kaart van 1872 vertoont slechts geringe verschillen met de Ferrariskaart (14). Een factor van zuiver economische aard zal de definitieve omschakeling naar de veeteelteconomie veroorzaken. De invoer van overzees graan op het einde van de vorige eeuw had een katastrofale prijsinstorting tot gevolg: de prijzen daalden van 30,-bfr voor 100 kg in 1880 naar 13,-bfr voor 100 kg in 1894 (15). Dit veroorzaakte een crisis in de graanproducerende gebieden, waardoor de overschakeling naar veeteelt, reeds met succes doorgevoerd in het aangrenzende Land van Herve, de enige oplossing bood. De Maasterrassengemeenten en het Voerdal, die tot nog toe functioneerden volgens het Haspengouws model, schakelen over op de veeteelt. Dit brengt een grondige verandering in het landschap teweeg. In 1866 bedraagt het procent van het grasland in het volledige landbouwdomein 31,60% voor Moelingen, 14,20% voor 's-Gravenvoeren, 35,5% voor Sint-Martens-Voeren, 29,40% voor SintPieters-Voeren, 40,2% voor Teuven en 62,50% voor Remersdaal. Dit zijn ongeveer de verhoudingen die op de Ferrariskaart worden weergegeven. Ter vergelijking: Aubel haalt in 1787 reeds 93%, Henri-la-Chapelle 97,5% in 1866. In 1910 zijn deze percentages opgelopen tot respectievelijk 37,30%, 44,07%, 54,9%, 78,8%, 64,2% en 80,10% (16). Factoren van voornamelijk economische en bedrijfseconomische aard, zoals de steeds toenemende vraag naar zuivelprodukten, de ontwikkeling van het melkerijwezen, de veredeling van de veerassen en het landarbeiderstekort na de Tweede Wereldoorlog, zullen deze evolutie nog stimuleren. In 1950 wordt voor Moelingen 76,20% bereikt, voor 's-Gravenvoeren 67,80%, voor Sint-Martens-Voeren 92,9%, voor Sint-Pieters-Voeren 87,60%, voor Teuven en Remersdaal 93,30%. Intussen heeft het landschap een grondige metamorfose ondergaan: de open/ïeWlandschappen van de Maasterrassen en het Voerdal zijn veranderd in bocagelandschappen, eigen aan een zuivere veeteelteconomie. De gegroepeerde bewoning van de dorpen is een anomalie in het landschap geworden, een anachronisme, verwijzend naar een oudere, thans verdwenen toestand.

Economische factoren

DE HOEVEBOUW ALS HOOFDCOMPONENT VAN DE AGRARISCHE NEDERZETTING

De toestand die door het Theresiaans Kadaster en de Ferrariskaart op het einde van de 18de eeuw wordt vastgelegd handhaaft zich in de eerste helft van de

Het is duidelijk dat in een agrarische samenleving, waar vrijwel de hele bevolking in de landbouw is


M&L

Teuven op de Ferrariskaart (1771-1777). Ook hier is de overschakeling van het Haspengouws model naar een veeteelteconomie ingezet en reeds afleesbaar in het landschap (Heruitgave van de Ferrariskaart door Ph. Van der Maelen, 1832. Nationaal Geografisch Instituut)

41

tewerkgesteld, de hoevebouw de belangrijkste component van de bebouwing is. In het gebouwenbestand dat van vóór 1950 dateert, is dit nog zeer duidelijk te constateren. Pas in het laatste decennium is hierin een duidelijke verandering merkbaar. Het bevolkingscijfer van de Voergemeenten kende een eeuwenlange stagnatie, de laatste honderd jaar zelfs een daling door uitwijking als gevolg van het gebrek aan tewerkstelling buiten de landbouw: 's-Gravenvoeren telde in 1841 1.342 inwoners, in 1976 nog slechts 1.288; Remersdaal had in 1856 532 inwoners, in 1976 416; Sint-Martens-Voeren telde in 1831 1.128 inwoners, in 1976 915; in Sint-PietersVoeren waren er in 1831 428 inwoners, in 1976 250; in Teuven waren in 1846 540 inwoners tegenover 508 in 1976 (17). Alleen Moelingen kende een lichte bevolkingstoename, waarschijnlijk te wijten aan zijn ligging in de onmiddellijke nabijheid van het stedelijke centrum Visé. Een aantal factoren, onder meer de toegenomen mobiliteit van de bevolking en het ontstaan van een nog steeds groeiende toeristische sector, brachten de jongste jaren een duidelijke kentering teweeg, die gepaard ging met vrij drastische wijzigingen in de tot dan toe gaaf bewaarde structuren. Het feit dat het grootste gedeelte van de bebouwing uit hoeven bestond betekent niet dat ze eenvormig was. Een aantal nader te bepalen factoren zorgde voor een grote verscheidenheid.

Sociale factoren In eerste instantie dienen een aantal social factoren in beschouwing genomen te worden. Zo was het niet

evident dat de boeren, die de hoeven bewoonden, ook eigenaar van hoeve en gronden waren. De meeste gronden waren tijdens het Ancien Régime in handen van grootgrondbezitters (18). Dit waren oorspronkelijk de clerus en de adel. Toch vermindert hun grondbezit in de loop der eeuwen beduidend. Zo bezat de clerus in de 17de eeuw in het graafschap Dalhem slechts 10% van de gronden, in het hertogdom Limburg zelfs maar 3%. Alleen de abdij van Sinnich (Teuven) en in mindere mate de Duitse Orde, in de commanderij van Sint-Pieters-Voeren, kunnen in Voeren bij de echte grootgrondbezitters gerekend worden. De hoeven "Gieveld" en "Kloosterhof te Teuven, waren eigendom van de abdij. De belangrijke hoeve Brabant 54 en de "Lohoeve" te Sint-Pieters-Voeren waren hoeven van de commanderie. Deze goederen komen na hun confiscatie in de Franse tijd in bezit van rijke burgers uit het Luikse en Verviers (19). De meeste pastoors bezaten een klein stuk grond; bij de pastorie hoorden meestal een schuur en wat stallen. Het percentage grondbezit van de adel was in de 18de eeuw aanzienlijker dan dat van de clerus, doch het was vooral de gegoede burgerij die eigenaar van de gronden was. De meeste boeren op de grote hoeven, dikwijls zetel van laat- of leenhoven, waren pachters. Voorbeelden van dergelijke hoven zijn de hoeve Snauwenberg en het "Jezuïetenhof" te 's-Gravenvoeren, het eerste een leenhof van de graaf van Dalhem, het laatste oorspronkelijk een leenhof van het benedictijnermunster van Luxemburg, later van de jezuïeten van Maastricht. Ook het "Clermontshof', zetel van een lagere heerlijkheid en een leen van Valkenburg, en het leenhof Boender, eveneens een leen van Valkenburg, beide te Remersdaal, vallen in deze categorie. Deze zeer grote hoeven vormen de top van een piramide, die alle gradaties van groot tot middelgroot, klein en zeer klein bedrijf vertoont. Onderaan bevonden zich de huizen van de landarbeiders, een voorheen belangrijk component van de bebouwing, dat thans volledig uit het dorpsbeeld is verdwenen. Toch waren ook deze kleine woningen tot het absolute minimum gereduceerde landbouwbedrijven, met één of een paar stuks vee en een kleine lap grond voor eigen onderhoud. Echte burgerhuizen komen vóór het midden van de 19de eeuw niet voor. Zoals vermeld fungeerde de pastorie als een klein landbouwbedrijf. In 1744 herbouwt notaris Peter Royen het woonhuis van de hoeve die hij in het Dorp (nr. 53-56) te Sint-MartensVoeren bewoont, en waarvan mag verondersteld worden dat hij ze ook uitbaat (20). Circa 1780


42

M&L

bewoont de chirurg Pröpper-Vandebergh de hoeve Kinkenberg 195 te 's-Gravenvoeren. Pas in 1906 bouwt de arts T. Cerfontaine-Nibus zich in de Hoogstraat (nr. 246) een woning, die geen hoeve meer is maar een echt burgerhuis (21). Circa 1891 wordt in deze straat ook een echte apotheek met winkelpui gebouwd (nr. 240) en in 1910 bouwt Henri Willems er zijn winkel met een ruime etalage (nr. 245) (22).

Teuven. Kloosterhofstraat nr.12. De hoeve "Kloosterhof", gebouwd na de brand van het oorspronkelijke gebouw in 1892 (eigen foto)

Bedrijfseconomische factoren De typologie van de hoeven wordt echer niet alleen door sociale factoren of door de omvang van het bedrijf bepaald. Ook het landbouwmodel speelt hierin een belangrijke rol. Zo kan de traditionele, gesloten Haspengouwse hoeve beschouwd worden als exponent van het Haspengouwse landbouwmodel, terwijl de hoeve met losstaande bestanddelen in het besproken gebied vrijwel steeds in combinatie met een veeteeltbedrijf voorkomt. Het Haspengouws model kent een geconcentreerde bebouwing in de dorpskern. Toch dient hier onmiddellijk aan toegevoegd dat met de term "geconcentreerd" zeker niet "aaneengesloten" bedoeld wordt. Vóór het midden der 19de eeuw komen gesloten straatwanden vrijwel niet voor. Pas in de tweede helft van deze eeuw verdicht het weefsel zich hiertoe voldoende. De Hoogstraat in 's-Gravenvoeren was tot circa 1880 grotendeels onbebouwd. Ze wordt in 1883 verbreed en kent vanaf dan tot de eeuwwisseling een drukke bouwactiviteit, die het huidige aaneengesloten uitzicht tot gevolg heeft (23). De ook nu nog enige gesloten straatwand van Remersdaal ontstaat rondom het gemeentehuis, dat in 1863-1864 gebouwd wordt.

De dorpskern van Teuven (eigen foto)

's-Gravenvoeren. Plein nr. 202. Voormalig poortgebouw van het "Jezuietenhof". midden 17de eeuw. met aanpassingen uit latere perioden (eigen foto)

iiff3S

's-Gravenvoeren. Schoppem nr. 337 (eigen foto)

)

^^•PWBBHHHHBE

1

1

'

tl

1

De gesloten Haspengouwse hoeve komt in twee varianten voor. Het oudste type, dat buiten de dorpskernen steeds in gebruik blijft, vertoont vrijwel onveranderlijk de volgende indeling en elementen. Het woonhuis ligt met de nok loodrecht op de straat, de voorgevel is naar het erf gericht. Waar de indeling van het woonhuis vóór het begin van de 18de eeuw niet vaststaat, neemt zij vanaf deze periode vrijwel steeds de vorm aan van een dubbelhuis, met centrale gang. Dezelfde vleugel biedt meestal ook onderdak aan een stal; het woonhuis is vrijwel steeds het dichtst bij de straat gelegen. De vleugel aan straatzijde wordt ingenomen door de inrijpoort, geflankeerd door lagere dienstgebouwen; in één ervan bevond zich vóór de mechanisatie van de landbouw meestal de paardestal. Invloeden uit Nederlands Limburg blijken in de naast de inrijpoort


M&L

43

geplaatste voetgangersdoorgangen, die in Belgisch Limburg eerder zeldzaam zijn. Tegenover de inrijpoort, achteraan het erf, ligt de dwarsschuur. Deze ligging moet het de zwaar beladen wagens mogelijk maken zonder te draaien het erf over te steken. Tegenover het woonhuis tenslotte bevindt zich een tweede stalvleugel. Als bergruimte voor wagens en werktuigen dient een meestal aan de buitenzijde van de schuur opgetrokken open schop, onder een doorgetrokken dakschild van de schuur, of onder een eigen lessenaarsdak. Op het erf, centraal of iets dichter bij de stalvleugel, ligt de mestvaalt.

's-Gravenvoeren. Evolutie van de hoeve Plein nr. 208-209. De toestand op de Ferrariskaart (1771-1777) en de huidige toestand (eigen foto's)

Zuivere en vrij gaaf bewaarde voorbeelden van dit type zijn de hogervermelde hoeve Brabant 54 te Sint-Pieters-Voeren en, uit een recente periode, de hoeve "Kloosterhof" te Teuven, in 1892 heropgebouwd na de verwoesting door brand van de oorspronkelijke hoeve, een eigendom van de abdij van Sinnich. In de tweede helft van de 18de eeuw komt een variant van dit type in gebruik, waarvan het ontstaan samenhangt met de behoefte tot ordening en symmetrie van gevelordonnantie en distributie van de vertrekken, wat zich naar buiten toe vertaalt in een "fagade". Tegelijk vergroot hiermee de samenhang en geslotenheid van de straatwand. De aanleg blijft gesloten, maar in plaats van naar het erf richt het woonhuis zich met zijn gevel naar de straat. Het wordt een boerenburgerhuis: de hoevefunctie, het erf en de dienstgebouwen, worden verdoezeld achter een gevel, die deze van een stadswoning

imiteert. Het huistype is meestal een dubbelhuis. De inrijpoort wordt naast het woonhuis in de gevel geïntegreerd. De thans onzichtbaar geworden elementen rondom het erf blijven onveranderd. Een aantal fraaie voorbeelden van dit type biedt de dorpskern van 's-Gravenvoeren: Onderdorp 62, Plein 201 (1766), 203 (1783), 220 (1777). Twee merkwaardige voorbeelden vinden we ook in het gehucht De Plank te Sint-Martens-Voeren, met de hoeve Duysen (nr. 27) uit 1775 en de hoeve Vranken(nr. 24-24 A) uit 1792. Bij deze variant van het gesloten hoevetype komen de hoeven in de dorpskernen dicht bij elkaar te liggen. De eeuwenlange huis- en erfdelingen verweven de achtergelegen dienstgebouwen, waardoor de dorpskernen van 's-Gravenvoeren, in mindere mate van Moelingen, ware clusters van hoeven en dienstgebouwen gaan vormen in een vrijwel onontwarbaar weefsel, waarvóór het boerenburgerhuis met zijn flankerende inrijpoort slechts een schijn van orde schept. Een typisch voorbeeld geven de hoeven Plein 208 en 209 te 's-Gravenvoeren. De Ferrariskaart toont op deze plaats een ruim, U-vormig geheel. Resterende gedeelten hiervan zijn de straatvleugel en de oostvleugel aan het kerkplein. Het oorspronkelijke woonhuis bevindt zich in de westvleugel, volgens de oude typologie haaks op de straat, en wordt door de sluitsteen van de originele inrijpoort (thans nr. 208) gedateerd 1754. Op het einde van de 18de eeuw wordt de hoeve in twee gesplitst: het oostelijke gedeelte aan de zijde van de kerk krijgt een eigen ingang naar het thans in tweeen


44

M&L

gedeelde erf; deze inrijpoort is gedateerd 1791, jaartal dat waarschijnlijk de periode van de deling aanduidt. Het woonhuis van dit oostelijke gedeelte wordt ondergebracht in een voormalige stal in de oostvleugel. In dezelfde periode wordt het oude woonhuis van het westelijke gedeelte van eenfagade aan straatzijde voorzien, in de stijl van de periode. Een laatste evolutie ondergaat de Haspengouwse hoeve op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Door de overschakeling naar een exclusieve veeteelteconomie verliezen een aantal elementen van de traditionele gesloten hoeve hun nut. Zoals hoger vermeld is het de opslag van de graanoogst en de daarbij horende circulatie van de karren, die de schikking van de dienstgebouwen rondom het erf bepaalde. Wanneer deze activiteit van ondergeschikt belang wordt of zelfs helemaal uit het bedrijf verdwijnt, verliest deze traditionele opstelling zijn zin. Zelfs de majestueuze graanschuren worden overbodig. Soms verdwijnen ze volledig, zeer dikwijls worden ze omgebouwd tot stal. De gesloten Haspengouwse hoeve evolueert dus, door het verdwijnen van elementen, tot een hoeve met losstaande bestanddelen en gaat hierdoor lijken op een hoeve uit het traditionele veeteeltgebied.

Na overschakeling op veeteelt zijn de verbouwingen van de schuren tot stal legio: St.-MartensVoeren, Hoeve Stroevenbos, Hagelstein nr. 44-45; Teuven, Kloosterhof, Kloostertiofstraat nr. 12 (eigen foto's)

Door het ondergeschikte belang van de graanteelt hadden grote schuurgebouwen in de oostelijke Voergemeenten geen zin. In een veeteelteconomie ligt de nadruk op de stallen. Er bestaat geenszins duidelijkheid over het oorspronkelijke hoevetype in deze streek. Toch was dit van volkomen andere aard dan het gesloten Haspengouwse type. De Ferrariskaart en de oudste, nog behouden voorbeelden wijzen in de richting van een tweeledige hoeve waarvan de gebouwen, met vrijwel identiek volume, evenwijdig aan elkaar aan het erf zijn gelegen, loodrecht op de straat. Eén van de gebouwen omvat het woonhuis en een stal, het andere een stal en de dwarsschuur. De ondergeschikte rol van de schuur blijkt reeds uit het feit dat voor haar functie niet langer meer een afzonderlijk gebouw gereserveerd wordt. Slechts een paar exemplaren van dit type bleven bewaard. Het beste voorbeeld, hoewel vóór kort volledig gerestaureerd en tot twee woningen omgebouwd, is de hoeve Waterval 3 te Sint-PietersVoeren. Het oorspronkelijke woonhuis dateert van 1802, de voormalige schuur en stal van 1794. Andere oude voorbeelden zijn de hoeve Smid 64-65 en de hoeve "Driesen", beide te Remersdaal. Hoewel deze laatste hoeven in de loop van de 19de eeuw met verschillende dienstgebouwen werden uitgebreid, kan de oorspronkelijke toestand uit de behouden resten en door middel van de Ferrariskaart gemakkelijk gereconstrueerd worden. Waarschijnlijk was ook het "Voerenhuis" in het Openluchtmuseum in Bokrijk, in 1965 uit de Plank te Sint-MartensVoeren overgebracht, geen volledige hoeve, maar het woonhuiselement van een dergelijke dubbele hoeve (24). Waar de Haspengouwse hoeve van de westelijke gemeenten zich door het verlies van een aantal elementen van gesloten hoeve tot hoeve met losstaande bestanddelen ontwikkelt, groeit de dubbele hoeve van de oostelijke veeteeltgemeenten door toevoeging van elementen uit tot een gelijkaardig type. In beide gevallen geeft de evolutie aanleiding tot een grote diversiteit. Naast deze twee hoevetypes, die meestal een groot tot middelgroot bedrijf herbergen, komen in het gebied ook kleine tot zeer kleine bedrijven voor, die zoals elders in Limburg functioneren in een hoeve van het langgestrekte type. Alle functies zijn hier in één gebouw ondergebracht, waarbij het woonhuis één van de beide uiteinden in beslag neemt, de woonvertrekken geschikt aan weerszijde van een centrale gang, met daarnaast de stal en vervolgens eventueel een kleine dwarsschuur. Het opslaan van graan of hooi kan echter ook boven de stal gebeuren. Tegen de zijgevel van stal of schuur wordt dikwijls


M&L

•

45

^

\ %

•'p\^r

pi ./• 0 9

^y.

:^rs'%fC "

Remersdaal. Evolutie van de hoeve Driesen. De toestand op de Ferrariskaart (1771-1777) en de huidige toestand. Het woonhuis en de stallen met voormalige dwarsschuur (eigen foto's)

een meestal open schop aangebouwd onder een lessenaarsdak. Voorbeelden van dit type zijn Schoppem 342 te 's-Gravenvoeren en Veurs nr. 21 te Sint-Martens-Voeren, dit laatste met tot stal omgebouwde schuur.

Culturele factoren Niet alleen sociale en bedrijfseconomische factoren bepalen het uitzicht van de hoeven. De vormgeving wordt in hoge mate beïnvloed door het historische en culturele territorium. Dit kan best omschreven worden met de term "Maasland". Dit grensgebied bij uitstek, opgedeeld door twee taalgrenzen, die tussen het Waals en het Diets van west naar oost en die met het Duits van noord naar zuid, slaagde erin, zonder ooit tot een politieke eenheid uit te groeien, een grote culturele samenhang en authenticiteit te ontwikkelen en door de eeuwen heen te handhaven. Het ontstaan ervan hangt nauw samen met de oude bisschopszetel van de Civitas Tungrorum, oorspronkelijk in Tongeren gevestigd, vervolgens verplaatst naar Maastricht en daarna Luik, de twee grote Maaslandse metropolen (25). Hiermee is ook het

kerngebied afgebakend. Toch strekt het Maasland zich veel verder uit, langsheen de beide oevers van de middenloop van de Maas, ongeveer van Nijmegen tot Bouillon, ten westen en ten oosten begrensd door de stroomgebieden van Schelde en Rijn. Het territorium komt ongeveer overeen met dat van het oude bisdom Luik en omvat niet alleen het Land van Luik, maar ook de huidige Belgische en Nederlandse provincies Limburg, en het Duitssprekende gebied tot Aken. Op politiek gebied was het Maasland een deel van het Duitse rijk, wat de duidelijke Duitse componenten van haar cultuur verklaart, zeker in de vroege, romaanse periode. Reeds vroeg echter weet het Maasland zich aan deze invloed te ontrekken, en als grensgebied tussen de Duitse en Franse invloedssfeer integreert het in haar cultuur en kunst componenten van de verschillende sferen tot een authentiek geheel. De architectuur van Voeren is dan ook die, welke overal het Maaslandse platteland kenmerkt en die in een landelijke interpretatie en dikwijls met enige vertraging, de stijlevoluties van de richtinggevende steden Luik en Maastricht volgt (26).


46

M&L

Teuven. Gievelderstraat. Woonhuis van de hoeve Gieveld (foto 0. Pauwels)

De oudste bouwwijze is de houtbouw. De architectuur van een landelijk gebied als de Voerstreek blijft er tot in de 19de eeuw door gedomineerd. De verhouding vakwerkbouw/baksteenbouw verandert pas vanaf het midden van vorige eeuw in het voordeel van laatstgenoemde. Het aantal behouden voorbeelden van vakwerkbouw is in Voeren nog steeds aanzienlijk. De constructie is die met ankerbalkgebint, gebruikelijk in het Maasland. Bij deze constructiewijze steekt de horizontale gebintbalk met een pen door de stijlen en is daarachter met een wig verankerd. Hiernaast worden een paar voorbeelden aangetroffen van het kopbalkgebint, waarbij de horizontale balk ter plaatse versmald is en van boven af is ingelaten in een sleuf in de stijl. Schoppem 342 en Wijnandusstraat 26 te 's-Gravenvoeren vertonen een dergelijke constructie. Het verspreidingsgebied van dit gebinttype is beperkt tot Nederlands Zuid-Limburg. Een duidelijker en meer algemeen onderscheid met de gebinttypes van het westelijke Maasland is het rijkelijk aanwenden van tussenstijlen en horizontale wandregels in het gevelvlak, mogelijk een uit het Rijnland afkomstig gebruik, misschien ook in

verband te zien met de grote houtvoorraden van dit vrij dicht beboste gebied. Alle oudere vakwerkgebouwen, tot in de eerste helft van de 19de eeuw, worden erdoor gekenmerkt. De gevel krijgt hierdoor een zeer levendig uitzicht. Bovendien maakt dit het aanwenden van schuingeplaatste schoren ter verstijving overbodig. Pas in de loop van de 19de eeuw, wanneer spaarzamer met hout wordt omgesprongen, komt dit element in de gevel voor. De wandvullingsmethode is die van het zogenaamde spijkerloos vlechtwerk met zichtbare regels, waarbij de stokken, waarrond de vitsroeden worden gevlochten, in de regels worden bevestigd door middel van gaten en een gleuf, terwijl de regels zelf in het wandvlak liggen en op die manier zichtbaar blijven. Er bleven in Voeren zeer weinig voorbeelden van lemen vullingen bewaard; in de meeste gevallen deed zich een gedeeltelijk versteningsproces voor, waarbij de lemen vullingen door bakstenen werden vervangen. De zijgevels werden reeds zeer vroeg in het versteningsproces betrokken. Een voorbeeld biedt het "Voerenhuis" in het Openluchtmuseum Bokrijk.


M&L

47

De verstening gebeurde met de voor het Maasland gebruikelijke materialen, namelijk baksteen en Naamse kalksteen. Mergel, tot in het midden van de 17de eeuw het traditionele bouwmateriaal in Limburg, komt in Voeren vrijwel niet voor, ondanks de nabijheid van de groeven van Nederlands Limburg. Een materiaal dat wèl een grote populariteit kende is silex. Het komt voor in de vorm van knollen in 10 tot 15m dikke paketten bovenaan in de ondergrond van vrijwel alle heuveltoppen, waar het achterbleef na erosie en oplossing van de laag Maastrichtiaan tufkrijt, waarin het zich oorspronkelijk bevond. De dikte van deze lagen vermindert in zuidelijke richting. Dit voor de hand liggende materiaal wordt reeds zeer vroeg aangewend - de oudste voorbeelden dateren uit de 17de eeuw - en blijft in gebruik tot het begin van deze eeuw, in een zeer beperkt gebied, afgebakend door de aanwezigheid van vindplaatsen. Het komt niet voor in de westelijke gemeenten Moelingen en 's-Gravenvoeren, met uitzondering van het oostelijk gelegen gehucht Schoppem. In de oostelijke gemeenten Teuven en Remersdaal is het gebruik zeldzaam en vrijwel volledig beperkt tot het oostelijk en zuidoostelijk gedeelte, dit in aansluiting op het gebied dat de dichtste concentratie kent van gebouwen in silex, namelijk Sint-MartensVoeren en Sint-Pieters-Voeren. Ook in bepaalde gedeelten van de aangrenzende Nederlandse gemeenten Slenaken, Noorbeek, Mheer en Epen komen gebouwen van silex voor. In de zuidelijk aangrenzende gemeenten Warsage en Aubel daarentegen niet. Het gaat dus om een sterk plaatsgebonden aanwending; uitvoer is onbestaande (27). Het bouwen met een onregelmatig en moeilijk bewerkbaar materiaal als silex maakt het gebruik van een ander materiaal noodzakelijk voor de afwerking van hoeken en de omlijsting van muuropeningen. In de oudere periode wordt hiervoor natuursteen gebruikt, meestal kalksteen, vanaf de I9de eeuw baksteen; de meeste behouden gebouwen van silex vertonen laatstgenoemde combinatie. 's-Gravenvoeren. Kinkenberg Onze-LieveVrouwekapel en nr.188, "DeSwaen" (eigen foto)

De 17de en 18de eeuw is de periode van de Maasstijl, traditioneel aangeduid met de anachronistische term "Maaslandse renaissance". Van de vijf perioden die in de Maasstijl kunnen onderscheiden worden - eerste en tweede helft van de 17de eeuw tot 1690, eeuwwisseling, eerste helft van de 18de eeuw tot circa 1740, en de periode 1740 tot 1750 - vertoont Voeren voorbeelden uit drie ervan. De bij de Lodewijk XIV-stijl aanleunende kenmerken van de decennia rond de eeuwwisseling, en de late Maasstijl uit het midden van de 18de eeuw zijn zuiver stedelijke fenomenen en komen in landelijke gebieden vrijwel niet voor in de doorsnee-architectuur. De oudste bewaarde voorbeelden in de hoevebouw dateren uit het midden en de tweede helft van de 17de eeuw. De hoge volumes onder steile zadeldaken kenmerken de gebouwen uit deze periode, evenals de vensters met stenen onderverdeling, gevat in kalkstenen omlijstingen met zware negblokken (Moelingen, Bijsstraat). De lage deuren, zoals de poorten rondboogvormig, zijn voorzien van een gelijkaardige omlijsting. Het woonhuis van "Het Hoes" te Remersdaal (1652), het "Jezuïetenhof en Tienhof 88-89 te 's-Gravenvoeren, dateren uit deze periode. Alleen de allerbelangrijkste hoeven worden in deze vroege periode uit steen opgetrokken. De voorbeelden zijn dan ook weinig talrijk. De eerste helft van de 18de eeuw kent een grote bouwactiviteit. Voor het eerst worden ook minder belangrijke hoeven versteend, en het aantal bewaarde voorbeelden is beduidend groter. Opmerkelijk is het belangrijke aantal gedateerde exemplaren. De traditionele stijl van de vorige eeuw wordt in grote lijnen voortgezet. Van de vernieuwingen, die in de steden onder Franse invloed nu hun intrede doen, is op het platteland weinig te merken. Noch het Franse raam - zonder stenen onderverdeling -, noch

/ De stenen hoeven volgen de stijlevoluties van de Maaslandse architectuur. Dit komt het best tot uiting in de boerenburgerhuizen van de belangrijke hoeven. Voor de dienstgebouwen is de functionaliteit van doorslaggevend belang. Hoewel zij in grote trekken dezelfde evolutie volgen is hun vormgeving veel soberder. Voorbeelden uit de 16de eeuw bleven slechts fragmentarisch bewaard in de laat-gotische inrijpoort van de hoeve Snauwenberg te 's-Gravenvoeren, en in de voetgangerdoorgang van de hoeve Brabant 54 te Sint-Pieters-Voeren.


48

M&L

de nieuwe Franse dakvormen kennen succes. De deuren zijn thans rechthoekig, dikwijls voorzien van een bovenlicht dat de vorm aanneemt van een bolkozijn of ellipsvormig is in een rechthoekige omlijsting (Sint-Martens-Voeren, Dorp 53-56; Berg 5-6). De omlijstingen van deuren en vensters worden nu zonder negblokken gebruikt. Gedateerde voorbeelden zijn Kattenrot 357 (1727), "Het Wit Kruis" (1746) en "De Swaen" (1727 en 1745) te Kinkenberg, de schuur van Kinkenberg 195 (1747), en Plein 208 (1754), alle te 's-Gravenvoeren; in SintMartens-Voeren, Berg 5-6 (1734) en Dorp 53-56 (1744). Na 1750 dringt de Franse invloed ook door tot de kleine architectuur en het platteland van het Maasland. De belangrijkste kenmerken van deze classicistische stijlstromingen worden aanvankelijk ontleend aan de Lodewijk XV-stijl in een door regionale interpretatie aangepaste uitdrukkingsvorm. De gevels gaan een dergelijke eenvormigheid vertonen, dat van een gestandardiseerd type kan gesproken worden, met een sterk symmetrische gevelordonnantie. Hieraan beantwoorden het symmetrisch gestructureerde grondplan en binnenindeling van het enkel- en dubbelhuis. Wat betreft decoratie vertonen de gevels een grote soberheid. Hierin volgen zij de Franse Lodewijk XV-traditie, en niet de rococotraditie van de Zuidelijke Nederlanden en Duitsland. De vensters met onderverdelingen verdwijnen om plaats te maken voor Franse ramen, de muuropeningen, nog steeds in kalkstenen omlijsting, zijn voorzien van een gebogen bovendorpel, afgewerkt met een licht uitspringende trapezoïdale sluitsteen, soms onversierd, soms voorzien van een geprofileerd druiplijstje. De behouden voorbeelden uit deze periode zijn talrijk. Zo te 's-Gravenvoeren Kinkenberg 187 (177.), Kloosterstraat 96, Onderdorp 62 en 70, Plein 201 (1766), 208 en 220 (1777), en Schoppem 338 (1772). In Moelingen, Dorpsstraat 70 en Winkel 5. In Sint-Martens-Voeren, Dorp 59 en De Plank 27 (1775).

Moelingen. Voerenstraat nr. 230. Watermolen op de Berwinne. Toestand na de brand van 1914

(Collectie Th. Broers, Moelingen)

De laatste decennia van de 18de eeuw worden gekenmerkt door een terugkeer naar strenge, klassieke vormen. De gebogen vormen worden verlaten, rechte lijnen en rechthoeken genieten de voorkeur. De gebouwen uit deze periode evolueren dan ook naar een grote soberheid. De nu rechthoekige muuropeningen zijn gevat in vlakke, kalkstenen omlijstingen, aanvankelijk soms nog versierd met een smalle druiplijst ('s-Gravenvoeren, Plein 203, gedateerd 1783), later zonder enige versiering aangewend ('s-Gravenvoeren, Schoppem 338, op de woonhuisdeur gedateerd 1800; SintMartens-Voeren, hoeve Vranken, De Plank 24, gedateerd 1792).

Dit laat-classicistische huistype blijft in het Maasland vrijwel onveranderd het eerste kwart van de 19de eeuw bepalen; in Voeren blijft het in sommige gevallen tot het midden van de eeuw in gebruik. Voorbeelden uit de eerste helft van de 19de eeuw zijn de hoeve Ulrici in de Voerenstraat en "Withuis" 175-176 (1842) te Moelingen; Hagelstein 30 (1839) te Remersdaal, met een merkwaardige variant, waarbij de zoldervensters als bovenlichten zijn opgenomen in de omlijstingen van de bovenvensters; Dorp 115 en Kies 46 te Sint-Martens-Voeren. Van het historicisme dat in de eerste helft van de 19de eeuw reeds de toenmalige internationale stromingen kenmerkt, is bijgevolg weinig te merken. De overgang naar het neoclassicisme gebeurt haast ongemerkt door het toevoegen van lekdrempels aan de vensteromlijstingen en door het gebruik van andere kalksteen dan de Naamse, die in de loop van de 19de eeuw in onbruik raakt. Typische voorbeelden zijn Dr. J. Goffinstraat 270 en Mennekensput 224 te 's-Gravenvoeren; Mabroek 18 (1844) te Remersdaal; Kies 49, de monumentale hoeve "De Vaam" (1866), De Plank 32-33 te SintMartens-Voeren; Dorp 39 te Sint-Pieters-Voeren. Deze traditionele bouwwijze komt tot laat in de tweede helft van de 19de eeuw voor. Pas dan kan er ook sprake zijn van een aansluiting bij de internationale stijlstromingen. De eclectische architectuurvormen die de eeuwwisseling kenmerken concentreren zich in de zich verdichtende dorpskernen, waar de eerste echte burgerhuizen gebouwd worden. Doch ook buiten de dorpskern komt de eclectische stijl voor. Getuige hiervan is de belangrijke hoeve "Kloosterhof, Kloosterhofstraat 12 te Teuven, in 1892 gebouwd door de eigenaar, A. Collet van Verviers. Recente historische gebeurtenissen lieten vooral in de hoevebouw van Moelingen hun sporen na. Bij de Duitse doortocht van 4-8 augustus 1914 wordt een gedeelte van de bebouwing, een 70-tal huizen, plat-


M&L

49

Moelingen. Plannen voor de wederopbouw van dezelfde molen, door architect C. Francis van Luik (1920)

Moelingen. De wederopgebouwde watermolen in zijn huidige toestand (eigen foto)

gebrand, waaronder een aantal belangrijke vierkanthóeven. In 1920 stelt het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Office der Regions dévastées, een globaal plan op voor de gemeente, dat voorziet in nieuwe rooilijnen en enkele ingrijpende wijzigingen aanbrengt, onder meer aan het kerkplein. Dit alles in het kader van de wederopbouw, die vanaf deze periode start, en waarvoor beroep wordt gedaan op een aantal architecten uit het Luikse en Visé. Deze wederopbouw gebeurt, zoals op de meeste plaatsen elders in het land, in traditionele stijl met streekeigen elementen. De huizen die met steun van het Office des Regions dévastées zijn heropgebouwd zijn herkenbaar aan de gevelsteen met datering en initialen "ORD". 's-Gravenvoeren. Hoogstraat. De watermolen van Janssen (eigen foto)

ANDERE COMPONENTEN VAN DE AGRARISCHE BEDRIJVIGHEID Naast de alles dominerende landbouwbedrijvigheid is en was slechts een kleine, strikt bodemgebonden nijverheid mogelijk, gericht op de verwerking van de landbouwprodukten. De gedurende korte periode tot ontwikkeling gekomen koper- en papierindustrie (17de eeuw), kennen geen equivalent in recentere tijden.

Een typische nijverheid, samenhangend met de intensieve fruitteelt van Haspengouw en het Land van Herve, is de stroopfabricage. Tot op heden heeft Aubel één der belangrijkste stroopfabrieken van het land. De stroopfabricage werd door vele landbouwers als nevenactiviteit in de vorm van huisnijverheid beoefend. Deze ambachtelijke produkie neemt op het einde van de 19de eeuw geleidelijk aan af. Ook de kaasfabricage, van oudsher een specialiteit van het Land van Herve, die zich daar tot op heden als een fabrieksgewijze produktie handhaaft, werd als huisnijverheid op vele landbouwbedrijven in Voeren beoefend. Van dit alles bleven zeer weinig materiële resten bewaard. De drijfkracht werd geleverd door molens, vooral door watermolens. In de eerste helft van deze eeuw waren er alleen op de Voer nog 13 watermolens werkzaam. Hiervan bleven wèl een aantal gebouwen en installaties behouden (28). De hoogste molen op de Voer is de voormalige graanmolen van Sint-Pieters-Voeren (Molenstraat 8). Tussen deze molen en de volgende molen bij het spoorwegviaduct van Sint-Martens-Voeren (Dorp 75), bevonden zich voorheen nog een oliemolen en een koper- daarna papiermolen (Berg). Een eindje verder, aan het Einde, bevond zich vroeger eveneens een kopermolen. Te Schoppem lagen twee papiermolens, waarvan de gebouwen van de onderste (Meulenberg 309) bewaard bleven. De graanmolen van Lhomme (Molenstraat 291) is nog steeds als watermolen in bedrijf. In de Hoogstraat (nr. 257) bevindt zich de molen van Janssen. De volgende molen op de Voer was "Het Meuleke" (Oude Molenstraat). Op de Veurs bevond zich een thans verdwenen kopermolen in Kwinten. Op de Noorbeek lagen twee watermolens, waarvan alleen de gebouwen van die van Altenbroek bewaard bleven.


50

Eén der gietijzeren kranen (1891-1893). waaraan de bewoners van 's-Gravenvoeren zich na het aanieggen van de waterieiding konden voorzien van bronwater aangevoerd uit SintMartens-Voeren (eigen foto)

M&L

Op de Gulp werkten eveneens een aantal watermolens. De hoogste op Voerens grondgebied is de molen van Obsinnich (Remersdaal). In Teuven, vlak bij de abdij, ligt de molen van Sinnich (Kasteelstraat). Tenslotte is er de molen van Teuven (Gievelderstraat 9). Van deze drie molens bleven de gebouwen bewaard. In Moelingen tenslotte ligt de watermolen op de Berwinne, die tijdens de Eerste Wereldoorlog werd platgebrand en met steun van het Office des Regions dévastées werd heropgebouwd. Algemeen mag gesteld worden dat de bedrijvigheid van de watermolens in de provincie Limburg sterk verminderde na 1950 en de meeste op het einde der jaren 1960 stilvielen (29). De molen van Janssen en de molen in Sint-Martens-Voeren werkten nog tot 1973. Alleen de molen van Lhomme is thans nog in bedrijf. De historisch-technologische evolutie is slechts moeilijk na te gaan. De keuze tussen bovenslag- en onderslagraderen hangt grotendeels samen met de hydrologische situatie van de waterloop (debiet, verval). De meeste molens in Voeren hebben bovenslagraderen. De overgang van houten naar ijzeren drijfwerk gebeurde vanaf het einde van vorige eeuw. Vlak vóór de Eerste Wereldoorlog kwam het gebruik van de horizontale centrale transmissie-as in plaats van de verticale krachtenverdeling in voege. Opmerkelijk is eveneens hoe reeds vanaf het midden der 19de eeuw op allerhande wijzen getracht werd om de drijfkracht van de molens op te voeren door de plaatsing van motoren: stoom vanaf 1832, diesels (de molen van Janssen werd eerst van een stoommachine, later van een diesel voorzien) en vanaf de jaren 1920-1930 elektromotoren. De molen van Sint-Martens-Voeren produceerde elektriciteit voor het hele dorp. Omstreeks de eeuwwisseling werden enkele molens van dynamo's voor eigen elektriciteisproduktie voorzien ("Het Meuleke" in 's-Gravenvoeren).

VOETNOTEN (1) Doehaerd Renée, Le Haul Moyen Age occidental. Economies et sociétés, Paris, 1971, p. 56 e.v.

(2) Antrop M., Het landschap meervoudig bekeken (Monografieën Stichting Leefinilieu, 30), Kapellen, 1989, p. 210. (3) Ruwet J., L Agriculture et les Classes rurales au Pays d'Herve sous l'Ancien Régime. Bibliothèque de la Faculté de Pholosophie et Lettres de l'Université de Liège, Fascicule C, Liège, 1943, p. 56-57. (4) Carte de Cabinet des Pays-Bas Autrichiens. Levée a l'initiative du compte de Ferraris, 1771-1777. (5) Ruwet J., Op. cit., p. 61-66. (6) Waelbers C, 's-Gravenvoeren. Kruisen-bomen, in Heem, jg. 3, 1959, 6, p. 3-7) (7) Nijssen J., Manuscript Voerense percelen, Voeren, 1992. (8) Antrop M., Op. cit., p. 254. (9) AntropM., Op. d(.,p. 211. (10) Tummers P.L.M., De rode-namen in Nederlands Limburg, in Mededelingen Naamkunde, jg. 43, 1967, p. 71. (ll)Nijssen J., Op. cit. {12)10., Op. cit. (13)WalpotM.,Op.cir.,p.41. (14) Topografische Kaart op 1/20 000. Photolithograpiée et imprimée a l'Institut cartographique militaire, a Bruxelles. Levée et nivelée en 1872. (15)WalpotM.,0/). d(., p. 44. (16)Id.,Op. oV., p.46. (17) Gemeenten van België. Geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek, o.l.v. Hasquin H., uitgegeven door het Gemeentekrediet van België, 1980; cf. desbetreffende gemeenten. (18) Ruwet J., Op. cit, p. 213-134. (19) Delatte l.,La vente des biens du clergé dans le département de IVurthe. 1797-1810, Liège, 1951.

(20) Nijssen J., Op. cif. (21) ld.. Op. d t (22) Heemkring Voeren en Omstreken, Architectuur in Voeren en Omstreken. 1794-1914, Voeren, 1989, p. 2. (23) Heemkring Voeren en Omstreken, Op. cit., p. 2. (24) Weyns J. en Nijssen 1, Het Boerenhuis uit de Voerstreek in het Vlaamse Openluchtmuseum te Bokrijk, in Bokrijkse Berichten, jg. XII, 1972. (25)Timmers J.J.M., De kunst van het Maasland, Assen, 1971, p. 1-3. (26) Voor een volledig overzicht en beschrijving van de Maaslandse stijlstromingen in de architectura minor van Limburg cfr.; Schlusmans F., Het Limburgse burgerhuis tot omstreeks 1750. Een typlogisch overzicht, in M&L, jg. 6, 1987, 5, p. 30-48, en ld.. Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 14nl. Provincie Limburg. Arrondissement Tongeren. Kanton RiemstTongeren, Turnhout, 1990, p. XXX-XXXVIII. (27) Sweron G., in samenwerking met de Voergidsen en J. Nijssen, Silex als bouwstof, in Inventaris Monumenten Voerstreek, Voeren, 1975. (28) De historische en technische gegevens betreffende de watermolens van Voeren zijn afkomstig uit: Nijssen J. en Elza Vandenabeele, Molenboekje Voeren en omliggende (V.V.V. Voerstreek en Opbouwwerk Voeren), Voeren, 1991, 2de uitgave. (29) Linters A., in Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 6n. Provincie Limburg. Arrondissement Hasselt, Gent, 1981, p. XXII-XX1II.


M&L

51

SINT-PIETERS-VOEREN EN DE COMMANDERIE VAN DE DUITSE ORDE FRIEDA SCHLUSMANS

St.-Pieters-Voeren. De commanderie. Zicht vanaf het dorpsplein (foto 0. Pauwels)

In 1242 treedt Daniël van Voeren toe tot de Duitse Orde en schenkt haar al zijn bezittingen In het graafschap Dalhem. Deze bezittingen vallen waarschijnlijk samen met het oorspronkelijk allodlaal goed Sint-Pleters-Voeren. Dat dit gebeurt in het jaar waarin de Duitse Orde slag levert om Novgorod en ze door Alexander Nevski op het bevroren Peipusmeer wordt verslagen, Is betekenisvol.

D e toetreding van Daniël van Voeren en de schenking van zijn goederen is in de geschiedenis van de Duitse Orde op dat ogenblik geen toevallig of alleenstaand feit. De Orde, die gedurende de Derde Kruistocht in het Heilig Land was ontstaan uit een hospitaal voor Duitstalige kruisvaarders en pelgrims, wordt in 1198 naar het voorbeeld van de tempeliers en de johannieters omgevormd tot een ridderorde. Het enthousiasme voor het ideaal van de gewapende strijd tegen het heidendom is in de 13de eeuw nog steeds zeer levendig. Het zwaartepunt van deze strijd heeft zich weliswaar geleidelijk aan verlegd naar de gebieden rond de Oostzee, waar de aspiraties van de Orde zich steeds meer gaan richten op de uitbouw van een soevereine staat. Bovendien bezit de Duitse Orde de steun van de Keizer. Dit element, gecombi-


52

M&L

neerd met het ridderideaal van de strijd tegen de heidenen, doet vele edelen in het Duitse Rijk besluiten tot de Orde toe te treden of belangrijke schenkingen te doen. Zo graaf Arnold III van Loon, die in 1220 zijn goederen te Biesen schenkt, waaruit de landcommanderij van Alden Biesen zal ontstaan. In 1242 staat de Orde op het hoogtepunt van haar macht, doch ook op een keerpunt; de slag om Novgorod is een eerste halt die aan haar expansiedrang wordt toegeroepen. Na de verovering van Pomerellen en Danzig (1308-1309) wordt die macht in de loop van de 14de eeuw geconsolideerd. De Orde wordt gestructureerd in een systeem van commanderieën en balijen. Alden Biesen wordt circa 1300 tot landcommanderij verheven, één van de twaalf balijen die de Orde in het Duitse Rijk opricht. Elk ervan groepeert een aantal commanderieën.

De commanderle. Poortgebouw daterend van de restauratiecampagne van 1910 (eigen foto)

De commanderie van Sint-Pieters-Voeren wordt in de balije Alden Biesen ondergebracht. Op wereldlijk vlak blijft Sint-Pieters-Voeren een vrije rijksheerlijkheid, rechtstreeks ressorterend onder het Duitse Rijk. Dit betekent dat de grootcommandeur van Alden Biesen er het volledige bezit heeft van de heerlijke rechten, die hij tot het einde van het Ancien Régime en de opheffing van de Orde in 1798 uitoefent. Hij benoemt er de schepenbank, die voor beroep naar het hof van Aken gaat.

Het huidige uitzicht van het dorp wordt waarschijnlijk in hoge mate bepaald door de aanwezigheid van de Duitse Orde ter plaatse, hoewel wij hierover in dit stadium van het onderzoek zeer weinig concreets weten. Aangezien de kerk geen eigendom van de commanderie was, mag een oude kern verondersteld worden, die opklimt tot vóór de 13de eeuw. Het bestaan van een klein rechthoekig plein vóór de kerk, de B au werd, zou dan het centrum van deze nederzetting zijn. Het ligt bij één van de bronnen van de Voer. Iets ten zuidwesten ervan, eveneens vlakbij deze bron, wordt de commanderie ingeplant. De commandeurs beginnen waarschijnlijk vrij snel met de ontginning van hun domein, dat in het begin van de 14de eeuw volledig bebost moet geweest zijn. Op het einde van de 18de eeuw was het bebost areaal van het dorp nog aanzienlijker dan in de overige Voergemeenten. Het rij dorppatroon dat de nederzetting aanneemt kan dus te verklaren zijn door deze relatief late en waarschijnlijk systematische, vanuit de commanderie doorgevoerde landontginning van deze tot dan toe marginale gronden. Ook het reliëf met de steile hellingen van de Voervallei, zal wel meegespeeld hebben in de ontwikkeling van het nederzettingspatroon. We zien dus het dorp enerzijds, gegroepeerd rondom kerk, kerkplein en pastorie, en de commanderie anderzijds, die haar bezittingen doorheen het Voerdal, in een noord-zuid-as, inplant: ten noorden, stroomafwaarts op de Voer, haar watermolen, ten zuiden haar hoeven; de oudste, Brabant 54, als één van de eerste ontginningskernen, de Lohoeve in de 18de eeuw, in het uiterst zuidelijke punt van het grondgebied.

DE COMMANDERIE Wannéér juist in Sint-Pieters-Voeren een eerste commanderie wordt opgericht is niet bekend. De eerste vermelde commandeur ter plaatse is von Bronchorst in 1320; in deze periode mag dus het bestaan van een gebouw verondersteld worden. We beschikken niet over gegevens betreffende dit primitieve gebouw, behalve dat het zich dichter bij de kerk bevond dan het huidige. Twee iconografische documenten tonen ons de gebouwen in de 18de en 19de eeuw: een ets van Romeyn de Hooghe van 1700 (1), die de twaalf commanderijen van de balije Alden Biesen voorstelt, en een potloodtekening van A. Schaepkens van circa 1850 (2). Zij tonen een vrijwel identiek beeld, slechts in een paar details verschillend. Dit vertelt veel over de bouwgeschiedenis. Bij de aanvang van


M&L

53

Voorstelling van de commanderie op de ets van Romeyn de Hooghe (1700, links) en op een tekening van

de 18de eeuw is de heropbouw van de commanderie voltooid, in een vorm die 150 jaar later nog steeds intact is, doch die sterk afwijkt van de toestand zoals wij hem nu kennen.

A. Schaepkens

De oorspronkelijke gebouwen worden op het einde van de 16de, begin 17de eeuw, een vijftigtal jaren na de volledige herbouw van Alden Biesen (vanaf 1543), door de commandeurs G. von Streithagen en W. von Mettemich zu Müllenarck (1607-1626) afgebroken en vervangen door een nieuwe bouw, op de huidige plaats. Het is niet volledig duidelijk welke gebouwen van deze bouwcampagne bewaard bleven. Vrijwel zeker het voormalige, met krulgevels afgewerkte poortgebouw. Ook het thans verdwenen (dienst?)gebouw aan de zuidoostzijde van de binnenplaats dateerde uit deze periode. Het wordt zowel op de ets van de Hooghe als op de tekening van Schaepkens afgebeeld met een trapgevel, een element dat na 1650 uit de architectuur van het Maasland verdwijnt. Op basis van stijlkenmerken zou het woongedeelte in de noordhoek van het erf eerder uit de tweede helft van de 17de eeuw dateren; het venstertype met de zware, kalkstenen negblokken is typisch voor deze periode. De combinatie met het geblokte portaal maakt zelfs een datering op het einde van de eeuw mogelijk. Toch mag niet uitgesloten worden dat het bouwvolume ouder is en dat de muuropeningen een latere aanpassing zijn, daterend van de bouwcampagne van commandeur Willem Quaedt de Beeck, die de heropbouw van de commanderie voltooit.

(circa 1850, rechts)

Het gebouw aan de noordwestzijde omvatte voorheen het poortgebouw: de oorspronkelijke toegang tot de commanderie lag tot het begin van deze eeuw aan deze zijde. De barokke inrijpoort in een zware, geblokte, waarschijnlijk kalkstenen omlijs-

ting, is thans verdwenen. Zij wordt zowel op de ets van de Hooghe als op de tekening van Schaepkens afgebeeld. Aangezien deze poort reeds in 1700 bestond, is de aanwezigheid van een gevelsteen met de wapens van commandeur P.E. von Eltz (17151722) boven de thans gedichte poort dan ook merkwaardig. Was hij het die de oorspronkelijke vroeg 17de-eeuwse krulgevelbekroning van de poort, zoals afgebeeld bij de Hooghe, liet vervangen door het lage, driehoekige fronton dat we bij Schaepkens zien? Het poortgebouw is thans een breedhuis van vijf traveeën en anderhalve bouwlaag onder een leien zadeldak met dakkapellen. Het bakstenen gebouw is voorzien van gesmeed ijzeren, S-vormige muurankers. Dit element kan het gebouw vóór het midden van de 17de eeuw dateren, aangezien de S-vormige muurankers in het Maasland in de loop van de tweede helft van de eeuw plaats maken voor het type met rechte sleutel en twee gekrulde uiteinden. De zijgevels zijn krulgevels, afgewerkt met mergelstenen afdekking, rolwerk en waterlijsten. Dit krulgeveltype kende vanaf het begin van de 17de eeuw een beperkte populariteit in het Maasland. Betekenisvol is het feit dat het ook in de commanderie van Alden Biesen op verschillende plaatsen voorkomt, naast het gebruikelijker trapgevelmotief. Ook het kasteel van het nabijgelegen Mheer is van dergelijke krulgevels voorzien (3), daterend van 1610. Dit kan een bewijs zijn dat dit poortgebouw inderdaad tot de bouwcampagne van von Streithagen en von Metternich behoort. De muuropeningen zijn gelijkaardig aan die van het woongedeelte, en zouden dus van na het midden van de 17de eeuw dateren. Er dient echter rekening gehouden te worden met het feit dat althans een gedeelte ervan niet origineel kan zijn, of tenminste van hergebruikt materiaal is, gezien de grondige wijzigingen die de orden-


54

M&L

Sint-Pieters-Voeren op de Ferrariskaart

(1771-1777). (Heruitgave van de Ferrariskaart door Ph. Van der Maelen, 1832. Nationaal Geografisch Instituut)

•• Het huidige poortgebouw van de commanderie (eigen foto)

nantie van dit gebouw in het begin van deze eeuw onderging bij het verdwijnen van de poortfunctie. De achtergevel heeft een bakstenen muizetandfries onder de dakrand. De kloosterkozijnen en kleine, rechthoekige vensters, gelijkaardig aan die in de voorgevel, zijn die welke zowel bij de Hooghe als bij Schaepkens zijn afgebeeld. Tussen beide voorstellingen is er wel een verschil in het aantal traveeën; in de oudste afbeelding schijnt het gebouw langer. Toch lijkt een inkorting van het gebouw aan de westzijde niet waarschijnlijk. De huidige deur is van recente datum en vervangt de hogervermelde, thans gedichte rondboogpoort. Een derde, nog niet vermelde iconografische bron, de Ferrariskaart van 1771-1777, toont het kasteel in deze gesloten vorm. De noordelijke hoektoren is aangeduid; de zuidzijde vertoont echter uitspringende bouwvolumes, die noch bij de Hooghe, noch bij Schaepkens voorkomen. Vóór de toenmalige ingang in de noordwestzijde bevond zich een Franse tuin, die ook op de ets van de Hooghe is afgebeeld. Het poortgebouw was door een stenen brug met deze

tuin verbonden. De ets toont tussen de brug en de tuin een poortgebouw, dat in het midden van de 19de eeuw door een ijzeren hek is vervangen. Het globale uitzicht van het tweede belangrijk bouwvolume, het woongedeelte, resulteert van de bouwcampagne van commandeur W. Quaedt de Beeck (1631-1661), ook bouwheer van de kerk van Sint-Pieters-Voeren, en zijn opvolger, baron Ferdinand von Rolshausen zu Butgenbach. Hun respektievelijke bijdragen zijn niet duidelijk; de deelname van von Rolshausen kan slechts afgeleid worden uit de aanwezigheid van een gevelsteen met zijn wapens in de noordoostelijke stalvleugel. Hij bouwde in 1666 ook het brongebouwtje in het park. De L-vormige vleugel met toren in de noordhoek bestond mogelijk reeds in het midden van de 17de eeuw, evenals de stal aan de zuidwestzij de. Deze woonvleugel telt drie en vier traveen, en twee bouwlagen op een souterrain. De daken zijn leien schilddaken met dakkapellen. Op de noordhoek aan de buitenzijde bevindt zich een vierkante toren van


M&L

55

De commanderie vanuit het zuidwesten (foto 0. Pauwels)

twee en een halve bouwlaag hoog, eveneens op een souterrain. De ets van de Hooghe toont een barokke, peervormige spits, die op de tekening van Schaepkens vervangen is door een eenvoudige ingesnoerde naaldspits. Het gebouw vertoont duidelijk de stijlkenmerken van de tweede helft van de 17de eeuw, in de geprofileerde mergelstenen kroonlijst met dito steigergaten en waterlij st eronder en de kruis- en kloosterkozijnen in de voor de periode typische kalkstenen omlijsting met negblokken en sponningbeloop, het benedengedeelte voorheen beluikt. De vensters zijn voorzien van bakstenen ontlastingsbogen. Het portaal vertoont kenmerken uit het laatste decennium van de 17de eeuw; de rondboogvormige deur is gevat in een rechthoekige, geblokte, kalkstenen omlijsting, bekroond met een driehoekig fronton. Ook de dubbele, gebogen kwartslagtrap schijnt een barok element. Hij leidt naar een kalkstenen bordes, dat, evenals de gesmeed ijzeren balustrade, versierd is met de kruisen van de Duitse Orde. In het souterrain bevindt zich een lage deur met oorspronkelijk, van spijkers voorzien houtwerk. De lage, zuidwestelijke stalvleugel met de gedron-

gen vierkante toren aan het zuidelijke uiteinde, roept dezelfde vragen op als de woonvleugel. Aangezien hij in de beide oude voorstellingen van de commanderie niet zichtbaar is, kan over het oorspronkelijke uitzicht moeilijk uitsluitsel gegeven worden. De stijlkenmerken wijzen globaal een datering in de tweede helft van de 17de eeuw aan. Het is een langgestrekt gebouw van één bouwlaag onder zadeldak; de toren heeft een tentdak. De muuropeningen - staldeuren, kleine vensters en twee laadvensters zijn rechthoekig, in een kalkstenen omlijsting met negblokken. Het tegenover liggende stalgebouw werd in het begin van deze eeuw ingrijpend gewijzigd, zodat het oorspronkelijke uitzicht moeilijk te achterhalen is. De muuropeningen der bovenverdieping zijn recent, de poorttravee rechts is door een bouwnaad van de rest van het gebouw gescheiden. De hardstenen rondboogpoort is eveneens recent. De muuropeningen der benedenverdieping zijn dezelfde als die van het andere stalgebouw. In de noordwestelijke zijgevel bevindt zich het wapenschild van commandeur von Rolshausen.


56

M&L

OSiMMK

Het oorspronkelijke poortgebouw met de krulgevels, aan de zijde van de binnenplaats (links) en het woongedeelte (rechts) (eigen foto's)

Portaal en trap van het woongedeelte (eigen foto)

In 1798 wordt de Duitse Orde opgeheven, hun goederen worden onteigend en verkocht. De commanderie wordt gekocht door J.-J. Dresse van Verviers, die ze overlaat aan A.-J. Sauvage, eveneens van Verviers. In 1856 wordt ze gekocht door baron O. de Loë de Mheer, en in 1893 komt ze via een openbare verkoop in bezit van baron L. de Potesta de Waleffe. De gebouwen zijn op dit ogenblik sterk vervallen. De familie de Potesta de Waleffe vat de restauratie en herbouw aan, die zoals aangeduid op de gevelsteen met de wapens van de familie in het poortgebouw, in 1910 voltooid is. Het huidige uitzicht van de voormalige commanderie wordt sterk door deze restauratiecampagne bepaald. Het woongedeelte wordt met een vleugel en een toren in zuidoostelijke richting uitgebreid. Dit gebouw telt vier traveeën en twee bouwlagen op souterrain, onder een schilddak, de toren drie bouwlagen, eveneens op een souterrain, onder een tentdak. Beide gebouwen imiteren in hun stijl die van het oude woongedeelte, met gebruik van dezelfde elementen. De kleine, op een hardstenen pijler in het water rustende erker tegen de achtergevel van het oude gebouw dateert eveneens van de restauratie. De aansluitende stalvleugel wordt grondig verbouwd en de vleugel uit het begin van de 17de eeuw, aan de zuidoost-zijde van het erf, wordt afgebroken en vervangen door het huidige poortgebouw. Hiermee wordt de toegang tot het kasteel verlegd naar de tegenover liggende zijde. De oorspronkelijke inrijpoort wordt gedicht. Het complex krijgt thans zijn U-vormig uitzicht, de gebouwen gegroepeerd rondom een binnenplaats, met de open zijde naar het park gericht. Een oprit loopt doorheen de huidige landschapstuin. Het poortgebouw is een romantische constructie van

1910, waarin een paar oorspronkelijke elementen worden hergebruikt. Torens en trapgevels domineren de compacte vorm. Beide poorten zijn recent; origineel zijn de voorheen beluikte vensters in een geprofileerde kalkstenen omlijsting met negblokken. In het fronton aan de buitenzijde bevindt zich de gevelsteen met het wapenschild van de Potesta de Waleffe en het opschrift: RESTAURATUM/MCMX, eronder een gevelsteen met opschrift: ORDINIS TEUNON. CASTELLUM/ANNO MDCXV AEDIFICATUM.


M&L

57

In het park liggen een aantal vijvers, waarin sinds circa 1885 een forellenkwekerij wordt gehouden. Deze vijvers worden gevoed door de bronnen van de Voer, die in het park ontspringt. Over de bron is een klein gebouw opgericht met in het fronton de wapenschilden van grootmeester J.-G. von Amspringen, grootcommandeur E. G. von Bocholtz en de plaatselijke commandeur baron Ferdinand von Rolshausen, met de datering 1666. Het bakstenen gebouwtje is afgewerkt met kalkstenen boekbanden en een rondboogvormige ingang in een rechthoekige kalkstenen omlijsting met sluitsteen, geflankeerd door kalkstenen pilasters. Hoewel de commanderie van Sint-Pieters-Voeren door zijn beperktere omvang niet de luister evenaart van Alden Biesen, overstijgt de imposante en rijke architectuur duidelijk de middelen en realisaties van de lokale heren in Voeren, en is ze slechts met de abdij van Sinnich (Teuven) vergelijkbaar.

DE PAROCHIEKERK SINT-PIETERS-STOEL De commanderie van Sint-Pieters-Voeren was een wereldlijke commanderie, bestuurd door een ridder. De kerk van Sint-Pieters-Voeren functioneerde dan ook onafhankelijk ervan. Ze was één van de drie kapellen van de collegiale kerk van Sint-MartensVoeren, samen met Slenaken in Nederland en SaintJean-Sart. Elk van de drie kanunniken van het kapittel bediende één van deze kerken. De tienden waren in handen van dit kapittel. Het is dan ook merkwaardig dat commandeur Willem Quaedt de Beeck, in de periode van de heropbouw van de commanderie, ook als bouwheer optreedt bij de herbouw van de kerk van Sint-Pieters-Voeren. Zoals dit het geval is met de commanderie, staan ons ook over het primitieve kerkgebouw in dit stadium van het onderzoek geen gegevens ter beschikking. Het bevond zich op de plaats van het huidige gebouw, waarvan het koor wordt gebouwd in 1652, het schip in 1660, en de toren in 1661. De kerk ligt op een heuvel, temidden van het ommuurde kerkhof, in een nog gave, landelijke omgeving. Het is een kleine zaalkerk, waarvan de plattegrond een éénbeukig schip beschrijft van drie traveeën, met voorstaande westtoren, en een koor van één rechte travee met driezijdige sluiting en sacristie aan beide zijden (4). De kerk is grotendeels opgetrokken uit breuksteen, de toren heeft alleen haar onderbouw van dit materiaal; het bovengedeelte is van baksteen, met kalkstenen boekbanden. Dit merkwaardige materiaalgebruik maakt het begrijpelijk waarom bepaalde

bronnen niet uitsluiten dat de kerk gedeeltelijk is opgetrokken uit materiaal afkomstig van de afbraak van de oude commanderie. De laat-gotische elementen van het noordportaal zijn in een gebouw van 1660 trouwens moeilijk te verklaren zonder hergebruik van materiaal. Ook in de omlijstingen van de vensters is het duidelijk dat het gaat om materiaal van verschillende herkomst. Door zijn kalkstenen vensters met negblokken, zijn rondboogvormige portalen en zijn kalkstenen boekbanden sluit de kerk qua stijl aan bij de burgerlijke, Maaslandse bouwkunst van het ogenblik. Waarschijnlijk waren de wanden van het koor oorspronkelijk blind, aangezien de vensters hier een gecementeerde imitatie zijn van die van het schip. Het zeer sobere interieur is bepleisterd en vertoont een tongewelf over schip en koor, een halve koepel over de absis. Vóór kort verdween de neogotische beschildering van zoldering en wanden. Een aantal elementen van het mobilair verwijzen naar de bouwheer: zo is een schilderij met voorstelling van een heilige franciscaan met zielen in het vagevuur en God de Vader, op de lijst voorzien van het wapen van commandeur Quaedt de Beeck, en hierdoor te dateren circa 1660. Ook het altaarstuk van het barokke hoofdaltaar is voorzien van de wapens van de bouwheer. Het stelt de Geboorte van Christus en de Verkondiging van de Herders voor, geschilderd door F. Walschartz van Luik (1654). Het zuidelijke zijaltaar, dat zich thans in de grafkapel van de familie Ernst de la Graete op het kerkhof bevindt, werd in 1666 door een andere belangrijke bouwheer van de commanderie geschonken, commandeur baron von Rolshausen. Aan de buitenzijde van het koor tenslotte treffen we de grafsteen aan van Quaedt de Beeck. Het mobilair omvat voorts een eiken Christusbeeld, oorspronkelijk gepolychromeerd en behorend tot de 16de-eeuwse Calvarie waartoe ook het Onze-LieveVrouwebeeld en Sint-Johannesbeeld behoorden, beide nu opgesteld op de plaats waar zich voorheen de zijaltaren bevonden. Een gepolychromeerd houten Sint-Petrusbeeld in nis dateert uit de tweede helft van de 17de eeuw, een Sint-Comeliusbeeld uit de tweede helft van de 18de eeuw, een geklede processiemadonna uit de 19de eeuw. De kerk bezit twee biechtstoelen uit de 18de eeuw, een kerkmeesterbank uit de eerste helft van de 18de eeuw, een koorgestoelte uit de tweede helft van de 17de eeuw, verworven in 1838 van de abdij ValDieu (Aubel), een 18de-eeuwse kalkstenen doopvont, en een dito 17de-eeuws wijwatervat. Het orgel is van de Maastrichtse orgelbouwers Pereboom en Leyser, en dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. Het houten, geschilderd en


58

Grafsteen van commandeur W. Quaedt de Beeck(1661) tegen het koor van de St.-Pieterskerk (foto 0. Pauwels)

De parochiekerk St.-Pieters-Stoel (1652-1661) (foto 0. Pauwels)

M&L

gepolychromeerd 17de-eeuwse doksaal is in 1841 overgebracht uit de abdij Val-Dieu; het is voorzien van vier nissen en oorspronkelijk twee houten, gepolychromeerde beelden, een martelares en SintCecilia, vóór kort gestolen. Aan de buitenzijde van het koor herinnert een merkwaardig gesmeed ijzeren kruis op kalkstenen sokkel aan een miraculeuze verschijning in 1799. Zoals gebruikelijk in Voeren en het aangrenzende Land van Herve bezit het kerhof een interessante en uitgebreide verzameling grafkruisen, een aantal gedateerde exemplaren uit de periode 1667-1702, en meerdere ongedateerde uit een oudere periode.

DE PASTORIE De op grond van stijlkenmerken circa 1775 te dateren pastorie van Sint-Pieters-Voeren is gelegen aan het nog zeer landelijke dorpsplein, de Bauwerd,

vóór de kerk. Zij is het werk van de Maastrichtse architect Mathias Soiron (1748-1834). De tekening van het grondplan en de voorgevelopstand bleef in het Rijksarchief van Maastricht bewaard (5). Deze architect tekende voor verschillende pastorieën in het Maasland: ook die van Herten en Zutendaal zijn van zijn hand (6). Het gebouw vertoont het klassieke dubbelhuisschema, waarvoor de normen in deze periode worden vastgelegd en dat het gestandardiseerde burgerhuistype zal worden. De pastorie, thans als dusdanig buiten gebruik, ligt wat achteruit aan de Bauwerd, in een omhaagde tuin. Het is een breedhuis van vijf traveen en twee bouwlagen onder zadeldak. Het bakstenen gebouw, in de tweede helft van de 19de eeuw gecementeerd, is voorzien van de voor de periode typische getoogde muuropeningen in een omlijsting van Naamse kalksteen met uitspringende sluitsteen, bij de cementering in een rechthoekige omlijsting met riemprofiel geplaatst. De stijlkenmerken zijn die van de Luikse Lodewijk XV-stijl, die zoals zijn Franse tegenhanger van een grote soberheid in de geveluitvoering is.


M&L

I

59

r I» //t.~-

<*••

De pastorie. Grondplan en voorgevelopstand door M. Soiron (Rijksarchief in Limburg, Maastricht, 85031201-08 A en B)

De Slnt-Annakapel, met voorgevel van 1730 (foto 0 . Pauwels)

DE SINT-ANNAKAPEL Naast de kerk is de in 1974 beschermde Sint-Annakapel het belangrijkste voorbeeld van religieuze architectuur in Sint-Pieters-Voeren. De kleine kapel is gelegen op het kruispunt van de Dorpsstraat, Waterval en de weg naar Veurs (Sint-MartensVoeren). Ervóór bevond zich voorheen een met linden beboomd pleintje. De eigenlijke kapel, een gebouw van silexblokken, is ouder dan de door middel van gevelstenen 1730 gedateerde voorgevel. Die is waarschijnlijk het resultaat van een restauratiecampagne door kapelaan Frans Scheven (17041758) (7).

De plattegrond beschrijft een schip van één travee met driezijdige sluiting. Zijgevels en koor zijn opgetrokken uit silexblokken, de voorgevel uit baksteen met gebruik van kalksteen voor de boekbanden en omlijstingen der muuropeningen. Het gebouwtje is geplaatst op een lage breukstenen plint, onder leien zadeldak. Alleen de voorgevel is van muuropeningen voorzien: een rechthoekige deur met afgeronde hoeken en origineel doch thans sterk vervallen houtwerk, waarboven een klein, gelijkaardig bovenlicht, geflankeerd door twee aansluitende, voorheen getraliede, vierkante vensters. In de geveltop bevindt zich een rechthoekig venstertje in een kalkstenen omlijsting met negblokken en geprofileerde latei. De gevel wordt geflankeerd door als pilasters opgevatte boekbanden met geprofileerde afdekking. Een kalkstenen band lijnt de geveltop af. Twee gesculpteerde gevelstenen vormen het jaartal 17/30; op de deurlatei werd het opschrift IHS geplaatst. Voorheen bevond zich een kruis in de geveltop. Alle muuropeningen zijn thans gedicht en het interieur is niet meer te bezichtigen, doch naar verluidt was het bepleisterd, met polychroom beschilderd stucwerk aan de zoldering en het motief van de rijksadelaars achteraan, verwijzend naar de Duitse Orde, mogelijk eigenaar of bouwheer van de kapel. Reeds in de periode van de bescherming was de kapel sterk vervallen. Bovendien werd vóór kort een storend aanbouwsel onder golfplaten afdekking tegen de linkerzijgevel aangebouwd.

DE GOEDEREN VAN DE ORDE Een geestelijke orde als die van de Duitse Orde kon slechts bestaan door de opbrengsten van haar goe-


60

M&L

deren. Drie hiervan zullen in het kort besproken worden. Het gaat om twee belangrijke hoeven, de hoeve Brabant 54 en de Lohoeve, en een watermolen, alle te Sint-Pieters-Voeren. De hoeve Brabant 54 (8) is een klassiek voorbeeld van het gesloten Haspengouwse type, met het woonhuis loodrecht op de straat en een aansluitende stal in dezelfde vleugel. De dwarsschuur ligt tegenover het aan straatzijde gelegen poortgebouw. Een tweede stal is ondergebracht in de vleugel tegenover het woonhuis. De poortvleugel is voorzien van een voetgangersdoorgang, zoals wel meer in dit gebied. Merkwaardig is de laat-gotische omlijsting van Naamse kalksteen van dit poortje: naast de inrijpoort van de hoeve Snauwenberg te 's-Gravenvoeren, uit dezelfde periode, is dit één van de oudste resten van burgerlijke bouwkunst in de Voerstreek. Rest het van een ouder, laat-gotisch gebouw dat het huidige gebouw voorafging, of is het, zoals het laat-gotische portaal van de kerk, afkomstig van de de afbraak van de primitieve commanderie? De bakstenen gebouwen zijn gegroepeerd rondom een rechthoekig erf, dat bereikbaar is via de inrijpoort in de zuidoostelijke, aan straatzijde gelegen vleugel. Het omvat de korfboogvormige, bakstenen inrijpoort in een ingediept, kwarthol muurpand, voorzien van een aanzet of rest van kalkstenen posten, en de hogervermelde voetgangersdoorgang. De gevel aan erfzijde verwijst met zijn resten van vakwerkbouw naar het oorspronkelijke, nog niet versteende gebouw. De Lohoeve, Lobos nr.75-76 (eigen foto)

Het woonhuis, een voorheen één verdieping hoog gebouw, dateert van 1736, zoals aangeduid door de

muurankers in de erfzijdegevel. Het werd op het einde van de 19de eeuw met een bouwlaag verhoogd: de oorspronkelijke dakhelling bleef zichtbaar in de zijgevel aan straatzijde. Het is een dubbelhuis van drie traveeën op een verhoogde begane grond. De deur met rechthoekig bovenlicht en het kloosterkozijn in de linkertravee, beide in een kalkstenen omlijsting, dateren uit de periode die door het jaartal wordt aangegeven; ze zijn echter opgetrokken uit hergebruikt materiaal van een oudere bouwcampagne. De bovenvensters dateren uit de periode der verhoging van het gebouw. De stal naast het woonhuis behield de oorspronkelijke nokhoogte van deze vleugel; de muuropeningen werden alle aangepast, met enkele resten van de originele kalkstenen omlijstingen. De stallen in de vleugel tegenover het woonhuis en naast de inrijpoort, behielden vrij gaaf hun uitzicht van 1736, met rechthoekige muuropeningen in kalkstenen omlijsting, de deuren en zoldervensters voorzien van negblokken. De dwarsschuur, achteraan het erf, is een ruim, vrij laag, bakstenen gebouw, voorzien van een rondboogvormige, bakstenen poort; de getoogde staldeuren dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw, toen ook in deze hoeve, zoals in vele andere in Voeren, werd overgeschakeld naar een eenzijdige veeteelteconomie, waarbij de ruime graanschuur haar zin verloor en vrijwel volledig tot stal werd omgebouwd. De hoeve was toen al lang geen eigendom meer van de Duitse Orde. Ze werd na de opheffing van de Orde in 1798 verkocht, eerst aan A.-J. Sauvage van Verviers, in circa 1810 aan A. Frankinet van Luik. Een tweede belangrijke hoeve van de Duitse Orde te Sint-Pieters-Voeren is de zogenaamde "Lohoeve" (Lobos nr.75-76). Zij wordt op de Ferrariskaart nog vermeld als "La Neuve Cense", verwijzend naar de ontginning van het primitieve bos, dat in deze periode nog het volledige zuidelijke gedeelte van de gemeente innam. Uitgaande van de commanderie werd deze ontginning uitgevoerd tussen 1771 en 1773. De oorspronkelijke, in 1773 gebouwde hoeve was U-vormig en lag met haar open kant naar het zuidoosten, thans aan deze zijde door een dreef van wilde kastanjebomen met de steenweg verbonden. De 18de-eeuwse kern bleef het best bewaard in de gevels aan erfzijde, ondanks de in het begin van de 19de eeuw uitgevoerde wijziging der gevelordonnantie. De bakstenen gebouwen onder zadeldaken zijn gegroepeerd rondom het rechthoekige, gekasseide erf. Dit is thans bereikbaar via een vleugel uit de tweede helft van de 19de eeuw, die op deze voorheen open zijde werd opgetrokken.


M&L

De hoeve Brabant nr.54. Laat-gotische voetgangersdoorgang (eigen foto)

61

^y^fesfefesb^^

Waarschijnlijk was hij voorzien van een inrijpoort, doch de hele vleugel werd in een recente periode sterk verlaagd, waarbij het bovenste gedeelte van de poort verdween. Het woonhuis bevindt zich achteraan het erf. Het is een breedhuis van het dubbelhuistype, met een lijstgevel van zeven traveeën breed en twee bouwlagen hoog. De bakstenen muizetandfries met dropmotief onder de dakrand en de kalkstenen steigergaten zijn beide elementen die dateren uit de periode van de bouw. De huidige ordonnantie dateert waarschijnlijk uit het begin van de 19de eeuw: de rechthoekige muuropeningen in vlakke kalkstenen omlijsting zijn typisch voor die periode. De stalvleugel, aan de rechterzijde van het erf, was voorheen de dwarsschuur, eveneens in de eerste helft van de 19de eeuw gewijzigd. De gevel behield sporen van een poort. Voor de huidige, kleine vensters werd gedeeltelijk gebruikt gemaakt van ouder, kalkstenen materiaal (sponningbeloop). De zijgevel van deze vleugel werd in tweede helft van de 19de eeuw herbouwd in eclectische stijl en voorzien van een

trapgevel met een bakstenen oculus in de geveltop en met in het midden een laadvenster in een rondboogvormige, Serliaans getinte, hardstenen omlijsting. Uit dezelfde periode dateert de zware, vrijwel gesloten vierkante toren van baksteen in de noordhoek, aan de buitenzijde van het erf. Ook de linkervleugel is aangepast en vertoont muuropeningen uit verschillende perioden. Een voormalig koetshuis buiten het erf wordt thans eveneens als stal gebruikt. A.-J. Sauvage, die zoals vermeld, in 1798 ook de commanderie en de hogervermelde hoeve Brabant 54 verwerft, koopt de Lohoeve na de onteigening. Ze gaat circa 1810 naar F. Rittweyer van Brussel. Het molenrecht was één van de heerlijke rechten die verbonden waren aan het bezit van een heerlijkheid. In Sint-Pieters-Voeren was dit in handen van de grootcommandeur van Alden Biesen. De "Molen van Sint-Pieter" was dus een bezit van de Duitse Orde. Deze watermolen, een graanmolen, was de hoogste watermolen op de Voer, die in het iets zuidelijker gelegen park van de commanderie ontspringt. Het woonhuis is een vrij gaaf behouden gebouw, dat door middel van de muurankers op de achtergevel 1731 gedateerd is. Dit gebouw is reeds weergegeven op de Ferrariskaart van 1771-1777. Het is van baksteen, anderhalve bouwlaag hoog, onder wolvedak. De gevels zijn voorzien van kleine, getraliede vensters, een paar bolkozijnen in kalkstenen omlijsting met negblokken, sponningbeloop en duimen, en een rechthoekige deur; een recente poort in de achtergevel vervangt een oudere poort, waarvan een kalkstenen post met negblokken en de bakstenen ontlastingsboog rest. Na de onteigening wordt de molen in 1798 verkocht aan CD. Neuville. In de tweede helft van de 19de eeuw wordt een stal tegen de achtergevel aangebouwd en wordt aan de andere zijde van het erf een bakstenen dwarsschuur bijgebouwd. De molen bleef naar verluidt tot 1912 in bedrijf; het molenrad bevond zich tegen de zuidelijke zijgevel. Tot in het begin van de jaren 1950 waren molenrad en -werk (assen, kamraderen, drie paar molenstenen, enzovoort) nog aanwezig en in goede staat. Thans is de installatie verdwenen. De historische ontwikkeling van Sint-Pieters-Voeren bleef zowel in de structuur als in de componenten van de huidige nederzetting op een opmerkelijk duidelijke wijze afleesbaar. Een vrijwaring tegen storende ingrepen dringt zich dan ook op.


M&L

VOETNOTEN (1) (2) (3)

(4) (5) (6)

(7) (8)

Utrecht, De Ridderlijke Duitsche Orde, Baiije van Utrecht, Prentenkabinet. Rijksarchief Brussel, Prentenkabinet. Tiels Ch., Krulgeveis in hel Maasland. Beredeneerde catalogus van voiuiitgevels In Zuid-Limburg en hun herkomst, in Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek. 22, 1971, p. 95. De sacristie aan de zuidzijde dateert uit het midden van de 19de eeuw. Rijksarchief in Limburg, Maastricht. Nr. 850312-01-0813. Blockx Patricia, De pastorie van Zutendaal (1783). Een exemplificatorisch ondezoek naar het onbekende oeuvre van Mathias Soiron (1748-1834). Licentiaatsverhandeling K.U.Leuven, 1989. Naar het testament van 1755, bewaard in het parochiearchief. De herkomst van deze plaatsnaam is niet duidelijk. Hoewel de Voergemeenten sinds de 13de eeuw deel uitmaakten van het bezit van de hertogen van Brabant, was dit niet het geval voor Sint-Pieters-Voeren, dat als eigendom van de Duitse Orde een vrije heerlijkheid van het Duitse Rijk was.

BIBLIOGRAFIE Betreffende de geschiedenis van Sint-PietersVoeren en de Commanderie van de Duitse Orde: - 800 Jahre Deutscher Orden. Ausstellung des Germanischen Nationalmuseums Nürnberg in Zusammenarbeit mit der Internationalen Historischen Kommission zur Erforschmg des Deutschen Ordens, München, 1990. - Grassier L. de, Histoire du haillage des Vieux Joncs et des 12 Commanderies qui en dépendaient: La Commanderie de Fouron Saint-Pierre, in Publications de la Société historique et archéologique dans Ie Duché de Limhourg, 41,1905, p. 197-308. - Daris J., Notices historiques sur les églises du diocese de Liège, vol. XII, Liège, 1885, p.5,20. - Ernst de la Graete H., La Commanderie de l'Ordre Teutonique a Fouron-Saint-Pierre, in Société verviétoise d'Archéologie et d'Histoire, Publications hors-série, 2, Dison, 1964. - Goole F., De Kommanderij van de Duitse ridderorde te SintPietersvoeren. Lijst en familiewapens van de Kommandeurs, in Vlaamse Stam, 6,1970, 2, p.98-101. - Poumon E., Les chateaux du Pays de Liège, Brussel, 1950, p.31-32.

- Sweron O., onuitgegeven nota's. - De Voerstreek, in De Tijdspiegel, 31,1976, 2-3, p.18-20.

betreffende de Sint-Pieters-Kerk -

Pastoor Colemont, medegedeelde gegevens. Ernst de la Graete H„ Op. cit., p.38-42. Rijksarchief Hasselt, Kerkarchieven. Heemkring Voeren en Omstreken m.m.v. pastoor Colemont, De kerk van Sint-Pieters-Voeren, [Voeren], 1991. Nijssen J., St.-Pieters-Voeren. De kerk, in De Band, 1957, 2, p.4-7. Simenon G., Visitatlones archidiaconales archidiaconatus Hashaniae in dioeceseni Leodiensi ab anno 1613 ad annum 1763, Leodii, 1939,p.222-223. Straet H.-G., onuitgegeven nota's. Wauthle P., onuitgegeven nota's.

betreffende de Sint-Annakapel - Nijssen J.. St.-Pieters-Voeren. St.-Annakapel, in De Band, 2, 1985, l.p.7-8. - Palmans R., Project Sint-Anna-Kapel, in Voersprokkels, 6, 1975,2, - ld.. Een merkaardige kapel, in Voersprokkels, 11, 1980, 2, p.26-27. - Sweron G., onuitgegeven nota's. - Winkel F. Van, verslag voor de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen, vergadering dd. 16 juni 1971.

betreffende de hoeve Brabant 54 - Delatte I., La vente des biens du clergé dans Ie département de /•0«rt/ic,Luik, 1951, p.62, 136.

betreffende de "Lohoeve" - Delatte L, Op. ri/., p,62, 136. - Ryckel A. de. Les communes de la province de Liège. Notices historiques, Liège, 1892, p.216. - Walpot M., De evolutie van het agrarisch landschap in de landen van Overmaas, in Heem, 4-5, 1959, p.39.

betreffende de Molen van Sint-Pieter - Delatte L, Op. cit., p.62. - Holemans H., Wind- en watermolens in de provincie Limburg (Uitgave van de studiekring "Ons Molenheem") s i , s.a., p.26. - Nijssen 1, Manuscript Voerense percelen. Voeren, 1992. - Id.-Vandenabeele Elza, Molenhoekje Voeren en omliggende (V.V.V. Voerstreek en Opbouwwerk Voeren), Voeren, 1991, p.3-4. - Wauthle P., onuitgegeven nota's.


M&L

63

SUMMARY

The municipality of Voeren is part of the Tongeren district. Since 1977 it includes the boroughs of 's-Gravenvoeren, Moelingen, Remersdaal, Sint-Martens-Voeren, Sint-Pieters-Voeren and Teuven. The united territory lies east of the Limburg province, in the North it borders on the Netherlands (Limburg province) and for the rest on the Walloon provinces. The narrow part in the west - Moelingen adjoins the Meuse. The Most eastern point, Remersdaal, is at 9 kms from the German border and at some 10 kms from Aachen.

Belonging to Brabant, Voeren succesively joins the Burgundian and Habsburger empire. It suffered a lot from the Eighty Years' War (1568-1632), which resulted in a division of the territory between Spain an the United Provinces (Partage Treaty, 1661). With the administrative zoning under French regime (1795), Dutch-speaking Voeren falls under the French-speaking Ourthe department. Following the Vienna Treaty (1815), latter was transformed into the Liège province by William of Orange. When the language boundary was drawn up (1962), Voeren joined Limburg.

Lying near these three borders, has made the area rather syncretic. This shows among others in landscape and buildings, but also in the history, language and social patterns. This diversity however, is limited: the area is clearly and in all aspects part ot the Meuse coutry, a historic and cultural entity. Through the ages it became a real territory, despite the different state and language borders.

THE VOEREN BOROUGHS RURAL VILLAGES AND THEIR COMPONENTS

The fact that the area is strictly agricultural, determines the landscape. The population growth was low because agriculture was the only employment and by lack of transport infrastructure the area was quite isolated. The past decennia, especially the growing tourism brought some change here. However, the existing historical structures and the rustic view have been well preserved, except for some very recent and limited developments.

One of the most typical characteristics of Voeren is that it's rural, agrarian. Farming shaped the landscape as well as the villages. The earliest agrarian activity is the autarkic model, where a community tries to be self-sufficient. The stress is on grain growing as foodproducing activity. The loessial soil in Haspengouw being very suitable for agriculture, this model develops very early here and exists for a long time after that. The habitation model corresponding to this way of farming has clustered habitation around a village square. This agricultural model was originally found in the Voeren boroughs in the eastern part of the Meuse terraced land (Moelingen, 's-Gravenvoeren, Sint-Martens-Voeren); still today shows in the village pattern. As of late 18th century, the boroughs to the east, with less suited soil, switch to stock breeding. This evolution started in the land of Herve, more specifically the area near Aubel, early 16th century. Already quite early their village pattern is typical for livestock economy, with scattered habitation in a walled landscape. The grain crisis in the late 19th century forced the Voeren boroughs to switch to stock breeding as well. Their habitation pattern, however, is still very much like the old model.

THE HISTORICAL BACKGROUND The oldest traces of habitation date from the Neolithic. In Roman times, the region like the rest of southern Limburg, becomes inhabited and is brought into cultivation. The nearby Carolingian centres of power were no doubt important for this zone, although no remains from this phase have been preserved. Teuven (links) en de commanderie van Sint-PietersVoeren (rechts) in vogelvlucht (foto's fotodienst L.I.N.)

During the feudal period, the area, part of which originally belonged tho the Dalhem county (Moelingen, 's-Gravenvoeren, Sint-MartensVoeren), and another part to the Limburg duchy (Remersdaal and Teuven), came into the posession of the dukes of Brabant, who were expanding to the East (Battle of Woeringen, 1288). Sint-PietersVoeren was donated by a local lord to the Teutonic Order, and thus remained a free manor within the German empire.

Farms are the most important component of an agrarian community. Here too the differentiation in different agricultural models can be seen. Economic factors determine how buildings are arranged round the yard. A farm with separate building segments is characteristic for

m-1

tjJ

v'

m^i

^

V m

. igfr^

is'

^

fÊÊÊr

•4$

^

**l^' • if/f1

Tap^B

i^

JEU

; • ty i

S^HNI SfLJ ^^j^^

É

^ ^


M&L

stock breeding. In villages with the original square farms, the model typical for Haspengouw, these large, closed buildings gradually change into farms with separate elements, mainly because some segments are no longer useful and disappear, like the spacious transverse bam. At the same time, in older stock breeding areas, the number of segments in a farm increased, whereas it had been limited, like in the typical twopiece farm. The outlook of a farm is also determined by social factors. The size of the farm depends on the wealth and status of the owner, varying from the spacious Haspengouw square farm to the small, one-piece labourer's farm. Cultural elements, however, also determine the design of the buildings. They follow styles from their cultural territory - the Meuse country - albeit in a rural interpretation and with some delay. Other components of a rural village are the buildings where agricultural produces are manufactured, like breweries and syrup and cheese factories. Farmers did this on the side in a traditional way, and no buildings are left to remind us hereof. Water mills, however, can still be found. During the first half of this century, still thirteen water mills were in use on the Voer. A number of buildings and installations have been preserved, one of the mills is still being used. On the Noorbrook, the building of one mill has been preserved. On the Gulp too, a number of mills were in use. The water mill of Moelingen, on the Berwinne is quite remarkable, it dates from the reconstruction after World War I.

SINT-PIETERS-VOEREN COMMANDERY OF THE TEUTONIC ORDER At his accession in 1242. Daniel of Voeren donates his properties in Sint-Pieters-Voeren to the Teutonic Order. There is no record of when the first commandery was built, but the first commander known is von Bronchorst in 1320. The construction of the present commandery probably started early 17th century. The original gateway with its curled side walls, could date from this period. The commanders Quaedt de Beeck and von Rolhausen zu Butgenbac continue with the construction until the third quarter of the 17th century. They gave the living quarters and the preserved service buildings their present look. After the Order was abolished and all goods were confiscated and sold during the French period, the family Potesta de Waleffe restores and rebuilds the commandery thoroughly. In this phase (1910) it gets its actual look; the present gateway and the extended living quarters date entirely from that time. The presence of the Teutonic Order also shows in other ways. Although the Order didn't own the church, it was rebuilt by commander Quaedt de Beeck (1652-1661). The presbytery was designed by the Maastricht architect M. Soiron (ca. 1775). Besides the church, the chapel of St. Anna is the most important example of religious architecture. The front, dating from 1730, was built in front of an earlier flint building. The farm Brabant no. 54, with late Gothic centre, dating for the major part from 1730, and the Lo farm (1771-1773), were owned by the Order, but were privatised during French occupation. The Order also owned a water mill - St. Peter Mill - on the Voer, a brook which rises in the commandery's park. The main building from 1731 has been well preserved.

THE VOEREN LANDSCAPE Voeren is the most southeastern part of Flanders. The six rural boroughs of Voeren take up approximately 50 km2.

The Subsoil is almost entirely made up of chalky soil, marine deposits from approximately 100-65 million years ago, during the Cretaceous period. This "Gulpen formation" reaches a maximum thickness of 100 metres under the plateaus. The sedimentation determines morphology, vegetation and cultivation of the soil in Voeren. The brooks in Voeren eroded this cretaceous formation into a valley landcape with broad, asymmetric dales, varying in depth from 50 to 100 metres. Typical for these chalky zones, with a large capacity of infiltration in the soil and subsoil, is a hardly developed hydrographical network, a lot of dry depressions, asymmetric valleys and dolinas. There are numerous springs in central and eastern Voeren where valleys and sunken roads cut into the impenetrable clay stratum underneath the chalk. The spring water dissolves the chalk around it, thus creating typical amphitheatre-like spring basins. The terraced landscape of the Meuse in the west of the Voeren area, and the terrace-like valley slopes of its tributaries are the result of the varying erosion basis of the Pleistocene hydrographic network. The sedimentation border of the Pleistocene Meuse, runs from southwest to northeast. It is clearly visible between 's-Gravenvoeren and Sint-Martens-Voeren. It is the western boundary of the valley landscape. The brooks in Voeren have high quality water, shallow beds, a fast rate of flow due to the steep fall, a lot of meanders as well as a high flow rate. Of all sunken roads in Flanders, a major part can be found in Voeren. Also typical is the large number of shallow, wooded as well as flooded sunken roads. Parallel with the contour lines on numerous steep hillsides, taluses can be found. They are called "graven" (graves). It is presumed they originated when the woods on the hillsides were exploited. Before the 14the century the stress was on grain growing in the valleys of the Berwijn and the Voer. As of the 16the century there is an evolution towards pastures and stock breeding. This switch was caused by the development since the I5th century of towns like Liège and Aachen, as well as by the grain crisis in the 19th century. Nowadays the plateaus with deep loessial soil are used for arable farming. There seems to be an evolution towards half-standard fruit trees. In the valleys of central and eastern Voeren pastures are the most important cultivation. Scale-up, specialisation and rationalisation have a dulling effect on the scenery. 845 hectares are taken up by woodland; oaks, hornbeams on the slopes and oak woods with a high acidity, besides monoculture plantations on the plateaus. In the Voeren district the atlantic flora merges into the central european. For plants which normally grow more to the south, the hillsides to the south in Voeren are the most northern growing place. On hardly or not fertilised hillsides which have been mowed extensively for years, a highly varied vegetation from arid chalky pastures develops. The importance of the fauna in the Voeren is closely linked to the diversity and pureness of the scenery. A major part of the Flemish badger population can be found in Voeren. The escargot depends on the chalk to build up its shell. Southern Limburg is the most northern area where it can be found. Existing regulations on open space or not the right tools to protect the Voeren area as a whole. The preservation of this landscape should be based on a global and binding management plan with a subsidy for all parties concerned. This plan should be conceived, carried out and followed up by a multidisciplinary official body. The recognition of the Voeren area as a regional landscape, would highly contribute to this.


GLAS IN LOOD ^

TECHNISCHE GEGEVENS Formaat: 21 x 29,7 cm Aantal pagina's: 144 Illustraties: 200 foto's, waarvan 180 in kleur Papier: houtvrij kunstdruk Job glanzend 135 gr. Afwerking: garengenaaid gebrocheerd Auteurs: Yvette Vanden Bemden, Joost Caen, Warner Berckmans, Anne Malliet, Lode Lambrechts Eindredaktie: Ann Bergmans, Marjan Buyle, Anne Malliet Produktie en vormgeving: Luc Tack Uitgegeven door Bestuur Monumenten en Landschappen Prijs: 995,- fr. Glas in lood m e t zijn spel v a n kleur en licht is een fascinerende k u n s t v o r m en een te weinig b e k e n d onderdeel van ons k u n s t p a t r i m o n i u m . Eeuwenlang gebruikt als versiering van kerken en kathedralen, heeft het vooral vanaf de Art Nouveau ook zijn weg n a a r h e t b u r g e r h u i s gevonden. Vertaald n a a r h e d e n d a a g s e vormen is het een k u n s t die n u nog steeds k a n boeien. Besteladres: Bestuur Monumenten en Landschappen Pers & Voorlichting Zandstraal 3 1000 Brussel Tel. (02) 209 27 37 - Fax (02) 209 27 05 Rekeningnummer: 091-2206040-95


RESTAURATIE VAN DE SINT-MARIAKERK IN SCHAARBEEK

N.V. VANDEKERCKHOVE mmm Herstelling monumenten en openbare werken

OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37

GROUP Tl

f


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook