Skip to main content

Natuurrapport_2007_cijfers_beleid.pdf

Page 1

Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid

2007

Natuurrapport


Colofon Redactie: Myriam Dumortier, Luc De Bruyn, Maarten Hens, Johan Peymen, Anik Schneiders, Toon Van Daele en Wouter Van Reeth Taalnazicht: Stein Pée Vormgeving: Nicole De Groof Druk: Corelio Printing Administratie: Anja De Braekeleer Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Kliniekstraat 25, B-1070 Brussel e-mail: nara@inbo.be website: www.inbo.be tel: 02-558.18.34 - fax: 02-558.18.05 Verantwoordelijke uitgever: Jurgen Tack Wijze van citeren: Algemeen: Dumortier M., De Bruyn L., Hens M., Peymen J., Schneiders A., Van Daele T. en Van Reeth W. (red.) 2007. Natuurrapport 2007. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek nr. 4, Brussel. Specifieke hoofdstukken: De Bruyn L. en Paelinckx D., 2007. Soorten van de Habitatrichtlijn. In: Dumortier M., De Bruyn L., Hens M., Peymen J., Schneiders A., Van Daele T. en Van Reeth W. (red.) 2007. Natuurrapport 2007. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek nr. 4, Brussel. pp. 38 - 55. ©2007, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Mits bronvermelding wordt overname van teksten toegelaten en zelfs aangemoedigd. D/2007/3241/281 ISBN 978-90-403-0271-8 NUR 924 INBO.M.2007.4 Gedrukt op 100% gerecycleerd papier, gemaakt uit postconsumer waste en chloorvrij gebleekt Foto’s voorpagina: staalname, Brakelbos, drijvende waterweegbree (Yves Adams / Vildaphoto), kinderen (Rollin Verlinde / Vildaphoto) Het Natuurrapport is beschikbaar op www.inbo.be, de Natuurindicatoren op www.natuurindicatoren.be


Natuurrapport

Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid

2007 Myriam Dumortier, Luc De Bruyn, Maarten Hens, Johan Peymen, Anik Schneiders, Toon Van Daele en Wouter Van Reeth (red.)

Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.M.2007.4

Overhandigd op 27 november 2007 aan Hilde Crevits, Vlaams Minister van Openbare werken, Leefmilieu, Natuur en Energie


2


Natuurrapport 2007 / Woord vooraf

Woord vooraf Dit is het eerste Natuurrapport dat door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) wordt geproduceerd, het intussen meer dan een jaar oude Vlaamse onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Het Natuurrapport 2007 illustreert het streven om de kwaliteit van de natuurrapportering voortdurend te verbeteren. Tegenover de vorige editie werden enkele belangrijke stappen gezet. Een bevraging bij de gebruikers gaf aan dat er nood was aan meer diepgaande analyses in functie van actuele beleidsthema’s. Dit Natuurrapport zet een eerste stap in die richting. In overleg met de gebruikers werd een beperkter aantal hoofdstukken geselecteerd en grondiger uitgewerkt. Ook werd de kwaliteitscontrole verhoogd. Elk hoofdstuk werd door minstens vijf beleidsspecialisten, door minstens vijf wetenschappelijke specialisten en door de relevante middenveldorganisaties nagelezen. Uit de enquête bleek ook dat bij het vorige Natuurrapport de samenhang tussen de hoofdstukken beter kon. Het was een belangrijk aandachtspunt bij de totstandkoming van dit rapport. Aan u om te oordelen of dat gelukt is. Maar de natuurraportering is al lang niet meer alleen het Natuurrapport. Wie een overzicht wil van de toestand van de natuur en het beleid hierover kan steeds de meest recente cijfers vinden op de website “Natuurindicatoren” – www.natuurindicatoren.be. De daarbij horende brochure Natuurindicatoren 2007 bevat de Vlaamse invulling van de Europese biodiversiteitsindicatoren en brengt daarmee meteen de belangrijkste natuurindicatoren samen. De brochure is ook in het Engels beschikbaar. Met deze editie doen we ook een speciale inspanning om de informatie uit het Natuurrapport bij een ruimer publiek te brengen. Daarvoor is er de brochure Natuur@Vlaanderen. Gestimuleerd door de kritische geest van de stuurgroep en in nauwe wisselwerking met het MIRA-team bij de Vlaamse Milieumaatschappij heeft het NARA-team weer een nieuwe mijlpaal geplaatst in de natuurrapportering. Tot slot willen we onze bijzondere erkenning uitdrukken aan ere-administrateur-generaal prof. dr. Eckhart Kuijken voor zijn jarenlange inzet voor de natuurrapportering in Vlaanderen.

Dr. Jurgen Tack

Prof. Dr. Patrick Meire

Administrateur-generaal

Voorzitter

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Stuurgroep Natuurrapport

3


Natuurrapport 2007 / Woord vooraf

Stuurgroep Natuurrapport Patrick Meire

Voorzitter

Carl De Schepper

Agentschap voor Natuur en Bos

Nico Verwimp

Agentschap voor Natuur en Bos

Jeroen Cockx

Departement Leefmilieu, Natuur en Energie

Dirk Van Gijseghem

Departement Landbouw en Visserij

Hilde Heyrman

Vlaamse Landmaatschappij

Koen Martens

Vlaamse Milieumaatschappij

Griet Verbeke

Dep. Leefmilieu, Natuur en Energie, afd. Internationaal Milieubeleid

Veerle Beyst

Studiedienst van de Vlaamse Regering

Bea Kayaerts

Milieu- en Natuurraad Vlaanderen

Annemie Bollen

Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen

Jos Gysels

Natuurpunt vzw

Marleen Van Steertegem

Vlaamse Milieumaatschappij, Milieurapport

Myriam Dumortier

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Natuurrapport

Dominique Aerts

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Jos Van Slycken

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Janine Van Vessem

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Jurgen Tack

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Els Martens

Internationale rapportering

Dirk Bogaert

Onafhankelijke deskundige

An Cliquet

Onafhankelijke deskundige

Paul Quataert

Onafhankelijke deskundige

Hans Van Dyck

Onafhankelijke deskundige

Rudi Verheyen

Onafhankelijke deskundige

4


Natuurrapport 2007 / Inhoud

Inhoud Hoofdlijnen

6

Natuurindicatoren in NARA 2007

12

Leeswijzer

15

Deel I Biodiversiteit 1

Soorten

25

2

Soorten van de Habitatrichtlijn

38

3

Habitats van de Habitatrichtlijn

56

Deel II Verstoringen 4

Vermesting

75

5

Klimaatverandering

96

6

Uitheemse soorten

109

Deel III Duurzaam gebruik 7

Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

127

8

Erkende natuurreservaten

145

9

Habitatrichtlijn

169

10 Vlaams Ecologisch Netwerk

185

11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

204

12 Bosbeheer

220

13 Landbouw

234

14 Samenwerking met lokale overheden

247

15 Focus: Zeeschelde

264

Synthese en aanbevelingen voor het beleid

284

Bijlagen Referenties

297

Begrippen

313

Afkortingen

324

Soorten

326

5


Natuurrapport 2007 / Hoofdlijnen

Hoofdlijnen Myriam Dumortier Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Biodiversiteit In de 20ste eeuw omvatte de natuurlijke biodiversiteit in Vlaanderen ongeveer 40.000 soorten wilde planten en dieren (eencelligen niet inbegrepen). Van 9 % van die soorten is de toestand gekend, het zijn doorgaans de grotere, meer opvallende soorten. Daarvan is 42 % momenteel niet bedreigd, is 21 % zeldzaam, gaat 3 % achteruit, staat 28 % op de Rode Lijst en is 7 % uit Vlaanderen verdwenen. De Rode Lijstsoorten dreigen op termijn uit Vlaanderen te verdwijnen indien geen gerichte maatregelen worden genomen. Zeer specifieke leefgebieden degraderen tot meer algemeen, meestal voedselrijk leefgebied en heel wat aan die leefgebieden gebonden zeldzame soorten nemen af (bv. libellen van voedselarme vennen). Zo bevindt slechts 4 % van de in Vlaanderen aanwezige habitats uit de bijlagen van de Habitatrichtlijn en 27 % van de in Vlaanderen levende Habitatrichtlijnsoorten zich in de door Europa beoogde gunstige staat van instandhouding. Ook soorten van het landbouwgebied blijven achteruitgaan (bv. veldleeuwerik). Dat verlies van biodiversiteit wordt enigszins gecompenseerd door de uitbreiding van warmteminnende soorten (bv. een aantal libellen) en door de capaciteit van enkele soorten om zich aan te passen (bv. steenmarter), maar ook door gerichte beschermingsmaatregelen (bv. vleermuizen). Anderzijds breiden een aantal algemene soorten (bv. ekster), inclusief enkele uitheemse soorten (bv. Canadese gans), zich verder uit. Door voorgaande trends vermindert de variatie in de natuur. Dat is de meest zichtbare dimensie van het verlies van biodiversiteit. De aan zoet water gebonden biodiversiteit is tijdens de voorbije eeuw het meest achteruitgegaan. Precies daar is het laatste decennium het duidelijkste herstel zichtbaar. In Vlaanderen reageren een aantal soorten positief op de evolutie van zeer slechte naar slechte tot matige waterkwaliteit (bv. libellen, watervogels, vissen). De locaties met een zeer goede waterkwaliteit blijven evenwel moeilijk te beschermen of uit te breiden (door bv. fosfaatdruk op voedselarme beken) en het risico op verdere achteruitgang van de meest kwetsbare waterhabitats en -soorten blijft daardoor groot (bv. drijvend waterweegbree, zie voorpagina).

Verstoringen van de biodiversiteit De belangrijkste oorzaken van het huidig verlies van biodiversiteit in Vlaanderen zijn enerzijds verlies en versnippering van leefgebieden en anderzijds vermesting.

6


Natuurrapport 2007 / Hoofdlijnen

! Tussen 1994 en 2006 nam de bebouwde oppervlakte in Vlaanderen met 39.800 ha toe (2,9 % van

de Vlaamse landoppervlakte), vooral ten koste van de landbouw. De voorbije decennia evolueerde de Vlaamse landbouwoppervlakte tot de meest productieve, maar ook de meest natuur arme van Europa. Door de verstedelijking en de intensivering van de landbouw raken de leefgebieden van planten en dieren steeds meer geĂŻsoleerd. Om die verstoring in te perken voorzien het Vlaamse ruimtelijke beleid en het natuurbeleid 125.000 ha (9,2 % van de Vlaamse landoppervlakte) Vlaams Ecologisch Netwerk, met daarnaast natuurverwevings- en natuurverbindingsgebieden. Meer dan drie jaar na het streefjaar in het Natuurdecreet (2003) en enkele maanden voor het eind van het streefjaar in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (2007) zijn 70 % van het Vlaams Ecologisch Netwerk en slechts 0,7 % van het natuurverwevingsgebied afgebakend. De afbakening loopt achter op schema en tussen 2003 en 2007 is er nauwelijks nog vooruitgang geboekt. ! De emissie van stikstof en fosfor naar het natuurlijke milieu behoort in Vlaanderen tot de

hoogste van Europa. Dankzij de beleidsinspanningen is de vermestingsdruk in Vlaanderen aan het afnemen. Op dit ogenblik is in 8 % van de oppervlakte kwetsbare natuur de stikstofdepositie voldoende gedaald om geen bijkomende schade meer te berokkenen aan die natuur en is het aan deel van de meetpunten dat de door Europa gevraagde goede ecologische kwaliteit bereikt, gestegen tot 25 %. Verontrustend is dat zowel voor de stikstofdepositie als voor de waterkwaliteit de gunstige evolutie de laatste jaren weer afvlakte. De verbeterde waterkwaliteit leidt alvast tot herstel van vis-, libellen- en watervogelpopulaties. Het gevoerde beleid ten aanzien van versnippering van leefgebieden en vermesting levert resultaten, maar die zijn ontoereikend om het tijdig halen van de Vlaamse (Natuurdecreet, MINA-plan, Ruimtelijk Structuurplan) en Europese doelen (Kaderrichtlijn Water, Habitatrichtlijn, 2010-doelstelling) toe te laten.

Bijkomende bedreigingen voor de biodiversiteit Alle beschikbare gegevens wijzen erop dat gedurende de volgende decennia klimaatverandering en invasies van uitheemse soorten een ernstige bijkomende bedreiging zullen vormen voor de biodiversiteit. ! Dit Natuurrapport brengt nieuwe aanwijzingen voor de actuele impact van klimaatverandering op

de natuur in Vlaanderen. Sommige soorten reageren positief op klimaatverandering. Zo is tijdens de voorbije 20 jaar de vliegperiode van vlinders en libellen gemiddeld met twee weken verlengd. Hoe meer de vliegperiode verlengt, hoe meer die soorten zich uitbreiden. Andere soorten die zich minder of niet aanpassen lopen het risico achteruit te gaan. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de pad, waar de vrouwtjes o.a. door onvoldoende winterslaap een minder goede conditie hebben en minder eieren leggen. Doordat sommige soorten zich meer en andere zich minder aanpassen dreigen bovendien wijzigingen in de voedselketen en verlies van ecologische samenhang. Zo mist de bonte vliegenvanger zijn voornaamste voedselbron doordat de lente hier nu verder gevorderd is wanneer hij uit Afrika terugkomt. Het ‘International Panel on Climate Change’ schat dat zelfs met

7


Natuurrapport 2007 / Hoofdlijnen

een snelle transitie naar een ‘lagekoolstofeconomie’ de temperatuur wereldwijd gemiddeld met 1,5-2,5 °C boven het pre-industriële niveau zal stijgen. Daarbij dreigt op wereldschaal een verhoogd risico op uitsterven voor 20-30 % van de onderzochte soorten, alsook een significante verandering van de structuur en het functioneren van de natuur. ! Door de toenemende mobiliteit van mensen en goederen worden – al dan niet bewust – steeds

meer planten en dieren in- en uitgevoerd. De laatste vijf jaar nam het aantal uitheemse soorten in de natuur in Vlaanderen toe met meer dan 25 nieuwe soorten per jaar. Sommige uitheemse soorten breiden zich sterk uit (bv. Amerikaanse vogelkers) en kunnen inheemse soorten verdringen en leefgebieden veranderen. Indien onvoldoende wordt ingegrepen, lopen de bestrijdingskosten hoog op. Het Vlaamse beleid ten aanzien van die invasieve soorten verloopt weinig gestructureerd. De oorzaken van het huidige verlies van biodiversiteit zijn nog niet onder controle en bijkomende negatieve invloeden van klimaatverandering en van de instroom van uitheemse soorten blijken onafwendbaar. Zij vinden plaats op een groter schaalniveau en zijn moeilijker beheersbaar dan de huidige verstoringen. In deze omstandigheden wordt het moeilijk om de internationale natuurdoelen te halen (2010-doelstelling, Habitatrichtlijn).

Europese Habitatrichtlijn Het verlies van biodiversiteit is een internationaal probleem. Europese richtlijnen met betrekking tot natuur, water en milieu werken sturend op het beleid van de lidstaten. In 2007 moesten alle lidstaten aan Europa rapporteren over de voortgang ten opzichte van de Habitatrichtlijn. Dit Natuurrapport schenkt bijzondere aandacht aan de uitvoering van de Habitatrichtlijn in Vlaanderen. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van een aantal soorten en habitats die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een centrale rol vervult. Voor de bescherming van die soorten en habitats worden onder meer Habitatrichtlijngebieden afgebakend. Met zijn 7,5 % Habitatrichtlijngebied scoort Vlaanderen zwak in vergelijking met het Europees gemiddelde, maar goed in vergelijking met de omliggende economische topregio’s. Dankzij de richtlijn moeten ontwikkelingen in en om de Habitatrichtlijngebieden (bv. infrastructuurwerken) rekening houden met de instandhouding van die soorten en habitats. Voor de instandhouding van de soorten en habitats waarop de Habitatrichtlijn focust, is meestal een gericht beheer nodig. Op ongeveer een derde van de bijna 102.000 ha Habitatrichtlijngebied wordt het beheer financieel ondersteund door de overheid (natuurgebied, uitgebreid bosbeheerplan, beheerovereenkomst). Dat is een merkelijk lager aandeel dan andere EU-landen. Een vijfde van het Habitatrichtlijngebied is in landbouwgebruik en daar is op iets minder dan een derde van de oppervlakte een natuurgerichte bemestingsbeperking van toepassing. Deze instrumenten zijn generiek van aard en richten zich niet specifiek op de soorten en habitats uit de richtlijn. Voor 25 % van de Bijlage

8


Natuurrapport 2007 / Hoofdlijnen

IV-soorten met een leefgebied in Vlaanderen zijn er soortbeschermingsmaatregelen in uitvoering. De uitvoering van maatregelen voor de instandhouding van de soorten en habitats uit de Habitatrichtlijn loopt achter op de afbakening. Vlaanderen heeft moeite om de soorten en habitats uit de bijlagen van de Habitatrichtlijn in de door Europa beoogde gunstige toestand te krijgen. Zelfs met de sterke juridische bescherming die de richtlijn biedt, is het zonder bijkomende inspanningen vanuit het ruimtelijke beleid, het milieu-, klimaat- en landbouwbeleid niet mogelijk om dit doel te realiseren.

Instrumenten van het Vlaams natuur- en bosbeleid Het Vlaamse beleid zet voor de instandhouding van de biodiversiteit en het duurzame gebruik van de natuur een veelheid aan instrumenten in. De inzet van veel instrumenten evolueert positief: de oppervlakte natuurgebied stijgt, het aantal beheerovereenkomsten met landbouwers neemt toe, private bosbeheerders besteden, gestimuleerd door de bosgroepen, steeds meer aandacht aan de ecologische functie van hun bos en via de samenwerkingsovereenkomst en de regionale landschappen stijgt het aantal lokale initiatieven inzake natuur. Sommige oppervlaktedoelen uit het MINA-plan 3 worden wel (bv. beheerovereenkomsten voor kleine landschapselementen) en andere niet (bv. ‘oppervlakte met effectief natuurbeheer’, beheerovereenkomsten botanisch beheer) tijdig bereikt. Hoewel er steeds meer natuurreservaten erkend worden, is er een afname van de gesubsidieerde aankoop van terreinen, wat bijdraagt aan het niet tijdig halen van de doelstelling inzake ‘oppervlakte met effectief natuurbeheer’. De openstelling van erkende natuurreservaten is sinds 2000 met 70 % toegenomen. Dankzij deze instrumenten verhoogt de participatie in het stoppen van het verlies van biodiversiteit en het streven naar een duurzaam gebruik van de natuur. Overheden en natuurverenigingen leggen zich vooral toe op natuurgebieden, waar getracht wordt optimale omstandigheden te creëren voor de meest bedreigde soorten. Landbouwers, bosbeheerders, jagers, lokale overheden en regionale landschappen richten zich vooral op de natuur buiten de natuurgebieden. De waterbeheerders houden zich bezig met de watergebonden natuur. Deze diverse benaderingen zijn veelal complementair en kunnen – indien ze samenhangend worden ingezet – elkaar versterken. Om het natuur- en bosbeleid te kunnen optimaliseren voorziet de beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2004-2009 een objectieve evaluatie van de ingezette instrumenten. De beleidsnota stelt dat daartoe kan worden aangesloten op onder andere het Natuurrapport. Een dergelijke evaluatie dient zowel de efficiëntie, de effectiviteit als de billijkheid in beschouwing te nemen. De analyse van de beschikbaarheid van gegevens leverde knelpunten inzake (1) inzicht in de relatie tussen de begrotingsuitgaven en de toepassing van de instrumenten (evaluatie van de efficiëntie ), (2) de nog onvolledige digitale databeschikbaarheid inzake de inzet van de beleidsinstrumenten, (3) het gebrek aan stroomlijning en de ontoereikendheid van de monitoring van effecten van de diverse instrumenten en (4) de afwezigheid van gegevens inzake billijkheid. Daardoor beperkt de evaluatie van de instrumentenmix in dit

9


Natuurrapport 2007 / Hoofdlijnen

Natuurrapport zich noodgedwongen tot een evaluatie van het bereiken van natuurstreefbeelden in 1660 ha voldoende gedocumenteerd erkend natuurreservaat. Die waren tegen eind 2006 voor 88 % van de oppervlakte gerealiseerd. Ook op internationaal niveau stelt zich de problematiek dat de effectiviteit van natuurbehoudsinstrumenten veel minder gedocumenteerd is dan de effectiviteit van andere beleidsinstrumenten. Daardoor worden ze gemakkelijk vatbaar voor kritiek en missen ze kansen voor optimalisatie.

Aanbevelingen voor het beleid Om in de huidige omstandigheden de internationale doelen inzake natuur te halen (bv. 2010-doelstelling, Habitatrichtlijn) is het van belang de bronnen van de verschillende verstoringen nog grondiger aan te pakken (ruimtegebruik, emissies van vermestende stoffen en van broeikasgassen, in- en uitvoer van soorten). Bovendien is het belangrijk voldoende grote natuurgebieden zorgvuldig te beheren alsook daarbuiten een basisnatuurkwaliteit te garanderen. Dit laatste dient onder andere om – waar mogelijk – verschuivingen van populaties toe te laten wanneer leefgebieden ongeschikt worden. In die context is een snelle en kwaliteitsvolle uitvoering van volgende acties prioritair: ! Het Vlaamse natuur- en bosbeleid dient, in functie van de algemene internationale doelen,

concrete Vlaamse én gebiedsgerichte natuurdoelen vast te leggen, naar analogie en in afstemming met de instandhoudingsdoelen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijnen. De natuurrichtplannen vervullen daarbij een sleutelrol. Ook de recreatieve en economische doelen van natuur- en bosgebieden dienen te worden geëxpliciteerd. Die moeten uitgaan van maat schappelijke behoeften en draagkracht van de natuur. Duidelijke doelstellingen zijn van belang om (1) de instrumenten samenhangend en doelgericht in te zetten, (2) ook andere beleidsdomeinen meer natuurgerichte inspanningen te laten leveren, (3) multifunctioneel gebruik van het landschap te optimaliseren en (4) meer duidelijkheid en zekerheid te geven aan alle betrokkenen bij de open ruimte. ! In functie van die doelen dienen ruimte-, natuur-, bos-, water- en landbouwbeleid het Vlaams

Ecologisch Netwerk, met de natuurverwevings- en natuurverbindingsgebieden, optimaal te realiseren. Een nauwe samenhang met de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden is daarbij van belang. ! In functie van die doelen dient het milieubeleid de stikstof- en fosforemissies verder te

reduceren. Voor sommige natuurdoelen is de doelafstand zo groot dat gebiedsgerichte maatregelen nodig zijn om de stromen van stikstof en fosfor (bij) te sturen. ! Het natuur- en het waterbeleid dienen de instroom en de verdere uitbreiding van uitheemse

soorten meer gestructureerd aan te pakken. Aanvullend op een preventief beleid is een permanente opvolging en beheersing van risicosoorten nodig. ! Op internationaal niveau is een sterk klimaatbeleid essentieel om kans te maken om het verlies

10


Natuurrapport 2007 / Hoofdlijnen

van biodiversiteit te stoppen. ! De inzet en de effecten van de instrumenten dienen op gestandaardiseerde wijze te worden

opgevolgd en geĂŤvalueerd. Dat is essentieel om, via een permanente bijsturing van de instrumentenmix, de gestelde doelen op kosteneffectieve wijze na te streven.

11


Natuurrapport 2007 / Natuurindicatoren

Natuurindicatoren in NARA 2007 Beoordeling indicatoren (zie ook pag. 16) Positieve evolutie met doelstelling binnen bereik of bereikt Nog onduidelijke of beperkt positieve evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te halen Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling Toestand en/of trend niet te beoordelen (geen tijdreeks en/of geen doelstelling)

Hoofdstuk 1 I

Europese algemene broedvogelindex - landbouwgebieden

I

Europese algemene broedvogelindex - bosgebieden

I

Europese algemene broedvogelindex - andere algemene broedvogels

I

Europese vlinderindex (graslanden)

I

Overwinterende watervogelindex

I

Status van soorten

R

Aantal soortbeschermingsplannen

Hoofdstuk 2 I

De staat van instandhouding van de soorten van Europees belang

Hoofdstuk 3 I

De staat van instandhouding van de habitats van Europees belang

Hoofdstuk 4 S

Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie

S

Fosforconcentraties in rivieren

Hoofdstuk 5 I

Piekmoment stuifmeelproductie bij berk

Hoofdstuk 6 I

Aantal uitheemse soorten

I

Aantaltrends uitheemse vogels

I

Aantaltrends uitheemse zoogdieren

I

Aantaltrends uitheemse vissen

12


Natuurrapport 2007 / Natuurindicatoren

Hoofdstuk 7 R

Oppervlakte met effectief natuurbeheer (MINA-plan 3)

Hoofdstuk 8 R

Subsidies aan erkende natuurverenigingen en verwerving van natuurgebieden (MINA-plan 3)

R

Subsidies aan erkende natuurreservaten

R

Oppervlakte natuurgebied in eigendom of huur van natuurverenigingen

R

Oppervlakte natuurreservaat

I

Doelbereiking natuurstreefbeeld in erkende natuurreservaten

I

Biologische waarde van erkende natuurreservaten

Hoofdstuk 9 R

Oppervlakte Natura 2000

R

Oppervlakte Habitatrichtlijngebied in Vlaanderen en economische topregio’s

R

Bescherming van habitats en soorten van Europees belang

R

Bijdrage van Vlaams natuur- en bosbeleid aan de uitvoering van de Habitatrichtlijn

Hoofdstuk 10 R

Oppervlakte afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk (MINA-plan 3)

R

Oppervlakte afgebakend natuurverwevingsgebied (MINA-plan 3)

R

Oppervlakte extra planologisch groengebied (MINA-plan 3)

R

Afbakening natuurverbindingsgebieden

R

Oppervlakte opgestarte natuurrichtplannen

R

Aangeboden en aangekochte oppervlakte via recht van voorkoop

R

Ontsnippering van het planologisch groengebied

Hoofdstuk 11 D

Bezoeken aan natuur- en bosgebieden

R

Subsidies (oppervlakte) speelzones in natuurreservaten en bossen

R

Gesubsidieerde openstelling van erkende natuurreservaten

Hoofdstuk 12 S

Houtoogst

R

Oppervlakte bosbeheerplan

Hoofdstuk 13 S

Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden

R

Beheerovereenkomsten weidevogelbeheer

R

Beheerovereenkomsten botanisch beheer + natuur

R

Beheerovereenkomsten kleine landschapselementen

R

Beheerovereenkomsten perceelrandenbeheer

13


Natuurrapport 2007 / Natuurindicatoren

Hoofdstuk 14 R

Ondertekeningsgraad samenwerkingsovereenkomst

R

Aantal gemeenten die de cluster natuurlijke entiteiten ondertekenen

R

Goedgekeurde natuurprojecten in gemeenten en provincies (MINA-plan 3)

R

Aanvragen voor duurzaamheidsambtenaar

R

Uitvoering van samenwerkingsovereenkomst via Tandem

R

Opgerichte en erkende regionale landschappen

Hoofdstuk 15 D

Oppervlakte slik en schor in de Zeeschelde

S

Waterkwaliteit van de Zeeschelde

I

Visindex in de Beneden-Zeeschelde

I

Watervogels in de Zeeschelde

14


Natuurrapport 2007 / Leeswijzer

Leeswijzer Myriam Dumortier Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek heeft sinds 1997 de decretale opdracht om de toestand van de natuur in Vlaanderen en het beleid terzake te evalueren . Dat gebeurt sinds 1999 via het tweejaarlijkse Natuurrapport (NARA) en sinds 2005 eveneens via de website Natuurindicatoren. De natuurrapportering heeft tot doel het beleid wetenschappelijk te ondersteunen. De blauwdruk voor het Natuurrapport 2007 kwam tot stand in overleg met een groot aantal betrokkenen bij het natuur- en bosbeleid in Vlaanderen. Alle hoofdstukken kregen een grondig nazicht door minstens vijf beleidsactoren en minstens vijf wetenschappers, alsook door de relevante maatschappelijke actoren. Met dit interactieve proces wordt ernaar gestreefd de vele verwachtingen ten aanzien van het Natuurrapport optimaal in te vullen en een hoge kwaliteit te garanderen. In tegenstelling tot de vorige natuurrapporten geeft NARA 2007 geen volledige stand van zaken weer. De website Natuurindicatoren heeft die rol overgenomen. Het NARA 2007 zoomt in op een selectie van indicatoren, die het meer diepgaand analyseert. Die selectie werd bepaald door de Europese 2010-doelstelling, de Europese Habitatrichtlijn, de vraagstellingen in het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 [230] en de Beleidsnota Leefmilieu, Natuur en Energie 2004-2009 [227] en de decretale opdracht inzake het Natuurrapport.

01 Structuur van dit Natuurrapport Het Natuurrapport 2007 is opgebouwd uit drie delen (figuur 1). Het rapport eindigt met een synthese en aanbevelingen voor het beleid. Deel I Biodiversiteit 1 Soorten 2 Soorten van de Habitatrichtlijn 3 Habitats van de Habitatrichtlijn

Figuur 1: Structuur van het Natuurrapport 2007.

Deel II Verstoringen 4 Vermesting 5 Klimaatverandering 6 Uitheemse soorten

Deel III Biodiversiteit 7 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen 8 Erkende natuurreservaten 9 Habitatrichtlijn 10 Vlaams Ecologisch Netwerk 11 Recreatie in natuur- en bosgebieden 12 Bosbeheer 13 Landbouw 14 Samenwerking met lokale overheden 15 Focus: Zeeschelde 16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

15


Natuurrapport 2007 / Leeswijzer

Website Natuurindicatoren Honderdvijftig natuurindicatoren houden de vinger aan de pols van de toestand van de natuur en het beleid terzake. Ze werden geselecteerd op basis van hun validiteit (correctheid), hun legitimiteit (aanvaarding door de belanghebbenden) en hun functionaliteit (om het beleid vooruit te helpen). Ze worden regelmatig geactualiseerd op www.natuurindicatoren.be. Elke indicator wordt - voor zover mogelijk - beoordeeld. Voorwaarde om een indicator te kunnen beoordelen is dat er minstens twee meetpunten en een doelstelling zijn. De doelstelling is afgeleid uit de Europese 2010-doelstelling, de Europese richtlijnen en/of de Vlaamse milieuregelgeving en milieubeleidsplanning. De smiley geeft aan in welke mate de ontwikkelingen in de richting van de doelstelling lopen. Positieve evolutie met doelstelling binnen bereik of bereikt Nog onduidelijke of beperkt positieve evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te halen Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling Toestand en/of trend niet te beoordelen (geen tijdreeks en/of geen doelstelling) De indicatoren zijn geordend volgens het DPSIR-kader. ! D (‘driving forces’): Via diverse activiteiten als industrie, landbouw, transport en recreatie beïnvloedt de mens het milieu en de natuur. Ook algemene maatschappelijke factoren zoals demografie, economische groei en natuurlijke fenomenen hebben rechtstreeks of onrechtstreeks invloed op de natuur. ! P (‘pressure’): Druk op milieu en natuur doet zich voor onder verschillende vormen, zoals uitstoot van vermestende stoffen, onttrekking van water aan de bodem of bebouwing van open ruimte. ! S (‘state’): Door de druk op milieu verandert ook de toestand van het milieu. Met ‘milieu’ wordt vooral verwezen naar de compartimenten bodem, lucht en water. ! I (‘impact’): De toestand van het milieu bepaalt ten slotte in belangrijke mate welke natuur er mogelijk is. ! R (‘response’): Het milieu- en natuurbeleid is de respons van de overheid om ongewenste ontwikkelingen van milieu en natuur te keren.

Deel I - Biodiversiteit Biodiversiteit staat voor het aantal en de variatie van levende organismen. Dat omvat zowel genetische diversiteit, diversiteit aan soorten als diversiteit aan ecosystemen [260]. NARA 2007 - deel I geeft een overzicht van de toestand van de soorten in Vlaanderen (hoofdstuk 1) en focust verder op de soorten en habitats uit de Bijlagen van de Habitatrichtlijn (hoofdstukken 2 en 3). In deze hoofdstukken komt het beleid aan bod dat specifiek op die soorten en habitats is gericht.

16


Natuurrapport 2007 / Leeswijzer

Deel II - Verstoringen De biodiversiteit gaat wereldwijd achteruit door verstoringen zoals veranderend landgebruik, klimaatwijziging, invasieve soorten, overexploitatie en verontreiniging [134]. NARA 2007 – deel II focust op verontreiniging (meer bepaald op vermesting, gezien de ernst van dit probleem in Vlaanderen, hoofdstuk 4), op klimaatwijziging (hoofdstuk 5) en op uitheemse soorten (hoofdstuk 6). Het landgebruik en de exploitatie van de natuur komen aan bod in deel III, als onderdeel van het streven naar een duurzaam gebruik van de natuur. In deel II komt het beleid aan bod dat in functie van natuur op die verstoringen is gericht.

Deel III – Duurzaam gebruik Duurzaam gebruik staat voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen in die mate dat aan de behoeften van de huidige generaties wordt voldaan zonder die van de toekomstige generaties te hypothekeren [27]. NARA 2007- deel III vangt aan met een overzicht en een bespreking van recente beleidsontwikkelingen (hoofdstuk 7). Verder behandelt het enerzijds de natuurreservaten (hoofdstuk 8) en ecologische netwerken (hoofdstukken 9 en 10) en anderzijds de natuurkwaliteit en de aandacht voor natuur in de open ruimte (hoofdstukken 12 en 13). Het multifunctionele gebruik van de natuur komt vooral aan bod in hoofdstukken 11 en 12. De samenwerking met lokale overheden inzake natuur wordt besproken in hoofdstuk 14. De ingezette beleidsinstrumenten vertonen heel wat onderlinge raakvlakken. In het focushoofdstuk over de Zeeschelde worden de visievorming, de planning en de bescherming in één gebied nader bekeken.

Synthese en aanbevelingen voor het beleid Dit Natuurrapport eindigt met een synthesehoofdstuk dat de belangrijkste bevindingen uit de verschillende hoofdstukken van het rapport samenbrengt, ze in een bredere en in een internationale context plaatst en tot aanbevelingen voor het beleid komt. Waar nodig wordt aanvullende informatie gebruikt van de website Natuurindicatoren en uit literatuurbronnen.

02 Belangrijke thema’s in dit Natuurrapport Europese 2010-doelstelling In 2001 engageerde de Europese Unie zich om op haar grondgebied het verlies van biodiversiteit tegen 2010 te stoppen. In 2003 werd de doelstelling op pan-Europees niveau aanvaard. In mei 2006 herhaalde de Europese Unie het engagement [77]. In Vlaanderen staat ze ingeschreven in het MINA-plan 3. Op de wereldmilieutop van de Verenigde Naties in Johannesburg in 2002 (Rio +10) spraken de deelnemende landen af om het verlies van biodiversiteit wereldwijd tegen 2010 significant te verminderen.

17


Natuurrapport 2007 / Leeswijzer

Tabel 1: Europese kernindicatoren en hun Vlaamse invulling.

Focusgebieden (Europese variant)

Europese kernindicatoren

Natuurindicatoren

Status en trends van de componenten van de biodiversiteit

1. Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten

Europese algemene broedvogelindex

1

Europese vlinderindex (grasland)

1

Overwinterendewatervogelindex

1

2. Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten

Status van soorten

1

Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang

2

3. Trend in de oppervlakte van een selectie ecosystemen en habitats

Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang

3

4. Oppervlakte beschermde gebieden

Oppervlakte met effectief natuurbeheer

8

Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebieden

10

Oppervlakte natuurrichtplannen

10

Oppervlakte Natura 2000

9

Bijdrage van het Vlaamse natuur- en bosbeleid aan de uitvoering van de Habitatrichtlijn

9

Bedreigingen van de biodiversiteit

Ecosysteemintegriteit en -functies

Duurzaam beheer

18

Hoofdstuk

5. Trend in genetische diversiteit van gecultiveerde en gedomesticeerde soorten met met socio-economisch belang

In ontwikkeling

6. Stikstofdepositie

Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie

4

7. Aantal en kosten van invasieve exoten

Aantal uitheemse soorten

6

8. Impact van klimaatverandering op de biodiversiteit

Vliegactiviteit dagvlinders

5

Vliegactiviteit libellen

5

Piekmoment stuifmeelproductie bij berk

5

9. Waterkwaliteit in oppervlaktewateren

Fosforconcentraties in rivieren

4

10. Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen

Gesaneerde vismigratieknelpunten

11. Mariene trofische index

In ontwikkeling

12. Oppervlakte bos- lanbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer

Oppervlakte bosbeheerplan

12

Stikstofoverschot op cultuurbodems

13

-

Website Natuurindicatoren


Natuurrapport 2007 / Leeswijzer

Focusgebieden (Europese variant)

Europese kernindicatoren

Natuurindicatoren

Hoofdstuk

Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden

13

Beheerovereenkomsten met natuurdoelen

13

13. Ecologische voetafdruk

Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen

MIRA

Status van middelentransfers en -uitgaven

14. Fondsen voor biodiversiteit

In ontwikkeling

Status van toegang tot en verdeling van de baten van genetische diversiteit

15. Patenten (nog te ontwikkelen)

Bezoeken aan natuur- en bosgebieden

11

Maatschappelijk draagvlak

16. Maatschappelijke houding en participatie (nog in ontwikkeling)

Ledenaantallen van natuurverenigingen

Website Natuurindicatoren

-

In 2004 startte SEBI 2010 (‘Streamlining European Biodiversity Indicators’) [262]. SEBI 2010 ontwikkelt, volgt en verbetert 16 kernindicatoren (‘headline indicators’), in functie van de focusgebieden van de Biodiversiteitsconventie, om de voortgang ten opzichte van de 2010-doelstelling bekend te maken. Dit NARA brengt nieuwe cijfers over de toestand in Vlaanderen (tabel 1). Ze worden samengevat in de brochure Natuurindicatoren 2007.

Europese Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn vormt een van de belangrijkste Europese bijdragen aan het beleid inzake de 2010-doelstelling. De Habitatrichtlijn vraagt de lidstaten om zesjaarlijks te rapporteren over de genomen maatregelen, de impact ervan en de staat van instandhouding van alle voorkomende habitats en soorten uit bijlagen I, II, IV en V van de richtlijn. In 2007 dienden de lidstaten voor de eerste keer over de staat van instandhouding te rapporteren. In 2008 integreert de Europese Commissie die gegevens in een Europees rapport. Dit Natuurrapport bevat de Vlaamse invulling van de rapportering aan Europa (hoofdstukken 2 en 3) en maakt alvast een eerste balans voor Vlaanderen op (hoofdstuk 9). Ook in andere hoofdstukken wordt waar relevant de link gelegd met de Habitatrichtlijn.

Objectieve evaluatie instrumenten natuur- en bosbeleid Het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 en de Beleidsnota Leefmilieu, Natuur en Energie 2004-2009 wensen de mix aan instrumenten (aankoop, subsidiëring aankoop, beheerovereenkomsten met resultaatverbintenissen, grondruil, …) en budgetten te optimaliseren aan de hand van een objectieve evaluatie. De

19


Natuurrapport 2007 / Leeswijzer

beleidsnota verwijst daarvoor onder andere naar het Natuurrapport. Bij de voorbereiding van dit Natuurrapport werd nagegaan wat op programmaniveau (schaal Vlaanderen) haalbaar is om die evaluatie te onderbouwen [204]. Daarvoor werden de beschikbare gegevens inzake tien gebiedsgerichte instrumenten uit het natuur- en bosbeleid gescreend (Vlaamse natuurreservaten erkende natuurreservaten, aangewezen bosreservaten, erkende bosreservaten, militaire domeinen met natuurprotocol, andere natuurgebieden van het Agentschap voor Natuur en Bos, andere natuurgebieden van terreinbeherende verenigingen, bossen met uitgebreid bosbeheerplan, bossen met beperkt bosbeheerplan en beheerovereenkomsten). Er werd gekeken naar evalueerbaarheid inzake doelbereiking, effectiviteit en kosteneffectiviteit. Het resultaat van die oefening komt aan bod in hoofdstuk 7. Enkel voor de erkende natuurreservaten bleken er data beschikbaar die een beperkte evaluatie van de doelbereiking op programmaniveau mogelijk maken (hoofdstuk 8).

Internationale benchmarking Het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 wenst dat Vlaanderen tegen 2010 op vlak van biodiversiteit de vergelijking met andere economische topregio’s moeiteloos kan doorstaan. In afwachting van consensus binnen het beleidsdomein inzake de te vergelijken regio’s wordt in dit Natuurrapport een vergelijking gemaakt met België en met een aantal ons omringende landen (o.a. Nederland, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Verenigd Koninkrijk en Denemarken). Waar een regiovergelijking relevanter én mogelijk is, wordt met een aantal vergelijkbare en/of ons omringende regio’s vergeleken (bv. Nordrhein-Westfalen, South East England, Wallonië). Die vergelijkingen worden gemaakt voor de Europese kernindicatoren (zie hierboven) waarvoor afgestemde Vlaamse en internationale gegevens beschikbaar zijn.

Recreatie in natuur- en bosgebieden Het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 voorziet een beleid gericht op grotere toegankelijkheid voor iedereen, met onder andere de aanleg van meer stadsbossen en speelbossen. De Beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2004-2009 wil bestaande bossen, natuur- en groengebieden beter valoriseren voor wat hun recreatieve mogelijkheden aangaat. In dat kader bevat dit Natuurrapport voor de eerste keer een evaluatie van recreatie in natuur- en bosgebieden (hoofdstuk 11).

Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurrichtplannen Het Natuurdecreet vraagt expliciet te rapporteren over de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk, de natuurverbindings- en natuurverwevingsgebieden en de voortgang van de natuurrichtplannen. Dat gebeurt in het kader van de toetsing van de resultaten van het gevoerde beleid aan de in de milieuregelgeving of -planning vastgestelde beleidsdoelstellingen. Hoofdstuk 10 evalueert die stand van zaken.

20


Natuurrapport 2007 / Leeswijzer

03 Samenhang met andere processen MINA-planning Het Natuurrapport biedt wetenschappelijke ondersteuning voor het Vlaamse beleid inzake natuur. Het wordt zo goed mogelijk afgestemd op de noden van de MINA-planning. De indicatoren uit het MINA-plan 3 zijn raadpleegbaar via een afzonderlijke zoekingang in de website Natuurindicatoren.

Milieurapportering (MIRA) In 2007 brengen zowel MIRA als NARA een rapport uit met nieuwe gegevens over een selectie beleidsrelevante thema’s. MIRA-T 2007 bevat ook een hoofdstuk met de meest relevante bevindingen uit dit NARA. Beide rapporteringen beschikken over een regelmatig geactualiseerde website met indicatoren, die onderling gelinkt zijn. In 2009 plannen beide rapporteringen een scenariorapport, ter voorbereiding van het MINA-plan 4.

Andere Vlaamse rapporteringen Elk jaar stromen vanuit MIRA en NARA gegevens door naar de luiken milieu en natuur van de Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) en naar het Pact van Vilvoorde.

Internationale rapporteringen De natuurrapportering houdt rekening met verplichte en niet-verplichte internationale rapporteringen. NARA 2007 is afgestemd met de rapportering naar de Europese Habitatrichtlijn (zie hoger). Er is uitgebreide interactie tussen de ontwikkeling van de Vlaamse natuurindicatoren en de Europese biodiversiteitsindicatoren (SEBI, zie hoger). In 2006 werd voor de OESO-review van het Belgische milieubeleid uitgebreid gebruik gemaakt van MIRA en NARA [148].

21


Foto: Gevlekte witsnuitlibel op Krabbenscheer (Yves Adams/Vildaphoto)


Deel I


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Overzicht soorten

#01

24


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

Soorten Luc De Bruyn, Anny Anselin, Johan Coeck, Geert De Knijf, Koen Devos, Olivier Dochy, Dirk Maes, Glenn Vermeersch Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! Broedvogels van het landbouwgebied gingen achteruit tussen 1990 en 2000-

2002, broedvogels van bossen en andere algemene broedvogels gingen vooruit. ! De vlinders van graslanden staan in 2004 gemiddeld terug op het niveau van 1992,

maar er is een sterk verschil tussen de soorten. ! De toestand van de overwinterende watervogels is verbeterd tussen 1991-1992

en 2005-2006, in vergelijking nog meer dan in de rest van Noordwest-Europa. Het natuur- en milieubeleid heeft daarbij een rol gespeeld. ! Het merendeel van de libellensoorten gaat vooruit tussen de perioden 1980-1989

en 1995-2004. Vooral soorten van voedselrijke wateren gingen vooruit, die van voedselarme vennen en plassen eerder achteruit. ! De efficiĂŤntie van het soortenbeleid kan verhogen door criteria te ontwikkelen om

prioritaire soorten te selecteren en door richtlijnen op te stellen voor de opmaak van soortbeschermingsplannen.

I

Europese algemene broedvogelindex - landbouwgebieden

I

Europese algemene broedvogelindex - bosgebieden

I

Europese algemene broedvogelindex - andere algemene broedvogels

I

Europese vlinderindex (graslanden)

I

Overwinterende watervogelindex

I

Status van soorten

R

Aantal soortbeschermingsplannen

25


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Overzicht soorten

Op pan-Europees niveau werd overeengekomen om tegen 2010 het verlies biodiversiteit te stoppen. Het Vlaamse regeerakkoord (2004-2009) [229] pleit eveneens voor het behoud, het herstel en de versterking van de biologische diversiteit. Om het verlies van biodiversiteit te stoppen tegen 2010 moeten alle soorten stabiel blijven of een positieve trend vertonen. Om dat op te meten werd in 2004 een Europees initiatief (SEBI 2010) opgestart dat indicatoren ontwikkelt [262]. De kernindicator ‘Trends in abundantie en distributie van geselecteerde soorten’ wordt beschreven aan de hand van de algemene broedvogelindex en de Europese vlinderindex. Die worden hier voor de eerste keer gerapporteerd. Ook de overwinterende watervogelindex wordt gerapporteerd. Ter invulling van de kernindicator ‘Veranderingen in de status van bedreigde en/of beschermde soorten’ wordt een vernieuwd overzicht gegeven van de status van de gedocumenteerde soorten in Vlaanderen. Vervolgens wordt ingegaan op de nieuwe gegevens inzake libellen. Ten slotte wordt de stand van zaken van het soortenbeleid toegelicht.

01 Toestand #01

1.1 Soortentrends De SEBI 2010-indicatoren zijn bedacht om beleidsmakers de mogelijkheid te bieden om veranderingen in de omgeving in te schatten, de juiste beleidsrespons te nemen en daarna de effectiviteit van hun acties te evalueren in de tijd. De SEBI 2010-indicatoren zoals hierboven voorgesteld, zijn echter samengestelde indicatoren die een gemiddelde respons van de soorten uit de doelgroep weergeeft [46, 91]. Elke soort reageert verschillend op de talrijke mogelijke antropogene verstoringen. De trend waargenomen bij dergelijke indicatoren is een resultaat van een groot aantal factoren. De SEBI 2010-indicatoren moeten dan ook als algemene toestandsindicatoren voor biodiversiteit aanzien worden waarop alle beleidsacties besproken in de andere NARA-hoofdstukken een effect hebben. 2010-indicator: algemene broedvogelindex De algemene broedvogelindex geeft de trend aan voor broedvogels van landbouwgebieden, bosgebieden en andere algemene vogels [91]. Voor deze indicator dienen jaarlijks de aantallen van een aantal algemene broedvogels opgevolgd te worden (tabel 1.1). In Vlaanderen bestond er tot 2006 geen monitoring van deze vogelsoorten. In 2004 werd een nieuwe verspreidingsatlas opgemaakt voor de Vlaamse broedvogels [220]. Tussen 2000 en 2002 werd aan de hand van een gestandaardiseerde methode de verspreiding van de broedvogels over het Vlaamse grondgebied nagegaan. Door vergelijking met oudere gegevens was het mogelijk om een ruwe trend te berekenen voor de periode tussen 1990 en 2000-2002. Vanaf de lente van 2007 werd ook in Vlaanderen een algemene vogelmonitoring opgestart door de vogelwerkgroep van Natuurpunt en het INBO [221] waardoor de algemene broedvogelindex jaarlijks zal kunnen worden opgevolgd.

26


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

Vogels van bosgebieden

appelvink, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boomleeuwerik, boompieper, draaihals, fluiter, gaai, gekraagde roodstaart, glanskop, goudhaan, goudvink, grauwe vliegenvanger, groene specht, heggenmus, kleine bonte specht, matkop, nachtegaal, pimpelmees, sijsje, spotvogel, tjiftjaf, tuinfluiter, wielewaal, zwarte mees, zwarte specht

Tabel 1.1: Soorten opgenomen in de Europese algemene broedvogelindex in Vlaanderen [bron: 262].

Vogels van boerenzwaluw, geelgors, gele kwikstaart, grasmus, grauwe gors, grauwe landbouwgebieden klauwier, grutto, houtduif, kievit, kuifleeuwerik, paapje, putter, ringmus, spreeuw, torenvalk, veldleeuwerik, zomertortel Andere algemene vogels

buizerd, cetti’s zanger, ekster, fitis, graszanger, grote bonte specht, grote lijster, kauw, kneu, koekoek, koolmees, merel, rietgors, roodborst, sperwer, staartmees, vink, winterkoning, witte kwikstaart, zanglijster, zwarte kraai, zwartkop

130

Figuur 1.1: Europese algemene broedvogels: trend in de abundantie voor de Europese algemene broedvogels in Vlaanderen (19902000/2002); Wallonië (1994-2005), Nederland (1990-2004) en Verenigd Koninkrijk (19942005). * data van een aantal sleutelsoorten ontbreken [brongegevens: INBO, 161, 210, 261].

Broedvogelindex (%)

120 110

*

100 90 80

Vlaanderen Wallonië Nederland Verenigd Koninkrijk

70 60

Bosgebieden

Landbouwgebieden

Andere

Uit de data blijkt dat de vogels gebonden aan het landbouwgebied sterk achteruitgegaan zijn in deze periode (figuur 1.1). Die achteruitgang moet worden gezocht in een algemene intensivering en schaalvergroting van de landbouw [69, 116]. Die leidt tot verminderde bescherming, nestgelegenheid en voedsel. Het zijn vooral de zangvogels van het landbouwgebied die het bijzonder slecht doen. Grauwe gors, veldleeuwerik en geelgors gaan zeer sterk achteruit en werden onlangs aangeduid als Rode Lijstsoort [220]. Gele kwikstaart staat ook op de Rode Lijst genoteerd als achteruitgaand. De Vlaamse trends vertonen opvallende verschillen met de trends in Europa (EU-25) tussen 1990 en 2000 [NARA 2005]. De zangvogels (grauwe gors, geelgors, veldleeuwerik) dalen in Vlaanderen sneller dan in de rest van Europa, ondanks dat ze in Europa ook sterk tot zeer sterk achteruitgegaan zijn [17, 94, 152]. Globaal genomen gaat de toestand van de algemene bosvogels vooruit. De positieve toestand van de bosvogels houdt verband met de uitbreiding van de bossen, met het streven naar een meer natuurlijke boom-

27


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

en struiksoortensamenstelling en –structuur, en met het ouder laten worden van bomen waardoor meer bossen geschikt worden voor kolonisatie. Soms is er nog een lokale achteruitgang. De oorzaken daarvan zijn weinig eenduidig. Mogelijke negatieve factoren zijn onder meer recreatie, predatie door roofvogels, klimaatverandering [19, 220]. Opvallend is dat trekvogels die over lange afstand trekken meer in de groep zitten die achteruitgaan (5 van de 11) dan korteafstandstrekkers en residente vogels waarvan 15 van de 16 soorten stabiel blijven of vooruitgaan (p = 0,027). De categorie ‘andere algemene soorten’ omvat soorten die voorkomen in meerdere biotopen, meestal generalisten, die het algemeen goed doen. Het zijn vooral soorten die zich hebben aangepast om te (over)leven in sterk door de mens beïnvloede habitats, zoals de merel die van een specifieke bosvogel evolueerde naar een soort die zonder problemen kan overleven in urbaan gebied. In vergelijking met Wallonië [210], Nederland [261] en het Verenigd Koninkrijk [161] gaan de soorten gebonden aan landbouwgebieden veel sterker achteruit in Vlaanderen (figuur 1.1). Bosvogels gaan niet zo sterk vooruit als in Nederland en het Verenigd Koninkrijk, maar de situatie is wel veel beter dan in Wallonië waar de soorten achteruitgaan. Met de ‘andere algemene soorten’ staan we samen met het Verenigd Koninkrijk aan kop en doen we het beter dan Nederland en Wallonië.

#01 2010-indicator: Europese vlinderindex - vlinders van graslanden Insecten en hun populaties kunnen zeer gevoelig zijn voor zelfs subtiele veranderingen in hun omgeving [46, 142, 232]. Ze hebben daarenboven meestal een korte levenscyclus waardoor hun aantallen snel reageren op snelle veranderingen in het ecosysteem, zelfs op fijnschalige variaties zoals habitatstructuur. Insecten kunnen dus aangewend worden als een soort ‘early warning indicator’. Binnen de insecten werden dagvlinders geselecteerd als indicatorgroep omdat ze, in tegenstelling tot de meeste andere insectengroepen, goed gedocumenteerd zijn, gemakkelijk kunnen worden herkend en populair zijn bij het grote publiek. De SEBI 2010-werkgroep ontwikkelde de vlinderindex voor graslanden, gebaseerd op zeven wijdverspreide en 10 gespecialiseerde vlinders van graslanden. In Vlaanderen zijn gegevens beschikbaar voor de zeven wijdverspreide soorten: argusvlinder, bruin zandoogje, groot dikkopje, hooibeestje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder en oranjetipje. De data gebruikt voor het berekenen van de index zijn afkomstig van 10-20 lokaliteiten die tijdens het vliegseizoen sinds 1991 elk jaar wekelijks geteld worden door de vlinderwerkgroep [248]. De samengestelde indicator geeft een schommelend beeld (figuur 1.2). Het eindresultaat is dat de index in 2004 opnieuw op hetzelfde peil staat als in het startjaar 1992. Op het eerste gezicht zou men dus kunnen stellen dat het goed gaat met onze graslandvlinders. Wanneer we echter naar de individuele soorten kijken, zien we direct dat we dat moeten nuanceren. Ondanks de soms sterke schommelingen van sommige soorten, zoals hooibeestje en kleine vuurvlinder, zien we dat twee soorten, kleine vuurvlinder en oranjetip, een algemeen stijgende trend vertonen. Drie soorten, argusvlinder, hooibeestje en bruin zandoogje, blijven min of meer stabiel. Groot dikkopje en icarusblauwtje dalen sterk. Die daling was vooral sterk (-70 %) tussen 1992 en 1999 en stabiliseerde daarna ongeveer (lichte verbetering voor icarusblauwtje).

28


Graslandvlinderindex (1992 = 100 %)

Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

250 200

150

150

100

100

50

50

0

1992

1994

1996

1998

2000

Figuur 1.2: Europese vlinderindex (graslanden): Jaarlijkse veranderingen in de abundantie van graslandvlinders [brongegevens: vlinderwerkgroep, INBO].

300

Oranjetipje Hooibeestje Argusvlinder Kleine vuurvlinder Bruin zandoogje Groot dikkopje Icarusblauwtje

2002

2004

0

Links de geaggregeerde trendindex. Rechts de trends voor de individuele soorten. 1992

1994

1996

1998

2000

2002

2004

Overwinterende-watervogelindex Sinds 1979-1980 worden in Vlaanderen elke winter zes midmaandelijkse tellingen georganiseerd (periode oktober-maart) [251]. De coĂśrdinatie van de tellingen en het beheer van de gegevensbank is in handen van het INBO. De tellingen van de soorten kleine rietgans, kolgans, grauwe gans, smient, krakeend, wintertaling, pijlstaart, slobeend, tafeleend en wilde eend werden samengevoegd tot de trendindex voor overwinterende watervogels. Ter vergelijking konden we ook de gegevens vinden voor Nederland [205] en Noordwest-Europa [257]. Uit de trendindex blijkt dat de aantallen tussen de winter van 1991-1992 en de winter van 2002-2003 vervijfvoudigd zijn in Vlaanderen (figuur 1.3). De trend van watervogels in Vlaanderen is een gecombineerd effect van de ontwikkelingen op Noordwest-Europees niveau en regionale/lokale factoren. In NoordwestEuropa namen nagenoeg alle ganzen- en eendensoorten toe tijdens de voorbije 10 tot 20 jaar, met uitzondering van slobeend en tafeleend (stabiel), en pijlstaart (afname). Belangrijke, vaak genoemde oorzaken van die positieve internationale ontwikkeling, zijn: ! betere bescherming van soorten (jachtbeperkingen) en waterrijke gebieden (bv. via Habitatrichtlijn

en Ramsar); ! meer voedsel beschikbaar (voedselrijke wateren, productieve graslanden, oogstresten op akkers, ‌); ! verschuivingen binnen het verspreidingsareaal met een afname in Oost- en Zuid-Europa (als

gevolg van verlies waterrijke gebieden).

29


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

Figuur 1.3: Overwinterende-watervogelindex: jaarlijkse veranderingen in de aantallen van overwinterende watervogels [brongegevens: INBO, 62, 257].

Watervogelindex (1991-1992 = 100 %)

700 600

Geaggregeerde watervogelindex. 500 400 300

Vlaanderen - eenden Nederland - eenden Noordwest Europa - eenden Vlaanderen - ganzen Nederland - ganzen Vlaanderen - index

200 100 91-92

93-94

95-96

97-98

99-00

01-02

03-04

05-06

Winterhalfjaar

Watervogelindex (winter 1991-1992 = 100 %)

#01 1400

Trends voor de individuele soorten in Vlaanderen.

1200 1000 800

Kleine rietgans Kolgans Grauwe gans Smient Krakeend Wintertaling Pijlstaart Slobeend Tafeleend Wilde eend

600 400 200 0

91-92

93-94

95-96

97-98

99-00

01-02

03-04

05-06

Winterhalfjaar

Uit de figuur blijkt dat de toename groter is in Vlaanderen dan in Noordwest-Europa. Ook soorten die in Europa stabiel blijven of afnemen (bv. pijlstaart), namen in Vlaanderen toe. Een bedenking daarbij is dat in het kleine Vlaanderen veel soorten sterk geconcentreerd zitten in slechts enkele (grote) gebieden. Dat maakt dat veranderingen op relatief kleine schaal (gebiedsniveau) een grote impact kunnen hebben op de volledige Vlaamse populatie (bv. ontwikkelingen in het Zeeschelde-estuarium (zie focushoofdstuk Zeeschelde). In Nederland zijn er ook sterke regionale verschillen.

30


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

Factoren die wellicht een rol gespeeld hebben in de (sterk) positieve trend in Vlaanderen: ! verbetering algemene milieukwaliteit van waterrijke gebieden (bv. verbetering waterkwaliteit

Zeeschelde en Rupel); ! natuurontwikkeling in bepaalde waterrijke gebieden (verhoging waterpeil Bourgoyen-

Ossemeersen, herstel vijverecosystemen Midden-Limburg en Dijlevallei, natuurinrichting Uitkerkse Polder enz.; ! toename van het aantal natuurreservaten die als rust- en foerageergebied voor watervogels

kunnen fungeren; ! ontstaan van tijdelijk gunstige voedsel- en rustgebieden in havengebieden (waarvan een groot

deel inmiddels weer verdwenen zijn, o.a. in Gentse Kanaalzone en Zeebrugge); ! soortbeschermingsmaatregelen, met o.a. een striktere jachtwetgeving voor de jacht op watervogels

(kortere openingsperiode van de jacht, stopzetting jacht wintertaling en smient, geen jacht op wilde ganzen enz.); ! gunstige weersomstandigheden in de jaren 90. De jaren 90 waren bijzonder zacht en nat zodat

vorstgevoelige soorten (bv. slobeend, pijlstaart) in grote aantallen aanwezig bleven in de winterperiode. Een duidelijke toename van winterse overstromingen in valleigebieden (zoals de IJzerbroeken) leidde tot grotere aantallen van soorten als smient, pijlstaart en wintertaling. Daartegenover staat dat er weinig vorstinfluxen waren van noordelijke overwinteraars.

1.2 Status van bedreigde soorten Overzicht status Uit de tot hiertoe onderzochte soortengroepen blijkt dat er van de 3479 soorten waarvan de toestand gekend is 228 uit Vlaanderen verdwenen zijn (figuur 1.4). 981 soorten (28 %) staan op de Rode Lijst en lopen het gevaar op termijn te verdwijnen indien niet de nodige maatregelen getroffen worden.

Aantal verdwenen soorten

250 200 150 100 50

Rode Lijstsoorten Met verdwijnen bedreigd (291) Bedreigd (351) Kwetsbaar (339)

Overige soorten Achteruitgaand (94) Zeldzaam (717) Momenteel niet bedreigd (1459) Onvoldoende gekend (213)

0

Figuur 1.4: Status van soorten: van alle onderzochte soortengroepen. Deze indicator is gebaseerd op de Rode Lijsten van amfibieĂŤn, broedvogels, dagvlinders, dansvliegen, hogere planten, libellen, loopkevers, mieren, paddenstoelen (macrofungi), reptielen, slankpootvliegen, spinnen, rechtvleugeligen, vissen, water- en oppervlaktewantsen en zoogdieren [brongegevens: INBO].

31


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

Status van libellen In 2006 verscheen de nieuwe atlas van de libellen van België [49]. In het teken van die atlas werd ook een nieuwe Rode Lijst voor Vlaanderen opgemaakt. Van de 66 soorten die ooit in Vlaanderen voorkwamen werden zijn er momenteel zes verdwenen (tabel 1.2). 17 soorten vallen onder de Rode Lijstsoorten: drie soorten in de categorie met uitsterven bedreigd, zeven bedreigd en zeven kwetsbaar. Daarnaast zijn er drie soorten die als zeldzaam gecatalogeerd worden. Tot slot zijn er 32 soorten die momenteel niet bedreigd zijn. Voor acht soorten waren de gegevens niet toereikend om ze tot een categorie toe te wijzen.

Tabel 1.2: Regionaal verdwenen en Rode Lijstsoorten libellen in Vlaanderen [brongegevens: 49].

Verdwenen

bronslibel, dwergjuffer, mercuurwaterjuffer, noordse glazenmaker, sierlijke witsnuitlibel, tweevlek

Met verdwijnen bedreigd

gevlekte witsnuitlibel, speerwaterjuffer, vroege glazenmaker

Bedreigd

beekrombout, bosbeekjuffer, bruine korenbout, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, maanwaterjuffer, variabele waterjuffer

Kwetsbaar

beekoeverlibel, gevlekte glanslibel, glassnijder, kempense heidelibel, noordse witsnuitlibel, tangpantserjuffer, venglazenmaker

#01

Tabel 1.3: In Vlaanderen voorkomende libellensoorten: verdeling over de categorieën en vergelijking van de huidige (2006) met de vorige Rode Lijst (1996) [brongegevens: 48, 49].

Status 2006 Aantal

VER

MUB

B

1

1

Status 1996 K Z

Verdwenen

(VER)

6

6

Met verdwijnen bedreigd

(MUB)

3

1

Bedreigd

(B)

7

2

4

1

Kwetsbaar

(K)

7

3

2

—

2

Zeldzaam

(Z)

3

1

2

Momenteel niet bedreigd

(MNB)

32

3

2

Onvoldoende gekend

(ONB)

8

2 2

MNB

ONB

21

4 6

Als we de nieuwe Rode Lijst vergelijken met de vorige gepubliceerd in 1996 [48] blijkt dat 40 soorten dezelfde status behouden hebben (tabel 1.3). Vier soorten zijn in een slechtere categorie en 16 soorten in een betere categorie terechtgekomen. Van de gevlekte witsnuitlibel werden geen waarnemingen opgetekend tussen 1990-1999, maar ze dook later wel terug op. De soort wordt nog wel als met uitsterven

32


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

bedreigd gecatalogeerd. Zeven soorten verbeterden van categorie maar staan nog steeds op de Rode Lijst en zijn dus nog steeds niet veilig. Zes soorten die in 1996 op de Rode Lijst stonden zijn momenteel niet meer bedreigd. Een probleem met het vergelijken van beide Rode Lijsten is dat ze niet op dezelfde manier zijn opgesteld. Voor de lijst van 1996 werd de periode 1940-1945 vergeleken met de periode 1990-1995. Voor de nieuwe Rode Lijst werden twee vergelijkingsmethoden gecombineerd, namelijk een historische trend (<1950 versus 1995-2004) en een recente trend (1980-1989 versus 1995-2004). Op het eerste gezicht lijken libellen het veel beter te doen dan vroeger. Deels valt dat te verklaren door een toename van het aantal waarnemers, het gericht op zoeken naar bepaalde soorten in bepaalde gebieden en de specifieke aandacht naar soorten die vroeg in het jaar vliegen. Anderzijds stellen we een duidelijke toename vast van de algemene soorten die kenmerkend zijn voor stilstaande voedselrijke wateren en een uitbreiding van zuidelijke en warmteminnende soorten (NARA 2005, [49]). Ook een aantal soorten dat hogere eisen stelt aan zijn habitat doet het minder slecht dan in de jaren tachtig, maar heeft zijn vroegere verspreiding nog niet terug ingenomen. De verbetering van de waterkwaliteit van de waterlopen (zie ook hoofdstuk 4 Vermesting) heeft er ook toe bijgedragen dat de minst kritische soorten vooruitgingen [49]. Een toename blijft echter uit voor die soorten die zeer hoge eisen stellen aan de waterkwaliteit. Soorten van voedselarme (oligotroof of mesotroof) vennen en plassen vertonen een negatieve trend.

02 Beleid 2.1 Planning en instrumentering Volgens het MINA-plan 3 is het doel van het soortenbeleid om de huidige soortendiversiteit te bestendigen en bevorderen. Een instrument van het soortbeleid om het behoud van soorten te verwezenlijken is het opstellen van soortbeschermingsplannen. Een probleem is dat de soortkeuze en methode voor het opstellen van soortbeschermingsplannen volledig ad hoc gebeurt, onder meer op eigen initiatief van NGOâ&#x20AC;&#x2122;s. Er zijn geen criteria opgesteld die aangeven welke soorten prioriteit verdienen. Daarnaast zijn er ook geen richtlijnen of criteria voorzien waaraan die plannen minimaal moeten voldoen. Momenteel zijn er 12 soortbeschermingsplannen (28 soorten) opgemaakt [255]. In maart 2007 is ANB ook begonnen met het opstellen van soortbeschermingsplannen voor knoflookpad en waterrietzanger (Universiteit Antwerpen). Voor de bruine vuurvlinder wordt nu (door Natuurpunt, i.o.v. ANB) een grondige inventarisatie uitgevoerd die op termijn zou moeten leiden tot een soortbeschermingsplan. Zoals in de beleidsbrief leefmilieu en natuur 2007 vooropgesteld, zou de opmaak van soortbeschermingsplannen voor hazelmuis en visarend al begonnen moeten zijn. Dat is nog niet het geval. De zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt heeft in 2006 wel op eigen initiatief beschermingsmaatregelen uitgewerkt voor de hazelmuis. Die zijn reeds in de beheerplannen opgenomen van de Voerense bosreservaten Broekbos, Veursbos en Teuvenerberg [214]. Vanaf 2007 zouden de maatregelen uitgevoerd worden, o.a. in samenwerking met ANB Limburg, het INBO en de Gemeente Voeren.

33


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

In 2005 produceerde het INBO een rapport over de toestand van de akkervogels in Vlaanderen [66]. Daarin worden ook beschermingsmaatregelen voor die akkervogels geformuleerd. Ze kunnen als basis gebruikt worden voor het opstellen van een effectief soortbeschermingsplan voor akkervogels. Wat nog ontbreekt in het rapport is hoeveel maatregelen nodig zijn om een duurzame akkervogelpopulatie in stand te houden. Een tweede knelpunt was het aangeven van de â&#x20AC;&#x2DC;kansrijke gebiedenâ&#x20AC;&#x2122;: de gebieden waar de soorten nog voorkomen en waar er, op landschapsschaal, nog voldoende kansen zijn om een duurzame populatie te behouden of uit te breiden. In het kader van het nieuwe programma voor plattelandsontwikkeling (2007-2013) worden momenteel door het INBO, VLM en ANB gebieden afgebakend die in aanmerking komen. Daarnaast worden beheerovereenkomsten voor weidevogels en akkervogels opgenomen. De praktische uitvoering daarvan zal echter pas in 2008 kunnen opstarten. Het beleid meldt dat er wordt gewerkt aan een nieuw uitvoeringsbesluit inzake soortenbescherming. De bedoeling van het nieuwe besluit is in te staan voor een volledige en correcte omzetting van de relevante EU-regelgeving. Daarnaast zal met het nieuwe besluit ook gestreefd worden naar een uniformsering en vereenvoudiging van de Vlaamse soortenwetgeving.

2.2 Uitvoering

#01

Er werd tot op heden geen verplichting uitgevaardigd of ander initiatief genomen om de soortbeschermingsplannen gebiedsdekkend toe te passen. Momenteel worden wel vijf soortbeschermingsplannen in mindere of meerdere mate uitgevoerd (figuur 1.5).

Figuur 1.5: Opmaak en uitvoering van soortbeschermingplannen [brongegevens: INBO].

Aantal soortbeschermingsplannen

12 10 8 6 4 2 0 1992

34

1994

1996

1998

2000

2002

2004

2006

2008

Opgemaakt In uitvoering: Vlaams In uitvoering: lokaal


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

In opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos voerde Regionaal Landschap Dijleland vzw van maart 2004 tot april 2007 het project ‘Uitvoering van het beschermingsplan voor de das in het zuidelijk deel van de provincie Vlaams-Brabant en het taalgrensgebied’ uit. Tijdens het eerste jaar werd veel aandacht besteed aan het informeren en sensibiliseren van doelgroepen (jagers, landbouwers, boseigenaars, overheden en natuurverenigingen) en het grote publiek. Daarnaast werden bekende dassenburchten geïnventariseerd, dassenwaarnemingen opgevolgd en werd er een lokale dassenwerkgroep opgericht. Het tweede en derde jaar stonden voornamelijk in het teken van het adviseren en uitvoeren van landschapsinrichtingsmaatregelen i.s.m. verschillende doelgroepen. Het gaat onder meer om de aanleg van hoogstamboomgaarden, de aanplant van houtkanten en de realisatie van ontsnipperingsmaatregelen. Er werd ook gestart met het uitvoeren van de soortbeschermingsplannen voor de hamster en vleermuizen (LIFE-project vleermuizen [250]). Voor de hazelmuis worden lokaal acties ondernomen. Voor de bever werd de studie ‘Overwegingskader voor de aanwezigheid van de bever in Vlaanderen’ afgerond. Vermits deze soorten Habitatrichtlijnsoorten zijn worden ze meer in detail besproken in hoofdstuk 2 Soorten van de Habitatrichtlijn. De soortbeschermingsplannen voor het gentiaanblauwtje en de nachtzwaluw worden niet integraal uitgevoerd. De maatregelen zoals voorgesteld in de plannen zijn, net zoals in het verleden, opgenomen in de beheerplannen van die natuurreservaten van ANB waar er nog restpopulaties van de soorten voorkomen. Er worden ook acties ondernomen voor soorten waar geen soortbeschermingsplannen voor werden opgesteld. Met betrekking tot de herstelprogramma’s voor kwabaal, serpeling en kopvoorn werden door het INBO gedurende de voorbije jaren haalbaarheidsstudies uitgevoerd naar de mogelijkheden voor herstel van populaties in enkele rivieren [64, 63, 65]. Dat onderzoek gebeurde in opdracht van en werd gefinancierd door ANB en het Visserijfonds. Voor kwabaal werd ook reeds een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de eerste pilootherintroducties in de Bosbeek en in de Grote Nete [35]. Daaruit bleek dat de eerste herintroductie in 2005 met larven mislukte terwijl die met juveniele kwabalen in 2006 wel succesvol bleek. De situatie wordt verder opgevolgd. Serpeling werd ook uitgezet, maar wordt niet opgevolgd. Kopvoorn, die reeds in het verleden werd uitgezet met wisselend succes [34], wordt opnieuw geherintroduceerd, maar de nieuwe uitzettingen werden nog niet opgevolgd. Hoewel het niet strikt om soortbeschermingsplannen gaat, worden er ook acties ondernomen via de samenwerkingsovereenkomst tussen gemeenten en de Vlaamse overheid (zie hoofdstuk 14 Samenwerking met lokale overheden). Gemeenten kunnen subsidies aanvragen in functie van acties voor de bescherming van soorten zoals bv. het aanleggen van amfibieëntunnels, het inrichten van zomer/winterverblijven voor vleermuizen of zelfs de herintroductie van soorten. Net als bij het opstellen van de soortbeschermingsplannen gebeurt de selectie van de soorten en acties ad hoc.

35


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

03 Kennis Bovenstaande soortenindexen zijn momenteel de best beschikbare informatie. Ze zijn evenwel voor nog veel verbetering vatbaar. Ten eerste omdat de geobserveerde trend een samengestelde respons is ten gevolge van een reeks verstoringen. Daarnaast vertegenwoordigen de componenten van de indicatoren slechts een beperkt deel van de biodiversiteit. De distributie en trends van de gemonitorde doelgroepen zullen niet steeds overeenkomen met de patronen van andere soorten. Daarom is het nodig om meer specifieke, multisoorten indicatorsystemen te ontwikkelen, gebaseerd op soorten uit verschillende taxa, waarbij een één op één relatie kan worden gelegd tussen een bepaalde verstoring en de respons van de indicator. Criteria om tot een gestructureerde monitoring (prioriteiten, welke monitoring, randvoorwaarden, organisatorische vereisten, kennisontwikkeling, middelen, …) te komen, worden gerapporteerd in het themahoofdstuk Monitoring. In 2013 zal Vlaanderen/België een rapport moeten afleveren over de toestand en trends van de Habitatrichtlijnsoorten, gebaseerd op monitoringprogramma’s (zie ook hoofdstuk 2 Soorten van de Habitatrichtlijn). Momenteel bestaat er, buiten voor vissen, de hamster en wintertellingen voor vleer-

#01

muizen, voor geen enkele soort een monitoringsplan. Het is dus hoogdringend dat die opgesteld worden zodat ze in 2008 ook effectief kunnen worden uitgevoerd. Ten slotte moet worden opgemerkt dat de oorzaken van geobserveerde trends in vele gevallen onbekend zijn. Als herstelmaatregelen (o.a. soortbeschermingsplannen) worden uitgevoerd, zijn ze veelal gebaseerd op ’expert opinie’ en toevallige veldwaarnemingen. Er is nood aan een betere kennis van de ecologie van de betrokken doelsoorten en vooral kennis van de factoren die aan de basis liggen van de achteruitgang. Zelfs voor welbekende groepen zoals vogels, een groep waar toch reeds veel onderzoek rond werd verricht, is het bijvoorbeeld niet mogelijk om te verklaren waarom ze een neerwaartse of opwaartse trend vertonen [220]. Om doelgerichte acties op te stellen die de situatie van de bedreigde soorten verbeteren, is die basisecologische kennis essentieel. Daarbij kunnen de meest bedreigde soorten (van de Habitatrichtlijn, of Rode Lijststatus) als prioritaire soorten geselecteerd worden. Zoals reeds aangehaald is er geen opvolging van de resultaten van de uitgevoerde soortbeschermingsplannen. Om de effectiviteit van de maatregelen te kunnen evalueren en desnoods bij te sturen, is het dus nodig om een monitoringsplan mee in het soortbeschermingsplan op te nemen. Met medewerking van: Nico Verwimp - Agentschap voor Natuur en Bos Koen Berwaerts - Regionaal Landschap Dijleland Marc van Roomen - SOVON Vogelonderzoek Nederland

36


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #01 Soorten

Lectoren Dries Bonte - Universiteit Gent, vakgroep Biologie Dirk Criel – Econnection Joachim De Maeseneer - Agentschap voor Natuur en Bos Wouter Faveyts - Agentschap voor Natuur en Bos Marc Herremans - Natuurpunt vzw Ludo Holsbeek - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Gerald Louette – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Jean-Pierre Maelfait – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Koen Van Den Berge – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Dirk Vandenbussche - Provinciaal Instituut voor Hygiëne (Antwerpen) Goedele Verbeylen - Natuurpunt studie vzw Nico Verwimp - Agentschap voor Natuur en Bos Kristof Vlietinck - Agentschap voor Natuur en Bos

37


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Soorten van de Habitatrichtlijn Luc De Bruyn, DesirĂŠ Paelinckx Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! De staat van instandhouding is zeer ongunstig voor 22 van de soorten van de

Habitatrichtlijn, matig ongunstig voor 12 soorten, gunstig voor 16. Voor negen soorten zijn er onvoldoende gegevens. ! Er zijn soortbeschermingsplannen opgesteld voor 24 soorten. Zeven daarvan

worden momenteel uitgevoerd of zijn net opgestart. Voor vier soorten worden acties ondernomen zonder dat er een soortbeschermingsplan is opgesteld. #02

! Waterverontreiniging en vermesting zijn de verstoringsfactoren die voor de meeste

soorten als een bedreiging vermeld worden.

I

De staat van instandhouding van de soorten van Europees belang

In juni 2007 maakten de EU-lidstaten hun eerste zesjaarlijkse rapportering in het kader van de EUHabitatrichtlijn1 over aan Europa (artikel 17 van de Habitatrichtlijn). De rapportering omvat zowel de Bijlage II-, Bijlage IV- als Bijlage V-soorten die in de lidstaat voorkomen. De rapportering houdt onder meer in dat er per soort van de richtlijn een staat van instandhouding wordt aangegeven op niveau van de biogeografische regioâ&#x20AC;&#x2122;s binnen de lidstaten. Daarbij eist de EU een rapportering over het hele grondgebied, zowel binnen als buiten de Habitatrichtlijngebieden. Het doel van de zesjaarlijkse rapportering is de opvolging van de implementatie van de Habitatrichtlijn en het succes ervan op te volgen op schaal van de volledige EU. Mocht uit de rapportering op termijn blijken dat de implementatie van de richtlijn de achteruitgang van de soorten niet of onvoldoende kan ombuigen in een positieve trend dan kan dat leiden tot een bijsturing van de richtlijn. De EU heeft volgende punten voor ogen met de rapportering 2007: ! Een eerste poging om die staat van instandhouding en de daarbijhorende aspecten op een EU-

1) Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22/7/1992)

38


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

schaal te bundelen (opstellen referentiekader). ! Het trachten te evalueren van reeds waargenomen wijzigingen (positieve of negatieve trends) t.o.v.

het tijdstip van het van kracht worden van de Habitatrichtlijn (1994). Dat gebeurt zowel op het niveau van de lidstaten als op het niveau van de EU. Er wordt ook gezocht naar mogelijke verklaringen.

De toestandsbeschrijving in dit hoofdstuk is gebaseerd op het rapport dat België afgeleverd heeft aan Europa voor de Belgische Atlantische regio (België ten noorden van Samber en Maas) [150]. Gezien er geen verschil is tussen het Vlaamse en Waalse deel van de regio konden de bevindingen overgenomen worden van dat rapport. Een gedetailleerde rapportering van de habitats en een meer gedetailleerde beschrijving van de gebruikte methoden, kan worden gevonden in het Atlantische rapport [150].

01 Toestand In totaal komen momenteel 59 soorten van de Habitatrichtlijn in Vlaanderen voor (tabel 2.1). 26 andere soorten werden reeds als verdwenen beschouwd voor 1994 (tabel 2.2) [55]. Van enkele soorten (lynx, zeeprik) zijn slechts één of enkele toevallige waarnemingen bekend en weet men niet of ze populaties hebben in Vlaanderen. Zij worden niet verder behandeld in dit hoofdstuk. De 59 soorten kunnen ruwweg in drie grote ecologische groepen verdeeld worden. De terrestrische soorten, de aquatische soorten en de semi-aquatische soorten. Deze laatste groep omvat zowel soorten die aquatische en terrestrische habitats nodig hebben voor hun verschillende ontwikkelingsstadia (bv. libellen met aquatische larven en terrestrische adulten) als soorten die beide habitats gebruiken (bv. otter). Een gedetailleerde rapportering van deze soorten en een meer gedetailleerde beschrijving van de gebruikte methoden kan worden gevonden in het Atlantische Habitatrichtlijnrapport [150].

Bijlage II-soorten

wolf, Europese nerts, Europese Atlantische steur, elft, houting, geelbuikvuurpad, pimpernelblauwtje, moerasparelmoervlinder, gestreepte waterroofkever, brede geelgerande waterroofkever, heldenbok, merkuurwaterjuffer, bronslibel, stevige stroommossel, zware dreps, kleine maanvaren

Bijlage IV-soorten

Europese nerts, geelbuikvuurpad, sierlijke witsnuitlibel, Europese Atlantische steur, houting, bronslibel, pimpernelblauwtje, zilverstreephooibeestje, gestreepte waterroofkever, brede geelgerande waterroofkever, heldenbok, Bataafse stroommossel, zomerschroeforchis

Bijlage V-soorten

elft, grote marene, vlagzalm, medicinale bloedzuiger, Europese rivierkreeft, valkruid

39

Tabel 2.2: Soorten van de Habitatrichtlijn die momenteel als verdwenen beschouwd worden in Vlaanderen [brongegevens: 150].


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Tabel 2.1: Overzichtstabel van de beoordeling van de soorten [brongegevens: 150].

Legende A Aquatisch

S Semi-aquatisch

T Terrestrisch

"

"

"

Globaal

" " " " " " " " "

" " " " " " " " "

" " " " " " " " "

" " " " " " " " "

" " " " " " " " "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

#

" " " " " " "

" " " " " " "

" " " " " " "

" " " " " " "

" " " " " " "

#

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

"

"

"

"

"

Bijlage II

#02

Toekomst

Ecologische groep

IV

V

Amfibieën

Boomkikker

S

Amfibieën

Bruine kikker

S

#

Amfibieën

Groene kikker

S

#

Amfibieën

Heikikker

S

Amfibieën

Kamsalamander

S

Amfibieën

Knoflookpad

S

Amfibieën

Meerkikker

S

Amfibieën

Poelkikker

S

#

Amfibieën

Rugstreeppad

S

#

Amfibieën

Vroedmeesterpad

S

#

Hogere planten

Drijvende waterweegbree

A

#

Hogere planten

Groenknolorchis

T

#

Hogere planten

Kruipend moerasscherm

T

#

Hogere planten

Wolfsklauwen

T

Insecten - kevers

Vliegend hert

T

#

Insecten - libellen

Gevlekte witsnuitlibel

S

#

Insecten - libellen

Rivierrombout

S

Insecten - vlinders

Spaanse vlag

T

Korstmossen

Rendiermos

T

Mossen

Geel schorpioenmos

T

Mossen

Kussentjesmos

T

#

Mossen

Veenmos

T

Reptielen

Gladde slang

T

Vissen & rondbekken

Barbeel

A

Vissen & rondbekken

Beekprik

A

#

Vissen & rondbekken

Bittervoorn

A

#

Vissen & rondbekken

Fint

A

40

#

# #

Onbekend

Habitat

Soort

"

Zeer ongunstig

Populatie

Soortengroep

Matig ongunstig

Areaal

Gunstig

# # #

#

# #

# # #

#

#


Areaal

Populatie

Habitat

Toekomst

Globaal

Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

" "

" "

" "

" "

" "

" " " " " " "

" " " " " " "

" " " " " " "

" " " " " " "

" " " " " " "

" " "

" " "

" " "

" " "

" " "

" " " " " "

" " " " " "

" " " " " "

" " " " " "

" " " " " "

#

" "

" "

" "

" "

" "

T

#

"

"

"

"

"

Grootoorvleermuis

T

#

"

"

"

"

"

Zoogdieren - vleermuizen

Grote hoefijzerneus

T

#

#

Zoogdieren - vleermuizen

Ingekorven vleermuis

T

#

#

" "

" "

" "

" "

" "

Zoogdieren - vleermuizen

Laatvlieger

T

Zoogdieren - vleermuizen

Meervleermuis

T

#

#

Zoogdieren - vleermuizen

Mopsvleermuis

T

#

#

Zoogdieren - vleermuizen

Rosse vleermuis

T

#

Zoogdieren - vleermuizen

Ruige dwergvleermuis T

#

Zoogdieren - vleermuizen

Tweekelurige vleermuis T

#

Zoogdieren - vleermuizen

Vale vleermuis

T

Zoogdieren - vleermuizen

Watervleermuis

T

" " " " " " " "

" " " " " " " "

" " " " " " " "

" " " " " " " "

" " " " " " " "

Soortengroep

Soort

Ecologische groep

Bijlage II

IV

V

Vissen & rondbekken

Grote modderkruiper

A

#

Vissen & rondbekken

Kleine modderkruiper

A

#

Vissen & rondbekken

Rivierdonderpad

A

#

Vissen & rondbekken

Rivierprik

A

#

Weekdieren

Nauwe korfslak

S

#

Weekdieren

Platte schijfhoren

A

#

Weekdieren

Wijngaardslak

T

Weekdieren

Zeggekorfslak

S

#

Zoogdieren

Bever

S

#

Zoogdieren

Boommarter

T

#

Zoogdieren

Bunzing

T

#

Zoogdieren

Hamster

T

#

Zoogdieren

Hazelmuis

T

#

Zoogdieren

Otter

S

Zoogdieren - vleermuizen

Baardvleermuis

T

Zoogdieren - vleermuizen

Bechsteins vleermuis

T

Zoogdieren - vleermuizen

Bosvleermuis

T

#

Zoogdieren - vleermuizen

Brandt's vleermuis

T

#

Zoogdieren - vleermuizen

Dwergvleermuis

T

#

Zoogdieren - vleermuizen

Franjestaart

T

Zoogdieren - vleermuizen

Grijze grootoorvleermuis

Zoogdieren - vleermuizen

#

#

#

#

#

# #

#

#

#

#

# #

41


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

1.1 2010-indicator: staat van instandhouding van de soorten van Europees belang De staat van instandhouding van de soorten van de Habitatrichtlijn wordt geëvalueerd op basis van vier criteria, namelijk de populaties van de soort, het areaal, de habitat en de vooruitzichten. De staat van instandhouding van de soorten wordt geklasseerd als gunstig, matig ongunstig of zeer ongunstig [76]. De criteria voor die scores zijn samengebracht in tabel 2.3. Tabel 2.3: Criteria gehanteerd voor de beoordeling van de staat van instandhouding voor de soorten van de Habitatrichtlijn [bron: 76].

STAAT VAN INSTANDHOUDING Gunstig

Matig ongunstig

Zeer ongunstig

Onbekend

Populatie

Populatie groter dan of Tussen 'gunstig' en 'zeer gelijk aan de referenongunstig' tiepopulatie voor gunstige staat EN voortplanting, sterfte en leeftijdsopbouw niet slechter dan normaal

Populatieafname >1% Geen of onvoldoende per jaar EN lager dan betrouwbare informatie de referentiepopulatie OF populatie >25% lager dan referentiepopulatie OF voortplanting, sterfte en leeftijdsopbouw slechter dan normaal

Areaal

Areaal stabiel of toene- Tussen 'gunstig' en 'zeer mend EN niet kleiner ongunstig' dan het referentieareaal voor gunstige staat

Areaalverlies >1% per jaar OF areaal >10% kleiner dan referentieareaal voor gunstige staat

Habitat

Leefgebied is voldoende groot (of stabiel of toenemend) EN de kwaliteit is geschikt voor het lange termijn voortbestaan van de soort

Toekomstperspectief

De vooruitzichten zijn Tussen 'gunstig' en 'zeer uitstekend of goed; de ongunstig' belangrijkste bedreigingen zijn niet wezenlijk; de soort zal op lange termijn levensvatbaar zijn

Globale beoordeling

Alles 'gunstig' of drie 'gunstig' en één 'onbekend'

#02

42

Geen of onvoldoende betrouwbare informatie

Tussen 'gunstig' en 'zeer Leefgebied is duidelijk Geen of onvoldoende onvoldoende groot OF betrouwbare informatie ongunstig' de kwaliteit is duidelijk ongeschikt voor het op lange termijn voortbestaan van de soort Sterke negatieve invloed van bedreiging op de soort; slechte vooruitzichten; levensvatbaarheid op lange termijn in gevaar

Eén of meer 'matig Eén of meer 'zeer ongunstig', maar geen ongunstig' 'zeer ongunstig'

Geen of onvoldoende betrouwbare informatie

Twee of meer 'onbekend', gecombineerd met alleen 'gunstig'


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Globaal

Figuur 2.1: Synthese van de beoordeling van de soorten van de Habitatrichtlijn. Aantal soorten per staat van instandhouding [brongegevens: 150].

9 16

Gunstig Matig ongunstig Zeer ongunstig Onbekend

22 12

4

Areaal

9

Populatie

13

18

37

5

18

14

Habitat

Toekomst

1

9

13

24 14

34 11

12

43


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Globale evaluatie Iets meer dan een kwart van de soorten (16 soorten, 27 %) wordt gunstig geĂŤvalueerd voor de globale eindevaluatie (figuur 2.1). Voor 12 soorten (22 %) is de globale score matig ongunstig en voor 22 soorten (36 %) is die zeer ongunstig. Voor negen soorten waren er onvoldoende gegevens om tot een globale evaluatie te komen. De globale evaluatie is relatief gezien het slechtst voor aquatische soorten waar slechts ĂŠĂŠn soort van de 10 gunstig scoort (figuur 2.2). Dat is vooral een gevolg van de ongunstige evaluatie van de habitats van de soorten en de populaties. Belangrijk voor de evaluatie van de populatie en het areaal van de soort zijn de referentiepopulatie en referentieareaal. De referentiepopulatie en referentieareaal zijn de populatie / het areaal minimaal nodig om de langetermijnlevensvatbaarheid van de soort te garanderen [76]. Ze dienen alle populaties/oppervlakten te omvatten noodzakelijk voor het herstel en de ontwikkeling van die soorten waarvoor de actuele populaties of het actuele areaal onvoldoende zijn. Voorwaarde is dat de referentiepopulatie en het referentieareaal op zijn minst even groot zijn als die aanwezig op het ogenblik dat de Habitatrichtlijn in de lidstaat van kracht werd. Vermits praktisch voor geen enkele soort de referentiepopulatie gekend is en gegevens omtrent reproductie, mortaliteit en ouderdomsstructuur ontbreken, is de beoordeling van de actuele populatie meestal gebaseerd op een expertenoordeel.

#02

Gezien dit de eerste rapportering is van de staat van instandhouding wordt in de EU-handleiding voor de rapportering [76] aanbevolen trends te bepalen ten opzichte van het van kracht worden van de Habitatrichtlijn in de lidstaat (periode 1994-2006). Er zijn doorgaans onvoldoende data om de actuele waarden te vergelijken met die van 1994 zodat de trend wordt ingeschat via expertenbeoordeling.

Globaal Populatie Areaal Habitat Toekomst

Terrestrische soorten

Globaal Populatie Areaal Habitat Toekomst

Semi-aquatische soorten

Globaal Populatie Areaal Habitat Toekomst

Aquatische soorten

0

10

20

Aantal soorten

44

30

Figuur 2.2: Beoordeling van de soorten van de Habitatrichtlijn verdeeld over de grote soortengroepen [brongegevens: 150].

Gunstig Matig ongunstig Zeer ongunstig Onbekend


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Populatie van de soort De EU-handleiding voor de rapportering [76] laat verschillende mogelijkheden toe om de waarden voor populatie te kwantificeren. Vermits voor bijna geen enkele soort kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn over het aantal individuen in de populaties wordt gebruikgemaakt van het aantal bezette roostercellen (5x5 km- of 4x4 km-cellen) als een ruwe maat voor het aantal populaties in de periode 1994-2006 (zie figuur 2.3 als voorbeeld). Voor vleermuizen werden de wintertellingen gebruikt. De criteria voor de evaluatie zijn samengebracht in tabel 2.3. Voor 18 soorten (31 %) wordt de populatiegrootte als zeer ongunstig geĂŤvalueerd, voor 14 (24 %) soorten is dat matig ongunstig en voor 18 (31 %) soorten is de populatiegrootte gunstig voor een duurzame situatie (figuur 2.1). Voor negen soorten waren er onvoldoende gegevens om een uitspraak te doen. Bijna alle aquatische soorten scoren matig ongunstig of zeer ongunstig (figuur 2.2), voor semi-aquatische en terrestrische ongeveer twee derde.

Figuur 2.3: Verspreidingskaart Rivierprik (staat van instandhouding zeer ongunstig) [brongegevens: 150].

Rugstreeppad (staat van instandhouding gunstig)

Hoofdrivieren Populatie Areaal Referentieareaal

45


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Areaal van de soort Het areaal volgt automatisch uit de populatiekaart omdat het gedefinieerd is als de kleinst mogelijke begrenzing rondom die populaties (zie figuur 2.3 als voorbeeld). Daarbij worden er gaten in het verspreidingspatroon opgevuld zonder dat de habitat of de soort daar hoeft voor te (kunnen) komen. De criteria voor de evaluatie zijn samengebracht in tabel 2.3. Uit de analyses bleek dat het actuele areaal kleiner was dan het referentieareaal voor 11 soorten. Voor die soorten is het areaal dus te klein om het voortbestaan op lange termijn te garanderen. Er zijn 13 soorten (22 %) die zeer ongunstig scoren, vijf (8 %) die een matig ongunstig krijgen en 37 soorten (62 %) die een gunstige evaluatie krijgen (figuur 2.1). Proportioneel worden het grootste aantal soorten met een matig ongunstig of zeer ongunstig areaal teruggevonden bij de aquatische en semi-aquatische soorten (figuur 2.2). Bij de terrestrische soorten heeft ongeveer 80 % een gunstig areaal. Habitat van de soort Dit criterium behandelt de oppervlakte en kwaliteit van de habitat waarin de soort voorkomt. Dat verschilt sterk van soort tot soort. Daar waar bepaalde soorten aan één bepaalde habitat gebonden zijn (bv. platte

#02

schijfhoren leeft in heldere, permanente stilstaande wateren met een rijke vegetatie) hebben andere soorten een grote variatie van verschillende habitats nodig (bv. vleermuizen). Er is dan ook geen eenvormige methode om de kwantiteit en kwaliteit van de habitat te evalueren. Voor de plantensoorten werd de evaluatie van de habitat bepaald door de link te leggen met de rapporteringen van de habitats (indien voorhanden) en/of, zoals bij de veenmossen, door de link te leggen met geassocieerde hogere plantensoorten. Voor de faunasoorten was het in de meeste gevallen onmogelijk om het oppervlak te kwantificeren door een te grote complexiteit van de habitat van de soort. De verdere uitwerking van dit aspect is daardoor onmogelijk. In sommige gevallen was het wel mogelijk om een inschatting te maken op basis van expertenkennis. De criteria voor de evaluatie zijn samengebracht in tabel 2.3. Voor 34 soorten (57 %) kon er geen evaluatie gemaakt worden van de habitat. Voor 11 soorten is de habitat zeer ongunstig en voor 13 was de habitat matig ongunstig (figuur 2.1). Voor slechts één soort was de habitat gunstig. De habitat kon het best beoordeeld worden voor de aquatische organismen (figuur 2.2). Toekomstperspectieven De toekomstverwachtingen zijn gunstig wanneer geen significante bedreigingen verwacht worden en de langetermijnleefbaarheid gegarandeerd is. De toekomstperspectieven zijn zeer ongunstig wanneer ernstige bedreigingen verwacht worden waardoor de langetermijnleefbaarheid niet is gegarandeerd. In alle andere gevallen is ze matig ongunstig. Net zoals bij de evaluatie van de habitat zijn er geen eenduidige, soortoverschrijdende criteria om de toekomstperspectieven in te schatten. Waar wel mogelijk worden de toekomstperspectieven gunstig ingeschat voor soorten waarvoor het areaal, de populatie en de habitat van de soort gunstig scoren (of er een grote kans is op verbetering van de toestand naar een gunstige toestand) en waarvoor geen voortdurende sterke bedreigingen zijn. De toekomstperspectieven van 24 soorten (41 %) worden gunstig ingeschat (figuur 2.1). Voor 12 soorten (20 %) is ze matig ongunstig en voor 14 soorten (24 %) zeer ongunstig. Voor negen soorten (15 %) zijn er onvoldoende gegevens om tot een uitspraak te komen. In grote lijnen scoorde iets minder dan de helft van

46


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

de soorten gunstig bij zowel de terrestrische, semi-aquatische als bij de aquatische soorten waarvoor de toekomstperspectieven konden opgesteld worden (figuur 2.2).

1.2 Verstoring en bedreiging Bij het invullen van de habitatformulieren moesten de soortenpecialisten opgeven welke verstoringen de momenteel geobserveerde staat van instandhouding en trends hebben be誰nvloed (verstoring in het verleden tot op heden) en welke verstoringen in de toekomst de evolutie van de soorten kunnen/zullen be誰nvloeden (bedreiging in de toekomst). Daarvoor werd een gestandaardiseerde lijst van mogelijke verstoringsfactoren opgegeven door de EU. Voor de interpretatie van de volgende tabellen moet men er rekening mee houden dat de opgegeven waarden het aantal soorten zijn waarbij de verstoring werd opgetekend. Dit betekent niet per se dat de meest opgetekende verstoringsfactor ook de grootste verstoring veroorzaakt. Voor alle soorten gecombineerd werden 65 verschillende verstoringsfactoren gemeld (tabel 2.4). De meest voorkomende zijn waterverontreiniging (23 van de 59 soorten), vermesting (21 soorten) verwijdering van houtwallen en hagen (19 soorten) en gebruik van pesticiden (18).

Verstoring Waterverontreiniging

23

Vermesting

21

Verwijdering van hagen en houtwallen

19

Gebruik van pesticiden

18

Natuurlijke processen (genetische erosie door inteelt, verdwijnen van prooidieren)

18

Wijziging in de cultuurpraktijken

13

Verzuring

13

Drainering

12

Uitbreiding ge端rbaniseerde gebieden, bewoning

9

Herstructurering van het landbouwareaal, verkavelen

8

Beheer van waterniveaus

8

Kanalisatie

8

Opvullen van grachten, meren, dijken, poelen, moerassen, putten

8

Wijziging van de structuur der rivieren

8

Totaal aantal soorten

Tabel 2.4: Meest vermelde verstoringen voor alle 59 soorten [brongegevens: 150].

Aantal soorten

59

Voor aquatische soorten werden er in totaal 22 verstoringsfactoren gemeld waarvan waterverontreiniging en vermesting de belangrijkste zijn (tabel 2.5). Zij worden voor acht van de tien soorten gemeld. Andere factoren die bij meer dan de helft van de habitats voorkomen, zijn uitbreiding ge端rbaniseerde gebieden en bewoning (zeven soorten), kanalisatie (vijf soorten), het opvullen van grachten, meren, dijken, poelen, moerassen en putten (vijf soorten) en verwijderen van sediment (vijf soorten). Er is geen verschil tussen de historische en toekomstige verstoringsfactoren.

47


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Tabel 2.5: Meest vermelde verstoringen voor aquatische soorten [brongegevens: 150].

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Vermesting

8

8

Waterverontreiniging

8

8

Uitbreiding geĂźrbaniseerde gebieden, bewoning

7

7

Kanalisatie

5

5

Opvullen van grachten, meren, dijken, poelen, moerassen, putten

5

5

Verwijdering van sedimenten

5

5

Wijziging van de structuur der rivieren

5

5

Beheer van water- of oevervegetatie voor draineringsdoeleinden

3

3

Aanpassingen oevers (dijken, kunstmatige stranden, â&#x20AC;Ś)

3

3

10

10

Totaal aantal soorten

#02

Voor de semi-aquatische soorten worden 28 verschillende verstoringsfactoren gemeld (tabel 2.6). Ook hier is waterverontreiniging de verstoring die voor de meeste soorten (12 van de 16) een probleem vormt. Andere belangrijke verstoringen zijn drainering en vermesting. Herstructurering van het landbouwareaal en verkaveling, die in het verleden een probleem vormden voor zeven soorten, zouden in de toekomst nog maar voor vier soorten een probleem vormen.

Tabel 2.6: Meest vermelde verstoringen voor semiaquatische soorten [brongegevens: 150].

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Waterverontreiniging

12

12

Drainering

9

9

Vermesting

7

7

Herstructurering van het landbouwareaal; verkavelen

7

4

Verzuring

6

6

Wijziging in de hydrologische functies

6

6

Beheer van waterniveaus

6

6

Verwijdering van hagen en houtwallen

4

4

Opvullen van grachten, meren, dijken, poelen, moerassen, putten

4

3

Natuurlijke processen (genetische erosie door inteelt, verdwijnen van prooidieren)

3

3

Kanalisatie

3

3

Wijziging van de structuur van de rivieren

3

3

16

16

Totaal aantal soorten

48


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Voor terrestrische soorten ten slotte werden 43 verschillende verstoringsfactoren vermeld (tabel 2.7). Gebruik van pesticiden (16 van de 33 soorten) en verwijdering van houtwallen (15 soorten), blijven een probleem in de toekomst. Een aantal land- en bosbouwtechnieken worden als minder bedreigend aanzien in de toekomst (kaalkap van bos van 17 naar vier soorten, herstructurering van landbouwareaal van 15 naar vier soorten), verwijdering van ondergroei van 13 naar ĂŠĂŠn soort). De terrestrische groep wordt sterk gedomineerd door vleermuizen (16 soorten). Indien we de vleermuizen buiten beschouwing laten zijn vermesting en verzuring de belangrijkste verstoringsfactoren (beide voor 6 soorten).

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Kaalkap van bos

17

4

Gebruik van pesticiden

16

16

Natuurlijke processen

15

15

Verwijdering van hagen en houtwallen

15

15

Herstructurering van het landbouwareaal, verkavelen

15

4

Verwijdering van ondergroei

13

1

Wijziging in de cultuurpraktijken

10

13

Aaneengesloten urbanisatie (steden)

9

1

Vermesting

6

6

Competitie (successie)

6

4

Verzuring

5

6

Wegen en autowegen

5

5

Luchtverontreiniging

5

4

Betreding, (over)recreatie

4

4

33

33

Tabel 2.7: Meest vermelde verstoringen voor terrestrische soorten [brongegevens: 150].

(genetische erosie door inteelt, verdwijnen van prooidieren)

Totaal aantal soorten

49


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

02 Beleid Het beleid rond de implementatie van de Habitatrichtlijn wordt uitgebreid besproken in hoofdstuk 9 Habitatrichtlijn. Dat hoofdstuk besteedt aandacht aan een aantal sleutelfasen in de planning, instrumentering en uitvoering van de richtlijn. In dit hoofdstuk zal meer specifiek ingegaan worden op het soortenbeleid. Belangrijk om op te merken is dat volgens de Habitatrichtlijn de beoordeling van de soorten uitgaat van de biogeografische regioâ&#x20AC;&#x2122;s (Atlantisch, continentaal) die veel groter zijn dan Vlaanderen. De beoordeling (bv. afbakening referentieoppervlakte en referentieareaal) en bescherming van de soorten van de Habitatrichtlijn kan/moet dus in overleg met de buurlanden geregeld worden.

2.1 Beleidsplanning en -instrumentering Lijst Habitatrichtlijnsoorten in Vlaanderen Het onderzoek [150] doorgevoerd in functie van het Europese rapport over de staat van instandhouding van de soorten van de Habitatrichtlijn bracht aan het licht dat er zes soorten aangetroffen werden die niet opgenomen zijn in het Vaststellingsbesluit2 of het Natuurdecreet3 en niet aangemeld zijn bij de EU:

#02 Tabel 2.7: Meest vermelde verstoringen voor terrestrische soorten [brongegevens: 150].

Bijlage II

Bijlage IV

AmfibieĂŤn

Poelkikker

1

Insecten

Rivierrombout

1

Insecten

Spaanse vlag

1

Slakken

Platte schijfhoren

1

Zoogdieren

Europese bever

1

1

De Spaanse vlag, platte schijfhoren en Europese bever zijn Bijlage II-soorten. Dit betekent dat er voor deze soorten Habitatrichtlijngebieden moeten worden afgebakend. Een volledige opname van alle waargenomen Bijlage II-soorten in de bijlagen van het Natuurdecreet (en in de aanwijzingsbesluiten in voorbereiding) is van belang omdat deze soorten anders slechts een beperkte juridische beschermingsstatus hebben, zelfs indien ze zich binnen een aangewezen Habitatrichtlijngebied bevinden (zie hoofdstuk 9 Habitatrichtlijn). Strikte bescherming van de in Vlaanderen voorkomende soorten Bijlage II van de Habitatrichtlijn bevat soorten waarvoor Speciale Beschermingszones afgebakend dienen te worden. Daarbinnen moeten instandhoudingsmaatregelen ervoor zorgen dat een gunstige staat van instandhouding (zie 1.2 Evaluatiecriteria) van de aanwezige soorten wordt verzekerd. Bijlage IV van de 2) Besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones (BS 17/8/2002) 3) Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006)

50


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Habitatrichtlijn bevat een aantal soorten waarvoor de lidstaten strikte beschermingsmaatregelen dienen te nemen, zowel binnen als buiten de Habitatrichtlijngebieden (Habitatrichtlijn, art.12-13). Die soorten mogen niet worden gevangen, gedood, verstoord, geplukt of verkocht. Daarnaast mag hun leefgebied niet worden aangetast. 22 van de Bijlage II-soorten en 33 van de Bijlage IV-soorten van Habitatrichtlijn werden opgenomen in respectievelijk Bijlage II en Bijlage III van het Natuurdecreet en zijn dus beschermd zoals door de Habitatrichtlijn aangegeven. 35 soorten van Bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn worden ook beschermd door het KB van 22 september 1980 ter bescherming van in het wild levende inheemse diersoorten. Dit zijn alle amfibieën, uitgezonderd bruine en groene kikker (acht soorten), vliegend hert, alle libellen (twee soorten), de Europese bever (nog niet aangemeld), hamster, otter, hazelmuis, alle vleermuizen (19 soorten), en alle reptielen (één soort). Daarnaast is ook de groene knolorchis (Bijlage II) integraal beschermd door het KB van 16 februari 1976 ter bescherming van bepaalde in het wild groeiende plantensoorten. Bijlage V van de Habitatrichtlijn lijst soorten op die mogen geëxploiteerd of bejaagd worden indien ze in een gunstige staat van instandhouding blijven. Alle 12 soorten van die lijst worden beschermd door het KB van 22 september 19804 ter bescherming van in het wild levende inheemse diersoorten (tabel 2.9), het KB van 16 februari 19765 ter bescherming van in het wild groeiende plantensoorten (tabel 2.9) of het Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij6 (tabel 2.9).

Groep

Matig ongunstig

Amfibieën

Bruine kikker Meerkikker Middelste groene kikker

Zeer ongunstig Mogen niet gevangen of gedood worden tenzij met vergunning Leefplaats niet beschermd (KB 22 september 1980)

Hogere planten

Wolfsklauwen

Integraal beschermd (KB 16 februari 1976, lijst A)

Korstmossen

Rendiermossen

Mossen

Veenmossen

Uittrekken of oogsten in de natuur, vervoer en uitvoer enkel verboden indien voor handels- of industriële doeleinden (KB 16 februari 1976, lijst C)

Slakken

Wijngaardslak

Vissen & rondbekken Barbeel Fint

Mag niet gevangen worden in het wild (KB 22 september 1980) Beperkt vangstverbod (B.Vl.Reg. 20 mei 1992) Volledig vangstverbod (B.Vl.Reg. 20 mei 1992)

Rivierprik Zoogdieren

Boommarter Bunzing

Jachtwild waarvoor jacht gesloten (heropening juridisch mogelijk)

4) Koninklijk besluit van 22 september 1980 houdende maatregelen, van toepassing in het Vlaamse Gewest, ter bescherming van bepaalde in het wild levende inheemse diersoorten, die niet onder de toepassing vallen van de wetten en besluiten op de jacht, de riviervisserij en de vogelbescherming (BS 31/10/1980) 5) Koninklijk besluit van 16 februari 1976 houdende maatregelen ter bescherming van bepaalde in het wild groeiende plantensoorten (BS 24/03/1976) 6) Besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 1992 tot uitvoering van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij (BS 4/09/1992)

51

Tabel 2.9: Beschermde Bijlage V-soorten van de Habitatrichtlijn.


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

2.2 Beleidsuitvoering Soortbeschermingsplannen Een instrument binnen het soortenbeleid om het behoud van soorten te verwezenlijken is het opstellen van soortbeschermingsplannen (zie ook hoofdstuk 1 Soorten). In totaal zijn er voor 24 van de 59 voorkomende soorten van de Habitatrichtlijn soortbeschermingsplannen opgesteld. Dat zijn de amfibieën boomkikker [226] en vroedmeesterpad [225], de vissen beekprik [172], kleine modderkruiper en rivierdonderpad [173] en de zoogdieren hamster [187], hazelmuis [214] en 17 soorten vleermuizen [216]. In maart 2007 is ANB ook begonnen met het opstellen van een soortbeschermingsplan voor knoflookpad. Voor 22 soorten (beekprik, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, hazelmuis, hamster, vleermuizen) worden deze soortbeschermingsplannen momenteel in mindere of meerdere mate uitgevoerd of is de uitvoering net opgestart. Voor vier soorten (Europese bever, bittervoorn, grote modderkruiper, rivierprik) worden acties (zie verder) ondernomen zonder dat er soortbeschermingsplannen voor opgesteld zijn. Hieronder beschrijven we kort de plannen die in uitvoering zijn. Hamster

#02

De hamster is een Bijlage IV-soort. Eind 2004 werden te beschermen hamsterkerngebieden afgebakend in Bertem-Leefdaal en Hoegaarden (Vlaams-Brabant), Heers-Widooie en Bilzen-Riemst (Limburg). In 2005 werd de graanoogst opgekocht (niet in Hoegaarden). Het gekochte graan bleef op de akker staan tot november waarna het door de landbouwer werd ondergewerkt. De bedoeling was om de hamsters te verzekeren van voldoende voedsel, wintervoorraad en bescherming tegen predatoren. In totaal werd 18,5 ha graan opgekocht. Voor 2006 werd door ANB een speciaal hamstervriendelijk beheer uitgewerkt. Dat omvat een teeltrotatie die in elk seizoen permanente beschutting tegen predatoren en voldoende voedsel voorziet. Het beheer wordt toegepast in de gebieden Heers-Widooie en Bertem-Leefdaal voor een periode van 6 jaar. Dankzij de zeer goede samenwerking met de landbouwsector kon ANB meer dan 32 hectare hamstervriendelijk laten beheren. Daarnaast biedt de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) de kans aan landbouwers om een hamsterbeheerovereenkomst af te sluiten. Die beheerovereenkomsten hebben tot doel het areaal van hamstervriendelijke akkers uit te breiden. Momenteel zijn voor 6 ha overeenkomsten afgesloten. Genetisch onderzoek uitgevoerd in Nederland wees uit dat onze Vlaamse populaties een inteeltcoëfficiënt van 82 % vertonen. Dat zou mogelijk gevolgen kunnen hebben op het voortbestaan van deze populaties. Daarom werden op 31 mei 15 vrouwelijke hamsters uitgezet in Bertem en 15 in Widooie om de genetische diversiteit te verhogen. Ze waren afkomstig van twee Bertemse mannetjes, gebruikt in het Nederlandse kweekprogramma met Nederlandse vrouwtjes. Enkele weken later werden ook 30 mannetjes vrijgelaten. Alle vrijgelaten dieren zijn voorzien van een microchip (om dieren individueel te kunnen herkennen), een derde met een zender. Deze laatste kunnen dus individueel opgevolgd worden. Daarnaast is er een jaarlijkse monitoring van de burchten. Ten slotte zullen ook de nakomelingen verder genetisch gescreend worden. Europese bever De Europese bever (Bijlage II) is aanwezig in Vlaanderen sinds 2000 via kolonisatie uit Wallonië en Nederland en via herintroductie [NARA 2005]. De soort is nog niet aangemeld bij Europa en er zijn nog

52


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

geen Habitatrichtlijngebieden voor aangeduid. Er is ook geen soortbeschermingsplan opgesteld. Kort na de reïntroductie werden studies uitgevoerd naar de haalbaarheid [147] en ontwikkeling [146] van beverpopulaties. In 2006 werd de studie Overwegingskader voor de aanwezigheid van de Europese bever in Vlaanderen afgerond [95]. De doelstellingen van de studie waren: ! literatuurstudie naar de impact van de Europese bever op het waterloopbeheer, in het bijzonder de

aantasting van dijken; ! het opstellen van een voorstel van een afwegingskader; ! omschrijven van zowel stimulerende maatregelen als maatregelen om schade te vermijden (zowel

aan de populatie als aan waterlopen). Volgens de studie zou de Europese bever geheel Vlaanderen kunnen koloniseren. Gebaseerd op een combinatie van de ecologie van de soort en beleidsmatige overwegingen werden gebieden bepaald die mogelijk geschikt zouden zijn voor de soort. De aanbevelingen worden nu doorvertaald naar praktische afspraken met de waterbeheerders in het kader van het beheer van de waterlopen. Vleermuizen Het begin 2007 opgestarte LIFE-project BatAction [250] is gericht op de bescherming van de meervleermuis (Bijlage II en IV), de ingekorven vleermuis (Bijlage II en IV) en de bechsteins vleermuis (Bijlage II en IV). Het is de bedoeling om het complexe netwerk (zomer- en winterverblijfplaatsen, voedselgebieden, routes tussen die gebieden) waarbinnen de vleermuizen leven, beter te beschermen. Men gaat er daarbij van uit dat dit ook andere vleermuissoorten ten goede zal komen. Naast het LIFE-project zijn er verschillende individuele acties (o.a. beheer forten, mergelgroeves, ijskelders, kerkzolders) uitgevoerd door ANB, gemeentes, provincies en ngo’s zoals natuurpunt en JNM, die toegespitst zijn op vleermuizen. Hazelmuis In 2007 werd een soortbeschermingsplan voor de hazelmuis (bijlage IV) opgesteld door de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt [214]. De voorgestelde maatregelen worden o.a. opgenomen in de in opmaak zijnde beheerplannen voor de Voerense bosreservaten Broekbos, Veursbos en Teuvenerberg. Vanaf 2007 zullen maatregelen uitgevoerd worden en start de Zoogdierenwerkgroep met monitoring in samenwerking met ANB Limburg, INBO en de Gemeente Voeren. Ondertussen houden diverse lokale actoren reeds rekening met de hazelmuis: ! Het Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren zorgde ervoor dat het snoeien van de houtkant

langs de halfholle weg naast het Konenbos minimaal bleef. Er werd ook beslist om de holle weg naast het Broekbos niet opnieuw open te maken, maar verder te laten verruigen ten voordele van de hazelmuis. ! Een privé-eigenaar beperkte het snoeien van het braamstruweel tussen zijn wijngaard en het

Broekbos tot het hoogstnodige i.p.v. die terug te zetten tot tegen de bosrand. ! De gemeente Voeren werkt in de zomer van 2007 een actieplan voor de hazelmuis af in het kader

van de actie Gemeenten adopteren Limburgse soorten.

53


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Vissen ANB heeft in 2006 soortherstel- en soortbeschermingsplannen voor de Bijlage II-vissoorten beekprik, bittervoorn, grote en kleine modderkruiper, rivierdonderpad en rivierprik opgemaakt. In het kader van de opmaak van de bekkenbeheerplannen zijn per rivierbekken concrete doelstellingen opgesteld en zijn voor elke vissoort beheermaatregelen opgelijst. Via de werkgroep Ecologisch Waterbeheer van de CoĂśrdinatiecommissie Integraal Waterbeleid worden de nodige afspraken gemaakt met de waterbeheerders om de beheermaatregelen in het kader van de soortherstel- en soortbeschermingsprogrammaâ&#x20AC;&#x2122;s op het terrein te implementeren.

03 Kennis De lidstaten zijn verplicht om een monitoringsprogramma op te stellen voor de soorten van de Habitatrichtlijn en dat zowel binnen als buiten Habitatrichtlijngebied (art. 11 van de Habitatrichtlijn). Vanaf 2013 zal de zesjaarlijkse rapportering van de staat van instandhouding van de Habitatrichtlijnsoorten ook op die monitoring gebaseerd moeten zijn. Momenteel wordt er monitoring uitgevoerd voor vissen, vleer-

#02

muizen (tellingen winterverblijfplaatsen) en gedeeltelijk voor hamster. Voor de hazelmuis begint de Zoogdierenwerkgroep van Natuurpunt in 2007 met een gestandaardiseerde monitoring in Voeren. De gegevens zullen samen met de Nederlandse monitoringsgegevens verwerkt worden [215] om zo een duidelijk beeld te krijgen van de status en evolutie van de grensoverschrijdende hazelmuispopulatie. Voor de andere soorten is er geen monitoringsplan. Die moeten hoogdringend opgesteld worden zodat ze ook effectief kunnen worden uitgevoerd. Zoals uit de hogere beschrijving blijkt, zijn van een aantal soorten nog maar weinig gegevens beschikbaar (status onbekend in tabel 2.1). Voor negen soorten (meerkikker, poelkikker, gladde slang, platte schijfhorenslak, wijngaardslak, bechsteins vleermuis, bosvleermuis, mopsvleermuis, vale vleermuis) was het onmogelijk om de staat van instandhouding te bepalen. Voor vier soorten (meerkikker, poelkikker, platte schijfhorenslak, wijngaardslak) is het zelfs onbekend waar zij in Vlaanderen voorkomen. Voor de monitoring kan opstarten is het eerst nodig om een inventarisatie uit te voeren. Het Habitatrichtlijnrapport van 2007 [150] geeft de staat van instandhouding van de verschillende soorten weer. Dit document moet als basis dienen voor de ontwikkeling van de instandhoudingsdoelstellingen op Vlaams niveau. Daarnaast worden de lidstaten ook verplicht om instandhoudingsdoelstellingen op te stellen voor de verschillende Habitatrichtlijngebieden (zie hoofdstuk 9 Habitatrichtlijn). Deze instandhoudingsdoelstellingen moeten dan de basis vormen van instandhoudingsmaatregelen. Daarvoor is een goede kennis nodig van de ecologische kenmerken van de soorten gebaseerd op wetenschappelijke gegevens. Deze laatste ontbreken nog voor veel soorten.

54


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #02 Soorten van de Habitatrichtlijn

Met medewerking van: Thierry Backeljau - Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen Dirk Bauwens - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Geert De Knijf - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Sandrine Godefroid - Leefmilieu Brussel, BIM Ludo Holsbeek - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Alex Lefevre - Vleermuiswerkgroep Natuurpunt vzw Ilse Simoens - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Arno Thomaes - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Koen Van Den Berge - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Ben Van Der Wijden - Leefmilieu Brussel, BIM Wouter Van Landuyt - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Gerlinde Van Thuyne - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Goedele Verbeylen - Natuurpunt Studie vzw Véronique Verbist - Agentschap voor Natuur en Bos Bart Vercoutere - Haskoning Glenn Vermeersch - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Nico Verwimp - Agentschap voor Natuur en Bos Kristof Vlietinck – Agentschap voor Natuur en Bos Lectoren Irene Bouwma – Alterra, Wageningen University and Research Joachim De Maeseneer - Agentschap voor Natuur en Bos Marc Herremans - Natuurpunt Studie vzw Gerald Louette - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Jean-Pierre Maelfait - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Els Martens - Agentschap voor Natuur en Bos Arno Thomaes - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Koen Van Den Berge - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Mark van Veen - Milieu- en Natuurplanbureau Axel Verachtert - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Goedele Verbeylen - Natuurpunt Studie vzw Véronique Verbist - Agentschap voor Natuur en Bos

55


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Habitats van de Habitatrichtlijn Luc De Bruyn, DesirĂŠ Paelinckx Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! Twee habitats verkeren in een gunstige, zeven in een matig ongunstige en 37 in

een zeer ongunstige staat van instandhouding. ! Water- en luchtverontreiniging zijn de verstoringsfactoren die voor de meeste

habitats als een bedreiging vermeld worden.

#03 I

De staat van instandhouding van de soorten van Europees belang

In juni 2007 waren alle EU-lidstaten verplicht, in het kader van de zesjaarlijkse rapportering over de vordering rond de implementatie van de EU-Habitatrichtlijn1, een uitgebreide rapportering in te dienen (artikel 17 van de Habitatrichtlijn). Die rapportering houdt onder meer in dat er per habitat van de richtlijn (bijlage I) een staat van instandhouding wordt aangegeven op niveau van de biogeografische regioâ&#x20AC;&#x2122;s binnen de lidstaten. Daarbij eist de EU een rapportering over het hele grondgebied, zowel binnen als buiten de Habitatrichtlijngebieden. Het uiteindelijke doel van de zesjaarlijkse rapportering is om de vordering van de implementatie van de Habitatrichtlijn en het succes ervan op te volgen op Europese schaal. Mocht uit de rapportering op termijn blijken dat de implementatie van de richtlijn de achteruitgang van de habitats niet of onvoldoende kan ombuigen in een positieve trend dan kan de richtlijn bijgestuurd worden. De EU heeft met de rapportering 2007 volgende punten voor ogen: ! een eerste maal de staat van instandhouding en de daarbijhorende aspecten op een EU-schaal ten

gronde te benaderen (opstellen referentiekader); ! de evaluatie van reeds waargenomen wijzigingen (positieve of negatieve trends) t.o.v. het tijdstip

van het van kracht worden van de Habitatrichtlijn (1994). Dit gebeurt zowel op het niveau van de lidstaten als op het niveau van de EU. Er wordt ook gezocht naar mogelijke verklaringen.

1) Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22/7/1992)

56


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

01 Toestand Cruciaal voor het aanvatten van de toestandsbeschrijving is het hanteren van de juiste omschrijving van de habitattypes [180]. De toestandsbeschrijving in dit hoofdstuk is gebaseerd op het rapport dat België afgeleverd heeft aan Europa voor de Belgische Atlantische regio (België ten noorden van Samber en Maas) [150]. Gezien het grootste deel van de habitats voor 100 % op Vlaams grondgebied liggen (tabel 3.1) en voor de overige er geen verschil is tussen het Vlaams en Waalse deel van de regio konden de bevindingen in dat rapport overgenomen worden. Een gedetailleerde rapportering van de habitats en een meer gedetailleerde beschrijving van de gebruikte methoden, kan worden gevonden in het rapport aan Europa [150]. STAAT VAN INSTANDHOUDING Gunstig

Matig ongunstig

Zeer ongunstig

Onbekend

Oppervlakte

Oppervlakte stabiel of Tussen 'gunstig' en 'zeer Verlies oppervlakte >1 Geen of onvoldoende % per jaar OF wezenlij- betrouwbare informatie toenemend EN niet ongunstig' ke veranderingen in kleiner dan de referenverspreidingspatroon tieoppervlakte voor binnen het areaal OF gunstige staat EN geen oppervlakte >10 % wezenlijke veranderinkleiner dan referentiegen in het verspreioppervlakte voor gundingspatroon binnen stige staat het areaal

Areaal

Areaal stabiel of toene- Tussen 'gunstig' en 'zeer mend EN niet kleiner ongunstig' dan het referentieareaal voor gunstige staat

Verlies areaal >1 % per Geen of onvoldoende jaar OF de oppervlakte betrouwbare informatie >10 % kleiner dan referentieareaal voor gunstige staat

Kwaliteit

Structuur en functie Tussen 'gunstig' en 'zeer (inclusief typische ongunstig' soorten) in goede staat EN geen wezenlijke verslechtering

Op >25 % van de oppervlakte is de structuur en functie ongunstig

Geen of onvoldoende betrouwbare informatie

Toekomstperspectief

Toekomstperspectief Tussen 'gunstig' en 'zeer De vooruitzichten zijn ongunstig' uitstekend of goed; de belangrijkste bedreigingen zijn niet wezenlijk; het habitattype zal op lange termijn levensvatbaar zijn

Sterke negatieve invloed van bedreiging op de soort; slechte vooruitzichten; levensvatbaarheid op lange termijn in gevaar

Geen of onvoldoende betrouwbare informatie

Globale beoordeling

Alles 'gunstig' of drie 'gunstig' en één 'onbekend'

Eén of meer 'matig Eén of meer 'zeer ongunstig', maar geen ongunstig' 'zeer ongunstig'

Twee of meer 'onbekend', gecombineerd met alleen 'gunstig'

In totaal komen 47 van de habitats van de Habitatrichtlijn voor in Vlaanderen (tabel 3.1). Die habitats kunnen worden opgedeeld in boshabitats, graslandhabitats (inclusief ruigten), heidehabitats (inclusief binnenlandse duinen), kustduinhabitats, zoetwaterhabitats (riviergebonden habitats en stilstaande wateren), moerashabitats en slikken en schorren. Habitats 1130 (estuaria) en 8130 (niet voor publiek opengestelde grotten) vallen buiten deze categorieën.

57

Tabel 3.2: Criteria gehanteerd voor de beoordeling van de staat van instandhouding voor de habitats van de Habitatrichtlijn [bron: 76].


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Tabel 2.1: Overzichtstabel van de beoordeling van de soorten [brongegevens: 150].

Legende A Aquatisch

S Semi-aquatisch

T Terrestrisch

"

"

"

Kwaliteit

Toekomst

Globaal

Onbekend

Areaal

Code Naam

"

Zeer ongunstig Oppervlak

Matig ongunstig

% in Vlaanderen

Gunstig

100

"

"

"

"

"

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" "

" " " " " " "

" " " " " " "

" " " " " " "

" " " " " " "

Estuaria 1130

Estuaria

Slikken en schorren

#03

1140

Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten

100

1310

Eenjarige pioniersvegetaties van slik en zandgebieden met Salicorniasoorten en andere zoutminnende planten

100

1320

Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae)

100

1330

Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae)

100

Kustduinen 2110

Embryonale wandelende duinen

100

2120

Wandelende duinen op de strandwal met helm (witte duinen)

100

2130

Vastgelegde duinen met kruidvegetatie (grijze duinen)

100

2150

EU-Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetae) 100

2160

Duinen met duindoorn

100

2170

Duinen met kruipwilg ssp. Argentea (Salicion arenaria)

100

2180

Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale kustgebied

100

" " " " " " "

2190

Vochtige duinvalleien

100

"

"

"

"

"

100

" " " " " "

" " " " " "

" " " " " "

" " " " " "

Binnenlandse duinen + heiden 2310

Psammofiele heide met struikheide- en brem-soorten

2330

Open grasland met buntgras- en struisgrassoorten op landduinen > 99

4010

Noord-Atlantische vochtige heide met dopheide

> 99

4030

Droge Europese heide

> 99

5130

Juniperus communix-formaties in heide of kalkgrasland

100

7150

Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion

> 99

" " " " " "

Zoet water 3110

Mineraalarme oligotrofe wateren van de Atlantische zandvlakten (Littorelletalia uniflora)

100

"

"

"

"

"

3130

Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie 100 behorend tot de Littorelletalia uniflora en/of de Isoeto-Nanojuncetea

"

"

"

"

"

3140

Kalkhoudende oligo-mesotrofe stilstaande wateren met benthische kranswier spp. vegetaties

"

"

"

"

"

58

96


% in Vlaanderen

Oppervlak

Areaal

Kwaliteit

Toekomst

Globaal

Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

3150

Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharitio

62

"

"

"

"

"

3160

Dystrofe natuurlijke poelen en meren

100

3260

Submontane rivieren en laaglandrivieren met vegetaties 67 behorend tot het Ranunculion fluitans en het Callitricho-Batrachion

" "

" "

" "

" "

" "

3270

Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri en Bidention

100

"

"

"

"

"

100

" "

" "

" "

" "

" "

"

"

"

"

"

Code Naam

Graslanden 6120

Kalkminnend grasland op dorre zandbodem

6210

Droge halfnatuurlijke graslanden en struikvormende facies op 100 kalkhoudende substraten (Festuco-Brometalia) (*gebieden waar opmerkelijke orchideeĂŤn groeien) Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berg- 100 gebieden (en van submontane gebieden in binnenland Europa)

6230 6410

Grasland met pijpenstrootje op kalkhoudende, venige of lemige 100 kleibodem (EU-Molinion)

"

"

"

"

"

6430

Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland

6510

Laaggelegen schraal hooiland (grote vossenstaart, grote pimpernel) 50

" "

" "

" "

" "

" "

" " " " "

" " " " "

" " " " "

" " " " "

" " " " "

"

"

"

"

"

" "

" "

" "

" "

" "

" " "

" " "

" " "

" " "

" " "

" " "

" " "

" " "

" " "

" " "

"

"

"

"

"

50

Moerassen 7110

Actief hoogveen

100

7140

Overgangs- en trilveen

> 99

7210

Kalkhoudende moerassen met galigaan en veenzegge

100

7220

Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)

80

7230

Alkalisch laagveen

100

Grotten 8310

Niet voor het publiek opengestelde grotten

Bossen 9110

Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum

0,02

9120

Atlantische zuurminnende beukenbossen met hulst en soms taxus in ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion)

80

9130

Beukenbossen van het type Asperulo-Fagetum

20

9150

Kalk beukenbos (Cephalanthero-Fagion)

25

9160

Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eikenhaagbeukbossen behorend tot het Carpinion-betuli

30

9190

Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met zomereik

38

91D0

Veenbossen

100

91E0

Bossen op alluviale grond met zwarte els en gewone es (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae)

60

91F0

Gemengde oeverformaties met zomereik, steel- en gladde iep, 100 gewone of smalbladige es, langs grote rivieren (Ulmenion minoris)

59


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Figuur 3.1: Synthese van de beoordeling van de habitats van de Habitatrichtlijn. Aantal habitats per staat van instandhouding [brongegevens: 150].

Globaal 1

2

7

Gunstig Matig ongunstig Zeer ongunstig Onbekend

37

Areaal

Oppervlakte

10

#03

15

14

28 9

18

Kwaliteit

Toekomst 2

3

11

9 16

18

60

2

33


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

1.1 2010-indicator: de staat van instandhouding van de habitats van Europees belang De staat van instandhouding van de habitats van de Habitatrichtlijn wordt geëvalueerd op basis van vier criteria: de oppervlakte van de habitat, het areaal, de kwaliteit en de toekomstverwachtingen. Die zullen verder in de tekst besproken worden. De staat van instandhouding van habitats wordt geklasseerd als gunstig, matig ongunstig of zeer ongunstig [76]. De criteria voor die scores zijn samengebracht in tabel 3.2. Globale evaluatie Drie kwart (37) van de habitats krijgen een zeer ongunstige score omdat minstens één van de criteria zeer ongunstig scoort (figuur 3.1). Daarnaast zijn er nog zeven habitats (15 %) die een matig ongunstig krijgen. Dit betekent dat er slechts twee habitats zijn die over de ganse lijn een gunstige score halen: één slikken en schorren-habitat (1140 - Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten) en één kustduinhabitat (2160 - Duinen met duindoorn). Twee moerashabitats, één heidehabitat, twee graslandhabitats, en twee boshabitats scoren nog matig ongunstig. Voor één habitat is de staat van instandhouding onbekend. Belangrijk voor de evaluatie van de oppervlakte en het areaal van de habitat zijn de referentieoppervlakte en het referentieareaal die nodig zijn voor een gunstige staat van instandhouding. Volgens de EU-handleiding voor de rapportering [76] is dit ‘de oppervlakte / het areaal die of dat groot genoeg is om het langetermijnvoortbestaan van de habitat te garanderen’. Dat referentieoppervlak/areaal dient alle oppervlakten te omvatten noodzakelijk voor het herstel en de ontwikkeling van die habitats waarvoor de actuele oppervlakte of areaal gunstig is om de langetermijnlevensvatbaarheid te garanderen. Voorwaarde is dat de referentieoppervlakte en het referentieareaal op zijn minst even groot zijn als die aanwezig op het ogenblik dat de Habitatrichtlijn in de lidstaat van kracht werd. De referentieoppervlakte en het referentieareaal moeten zowel worden gezien in het licht van de gunstige staat van instandhouding van de typische soorten van dat habitattype, als in het licht van de noodzakelijke structuren en functies om de habitat te laten voortbestaan in een gunstige staat. Oppervlakte van de habitat De term ‘oppervlakte’ staat voor de actuele oppervlakte van de habitat, waarbij, tenzij anders vermeld, ‘actueel’ samenvalt met de periode van de opmaak van de BWK, versie 2, met name 1997-2006 (zie figuur 3.3 als voorbeeld). De criteria voor de evaluatie zijn samengebracht in tabel 3.2. Voor 15 habitats (32 %) krijgt de oppervlakte de beoordeling zeer ongunstig, voor 18 (38 %) is de staat van instandhouding matig ongunstig en voor 14 (30 %) is de evaluatie gunstig (figuur 3.1). Voor 33 habitats werd een ongunstige beoordeling gegeven omdat hun oppervlakte (veel) kleiner is dan de referentieoppervlakte. De bossen scoren het best voor de bossen qua oppervlakte (gunstig voor zes van de negen habitats). Geen enkele van de zeven waterhabitats en de vijf veen- en moerashabitats krijgt een gunstige evaluatie.

61


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Figuur 3.2: Beoordeling van de habitats van de Habitatrichtlijn gegroepeerd per biotoop [brongegevens: 150].

Globaal

Slikken en schorren Moerassen Zoet water Kustduinen

Gunstig Matig ongunstig Zeer ongunstig Onbekend

Heide en binnenlandse duinen Graslanden Bossen 0

2

4

6

Oppervlakte

Slikken en schorren

#03

8

Areaal

Moerassen Zoet water Kustduinen

Heide en binnenlandse duinen Graslanden Bossen 0

2

4

6

8

0

2

4

6

Toekomst

Kwaliteit

Slikken en schorren

8

Moerassen Zoet water Kustduinen Heide en binnenlandse duinen Graslanden Bossen 0

62

2

4

6

8

0

2

4

6

8


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Figuur 3.3: Verspreidingskaart 6410 - Grasland met pijpenstrootje op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (EUMolinion) [brongegevens: 150].

Hoofdrivieren Oppervlakte Areaal Referentieareaal

Areaal van de habitat Het areaal volgt automatisch uit de oppervlakte omdat het gedefinieerd is als de kleinst mogelijke begrenzing rondom de oppervlaktevlekken (zie figuur 3.3 als voorbeeld). Daarbij worden er gaten in het verspreidingspatroon opgevuld zonder dat de habitat of de soort daar moet (kunnen) voorkomen. Die gaten worden niet opgevuld wanneer er een fysische barrière is. De criteria voor de evaluatie zijn samengebracht in tabel 3.2. Normaal wordt de trend bepaald tussen twee rapporteringen in (zes jaar dus), maar gezien dit de eerste rapportering is van de staat van instandhouding wordt in de EU-handleiding [76] aanbevolen de trend in te schatten t.o.v. het van kracht worden van de Habitatrichtlijn in de lidstaat. Daarom wordt de trendperiode, tenzij anders vermeld, vastgelegd op 1994-2006. Er zijn doorgaans onvoldoende data om de actuele waarden te vergelijken met die van 1994 zodat de trend wordt ingeschat via expertenbeoordeling. Voor 18 habitats is het huidige areaal kleiner dan het referentieareaal. Het betreft voornamelijk aquatische habitats en heide- en moerashabitats. Voor die habitats is het huidige areaal te klein om het voortbestaan op lange termijn te garanderen. Er zijn 10 habitats (21 %) die een zeer ongunstige score kregen voor het areaal en negen (19 %) scoorden matig ongunstig. Voor 28 habitats (60 %) is het areaal wel voldoende om een gunstige evaluatie te krijgen. Net zoals bij de oppervlakte scoren de bossen weer goed, met een gunstige evaluatie voor acht van de negen habitats (figuur 3.2). Kustduinen (zeven van de acht) en heidehabitats (vijf van de zes) scoren ook goed. Vooral waterhabitats (geen enkele gunstig) en veen- en moerashabitats (ÊÊn van de vijf gunstig) scoren slecht. Kwaliteit van de habitats De kwaliteit (specifieke structuren en functie) omvat de verschillende ecologische processen en functies essentieel voor het langetermijnbehoud van de habitat. Voor de meeste habitats werd de kwaliteit gebaseerd op het gecombineerd voorkomen van typische soorten in de hokken van de floradatabank [258]

63


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

en/of de kwaliteit weergegeven in de Biologische Waarderingskaart [259]. Voor bossen worden de structuurvariabelen gebruikt die verzameld zijn tijdens de bosinventarisatie. Bij de beoordeling dient rekening gehouden te worden met de staat van instandhouding van de typische soorten van de habitat. Die werden geselecteerd uit Heutz & Paelinckx [103] op basis van de kenmerkendheid ervan voor de habitat. Details van de habitatspecifieke kwaliteitskenmerken en typische soorten van de habitats kunnen worden gevonden in het rapport aan Europa [150]. De criteria voor de evaluatiescore zijn samengebracht in tabel 3.2. 33 habitats (71 %) scoren zeer ongunstig en negen (19 %) matig ongunstig (figuur 3.1). Er zijn slechts twee habitats (4 %) die een gunstige evaluatie krijgen. Voor drie habitats waren er te weinig gegevens om tot een besluit te komen. De habitats met een zeer ongunstige score zijn verdeeld over alle habitatsklassen (figuur 3.2). Er is telkens ĂŠĂŠn met een gunstige beoordeling bij heiden, veen- en moerastypes en kustduinen. Toekomstperspectieven De toekomstperspectieven geven aan in hoeverre er belangrijke bedreigingen zijn en in hoeverre de

#03

levensvatbaarheid van het habitattype op lange termijn verzekerd is. Voor habitats waarvoor het areaal, de oppervlakte en de specifieke structuren en functies gunstig scoren en er geen voortdurende sterke bedreigingen zijn, worden de toekomstperspectieven gunstig ingeschat. De bedreigende factoren die in aanmerking genomen werden zijn onder meer die opgenomen onder punt 1.3 Verstoring en bedreiging. Daarnaast werd de beschermingsstatus van de habitat mee in acht genomen: is de habitat gelegen in een reservaat, militair domein, domeinbos, heeft hij een groene gewestplanbescherming of ligt hij in Habitatrichtlijngebied. Details van de criteria per habitat kunnen worden gevonden in het rapport aan Europa [150]. Voor 16 habitats (34 %) worden de toekomstperspectieven gunstig ingeschat (figuur 3.1). 18 habitats (39 %) scoren matig ongunstig en 11 (23 %) zeer ongunstig. Voor twee habitats zijn de toekomstperspectieven onbekend. De toekomstige verwachtingen zijn gunstig voor bossen (zes van de negen) en kustduinhabitats (vijf van de acht) (figuur 3.2). Voor alle andere habitatklassen zijn de verwachtingen veel slechter. Voor venen en moerassen en heides is er geen enkele habitat die een gunstig perspectief krijgt.

1.2 Verstoring en bedreiging Bij het invullen van de habitatformulieren moesten de habitatspecialisten opgeven welke verstoringen de momenteel geobserveerde staat van instandhouding en trends hebben beĂŻnvloed (verstoring in het verleden tot op heden) en welke verstoringen in de toekomst de gunstige staat van instandhouding van de habitats in sterke mate kunnen/zullen blijven bedreigen. Het betreft hier de instandhouding op Vlaamse schaal. Een bepaalde verstoringsfactor kan dus nog wel optreden op lokale schaal, maar niet bedreigend zijn voor het voortbestaan van de habitat op Vlaamse schaal. De EU leverde daarvoor een gestandaardiseerde lijst van mogelijke verstoringsfactoren. Voor de interpretatie van de volgende

64


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

tabellen moet men er rekening mee houden dat de opgegeven waarden het aantal habitats zijn waar de verstoring werd opgetekend. Dat betekent niet noodzakelijk dat de meest opgetekende verstoringsfactor ook de grootste verstoring veroorzaakt. Voor alle 47 habitattypes samen werden watervervuiling en luchtvervuiling opgegeven als verstorend bij het grootste aantal habitats (18 van de 47) (tabel 3.3). Ze blijven ook de belangrijkste bedreiging in de toekomst. Negen van de 12 verstoringen zouden in de toekomst voor minder habitats een probleem vormen. Vooral de uitbreiding van geürbaniseerde gebieden en bewoning, zand- en grindwinning, en buitensport- en vrijetijdsbesteding zullen in de toekomst voor veel minder habitats een probleem vormen.

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Watervervuiling

18

18

Luchtvervuiling

18

17

Drainering

17

12

Gemengde vormen van floracompetitie (vergrassing en verbossing heide, successie graslanden, successie watertypes)

16

13

Uitbreiding geürbaniseerde gebieden, bewoning

15

4

Vermesting

14

12

Buitensport- en vrijetijdsactiviteiten

12

7

Verzuring

12

11

Betreding, overgebruik

10

10

Dijken, oevers, kunstmatige stranden

9

9

Zand- en grindwinning

9

3

Totaal aantal habitats

47

47

Tabel 3.3: Meest voorkomende verstoringen voor alle 47 habitattypes [brongegevens: 150].

Voor bossen werden 29 verschillende soorten verstoring gemeld. Daarvan zouden nog 14 een probleem blijven vormen in de toekomst. Vermesting, verwijdering van dode en zieke bomen, luchtvervuiling, kunstmatige aanplantingen, verzuring, kaalkap van bossen, exploitatie zonder heraanplanting en algemeen bosbeheer waren voor zes of vijf van de negen boshabitats de meest vermelde verstoring (tabel 3.4). Van vermesting, luchtvervuiling, kunstmatige aanplantingen en verzuring wordt verwacht dat ze ook in de toekomst in evenveel habitats een probleem blijven vormen. Kaalkap wordt nog maar in twee habitats als bedreiging vermeld; verwijdering van dode bomen in één. Exploitatie zonder heraanleg valt weg als bedreigingen.

65


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Tabel 3.4: Meest voorkomende verstoringen voor boshabitats [brongegevens: 150].

#03

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Vermesting

6

6

Verwijdering van dode en zieke bomen

6

1

Luchtvervuiling

5

5

Kunstmatige aanplantingen

5

5

Verzuring

5

5

Kaalkap van bos

5

2

Algemeen bosbeheer

5

1

Exploitatie zonder heraanplanting

5

-

Uitbreiding geürbaniseerde gebieden, bewoning

4

4

Heraanplanting van bos

4

4

Industriële en handelsgebieden

4

4

Herstructurering van het landbouwareaal, verkavelen

4

-

Verwijdering van ondergroei

4

-

Totaal aantal habitats

9

9

Voor graslandhabitats worden 22 verstoringsfactoren gemeld waarvan er in de toekomst nog 19 een rol zouden spelen. De meest voorkomende verstoring is ‘Andere of gemengde vormen van floracompetitie’, die voor vijf van de zes habitats gemeld wordt (tabel 3.5). Dit is natuurlijke successie (verbossing), vervilting van de grasmat en het verdwijnen van soorten, processen die het rechtstreekse gevolg zijn van milieu-invloeden en/of onaangepast beheer. Men verwacht dat dit het grootste probleem zal blijven. Tabel 3.5: Meest voorkomende verstoringen voor graslandhabitats [brongegevens: 150].

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Gemengde vormen van floracompetitie (successie (verbossing) en vervilting grasmat)

5

5

Vermesting

5

4

Drainering

4

4

Luchtvervuiling

4

4

Wijziging in de cultuurpraktijken

4

4

Dijken, oevers, kunstmatige stranden, algemeen

3

3

Totaal aantal habitats

6

6

66


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Voor heidehabitats wordt vergrassing (pijpenstrootje) en verbossing gemeld als verstoringfactor bij alle zes de habitats (tabel 3.6). Andere belangrijke factoren zijn luchtvervuiling, bosaanplanten, militaire manoeuvres en het verlaten van extensieve begrazing. De laatste drie zouden in de toekomst wel een veel minder belangrijke rol gaan spelen. In totaal werden voor het verleden 17 verschillende verstoringstypes gerapporteerd, waarvan er nog 15 een rol zouden spelen in de toekomst. Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Vergrassing (pijpenstrootje) en verbossing

6

6

Luchtvervuiling

6

6

Bosaanplanting

5

3

Militaire manoeuvres

5

2

Verlaten van extensieve begrazing

4

-

Betreding, overgebruik

3

3

Buitensport- en vrijetijdsactiviteiten

3

3

Verzuring

3

2

Totaal aantal habitats

6

6

Tabel 3.6: Meest voorkomende verstoringen voor heidehabitats [brongegevens: 150].

Voor kustduinhabitats zijn er 11 verschillende verstoringsfactoren gemeld. Daarvan zouden er in de toekomst nog 10 een rol spelen. Competitie (verbossing, verstruweling en vergrassing) wordt gemeld voor zes van de acht habitats, zowel voor het verleden als voor de toekomst (tabel 3.7). De verstoringsfactor ‘Uitbreiding geürbaniseerde gebieden, bewoning’, nog gemeld voor 6 habitats in het verleden, speelt geen rol meer in de toekomst, o.a. dankzij het Duinendecreet2. Voor ‘Betreding, overgebruik’ en ‘buitensport- en vrijetijdsactiviteiten’ blijft de situatie hetzelfde.

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Competitie (verbossing, verstruweling en vergrassing)

6

6

Uitbreiding geürbaniseerde gebieden, bewoning

6

-

Betreding, overgebruik

4

4

Buitensport- en vrijetijdsactiviteiten

4

4

Totaal aantal habitats

8

8

Tabel 3.7: Meest voorkomende verstoringen voor kustduinhabitats [brongegevens: 150].

De belangrijkste verstoringen voor veen- en moerashabitats hebben te maken met verstoring van de waterhuishouding (tabel 3.8). In totaal werden 18 verstoringsfactoren vermeld waarvan er nog 14 in de toekomst een rol zullen spelen.

2) Decreet houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen van 14 juli 1993 (BS 31/08/1993) en gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994 (BS 30/12/1994), 29 november 1995 (BS 30/11/1995), 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998) en 18 januari 2002 (BS 13/02/2002)

67


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Tabel 3.8: Meest voorkomende verstoringen voor veen- en moerashabitats [brongegevens: 150].

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Drainering

4

3

Wijzigingen van de hydrologische voorwaarden

2

2

Vervuiling

3

2

Betreding, overgebruik

2

2

Luchtvervuiling

3

2

Totaal aantal habitats

5

5

In totaal werden 40 verschillende verstoringen gemeld voor habitats gebonden aan rivieren en stilstaande wateren (tabel 3.9). Dit is het meest van alle habitatgroepen. Slechts 18 daarvan zouden in de toekomst nog een rol spelen. De belangrijkste factoren, watervervuiling (alle zeven habitats) en vermesting (zes habitats), blijven wel een belangrijke rol spelen.

#03 Tabel 3.9: Meest voorkomende verstoringen voor waterhabitats [brongegevens: 150].

Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Watervervuiling

7

7

Vermesting

6

5

Windwerking, bladval en beschaduwing indien er bomen aangeplant worden op de oever

5

-

Uitbreiding geĂźrbaniseerde gebieden, bewoning

5

-

Opstapeling van organisch materiaal

5

-

Drainering

4

1

Natuurlijke successie

4

-

Buitensport- en vrijetijdsactiviteiten

4

-

Jacht-, visvangst- of verzameltechnieken

3

3

Verzuring

3

3

Dijken, oevers, kunstmatige stranden

3

2

Gebruik van pesticiden

3

1

Invasie door soorten

3

1

Beheer van waterniveaus

3

-

Uitdroging

3

-

Totaal aantal habitats

7

7

68


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Voor zilte habitats blijven de verstoringsfactoren gemeld voor het verleden en verwacht voor de toekomst praktisch dezelfde. Van de 13 factoren blijven er nog 12 een probleem in de toekomst. De factoren die voor de meeste habitats vermeld worden (watervervuiling 4 habitats; bootsport 3 habitats; erosie 3 habitats en scheepvaart 3 habitats) blijven dezelfde in de toekomst (tabel 3.10). Verstoring

Historische verstoring

Toekomstige bedreiging

Watervervuiling

4

4

Bootsport

3

3

Erosie

3

3

Scheepvaart

3

3

Vermesting

2

2

Dijken, oevers, kunstmatige stranden

2

2

Drainering

2

2

Havengebieden

2

2

Piersteken

2

2

Grondverschuivingen, grondverzakkingen

2

2

Verwijdering van sedimenten

2

2

Storten, plaatsen van baggermateriaal

2

1

Wandelen, paardrijden en niet-gemotoriseerde voertuigen

2

-

Totaal aantal habitats

4

4

Tabel 3.10: Meest voorkomende verstoringen voor zilte habitats [brongegevens: 150].

02 Beleid 2.1 Planning en instrumentering Het beleid rond de implementatie van de Habitatrichtlijn wordt uitgebreid besproken in hoofdstuk 9 Habitatrichtlijn. Dat hoofdstuk besteedt aandacht aan een aantal sleutelfasen in de planning, instrumentering en uitvoering van de richtlijn. Lijst Habitatrichtlijnhabitats in Vlaanderen Het onderzoek [150] doorgevoerd in functie van het Europese rapport over de staat van instandhouding van de habitats van de Habitatrichtlijn bracht aan het licht dat er drie habitats aangetroffen werden die niet opgenomen zijn in het Besluit inzake de vaststelling van gebieden3 en/of het Natuurdecreet4 en niet gemeld zijn aan de EU:

3) Besluit van 24 mei 2002 van de Vlaamse Regering (BS 17/08/2002) inzake de vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschap van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones 4) Decreet van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998) betreffende het natuurbehoud en het natuurlijke milieu, gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 ( BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006))

69


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

3160

Dystrofe natuurlijke poelen en meren

3270

Rivieren met slikoevers met vegetaties behorend tot het Chenopodietum rubri en Bidention

6120

Kalkminnend grasland op dorre zandbodem

9150

Kalk-beukenbos (Cephalanthero-Fagion) is wel opgenomen in het Besluit inzake de vaststelling van gebieden en gemeld bij de EU, maar is niet opgenomen in het Natuurdecreet.

Er zijn ook twee habitats die voor Atlantisch Vlaanderen zijn opgenomen in het Besluit inzake de vaststelling van gebieden en het Natuurdecreet en aangemeld bij de EU waarvoor op basis van de inzichten verworven tijdens deze rapportering, moet worden besloten dat ze niet voorkomen én bij nader inzien ook niet aanwezig waren ten tijde van de aanmelding: 7120

Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is

9110

Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum (WEL aanwezig in de Voerstreek en dus in continentaal Vlaanderen)

Een volledige opname van alle waargenomen Bijlage I-habitats in de bijlagen van het Natuurdecreet (en in de in voorbereiding zijnde aanwijzingsbesluiten) is van belang omdat die habitats anders slechts een

#03

beperkte juridische beschermingsstatus hebben, zelfs indien ze zich binnen een aangewezen Habitatrichtlijngebied bevinden (zie hoofdstuk 9 Habitatrichtlijn). Belangrijk om op te merken is dat volgens de Habitatrichtlijn de beoordeling van de habitats uitgaat van de biogeografische regio’s (Atlantisch, continentaal) die veel groter zijn dan Vlaanderen. De beoordeling (bv. afbakening referentieoppervlakte en referentieareaal) en bescherming van de habitats van de Habitatrichtlijn kan/moet dus in overleg met de buurlanden geregeld worden.

03 Kennis De lidstaten zijn verplicht om een monitoringsprogramma op te stellen voor het opvolgen van de staat van instandhouding van de habitats zowel binnen als buiten Habitatrichtlijngebied (art. 11 van de Habitatrichtlijn). Vanaf 2013 zal de zesjaarlijkse rapportering van de staat van instandhouding van de Habitatrichtlijnsoorten ook op die monitoring gebaseerd moeten zijn [76]. Momenteel wordt voor de boshabitats een monitoring uitgevoerd via de bosinventarisatie [242]. Voor waterhabitattypes is een monitoringsplan ontwikkeld via de watermeetnetten voor de Kaderrichtlijn Water [123]. De effectieve monitoring is in 2007 gestart voor stromende wateren. Binnen het project ‘kwaliteitsvolle monitoring voor het beleid’ wordt momenteel een haalbaarheidsstudie uitgevoerd voor het concept geïntegreerde monitoring gekoppeld aan habitats van de Habitatrichtlijn en met natte heides als voorbeeld [160]. Uit de opsomming blijkt dat nog voor een groot deel van de habitats een monitoringsplan moet opgesteld worden. Van een aantal habitats ontbreken nog data om de staat van instandhouding grondig te evalueren (grijs in tabel 3.1). Voor een aantal habitats moet nog worden verfijnd waar juist in Vlaanderen ze voorkomen. Voor de monitoring kan opstarten, is het eerst nodig om de inventarisatie af te ronden.

70


Natuurrapport 2007 / Deel 01 / #03 Habitats van de Habitatrichtlijn

Het Habitatrichtlijnrapport van 2007 [150] geeft de staat van instandhouding van de verschillende habitats weer. Dit document moet als basis dienen voor de ontwikkeling van de instandhoudingsdoelstellingen op Vlaams niveau. Daarnaast worden de lidstaten ook verplicht om instandhoudingsdoelstellingen op te stellen voor de verschillende Habitatrichtlijngebieden (zie hoofdstuk 9 Habitatrichtlijn). Die instandhoudingsdoelstellingen moeten dan de basis vormen voor instandhoudingsmaatregelen. Daarvoor is een goede kennis nodig van de ecologische kenmerken van de habitats. Met medewerking van: An Leyssen - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Arno Thomaes - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Filiep Tâ&#x20AC;&#x2122;Jollyn - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Heidi Demolder - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Jo Packet - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Lieve Vriens - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Luc Denys - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Steven De Saeger - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Wouter Van Landuyt - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Lectoren Tim Audenaert - Durme vzw Irene Bouwma - Alterra, Wageningen University and Research Lode De Beck - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Olivier Honnay - Katholieke Universiteit Leuven, departement Biologie Els Martens - Agentschap voor Natuur en Bos RenĂŠ Meeuwis - Agentschap voor Natuur en Bos Arno Thomaes - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Mark van Veen - Milieu- en Natuurplanbureau Axel Verachtert - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Kris Verheyen - Universiteit Gent, vakgroep Bos- & Waterbeheer

71


Foto: vochtige duinpannen, een vermestingsgevoelig Bijlage I-habitat van de Habitatrichtlijn (Yves Adams/Vildaphoto)


Deel II


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

#04

74


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Vermesting Anik Schneiders1, Maarten Hens1, Wouter Van Landuyt1, Stijn Overloop2, Anne Ronse3, Marc Herremans4, Dries Van den Broeck4 1 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2 Vlaamse Milieumaatschappij, 3 Nationale Plantentuin, 4 Natuurpunt Studie

! De emissie van stikstof en fosfor naar het natuurlijk milieu (bodem, water,

lucht) in Vlaanderen behoort tot de hoogste van Europa. ! Verhoogde concentraties van voedingsstoffen hebben geleid tot een significante

afname van planten en korstmossen gebonden aan voedselarme milieus. Planten gebonden aan voedselrijke terrestrische milieus gaan vooruit. ! In waterhabitats die van nature voedselrijk zijn, geven de te hoge concentraties

aan voedingsstoffen vaak aanleiding tot algenbloei. ! Hoewel het generieke milieubeleid tot een gestage afname van de stikstofdeposi-

tie in Vlaanderen leidt, is het huidige depositieniveau te hoog voor duurzame instandhouding van de biodiversiteit in 92 % van de oppervlakte vermestingsgevoelige natuur in Vlaanderen. ! Met het gevoerde beleid worden noch de plandoelstellingen inzake natuurgerichte

milieukwaliteit van het MINA-plan 3, noch de doelstelling inzake de instandhouding van kwetsbare habitats van de Habitatrichtlijn, noch de doelstelling inzake de goede ecologische kwaliteit van oppervlaktewateren in 2015 van de Kaderrichtlijn Water gehaald. ! Maatregelenprogrammaâ&#x20AC;&#x2122;s die de toevoer en de beschikbaarheid van voedings-

stoffen (bij)sturen zijn essentieel voor het herstel van kwetsbare ecosystemen. In meren en rivieren dient meer aandacht te gaan naar fosfor, terwijl in terrestrische milieus stikstof doorgaans de sleutelrol vervult.

S

Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie

S

Fosforconcentraties in rivieren

75


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Vermesting is de verhoging van de beschikbaarheid aan voedingsstoffen (in hoofdzaak stikstof en fosfor) in bodem, water en lucht ten gevolge van menselijke ingrepen, waardoor een versnelde groei van planten optreedt. Dit leidt tot veranderingen in biomassa en in soortensamenstelling doorheen de verschillende trofische niveaus van planten- en diergemeenschappen. Deze verhoogde beschikbaarheid kan het gevolg zijn van de externe aanvoer van voedingsstoffen, of kan veroorzaakt worden door wijzigingen in de waterof mineralenhuishouding (interne vermesting). De verhoging wordt steeds gezien in relatie tot de ‘natuurlijke’ voedselrijkdom in de ecosystemen. Zo zijn bijvoorbeeld schorren en slikken of alluviale graslanden intrinsiek veel productiever en voedselrijker dan heide, vennen of bronbeken. In 2005 bedroegen de emissies van stikstof (N) en fosfor (P) naar lucht, water en bodem in Vlaanderen respectievelijk 142 en 11,1 miljoen ton, of 49 en 25 % van de emissies van 1990. 65 % van de gezamenlijke stikstof- en fosforemissie is afkomstig van de landbouw. Huishoudens, transport en industrie zijn verantwoordelijk voor respectievelijk 14, 11 en 5,9 % van de emissies [MIRA-T 2006]. De stikstof- en fosforemissies in Vlaanderen behoren, ondanks de gestage afname sinds 1990, tot de hoogste in Europa. Zo is het jaarlijks stikstofoverschot op Vlaamse en Nederlandse landbouwbodems (stikstofresidu in de bodem + emissie van ammoniakale stikstof) ruim 100 kg N/ha groter dan in de overige EU-15 lidstaten (figuur 4.1). In 2005 bedroeg dat overschot in Vlaanderen nog 176,8 kg N/ha (119,3 kg N/ha stikstofresidu + 57,5

#04

kg N/ha ammoniakemissie). De aangehouden hoge emissies van voedingsstoffen hebben geleid tot zeer hoge concentraties in bodem, grond- en oppervlaktewater in Vlaanderen. Terwijl het milieurapport de volledige verstoringsketen beschrijft, beperkt dit hoofdstuk zich tot aspecten die betrekking hebben op natuur en biodiversiteit. De toestandsbeschrijving behandelt zowel de milieukwaliteit als de vastgestelde gevolgen van vermesting op terrestrische en aquatische ecosystemen in Vlaanderen. De beleidsevaluatie houdt de inspanningen om te komen tot een natuurgerichte milieukwaliteit of tot een goede ecologische kwaliteit tegen het licht.

Figuur 4.1: Overschot op de stikstofbalans op landbouwbodems, inclusief gasvormige emissies (EU15, 2000) [brongegevens: EEA, VMM].

Nederland Vlaanderen België Luxemburg Duitsland Denemarken Griekenland EU-15 Finland Verenigd Koninkrijk Ierland Oostenrijk Portugal Frankrijk Spanje Zweden Italië Frankrijk 0

50

100

150

Stikstofoverschot (kg N/ha/jaar)

76

200

250


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

01 Toestand Gegevens over de milieukwaliteit in Vlaamse ecosystemen zijn schaars. In en onder cultuurbodems en in oppervlakte- en grondwater worden de stikstof- en fosforconcentraties systematisch opgevolgd. Twee meetnetten registreren de atmosferische depositie van vermestende en verzurende stoffen in 14 bos- en natuurgebieden. Andere gegevens uit halfnatuurlijke terrestrische ecosystemen zijn beperkt tot gebiedsstudies en éénmalige gerichte surveys. Een survey in meren en de beschikbare tijdreeksen in rivieren laten toe om de milieukwaliteit in oppervlaktewateren op schaal Vlaanderen te evalueren conform de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water1. Voor de beoordeling van de milieukwaliteit in terrestrische systemen zijn we afhankelijk van modelgegevens. Modelberekeningen laten toe om de evolutie en de ruimtelijke spreiding van de stikstofbelasting op vermestingsgevoelige ecosystemen in te schatten. De actuele en historische impact van verhoogde stikstof- en fosforconcentraties op biodiversiteit kan onrechtstreeks afgeleid worden uit wijzigingen in het voorkomen en verspreiding van soorten. Dit deel belicht resultaten van dergelijke oefeningen voor hogere planten en korstmossen.

1.1 Milieukwaliteit Atmosferische stikstofdepositie De atmosferische depositie van stikstof bedroeg in 2004 in Vlaanderen gemiddeld 39,8 kg/ha en bestond voor 55 % uit ammoniakale stikstof (figuur 4.2). Door het effect van lokale emissiebronnen (vnl. ammoniak) is de depositie zeer ongelijk gespreid in Vlaanderen. Zo varieerde de stikstofdepositie per gemeente in 2004 tussen 22 en 72 kg N/ha/jaar. Hoewel de Vlaamse stikstofemissies naar de lucht tussen 1990 en 2004 daalden met 33 %, namen de stikstofdeposities tijdens dezelfde periode veel minder uitgesproken af (figuur 4.2). Dit houdt zowel verband met de meteorologische omstandigheden (meer depositie in natte jaren) als met de invloed van grensoverschrijdende vervuiling (import en export). Buitenlandse emissies verklaren 50 % van de stikstofdepositie in Vlaanderen. De hoeveelheid stikstof die ecosystemen kunnen ‘verwerken’ zonder blijvende effecten op milieucondities en/of biodiversiteit is sterk afhankelijk van ondermeer bodemtype en de er op voorkomende soorten en levensgemeenschappen. De kritische last vermesting wordt in deze context gedefinieerd als de maximaal toelaatbare depositie per eenheid van oppervlakte voor een bepaald ecosysteem zonder dat er - volgens de huidige kennis - verandering in de biodiversiteit optreedt op lange termijn. Ecosystemen die gevoelig zijn voor stikstofaanrijking kenmerken zich door een lage kritische last. In Vlaanderen zijn dit ondermeer heiden (7–17 kg N/ha/j), soortenrijke graslanden op zure, weinig bufferende bodems (8–14 kg N/ha/j) en bossen (9–15 kg N/ha/j) [118, 131]. De oppervlakte vermestingsgevoelige ecosystemen waar de kritische last wordt overschreden, is een goede indicator voor de druk van de stikstofdepositie op de natuur. Deze werd op niveau Vlaanderen bere1) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22/12/2002)

77


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Gemiddelde stikstofdepositie (kg N/ha/jaar)

60

#04

Figuur 4.2: Gemiddelde stikstofdepositie voor Vlaanderen en in de Vlaamse vermestingsgevoelige natuur (1990–2004) [brongegevens: VMM].

50 40 30 20 10 0

1990

1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004

Vlaanderen Natuur

kend aan de hand van het atmosferische verspreidingsmodel OPS (zie [149] voor details). De jaarlijkse stikstofdepositie in deze gebieden is gemiddeld zo’n 6–7 kg N/ha lager dan het Vlaams gemiddelde (figuur 4.2). In 2004 was in respectievelijk 100, 100 en 72 % van de oppervlakte bos, heide en soortenrijk grasland de depositie hoger dan de bijhorende kritische last, samen 92 % van de oppervlakte kwetsbare terrestrische ecosystemen (figuur 4.3). De geleidelijke afname sinds 1999 van het areaal graslanden waar de kritische last overschreden wordt, zette zich in 2004 niet door. Figuur 4.4 toont de evolutie van de gemiddelde overschrijding voor deze drie ecosysteemtypen, zowel gezamenlijk (+16,0 kg N/ha in 2004) als afzonderlijk. Deze overschrijding is het hoogst voor bossen (+27,9 kg N/ha in 2004), gevolgd door heiden en soortenrijke graslanden (resp. +14,5 en +5,8 kg N/ha in 2004).

Figuur 4.3: Percentage van de oppervlakte vermestingsgevoelige natuur met overschrijding van de kritische last voor vermesting (Vlaanderen, 1996–2004) [brongegevens: VMM].

Aandeel oppervlakte vermestingsgevoelige natuur (%)

100

80

60

40

20

0

78

Bos, heide Grasland Totaal 1990

1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Gemiddelde overschrijding (kg N/ha/jaar)

50

Figuur 4.4: Gemiddelde overschrijding van de kritische last voor vermesting in vermestingsgevoelige natuur (Vlaanderen, 1990–2004) [bron: VMM].

40

30

20

10

0

Bos Heide Grasland Totaal 1990

1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004

Voedingsstoffen in oppervlaktewateren, schaal Vlaanderen Door de hoge toevoer aan voedingsstoffen behoren de stikstof- en fosforconcentraties in onze oppervlaktewateren tot de hoogste van Europa (figuur 4.5). In België zijn de concentraties in Vlaanderen hoger dan in Wallonië. Zo bedroeg bijvoorbeeld de gemiddelde orthofosfaatconcentratie van alle Vlaamse riviermeetpunten in 2005 0,4 mg P/l [brongegevens: VMM], de hoogste waarde van alle Europese landen, en beduidend hoger dan het Belgisch gemiddelde van 0,22 mg P/l (figuur 4.5). In wat volgt worden de concentraties aan voedingsstoffen in meren, rivieren, getijrivieren en kustwateren getoetst aan ecologische richtwaarden. Voor elk van deze vier oppervlaktewatercategorieën wordt het meest voorkomende en/of het best gekende directe vermestingseffect beschreven en vertaald in een indicatorenset (tabel 4.1). Elke categorie oppervlaktewaterlichamen wordt op Europese schaal - in overeenstemming met de Europese

Vermesting en het groeibeperkende voedingselement In tegenstelling tot de werking van toxische stoffen, waarbij de meest toxische stoffen en de hoogste concentraties het effect op een soort of levensgemeenschap bepalen, wordt vermesting in belangrijke mate gestuurd door het groeibeperkende of limiterende voedingselement. De beschikbaarheid van dit element bepaalt de primaire productie en de energiedoorstroming naar de hogere trofische niveaus van het ecosysteem. In aquatische milieus is fosfor doorgaans het limiterende element, mede omdat stikstof door menselijke ingrepen vaak in overmaat beschikbaar is. In terrestrische milieus is stikstof meestal limiterend [93]. Een aantal zeldzame terrestrische planten en levensgemeenschappen zijn evenwel gebonden aan fosforgelimiteerde groeiplaatsen [233]. In mariene en brakke milieus is vooral silicium limiterend, vaak als gevolg van een teveel aan stikstof. Bij het streven naar instandhouding en herstel is het belangrijk om het groeibeperkende voedingselement te kennen. Vaak worden verhoudingen tussen voedingselementen berekend om na te gaan welk element verhoudingsgewijs het schaarst is.

79


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Figuur 4.5: Gemiddelde orthofosfaatconcentratie in rivieren voor 20 Europese landen in 2005 [brongegevens: EEA, CIWdatabank DONAR (voor Nederland)].

Verenigd Koninkrijk België Hongarije Spanje Slovakije Servië-Montenegro Polen Tsjechië Frankrijk Bulgarije Duitsland Italië Litouwen Nederland Slovenië Letland Estland Oostenrijk Finland Zweden 0,00

0,05

0,10

0,15

0,20

Orthofosfaat (mg P/l)

0,25

0,30

0,35

#04 Kaderrichtlijn Water - onderverdeeld in een aantal natuurlijke typen en vervolgens binnen iedere EU-lidstaat verder verfijnd. Vlaanderen heeft tien meertypen, acht riviertypen, twee typen kustwateren en twee typen getijrivieren beschreven [112, 122, 123]. Binnen elke categorie worden dezelfde vermestingsindicatoren gebruikt, maar naargelang het type worden er andere kwaliteitseisen voorgesteld. Voor elk type is de natuurlijke toestand of referentietoestand zo goed mogelijk beschreven en worden er ecologische kwaliteitsklassen afgebakend. Deze oefening leverde per type – na een vergelijking met de voorgestelde normen in de ons omringende landen - een ontwerp op voor ecologische richtwaarden [169]. In overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water wordt er bij de klassenindeling een onderscheid gemaakt tussen de zeer goede ecologische toestand die zeer nauw aanleunt bij de referentietoestand, de goede ecologische toestand die in alle natuurlijke oppervlaktewateren bereikt dient te worden tegen 2015 en ten slotte de matig tot slechte ecologische toestand. De goede ecologische toestand is vergelijkbaar met de natuurgerichte normstelling voor de instandhouding van specifieke habitats. In getijrivieren en kustwateren staat de problematiek van algenbloei centraal. Een verhoogde aanvoer van stikstof en fosfor leidt tot een verhoogde fytoplanktonproductie. Voor de groei van kiezelwieren, een belangrijke groep in het fytoplankton, is silicium (Si) vereist. Een optimale verhouding van N/P/Si is 16/1/15 [163]. Wanneer stikstof of fosfor in overmaat aanwezig zijn treedt er een (relatief) siliciumtekort op waarbij kiezelwieren niet meer kunnen groeien en vervangen worden door andere algen en cyanobacteriën. Deze algenbloei gaat gepaard met negatieve effecten zoals lichtlimitatie, zuurstoffluctuaties en productie van toxische stoffen. Ook voor meren wordt algenbloei als belangrijkste knelpunt naar voor geschoven. Voor meren is er een goede kwantitatieve kennis over de relatie tussen de concentraties van chlorofyl-a en totaal fosfor, het groeibeperkende voedingselement in meren. Daarnaast zijn opnieuw de kiezelwieren belangrijke indicatoren die voor een aantal meren helpen om de historiek voor totaal fosfor terug te rekenen [61].

80


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

In rivieren is vooral de overmatige groei van een aantal waterplanten (zoals schedefonteinkruid, haarfonteinkruid, grote egelskop, liesgras, ...) een knelpunt vanwege het effect op de peilregeling en de daaraan Tabel 4.1: gekoppelde kruidruimingen. De biomassatoename gaat bovendien vaak gepaard met de groei van draad- Indicatoren en

meetvariabelen

algen en met sterke schommelingen in het zuurstofgehalte. Aangezien stikstof meestal in overmaat voor de ecologische beoordeling inzake vermesting houding in plantenmateriaal is de beschikbaarheid van fosfor (~ orthofosfaatconcentratie) in het opper- in de vier categorieën van oppervlaktewater een belangrijke graadmeter voor de productiviteit [169] vlaktewateren.

Abiotische indicator

Biotische indicator

beschikbaar is, is ook hier fosfor doorgaans het meest limiterende voedingselement. Naast de N/P ver-

Meren

Rivieren

Getijrivieren

Kustwateren

Organismegroep

Fytoplankton

Fytobenthos

Macrofyten

Fytoplankton

Fytoplankton

Biotisch effect

Algenbloei/ lichtlimitatie

Soortensamenstelling

Biomassa

Algenbloei/ lichtlimitatie

Algenbloei/ lichtlimitatie

Meetvariabele

Chlorofyl-a

Aantallen en/of trofiescores

Volume en/ of drooggewicht

Chlorofyl-a

Chlorofyl-a

Meest voorkomen- Fosfor de limiterende nutriënt

Fosfor

Fosfor

Silicium

Silicium

Meetvariabele

MRP (water)

MRP (water)

DSi

DSi

N/P (plant) DIN / MRP (water)

Si / DIN / MRP

Si / DIN / MRP

Totaal fosfor

Overeenkomstige ratio

Discriminerende systeemvariabelen bij opstellen richtwaarden

Alkaliniteit en diepte

Alkaliniteit en stroomgebiedoppervlakte

Turbiditeit

Legende: DSi = opgelost silicium, DIN = opgelost anorganisch stikstof, MRP = molybdaat reactief fosfor, als maat voor opgelost orthofosfaat. Bruine kleur: gegevens beschikbaar voor dit Natuurrapport.

De kwaliteitsbeoordeling volgens de indicatorenset uit tabel 4.1 werd toegepast op 1007 meetplaatsen in beken en rivieren [brongegevens: VMM], 211 meren [brongegevens: INBO], vijf meetplaatsen in de ondiepe kustzone [bron: FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu] en 13 meetplaatsen in het zoete deel van de Zeeschelde [brongegevens: OMES, 129]. Figuur 4.6 geeft een overzicht van de kwaliteitsklassen per categorie. In de kustwateren en de getijrivieren is stikstof in veel te hoge concentraties aanwezig. De optimale verhouding van stikstof ten opzichte van silicium (molaire ratio N/Si = 1) wordt ruimschoots overschreden en de goede ecologische toestand wordt nergens bereikt (zie ook focus Zeeschelde). In 66 % van de meren zijn de fosforconcentraties te hoog om de goede ecologische toestand te bereiken en in 58 % werden te hoge chlorofyl-a concentraties gemeten. Beide criteria samen geven een eindscore waarbij 17,5 % van de onderzochte meren een zeer goede of goede ecologische toestand bereikt. Voor de rivieren zijn er gegevens beschikbaar voor de periode 1994–2005. De gegevens beperken zich wel

81


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

tot slechts één beoordelingscriterium (orthofosfaatconcentratie in het oppervlaktewater; de gegevens voor de biotische criteria zijn nog niet beschikbaar). Het aandeel rivieren met een zeer goede of goede ecologische toestand nam geleidelijk toe tot in 1998 (figuur 4.7). Nadien treden vooral jaarschommelingen op die vermoedelijk het gevolg zijn van jaarlijkse verschillen in neerslagregime. In 2005 bereikte 25 % de zeer goede of goede ecologische toestand (figuur 4.7). Volgens de Europese Kaderrichtlijn Water moeten alle natuurlijke oppervlaktewateren tegen 2015 tot deze kwaliteitsklassen behoren. Een analyse in het Verenigd Koninkrijk - waar dezelfde grootte-orden van klassengrenzen zijn gehanteerd gaf aan dat 37 % van de rivieren in Engeland, 87 % in Wales, 86 % in Schotland en 83 % in Noord-Ierland een zeer goede of goede toestand bereiken [234]. Engeland bevat heel wat laaglandrivieren en is als regio in het Verenigd Koninkrijk op het gebied van vermesting het best vergelijkbaar met Vlaanderen. In Nederland bereikt 78 % van de meetplaatsen de goede ecologische toestand [bron: CIW databank DONAR]. Naast de directe effecten op de plantengemeenschappen waarin fosfor vaak de hoofdrol speelt, zijn er ook indirecte effecten te verwachten op ongewervelden, vissen en amfibieën. Deze groepen ondervinden ook nadelige (toxische) effecten van te hoge stikstofconcentraties [31]. Hiervoor worden momenteel bijkomend ecologische richtwaarden afgebakend [169]. Voor nitraat wordt een maximum van 3 mg N/l voor-

#04

gesteld. In 2005 werd dit in 20–30 % van de Vlaamse meetplaatsen gehaald.

Figuur 4.7: Ecologische kwaliteit in rivieren inzake fosforconcentraties [brongegevens: VMM]. De toekenning van een meetplaats aan een kwaliteitsklasse gebeurt op basis van een typespecifieke fosfaatbeoordeling [169].

Aandeel meetplaatsen (%)

Figuur 4.6: Ecologische kwaliteit Meren van oppervlaktewateren inzake vermesRivieren ting op basis van de criteria in tabel 4.1 [brongegevens: rivie- Getijrivieren ren - VMM (20002005); getijrivieren - Kustwateren OMES (2000-2005); kustwateren - FOD 0 VVVL (2000-2005); meren - INBO, UGent, VMM (1998–2005)]. 100

20

40

60

80

100

Aandeel meetplaatsen (%)

80

60

40

20

0

82

Matig tot slecht Goed Zeer goed

'90 '91 '92 '93 '94 '95 '96 '97 '98 '99 '00 '01 '02 '03 '04 '05

Matig tot slecht Goed Zeer goed


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Voedingsstoffen in specifieke aquatische habitats Een deel van de meren en rivieren en van de getijrivieren Zeeschelde en IJzer bevat Bijlage I-habitats van de Europese Habitatrichtlijn2. Zo is een aantal meren op basis van de vegetatie aangeduid als zuur (habitat 3160), voedselarm tot matig voedselrijk (habitats 3110, 3130 en 3140) en als voedselrijk zoetwaterhabitat (habitat 3150). Een deel van de rivieren bevat een vegetatietype van laaglandrivieren (habitat 3260) en de slikken- en schorrenvegetaties langs de Zeeschelde en de IJzer behoren tot habitats 1130 tot 1330 (zie tabel 3.1 in hoofdstuk 3 Habitats van de Habitatrichtlijn). Om de rapportering voor de Europese Kaderrichtlijn Water en de Habitatrichtlijn op elkaar af te stemmen worden voor de beoordeling van de goede ecologische toestand (Kaderrichtlijn Water) en de goede staat van instandhouding (Habitatrichtlijn) dezelfde criteria gebruikt. In totaal konden 54 meren en 25 riviertrajecten waar bovenstaande habitats voorkomen beoordeeld worden voor vermestingscriteria (figuur 4.8). De algemene toestand is er beter dan in de rest van Vlaanderen. Meer dan 60 % van de meetpunten scoort evenwel onvoldoende. Figuur 4.8: Ecologische kwaliZeer goed teit inzake vermesGoed ting van Bijlage IMeerhabitats Matig-slecht habitats van de Habitatrichtlijn in 0 20 40 60 80 100 rivieren (habitattype 3260) en meren Aandeel meetplaatsen (%) (habitattypen 3130â&#x20AC;&#x201C;3160) [brongegevens: rivieren - VMM (2005); Specifiek voor het Netebekken is een tijdreeks van waterkwaliteitsmetingen beschikbaar van laaglandbe- meren - INBO, UGent, VMM ken die begin jaren 1990 ten aanzien van vermesting nog een zeer goede ecologische toestand bereikten: (1998â&#x20AC;&#x201C;2005)].

Rivierhabitats

Zwarte Nete, Desselse Nete, Kleine Nete, Looiendse Nete, Wamp, Rode loop, Breiloop en Daelemansloop. Het zijn alle kleine Kempense beken in een agrarische omgeving. De jaargemiddelde fosfaatconcentraties in deze beken zijn beduidend gestegen sinds het begin van de metingen in 1991 en fluctueren de laatste jaren zeer sterk (figuur 4.9). Instandhouding van de zeer goede waterkwaliteit is in deze beken momenteel niet gegarandeerd. Pieken in fosforconcentraties hangen in laaglandbeken vaak samen met neerslagpieken [89, 136]. De grote schommelingen in fosfaat tussen 1999 en 2002 vallen inderdaad samen met grote schommelingen in neerslagextremen zoals afgeleid in Willems et al. [239]. Verwacht wordt dat de intensiteit van extreme buien in de toekomst nog zal toenemen en dat bijgevolg ook de risicoâ&#x20AC;&#x2122;s op sterke schommelingen en piekconcentraties zullen blijven bestaan en eventueel nog zullen toenemen [136].

2) Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22/7/1992)

83


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

0,12

Figuur 4.9: Evolutie van de jaargemiddelde orthofosfaatconcentratie in het oppervlaktewater van acht bovenlopen in het Netebekken. De blauwe en de grijze lijn geven de grenswaarden aan voor de zeer goede en goede ecologische toestand voor kleine Kempense beken [brongegevens: 169, 244].

Orthofosfaat (mg P/l)

0,10 0,08 0,06 0,04 0,02 0,00

'91 '92 '93 '94 '95 '96 '97 '98 '99 '00 '01 '02 '03 '04 '05 '06

1.2 Gevolgen voor natuur #04

Hogere planten De wijzigingen in de verspreiding van plantensoorten in Vlaanderen en het Brussels Gewest tussen 1939–1971 en 1972–2004 werden recent gedetailleerd in kaart gebracht [200]. Naast een opmerkelijke toename van heel wat uitheemse plantensoorten (zie hoofdstuk 6), hebben veranderingen in grondgebruik, milieu en landschap ook geleid tot heel wat verschuivingen in de verspreiding van inheemse en ingeburgerde planten. Een analyse van de langetermijntrends in de verspreiding van inheemse en ingeburgerde planten toont aan dat veranderingen in voedselrijkdom van het milieu een van de meest dominante factoren zijn die de verschuivingen in de verspreiding van soorten in de twintigste eeuw hebben bepaald: soorten van de meest voedselarme milieus zijn het sterkst afgenomen, terwijl soorten van zeer voedselrijke milieus het sterkst zijn toegenomen [104]. Ook in de ons omringende landen blijkt een toegenomen voedselrijkdom een van de belangrijkste factoren te zijn die de veranderingen in de flora in de twintigste eeuw gestuurd heeft [158, 185]. Een analyse van de wijzigingen in verspreiding van plantensoorten op basis van de ecotoopvoorkeur van de individuele plantensoorten verfijnt dit beeld (figuur 4.10). Er is een significant verschil tussen de trends van planten uit aquatische versus terrestrische milieus in hun relatie met voedselrijkdom, waarbij de verspreiding van aquatische planten zowel in voedselarme, matig voedselrijke als voedselrijke milieus achteruitgegaan is. Planten gebonden aan voedselarme milieus zijn het sterkst afgenomen. In terrestrische milieus zijn dit vooral soorten van kruidachtige vegetaties op droge of natte bodems, zoals heide, heischrale graslanden, blauwgraslanden, kalkmoerassen en duingraslanden [104]. In matig voedselrijke milieus zijn enkel aquatische planten achteruitgegaan, terwijl in voedselrijke milieus terrestrische planten een uitgesproken positieve trend vertonen. Tot deze groep behoren ook een aantal invasieve uitheemse soorten. De sterkere afname van plantensoorten uit aquatische milieus hangt samen met de problematiek van algenbloei en lichtlimitatie, die enkel optreedt in aquatische systemen (tabel 4.1), en mogelijk ook met bijkomende drukfactoren als het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Alleszins regionaal (o.a. Kustpolders) heeft de achteruitgang in de verspreiding van waterplanten zich ook tijdens de periode 1980–2000 verdergezet [NARA 2003, p. 88–89].

84


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Figuur 4.10: Gemiddelde trendindex van plantengroepen typerend voor aquatische en terrestrische milieus in relatie tot voedselrijkdom. De trendindex is een maat voor de relatieve toename (positief) of afname (negatief) van het verspreidingsgebied van een soort in de periode 1939-1971 versus 1972-2004 [brongegevens: 200].

Voedselrijk Matig voedselrijk Voedselarm -1,00

-0,75

-0,50

-0,25

0,00

0,25

Gemiddelde trendindex

0,50

0,75

1,00

Terrestrische milieus Aquatische milieus

Drijvende waterweegbree: naar een evenwicht tussen voedselrijkdom en beheer Drijvende waterweegbree is een waterplant opgenomen in Bijlagen II en IV van de Habitatrichtlijn. Dit houdt in dat deze soort strikt beschermd moet worden en dat de aanwijzing van speciale beschermingszones vereist is. De soort komt voor in heel West-Europa, ze is overal zeldzaam en gaat in haar volledige verspreidingsgebied achteruit [119]. Figuur 4.11 toont de historische en recente verspreiding voor Vlaanderen. Tussen 1940–1971 en 1972–2004 ging de soort beduidend achteruit (trendindex -0,75 [90]). Uit een recente gerichte controle van de vindplaatsen blijkt dat de soort op 47 % van de gekende locaties van 1940–1971 niet meer voorkomt en daarmee verder is teruggedrongen tot haar kerngebied in de Kempen en een deel van het Hageland [165]. De enkele nieuwe vindplaatsen compenseren dit verlies niet. 63 % van de groeiplaatsen in Vlaanderen bevindt zich in een Speciale Beschermingszone en 52 % in een erkend natuurreservaat.

Figuur 4.11: Evolutie van de gekende verspreiding van drijvende waterweegbree in Vlaanderen op uurhokniveau (16 x 16 km2) [brongegevens: Flo.wer].

85


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Drijvende waterweegbree is een pioniersoort en ontwikkelt zich bij voorkeur in voedselarme, licht zure wateren of in matig voedselrijke milieus. Fosfaatgegevens van de groeiplaatsen in Vlaamse meren bevestigen grotendeels de voedselarme tot matig voedselrijke groeiomstandigheden (figuur 4.12). Sommige waarden liggen evenwel hoger dan deze die volgens buitenlands onderzoek een optimale ontwikkeling en vruchtbaarheid van de soort garanderen (0,01–0,02 mg P/l [12]). In stromend water komt de soort voor in voedselrijkere omstandigheden. Dit werd ook elders vastgesteld, zoals in GrootBrittanië, waar heel wat nieuwe groeiplaatsen zich in kanalen met eerder voedselrijk water bevinden [238]. Ook in Denemarken groeit de soort in voedselrijkere laaglandbeken [145]. Voor de instandhouding is een duurzaam evenwicht tussen voedselrijkdom en pionierskarakter essentieel. Drijvende waterweegbree heeft enerzijds speciale aanpassingen die haar toelaten in zure, voedselarme habitats te overleven, waar ze weinig concurrentie ondervindt. In niet-verstoorde habitats groeit ze best in licht zure wateren met een laag fosfaatgehalte [12]. Op dergelijke groeiplaatsen vormen zowel verzuring als vermesting een bedreiging. In voedselrijkere omstandigheden kan ze ook gedijen bij afwezigheid van concurrentie van andere soorten [92]. Voldoende rivierdynamiek kan de competitiedruk beperken en de soort in stand houden. Vooral in laaglandrivieren die opgestuwd zijn, is er minder dynamiek en dient de competitie kunstmatig teruggedrongen te worden door een kruidruiming. In voedselrijkere laaglandbeken is zelfs een frequente kruidruiming tot tweemaal per jaar noodzakelijk om de populaties te behouden [145]. Het behoud van deze soort langsheen het hele bereik van voedselrijkdom vereist dan ook een aangepast en in sommige omstandigheden een intensief beheer of een herstel van de natuurlijke dynamiek.

#04 Beken (n = 6) Meren (n = 18) 0,00

0,05

0,10

0,15

0,20

0,25

Orthofosfaat (mg P/l) Figuur 4.12: Fosfaatconcentraties in Vlaamse meren en laaglandbeken waarin drijvende waterweegbree voorkomt [brongegevens: INBO, Nationale Plantentuin].

Korstmossen Korstmossen zijn zeer gevoelig voor luchtverontreiniging en klimatologische omstandigheden, wat hen tot uitstekende bio-indicatoren maakt voor de milieukwaliteit. In 2005–2006 werd de epifytische (op bomen groeiende) korstmosflora op 559 punten verspreid over de ganse provincie Limburg systematisch in kaart gebracht [195]. Deze meetcampagne toonde een uitgesproken en ruimtelijk sterk gedifferentieerde invloed van ammoniak op de korstmosflora. De grootste ammoniakbelasting doet zich voor in het Limburgs plateau, waar zich grote aaneengesloten gebieden bevinden met vrij ernstige ammoniakinvloed, met daarin kleinere, ernstig tot zeer ernstig beïnvloede zones (figuur 4.13). Het ruimtelijke patroon van de nitrofiele indicatiewaarde (een maat voor het voorkomen en de talrijkheid van stikstofminnende, ammoniakindicerende soorten) wordt significant verklaard door de afstand tot veehouderij en de lokale ammoniakemissies [195]. Deze bedraagt in de sterkst beïnvloede deel van het Limburgs plateau tot 50 kg N/ha/jaar (gegevens VMM).

86


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting ! ! ! !

Nitrofiele indicatiewaarde 0,0 - 1,5

1,5 - 3,0 3,0 - 5,0 5,0 - 7,0 7,0 - 11,0

Voor Midden-Limburg kan de aanwezigheid en de soortensamenstelling van korstmossen anno 2005–2006 vergeleken worden met resultaten van gelijkaardige inventarisaties uit 1960 en 1985–1986. De veranderingen in dit gebied sinds 1960 zijn aanzienlijk: 17 soorten verdwenen, 51 nieuwe soorten doken op. Veel andere soorten tonen een sterke voor- of achteruitgang. Met behulp van ecologische indicatiegetallen, kunnen veranderingen in het voorkomen van soorten kwantitatief gekoppeld worden aan veranderingen in het milieu. Zo namen ammoniakminnende korstmossen, zowel warmteminnende soorten als soorten die eerder koele omstandigheden prefereren, sterk toe tussen 1960 en 2005–2006 (tabel 4.2). Parallel hiermee gingen een aantal soorten die heel gevoelig zijn voor ammoniak sterk achteruit. Er was een significant verband tussen de toename van korstmossen en hun temperatuursgevoeligheid, waarbij warmteminnende soorten het vaakst het sterkst waren toegenomen. Opmerkelijk is tenslotte dat de opgetreden veranderingen in de korstmosflora geen verband tonen met de tolerantie van soorten voor zwaveldioxide (SO2). Ook het ruimtelijk patroon van de soortenrijkdom in 2005–2006 toont geen invloed van zwaveldioxidebelasting. Dit is enerzijds consistent met de verminderde deposities van zwaveldioxide, waardoor andere factoren (ammoniakbelasting, klimaat, natuurlijke variatie) een meer dominante invloed hebben op het voorkomen en de soortenrijkdom van korstmossen. Bovendien hebben de historisch hoge SO2 niveaus een aantal SO2-gevoelige soorten sterk gereduceerd of geëlimineerd, die zich tot op heden niet hersteld of hervestigd hebben in Vlaanderen. Zowel in 1960 als in 2005–2006 ontbraken soorten die zeer SO2-gevoelig zijn [195]. Gelijkaardige trends werden in 2003 ook vastgesteld in de Denderstreek [274].

87

Figuur 4.13: Ruimtelijk patroon van de nitrofiele indicatiewaarde van epifytische korstmossen in Limburg in 2005–2006. Hoge nitrofiele indicatiewaarden duiden op ammoniakinvloed [bron: 195].


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Tabel 4.2: Veranderingen in aanwezigheid van enkele korstmossen op eiken in Midden-Limburg tussen 1960 en 2005-2006 in relatie tot ammoniakverontreiniging en temperatuur. Toename op eik van stikstofminnende soorten die een minder zure tot neutrale schors verkiezen, wijst op ammoniakverontreiniging [brongegevens: Natuurpunt Studie].

Aanwezigheid (% van staalnamepunten) 1960

2005–06

95 30 0 0

47 41 7 3

0 0 4 0 6

0 0 0 0 3

43 37 54 23 60

4 5

4 2

75 76

1 0 9

79 68 90

Soorten die een zure schors verkiezen of niet van warmte houden Groene schotelkorst Gewoon schorsmos Roestbruin schorssteeltje Purper geweimos

90 43 20 5

Soorten die van warmte houden (en een eerder neutrale schors verkiezen) Gebogen schildmos Groot schildmos Bosschildmos Groen boomschildmos Gestippeld schildmos Soorten die een minder zure schors verkiezen Klein dooiermos Kapjesvingermos

#04

1985–86

Soorten die een minder zure schors verkiezen én sterk warmteminnend zijn Groot dooiermos Poedergeelkorst Heksenvingermos

6 0 11

02 Beleid Het milieubeleid in z’n ruime betekenis beoogt ondermeer de realisatie van een algemene of basismilieukwaliteit door normering en een brongerichte aanpak. Generieke maatregelen, normen en bepalingen voor de uitstoot en milieuconcentraties van vermestende stoffen zijn opgenomen in ondermeer het Meststoffendecreet3, het Milieuvergunningdecreet4, het Decreet Integraal Waterbeleid5 en het Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling6. Heel wat soorten, biotopen en ecosystemen vereisen evenwel een betere of meer specifieke milieukwaliteit dan deze nagestreefd met het generieke beleid. Hiervoor is een specifiek beleidskader aanwezig (ondermeer via het Natuurdecreet7, het Meststoffendecreet en het Decreet Integraal Waterbeleid), dat aansluit bij de Europese richtlijnen (Habitatrichtlijn en Kaderrichtlijn Water). Het MINA-plan 3 streeft in dit verband naar een ‘natuurgerichte milieukwaliteit’ met een afstemming op de ecologische vereisten van de kwetsbare soorten en habitats in gebieden in het VEN, de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en in de Speciale Beschermingszones. 3) Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen van 22 december 2006 (BS 29/12/2006) 4) Decreet betreffende de milieuvergunning van 28 juni 1985 (BS 17/9/1985) zoals inmiddels diverse keren gewijzigd 5) Besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2005 betreffende de geografische indeling van watersystemen en de organisatie van het integraal waterbeleid in uitvoering van Titel I van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (BS 2/12/2005) 6) Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling 2007–2013, goedgekeurd door de Vlaamse regering op 27/10/2006 7) Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006)

88


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

In oppervlaktewateren vormen de hoger toegelichte doelen voor het bereiken van de ‘zeer goede’ en ‘goede’ ecologische toestand een mogelijke aquatische invulling van het begrip ‘natuurgerichte milieukwaliteit’. Het MINA-plan 3 en het regeerakkoord 2004–2009 stellen dat deze doelen voor de natuurlijke oppervlaktewateren vastgesteld moeten worden en dat de kwaliteit in die richting moet evolueren tegen 2015. Voor de niet natuurlijke wateren (met onomkeerbare hydromorfologische ingrepen) dient het ‘ecopotentieel’ vastgesteld te worden. Hiervoor dient specifiek aangegeven te worden welke doelen er nog haalbaar zijn. Ook in de aanpak van bescherming en herstel zijn er tussen natuur- en waterbeleid accentverschillen. Terwijl de Habitatrichtlijn de bescherming en het herstel van waardevolle habitats en soorten beoogt, legt de Kaderrichtlijn Water meer de nadruk op het herstel van het ecosysteem en van natuurlijke processen. Vermits beide richtlijnen binnen Vlaanderen via afzonderlijke wetgevingen zijn geïmplementeerd, worden er tot op lokaal niveau gescheiden visies en herstelplannen uitgewerkt. Afstemming op het terrein wordt bovendien bemoeilijkt doordat verschillende instanties belast zijn met de uitvoering ervan. Nochtans beschikken het waterbeleid en het natuurbeleid over een aantal instrumenten die elkaar op het terrein moeten kunnen versterken. Een eerste stap is een betere (meer concrete) afstemming tussen de (deel)bekkenbeheerplannen en de natuurrichtplannen. Logischerwijze resulteert dit in een gezamenlijke gebiedsgerichte aanpak, die ook in de uitvoering van het mestdecreet tot uiting zou moeten komen. De realisatie van de natuurgerichte milieukwaliteit vereist naast brongerichte maatregelen (gebiedsgerichte verscherping van de milieukwaliteitsnormen, afstandsregels) in vele gevallen ook effectgerichte maatregelen om historisch geaccumuleerde verontreiniging te saneren. De uitvoering van maatregelen ter realisatie van de plandoelstelling (uitwerken en uitvoeren van de nodige actieplannen, instellen van bijzondere milieukwaliteitsnormen) verloopt evenwel zeer traag. De volgende delen gaan na in welke mate enkele specifieke instrumenten van het mest-, het emissiereductie- en het waterbeleid die rekening houden met randvoorwaarden voor natuur, hebben bijgedragen tot de realisatie van de beoogde natuurgerichte milieukwaliteit. Beleidsinitiatieven gericht op herstel van natuurgerichte milieukwaliteit door natuurinrichting en actieve sanering komen niet aan bod.

2.1 Mestbeleid Eind 2006 keurde het Vlaams Parlement het nieuwe Meststoffendecreet, het zogenaamde MAP 3, goed. Wat betreft bemestingsnormen, zijn de voornaamste veranderingen in vergelijking met de Meststoffendecreten uit 1991 en 1999 de integrale aanduiding van Vlaanderen als ‘kwetsbaar gebied water’, waardoor er maximaal 170 kg N/ha uit dierlijke mest mag toegediend worden, en het principieel verbod op minerale fosformeststoffen. Voor een aantal teelten werd in maart 2007 een derogatie aangevraagd bij de Europese Commissie om hogere bemestingsnormen te kunnen hanteren. Wat betreft mesttoediening in het kwetsbaar gebied ‘natuur’ (nulbemesting en bijhorende ontheffingsregels), blijven voorlopig de bepalingen uit het oude meststoffendecreet van toepassing. Een gedetailleerd overzicht van deze bepalingen is terug te vinden in NARA 2005 (p. 198–201). Het kwetsbaar gebied natuur is planologisch gedefinieerd en omvat alle percelen in landbouwgebruik in enerzijds natuurgebied, natuurontwikkelingsgebied en natuurreservaat, en anderzijds bosgebied. Het al dan niet van toepassing zijn van een bemestingsverbod (met uitzondering van twee grootvee-eenheden per hectare)

89


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Tabel 4.3: Samenstelling van en de bemestingsregeling in het kwetsbaar gebied natuur in 2006 (Vlaanderen) [brongegevens: VLM]. Nulbemesting omvat in deze opdeling zowel de regeling ‘twee grootvee-eenheden per hectare’ als de beheerovereenkomst ‘100kg stikstof uit chemische mest’. nvt = niet van toepassing.

Totaal

Nulbemesting

Algemene bemestingsnorm Huiskavel

Ontheffing

Natuur-, natuurontwikkelings- en natuurreservaatgebied 1. Halfnatuurlijk grasland

6.083

685

398

nvt

2. Potentieel belangrijk grasland

2.489

2.150

339

nvt

14.348

4.387

1.105

8.856

4. Halfnatuurlijk grasland

483

483

nvt

nvt

5. Potentieel belangrijk grasland

228

228

nvt

nvt

3.747

nvt

nvt

3.747

27.378

12.933

1.842

12.613

3. Intensief gras- of akkerland Bosgebied (ha)

6. Intensief gras- of akkerland Totaal (ha) Aandeel (%)

47,2

6,7

46,1

hangt in beide planologische categorieën af van de biologische waarde van het perceel. In 2006 maakte

#04

4,0 % (27.378 ha) van de bij de Mestbank geregistreerde oppervlakte aan gebruikspercelen deel uit van het ‘kwetsbaar gebied natuur’ (tabel 4.3). Deze oppervlakte is sinds 2000 toegenomen met 1937 ha, ondermeer als gevolg van ‘groene’ bestemmingswijzigingen. Tabel 4.3 geeft een overzicht van de effectieve bepalingen die in 2006 op deze percelen van toepassing was. Hieruit blijkt dat in 52,8 % van het kwetsbaar gebied natuur de algemene bemestingsnorm mag toegepast worden. Op percelen waar effectief natuurgerichte bemestingsbeperkingen gelden kunnen landbouwers hetzij een beheerovereenkomst natuur sluiten (1546 ha in 2006; enkel op halfnatuurlijke en potentieel belangrijke graslanden; zie ook hoofdstuk 13 Landbouw) hetzij een vergoeding natuur aanvragen (4506 ha in 2006; zonder verdere voorwaarden). Het feit dat landbouwers slechts op 6052 van de 12.933 ha gebruik maken van dit aanbod, suggereert dat de participatie aan en de opvolging van het natuurgerichte mestbeleid sterk voor verbetering vatbaar zijn. Het in de mestwetgeving gehanteerde kwetsbaar gebied natuur maakt integraal deel uit van het gebied waar de plandoelstelling uit MINA-plan 3 de milieukwaliteit wenst af te stemmen op de aanwezige kwetsbare soorten en habitats. Voor de beoordeling van de bijdrage van de nulbemestingsregeling tot deze plandoelstelling, zijn volgende elementen van belang: ! Een analyse in NARA 2005 op basis van de biologische waarderingskaart en de landbouw-

gebruikspercelen gaf aan dat er zich in het VEN, de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en in de speciale beschermingszones ongeveer 100.000 ha akker- en grasland bevinden. Het huidige kwetsbaar gebied natuur omvat 27 % van dit areaal, en slechts in 13 % van dit areaal (12.933 ha) zijn effectief natuurgerichte bemestingsnormen van toepassing. Maatregelen om, onder meer via de natuurrichtplannen, te komen tot een natuurgerichte milieukwaliteit in de zones buiten het kwetsbaar gebied natuur, laten op zich wachten. ! Het ontbreekt gegevens over de evolutie van flora en fauna binnen dit gebied om het ecologisch effect

90


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

van het (complexe) geheel aan maatregelen binnen het kwetsbaar gebied natuur in te schatten. ! De perceelsgerichte aanpak en de eerder beperkte oppervlakte percelen met een effectief bemes-

tingsverbod hebben geleid tot een sterk versnipperd areaal aan nulbemestingspercelen, wat de ecologische effectiviteit van het maatregelenpakket sterk hypothekeert.

2.2 Atmosferische stikstofdepositie Duurzame instandhouding van vermestingsgevoelige terrestrische ecosystemen is slechts mogelijk bij stikstof- en fosforbelastingen lager dan de kritische last. Zo is voor de meest gevoelige ecosystemen, waaronder meerdere habitats van de Habitatrichtlijn, een stikstofdepositie hoogstens 7â&#x20AC;&#x201C;10 kg N/ha/j toegelaten (kritische last vermesting met criterium â&#x20AC;&#x2DC;behoud biodiversiteit; zie ook 1 - Toestand). Voor fosfor, waarvoor atmosferische depositie verwaarloosbaar is en waarvan de beschikbaarheid veeleer toeneemt door rechtstreekse bemesting, interne vermesting of verhoogde aanvoer via grond- en oppervlaktewater, wordt momenteel geen specifiek gebiedsgericht reductiebeleid gevoerd, hoewel een aantal voedselarme habitats uitgesproken fosforgelimiteerd is. Op korte termijn (2010) richt het Vlaams emissiereductiebeleid zich op de emissieplafonds en â&#x20AC;&#x201C;reducties die vastgelegd zijn in het kader van de Europese richtlijn Nationale Emissiemaxima8. Omgerekend naar deposities komen deze emissiedoelstellingen overeen met een gemiddelde stikstofdepositie van 29,6 kg N/ha/jaar in Vlaanderen. In 2004 lag de gemiddelde depositie nog 10,2 kg N/ha/jaar boven dit niveau. Tevens kan worden berekend dat deze emissiedoelstelling leidt tot gemiddelde overschrijdingen van de kritische last vermesting met 17,1, 8,4 en 2,4 kg N/ha/jaar voor het resp. areaal bos, heide en graslanden in Vlaanderen [149]. Op lange termijn (2030) streeft het MINA-plan 3 naar een depositie van verzurende componenten (zwavel- en stikstofoxiden) van 1.400 zuurequivalenten/ha/j (depositie in 2004 bedroeg 3.925 zuurequivalenten/ha), waarmee voor de meeste bosecosystemen een duurzame toestand zou bereikt worden, en het gebiedsgericht verder terugdringen van de (verzurende) depositie tot onder de kritische last van kwetsbare ecosystemen (o.a. heide op zandgrond en basenarme vennen). Hierbij dient opgemerkt dat het niet overschrijden van de kritische lasten vermesting een sterkere reductie vereist van de stikstofdepositie dan nodig om de kritische last voor verzuring niet te overschrijden. De mogelijkheden om deposities gebiedsgericht terug te dringen zijn evenwel beperkt. Enkel ammoniak, een component die in vergelijking met stikstofoxiden dichter bij de bron afgezet wordt, komt in aanmerking voor een lokaal verscherpt emissiereductiebeleid. Dat kan enkel gerealiseerd worden door een verdere verlaging van ammoniakemissies door de landbouw (96 % van de ammoniakemissies in Vlaanderen zijn afkomstig van de landbouw). Versnippering en verregaande verweving van zones met hoge ammoniakemissies en vermestingsgevoelige natuur vormen een bijkomende hinderpaal voor het instellen van gebiedsgerichte maatregelen. Op basis van bovenstaande beleidsdoelstellingen, de huidige trends in stikstofdepositie (figuur 4.2) en

8) Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27/11/2001)

91


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

gezien de beperkte mogelijkheden om op korte termijn te komen tot gebiedsgerichte verscherping, valt te verwachten dat de stikstofbelasting in vermestingsgevoelige natuur de komende (10-tallen) jaren niet tot een duurzaam niveau zal dalen. Hierbij stelt zich de vraag tegen welke prijs de aangetaste ecosystemen nog hersteld kunnen worden. Elke jaarlijkse overschrijding van de kritische last betekent immers een toename in het vervuilingsniveau, een verdere aantasting van de (nog) aanwezige fauna- en floracomponenten en een verminderde mogelijkheden op spontaan herstel.

2.3 Waterbeleid Doelstellingen 2015 Vlaanderen is voor alle categorieën oppervlaktewateren nog ver verwijderd van de ‘goede ecologische toestand’ die tegen 2015 overal bereikt moet worden (figuren 4.6 en 4.7). Veel oppervlaktewateren worden in Vlaanderen - omwille van onomkeerbare hydromorfologische ingrepen - aangeduid als ‘sterk gewijzigd’ of ‘kunstmatig’. De waterkwaliteitsnormen die daar behaald moeten worden, zijn normaal dezelfde als deze in het natuurlijke type, tenzij er ten gevolge van de hydromorfologische verandering een wijziging in type verwacht wordt. De Kaderrichtlijn Water laat wel onder bepaalde voorwaarden toe dat (eventueel tijdelijk) van

#04

deze milieudoelstellingen kan afgeweken worden. Voor de rivieren varieert de richtwaarde voor orthofosfaat naargelang het natuurlijk type tussen 0,05 en 0,12 mg P/l, en voor nitraat tussen 3 en 4 mg N/l [169]. Tabel 4.4 toont voor orthofosfaat de verbeteringen tijdens de afgelopen 15 jaar. Er treedt een verschuiving op naar de betere kwaliteitsklassen, maar het percentage dat de doelstelling behaalt blijft laag. Voor nitraat is de verbetering minder duidelijk. Er treedt wel een verschuiving op van ammonium naar nitraat door de verbeterde zuurstofhuishouding [MIRA-T 2006, p. 97]. De huidige trend laat noch voor fosfor, noch voor stikstof toe om tegen 2015 de vooropgestelde doelen te behalen. Voor al de waterlichamen, ook die met een zeer goede ecologische toestand, geldt minimaal het ‘stand-still’ principe. Figuur 4.8 toont dat ook deze doelstelling momenteel niet gegarandeerd is. Beide voorbeelden geven aan dat het huidige waterbeleid onvoldoende garanties biedt voor ecologisch herstel en dat er te weinig aandacht is voor het instandhouden van fosforgelimiteerde systemen. De (deel)bekkenbeheerplannen en enkele pilootstudies zouden in de toekomst meer maatwerk kunnen bieden. Een duurzaam herstel in termen van vermesting in oppervlaktewateren is pas gerealiseerd indien de toevoer van voedingsstoffen naar het oppervlaktewater beperkt is en de beschikbaarheid in het watersysteem voldoende laag blijft zodat de goede ecologische toestand continu gegarandeerd is. Naast waterzuivering zijn er heel wat ecologische herstelmaatregelen (aangepaste bemesting, hermeandering, (her)aanleg oeverzones, natuurlijke overstromingszones, herstel natuurlijke stroming, waterbodemsanering, peilbeheer,... ) die de toevoer en de beschikbaarheid van voedingsstoffen beïnvloeden. Tot 98 % van de budgetten voor rivierherstel worden op Vlaams niveau momenteel geïnvesteerd in de uitbouw van waterzuiveringsinfrastructuur [NARA 2005, p. 420]. De zoektocht naar de efficiëntie van herstelmaatregelen inzake vermesting zal in de toekomst gepaard moeten gaan met een grotere flexibiliteit in het budgetbeheer met meer mogelijkheden voor ecologische herstelprojecten op maat.

92


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Periode >5

Fosfaatklasse (mg P/l) 1-5 0,5-1 0,12-0,5

1990–1994

2

25,5

22

37

13

1995–1999

1

17

18

43

21

2000–2005

0,5

9

15

42

34

Doelstelling 2015

0

0

0

0

100

Tabel 4.4: Evolutie van het aandeel meetplaatsen (in %) in Vlaamse rivieren dat tot een vooropgestelde fosfaatconcentratieklasse (mediaanwaarden) behoort.

<0,5 _

Oeverzones De afbakening van oeverzones vormt een belangrijk instrument uit het Decreet Integraal Waterbeleid om de toevoer van voedingstoffen naar waterlopen te beperken. Nu bestaat er reeds een generiek mestverbod in de vijfmeterzone langs elke waterloop en een verbod op grondbewerkingen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de éénmeterzone, te meten vanaf de kruin van het talud. In praktijk worden deze verbodsbepalingen evenwel onvoldoende nageleefd en het ontbreekt aan een gepast handhavingsbeleid. Naast deze generieke maatregelen zijn er langs waterlopen ook beheerovereenkomsten met mestbeperkingen afgesloten. Die gelden echter vaak slechts langs één oever, over korte trajecten (in 2006 <2 % van de totale oeverlengte in Vlaanderen) en worden niet gericht ingezet om waardevolle waterlopen te beschermen. Om de ecologische doelen te halen kunnen er, in het kader van de (deel)bekkenbeheerplannen, bredere oeverzones afgebakend worden. Binnen deze oeverzones kan de Vlaamse Regering extra maatregelen opleggen, met inbegrip van erfdienstbaarheden. In de eerste beheerplannen is hiermee nog maar weinig ervaring opgedaan. De Vlaamse overheid is de voorbije jaren gestart met de verwerving van een aantal oeverzones langs de Oude Kale, Zwalm, Kalkenvaart, Poperingevaart, Abeek en Winge. Het is echter onmogelijk om dergelijk aankoopbeleid uit te breiden tot gans Vlaanderen. De methodiek voor afbakening en eventuele verwerving is onvoldoende gekend bij vele waterbeheerders. Terwijl de afbakeningsprocedure in het bekkenbeheerplan zou moeten gebeuren, zijn er voor de realisatie ervan gedetailleerde uitvoeringsplannen nodig. Het is niet duidelijk in hoeverre deze uitvoeringsplannen te verzoenen zijn met de huidige bestemmingsplannen, de herziening van bestemmingen (waaronder de afbakening van het buitengebied) en de ruimtelijke uitvoeringsplannen. Verder is het niet duidelijk in welke omstandigheden financiële vergoedingen aangewezen of noodzakelijk zijn. Een pragmatische handleiding voor afbakening en beheer om dit instrument efficiënter te kunnen inzetten en af te stemmen op de bescherming van de gewenste habitats is wenselijk. Stellen van prioriteiten voor bescherming en herstel Voor het uitstippelen van een efficiënter herstelpad is het essentieel om naast generieke maatregelen voor sanering en mestbeperkingen, ook selectieve maatregelen te nemen en zich te richten op oppervlaktewateren met een hoge natuurlijkheidsgraad en/of waar waardevolle habitats of te beschermen soorten aanwezig zijn. Voor vismigratie is een dergelijk plan uitgewerkt en werden op basis daarvan prioriteiten voor ontsnippering vastgelegd. Geïsoleerde habitats met zeldzame relictpopulaties worden opnieuw met elkaar in verbinding gebracht en belangrijke migratieroutes worden hersteld (www.vismigratie.be). Aangezien de vermestingsdruk in laaglandrivieren op internationale schaal zeer hoog is, is het belangrijk om ook ten aanzien van mestbeperkingen prioriteiten te stellen. Vertrekkende vanuit de potenties van de

93


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

waterkwaliteit en de structuurkenmerken en vertrekkende vanuit de mogelijkheden van het aangrenzende landgebruik werden vroeger reeds prioriteitenkaarten voor herstel uitgewerkt [170]. De (deel)bekkenbeheerplannen bieden kansen om de actuele prioriteiten vast te stellen en de herstelmogelijkheden op te nemen in concrete actieplannen. Tot op heden zijn er slechts weinig concrete actieplannen opgenomen.

03 Kennis Alle Vlaamse ecosystemen staan al decennia bloot aan een zeer hoge vermestingsdruk, die geleid heeft tot een sterke afname van de soorten gebonden aan voedselarme milieus. Gezien deze druk op middellange termijn niet zal dalen tot op een niveau waarbij geen biodiversiteitsverlies meer optreedt, vormt de instandhouding van deze ecosystemen en hun karakteristieke soorten een bijzondere uitdaging. Hoewel er zeker nog kennisleemten bestaan omtrent de mogelijkheden tot spontaan abiotisch en biotisch herstel na chronische blootstelling aan verhoogde nutriëntenconcentraties, zullen in vele gevallen effectgerichte ingrepen en actieve sanering noodzakelijk zijn om beoogde natuurdoelen te realiseren. Het ontbreekt momenteel in Vlaanderen aan kennis en ervaring met mogelijke, wenselijke en noodzake-

#04

lijke herstelpaden onder verschillende scenario’s van kritische lastoverschrijding of van aanhoudend hoge concentraties voedingsstoffen in oppervlaktewateren. Aspecten die hierbij de nodige aandacht verdienen zijn het kwantitatief in kaart brengen van sturende en groeibeperkende abiotische standplaatsvariabelen (hydrologie, zuur/basehuishouding, voedselrijkdom) voor de beoogde habitats en natuur(doel)typen, en rechtstreeks vergelijkend onderzoek naar verschillende vormen van herstelbeheer. Voor aquatische systemen zou extra aandacht moeten besteed worden aan de processen die de toevoer en beschikbaarheid van fosfor in het oppervlaktewater bepalen. Meer praktijkonderzoek naar succes- en faalfactoren van de bestaande beleidsinstrumenten, en naar de mogelijkheden van nieuwe instrumenten zoals de aanleg en verwerving van oeverzones, de koppeling van de watertoets aan de ruimtelijke planningsinstrumenten en de maatregelenprogramma’s in de (deel)bekkenplannen zijn een noodzaak om te komen tot een efficiënter herstelbeleid. Bij de keuze van maatregelen dient extra aandacht te gaan naar de mogelijke gevolgen van klimaatswijzigingen. Hydrologische modellen die zich baseren op beschikbare klimaatmodellen met een stijgende temperatuur voorspellen dat in de zomer het basisdebiet zal dalen en dat de risico’s op piekdebieten toenemen [MIRA-T 2006, p. 56–63; 21]. Verwacht wordt dat de risico’s op fluctuaties in de waterkwaliteit ten gevolge van debietschommelingen, afspoeling en uitspoeling – zonder bijkomende beheermaatregelen – daardoor verder zullen toenemen [136]. Het aantal meetnetten dat op systematische wijze (aspecten van) de milieukwaliteit in de meest gevoelige ecosystemen opvolgt dient uitgebreid te worden, om inzicht te verkrijgen in de omvang en het relatief belang van de verschillende milieudrukken die inwerken op de natuur in Vlaanderen. Deze kennis is essentieel voor zowel het bron- als het effectgerichte beleid inzake natuurgerichte milieukwaliteit.

94


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #04 Vermesting

Met medewerking van Wendy Bonne - Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, dienst Marien Milieu Lieve Clement – Universiteit Antwerpen, departement Biologie Luc Denys – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Jo Packet - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Stefan Van Damme – Universiteit Antwerpen, departement Biologie Rudi Yseboodt – Universiteit Antwerpen, departement Biologie Lectoren Veronique Adriaenssens - Environment Agency (Verenigd Koninkrijk) Lieven Bervoets - Universiteit Antwerpen, departement Biologie Johan Bogaert - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, dienst Beleidsvoorbereiding en –evaluatie Erik Bomans - Bodemkundige Dienst van België Wendy Bonne - Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, dienst Marien Milieu Ann Crabbé - Universiteit Antwerpen, faculteit Politieke & Sociale Wetenschappen Luc Denys - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Jan De Schutter - Departement Mobiliteit en Openbare Werken, Waterbouwkundig Laboratorium Guy Heutz - Agentschap voor Natuur en Bos Gerald Louette - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Henk Maeckelberghe - Vlaamse Milieumaatschappij Koen Martens - Vlaamse Milieumaatschappij Bob Peeters - Vlaamse Milieumaatschappij, Milieurapport Stijn Overloop - Vlaamse Milieumaatschappij, Milieurapport Philip Van Avermaet - Vlaamse Milieumaatschappij Diederik van der Molen - Werkgroep Doelstellingen Oppervlaktewater (Nederland) Dirk Van Gijseghem - Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie Leo Vanhecke - Nationale Plantentuin van België Kor Van Hoof - Vlaamse Milieumaatschappij Kris Van Looy - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Pieter Van Vooren - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu- Natuur- en Energiebeleid Bianca Veraart - Provincie Antwerpen Gaby Verhaegen - Vlaamse Milieumaatschappij Rudi Verheyen - stuurgroep Natuurrapport Patrick Willems – Katholieke Universiteit Leuven, departement Burgerlijke Bouwkunde

95


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Klimaatverandering Luc De Bruyn, Geert De Knijf, Dirk Maes, Beatrijs Van der Aa Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! De vliegperiode van de meeste dagvlinders en libellen werd gemiddeld langer

gedurende de laatste twee decennia, zowel door een vroegere aanvang in de lente (libellen 16 dagen over 23 jaar; dagvlinders 14 dagen over 20 jaar) als een later einde in de herfst (libellen 16 dagen over 23 jaar). ! Libellensoorten waarvan de vliegperiode langer werd, vergrootten hun versprei-

ding meer. #05

! Verschillende soorten veranderden hun fenologische activiteit niet. ! Verschillen in respons op klimaatswijziging leiden tot problemen voor eco-

systeemfuncties.

I

Piekmoment stuifmeelproductie bij berk

Wereldwijd nemen de effecten van de door de mens geïnduceerde klimaatverandering toe [111]. Broeikasgassen bereiken concentraties die de laatste 600.000 jaar nooit bereikt zijn, temperaturen nemen wereldwijd toe, ijskappen en gletsjers smelten af, het zeeniveau stijgt. Ook het aantal wetenschappelijke artikels die effecten van klimaatverandering op natuurlijke soorten en ecosystemen rapporteren neemt snel toe. Parmesan [154] maakte een review van meer dan 800 studies over meer dan 1000 soorten. Ecologische veranderingen in seizoensgebonden activiteiten en de verspreiding van soorten vinden plaats in alle goed onderzochte mariene, zoetwater en terrestrische ecosystemen. Soorten met een beperkte verspreiding en dispersiecapaciteit, vooral die van polaire gebieden en bergtoppen, vertonen een sterke afname in hun verspreiding. Het is ook in die groep dat de eerste extincties plaatsvonden ten gevolge van recente klimaatverandering. Tropische koraalriffen en amfibieën èworden het sterkst negatief beïnvloed door opwarming. Predator-prooi- en plant-insectinteracties worden verstoord omdat de betrokken soorten op een verschillende manier op de veranderingen reageren.

96


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

In het NARA 2005 werden vooral veranderingen in het verspreidingsgebied van soorten behandeld. Daar werd gerapporteerd dat stijgende temperaturen zuidelijke (mediterrane) soorten naar het noorden drijven, waardoor die soorten in onze contreien terechtkomen. Klimaatverandering heeft eveneens een invloed op seizoensgebonden activiteiten van fauna en flora. Door verhoogde temperaturen wordt het sneller warm in de lente en blijft het langer warm in de herfst zodat temperatuursgebonden activiteiten zoals het botten van de bomen, het uitsluipen van insecten of de paddentrek vroeger in de lente voorkomen. Herfstactiviteiten, zoals het vallen van de bladeren, gebeuren dan weer later. Hier bespreken we veranderingen in de vliegperiode van dagvlinders en libellen, bladontwikkeling in de lente bij eik en beuk en productie van stuifmeel door berken.

01 Toestand 1.1 Seizoensgebonden activiteit Vliegseizoen dagvlinders Voor de analyse van de vliegperiode van de dagvlinders werd beroep gedaan op de databank van de Vlaamse Vlinderwerkgroep. Die databank bevat gegevens samengebracht door ongeveer 600 vrijwilligers gedurende meerdere jaren. Voor de huidige analyse werden de gegevens geselecteerd voor de periode 1984 tot en met 2004. Voor 26 soorten bevatte de databank genoeg gegevens om een statistische analyse mogelijk te maken (tabel 5.1). Voor elke soort werd nagegaan of de eerste waarneming per jaar, de laatste waarneming per jaar of de ganse vliegperiode verschoof in de loop van de tijd. Voor soorten met meerdere generaties werden de generaties apart bekeken.

Soorten met ĂŠĂŠn vliegperiode per jaar

bruin zandoogje, eikenpage, geelsprietdikkopje, groentje, groot dikkopje, heivlinder, koevinkje, oranje zandoogje, oranjetip, zwartsprietdikkopje

Soorten met twee vliegperioden per jaar

boomblauwtje, bruin blauwtje, citroenvlinder, groot koolwitje, icarusblauwtje, klein geaderd witje, klein koolwitje, kleine vos, kleine vuurvlinder, koninginnepage, landkaartje

Soorten met drie vliegperioden per jaar

argusvlinder, bont zandoogje, dagpauwoog, gehakkelde aurelia, hooibeestje

97

Tabel 5.1: Lijst van de onderzochte dagvlindersoorten.


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Tabel 5.2: Veranderingen in vliegperiode tussen 1984 en 2004 voor 26 dagvlindersoorten [brongegevens: Vlinderwerkgroep].

Aantal soorten

Vliegperiode vervroegd

Vliegperiode verlaat

Geen verandering

Eén generatie Generatie 1

8

2

Generatie 1

5

2

4

Generatie 2

3

6

2

Generatie 1 Generatie 2 Generatie 3

3 3 1

1

2 1 4

Twee generaties

Drie generaties

Van de 10 soorten die slechts één vliegperiode per jaar bezitten waren er acht waarbij een vervroeging optrad van de eerste waarneming en/of waarbij de ganse vliegperiode vervroegde in het seizoen. Voor

#05

twee soorten was er geen verandering (tabel 5.2). Voor de soorten met twee vliegperioden waren er vijf van de 11 waarvan de eerste vliegperiode vervroegde, twee waarbij een verlating werd opgetekend en vier waarbij geen verandering plaatsvond. De tweede generatie vervroegde voor drie soorten, voor zes soorten vlogen de dieren later en voor twee soorten was er geen verandering. Voor de soorten met drie vliegperiodes ten slotte vervroegde de eerste periode voor drie van de vijf soorten en was er voor twee soorten geen verandering. Voor de tweede vliegperiode vervroegden ook drie soorten, was er voor één soort een verlating en veranderde er niets voor één soort. De derde vliegperiode vervroegde nog voor één soort en er was geen verandering voor de overige vier soorten. Nog een interessant gegeven is dat voor de argusvlinder de tweede vliegperiode vooruit schoof gedurende de studieperiode. Er was pas een derde vliegperiode vanaf 1989. Mogelijk was de duur van het totale vliegseizoen voor die soort op dat moment lang genoeg geworden zodat een derde generatie mogelijk werd. Extra onderzoek zal echter nodig zijn om die hypothese te bevestigen. De grootste verschuiving in de lente werd opgetekend voor de dagpauwoog (figuur 5.1). Die soort kwam gemiddeld 2,4 dagen per jaar vroeger te voorschijn. Dat is een verschuiving van 48 dagen over 20 jaar. Voor de 26 soorten vervroegde de lenteactiviteit gemiddeld met 0,7 dagen per jaar (of 14 dagen over 20 jaar). De grootste verschuiving in de herfst werd opgetekend voor het bruin blauwtje (figuur 5.1). De soort bleef gemiddeld per jaar 3,3 dagen langer rondvliegen. Dat is 65 dagen over 20 jaar! Vermits ze ook een vervroeging in de lente kent van gemiddeld 1,5 dagen per jaar (31 dagen over 20 jaar) is de totale vliegperiode van de soort ongeveer drie maand langer geworden gedurende de laatste 20 jaar. Om na te gaan of de geobserveerde vervroegende trend over de jaren inderdaad temperatuursafhankelijk is, werd een regressie analyse uitgevoerd met de gemiddelde maandelijkse temperaturen. Voor 20 van de 23 dagvlindersoorten bleek inderdaad dat de vliegperiode vroeger begon in jaren waar de temperatuur hoger was (tabel 5.3; figuur 5.2).

98


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Figuur 5.1: Enkele voorbeelden van seizoensgebonden verschuivingen in de vliegperiodes van dagvlinders [brongegevens: Vlinderwerkgroep]. Voor de generaties wordt telkens de mediaan met 25 %-75 % betrouwbaarheidsinterval gegeven. Significante verschuivingen in de tijd worden weergegeven door de regressielijn.

1 dec 1 nov 1 okt 1 sep 1 aug 1 jul

Dagpauwoog Grootste vervroeging van lentevliegperiode.

1 jun 1 mei 1 apr 1 mar 1 feb 1 jan

1985

1990

1995

2000

2005

Zwartsprietdikkopje Geen veranderingen in seizoensgebonden vliegactiviteit.

1 dec 1 nov 1 okt 1 sep 1 aug 1 jul 1 jun 1 mei 1 apr 1 mar 1 feb 1 jan

1985

1990

1995

2000

2005

Bruin blauwtje Grootste uitbreiding van ganse vliegperiode.

1 dec 1 nov 1 okt 1 sep 1 aug 1 jul 1 jun 1 mei

Laatste waarneming Derde generatie Tweede generatie Eerste generatie Eerste waarneming

1 apr 1 mar 1 feb 1 jan

1985

1990

1995

2000

2005

99


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Tabel 5.3: Verband tussen verhoging lentetemperatuur en vervroeging vliegperiode bij dagvlinders (* p <0.05).

Soorten

Jan

Feb

Maa

Apr

Oranjetipje

"

"

Koevinkje

" "

"

Landkaartje

Mei

Jun

Kleine vos

" "

Boomblauwtje Hooibeestje

"

"

Citroenvlinder Heivlinder

"

Dagpauwoog

Kleine vuurvlinder

" " "

Bruin zandoogje

"

Argusvlinder

"

"

Eikenpage

#05

" "

Groot dikkopje

" " " "

Bont zandoogje Groot koolwitje Gehakkelde aurelia Icarusblauwtje Koninginnepage

" " "

Klein geaderd witje Klein koolwitje Oranje zandoogje

"

Zwartsprietdikkopje 27 mei

Figuur 5.2: Verband tussen lentetemperatuur en start vliegperiode bij de kleine vuurvlinder.

20 mei 13 mei 6 mei 29 april 22 april 15 april 8 april 1 april 25 maart 18 maart 2

100

3

4

5

6

7

8

9

10


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Vliegseizoen libellen Voor de analyse van de vliegperiode van de libellen werd beroep gedaan op de databank van de Libellenvereniging Vlaanderen. Daarvoor werden de gegevens geselecteerd voor de periode 1984 tot en met 2006. Voor 26 soorten bevatte de databank voldoende gegevens om een statistische analyse mogelijk te maken (tabel 5.4). Voor elke soort werd nagegaan of de eerste waarneming per jaar, de laatste waarneming per jaar en de ganse vliegperiode verschoof in de loop van de tijd.

Onderzochte libellensoorten azuurwaterjuffer, blauwe glazenmaker, bloedrode heidelibel, breedscheenjuffer, bruine glazenmaker, bruinrode heidelibel, geelvlekheidelibel, gewone oeverlibel, gewone pantserjuffer, grote keizerlibel, grote roodoogjuffer, houtpantserjuffer, kleine roodoogjuffer, koraaljuffer, lantaarntje, paardenbijter, plasrombout, platbuik, smaragdlibel, steenrode heidelibel, viervlek, vuurjuffer, vuurlibel, watersnuffel, weidebeekjuffer, zwarte heidelibel

Tabel 5.4: Lijst van de onderzochte libellensoorten.

Van de 26 soorten waren er acht waarvan de eerste waarneming vervroegde over de 22 jaar (tabel 5.5). Voor 18 soorten werd geen verandering opgetekend. Bij 11 soorten schoof ook de gemiddelde piekvliegperiode vooruit in het seizoen, bij twee was er een verlating in het seizoen en voor 13 soorten was er geen verandering. De laatste waarneming per soort gebeurde later voor vijf soorten en bleef onveranderd voor de overige 21 soorten.

Aantal soorten

Vliegperiode vervroegd

Eerste waarneming

8

Volledige vliegperiode

11

Laatste waarneming

Vliegperiode verlaat

Geen verandering 18

2

13

5

21

De grootste verschuiving in de lente werd opgetekend voor de koraaljuffer (alleen gegevens beschikbaar vanaf 1992) (figuur 5.3). Die soort kwam gemiddeld 2,7 dagen per jaar vroeger tevoorschijn. Dat is een verschuiving van iets minder dan 41 dagen over de 15 jaar die geanalyseerd werden. Gemiddeld genomen voor de 26 soorten schoof de lenteactiviteit met 0,7 dagen per jaar (of 16 dagen over 23 jaar) naar voor. De grootste verschuiving in de herfst werd ook opgetekend voor de koraaljuffer. Ze bleef gemiddeld per jaar 1,9 dagen langer rondvliegen. Dat is 29 dagen over 15 jaar. De totale vliegperiode van de soort is dus meer dan drie maand langer geworden gedurende de laatste 23 jaar. Gemiddeld over de 26 soorten verlaatte de laatste waarneming 0,7 dagen per jaar (16 dagen over 23 jaar). Om na te gaan of de geobserveerde vervroegende trend over de jaren inderdaad temperatuursafhankelijk is, werd een regressie-analyse uitgevoerd op de gemiddelde maandelijkse temperaturen. Voor 18 van de 22 libellensoorten bleek inderdaad dat de vliegperiode vroeger begon in jaren waarin de temperatuur hoger was (tabel 5.6, figuur 5.4).

101

Tabel 5.5: Veranderingen in vliegperiode tussen 1984 en 2006 voor 26 libellen soorten [brongegevens: Vlaamse Libellenwerkgroep].


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Figuur 5.3: Enkele voorbeelden van verschuivingen in de vliegseizoenen van libellen. Significante verschuivingen in de tijd worden weergegeven door de regressielijn [brongegevens: Libellenwerkgroep Vlaanderen].

Koraaljuffer Grootste uitbreiding van ganse vliegperiode.

1 dec 1 nov 1 okt 1 sep 1 aug 1 jul 1 jun 1 mei 1 apr 1 mar 1 feb 1 jan

1985

1990

1995

2000

2005 Blauwe glazenmaker Geen veranderingen in seizoensgebonden vliegactiviteit.

1 dec

#05

1 nov 1 okt 1 sep 1 aug 1 jul 1 jun 1 mei 1 apr 1 mar

Laatste waarneming Mediaan Eerste waarneming

1 feb 1 jan

1985

1990

1995

2000

2005

De afwerking van de nieuwe libellenatlas [49] gaf ons de mogelijkheid om de geobserveerde verschuivingen in vliegperiode (tussen 1984 en 2006) te vergelijken met veranderingen in het verspreidingsgebied van de verschillende soorten. Voor de atlas werden veranderingen opgemeten in het aantal 5x5 km-hokken waar een soort aanwezig was tussen de perioden 1980-1989 en 1995-2004. Praktisch alle soorten waar de analyse op kon gebeuren, hebben tussen de twee atlasperioden hun verspreidingsgebied uitgebreid (figuur 5.5). Daarbij zijn het de soorten die hun vliegperiode het sterkst uitgebreid hebben (door vroeger in de lente te verschijnen en/of later in de herfst te blijven vliegen) die ook de sterkste toename in aantal 5x5 km-hokken kenden. Vier soorten wijken van dat patroon af, namelijk vuurlibel (niet in figuur vertoond omdat de stijging 2663 % bedroeg), paardenbijter, weidebeekjuffer en kleine roodoogjuffer. Hun toename in aantal 5x5 km-hokken is veel groter dan verwacht op basis van hun verandering in de lengte van het vliegseizoen. De reden daarvoor is momenteel nog onbekend. Bij vuurlibel en kleine roodoogjuffer is een mogelijke verklaring dat deze zuidelijke soorten momenteel een sterke noordwaartse uitbreiding kennen.

102


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Soorten

Jan

Feb

Maa

Apr

Tabel 5.6: Verband tussen verhoging lentetemperatuur en vervroeging vliegperiode bij libellen (* p <0.05).

Jun

" "

Blauwe glazenmaker

"

Bruine glazenmaker

Mei

"

Keizerlibel

"

Paardenbijter Smaragdlibel

"

"

"

"

"

"

"

"

"

"

Azuurwaterjuffer Weidebeekjuffer

"

Watersnuffel Grote roodoogjuffer

"

Kleine roodoogjuffer

" " " "

Lantaarntje Platbuik Viervlek

"

Gewone pantserjuffer

"

Houtpantserjuffer

" "

Gewone oeverlibel Vuurjuffer

"

Breedscheenjuffer Zwarte heidelibel Kempense heidelibel

"

Bruinrode heidelibel

" "

Steenrode heidelibel

" "

Figuur 5.4: Verband tussen lentetemperatuur en start vliegperiode bij de keizerlibel.

24 juni 10 juni 27 mei 13 mei 29 april 15 april 2

3

4

5

6

7

8

9

10

Gemiddelde temperatuur maart (°C)

103


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Verspreidingstrend (%)

200

Figuur 5.5: Verband tussen de verandering in de lengte van het vliegseizoen (berekend tussen 1984 en 2006) en de trend in verspreiding (verschil in aantal 5x5 km-hokken tussen de periode 1980-1889 en de periode 1995-2004). De witte symbolen zijn de soorten die afwijken van het algemene patroon (zie tekst) [brongegevens: Libellenwerkgroep Vlaanderen].

150

100

50

0 -1

0

1

2

3

4

5

Verandering lengte vliegseizoen (dagen / jaar)

#05

Groeiseizoen bomen Bladontplooiing beuk en eik Sinds 2002 volgt het INBO jaarlijks de fenologische activiteiten (bloei, bladontplooiing en bladval) van eik (Meerdaalwoud) en beuk (ZoniĂŤnwoud) op. In beide bossen werden een aantal proefvlakken geselecteerd waarin een aantal bomen jaarlijks worden opgevolgd. In het voorjaar en het najaar werden de bomen wekelijks individueel visueel beoordeeld om de bladontwikkeling na te gaan. De data konden worden geanalyseerd voor de periode 2002 tot en met 2007. Momenteel is de tijdreeks nog te kort om uitspraken te doen over de invloed van klimaatverandering. Het is wel duidelijk dat bladontwikkeling bij eik en beuk temperatuurgevoelig zijn (figuur 5.6). Bladontwikkeling bij eik begint in april. Van 2003 tot 2006 gebeurde dat nagenoeg op hetzelfde moment, maar in 2007 was dat 10 dagen vroeger. De bladontwikkeling was het snelst in 2003 (gemiddeld 5,8 weken), het traagst in 2006 (gemiddeld 9,6 weken). Bladontwikkeling gaat sneller als de lentetemperatuur warmer is (figuur 5.6). De start van de bladontwikkeling daarentegen is niet gecorreleerd met de lentetemperatuur. Onderzoek in het buitenland heeft aangetoond dat het in blad komen bij eik wel degelijk vervroegd is tussen 1950 en 2000 [8]. Het beeld voor beuk is vrij gelijkaardig. Bladontwikkeling gebeurt echter sneller. Gemiddeld genomen begon de bladontwikkeling eind april en duurde het 11,4 weken tot volledige ontwikkeling. De bladontwikkeling begon het vroegst in 2007 en was het laatst volledig ontwikkeld in 2006. In tegenstelling tot bij de eik is er geen eenduidig verband met temperatuur. Stuifmeelproductie berk Sinds 1974 wordt door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid de concentratie aan berkenstuifmeel in de lucht opgemeten te Ukkel. Wanneer de dag waarop de stuifmeelconcentratie van de berk de hoogste waarde bereikte, uitgezet wordt over de tijd, blijkt dat de stuifmeelproductie tussen 1974 en 2007

104


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Figuur 5.6: Bladontwikkeling bij eik en beuk. Links: ontwikkeling (0 = nog geen bladeren aanwezig, 1 = volledige boom in blad). Rechts: tijdstip volledige bladontwikkeling in functie van lentetemperatuur [brongegevens: INBO].

21 mei

Proportie bladontwikkeling

1.0

2003 2004 2005 2006 2007

0.8

2006 19 mei

0.6

17 mei

0.4

15 mei 2004

0.2

1 april

1.0

1 mei

1 juni

1 juli

5

6

7

8

Gemiddelde lentetemperatuur (°C)

24 juni

2003 2004 2005 2006 2007

0.8

11 mei

2007 2003

Beuk

0.0

Proportie bladontwikkeling

2005

13 mei

9

2006

17 juni

0.6

2004

10 juni

0.4 3 juni

2005

0.2

2007

Eik

0.0 1 april

1 mei

1 juni

1 juli

27 mei

2003 5

6

7

8

9

Gemiddelde lentetemperatuur (°C)

105


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Datum hoogste stuifmeelpiek berk

5 mei

28 april

21 april

14 april

7 april Jaarlijks gemiddelde Vijfjaarlijks gemiddelde

1 april 1975

1980

1985

1990

1995

2000

Figuur 5.7: Stuifmeelpiek van berk en de relatie met voorjaarstemperatuur [brongegevens: Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid].

#05

2005

3

4

5

6

7

8

9

10

Gemiddelde temperatuur maart (°C)

duidelijk vervroegd is (figuur 5.7). De piek valt vroeger in het jaar wanneer de gemiddelde maart- en apriltemperaturen warmer zijn.

1.2 Fenologische verschuivingen en gevolgen bij andere soorten Klimaatverandering heeft zoals blijkt een belangrijke invloed op de seizoensgebonden activiteiten van insecten (vlinders en libellen) en bomen. Die fenologische verschuivingen tonen aan dat soorten de veranderingen in temperatuur kunnen volgen. Uit de resultaten blijkt echter ook dat er soorten zijn die die verschuiving niet volgen. Bij de libellen blijkt dat een verlenging van de vliegperiode gepaard gaat met een sterkere uitbreiding van het verspreidingsgebied. Dat fenomeen doet zich ook voor bij andere groepen, zoals trekvogels, die in regel in de lente vroeger aankomen en in de herfst later vertrekken [101]. Cijfers uit 20 Europese landen en Vlaanderen tonen aan dat trekvogels die de winter in Afrika doorbrengen sterk in aantal afnemen [101, 121, 276]. Een van de belangrijke oorzaken is een foutieve timing. Ze komen amper één of twee weken vroeger aan waardoor ze te laat zijn om hun broedsel te synchroniseren met de vervroegde voedselpiek. Soorten die hier blijven of slechts tot het Middellandse Zeegebied trekken volgen de vervroegde lente beter op en hebben minder problemen. Een Noord-Amerikaanse studie over graslandflora rapporteerde dat vroege soorten die bloeien voor de zomerpiek hun bloei- en vruchtperiode naar voor schuiven terwijl de soorten die na de zomerpiek bloeien hun fenologische activiteiten naar achter schuiven [174]. Door het uiteenschuiven van de bloem- en vruchtperioden ontstaat er een periode in het midden van het seizoen waar er geen of slechts weinig bloemen en vruchten voorhanden zijn. Dat kan belangrijke implicaties hebben voor soorten die daarvan afhankelijk zijn, zoals bloembestuivers.

106


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

Wanneer de winters warmer en korter worden, verkort ook de overwinteringsperiode bij padden [162]. Het blijkt dat vrouwtjes van de gewone pad een minder goede lichaamsconditie hebben en minder eieren produceren na mildere winters. Dat gaat gepaard met een hogere wintersterfte en een hogere vatbaarheid voor allerlei infecties. Klimaatverandering kan ook aanleiding geven tot een verhoogde impact van uitheemse soorten (zie ook hoofdstuk 6 (Invasieve) uitheemse soorten). Veel soorten worden immers vanuit warmere streken ingevoerd en zijn momenteel nog gebonden aan een warme omgeving zoals in steden. Als de temperatuur in de toekomst gaat toenemen, kan worden verwacht dat die soorten (verder) gaan uitbreken naar natuurlijke ecosystemen. Voorbeelden zijn vier mierensoorten (tropische staafmier, ergatoïde staafmier, plaagmier, faraomier) die momenteel enkel in verwarmde gebouwen en/of in stedelijk milieu aangetroffen worden omdat zij strikt gebonden zijn aan warme milieus [58]. De Amerikaanse roodwangschildpad komt momenteel (nog) niet tot voortplanting wegens te lage temperaturen. Ook in het plantenrijk zijn er veel soorten die in de natuur niet langer dan één of hooguit enkele jaren kunnen overleven, maar wel lang overleven in het stedelijke milieu [218].

02 Beleid De belangrijkste actie om de effecten van door de mens veroorzaakte klimaatverandering op onze (natuurlijke) ecosystemen te beperken is zonder enige twijfel de reductie van broeikasgassen in de atmosfeer. Dat is een probleem op wereldschaal waarvoor Vlaanderen mee verantwoordelijk is. Meer informatie daarover kan gevonden worden via de MIRA-website [253]. Klimaatverandering is niet de enige antropogene druk die inwerkt op onze ecosystemen. Ze interageert met andere verstoringen [33]. Het is dus een extra factor die inwerkt op systemen die al sterk onder druk staan van andere door de mens geïnduceerde verstoringen zoals habitatfragmentatie, vermesting, verdroging. Het verminderen van deze andere verstoringen kan de veerkracht en resistentie van natuurlijke ecosystemen tegen klimaatverandering verhogen. Intacte ecosystemen hebben immers een groter weerstandsvermogen tegen stresssituaties. Door de connectiviteit tussen habitatvlekken te verhogen worden de dispersiemogelijkheden van soorten verhoogd zodat zij geschikte habitat kunnen bereiken. Waneer dat niet mogelijk is, kan overwogen worden om soorten actief te verplaatsen [105]. Waar klimaatverandering een verstoring van ecosystemen veroorzaakt, kan die nog verergerd worden door eenzijdige economisch gerichte adaptieve maatregelen die momenteel ontwikkeld worden [105]. Zeeweersystemen en overstromingsbeschermingen bijvoorbeeld verstoren of vernietigen zeldzame marine en estuariene ecosystemen, of verstoren de natuurlijke waterhuishouding. Overstromingsbescherming kan echter ook positief zijn wanneer er rekening gehouden wordt met andere functies zoals natuurlijkheid. Een voorbeeld daarvan is het Lippenbroek, een eerste Gecontroleerd Overstromingsgebied (GOG) met Gecontroleerd Gereduceerd Getij (GGG) (zie ook focushoofdstuk Zeeschelde). Het IPCC [111] waarschuwt wel dat adaptieve maatregelen nooit alle verwachte effecten van klimaatverandering zullen kunnen oplossen, zeker niet op lange termijn.

107


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #05 Klimaatverandering

03 Kennis Momenteel bestaat er geen gestructureerd monitoringssysteem (buiten de fenologie van eik en beuk) in Vlaanderen om de effecten van klimaatwijzigingen op te volgen en te meten. Een initiatief zoals de natuurkalender [249] opgestart door Natuurpunt is een stap in de goede richting maar heeft eerder een bewustmakende functie. Een meer gestandaardiseerde, gestructureerde monitoring voor de evaluatie van klimaateffecten, zoals bij de boomfenologie, is nodig om tot wetenschappelijk onderbouwde uitspraken te kunnen komen. Criteria om tot een gestructureerde monitoring (prioriteiten, welke monitoring, randvoorwaarden, organisatorische vereisten, kennisontwikkeling, middelen, …) te komen, worden gerapporteerd in het themahoofdstuk Monitoring. Een van de grote uitdagingen voor de wetenschap en het beleid is het voorspellen van de reactie van soorten. De meeste huidige modellen gebruiken een ‘climate envelope’ benadering. Die modellen veronderstellen dat zo gauw de klimaatcondities geschikt worden/zijn voor een bepaalde soort, de soort zich daar kan vestigen en/of overleven. Zoals hoger beschreven is klimaatverandering geen losstaand fenomeen en interageert het met andere verstoringen. De modellen houden ook geen rekening met de dispersiecapaciteiten van de soorten en de ecologische en evolutionaire complexiteit van soortengemeenschappen. Er is dus een

#05

dringende nood aan studies die de mechanistische achtergronden van de effecten van klimaatverandering op ecosystemen onderzoeken om te achterhalen hoe ecosystemen zullen reageren op de huidige en toekomstige klimaatverandering. Ze moeten als basis dienen wanneer bepaald moet worden welke adaptatiemaatregelen genomen moeten worden om de druk van klimaatverandering op onze natuur te verminderen. Modellen zijn veelal gebaseerd op gemiddelde veranderingen in temperatuur en neerslag. Wat echter veel belangrijker is, zijn effecten van extreme gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld hitte- en droogteperiodes. Die kunnen fataler zijn dan de langetermijnopwarming. De kennis hierover is echter zeer beperkt en verdient prioritaire aandacht. Met medewerking van: Cyreen Knockaert – Agenschap voor Natuur en Bos Katrien Tersago - Universiteit Antwerpen, Evolutionaire Biologie Pieter Van Vooren - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu- Natuur en Energiebeleid Lectoren Anny Anselin - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Dirk Bauwens - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Peggy Beers - Provinciaal Instituut voor Hygiëne (Antwerpen) Johan Brouwers - Vlaamse Milieumaatschappij, Milieurapport Ludo Holsbeek - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Ivan Janssens - Universiteit Antwerpen, faculteit Wetenschappen, departement Biologie Els Martens - Agentschap voor Natuur en Bos Els Van Den Broeck - Dep. Leefmilieu, Natuur en Energie, afd. Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid Hans Van Gossum - Universiteit Antwerpen, faculteit Wetenschappen, departement Biologie Pieter Van Vooren - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu- Natuur en Energiebeleid Martine Vanderstraeten - Belgische Federale Wetenschapsbeleid Steven Vanholme - Natuurpunt vzw

108


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

Uitheemse soorten Luc De Bruyn1, Anny Anselin1, Jim Casaer1, Geert Spanoghe1, Gerlinde Van Thuyne1, Filip Verloove2, Glenn Vermeersch1, Hugo Verreycken1 1 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2 Nationale Plantentuin

! Tussen 2002 en 2006 zijn meer dan 100 nieuwe uitheemse soorten in Vlaanderen

opgedoken. ! De aantallen broedparen van invasieve vogels nemen nog steeds toe. ! De aantallen van muskusrat en beverrat nemen af dankzij de bestrijdingsin-

spanningen. ! Het aantal vangstplaatsen met uitheemse vissen blijft stabiel. ! Er zijn geen criteria voorhanden voor het selecteren van prioritair te bestrijden

soorten. ! Slechts enkele uitheemse soorten worden actief bestreden. De inspanningen

en kosten lopen daarbij hoog op.

I

Aantal uitheemse soorten

I

Aantaltrends uitheemse vogels

I

Aantaltrends uitheemse zoogdieren

I

Aantaltrends uitheemse vissen

Uitheemse soorten zijn soorten die buiten hun normale verspreidingsgebied voorkomen en die daar geraakt zijn door menselijk toedoen (bv. doelbewust als voedsel, tuinversiering, huisdieren, biologische controle; of onbewust, bv. met de wol van schapen, in ballastwater of aan de romp van schepen, fruit en groentetransport). Sommige soorten kunnen daarbij invasief worden. Invasieve soorten zijn ingeburgerde

109


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

soorten die ver buiten de oorspronkelijke plaats van introductie doordringen in (half)natuurlijke milieus. Daarbij kunnen ze mogelijk een gevaar gaan vormen voor de natuurlijke ecosystemen en ecologische en/of economische schade veroorzaken, of een probleem vormen voor de volksgezondheid. In het NARA 2005 werd gerapporteerd dat de invoer van uitheemse soorten al zeer lang bezig is en dat de trend van nieuw ingevoerde soorten de laatste decennia exponentieel toeneemt. Hier zullen we laten zien dat die trend zich voortzet. Ook de populatieaangroei van de soorten die hier al langer aanwezig zijn, zet zich voort. Dat wordt aangetoond met de beschikbare monitoringsgegevens voor uitheemse vogels, zoogdieren en vissen.

01 Toestand 1.1 2010-indicator: aantal uitheemse soorten In het NARA 2005 werden de historische patronen geanalyseerd van de introductie van uitheemse soorten. Daaruit bleek dat tot 2002 802 plantensoorten in de natuur terechtkwamen, waarvan 376 blijvende

#06

populaties vormden. De vrijstelling nam exponentieel toe in de tijd tot gemiddeld 15 soorten per jaar tussen 1990 en 2000. Gemiddeld vier per jaar hebben blijvende populaties. De invoer van nieuwe uitheemse soorten blijft voortgaan [217]. Van 2002 tot 2006 zijn er nog 110 soorten bijgekomen (figuur 6.1). Dat is een gemiddelde van 21,6 soorten per jaar. 97 van de soorten kunnen niet langer dan ĂŠĂŠn of hooguit enkele

Figuur 6.1: Aantal uitheemse soorten: cumulatief aantal uitheemse vaatplantensoorten en gewervelde en ongewervelde dieren sinds 1900 [brongegevens: Nationale Plantentuin Meise, 218, INBO].

110


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

jaren overleven. De overige 13 soorten echter hebben wel blijvende populaties. Of deze soorten eerder beperkte mogelijkheden tot reproductie hebben of later ver buiten hun oorspronkelijke gebied natuurlijke ecosystemen zullen koloniseren, moet verder onderzoek uitwijzen. Ook in de eerste twee maanden van 2007 zijn reeds twee nieuwe uitheemse soorten gevonden. Momenteel zijn er ongeveer 900 plantensoorten die in de natuur vrijgesteld werden waarvan bijna 400 blijvende populaties hebben. Tussen 1990 en 2000 kwamen de uitheemse plantensoorten die voor het eerst in Vlaanderen aangetroffen werden voornamelijk binnen via ingevoerde granen (56 %) en de tuinbouw (26 %). Tussen 2002 en 2006 heeft invoer via de tuinbouw de leiding genomen met 70 % (figuur 6.2). De invoer via granen staat nu met 8 % op de tweede plaats. De overige 22 % komen Vlaanderen binnen via verschillende wegen zoals pootvis, serres, andere agrarische gewassen, houtinvoer of ertsen. 1.0

Overige Granen Tuinen

Aandeel

0.8

0.6

0.4

0.2

0.0

1900-1990

1990-2000

2000-2006

Ook voor diersoorten is de invoer niet stilgevallen (figuur 6.1). Zo werden nog een eekhoorn (zie verder), een boktor [186], een houtkever [26, 223] en vijf uitheemse wantsen [9] recent voor de eerste maal waargenomen. Van twee soorten die vroeger al wel in de literatuur gemeld werden, werden ook nieuwe populaties aangetroffen [25, 197]. Voor diersoorten zijn er ongeveer 80 waarvan bekend is dat ze blijvende populaties hebben in de natuur.

1.2 Aantaltrends uitheemse vogels Sinds 1994 worden uitheemse broedvogels gemonitord in het kader van het project ‘bijzondere broedvogels’ [5]. Van 1994 tot en met 1999, toen het aantal broedparen nog laag was, konden ze vrij nauwkeurig opgenomen worden. Van 2000 tot en met 2002 werden de soorten nauwkeurig geteld in het teken van de broedvogelatlas [220]. Na de atlasperiode konden de uitheemse soorten niet meer jaarlijks gebiedsdekkend geteld worden om praktische redenen [219]. De aantallen zijn ondertussen immers zo toegenomen dat dit niet meer volledig kan worden gedragen door de vrijwilligers. De meest recente data moeten dus met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd worden.

111

Figuur 6.2: Invoerwijze van de uitheemse planten [brongegevens: Plantentuin Meise, 218].


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

100

1800

Canadese gans Nijlgans Brandgans

1600

Aantal broedparen

1400

Indische gans Maghelaengans Zwarte zwaan Mandarijneend Carolina-eend

80

1200

60

1000 800

40

600 400

20

200 0

1994

1996

1998

2000

2002

2004

2006

0 1994

1996

1998

2000

2002

2004

2006

Figuur 6.3: Aantaltrends uitheemse vogels. Volle lijn = jaarlijkse schatting, stippellijn = geschat over meerdere jaren [brongegevens: INBO].

#06 Voor de Canadese gans zouden er momenteel 1500 tot 2000 broedparen zijn (figuur 6.3). Een Vlaamse gebiedsdekkende telling in het teken van het project Honker [4] in januari 2007 schat het totale aantal exemplaren van die soort op meer dan 9000. Hetzelfde beeld wordt verkregen voor de Nijlgans. Van die soort zouden er momenteel tussen 1100 en 1300 broedparen in Vlaanderen leven. Het aantalverloop van de derde algemene soort, de brandgans, verloopt nagenoeg lineair (momenteel 200-270 broedparen). Volgens de ruwe schattingen is er geen noemenswaardige stijging meer voor mandarijneend (80-95 broedparen), zwarte zwaan (40-45) en carolina-eend (25-30). Voor Indische gans (30-40) en maghelaengans (50-70) is er nog wel een beduidende stijging. De halsbandparkiet werd niet in de grafiek opgenomen. Deze holenbroeder is moeilijk te inventariseren door zijn broedgedrag. Alleen tijdens de telperiode van de broedvogelatlas kon een schatting gemaakt worden van het aantal broedparen, vermoedelijk ergens tussen de 260 en 430. Gedetailleerde tellingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tonen echter wel aan dat de soort ook exponentieel toeneemt [236]. De laatste gemonitorde soort, de rosse stekelstaart, kwam tot op heden niet tot broeden in Vlaanderen. Alleen in 2006 werd een eerste broedpoging waargenomen op de Kalmthoutse Heide. Die werd echter vroegtijdig afgebroken. Zoals uit de figuur blijkt is voor de meeste soorten de exponentiële stijging afgevlakt sinds 2000. Een mogelijke verklaring is dat de recente gegevens onvolledig zijn. Tussen 2000 en 2002 was er de broedvogelatlasinventarisatie. Daardoor werden de data van deze 3 jaar in één getal gecombineerd. Wegens de grote aantallen werden de dieren nog nauwelijks gebiedsdekkend geteld. De gegevens van het totale aantal exemplaren (wintertellingen) bevestigen wel de afvlakking voor Canadese gans, mogelijk door actieve bestrijding (zie verder). Voor de andere soorten zijn de gegevens ontoereikend, maar de specialisten vermoeden niet dat er een afvlakking is (zeker niet brandgans en Nijlgans).

112


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

18.000

Muskusrat Beverrat

16.000

Figuur 6.4: Aantaltrends uitheemse zoogdieren in Vlaanderen [bron: VMM afdeling Water].

300

14.000 250

12.000

200

10.000 8.000

150

6.000

100

4.000

Aantal beverratten

Aantal muskusratten

350

50

2.000 1955

1960

1965

1970

1990

1995

2000

2005

1.3 Aantaltrends uitheemse zoogdieren De monitoringsgegevens voor beverrat en muskusrat worden ingezameld door VMM afdeling Water in het kader van de bestrijding van beide soorten. Het aantal gevangen beverratten vertoonde nog een duidelijke stijging begin van de jaren 2000. Recente gegevens tonen aan dat een piek bereikt werd in 2003 met 291 dieren (figuur 6.4), gevolgd door een spectaculaire daling tot 39 individuen in 2006. Die daling wil echter nog niet zeggen dat de soort bijna uitgeroeid is. Er kunnen immers grote schommelingen optreden zoals in het verleden reeds werd opgemerkt. De verspreiding van de beverrat is beperkt tot het noordelijke deel van de Grensmaas (figuur 6.5). De gevangen aantallen geven aan dat er een instroom is vanuit Nederland. Het feit dat er zich ook in Nederland een dalende trend vertoont, geeft aan dat de uitroeiingscampagne ook daar in de goede richting lijkt te gaan. In de regio Hasselt-Zonhoven werden sinds 2005 geen beverratten meer gevangen en ook geen sporen meer gevonden (figuur 6.5), wat het vermoeden bevestigt dat de populatie hier uitgeroeid is [213]. Soms worden beverratten gevangen op plaatsen zeer ver van bestaande populaties (bv. zeven dieren in de Nete nabij Zammelsbroek) wat er waarschijnlijk op wijst dat deze dieren nog in gevangenschap gehouden worden en worden losgelaten of ontsnappen. Deze dieren zijn ondertussen gedood.

7 4 ! ! !8

! 10 ! 36 36 !

!9

43! 9! 2!

19!

Figuur 6.5: Verspreiding van de beverratvangsten in Limburg (Zonhoven en aan de Maas) in 2004 (links) en januarijuni 2005 (rechts) [bron: 213].

! !

6!

113


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

De daling in het aantal gevangen muskusratten die begon in 1993 zette zich verder tot iets minder dan 8000 in 2006 (figuur 6.4). De vangsten weerspiegelen waarschijnlijk ook een reële daling in de aantallen. De vangstintensiteit blijft immers gelijk en wordt zelfs groter (geografische uitbreiding). Door het dalende aantal gevangen dieren kunnen de rattenvangers meer tijd besteden aan prospectie van nieuwe gebieden. De hier opgegeven aantallen zijn de ratten gevangen door VMM afdeling Water. Vroeger werden ook veel muskusratten gevangen door de provincie en de gemeenten. In Antwerpen (sinds twee jaar) en VlaamsBrabant (sinds één jaar) is dat volledig overgenomen door VMM. Voor Limburg zou dat gebeuren vanaf september 2007. In Oost- en West-Vlaanderen gebeurt het nog door de gemeenten. 600

8000 Calmeynbos Zoniënwoud

Aantal in Calmeynbos

500

#06

6000 400 4000

300 200

2000

Aantal in Zoniënwoud

Figuur 6.6: Aantaltrends voor de Aziatische grondeekhoorn in Vlaanderen [brongegevens: 196, 212].

100 0

1975

1980

1985

1990

1995

2000

2005

0

Ook de twee grote populaties van de Aziatische grondeekhoorn werden verder opgevolgd [196]. Na de piek van 7500 dieren in het Zoniënwoud in 1998 daalden de aantallen tot 3000 in 2002, waarna ze terug stegen tot 7500 in 2005 (figuur 6.6). Interessant om op te merken is dat tot 2004 de grondeekhoorns alleen in het westelijke deel van het woud voorkwamen, afgesloten door de R0. In 2004 werden echter voor het eerst dieren aangetroffen aan de oostkant van de R0. Ze hadden waarschijnlijk een tunnel gevonden om de ring over te steken waardoor ze van daaruit via het Meerdaalwoud naar het Leuvense en de rest van Vlaanderen zouden kunnen geraken. In de late herfst van 2005 werden door ANB vangstsessies gehouden aan de oostzijde, echter zonder succes. De tweede grote populatie van de Aziatische grondeekhoorn in De Panne zakte eveneens van een piek van 520 dieren in 1998 naar minder dan 100 om daarna terug te stijgen naar ongeveer 200 in 2005. Daarnaast is er nog een populatie in de Beeltjes (Westerlo), maar er zijn geen gegevens beschikbaar over hun aantal en de populatieschommelingen. Naast de beschreven soorten worden er ook sporadisch carnivore zoogdieren (o.a. wasbeer, wasbeerhond, Amerikaanse nerts) verzameld via het marternetwerk van het INBO [254]. Deze soorten hebben echter nog geen blijvende populaties in de natuur [191, 192].

114


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

1.4 Aantaltrends uitheemse vissen Tijdens visbestandopnames van het INBO werden in de periode van 2001 tot en met 2006 gemiddeld 195 meetplaatsen (variërend tussen 158 en 241) per jaar bemonsterd. Op gemiddeld 17 % van de meetplaatsen worden er geen vissen aangetroffen, op 33 % vinden we enkel inheemse vissoorten en het percentage meetplaatsen met minstens één uitheemse vissoort bedraagt ongeveer 50 % (figuur 6.7). Het aantal meetplaatsen waar er enkel uitheemse soorten worden aangetroffen is zeer laag en daalde van 6 % in 2001, over gemiddeld 0,7 % tussen 2002 en 2005 naar 0 % in 2006.

60

Figuur 6.7: Aantaltrends uitheemse vissen: meetplaatsen (in procent van het totaal) zonder vissen, met alleen inheemse vissoorten, met alleen uitheemse vissoorten en met minstens één, drie of vijf uitheemse soorten [brongegevens: INBO].

Aandeel meetplaatsen (%)

50 40 30 20

Geen vissen Geen uitheemse vissen Minstens één uitheemse vissoort Minstens drie uitheemse vissoorten Minstens vijf uitheemse vissoorten Enkel uitheemse vissen

10 0 2001

2002

2003

2004

2005

2006

De trends over de periode (2001-2006) tonen een algemene lichte afname in het aantal visloze plaatsen. De plaatsen met enkel inheemse soorten kennen een duidelijke toenemende algemene trend terwijl het aantal plaatsen met minstens één uitheemse vissoort lichtjes afneemt en eerder een status-quo vertoont. De toenemende trend voor inheemse soorten en de status-quo van uitheemse soorten is enigszins te verklaren door de daling van het aantal visloze locaties. Aangezien het aantal inheemse vissoorten dat voorkomt in Vlaanderen veel groter is dan het aantal uitheemse soorten, is er een grotere kans dat een nieuwe locatie eerst wordt ingenomen door een inheemse soort. Op gemiddeld 13 % van de bemonsterde locaties komen meer dan drie uitheemse vissoorten voor en ook hier is er een licht dalende trend waar te nemen tussen 2001 en 2006. Slechts op ongeveer één procent van de vangstplaatsen komen er minstens vijf uitheemse vissoorten voor en het maximale aantal uitheemse soorten aangetroffen op een locatie bedraagt zes.

115


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

1.5 Gevolgen voor de natuur Zoals hoger aangehaald kunnen uitheemse soorten wanneer ze invasief worden en natuurlijke ecosystemen binnendringen belangrijke schade aanrichten. Op wereldschaal wordt geschat dat invasieve soorten verantwoordelijk zijn voor ongeveer 40 % van de gekende extincties [32]. De impact van uitheemse soorten in onze contreien is niet goed gekend. Veel van onze kennis is gebaseerd op toevallige veldwaarnemingen. Enkele recente studies geven meer inzicht. Een recent onderzoek aan de Universiteit Antwerpen naar de verspreidingscapaciteit en impact op biodiversiteit van de halsbandparkiet in BelgiĂŤ geeft aan dat deze invasieve soort nog veel uitbreidingscapaciteit heeft [183]. Daarnaast blijkt er een duidelijk negatief verband te bestaan tussen de densiteiten van de parkiet en de inheemse boomklever. Dat is mogelijk een gevolg van competitie voor nestholen. Er was geen verband met de densiteiten van de spreeuw, een andere holenbroeder die in gelijkaardige bestaande boomholten nestelt. Er was ook geen verband met holenbroeders zoals groene specht, grote bonte specht, kauw of holenduif, soorten die in veel grotere holen broeden. Momenteel wordt een experiment uitgevoerd om de negatieve impact van de halsbandparkiet te kunnen kwantificeren.

#06

Vermits uitheemse invasieve soorten een nadelig effect op de lokale fauna en flora (kunnen) hebben, wordt er soms overgegaan tot bestrijding. Dat dit niet altijd het gewenste resultaat oplevert, werd aangetoond in Engeland [106]. Daar werd reuzenbalsemien experimenteel verwijderd. Er werd een duidelijke stijging van de biodiversiteit waargenomen op die plaatsen, vooral voor lichtminnende soorten. Onder de nieuwe soorten die op die plaatsen opdoken zaten er echter ook een groot deel andere uitheemse invasieve soorten waardoor de proportie uitheemse soorten toenam ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Declerck et al. [57] vonden een sterke dieetoverlap tussen riviergrondel en uitheemse vissen (blauwbandgrondel, zonnebaars, bruine Amerikaanse dwergmeerval), maar ook de inheemse blankvoorn. Dat kan leiden tot sterke interspecifieke competitie voor voedsel wanneer voedsel schaars is. Voor blankvoorn daarentegen was de dieetoverlap met uitheemse soorten verwaarloosbaar. Uit een analyse gebaseerd op 80 experimenten blijkt dat uitheemse (vogel- en zoogdier-) predatoren een veel groter effect hebben op inheemse prooidierpopulaties dan inheemse predatoren [168]. Zij decimeren de populaties van hun prooi veel sterker waardoor die zwaar onder druk kunnen komen te staan. Uitheemse soorten kunnen ook een invloed hebben op ecosysteemdiensten. Algemeen wordt aangenomen dat uitheemse plantensoorten het goed doen omdat ze geen natuurlijke vijanden zouden hebben in hun nieuw verspreidingsgebied. Een literatuurstudie gebaseerd op 63 veldstudies met meer dan 100 uitheemse plantensoorten gaf echter aan dat inheemse herbivoren (vooral generalisten) over het algemeen juist wel in staat zijn om die uitheemse planten te onderdrukken [153]. Uitheemse herbivoren daarentegen zijn niet in staat om ze te onderdrukken. De toenemende invoer van uitheemse herbivoren doen de onderdrukking (ecosysteemdienst) teniet en faciliteren eerder invasie door de uitheemse planten.

116


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

02 Beleid 2.1 Planning en instrumentering Vermijden van nieuwe introducties Elke nieuwe uitheemse soort is een potentieel gevaar. Het belangrijkste is dan ook de bewuste en/of onbewuste introductie te vermijden. Wanneer een nieuwe soort zich toch in de natuur verspreidt dient zij bij voorkeur te worden verwijderd voor ze zo ver verspreid geraakt dat bestrijding onmogelijk wordt of zeer grote inspanningen gaat vragen. Voor het beleid inzake (invasieve) uitheemse soorten staat in België de federale overheid in voor de preventieaspecten (vermijden van nieuwe introducties) terwijl de herstelaspecten onder de gewestelijke bevoegdheid vallen. In de Belgische Biodiversiteitsstrategie 2006-2016 staan twee doelstellingen die betrekking hebben op het vermijden van nieuwe introducties: ! Objectief 3.7 De introductie van invasieve vreemde soorten voorkomen en de impact op de

biodiversiteit ervan beperken; ! Objectief 5.7 Rekening houden met de potentiële impact op biodiversiteit, en in het bijzonder de

invasiviteit van soorten, bij het nemen van import- en exportbeslissingen. Het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD) heeft begeleidende beginselen ontwikkeld die België kunnen helpen om de introductie van invasieve vreemde soorten te voorkomen, om nieuwe introducties in een vroeg stadium op te sporen en om maatregelen te treffen om de impact van vastgestelde invasieve vreemde soorten te beperken (CBD-Besluit VI/23). Ze hebben dus zowel betrekking op het federale als het Vlaamse beleid. De volgende operationele aanbevelingen, gebaseerd op die begeleidende beginselen en op de pan-Europese Strategie inzake invasieve vreemde soorten, werden geformuleerd door het Belgisch Forum over Invasieve Soorten in het kader van de conferentie ‘SOS Invasions!’ (Brussel, 9 en 10 maart 2006) teneinde de ecologische en economische impact van invasieve uitheemse soorten in België te beperken: ! één leidinggevende structuur aanstellen of creëren om de consequente toepassing van de beleids-

lijnen over uitheemse soorten te coördineren en te garanderen in relevante domeinen (fytosanitaire controles, dierenwelzijn en -gezondheid, handel in uitheemse soorten, initiatieven op het vlak van bioveiligheid, ...); ! volledige en algemeen aanvaarde procedures uitvoeren voor risico-evaluatie van het opzettelijk

uitzetten van uitheemse soorten in het wild; ! actieplannen ontwikkelen om de belangrijkste introductieroutes aan te pakken om opzettelijke en

onopzettelijke introducties voor alle relevante sectoren te helpen voorkomen; ! de bestaande wetgeving herzien, uitbreiden en bijwerken om de aanpak van problemen met

invasieve uitheemse soorten te verbeteren;

117


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

! mechanismen opstellen om schadelijke uitheemse soorten in het wild snel op te sporen en

onder controle te houden; ! de wetenschappelijke capaciteiten uitbouwen en op peil houden; ! het bewustzijn van alle relevante sectoren opdrijven om een goed inzicht in de problemen rond

invasieve soorten te garanderen, inclusief introductieroutes, economische en ecologische gevolgen.

Bestrijding van gevestigde uitheemse soorten Het MINA-plan 3 heeft geen plandoelstellingen aangaande de bestrijding van uitheemse soorten. De visie inzake geïntroduceerde soorten vermeldt alleen dat gepaste maatregelen en speciale acties nodig zijn voor de controle van expansieve soorten. Onder het goed beheren van waterlopen staat verder dat rattenbestrijding een blijvend aandachtspunt is en dat aquatische uitheemse soorten soms voor problemen zorgen waarvoor een oplossing moet worden gezocht. De effectieve bestrijding van uitheemse soorten gebeurt ook ad hoc, meestal pas wanneer economische schade blijkt. Er zijn geen criteria opgesteld om prioritair te bestrijden soorten te selecteren. Buiten de rattenbestrijding bestaat er geen enkel bestrijdingsplan. In 2002 werd door het INBO een advies voor de bestrijding van verwilderde watervogels opgesteld [13], maar dat werd

#06

nooit omgezet tot een bestrijdingsplan. Momenteel wordt er een bestrijdingsplan uitgewerkt voor de uit Noord-Amerika ingevoerde eend, rosse stekelstaart. Die vormt een gevaar voor de sterk bedreigde witkopeend in Europa [138, 175]. De rosse stekelstaart wordt in Nederland en België gehouden, gekweekt en verhandeld. Voorlopig is nog geen voortplanting in de natuur in België waargenomen. Gezien de kwetsbare positie van de witkopeend werd met een hoge prioriteit een ‘Action Plan’ voor de witkopeend opgesteld onder de Bernconventie. De voorgestelde dringende maatregelen gelden zowel voor verwilderde rosse stekelstaarteenden die in het vrije veld voorkomen als voor in gevangenschap gehouden exemplaren. ANB werkt aan een bestrijdingsplan voor de rosse stekelstaart in Vlaanderen waarbij op basis van het ‘Action Plan’ een aantal acties worden voorgesteld die in Vlaanderen dienen te worden genomen ten aanzien van deze soort. Die acties hebben betrekking op een zo nauwkeurig mogelijke monitoring van het voorkomen van de soort in Vlaanderen, het verhinderen van eventuele broedgevallen of -pogingen en tevens een poging tot het sensibilisering van houders van de soort in gevangenschap om te verhinderen dat nieuwe exemplaren in het wild zouden terechtkomen. Het Belgische forum ‘invasieve uitheemse soorten in België’ heeft een protocol opgesteld (ISEIA-protocol) voor de classificatie van uitheemse soorten [22]. Gebaseerd op vier criteria (dispersiepotentieel, kolonisatie van habitats met een hoog beschermingsstatuut, impact op inheemse soorten, impact op het functioneren van ecosystemen) worden de soorten geclassificeerd als een A-soort (Zwarte Lijst: hoge impact en gevestigd in België) B-soort (op te volgen soort: gemiddelde impact en gevestigd België) of C-soort (alarmsoort: hoge impact, nog niet in België, wel gevestigd in buurlanden). Dit protocol biedt overheden de kans prioriteiten te leggen in de preventie en bestrijding van planten en dieren. Momenteel zijn reeds een aantal uitheemse soorten volgens dit protocol geclassificeerd. Ze zijn raadpleegbaar via de databank ‘Harmonia’ {2874}. De lijst zal regelmatig geüpdate worden.

118


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

2.2 Uitvoering Muskusrat en beverrat Een inschatting maken van de gedane inspanningen en uitgaven voor de bestrijding van muskusrat en beverrat is zeer moeilijk. Volgens VMM afdeling Water blijft de inzet van personeel ongeveer gelijk over de verschillende jaren. Momenteel zijn er een honderdtal rattenvangers actief. Daarnaast is er ook een controleteam van een 10-tal mensen dat ingezet wordt om na te gaan of in de verschillende bekkens de streefwaarden gehaald worden en waar meer inspanningen nodig zijn. De streefwaarde (lintnorm) voor provinciale en gemeentelijke waterlopen is maximaal drie (winter), vijf (lente), zes (zomer) of vijf (herfst) gevangen dieren. Voor bevaarbare waterlopen stijgt dat tot 4-6-8-6. Daar worden dan wel bruine ratten en beverratten bijgerekend. De activiteiten die de teams in het veld uitoefenen zijn echter sterk veranderd over de jaren. Tot begin jaren negentig, wanneer de muskusratdensiteiten nog zeer hoog waren, werd vooral veel tijd besteed aan het zetten van vallen, de vallen leegmaken en het verwerken van het verzamelde materiaal. Nu de densiteiten veel lager zijn, is de inspanning nodig voor het vangen van de ratten sterk verminderd. Daardoor kan meer tijd besteed worden aan prospectie van gebieden om na te gaan waar nog ratten aanwezig zijn. Daardoor breidt het gebied dat bestreken wordt ook sterk uit. Volgens VMM afdeling Water zou binnen twee jaar heel Vlaanderen onder controle moeten zijn zodat per stroombekken overal de streefwaarden gehaald worden. Canadese gans De bestrijding van uitheemse vogels gebeurt voorlopig enkel voor de Canadese gans door jacht van 15 augustus tot 15 januari. Binnen de zogenaamde ‘vogelrijke zones o.a. Vogelrichtlijngebieden’ mag gejaagd worden van 15 september tot 15 november1. Daarnaast is het ook mogelijk om ‘bijzondere bejaging’ aan te vragen om schade te voorkomen en dit tussen 10 juli tot 31 augustus, enkel op en rond percelen met graangewassen. De Wildbeheerdatabank Vlaanderen (ANB en INBO) registreert het aantal Canadese ganzen dat jaarlijks geschoten wordt in erkende wildbeheereenheden. Het aantal afgeschoten Canadese ganzen nam sterk toe van 2002 tot 2005 (figuur 6.8). In totaal werden er in 2005 bijna 3600 ganzen afgeschoten. Het aantal wildbeheereenheden dat rapporteerde, en daardoor ook de oppervlakte waarover gerapporteerd werd, steeg eveneens over die periode [252]. Indien we het aantal afgeschoten ganzen proportioneel herrekenen ten opzichte van de oppervlakte blijkt dat ook dat relatief aantal afgeschoten ganzen van 2002 tot 2005 gevoelig gestegen is. Naast afschot mogen de jachtrechthouder, zijn beëdigde wachter, de grondeigenaar en de grondgebruiker ten behoeve van het natuurbeheer eieren schudden, rapen, of vernielen na voorafgaande toelating van de woudmeester. Daarnaast mogen ook speciale aanvragen gedaan worden om de vogels tijdens de ruiperiode te vangen en te doden. Die acties gebeuren als lokale initiatieven.

1) Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de jacht in het Vlaamse Gewest voor de periode van 1 juli 2003 tot 30 juni 2008 (BS 18 juli 2003)

119


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

0.6

Relatief aantal

0.5

3000

0.4 2000 0.3 1000

0.2

0

#06

2002

2003

2004

0.1

2005

Relatief aantal / km 2 WBE

Aantal afgeschoten Canadese ganzen

4000

Figuur 6.8: Aantal door jagers afgeschoten Canadese ganzen. Relatief aantal = aantal per km2 oppervlakte wildbeheereenheid [brongegevens: Wildbeheerdatabank Vlaanderen].

Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Limburg Antwerpen

In het Gentse natuurreservaat Bourgoyen-Ossemeersen worden sinds het begin van deze eeuw een aantal nesten vernietigd door vrijwilligers. Vanaf 2002 wordt dat ook officieel gedaan door de stad Gent (figuur 6.9). Vanaf die datum wordt jaarlijks meer dan 95 % van de nesten vernield. Toch resulteerde dat niet in een duidelijke afname van het aantal nesten. Een belangrijke reden is dat er een grote instroom is vanuit andere Gentse gebieden. Uit onderzoek blijkt dat ĂŠĂŠn bestrijdingstechniek onvoldoende is om het probleem grondig aan te pakken [13]. Daarom startte de groendienst van de stad in 2005 met het doden van volwassen vogels in de rui. Vanaf 2005 is er een duidelijke daling van het aantal nesten op te merken. In 2006 werden door de groendienst ook in nabijgelegen gebieden 137 ganzen gevangen en gedood [209].

300

Figuur 6.9: Bestrijding Canadese gans in het Gentse natuurreservaat Bourgoyen-Ossemeersen [brongegevens: Vogelwerkgroep Gent en groendienst Gent].

250

Aantal

200

150

100

50

2000

120

2002

2004

2006

Gevonden nesten (deels vernietigd) Vernietigde nesten Gedode adulten


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

In 2006 werden ook elders in Oost-Vlaanderen 420 Canadese ganzen gedood en 45 nesten (179 eieren) geschud door RATO vzw. Tijdens dezelfde acties werden ook negen knobbelganzen, één maghelaengans en 51 brandganzen gedood. Waterplanten In 2005 en 2006 is de afdeling Water van de VMM, in samenwerking met de provinciebesturen OostVlaanderen, Antwerpen en Limburg, overgegaan tot het verwijderen van drie uitheemse waterplanten: grote waternavel, parelvederkruid en waterteunisbloem uit de oppervlaktewateren (alle categorieën waterlopen + vijvers). In totaal werd bijna 272.000 euro uitgegeven in 2005 en ongeveer 140.000 euro in 2006 om respectievelijk 136.000 m2 en 114.000 m2 van deze drie invasieve soorten te verwijderen (figuur 6.10). Dat de hoeveelheden en bedragen in 2006 lager waren dan in 2005 betekent niet dat er minder moest worden bestreden. Er is namelijk een lijst van locaties die niet behandeld werden (was ook al zo in 2005). Indien gebiedsdekkend gewerkt zou zijn, zou het benodigde bedrag nog veel hoger zijn. De bedragen en geruimde oppervlakten hebben alleen betrekking op de werken uitgevoerd in opdracht van VMM afdeling Water. De individuele initiatieven van polders en wateringen, en provincie-, of gemeentebesturen zijn niet inbegrepen. Amerikaanse vogelkers De invasieve, uit Noord- en Centraal-Amerika afkomstige Amerikaanse vogelkers is sterk uitgebreid gedurende de laatste decennia en zowel bosfragmenten als lineaire boselementen in het Europese agrarische landschap kennen een invasie [54]. Daar waar de soort sterk dominant aanwezig is, verhinderen ze de spontane vestiging van andere boom- en struiksoorten. Het verwijderen van deze invasieve soort is dan ook aangewezen. Cijfers zijn er alleen beschikbaar voor het LIFE-project DANAH [277]. Het LIFE-project DANAH is een natuurproject op militaire domeinen in Vlaanderen waarvoor het ministerie van Landsverdediging en ANB hun krachten bundelen. In 2005 en 2006 werd respectievelijk 38.300 en 87.700 euro besteed aan de bestrijding van de Amerikaanse vogelkers (figuur 6.11) op zes militaire domeinen: Beverlo (977 ha), Helchteren (301 ha), Groot en Klein Schietveld (140ha), Grobbendonk (30ha),

14

250.000

12 200.000

10 8

150.000

6

100.000

4 50.000

2 0

2005

2006

0

Uitgaven (euro)

Geruimde oppervlakte (ha)

Figuur 6.10: Inspanningen (oppervlakte geruimd) en uitgaven voor de bestrijding van drie uitheemse waterplantensoorten in de Vlaamse waterlopen; uitgevoerd door de afdeling Water van de VMM [brongegevens: afdeling Water, VMM].

300.000

16

Geruimde oppervlakte Antwerpen + Limburg Limburg Antwerpen Oost-Vlaanderen

Uitgaven (euro) Antwerpen + Limburg Limburg Antwerpen Oost-Vlaanderen

121


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

Figuur 6.11: Uitgaven voor de bestrijding van Amerikaanse vogelkers in de militaire gebieden van het DANAHproject [brongegevens: DANAH-project].

Uitgaven voor bestrijding Amerikaanse vogelkers (euro)

800.000 Besteed Voorzien 600.000

400.000

200.000

0

2005

2006

2007

2008

Malle (21,6 ha) en Tielenkamp (55 ha). De bedragen die voorzien zijn voor 2007 en 2008 zijn meer dan ver-

#06

vijfvoudigd. Er is namelijk gebleken dat het probleem groter is dan aanvankelijk gedacht. Er zal dus 500 ha meer gedaan moeten worden dan voorzien was in 2003. Amerikaanse vogelkers wordt ook op vele andere plaatsen aangepakt: in natuurreservaten, in domeinbossen, in privébossen onder coördinatie van de bosgroepen, via allerhande tewerkstellingsinitiatieven, … De totale kosten liggen dus nog veel hoger. Chinese rotseekhoorn Bovenstaande voorbeelden tonen aan dat wanneer men lang wacht en de uitheemse soort de kans laat om zich te verspreiden en te vestigen, de inspanningen nodig om ze onder controle te krijgen hoog oplopen. Het is beter het probleem vroeg aan te pakken. Een voorbeeld daarvan is de Chinese rotseekhoorn. Deze soort werd ontdekt in het park van Dadizele in augustus 2005. De dieren waren hier reeds een tweetal jaar aanwezig, maar kwamen pas in de kijker toen ze ernstige schade aan bomen en kabels begonnen te veroorzaken. Na overleg met ANB, kabinet en Natuurpunt werd beslist om de dieren zo snel mogelijk weg te vangen. Er zijn ondertussen al ongeveer 150 eekhoorns gevangen onder coördinatie van ANB. Het vangen in het park is tijdelijk gestaakt omdat de eekhoorns ondertussen reeds teveel verspreid zijn over heel Dadizele. Recent zijn er afspraken gemaakt tussen ANB, INBO en de gemeente voor verdere en intensievere bestrijding van de eekhoorns. De maatregelen zouden zo snel mogelijk in de praktijk moeten worden gebracht.

03 Kennis Buiten de monitoring van uitheemse vogels via het project bijzondere broedvogels, van de carnivore exoten via het marternetwerk en van de uitheemse vissen via het vismeetnet, worden de uitheemse soorten niet systematisch opgevolgd in Vlaanderen. Muskusrat en beverrat kunnen onrechtstreeks ingeschat wor-

122


Natuurrapport 2007 / Deel 2 / #06 Uitheemse soorten

den via de bestrijdingsgegevens. Het is dan ook moeilijk om een duidelijk beeld te krijgen van de toestand en trends van invasies. In veel gevallen worden invasieve soorten pas opgemerkt wanneer zij reeds een belangrijke expansie gekend hebben. Criteria om tot een gestructureerde monitoring (prioriteiten, welke monitoring, randvoorwaarden, organisatorische vereisten, kennisontwikkeling, middelen, …) te komen, worden gerapporteerd in het themahoofdstuk Monitoring. Voor veel soorten die invasief geworden zijn is de impact op natuur niet gekend. Het is dan ook momenteel niet mogelijk ze in het ISEIA-systeem, dat prioriteiten tot preventie en bestrijding bepaalt, in te passen. Meer specifiek ecologisch onderzoek voor die soorten is nodig. Invasieve soorten kunnen immers hun ecologie en levenswijze aanpassen wanneer zij in een nieuwe omgeving terechtkomen. Voor soorten die een A-status (Zwarte Lijstsoorten) blijken te hebben moet een adequaat, kostenefficiënt en wetenschappelijk onderbouwd bestrijdingsplan opgesteld worden. Met medewerking van: Jos Bruers - Koninklijke Antwerpse Vereniging voor Entomologie Philippe Carchon – Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water Hans Jochems - LIFE-project DANAH Peter Roskams - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Elke Van den Broeke - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu, Natuur en Energiebeleid Marc Van Der Weeën – Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water Koen Van Roeyen - RATO vzw, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen Gaby Viskens - Koninklijke Antwerpse Vereniging voor Entomologie Goedele Verbeylen - Natuurpunt vzw Lectoren Olivier Beck - Brussels Instituut voor Milieubeheer Dominique Canniere - Agentschap voor Natuur en Bos Dirk Criel - Econnection Joachim De Maeseneer - Agentschap voor Natuur en Bos Wouter Faveyts - Agentschap voor Natuur en Bos Marc Herremans - Natuurpunt vzw Mieke Hoogwijs - Provincie Antwerpen Gerald Louette - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Jean-Pierre Maelfait - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Koen Martens – Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water Bart Roelandt - Agentschap voor Natuur en Bos Koen Van Den Berge - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Elke Van den Broeke - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu, Natuur en Energiebeleid Bianca Veraart - Provincie Antwerpen Goedele Verbeylen - Natuurpunt vzw Hugo Verreycken - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Nico Verwimp - Agentschap voor Natuur en Bos

123


Foto: Sterneneiland in haven Zeebrugge (Misjel Decleer/Vildaphoto)


Deel III


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

#07

126


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Overzicht en recente beleidsontwikkelingen Wouter Van Reeth, Carine Wils, Kris Decleer, Peter Adriaens Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! De monitoring voor de diverse instrumenten van gebiedsgericht natuur- en bos-

beleid is onvoldoende gestroomlijnd om de ecologische effectiviteit ervan te kunnen vergelijken. Van bijna de helft van de beheerde oppervlakte zijn momenteel geen gestandaardiseerde gegevens over de ecologische toestand beschikbaar ! Er is op schaal Vlaanderen onvoldoende zicht op de relatie tussen de begrotings-

uitgaven, de beleidsprestaties en hun effecten om de budgetten van de instrumentenmix natuur- en bosbeleid op hun doelbereiking of doeltreffendheid te kunnen vergelijken. ! Er dienen op programmaniveau (schaal Vlaanderen) natuurdoelen te worden

geformuleerd om de instrumenten van het natuur- en bosbeleid op af te toetsen. ! Wil de volgende Vlaamse Regering in 2010 voor het thema biodiversiteit een

realistisch MINA-plan 4 kunnen opstellen, dan dienen het Departement LNE en de agentschappen de volgende twee jaren hun beleids- en beheermonitoring en data-organisatie op elkaar af te stemmen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de uitgavenmechanismen en beleidsdoelen vastgelegd in de decreten en uitvoeringsbesluiten. ! Ex-postdata over doelbereiking, effectiviteit en kosteneffectiviteit zullen zich in de

nabije toekomst vooral blijven beperken tot het projectniveau. Op programmaniveau lijkt dergelijke evaluatie het meest haalbaar via de ontwikkeling van ecologische en economische modellen (scenario-onderzoek).

R

Oppervlakte met effectief natuurbeheer

127


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Het natuur- en bosbeleid van de Vlaamse Gemeenschap hanteert vijf complementaire invalshoeken bij het nastreven van ontwikkeling, herstel, bescherming en duurzaam gebruik van natuur en bos. Via gebiedsgericht beleid tracht de overheid gebieden ruimtelijk veilig te stellen, te verwerven en/of aangepast te beheren. Via soortgericht beleid worden maatregelen genomen om specifieke soorten betere kansen te geven. Het natuurgericht milieubeleid tracht de milieutoestand af te stemmen op de ecologische vereisten in bepaalde gebieden. Via doelgroepenbeleid wordt getracht om diverse groepen in de samenleving, die als eigenaar of gebruiker bij die natuur en dat bos betrokken zijn, beter te laten participeren in de vormgeving en uitvoering van dat beleid. Via samenwerking met lokale overheden wordt ten slotte getracht om het natuurbeleid op gewestelijk, provinciaal en lokaal niveau optimaal op elkaar af te stemmen. In 2004 sloot de nieuwe Vlaamse Regering een regeerakkoord waarin onder meer werd vooropgesteld de natuur voor iedereen toegankelijker te maken, de biologische diversiteit te behouden, te herstellen en te versterken, en de mix aan instrumenten en budgetten te optimaliseren op basis van een objectieve evaluatie [229], p.70. De Beleidsnota Leefmilieu en Natuur hernam die intentie [227], pp.7, 46-48. Inzake verwerving van bossen en natuurgebieden werd eraan toegevoegd dat het accent zou kunnen worden verlegd van een actief en demonstratief overheidsingrijpen (verwerving, regulering) naar een aanmoedigend beleid (samenwerking, vereenvoudiging) (ibid., p.48). Centraal in de beleidsoverweging staat de vraag of terreinen die voor

#07

natuur en biodiversiteit van belang zijn, door de Vlaamse overheid zelf moeten worden verworven (aangekocht) en beheerd, dan wel of dit kan via aankoop- en beheersubsidies aan natuurverenigingen, of via een ander type overeenkomst met eigenaars of gebruikers (bv. landbouwers, boseigenaars). Dit vraagstuk heeft hoofdzakelijk betrekking op het gebiedsgericht beleid. In de loop van 2006 werd een haalbaarheidsstudie verricht naar de databeschikbaarheid en evalueerbaarheid van 10 gebiedsgerichte instrumenten van het van het natuur- en bosbeleid [109, 204]. Daarbij werd nagegaan wat hun belang is inzake beheerde oppervlakte, biologische waarde en beslag op de Vlaamse begroting. Het resultaat van de analyse wordt samengevat in deel 1 Overzicht gebiedsgerichte instrumenten natuur- en bosbeleid. Verder werd nagegaan in hoeverre voor die instrumenten de volgende onderzoeksvragen konden worden beantwoord: ! Bereiken de beleidsinstrumenten hun doelen? (doelbereiking) ! Worden deze doelen bereikt dankzij het gevoerde beleid? (effectiviteit) ! Worden de doelen bereikt op de goedkoopste manier? (kosteneffectiviteit)

Voor de meeste instrumenten blijken data op ad-hocbasis, via kortlopende of lokale projectstudies, beschikbaar te zijn. Die data zijn vaak niet gestandaardiseerd of bieden na aggregatie geen representatief overzicht voor het beleidsinstrument in kwestie. Enkel voor de erkende natuurreservaten is er op programmaniveau (schaal Vlaanderen) een monitoringsmethode operationeel die toelaat om de initiĂŤle toestand (natuurtype), de actuele toestand en het natuurdoel te vergelijken. Die drie datapunten waren in maart 2007 voor 15 % van de erkende oppervlakte digitaal beschikbaar (zie hoofdstuk 8 Erkende natuurreservaten), wat een eerste evaluatie van de doelbereiking toeliet. Van de meeste andere instrumenten zijn ofwel de beheerplannen ofwel de monitoringsmethode nog volop in ontwikkeling. Effectiviteit en kosteneffectiviteit kunnen momenteel voor geen enkel instrument worden aangetoond, tenzij voor lokale studies op projectniveau (bv. individuele reservaten).

128


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Wat zijn beleidsinstrumenten? Met de term ‘instrumenten’ of ‘beleidsinstrumenten’ wordt in de beleidswetenschap en de bestuurskunde verwezen naar maatregelen waarmee de overheid tracht maatschappelijke veranderingen tot stand te brengen, vaak via het gericht sturen van het gedrag van doelgroepen. Er bestaan diverse typologieën om instrumenten in te delen en te analyseren. Veel gebruikt is onder meer de indeling in juridische, economische en communicatieve instrumenten. In die typologie wordt een onderscheid gemaakt naargelang doelgroepen vooral via juridische (bv. vergunningsplicht), economische (bv. subsidie) of communicatieve prikkels (bv. informatiecampagne) worden aangespoord. In de sfeer van het natuur- en bosbeleid wordt ook wel gesproken van gebiedsgerichte, soortgerichte en doelgroepgerichte instrumenten. In dit geval gaat het om maatregelen die zich vooral richten op bepaalde types gebieden (bv. natuurreservaten, bosreservaten), op bepaalde soorten (bv. soortbeschermingsplannen) of op bepaalde doelgroepen (bv. bosgroepen). In dit hoofdstuk worden tien gebiedsgerichte instrumenten vergeleken op hun belang voor natuur en biodiversiteit, zowel in functie van kwantiteit (oppervlakte) als kwaliteit (biologische waarde). In de beleidspraktijk hebben instrumenten meestal een hybride karakter: zo zijn beheerovereenkomsten gebonden aan agrarisch gebied, hebben zij betrekking op bepaalde fauna of flora (weidevogels, perceelranden) en richten zij zich tot een bepaalde doelgroep (landbouwers). Beheerovereenkomsten hanteren bovendien zowel juridische, economische als communicatieve prikkels.

Het ontbreken van data op programmaniveau hypothekeert het voltooien van de vooropgestelde objectieve evaluatie tijdens deze legislatuur (2004-2009). Bij gebrek aan harde cijfers dienen vaak ‘best professional judgement’-methodes te worden gebruikt, die dan door professionals van verschillende sectoren (natuur, bos, landbouw enz.) verschillend worden geïnterpreteerd. Een overzicht van de voornaamste kennisleemten die deze evaluatie verhindert, komt aan bod in deel 2 Kennis. Deel 3 van dit hoofdstuk geeft ten slotte een overzicht van de voornaamste beleidsontwikkelingen sinds NARA 2005. Een aantal van die ontwikkelingen wordt in andere hoofdstukken meer in detail besproken.

01 Overzicht gebiedsgerichte instrumenten natuur- en bosbeleid 1.1 Oppervlakte van gebieden met natuur- en bosbeheer Ongeveer 90.000 ha in Vlaanderen valt onder een door de Vlaamse overheid gestuurde vorm van natuur- of bosbeheer. Figuur 7.1 geeft een overzicht van 10 types van gebieden waar de Vlaamse overheid, het middenveld of particulieren aan natuurbeheer doen. In sommige gebieden vormt natuur de hoofdfunctie (bv. natuuren bosreservaten). In andere gebieden vindt een multifunctioneel beheer plaats en is de natuurfunctie verweven met andere functies, bijvoorbeeld bosbouw in bossen met een bosbeheerplan of landbouw in agrarisch gebied met een beheerovereenkomst. Een derde van de oppervlakte onder natuur- of bosbeheer bestaat uit bos met een beperkt bosbeheerplan, dat grotendeels in privébezit is. De tweede grootste categorie bestaat uit bossen met een uitgebreid bosbeheerplan (15 %). Deze omvatten vooral de domeinbossen, dit zijn openbare bossen die worden beheerd door ANB (zie hoofdstuk 12 Bosbeheer).

129


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Oppervlakte (ha en %) 3.732; 4 %

Figuur 7.1: Oppervlakte van gebieden met natuur- en bosbeheer op 31 december 2006 [bron: ANB, VLM, INBO]. De cijfers vermelden voor elk instrument de oppervlakte in hectare en het relatieve aandeel.

5.491; 6 % 11.378; 13 %

28.232; 32 % 2.185; 2% 238; 0 % 7.967; 9 %

10.089; 11%

#07 13.958; 15 %

7.059 %

Vlaams natuurreservaat Erkend natuurreservaat Aangewezen bosreservaat Erkend bosreservaat Natuurgebied beheerd door ANB Militair domein met natuurprotocol Natuurgebied beheerd door natuurverenigingen Bos met uitgebreid bosbeheerplan Bos met beperkt bosbeheerplan Landbouwgebruik met natuurgerichte beheerovereenkomst

Het Milieubeleidsplan 2003-2007 (hierna MINA-plan 3 genoemd), thema biodiversiteit, bevat een plandoelstelling om tegen 2007 50.000 hectare ‘gebieden met effectief natuurbeheer’ te creëren. Die gebieden omvatten de erkende en de Vlaamse natuurreservaten, de aangewezen en erkende bosreservaten, de militaire domeinen met natuurprotocol, en andere ‘natuurgebieden’ die door ANB worden beheerd. Eind 2006 omvatten de gebieden met effectief natuurbeheer samen ongeveer 37.000 ha of bijna 75 % van de tegen 2007 nagestreefde oppervlakte (zie figuur 7.2). Dat cijfer vormt een schatting. Over de categorieën ‘natuurgebied beheerd door ANB’, ‘militair domein met natuurprotocol’ en ‘natuurgebied beheerd door natuurverenigingen’ worden door de beheerders uiteenlopende data gerapporteerd. De toename gedurende de planperiode was het grootst bij de ‘natuurgebieden beheerd door ANB’ (+53 % sinds 2002) en de erkende natuurreservaten (+50 %). Ook de bosreservaten namen met meer dan 40 % toe. Bij de Vlaamse natuurreservaten bleef de stijging beperkt tot 11 %. De oppervlakte militair domein met natuurprotocol bleef, na een sterke toename in 2001, nagenoeg constant. In een beleidscontext is de term effectief eigenlijk een synoniem voor doeltreffend. Gezien het nagenoeg volledig ontbreken van gestandaardiseerde ecologische monitoring in de meeste van deze gebieden, kan de effectiviteit van dit beheer op schaal Vlaanderen momenteel niet worden vastgesteld (zie deel 2 Kennis).

130


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Figuur 7.2: Evolutie van de ‘oppervlakte met effectief natuurbeheer’ tot 31 december 2006 [bron: ANB].

50000

Oppervlakte (ha)

40000

30000 Plandoelstelling MINA-plan 3 Militair domein met natuurprotocol

20000

Natuurgebied beheerd door ANB Aangewezen en erkend bosreservaat

10000

0

Erkend natuurreservaat Vlaams natuurreservaat 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007

De categorie ‘natuurgebied beheerd door ANB’ betreft terreinen die ANB in eigendom of huur heeft en die natuurgericht worden beheerd. Een deel daarvan kan in de toekomst als Vlaams natuurreservaat worden aangewezen, voor een ander deel kan dat niet omdat er officieel een andere bestemming aan verbonden is (bv. wachtbekken). Een gelijkaardige categorie van natuurgebieden beheerd door natuurverenigingen wordt niet tot de ‘gebieden met effectief natuurbeheer’ gerekend, hoewel ook daar natuurbeheer plaatsvindt, zij het in hoofdzaak door vrijwilligers. Voor geen van beide types gebieden (ANB of verenigingen) bestaan goedgekeurde beheerplannen of worden de beheerinspanningen en hun resultaten systematisch gemonitord of gerapporteerd. Het beheer gebeurt vaak meer ad hoc, op basis van de terreinkennis van de betrokken ambtenaren of vrijwilligers, eerder dan volgens een expliciet uitgewerkt of geformaliseerd beheerplan. Er lijkt in die zin geen objectieve reden om de natuurgebieden beheerd door ANB in de beleidsplanning en -rapportering anders te kwalificeren dan die van de natuurverenigingen.

1.2 Biologische waarde van de gebieden met natuur- en bosbeheer Naast de oppervlakte die de diverse beleidsinstrumenten omvatten, is ook de biologische waarde van de gebieden een element in de evaluatie van het instrument. Een alomvattende indicator voor de biodiversiteit van deze gebieden is niet gekend. De enige gebiedsdekkende evaluatie die thans beschikbaar is voor de gebieden is de biologische waarderingskaart [151]. De biologische waarde wordt vooral bepaald in functie van de biologische kwaliteit van het gebied en de zeldzaamheid, kwetsbaarheid en vervangbaarheid van de aanwezige vegetatie. De ‘huidige’ BWK (versie 2) is gebaseerd op karteringen tussen 1997 en 2007. De kaarten geven wel een algemene indicatie van de biologische waarde van een gebied, maar de data geven niet noodzakelijk het resultaat weer van het recent uitgevoerde natuur- en bosbeheer. In de onderstaande analyse werd geen rekening gehouden met de BWK-opdruk van de faunistisch belangrijke gebieden. Daardoor kunnen sommige gebieden enigszins ondergewaardeerd zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval voor vegetatief minder waardevolle graslanden die door hun oppervlakte belangrijk zijn voor doortrekkende of overwinterende watervogels. Ook beheerovereenkomsten kunnen leiden tot soortbeschermingsmaatregelen (bv. voor weidevogels of hamsters) die niet op de BWK tot uiting komen, maar niettemin van belang zijn voor de fauna van gebieden in landbouwgebruik.

131


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Figuur 7.3: Biologische waarde van gebieden met natuur- en bosbeheer [bron: INBO, ANB, VLM].

Aangewezen bosreservaat Vlaams natuurreservaat Erkend bosreservaat Militair domein met natuurprotocol Erkend natuurreservaat Natuurgebied beheerd door ANB Natuurgebied beheerd door ngo's Landbouwgebruik met natuurgerichte beheerovereenkomst

Figuur 7.4: Biologische waarde van gebieden met natuur- en bosbeheer [bron: INBO, ANB, VLM].

Bos met uitgebreid bosbeheerplan

Bos met beperkt bosbeheerplan 0

20

40

60

80

100

80.000

100.000

Oppervlakte (% ) Zeer waardevol Waardevol met zeer waardevolle elementen

#07

Waardevol Minder waardevol met waardevolle of zeer waardevolle elementen Minder waardevol Onbekend

0

20.000

40.000

60.000

Oppervlakte (ha)

In absolute termen bezitten de erkende natuurreservaten en de militaire domeinen met natuurprotocol de grootste oppervlakte aan zeer waardevolle natuur, respectievelijk ongeveer 4500 en 5000 ha. Hoewel heel wat beperkter in absolute oppervlakte blijken de bosreservaten de hoogste concentraties aan waardevolle en zeer waardevolle natuur te bezitten (zie figuur 7.3). Ongeveer 75 % van de oppervlakte aangewezen bosreservaat wordt door de BWK als zeer waardevol beschreven. De erkende bosreservaten bestaan voor bijna 60 % uit zeer waardevolle natuur. De Vlaamse natuurreservaten bezitten een gelijkaardige concentratie. In de andere terreinen die ANB en de natuurverenigingen in beheer hebben, bedraagt het aandeel zeer waardevolle natuur ongeveer een derde van het totale areaal. Dat heeft vermoedelijk te maken met het feit dat de biologisch meest waardevolle percelen het eerst werden aangekocht of in beheer werden genomen en ook het eerst als natuurreservaat werden aangewezen of erkend. Meer recent worden dikwijls perifere (nog te ontwikkelen) percelen aangekocht of in beheer genomen in functie van de creatie van grotere gehelen. In sommige regioâ&#x20AC;&#x2122;s werden recent vooral oppervlakten in natuurbeheer genomen, die tot voor kort in landbouwgebruik waren. Deze groep nog te ontwikkelen of minder lang beheerde gebieden is sterker vertegenwoordigd in de categorie gebieden die nog niet als natuurreservaat werden aangewezen of erkend. De gebieden in landbouwgebruik met een natuurgerichte beheerovereenkomst worden meer uitvoerig besproken in hoofdstuk 13 Landbouw. Door het ontbreken van digitale kaartlagen van de bossen met uitgebreid of beperkt bosbeheerplan kan van de helft van de gebieden onder natuur- en bosbeheer momenteel de biologische waarde niet worden

132


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

bepaald. Voor de gebieden met bosbeheerplannen waarvan die data wel beschikbaar zijn, zitten de gegevens versnipperd over de buitendiensten van ANB. Daarnaast zijn ook de GIS-data inzake natuurreservaten en natuurgebieden beheerd door de verenigingen en ANB nog onvolledig. Dat heeft vooral te maken met de onvolledige data-invoer in de natuurgebiedendatabank. Ook daarbij doen zich grote provinciale verschillen voor. Door die databeperkingen kon voor ongeveer de helft van de oppervlakte van de gebiedsgerichte instrumentenmix de biologische waarde niet worden geanalyseerd (zie figuur 7.4).

1.3 Budget voor gebieden met natuur- en bosbeheer Het budget voor deze instrumentenmix is verspreid over diverse begrotingsprogramma’s van verschillende agentschappen in de departementale uitgavenbegroting, het Minafonds en het bestaansmiddelenprogramma. Een eerste stap naar de bepaling van de reële kostprijs en de kosteneffectiviteit van deze instrumenten is het budgetteren van de beleidsprestaties die met de inzet van die instrumenten samenhangen. Een vergelijking van de instrumenten impliceert dat ook de beleidsprestaties op een vergelijkbare manier moeten worden geformuleerd. Daarvoor worden een aantal types activiteiten gedefinieerd die door de diverse instrumenten (voor de verschillende types gebieden) in verschillende mate worden ‘verbruikt’. Zo kunnen dan verschillen in budgetten en kostprijzen worden verklaard. Voor het Vlaamse gebiedsgerichte natuur- en bosbeleid zijn de volgende types activiteiten relevant (zie o.a. [50, 51, 117, 125]): ! beschikbaar maken van gebieden: Via verwerving, huur of andere tijdelijke overeenkomsten

wordt voor terreinen ‘betaald’ om er een bepaald natuur- of bosheer te kunnen (laten) voeren. Voor een budgetanalyse impliceert dat onder meer het bepalen en vergelijken van aankoop- en huursubsidies, eigen uitgaven voor aankoop en huur, en vergoedingen aan boseigenaars of landbouwers als compensatie voor inkomstenderving. ! inrichting en omvorming van terreinen: Vooral voor terreinen die in het verleden geen natuurge

bruik hadden, kunnen eenmalige investeringen vereist zijn om op lokale schaal landschap en milieu condities in hun oorspronkelijke staat te herstellen of in een meer natuurlijke staat om te vormen (bv. verhoging waterpeil). Naast de eigen uitgaven of investeringssubsidies voor inrichting in reservaten en andere gebieden, kunnen ook specifieke natuurinrichtingsprojecten worden opgezet. Dit instrument overlapt met een aantal van de gebiedsgerichte instrumenten van figuur 7.1 en kan dan ook een invloed hebben op de biologische waarde die in die gebieden wordt vastgesteld. In een resultaatgerichte analyse worden deze budgetten dus best meegeteld. ! recurrent natuurbeheer: Vele natuurdoeltypen vereisen een recurrent beheer omdat ze halfnatuur-

lijke landschappen vertegenwoordigen (bv. soortenrijke graslanden), omdat de ecosystemen waarvan ze ooit deel uitmaakten niet langer optimaal functioneren (bv. grote grazers die bossen gedeeltelijk openhielden) of ter compensatie van milieuverstoringen (bv. vermestende en verzurende deposities in heiden). De begrotingsuitgaven hebben vooral betrekking op het eigen beheer door ANB (bestaan smiddelenprogramma’s), investeringskredieten en op de beheersubsidies aan erkende reservaten. ! openstelling: Hoewel niet strikt gebonden aan de realisatie van biodiversiteitsdoelen, vormt de

maatschappelijke functie van natuur en bos een belangrijk element van het Vlaamse natuurbeleid. Het toegankelijk maken van bos- en natuurgebieden vereist investeringen in en onderhoud van infrastructuur. Die uitgaven zitten grotendeels vervat in de begrotingsposten die ook betrekking hebben

133


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

op inrichting en op recurrent beheer. ! beleid en handhaving: Elk instrument impliceert een aantal prestaties die te maken hebben met

beleidsvoorbereiding en het ontwikkelen van een regelgevend kader (planning en instrumentering) met beleidsopvolging (monitoring en evaluatie) en met toezicht op de naleving van verplichtingen of op een overeenkomst berustende afspraken (handhaving). Ook beleidsondersteunend onderzoek kan tot die activiteit worden gerekend. Deze uitgaven hebben grotendeels betrekking op personeelsen werkingskosten die een onderdeel vormen van de bestaansmiddelenprogramma’s. De objectieve evaluatie van de instrumentenmix waarvan sprake in het Vlaams regeerakkoord en de beleidsnota Leefmilieu en Natuur refereert vooral naar de prestatie ‘beschikbaar maken van gebieden’ en de vraag of dit via aankopen, huur of een ander type overeenkomst moet gebeuren. De keuze voor deze alternatieven kan echter niet los worden gezien van de andere types activiteiten (inrichting, recurrent beheer, openstelling, beleid en handhaving) die voor de ecologische en maatschappelijke doelen van belang zijn. Ook de vereiste tijd en het type natuurbeheer dat nodig is om een bepaald natuurdoeltype te bereiken, kan die keuze beïnvloeden. De momenteel beschikbare begrotingsgegevens laten in beperkte mate toe om te bepalen hoeveel middelen worden uitgegeven aan de types activiteiten. Zo kon voor een groot deel van de subsidies aan

#07

erkende natuurreservaten worden nagegaan welk deel betrekking heeft op aankoop en huur, recurrent beheer, openstelling, … (zie hoofdstuk 8 Erkende natuurreservaten). De uitgavenpatronen vallen echter niet altijd samen met de activiteiten op het terrein, wat het koppelen van budgetten aan prestaties bemoeilijkt. Over die prestaties zijn nog geen systematische outputgegevens op schaal Vlaanderen beschikbaar. Ook het grootste deel van de bestaansmiddelenprogramma’s (bv. kostprijs beleid en handhaving) kan niet worden opgesplitst naar deze activiteiten en de instrumenten waarmee zij samenhangen. Enkel de VLM beschikt over actuele tijdsregistratiegegevens om de kosten, die inzake natuur en biodiversiteit vooral te maken hebben met de categorie ‘beleid en (administratieve) handhaving’, te alloceren aan de beleidsinstrumenten. Naarmate de reorganisatie ‘Beter Bestuurlijk Beleid’ zich in alle lagen van de agentschappen voltooit, kunnen deze analyses, mits de actieve steun van het lijnmanagement, wel worden uitgediept.

02 Kennis 2.1 Naar een databank natuur- en bosgebieden? De onvolledigheid van de centrale GIS-data en administratieve gegevens van een aantal gebiedsgerichte instrumenten van het natuur- en bosbeleid, onderstreept het belang van een professionele dataorganisatie. Met dat doel voor ogen werd enkele jaren geleden de natuurgebiedendatabank opgestart. Het luik met administratieve data is operationeel, hoewel het gebruik ervan, in casu de regelmatige data-invoer, in sommige regio’s nog onvolledig gebeurt. Ook inzake het verder optimaliseren van de databank in functie van de gebruiksbehoeften van de administratie werd de laatste jaren weinig vooruitgang geboekt. Het ecologische luik van de databank, dat onder meer gegevens van de monitoringsrapporten zou moeten bevatten (natuurstreefbeelden, actuele natuurtypen), werd nog niet ontwikkeld. De bosgebieden (openbare bossen en privébossen) zijn vooralsnog niet in deze databank opgenomen, de parkgebieden evenmin. Het zou een gemiste kans zijn om in de toekomst deze data op een andere wijze te gaan organiseren, zeker in het licht van de

134


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

groeiende toenadering tussen de sectoren ‘natuur’ en ‘bos’ binnen ANB en INBO. Het is meer dan tijd om de coördinatie van het databeheer op punt te stellen.

2.2 Evaluatie van doelbereiking en effectiviteit In functie van de beschikbare gegevens over de toestand van de natuur binnen en buiten gebieden, en voor en na de inzet van een beleidsinstrument zijn er bij een ex-postevaluatie verschillende ambitieniveaus denkbaar. Het type vraagstelling wordt complexer en het aantal vereiste datapunten neemt toe naarmate het ambitieniveau toeneemt (zie figuur 7.5)1. Ambitieniveau

Evaluatievraag

1. Trendonderzoek:

Hoe is de toestand van de natuur geëvolueerd?

2. Evaluatie doelbereiking: In welke mate is de toestand van de natuur geëvolueerd tot het vooropgestelde natuurdoel? 3. Evaluatie effectiviteit:

In welke mate is de toestand van de natuur geëvolueerd tot het vooropgestelde natuurdoel en in hoeverre is dat te danken aan het gevoerde beleid?

1. Trendonderzoek (voor/na)

2. Evaluatie doelbereiking

sE

sB

E

B

t0

sD

D

sE

E

sB tn

B

t0

3. Evaluatie effectiviteit (voor/na, met/zonder)

Figuur 7.5: Gegevensvereisten voor het effectiviteitsonderzoek [20, 176].

tn

Legende: B: beginsituatie op t0 (bv. initieel natuurtype in beheerplan)

sD

D

sE

E

sO sB

O

B

t0

tn

N: situatie op tn (bv. actueel natuurtype in eerste monitoringsrapport) D: situatie volgens natuurdoel vooropgesteld tegen tn (bv. natuurstreefbeeld in beheerplan) O: situatie op t0 en op tn indien er geen beheer was gevoerd (bv. monitoring in controlegroep in vergelijkbaar ecosysteem) s: ecologische toestand t0: tijdstip waarop het reservaatbeheer startte (datum erkenning) tn: tijdstip van de evaluatie (bv. 1ste monitoringsrapport drie jaar na erkenning)

1 Deze figuren geven een schematische voorstelling van de evoluties in de ecologische toestand. In de praktijk hoeft dergelijke evolutie niet noodzakelijk een lineair verloop te kennen.

135


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Van de tien onderzochte instrumenten natuur- en bosbeleid (zie figuur 7.1) was eind 2006 enkel voor de erkende natuurreservaten een evaluatie van de doelbereiking op programmaniveau (schaal Vlaanderen) mogelijk. Hoewel geen natuurdoelen op programmaniveau werden vastgelegd, kunnen ze wel worden afgeleid uit de natuurstreefbeelden die op projectniveau (per erkend natuurreservaat) worden goedgekeurd. De data zijn voorlopig beperkt tot 15 % van de erkende en gesubsidieerde oppervlakte (zie hoofdstuk 8 Erkende natuurreservaten). Voor een aantal Vlaamse natuurreservaten zijn de beheerplannen nog volop in aanmaak en bevindt de monitoring zich nog in een voorbereidende fase. In sommige regio’s worden bepaalde elementan van abiotiek, flora en fauna reeds gemonitord zonder dat er formeel beheerplannen zijn goedgekeurd. Van bosbeheerplannen zijn geen GIS-data gecentraliseerd en meestal ook geen concrete natuurdoelen bepaald. Er gebeurt wel een recurrente bosinventarisatie en boskartering, maar die is niet gericht op de monitoring van de uitvoering van bosbeheerplannen. Verder zijn er verscheidene onderzoeksprojecten die trends geven voor bepaalde natuurtypes (ambitieniveau 1) of die de effectiviteit van bepaalde types beheermaatregelen evalueerden (ambitieniveau 3) (bv. [206, 222, 224]). Ze zijn echter gefocust op specifieke gebieden of natuurtypes, beperkt in de tijd, en bieden geen veralgemeenbare conclusie op het niveau van de instrumenten voor de toekomst. Vlaanderen beschikt niet over een langlopende monitoring van gebiedsgerichte instrumenten met controlegroepen op niet- of andersbeheerde gebieden [6]. Dergelijk monitoringnet is momenteel ook niet in ontwikkeling. Zolang de

#07

monitoring niet vanuit een integrale visie wordt gestroomlijnd, over de verschillende natuur- en bosbeleidsinstrumenten heen, blijft een objectieve evaluatie van de instrumentenmix beperkt tot de interpretatie van ongelijksoortige data. Het onderzoeken en evalueren van effectiviteit veronderstelt naast monitoring ook een duidelijke doelbepaling. Voor erkende natuurreservaten kunnen de natuurdoelen op programmaniveau worden afgeleid uit de projectdoelstellingen (natuurstreefbeelden per reservaat). Voor de andere instrumenten is dat (nog) niet mogelijk. De natuurstreefbeelden hebben enkel betrekking op de vegetatie. Zij zijn weliswaar nuttig bij de evaluatie van de beheersubsidies aan erkende natuurreservaten, die deels met die natuurstreefbeelden samenhangen. Zij bieden echter slechts een partiële invulling van het begrip biodiversiteit dat voor de evaluatie van de 2010-doelstelling de doelvariabele vormt. Ook in de erkende natuurreservaten verloopt de soortenmonitoring en -rapportering weinig gestandaardiseerd. Enkel voor de reservaten die overlappen met Speciale Beschermingszones, worden instandhoudingsdoelstellingen voorbereid die ook diersoorten omvatten (zie hoofdstukken 2 Soorten van de Habitatrichtlijn, 3 Habitats van de Habitatrichtlijn en 9 Habitatrichtlijn). Samengevat lijkt het ons niet realistisch te verwachten dat een vergelijkende evaluatie van de instrumentenmix in functie van doelbereiking en effectiviteit nog vóór 2010 mogelijk zal zijn. Wil de Vlaamse Regering die in een volgende legislatuur kunnen evalueren, dan is het nodig om nu werk te maken van een meer concrete doelbepaling voor de instrumenten en een meer geïntegreerde monitoring (zie themahoofdstuk Monitoring). Het ontwerp MINA-plan 3+ voorziet daarvoor tot nu toe geen concrete strategie.

2.3 Evaluatie van kosteneffectiviteit De evaluatie van kosteneffectiviteit komt neer op het toevoegen van een vierde ambitieniveau. Dit crite-

136


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

rium veronderstelt immers dat gegevens over de effectiviteit worden gekoppeld aan gegevens over de inzet van financiĂŤle middelen. Op projectniveau (kennisbehoefte van de terreinbeheerder) kan de analyse van kosteneffectiviteit bijvoorbeeld een vergelijking inhouden van de ecologische effecten en kostprijs van extensieve begrazing ten opzichte van maaibeheer (bv. [67, 231]). Op programmaniveau (kennisbehoefte Vlaamse Regering) heeft de evaluatie van kosteneffectiviteit eerder betrekking op de optimale selectie van beleidsinstrumenten in functie van budgettaire en maatschappelijke kosten, en ecologische en maatschappelijke doelvariabelen.

Kosteneffectiviteit: een definitie Indien vooraf natuurdoelen werden gedefinieerd: Beleidsinstrument x is meer kosteneffectief dan instrument y als de som van alle kosten van terreingebruik, beheer, monitoring, handhaving en besluitvorming nodig om een vooropgesteld natuurdoel te bereiken, lager uitvallen voor instrument x dan voor instrument y. Indien vooraf geen natuurdoelen werden gedefinieerd: Beleidsinstrument x is meer kosteneffectief dan instrument y indien met een gegeven budget een hogere ecologische natuurwaarde kan worden bereikt door instrument x dan door instrument y [bron: 235].

Middelen, prestaties en effecten Het optimaliseren van een set beleidsinstrumenten in functie van beleidsdoelstellingen en kostprijsoverwegingen veronderstelt een gekend causaal verband tussen ingezette middelen (bv. aankoop- en beheersubsidies), prestaties (bv. terreinverwerving, natuurbeheer) en effecten (bv. milieucondities, natuurtype, soortenrijkdom). Figuur 7.6 geeft een schematische voorstelling van de voornaamste middelen, instrumenten en doelvariabelen. Deel 1 van dit hoofdstuk illustreerde dat het verband tussen de ingezette budgettaire middelen en de geleverde beleidsprestaties momenteel niet helder is. Het ontbreekt de meeste departementen en agentschappen binnen de Vlaamse overheid aan een analytische boekhouding die de uitvoering of opmaak van de begroting koppelt aan de instrumenten en voornaamste types activiteiten van het natuurbeleid. Voor de opvolging van het MINA-plan 3 werden de begrotingsuitgaven toegerekend aan de maatregelen van dit plan om een verband te leggen tussen het milieubeleidsplan en de begroting. Deze structuur sluit slechts in beperkte mate aan bij het Natuurdecreet2 en de uitvoeringsbesluiten die mee het verloop van de financiĂŤle stromen bepalen. De gebiedsgerichte beleidsinstrumenten zitten verspreid over meerdere onderdelen en plandoelstellingen (bv. verwerving, beheer, inrichting). Bovendien ontbreekt er een actuele of structurele koppeling tussen personeelsinzet, bestaansmiddelenprogramma en beleidsinstrumenten. De allocatie van personeels- en werkingskosten aan het MINA-plan was gebaseerd op een historische personeelsbehoeftenraming van 2003. De meeste betrokken administraties beschikken niet over volledige of actuele gegevens over de personeelsinzet in functie van de beleidsinstrumenten. Daardoor blijft het verband tussen het bestaansmiddelenprogramma en het natuurbeleid weinig transparant.

2) Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006)

137


138

Kosten!door!derden

EU-fondsen

Vlaamse!begroting

Milieubeheer!waterhuishouding

Milieubeheer!waterkwaliteit

Milieubeheer!deposities

Beleid!en!handhaving

Openstelling

Recurrent!natuurbeheer

Inrichting!en!omvorming!van!terreinen

Beschikbaarstelling!van!gebieden (via!aankoop,!huur!of!overeenkomst)

!

TYPES ACTIVITEITEN

- Erkend!natuurreservaat - Beheerovereenkomst - Uitgebreid!bosbeheerplan - â&#x20AC;Ś..

Instrument!natuur- en!bosbeleid :

INSTRUMENTENMIX

#07

MIDDELEN

Natuurdoel

NATUUR

Figuur 7.6: Budgetanalyse en kostprijsberekening van beleidsinstrumenten en natuurdoelen.

Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Kosten en baten van natuurbeleid en van ecosystemen Afhankelijk van het doel van het onderzoek kan een meer of minder uitgebreid kostenbegrip worden gehanteerd. Voor de opvolging en evaluatie van het begrotingsbeleid kan het volstaan om de begrotingsuitgaven aan de types activiteiten van de diverse instrumenten te alloceren. Dergelijke oefening wordt niet alleen gehinderd door het ontbreken van een kostenanalytische boekhouding, maar ook door een aantal fundamentele kostenvraagstukken. Welk deel van de kostprijs van het milieubeleid (bv. maatregelen inzake verdroging, vermesting en verzuring) komt bijvoorbeeld op het conto van natuurbeleid, gezondheidsbeleid of landbouwbeleid? Het optimaliseren van de instrumentenmix vanuit maatschappelijk oogpunt vereist een ruimer economisch kostenbegrip. Daarbij wordt in principe gekeken naar de nettokosten die worden gedragen door alle partijen in de samenleving die door hun activiteiten bijdragen aan de realisatie van het beleidsdoel (Vlaamse overheid, ngoâ&#x20AC;&#x2122;s, landbouwers, â&#x20AC;Ś) [47, 125]. Kosten worden daarbij gedefinieerd als de waarde van de goederen of diensten die worden opgegeven door het nastreven van het beleidsdoel (bv. gederfde landbouwopbrengsten door omzetting van gronden naar natuurbeheer; kostprijs van verloren biodiversiteit door omzetting van historisch permanente graslanden in akkers). Ook baten van natuurbeleid en -beheer (bv. terugverdieneffecten via verbeterde ecosysteemdiensten) vormen een onderdeel van dergelijke analyse [134]. Het onderzoek naar ecosysteemdiensten in Vlaanderen is nog vrij recent, maar is volop in ontwikkeling (zie o.a. [18, 52, 124, 137, 188]).

2.4 Aanbevelingen voor evaluatieonderzoek Het is duidelijk zijn dat een vergelijkende evaluatie van de kosteneffectiviteit van gebiedsgerichte beleidsinstrumenten op schaal Vlaanderen op dit ogenblik niet haalbaar is, noch naar ecologische gegevens, noch naar kostprijsgegevens. Ook inzake de maatschappelijke functie van natuur en bos (o.a. ecosysteemdiensten, toegankelijkheid van natuur en bos) zijn de kennis en het onderzoek fragmentarisch. Bovendien lijken de leemten inzake ecologische monitoring een in die mate weerkerend gegeven [NARA 1999, 2001, 2003 en 2005], dat de vraag gesteld moet worden in hoeverre ze ooit zullen worden opgevuld. Een complementaire benadering van (kosten)effectiviteitsonderzoek, die in het verleden in Vlaanderen nog niet systematisch aan bod kwam, vertrekt vanuit de ex-antevraag welk beleidsinstrument of welke beheermaatregel optimaal is om een gegeven doelstelling te realiseren. Voorbeelden van dergelijke analyses zijn het onderzoek naar de realisatie van de ecologische hoofdstructuur in Nederland of de optimalisatie van beheerovereenkomsten in functie van soortbescherming en landbouwinkomsten in Duitsland [50, 51, 235]. Daarvoor zijn in de eerste plaats kwantitatieve (ecologische en/of maatschappelijke) doelstellingen nodig, bijvoorbeeld zoals de Nederlandse landelijke natuurdoelen; vervolgens een ecologisch-economisch model van de impact van bepaalde maatregelen op ecologische en/of maatschappelijke doelvariabelen; en ten slotte een kostprijsberekening van de relevante maatregelen. Evaluatieonderzoek dient te evolueren van het verzamelen en ex post interpreteren van fragmentarische monitoringsgegevens op projectniveau en naar het proactief onderzoeken en doorrekenen van beleidsalternatieven. Kernwoorden in die oefening zijn interdisciplinariteit en modellering, twee begrippen die een rode draad zouden moeten vormen in de toekomstige samenwerking tussen INBO, ANB, het Departement LNE en andere betrokkenen binnen en buiten het beleidsdomein.

139


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

03 Recente beleidsontwikkelingen 3.1 Internationaal beleid De 2010-doelstelling Over iets meer dan twee jaar verstrijkt de termijn die de Europese Raad zich in 2001 verleende om het verlies aan biodiversiteit te stoppen [78]. In 2006 herhaalde de Europese Commissie dit engagement in de ‘Communication on halting the loss of biodiversity by 2010 – and beyond’. Daarmee werd meteen ook de blik op de toekomst gericht. Ten aanzien van biodiversiteit in de EU wordt naast het Natura 2000-netwerk voor kritieke habitats en soorten, een belangrijke nieuwe klemtoon gelegd op ‘ecosystem services’ (ecosysteemdiensten) in terrestrische en mariene milieus [77]. Voor de opvolging van de voortgang naar de 2010-doelstelling werd in 2004 een set ‘headline indicators’ aangekondigd [72, 77]. Een coördinatieteam, bijgestaan door zes wetenschappelijke expertenteams operationaliseerde inmiddels een eerste set van 16 indicatoren [82]. De website Natuurindicatoren vult die indicatoren in met de voor Vlaanderen beschikbare gegevens. De voorbije jaren nam vanuit de beleidswereld de vraag naar meer heldere en responsieve indicatoren toe

#07

voor de opvolging van de 2010-biodiversiteitsdoelstelling, het standstillbeginsel van het Natuurdecreet, en de langetermijndoelstelling van het MINA-plan 3. Ook voor rapporteringsprocessen als VRIND en het Pact van Vilvoorde was er een toenemende vraag naar indicatoren. Inzake soortentrends kon voor Vlaanderen tot nu toe enkel een trendindex overwinterende watervogels worden berekend. Inmiddels is ook een vlinderindex ontwikkeld. In de loop van 2007 is ook de monitoring van broedvogels gestart. Daarmee kan vanaf dit jaar een trendindex van broedvogels in Vlaanderen worden opgesteld (zie hoofdstuk 1 Soorten). Scheldeverdragen Op 21 december 2005 ondertekenden de bevoegde Vlaamse en Nederlandse ministers vier Scheldeverdragen. Ze werden goedgekeurd door het Vlaams Parlement bij decreet van 28 februari 20073. De verdragen regelen onder meer de uitvoering van de Ontwikkelingsschets 2010 en het beheer van het Schelde-estuarium. Het Nederlandse parlement heeft de verdragen nog niet goedgekeurd. De verdere uitvoering van de Ontwikkelingsschets 2010 gebeurt via het geactualiseerde Sigmaplan dat de veiligheid en de natuurlijkheid van het Schelde-estuarium maximaal tracht te integreren (zie hoofdstuk Focus Zeeschelde, deel 2 Beleid).

3.2 Europees beleid Integraal waterbeleid Op 9 september 2005 keurde de Vlaamse Regering een uitvoeringsbesluit goed bij het Decreet Integraal Waterbeleid van 18 juli 2003, dat op zijn beurt de Europese Kaderrichtlijn Water naar intern recht omzette4.

3) Decreet van 28 februari 2007 houdende instemming met (…) het verdrag tussen het Vlaams Gewest en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de uitvoering van de ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium, en de bijlagen A, B, C, D en E, ondertekend in Middelburg op 21 december 2005, (…) en het verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, enerzijds, en het Koninkrijk der Nederlanden, anderzijds, inzake de samenwerking op het gebied van het beleid en het beheer in het Schelde-estuarium, ondertekend in Middelburg op 21 december 2005 (was op 31/7/2007 nog niet gepubliceerd in het BS) 4) Besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2005 betreffende de geografische indeling van watersystemen en de organisatie van het integraal waterbeleid in uitvoering van Titel I van het Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (BS 2/12/2005)

140


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Het besluit concretiseert de geografische indeling van watersystemen in Vlaanderen en de organisatie van het integraal waterbeleid. Er zijn 4 stroomgebieden afgebakend (Brugse Polders, Ijzer, Maas en Schelde) die worden opgesplitst in 11 rivierbekkens (Benedenschelde, Bovenschelde, Brugse Polders, Ijzer, Demer, Dender, Dijle en Zenne, Gentse Kanalen, Leie, Maas en Nete) en vervolgens verder in deelbekkens. Daarnaast bepaalt het besluit de organisatie en samenstelling van de overlegstructuren op niveau Vlaams Gewest, op bekkenniveau en op deelbekkenniveau. Via die overlegstructuren dienen deelbekkenbeheerplannen, bekkenbeheerplannen en stroomgebiedbeheerplannen te worden uitgewerkt. De plannen op het niveau van de bekkens en deelbekkens zijn opgesteld en waren tot 22 mei in openbaar onderzoek. Een tweede belangrijk uitvoeringsbesluit betreffende de watertoets werd op 20 juli 20065 goedgekeurd door de Vlaamse Regering. SInds de inwerkingtreding van het Decreet Integraal Waterbeleid dienden lokale, provinciale en gewestelijke overheden bij vergunningverleningen na te gaan of die mogelijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem en voor de functies die het voor de mens vervult. Door het uitvoeringsbesluit van 2006 worden meer duidelijke en uniforme regels gecreëerd die de overheden moeten toepassen bij de beslissing over een vergunning, plan of programma. Vlaams Programma Plattelandsontwikkeling 2007-2013 Op 27 oktober 2006 heeft de Vlaamse Regering het Vlaams Programma Plattelandsontwikkeling (PDPO) 2007-2013 goedgekeurd. Dit programma werd bij de redactie van dit hoofdstuk nog door de Europese Commissie geëvalueerd. Het PDPO omvat voor 664 miljoen euro aan maatregelen voor het platteland, waarvan 224 miljoen euro van de Europese Unie komt. Het PDPO is onder meer van belang voor de financiering van het doelgroepenluik van het Vlaamse natuur- en bosbeleid, o.a. de bosgroepen, beheerovereenkomsten en de bebossing van landbouwgronden. Er wordt ook een nieuw type beheerovereenkomst in voorzien voor de bescherming van de Europese hamster (zie hoofdstuk 2 Soorten Habitatrichtlijn) en van akkervogels (zie hoofdstuk 1 Soorten). Een ex-ante-evaluatie stelde dat er in het ontwerp-PDPO onvoldoende aandacht uitging naar biodiversiteit, gegeven de omvang van de biodiversiteitsproblematiek op het platteland en de grote oppervlakte aan Habitatrichtlijngebieden in landbouwgebruik (zie hoofdstuk 13 Landbouw).

3.3 Vlaams en federaal beleid VEN, IVON en natuurrichtplannen Het verder vastleggen van de natuurlijke structuur blijft een moeizaam proces in het dichtbevolkte en sterk geïndustrialiseerde Vlaanderen. De voorbije twee jaar (sinds NARA 2005) is er nauwelijks vooruitgang geboekt in de concrete afbakening van VEN en IVON (zie hoofdstuk 10 Vlaams Ecologisch Netwerk). Daardoor blijft het VEN momenteel grotendeels beperkt tot gebied dat voordien reeds een groene gewestplanbestemming had. Op basis van een interne evaluatie van het MINA-plan 3 stelden het Departement LNE en ANB ook voor om de einddatum voor afbakening ervan opnieuw uit te stellen van 2007 tot 2010.

5) Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (BS 31/10/2006)

141


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Op 19 mei 2006 keurde het Vlaams Parlement het Decreet houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie (‘verzameldecreet’) goed, dat onder meer aanpassingen van de VEN-grenzen mogelijk maakt via gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen6. De Minaraad adviseerde negatief over dat ontwerp, onder meer wegens het gevaar voor uitholling en afname van het VEN. Het decreet bepaalt dat die aanpassingen enkel mogelijk zijn voor zover het om grenscorrecties gaat die geen betekenisvolle schade aan de natuur of het natuurlijke milieu in het VEN kunnen veroorzaken. Binnen Speciale Beschermingszones zijn die wijzigingen niet toegestaan. Het Natuurdecreet voorziet de opmaak van een natuurrichtplan voor alle gebieden binnen het VEN en het IVON, voor de groengebieden, bosgebieden, parkgebieden, buffergebieden of gebieden die ermee vergelijkbaar zijn, en voor gebieden die zijn beschermd krachtens internationale overeenkomsten (in casu Ramsarverdrag) of Europese richtlijnen (in casu Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). In natuurrichtplannen wordt aangegeven wat voor een gebied inzake natuurbehoud specifiek wordt beoogd, o.a. een gebiedsvisie met een streefbeeld en een opsomming van stimulerende en bindende maatregelen. Het plan komt tot stand en wordt uitgevoerd met medewerking van eigenaars of grondgebruikers. In 2004 startte de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en Natuur vijf pilootprojecten op, in 2005 werd daar een zesde aan toegevoegd. Van twee plannen wordt de goedkeuring verwacht tegen de zomer van 2007 (zie hoofdstuk 9

#07

Habitatrichtlijn en 10 Vlaams Ecologisch Netwerk). In totaal moet er voor 177 gebieden een natuurrichtplan worden opgesteld. Volgens het Natuurdecreet zou dit tegen 20 januari moeten gerealiseerd zijn (art.17, §1). Verwerving en openstelling van natuurreservaten Het MINA-plan 3 legt inzake de verwerving van natuurgebieden het accent op gebieden met een speciaal beschermingsstatuut, zoals het VEN of Natura 2000. Op 21 april 2006 wijzigde de Vlaamse Regering het erkennings- en subsidiebesluit van de natuurreservaten7. Daardoor wordt een extra financiële ondersteuning voorzien bij de aankoop van terreinen van meer dan 100 hectare die gelegen zijn binnen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebied. Met die bepaling werd de aankoop door erkende terreinbeherende natuurverenigingen van belangrijke delen van het Merodebos mogelijk. In het algemeen kent het budget voor aankoopsubsidies echter, na een aanzienlijke toename eind jaren negentig, sinds 2001 een dalende trend (hoofdstuk 8 Erkende natuurreservaten). Op 3 december 2006 werd een federale wet ondertekend waardoor erkende terreinbeherende natuurverenigingen worden vrijgesteld van patrimoniumbelasting op terreinen die worden beheerd als natuurgebied en die worden opengesteld voor het publiek8. Die belasting bedraagt jaarlijks 0,17 % van de grondwaarde. Vroeger had de Vlaamse Regering de erfenisrechten al verlaagd voor private eigenaars met bossen en gronden in het VEN. Voorts wordt in de loop van 2007 een nieuw uitvoeringsbesluit verwacht dat de toegankelijkheidsregeling van bossen en natuurreservaten harmoniseert. De mate waarin de ‘toegankelijkheid van groen’ in Vlaanderen evolueert is echter onduidelijk; data en onderzoek zijn fragmentarisch (zie hoofdstukken 8 Erkende natuurreservaten en 11 Recreatie). 6) Decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie (BS 20/6/2006) 7) Besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2006 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidie (BS 16/5/2006) 8) Wet van 3 december 2006 tot aanvulling van artikel 149 van het Wetboek der successierechten, wat betreft de vrijstelling van de taks tot vergoeding van successierechten voor verenigingen zonder winstoogmerk die natuurterreinen openstellen voor algemeen gebruik (BS 14/12/2006)

142


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Grondenbank en natuurinrichting Op 16 juni 2006 keurde het Vlaams Parlement het decreet betreffende het oprichten van een Vlaamse grondenbank goed9. De Vlaamse grondenbank biedt grondeigenaars en landbouwers die omwille van grote infrastructuurwerken of andere overheidsprojecten hun eigendom dreigen te verliezen, de mogelijkheid om hun bedreigde gronden uit te ruilen. De grondenbank kan op vraag van de overheidspartners een grondreserve aanleggen in gebieden waar nood bestaat voor uitruiling. Via ruil van gebruiks- of eigendomsrechten kan de grondenbank zo oplossingen aanreiken aan gebruikers en eigenaars die omwille van een overheidsproject geconfronteerd worden met grondverlies of met bijkomende beperkingen op hun gronden. Met betrekking tot natuur- en bosbeleid kan de grondenbank mee oplossingen bieden bij de creatie van de natuurlijke structuur (VEN/IVON), bij bosuitbreiding of bij natuurinrichtingsprojecten. Op 2 februari 2007 wijzigde de Vlaamse Regering het besluit van 23 juli 1998 inzake natuurinrichting10. Het nieuwe besluit brengt vereenvoudigingen aan in de procedure en maakt een meer flexibele uitvoering op het terrein mogelijk. Er werd tevens voorzien in een uitbreiding van de bestaande vergoedingenregeling. MINA-plan 3 Op 28 april 2006 wijzigde het Vlaams Parlement het Decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid11. Daarmee werd het MINA-plan omgevormd tot een legislatuurplan dat wordt opgesteld door de Vlaamse Regering in het jaar na haar aantreden. Het Milieujaarprogramma wordt voortaan een herkenbaar onderdeel van de begroting en dient er inhoudelijk bij aan te sluiten. Op die wijze wordt het beginsel van het ‘primaat van de politiek’ uit het kaderdecreet Beter Bestuurlijk Beleid ook in het Vlaams milieuplanningsproces verder geconcretiseerd. Vermits het huidige milieubeleidsplan, MINA-plan 3, afloopt in 2007 moet worden voorzien in een overbrugging voor de periode 2008-2010. In het voorjaar van 2007 ontwikkelde de planningsgroep binnen LNE een MINA-plan 3+ dat aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen. Vanuit de bestuurskunde wordt opgeworpen dat beleidsdoelstellingen SMART moeten worden opgesteld: specifiek, meetbaar, afgesproken/aanvaardbaar, realistisch en tijdsgebonden. Het definiëren van realistische doelstellingen is moeilijk zonder duidelijkheid over het (minstens) budgettair en (bij voorkeur) maatschappelijk kostenplaatje ervan. Dergelijke informatie kan ook het politiek debat versterken. Voor heel wat plandoelstellingen van de twee voornoemde thema’s (bv. afbakenen van Vlaams Ecologisch Netwerk, realiseren van 50.000 ha effectief natuurbeheer, inrichten van 20.000 ha natuur) kan deze oefening momenteel budgettair niet volledig worden onderbouwd omdat de relatie tussen de basisallocaties van de begroting, de prestaties door de betrokken actoren en de doelen van het MINA-plan onvoldoende helder is. LNE vormt daarop overigens geen uitzondering binnen de Vlaamse overheid [39, 179]. Er resten nog ongeveer twee jaar tot 2010 om planning en begroting operationeel aan elkaar te koppelen en de volgende strategische beslissingsronde beter te informeren (regeerakkoord, beleidsnota, milieubeleidsplan). Vroegere ervaringen van de Vlaamse overheid met veranderingsprocessen als strategische planning en doelmatigheidsanalyse hebben geleerd dat twee jaar zeer weinig is om een dergelijke oefening te voltooien [202]. 9) Decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen (BS 9/2/2007) 10) Besluit van 2 februari 2007 houdende wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wat betreft de natuurinrichtingsprojecten (BS 8/3/2007) 11) Decreet van 28 april 2006 tot wijziging van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het Decreet van 30 april 2004 tot aanvulling van hetzelfde decreet (BS 14/6/2006)

143


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #07 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen

Verdere stappen in Beter Bestuurlijk Beleid De reorganisatie van de Vlaamse overheid, aangekondigd door de Vlaamse Regering begin 2000, leidde in 2005-2006 tot diverse decreten en besluiten die de oprichting van dertien ministeries en diverse agentschappen juridisch moesten voorbereiden. Op 1 april 2006 ging het nieuwe ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie van start. Tegelijkertijd werden de afdelingen Natuur en ‘Bos en Groen’ van het voormalige AMINAL verzelfstandigd tot het nieuwe intern verzelfstandigd agentschap (IVA) ‘Agentschap voor Natuur en Bos’ (ANB)12. Het Instituut voor Natuurbehoud en het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer vormen sinds dezelfde datum het IVA ‘Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek’ (INBO)13. Binnen beide agentschappen worden nog verdere interne reorganisaties uitgevoerd om de activiteitenpakketten van de vroegere aparte entiteiten meer functioneel te groeperen. De sectoren natuur en bos hebben de voorbij decennia een eigen institutionaliseringsproces doorgemaakt met een eigen discours en regelgeving, eigen belangengroepen, administraties en wetenschappelijke instellingen. Wat deze twee laatste betreft zou de reorganisatie ertoe moeten leiden dat coördinatie en uitvoering van beleid en wetenschappelijk onderzoek van beide sectoren beter op elkaar worden afgestemd. Dit houdt onder meer uitdagingen in, maar ook kansen op het vlak van databeheer om zo het beleid en de toestand op het terrein efficiënt op te volgen. Met medewerking van:

#07

Carl De Schepper – Agentschap voor Natuur en Bos Maarten Hens – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Ellen Hutsebaut - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Johan Peymen – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Stijn Vanacker - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Beatrijs Van der Aa - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Peter Willeghems – Agentschap voor Natuur en Bos Lectoren Niko Boone - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek An Cliquet - Universiteit Gent, vakgroep Internationaal Publiekrecht Jeroen Cockx - Departement LNE, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Ann Crabbé - Universiteit Antwerpen, faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen Lode De Beck - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Carl De Schepper - Agentschap voor Natuur en Bos Valérie Goethals - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Jos Gysels - Natuurpunt vzw Hans Leinfelder - Universiteit Gent, vakgroep Civiele Techniek Lon Lommaert - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Els Martens - Agentschap voor Natuur en Bos Jos Notenboom - Milieu- en Natuurplanbureau Jeroen Panis - Agentschap voor Natuur en Bos Geert Sterckx - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Mark van Veen - Milieu- en Natuurplanbureau Axel Verachtert - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid 12) Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap voor Natuur en Bos (BS 2/2/2006) 13) Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (BS 2/3/2006)

144


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

Erkende natuurreservaten Wouter Van Reeth, Johan Peymen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! Van de erkende natuurreservaten waarvan het actuele natuurtype gekend is,

beantwoordt 88 % van de oppervlakte aan het natuurstreefbeeld en wordt bijna drie vierde als biologisch zeer waardevol beschouwd. ! Het beheer richt zich in hoofdzaak op de instandhouding en uitbreiding van half-

natuurlijke graslanden (37 %), bossen (24 %), moerassen (15 %), heide en vennen (11 %) en mozaïeklandschappen (8 %). ! Cultuurgraslanden en akkers worden vooral omgevormd tot halfnatuurlijke

graslanden, in mindere mate tot mozaïeklandschappen en heide en vennen. ! De erkende natuurreservaten vervullen in toenemende mate een maatschappelijke

functie. De gemiddelde openstelling per reservaat voor zachte recreatie is tussen 2000 en 2007 met 70 % toegenomen. ! De subsidies voor huur, beheer en openstelling vertonen een stijgende trend door-

dat de oppervlakte erkend reservaat toeneemt. Door de niet-indexering van de subsidies neemt de reële beheersubsidie per hectare af. ! Qua verwerving van terreinen weerspiegelt de accentverschuiving aangekondigd in het

regeerakkoord en de beleidsnota 2004-2009 zich in de afname van de aankoopsubsidies. De plandoelstelling van het MINA-plan 3 inzake verwerving wordt niet gehaald. ! De erkende natuurreservaten vormen voorlopig het enige gebiedsgerichte instru-

ment in het natuur- en bosbeleid dat voor bijna 70 % van het areaal over resultaatgerichte en gekarteerde doelstellingen beschikt, en voor 15 % van het areaal over monitoringsgegevens. ! Een ex-postevaluatie op schaal Vlaanderen van de (kosten)effectiviteit van het

instrument ‘erkende natuurreservaten’ of een vergelijking daarvan met andere beleidsinstrumenten valt op basis van de thans beschikbare gegevens inzake prestaties en begrotingsuitgaven niet te onderbouwen.

145


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

R

Subsidies aan erkende natuurverenigingen en verwerving van natuurgebieden

R

Subsidies aan erkende natuurreservaten

R

Oppervlakte natuurgebied in eigendom of huur van natuurverenigingen

R

Oppervlakte natuurreservaat

I

Doelbereiking natuurstreefbeeld in erkende natuurreservaten

I

Biologische waarde van erkende natuurreservaten

Natuurreservaten zijn terreinen die door de Vlaamse Regering als dusdanig worden aangewezen of erkend omwille van hun belang voor het behoud en de ontwikkeling van de natuur of het natuurlijk milieu. Via een aangepast beheer wordt ernaar gestreefd bepaalde natuurstreefbeelden te behouden of te ontwikkelen (Natuurdecreet, art. 32)1. De aangewezen ‘Vlaamse natuurreservaten’ worden beheerd door het

#08

Agentschap voor Natuur en Bos. ‘Erkende natuurreservaten’ worden meestal beheerd door natuurverenigingen, maar kunnen ook door andere rechtspersonen of natuurlijke personen worden beheerd. De natuurreservaten in Vlaanderen omvatten grote delen biologisch waardevolle tot zeer waardevolle natuur (zie hoofdstuk 7 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen, figuur 7.3). Dat waardevolle karakter spruit deels voort uit het feit dat de aanwijzing en erkenning van natuurreservaten zich in eerste instantie richtte op het in stand houden van de meest waardevolle gebieden. Sommige van die gebieden worden bovendien reeds meerdere decennia beheerd in functie van natuur. Andere meer recent erkende delen van de natuurreservaten kenden tot voor kort dan weer een ander grondgebruik, bv. intensieve landbouw of bosbouw. De meeste natuurreservaten vormen dan ook complexen van percelen met een uiteenlopende historiek inzake aanwijzing, erkenning en beheer. De voorbije twee jaar werd verkennend onderzoek verricht naar de evalueerbaarheid van de subsidies aan erkende natuurreservaten [108, 109] en de kosteneffectiviteit van het reservaatbeheer [204]. Die oefeningen pasten in een meer algemene onderzoeksvraag naar een evaluatie van de instrumentenmix natuuren bosbeleid (zie hoofdstuk 7). Het doel van dat verkennende onderzoek was na te gaan in hoeverre er bij IN en IBW (thans INBO) en bij AMINAL (thans Departement LNE en ANB) ecologische en financiële gegevens beschikbaar waren om op schaal Vlaanderen uitspraken te doen over de doelbereiking, de effectiviteit (doeltreffendheid) en de kosteneffectiviteit van het reservatenbeheer. Efficiëntie (doelmatigheid) werd niet onderzocht. Data van singlecasestudies (afzonderlijke projecten binnen of buiten natuurof bosreservaten) werden daarbij niet weerhouden wegens hun beperkte vergelijkbaarheid (in ruimte en tijd) of representativiteit voor Vlaanderen.

1) Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006)

146


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

Van de natuurreservaten blijken de erkende natuurreservaten het verst te staan qua gegevensbeschikbaarheid. Alle erkende natuurreservaten beschikken over een goedgekeurd beheerplan dat onder meer natuurstreefbeelden en initiĂŤle natuurtypen aangeeft. Van slechts 15 % (1657 ha) van de erkende oppervlakte was ook een geactualiseerd natuurtype (3 tot 5 jaar na de erkenning) in GIS gekend (zie figuur 8.1). Van de Vlaamse natuurreservaten beschikte eind 2006 ongeveer 30 % (ongeveer 1600 ha) over een goedgekeurd beheerplan, van nog eens 55 % was het beheerplan in voorbereiding. Die percentages verschillen wel sterk per provincie. In Antwerpen en Vlaams-Brabant is voor meer dan de helft van de oppervlakte Vlaams natuurreservaat een beheerplan goedgekeurd. De monitoring binnen de Vlaamse natuurreservaten bevindt zich echter nog in een experimenteel stadium (o.a. [45, 59, 198]). Bij verschillende ANB-buitendiensten is inmiddels wel een praktijk gegroeid waarbij bepaalde elementen van abiotiek of van flora en fauna meer of minder intensief worden opgevolgd, al dan niet gekoppeld aan een formeel goedgekeurd beheerplan. Die praktijken verschillen van provincie tot provincie. Daardoor is op dit ogenblik een vergelijking van de doelbereiking en (kosten)effectiviteit tussen erkende en Vlaamse reservaten op schaal Vlaanderen onmogelijk. Daarom concentreert dit hoofdstuk zich op de evaluatie van de doelbereiking van de erkende natuurreservaten, aangevuld door een korte budgettaire analyse van de subsidie-uitgaven. De kennisleemten inzake doelbereiking, effectiviteit en kosteneffectiviteit worden besproken in deel 3 Kennis. Oppervlaktegegevens over de erkende natuurreservaten en de Vlaamse natuurreservaten kunnen worden geraadpleegd op www.natuurindicatoren.be.

Figuur 8.1: Gegevensbeschikbaarheid inzake natuurtypen in natuurreservaten [bron: ANB, INBO].

Oppervlakte erkend of aangewezen als natuurreservaat Oppervlakte met goedgekeurd beheerplan Oppervlakte met natuurdoelen, initiĂŤle en geactualiseerde natuurtypen in GIS 0

2.000

4.000

6.000

8.000

10.000

12.000

Oppervlakte (ha) Erkend natuurreservaat Vlaams natuurreservaat

147


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

01 Beleid 1.1 Planning en instrumentering Ecologische doelstelling Het Natuurdecreet (art. 32) bepaalt dat de erkende (en de Vlaamse) natuurreservaten via een aangepast beheer een natuurstreefbeeld dienen te behouden (instandhoudingsbeheer) of te ontwikkelen (ontwikkelingsbeheer). Het natuurstreefbeeld verwijst naar een bepaalde vegetatie, rekening houdend met de natuurpotenties van het gebied (bv. omwille van de omvang, milieufactoren, …) (erkennings- en subsidiebesluit, art. 1 13°)2. Het MINA-plan 3 vermeldt voor het beleidsinstrument ‘erkende natuurreservaten’ geen specifieke ecologische doelstelling [228]. Er zijn enkel indirecte outputtaakstellingen inzake verwerving en natuurbeheer voor een cluster natuur- en bosgebieden waar de erkende natuurreservaten deel van uitmaken. Hoeveel erkend natuurreservaat de Vlaamse overheid wil realiseren en voor welke natuurdoeltypen, wordt nergens bepaald. Er blijkt een zeker cultuurverschil tussen het top-down geformuleerde natuurbeleid in Nederland en de bot-

#08

tom-upbenadering in Vlaanderen. Nederland beschikt via de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) over een landelijke taakstelling voor 27 natuurdoelen (bv. 15.000 ha Natte Heide), verder uitgewerkt in een landelijke natuurdoelenkaart die aangeeft waar die doelen en onderliggende natuurdoeltypen kunnen worden gerealiseerd [51]. Aan die natuurdoelen is ook een tijdsperspectief gekoppeld. In Vlaanderen zijn er geen natuurdoelen op programmaniveau geëxpliciteerd, niet naar inhoud of locatie noch naar timing, omdat de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) blijft aanslepen (zie hoofdstuk 10 Vlaams Ecologisch Netwerk). Daardoor dreigt ook de volgende stap, het uitwerken van doelen via natuurrichtplannen, op de lange baan te worden geschoven. De natuurdoelen voor de erkende natuurreservaten kunnen momenteel enkel worden afgeleid van natuurstreefbeelden op projectniveau (per erkend natuurreservaat). Voor ongeveer 70 % (ongeveer 7800 ha) van de erkende reservaatoppervlakte bleken de data over natuurstreefbeelden en initiële natuurtypes uit de erkenningsdossiers ook in GIS beschikbaar (zie figuren 8.2 tot 8.5). Die natuurstreefbeelden worden beschreven aan de hand van de vegetatiecodes van de biologische waarderingskaart (BWK). Een aantal van die BWK-eenheden werd als te subsidiëren natuurstreefbeeld opgenomen in het erkennings- en subsidiebesluit (art. 17, §§2-4). De subsidiebedragen variëren in functie van de beheerintensiteit en zeldzaamheid van het natuurstreefbeeld. Voor de analyse in dit hoofdstuk werden de natuurstreefbeelden geaggregeerd in 8 biotopen (zie figuur 8.2). Daaruit blijkt het accent van de natuurdoelen vooral te liggen op halfnatuurlijke graslanden en bossen, samen ruim 60 % in het natuurstreefbeeld van de erkende natuurreservaten. Ze vertegenwoordigen ook de natuurtypen die in Vlaanderen van nature een grote oppervlakte innemen. Naast een natuurstreefbeeld dient de beheerder, met het oog op erkenning en subsidiëring, ook het bestaande natuurtype vast te stellen. Dat is de vegetatie aanwezig op het terrein op het ogenblik dat de erkenningsaanvraag werd ingediend, hierna het ‘initiële natuurtype’ genoemd.

2) Besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidie (BS 12/9/2003)

148


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

4% 1%

11 %

Figuur 8.2: Natuurdoelen van de erkende natuurreservaten, samengevat per biotoop [bron: INBO, ANB].

15 % 24 % 0%

37 %

Heide en vennen Bossen (incl. naaldhouten populierenaanplanten) Mozaïeklandschap Halfnatuurlijke graslanden Cultuurgraslanden en akkers Moerassen Oppervlaktewateren Strand en duinen

8%

Oppervlakte (%) Op het ogenblik dat de initiële natuurtypen worden gerapporteerd, worden de betrokken percelen soms al een of meer jaren beheerd. Bovendien gaat het vaak om gebieden die reeds een zekere natuurwaarde hadden en als erkend natuurreservaat worden voorgesteld met het oog op het behoud ervan. Het beheer binnen die gebieden is in die gevallen vooral een instandhoudingsbeheer. Voor een aantal percelen verschilt het initiële natuurtype van het natuurstreefbeeld en wordt een ontwikkelings- en omvormingsbeheer nagestreefd. Figuur 8.3 toont de geplande toename of afname van initiële natuurtypen naar natuurstreefbeelden.

Figuur 8.3: Doelen inzake omvormingsbeheer binnen erkende natuurreservaten [bron: INBO, ANB].

Halfnatuurlijke graslanden Heide en vennen Mozaïeklandschap Moerassen Bossen Cultuurgraslanden en akkers Naaldhout- en populierenaanplanten -400

-300

-200

-100

0

100

200

300

400

Oppervlakte (ha)

149


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

Een belangrijke vooropgestelde trend is de omvorming van populieren- en naaldhoutaanplanten. Naaldhoutaanplanten worden deels omgevormd naar heiden en schraalgraslanden, en deels omgezet in zure eikenbossen, eventueel met nog een aandeel naaldhout. Populierenbestanden, zeker de jongere aanplanten, vertonen dikwijls nog duidelijk de vroegere graslandkenmerken en worden dan ook terug in grasland omgezet, of in mozaïeklandschap als gevolg van begrazing. Wanneer een duidelijke ondergroei is ontwikkeld of wanneer de populieren in alluviaal bos werden ingeplant, wordt er meestal omgezet naar alluviaal bos zonder populieren. Ook cultuurgraslanden en akkers worden omgezet naar meer natuurlijke graslanden. Bossen worden zoals heiden en graslanden in grote mate behouden. Ongeveer 30 % wordt opgenomen in mozaïeklandschap met graasbeheer, in heide, halfnatuurlijke graslanden of moerassen. Het omvormingsbeheer per biotoop wordt meer in detail voorgesteld in figuur 8.4. Figuur 8.4: Doelen Instandhouding en omvorming van bossen inzake instandhoudings- en omvormingsbeheer per biotoop [bron: INBO, ANB].

#08

0

200

400

600

800

1.000

1.200

Bossen Heide en vennen Halfnatuurlijke graslanden Mozaïeklandschap Moerassen Andere 1.400

1.600

1.800

Oppervlakte (ha)

Instandhouding en omvorming van naaldhout- en populierenaanplanten

0

200

400

600

800

Naaldhout- en populierenaanplanten Bossen Heide & vennen Halfnatuurlijke graslanden Mozaïeklandschap Moerassen Andere

Oppervlakte (ha)

Instandhouding en omvorming van halfnatuurlijke graslanden

0

500

1.000

1.500

Oppervlakte (ha)

150

2.000

2.500

3.000

Halfnatuurlijke graslanden Mozaïeklandschap Heide en vennen Bossen Moerassen Andere


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten Instandhouding en omvorming van heide en vennen

0

100

200

300

400

500

600

Heide en vennen MozaĂŻeklandschap Moerassen Halfnatuurlijke graslanden Andere

Oppervlakte (ha)

Instandhouding en omvorming van cultuurgraslanden en akkers

0

50

100

150

200

Cultuurgraslanden en akkers Halfnatuurlijke graslanden Heide en vennen MozaĂŻeklandschap Bossen Andere

250

Oppervlakte (ha)

Instandhouding en omvorming van moerassen

0

200

400

600

800

1.000

Moerassen Halfnatuurlijke graslanden Bossen Heide en vennen MozaĂŻeklandschap Andere 1.200

1.400

Oppervlakte (ha)

151


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

De analyse van de natuurstreefbeelden laat ten slotte ook toe om in algemene termen de nagestreefde natuurwaarde van de beheerde terreinen vast te stellen (zie figuur 8.5). Dat gebeurt op basis van de biologische waarde die aan die natuurtypen wordt toegekend in de biologische waarderingskaart (zeer waardevol, waardevol of minder waardevol). Het gaat om een eerder ruwe benadering in kwalitatieve termen, die weinig zegt over de evolutie van de milieucondities of van de soortendiversiteit (bv. Rode Lijstsoorten of soorten van communautair belang). Anderzijds geeft de trend wel de algemene evolutie van de vegetatie over een aanzienlijke oppervlakte in Vlaanderen, daar waar voor de meeste andere instrumenten enkel oppervlaktecijfers gekend zijn. Op basis van de huidige natuurstreefbeelden zou het aandeel zeer waardevolle natuur in de erkende natuurreservaten evolueren van 59 % naar 70 %, terwijl het aandeel minder waardevolle vegetatie daar bijna volledig zou verdwijnen. Doordat natuurstreefbeelden in hoofdzaak worden ingevuld op basis van vegetatiekenmerken vormen zij slechts een partiĂŤle benadering van de biodiversiteit in de reservaten. Hoewel een toename van â&#x20AC;&#x2DC;zeer waardevolle natuurâ&#x20AC;&#x2122; op basis van de nagestreefde vegetatietypen ongetwijfeld bijdraagt tot een verhoging van de natuurkwaliteit, is zij onvolledig als indicator om de evolutie van de biodiversiteit in het algemeen op te volgen. Soms worden immers bewust natuurtypen nagestreefd die vegetatief niet de meest waardevolle

#08

zijn, maar wel bijdragen tot de bescherming van bepaalde soorten. Voor een globale evaluatie van de doelbereiking in functie van de 2010-doelstelling of van het standstillbeginsel in het Natuurdecreet (art. 8), dienen nauwkeurigere gegevens over milieukwaliteit, flora en fauna op een meer gestandaardiseerde wijze te worden verzameld. Ze kunnen uit de huidige monitoringrapporten echter niet worden afgeleid (zie deel 3 Kennis).

10.000

8.000

Oppervlakte (ha)

Figuur 8.5: Biologische waarde van initieel natuurtype en natuurstreefbeeld binnen erkende natuurreservaten [bron: INBO, ANB].

6.000

4.000

2.000

0

152

Minder waardevol Waardevol Zeer waardvol Initieel natuurtype t0

Natuurstreefbeeld tn


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

Maatschappelijke doelstelling Zowel internationaal als in Vlaanderen is er een evolutie merkbaar om naast de intrinsieke waarde van natuur en biodiversiteit het maatschappelijke belang en de functionele waarde ervan te erkennen. In het Millennium Ecosystem Assessment wordt via een overzicht van ‘ecosystems services’ de functionele waarde van biodiversiteit onderzocht en de invloed ervan op ‘human well-being‘ [134]. Vlaanderen heeft nog geen strategie inzake ecosysteemdiensten geëxpliciteerd. De maatschappelijke en sociale functie van natuur, één van de componenten van die ecosysteemdiensten, is de voorbije jaren in beleidsdocumenten en politieke verklaringen wel sterker op de voorgrond gekomen. Ook in gebieden waar traditioneel natuurbehoud de hoofdfunctie vormt, in casu de natuurreservaten, krijgt naast natuurbehoud en natuurontwikkeling ook natuurbeleving meer aandacht. Uit het erkennings- en subsidiebesluit (art. 21-22) blijkt ook het toegankelijk maken van de natuur een beleidsdoelstelling. De overheid subsidieert de oprichting van bezoekerscentra en van inrichtingswerken die de verbeterde openstelling tot doel hebben. Het Natuurdecreet (art. 34) voorziet de mogelijkheid tot educatief en recreatief medegebruik binnen natuurreservaten voor zover dat inpasbaar is in hun (ecologische) doelstelling. Het MINA-plan 3 moedigt de openstelling van reservaten aan als bijdrage tot de vergroting van het maatschappelijke draagvlak voor natuur [228], p.205. Zowel de regering Dewael als de regering Leterme vermeldden in hun regeerakkoord de grotere toegankelijkheid van natuur als aandachtspunt [230], p.74; [229], p.70. In de Beleidsnota 2004-2009 formuleert de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en Natuur als langetermijndoelstelling (2010) de realisatie van een beleid gericht op grotere toegankelijkheid van natuur en bos voor iedereen. Daarnaast wordt het beter valoriseren van de recreatieve mogelijkheden van bestaande bossen, natuur- en groengebieden als strategische doelstelling geformuleerd. Ook de verwerving van natuurgebieden wordt gekoppeld aan de doelstelling om voldoende robuuste en toegankelijke natuur te voorzien [227], pp. 47 en 74 (zie ook hoofdstuk 11 Recreatie).

1.2 Uitvoering Terreinverwerving via erkende terreinbeherende natuurverenigingen Het erkennings- en subsidiebesluit (art. 5) biedt de minister de mogelijkheid om aan de erkende terreinbeherende natuurverenigingen een subsidie toe te kennen voor de aankoop van gebieden. Aan die subsidie is tevens de voorwaarde verbonden dat de betrokken gebieden binnen de twee jaar worden voorgesteld als te erkennen natuurreservaat (art. 7). Voor oppervlaktes kleiner dan 5 hectare kan die termijn met twee jaar worden verlengd. De subsidiëring gebeurt grotendeels via het Minafonds en in beperkte mate via het programma Natuur van de departementale begroting Leefmilieu, Natuur en Energie. Figuur 8.6 toont de evolutie van de uitgegeven aankoopsubsidies en de evolutie van de terreinaankopen door de erkende terreinbeherende natuurverenigingen in de overeenstemmende begrotingsjaren.

153


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

#08

Subsidies (in 1.000 euro, constante prijzen)

1.600 10.000

1.400 1.200

8.000

1.000 6.000

800 600

4.000

400

2.000

0

200

1995

1997

1999

2001

2003

2005

2007

Oppervlakte jaarlijks aangekocht (ha)

Figuur 8.6: Subsidies aan en terreinaankopen door erkende terreinbeherende natuurverenigingen [bron: ANB].

0

Aankopen door erkende terreinbeherende natuurverenigingen MINA-plan 3, plandoelstelling jaarlijkse aankopen door natuurverenigingen Jaarlijks vastgelegde aankoopsubsidies (2007 = raming) De uitgaven werden uitgedrukt in constante prijzen (referentiejaar 1995) met behulp van de BBP-deflator.

De subsidies werden uitgedrukt in constante prijzen (referentiejaar 1995) om het effect van inflatie (o.a. stijgende grondprijzen) op de uitgaven te neutraliseren. De subsidiecurve in figuur 8.6 toont dus in feite de evolutie van de â&#x20AC;&#x2DC;koopkrachtâ&#x20AC;&#x2122; van de subsidies. Daardoor stemmen de subsidiecijfers (linker Y-as) niet exact overeen met de nominale cijfers zoals opgenomen in de begroting. De voorstelling in constante prijzen toont hoe, na een sterke toename van 1999 tot 2001, de aankoopsubsidies in feite een dalende trend vertonen. Vooral in de jaren 2003 en 2005 daalden de subsidies gevoelig. Het MINA-plan 3, thema biodiversiteit, bevat onder meer de plandoelstelling het jaarlijks aankoopritme te doen stijgen tot 3000 ha, waarvan 1000 via de erkende verenigingen [228], p. 190. Die doelstelling werd tijdens de planperiode (2003-2007) voor de erkende verenigingen enkel gehaald in 2006. De aankooppiek werd veroorzaakt door de verwerving van delen van het ruim 1300 ha grote Merodebos. Vermits de financiering en subsidiĂŤring van die verwerving over meerdere begrotingsjaren is gespreid, vertonen de aankoop- en budgetcurves voor de periode 2005-2007 een afwijkend patroon. Figuur 8.6 maakt duidelijk dat het subsidieniveau van de voorbije jaren onvoldoende was om de verwervingsdoelstellingen van het MINA-plan 3 te realiseren. Deze verwervingsdoelstellingen werden trouwens niet hernomen in het Vlaams regeerakkoord 2004-2009 noch in de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur 20042009. De beleidsnota stelde integendeel dat op basis van een objectieve evaluatie de instrumentenmix en de budgetten zouden worden geoptimaliseerd en dat het accent minder sterk op regulering en verwerving zou worden gelegd [227], pp.47-48. Die beleidsombuiging is intussen zichtbaar geworden in de aanhoudend dalende trend van de aankoopsubsidies. Er lijkt daarmee momenteel inzake verwervingsbeleid nog weinig politiek draagvlak te bestaan voor de ambities van het MINA-plan 3.

154


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #08 Erkende natuurreservaten

Het MINA-plan 3 stelt dat bij het aankoopbeleid prioriteit moet worden gegeven â&#x20AC;&#x2DC;aan gebieden met een speciaal beschermingsstatuut, met bedreigde natuurwaarden of gebieden binnen het VEN of de Speciale Beschermingszones (SBZ) aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijnâ&#x20AC;&#x2122;. In 2006 wijzigde de Vlaamse Regering het erkennings- en subsidiebesluit3 om grote aankopen in dat kader financieel beter te kunnen ondersteunen . Van het aandeel van de SBZ binnen de terreinen verworven met aankoopsubsidies is er momenteel geen tijdreeks. Wanneer de natuurgebiedendatabank volledig wordt ingevuld kan die wel worden berekend (zie hoofdstuk 7, deel 2. Kennis). Op basis van de huidige invulling van de natuurgebiedendatabank, dekken de erkende natuurreservaten ongeveer 6 % van de Habitatrichtlijngebieden. De oppervlakte natuurgebied in eigendom van alle (= erkende + niet-erkende) terreinbeherende natuurverenigingen vertoont sinds eind jaren 90 een nagenoeg constante stijging, met 12.208 ha in eigendom eind 2006 (zie figuur 8.7). Daarnaast hadden de natuurverenigingen ook nog 6228 ha in huur. Het aandeel terreinen in eigendom in het totaal van de door de natuurverenigingen beheerde oppervlakte is tussen 1987 en 2006 toegenomen van 23 % tot 66 %. Voor de erkenning en subsidiĂŤring als natuurreservaat komen zowel de aangekochte als de gehuurde terreinen van de erkende als van de niet-erkende natuurverenigingen in aanmerking. Van de totale oppervlakte natuurgebied in eigendom of huur bij de terreinbeherende natuurverenigingen, had eind 2006 iets meer dan 60 % het statuut van erkend natuurreservaat.

20.000

Figuur 8.7: Oppervlakte natuurgebied in eigendom van of gehuurd door terreinbeherende natuurverenigingen [bron: INBO].

Oppervlakte (ha)

17.500 15.000 12.500 10.000 7.500 5.000 2.500 0

1987 1989 1991 1993 1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007

Gehuurd door terreinbeherende natuurverenigingen In eigendom van terreinbeherende natuurverenigingen

3) Besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2006 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidie (BS 16/5/2006)

155


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I # 08 Erkende natuurreservaten

Figuur 8.8: Totale en gemiddelde oppervlakte erkend natuurreservaat [bron: ANB] .

50

12. 000

(j) CD

10. 000

a: a. CD c:: CD

30

-o -o

co

::S

8.000

Q)

~ <1l

~ Q) a. a. Q)

0

CD

6.000

<

iiï 20

0

ëii

3

40

~

s:

4;000

~

ö

1-

10

2.000

0

0 1996

' 1998

-

2000

2002

2004

2006

Totale oppervlakte erkend natuu rreservaat Gemiddelde oppervlakte erkend natuurreservaat

#08 Erkenning en subsidiëring van natuurreservaten Ook terreinen die op een andere wijze werden verworven of die worden gehuurd, door erkende natuurve renigingen of andere rechtspersonen of priva te personen. komen voor erkenning als natuurreservaat en subsidiëring in aa nmerkin g. Ein d 2006 beschi kte Vl aanderen over 11 .378 ha erkend natuurreservaat (zie figuur 8.8). De gemidd elde oppe rvlakte per reservaat bedroeg iets meer dan 36 ha. De erkende

natuurr~­

se rvaten omvatten ein d 200 6 on geveer 6% van het 163.500 ha grote Nàtura 2000-netwerk in Vla anderen.

Tusse n de aanvraag tot erke nning en de goedkeu rin g door de bevoegd e minister zit een aa nzienlijk tijdsverschil. Het duurt gemi ddeld 21 maand en voo ra leer een erke nningsaanvraag door ANB en het kabinet afgehandeld is.

De subsidiëring va n de erkende natu urreserva ten heeft zowel betrekking op de huur van terreinen (ibid., art. 16), beheer en toezicht (art 17). eerste inrichtingswerken (art. 18), monitoring (art. 1g), als op de openstelling ervan voor bezoekers (art. 20). De su bsidies komen ten laste van het Minafond s (basisallocatie 3303). Er kan ook een investerin gssubsi die word en ve rl eend voo r uitzonderlijke eenmalige inrichtingswerken die natuurherstel, natuurontwikke ling of een ve rbeterd e openstelling tot doel hebben (art 22) (Min afonds. basisa llocati e 522 1). Voo r de erkennin g moet een beheerplan inclusief een openstellingspiall worden ingediend en na erke nnin g moet jaarlij ks word en gerapportee rd over de uitgevoerde beheerwerken en activiteiten. Een erkende terreinbeherende natuurvereniging kan per provincie ook voor een erkend bezoekersce ntrum subsidies ontvangen (art 21). Figuur 8.9 toont de evo lutie in subsidi es van 1995 tot 2007. De bedragen werden gecorrig eerd voor inflati e met behulp van de BBP-deflator. De toename van de subsidies komt dan ook neer op een reële stijging4.

4) De cijfers van 1995 tot 2006 veiWijzen naar het bedrag dat in december van dat jaar werd vastgelegd. Oe ardonnancering (uitbetaling] gebeurde in januari van het jaar daarop. Het cijfer van 2007 is het beleidskrediet zoals goedgekeurd bij de begrotin'gsopmaak eind 2006. Oe definiveve

verdeling van de uitgegeven subsidies over de deelcategorieën is pas na afsluiting van het begrotingsjaar 2007 gekend.

156


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #08 Erkende natuurreservaten

12.000

5.000

CD

N

::"'

a.

10.000

4.000

Q)

ë

ca

8.000

Cii c: 0

u

6.000

:J

lll

ë

c: (i)

2.000

~

4.000

~

(/)

CD

;;<-

a.

Q)

:§.

< iiï "" <D CD :J

3.000

è:J 0 0

0

u u

êQ)

(/)

CD

<

lll

1.000

2.000

Q)

'6

!!! S'

~

ïi'i

.0

:J (/)

0

0 1995

-

1997

Niet gespecifieerd Huur Opmaak beheerplan en éénmalige inrichting

1999

-

2001

2003

Uitzonderlijke éénmalige innchting Recurrent beheer en toezicht

2005

--

2007

Monitoring Openstelling Openstelling bezoekerscentra Totale oppervlakte erkend natuurreservaat

De sterke toename in 2000 werd veroorzaakt door de inwerkingtreding van het vorige erkennings- en subsidiebesluit van 19995. De subsidies voor startbeheer (beheerplan en éénmalige innchtmg) kenden een piek kort na de invoering van de nieuwe regelgeving, toen heel wat reeds bestaande erkende natuurreservaten een aanvraag tot conformverklaring met de nieuwe regelgeving indienden. De oppervlakte erkend natuurreservaat nam tussen 2000 en 2006 toe met 121 %. De subsidies voor recurrent natuurbeheer en toezicht namen in diezelfde period e toe met 84 %. Vermits de beheersubsidies niet geïndexeerd zijn, in tegenstelling tot de lonen van de ngo-medewerkers en de materiaalkosten. daalt de reële koopkracht va n de beheersubsidies. De subsidies voor openstelling, weliswaar kleiner in absolute waarde, kenden sinds 2000 een toename van 330 %. Vanaf 2005 wordt ook de subsidie voor de werking van de provinciale bezoekerscen tra toegekend. Die werd ingevoerd door het huidige erkennings- en subsidiebesluit van 2003 (art 21). Het aandeel van de huursubsidie in de totale subsidie bedroeg in 2006 1 %. Van de investeringssubsidies voo r uitzonderlijke éénmalige inrichting gaat het grootste deel naar natuurontwikkeling en -herstel (bv. plaggen, plaatsen van rasters) en een veeleer beperkt deel naar infrastructuur voor openstelling. De verhouding tussen beide wordt geschat op 75 % - 25 1\'o . Voor het realiseren van openstellingsprojecten worden wel nog andere subsidiekanalen gebruikt, onder meer bij gemeenten. provincies en regionale landschappen.

Naast de subsidies ten laste van het Minafonds. voorgesteld in figuur 8.9, wordt er sinds 2004 via de departementale begroting van LNE (programma 61 .1, basisallocatie 3303) een subsidie ve rleend voor personeel van milieu- en natuurverenigingen. Ook een aa ntal terreinbeherend e natuurverenigingen doen een beroep op die subsidie voor een aantal personeelsleden. Het gaat om werkn emers die reeds voor 2004

5} Besluit van de Vlaamse Regering van 29 JUni 1999 houdende de vaststellmg van de voorwaarden voor de erl<enmng van natuurreservaten en van

terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenmng van subs1d1es (BS 18/911999)

157

Figuur 8.9: Subsidiënng van erkende natuurreservaten [bron: ANB].


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #08 Erkende natu urreservaten

waren tewerkgesteld via een DAC-statuut (Derde Arbeidscircuit). Sinds 2004 ontvangen zij hun loon niet langer va n de VDAB maar rechtstreeks van hun werkgever die daarvoor gedeeltelijk wordt gesubsidieerd door de Vlaamse overh eid. In 2004, 2005 en 2006 bedroeg het aandeel subsidies voor de terreinbeherende natuurverenigingen respectievelijk 1.036.898 euro, 1.077.020 euro en 500.290 euro6. In hoeverre die personeelssubsidies worden aa ngewend voo r terreinbeheer of andere ondersteunende taken, werd niet onderzocl1t.

De beleidsuitvoering inza ke erkende natuurreservaten vormt in feite een coproductie tussen de Vlaamse overheid (AN B Centrale diensten en Buite ndiensten) en de ngo's die de erkende natuurreservaten inrichten, beheren en openstellen. De monitoring en rapportering va n dat beheer gebeuren vooral op projectnivea u. Drie jaar na de erkenning, en vervolgens om de vijf jaar, moet voor elk erkend natuurreservaa t een 'uitgebreid monitoringsrapport' worden overgemaakt aa n de subsidieverstrekker (erkennings- en subsidiebesluit, art. 19). Di e monitoringsrapporten bieden onder meer een tekstuele beschrijving va n de uitgevoerde beheerwerken en va n evoluties in abiotiek, habitats en waargenomen soorten. Het erkennings- en subsidiebesluit geeft echter geen richtlijnen hoe het monitoringsrapport moet worden opgemaakt, waardoor de gegevens niet gestandaa rdiseerd wo rd en verza meld en slechts re servaat per reservaat interpreteerbaar zijn. Voor een evaluatie op programmaniveau (schaal Vlaanderen) zijn zij niet bruikbaar. Wel

#08

bruikbaar zijn de dig itale kaartbijlagen die een beeld geven va n de evolutie va n het actuele natuurtype ten opzichte van het initiĂŤle natuurtype en het natuurstreefbeeld (zi e deel 2 Effecten op natuur).

Inza ke de maatschappelijke functie van de erkende natuurreservaten is er een beperkt aantal prestatiegegevens gekend inzake de gecreĂŤerde wandelinfrastru ctuur en de open stelling van de reservaten . In april 2007 waren er binn en 316 erkende natuurreservaten in totaa l 31 vogelkijkhutten en ruim 770 km wandelpaden ter beschikking va n zachte recreanten. Tu ssen juni 2000 en april 2007 evolueerde de gemiddelde openstellingsgraad van de reservaten van 40 naar 68 meter pad per hectare 7 De erkende natuurreservaten vervullen in die zin ook in toenemende mate een maat schappelijke functie.

Het ontbreken va n een helder causaa l ve rband tussen de uitgaven en prestaties op programmaniveau bemoeilijkt de fin anciĂŤ le analyse van dit beleidsinstrument, evenals de vergelijking ervan met andere beleidsinstrumenten. Een kostprijsberekening va n de ecologische en maatschappelijke functie van de natuurreservaten, ons inziens een essentieel element van de objectieve evaluatie waarvan sprake in regeera kkoord en bel eid snota, kan op basis va n de beschikbare begrotingscijfers en prestatiegegevens slechts gedeeltelijk wo rd en onderbouwd. In hoofdstuk 7, deel 2 Kennis, wordt een methode toegelicht om derg elijke analyses in de toekomst verder te ontwikkelen.

6) Oe brondata werden aangeleverd door het Departement LNE en het Sociaal Fonds voor het Sociaal-Cultureel Werk van de l/1aamse

Gemeenschap. De bedragen werden herrekend in constante pnjzen van 1995 om decijlers vergelijkbaar te maken met deze in figuur 8.8. Voor 2004 en 2005 omvatten de bedragen zowel de voorschotten die in het werkingsjaar werden uitbetaald als de netto positieve saldi (loonkost- voerschot) die in het volgende werkingsjaar werden 'litbetaald. Voor 2006 werden enkel de voorschotten meegerekend. de saldi waren bij de redactie van deze tekst nog niet definitief goedgekeurd. 7) Oe data werden aangeleverd door de centrale diensten van hel Agentschap voor Natuur en Bos.

158


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #08 Erkende natuurreservaten

02 Effecten op natuur Op basis van de digitale kaartbijlagen bij de monitoringsrapporten kan de evolutie van de natuurtypen Cto en t:Y ten opzichte van het natuurstreefbeeld Ctn) worden geanalyseerd (zie figuren 8.10 tot 8.12). De BWK kent aan die natuurtypen eveneens een kwalitatieve natuurwaarde (zeer waardevol , waardevol of minder waardevol) toe in functie van de biologische kwaliteit van het gebied en de zeldzaamheid, kwetsbaarheid en vervangbaarheid van de aanwezige vegetatie. Dat levert een algemeen beeld op van de evolutie van de biologische waarde binnen de erkende natuurreservaten (z1e figuren 8.13 en 8.14).

In hoeverre worden de natuurstreefbeelden gerealiseerd? Eind 2006 waren van 110 erkende natuurreservaten voor<>ngeveer 1660 ha GIS-data over initieel natuurtype, actueel natuurtype en natuurstreefbeeld beschikbaar voor analyse (zie figuur 8.1). Het initièle natuurtype wordt bepaald bij het indienen van de erkenningsaanvraag. Het actuele natuurtype wordt (in pnncipe) drie jaar na de erkenning bepaald. Voor de eenvoud stellen we het 1nit1èle natuurtype als t 0 en het actuele natuurtype van het eerste monitoringrapport als t 3 voor. Met de penode tussen het Indienen van de erkenningsaanvraag en de goedkeuring ervan (gemiddeld 21 maanden) werd geen rekening gehouden. Het tijdsverloop tussen to en t 3 kan in de praktijk dus drie tot vijf jaren bedragen. Het voorstellen va n de trend inzake doelbereiking op een tijdschaal van kalenderJaren zou een moe1lijk interpreteerbare grafiek opleveren met een fluctuerende doelbereiking in funct1e van n1euwe erkenningen, eerder dan in functie van het uitgevoerde beheer. Om die reden worden de data op een analytische tijdsschaal t 0 - t 3 - tn uitgezet Naarmate tweede en derde monitoringsrapporten ter beschikking komen kan de trend worden uitgebreid met ta, t 13 enz. Voor deze dataset werd nagegaan welke percelen op t 0 en t 3 beantwoordd en aan het natuurstreefbeeld (natuurdoel) (zie figuur 8.10). Het valt op dat reeds bij de erkenningsaanvraag een hoog percentage (77 %) van de percelen aan het natuurstreefbeeld beantwoordd e. Op t 3 is de doelbereiking verder opgelopen tot BB %.

Een meer gedetailleerde analyse toont grote verschillen per biotoop. Er werd gekeken naar halfnatuurlijke graslanden, bossen (incl. naaldhout- en populierenaanplanten), heiden en vennen en mozaïeklandschappen die samen ongeveer 80 % van het tota al uitmaken. Voor bossen bleef de trend nagenoeg co nstant, terwijl mozaïeklandschappen spectacu lair toenam en. Voor ecologisch kwalitatief hoogstaand bos, dat al vrij sterk een streefbeeld benadert, wordt doorgaans in standh ouding nagestreefd. De ecologi sch minder waardevolle bossen en aanplanten worden doorgaans in een ander natuurtype omgezet, o.a. mozaïeklandschap, heide of grasland (zie ook figuur 8.4). Grasland- en heidevegetaties zijn minder snel toegenomen. De creatie van een mozaïe kland schap, bv. door het selectief kappen van bos, is een vegetatie-ingreep die ook sneller door te voeren valt op het terrein dan de creatie van halfnatuu rl ijke graslanden of heidehersteL Wanneer data voor een grotere oppervlakte beschikbaar wo rden, kan de ana lyse en evaluatie worden uitgewerkt per natuurtype.

159


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #OB Erkende natuurreservaten

Figuur 8.10: Doelbereiking ;i natuurstreefueeld ~ in erkende natuur- "0 reservaten (2007) (ij Cl) [bron : INBO, .0 ' ê ANB]. ii

•

100 90 80

~

70

:::l :::l

60

~

Cii c

~

.ê

50

y

,,

40

Cl)

.0 Cl)

30

~ Cll

20

~

Cl)

D.. D..

0

-

Erkende natuurreservaten Natuurstreefbeeld Halfnatuurlijke graslanden Bossen - - • Mozaïeklandschap Heide en vennen

10 0 to

e

13

De hoge initiële doelbereiking is niet verwonderlijk gezien dt type monitoring binnen erkende natuurreser-

#08

vaten van vrij rece nte datum is in verhouding tot het gevoerde beheer. De monitoring werd pas gestart in de loop van 2000, toen het erkennings- en subsid iebesluit van 1999 in werking trad. Bijna de helft van de reservaten in de dataset was toen al meer dan tien jaar in beheer.

In hoeverre wordt het instandhoudings- en ontwikkelingsbeheer gerealiseerd? Vervolgens werd het actuele natuurtype onderzocht van die percelen die initieel reeds aan het natuurstreefbeeld beantwoordden (zie figuur 8.11). 97,5 % daarvan bleek op t 3 nog steeds aan dat streefbeeld te beantwoorden. De beperkte daling zou kunnen te maken hebben met fouten in de kartering voor de conformverklaringen die na de inwerkingtreding van het subsidiebesluit van 1999 op korte tijd wer~en ingediend. Daarvoor is een meer diepgaande analyse van de data en de toestand op het terrein vereist.

Een analyse van de percelen die initieel niet aan het streefbeeld beantwoordden, en waar dus een ontwikkelingsbeheer werd gevoerd, toont op tijdstip t 3 een gemiddelde doelbereiking van 56 % (zie figuur 8.1 2). Ook daar zijn de verschillen merkbaar tussen mozaïeklandschappen, waarvan een zeer <>nelle omvorming wordt gerapporteerd, en heide en graslanden waar de ontwikkeling langzamer gebeurt. Een mogelijke verklaring is dat het omvormen van heide en graslanden een aantal extra handelingen van de beheerder vergt (bv. bomen verkopen, bodemattesten aanvragen, archeologische terugkoppeling , plagg en of strooisel verwijderen) in verge lijkin g met de realis atie van mozaïeklandschappen onder begrazing (hoofdzakelijk beperkt tot het plaatsen van een begrazingsraster). Daa rnaast wordt er soms gewacht met het starten van het omvorming sbeheer naar heide en grasland totdat een groter geheel is ontstaan, waardoor randeffecten kunnen worden beperkt en schaalvoordelen in het beheer mogelijk zijn.

Bij deze analyse kan niet voorbij worden gegaan aan de vraag naar de betrouwbaarheid van de gerapporteerde initiële of actuele natuurtypes. Het rapporteren van de voorkomende vegetatietypen in de erkende natuurreservaten zijn geen neutrale oefeningen. De beheersubsidie kent een variabel deel dat, afhankelijk

I

160


tuurr pp rt

~ ~

•

100

Q)

a.

>t::

90

::::l ::::l

80

c: c:

70

"0 ::::l

60

..c:

50

(ij

0

Figuur 8.11. Doelbere1k1ng mzake mstandhoudmgsbeheer [bron: INBO. ANB)

Q)

0

Q)

OI

"0

c:

40

c:

30

ro êii Q)

~

ro ~ Q) a. a. 0

20 10

-

0 to

~

~

t"

•

100

Q)

a.

>t:: ::::l ::::l

80

(ij

I

c:

"0

E

0>

60

I

Q)

OI

E

0

40

Q)

I

~

ro ~ Q) a. a. 0

I

20

I

I

I

I

I

Figuur 812. Doelbereiking mzake ontwlkkehngsbeheer [bron· INBO. ANB)

I

I

I Doelbereiking inzake ontwikkelingsbeheer

e

Natuurstreelbeeld Halfnatuurlijke graslanden -Bossen Mozaïeklandschap Heide en vennen

I

I I.

0 to

•

Doelbereiking 1nstandhoudingsbeheer Natuurstreelbeeld

t3

van de voorkomende vegetatie, 125, 300 of 500 €/ha per jaar kan bedragen (erkenning- en subsidiebesluit. art. 17). De regelgeving in dit artikel spreekt overigens enigszins misleidend over een 'subsidie voor het behalen van een natuurstreefbeeld'. De terreinbeheerders worden immers niet gesubsidieerd in functie van het streefbeeld waar ze naartoe werken, maar in functie van het natuurtype dat ze beheren. Pas wanneer via een monitoringsrapport (of in een erkenningsaanvraag) wordt aangetoond dat een bepaald natuurtype aanwezig is, wordt de subsidie daaraan aangepast Dat creëert voor de beheerders een incen tive om een 'duurder' initieel of actueel natuurtype te rapporteren dan datgene dat op het terrein wordt waargenomen . De mate waarin dat de huidige doelbereiking kunstmatig opdrijft. is onduidelijk. Een audit

161


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #08 Erkende natuurreservaten

van de gerapporteerde data in de monitoringsrapporten door een controle op het terrein viel buiten het bestek van dit hoofdstuk. Er werd van .uitgegaan dat de gegevens in de erkenningdossiers en monitoringsrapporten voldoende werden gecontroleerd door de buitendiensten van ANB om een betrouwbaar beeld te geven. Betrokkenen delen echter wel mee dat de werkdruk en de te controleren oppervlaktes van die aard zijn dat een contro le op het terrein door de natuurwachter niet altijd haalbaar is. Representatieve steekproeven van de gerapporteerde (initiële of actuele) natuurtypes zou de validiteit en betrouwbaarheid

van de monitoringsrapporten moeten kunnen ondersteunen.

Anderzijds geeft de methode van monitoring en rapportering ook een zekere onderschatting van de doelbereiking. Vegetatie die aan het evolueren is naar een bepaald streefbeeld, bijvoorbeeld van een zeer soortenarm ingezaaid grasland (initieel natuurtype Hx) via tussenliggende types Hp, Hp*, He- naar een dotterbloemhooiland (natuurstreefbeeld He) vertegenwoordigt een geleidelijke toename van de doelbereiking die niet in de voorstel ling van figuren 8. 10 tot 8.12 tot uiting komt. In hoeverre die over- of onderschattingen elkaar opheffen, valt op basis van de huidige data niet op te maken.

Naarmate de dataset wordt uitgebreid met gegevens over recenter in beheer genomen terreinen , kan het aandeel van perce len dat initieel reeds aan het natuurstreefbeeld beantwoordde, dalen. De grafiek inzake

#0 8

doelbereiking kan dan voor de periodes t 0 en t 3 wellicht neerwaarts verschuiven ten opzichte van die in figuur 8.9. Hetzelfde geldt voor de evolutie in biologische waarde (zie figuren 8.5, 8.13 en 8.14). Voor de beperkte dataset (figuur 8.13, 1660 ha) bedraagt het initiële aandeel zeer waardevolle natuur 70 %. Voor de uitgebreide dataset (figuur 8.5, 7800 ha) waarin reeds een groter aantal recentere reservaten vervat zit, bedraagt het initiële aandeel zeer waardevolle natuur slechts 60 %. Qua samenstelling volgens de verschillende biotopen levert de vergelijking van beide datasets minder grote verschillen op. Het aandeel van de verschi llende biotopen was in beide sets nagenoeg dezelfde.

Evolutie van biologische waarde binnen de erkende natuurreservaten In de periode tussen t 0 en t 3 is binnen de beperkte dataset van 110 erkende natuurreservaten de oppervlakte biologisch zeer waardevolle natuur met 4 % uitgebreid. Van de minder waardevolle natuur is 43 °Al omgevormd of geëvolueerd tot waardevolle of zeer waardevolle natuur. Actueel wordt 71 % van de gekende terreinen als biologisch zeer waardevol beschouwd. Voor het feit dat de relatieve evolutie (%) vrij beperkt is, kunnen de volgende verklaringen worden gegeven .

D Een groot aantal van de percelen was initieel al zeer waardevol, zodat de marge om te verbeteren eerd er beperkt is.

D De periode t 0 tot t 3 is erg kort (in de praktijk drie tot vijf jaar) om op het terrein spectaculaire evoluties in biologische waarde vast te stellen.

D De drievoudige waarderingsschaal is eerder ruw, zodat sommige kwalitatieve evoluties, bijvoorbeeld evolutie van een akker naar een akker met kleine landschapselementen niet in de grafiek tot uiting komen . Niettemin kan dergelijke evolutie voor bepaalde diersoorten van groot belang zijn.

D Een aantal evoluties op het terrein komen in figuur 8.13 niet tot uiting indien een (zeer) waardevol

162


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #OB Erkende natuurreservaten

natuurtype van een bepaalde biotoop wordt omgezet in een (zeer) waardevol natuurtype van een andere biotoop. Die omzetting kan bijvoorbeeld worden nagestreefd wanneer het streefbeeld (bv. een mozaïeklandschap) voor bepaalde doelsoorten van het reservaat een geschiktere habitat vormt dan het initiële natuurtype (bv. een gesloten bostype). Om de veranderingen van dit laatste type beter in beeld te brengen werd de evolutie in biologische waarde geanalyseerd per biotoop (zie figuur 8.14).

1800

Ftguur 8.13 Btologtsche waarde van erkende natuurreservaten [bron: INBO. ANB]

1500

Cil E.

1200

Q)

~

co

900

0

600

~ Q) a. a.

300

0 to

t,

tn

-

Minder waardevo l Waardevol Zeer waardevol

Uit deze verklaringen blijkt dat de evolutie in biologische waarde een combinatie is van enerzijds een kwaliteitsverbetering binnen een bepaalde biotoop (bv. verschraling van graslanden door maaibeheer of vernatting door bepaalde inrichtingswerken) en anderzijds de omvorming van biotopen. Vooral bij mozaïeklandschappen gebeurt die omvorming reeds in een vroeg stadium van de beheerperiode. bijvoorbeeld door het selectief kappen van beboste percelen. Bij halfnatuurlijke graslanden, bossen en heiden en vennen gebeurt de omvorming veel geleidelijker, omdat zij in grotere mate afhankelijk is van natuurlijke successie in de vegetatie.

De beschikbare data geven een generiek beeld van de evolutie van de natuurtypes en van de biologische waarde sinds het begin van de monitoring. Voor de natuurreservaten of delen van reservaten die reeds voor 1999 werden erkend en gesubsidieerd, is het ech te initiële natuurtype, ten tijde van de start van het gesubsidieerde beheer, meestal niet meer te achterhalen. De toetsing van het op t3 aanwezige natuurtype aan het natuurstreefbeeld geeft informatie over de gerealiseerde doelbereiking. Veel moeilijker te beantwoorden is de vraag of het beheer (en de beheersubsidies) ook effectief zijn geweest. M et andere woorden in hoeverre de evolutie richting natuurstreefbeeld werd bereikt dankzij de beheerwerking en subsidies, en in hoeverre andere factoren (bv. milieudruk, toevallige stru ctu rele buiten de reservaatgrenzen) dat hebben bevorderd of verhinderd. Dat geldt a fortiori voor de vraag naar de kosteneffectiviteit van de subsidies, vermits de uitgegeven bedragen niet kunnen worden gekoppeld aan arrestatieg egevens (ou tputindicatoren). Dat wordt nader toegelicht in deel 3 Kennis.

163


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I 41-08 Erkende natuurreservaten

Bossen (incl. populieren- en naaldhoutaanplanten) 350 Figuur 8.14: Biologische waarde van erkende natuurreservaten per biotoop [bron: INBO, ANB] .

300 250

Q)

,;;:;

"'

~ Q) a. a.

0

-

Nog om te vormen Minder waardevol Waardevol

-

Zeer waardevol

200 150 100 50 0 13

#08

Heide en vennen

Halfnatuurlijke graslanden 600

180 160

500 140

m

400

"'

300

:S Q) ,;;:; ~ Q) a. a.

0

m 120

:S Q) ,;;:; 100

"'

80

0

60

~ Q) a. a.

200

40 100 20 0

0 to

164

In

to

13

In


7

0

MozaĂŻeklandschap

Moerassen

350

250

300 200

250 150

200 150

100

100 50 50 0

0 to

t3

tn

to

t3

tn

03 Kennis In het derde deel van hoofdstuk 7 werd een overzicht gegeven van mogelijke ambitieniveaus bij de expostevaluatie van een beleidsinstrument (zie figuur 7.5). In dat deel wordt nagegaan in hoeve rre de ambitieniveaus (uitspraken over doelbereiking, effectiviteit en kosteneffectiviteit) binnen deze legislatuur nog mogelijk lijken voor het instrument erkende natuurreservaten. Ook de aanbevelingen inzake de natuurgebiedendatabank (zie hoofdstuk 7, deel 3) zijn onverkort van toepassing in dit hoofdstuk.

Evaluatie van doelbereiking In verhouding tot de ruim 25 jaar dat erkende natuurreservaten als beleidsinstrument worden ingezet, is de monitoring van eerder recente datum. Sinds het erkennings- en subsidiebesluit van 1999 zijn erkende natuurreservaten verplicht om samen met hun erkenningsdossier digitale data inzake natuurstreefbeeld en initieel natuurtype in te dienen bij ANB. Drie vegetatiejaren na de erkenning dient een eerste monitoringsrapport met actueel natuurtype te worden ingediend.

Er waren eind 2006 315 natuurreservaten erkend, waarvan er 19 nog niet (geheel) conform waren verklaard aan het nieuwe erkennings- en subsidiebesluit van 2003. Deze laatste ca tegori e hoeft nog niet te voldoen aan de verp lichte monitoringsrapportering die vanaf 2000 werd ingevoerd. Van de 296 overige reservaten waren er 41 waarvoor het digitaal streefbeeld en initieel natuurtype niet beschikbaar waren.

165


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #08 Erkende natuurreservaten

Van de 217 reservaten die reeds drie of meer jaar erkend waren , was van 177 het natuurstreefbeeld en initieel natuurtype digitaal beschikbaar, en was van 160 een eerste monitoringsrapport beschikbaar op het INBO (zie figuur 8.15). Van minder dan de helft daarvan (94) waren ook de data inzake initieel natuurtype (t 0). actueel natuurtype (t 3) en natuurstreefbeeld Ctn) digitaal beschikbaar. Vooral bij deze groep reservaten is er nog een aanzien lijke achtersta nd in het doorsturen van die GIS-data.

F1guur 8.15: Gegevensbescllikbaarheid mzake natuurtypen in erkende natuurreservaten [bron : INBO. ANB).

Totaal aantal erkende natuurreservaten op 31 december 2006 Minstens drie jaar erkend volgens Besi.VI.Reg. van 29 juni 1999 Natuurstreefbeeld en initieel natuurtype beschikbaar in GIS

I I

>I

Eerste monitoringrapport beschikbaar

#08 Actueel natuurtype beschikbaar in GIS

0

50

100

150

200

250

300

350

Aantal erkende natuurreservaten

De ngo's ervaren een hoge rapporteringsdruk ten opzichte van de subsidiĂŤrende overheid. De validiteit van de gerapporteerde gegevens is niet geheel duidelijk en wordt door diverse betrokkenen anders geĂŤvalueerd. De rapportering bevat bovendien data die weinig bruikbaar zijn voor een evaluatie van het instrument erkende natuurreservaten op programmaniveau (schaal Vl aan deren). Hoewel de rapporten een uniforme indeling hebben. worden de data inzake abiotiek, uitgevoerd beheer, fauna en flora niet op een gestandaa rd iseerde manier verzameld en gerapporteerd. Enkel de (beperkte) digitale kaartbijlagen laten een evaluatie op programmaniveau toe. In de mate dat in de loop van de 2007 en 2008 de digitale data over actuele natuurtypen kunnen worden vervo lled igd (blauwe balk in figuur 8.15}, kan de betrouwbaarheid van de uitspraken over doelbereiking toenemen. De contro le op de betrouwbaarheid van de gerapporteerde data blijft ech ter een belangrijk aandachtspunt.

Evaluatie van effectiviteit

De analyse in deel 2 bevat voorbee lden inzake trendonderzoek en de evaluatie van doelbereiking . De effectiviteitsvraag is voor de erkende natuurreservaten op schaal Vla anderen momenteel niet empirisch te beantwoorden. Er is kennis op projectniveau over de doeltreffendheid van bepaalde beheermaatregelen binnen bepaalde natuurdoeltypen, op basis van geva lstudies en kortlopend empirisch onderzoek. Vlaanderen beschikt echter niet over een langlopende monitoring van gebiedsgerichte instrumenten met

166


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #08 Erkende natuurreservaten

controlegroepen op niet- of anders beheerde gebieden. Ook de invloed van milieufactoren (bv. vermesting, verzuring, verdroging) of ruimtelijke factoren (bv. versnippering) op de beheerresultaten valt daardoor moeilijk in te schatten. Dergelijk monitoringsnel over beleidsinstrumenten heen is op schaal Vlaanderen momenteel ook niet in ontwikkeling. Op basis van de recent geactualiseerde biologische waarderingskaart is weliswaar ook vegetatie buiten natuurreservaten gekarteerd. Voor die gebieden is echter geen trend 'zonder beleid' gekend (zie figuur 7.5, rechtse grafiek, lijn B-0). Het evalueren van effectiviteit veronderstelt overigens ook een duidelijke doelbepaling. Ecologische doelen kunnen momenteel worden gereconstrueerd op basis van natuurstreefbeelden, doch in verhouding tot de 2010-doelstelling dekken die enkel vooral de vegetatieve aspecten en minder de soortendiversiteit Zowel de ecologische eenheden als de monitoringsmethode zijn eerder generiek en weinig gestandaardiseerd. De natuurtypen, gebaseerd op de BWK-codes, hebben dan ook intrinsieke beperkingen met het oog op een evaluatie van beheermaatregelen. Vanuit het lopende onderzoek naar een momtoringsmethode voor Vlaamse natuurreservaten zou. in samenspraak met de betrokken terreinbeheerders. kunnen worden nagegaan in hoever die methode op een voor de ngo's haalbare manier kan worden toegepast

Wil de objectieve evaluatie van de instrumentenmix natuur- en bosbeleid meer zijn dan het interpreteren va n ongelijksoortige data, dient de dataverzameling en -verwerking vanuit een integrale vis1e te worden gestroomlijnd. Dat veronderstelt onder meer een gestandaardiseerde monitoring en rapportering bij de erkende en Vlaamse natuurreservaten. Vermits dergelijke monitonng nog niet op het terrein operationeel is, lijkt het ons niet realistisch te verwachten dat ex-postevaluaties van de effectiviteit op programmaniveau vóór 2010 nog mogelijk zijn.

Evaluatie van kosteneffectiviteit De conclusies inzake de evaluatie van de kosteneffectiviteit van erkende natuurreservaten vallen grotendeels samen met die van de instrumentenmix natuur- en bosbeleid in het algemeen (zie hoofdstuk 7. deel 3).

Door de subsidies en andere uitgavenposten vanuit een meer beleids- en beheergerichte invalshoek te analyseren (zie figuur 7.6), kan de budgettaire kostprijs van de prestaties worden berekend. Voor de terreinbeheerders wordt het op die manier mogelijk hun beheer te benchm&rken, bv. op basis van een vergelijking tussen erkende reservaten . Voor de subsidiërend e overheid wordt het mogelijk om de budgettaire kostprijs van die prestaties op te volgen in de tijd, of te vergelijken met gelijkaardige beheermaatregelen in de Vlaamse natuurreservaten of andere instrumenten. Op dit ogenblik ziJn nog niet alle subsidiestromen of uitgavenposten duidelijk toewijsbaar aan de types activiteiten die met het instrument erkende natuurreservaten samenhangen. De kostprijs van openstelling vs. natuurbeheer. van inrichtingsbeheer vs. recurrent beheer, en van ondersteunende administratieve taken kan pas op een betrouwbare manier worden berekend indien de betrokken ngo's en agentschappen actuele en betrouwbare data qua personeelsinzet verzamelen. Het lopende TWOL-onderzoek naar reguleringskasten kan er toe bijdragen om de relevante budgettaire en maatschappelijke kostencategorieën duidelijker te definiëren .

167


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #08 Erkende natuurreservaten

Zoals eerder opgemerkt ten aanzien van de instrumentenmix natuur- en bosbeleid in het algemeen, moet ook hier onderzoek naast de kosten ook de monetaire en niet-monetaire baten van erkende natuurreservaten in beeld te brengen. De mogelijke bijdrage van erkende natuurreservaten in het behoud of herstel van ecosysteemdiensten zijn in Vlaanderen nog niet in kaart gebracht.

Met medewerking van: Peter Adriaens - Instituut voor Natuur- en Boso nderzoek Patriek Boel - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Carl Deschepper- Agentschap voor Natuur en Bos RenĂŠ Meeuwis - Agentschap voor Natuur en Bos Joost Reyniers - Agentschap voor Natuur en Bos Peter Willeghems - Agentschap voor Natuur en Bos

Lectoren Tim Audenaert - Durme vzw Kris Bachus - Katholieke Universiteit Leuven, Hoger Instituut voor de Arbeid

#0 8

Johan Eyckmans - Economische Hogeschool Brussel Jas Gysels - Natuurpunt vzw Maurice Hoffman - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Ellen Hutsebaut- Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling voor Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Michel Janssens - Natuurpunt vzw Wim Slabbaert - Agentschap voor Natuur en Bos Bernard Van Elegem - Agentschap voor Natuur en Bos Peter Van Gossum - Universiteit Gent, vakgroep Bos- & Waterbeheer Jan Van Uytvanck- Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Axel Verachtert- Departement Leefmilieu. Natuur en Energie. afdeling voor Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Kris Verheyen - Universiteit Gent, vakgroep Bos- & Waterbeheer Stefan Versweyveld - Natuurpunt vzw Peter Willeghems - Agentschap voor Natuur en Bos

168


Natuunapport 2007 I Deel 3/ #09 Hab1tatnchtliJn

#09 Habitatrichtlijn Wouter Van Reeth, Carin e Wils, Anik Sch neiders, Luc De Bruyn

Instituut oor Natuur- en Bo onder .. oeil

C Vlaanderen bevindt zich ten opzichte van naburige economische topregio's bij de koplopers voor de aanwijzing van Habitatrichtlijngebieden.

c

30 van de 47 in Vlaanderen voorkomende habitats van Europees belang liggen voor 60 % of meer binnen HabitatriçhtJijngebied; 12 habitats tussen 20 % en 60 %; en 5 minder dan 20 %. Europa beschouwt 60 % als optimaal en 20 % als een minimum.

C Een aantal in Vlaanderen voorkomende habitats en soorten van Europees belang werd nog niet opgenomen in het Natuurdecreet en in het vaststellingsbesluit. Voor een volledige juridische bescherming is het nodig om geactualiseerde habitat- en soortenlijsten per Speciale Beschermingszone aan de Europese Commissie te rapporteren. C De instrumenten 'effectief natuurbeheer', 'uitgebreide bosbeheerplannen' en 'beheerovereenkomsten' (cfr. MlNA-plandoelstellingen biodiversiteit) dekken gezamenlijk ongeveer een derde van de Habitatrichtlijngebieden. Dat is ongeveer de helft van wat Nedertand presteert. C Van de ongeveer 20.000 ha Habitatrichtlijngebied in landbouwgebruik geniet minder dan een kwart van een regime van nulbemesting. C De kennis van de beleidsuitvoering is onvoldoende gecentraliseerd en de monitoring van de beleidsprestaties en de habitats onvoldoende gestandaardiseerd om de reĂŤle invloed van de beleidsinstrumenten op de staat van instandhouding op schaal Vlaanderen te bepalen.

R

Oppervlakte NATURA 2000

R

Oppervlakte Habitatrichtlijngebied in Vlaanderen en economische topregio's

R

Bescherming van habitats en soorten van Europees belang

R

Bijdrage van Vlaams natuur- en bosbeleid aan de uitvoering van de Habitatrichtlijn

169


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Habitatrichtlijn

Dit hoofdstuk bespreekt de implementatie van de Habitatrichtlijn 1. Het onderdeel Beleid besteedt vooral aandacht aan een aanta l sleute lfasen in de planning, instrumenteringen uitvoering van de richtlijn. Het onderdeel Effecten op natuur gaat na of er indicaties zijn dat de genomen maatregelen doeltreffend zijn.

Meer uitgebreide informatie over de staat van instandhouding van de habitatsen soorten van communautair belang, wordt gerapporteerd in de hoofdstukken 2 en 3 Soorten en Habitats van de Habitatrichtlijn. Waar de uitvoering van de Habitatrichtlijn raakt aan andere elementen van het Vlaams natuurbe leid (bv. Vlaams Ecologisch Netwerk, landbouwbeleid) wordt naar de overeenkomstige hoofdstukken verwezen. Een uitvoerige bespreking van de inhoud van de Habitatrichtlijn en de ermee samenhangende juridische ve rpli chtingen (aanwijzing va n gebieden, instandhoudingsverplichtingen en habitattoets) kwamen reeds aan bod in NARA 2001 , NARA 2003 en meer recent in MIRA-BE 2005. Di e bespreking wordt hier niet in extenso

he~nom e n .

De Habitatrichtlijn vormt eigen lij k het co mplement van een andere Europese natuurrichtlijn: de Vogelrichtlijn2. Over die richtlijn werd gerapporteerd in NARA 2005.

#09

01 Beleid 1.1 Planning en instrumentering Doelstelling van de Habitatrichtlijn

De Habi tatrichtl ijn fo rmul eert zowel een specifieke als een algemene doelstelling. Specifiek streeft de Habita tri ch tlijn ernaar de natuurlijke habitats en de wilde dier- en planten soorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen (art. 2 lid 2). Die habitats en soorten van communautair belang worden in de ri chtlijn opgesomd in Bijlagen I, 11 , IV en V. Bijlagen I en 11 bevatten habitats en soorten waarvoor de lidstaten Speciale Beschermingszones (Hab itatrichtlijngebieden) moeten aanwijzen (art. 3-4) waarbinnen of waarrond instandhoudingsmaalregelen (art. 6) moeten wo rden genomen. Bijlage IV bevat zeer kwetsbare soorten en soorten met een uitgestrekt leefgebied , die over het vo lled ige grondgebied va n de lidstaten moeten !!'iorden beschermd (art. 12-13). Bijlage V bevat soorten waarvoor de lidstaten, indien zij dat nodig achten, maatregelen kunnen voorzien om de exploitatie erva n te beperken (a rt. 14-15). Meer algemeen stelt de Habitatrichtlijn zich tot doel om door de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wi lde flora en fauna op het Europese grondgebied, bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit (art. 2 lid 1). De Habitatrichtlijngebieden vo rm en samen met de Specia le Besch ermingszones

die

we rd en

aangeweze n

in

uitvoering

van

de

Vog elrichtl ijn

(Vogelric htl ijngebieden) het Europese Natura 2000-netwerk.

1) Richtlijn 92/43/ EEG van 21 m et 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijkehabitatsen de wtlde flora en fauna (PB L 206 van 22171199}; 2) Riclltlijn 79/409/EEG van 2 apol 1979 inzake hèt behoud van de vogelstand (PB L t 03 van 25/711979)

170


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 HabJtatnchtliJn

Zowel de specifieke als de algemen e doelstelling slu it aan bij het objectief dat de EU- Ra ad van staatsen regeringsleiders zich in 2001 en tijdens de daarop vo lgende lentetops stelde, om tegen 20 10 de achteruitgang van de biodiversiteit in de EU te stoppen [78]. De Commissie herhaalde in mei 2006 in EU Communication - Halting the lossof biodiversity by 2010 and beyond het EU-engagement om dat doel te blijven nastreven [77].

Omzetting naar intern recht

In alle EU-lidstaten liep de omzetting van de Habitatrichtlijn in intern recht, die verplicht was tegen juni 1994, grote vertraging op. De Belgische federale overheid en de drie gewesten vormden daarop geen uitzondering [NARA. 2001 , p. 281] . Nadat eerder bepaalde aspecten inzake milieueffectenrapportering, de jacht en de natuurvergunning waren omgezet, kwam er met het Wijzigingsdecreet3 in 2002 een geïntegreerde omzetting in intern recht op decretaal - niveau (o.a. Natuurdecreet Bosdecreet4 en Mestdecreet5) [NARA. 2003, p. 223]. De lopende inbreukprocedure tegen Belg ië inzake de omzetting va n de bepalingen van de Habitatrichtlijn in intern recht werd in 2004 door de Commissie geklasseerd [62] . Niettemin resteren nog een aantal knelpunten, zoals de onvolledige omzetting van de soortenbepalingen (art. 12-16) (zie ook hoofdstuk 2). Een juridische evaluatie van de gebiedsgerichte bepalingen met een aantal concrete aanbevelingen we rd reeds gerapporteerd in MIRA- BE 2005.

De in Vlaanderen voorkomende habitats en soo rten van communautair belang, zoals ve rm eld in Bijlagen I, 11 en IV van de Habitatrichtlijn, werden in 2002 toegevoegd aan het NatuurdeereetS in de respectieve bijlagen I, 11 en 111. De dataverzameling naar aanleiding van de zesjaarlijkse rapportering aan de Europese Commissie over de staat van instandhouding van de habitats en soorten va n communautair belang bracht een aantal nieuwe waarnemingen samen voor de in Vlaanderen voorko mende Bijlage 1-habitats en Bijlage 11- en IV-soorten [ 150]. Eruit blijkt dat vier in Vl aanderen voo rkomende Bijlage 1-habitats. drie Bijlage 11-soorten en drie Bij lage IV-soorten nog niet zijn opgenomen in de bijlagen van het Natuurdecreet (zie hoofdstukken 2 en 3 voo r een opsomming).

Aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden

Ook de aanmelding en aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden heeft in Vlaanderen. net als in de rest van België en in de andere lidstaten, grote vertragingen opgelopen [8 5]. Een eerste aanmelding bij de Europese Commissie voor Vlaanderen in 1996 omvatte een voorstel van 40 Speciale Beschermingszones met een totale oppervlakte van 70.069 ha of 5,2 % van de Vlaamse terrestrische oppervlakte [203] . In 1999 en 2000 werd België door de Commissie in gebreke gesteld. onder meer omdat de voor Vlaanderen aangemelde gebieden onvoldoende van de te beschermen habitats en soortenpopulaties omvatten [NARA, 2001 , p. 284] . De Vlaamse Regering keurde op 4 mei 2001 een nieuw voorstel goed met 38 Speciale Beschermingszones. De nieuwe totale oppervlakte bedroeg 101.891 ha of 7,5 % van de Vlaamse terrestrische oppervlakte (zie figuur 9.1). Die beslissing van de Vlaamse 3} Decreet van 19juli 2002 houdende wijvgmg van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het naruurlijk m1l1eu. ""n

het Bosdecreet van 13juni 1990, (_ .. )van hetdecreet van 23januan 1991 mzake de besc.hennmg van hetleefmilieu tegen de verontre1mgmg door meststoffen en ""n de wet betreffende de poiJUe over het wegverkeer. gecoórdmeerd bij konmldijk beslwt van 16 maan 1968 (BS 31 1812002) 4) Decreet van 13 JUni 1990 (BS 28/911990). gewJ)ZJgd bij decreet van 21 oktober 1997 (BS 101111998} . decreet ""n 18 me1 1999 (BS 231711999). decreet van 17 juli 2000 (BS 171812000}, decreet van 19 JUli 2002 (BS 311812002}. decreet ""n 24 december 2004 (BS 31112/2004}, decreet van 22 apnl2005 (BS 13/512005) en decreet ""n 19 mei 2006 (BS 201812006) 5) Decreet van 22 Januan 199 1 inzake de beschermmg ""n het leefm1heu tegen de verontreimgmg door meststoffen (BS 28/211991) 6} Decreet betreffende het natuurbehoud en het naruurlijk m1lieu ""n 21 oktober 1997 (BS 101111998}, gew1jvgd bij decreet ""n 18 me1 1999 (BS 23/0711999}, decreet van 18 me1 1999 (BS 30/911999}, decreet ""n 19 JUli 2002 (BS 3110812002}, decreet ""n 30 apnl2004 (BS 0810812004). decreet van 7 mei 2004 (BS 11/0612004). decreet ""n 22 april2005 (BS 1310512005) en decreet van 19 me12006 (BS 2010812006)

171


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Habitatrichtlijn

Figuur 9.1 : Oppervlakte Habitatrichtlijngebied, Vogelrichtlijngebied en Natura 2000 in Vlaanderen [bron : 203].

180.000

13

140.000

<?

120.000

Q)

100.000

12

I

160.000

11 10

~

8

I

80.000

Q)

0.. 0..

0

60.000

7 6 5 4 3 2

20.000 Natura 2000 Habitatrichtlijngebied Vogelrichtlijngebied

~

<

lll

:::J 0..

~

äl ~

Ciï 0

::r

(!)

40.000

-

:::J 0..

(!)

(!)

9

E~ al

)> lll

0

""0 ""0 (!)

<

iiï ~

(!)

-;;g ~

0 1988

1990

1992

1994

1996

1998

2000

2002

2004

2006

#09

Figuur 9.2: Habitatrichtlijngebieden in de EU-lidstaten, Vlaanderen. Wallonië en Brussel [bron: EU Barometer en INBO].

Slovenië Spanje Portugal Griekenland Estland Brussel Hongarije Luxemburg Italië Zweden Finland Malta EU-25 Wallonië Slovakije Cyprus Letland Oostenrijk Ierland Litouwen België Duitsland Tsjechië Nederland Frankrijk Vlaanderen Denemarken Verenigd Koninkrijk Polen

0

5

10

-

België , Vlaanderen , Wallonië, Brussel

-

EU-lidstaten EU-25 gemiddelde 15

20

25

Aandeel van de terrestrische oppervlakte(%)

172

30

35


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #-09 Hab1tatnchthjn

Regering werd vastgelegd in het Vaststellingsbesluit van 24 mei 20027. Op 7 december 2004 heeft de Europese Commissie de aangemelde gebieden goedgekeurd als gebieden van communautair belang (sites of community interest)8. Met betrekking tot het habitattype 1130 Estuaria werd wel opgemerkt dat de begrenzing van twee vastgestelde gebieden ('Duingebieden inclusief Ijzermonding en Zwin' en 'Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent') nog moest worden herzien omdat de vaargeulen niet mee waren opgenomen. De 'lnterpretation Manual of European Union Habitats' stelt dat die integraal deel uitmaken van die habitat [75, 84]. Het voorstel van aanwiJZing van estuaria (IJzer en Schelde) binnen het Vlaamse Gewest is op dit moment dus nog niet voldoende. Door het INBO werd een uitbreiding geadviseerd van 3825 ha (43, 56]. Op 15 juni 2006 stelde de Vlaamse Regering twee bijkomende gebieden, Waterzone van het IJzer-estuarium' en Waterzone van het Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent' voorlopig vast, waarna een openbaar onderzoek werd opgestart.

Volgens het Natu urdecreet diende de Vlaamse Regering de gebieden die door de Europese Commissie van communautair belang werden verklaard binnen de drie maanden (7 maart 2005) als Speciale Beschermingszone aan te wijzen (Natuurdecreet, art. 36 bis, § 9). Die termijn is inmiddels met ruim twee jaar overschreden. De Habitatrichtlijn zelf legt slechts op om de gebieden aan te wijzen als Speciale Beschermingszone binnen de zes jaar nadat zij van communautair belang werden verklaard. De Vlaamse Regering heeft ervoor geopteerd om per Habitatrichtlijngebied een aanwijzingsbesluit op te stellen. Een besluit dat de procedure en inhoud van die aanwijzingsbesluiten vastlegt, was in de zomer van 2007 in voorbereiding. De evolutie van de oppervlakte Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied, die samen het Natura

t

2000-netwerk vormen, is één van de EU Headline Indicators voor de opvolging van de 201 0-doelstelling (Coverage of protected areas: Sites designated under the EU Habitats and Bird Directives). Voor Vlaanderen wordt die indicator jaarlijks gerapporteerd op www.natuurindicatoren.be. Figuur 9.2 geeft een overzicht van de Belgische en Vlaamse positie binnen de EU 25 inzake de relatieve omvang van de vastgestelde (terrestrische) Habitatrichtlijngebieden ten opzichte van de terrestrische oppervlakte van de lidstaten. Ten opzichte van het EU 25-gemiddelde (12,2 %) lijken zowel België als Vlaanderen eerder beperkte oppervlaktes Habitatrichtlijngebied te hebben vastgesteld. De lijst wordt aangevoerd door Slovenië, dat bijna voor de helft met bos is bedekt, en door andere la nden met een veeleer lage bevolkingsdichtheid en een relatief beperkt areaal voor intensieve landbouw. Het Brusselse Gewest scoort relatief hoog in de vergelijking door de aanwezigheid van het Zoniënwoud, dat 85 % van de drie Brusselse Habitatrichtlijngebieden omvat. In het dichtbevolkte, geïndustrialiseerde en welvarende Vlaanderen is de strijd om de ruimte groot. Vanuit de veronderstelling dat die kenmerken mogelijk een beperkende voorwaarde vormen ten aan-

7) Besluft van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden d.e m uitvoenng van artJke/4, /td 1. van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 met 1992 inzake de Instandhouding van de natuurlijkehabitatsen de "'/de flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als Speciale Beschermingszones (BS 17/812002). 8) Beschikking van de CommiSSie van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van RichUijn 92/43/EEG van de Raad. van de lijst van gebieden van communautair belang voor de continentale biogeografiSChe regio (PB L 382 van 28/12/2004) en Beschikking van de CommiSSie van 7 december 2004 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biDgeografische regio (PB L 387 van 29/12/2004). Vlaanderen behoon grotendeels tot de Atlan~sche biogeografische regio. Enkel de lkle!Streek behoon tot de continentale regio.

173


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Habitatrichtlijn

Figuur 9.3: Relatieve terrestrische oppervlakte Habitatrichtlijngebied m Vlaanderen en econom ische topregio's en in België en naburige landen, in verhouding tot de bevolkingsdichtheid en het welvaartspeil [bron: EU Barometer, Eurostat en INBO].

Duitsland (1 10)

•

10 Q)

.;;:

ro

2:

België (117)

e

Frankrijk (114)

•e

8

Q) Q_ Q_

0

•

6

Denemarken (125) •

•

Vlaanderen (115) West-Nederland (136) •

•

Verenigd Koninkrijk (1 16)

Q)

Nederland (122)

Zuid-Nederland (117) •

.c ()

Nordrhein-Westfalen (111)

Cf)

·;::

(i)

~

•

4

Qi Q)

"0

lle-de-France (179) •

South East England (125)

2 2

c

•

ro

Nord- Pas-de-Calais (90)

<(

0 +--------,-------,,-------,--------.------- . 0

200

400

600

800

1000

Bevolkingsdichtheid (inwoners/km 2 )

e

#09

EU-lidstaten • Economische topregio's De cijfers tussen haakjes ve rmelden het bruto binnenlands/regionaal product van het land of de regio, ten opzichte van het EU 25-gemiddelde (index= 100).

zien va n het haalbare natuur- en bosbeleid, stelt de beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2004-2009 als langeterm ijndoelstelling (20 10) dat Vlaanderen de vergelijking 'met andere economische topregio's' moeiteloos moet kunnen doorstaan. Daarom werde n de relatieve Belgische en Vlaamse oppervlaktes verge leken met d ie van enkele naburige EU-landen en regio's. De vergelijking levert een ander beeld op (zie fig uur 9.3). Ten opzichte van andere dichtbevolkte en economisch sterke regio's in Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland scoo rt Vlaa nderen (7,5 %) duidelijk het hoogst. Nederland (8.4 %), dat als land een hogere bevolkingsdichtheid en een hoger welvaartspeil kent dan Vl aanderen, scoort

nog beter.

Ten opzic hte va n de West- Europese buurlanden scoort België (1 0,0 %) relatief hoog qua aandeel terrestri sch Habitatrichtlijng ebi ed. Enkel Luxemburg, met een zeer hoge welvaartsindex (215) en een veeleer lage bevolkingsdichtheid (175 inw./km2) haalt ee n hoger perce ntage (14,8 %, niet op figuur 9.3). Duitsland (9,9 %)

he eft

nagenoeg

hetze lfd e

percentage

als

Belgi ë.

De

hoge

relatie ve

oppervlakte

Habitatrichtlijng ebied in België wordt in belangrijke mate verklaard door de hoge percentages die Wallonië (11 ,9 %) en het Bru sse ls Gewest (14,7 %) hebben vastgesteld (zie ook figuur 9.2). Het welvaartspeil van Belgi ë (11 7) wordt eve neens ste rk opwaarts beïnvloed door dat van het Brussels Gewest (237).

Naast bevolkingsdichtheid en welvaartspeil zou de benchmarking zich ook op andere referenties kunnen oriënteren, bijvoorbeeld relatieve hoeveel heid vruchtbaar landbouwareaal, dichtheid van de transportinfrastructuu r enz. Die factoren werd en nog niet onderzocht. De index voor het welvaartspeil werd berekend door Eurostat voor het jaar 2002 [86).

174


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Habitatnchtlijn

F1guur 9.4: Beschermingsgraad van B1jlage 1-habltats en BIJlage 11-soorten [brongegevens: INBO]

Bijlage 11-soorten

Bijlage 1-habitats 0

10

20

40

30

50

Aantal habitats of soorten -

60-100 % binnen Habitatrichtlijngebied 20-59 °1o binnen Habitatrichtlijngebied 0-19 % binnen Habitatrichtlijngebied Verspreiding onbekend

Bij de evaluatie van de Habitatrichtlijngebieden die door de lidstaten waren aangemeld, ging de Commissie ervan uit dat per lidstaat elke voorkomende Bijlage I-habitat voor minimaal 20 1111 moest worden opgenomen in een Habitatrichtlijngebied. Een opname van 60 % of meer werd als optimaal beschouwd. Figuu r 9.4 toont de beschermingsgraad van de in Vlaanderen aanwezige Bijlage 1-habitats en Bijlage 11-soorten, waarvoor gebieden moeten worden aangemeld. Met beschermingsgraad bedoelen we het percentage van het habitatoppervlak of van de soortenvindplaatsen dat zich binnen vastgesteld Habitatrichtlijngebied bevindt.

Van de 47 in Vlaanderen voorkomende Bijlage 1-habitats hebben er 30 b1nnen Vlaanderen een optimale beschermingsgraad van 60 % of meer. Vijf halen niet het vereiste minimum van 20 %. Twee daarvan, namelijk 6120 Kalkm innend grasland op dorre zandbodem (61 ha) en 91FO Gemengde oeverformaties langs de grote rivieren ( 15 ha). bevinden zich langs de Grensmaas. grotendeels buiten het aangemelde Habitatrichtlijngebied. Een derde habitat betreft 3 kleine gebieden van 6210 Droge halfnatuurlijke graslanden op kalkhoudende bodems ( 1 ha) waarvan er ĂŠĂŠn binnen Habitatrichtlijngebied ligt en twee andere in beschermd landschap. De vierde habitat betreft 6510 Laaggelegen schraal hooiland (3700 ha). De vlakvormige delen van die habitat zijn grotendeels opgenomen in Habitatrichtlijngebied. Meer dan drie vierde van de habitat komt echter voor als lijnvormige kleine landschapselementen op dijken en wegbermen die geen deel uitmaken van een Speciale Beschermingszone. De vijfde habitat; 1140 Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten, bevindt zich voorname lijk op langgerekte smalle stukken laagstrand die slechts in zeer beperkte mate zijn opgenomen in Habitatrichtlijngebied. Twee van de vijf onvoldoende aangemelde habitats (6120 en 621 0) worden door de Habitatrichtlijn als prioritair habitattype aangeduid. Van de twaalf niet optimaal (20-59 %) beschermde habitats zijn er eveneens twee die door de Habitatrichtlijn als prioritair worden beschouwd, namelijk 6230 Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems (1 100 ha) en 91 EO Bossen op alluviale grond (14.800 ha).

Van de 25 in Vlaanderen aanwezige Bijlage 11-soorten hebben er vijf 60 % of meer van hun vindplaa tsen binnen

Habitatrichtlijngebied . Dri e soorten

bevinden

zich

tussen

20 % en 60 % binn en

Habitatrichtlijngebied. Van drie soorten bevindt minder dan 20 % van de vindplaatsen zich binnen de vastgestelde Habitatrichtlijngebieden: kamsalamander, rivierprik en bittervoorn [NARA 2005) . De kamsalamander en de rivierprik zijn echter ook opgenomen in Bijlag e IV van de richtlijn (bijlage lil Natuurd ecreet)

175


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Habitatrichtlijn

en dienen daa rdoor ook buiten de H abitatri cht l ijnge~ieden via soortbeschermingsmaatregelen strikt te worden beschermd . Voor 14 andere Bijl age 11-soo rten dienen de verspreidingsgegevens verd er te worden onderzocht of gedetailleerd om het aandeel va n de vindplaatsen binnen of buiten Habitatrichtlijngebieden te berekenen.

Door de verbeterd e kennis inzake de verspreiding va n Bijl age 1- habitats en Bijlage I I-soorten is er een discrepantie ontstaa n tussen de actueel gekende vi ndplaatsen van die habitats en soorten, en de mate waarin de Speciale Beschermingszones ook voor de vindplaatsen van die habitats of soorten zijn aangemeld en vastgeste ld. Drie in Vlaanderen aanwezige Bijlag e 1-habitats werden niet mee opgenomen in het Vastste lling sbesluit van 2002 en werden ook niet aangemeld bij de Europese Commissie. Het gaat om 3160 Dystrofe poelen en meren , 3270 Riviere n met slikoevers, en 6120 Kalkminnend grasland op dorre zandbodem . Ook inzake Bijlage 11 -soo rten sluiten de soortenlijsten per Habitatrichtlijngebi ed in het Vaststelling sbesluit va n 2002 niet meer vo lledig aan bij de actuele kennis inzake soortverspreiding. Zo bevinden 56 % va n de vindplaatsen van de kleine modderkruiper zich binnen een Habitatrichtlijngebied, terwij l slechts in 24

Ofo

va n de vindplaatsen het gebied ook voor die soort is aangemeld. Het verdient aan-

beveling om geactualiseerde habitat- en soortenlijsten per gebied te rapporteren aa n de Europese Commissie en ze ook op te nemen in de in voorbereid in g zij nde aanwijzingsbesluiten. In de mate dat

#09

Bijl age 1-hab itats en Bijlag e I I-soorten niet voor een gebied zijn aangemeld, missen zij immers een aantal belangrijke juridische beschermingsmaa tregelen (o.a. de verplichting tot passende beoordelin g, Natuurdecreet 36 ter, §§ 3- 5 en art. 2, 30°). Voor die aanmelding bij de Commissie moet ook eerst de procedu re voorzien in art. 36bis va n het Natuurdecreet worde n doorlopen.

Bepalen \lan instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen leggen per Habitatri chtlijngebied co ncreet vast wat wordt beoogd voor het bewaren of verbeteren van de in standhouding van de habitats en soorten waarvoor dat gebied werd aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen vormen tevens de basis voor de verdere uitwerking van de instandhoudingsmaalregelen en voor de beoordeling van in welke mate plannen en activiteiten binnen of buiten een SBZ toelaatbaa r zijn en/ of compensatie ve reisen.

De lidstaten moeten de instandhoudingsdoelstellingen binnen de 6 jaar na de goedkeuring va n de gebieden van co mmunautair belang hebben opgesteld (Habitatrichtlij n, art. 4 lid 4). Die goedkeuring (door de Europese Comm issie) had uiterlijk op 10 juni 1998 moeten gebeuren zodat de juridische termijn in prin cipe tot 10 jun i 2004 liep. Vermits de lij st met gebieden pas op 7 december 2004 door de Commissie werd goedgekeurd , is de termijn verschoven naar 2010. De Beleid sbrief 2007 en het Ond ernemingsplan van AN B voorzien voor 2007 de opmaak van instandhoudingsdoelstellingen voor een eerste reeks van 8 tot 15 Specia le Beschermingszones. Via het Verzameldecreet van 20069 werd in art 36ter, §1 van het Natuurdecreet een grondslag voorzien voo r een procedure voor de opmaak van instandhoudingsdoelstellingen, vast te stellen door de Vlaa mse Regering .

Instandhouding via natuurrichtplannen en andere maatregelen Artikel 6 lid 1 van de Habitatrichtlijn bepaalt dat de lidstaten 'zo nodig passende specifieke of van ruimte-

9) Decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie (BS 201612006)

176


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Hab1tatnchtltJn

lijke ordeningsplannen deel uitmakende beheerplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen' moeten treffen voor de instandhouding van de Speciale Beschermingszones. Het Natuurdecreet (art 36ter §1 en art 48) implementeerde die beheerplannen via de procedure van de natuurrichtplannen. Er is echter geen een-op-een-relatie tussen de beheerplannen in art 6 lid 1 van de richtlijn en de natuurrichtplannen. Rekening houdend met de procedure voor de natuurrichtplannen lijkt het ook niet evident om de instandhoudingsdoelstellingen van een Speciale Beschermingszone steeds binnen één natuurrichtplan te vatten, bijvoorbeeld wanneer de Speciale Beschermingszone zich over meerdere provincies uitstrekt In februari 2003 keurde de Vlaamse Regering het Maatregelenbesluit 10 goed waarin de procedure en structuur van natuurrichtplannen nader werd omschreven. In 2004 startte de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en Natuur vijf pilootprojecten op, in 2005 werd daar een zesde aan toegevoegd. De zes pilootprojecten waren op 31 maart 2007 nog in opmaak..Zij omvatten 6592 ha of 6,5 % van de totale oppervlakte Habitatrichtlijngebied in Vlaanderen. De natuurrichtplannen bevinden zich dus nog steeds in een papieren fase. De goedkeuring van het eerste pilootplan wordt verwacht in de loop van 2007 (zie hoofdstuk 12 Vlaams Ecologisch Netwerk).

Inzake maatregelen van ruimtelijke ordening is ook de verdere afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk van belang. Het VEN kan ertoe bijdragen om voldoende grote, goed gebufferde eenheden natuur af te bakenen, waarin de milieukwaliteit en oppervlakte vereist voor een goed behoud en ontwikkeling van de habitats en soorten beter kan worden gegarandeerd. De overlapping van het reed s afgebakende VEN met de Habitatrichtlijngebieden wordt voorgesteld in figuur 9.5 en wordt meer uitvoerig besproken in hoofdstuk 10 Vlaams Ecologisch Netwerk.

Voor wat de andere 'wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen' betreft, werden voor een aantal gebiedsgerichte beleidsinstrumenten (bv. natuur- en bosreservaten, bosbeheerplannen. beheerovereenkomsten, vergunningenbeleid) specifieke maatregelen ingeschreven in het Natuurdecreet. het Bosdecreet en de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Een meer uitgebreide bespreking en juridische evaluatie van die regelgeving is terug te vinden in MIRA-BE 2005. Een van de aanbevelingen van die evaluatie leidde inmiddels via het Verzameldecreet van 2006 tot uitbreiding van de maatregelen binnen de Speciale Beschermingszones tot de geregeld voorkomende trekvogels (Natuu rdecreet. art. 36ter, §§1-2).

Habitattoets en compenserende maatregelen

De lidstaten dienen voor alle plannen en projecten binnen of buiten een Speciale Beschermingszone (Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebied) die significante gevolgen kunnen hebben voor dat gebied een 'passende beoordeling' te maken in functie van de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied (Habitatrichtlijn art 6 lid 3). Indien het plan of project negatief wordt beoordeeld, kan het enkel worden gerealiseerd 'om dwingende redenen van groot openbaar belang ', indien er geen alternatieve oplossingen mogelijk zijn én nadat de lidstaat de nodige compenserende maatregelen heeft genomen. In het Natuurdecreet (art 36ter, § 3) werd de verplichting van een 'passende beoordeling' gekoppeld aan plan-

10) Besluit van de 1!7aamse Regering van 21 november 2003 houdende maalregelen eer uitvoenng van het gebiedsgenchc natuurbeleid (BS Zl/1/2004)

177


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Habitatrichtlijn

nen (bv. bosbeheerpl annen), programma 's en aan alle vergunn ingsplichtige activiteiten. Die bepaling werkt onder meer door in de opmaak van de Ruimtelijke Uitvoeringsplannen. Reeds bestaande plannen die niet samenhangen met vergun ningspli chtige activiteiten , zoals bv. bestaande bosbeheerplannen, dienen niet te worden onderworpen aan de passende beoordeling [M I RA-BE 2005] . Wel geldt voor die plannen nog de algemene preventieplicht va n art. 6 lid 2 van de richtlijn (Natuurdecreet, art. 36 ter, § 2) 11_ Bovendien verva llen in een gebied waarvoo r een natuurrichtplan werd opgesteld eventuele bestaande uitgebreide bosbeheerplannen na twee jaar en dient er een nieuw plan te worden opgesteld dat in overeenstemming is met het natuurri chtplan (Besluit bosbeheerplannen, art. 2) 12. Op die manier kunnen eventuele problemen ten aanzien va n habitatbescherming toch worden opgelost.

1.2 Uitvoering Instandhouding via wettelijke, bestuursrechtelijke en op een overeenkomst berustende maatregelen Bij de omzetting van de Habitatri chtlijn naar intern recht werd de regelgeving van een aantal bestaand e gebiedsgerichte beleidsin strum enten (bv. natuur- en bosreservaten, bosbeheerplannen, beheerovereen komsten en natuurverg unningen) aangepast. Dit had tot doel het reeds in uitvoering zijnde beleid mee te

#09

laten bijd ragen aan de realisatie van de instandhouding van de habitats en soorten van communautair belang, inzonderheid binnen de vastgeste lde Habitatrichtlijngebieden.

Het MINA-plan 3 (2003-2007) bevat geen expliciete plandoelstellingen inzake vereiste instandhoudingsmaalregelen of wense lijke natuurdoelen voor de habitats, soorten en gebieden van communautair belang [228,

MIRA- BE

2005] .

De

Speciale

Beschermingszones

(Habitatrichtlijngebieden

en

Vogelrichtlijngebieden) vormen we l een aa ndachtscategorie in sommige maatregelen voor andere plandoelstellingen. Daarom we rd nagegaan in hoeverre de Vlaamse beleidsrespons, in functie van de plandoe lstell ingen

biodiversiteit

in

het

MINA-plan

3,

bijdraagt

tot

de

bescherming

van

de

Habitatri chtlijngebieden. Figuur 9.5 geeft een overzicht voor zes van de tien plandoelstellingen. Aan de hand va n een GIS-analyse werd onderzocht in hoeve rre een aa ntal Vlaamse gebieds- en milieugerichte maatregelen geografisch overlappen met de vastgestelde Habitatrichtlijngebieden. De figuur geeft dan ook een inschatting van de mogelijke bijd rage. Voor een eva luatie in we lke mate de inzet van die instrumenten op het terrein ook werkelijk gericht is op, en bijdraagt tot, de instandhouding va n de voorkomende habitats en soorten van co mmunautair belang, ontbreken een aantal gestandaardiseerde uitvoeringsgegevens (zie deel 3 Kennis). Van de maa tregelen inzake natuurinrichting, bosuitbreiding en natuurontwikkeling was geen GIS-Jaag beschikbaa r, zodat de potentiële bijdrage voorlop ig eveneens onbekend is.

11) Dit geldt ook voor andere reeds bestaande rechtssituaties (bv. bouwvergunningen) die dateren van voor het van kracht worden van de HabJtatrichtfijn, volgens rechtspraak door het Europees Hof van Justiûe [arrest C-6104 van 20 oktober 2005, Commissie t Verenigd Koninkrijk van Groot-Bnttannië en Noord-Ierland. punt 58; conclusie van advocaat-generaal J. KOKOTT van 9 juni 2005 in de voorgaande zaak, punt 55; en in arrest C-127/02 van 7 september 2004 in de zaak Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee en Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, punt 37}. Dit laatste arrest stelt dat de algemene preventieplicht van art 6 lid 2 ook blijft geldt voor plannen en projecten die aan een passende beoordeling werden ondeJWorpen en waarvoor de conclusie luidde dat ze de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zouden aantasten. Indien dit later toch het geval zou zijn, dan 1s art 6/id 2 van toepassing. 12) Besluit van de 1!7aamse Regermg van 27 juni 2003 betreffende de beheerplannen van bossen (BS 101912003)

178


Natuurrapport 2007 I Deel 3

Figuur 9.5: U1tvoenng MINAplan 3: mogelijke bijdrage aan de mstandhoudmg van de Habitatrich tlijngebleden en de Bijlage IV- soorten emd 2006 (2007) [bron: INBO]

I

Vlaams Ecologisch Netwerk Effectief natuurbeheer beheerovereenkomsten en uitgebreide bosbeheerplannen Verworven door Vlaamse overheid en terreinbeherende natuurverenigingen

#09 HabitatnchtiiJn

I

0

Natuurinrichting, bosuitbreiding en natuurontwikkeling

onbekend

Bemesting niet van toepassing of nulbemesting

I 0

10

20

30

40

50

60

70

80

90

10(

80

90

10(

Oppervlakte Habitatrichtlijngebied (%)

Soortbeschermingsplan in uitvoering

0

10

20

30

40

50

60

70

Aantal Bijlage IV-soorten (%)

Een belangrijk element in het thema biodiversiteit van het MINA-plan 3 vo rmt de afbakening van het ecologisch netwerk VEN /IVON. De nog af te bakenen oppervlakte hangt nauw samen met de plandoelstelling om tegen 2007 38.000 ha groengebied en 10.000 ha bosuitbreiding door te voeren in de ruim telijke uitvoeringsplannen. Eind 2006 omvatte het afgebakende VEN/IVON ongeveer 55 ql:l van de Habitatrichtlijngebieden (zie hoofdstuk 10 Vlaams Ecologisch Netwerk).

De combinatie van de plandoelstellingen inzake effectief natuurbeheer. tieheerove reenkomsten en duurzaam bosbeheer geeft een indicatie in hoeverre natuur- en bosgericht beheer. los van het eigendomsvraagstuk (vervverving), de Speciale Beschermingszones kan ondersteunen. De categorie 'gebieden met effectief natuurbeheer' (Vlaamse en erkende natuurreservaten. aa ngewezen en erkende bosreservaten, andere natuurgebieden beheerd door ANB en militaire domeinen met natuurprotocol) omvatten eind 2006 ongeveer 25 % van de Habitatrichtlijngebieden. Indien ook de terrein en worden meegeteld die geen erkend natuurreservaat zijn maar wel natuurgericht worden beheerd door ngo's, dan gaat het om ong eveer 28 % van de Habitatrichtlijngebieden. De beheerovereenkomsten dekken minder dan een halve procent van de Habitatrichtlijngebieden (zie hoofdstuk 13 Landbouw). Van de bossen waarvoor een uitgebreid bosbeheerplan is opgemaakt, zijn geen volledige GIS-data be schikbaar. Hun aandeel in de Habitatrichtlijngebieden werd geraamd op 10 % (INBO. 2007). In tota al zou dan ongeveer 35% van de Habitatrichtlijngebieden van een vorm van door de overheid gefinancierd beheer genieten . Ter vergelijking: in Nederland ontvangt ongeveer twee derde van de oppervlakte Natura 2000 een vorm van gesubsidieerd

179


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 HabitatrichtliJn

natuurbeheer [207) . Vermits voor de Habitatrichtlijngebieden nog geen instandhoudingsdoelstellingen zijn opgem aakt en er ook nog geen natuurrichtplannen voor zijn goedgekeurd, is het op schaal Vlaanderen onduidelijk in hoeverre de beleidsuitvoering op het terrein optimaal is afgestemd op de instandhouding va n habitats en soorten van communautair belang.

Het MINA-plan 3 stelt als plandoelstelling tegen 2008 de verwerving van 15.000 ha natuur- en bosgebied voorop. Daarbij moet prioriteit worden gegeven aan gebieden met een speciaal beschermingsstatuut, waaronder de Sp eciale Beschermingszones. Eind 2006 was ongeveer 12 % van de Habitatrichtlijngebieden in eigendom va n de Vla amse overheid en de terreinbeherende natuurverenigingen. In Nederland hebben de overheid (excl. Rijkswaterstaat en Defensie) en de terreinbeherende organisaties samen ruim de helft van de oppervlakte van Habitatrichtlijngebied op het land in eigendom [1 33).

In 2006 werd de regelgeving inzake subsidiĂŤring van de erkende natuurreservaten gewijzigd om de aankoop door erkende terreinbeherende natuurverenigingen van grote oppervlakten (> 100 ha) binnen Specia le Beschermingszones financieel beter te ondersteunen 13 De subsidiĂŤring van de aankoop van gebieden dient echter binnen de jaarlijkse beschikbare begratingskredieten te gebeuren. In de Beleidsnota 2004-2009 werd ervoor geopteerd om het accent te verleggen 'van een actief en demonstra-

#09

tief overheidsingrijpen (verwerving , regulering) naar een aanmoedigend beleid (samenwerking, vereenvo udiging)'. Na correctie voo r inflatie blijkt dat de aankoopsubsidies sinds 2001 een dalend verloop kennen (zie hoofdstuk 8 Erkende natuurreservaten, figuur 8.6). De ruimte om de volgende jaren via subsidies nog grote hoeveelheden Speciale Beschermingszones te verwerven lijkt in deze beleidscontext dan ook in te krimpen.

Inzake natuurgericht milieubeleid streeft het MINA-plan 3 ernaar om 'de milieukwaliteit af te stemmen op de ecologische vereiste van de kwetsbare soorten en habitats in Vlaanderen (. . .) in de Speciale Be schermingszones' (p.190). In totaal geniet zo'n 85 % van de Habitatrichtlijngebieden van een regime van nul bemesting. Van de ongeveer 20.000 ha Habitatrichtlijngebied in landbouwgebruik geniet echter slechts een kleine 3300 ha van een regime van nulbemesting (zie hoofdstuk 13 Landbouw). In ruim drie vierde van de Habitatrichtlijngebieden in landbouwgebruik is dus de bemesting niet aangepast aan de ecologische vereisten van het gebied. In gans Vlaanderen blijkt de hoeveelheid vermestende deposities in gevoelige terrestri sche ecosystemen (bossen, heiden, soortenrijke graslanden) nog steeds van die aard dat ze langetermijnveranderingen in de milieucondities en biodiversiteit veroorzaken (zie hoofdstuk 4 Vermesting). Ook voor verzuring geldt die vaststelling, zij het in iets mindere mate (zie Percentage oppervlakte met overschrijding kritische last verzurin g, www.natuurindicatoren .be). Naast vermesting en verzuring zijn ook andere mil ieufactoren va n belang, o.a. water- en luchtverontreiniging en verdroging. Daarover wordt uitvoeriger gerapporteerd in hoofdstuk 3 Habitats van de Habitatrichtlijn. Voor 25 % va n de Bijlage IV-soorten met een leefgebied in Vlaanderen zijn er soortbeschermingsplannen in uitvoering. Dat wordt verder besproken onder de titel Strikte bescherming van diersoorten en plantensoorten.

13) Besluit van de Vlaamse Regering van 21 apdl 2006 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkennmg van natuurresetVaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidie (BS 16/5/2006)

180


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 HabitatrichtliJn

Algemene preventieplicht inzake natuurkwaliteit, natuurlijk milieu en soorten Art. 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn schrijft voor dat de lidstaten passende maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat de habitatkwaliteit binnen de Habitatrichtlijngebieden niet verslechtert en er geen significante verstoring van de soorten optreedt Die algemene preventieplicht werd overgenomen in art. 36ter ยง2 van het Natuurdecreet Het Natuurdecreet voorziet in art. 13 ยง 4 eveneens in een natuurvergunningsplicht

voor

het

wijzigen

van

vegetatie

of

kleine

landschapselementen

in

Speciale

Beschermingszones. Verder vermeldt het Vegetatiebesluit van 23 juli 1998 een meldingsplicht en een aantal verbodsbepalingen inzake Speciale Beschermingszones14. Voor de historisch permanente graslanden. waar habitattype 6510 Laaggelegen schraal hooiland deel van uitmaakt, is die verbodsbepaling wel beperkt tot de groengebieden (art. 7, ยง 1, 4"). Het is precies ook dat habitattype waarvoor minder dan 20

% in Habitatrichtlijngebied is opgenomen (zie figuur 9.4). Ook het Maatregelenbesluit bevat een aantal beschermings- en beheervoorschriften inzake Speciale Beschermingszones. De regelgeving is als geheel complex en over de handhaving op het terrein bestaan geen duidelijke of volledige gegevens [NARA 2005, pp. 408-409; MIRA-BE 2005]. Een overzicht van de voornaamste factoren van historische verstoring en toekomstige bedreiging werd opgenomen in hoofdstukken 2 en 3 (zie tabellen 2.3 en 3.3).

Habitattoets en compenserende maatregelen De Habitatrichtlijn bepaalt dat een passend e beoordeling rekening dient te houden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied (art. 6 lid 3). Het Natuurdecreet verwijst inzake de passende beoordeling naar de 'natuurlijke kenmerken van de Speciale Beschermingszone' (art. 36ter ยง 3-5). Die worden gedefinieerd als 'de staat van instandhouding van de habitats of soorten waarvoor het gebied is aangemeld of die in het gebied voorkomen' (art. 2, 30"). In de praktijk wordt deze habitattoets door de initiatiefnemers meestal uitbesteed aan studiebureaus of wetenschappelijke instellingen. Bij gebrek aan instandhoudingsdoelstellingen gebeurt de beoordeling veelal op ba sis van 'best professional judgement'. rekening houdend met de beschikbare kennis inzake ecologische vereisten van de betreffende habitats en soorten [102]. Die beoordelingen worden gecontroleerd door de buitendiensten van ANB. Over de verdere afhandeling van de dossiers zijn nog geen gecentraliseerde gegevens beschikbaar.

Inzake de correcte toepassing van de habitattoets en de compenserende maatregelen, rapporteerde NARA 2001 11 lopende inbreukprocedures met betrekking tot artikel 6 van de Habitatrich tlijn. Die hadden betrekking op twee Habitatrichtlijngebieden en acht Vog elrichtlijngebieden [NARA 2001, p. 284] . In 2004 werden nog drie nieuwe dossiers opgestart. Inmiddels zijn de meeste dossiers door de Commissie zonder gevolg geklasseerd [62]. Van de drie nog openstaande dossiers is de Commissie geneigd er twee te klasseren. Zowel de Habitatrichtlijn (art. 6 lid 4) als het Natuurdecreet (art. 36ter ยง 5) stellen expliciet dat de compensaties gerealiseerd moeten zijn vooraleer de plannen of projecten met signifi cante gevolgen kunnen worden aangevat Over de toepassing van de habitattoets en de tijdigheid van de compenserende maatregelen zijn nog geen gecentraliseerde gegevens beschikbaar. In de Zeeschelde wordt een gelijktijdigheid van de havenuitbreiding en compensaties nagestreefd (zie hoofdstuk Focus Zeescheldel

14) Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (BS 1019/1998)

181


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Habitatrichtlijn

Strikte bescherming van diersoorten en plantensoorten Inzake soortenbeleid bevat Bijlag e IV van de Habitatri chtlijn een aantal soorten waarvoor de lidstaten strikte beschermingsmaalregelen dienen te nemen, zowel binnen als buiten de Habitatrichtlijngebieden (Habitatrichtlijn art. 12- 13). Voor 20 va n de 36 in Vlaanderen voorkomende Bijlage IV-soorten (boomkikker, vroedmeesterpad, Europese hamster. hazelmuis en 16 vleermuissoorten) werd een individueel of gezamen lij k soortbescllenn in gsplan opgesteld. Verder werd nog voor 3 Bijlag e 11-soorten een soortbescherming splan opgesteld, met name beekprik, kleine modderkruiper en rivierdonderpad.

Voor 7 van de 36 Bijlage IV-soorten (bechstein s vleermuis, ingekorven vleermuis, meervleermuis, Europese hamster. hazelmuis, boomkikker en vroedmeesterpad) worden soortbesch ermingsprojecten uitgevoerd die gedeelte lijk aanslu iten bij de bepaling en va n een soortbeschermingsplan . Daarn aast worden ook voor de Europese bever en de rivierprik soortbeschermingsmaatregelen uitgevoerd zonder dat er expliciet een soortbeschermingsplan werd opgesteld. In totaal zijn er dus voor 9 van de 36 Bijlage IV-soorten die in Vlaanderen werden waargenome n, soortbescherm ingsmaatregelen in uitvoering (zie hoofdstuk 2 Soorten van de Habitatrichtlijn).

#0 9

02 Effecten op natuur In het voorjaar van 2007 werd voor de eerste maa l de staat va n instandhouding bepaald voor de in Vlaanderen aa nwezige soorten en habitats van commu nautair belang [150) (zie ook hoofdstukken 2 en 3 Soorten en Habitats van de Habitatrichtlijn). Di e geldt dan ook eerder als nulmeting dan dat ze een beoordeling va n het reeds gevoerde beleid toestaat. Een causaa l verband tussen de uitgevoerde beleidsmaatregelen en de vastgestelde staat van in standhouding is bovendien vaak soort- of habitatspecifiek, en kan in de meeste geva llen op schaal Vlaanderen niet duidelijk worden bepaald. De voo rn aamste ke nnishiaten hebben enerzijds betrekking op de ontbrekende of gefragmenteerde data over de inzet van beleidsinstrumenten op het terrein. Anderzijds zijn pas nu va n de meeste Bijlage 1-habitats de oppervlakte, het areaal (verspreiding) en de standpl aatsfa ctoren bekend, terwijl die voor vele Bijlag e 11- en IV-soorten nog vaak ontbreken.

Het overzicht van de bel eidsuitvoering in de vorige paragraaf toont echter dat actieve beleids- en beheeringrepen ongeveer een derde van de Habitatri chtlijngebied en dekken . Tegelijk blijve n de ruimtelijke druk en milieudruk hoog (zie hoofdstukken 4 Verm esting en 10 Vlaams Eco logisch Netwerk). 45 van de 47 Bijl age 1-habitats en 32 va n de 57 Bijl age 11- en IV-soorten blijken zich in een ongunstige of slechte staat van instandhouding bevinden. Gegeven de beperkte dekkingsgraad van het Vla amse natuur- en bosbeleid ten opzichte van de Habitatrichtlijngebi eden en de Bijlage IV-soorten (zie figuur 9.5) zijn bijkomende beleidsinspannin gen nodig om tot een goede staa t va n instandhouding te ko men.

182


Natuurrapport 2007 I De I 3 I

0 HabitatrichtliJn

03 Kennis Op dit ogenblik vormen de indicatoren inzake de staat van Instandhouding die aan de Europese Commissie worden gerapporteerd de meest concrete knipperlichten voor het beleid. Kennis over de causale relatie tussen beleidsinstrum enten of beheeringrepen en de vastgestelde staat van instandhouding is nog erg gefragmenteerd en in ontwikkeling. DaalVoor zijn een aantal oorzaken aan te duiden. In de eerste plaats richt het onderzoek naar de impact van beheer en beleid z1ch meestal op bepaalde habitats of soorten, of situeert het zich in kleinschalige projectgebieden. vaak omwille van de kostprijs van de nodige monitoring. Bovendien ontbreken voor heel wat beleidsinstrumenten Uitvoeringsgegevens die op schaal Vlaanderen kunnen worden geaggregeerd. Zo bestaat ongeveer de helft van de Bijlage 1-habitats in Vlaanderen uit bos. De voornaamste beleidsinstrumenten voor die biotoop vormen de uitgebreide bosbeheerplannen, de Vlaamse en de erkende natuurreseiVaten -en de aangewezen en de erkende bosreseiVaten. Van de bijna 14.000 ha uitgebreide bosbeheerplannen zouden op korte termiJn de GIS-data kunnen worden gecentraliseerd om de mogelijke bijdrage van dat instrument op schaal Vlaanderen beter te kunnen inschatten. Ook de GIS-data van de gebieden met effectief natuurbeheer (plandoelstelhng MINA-plan 3) zijn nog onvolledig. DaalVoor zijn een meer proactieve coĂśrdinatie en gebruik van de natuurgebiedendatabank wenselijk. Ook inzake de toepassmg van het vergunni ngenbeleid (natuuiVergunnmgen en stedenbouwkundige vergunningen) en het mestbeleid zouden de gegevens van diverse administraties en/of buitendiensten beter kunnen worden gecentraliseerd.

Moeilijker op korte termijn lijkt de afstemming van de doelen en mon1toringsmethodes van de instrumenten van het natuur- en bosbeleid (zie hoofdstuk 7). Zelfs b1nnen de 'gebieden met effectief natuurbeheer' worden verschillende doelformuleringen en monitonngsmethodes gebruikt of ontwikkeld. of reg10naal verschillend toegepast Daardoor zijn de natuurdoelen. duurzame gebruiksdoelen, wetenschappelijke doelen en monitoringsgegevens van natuurreseiVaten, bosreseiVaten. duurzaam beheerde bossen en beheerovereenkomsten niet zonder meer vergelijkbaar of optelbaar. Op basis van de thans beschikbare data is de reĂŤle bijdrage van die instrumenten op schaal Vlaanderen aan de vastgestelde staat van instandhouding onmogelijk in te schatten.

De rapportering van de diverse Bijlage 11- en IV-soorten is beperkt tot het al dan niet voorkomen in 4x4 kilometerhokken (voor plantensoorten) of 5x5 kilometerhokken (voor diersoorten). Die resolutie is te groot om de eventuele bijdrage van afzonderlijke gebiedsgerichte instrumenten (bv. erkende natuurreseiVaten. militaire domeinen met natuurbeheer) goed te kunnen inschatten omdat die instrumenten meestal slechts een fractie van deze kilometerhokken bedekken. Van andere soorten zijn we l precieze vindplaatsen gekend, maar zijn soms de monitoringsdata verouderd of weinig gestandaardiseerd. Daardoor ontbreekt deze analyse ook in figuur 9.5. Voor de Bijlage IV-soorten kon enkel op basis van de gebiedskennis van de betrokken

onderzoekers een inschatting worden

gemaakt of ze zich

al dan

niet binnen

Habitatrichtlijngebieden bevinden. Het verdient aanbeveling deze kennis meer systematisch te centraliseren en periodiek te actualiseren. en het onderzoek en de monitoring van soorten sterker te focussen op de soorten van communautair belang.

183


Natuurrapport 2007 I Deel 3 I #09 Habitatrichtlijn

Door deze kennisleemten beperkt de resultaatgerichte evaluatie van het Vlaamse natuur- en bosbeleid in fun ctie van de Habitatrichtlijn zich momenteel tot een indicatie van de 'mogelijke bijdrage' op basis van de geografische overlappi ng zoals sa mengevat in figuur 9.5. De mate waarin de verschillende beleidsinstrum enten daadwerkelijk bijdragen aan de doelstellingen van de Habitatrichtlijn, kan enkel op fragment ari sche basis, voo r bepaa lde habitats, soorten of gebieden worden beantwoord. De vaststellingen inzake beperkte kenn is van beleidsuitvoering of niet-gestandaardiseerde monitoring zijn niet nieuw en beperken zich ook niet tot het Habitatrichtlijnbeleid (zie hoofdstukken 7 en 8).

Voor de vo lgende jaren wordt een gestandaa rdiseerd e monitoring voorbereid om de staat van instandhouding zesjaarlijks aan de Europese Commissie te kunnen rapporteren . Deze monitoring richt zich op de habitats en soorten van comm unautair belang (Bijlagen I, 11 en IV van de richtlijn) op schaal Vlaanderen. De eveneens in voo rbereid in g zij nde instandhoudingsdoelstellingen situeren zich echter op het niveau van de afzonderlijke Habitatrich tl ijngebieden. Het verd ient aanbeveling om voor de monitoring voldoende proefvlakken te voorzien (m.a.w. ze voldoende intensief te maken) om een opvolging van de instandhoudingsdoelstPI Iingen per gebied toe te laten. Zoniet wordt het moeilijk om de doeltreffendheid van de in standhoudingsmaatregelen op gebied sn ivea\.J te evalueren .

#09

Met medewerking van: M arnik Decock - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Internationaal Milieubeleid Lu c De Ridd er- Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Juridische Dienst Valérie Goethals - Agentschap voor Natuur en Bos Maarten Hens - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Desiré Paeli nckx - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Johan Peymen - Instituut voor Natuur- en Boson derzoek Anne Ron se - Nationale Plantentuin van België Arno Thomaes - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Wouter Van Lan duyt - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

lectoren Niko Boone- Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Ann Carette - Universiteit Antwerpen , fa culteit Rechten An Cliquet - Universiteit Gent, vakgroep Internationaal Publiekrecht Lade De Beek - Instituut voo r Natuur- en Bosond erzoek Lu c De Ridd er - Departement Leefmili eu, Natu ur en Energie, Juridische Dienst Ludo Holsbeek - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Els Martens - Agentschap voo r Natuur en Bos Jos Notenboom - Milieu- en Natuurplanbureau Geert Sterckx - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Arno Thom aes - Instituut voo r Natuur- en Bosonderzoek Mark va n Veen - Milieu- en Natuurplanbureau Axel Verachtert - Departement Leefm ilieu, Natuur en Energie, afdeling voor Milieu-, Natuur- en Energiebeleid

184


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

Vlaams Ecologisch Netwerk Johan Peymen, Tim Adriaens, Lode De Beck, Kris Decleer Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! Eind 2006 is er 70 % van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN), 0,7 % van het

natuurverwevingsgebied (NVWG) en 28 % van de bijkomende oppervlakte natuurreservaat- en bosgebied afgebakend. Na het niet halen van de deadline uit het Natuurdecreet1 (2003), wordt daarmee de deadline uit MINA-plan 3 en RSV (2007) evenmin gehaald. ! De afbakeningsprocessen voor het buitengebied die eind 2004 startten, hebben

nog niet geleid tot een verdere afbakening van het VEN en natuurverwevingsgebied. ! De afbakening van het VEN is in hoofdzaak een bevestiging van de reeds groene

bestemmingen op de plannen van aanleg: 14 % van het VEN werd afgebakend na of via een planologische herbestemming. Daardoor en door het uitblijven van de aanduiding van de NVWG, hebben die afbakeningen een eerder beperkte bijdrage geleverd om te komen tot een samenhangende natuurlijke structuur. ! Meer dan 80 % van het huidig afgebakende VEN heeft een hoge tot zeer hoge

biologische waarde. In de militaire domeinen met natuurprotocol is dat zelfs meer dan 85 %. Aangezien die militaire domeinen ook grote aaneengesloten gehelen vormen, zijn zij van groot belang voor de natuurlijke structuur.

R

Oppervlakte afgebakend VEN

R

Oppervlakte afgebakend natuurverwevingsgebied

R

Oppervlakte extra planologisch groengebied

R

Afbakening natuurverbindingsgebieden

R

Oppervlakte opgestarte natuurrichtplannen

R

Aangeboden en aangekochte oppervlakte via Recht van Voorkoop

R

Ontsnippering van het planologisch groengebied

1 Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006)

185


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

Het Natuurdecreet, het MINA-plan 3 en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) voorzien in de afbakening van 125.000 ha ‘grote eenheden natuur’ en ‘grote eenheden natuur in ontwikkeling’, die samen het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) vormen. In die gebieden is natuur de hoofdfunctie en zijn andere functies ondergeschikt. Daarnaast moet 150.000 ha natuurverwevingsgebied (NVWG) worden afgebakend, waar de natuurfunctie nevengeschikt is. De afbakening van het VEN en NVWG moest volgens het Natuurdecreet afgerond zijn op 20 januari 2003. Volgens het RSV en andere beleidsplannen (o.a. MINAplan 3) is die afbakening voorzien tegen eind 2007. VEN en NVWG worden ondersteund door natuurverbindingsgebieden (NVBG) waarvoor geen taakstellende oppervlakte is voorzien. NVBG en NVWG vormen samen het IVON of Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk. De afbakening van VEN en NVWG is gekoppeld aan specifieke planologische bestemmingen op de ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg. In het RSV wordt aangegeven dat voor de totstandkoming van de ‘natuurlijke structuur’ 38.000 ha natuurgebied bijkomend wordt afgebakend, naast 10.000 ha bosuitbreiding. Die afbakening gebeurde vroeger via gewestplanherzieningen en sinds 2004 in gewestelijke Ruimtelijke Uitvoeringsplannen of RUP’s. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar NARA 1999 hoofdstuk 20, NARA 2001 hoofdstukken 7.2 en 7.5, NARA 2003 hoofdstuk 31 en NARA 2005 hoofdstukken 31 en 32.

#10 In dit hoofdstuk beschrijven we de laatste ontwikkelingen en gaan we na wat de impact van het VEN/IVON (natuurlijke structuur) kan zijn op de natuur. Dat doen we door de toestand in 2002 (voor de VEN-afbakening) te vergelijken met de huidige en gewenste toestand (gewenste natuur- en bosstructuur). Die laatste vormt het ruimere kader waarbinnen het VEN/IVON kan worden afgebakend. Ook de militaire domeinen met natuurprotocol worden in de analyse opgenomen, gezien het grote aaneengesloten gesloten gebieden betreft die globaal genomen een hoge biologische waarde bezitten en daardoor complementair zijn aan het VEN/IVON.

01 Beleid 1.1 Planning en instrumentering VEN en natuurverwevingsgebied Op 17 december 2004 werd bij de beslissing van de Vlaamse Regering een nieuw plan van aanpak goedgekeurd voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur. Eerder al had de Vlaamse Regering beslist op 7 december 2001 de afbakening uit te voeren in twee fasen. In een eerste fase werden zogenaamde consensusgebieden afgebakend. De tweede fase bestaat uit drie stappen: het vormen van een visie, het overleg met gemeenten, provincies en belangengroepen en het selecteren van actiegebieden waar de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur zullen afgebakend worden. Er werd beslist te werken in 15 buitengebiedregio’s. Het proces ging van start eind 2004 en voor iedere buitengebiedregio was voorzien om tegen januari 2007 een eindvoorstel van gewenste ruimtelijke structuur en uitvoeringsprogramma te hebben.

2) Dit beleidsdocument is door de Vlaamse Regering vastgesteld in 1997. Het heeft als tijdshorizon 2007 en bevat een ruimtebalans met de beleidsdoelstellingen over de oppervlakteverdeling voor de diverse sectoren in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen

186


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

Op 4 maart 2005 werd in een mededeling aan de Vlaamse Regering een aangepaste tijdstabel en een hergroepering tot dertien buitengebiedregio’s voorgesteld. De regio’s Maasland en Limburgse Kempen enerzijds, en Zenne-Dijle en Pajottenland anderzijds werden gegroepeerd. In de daaropvolgende mededelingen aan de Vlaamse Regering werden de termijnen voor het bereiken van diverse mijlpalen stelselmatig achteruitgeschoven. De start van het proces voor de laatste reeks buitengebiedregio’s werd met 14 maanden uitgesteld. Het bereiken van de laatste fase voor deze reeks werd met 26 maanden uitgesteld. Dat betekent dat drie jaar na het vastleggen van een timing door de Vlaamse Regering, die timing met meer dan twee jaar verlengd werd. Intussen is in iedere buitengebiedregio het planningsproces van start gegaan. Het voorziene eindvoorstel van gewenste ruimtelijke structuur en uitvoeringsprogramma is er slechts voor twee van de 13 buitengebiedregio’s. Voor de buitengebiedregio’s Kust-Polders-Westhoek en Haspengouw-Voeren zijn momenteel 10 RUP’s in voorbereiding. RUP-thema

Naam RUP

Beslissingsdatum en publicatiedatum

Oppervlakte bijkomend VEN of NVWG in dit RUP

Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst

Stedelijk natuurgebied Osbroek-Gerstjens

B.Vl.Reg.10/07/2003; BS 01/09/2003

3,2 ha VEN

Afbakening gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur (individueel dossier)

Natuurverwevingsgebied’ ’Gecontroleerd ’ overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde’

B.Vl.Reg. 16/01/2004; BS 12/02/2004

693,2 ha NVWG

Afbakening regionaalstedelijk gebied Turnhout

Kanaalzone Noord – strategisch woonproject

B.Vl.Reg. 04/06/2004; BS 02/08/2004

12 ,7 ha VEN

Afbakening van gebieden winning van oppervlaktedelfstoffen

Berggrindontginning BS 9/08/2005

B.Vl.Reg. 15/07/2005; 121,3 ha VEN

121,3 ha VEN

Afbakening van het grootstedelijk gebied Gent

Deelgebied ‘Groenpool Gentbrugse MeersenDamvallei’

B.Vl.Reg. 16/12/2005; BS 19/01/2006

2,6 ha VEN

Afbakening van het Zeehavengebied Antwerpen Waasland-haven (fase 1)

Afbakening van het Zeehavengebied Antwerpen Waaslandhaven (fase 1)

B.Vl.Reg. 16/12/2005; BS 6/01/2006

0,5 ha VEN

Afbakening van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk

Deelgebied Gemengd bedrijventerrein WevelgemZuid uitbreiding + Leievallei’

B.Vl.Reg. 20/01/2006; BS 14/02/2006

13,9 ha VEN 123,6 ha NVWG

Afbakening van het regionaal bedrijventerrein Chartreuse

Afbakening van het regionaal bedrijventerrein Chartreuse

B.Vl.Reg. 31/03/2006; BS 24/04/2006

42,2 ha VEN

Afbakening van gebied voor golfinfrastructuur met natuurverweving

Koninklijke Golf Club Oostende in De Haan

B.Vl.Reg. 19/05/2006; BS 15/06/2006

13,4 ha VEN 42,5 ha NVWG

Afbakening van transportinfrastructuur

Oosterweelverbinding

B.Vl.Reg. 16/06/2006; BS 30/06/2006

12,6 ha VEN

TOTAAL

222,4 ha VEN / 859 ha NVWG

Tabel 10.1: Afbakening van het VEN en NVWG via ruimtelijke uitvoeringsplannen in planningsprocessen anders dan het buitengebied of individuele dossiers [bron: INBO].

187


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

In de eerste fase van het afbakeningsproces van de gebieden voor de natuurlijke structuur werd er in totaal 86.823 ha VEN en 75 ha agrarisch gebied met overdruk natuurverwevingsgebied afgebakend. In diverse andere afbakeningsprocessen of individuele dossiers werd bijkomend 222 ha VEN afgebakend en 859 ha NVWG afgebakend (zie tabel 10.1). Op 31 december 2006 is ca. 70 % (87.022 ha) van het VEN (doelstelling: 125.000 ha) en 0,7 % (934 ha) van het NVWG (doelstelling: 150.000 ha) afgebakend (figuur 10.1).

175.000

Mina-plan2

Mina-plan3

125.000 100.000 75.000 50.000

#10

Afgebakend Vlaamse Ecologisch Netwerk Afgebakend natuurverwevingsgebied

25.000

Wijziging oppervlakte planologisch groengebied (ha)

0

Figuur 10.2: Oppervlakte extra planologisch groengebied, gebaseerd op ruimteboekhouding (31 december 2006, bron: Departement RWO, afdeling Ruimtelijke Planning).

Doelen RSV

Doelen Natuurdecreet

150.000

Oppervlakte (ha)

Figuur 10.1: Oppervlakte afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverweving (31 december 2006, bron: Departement RWO, afdeling Ruimtelijke Planning).

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Doelen RSV

40.000

Mina-plan3

30.000

20.000

10.000

0

-10.000

188

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Natuur en reservaat Overig groen Bos


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

In NARA 2005 werd de ruimteboekhouding tot 1 januari 2004 beschreven. Sindsdien werd ca. 3000 ha bijkomend natuur- en reservaatgebied bestemd en ca. 500 ha bijkomend bosgebied. Ongeveer 2000 ha van de 3000 ha natuur- of reservaatgebied kreeg tevens een overdruk VEN-gebied. Negen jaar na de vaststelling van het RSV en ĂŠĂŠn jaar voor het bereiken van de planhorizon werd ca. 28 % (13.500 ha) van de taakstellende oppervlakte (figuur 10.2) gerealiseerd voor natuur-, reservaat- en bosgebied samen (doelstelling: 48.000 ha). Niet alleen werd de timing van het Natuurdecreet (20 januari 2003) niet gehaald, ook de timing die in het RSV opgelegd werd (eind 2007) kan onmogelijk nog gehaald worden. Het lopende afbakeningsproces voor de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur leidt momenteel nog niet tot een significante verbetering van de trend. Natuurverbindingsgebieden De provincies bakenen de natuurverbindingsgebieden (NVBG) en de ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang (EIB) af. De inrichting van die gebieden moet de samenhang tussen het VEN en/of de natuurreservaten verhogen. Vaak zijn het gebieden die van belang zijn voor de migratie van planten en dieren of gebieden met concentraties aan kleine landschapselementen. Voor de NVBG zijn geen oppervlaktedoelstellingen geformuleerd in het RSV. Tabel 10.2 vermeldt het aantal natuurverbindingsgebieden dat aangeduid is. Ook het aantal natuurverbindingsgebieden waarvoor een ecologische verkenning in opmaak of afgerond is, alsook de opmaak van een natuurrichtplan, wordt in de tabel weergegeven. Aangezien de provincies in de ruimtelijke structuurplannen (PRSP) andere inhoudelijke accenten leggen met betrekking tot de NVBG/EIB, is de vergelijkbaarheid van de cijfers tussen de provincies gering. Ook de doelafstand is moeilijk te bepalen doordat sommige NVBG/EIB door overlap met VEN/verweving vermoedelijk niet zullen worden uitgewerkt. Tabel 10.2: Aantal NVBG/EIB en aantal NVBG/EIB waarvoor een ecologische verkenning of natuurrichtplan opgemaakt werd/wordt per provincie (2007, bron: INBO).

Provincie

Aangeduid in PRSP

Ecologische verkenning In opmaak Afgerond NVBG EIB NVBG EIB

Natuurrichtplan

NVBG

EIB

West-Vlaanderen

91

49

1

10

-

-

-

Oost-Vlaanderen

61

78

16

23

3

3

-

Antwerpen

52

17

1

-

1

1

-

Limburg

80

7

2

-

3

-

1(ontwerp)

Vlaams-Brabant

58

7

-

-

-

-

-

Oost-Vlaanderen doet met een geclusterde aanpak van NVBG/EIB in de regio Schelde-Durme (11 gebieden) en de noordwestelijke zandstreek (28 gebieden) een grote sprong voorwaarts in de ecologische visievorming rond NVBG/EIB. De reeds afgewerkte ecologische verkenningen voor het Meetjesland (vijf gebieden) en de Vlaamse Ardennen werden ondertussen ook gecommuniceerd naar de betrokken gemeenten. De mogelijkheid van vastlegging van een budget voor uitvoering van de NVBG/EIB wordt onderzocht.

189


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

In Antwerpen werd een ecologische verkenning voor het stelsel van de Hollebeemdenbeek/Laakbeek opgemaakt, maar werden de planningsprocessen voorlopig opgeschort tot er duidelijkheid heerst over de gewestelijke afbakening van de natuurverwevingsgebieden en het VEN tweede fase. Tevens is de mogelijkheid onderzocht voor de opmaak van een ecologische voorstudie voor een tweede pilootnatuurverbinding tussen de Kalmthoutse Heide en De Maatjes. West-Vlaanderen startte in 2007 met de opmaak van gedetailleerde beheerplannen voor de zogenaamde groene assen in de provincie. De meeste daarvan zijn voormalige spoorwegbeddingen aangeduid als ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang. In Limburg werd verdergewerkt aan de opmaak van inrichtingsvisies voor de natuurverbinding te GenkAs tussen de Maten en de bossen ten noorden van Horensberg, de Soerbeekvallei te Bree en te DilsenStokkem. Limburg houdt daarmee vast aan de doelstelling van twee NVBG per jaar. Op basis van de ecologische verkenning voor Heers-Tongeren werd een ontwerpnatuurrichtplan opgemaakt. In opdracht van de provincie Vlaams-Brabant werd op het grondgebied van negen gemeentes een studie uitgevoerd naar kleine landschapselementen [2]. Die wordt door het regionaal landschap Groene Corridor

#10

en de bosgroep Groene Corridor als kader gebruikt voor KLE-acties. De gemeente Zemst plande een lokaal project rond ontbrekende schakels in het KLE-netwerk. Verder voerde de provincie in vier aangeduide NVBG-acties uit rond beekherstel. Daarnaast worden in Vlaanderen talloze initiatieven genomen in het kader van natuurverbinding. Het gaat dikwijls om kleinere ingrepen op het terrein zonder uitgebreide visievorming vooraf en zonder uitgebreide afbakenings- of overlegprocessen. Het kan gaan om de verwerving van een stapsteen, de ecologische her-

Natuurverbindingsgebied/ecologische infrastructuur

Figuur 10.3: Natuurverbindingsgebieden en ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang waarvoor een ecologische verkenning in opmaak/opgemaakt is. Op het kaartje zijn ook terreinacties in NVBG/EIB buiten het formele kader opgenomen. (2007, bron: INBO).

Ecologische verkenning afgerond Ecologische verkenning in voorbereiding Studiewerk/terreinuitvoering zonder ecologische verkenning

190


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

inrichting van een waterloop via interdienstenoverleg op de provincie, de gesubsidieerde aanleg van een poel of haag op particulier terrein, een gerichte inventarisatie, enz. Omdat dergelijke acties uitvoering geven aan het provinciaal beleid rond NVBG/EIB werden ze op het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) geïnventariseerd (figuur 10.3). De kennis over dit informele aspect van natuurverbinding, dat ook buiten de aangeduide gebieden speelt, is echter onvolledig. Een aantal juridisch/beleidsmatige knelpunten kunnen worden weggewerkt: ! er is een aanpassing van het Natuurdecreet voorgesteld die het mogelijk moet maken een besluit

van de Vlaamse Regering te nemen om NVBG af te bakenen zonder ruimtelijk uitvoeringsplan; ! er zijn aanpassingen aan het Natuurrichtplanbesluit3 voorgesteld voor een eenvoudiger en flexi-

belere afbakeningsprocedure en een procedure voor de opmaak van een natuurrichtplan worden momenteel uitgewerkt. De bedoeling is om de uitvoering van de NVBG/EIB te versnellen. Daarnaast blijven er nog een aantal onopgeloste knelpunten: ! een groot knelpunt vormt het ontbreken van aparte projectmiddelen voor de NVBG/EIB, waardoor

de uitvoering op het terrein momenteel achterwege blijft en het instrument natuurverbinding als dusdanig niet herkenbaar is; ! het aspect ‘natuur verbinden’ werkt nog te weinig als facet door in het reguliere beleid van

actoren in het buitengebied. Een goede methodiek om het aspect te vertalen naar het reguliere beleid zou in belangrijke mate bijdragen aan een grotere dynamiek rond het thema en vergroot de kans op terreinrealisaties. Dit aspect van natuurverbinding verdient zeker meer aandacht de komende jaren.

Natuurrichtplannen Voor alle VEN/IVON-gebieden, de overige groen-, park-, buffer- en bosgebieden en de gebieden afgebakend in het kader van internationale overeenkomsten met inbegrip van de Europese richtlijnen moet een natuurrichtplan (NRP) opgemaakt worden. Voor VEN en NVWG is juridisch een deadline vastgesteld op 20 januari 2008. Met de ministeriële besluiten van 12 mei 2004 werd één pilootplangebied per provincie ingesteld voor de opmaak van een NRP, gecoördineerd door ANB: Demervallei (Vlaams-Brabant), Dendervallei (Oost-Vlaanderen), Hoge Kempen (Limburg), Heuvelrug vallei Kleine Nete (Antwerpen), Hoppeland (West-Vlaanderen). Elk NRP heeft zijn eigen specifieke startbesluit [275]. Het lag in de bedoeling om vanaf 2005 elk jaar twee nieuwe natuurrichtplannen per provincie op te starten. Naast de genoemde pilootgebieden is er enkel het NRP Middenkust bijgekomen (ministerieel besluit 19 mei 2005). Het NRP Dendervallei werd in 2006 voorlopig stilgelegd. Voor de overige natuurrichtplannen waren de voorlopige ontwerpen van natuurrichtplan op 1 april 2007 afgewerkt of in ver gevorderde staat van ontwerp. De voorlopige ontwerpnatuurrichtplannen van de Middenkust en het Hoppeland werden – na advies van de stuurgroep – aan de minister ter voorlopige goedkeuring voorgelegd. De verwachting is dat kortelings de openbare onderzoeken voor die natuurrichtplannen kunnen starten zodat de plannen

3) Besluit van 28 februari 2003 van de Vlaamse Regering betreffende natuurrichtplannen (BS 27 maart 2003)

191


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

tegen de zomer van 2008 definitief door de minister kunnen worden goedgekeurd. Voor de overige NRP (uitgezonderd Dendervallei) wordt momenteel het eindadvies door de stuurgroep voorbereid. Het is de verwachting dat het openbaar onderzoek na de zomer van 2007 kan plaatsvinden. In overeenstemming met de beleidsbrief van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Natuur werd op de beleidsraad van het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie van 12 februari 2007 beslist dat ANB aan de opmaak van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Habitatrichtlijngebieden, een Europese verplichting tegen eind 2010, een hoge prioriteit moet geven. Dat heeft tot gevolg dat de medewerkers van ANB, belast met de opmaak van natuurrichtplannen vanaf midden 2007 vooral daarvoor zullen worden ingeschakeld. Uit het hoger aangehaalde blijkt dat het in de huidige omstandigheden onmogelijk is om tegen de in het Natuurdecreet voorziene deadline van 20 januari 2008 voor alle VEN en NVWG natuurrichtplannen op te maken (figuur 10.4). Naar aanleiding van de voorlopige afsluiting van de NRP-projecten wordt binnen ANB een evaluatie van de planprocessen in de verschillende provincies voorbereid. In opdracht van het Steunpunt Milieubeleidswetenschappen en ANB werd door de Universiteit Antwerpen in het kader van het â&#x20AC;&#x2DC;actieonderzoek planning en overleg natuurrichtplannenâ&#x20AC;&#x2122; een analyse van de participatie van het Vlaamse mid-

#10

denveld gevoerd aan de hand van diepte-interviews met de betrokken doelgroepen. Door het ANB werden heel wat inspanningen verricht om doelgroepen te betrekken bij de opmaak van de natuurrichtplannen. De participatie-effectiviteit en -efficiĂŤntie kunnen echter nog merkelijk verbeterd worden. Zowel de doelgroepen als het ANB hadden hogere verwachtingen van het participatieproces. Er is nood aan meer kennis en ervaring met betrekking tot dergelijke participatieve processen bij het ANB en de uitwerking van een doordacht doelgroepenbeleid. Het is ook nodig om factoren die de vlotte werking van het participatieproces belemmeren zo veel mogelijk weg te werken. Zo bestaat nog te veel onzekerheid over de relatie tussen de verschillende betrokken wetgevingen (bv. ruimtelijke ordening, MAP).

Figuur 10.4: Oppervlakte opgestarte natuurrichtplannen (31 december 2006, bron: Agentschap voor Natuur en Bos).

Oppervlakte natuurrichtplan (ha)

Doel Natuurdecreet 300.000

200.000

100.000

Opgestart 0

192

Goedgekeurd

2003

2004

2005

2006

2007

2008


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

1.2 Uitvoering Effectief natuurbeheer, bosbeheerplannen, beheerovereenkomsten Momenteel zijn er nog geen natuurrichtplannen (zie punt 1.1). Daarom wordt hier ingegaan op de bestaande instrumenten uit het gebiedsgerichte natuur- en bosbeleid, nl. gebieden met effectief natuurbeheer (zie hoofdstuk 8 Erkende natuurreservaten), bossen met bosbeheerplan (zie hoofdstuk 12 Bosbeheer) en beheerovereenkomsten met landbouwers (zie hoofdstuk 13 Landbouw). Effectief natuurbeheer wordt hier gedefinieerd als de erkende en Vlaamse natuurreservaten, de aangewezen en erkende bosreservaten, de overige natuurgebieden met natuurgericht beheer door ANB en de militaire domeinen met natuurprotocol. Die informatie werd in eerste instantie via de natuurgebiedendatabank bekomen. Die databank bevat ongeveer 90 % van de totale beheerde oppervlakte. De data met betrekking tot de bosreservaten hebben een dekking van 100 %. Bij gebrek aan een kaart van bossen met bosbeheerplan werd een kaart van alle bossen in Vlaanderen gebruikt (boskartering). Voor alle bossen van meer dan vijf ha dient een bosbeheerplan opgemaakt te worden. Op 31 december 2006 beschikte echter nog maar 29 % van de Vlaamse bosoppervlakte een beheerplan (zie hoofdstuk 12 Bosbeheer). Effectief natuurbeheer is gericht op gebieden met hoofdfunctie natuur, terwijl bij de bosbeheerplannen en agrarische beheerovereenkomsten de doelstelling gekoppeld is aan gebieden waar natuur nevengeschikt is aan andere gebruiken (bosbouw, recreatie, landbouw). Bijna 25 % van het huidig afgebakende VEN valt onder effectief natuurbeheer. Op termijn zal moeten blijken of door aankoop de toename van natuurreservaten binnen het VEN gestimuleerd wordt en of dat binnen het VEN vlotter gebeurt dan buiten het VEN. Momenteel is dat niet het geval (zie verder). Bijna 60 % van het huidige VEN is bos en komt in aanmerking komt voor de opmaak van een bosbeheerplan. Ongeveer 2 % van de beheerovereenkomsten voor landbouwers liggen binnen VEN. In tabel 10.3 kunnen we zien welk aandeel van de oppervlakte effectief natuurbeheer, bos (bij gebrek aan GISlaag bosbeheerplannen) en beheerovereenkomsten er in het huidige en gewenste VEN/NVWG is opgenomen.

%

Effectief natuurbeheer

Bos

Beheerovereenkomst (Vlak) (Punt) (Lijn)

VEN

53

33

2

6

6

Gewenst VEN

64

38

7

16

14

Gewenst NVWG

8

35

36

20

20

Tabel 10.3: Aandeel van de oppervlakte effectief natuurbeheer, bos (bij gebrek aan GIS-laag bosbeheerplannen) en beheerovereenkomsten dat binnen de verschillende gebiedscategorieĂŤn ligt (31 december 2006, brongegevens: INBO).

193


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

Momenteel ligt ruim de helft van de gebieden met effectief natuurbeheer in het VEN. Indien we uitgaan van gewenst VEN/NVWG dan kan de oppervlakte toenemen tot meer dan 70 % van de oppervlakte van de gebieden met effectief natuurbeheer. Ongeveer 33 % van de bossen liggen binnen het huidige VEN. In het gewenste VEN loopt dat op tot ongeveer 73 %. Voor de beheerovereenkomsten kan worden gesteld dat ze vooral buiten het VEN gelegen zijn. Bij de verwezenlijking van het gewenste VEN/NVWG zal het aandeel van agrarische beheerovereenkomsten binnen de natuurlijke structuur toenemen tot ca. 35-40 % (naargelang het type). Aangezien beheerovereenkomsten zich vooral in het agrarische gebied situeren, zou men kunnen verwachten dat ze vooral in de natuurverwevingsgebieden zouden liggen. De reden waarom beheerovereenkomsten weinig in het VEN gelegen zijn, is een gevolg van een wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot beheerovereenkomsten4 (21 juli 2005). Daarin wordt gesteld dat beheerovereenkomsten buiten de uitbreidingsperimeter van reservaten worden gehouden. Gelet op het aandeel van de verschillende instrumenten kunnen we stellen dat effectief natuurbeheer een

#10

belangrijk instrument zal zijn voor de verdere invulling van het VEN. De beheerovereenkomsten zullen vooral ingezet worden binnen de natuurverwevingsgebieden, terwijl de bosbeheerplannen zowel in VEN als NVWG een rol vervullen. Recht van Voorkoop Het recht van voorkoop in het kader van het natuurbehoud werd ingesteld om ecologisch waardevolle percelen in afgebakende gebieden te kunnen aankopen en veilig te stellen door een aangepast beheer. Er zijn twee mogelijke begunstigden m.b.t. het recht van voorkoop voor natuur, in eerste instantie de Vlaamse overheid en in een aantal gevallen ook de erkende terreinbeherende verenigingen. Het recht van voorkoop is van toepassing in het VEN, in de reservaten en hun uitbreidingszones in bos- of groengebied en binnen de natuurinrichtingsprojecten. De maximale totale oppervlakte waarop dat recht van voorkoop van toepassing kon zijn, bedroeg voor de vaststelling van het VEN eerste fase meer dan 52.000 ha (figuur 10.5). Door de vaststelling van het VEN eerste fase liep de oppervlakte op tot meer dan 99.000 ha. Daarvan dient de oppervlakte die reeds aangekocht is in het kader van natuurbehoud afgetrokken te worden. Wegens het gebrek aan accurate cijfers over de verschillende jaren kan de precieze oppervlakte die valt onder het toepassingsbereik van het recht van voorkoop niet berekend worden. Verwacht zou kunnen worden dat sinds de vaststelling van het VEN eerste fase de oppervlakte die te koop aangeboden wordt via dit recht van voorkoop ook een significante stijging ondergaat. De aangeboden oppervlakte toont in de periode 2000-2003 een stijging. Tegen de verwachtingen in daalt de aangeboden oppervlakte in de periode 2003-2006, d.i. na de vaststelling van het VEN.

4) Besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 betreffende het sluiten van beheerovereenkomsten in uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling

194


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

Een aantal factoren bepaalt of de aangeboden oppervlakte effectief aangekocht wordt (NARA 2003 en NARA 2005). De definitief verworven oppervlakte per jaar varieerde in de periode 2000-2006 tussen de 42 en 157 ha. In totaal werd in zeven jaar tijd 743,5 ha of 11,5 % van de aangeboden oppervlakte effectief aangekocht. Van de volledige oppervlakte waar het recht van voorkoop op van toepassing zou kunnen zijn is dat 0,71 %.

Figuur 10.5: Totale oppervlakte waar recht van voorkoop op van toepassing kan zijn, aangeboden en aangekochte oppervlakte via recht van voorkoop (2007, brongegevens: VLM).

120.000 90.000

Oppervlakte (ha)

60.000 30.000 1500 1200 900

Recht van voorkoop van toepassing

600

Aangeboden

300 0

Aangeboden en aangekocht 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

02 Effecten op natuur Als het over de betekenis van het VEN/IVON voor natuur in Vlaanderen gaat, is het van belang te weten of ze al dan niet toelaat om het verlies aan biodiversiteit te stoppen (2010-doelstelling). Het antwoord op die vraag hangt ook af van de uiteindelijke locatiekeuze van het VEN, de concrete natuurdoelstellingen en de invulling ervan (o.a. bepaald via het natuurrichtplan en de diverse uitvoerende maatregelen). In het antwoord spelen ruimtelijke, kwantitatieve en kwalitatieve aspecten, die onderling met elkaar in relatie staan. Er wordt in deze paragraaf getracht om aan de hand van een aantal indicatoren een beeld te geven van de milieukwaliteit, ruimtelijke kwaliteit en natuurkwaliteit binnen het VEN/IVON (huidige situatie) en binnen de gewenste natuur- en bosstructuur (GNBS). Daarbij werden de afgebakende natuurverwevingsgebieden (NVWG) niet verder opgenomen in de analyse, gezien de beperkte afbakening (0,7 %). De militaire domeinen met natuurprotocol worden, ondanks het feit dat zij niet in eerste instantie gericht zijn op natuurbehoud en -ontwikkeling, meegenomen, aangezien ze door hun natuurwaarde een bijdrage kunnen leveren aan een samenhangend ecologisch netwerk.

195


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

2.1 Milieukwaliteit Er worden twee aspecten van de milieukwaliteit binnen het VEN/NVWG beschreven: de grondwaterkwaliteit (kwel en infiltratie) en de bemestingsdruk. Kwel en infiltratie Om een beschrijving te geven van de grondwaterkwaliteit werd gebruikgemaakt van de fysische structuurkaart voor Vlaanderen, die gebaseerd is op de bodemkaart. In figuur 10.6 wordt het aandeel van kwel en infiltratie binnen en buiten het VEN aangegeven. Het aandeel van kwelgebied binnen VEN (ca. 40 %) ligt beduidend hoger dan buiten het VEN (ca. 18 %). Dat is niet onbelangrijk gezien in de kwelgebieden voor het natuurbehoud zeer waardevolle biotopen liggen die sterk gevoelig zijn voor vermesting, verdroging en verzuring. De directe impact van de verstoring op die kwelgebieden kan via het VEN en de daaraan verbonden instrumenten (vb. natuurrichtplan) verminderd worden. Het is echter ook belangrijk om na te gaan door welke infiltratiegebieden die kwelgebieden gevoed worden. Het heeft immers weinig zin om de eutrofiĂŤring van een kwelgebied aan te pakken, indien het aanvoerende infiltratiegebied onder hoge bemestingsdruk staat.

#10 Figuur 10.6: Aandeel van kwel Buiten VEN en infiltratie binnen en buiten VEN (2006, brongege- Binnen VEN vens: INBO).

Kwel Infiltratie Onbekend 0

20

40

60

80

100

Oppervlakte (%)

Bemesting Een van de plandoelstellingen in het MINA-plan 3 stelt dat de milieukwaliteit moet worden afgestemd op de ecologische vereiste van kwetsbare soorten en habitats in het VEN, de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en in de Speciale Beschermingszones (zie hoofdstuk 4 Vermesting). Het Natuurdecreet stelt dat in het kader van de natuurrichtplannen in het VEN, in de natuurverwevings- en de natuurverbindingsgebieden en in het groengebied van Vogel- en Habitatrichtlijngebied, de bemestingsnormen gemoduleerd kunnen worden verstrengd of versoepeld. Om op termijn daarvan de resultaten te zien, nl. de verandering van de bemestingsdruk binnen het VEN/NVWG, werd de toestand binnen en buiten het huidge VEN voor de bemestingsdruk vergeleken op basis van de kaart met de landbouwgebruikpercelen waarvoor aangifte moet gebeuren met betrekking tot bemesting (VLM, 2006). Bij de kaart van de landbouwgebruikpercelen werden de percelen die onder effectief natuurbeheer (zie hoofdstuk 7 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen) vallen, verwijderd, zodat enkel de percelen waar het hoofdgebruik landbouw is, overblijven (tabel 10.4) (zie ook Hoofdstuk 13 Landbouw).

196


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

In Vlaanderen is ongeveer 50 % van de oppervlakte (675.757 ha) ingenomen door gebieden met hoofdfunctie landbouw. Ongeveer 2 % daarvan (12.620 ha) valt binnen het huidige VEN. Ongeveer 15 % van het huidige VEN is ingenomen door landbouwgebruikpercelen die niet onder effectief natuurbeheer vallen. Het beperkte aandeel landbouwgebruik in het VEN is te verklaren door de aanwezigheid van grote bosen heidecomplexen. Tabel 10.4: Aandeel van landbouwgebruikpercelen die niet onder effectief Binnen het VEN (87.022 ha) 12.620 natuurbeheer vallen binnen de verBuiten het VEN (1.275.406 ha) 663.137 schillende gebiedscategorieën (31 december 2006, brongeIn figuur 10.7 wordt aangegeven hoe de verschillende klassen met betrekking tot bemesting verdeeld zijn gevens: VLMINBO).

Landbouwgebruikpercelen die niet onder effectief natuurbeheer vallen (ha)

binnen het VEN. In het huidige VEN valt 30 % van de oppervlakte in landbouwgebruik binnen nulbemes-

ting (twee grootvee-eenheden/ha of beheerovereenkomst ‘100 kg stikstof uit chemische mest’). Daarnaast is iets meer dan 40 % gekoppeld aan een mogelijke ontheffing van de nulbemesting. In de overige 25 % van het afgebakende VEN mag de algemene bemestingsnorm (o.a. in functie van teelt) toegepast worden. Via instrumenten zoals natuurrichtplannen, zou men, gelet op de plandoelstelling van MINA-plan 3, op termijn een verschuiving kunnen verwachten naar klassen met een lagere bemestingsdruk. De verlaging van die druk speelt een belangrijk rol bij de afstemming van de milieukwaliteit op de ecologische vereisten.

Buiten VEN Binnen VEN 0

2.500

5.000

7.500 10.000 12.500 15.000 600.000

Oppervlakte in landbouwgebruik (ha)

700.000 Nulbemesting Ontheffing mogelijk Maximale bemesting

2.2 Ruimtelijke kwaliteit Ontsnippering van het planologisch groengebied De natuurindicator ‘ontsnippering van het planologisch groengebied’ evalueert de versnippering van natuurgebieden, zoals voorzien in het gewestplan. Daarbij ligt de grootte van aaneengesloten natuurgebieden aan de basis.

197

Figuur 10.7: Aandeel van bemestingsnormen van landbouwgebruikpercelen (die niet onder effectief natuurbeheer vallen) binnen en buiten het bestaande VEN (31 december 2006, brongegevens: VLM-INBO).


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

250.000

Oppervlakte planologisch groen (ha)

Figuur 10.8 toont het effect van de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk op de ontsnippering van de groene ruimte in Vlaanderen.

200.000 24

25

26

25

25

25

25

26

26

43

326

336

339

340

344

357

358

356

356

364

1626

1632

1634

1622

1627

1615

1614

1609

1609

1350

3708

3744

3738

3739

3749

3758

3754

3751

3751

3433

150.000

100.000

50.000

0

19

94

19

96

19

99

20

01

20

02

20

03

20

04

20

05

20

#10

0

20

06 e

ew

g 2+

t ns

VE

>1000 ha 100-1000 ha 10-100 ha 0-10 ha

N

De impact van de afbakening van het VEN op de ontsnippering van de groene ruimte is momenteel beperkt (status-quo). Dat is logisch, aangezien de eerste fase van het VEN enkel werd afgebakend binnen gebieden die al een groene gewestplanbestemming hadden. In 2005 werden een beperkt aantal bijkomende ruimtelijke uitvoeringsplannen goedgekeurd. Daardoor zijn er opnieuw een aantal kleine verschuivingen tussen de onderscheiden klassen. Bij de kleinere gebieden is er een vermindering opgetreden ten voordele van de grootste gebieden. In 2006 zijn er geen zichtbare veranderingen ten opzichte van 2005. Ondanks de beperkte impact kan die verschuiving in 2005 op zich als positief beschouwd worden vanuit de doelstelling van het VEN, namelijk de creatie van grote eenheden natuur. Zoals blijkt uit het hypothetische scenario waarbij een volledige invulling van het gewenste VEN aanvullend op de bestaande groene gewestplanbestemmingen (toestand 2002) zou worden gerealiseerd (laatste balk in figuur 10.8), moet er echter nog een hele weg afgelegd worden. In figuur 10.9 kunnen we met een voorbeeld zien dat er in het huidig afgebakende VEN nog essentiĂŤle schakels ontbreken. Ontsnippering van gebieden met hogere biologische waarde In tabel 10.5 wordt de ruimtelijke configuratie van gebieden met hogere biologische waarde (op basis van BWK, zie eerder) binnen en buiten het VEN vergeleken. Daaruit blijkt dat gebieden met een hogere biologische waarde statistisch groter zijn binnen het huidige en gewenste VEN dan erbuiten. Ook voor de militaire domeinen geldt die vaststelling. Bij de verdere afbakening van het VEN moeten we vaststellen dat

198


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

Figuur 10.9: Voorbeeld: het huidig afgebakende VEN versus het gewenste VEN en natuurverwevingsgebied (31 december 2006, bron: INBO).

VEN op 31/12/2006

Gewenst VEN

Militair domein

Gewenst natuurverwevingsgebied (NVWG)

Aantal gebieden

Totale oppervlakte (ha)

Mediaan (ha)

25percentiel (ha)

75percentiel (ha)

VEN (toestand op 31/12/‘06)

3328

70.325

1,6

0,2

11,0

Gewenst VEN

4970

93.223

0,6

0,1

5,3

Buiten VEN 55.587 (toestand op 31/12/‘06)

205.139

0,4

0,2

1,3

Buiten gewenst VEN

54.288

182.242

0,4

0,1

1,2

139

10.417

1,4

0,2

8,6

Militaire domeinen

de oppervlakte op zich toeneemt maar dat de gemiddelde grootte van aaneengesloten gebieden met hogere biologische waarde afneemt. Dat komt doordat bij de verdere afbakening van het VEN meer gebieden met ‘te ontwikkelen natuur’ in aanmerking komen. Zij zullen op termijn tot grotere gebieden met hogere biologische waarde leiden.

199

Tabel 10.5: Mediane oppervlakte van gebieden met hogere biologische waarde (waardevol, waardevol met zeer waardevolle elementen, zeer waardevol) binnen de verschillende gebiedscategorieën (2006, bron: INBO).


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

Biologisch minder waardevol Biologisch waardevol Biologisch waardevol met zeer waardevolle elementen Biologisch zeer waardevol

Figuur 10.10: Verdeling van de biologische waarde binnen de verschillende gebiedscategorieën (31 december 2006, bron: INBO).

Vlaanderen Militaire domeinen met natuurprotocol Gewenst natuurverwevingsgebied Gewenst VEN VEN (toestand op 31 dec 2006) 0

#10

40

80

120

160

200

240

280

1300

1400

Oppervlakte (x1000 ha)

2.3 Natuurkwaliteit Biologische waarde Om de natuurkwaliteit van de huidige en gewenste gebiedscategorieën (huidig en gewenst VEN/militaire domeinen) aan te geven worden een aantal indicatoren besproken met betrekking tot biologische waarde en potentiële habitats voor fauna. In figuur 10.10 wordt aangegeven hoe de verdeling is van de biologische waarde binnen de verschillende gebiedscategorieën. De waardering is gebaseerd op de biologische waarderingskaart. Daaruit werden de gebieden met de waardering waardevol, waardevol met zeer waardevolle elementen en zeer waardevol geselecteerd. Meer dan 80 % van de oppervlakte van het huidige VEN heeft een hoge tot zeer hoge biologische waarde. Het grootste aandeel (40 %) wordt ingenomen door zeer waardevolle natuur. De oppervlakte aan militaire domeinen in Vlaanderen is beperkt, maar het aandeel biologisch waardevol tot zeer waardevol gebied is er met 86 % wel hoog. Aangezien de militaire domeinen ook grote aaneengesloten gehelen vormen, zijn zij van groot belang voor de natuurlijke structuur. Bij uitwerking van het gewenste VEN (figuur 10.10) zien we dat de totale oppervlakte stijgt, maar dat het procentuele aandeel van waardevolle tot zeer waardevolle natuur ten opzichte van het huidige VEN terugvalt. Tot nu toe werd het huidige VEN vooral afgebakend boven bestaande groene gewestplanbestemmingen. Het

200


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

is dan ook vanzelfsprekend dat die gebieden een grote biologische waarde hebben. De verdere afbakening omvat grotendeels gebieden die thans andere bestemmingen hebben en derhalve globaal genomen een minder hoge biologische waarde hebben. Binnen gewenste natuurverwevingsgebieden is ongeveer de helft van de aangegeven oppervlakte biologisch waardevol tot zeer waardevol. Men zou zich de vraag kunnen stellen of die waardevolle gebieden niet eerder naar het VEN moeten (kunnen) worden verschoven. Tabel 10.6: Meerwaarde van de verschillende gebiedscategorieën voor de bescherming van de biologische waarde (2007, bron: INBO).

Biologisch waardevol met zeer waardevolle elementen(ha) 44.283

Biologisch waardevol (ha)

Opp. in Vlaanderen

Biologisch zeer waardevol (ha) 78.932

152.236

Biologisch waardevol tot zeer waardevol (ha) 275.451

Groenbestemming op GWP 1994

53.350 (68 %)

20.726 (47 %)

61.954 (41 %)

136.030 (49 %)

Groenbestemming op GWP 2002

55.623 (70 %)

22.276 (50 %)

65.292 (43 %)

143.191 (52 %)

VEN (toestand op 31/12/2006)

56.591 (72 %)

23.320 (53 %)

67.082 (44 %)

146.993 (53 %)

Gewenst VEN

60.231 (78 %)

27.971 (63 %)

78.699 (52 %)

166.901 (61 %)

Voor de drie natuurwaardencategorieën blijkt duidelijk dat met de huidige afbakening van het VEN de meerwaarde zeer beperkt is, gezien het merendeel van de waardevolle natuur reeds onder een groene planologische bestemming viel. Het is pas bij de uitvoering van het gewenste VEN dat de grote veranderingen zich zullen voordoen, waarbij heel wat gebieden met waardevolle tot zeer waardevolle natuur een groene planologische bescherming kunnen krijgen. Daarbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat het gewenste VEN een hypothetische toestand is die ook niet voor 100 % kan worden gerealiseerd aangezien de oppervlakte gewenst VEN (142.000 ha) ruimschoots boven de 125.000 ha af te bakenen oppervlakte VEN ligt. Het proces voor de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk geeft, als gevolg van de vertraging, momenteel nauwelijks meerwaarde met betrekking tot oppervlakte natuur die een groene planologische bestemming heeft ten opzichte van het proces dat in de periode tussen 1994 en 2002 werd gevolgd. Ondanks het feit dat de militaire domeinen minder dan 1 % van de oppervlakte van Vlaanderen in beslag nemen, ligt toch 8 % van de (actueel) zeer waardevolle en 5 % van de waardevolle natuur van Vlaanderen binnen die gebieden. Fauna Om de betekenis van het VEN/NVWG voor fauna in te schatten werden de potentiële habitatkaarten van een aantal soorten [155] geconfronteerd met de huidige en gewenste afbakening van het VEN/NVWG. De selectie van de soorten is naast de beschikbaarheid van digitaal kaartmateriaal ook gekozen in functie van het biotoop waarvoor die soorten kenmerkend zijn: heikikker (heide), hamster (akkers), vuursalamander (bos), bruine kiekendief (rietland (moeras)).

201


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

Figuur 10.11 geeft de planologische beschermingsgraad weer van de potentieel geschikte kernhabitat. De oppervlakte per soort is zeer uiteenlopend. Op basis van die figuur kunnen we volgende conclusies trekken: ! De meerwaarde van het huidig afgebakende VEN/NVWG is nog zeer beperkt in vergelijking met

het planologische groen in 1994. Voor de helft van de geselecteerde soorten omvat de extra bescherming 1-2 %, vooral door de afbakening van het VEN. ! Uit de grafiek blijkt wel dat bij uitwerking van de gewenste natuur- en bosstructuur nog heel wat

potentiĂŤle habitat een groene planologische bestemming zou kunnen bekomen. Voor de bruine kiekendief kan dat oplopen tot 15 % extra groenbestemming. ! De hamster vormt hierop de grote uitzondering. Als typische akkersoort is het logisch dat het VEN

hem geen bescherming biedt. Indien de GNBS gerealiseerd zou zijn (inclusief natuurverweving), dan nog heeft meer dan 90 % van de potentieel geschikte habitat voor de hamster geen planologische bescherming. Een goede samenwerking met de landbouw (o.a. via beheerovereenkomsten (zie hoofdstuk 13 Landbouw)) is hier dan ook essentieel. ! Voor typische heidesoorten zoals de heikikker zien we dat de militaire domeinen een belangrijke

rol spelen met betrekking tot de bescherming van de potentiĂŤle kernhabitat (heide). Dat biotoop

#10

is overwegend binnen de militaire domeinen terug te vinden. Er werd gekozen om militaire domeinen niet als VEN/NVWG af te bakenen, maar ook hier kan weer aangetoond worden dat die domeinen een belangrijke ecologische waarde hebben in aanvulling op de gebieden van de natuurlijke structuur. ! Voor de vuursalamander vormt het huidig afgebakende VEN een verwaarloosbare meerwaarde in

vergelijking met 1994. Dat is toe te schrijven aan het feit dat veel bossen (kernbiotoop voor de soort) reeds voor 2003 een groene gewestplanbestemming hadden.

Groene bestemming op gewestplan 2002 Militair domein met natuurprotocol Extra groene bestemming door VEN/IVON Extra groene bestemming door gewenst VEN/IVON Habitat zonder groene bestemming

Figuur 10.11: Aandeel van de potentieel geschikte habitat van 4 soorten dat vanwege de huidige en gewenste VEN/NVWG een planologische bescherming heeft (2006, bron: INBO).

Heikikker Vuursalamander Bruine kiekendief Hamster 0

20

40

60

Oppervlakte (%)

202

80

100


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #10 Vlaams Ecologisch Netwerk

03 Kennis ! Er is onvoldoende informatie over de huidige toestand (nulmeting) van het afgebakende

VEN/IVON. Op termijn is dat zeker noodzakelijk wil men kunnen nagaan welke impact het VEN/IVON op de natuur (fauna en flora) heeft. De nulmeting moet zodanig uitgevoerd worden dat het verschil tussen gebieden binnen en buiten VEN/IVON kan worden vergeleken. Er bestaat gebiedsdekkende informatie over heel wat soorten, maar het niveau van uurhokken is veel te ruw om een verband te leggen met het afgebakende VEN. Beter wordt meer gedetailleerde informatie verzameld in een weloverwogen steekproefschema. ! Voor een evaluatie van het gebiedsgericht natuur- en bosbeleid ontbreekt een kaart met de

bosbeheerplannen (zie hoofdstuk 7 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen). ! De 2010-doelstelling moet worden geconcretiseerd in Vlaamse prioriteiten die mee de afbakening

en invulling van het VEN/IVON moeten leiden. Er is geen Vlaamse taakstelling over de te behouden of te realiseren natuurwaarden, noch over de te nemen maatregelen. De invulling gebeurt bottom-up. Dat bemoeilijkt het optimaal afstemmen van de beleidsuitvoering op de realisatie van de 2010-doelstelling. ! Het aspect ‘natuur verbinden’ werkt nog te weinig als facet door in het reguliere beleid van actoren

in het buitengebied. Een goede methodiek om dat aspect te vertalen naar het reguliere beleid zou in belangrijke mate bijdragen aan een grotere dynamiek rond het thema en vergroot de kans op terreinrealisaties. Dit aspect van natuurverbinding verdient zeker meer aandacht de komende jaren.

Lectoren Niko Boone - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Grete De Maeyer - Provincie Vlaams-Brabant Freddy Janssens - Provinciaal Natuurcentrum Provincie Limburg Lon Lommaert - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Hilde Naessens - Agentschap voor Natuur en Bos Jeroen Panis - Agentschap voor Natuur en Bos Mietje Peeters - Provincie Limburg, afdeling Milieu en Natuur Geert Sterckx - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Dirk Vandenbussche - Provinciaal Instituut voor Hygiëne, dienst Natuur Christophe Vandevoort - Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed

203


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

Recreatie in natuur- en bosgebieden Toon Van Daele1, Gudrun Van Langenhove2, Luc De Bruyn1, Jeroen Bryon3, Myriam Dumortier1 1 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2 Agentschap voor Natuur en Bos, 3 K.U.Leuven â&#x20AC;&#x201C; Steunpunt Buitenlands Beleid, Toerisme en Recreatie - Spoor Toerisme en Recreatie

! Het natuurbeleid heeft toenemende aandacht voor de recreatieve functies van

bossen en natuurgebieden. Er is echter weinig afstemming tussen vraag en aanbod aan recreatieve voorzieningen in bossen en natuurreservaten op schaal Vlaanderen. ! Hoewel de recreatieve functie van natuur eens aandachtspunt is voor het beleid,

wordt in Vlaanderen weinig onderzoek uitgevoerd naar de draagkracht van natuur ten aanzien van recreatie. Er is een gebrek aan kennis over de impact van verschillende recreatievormen en de onderlinge relaties. ! Het aantal mensen dat zegt minstens een maal per jaar een natuur- of bosgebied

te bezoeken is de afgelopen tien jaar licht gedaald. Personen met een lager inkomen of opleidingsniveau bezoeken proportioneel veel minder natuur- of bosgebieden. Hoe meer groen in de woonomgeving hoe frequenter mensen naar natuur- en bosgebieden trekken.

D

Bezoeken aan natuur- en bosgebieden

R

Subsidies (oppervlakte) speelzones in natuurreservaten en bossen

R

Gesubsidieerde openstelling van erkende natuurreservaten

Het natuurbeleid heeft in de eerste plaats natuurdoelstellingen voor ogen, met name het stoppen van de achteruitgang van de biodiversiteit (2010-doelstelling). Daarnaast wordt steeds meer belang gehecht aan de maatschappelijke meerwaarde van natuur en een natuurlijke omgeving. De druk op de afnemende open ruimte wordt groter. Meer en meer worden begrippen als medegebruik en functieverweving gehanteerd om verschillende functies op de beperkte oppervlakte optimaal te ontwikkelen.

204


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

In het MINA-plan 3 worden reeds enkele doelstellingen geformuleerd om de toegankelijkheid en de belevingswaarde van natuur- en bosgebieden te vergroten. Die doelstellingen komen voort uit de wil om het maatschappelijke draagvlak voor het natuurbeleid te vergroten. In de recente regeerakkoorden [230] en de beleidsnota van de minister [229] is de toegankelijkheid van de natuur en het optimaliseren van recreatieve mogelijkheden in bossen, natuur- en groengebieden een belangrijk aandachtspunt. Deze evolutie op Vlaams niveau sluit aan bij de benadering van de Millenium Ecosystem Assessment [134]. Bij de opsomming van de 'goods & services' wordt steeds de recreatieve waarde van ecosystemen vermeld. Rechtstreeks leveren recreatieve activiteiten in de natuur een aanzienlijke meerwaarde voor de algemene gezondheidstoestand en het welzijn van mensen. Verscheidene onderzoeken geven aan dat natuur belangrijk is voor de algemene gezondheid, zowel mentaal als fysiek [113].

01 Toestand 1.1 Recreatief gebruik Recreatievormen in natuur- en bosgebieden Wandelen en fietsen zijn erg populair, maar ook nieuwe activiteiten zoals moutainbiking, nordic walking, geocaching (zoektochten met een GPS) en mushing (sledehondensport) komen op. Globaal zien we een trend waarbij belevenissen of 'experiences' erg belangrijk zijn. Het landschap is daarbij soms slechts een decor waarin een bepaalde activiteit wordt uitgevoerd [132]. Tussen de recreatievormen zijn er onderlinge conflicten. Een sterkere scheiding van verschillende recreatievormen legt mogelijk meer beperkingen op de natuurdoelstellingen. Er is een sterke vraag naar toegankelijke natuur in de nabije omgeving. Mensen verwachten een fijnmazig fiets- en wandelnetwerk op beperkte afstand van de stedelijke omgeving. De verwachtingen naar recreatieve inrichtingen (parkings, zitbanken, speelmogelijkheden, …) voor gezinsrecreatie nemen toe [132]. Een groene woonomgeving wordt als een belangrijk kwaliteitselement beschouwd [245]. Bezoekfrequentie aan natuur- en bosgebieden De jaarlijkse survey naar sociaal-culturele verschuivingen van de Studiedienst van de Vlaamse Regering bevat o.a. een bevraging naar het aantal bezoeken aan natuur- en bosgebieden. De survey bevraagt elk jaar ongeveer 1500 respondenten, representatief voor de Vlaamse bevolking [246]. De concepten natuur- en bosgebied dienen hier vrij ruim te worden geïnterpreteerd. Allicht rekenen de respondenten een wandeling in een open en groene landschappelijke omgeving eveneens mee in hun antwoord op die vragen. De bevraging is evenmin beperkt tot Vlaanderen, bezoeken van Vlamingen in Wallonië of over de landsgrenzen heen worden meegerekend. In 2006 gaf 63 % van de respondenten aan meerdere keren per jaar een natuur- of bosgebied te bezoe-

205


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

ken (figuur 11.1). Dat percentage kent sinds de eerste bevraging een lichte daling. Met name de groep met de hoogste bezoekersfrequentie (meerdere keren per maand) is de afgelopen jaren afgenomen van 16,8 % in 1997 tot 11,5 % 2006. De groep 'meerdere keren per jaar' neemt licht toe, maar tegelijk neemt ook de groep van mensen die beweren nooit een natuur- of bosgebied te bezoeken toe.

#11

100

Percentage van de respondenten (%)

Figuur 11.1: Frequentie bezoeken aan natuuren bosgebieden (de resultaten van 1999 zijn niet opgenomen omwille van afwijkende antwoordcategorieën) [bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering].

80

60

40

20

0

1997

1998 1999

2000

2001 2002

2003 2004

2005 2006

Nooit Hoogstens één keer per jaar Meerdere keren per jaar Eén keer per maand Meerdere keren per maand

De bezoekfrequentie varieert naargelang de leeftijd, woonomgeving en socio-economische achtergrond. Leeftijd Er zijn duidelijke verschillen voor de bezoekersfrequenties bij de verschillende leeftijdsklassen (figuur 11.2). Enerzijds neemt het aantal personen dat nooit een natuur- of bosgebied bezoekt sterk toe met de leeftijd, maar anderzijds is de leeftijdsklasse 60 tot 70 jaar de groep met het hoogst aantal respondenten die meerdere keren per maand een natuur- of bosgebied bezoekt. Een hogere leeftijd kan fysieke beperkingen met zich meebrengen om wandelingen te maken in natuur- en bosgebieden, maar anderzijds heeft die groep juist meer tijd om te wandelen [14, 132]. Rekening houdend met de demografische verschuivingen (vergrijzing) in de komende decennia is het interessant om op dit vlak even vooruit te kijken. De oudere mensen zullen in de toekomst vitaler leven en zullen gezonder oud worden, waardoor ze hun vrije tijd langer actief kunnen invullen. Het aandeel van de leeftijdsgroep 60- tot 80-jarigen zal toenemen van 19 % nu, tot 23 % van de totale bevolking in 2020 [141].

206


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

Percentage van de respondenten (%)

100

Figuur 11.2: Frequentie van bezoeken aan natuur- en bosgebieden in functie van de leeftijdsklasse [bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering]

80

60

40

20

0

15-20

20-30

30-40

40-50

50-60

60-70

70-80

80-85

Nooit Hoogstens één keer per jaar Meerdere keren per jaar Eén keer per maand Meerdere keren per maand

Leeftijdsklasse Woonomgeving Om het percentage aan groene omgeving aan te duiden werden op basis van de natuurgerichte bodembedekkingskaart [240] alle waardevolle natuur-, bos- en parkgebieden geselecteerd in een ruime omgeving (straal van 10 km) rond de woonplaats van de respondenten. Uitsluitend toegankelijke gebieden selecteren is niet mogelijk, maar aangenomen wordt dat de oppervlakte toegankelijk groen evenredig toeneemt met de totale oppervlakte groen. De oppervlakte groen in de ruime leefomgeving heeft slechts weinig invloed op de categorieën 'hoogstens één keer per jaar' en 'nooit' (figuur 11.3). Er is echter een verschuiving van de categorieën 'meerdere keren per jaar' en 'een keer per maand' naar de categorie 'meerdere keren per maand' naarmate er meer groen in de omgeving is.

Percentage van de respondenten (%)

100

Figuur 11.3: Frequentie van bezoeken aan natuur- en bosgebieden in functie van het percentage groen in de omgeving (straal van 10 km) [brongegevens: Studiedienst van de Vlaamse Regering, 240].

80

60

40

20

0

0 - 10

10 - 20

20 - 30

30 - 40

Oppervlakte groen (%)

40 - 50

Nooit Hoogstens één keer per jaar Meerdere keren per jaar Eén keer per maand Meerdere keren per maand

207


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

Socio-economische en maatschappelijke achtergrond Er is een duidelijk verschil tussen de verschillende opleidings- en inkomensniveaus. Meer dan de helft van de respondenten zonder diploma of met enkel een diploma van het lager onderwijs zegt nooit een natuurof bosgebied te bezoeken terwijl dat bij de universitairen slechts 8,7 % is. De hogeropgeleide respondenten gaan proportioneel meer naar natuur- en bosgebieden dan lageropgeleiden of personen met een lager inkomen [14]. Het engagement ten aanzien van milieu en natuur bepaalt in grote mate de bezoekfrequentie. Leden van een milieu- of natuurvereniging bezoeken frequenter natuur- en bosgebieden dan mensen die geen lid (meer) zijn. Er is een duidelijke positief verband tussen de bezorgdheid over het milieu en de bezoekfrequentie. [14] De omgeving waarin men opgroeit en de afkomst hebben een invloed op de bezoekfrequentie. Er is een verband tussen de hoeveelheid groen in de leefomgeving waarin jongeren opgroeien en de mate van betrokkenheid bij natuur en milieu [132]. Uit studies in Nederland blijkt dat allochtonen en jongeren minder bekend zijn met de natuurgebieden in hun omgeving dan autochtonen en ouderen. Ze vinden die min-

#11

der aantrekkelijk en hechten relatief meer waarde aan intensief onderhouden parken [29, 132].

1.2 Ecologische draagkracht De relatie tussen natuur en recreatie omvat twee enigszins tegengestelde aspecten. Enerzijds gaat men ervan uit dat het bevorderen van recreatieve activiteiten binnen natuur- en bosgebieden bijdraagt tot het draagvlak voor de doelstellingen van het natuurbeleid. Anderzijds kan recreatie snel de draagkracht van een ecosysteem overstijgen en verstorend werken. De kennis over de ecologische draagkracht en de relatie recreatie-natuur is beperkt. Meestal zijn de resultaten gebiedsgebonden en beperkt tot ĂŠĂŠn enkele soort of soortgroep. Op zeer lokale schaal hebben zowat alle recreatie-invloeden een negatief effect op de aanwezige fauna en flora. Dat hoeft voor de instandhouding van een soort op gebiedsniveau echter niet altijd een probleem te zijn [98]. De omvang van de effecten op natuur wordt door de volgende 5 factoren bepaald [38, 166]: ! Recreatievorm: De intensiteit van de impact wordt o.a. bepaald door de aard van de recreatie. In

dit hoofdstuk wordt de nadruk gelegd op de gewenste zachte recreatievormen zoals wandelen, fietsen, paardrijden en spelende jeugd. Het zijn die recreatievormen die men in bossen en natuurgebieden optimaal wil laten samengaan met de natuurfuncties. Harde recreatievormen zoals gemotoriseerde recreatie zijn in bossen en natuurreservaten verboden en worden er sowieso geweerd. ! Gebruiksfrequentie: Studies geven aan dat de relatie tussen gebruiksfrequentie en impact een

asymptotisch verloop kent [37] (Figuur 11.4). Dat betekent dat naarmate de gebruiksfrequentie toeneemt de extra impact steeds minder toeneemt. Door de recreatie op beperkte locaties te concentreren kan de totale impact voor het hele gebied worden beperkt. Wanneer dezelfde hoeveelheid recreatie over een heel gebied wordt verspreid, is de impact veel groter.

208


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

Impact

Figuur 11.4: Schematische weergave van de impact op natuur in functie van de gebruiksfrequentie (naar [37]).

Gebruiksfrequentie

! Bezoekperiode: De impact varieert in veel gevallen naargelang de periode in het jaar. Het broed-

seizoen (zeker voor broedvogels van open terrein) is bijvoorbeeld een gevoelige periode voor verstoring. De meeste planten zijn in het voorjaar veel gevoeliger voor betreding dan in het najaar. ! Gedrag: Naast de toegelaten recreatie-activiteiten komt altijd een deel ’niet-geregelde’ recreatie

voor. ‘Off-trackbezoekers’ hebben een verstorende impact die vele malen groter is dan een gewone wandelaar [73]. Bijlsma [15] zag het aantal niet toegelaten bezoeken in het afgesloten deel van het natuurgebied Planken Wambuis in gelijke mate toenemen met de bezoeken aan het opengestelde deel van het gebied. Het is dus onvermijdelijk dat een deel van de recreanten zich niet aan de vooropgestelde toegangsregeling houdt. De impact ervan is in verhouding tot de geregelde recreatie zeer hoog. ! Omgevingscondities: het bodemtype, de waterhuishouding en de aard van de levensgemeenschap,

het landschapstype (open of gesloten), bepalen in belangrijke mate de draagkracht t.a.v. recreatieve activiteiten.

Belangrijke invloeden op natuur ! Betreding wordt beschouwd als een van de belangrijkste recreatie-invloeden, omdat dat altijd

optreedt en duidelijk zichtbare effecten heeft. Betreding heeft rechtstreekse effecten op de vegetatie (hoogte, bedekking en soortensamenstelling) en onrechtstreekse effecten (bodemverdichting) met verandering van de soortensamenstelling tot gevolg.Het occasioneel verlaten van de paden kan effect hebben over een lange periode. Wanneer de doorgang lang zichtbaar blijft, bestaat de kans dat de betreding wordt verdergezet [167]. Het herstel van bodemcompactie hangt af van het bodemtype en de graad van compactie. In het algemeen verloopt het herstel van bodemcompactie zeer langzaam. Anderzijds neemt bij lichte betreding het aantal soorten in sommige gevallen toe [11]. Een lichte betreding kan soms aansluiten bij een natuurlijke verstoring die net structuur in de plantengemeenschap brengt.

209


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

! Rustverstoring heeft vooral effect op grotere zoogdieren en vogels. Ook wandelen heeft een rela-

tief grote verstoring voor zoogdieren en broedvogels. Het is niet alleen de meest frequente recreatievorm, de afstand waarop dieren vluchten ten gevolge van wandelaars is groot. Het onderzoek naar het verstorende effect door de aanwezigheid van mensen is beperkt. Het meeste onderzoek wordt uitgevoerd naar de verstoring van broedvogels. De verstoringsgevoeligheid varieert sterk naargelang de omstandigheden en de soort. Broedvogels die in open terrein nestelen, zoals duinpieper of nachtzwaluw, vliegen sneller op dan bosvogels. Het vluchtgedrag verschilt wanneer de vogels foerageren, rusten of broeden. De vluchtafstand – de afstand tussen persoon en dier waarop het dier beslist om te vluchten – is sterk afhankelijk van het gewicht en de grootte van de vogels. Kleinere vogels vliegen minder snel weg. Op basis van experimentele onderzoeken [40, 177, 243] kon een tabel met soortspecifieke vluchtafstanden worden opgesteld. De afstanden variëren van gemiddeld 5 m voor pimpelmees tot 160 m voor wulp. Afgeleid daarvan kan een indicatie voor het maximale aantal gedulde wandelaars per hectare worden berekend [98].

Periodiek afsluiten van gebieden ten behoeve van broedvogels

#11

Het is moeilijk om aan te tonen dat broedvogels uit gebieden verdwijnen door toegenomen recreatiedruk omdat er vrijwel nooit bruikbare cijfers over recreatiedruk beschikbaar zijn. Er zijn heel wat andere factoren die het verdwijnen van vogels kunnen verklaren, zoals vervuiling, successie en predatie [7]. Het omgekeerde is wel vastgesteld. Gebieden die worden afgesloten voor recreatie worden weer bezet door kustbroedvogels [7]. De beperking van de toegankelijkheid van het Vlaams natuurreservaat de Baai van Heist is daarvan een goed gedocumenteerd voorbeeld. Veel kustbroedvogels staan op de Rode Lijst van broedvogels in Vlaanderen. De afgelopen eeuw is de habitat met geschikt dynamisch kustgebied vrijwel geheel verdwenen door de aanleg van dijken, bebouwing en haveninfrastructuur. De stranden worden zowel in de zomer als in de winter zeer druk bezocht. Als gevolg van die toegenomen recreatiedruk en habitatvernietiging zijn de vogelsoorten, die zich aan deze specifieke niche hadden aangepast, sterk onder druk komen te staan [182]. Tegen de oostelijke havenarm in Zeebrugge ontstond in de jaren tachtig een primair duingebied. In het gebied werden broedpogingen van strandplevier waargenomen, maar door de aanwezigheid van wandelaars, honden en badgasten kwamen de vogels niet tot broeden. In 1998 werd het gebied een Vlaams natuurreservaat. Het gebied werd afgesloten voor het publiek en permanent bewaakt tijdens het broedseizoen (van april tot juli). Meteen daarna kwamen pioniersoorten, zoals dwergstern en strandplevier, er tot broeden. Het succes van de nesten was echter beperkt door overstuiving met zand en predatie door torenvalken [182]. De bescherming van het strand is uiterst beperkt.

Foto: Baai van Heist (Maurice Hoffmann)

210

De Baai van Heist en het nabijgelegen Sternenschiereiland kunnen worden beschouwd als de enige twee strandreservaten die vrij zijn van menselijke verstoring. Beide gebieden vallen onder het Vogelrichtlijngebied ‘Zeebrugge-Heist’ omdat ze internationaal belangrijke aantallen kustbroedvogels (namelijk dwergstern, visdief en grote stern) herbergen die hier met succes kunnen broeden [42].


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

! Plukken en verzamelen: Het plukken van vruchten heeft vrijwel geen effect op de vitaliteit van

een soort [60]. Het plukken van bloemen is meestal evenmin bedreigend voor een soort. Het verzamelen (hele planten, dieren of eieren) veroorzaakt wel veel schade. In het geval van geïsoleerde populaties kan verzamelen het plaatselijk verdwijnen van soorten tot gevolg hebben [98].

02 Beleid 2.1 Planning en instrumentering Het beleid van ANB met betrekking tot de sociaal-educatieve functies van bossen en natuurgebieden is in hoofdzaak gericht op de toegankelijkheid van de bossen en de natuurreservaten voor zachte recreatie. Natuurdecreet Het Natuurdecreet1 voorziet de mogelijkheid tot recreatief medegebruik binnen de natuurreservaten, voor zover dat medegebruik inpasbaar is in de doelstelling van het reservaat (art. 34). De wandelwegen zijn toegankelijk voor voetgangers en bijkomende toegankelijkheid kan worden geregeld met een openstellingsplan dat een onderdeel vormt van het beheerplan. Bij de aanpassing van het Natuurdecreet van 19 mei 2006 zijn de mogelijke redenen om af te wijken van de verbodsbepalingen (art. 35) uitgebreid met 'redenen voor recreatief medegebruik' en 'educatief medegebruik'. Die aanpassing maakt het onder meer mogelijk officiële speelzones in natuurreservaten aan te duiden. Onder bepaalde voorwaarden voorziet de uitbreiding eveneens de mogelijkheid om weidelijke jacht en visserij in het openstellingsplan op te nemen. De overheid subsidieert de oprichting van bezoekerscentra en van inrichtingswerken die de verbeterde openstelling tot doel hebben. In natuurreservaten worden zo subsidies verleend voor het onderhoud van wandelpaden, knuppelpaden en kijkhutten. Bosdecreet Het Bosdecreet2 is gebaseerd op een multifunctioneel beheer. Naast de economische, ecologische en milieubeschermende functie, vormt de 'sociale & educatieve' functie een belangrijk onderdeel van het bosbeheer (art. 10). In de regel zijn alle bossen toegankelijk voor voetgangers, mits men op de boswegen blijft. Eigenaars van privébossen kunnen echter wel op eigen initiatief hun bossen ontoegankelijk verklaren. Via een stimuleringsbeleid (subsidies openstelling) tracht de overheid de toegankelijkheid van privébossen te verhogen. Voorlopig zijn er alleen cijfers over de evolutie van de doelstellingen inzake toegankelijkheid in de beperkte bosbeheerplannen voorhanden. De oppervlakte geheel of gedeeltelijk toegankelijk bos neemt toe (zie hoofdstuk 12 Bosbeheer). Bosbeheerders die hun bos openstellen kunnen jaarlijks subsidies krijgen ten behoeve van het onderhoud van opengestelde boswegen en speelzones.

1) Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006) 2) Decreet van 13 juni 1990 (BS 28/9/1990), gewijzigd bij decreet van 21 oktober 1997 (BS 10/1/1998) , decreet van 18 mei 1999 (BS 23/7/1999), decreet van 17 juli 2000 (BS 17/8/2000), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/8/2002), decreet van 24 december 2004 (BS 31/12/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/5/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/6/2006)

211


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

Functieverweving en medegebruik Het verschil tussen functieverweving en recreatief medegebruik ligt in de onderlinge verhouding van de functies. Het begrip recreatief medegebruik werd eind jaren 70 in Nederland geïntroduceerd om het concept van extensieve openluchtrecreatie in landbouw- of natuurgebieden aan te geven. Er wordt daarbij gedacht aan recreatievormen zoals wandelen, fietsen, hengelen, paardrijden, spelen, … Recreatief mede- of nevengebruik wordt omschreven als vormen van openluchtrecreatie die plaatshebben in een omgeving met een niet-recreatieve hoofdfunctie. Het medegebruik is daarbij onder- of nevengeschikt aan het hoofdgebruik [237]. Bij medegebruik is er dus sprake van ongelijkwaardigheid van functies of gebruikers. Bij functieverweving daarentegen zijn de verschillende functies in principe gelijkwaardig, maar kunnen plaatselijk accenten worden gelegd [53] (zie kader over het Kluisbos). Er is een duidelijk verschil in benadering tussen het Bos- en Natuurdecreet. Het principe van multifunctionaliteit of functieverweving is sinds 1990 ingeschreven in het Bosdecreet als een van de belangrijkste principes van het bosbeleid. Het Natuurdecreet daarentegen hanteert het principe van medegebruik voor natuurreservaten. Vanuit een planologische benadering is de recreatiefunctie in natuurgebieden vrijwel altijd een bijkomend aspect, maar in realiteit is dat niet noodzakelijk het geval. Het is daarom belangrijk uit te gaan van een geïntegreerde visie voor de verschillende functies en gebruiken in een gebied. Daarbij is het soms noodzakelijk doelstellingen te herzien of ter discussie te stellen [44].

#11 Een gezamenlijk toegankelijkheidsbeleid voor bossen en natuurreservaten Zoals aangekondigd in de beleidsnota 2004-2009 is momenteel een geïntegreerd besluit in de maak met als voornaamste doelstelling een uniforme en vereenvoudigde regelgeving inzake toegankelijkheid voor de Vlaamse bossen en natuurreservaten aan te bieden. ! Het besluit zal uitvoering geven aan de artikels met betrekking tot toegankelijkheid (art. 13, 34 en

35) in het Natuurdecreet. Tot nu toe werd daarover nog geen besluit uitgevaardigd. Het ontbrak daardoor aan een juridische basis voor onder andere het plaatsen van toegankelijkheidsborden aan de ingangen van natuurreservaten en de mogelijkheid om op basis van deze bebording overtredingen te verbaliseren. ! Voor de artikels met betrekking tot toegankelijkheid in het Bosdecreet werd in 1993 een besluit uitgevaardigd3. Sinds de wijzigingen van het Bosdecreet van 18 mei 1999 is een aanpassing

echter noodzakelijk. Dit geïntegreerde besluit toegankelijkheid zal van toepassing zijn op alle bossen (domeinbossen, andere openbare bossen en privébossen) en op natuurreservaten (erkende en Vlaamse natuurreservaten). Op natuurgebieden die door ANB of andere instanties worden beheerd, maar niet zijn erkend of aangewezen, is het besluit niet van toepassing. De toegankelijkheid voor voetgangers, fietsers, ruiters en menners (bestuurders van gespannen) wordt geregeld via een toegankelijkheidsregeling die een onderdeel vormt van het beheerplan. Het geeft de beheerder ook de mogelijkheid om specifieke zones af te bakenen: speelzones, hondenzones, bivakzones en vrij toegankelijke zones voor voetgangers.

3) Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende de toegankelijkheid en het occasionele gebruik van de bossen (BS 15/09/1993)

212


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

2.2. Beleidsuitvoering In het MINA-plan 3 wordt de uitbreiding van toegankelijkheid van natuur- en bosgebieden gezien als een stimulerende maatregel om het maatschappelijke draagvlak te vergroten. Daarbij worden drie maatregelen aangehaald: openstellen van natuurgebieden en bossen, subsidiëring van bezoekerscentra en uitbreiding van natuur- en bosgebieden nabij woonkernen. Zowel vanuit economisch als ecologisch standpunt is een afstemming tussen vraag en aanbod essentieel. In Vlaanderen bestaat vooralsnog geen gebiedsdekkende bevraging inzake recreatieve behoeften. Wel zijn in het verleden een aantal lokale studies uitgevoerd (o.a. in Meerdaalwoud-Heverleebos) [137]. Openstelling van privébos Voor het jaar 2007 werd voor heel Vlaanderen 82,1 km opengestelde bosweg gesubsidieerd. In verhouding tot het potentieel in privébossen is dat zeer weinig. De subsidies geven aan hoe het openstellingsbeleid doorwerkt, maar geven geen inzicht in de reële toegankelijkheid van de privébossen. Er zijn eveneens grote verschillen tussen de provincies (figuur 11.5). De totale lengte gesubsidieerde bosweg neemt elk jaar toe, maar dat is vrijwel geheel toe te schrijven aan dossiers uit Antwerpen. Met name voor de provincie Limburg zijn er duidelijk minder subsidieaanvragen dan men zou verwachten op basis van de oppervlakte bossen in privé-eigendom. Het Subsidiebesluit voor erkende natuurreservaten4 voorziet een subsidie voor de openstelling van

Opengestelde bosweg in privébossen (km)

erkende natuurreservaten. Het betreft gewone paden, knuppelpaden of andere structuren voor moei-

50

Figuur 11.5: Totale lengte opengestelde bosweg waarvoor subsidie werd toegekend, per provincie en per subsidiejaar [bron: Agentschap voor Natuur- en Bos].

40

30

20 Antwerpen Limburg West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant

10

0

2005

2006

2007

4) Besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies (BS 12/09/2003)

213


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

80

#11

Gemiddelde gesubsidieerde openstelling (m/ha)

Figuur 11.6: Evolutie van de gesubsidieerde openstelling van de erkende natuurreservaten. (De openstelling is de som van de lengte wandelpaden en gelijkgestelde lengte knuppelpaden en kijkhutten. 1 m knuppelpad is goed voor 5 m pad en een kijkhut wordt omgerekend naar 175 m pad) [bron: Agentschap voor Natuur- en Bos].

70 60 50 40 30 20 10 0

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

lijk toegankelijk terrein en kijkhutten. Om in aanmerking te komen voor de subsidie dient in het beheerplan een openstellingsplan te worden opgemaakt. In 2007 werden 31 kijkhutten gesubsidieerd, 2,95 km knuppelpad en 768,8 km wandelpad. De gemiddelde openstelling van erkende natuurreservaten is sinds 2000 toegenomen van 40 tot 68 m pad per hectare (figuur 11.6). Charter voor Jeugd, Natuur en Bos Op 7 juli 2004 werd het Charter voor Jeugd, Natuur en Bos ondertekend. De Vlaamse minister voor Leefmilieu en Natuur, vzw Natuurpunt, vzw Vlaamse Jeugdraad en vzw Steunpunt Jeugd engageren zich met dit charter om meer kansen te creĂŤren voor natuurbeleving en jeugdrecreatie in bos en natuur. Het Go-4-Nature project is op dit charter geĂŻnspireerd en wil natuurbeheer koppelen aan jeugdactiviteiten. Jeugdbewegingen en beheerders of eigenaars worden erin uitgenodigd om gezamenlijk projecten in te dienen. De jeugdbeweging engageert zich in het project tot bepaalde natuurbeheerwerken of landschapszorg. De beheerder of eigenaar verbindt zich ertoe een bepaalde vorm van recreatief medegebruik in een gebied mogelijk te maken voor de jeugd. Door de speelruimte in een natuurgebied te koppelen aan beheerwerken die in de gebieden worden uitgevoerd wil men het natuurbewustzijn van de kinderen stimuleren. In 2005 werden 19 projecten geselecteerd en in 2006 10.

214


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

Bos Provincie

Opp. (ha)

Aantal

Gem. opp. (ha)

Opp. (ha)

Antwerpen

575

94

6,11

0

0

-

Limburg

1030

140

7,36

1,38

1

1,38

Vlaams-Brabant

156

28

5,57

21,61

7

3,09

Oost-Vlaanderen

86

31

2,77

0,90

1

0,90

West-Vlaanderen 174

64

2,72

1,82

1

1,82

Vlaanderen

357

5,66

25,70

10

2,57

2021

Tabel 11.1: Oppervlakte, aantal en gemiddelde oppervlakte speelzones in bossen en natuurreservaten per provincie [bron: Agentschap voor Natuur- en Bos] (06/02/2007).

Natuurreservaat Gem. opp. Aantal (ha)

Speelzones De jeugdbewegingen hebben geijverd om te beschikken over (gedeeltes) van bossen waar zonder voorafgaande toestemming van ANB en de eigenaar gespeeld kan worden. Om aan die recreatiebehoefte te voldoen kunnen in bossen en natuurreservaten speelzones worden aangeduid. Sinds 1999 is het begrip speelzone (soms speelbos genoemd) ingeburgerd bij de jeugdbewegingen in Vlaanderen. Het Agentschap voor Natuur en Bos keurt de speelzones goed en houdt een overzicht van de speelzones in Vlaanderen. De kaarten worden verspreid via GIS-Vlaanderen [247]. In totaal is er 2046 ha bos en natuurreservaat aangeduid als speelzone (tabel 11.1). Het merendeel van de speelzones is in bos gelegen. De wijzigingen aan het Natuurdecreet van 19 mei 2006 heeft het aanduiden van speelzones in natuurreservaten mogelijk gemaakt. Tot nu toe is 26 ha natuurreservaat aangeduid als speelzone. De meeste speelzones liggen in de provincies Antwerpen en Limburg. De speelzones in Oost- en WestVlaanderen zijn opvallend kleiner. De Vlaamse Overheid stimuleert de openstelling van privébossen als speelzone via het Subsidiebesluit voor openbare en privébossen5. Subsidie van speelzones in erkende natuurreservaten is nog niet mogelijk. Eens een subsidiedossier is aangemaakt blijkt dat de grote meerderheid van de dossiers elk jaar opnieuw wordt ingediend. Hoewel de meeste speelzones in de provincie Limburg zijn gelegen (tabel 11.1) worden in de provincie Antwerpen opvallend meer dossiers voor subsidieaanvraag ingediend (figuur 11.7). Dat komt doordat enkel voor speelzones in privébossen subsidies kunnen worden aangevraagd. In de andere provincies blijft de oppervlakte gesubsidieerde speelzone beperkt. In de provincies Antwerpen en Limburg treden de bosgroepen dikwijls op als aanvrager van de openstellingsdossiers. Zo werden voor de provincie Antwerpen in de betreffende periode (2005-2007) 18 dossiers ingediend via de bosgroepen. Voor Limburg betreft het 6 dossiers, voor Vlaams-Brabant 1 dossier en voor Oost- en West-Vlaanderen waren er geen.

5 Besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de subsidiëring van beheerders van openbare en privébossen (BS 10/09/03)

215


Oppervlakte gesubsidieerde speelzones (ha)

Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

50

Figuur 11.7: Toegekende subsidies voor speelzones per provincie [bron: Agentschap voor Natuur en Bos].

40 30 20 10

Antwerpen Limburg West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant

0

2005

2006

2007

#11 Stadsrandbossen Aangenomen wordt dat om aan de sociaal-recreatieve behoefte te voldoen er minstens 1 ha toegankelijk bos per 100 inwoners noodzakelijk is [201]. Globaal voor Vlaanderen komt dat neer op 60.000 ha. Het aanbod aan toegankelijke bossen is niet goed gekend, maar zeker is dat de norm in Vlaanderen op heel wat plaatsen niet wordt gehaald. De bosindex in Vlaanderen bedraagt slechts 11 % en is bij de laagste in Europa (zie hoofdstuk 12 Bosbeheer). In het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd vastgesteld dat in de periode 1994-2007 10.000 hectare effectieve bosuitbreiding diende te worden gerealiseerd. Daarnaast moeten er nog 3900 ha ontbossingen worden gecompenseerd. Om de effectieve bosuitbreiding te ondersteunen worden 10.000 ha nieuwe bos- of bosuitbreidingsgebieden afgebakend in gewestelijke uitvoeringsplannen (zie hoofdstuk 10 Vlaams Ecologisch Netwerk). De Vlaamse overheid heeft daarbij een prioriteit gemaakt van de ontwikkeling van stadsrandbossen, met extra aandacht voor bosarme streken. Stadsrandbossen zijn in de eerste plaats bedoeld om tegemoet te komen aan de maatschappelijke behoefte aan meer toegankelijke bossen. Op basis van een wetenschappelijke analyse [130] werd een prioriteitenlijst opgesteld met de steden die nood hebben aan de uitbouw van een stadsbos. Rekening houdend met de bestaande bossen werd voor elke stad een oppervlakte vooropgesteld voor bestemmingswijziging om stadsrandbos te realiseren, in totaal 4550 ha. De effectieve bosuitbreiding voor die 51 stadsrandbosprojecten wordt geraamd op 5200 ha. Daarvan werd tot nu toe 360 ha aangekocht voor bebossing.

216


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

03 Kennis Uit de beheerplannen en de subsidies voor openstelling blijkt dat er meer bossen opengesteld worden voor het publiek. Het is echter niet bekend hoe het met de openstelling van de overige privébossen gesteld is. Het aanbod aan toegankelijk bos is daardoor niet te achterhalen. Onderzoek naar de vraag en afstemming met het aanbod gebeurt wel op lokaal niveau, maar op schaal Vlaanderen dient er meer inzicht te worden opgebouwd. De functieverweving van recreatie en natuur moet worden ondersteund door inzicht te verwerven in de draagkracht van de ecosystemen. Om een onderbouwde afweging tussen natuurdoelstellingen en recreatieve functies te maken is meer wetenschappelijk onderzoek nodig naar de impact van verschillende recreatievormen en -intensiteiten op soorten en ecosystemen. De ’niet-geregelde’ recreatie is daarbij een aandachtspunt. Zowel over de omvang als over de impact daarvan is weinig geweten. Begin 2007 werd in het kader van Harmonisch Park- en Groenbeheer een vademecum uitgegeven met richtlijnen voor het toegankelijk maken van parken. Een analoge ‘code van goede praktijk’ met aandacht voor de sturing en inrichting van de toegankelijkheid in natuur- en bosgebieden zou erg nuttig zijn. De ervaring met bepaalde inrichtingsmaatregelen om de impact te verminderen, kan erin worden samengebracht. Aspecten met betrekking tot de planning kunnen daarbij ook aan bod komen, zoals de aanpak van participatie van de recreanten en de mate waarin bepaalde recreatievormen van elkaar gescheiden moeten worden.

Functieverweving in het Kluisbos Het gemeentelijk bos Kluisbos is een voorbeeld van een wandelbos op de grens tussen de provincies Oost-Vlaanderen en Henegouwen. Het maakt deel uit van een groter boscomplex van ongeveer 300 ha. Volgens het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen (2004) trekt het wandelbos meer dan 100.000 recreanten per jaar. Het multifunctionele gebruik van het bos impliceert de betrokkenheid van tal van actoren. Vanuit verschillende invalshoeken (ecologie, economie, toerisme en recreatie, educatie) zijn er verschillende belangen, behoeften en knelpunten. Die knelpunten zijn niet alleen eigen aan wandelbossen, maar zijn kenmerkend voor vele vormen van verweving en medegebruik. Een belangrijk knelpunt is het gebrek aan parkeergelegenheid voor bezoekers van het bos en het recreatieoord. Door het beperkte aantal parkeerplaatsen aan het recreatieoord wenden de bezoekers zich tot de parkings in het bos. De capaciteit van 650 wagens is tijdens piekmomenten snel bereikt, waardoor veel bezoekers wildparkeren in het bos of langs de kant van de weg. Het wildparkeren en de verkeersstromen zorgen voor een grote druk op de omgeving. Zo zorgt het gemotoriseerde verkeer voor geluidshinder, is de ecologische impact – niet alleen door verkeer maar ook door het grote aantal bezoekers en mountainbikers – duidelijk zichtbaar op het terrein en wordt zwerfvuil een toenemend probleem door het toegenomen aantal bezoekers.

217


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

Het is belangrijk dat een plan dat het bos en zijn vele functies tracht te sturen, alle betrokken actoren bereikt en ze ertoe brengt om via een gezamenlijke consensus in te staan voor het duurzame beheer van het bos. Om de samenwerking tussen de verschillende partners in het Kluisbos te stimuleren werd in 2003 het Kluischarter opgericht. In het charter zetelen de gemeenten Kluisbergen en Mont de L’ Enclus, het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), het Waalse DGRNE - afdeling natuur en bos, de politiezones van de gemeenten, het Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen, het Parc naturel du Pays des Collines, de lokale horeca, bewoners, vzw Natuurpunt en lokale mountainbikeverenigingen. Deze overlegstructuur resulteerde reeds in de uitvoering van een signalisatieplan, de opmaak van het bosbeheerplan, de reorganisatie van de picknickplaatsen en de realisatie van twee nieuwe (taal)grensoverschrijdende wandelroutes. Begin 2007 werd een opzichter aangesteld om permanent controle en toezicht te houden en werden overzichtsborden met wandelwegen op de parkings van het parkeercircuit geplaatst. In het bosbeheerplan van het Kluisbos wordt – rekening houdende met het huidige recreatieve medegebruik en de grenzen van het Habitatrichtlijngebied – een zonering voor het gemeentelijk bosdomein voorgesteld (figuur 11.8). Er worden drie zones onderscheiden: een zone voor intensieve recreatie, een zone voor extensieve recreatie en een zone afgesloten voor recreatie. Binnen de zone voor intensieve recreatie is een concentratie van horecazaken, ligt het sport- en recreatieoord het Kluisbos, zijn wandelassen, een mountainbikeroute en een ruiterroute aangeduid en zijn een bosleerpad en drie speelzones ingericht.

#11

Figuur 11.8: Overzicht bosbeheerplan Kluisbos (2006) [Bron: RLVA].

Horeca Parking Recreatieoord Afgesloten!voor!recreatie Extensieve!recreatie Intensieve!recreatie

218


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #11 Recreatie in natuur- en bosgebieden

Met medewerking van: Veerle Beyst - Studiedienst van de Vlaamse Regering Jan Pickery - Studiedienst van de Vlaamse Regering Peter Willeghems - Agentschap voor Natuur en Bos Lectoren Veerle Beyst - Studiedienst van de Vlaamse Regering Jim Casaer – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Liesbet Cleynhens – Natuurpunt vzw Rik De Vreese – Vereniging voor Bos in Vlaanderen vzw Katrijn Gijsel – Steunpunt Jeugd Wouter Mertens – Dep. Leefmilieu, Natuur en Energie, Doelgroepenbeleid Natuur- en Milieu-educatie Jeroen Panis – Agentschap voor Natuur en Bos Jan Pickery - Studiedienst van de Vlaamse Regering Peter Van Gossum – Universiteit Gent, vakgroep Bos- & Waterbeheer Pieter Van Vooren – Dep. Leefmilieu, Natuur en Energie, Dienst Beleidsvoorbereiding en –evaluatie Katty Wouters – Regionaal Landschap Noord-Hageland vzw

219


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

Bosbeheer Beatrijs Van der Aa Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! In vergelijking met de ons omringende landen scoort het bosbeheer in Vlaanderen

middelmatig op vlak van duurzaamheid. ! Voor een analyse van de effectiviteit van de instrumenten van het Vlaamse bos-

beleid zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar. Na de herhaling van de bosinventaris zal een beperkte verkenning mogelijk zijn. ! De beperkte bosbeheerplannen zijn van toepassing op een grote oppervlakte en

#12

zijn dus een belangrijk instrument van het gebiedsgerichte natuur- en bosbeleid. Ze worden in toenemende mate multifunctioneel opgevat. De economische functie blijft belangrijk, maar er gaat geleidelijk meer aandacht naar de ecologische, de recreatieve en de schermfunctie. ! Door bosgroepen opgemaakte beperkte bosbeheerplannen zijn multifunctioneler

en toegankelijker dan andere. Er gaat ook meer aandacht naar de ecologische functie. ! De doelstellingen van beperkte bosbeheerplannen binnen Speciale Beschermings-

zones verschillen niet wezenlijk van die buiten Speciale Beschermingszones.

S

Houtoogst

R

Oppervlakte bosbeheerplan

Dit hoofdstuk focust op het bosbeheer. Het bekijkt de functievervulling van het bos. Er gaat bijzondere aandacht naar een analyse van de beperkte bosbeheerplannen. Andere invloeden op de biodiversiteit in bossen komen elders in dit Natuurrapport aan bod (deel II Verstoringen).

220


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

01 Toestand Om de toestand van het duurzame gebruik van het bos in Vlaanderen te kunnen beoordelen in een internationale context gebruiken we de FAO-indicatoren. Vaak zijn er op Vlaams niveau beter uitgewerkte indicatoren. Die zijn te vinden op de website natuurindicatoren.

1.1 Bosoppervlakte De bosoppervlakte in Vlaanderen bedraagt ongeveer 150.000 ha. In vergelijking met buurlanden is de bosindex van minder dan 11 % zeer laag (figuur 12.1). Die bosoppervlakte betekent dat er per inwoner van het Vlaamse Gewest 0,024 ha bos is.

Figuur 12.1: Bosindex in Vlaanderen, Wallonië, België en omgevende landen [brongegevens: 88, 120].

Vlaanderen Nederland Verenigd Koninkrijk Denemarken België Frankrijk Duitsland Luxemburg Wallonië 0

10

20

30

40

50

Bosindex (%)

1.2 Natuurlijkheid van bossen De natuurlijkheid van de bossen geeft aan in welke mate de bossen door de mens zijn beïnvloed. De FAOnatuurlijkheidsklassen maken onderscheid tussen primair bos, gewijzigd natuurlijk bos, halfnatuurlijk bos (op basis van inheemse boomsoorten, ontstaan door toedoen van de mens) en aanplantingen: productieaanplant met uitheemse soorten en schermaanplant met inheemse soorten. Zoals blijkt uit figuur 12.2 kon in 2005 80,5 % van de Vlaamse bossen beschouwd worden als dergelijke halfnatuurlijke bossen. Met 19,5 % aanplantingen van uitheemse soorten scoort Vlaanderen niet slecht in vergelijking met onze buurlanden. De beoordeling van die gegevens moet met de nodige omzichtigheid gebeuren, gezien de mogelijke verschillen in interpretatie. Zo worden in Vlaanderen alleen de aanplantingen van cultuurpopulier en Corsicaanse den volgens die definitie daadwerkelijk beschouwd als aanplantingen. Bestanden van grove den worden op die manier in Vlaanderen gerekend bij de halfnatuurlijke bossen [120].

221


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

Figuur 12.2: Verdeling over natuurlijkheidsklassen in Vlaanderen, België en omgevende landen [brongegevens: 88, 120].

Verenigd Koninkrijk Denemarken België Luxemburg Vlaanderen

Primair bos Gewijzigd natuurlijk bos Halfnatuurlijk bos Productie-aanplant Schermaanplant

Frankrijk Nederland Duitsland 0

20

40

60

80

100

Aandeel bosoppervlakte (%)

#12

Figuur 12.3: Volumeaandeel ingenomen door de drie en tien belangrijkste boomsoorten in Vlaanderen, België en omgevende landen [brongegevens: 88, 120].

Frankrijk Verenigd Koninkrijk Nederland Vlaanderen Denemarken België Duitsland Luxemburg 0

20

40

60

Volumeaandeel (%)

222

80

100 Tien meest algemene soorten Drie meest algemene soorten


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

De samenstelling van de boomlaag hangt af van omgevingsfactoren, zoals bodemgesteldheid, lokale waterhuishouding en van het bosbeheer. In natuurlijke en halfnatuurlijke bossen van de gematigde streken wordt verwacht dat het aandeel dat ingenomen wordt door een beperkt aantal soorten omgekeerd evenredig is met de soortenrijkdom [88]. Figuur 12.3 toont dat de 10 meest voorkomende boomsoorten in Vlaanderen 85,7 % van het volume innemen. De 3 meest voorkomende boomsoorten nemen 55,7 % in. Voor dit criterium bevindt Vlaanderen zich in de middenmoot van de omringende landen. In Vlaanderen bestaat de top 3 van meest voorkomende boomsoorten evenwel uit 2 uitheemse (cultuurpopulier, Corsicaanse den) en 1 inheemse soort (gewone den); de top 10 bestaat voor 50 % uit uitheemse soorten. Oude, dikke bomen en dood hout zijn essentieel voor het overleven van heel wat soorten in bosecosystemen. Het aandeel dikke bomen of dood hout wordt dan ook vaak beschouwd als een belangrijke indicator om zowel biodiversiteit als duurzaam bosbeheer op te volgen. Het aandeel dood hout in Vlaamse bossen wordt geraamd op 7 m³/ha (basisgegevens [23]).

1.3 Houtvoorraad en houtoogst Het houtvolume op stam is traditioneel een van de indicatoren die aangeeft wat de mogelijkheden voor houtproductie zijn. Deze indicator wordt beïnvloed door de houtoogst. Met 253 m³/ha is de houtvoorraad heel hoog in Vlaanderen (figuur 12.4).

Figuur 12.4: Staande houtvoorraad in Vlaanderen, Wallonië, België en omgevende landen [brongegevens: 88, 120].

Verenigd Koninkrijk Denemarken Frankrijk Nederland Vlaanderen België Wallonie Luxemburg 0

50

100

150

200

250

300

350

Houtvoorraad (m3/ha)

223


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

Figuur 12.5: Toename van de staande houtvoorraad in Vlaanderen, België en omgevende landen [brongegevens: 88, 120].

Nederland Verenigd Koninkrijk Frankrijk België Vlaanderen 0

1

2

3

4

5

6

7

8

9

Verandering houtvoorraad (m /ha/jaar) 3

Frankrijk

2,6 %

Duitsland

#12

2,8 %

Verenigd Koninkrijk Figuur 12.6: Houtoogst in Vlaanderen, België en omgevende landen [brongegevens: 88, 120].

2,2 %

België

2,9 %

Denemarken

1,9 %

Nederland

0,9 %

Vlaanderen Luxemburg 0

2.000 4.000 6.000 8.000 10.000 40.000 50.000 60.000

Totale houtoogst (x 1000 m3) In Europa nam het houtvolume op stam in de afgelopen jaren toe met ongeveer 1,2 m³/ha/jaar. Met een geraamde aangroei van 7,78 m³/ha/jaar [120] zit Vlaanderen hier erg hoog in vergelijking met de buurlanden (figuur 12.5). Ook hier is omzichtigheid geboden, gezien de verschillende berekeningswijzen. Houtoogst is een parameter waar slechts fragmentarische gegevens over bestaan gebaseerd op ramingen. In figuur 12.6 wordt duidelijk dat Vlaanderen volgens die ramingen slechts een zeer klein volume hout oogst (284.000 m³), wat uiteraard samengaat met het kleine bosareaal. Ook voor de indicator die aangeeft hoeveel procent van de beschikbare houtvoorraad geoogst wordt, scoren we zeer laag in vergelijking met de buurlanden. Slechts 1 % van de beschikbare houtvoorraad in Vlaanderen wordt geoogst, wat mee de hoge toename van het houtvolume op stam verklaart. Wanneer houtoogst uitgedrukt wordt in functie van de aanwas, blijkt dat in Vlaanderen slechts 25 % van de aanwas geoogst zou worden.

224


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

02 Beleid Een belangrijk aspect van het bosbeleid in Vlaanderen is de multifunctionaliteit van de bossen. Bossen hebben tegelijkertijd een economische, sociaalrecreatieve, ecologische, milieubeschermende en wetenschappelijke functie. Het bos wordt vandaag geconfronteerd met andere maatschappelijke verwachtingen dan 50 jaar geleden. Het Besluit inzake bosbeheerplannen1 is een belangrijk instrument van het Vlaamse bosbeleid. Voor alle openbare bossen en voor privébossen groter dan 5 ha en gelegen binnen het VEN moet een uitgebreid beheerplan opgemaakt worden. Voor de overige privébossen niet in het VEN en groter dan 5 ha volstaat een beperkt beheerplan. De uitgebreide beheerplannen moeten voldoen aan de Criteria Duurzaam Bosbeheer2; dat is niet het geval voor de beperkte beheerplannen. Een beheerplan geeft aan waar de beheerder met het bos heen wil. Het legt de ecologische, economische, sociale, educatieve, milieubeschermende en wetenschappelijke doelstellingen voor langere tijd vast. Het instrument ‘beheerplan’ bestaat sinds het uitvoeringsbesluit van 19913. Daar waar we ons in vorige NARA’s beperkten tot het aangeven van de oppervlakte met een beheerplan, willen we in deze editie nagaan hoe de invulling van het instrument evolueert.

2.1 Bossen met bosbeheerplan Eind 2006 was er in Vlaanderen 42.190 ha bos met een beheerplan, waarvan 28.232 ha met een beperkt beheerplan en 13.958 ha met een uitgebreid beheerplan (figuur 12.7).

Figuur 12.7: Oppervlakte bos met bosbeheerplan [brongegevens: ANB].

Cumulatieve oppervlakte (ha)

40.000

30.000

20.000

10.000

0

Uitgebreide beheerplannen Beperkte beheerplannen 1990

1992

1994

1996

1998

2000

2002

2004

2006

1) Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de beheerplannen van bossen van 27 juni 2003 (BS 10 september 2003) 2) Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de criteria voor duurzaam bosbeheer voor bossen gelegen in het Vlaamse Gewest van 27 juni 2003 (BS 10 september 2003) 3) Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het vaststellen van de beheerplannen voor bossen van 4 december 1991 (BS 7 maart 1992)

225


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

2.2 Beperkte bosbeheerplannen Een derde van de oppervlakte onder natuur- of bosbeheer bestaat uit bos met een beperkt bosbeheerplan, dat grotendeels in privĂŠbezit is (hoofdstuk 7 Overzicht en recente evoluties). Daardoor is de impact op de biodiversiteit niet te onderschatten. Om die reden wordt hier in meer detail ingegaan op de beperkte bosbeheerplannen. Volgende analyse van een steekproef van 251 beperkte beheerplannen, met een totale oppervlakte van 4803 ha in de provincies Vlaams-Brabant, Limburg en Antwerpen geeft inzage in de evolutie van de doelstellingen die boseigenaars zich stellen maar geeft geen informatie over realisaties op het terrein. Het staal beslaat 17 % van de bossen waarvoor een beperkt beheerplan werd opgemaakt. Deze analyse laat ook in beperkte mate toe om na te gaan of er een effect is van bosgroepen of Speciale Beschermingszones. Voor de analyse werden de dossiers verdeeld in 3 periodes, gescheiden door het verschijnen van het Natuurdecreet (1997)4 met de invoering van de zorgplicht en het Besluit op bosbeheerplannen (2003)5. Voor de eerste periode werden 95 dossiers geanalyseerd, voor de tweede 112 en voor de laatste 44, telkens evenredig met het aantal dossiers dat in de betreffende periode werd goedgekeurd.

#12 Bosfuncties in de beperkte bosbeheerplannen Een duurzaam en multifunctioneel bosbeheer zoekt het evenwicht tussen de verschillende functies van het bos: (ecologische, economische, sociale, educatieve, milieubeschermende en wetenschappelijke). We stellen vast dat in de eerste aanvraagperiode (voor 1998) een groot aandeel van de dossiers (37 %) monofunctioneel waren. In de laatste periode, na de besluitwijziging, is dat teruggevallen tot 7 %. Dossiers met 3 functies of meer nemen dan het grootste aandeel in (70 %).

100

80

Aandeel dossiers (%)

Figuur 12.8: Evolutie van het aantal functies in de doelstellingen van de beperkte bosbeheerplannen [brongegevens uit steekproef van 251 beperkte beheerplannen].

60

40 Vijf functies Vier functies Drie functies Twee functies Een functie Geen functies

20

0

Voor 1998

1998-2003

Na 2003

4) Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006) 5 Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de beheerplannen van bossen van 27 juni 2003 (BS 10 september 2003)

226


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

100

Figuur 12.9: Ecologische functie in de beperkte bosbeheerplannen: evolutie van het aantal vermelde elementen [brongegevens uit steekproef van 251 beperkte beheerplannen].

Aandeel dossiers (%)

80

60

40 Vijf elementen Vier elementen Drie elementen Twee elementen Een element Geen elementen

20

0

Voor 1998

1998-2003

Na 2003

Er is een discrepantie tussen de cijfers uitgedrukt in aantal dossiers en in oppervlakte. Waar de toename in het aandeel dossiers met drie of meer functies zeer significant is (***), biedt hetzelfde overzicht uitgedrukt in bosoppervlakte niet zoâ&#x20AC;&#x2122;n duidelijk beeld (figuur 12.8). Toch zien we dat het oppervlakteaandeel bossen met een beperkt beheerplan met drie of meer functies aangroeit. In de loop der jaren veranderde het formulier voor de beperkte beheerplannen aanzienlijk. Op de meest recente formulieren worden heel wat suggesties gegeven omtrent mogelijke functievervulling van het bos. Wanneer uit onze analyse blijkt dat in recente dossiers meer functies of meer elementen van een bepaalde functie worden aangevinkt kan dat net zo goed te maken hebben met gewijzigde intenties van de beheerder als met een ander invulgedrag ten gevolge van de suggesties. De economische functie wordt in bijna elk onderzocht dossier aangevinkt; in de laatste periode worden significant minder (***) elementen van de economische functie aangeduid. In 97 % van de onderzochte dossiers is de economische functie de houtproductiefunctie. In de laatste periode zien we het oppervlakteaandeel bossen met een beperkt beheerplan met houtproductie (mee) voor eigen verbruik stijgen, maar dat effect is niet significant. Op de formulieren voor het beperkte beheerplan wordt â&#x20AC;&#x2DC;jachtâ&#x20AC;&#x2122; gerangschikt onder economische functie. Jacht wordt in 69 % van de dossiers opgegeven; het gaat hier niet altijd om verpachting. In recentere dossiers wordt de jachtfunctie minder aangeduid, maar dat effect is niet significant. Andere economische functies dan houtproductie en jacht worden in 5 % van de dossiers aangegeven. Het gaat dan o.a. om opbrengst van hooi van de open plekken en om kastanjes en strooisel. Daar waar in de eerste periode nog minder dan de helft van de beperkte beheerplannen werd ingediend met aandacht voor de ecologische functie, is dat zeer significant (***) aangegroeid tot 88 %. Dat resulteert nog niet in een groter aandeel van de oppervlakte met aandacht voor de ecologische functie (figuur 12.9).

227


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

Bij de ecologische functie wordt de mogelijkheid geboden om te kiezen voor aandacht voor één of meer van de volgende elementen: inheemse boomsoorten, open plekken in het bos, bosranden, poelen/moerassen, specifieke vegetaties, specifieke fauna-elementen, andere. Het is opvallend dat in die lijst geen mogelijkheid is om te kiezen voor meer dood hout of behoud van meer oude bomen op stam. Slechts één eigenaar gaf dat spontaan aan als doelstelling bij ‘Andere’. Meestal wordt ervoor gekozen om het aandeel inheemse boomsoorten te verhogen (zie tabel 12.2). De andere maatregelen zijn duidelijk minder succesvol. Dat kan te maken hebben met het feit dat voor bossen met een beperkt beheerplan alleen subsidie voor herbebossing wordt gegeven. De subsidie voor ecologische functie is alleen voor beheerders met uitgebreide beheerplannen volgens de criteria duurzaam bosbeheer.

Tabel 12.2: Ecologische functie: overzicht van gekozen maatregelen [brongegevens uit steekproef van 251 beperkte beheerplannen].

#12

Maatregel

Aangeduid

Inheemse boomsoorten

55 %

Specifieke vegetatie

22 %

Fauna

12 %

Open plekken

12 %

Poel/moeras

12 %

Bosrand

4%

Hoewel er nog altijd veel dossiers worden opgemaakt waarbij het bos niet toegankelijk wordt, is sinds het begin van de opmaak van de beperkte beheerplannen het aandeel volledig toegankelijk bos toch significant aangegroeid (***) (figuur 12.10). Sinds de wijziging van het Bosdecreet van 18 mei 19996 zijn alle bossen de facto toegankelijk voor voetgangers op de boswegen. Sinds het Subsidiebesluit van 2003 is er een wijziging van de subsidiëring voor openstelling7. Een eigenaar kan zijn bos nog steeds ontoegankelijk verklaren, maar dan moet dat ook expliciet aangegeven worden op het terrein. Bij de analyse van de beheerplannen zien we dat, wanneer aangegeven wordt dat een bos ontoegankelijk is, er toch meestal niet aangegeven wordt dat (on)toegankelijkheidsborden zullen worden geplaatst … In het hoofdstuk 11 Recreatie blijkt dat de gesubsidieerde lengte ver beneden de reële lengte toegankelijke paden ligt. Voor een toenemende oppervlakte bos geven de eigenaars aan dat het bos één of meer schermfuncties heeft. In de meeste gevallen gaat het dan om de landschappelijke functie. Andere functies worden in mindere mate aangegeven. De grootte van een boscomplex heeft een invloed op de functievervulling (figuur 12.11), maar dat effect is niet significant. 6) Decreet van 18 mei 1999 houdende wijziging van het bosdecreet van 13 juni 1990 (BS 23 juli 1999) 7) Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de subsidiëring van beheerders van openbare en privébossen van 17 juni 2003 (BS 10 september 2003)

228


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

100

Figuur 12.10: Recreatieve functie in de beperkte bosbeheerplannen: evolutie van de toegankelijkheid [brongegevens uit steekproef van 251 beperkte beheerplannen]

Aandeel dossiers (%)

80

60

40 Volledig Onder begeleiding Gedeeltelijk Niet Geen wegen

20

0

Voor 1998

1998-2003

Na 2003

100

Figuur 12.11: Verdeling van het aantal functies over de grootte van de bossen (n = 251) [brongegevens uit steekproef van 251 beperkte beheerplannen].

Aandeel dossiers (%)

80

60

40 Vijf functies Vier functies Drie functies Twee functies Een functie Geen functies

20

0

<1

1-5

5-10

>10

Oppervlakteklassen (ha) Eigenaars van kleine bossen kiezen niet alleen vaker voor een monofunctioneel beheer, binnen een bepaalde bosfunctie kiezen ze ook vaker voor slechts ĂŠĂŠn element van die functie. Dat is ook wel logisch, kleinere bossen hebben sowieso minder mogelijkheden. De grootte van het bos heeft dan weer geen invloed op de keuze van de ecologische maatregelen: ongeacht de grootte is de belangrijkste maatregel het bevorderen van inheemse boomsoorten. Grotere bossen zijn ten slotte iets toegankelijker dan kleinere, wat vaak gewoon te verklaren is doordat de kans op een weg sowieso groter is in een groter bos dan in een klein.

229


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

Bosgroepen en beperkte bosbeheerplannen Een bosgroep is een vrijwillig samenwerkingsverband tussen verschillende boseigenaars, zowel openbare als private, waarbij alle partners op gelijke voet staan met elkaar. Op 31 december 2006 waren er in Vlaanderen 5378 ha beheerplannen opgemaakt door bosgroepen. Dat is 13 % van de totale oppervlakte beheerplannen. In de onderzochte steekproef werd voor 12 % van de oppervlakte het beheerplan opgemaakt door een bosgroep. Het aandeel beheerplannen opgemaakt door een bosgroep is de laatste jaren zeer significant gestegen (***). In de onderzochte steekproef werden 39 van de 251 ingediend door een Figuur 12.12: bosgroep. Impact van bosgroepen op het aantal functies: Bosgroepen dienen iets meer multifunctionele dossiers in dan niet-bosgroepen (figuur 12.12). In dossiers vergelijking tussen opgemaakt door een bosgroep komen meestal 3 of meer bosfuncties aan bod. de beheerplannen van bosgroepen en van andere [bronGeen functies gegevens uit Een functie Niet-bosgroep steekproef van 251 beperkte beheerTwee functies plannen]. Drie functies Bosgroep Vier functies Vijf functies

#12

0

20

40

60

80

100

Aandeel dossiers (%) Bosgroepen en niet-bosgroepen geven in de beperkte beheerplannen ongeveer dezelfde economische functievervulling aan bossen. Meestal wordt gekozen voor 2 economische functies: houtproductie en jacht. Bosgroepen besteden meer aandacht aan de ecologische functie, tenminste wanneer we het aantal dossiers bekijken (*). In oppervlakteverdeling is er geen verschil. In dossiers ingediend door een bosgroep wordt meer gekozen voor het bevorderen van inheemse boomsoorten, open plekken en bosrandenbeheer. Dossiers ingediend door niet-bosgroepen bevatten meer maatregelen ten voordele van fauna-elementen. Bossen waarvan het beperkte beheerplan werd opgemaakt door een bosgroep zijn significant toegankelijker (***) dan bossen waarvan het beperkte beheerplan niet werd opgemaakt door een bosgroep (55 % versus 40 %) (figuur 12.13). Figuur 12.13: Impact van bosgroepen op de Niet-bosgroep recreatieve functie: vergelijking van de Bosgroep toegankelijkheid in beheerplannen van bosgroepen en van 0 andere) [brongegevens uit steekproef van 251 beperkte beheerplannen].

230

Geen wegen Niet toegankelijk Toegankelijk 20

40

60

Aandeel dossiers (%)

80

100


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

Voor het toewijzen van een schermfunctie maakt het niets uit of het dossier werd opgemaakt door een bosgroep dan wel door anderen: het is vooral de ligging die bepalend is. Beperkte bosbeheerplannen binnen Speciale Beschermingszones Binnen de Speciale Beschermingszones moet duurzaam bosgebruik mogelijk zijn op voorwaarde dat de handhaving en/of het herstel van habitats en soorten uit de Bijlagen van de Habitat- en Vogelrichtlijnen gewaarborgd blijft. Er moeten passende maatregelen getroffen worden om de bescherming, het herstel en de instandhouding van de habitats en soorten waarvoor die gebieden werden aangeduid te verzekeren. Vanuit die optiek verwachten we binnen Speciale Beschermingszones grotere aandacht voor de ecologische functie dan erbuiten. We stellen vast dat ongeveer evenveel aandacht wordt besteed aan de diverse functies binnen als buiten de Speciale Beschermingszones in de steekproef (figuur 12.14).

Figuur 12.14: Impact van Speciale Beschermingszones op het aanBuiten SBZ tal functies in beperkte bosbeheerplannen: ver0 20 40 60 80 100 gelijking van het aantal functies Aandeel dossiers (%) binnen en buiten Speciale Beschermingszones [bronWe vinden zowel beperkte beheerplannen zonder ecologische functie binnen als buiten Speciale gegevens uit Beschermingszones. In beperkte beheerplannen voor bossen binnen Speciale Beschermingszones gaat steekproef van 251 beperkte beheervaker aandacht naar 2 of meer elementen van de ecologische functie (figuur 12.15). Ook de maatregelen plannen].

Geen functies Een functie Twee functies Drie functies Vier functies Vijf functies

Binnen SBZ

waarvoor wordt gekozen zijn niet altijd dezelfde. Binnen Speciale Beschermingszones wordt vaker gekozen voor open plekken en specifieke maatregelen voor vegetatie of fauna (tabel 12.3).

Geen elementen Een element Twee elementen Drie elementen Vier elementen Vijf elementen

Binnen SBZ Buiten SBZ 0

20

40

60

80

100

Aandeel dossiers (%)

231

Figuur 12.15: Impact van Speciale Beschermingszones op de ecologische functie in beperkte bosbeheerplannen: vergelijking van het aantal elementen binnen en buiten Speciale Beschermingszones [brongegevens uit steekproef van 251 beperkte beheerplannen].


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

Tabel 12.3: Impact van Speciale Beschermingszones op de ecologische functie in beperkte bosbeheerplannen: overzicht van gekozen maatregelen binnen en buiten Speciale Beschermingszones [brongegevens uit steekproef van 251 beperkte beheerplannen].

Inheemse boomsoorten

Open plekken

Bosranden

Poelen moerassen

Specifieke FaunaVegetatie elementen

Buiten Speciale Beschermingszones

57 %

10 %

4%

12 %

18 %

8%

Speciale Beschermingszones

48 %

25 %

2%

6%

41 %

36 %

Bossen met een beperkt beheerplan binnen Speciale Beschermingszones zijn even toegankelijk dan bossen met een beperkt beheerplan buiten Speciale Beschermingszones. Aan bossen binnen Speciale Beschermingszones worden niet meer schermfuncties toegekend dan aan bossen buiten Speciale Beschermingszones. Binnen Speciale Beschermingszones wordt niet alleen meer een landschappelijke functie toegekend, maar ook opvallend meer een functie bodembescherming en minder geluid en waterwinning.

#12

03 Kennis De cijfers uit de internationale vergelijkingen zijn meestal gebaseerd op trendvoorspellingen en niet op gemeten cijfers. Vlaanderen heeft nood aan een permanente bosinventaris. Om een degelijke evaluatie van het beleid te kunnen uitvoeren zijn immers cijfers nodig over o.a. bosoppervlakte, samenstelling, houtaanwas en -oogst, en waardering van niet-productiefuncties zoals schermfunctie en recreatiefunctie. Voor vele socio-economische, milieubeschermende, ecologische en vitaliteitsparameters volstaan de resultaten uit de eerste bosinventarisatie niet om de statistieken in te vullen. Enerzijds omdat de invulling van die parameters niet tot de reikwijdte van het instrument behoort (in het bijzonder de socio-economische parameters), maar anderzijds ook omdat de Vlaamse bosinventarisatie nog te weinig afgestemd is op de internationale statistieken. Dit is een belangrijk aandachtspunt voor de tweede bosinventaris. Voor een analyse van de effectiviteit van de instrumenten van het Vlaamse bosbeleid zoals gevraagd in het Regeerakkoord 2004 zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar. Noch wordt de toestand opgevolgd, noch zijn de doelstellingen duidelijk gekwantificeerd. Na de herhaling van de bosinventaris zal een beperkte verkenning van de evolutie van de toestand mogelijk zijn. Het zal hoe dan ook moeilijk blijven om effecten na te gaan van beleidsinstrumenten op indicatoren als houtvolume, samenstelling of houtkwaliteit. In dit NARA moesten we ons beperken tot een analyse van de intenties van de bosbeheerders in beperkte bosbeheerplannen. Pas na een analyse van terreingegevens kan iets worden gezegd over de effectiviteit. Die gegevens worden evenwel niet systematisch verzameld. Dat is evenmin het geval voor de uitgebreide beheerplannen

232


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #12 Bosbeheer

Met medewerking van: Bart Van der Aa - Agentschap voor Natuur en Bos, Vlaams-Brabant Griet Beckers - Agentschap voor Natuur en Bos, Limburg Linda Meiresonne - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Cyreen Knockaerts - Agentschap voor Natuur en Bos, Antwerpen Lectoren Tom Anthonis - Landelijk Vlaanderen vzw Jim Casaer - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Carl De Schepper - Agentschap voor Natuur en Bos Rik De Vreese - Vereniging voor Bos in Vlaanderen vzw Maximilien Fontaine - Katholieke Universiteit Leuven, departement Landbeheer Lise Hendrick - Provincie Limburg Bart Muys - Katholieke Universiteit Leuven, departement Landbeheer Peter Van Gossum - Universiteit Gent, vakgroep Bos- en Waterbeheer Gudrun Van Langenhove - Vlaamse Hoge Bosraad Pieter Van Vooren - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie An Vanden Broeck - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Kris Verheyen - Universiteit Gent, vakgroep Bos- en Waterbeheer

233


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

Landbouw Maarten Hens Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! Het Vlaamse landbouwgebied is het meest natuurarme van Europa: 0,47 % van de

oppervlakte in landbouwgebruik is biologisch zeer waardevol, 6,9 % waardevol. ! Een aantal habitats en soorten van de Habitatrichtlijn zijn voor hun instandhouding

in Vlaanderen sterk afhankelijk van landbouwgebruik. 19.600 ha Habitatrichtlijngebied (19,2 % van het Vlaamse totaal) is in landbouwgebruik. Het gebrek aan instandhoudingsdoelstellingen schept onzekerheid voor zowel de landbouwbedrijfsvoering als het natuurbehoud in die gebieden. #13 ! De beheerovereenkomsten ‘perceelsrandenbeheer’ en ‘herstel, ontwikkeling en

onderhoud van kleine landschapselementen’ kenden een groot opnamesucces. Zowel in biologisch waardevolle gebieden als in Habitatrichtlijngebieden worden met dit vrijwillige instrument hogere dichtheden aan objecten beheerd dan buiten die gebieden. ! De opname van de natuurgerichte beheerovereenkomsten weidevogelbeheer,

botanisch beheer en natuur bleef ver beneden de beoogde oppervlakte voor de periode 2000-2006. De lage dekkingsgraad hypothekeert de realisatie van de ecologische doelen van die instrumenten. ! De vaststelling in het Natuurrapport 2005 dat er door het ontbreken van monito-

ringsgegevens nauwelijks iets bekend is over de natuurrealisaties en de ecologische effectiviteit van de Vlaamse beheerovereenkomsten blijft onverminderd van kracht.

234

S

Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden

R

Beheerovereenkomsten weidevogelbeheer


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

R

Beheerovereenkomsten botanisch beheer + natuur

R

Beheerovereenkomsten kleine landschapselementen

R

Beheerovereenkomsten perceelrandenbeheer

De land- en tuinbouw in Vlaanderen kenmerkt zich door een intensief gebruik van productiefactoren (grond, arbeid, kapitaal, technologie, kennis), een doorgedreven specialisatie, voortdurende schaalvergroting en een hoge productiviteit: op 0,47 % van het Europese landbouwareaal en met 0,56 % van de bedrijven realiseert de Vlaamse landbouw jaarlijks een eindproductiewaarde van 4,6 miljard euro of 1,9 % van de Europese landbouwproductiewaarde [157]. Het areaal cultuurgrond in Vlaanderen is in de periode 1990-2006 met 3,5 % toegenomen (+ 5,5 % in 19902000, nadien lichte afname) en bedroeg in 2006 625.207 ha, als volgt gebruikt: 53,1 % voedergewassen en grasland (27,1 % permanent grasland, 17,4 % voedermaĂŻs, 8,5 % tijdelijk grasland), 36,7 % akkerbouw, 8,0 % tuinbouw en 1,2 % braak [bron: Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, FOD Economie]. Het aantal landbouwbedrijven vermindert jaarlijks (33.272 in 2006; -3,3 %/jaar tijdens periode 1995-2006). Bijna 80 % van de bedrijven zijn gespecialiseerd, met rundveehouderij als veruit de talrijkste specialisatie (32 %), gevolgd door tuinbouw (18 %) en akkerbouw (15 %) [157]. Dit hoofdstuk gaat in op de toestand van de natuur op gronden in landbouwgebruik en op de op natuur gerichte onderdelen van het landbouwbeleid in Vlaanderen. Die toestandsbeschrijving en beleidsevaluatie maken deel uit van een ruimere beoordeling (assessment) van de duurzaamheid van de Vlaamse landbouw in het kader van de periodieke rapportering. Recente evoluties in de economische en sociale toestand kwamen uitvoerig aan bod in het Landbouwrapport 2005 [157]. De analyses van de milieudruk in MIRA-T 2006 en 2007 en van de effecten op natuur in dit hoofdstuk brengen het ecologische duurzaamheidsaspect in kaart.

01 Toestand Over de toestand en trends van natuur en landschap in het doorsnee Vlaamse landbouwgebied zijn weinig (nieuwe) kwantitatieve gegevens voorhanden. Buitenlandse studies en lokale gegevens wijzen echter alle op een aanhoudende afname van zowel de soortenrijkdom, de verscheidenheid aan biotopen als de cultuurhistorisch gegroeide landschappelijke structuur in het Noordwest-Europese landbouwgebied (hoofdstuk 1 Soorten, [30, 69, 71, 116]). Deze toestandsbeschrijving brengt het belang in kaart van door landbouwers gebruikte gronden als leefgebied voor bijzondere, zeldzame of Europees belangrijke natuur. Daarbij werden twee benaderingen gebruikt: de identificatie van percelen in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden op basis van de bio-

235


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

logische waarderingskaart (BWK), en een doorlichting van de oppervlakte in landbouwgebruik in relatie tot de Habitatrichtlijn1. Voor die analysen werd gerekend met een oppervlakte in landbouwgebruik van 675.757 ha (2006), wat beduidend meer is dan het via de jaarlijkse meitelling geregistreerde areaal cultuurgronden (625.207 ha in 2006). Die oppervlakte werd vastgesteld op basis van de landbouwgebruikpercelen aangegeven in kader van het Vlaamse mestbeleid (684.970 ha in 2006) [bron: VLM], na in mindering brengen van percelen in effectief natuurbeheer (9213 ha; zie definitie in hoofdstuk 7 Overzicht en recente beleidsontwikkelingen).

1.1 Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden Een oppervlakte van 274.735 ha of 20,3 % van Vlaanderen werd tijdens de BWK-karteerperiode 2000-2006 aangeduid als biologisch zeer waardevol tot waardevol (tabel 13.1). In 2006 was 49.471 ha (18,0 %) van die oppervlakte in landbouwgebruik. Dat biologisch waardevolle landbouwareaal vertegenwoordigt 7,3 % van het totale Vlaamse landbouwgebruiksgebied en is ruwweg als volgt samengesteld: 3.200 ha biologisch zeer waardevolle percelen, 12.000 ha met een complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen en 34.300 ha biologisch waardevolle percelen (tabel 13.1). Dat areaal komt verspreid en sterk versnipperd over Vlaanderen voor (Figuur 13.1B), met lokaal hoge dichtheden in de kustpolders en de

#13

IJzervallei (figuur 13.1A). Buiten die gebieden komen er anno 2006 in Vlaanderen geen grote, aaneengesloten stukken biologisch zeer waardevol tot waardevol landbouwgebied voor.

Tabel 13.1: Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden in Vlaanderen. De waardering is gebaseerd op de biologische waarderingskaart van Vlaanderen (versie januari 2007; 98,6 % BWK 2).

Totaal

Vlaanderen

Landbouwgebruik

ha

ha

1.352.225

Aandeel in landbouwgebruik %

675.757

Biologisch zeer waardevol

78.404 (5,8 %)

Complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen7

49.398 (3,7 %)

11.991 (1,8 %)

24,3

146.933 (10,9 %)

34.286 (5,1 %)

23,3

Biologisch waardevol

3.194 (0,47 %)

4,1

Het areaal biologisch zeer waardevolle percelen bestaat grotendeels uit kleine landschapselementen (30 %), graslanden (30 %) en bossen (26 %) (figuur 13.2). Samen vormen die drie bodemgebruiken de bouwstenen voor gevarieerde, soortenrijke cultuurhistorisch gegroeide landbouwlandschappen. Het Europees Milieuagentschap (EEA) brengt op basis van de CORINE-geodataset met landbedekking en -gebruik in gans Europa gebieden met ‘high nature value farmland’ in kaart. De definitie van die gebieden sluit nauw aan bij wat volgens BWK-methodologie als ‘biologisch zeer waardevol’ getypeerd wordt [79]. De EEAmethodologie identificeert ongeveer 1 % van de Belgische cultuurgronden als ‘high nature value farmland’, waarmee België het meest natuurarme landbouwgebied in de EU-15 herbergt (figuur 13.3; [79]). De vaststelling dat 0,47 % van de Vlaamse landbouwpercelen biologisch zeer waardevol zijn, past volledig in dat beeld.

1) Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22/7/1992)

236


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

Biologisch!waardevol Biologisch!waardevol!met! zeer!waardevolle!elementen Biologisch!zeer!waardevol

A

Figuur 13.1: Landbouwgebruikpercelen met hoge natuurwaarden in Vlaanderen. De waardering is gebaseerd op de biologische waarderingskaart (versie januari 2007; 98,6 % BWK 2).

B

Figuur 13.2: Indeling van het areaal biologisch zeer waardevolle percelen in landbouwgebruik in Vlaanderen volgens biotoop (3194 ha, 2006).

Graslanden (942 ha) Kleine landschapselementen (967 ha) Bossen (821 ha) Struwelen (68 ha) Moerassen (176 ha) Stilstaande wateren (159 ha) Heiden (12 ha) Duinen, slikken en schorren (4,8 ha) Andere gekarteerde elementen (44 ha)

Figuur 13.3: Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden (‘high nature value farmland’) in de EU-15, als percentage van de benutte landbouwoppervlakte [bron: 79].

Griekenland Portugal Spanje Verenigd Koninkrijk Ierland Italië Zweden Oostenrijk Frankrijk Finland Duitsland Denemarken Nederland Luxemburg België 0

10

20

30

40

50

60

Aandeel van oppervlakte landbouwgrond (%)

237


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

1.2 Oppervlakte in landbouwgebruik met soorten of habitats van de Habitatrichtlijn Een aantal van de Bijlage I-habitats van de Habitatrichtlijn waaronder een aantal heide- en graslandtypes, vindt zijn oorsprong in extensief gebruik van gronden voor dierlijke of plantaardige landbouwproductie. Analoog zijn een aantal Bijlage II en IV-soorten historisch en/of actueel gebonden aan landbouwpraktijken. Door toenemende schaalvergroting, specialisatie en intensivering heeft de landbouw veel van die habitats hetzij verlaten, hetzij ingrijpend gewijzigd. In 2006 herbergde het Vlaamse landbouwgebruiksgebied zo’n 1.8002.000 ha Bijlage I-habitats, wat overeenkomt met 2,6-2,8 % van de totale oppervlakte aan Bijlage I-habitats in Vlaanderen (tabel 13.2). Het merendeel betreft enkele grasland- en boshabitats, waarbij het ‘laaggelegen schraal hooiland’ (habitat 6510) met zo’n 700 ha veruit de talrijkste habitat is in landbouwgebruik. Die oppervlakte vertegenwoordigt 19 % van het totale Vlaamse areaal van dat type, wat maakt dat de landbouw een verantwoordelijkheid heeft voor de instandhouding van die habitat. Andere graslandhabitats in de top vijf zijn ‘soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems’ en ‘voedselrijke zoomvormende ruigten’, waarvan respectievelijk 90 en 60 ha in landbouwgebruik zijn. Opmerkelijk is dat zo’n 700 ha van de Vlaamse oppervlakte in landbouwgebruik ingenomen wordt door boshabitats van Bijlage-I van de Habitatrichtlijn (tabel 13.2), waarvan het merendeel behoort tot de typen ‘bossen op alluviale grond’ en ‘Atlantische zuurminnende bossen’.

#13 Tabel 13.2: Overzicht van de Bijlage I-habitats van de Habitatrichtlijn in Vlaanderen, gegroepeerd per biotoop (zie tabel 13.1), in relatie tot landbouwgebruik (2006) [brongegevens: INBO, VLM].

Oppervlakte Bijlage I-habitats

Vlaanderen

Landbouwgebruik

ha

ha

Aandeel in landbouwgebruik %

70.400

1.800-2.000

2,6-2,8

8.100 2.400 8.800 1.300 5.900 135 43.700

140 50 60 <40 ~900 <10 ~700

1,7 2,1 0,7 <3 15,3 <7,5 1,6

3.700 11.900 19.500

700 280 280

19,0 2,4 1,4

1.100

90

8,2

1.000

60

6,0

Gegroepeerd per biotoop Slikken en schorren Kustduinen Binnenlandse duinen en heiden Zoet water Graslanden Moerassen Bossen

Top vijf volgens oppervlakte in landbouwgebruik 6510 – Laaggelegen schraal hooiland 91E0 – Bossen op alluviale grond 9120 – Atlantische zuurminnende beukenbossen 6230 – Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems 6430 – Voedselrijke zoomvormende ruigten

Van de in Vlaanderen voorkomende Bijlage II en IV-soorten zijn er slechts enkele waarvoor gebieden in landbouwgebruik een wezenlijk deel uitmaken van hun (Vlaamse) leefgebied. De Europese hamster (Bijlage IV)

238


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

komt uitsluitend voor in akkergebieden op goed ontwikkelde leembodems. Haar leefgebied valt niet samen met één van de Bijlage I-habitats in landbouwgebruik. Voor soorten als kamsalamander (Bijlage II), vroedmeesterpad, knoflookpad en rugstreeppad (alle Bijlage IV) is de aanwezigheid van geschikte voortplantingspoelen met geschikte aangrenzende landhabitat van belang. Al die amfibieën worden in Vlaanderen zowel aangetroffen binnen als buiten zones die in landbouwgebruik zijn. Om de soorten en habitats van de Habitatrichtlijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen, zijn in Vlaanderen momenteel 101.891 ha vastgesteld als Habitatrichtlijngebied (zie hoofdstuk 9 Habitatrichtlijn). 19.606 ha (19,2 %) van die gebieden is in landbouwgebruik (tabel 15.3). Ter vergelijking: van de 98.243 ha Vogelrichtlijngebieden in Vlaanderen is 41,3 % in landbouwgebruik. Van het volledige areaal aan Vlaamse Natura 2000-gebieden (gezamenlijk areaal Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) is 53.866 ha of 33 % in landbouwgebruik (tabel 15.3). Het grote verschil tussen de reële oppervlakte aan Bijlage I-habitats in landbouwgebruik (1.800–2.000 ha) en de 19.606 ha Habitatrichtlijngebied in landbouwgebruik is opvallend, temeer daar niet al die Bijlage I-habitats zich ook daadwerkelijk in Habitatrichtlijngebieden situeren. Voor de Habitatrichtlijngebieden zijn momenteel nog geen instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd (hoofdstuk 9 Habitatrichtlijn). Daardoor ontbreekt het vooralsnog aan een duidelijk kader voor herstel en behoud van de Bijlage I-habitats in landbouwgebruik. Zo behoort momenteel slechts 4.616 ha van het 53.866 ha grote Natura 2000-areaal in landbouwgebruik tot de ‘kwetsbare zone natuur’ in het kader van de mestwetgeving (zie hoofdstuk 4 Vermesting).

Vlaanderen

Landbouwgebruik

ha

ha

Aandeel in landbouwgebruik %

Habitatrichtlijngebieden

101.891

19.606

19,2

Vogelrichtlijngebieden

98.243

40.579

41,3

Natura 2000-gebieden

163.500

53.866

32,9

2 Beleid Het landbouwbeleid in Vlaanderen wordt in belangrijke mate bepaald door de Vlaamse invulling van de twee pijlers van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie. Het specifieke Vlaamse landbouwbeleid richt zich voornamelijk op de kwaliteit van landbouwproducten, innovatie, samenwerking en verjonging binnen de land- en tuinbouwsector, alsook de ondersteuning van biologische landbouw. Daarnaast stipuleren onder meer het ruimtelijke beleid en het milieubeleid (o.a. mestwetgeving) belangrijke randvoorwaarden waarbinnen de landbouwproductie plaatsvindt. Deze beleidsevaluatie beperkt zich tot onderdelen van het Vlaamse landbouw- en plattelandsbeleid die de

239

Tabel 13.3: Habitat- en Vogelrichtlijngebieden in Vlaanderen in relatie tot landbouwgebruik (2006) [brongegevens: INBO, VLM].


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

zorg voor leefmilieu, natuur en landschap door landbouwers sturen of stimuleren. Daarbij dient te worden opgemerkt dat er zich op lokaal niveau heel wat kleinschalige projecten en initiatieven richten op zogenaamd agrarisch natuurbeheer, zowel vanuit de Vlaamse overheid (lokale beschermingsmaatregelen voor hamster en akkervogels) als van andere actoren (Interreg-projecten, regionale landschappen, natuurverenigingen, …).

2.1 Inkomenssteun en randvoorwaarden De recentste hervorming van de eerste pijler (het markt- en inkomensbeleid) van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (de zogenaamde ‘mid-term review’2) voerde een rechtstreekse bedrijfstoeslag in, waarmee het overgrote deel van de inkomenssteun aan landbouwers werd losgekoppeld van de omvang en keuze van de productie. Een uitvoerige bespreking van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en de mid-term review is opgenomen in het Landbouwrapport 2005 [157]. Sinds 1 januari 2005 is het verkrijgen van rechtstreekse inkomenssteun gekoppeld aan de naleving van een aantal specifieke voorwaarden, de zogenaamde randvoorwaarden of ‘cross compliance’. Die randvoorwaarden bestaan uit:

#13

! de beheereisen die voortvloeien uit 19 Europese richtlijnen en verordeningen, waaronder de Vogelrichtlijn3 en de Habitatrichtlijn; ! minimumnormen met betrekking tot bodemerosie, bodemorganische stof, bodemstructuur en

minimaal onderhoud om de cultuurgronden in goede landbouw- en milieukundige conditie te houden; ! de verplichting tot het behoud van de totale oppervlakte ‘blijvend’ grasland.

De beheereisen gaan niet om nieuwe verplichtingen, maar om het toepassen van bestaande Vlaamse wetgeving die voorvloeit uit de vertaling van de betrokken richtlijnen en verordeningen. De door Vlaanderen geformuleerde beheereisen met betrekking tot de Vogel- en Habitatrichtlijn omvatten, naast de algemeen geldende zorgplicht: ! het naleven van het verbod, de (natuur)vergunningsplicht en de voorwaarden voor het wijzigen

van de vegetatie en kleine landschapselementen; ! vogels, hun nesten, eieren en jongen mogen niet opzettelijk gedood of vernield worden; ! Bijlage II en IV-soorten van de Habitatrichtlijn mogen niet gevangen noch gedood worden.

Deze beheereisen komen slechts in beperkte mate tegemoet aan de algemene doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn, nl. de bescherming van leefgebieden van vogels (ook buiten Speciale Beschermingszones) en een algemene bescherming van waardevolle habitats en habitats van soorten van communautair belang. De te verwachten meerwaarde voor natuur en landschap van deze beheereisen is dan ook gering. 2) Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (…) (PB L 270 van 21/10/2003) 3) Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103 van 25/7/1979)

240


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

De minimumnormen vormen wel nieuwe verplichtingen. Vanuit oogpunt natuur lijkt het verplichte minimumonderhoud (tijdig maaien, verplichte inzaai van onbebouwd akkerland) sterk beperkend om hetzij via gerichte braaklegging hetzij via laattijdig maaien te werken aan behoud en herstel van een aantal bedreigde dier- en plantensoorten van het landbouwgebied. Samenvattend kan worden gesteld dat de Vlaamse implementatie van de crosscompliancemaatregelen geen instrument vormt dat de achteruitgang van bijvoorbeeld akkervogels of een Bijlage IV-soort als de hamster tracht te voorkomen.

2.2 Plattelandsbeleid en beheerovereenkomsten Aan de tweede pijler van het GLB wordt in Vlaanderen vormgegeven door het zevenjarige Vlaamse Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO). Dat programma is opgebouwd rond drie inhoudelijke assen (as 1: verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector; as 2: verbetering van het milieu en van het platteland; as 3: de leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie). As 2 bevat de zogenaamde agromilieumaatregelen, waarbij landbouwers de kans geboden wordt om door het sluiten van vijf jaar durende beheerovereenkomsten meer voor milieu, natuur en landschap te doen dan de wettelijke randvoorwaarden en verplichtingen (crosscompliancevoorschriften, code goede landbouwpraktijk). Periode 2000-2006 Tijdens de programmaperiode van het eerste PDPO (2000-2006) konden landbouwers in totaal 17 soorten beheerovereenkomsten sluiten met de Vlaamse overheid, waarvan zes met expliciete natuurdoelstellingen (weidevogelbeheer; hamsterbescherming; perceelsrandenbeheer; herstel, ontwikkeling en het onderhoud van kleine landschapselementen; botanisch beheer en natuur; alle beheerd door de VLM, zie NARA 2005 en www.ehorizon.be). Een deel van die beheerovereenkomsten was evenwel slechts in een latere fase van de programmaperiode beschikbaar (o.a. botanisch beheer vanaf 2004, hamsterbescherming vanaf 2005). Sinds het najaar van 2004 zet de VLM binnen het werkingsgebied van de regionale landschappen bedrijfsplanners in om landbouwers inhoudelijk en praktisch te begeleiden bij het sluiten van beheerovereenkomsten. De in het PDPO 2000-2006 geformuleerde oppervlaktedoelstellingen laten toe voor elke beheerovereenkomst het opnamesucces te beoordelen. Geen van de beheerovereenkomsten die zich specifiek richten op ontwikkeling, behoud en herstel van agrarische soorten en levensgemeenschappen in daartoe afgebakende gebieden, realiseerde die doelstellingen. Van de beoogde 1500 ha weidevogelbeheer en 6000 ha botanisch beheer + natuur waren op het einde van de programmaperiode respectievelijk 48 en 29 % gerealiseerd (figuur 13.4, tabel 13.4). De eerste beheerovereenkomsten hamsterbescherming gingen in 2006 van start (6,2 ha; tabel 13.4). Vaak aangehaalde factoren voor de eerder beperkte opname van die groep beheerovereenkomsten zijn hun vlakvormig karakter (maatregelen omvatten vaak het volledige perceel) en de onzekerheid bij landbouwers voor toekomstige productierandvoorwaarden na eventuele verhoging van natuurwaarden als gevolg van hun inspanningen.

241


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

100

Realisatie doelstelling 2006 (%)

Figuur 13.4: Relatieve evolutie van de oppervlakte aan beheerovereenkomsten in Vlaanderen (20002006) [brongegevens: VLM]. De 100 %-lijn komt overeen met de doelstellingen voor 2006 uit PDPO I: 1.500 ha percelen onder weidevogelbeheer, 6.000 ha onder botanisch beheer, 250 ha perceelranden en 5.000 ha percelen waarop kleine landschapselementen worden beheerd/aangelegd.

80

60

40

20

0

Weidevogelbeheer Botanisch beheer + natuur 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

600

Realisatie doelstelling 2006 (%)

#13

500 400 300 200

0

Tabel 13.4: Evolutie van het areaal natuurgerichte beheerovereenkomsten (hectaren cultuurgrond onder beheer) die ingezet worden in specifieke beheergebieden (periode 2000-2006) [brongegevens: VLM].

Perceelrandenbeheer Kleine landschapselementen

100

2000

2001

2002

2003

2004

Beheerovereenkomst

2005

2006

2000

2001

2002

Jaar 2003

2004

2005

2006

152

236

426

501

630

786

724

Hamsterbescherming

-

-

-

-

-

-

6,2

Botanisch beheer

-

-

-

-

16,8

78,8

203

Natuur

1.362

1.597

1.722

1.789

2.156

1.335

1.546

Totaal

1.514

1.834

2.148

2.290

2.803

2.200

2.478

Weidevogelbeheer

242


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

De beheerovereenkomsten ‘perceelrandenbeheer’ en ‘herstel, ontwikkeling en onderhoud van kleine landschapselementen’, die beide onder meer de versterking van de natuurlijke infrastructuur in het landbouwgebied nastreven, kenden daarentegen een groot opnamesucces. Op het einde van de programmaperiode bedroeg de beheerde oppervlakte resp. 5,3 en 1,6 keer de programmadoelstelling (figuur 13.4). Na een vereenvoudiging van de pakketten en een verhoging van de vergoeding4, nam de opname van de beheerovereenkomst perceelsrandenbeheer in 2006 zeer sterk toe (905 ha nieuwe randen). 89 % (805 ha) van die toename betrof perceelranden ‘natuur’, een maatregelenpakket met de hoogste vergoeding van alle beheerovereenkomsten (1581 euro/ha rand) en dat voor een relatief geringe inspanning (inzaai gras- of graskruidenmengsel, niet bemesten, maaien met afvoer vanaf 15 juni). Het aantal beheerde houtkanten/-wallen, heggen en poelen nam gestaag toe tijdens de programmaperiode. Eind 2006 liepen er in Vlaanderen overeenkomsten voor 98,01 ha houtkant/-wal, 237 km heg en 456 poelen. Tachtig procent van die overeenkomsten wordt gesloten voor het onderhoud van bestaande elementen, 20 % voor de aanleg van nieuwe elementen. Het Natuurrapport 2005 vestigde de aandacht op het gebrek aan kennis over de natuurrealisaties en de ecologische effectiviteit van de Vlaamse beheerovereenkomsten. Anno 2007 blijft die vraag even actueel. Initiatieven om het natuurresultaat van beheerovereenkomsten of hun impact op de landbouwbedrijfsvoering te onderzoeken of te registreren bleven tot op heden niet gefinancierd. De beschikbare informatie is beperkt tot die overeenkomsten waar de bepaling van resultaten opgenomen is in de maatregelenvoorschriften: het pakket nestbescherming (beheerovereenkomst weidevogelbeheer, extra vergoeding per beschermd nest), de beheerovereenkomst hamsterbescherming (extra vergoeding per gevonden burcht) en de beheerovereenkomst botanisch beheer (vaststellen botanische waarde bij aanvang en einde overeenkomst). De beheerovereenkomsten soortbescherming (weidevogelbeheer, hamsterbescherming), botanisch beheer en natuur hebben een redelijke mate van doelgerichtheid, doordat maatregelen (en middelen) geconcentreerd worden in beheergebieden met een grote kansenrijkdom of met restpopulaties. Voor de pakketten soortbescherming geldt evenwel dat de dichtheid aan maatregelen in de beheergebieden (= dekkingsgraad; voor weidevogels 2,7 %, voor hamster <0,5 %) te laag is om het beoogde behoud en de versterking van de (meta)populaties in de beheergebieden te realiseren [99]. Voor de beheerovereenkomst botanisch beheer kan worden opgemerkt dat slechts 1 % van de 203 ha in beheer klasseert als Bijlage I-habitat. Gegeven dat onder meer voor het Bijlage I-habitat ‘laaggelegen schraal hooiland’ zo’n 700 ha in landbouwgebruik is, toont dit aan de beheerovereenkomst botanisch beheer als instrument niet bijdraagt tot de doelrealisatie van de Habitatrichtlijn. De beheerovereenkomsten perceelrandenbeheer en herstel, ontwikkeling en onderhoud van kleine landschapselementen zijn niet gebonden aan voorgeschreven beheergebieden. Een analyse van de ruimtelijke inzet van de beheerovereenkomst perceelrandenbeheer toont dat de dichtheden aan aangelegde randen beduidend hoger zijn op biologisch zeer waardevolle en waardevolle landbouwpercelen (resp. 13,0 en 2,5 m rand/ha) dan op minder waardevolle percelen (1,8 m rand/ha) (tabel 13.5). Eenzelfde vaststelling geldt voor de landbouwgebruikpercelen binnen Habitatrichtlijngebied, waar

4) Besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten in uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1257/99 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling

243


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

gemiddeld 3,0 m rand/ha aangelegd is tegenover 1,9 m rand/ha buiten Habitrichtlijngebieden. De ruimtelijke inzet van de beheerovereenkomst kleine landschapselementen toont eveneens een uitgesproken verdichting in biologische zeer waardevolle en waardevolle gebieden, en in mindere mate in Habitatrichtlijngebieden (tabel 13.5). Aangezien 80 % van de overeenkomsten gesloten wordt voor het onderhoud van bestaande elementen, hangt dat resultaat evenwel samen met het feit dat aanwezige kleine landschapselementen in belangrijke mate bijdragen tot de biologische waardering van percelen. Samenvattend geeft de analyse aan dat de natuurgerichte beheerovereenkomsten die generiek (geen beheergebieden) en vraaggestuurd (op vrijwillige basis) ingezet worden, in praktijk hogere dichtheden kennen in biologisch waardevolle gebieden en gebieden met een beschermingsstatuut. Het is niet geweten in welke mate sturing door bedrijfsplanners en/of de adviesprocedure bijdraagt tot die verdichting.

Tabel 13.5: Ruimtelijke verdeling van perceelranden en kleine landschapselementen aangelegd en/of beheerd in kader van een beheerovereenkomst (toestand 31 december 2006) [brongegevens: VLM, BWK versie 2]. z = biologisch zeer waardevol, wz = biologisch waardevol met zeer waardevolle elementen, w = biologisch waardevol.

Vlaanderen

#13

z

wz + w

Overige

Habitatrichtlijngebieden Binnen Buiten

675.757

3.194

46.278

626.285

19.606

656.151

1,9

13,0

2,5

1,8

3,0

1,9

Aanplant/onderhoud houtkant/-wal (m/ha)

0,28

6,25

0,59

0,23

0,91

0,26

Aanplant/onderhoud heg (m/ha)

0,36

2,47

0,97

0,31

0,51

0,36

(Her)aanleg/onderhoud poelen (aantal/100 ha)

0,07

1,53

0,16

0,05

0,16

0,06

Landbouwgebruiksgebied (ha)

Biologische waardering

Dichtheid beheerobjecten Perceelranden (m/ha) Kleine landschapselementen

Periode 2007-2013 Een door de Vlaamse Regering goedgekeurd ontwerp voor het Programma voor Plattelandsontwikkeling 2007-2013 werd eind 2006 ingediend bij de Europese Commissie. Mede door de beperkte budgettaire ruimte werd een maximale voortzetting van de maatregelen van het programma 2000-2006 nagestreefd, waardoor het PDPO II slechts enkele nieuwigheden en aanpassingen bevat. Wat natuurgerichte maatregelen betreft zijn dat onder meer: ! de beheerovereenkomst soortbescherming wordt uitgebreid met pakketten voor akkervogel-

bescherming, waarbij op bedrijfs- in plaats van op perceelniveau zal worden gewerkt; ! de beheerovereenkomst botanisch beheer en beheerovereenkomst natuur worden aangemeld aan

Europa, maar worden integraal gefinancierd met Vlaamse middelen (staatssteun).

244


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

De ex-ante-evaluatie van het PDPO II stelde dat de aandacht voor biodiversiteit in het ontwerpprogramma ondermaats was, gezien de omvang van de biodiversiteitsproblematiek op het platteland en gegeven het grote areaal aan Habitatrichtlijngebieden in landbouwgebruik [110]. Enerzijds heeft Vlaanderen een aantal instrumenten van de plattelandsverordening5 om die problematiek aan te pakken onbenut gelaten, waaronder onder meer het ondersteunen van de opmaak van instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden (artikel 57a). Opmaak van dergelijke doelstellingen zou zowel landbouw als natuur de gevraagde zekerheid, voorwaarden en kansen kunnen bieden voor bedrijfsvoering in Natura 2000-gebieden. Anderzijds toont Vlaanderen zich weinig ambitieus op milieu- en natuurvlak door slechts 25 % van de Europese middelen van het programma (het verplichte EU-minimum) te besteden aan de agromilieumaatregelen in as 2. De inzet van bedrijfsplanners werd met ingang van 2007 verruimd naar gans Vlaanderen. Doordat het PDPO II nog niet goedgekeurd was op 1 januari 2007, kunnen in 2007 geen nieuwe beheerovereenkomsten van start gaan (in PDPO II kunnen overeenkomsten enkel van start gaan op 1 januari). Voor landbouwers wiens beheerovereenkomst eindigt in de loop van 2007 en die een nieuwe beheerovereenkomst wensen te sluiten, is een overgangsregeling uitgewerkt.

03 Kennis Er is in Vlaanderen weinig cijfermateriaal en (kwantitatieve) kennis voorhanden over de impact van zowel de gangbare landbouwpraktijk als de verschillende agromilieumaatregelen op de biodiversiteit in het agrarische gebied. Terwijl het inzetten van agromilieumaatregelen sinds 2000 in de ons omringende landen begeleid is geworden door talloze wetenschappelijke studies (zie voor besprekingen [114, 115]), zowel vanuit landbouwkundige als ecologische vraagstellingen, heeft Vlaanderen die maatregelen noch met een doordachte visie, noch met een gepast opvolgings- en studiesysteem geflankeerd. Los van de door Europa opgelegde evaluatie- en rapporteringsverplichtingen, is het voor het Vlaamse beleid nuttig om de effectiviteit en de efficiĂŤntie van de beheerovereenkomsten te kunnen beoordelen, zowel op niveau van het gevoerde beheer (beheerevaluatie) als op niveau van het gevoerde beleid (beleidsevaluatie). Die kennis kan het zoeken naar geschikte beheervormen voor de biodiversiteit in het agrarische gebied en het wederzijds vertrouwen tussen landbouw en natuurbehoud alleen maar ten goede komen. Daarnaast moet een verhoogde kennisopbouw rond de relatie tussen landgebruik en biodiversiteit ook toelaten om met het landbouw-, het milieu- en het natuurbeleid sneller in te spelen op de soms snelle ontwikkelingen binnen en buiten de sector, zoals de opgang van de energiegewassen of het inzetten van agromilieumaatregelen voor de vorming van een functioneel landschappelijk netwerk (klimaatcorridors) om verwachte areaalverschuivingen van planten- en diersoorten op te vangen [68]. Met medewerking van Karolien Michiel - Vlaamse Landmaatschappij Carine Wils - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

5) Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277 van 21/10/2005)

245


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #13 Landbouw

Lectoren Koen Carels - Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Walter Galle - Agentschap voor Natuur en Bos Hubert Gulinck – Katholieke Universiteit Leuven, departement Landbeheer en Economie, Marc Herremans - Natuurpunt Studie vzw Ludo Holsbeek - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Bea Kayaerts - Milieu- en natuurraad van Vlaanderen Hans Leinfelder – Universiteit Gent, vakgroep Civiele techniek Koen Martens - Vlaamse Milieumaatschappij Linda Meiresonne - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Karolien Michiel - Vlaamse Landmaatschappij Stijn Overloop – Vlaamse Milieumaatschappij, Milieurapport Jonathan Platteau - Afdeling Monitoring en Studie, departement Landbouw en Visserij Dirk Van Gijseghem - Afdeling Monitoring en Studie, departement Landbouw en Visserij Kor Van Hoof - Vlaamse Milieumaatschappij Liesbet Van Laer - Natuurpunt vzw

#13

Jos Van Orshoven – Katholieke Universiteit Leuven, departement Landbeheer en Economie Pieter Van Vooren - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Véronique Verbist - Agentschap voor Natuur en Bos Hilde Wustenberghs - Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek

246


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Samenwerking met lokale overheden Johan Peymen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! In het kader van de samenwerkingsovereenkomst 2002-2007 is er een toename

in de kwantiteit en kwaliteit van de gesubsidieerde natuurprojecten. Tot 31 december 2006 werden er in totaal 491 gesubsidieerde natuurprojecten goedgkeurd. ! Enerzijds werden bedrijfsplanners voor het uitwerken van beheerovereenkomsten

toegewezen aan de erkende regionale landschappen, anderzijds blijkt dat de perimeters voor de uitwerking van botanisch beheer en weidevogelbeheer grotendeels buiten de erkende regionale landschappen liggen. Een afstemming is dan ook gewenst. ! De doelstelling in MINA-plan 3 die aangeeft dat een duidelijkere definiĂŤring van

de doelstellingen en taakstellingen regionale landschappen dringend nodig is, werd nog niet gerealiseerd. ! De regionale landschappen hebben in totaal meer dan 700 poelen aangelegd

en/of hersteld. Ze vormen een belangrijk instrument voor de ontwikkeling en het behoud van kleine landschapselementen

j

R

Ondertekeningsgraad samenwerkingsovereenkomst

R

Aantal gemeenten die de cluster natuurlijke entiteiten ondertekenen

R

Goedgekeurde natuurprojecten in gemeenten en provincies

R

Aanvragen voor duurzaamheidsambtenaar

R

Uitvoering van samenwerkingsovereenkomst via Tandem

R

Opgerichte en erkende regionale landschappen

247


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

EĂŠn van de vijf pijlers van het Vlaamse natuurbeleid zijn de lokale overheden en verenigingen. In dit hoofdstuk komen drie instrumenten aan bod die op deze lokale overheden en organisaties gericht zijn: samenwerkingsovereenkomst met gemeenten en provincies, Tandem en regionale landschappen. De samenwerkingsovereenkomst is een instrument dat zich op milieu en natuur richt, maar hier wordt op natuur gefocust. Eerst behandelen we het beleid ter zake, om vervolgens in te gaan op de effecten op natuur.

01 Beleid 1.1 Samenwerkingsovereenkomst met gemeenten en provincies Uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst 2002-2007 Ten opzichte van de toestand in 2005 is er geen verandering met betrekking tot de ondertekenings-

#14

graad voor de samenwerkingsovereenkomst. In 2006 hebben 249 van de 308 gemeenten ingetekend op de samenwerkingsovereenkomst (zie tabel 14.1). Daarvan hebben 156 gemeenten voor het eerste ambitieniveau gekozen en 93 gemeenten hebben zich geĂŤngageerd voor ambitieniveau twee.

Tabel 14.1: Aantal gemeenten dat de samenwerkingsovereenkomst ondertekende (2007) [bron: CAPLO].

Convenant

Periode

Ondertekenende gemeenten Aantal Aandeel (%)

Eerste Milieuconvenant

1992-1996

294

95

Tweede Milieuconvenant

1997-1999

284

92

Overgangsconvenant

2000-2001

275

89

Samenwerkingsovereenkomst

2002-2004 (2002)

222

72

Samenwerkingsovereenkomst

2002-2004 (2003)

234

76

Samenwerkingsovereenkomst

2002-2004 (2004)

239

78

Samenwerkingsovereenkomst

2005-2007 (2005)

249

81

Samenwerkingsovereenkomst

2005-2007 (2006)

249

81

Sinds 2003 hebben de vijf Vlaamse provincies de samenwerkingsovereenkomst op niveau twee ondertekend.

248


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

350

Figuur 14.1: Aantal gemeenten die de cluster natuurlijke entiteiten ondertekenen (2007) [bron: CAPLO].

Aantal ondertekeningen cluster natuurlijke entiteiten

300 250 200 150 100 50 0

Cluster natuurlijke entiteiten niet ondertekend Cluster natuurlijke entiteiten ambitieniveau 2 Cluster natuurlijke entiteiten ambitieniveau 1 2002

2003

2004

2005

2006

Binnen de samenwerkingsovereenkomst kunnen de gemeenten voor enkele inhoudelijke clusters kiezen. Uit figuur 14.1 kunnen we afleiden dat er niet enkel een kwantitatieve maar ook een kwalitatieve verbetering is met betrekking tot de ondertekening van de cluster natuurlijke entiteiten. Enerzijds zijn er meer gemeenten die op die niet-verplichte cluster intekenen. In 2002 waren dat er 199, terwijl er in 2006 227 gemeenten hebben ingetekend. Anderzijds zijn er meer gemeenten die voor een hoger ambitieniveau kiezen. Het aantal intekeningen voor ambitieniveau twee is van 34 gemeenten in 2002 opgelopen tot 50 gemeenten in 2006. Dit ambitieniveau legt meer de nadruk op de planmatige uitvoering en aanpak van het beleid rond natuur, bos, groen en landschap. Men mag dus verwachten dat gemeenten die ambitieniveau 2 ondertekenden een grotere impact zullen hebben op de natuur. De terugval in 2003 is een gevolg van de strenge beoordeling bij de evaluatie van de planning, waardoor bijna alle gemeenten voor deze cluster werden afgekeurd [zie NARA 2005 hoofdstuk 40 Samenwerking met lokale overheden]. Aan de hand van onderstaande indicatoren, nl. het aantal aangevraagde en goedgekeurde duurzaamheidsambtenaren en het aantal ingediende en goedgekeurde natuurprojecten, wordt het engagement om de samenwerkingsovereenkomst uit te voeren beschreven. Het aantal aanvragen voor een duurzaamheidsambtenaar dat ingediend wordt door de gemeenten, geeft de intentie van de gemeenten aan om de aangegane overeenkomst met de Vlaamse overheid optimaal te kunnen uitvoeren (figuur 14.2). In 2006 is het aantal aanvragen gelijk gebleven ten opzichte van 2005 (125 van de 308 Vlaamse gemeenten). In totaal hebben nu 101 gemeenten (ongeveer 33 % van gemeenten in Vlaanderen) een duurzaamheidsambtenaar.

249


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

140

Figuur 14.2: Cumulatief aantal aanvragen voor een duurzaamheidsambtenaar (2007) [bron: CAPLO].

Aantal gemeente n

120 100 80 60 40 20

Ingediende aanvragen

0

2002

2003

2004

2005

2006

Goedgekeurde aanvragen (planning)

#14

Tot 31 december 2006 werden er in het kader van de samenwerkingsovereenkomst 2002-2007 491 gesubsidieerde natuurprojecten goedgekeurd (gemeenten: 456, provincies: 35) die samen voor ongeveer 12.370.000 euro gesubsidieerd worden door de Vlaamse overheid. Tabel 14.2 geeft met betrekking tot de goedgekeurde natuurprojecten een aantal stijgende trends weer. Niet alleen het aantal projecten, maar ook het aantal betrokken gemeenten en het aantal gemeenten dat meerdere goedgekeurde projecten heeft, neemt toe. De beperkte terugval in 2006 heeft met de projecten ‘subsidiereglement voor groendaken’ (zie verder) te maken. Die projecten worden enkel als project geteld in het jaar waarop het reglement voorgelegd wordt voor subsidie, de jaren nadien blijft de subsidiëring vanuit de Vlaamse Overheid van kracht, maar is het project niet meer terug te vinden in het aantal goedgekeurde natuurprojecten. Heel wat gemeenten dienden in 2004 en 2005 een project ‘subsidiereglement voor groendaken’ in. Tabel 14.2: Aantal goedgekeurde natuurprojecten (gemeenten) in het kader van de samenwerkingsovereenkomst 2002-2007 (2007) [bron: INBO, ANB].

Jaar

Aantal projecten

Aantal gemeenten

Aantal gemeenten met meerdere projecten

2002

20

13

7

2003

40

29

6

2004

123

59

22

2005

144

92

29

2006

129

73

30

250


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

160

Figuur 14.3: Inhoud van de goedgekeurde natuurprojecten (gemeenten) in het kader van de samenwerkingsovereenkomst 2002-2007 (2007) [bron: ANB, CAPLO].

140

Aantal projecten

120 100 80 60

Aankoop

40

Natuurontwikkeling (inrichting, aanleg) Subsidiereglementen

20 0

2002

2003

2004

2005

2006

Plannen

Voor de provincies is het verloop wisselend, waarbij jaarlijks samen 5-10 goedgekeurde natuurprojecten worden uitgewerkt. De klemtoon ligt daar meer op de praktische ondersteuning aan de gemeenten die de samenwerkingsovereenkomst ondertekend hebben. De provincies hebben daarvoor samen 35 personen in dienst die worden gefinancierd via de samenwerkingsovereenkomst. Ze zijn vrij om te bepalen hoe zij die ondersteuningsfunctie concreet vormgeven. Daardoor is dat moeilijk op te volgen met indicatoren. Figuur 14.3 toont de inhoud van de projecten, nl. subsidiereglementen (bv. subsidie voor bescherming van soorten), plannen (bv. opmaak bermbeheerplan), natuurontwikkeling (natuurinrichting, aanleg) en aankoop van terreinen. Ongeveer de helft van de projecten hebben betrekking op natuurontwikkeling, 25 % van de projecten heeft betrekking op subsidiereglementen (groendaken, zwaluwbescherming, â&#x20AC;Ś). Iets minder dan 20 % houdt aankopen van terreinen in. De overige 5 % omvat de opmaak van plannen (bermbeheerplan, groenbeheer parken). Voor de periode 2002-2006 is er een constante toename van het aantal projecten die gericht zijn op de opmaak van plannen (bv. bermbeheerplannen). Vooral in de tweede helft van de contractperiode van de samenwerkingsovereenkomst 2002-2007 is er een sterke stijging van het aantal projecten die betrekking hebben op diverse vormen van natuurontwikkeling in de uitwerking van subsidiereglementen. De stijging is een logisch gevolg van het feit dat vanaf 2004 door de Vlaamse overheid subsidies werden voorzien voor de opmaak van reglementen.

251


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

In onderstaande paragrafen worden een aantal populaire natuurprojecten verder toegelicht. Soortbescherming - Zwaluwen In 2002 werd het eerste natuurproject met betrekking tot bescherming van zwaluwen goedgekeurd. Voor elke aanvraag voor het plaatsen van een nestkast of het laten hangen van bestaande zwaluwnesten wordt door de gemeente waar een subsidiereglement werd opgemaakt, een subsidie gegeven. De gemeente kan op zijn beurt een deel van de subsidie (tot 70 %) via de Vlaamse overheid terugvorderen. Vooral in de tweede helft van de samenwerkingsovereenkomst 2002-2007 werden door de gemeenten subsidiereglementen uitgewerkt en als natuurproject ingediend. Het is pas sinds 2005 dat gemeenten ook voor het subsidiereglement een subsidie kunnen krijgen. Momenteel hebben 14 gemeenten een subsidieregeling. Als men nagaat welke acties Natuurpunt via zijn afdelingen (www.natuurpunt.be) of de regionale landschappen (Vlaams-Brabant) organiseert, is het verrassend dat dit aantal zo laag is. De resultaten die in figuur 14.4 zijn weergeven berusten op gegevens van 10 van de 14 gemeenten die het subsidiereglement hebben opgezet. Het aantal aanvragen stemt niet overeen met het aantal nestkasten. Meestal komt één aanvraag overeen met meerdere nestkasten (of nesten).

#14 Jaarlijks aantal aanvragen voor nestkasten

Figuur 14.4: Aantal aanvragen voor subsidies voor het plaatsen van nestkasten of het laten hangen van nesten (cijfers gebaseerd op 10 van de 14 gemeenten met een goedgekeurd project voor de bescherming van zwaluwen) (2007) [bron: ANB, INBO].

400

300

200

100

0

2003

2004

2005

2006

Soortbescherming - Amfibieën Sinds het bestaan van milieuconvenanten en samenwerkingsovereenkomsten werden 65 projecten goedgekeurd die het behoud en de bescherming van amfibieën beogen. Die projecten hebben betrekking op aanleg van poelen, herstel/beheer van poelen, aanleg amfibieëntunnels en overzetacties. Uit figuur 14.5 blijkt dat de meeste aandacht gaat naar het aanleggen van nieuwe poelen (32 projecten), alsook het herstel en beheer ervan (14 projecten). Daarnaast werden er ook 17 projecten uitgewerkt die gericht zijn op de aanleg van amfibieëntunnels. In 2005 en 2006 werd er telkens één actie goedgekeurd voor de overzet van amfibieën.

252


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Figuur 14.5: Goedgekeurde natuurprojecten inzake het behoud en bescherming van amfibieĂŤn (2007) [bron: ANB, INBO].

25

Aantal projecten

20

15

10

5

0

1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006

Overzet Aanleg tunnel Herstel/beheer poel Aanleg poel

Groendaken Een groot aandeel van de natuurprojecten heeft betrekking op het invoeren van een gemeentelijk subsidiereglement voor groendaken. Uit figuur 14.6 blijkt dat reeds 90 gemeenten hier werk van gemaakt hebben en dat naast het subsidiereglement door de gemeenten ook heel wat projecten worden ingediend voor het realiseren van een groendak. Momenteel zijn er 60 projecten goedgekeurd die betrekking hebben op de aanleg van een groendak. De uitvoering van groendaken is pas de laatste jaren op gang gekomen. Daarom is het aantal nog beperkt. Er mag echter verwacht worden dat daarin snel verandering zal komen. In de meeste gevallen betreft het groendaken op openbare gebouwen. Daarmee vervult de gemeente een voorbeeldfunctie. De premie door de Vlaamse overheid, voor de periode 2002-2005 komt overeen met een bedrag van 440.000 euro en een oppervlakte van ongeveer 12.000 m2. De werkelijke oppervlakte groendak in Vlaanderen kan hoger liggen, aangezien sommige gemeenten hun subsidie aftoppen.

100

Figuur 14.6: Aantal gemeenten met subsidiereglement voor groendaken en aantal uitgevoerde groendaken (2007) [bron: ANB, INBO].

Aantal

80

60

40

20

0

Gemeenten met subsidiereglement 'groendaken' Uitgevoerde groendaken 2002

2003

2004

2005

2006

253


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Bermbeheer Het Bermbesluit (BS 02 oktober 1984) legt een natuurvriendelijk bermbeheer op aan alle openbare besturen, door een aangepast en periodiek maaibeheer met daartoe geschikt materieel en met verbod op het gebruik van biociden. Het besluit is van toepassing op bermen en taluds langs wegen, waterlopen en spoorwegen, beheerd door publiekrechtelijke rechtspersonen. De opmaak van een bermbeheerplan is dan ook een voor de hand liggende maatregel. Sinds het eerste milieuconvenant was er de mogelijkheid om projecten in te dienen die betrekking hadden op de opmaak van bermbeheerplannen. De cluster â&#x20AC;&#x2DC;natuurlijke entiteitenâ&#x20AC;&#x2122; van de samenwerkingsovereenkomst bouwt verder op het actieplan van het gemeentelijk natuurontwikkelingsplan. Van de 84 gemeenten in Vlaanderen die een bermbeheerplan hebben opgemaakt, gebeurde dat 58 keer in het kader van een milieuconvenant of de samenwerkingsovereenkomst. Aan de 58 gemeenten die een bermbeheerplan hebben in het kader van de samenwerkingsovereenkomst, werd gevraagd of ait al dan niet in uitvoering is en of er een evaluatie en actualisatie van het bestaande beheerplan werd uitgewerkt. In figuur 14.7 staan de resultaten van die bevraging, waarbij 48 van de 58 gemeenten hebben geantwoord. Uit de figuur blijkt dat bijna 90 % (42 van de 48 bermbeheerplannen) in uitvoering is. Aan een evaluatie (ca. 12 %) zijn de meeste gemeenten nog niet toe. Bij de evaluaties die

#14

gebeurd zijn, wordt wel aangegeven dat er in de meeste gevallen een gunstige evolutie is. Indien dat niet zo was, werd het bermbeheerplan bijgestuurd.

Figuur 14.7: Uitvoering bermbeheerplannen in het kader van de samenwerkingsovereenkomst (2007) [bron: ANB, INBO].

Evaluatie Uitvoering 0

20

40

60

80

100

Aandeel van de opgemaakte bermbeheerplannen (%)

Planning en instrumentering van de samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 Bij het verschijnen van dit natuurrapport loopt de huidige samenwerkingsovereenkomst 2002-2007 ten einde en hebben de gemeenten en provincies kunnen intekenen op de nieuwe samenwerkingsovereenkomst 2008-2013. De milieuconvenanten (voorloper van de samenwerkingsovereenkomst) en de samenwerkingsovereenkomst hebben een belangrijke meerwaarde en impuls betekend voor het lokale milieubeleid in Vlaanderen. Ze leverden milieuambtenaren, milieuadviesraden en meer inspraak van de bevolking op. Bovendien werden lokale besturen aangespoord om extra inspanningen voor milieu te leveren. Ze geven een eerste aanzet tot integratie van milieu in andere beleidsvelden op lokaal niveau. Dat werd ook aangegeven in een recent advies van de Minaraad (Advies van 6 juli 2006 over de krachtlijnennota nieuwe samenwerkingsvorm 2008-â&#x20AC;Ś).

254


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Daarom is het belangrijk dat wordt doorgegaan met de ondersteuning van het lokale milieubeleid via een nieuwe samenwerkingsvorm vanaf 2008. Niettemin hadden de lokale besturen heel wat opmerkingen bij de concrete gang van zaken. NARA 2005 beschreef de voornaamste knelpunten: de papierstroom bij de beoordelingsrondes, het gebrek aan communicatie (betrokkenheid) tussen â&#x20AC;&#x2DC;Brusselâ&#x20AC;&#x2122; en de lokale overheden en het principe van de gekoppelde clusters. In 2006 werden op initiatief van minister Peeters de regels voor het gemeentelijke milieubeleidsplan en milieujaarprogramma versoepeld (wijziging DABM 28 april 2006, BS 14 juni 2006). Begin 2007 werd het uitvoeringsbesluit1 goedgekeurd. De voornaamste wijzigingen worden hieronder aangegeven: ! Milieubeleidsplanning is niet meer verplicht. Momenteel hebben 258 van de 308 gemeenten een

goedgekeurd milieubeleidsplan. De 50 resterende gemeenten zijn niet meer verplicht dat op te maken. Ook als ze de huidige samenwerkingsovereenkomst hebben ondertekend, wordt de verplichte opmaak gedelibereerd. ! Tot voor de wijziging van het decreet moest er op het milieubeleidsplan een verplicht advies komen

van de milieuraad. Het milieubeleidsplan was de aanleiding om een milieuraad samen te stellen. Door de wijziging is de verplichting voor het vormen van een milieuraad enkel aan de samenwerkingsovereenkomst gebonden. Door het wegvallen van het verplichte milieubeleidsplan, loopt men het risico dat op lokaal niveau een adhocbeleid gevoerd zal worden. Op langere termijn is er het gevaar dat een lokaal milieubeleid niet meer gebaseerd is op een visie die afgestemd is op het Vlaamse milieubeleid.

1.2 TANDEM-project Planning en instrumentering Tandem is het steunpunt van de Vlaamse milieubeweging voor lokaal duurzaam beleid. Tandem wil gemeenten, intercommunales en provincies helpen om hun engagementen in het kader van de samenwerkingsovereenkomst waar te maken. Tandem heeft als doel de samenwerking tussen bestuur en vereniging (tandem) te versterken. Het steunpunt bestaat uit negen partners, alle gewestelijke milieuverenigingen: Bond Beter Leefmilieu (BBL), Centrum voor Natuureducatie (CVN), Dialoog, Ecolife, Natuurpunt, Vereniging voor bos in Vlaanderen (VBV), Vereniging voor ecologische leef- en teeltwijze (Velt), Vlaams Instituut voor Bio-ecologisch Bouwen en Wonen (Vibe) en World Wide Fund for nature (WWF). De Vlaamse overheid financiert Tandem en de concrete werking van Tandem is vastgelegd in een beleidsplan en in jaarplannen voor de hele duur van de samenwerkingsovereenkomst. Het doel is evenzeer om verenigingen binnen en buiten de milieu- en natuursector te helpen om op lokaal niveau een volwaardige werking rond duurzaam lokaal milieubeleid uit te bouwen. 1) Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2007 houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 2002 betreffende de provinciale en gemeentelijke milieuplanning en de milieuraad, ter uitvoering van de artikelen 2.1.18, 2.1.24, 2.1.16 en 2.1.22 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (BS 18/05/2007)

255


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Om de doelstellingen te realiseren beschikt Tandem over een uitgebreid pakket van instrumenten: ! verzamelinstrumenten en informerende instrumenten: website, nieuwsbrief, databank met project-

fiches, …; ! begeleidingsinstrumenten: infoloket, adviesverlening ter plaatse, …; ! stimulerende instrumenten: cursussen, werksessies, projectenfonds, …; ! beleidsadviserende instrumenten: aanbevelingen naar Vlaamse overheid, overleg met Centraal

Aanspreekpunt voor Lokale Overheden (CAPLO), …

Uitvoering In onderstaande paragrafen beschrijven een aantal indicatoren de uitvoering van die instrumenten. De cijfers zijn gebaseerd op de jaarverslagen 2003 tot en met 2006. Informeren Tabel 14.3 toont hoe het aantal abonnees op de elektronische nieuwsbrief op drie jaar tijd bijna verdub-

#14

belde. De Tandemkoffer verstrekt allerlei hulpmiddelen voor gemeenten, milieuraden en verenigingen die kunnen worden ingezet bij het opzetten van een lokaal project. Het is een verzameling gratis fiches, gaande van basismateriaal voor het uitbouwen van een samenwerkingsproject tussen gemeenten en verenigingen (zoals voorbeeldbrieven, sjablonen voor folders en dergelijke) tot handleidingen met tips voor een goede projectuitvoering. Eind 2006 zijn er 32 fiches via deze Tandemkoffer beschikbaar. Met betrekking tot natuur is dat o.a. ‘Biodiversiteit in jouw gemeente’. Momenteel kan niet worden aangegeven hoeveel er van die Tandemkoffer wordt gebruikgemaakt (download van fiches).

Tabel 14.3 toont hoe het aantal abonnees op de elektronische nieuwsbrief op drie jaar tijd bijna verdubbelde.

Instrument

2003

2004

2005

2006

Aantal abonnees elektronische nieuwsbrief

1400

1560

1996

2460

15

29

32

Aantal projectfiches in Tandemkoffer

Begeleiden Om tabel 14.4 te kunnen interpreteren, is het van belang te weten dat vanaf de tweede contractperiode (2005-2007) de begeleiding op maat van lokale groepen en besturen werd versterkt. Aan de hand van onderstaande indicatoren kunnen we zien dat de aanpassingen effect hadden. Zo zien we een duidelijke stijging van het aantal vragen via het Tandemloket, van het aantal keer dat er gratis advies ter plaatse werd gegeven, alsook van het aantal keer dat er een intensieve begeleiding werd gerealiseerd. Dit laatste houdt in dat een medewerker op kosten van Tandem zich 5-10 werkdagen kan inzetten voor een ambitieus milieuproject dat een gemeente of vereniging wil opzetten. We zien dat voor de drie instrumenten de doelstellingen ruimschoots overschreden worden.

256


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Instrument

2003

2004

2005

2006

Doelstelling

beperkt

beperkt

235

362

250/jaar

Aantal keer gratis advies ter plaatse

5

15

86

84

75/jaar

Aantal keer intensieve begeleiding

5

6

13

16

10/jaar

Aantal vragen via Tandemloket

Tabel 14.4: Uitvoering van de begeleidingsinstrumenten (2007) [bron: Tandem].

Stimuleren Een belangrijke doelgroep hier zijn de milieuraden. Zowel voor de cursussen als voor de vormingsdagen wordt de doelstelling gehaald (tabel 14.5), ondanks het grote engagement dat van de deelnemers verwacht wordt. Het geeft aan dat er een grote nood is aan dergelijke activiteiten. Tandem organiseert in alle Vlaamse provincies ook werksessies waarop projectmodellen en participatiemodellen op een intensieve en interactieve wijze worden voorgesteld aan besturen en verenigingen. Uit de tabel blijkt dat ook die werksessies een succes zijn. In het kader van het projectenfonds wordt een financiĂŤle ondersteuning voorzien voor (kleinschalige) projecten, waarbij lokale besturen en verenigingen samenwerken voor een beter milieu en meer natuur. In 2005 werd de doelstelling nog niet gehaald gezien het projectenfonds toen opgestart werd.

Instrument Cursus voor milieuraadsleden

2003

2004

2005

2006

Doelstelling

4 (76)

7 (114)

4 (67)

3 (55)

4/jaar (50 deelnemers)

6 (151)

11 (237)

5/jaar (150 deelnemers)

42 (661)

37 (745)

25/jaar (200 deelnemes)

21

25

25/jaar

Vormingsdagen voor milieuraadsleden Werksessies voor gemeenten en verenigingen Projectenfonds

5 (46)

5 (136)

1.3 Regionale landschappen Planning en instrumentering Een regionaal landschap wordt in het decreet gedefinieerd als een duurzaam samenwerkingsverband dat ingesteld wordt op voorstel van een provincie of drie of meer aaneengesloten gemeenten, gericht op overleg en samenwerking met de betrokken doelgroepen ter bevordering van het streekeigen karakter, van natuurrecreatie en natuureducatie, van recreatief medegebruik, van het natuurbehoud en van het beheer, herstel, aanleg en de ontwikkeling van kleine landschapselementen. Het regionale landschap is gericht op de bevordering van de band van de burgers met het omringende landschap en de natuur. De Vlaamse overheid keurt de doelstellingen van een regionaal landschap goed aan de hand van het erkenningsdossier en de voorwaarden zoals die worden bepaald in het Natuurdecreet2 en haar uitvoeringsbesluiten. 2) Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (B.S. 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (B.S. 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (B.S. 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (B.S. 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (B.S. 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (B.S. 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (B.S. 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (B.S. 20/06/2006)

257

Tabel 14.5: Uitvoering stimulerende instrumenten. Tussen haakjes: aantal deelnemers (2007) [bron: Tandem].


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Het werkingsgebied van het regionale landschap onderscheidt zich geografisch van de omgevende streken, met een minimale aaneengesloten oppervlakte van 30.000 ha, een typisch landschap met een grote gaafheid en samenhang en/of cultuurhistorische waarde, een hoge actuele natuurwaarde en met grote mogelijkheden voor natuurontwikkeling en natuurgerichte recreatie en natuurgericht toerisme (Natuurdecreet, Artikel 54). De beleidsnota leefmilieu 2004-2009 bevat volgende operationele doelstelling: “De regeling betreffende de regionale landschappen wordt geëvalueerd en bijgesteld, ten einde een maximale complementariteit na te streven met het plattelandsbeleid, zonder de natuurdoelen uit het oog te verliezen.” In die zin worden de regionale landschappen ook vermeld in de beleidsnota Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid als instrument van het plattelandsbeleid. Ten slotte gaat ook de beleidsnota Monumenten en Landschappen in op de regionale landschappen. De nota benadrukt hun waardevolle rol in het kader van de subsidiariteit. Regionale landschappen slaan een brug tussen het beleid en de particuliere en openbare zorg voor het onroerend erfgoed op het terrein. In de beleidsnota Leefmilieu en Natuur wordt ook de complementariteit met het toeristisch-recreatief beleid aangehaald. De betrokkenheid van andere groepen die de verbreding van het takenpakket tot gevolg heeft, vormt een

#14

belangrijke stap in de ‘integrale’ benadering van natuur en landschapszorg. Daarom is het ook van belang dat een gebiedsdekkend netwerk van regionale landschappen in Vlaanderen verder uitgebouwd wordt. Daarnaast is door de verdere uitbreiding van de taken van regionale landschappen een duidelijkere definiëring van de doelstellingen en taakstellingen nodig. Daarom bevat MINA-plan 3 de doelstelling om de werking van het instrument regionale landschappen te verduidelijken, te activeren en af te stemmen op andere doelgroepgerichte instrumenten. Het is belangrijk dat er bij de Vlaamse Overheid een duidelijk omschreven visie is waarin vermeld staat welke rol de regionale landschappen in het natuurbeleid dienen te spelen, hoe men staat tegenover de verbreding van de taken, binnen welk kader men de regionale landschappen wil laten werken en hoe men de regionale landschappen inhoudelijk evalueert. Een evaluatie moet uitmaken in hoeverre die verbrede taakstelling nog compatibel is met het decreet en uitvoeringsbesluit in zake de erkenning van regionale landschappen. Uitvoering Eind 2006 zijn 11 regionale landschappen definitief of voorlopig erkend, en zijn er twee feitelijk opgericht (figuur 14.8). Dat is samen 48 % van de Vlaamse landoppervlakte. 133 van de 308 gemeenten behoren tot een regionaal landschap. Totnogtoe werden er in de provincie Antwerpen nog geen regionale landschappen opgericht. Het provinciebestuur kon nog niet voldoende gemeenten vinden om daarrond samen te werken. In Limburg zijn alle gemeenten in een erkend regionaal landschap gelegen. De regionale landschappen voeren ook tal van projecten uit die betrekking hebben op het natuurbehoud en het beheer, herstel, aanleg en de ontwikkeling van kleine landschapselementen. In kader daarvan wordt hier op twee voorbeelden, nl, poelen en amfibieën, en beheerovereenkomsten dieper ingegaan.

258


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Figuur 14.8: Opgerichte en erkende regionale landschappen in Vlaanderen (31 december 2006) [bron: ANB, INBO].

ERKEND

OPGERICHT

Dijleland

Meetjesland

IJzer en Polder

Groene Corridor

Noord-Hageland

Schelde-Durme

Haspengouw

Vlaamse Ardennen

Houtland

West-Vlaamse Heuvels

Kempen en Maasland

Zenne, Zuun en Zoniën

Lage Kempen

Poelen en amfibieën Een bevraging van alle regionale landschappen met betrekking tot de uitvoering en opvolging van poelen leverde volgende vaststellingen: ! Zeven van de 13 regionale landschappen hebben een uitgewerkt poelenplan, of gebruiken

bestaande gemeentelijke poelenplannen. De regionale landschappen die daar niet over beschikken, gebruiken ‘best professional judgement’ voor de juiste aanleg van poelen. Daarbij wordt vooral gekeken naar reeds aanwezige poelen en naar de algemene condities van de omgeving. ! Al de erkende en opgerichte regionale landschappen hebben in totaal meer dan 700 poelen aan

gelegd en/of hersteld. Dat is zeer veel als men weet dat in het kader van de samenwerkingsovereenkomst ongeveer 40 poelen werden aangelegd of hersteld. Dat toont dan ook aan dat de regionale landschappen een belangrijk instrument zijn voor de ontwikkeling en het behoud van kleine landschapselementen. Beheerovereenkomst met landbouwers De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) stelt sinds 1 oktober 2004 voor elk regionaal landschap voor een periode van twee jaar een bedrijfsplanner in dienst. Het principe van de bedrijfsplanners is vastgelegd via een ministerieel besluit (18 juli 2003) over de uitvoering van beheerovereenkomsten en via het Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen. De bedrijfsplanners stellen bedrijfsplannen op: plannen die ze in overleg met de boeren schrijven en waarin overeenkomsten worden gesloten.

259


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Aangezien de regionale landschappen via de bedrijfsplanner een centrale rol kunnen spelen met betrekking tot het uitvoeren van beheerovereenkomsten voor natuur (zie ook hoofdstuk 13 Landbouw), werd voor de afgelopen twee jaar nagegaan welke invloed de regionale landschappen hadden op de uitwerking van beheerovereenkomsten. Daarbij werden enkel de regionale landschappen die reeds bestonden voor de start van het project in de analyse opgenomen (oktober 2004). De analyse levert volgende resultaten (tabel 14.6): ! Op het eerste gezicht lijken de regionale landschappen zowel voor botanisch beheer als voor

weidevogelbeheer geen positieve impact te hebben. De geringe resultaten zijn echter toe te schrijven aan de vastgelegde perimeters waarbinnen die beheerovereenkomsten kunnen worden afgesloten. Slechts 44 % van de oppervlakte waarbinnen botanisch beheer mogelijk is, ligt binnen de regionale landschappen. Voor de weidevogelbeheerpakketten is dat slechts 28 %. Door die beperking moeten we concluderen dat de regionale landschappen duidelijk een meerwaarde vormen. Ze realiseren immers 48 % van de afgesloten weidevogelebeheerpaketten in 28 % van het beschikbare gebied in Vlaanderen. ! Voor hamsterbeheer is het verhaal omgekeerd. De perimeter voor die beheerovereenkomst ligt

#14

voor 100 % binnen de regionale landschappen (Dijleland en Haspengouw-Voeren). ! Bij de beheerovereenkomsten die betrekking hebben op kleine landschapselementen is er geen

dergelijke perimeter. De cijfers geven een opvallend verschil aan tussen de resultaten binnen en buiten regionale landschappen. De beheerovereenkomsten met betrekking tot beheer van perceelranden zijn evenmin aan een vastgelegde perimeter gekoppeld. Hier is echter de verdeling binnen en buiten de regionale landschappen ongeveer gelijk.

De aanpak met bedrijfsplanners (tot eind 2006) werd voor drie jaar verlengd. Daarbij heeft zich een belangrijke verschuiving voorgedaan. Tabel 14.6: Verdeling van de afgesloten beheerovereenkomsten voor natuur binnen en buiten de regionale landschappen die opgericht of erkend zijn sinds 2004 (2007) [bron: VLM, INBO].

Beheerpaketten

Totaal projecten

Binnen regionale landschappen (%)

Buiten regionale landschappen (%)

Botanisch beheer

205 ha

37

63

Weidevogelbeheer

1023 ha

48

52

6 ha

100

0

KLE

434 km

67

33

KLE

456

58

42

1.288 km

48

52

Hamsterbeheer

Perceelranden

Regionale landschappen waren vragende partij om bij de verlenging van het contract de bedrijfsplanners volledig naar de regionale landschappen over te hevelen omwille van de niet-eenduidige situatie in stu-

260


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

ring. De bedrijfsplanners zaten volledig bij de regionale landschappen, maar mits ze op de loonrol van de Vlaamse Landmaatschappij stonden, werden ze toch deels van daaruit gestuurd. De Vlaamse Landmaatschappij op haar beurt was vragende partij om de bedrijfsplanners 100 % naar de VLM te transfereren. Daarbij wenste de VLM enerzijds de bedrijfsplanners ook meer in te zetten voor administratieve opvolging rond de beheerovereenkomsten op de VLM zelf en anderzijds konden dan de bedrijfsplanners ook gebiedsdekkend voor Vlaanderen ingezet worden. Het resultaat is dat de bedrijfsplanners volledig binnen de VLM worden geïntegreerd waarbij de bedrijfsplanner twee dagen per week op het regionaal landschap kan werken. De onkostenvergoeding voorzien voor de regionale landschappen voor de huisvesting van de bedrijfsplanner werd in de nieuwe overeenkomst ook verlaagd van max. 7500 euro/jaar (op basis van te bewijzen kosten) tot 1200 euro/jaar (forfaitair bedrag). Inhoudelijk kunnen de regionale landschappen wel nog sturen, waarbij de bedrijfsplanner per jaar een werkplan opmaakt dat afgestemd wordt op de werking van het regionale landschap. De samenwerking met het regionale landschap betekent dus nog steeds een gebiedsgerichte invulling van de werking van de bedrijfsplanner. Samenwerkingsovereenkomst met gemeenten De samenwerkingsovereenkomst biedt heel wat mogelijkheden voor het uitwerken van natuurprojecten. Vaak ontbreekt het de gemeentelijke ambtenaren (milieuambtenaar en duurzaamheidsambtenaar) aan kennis of tijd om een project uit te werken en in te dienen. Daarin kunnen de regionale landschappen een belangrijke rol vervullen. Door de samenwerking tussen verschillende partners (regionaal landschap, gemeente, natuurvereniging, …) is er tevens ook een grotere participatie gecreëerd. Uit een enquête die het regionale landschap Noord-Hageland uitvoerde bij haar gemeenten blijkt dat de gemeenten aangeven meer rond natuur en landschap te werken door aangesloten te zijn bij een regionaal landschap. Een voorbeeld waarbij de rol van de regionale landschappen belangrijk is, is het project ‘Gemeenten adopteren Limburgse soorten’. Dit project werd opgezet door de provincie Limburg, waarbij de doelstelling is dat elke Limburgse gemeente een typische soort adopteert. Momenteel hebben alle Limburgse gemeenten een soort geadopteerd. Voor de 44 gemeenten worden door de regionale landschappen actieplannen uitgewerkt. Die omvatten drie luiken, nl. acties (administratief en op terrein), communicatie (educatie en sensibilisering) en monitoring (soorten, draagvlak, activiteiten door gemeente). De doelstelling is dat tegen eind 2007 alle actieplannen uitgewerkt zijn. Een aantal actieplannen zullen in 2007 reeds uitgevoerd worden. Ook hier kan een regionaal landschap samenwerken met een gemeente om een natuurproject in het kader van de samenwerkingsovereenkomst in te dienen en uit te werken.

261


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

02 Effecten op natuur Het overzicht van de beleidsuitvoering in de vorige paragrafen toont dat er heel wat projecten en acties worden uitgevoerd met als doelstelling het behoud en de ontwikkeling van de biodiversiteit. Een tekortkoming is evenwel dat er geen systematische opvolging is van de resultaten op het terrein. Zelfs wanneer die worden opgevolgd, zal het nooit mogelijk zijn ze aan de specifieke maatregelen te koppelen (bv. rol van educatie, participatie). Toch is het van belang de effecten van het geheel aan maatregelen in te kunnen schatten. Het invoeren van enkele verplicht op te volgen effectindicatoren in elk natuurproject zou ook de inzichten van de uitvoerders ten goede komen. Uit dit hoofdstuk is gebleken dat er heel wat acties zijn voor het behoud en de ontwikkeling van poelen en amfibieën. Uit een aantal studies [10, 36] blijkt dat het verdwijnen van poelen een van de belangrijkste oorzaken vormt voor het verdwijnen van een derde van de lokale populaties van amfibieën. De grootste bedreigingen voor de amfibieën zijn een slechte milieukwaliteit en versnippering van hun leefgebieden. Wanneer

#14

het slecht gaat in één poel, moeten de amfibieën een andere poel kunnen vinden en vice versa. Met andere woorden: er is een poelennetwerk (natuurverbinding) nodig. Uit onderzoek [10] van de waterpartijen die vanaf 1995 gecreëerd werden en die tijdens het veldwerk dus maximaal 10 jaar oud waren, blijkt dat nieuw gegraven poelen door alle soorten als leefgebied gebruikt werden en dat met (nagenoeg) dezelfde frequentie als oudere poelen. De creatie van nieuwe poelen is dus een erg succesvolle maatregel en speelt ongetwijfeld een belangrijke rol bij het behoud van amfibieënpopulaties. Ook het beheer (periodisch uitdiepen) van bestaande poelen mag niet vergeten worden om een verregaande verlanding te vermijden.

03 Kennis ! Momenteel is er geen monitoring en rapportering van de effecten van een goedgekeurd natuur-

project. De Vlaamse overheid is enkel op de hoogte van de projecten die door een gemeente werden aangevraagd, goedgekeurd en uitgevoerd. De rapportering van effecten zou via enkele indicatoren en een online centrale databank kunnen gebeuren. Dat zou toelaten de kosteneffectiviteit van het instrumentarium op te volgen en te optimaliseren. ! Er is geen eenduidig overzicht van acties binnen de verschillende instrumenten (regionale land-

schappen, samenwerkingsovereenkomst e.a.). Dat maakt het moeilijk om bijvoorbeeld voor Vlaanderen aan te geven waar er daadwerkelijk acties zijn met betrekking tot bescherming van de zwaluwen. Ook dat zou via de online centrale databank kunnen worden samengebracht.

262


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #14 Samenwerking met lokale overheden

Lectoren Ann Crabbé - Universiteit Antwerpen, faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen Lode De Beck - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Grete De Maeyer - Provincie Vlaams-Brabant Hans De Schryver - Agentschap voor Natuur en Bos Olivier Dochy – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en Provincie West-Vlaanderen Larissa Luyten - Provincie Limburg Annemie Matheussen - Provincie Vlaams-Brabant Wouter Mertens - Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-integratie en -subsidiëringen Luc Storms - Agentschap voor Natuur en Bos Dirk Vandenbussche - Provinciaal Instituut voor Hygiëne, dienst Natuur Steven Vanholme - Natuurpunt vzw Katty Wouters - Regionaal Landschap Noord-Hageland vzw

263


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

Focus Zeeschelde Toon Van Daele1, Erika Van den Bergh1, Tom Maris2, Anik Schneiders1, Jan Breine1, Alexander Van Braeckel1 1 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2 Universiteit Antwerpen – departement Biologie

! De juridische bescherming van de Zeeschelde onder de Vogel- en Habitatrichtlijn

en het grote economische belang van de Antwerpse haven hebben er samen toe geleid dat met alle stakeholders een geïntegreerde toekomstvisie voor het Schelde-estuarium werd ontwikkeld. ! De Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn de referentie voor compensaties

#15

van de aantasting van habitats en soorten door haveninfrastructuurwerken. Compensaties en infrastructuurwerken moeten gelijktijdig uitgevoerd worden. De resultaten worden strikt opgevolgd. ! De vaargeul is nog niet aangemeld conform de Habitatrichtlijn. Een voorstel tot

afbakening tot waar de zoutinvloed reikt is in openbaar onderzoek. ! De ecologische doestellingen voor de Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water

zijn gericht op verschillende niveaus in het ecosysteem en zijn voor de Zeeschelde zoveel mogelijk geïntegreerd. De Habitatrichtlijn, gericht op soorten en habitats, leidt tot een meer statische benadering terwijl de invulling van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de globale voorwaarden voor ecosysteem functies, meer rekening houdt met dynamiek. ! De gewenste oppervlakte slikken en schorren hangt nauw samen met de water-

kwaliteit. Bij de huidige nutriëntenlast zou de oppervlakte slikken en schorren bijna moeten verdrievoudigen om de ecologische doelstellingen te bereiken. Indien alle geplande maatregelen worden uitgevoerd, zal die uitbreiding in 2030 gerealiseerd zijn.

264


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

D

Oppervlakte slik en schor in de Zeeschelde

S

Waterkwaliteit van de Zeeschelde

I

Visindex in de Beneden-Zeeschelde

I

Watervogels in de Zeeschelde

De instrumenten die worden ingezet voor het natuur-, bos- en waterbeleid vertonen heel wat onderlinge raakvlakken. Het is niet altijd duidelijk wat de combinatie van kennis, beleids- en planningsinstrumenten opleveren. Het doel van het focushoofdstuk is de bescherming, de visievorming en de planning in ĂŠĂŠn gebied nader te bekijken. In dit natuurrapport werd gekozen voor de Zeeschelde als focushoofdstuk. Het is een groot gebied waar verscheidene natuurbeschermingsstatuten elkaar overlappen. De rivier heeft een zeer hoge natuurwaarde en vervult met de Antwerpse haven een belangrijke economische functie. De bescherming van woongebieden tegen overstromingen door stormtij is in de dichtbevolkte regio een belangrijk element in het rivierbeheer. Het beleidskader is complex en de belangen zijn uiteenlopend. Toch zijn er raakpunten waardoor verschillende functies samengaan en elkaar weten te versterken.

01 Toestand De Zeeschelde is het Vlaamse deel van het Schelde-estuarium. Het omvat de vallei van de Schelde van Gent tot de Nederlandse grens. Het getij dringt op de Schelde zeer ver door stroomopwaarts tot aan de sluizen in Gent. Ook op de zijrivieren Durme, Rupel en een gedeelte van de Nete en de Dijle is er tijwerking. Tot Antwerpen is het water brak, maar verder stroomopwaarts neemt het zoutgehalte sterk af en is het water zoet. Met name het uitgestrekte zoetwatergetijdengebied met slikken en schorren is vrij uniek in Europa. Het estuarium is in het verleden sterk gewijzigd door menselijk ingrijpen. Het estuarium werd steeds verder ingepolderd en bedijkt. De haven van Antwerpen kende een sterke expansie waardoor de vaargeul steeds dieper en ruimer werd uitgebaggerd. De belangrijkste knelpunten voor het ecologisch functioneren van het Schelde-estuarium zijn de veranderingen in de hydromorfologie, de toegenomen getijdenenergie, de slechte waterkwaliteit en de verontreiniging van de waterbodem [76]. Hieronder wordt ingegaan op enkele aspecten van de hydromorfologie, waterkwaliteit, vis- en vogelpopulatie.

265


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

Kaderrichtlijn Water - Beoordeling van de toestand Bij de implementatie van de Kaderrichtlijn Water1 werd de Zeeschelde ingedeeld in zeven waterlichamen met een saliniteit die varieert tussen brak en zoet. Het Schelde-estuarium is te sterk veranderd om de ecologische toestand af te meten ten aanzien van een natuurlijke referentie. Voor dit soort 'sterk gewijzigde waterlichamen' voorziet de Kaderrichtlijn Water een alternatieve beoordeling. De ecologische toestand wordt niet aan een onverstoorde referentiesituatie getoetst, maar aan een 'maximaal ecologisch potentieel' (MEP). Dit MEP is het maximaal ecologisch haalbare en vormt de bovengrens van het ecologische beoordelingssysteem. Voor de minimumgrens van de ecologische doelstelling wordt een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) voorgesteld. De doelstelling van de Kaderrichtlijn Water is tegen 2015 voor elk waterlichaam ten minste te voldoen aan het GEP.

#15

Maximaal ecologisch potentieel (MEP) voor slik- en schoroppervlakte Het MEP voor slik- en schoroppervlakte werden bepaald vanuit een hydromorfologische benadering [28]. Om slikken, schorren en ondiep water duurzaam in stand te kunnen houden moet de rivier over voldoende ruimte beschikken en mag het dwarsprofiel niet te steil zijn. Op basis van de dwarsprofielen van goed ontwikkelde en duurzame slik- en schorgebieden werd een kritische helling afgeleid waarboven erosie van slikken en schorren optreedt. Hoe groter het hoogteverschil tussen de hoogwaterlijn en het diepste punt van de vaargeul, hoe breder het dwarsprofiel moet zijn om een die kritische helling mogelijk te maken. Aan de hand van die helling, de topografie en getijgegevens kan de minimale oppervlakte berekend worden die overal langs de rivier nodig is om duurzame slikken en schorren te ontwikkelen. Er werd voorgesteld die oppervlakte te nemen voor de grens van het MEP. Voor schor is dit 5433 ha en voor slik 1375 ha [28]. Goed ecologisch potentieel (GEP) voor slik- en schoroppervlakte De oppervlakte schorren voor het goed ecologisch potentieel werd berekend aan de hand van de minimale behoefte aan silicium om algenbloei te voorkomen (zie §3.2). Schorren hebben namelijk een belangrijke invloed op de beschikbaarheid van opgelost silicium. In totaal komt men zo tot minimaal 2110 ha schorren als de ondergrens voor het goed ecologisch potentieel. Het goed ecologisch potentieel voor slikken is gebaseerd op de oppervlakte slikken die nodig is om voldoende prooiorganismen voor vogels en vissen te garanderen wanneer de waterkwaliteit aan de vereisten van de Kaderrichtlijn Water zal voldoen. De benthosbiomassa is evenredig met de primaire productie die op haar beurt gerelateerd is aan de aanwezige voedingsstoffen. Er is dus voldoende slik nodig om bij verbeterde waterkwaliteit voldoende voedsel te voorzien. Voor de minimumoppervlakte slikken komt men zo tot 1140 ha. Er is een belangrijk verschil in de benadering voor het goed ecologisch potentieel voor slik- en schoroppervlakte. De berekening voor slikken is gebaseerd op de waterkwaliteit die voor de Kaderrichtlijn Water moet worden bereikt, terwijl die voor schorren gebaseerd is op de huidige waterkwaliteit.

1.1 Hydromorfologie Als gevolg van indijking en verdieping van de vaargeul is de oppervlakte aan slikken en schorren sterk afgenomen (figuur 15.1). In 2003 was de oppervlakte slik nog slechts een derde van de oppervlakte in 1850 [1]. De resterende intergetijdengebieden zijn op veel plaatsen weinig duurzaam omdat ze onder hoge hydromorfologische druk staan. De overgang tussen de geul en het schor wordt steeds steiler. Slik, laagen middenschor worden kwetsbaar en eroderen onder de verhoogde getij-energie. De geleidelijke overgangen verdwijnen en er ontstaan hoge schorkliffen die ten slotte door erosie kunnen verdwijnen. Dat fenomeen noemt men â&#x20AC;&#x2DC;coastal squeezingâ&#x20AC;&#x2122;. De huidige oppervlakte schorren bedraagt 30 % van het GEP. De huidige oppervlakte slikken bedraagt 48 % van het GEP [28]. Met de uitbreiding van de oppervlakte 1) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22/12/2000)

266


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

slikken en schorren zoals gepland in het geactualiseerde Sigmaplan en andere initiatieven zal voor het jaar 2010 72 % en voor het jaar 2030 101 % van de doelstelling voor het goed ecologisch potentieel voor slikken en schorren worden gehaald. Ook onder het wateroppervlak zijn er veranderingen opgetreden. In 1930 was er naast de diepere vaargeul een sterke afwisseling van diepe zones, ondiepe zones en slikplaten [189]. Die ondiepe en matig diepe zones zijn ecologisch erg belangrijk. Het aandeel ondiep of matig diep water ten aanzien van diep water is afgenomen (figuur 15.2). De oppervlakte ondiep water is vooral afgenomen in het meest stroomafwaartse en meest uitgestrekte gebied. De rivier evolueert er van een meergeulensysteem naar ĂŠĂŠn geul.

3500

Figuur 15.1: Langetermijnevolutie van de slik- en schoroppervlakte in de Zeeschelde met aanduiding van het goed ecologisch potentieel (GEP). De toestand in 2010 en 2030 geeft de som weer van de huidige oppervlakte en geplande natuurontwikkelingsprojecten (zie paragraaf 3.2).

3000

Oppervlakte (ha)

2500 2000 1500 1000 500 0

1850

1900

1950

2003 2010 2030

100

Figuur 15.2: Verdeling ondiep, matig diep en diep water in de Zeeschelde tussen de grens en de Rupel voor de periode 1930-2000 [bron: 189].

80

Oppervlakte (%)

Slik Schor Slik & schor gepland (GEP) slik & schor

60

40

20

0

Ondiep water Matig diep water Diep water 1930

1950

1960

1970

1980

1990

2000

267


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

Figuur 15.3: % afwijking van een goede ecologische toestand voor totaal stikstof en orthofosfaat t.o.v. silicium [brongegevens: UA, OMESdatabank].

140

Doelbereiking GEP (%)

120 100 80 60 40 20 0

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Goed ecologisch potentieel (GEP) Si/P Si/N

#15

1.2 Waterkwaliteit De input van voedingsstoffen in het Schelde-estuarium is nog steeds erg hoog. De getijdenwerking en de sterke stroming die daarmee gepaard gaat, brengt veel materiaal in suspensie. De hoge troebelheid zorgt er bovendien voor dat het lichtdoorlatend vermogen zeer laag is. Die lichtlimitatie is dan ook de meest bepalende factor voor de beperking van de primaire productie, veel meer dan nutriĂŤntenlimitatie (zie ook hoofdstuk 4 Vermesting). Omdat kiezelwieren (diatomeeĂŤn) slechts weinig licht nodig hebben, vervullen ze een dominante rol in de primaire productie van het estuarium [139]. Voor die kiezelwieren is echter de beschikbaarheid aan opgelost silicium van essentieel belang. Het externe skelet van deze dieren is opgebouwd uit siliciumdioxide. De minimale concentratie voor de instandhouding van de kiezelwierengemeenschap is 0,15 mg opgelost silicium/l [1]. Door de hoge toevoer aan voedingsstoffen is er in de zomer geregeld een tekort aan opgelost silicium. Om een systeem te handhaven waarbij er geen ongewenste algenbloei optreedt is het belangrijk dat er een evenwichtige verhouding is tussen nitraat, fosfaat en silicium. De ideale molaire verhouding is vastgesteld op Si/N/P = 16/1/16 (Redfieldratio). De afwijkingen ten opzichte van die ideale verhouding zijn weergegeven in figuur 15.3. Het GEP voor verhouding silicium/fosfaat werd enkele jaren bereikt in de periode 2000-2003, maar is nog niet stabiel. Voor de verhouding silicium/nitraat is de doelstelling van het GEP nog ver verwijderd. Steeds meer afvalwater dat naar de Schelde stroomt wordt gezuiverd. In mei 2007 werd de noordelijke waterzuivering van Brussel in gebruik genomen. Het meeste afvalwater van de hoofdstad wordt nu gezuiverd vooraleer het in de Zenne wordt geloosd. Door de toenemende zuivering vermindert de troebelheid

268


Figuur 15.4: Glijdend gemiddelde over vijf seizoenen van de maximale en gemiddelde concentraties chlorofyl a in de periode met laagste concentratie opgelost silicium in de meetlocaties van zoetwater gedeelte van de Zeeschelde (10 meetlocaties) (Voor 1999 en 2000 zijn alleen metingen beschikbaar voor Temse). [brongegevens: UA, OMESdatabank].

600

Chlorofyl a (µg/l)

500

Zeer slecht

400 300

Matig / slecht

200

Goed

100

Zeer goed*

0

1996-2000

Maximum Gemiddelde 1998-2002

2000-2004

2002-2006

* De lage Chlorofyl a concentratie wordt slechts als 'zeer goed' beoordeeld bij beperkte uitspoeling van fytoplankton, een gunstig lichtklimaat en geen silicium tekort.

van het water. Hoe paradoxaal ook, door de verbeterde waterzuivering zou het risico op algenbloei in de zomer wel eens kunnen toenemen. Van Damme et al. [190] en Van Wichelen et al. [208] ontwikkelden een beoordelingsysteem voor fytoplankton dat op basis van modelresultaten [16] werd herwerkt in Brys et al. [28]. Voor de beoordeling van fytoplankton wordt enkel de zoete zone in beschouwing genomen. De index voor fytoplankton heeft ook alleen zin in perioden met risico op algenbloei, namelijk in de lente en de zomer. De hoeveelheid fytoplankton kan worden uitgedrukt in chlorofyl-a-concentraties. Zowel de maximale als de gemiddelde waarde namen de afgelopen jaren duidelijk toe (figuur 15.4). Voor de beoordeling van fytoplankton staat echter niet alleen chlorofyl in. Ook het lichtklimaat, uitspoeling, nutriëntenhuishouding en het percentage diatomeeën spelen een rol.

1.3 Vissen Migratiebarrières zijn de belangrijkste hinderpaal voor de vispopulaties in de Zeeschelde. Trekvissen worden bedreigd omdat zij op hun tocht vanuit de zee naar de bovenlopen hun natuurlijke paaiplaatsen niet bereiken. De barrières zijn naast sluizen en stuwen ook de slechte waterkwaliteit en een gebrek aan zuurstof. Het eerste fysische migratieknelpunt vanuit de zee is de stuw en het sluizencomplex van Merelbeke (de overgang van getij naar niet-getij). Bij hoge waterafvoer, veelal in de winterperiode, wordt die stuw volledig geopend zodat tijdelijk toch migratie mogelijk is. De stuw van Asper verder stroomopwaarts is echter steeds gesloten zodat slechts weinig vissen stroomopwaarts de stuw van Asper geraken.

269


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

Behalve de fysische migratieknelpunten vormt ook de verontreiniging een belangrijke barrière voor de migraties van vissen. Zo is gebleken dat de water- en habitatkwaliteit ter hoogte van de historische paaiplaatsen voor de fint voldoende zijn om er succesvol te paaien. De slechte waterkwaliteit stroomopwaarts Antwerpen leidt echter tot een zuurstofarme zone. Die zone vormt een effectieve barrière die de adulte populatie fint verhindert de paaiplaatsen te bereiken. De mate waarin de waterkwaliteit een barrière vormt voor de vispopulatie hangt veel af van de periode waarin de vissoorten migreren. Op basis van temperatuur en zuurstofgehalte werden soortspecifieke barrièrekaarten samengesteld [181]. De migratiemogelijkheden voor trekvissen zullen aanzienlijk verhogen wanneer door verbeterde waterzuivering de minimale concentratie opgeloste zuurstof toeneemt tot 5 mg/l [126, 127]. Voor de Beneden-Schelde werd een visindex opgesteld. Die index geeft een geïntegreerde score van de ecologische kwaliteit van het visbestand weer t.o.v. een referentiesituatie [24]. Sinds 2001 worden systematisch op vier locaties aan de Zeeschelde fuikvangsten uitgevoerd. De beoordeling aan de hand van de index is in het algemeen ongunstig (figuur 15.5). In Zandvliet scoort de index vrij stabiel ‘matig’, maar vanaf Antwerpen en verder stroomopwaarts is de situatie ‘slecht’ tot ‘onvoldoende’. Uit de vangsten jaarrond ter hoogte van Liefkenshoek en St-Annabos te Antwerpen blijkt een duidelijk verband met de zuurstofconcentratie. In het voorjaar en de zomer, bij lage zuurstofconcentratie, zijn de scores

#15

beduidend lager dan in het najaar en de winter, wanneer de zuurstofconcentraties over het algemeen hoger zijn.

1,00

Ecologische kwaliteitsindex (EQR)

Figuur 15.5: Visindex voor Zandvliet en Antwerpen voor de periode 1995-2006 uitgedrukt in EQR (Ecological Quality Ratio) [brongegevens: INBO].

Goed 0,75

Matig 0,50

Onvoldoende 0,25

Slecht 0,00

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005 Zandvliet Antwerpen

270


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

1.4 Watervogels De Zeeschelde is internationaal een belangrijk gebied voor overwinterende watervogels, met name de populaties krakeend en wintertaling. Ook voor tafeleend stijgt globaal gezien het internationale belang langs de Zeeschelde (figuur 15.6).

Aandeel van de NW-Europese populatie (%)

10

Figuur 15.6: Percentage NW-Europese populatie (1991-2006) [brongegevens: INBO].

8

6

4 Krakeend Wintertaling Tafeleend Pijlstaart Wilde eend

2

0

91-92

93-94

95-96

97-98

99-00

01-02

03-04

05-06

Winterseizoen

Wintertalingen zijn in de Zeeschelde de talrijkste overwinterende watervogels. Ze komen langs de volledige gradiĂŤnt voor in het Schelde-estuarium. In de jaren 90 namen de aantallen echter sterk af in de Westerschelde, terwijl ze sterk toenamen in de Zeeschelde. Het is niet duidelijk of er een verschuiving van de populatie heeft plaatsgevonden, maar het is vrijwel zeker dat de waterkwaliteitsverbetering in de jaren 90 aan de grondslag ligt van de toename in de Zeeschelde. In de Zeeschelde ligt het zwaartepunt van de verspreiding tussen Burcht en Baasrode, met de grootste concentratie tussen de Rupel- en Durmemonding: de vogels vertonen een voorkeur voor gebieden waar de meeste en hydromorfologisch meest duurzame grote slik- en schorgebieden voorkomen (figuur 15.7). De wintertalingen in de Zeeschelde foerageren op het slik langs de waterlijn en bijna nooit in het water. Bij laagtij wordt er ook gefoerageerd op nog vochtig slik iets van de waterkant, bij hoogtij overtijen ze op het naburige schor.

271


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

Figuur 15.7: Verspreiding van de wintertaling langs de Zeeschelde [brongegevens: INBO].

1

Percentage van de populatie (%)

6

2

5

4

3 3

2

5 1

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

12

R

Traject locatie

#15

5

R

Schelde en zijrivieren

7

6

8

9

02 Beleid 2.1 Langetermijnvisie Schelde-Estuarium (LTV) en ontwikkelingsschets 2010 (OS2010) Naar aanleiding van de vraag voor een derde verdieping van de Schelde werd in 1998 door de Vlaamse en de Nederlandse Overheid besloten een gezamenlijke Langetermijnvisie (LTV) voor het Scheldeestuarium te ontwikkelen [135]. Die visie beoogt een integratie van veiligheid, natuurlijkheid en toegankelijkheid en formuleert daarvoor een streefbeeld voor 2030. De ecologische doelstellingen van het luik natuurlijkheid in de LTV kunnen als volgt worden samengevat : ! een grote diversiteit aan estuariene habitats (slikken, schorren, ondiep water en platen in zoet,

brak en zout water) met duurzame bijhorende levensgemeenschappen;

272


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

! ruimte voor natuurlijke dynamische fysische, chemische en ecologische processen. Handhaving

van het meergeulensysteem in de Westerschelde; ! de waterkwaliteit is niet meer beperkend voor fauna en flora.

Om dit streefbeeld concreter in te vullen werd als eerste fase de Ontwikkelingsschets 2010 uitgewerkt [159] waarin de beleidsinspanningen tot het jaar 2010 zijn weergegeven om het streefbeeld van de LTV te realiseren. De keuzes voor de projecten in de Ontwikkelingsschets 2010 zijn gebaseerd op een aantal voorafgaande studies: een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) [164], een strategisch milieu-effectenrapport (S-MER) voor de toegankelijkheid en een natuurontwikkelingsplan [193]. Voor de Ontwikkelingsschets 2010 werden de resultaten van die studies concreet vertaald voor fysische, chemische en ecologische processen. Behalve de hoge concentraties aan koolstof, nitraten en fosfaten zijn de knelpunten voor het herstel van de ecologische processen terug te voeren tot het gebrek aan ruimte voor de rivier. Het na te streven doel is het estuarium voldoende ruimte te geven en 'robuuster' te maken. Zo kan een stabiel ecosysteem worden verkregen waarop kleinere ingrepen geen significant negatieve effecten hebben.

2.2 Actualisatie van het Sigmaplan - Het Meest Wenselijke Alternatief (MWeA) Het Sigmaplan van 1977 voldeed niet langer aan de gewenste veiligheidsnormen en werd geactualiseerd. De Vlaamse Regering besliste om de invulling en de realisatie van het luik natuurlijkheid van de Ontwikkelingsschets 2010 integraal deel uit te laten maken van het geactualiseerde Sigmaplan. De aspecten veiligheid en natuurlijkheid worden daardoor maximaal geïntegreerd. Voor het aspect veiligheid werd een plan-Mer en een maatschappelijke kosten-batenanalyse uitgewerkt. In de maatschappelijke kosten-batenanalyse werd gekozen voor een optimale verhouding tussen maatschappelijke kosten en het risico op overstroming. Het resultaat van die studies was een optimaal Sigmaplan met betrekking tot veiligheid. Voor het aspect natuurlijkheid werden geïntegreerde instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s) opgesteld voor ecosysteemfuncties, habitats en soorten, zodat aan alle juridische verplichtingen (met name de Vogel- en Habitatrichtlijn en Kaderrichtlijn Water) wordt voldaan zonder dat ze met elkaar in strijd zijn [1]. Die instandhoudingsdoelstellingen werden ruimtelijk vertaald naar een (optimaal) natuurontwikkelingsplan [194]. Het optimale Sigmaplan en het optimale natuurontwikkelingsplan werden geïntegreerd tot het Meest Wenselijk alternatief (MWeA) [41] waarover een maatschappelijke consensus ontstond met de belangengroepen, met name de landbouwsector en de terreinbeheerders. Dat MWeA werd in juli 2005 bekrachtigd door de Vlaamse Regering als uitgangspunt voor de concretisering van het geactualiseerde Sigmaplan (figuur 15.8).

273


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

Figuur 15.8: Schematische voorstelling van de totstandkoming van het geactualiseerde Sigmaplan (vereenvoudigd naar [41]).

Voorstudies – Sigmaplan (Zeeschelde)

LTV – Langetermijnvisie (Schelde-estuarium)

Evaluatiestudies – Sigmaplan - Milieueffecten (Plan-MER)

Ontwikkelingsschets 2010 - Toegankelijkheid (s-MER)

- Maatschappelijke kosten-baten analyse (MKBA)

- Natuurlijkheid (NOP, Van den Berghe et al., 2003)

- Effecten landbouw (LER)

- Veiligheid (MER)

Optimaal Sigmaplan - Veiligheid (Zeeschelde)

Optimaal natuurontwikkelingsplan (Van den Bergh et al., 2005)

Synthesevoorstel (veiligheidstoets, landbouwtoets en natuurtoets)

#15 Geactualiseerd Sigmaplan – Meest wenselijk alternatief

2.3 Realisatie van de goede staat van instandhouding Naast de Ontwikkelingsschets 2010 en het geactualiseerde Sigmaplan zijn er ook andere planningsprocessen in het gebied die telkens rekening moeten houden met de instandhoudingsdoelstellingen. De strategische planning van het Antwerpse Havengebied met de achtergrondnota natuur (zie ook kadertekst), de afwerking van het eerste Sigmaplan en het sluiten van de Antwerpse ring zijn momenteel de belangrijkste. In het kader van al die planningsprocessen worden de komende jaren heel wat natuurontwikkelingsprojecten gepland die alle moeten bijdragen aan de goede staat van instandhouding van het gebied. Het betreft het afgraven van opgehoogde schorren, dijkherleggingen, de inrichting van gecontroleerde overstromingsgebieden met gereduceerd getij (zie kader Lippenbroek) en de ontwikkeling van binnendijkse doelhabitats, al dan niet in gecontroleerde overstromingsgebieden. Met de planning die momenteel beslist is, zou de goede staat van instandhouding tegen 2030 kunnen worden gerealiseerd.

2.4 Habitatrichtlijn De afbakening van het Habitatrichtlijngebied 'Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent' zoals bij Europa is voorgesteld in 1996 (aangepast in 2001), is momenteel 6000 ha groot met in hoofdzaak de grote slik- en schorgebieden langs de Zeeschelde. In totaal is 834 ha (14,5 %) van het Habitatrichtlijngebied eigendom van het Vlaams Gewest of een erkende terreinbeherende vereniging. Met de huidige afbakening is 62 % van dat Habitatrichtlijngebied gelegen in VEN-gebied. Het gebied is aan-

274


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

gemeld als habitattype 1130 Estuaria en enkele andere habitattypes van de Bijlage I die buitendijks aanwezig zijn en daarmee overlappen (tabel 15.1). Aanmelding vaargeul De vaargeul van de Zeeschelde, het deel van het Rupelbekken onder getijdeninvloed en enkele kleinere stukken slik en schor zijn niet in Habitatrichtlijngebied opgenomen (figuur 15.9). Dat is niet conform de richtlijnen van de Europese Commissie. De principes voor de afbakening van habitattype 1130 (estuaria) zijn beschreven in de ‘Handleiding voor Omschrijving van de Europese habitats’ en de ’Interpretation note on estuaries’. Die geven aan dat de continuïteit van de levensgemeenschappen zowel longitudinaal als transversaal langs de estuariumgradiënten verzekerd moet zijn. Elk deel dat een rol speelt in het optimaal functioneren van dit habitatcomplex dient te worden opgenomen in de afbakening. Concreet betekent dat een aanwijzing over de hele breedte van de rivier van dijk tot dijk. De aanduiding in het zoetwatergetijdengebied blijft onderwerp van discussie. Een voorstel tot bijkomende afbakening werd door de regering goedgekeurd op 15 juni 2007 en is in openbaar onderzoek (zie ook hoofdstuk 10 Habitatrichtlijn). Het betreft de nog niet aangeduide stroomgeul tot waar er zowel zoutinvloed als getij-invloed is en enkele nog niet eerder aangeduide slikken en schorren. Aan de Nederlandse grens sluit dit voorstel aan op het Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied van de Westerschelde. Stroomopwaarts blijven de zoetwaterschorren aangeduid als aparte stukjes habitat van het type estuaria (1130) zonder rekening te houden met bovenvermelde principes. Tabel 15.1 geeft voor de Bijlage I-habitats van de Habitatrichtlijn de beschermingsstatus weer en de mate waarin de percelen eigendom zijn van het Vlaams Gewest of van een erkende terreinbeherende vereniging. Voor het Bijlage I-habitat Estuarium heeft de uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied met de vaargeul een belangrijke invloed op de beschermingsgraad. Nu ligt slechts 21 % van het estuarium in Habitatrichtlijngebied, bij uitbreiding neemt dat toe tot 86 %.

Tabel 15.1: Bijlage I-habitats van de Habitatrichtlijn: hun beschermings- en eigendomsstatus in de Zeeschelde onder invloed van het getij.

Habitat

Code

Totale opp. in Zeeschelde plekken

VEN

Habitatrichtlijngebied

(ha)

(%)

(%)

Estuarium

1130

4411,22

Schorren met slijkgrasvegetatie

1320

0,06

Atlantische schorren

1330

Voedselrijke ruigten Alluviaal elzenbos

Eigendom Erkend en Vl. Gewest aangewezen of NGO natuurreservaat (%) (%)

21 (86)*

6

100

100

49

49

54,72

87

87 (92)*

37

55

6430

77,70

58

73 (80)*

4

4

91E0

331,16

78

84 (88)*

16

20

* Bij uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied (zie hoger).

275


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

Figuur 15.9: Overzicht van de verschillende beschermingsstatuten en bestemmingen in de Zeeschelde.

Paardenschor Brakke Kreek

Deurganckdok

Vogelrichtlijngebied VEN RUP Compensatiegebeieden Habitatrichtlijngebied (reeds afgebakend) Habitatrichtlijn uitbreiding (voorstel) Hoofdrivieren

#15

Scheldevallei

KBR

2.5 Ecologische doelstellingen: integratie van Kaderrichtlijn Water, Vogel- en Kader: Instandhoudingdoelstellingen en compenserende maatregelen Bij de constructie van het Deurganckdok werden delen van het Habitatrichtlijngebied 'Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent' en het Vogelrichtlijngebied 'Schorren en polders van de Beneden-Schelde' aangetast. Na een juridische impasse werd op 14 december 2001 het Validatiedecreet (of Nooddecreet) goedgekeurd (zie ook NARA 2003 en 2005) en daarbij aansluitend op 20 februari 2002 de resolutie van het Vlaams Parlement die de implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn in het gebied moet verzekeren. Er werd een compensatiematrix uitgewerkt waarin strikte voorwaarden zijn opgelegd aan de verschillende fasen in de bouw en exploitatie van het Deurganckdok. De principes van de compensatie voor de schade aan Habitat- en Vogelrichtlijngebieden zijn: ! het gelijktijdigheidsprincipe: de bouwvergunning voor een bepaalde fase in de werken is pas geldig wanneer de compensatiewerken die eraan gekoppeld zijn in de compensatiematrix gestart zijn; ! compensatie van het historisch passief: ook voor habitats die bij eerdere uitbreidingen van het havengebied zijn aangetast wordt gecompenseerd;

276


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

! oprichting van een beheercommissie voor de begeleiding en monitoring van de compensaties.

Specifiek voor de Habitatrichtlijn werd het verlies aan habitat bij de aanleg van het Deurganckdok gecompenseerd door de aanleg van 25 ha nieuw slik- en schorgebied. ! Paardenschor (11 ha): een deel van het opgehoogde Paardenschor werd in 2004 afgegraven om het terug onder getijdeninvloed te brengen en tot slik en schor te laten ontwikkelen. Het resultaat wordt geëvalueerd door monitoring. ! Brakke Kreek (14 ha) in Doelpolder-Noord (gedeeltelijk verwezenlijkt in 2006): de Brakke Kreek is een nieuw gegraven sleuf met enkele zijarmen ten noorden van de kerncentrale van Doel. Ze komt op enkele plaatsen overeen met historische kreken die werden ingepolderd. Het uiteindelijke doel is de ontwikkeling van estuariene natuur door de kreek via een sluis met beperkt debiet in verbinding te stellen met de Schelde.

Om de compensatiemaatregelen te evalueren en eventueel bij te sturen wordt een monitoringsplan uitgevoerd. Het hoofddoel van die monitoring is evalueren of de uitgevoerde compensatiemaatregelen voldoen om de verliezen ten gevolge van de haveninfrastructuurwerken te compenseren. Daartoe zijn referentiewaarden opgesteld waaraan de actuele toestand wordt getoetst. Een tweede doel is na te gaan of het gebied in staat is habitats en soorten waarvoor de Habitat- en Vogelrichtlijngebieden werden afgebakend in stand te houden. Daarvoor worden de resultaten getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen die voor de Zeehaven van Antwerpen werden opgesteld [199]. In de Achtergrondnota natuur [3] wordt ruimtelijk vertaald waar en hoe die doelstellingen duurzaam kunnen worden gerealiseerd.

Habitatrichtlijn en Langetermijnvisie Gezien de maatschappelijke nood aan éénduidige instandhoudingsdoelstellingen werd in het 2de memorandum van Vlissingen (maart 2002) beslist om voor het hele Schelde-estuarium gemeenschappelijke instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. In Vlaanderen werden instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s) voor het valleigebied van de Zeeschelde en tijgebonden zijrivieren opgesteld [1]. De doelstellingen voor de verschillende richtlijnen (Kaderrichtlijn Water, Vogel- en Habitatrichtlijn) en de Langetermijnvisie zijn met elkaar verweven en geïntegreerd op drie hiërarchische niveaus: ecosysteemniveau, habitatniveau en soortniveau. De draagkracht van het ecosysteem staat op het hoogste niveau. De doelstellingen voor specifieke habitats en soorten zijn daaraan ondergeschikt maar daarom niet minder belangrijk. Voor de zeehaven van Antwerpen werden eerder al instandhoudingsdoelstellingen en een Achtergrondnota natuur opgemaakt (zie kadertekst). Die worden in een plan-MER getoetst aan verschillende economische scenario’s. Er werd gezorgd voor maximale afstemming tussen de instandhoudingsdoelstellingen voor het Antwerpse Havengebied en die voor het Schelde-estuarium.

277


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

Lippenbroek: een polder met Gecontroleerd Gereduceerd Getij (GGG). In het geactualiseerde Sigmaplan wordt de veiligheid verhoogd door een combinatie van meer ruimte voor de rivier door de aanleg van gecontroleerde overstromingsgebieden (GOG's) in de polders en een verhoging van de dijken. In totaal zijn er 1800 ha GOG's gepland. In sommige GOG's blijven landbouwactiviteiten mogelijk, in andere gebieden wordt de aanleg van GOG's aangewend voor natuurontwikkeling. Een concept van gereduceerd getij in een GOG werd uitgewerkt om extra slik- en schorrenhabitat te creëren. Schelde

GOG met GGG

Figuur 15.10: Concept GOG en GGG. Er is een verschil in tij-amplitude. Het GGG-gebied ligt lager dan de slik en schorre buitendijks.

In

#15

Een klassiek GOG overstroomt hooguit enkele keren per jaar. Om in de GOG's een slik- en schorrehabitat te creëren is een dagelijkse getijdenUit werking en een contact met de rivier vereist. In de rivierdijk wordt een inwateringssluis aangebracht Ringdijk Overloopdijk waar bij vloed het water kan instromen. Een uitwateringssluis laat het water bij eb terug uitstromen. De inwateringssluis laat het water slechts binnen vanaf een bepaald niveau en met een beperkt volume. Daardoor kan in een zeer laaggelegen polder een overstromingsregime worden geïntroduceerd met dezelfde springtij-doodtijvariatie als op de veel hogergelegen buitendijkse slik en schorre (figuur 15.10). Gevolg van dat systeem is wel dat GGG’s een iets langere overstromingsduur kennen dan buitendijkse getijdengebieden [128]. Te Hamme wordt het concept van GOG-GGG voor de eerste maal toegepast in het pilootproject Lippenbroek (10 ha). In het gebied wordt onderzocht of GGG’s gelijkwaardige ecologische functies vervullen als buitendijkse intergetijdengebieden en of GGG’s zo kunnen bijdragen tot de instandhoudingsdoelstellingen voor het Schelde-estuarium. Eerste resultaten voorjaar 2007 Het meest opvallende resultaat is het beluchtende effect van GGG’s. Daar waar de zuurstofconcentratie in de Schelde op warme zomerdagen tot onder 20 % kan zakken, daalt het zuurstofgehalte in de polder niet onder de 60 %. Het water dat via de sluizen binnenstroomt, wordt onmiddellijk met zuurstof aangerijkt en de lange verblijftijd in de polder zorgt voor extra oppervlaktebeluchting. De resultaten geven aan dat het Lippenbroek een sink is voor stikstof. In het zuurstofrijke water van het Lippenbroek wordt bijna alle ammonium genitrificeerd, een grote fractie van het nitraat wordt in de polder weerhouden en verwijderd. Lippenbroek blijkt net zoals natuurlijke schorgebieden een positieve bijdrage te leveren aan de siliciumbalans. Bij hoge siliciumconcentraties in het estuarium kan Lippenbroek fungeren als een sink, maar bij tekort aan silicium in de Schelde werd een export van silicium naar de Schelde gemeten. Er is nog geen goed ontwikkeld krekenstelsel waardoor bij eb in sommige depressies permanent water blijft staan. In die poelen is er een zeer sterke primaire productie die in enkele uren tijd alle inkomende stikstof uit de waterkolom kan verwijderen. Vermoedelijk zijn die poelen slechts tijdelijk en zullen ze bij verdere sedimentatie en kreekontwikkeling langzaam verdwijnen. Na 1 jaar is er een duidelijke verschuiving in de vegetatie ten voordele van pioniersoorten zoals kattestaarten. De successie wordt gestuurd door de overstromingsfrequentie en -duur. Daar waar de grond door dijkwerken sterk werd gecompacteerd, is de waterhuishouding verschillend en bijgevolg

278


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

ook de ontwikkelende vegetatie. Zowel vogels als vissen vinden hun weg naar het Lippenbroek. De meeste vissoorten van de Schelde worden ook in de polder aangetroffen. De vissen verplaatsen zich waarschijnlijk hoofdzakelijk via de uitwateringssluis. Een jaar na de inwerkingstelling zijn sedimentatie en erosieprocessen nog zeer dynamisch en veranderlijk. De centrale gracht vanaf het sluizencomplex wordt dieper, op sommige plaatsen tot 0,5 m. Er ontstaan steile en zachtere oevers waardoor de gracht meer en meer naar een kreek evolueert. Her en der in de polder ontstaan kleine geultjes die uitgroeien tot een krekenstelsel. Na een jaar GGG-werking lopen de sedimentatiesnelheden, afhankelijk van de plaats, nog sterk uiteen: van 0,5 tot 10 cm. De gemiddelde sedimentatiesnelheden zijn vergelijkbaar met die van een jong schor. Foto: inwateringssluis van het Lippenbroek (ECOBE)

03 Kennis Er werd reeds heel wat kennis opgebouwd over het functioneren van het estuariene ecosysteem van de Zeeschelde. Het ultieme doel is de draagkracht van het estuarium te kennen. Bij de inrichting van overstromingsgebieden en natuurontwikkelingsprojecten blijven de meest prangende vragen aan welke kwaliteitseisen het Scheldewater moet voldoen om regelmatige overstromingen toe te laten en welke habitats (type en kwaliteit) daaraan mogen worden onderworpen. Een beter inzicht in de bedreigingen en de onderlinge relaties van habitats en soorten zou toelaten om het estuarium meer gericht en efficiĂŤnter te verbeteren. Een belangrijke onbekende de komende jaren is het effect van de waterzuivering in Brussel. De verbeterde waterkwaliteit zal een positief effect hebben op het visbestand, maar verhoogt eveneens het risico dat invasieve exoten zich in de rivier kunnen handhaven. Het is onduidelijk welke veranderingen de verbeterde waterkwaliteit zal teweegbrengen voor de primaire productie, de nutriĂŤntencyclus, de zuurstofhuishouding en de verspreiding en biobeschikbaarheid van de verschillende vervuilingsparameters, zoals zware metalen. Kennis over de biobeschikbaarheid en de mogelijke invloed op het voedselweb van vervuilingsparameters is nog schaars. Om de verspreiding en de mogelijke effecten van hormoonontregelende stoffen in het Schelde-estuarium in kaart te brengen, werd het project ENDIS-RISKS gestart. Dit project onderzoekt de langetermijneffecten en de distributie van hormoonverstorende stoffen in het sediment, water, zwevend stof, en de concentraties in organismen (mysidaceeĂŤn en grondels) [256]. De ecologische impact van hydromorfologische veranderingen is nog niet goed gekend. De historische evolutie van slikken en schorren werd recent in kaart gebracht, maar er is weinig bekend over de effecten

279


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

die de verdieping en verbreding van de vaargeul zullen hebben op de oppervlakte en de kwaliteit van de nu aanwezige slikken en schorren. Ondanks de meetinspanningen blijft het soms moeilijk een oordeel te vellen over de meetresultaten. De overwinterende vogelpopulatie wordt reeds lang opgevolgd, maar het inzicht in de voedselecologie van de watervogels blijft beperkt. De studies die het voedselweb en de cycli van voedingsstoffen in de Schelde onderzoeken, besteden doorgaans minder aandacht aan de samenstelling en de rol van de schorfauna, waardoor misschien belangrijke schakels over het hoofd gezien worden. Met medewerking van: David Buysse – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Lode De Beck – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Valèrie Goethals – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Ralf Gyselings – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Gunther Van Ryckegem – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Bart Vandevoorde – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

#15

Lectoren Frank Adriaesen – Universiteit Antwerpen, departement Biologie Ann Crabbé - Universiteit Antwerpen, faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen Guy Heutz – Agentschap voor Natuur en Bos Wouter Mertens – Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Bob Peeters – Vlaamse Milieumaatschappij, Milieurapport David Stevens – Agentschap voor Natuur en Bos Ditske Van Hove – Universiteit Antwerpen, departement Biologie Adelheid Vanhille – Vlaamse Milieumaatschappij An Wouters – Agentschap voor Natuur en Bos

280


Natuurrapport 2007 / Deel 3 / #15 Focus Zeeschelde

281


Foto: Scheldevallei te Heurne (Yves Adams/Vildaphoto)


Synthese


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

Synthese en aanbevelingen voor het beleid Myriam Dumortier, Maarten Hens Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

! Zeldzame soorten die gebonden zijn aan zeer specifieke leefgebieden nemen af,

terwijl algemene, stikstof- en warmteminnende soorten toenemen. Daardoor vermindert de variatie in de natuur. Dit is de meest zichtbare dimensie van het verlies van biodiversiteit. ! De belangrijkste oorzaken van het huidige verlies van biodiversiteit in Vlaanderen

#16

zijn enerzijds verlies en versnippering van leefgebieden en anderzijds vermesting. Het beleid ter zake levert resultaten, maar is ontoereikend om het verlies van biodiversiteit te kunnen stoppen. ! Alle beschikbare gegevens wijzen erop dat voor de volgende decennia klimaat

verandering en invasies van uitheemse soorten de biodiversiteit ernstig bedreigen. Om de potentiĂŤle versnelling van het verlies van biodiversiteit op te vangen is het van belang de oorzaken van de verschillende verstoringen nog grondiger aan te pakken (ruimtegebruik, emissies van vermestende stoffen en van broeikasgassen, in- en uitvoer van soorten). Bovendien is het belangrijk voldoende grote natuurgebieden zorgvuldig te beheren, alsook daarbuiten een basisnatuurkwaliteit te garanderen. Met de huidige inspanningen kan de Europese doelstelling om tegen 2010 het verlies van biodiversiteit te stoppen niet worden gehaald. ! Vlaanderen heeft moeite om de doelstellingen van de Europese natuurrichtlijnen

te realiseren. Zelfs met de sterke juridische bescherming die de Europese Habitatrichtlijn biedt, is het zonder bijkomende inspanningen vanuit het ruimtelijke beleid, het milieu-, klimaat- en landbouwbeleid niet mogelijk om de doelen van die richtlijn te halen. ! Positief is alvast de verhoogde participatie in het stoppen van het verlies van

biodiversiteit en het streven naar een duurzaam gebruik van de natuur, niet alleen bij natuurverenigingen, maar ook bij landbouwers, bosbeheerders, jagers en de verige burgers. Die diverse benaderingen zijn veelal complementair en kunnen â&#x20AC;&#x201C; indien ze samenhangend worden ingezet â&#x20AC;&#x201C; elkaar versterken.

284


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

! Om de diverse beleidsinstrumenten optimaal te kunnen inzetten zijn concrete

Vlaamse en gebiedsgerichte doelen nodig en dienen de inzet en de effecten van die instrumenten regelmatig te worden opgevolgd.

Dit hoofdstuk brengt de belangrijkste bevindingen uit de verschillende hoofdstukken van het NARA 2007 samen, plaatst ze in een bredere en in een internationale context en komt tot aanbevelingen voor het beleid. Waar nodig wordt aanvullende informatie gebruikt van de website natuurindicatoren en uit literatuurbronnen. In 2007 moesten alle lidstaten aan Europa rapporteren over de voortgang die ze boekten in het kader van de Habitatrichtlijn. Dit Natuurrapport schenkt daarom bijzondere aandacht aan de uitvoering van de Habitatrichtlijn in Vlaanderen. Ook de vraag in het Vlaams regeerakkoord naar een evaluatie van de instrumenten uit het natuur- en bosbeleid krijgt extra aandacht.

01 Vaststellingen 1.1 Biodiversiteit De natuurlijke biodiversiteit in Vlaanderen in de 20ste eeuw omvatte ongeveer 40.000 soorten wilde planten en dieren (eencelligen niet inbegrepen). Van 6 % is geweten dat ze in de loop van de eeuw verdwenen zijn. Daarnaast staat 28 % op de Rode Lijst. Het gaat om soorten van zeer specifieke leefgebieden met een beperkt aanpassingsvermogen (specialisten, bv. gentiaanblauwtje), soorten van het landbouwgebied (bv. veldleeuwerik) en soorten van een voedselarm milieu (bv. libellen van voedselarme vennen) (tabel 16.1). Een aantal soorten gaan vooruit. Dat zijn meestal soorten zonder voorkeur voor specifieke leefgebieden (generalisten, bv. ekster), soorten van warmere leefgebieden (bv. sommige libellen, zie NARA 2005) en soorten van een voedselrijk milieu (bv. grote brandnetel) (tabel 16.1). Daarnaast zijn er ook soorten die zich succesvol aangepast hebben aan veranderingen in hun leefgebied (bv. steenmarter) of die het goed doen dankzij gerichte inspanningen (bv. vleermuizen). Bijna alle habitats (96 %) uit de bijlage van de Habitatrichtlijn die in Vlaanderen aanwezig zijn, bevinden zich in een ongunstige staat van instandhouding. Zij dreigen te degraderen tot vooral meer voedselrijke habitat wanneer niet spoedig de nodige maatregelen worden genomen. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat zeer specifieke leefgebieden degraderen tot meer algemeen, meestal voedselrijk leefgebied en dat heel wat aan die leefgebieden gebonden zeldzame soorten afnemen. Dat verlies van biodiversiteit wordt enigszins gecompenseerd door de uitbreiding van warmteminnende soorten en door de capaciteit van enkele soorten om zich aan te passen, maar ook door gerichte beschermingsmaatregelen. Daartegenover staat dat een aantal algemene soorten, inclusief enkele uitheemse

285


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

Tabel 16.1: Vaststellingen in NARA 2007 inzake soorten.

#16

Toename of stabiel

Afname

Broedvogels van bossen, algemene broedvogels en watervogels nemen toe (hoofdstuk 1).

Broedvogels van het landbouwgebied gaan achteruit (hoofdstuk 1).

Libellen van voedselrijke wateren en warmte minnende libellen breiden uit (hoofdstuk 1).

Libellen van voedselarme vennen en plassen gaan achteruit (hoofdstuk 1).

27 % van de soorten uit de bijlagen van de Habitatrichtlijn die in Vlaanderen leven bevindt zich in de beoogde gunstige staat van instandhouding (hoofdstuk 2).

73 % van de soorten uit de bijlagen van de Habitatrichtlijn die in Vlaanderen leven, bevindt zich niet in de beoogde gunstige staat van instandhouding (hoofdstuk 2).

Landplanten van voedselrijk milieu nemen toe (hoofdstuk 4).

Land- en waterplanten van voedselarm milieu en waterplanten van matig voedselrijk milieu gaan achteruit (hoofdstuk 4).

Stikstof- en warmteminnende korstmossen breiden uit.

Stikstofgevoelige korstmossen gaan achteruit (hoofdstuk 4).

Vlinders en libellen die hun vliegseizoen verlengen, breiden uit (hoofdstuk 5).

Vlinders en libellen die hun vliegseizoen niet verlengen, breiden minder of niet uit of gaan achteruit (hoofdstuk 5).

De laatste vijf jaar werden jaarlijks 25 nieuwe uitheemse soorten in de natuur in Vlaanderen gevonden, sommige ervan breiden zich sterk uit (hoofdstuk 6).

soorten, verder uitbreiden. Daardoor vermindert de variatie in de natuur. Dat is de meest zichtbare dimensie van het verlies van biodiversiteit. Een schatting op wereldschaal laat zien dat het verlies van biodiversiteit in de 20ste eeuw 1000 keer sneller verliep dan daarvoor [134]. Zowel in Vlaanderen als op wereldschaal is de aan zoet water gebonden biodiversiteit tijdens de voorbije eeuw het meest achteruitgegaan (hoofdstuk 2, 3, 4, [134]). Precies daar is het laatste decennium het duidelijkste herstel zichtbaar. In Vlaanderen reageren een aantal soorten positief op de evolutie van zeer slechte naar slechte tot matige waterkwaliteit (bv. libellen, watervogels, vissen). De locaties met een zeer goede waterkwaliteit blijven evenwel moeilijk te beschermen of uit te breiden (door bv. fosfaatdruk op voedselarme beken) en het risico op verdere achteruitgang van de meest kwetsbare watergebonden soorten blijft daardoor groot (bv. drijvend waterweegbree, zie voorpagina).

286


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

1.2 Verstoringen De belangrijkste oorzaken van het huidige verlies van biodiversiteit in Vlaanderen zijn enerzijds verlies en versnippering van leefgebieden en anderzijds vermesting. Het Vlaamse landschap behoort tot de meest verstedelijkte van Europa en die verstedelijking blijft toenemen [80]. Tussen 1994 en 2006 nam de bebouwde oppervlakte in Vlaanderen met 39.800 ha toe (2,9 % van de Vlaamse landoppervlakte), vooral ten koste van landbouwgebied [273]. De voorbije decennia evolueerde de Vlaamse landbouwoppervlakte tot de meest productieve, maar ook de meest natuurarme van Europa (hoofdstuk 13). Door de verstedelijking en de intensivering van de landbouw raken de leefgebieden van planten en dieren steeds meer geĂŻsoleerd. Sommige soorten kunnen niet overleven indien hun leefgebieden te klein zijn (bv. roerdomp) of indien ze zich onvoldoende kunnen verplaatsen tussen de verschillende leefgebieden die ze tijdens hun levenscyclus nodig hebben (bv. fint, zie hoofdstuk 15). Doordat uitwisseling tussen populaties bemoeilijkt wordt treedt bij sommige soorten genetische verarming op (bv. rivierdonderpad, zie NARA 2003). Ook op wereldschaal wordt verlies en versnippering van leefgebieden als belangrijkste oorzaak gezien van het verlies van biodiversiteit gedurende de voorbije eeuwen [263]. Om die verstoring in te perken voorzien het Vlaamse ruimtelijk beleid en het natuurbeleid 125.000 ha (9,2 % van de Vlaamse landoppervlakte) Vlaams Ecologisch Netwerk, met daarnaast natuurverwevings- en natuurverbindingsgebieden. Het doel is om tot grotere en beter verbonden leefgebieden voor planten en dieren te komen. Meer dan drie jaar na het streefjaar in het Natuurdecreet (2003) en enkele maanden voor het eind van het streefjaar in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (2007) zijn 70 % van het Vlaams Ecologisch Netwerk en slechts 0,7 % van het natuurverwevingsgebied afgebakend. De afbakening loopt achter op schema en tussen 2003 en 2007 is er nauwelijks nog vooruitgang geboekt (hoofdstuk 10). Ook vermesting is een belangrijke oorzaak van het verlies van biodiversiteit in de twintigste eeuw [158, 185]. Op wereldschaal wordt voorzien dat de vermestingsdruk de volgende 50 jaar nog zal toenemen [134], terwijl in Vlaanderen die toename dankzij de beleidsinspanningen stagneerde (hoofdstuk 4). Op dit ogenblik behoort de emissie van stikstof en fosfor naar het natuurlijke milieu in Vlaanderen tot de hoogste van Europa (hoofdstuk 4). In 8 % van de oppervlakte kwetsbare natuur is de stikstofdepositie voldoende gedaald om geen bijkomende schade meer te berokkenen aan die natuur, in de overige 92 % wordt wel nog bijkomende schade veroorzaakt. In oppervlaktewateren is momenteel het aandeel van de meetpunten dat de door Europa gevraagde goede ecologische kwaliteit bereikt, gestegen tot 25 %. Verontrustend is dat zowel voor de stikstofdepositie als voor de waterkwaliteit de gunstige evolutie de laatste jaren weer afvlakte. De impact van verstoringen uit zich dikwijls pas met vertraging. Dat heeft te maken met de inertie van de natuurlijke processen (vertraagde respons op verstoring), alsook met de tijdspanne die nodig is om de effecten op de biodiversiteit vast te stellen (o.a. doordat die effecten dikwijls op andere plaatsen of tijdstippen tot uiting komen). Daardoor zullen in de toekomst nog soorten uitsterven omwille van verstoringen uit het verleden (zie o.a. [97, 156, 211]). Ook de impact van herstel uit zich dikwijls pas met vertraging (zie ook NARA 2005, p. 187). Voor bv. verzuringgevoelige korstmossen is het herstel nog niet ingezet (hoofdstuk 4).

287


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

1.3 Bijkomende bedreigingen Alle beschikbare gegevens wijzen erop dat gedurende de volgende decennia klimaatverandering en invasies van uitheemse soorten een ernstige bijkomende bedreiging zullen vormen voor de biodiversiteit. Die bedreigingen gebeuren op een groter schaalniveau en zijn moeilijker beheersbaar dan de huidige verstoringen. Waarschijnlijk zullen ze tegen het einde van de 21ste eeuw de dominante oorzaak van verlies van biodiversiteit en verstoring van de natuur zijn, zowel op Vlaams als op mondiaal niveau [134]. Dit Natuurrapport brengt nieuwe aanwijzingen voor de actuele impact van klimaatverandering op de natuur in Vlaanderen. Sommige soorten reageren positief op klimaatverandering. Zo is tijdens de voorbije 20 jaar de vliegperiode van vlinders en libellen gemiddeld met twee weken verlengd (hoofdstuk 5). Hoe meer de vliegperiode verlengt, hoe meer deze soorten zich uitbreiden. Andere soorten die zich minder of niet aanpassen lopen het risico achteruit te gaan (bv. pad met onvoldoende winterslaap, hoofdstuk 5). Doordat sommige soorten zich meer en andere zich minder aanpassen, dreigen bovendien wijzigingen in de voedselketen en verlies van ecologische samenhang. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bonte vliegenvanger, waarvan de aankomstdatum minder vervroegt dan het uitkomen van rupsen, die de voornaamste voedselbron voor zijn jongen vormen [220]. Het ‘International Panel on Climate Change’ schat dat zelfs met

#16

een snelle transitie naar een ‘lagekoolstofeconomie’ de temperatuur wereldwijd gemiddeld met 1,5-2,5 °C boven het pre-industriële niveau zal stijgen. Daarbij dreigt op wereldschaal een verhoogd risico op uitsterven voor 20-30 % van de onderzochte soorten, alsook een significante verandering van de structuur en het functioneren van de natuur [111]. Daarnaast kan het internationale beleid ten aanzien van klimaatverandering implicaties hebben voor de biodiversiteit, zowel in positieve zin (bv. nieuwe interesse voor beheerafval uit natuurgebieden) als in negatieve zin (bv. verhoogde ruimtedruk door de uitbreiding van energiegewassen). Door de toenemende mobiliteit van mensen en goederen worden – al dan niet bewust – steeds meer soorten planten en dieren in- en uitgevoerd. De laatste vijf jaar nam het aantal uitheemse soorten in de natuur in Vlaanderen toe met meer dan 25 nieuwe soorten per jaar (hoofdstuk 6). Sommige uitheemse soorten breiden zich sterk uit (bv. Amerikaanse vogelkers) en kunnen inheemse soorten verdringen en leefgebieden veranderen [268]. Indien onvoldoende wordt ingegrepen, lopen de bestrijdingskosten hoog op (hoofdstuk 6). Het Vlaamse beleid ten aanzien van die invasieve soorten verloopt weinig gestructureerd. De verschillende verstoringen en bedreigingen versterken elkaar. Hun gelijktijdige inwerking verzwakt de veerkracht van de natuur [266, 134]. De veerkracht is het vermogen om zich te herstellen en te reorganiseren na ernstige verstoringen. Het is zeer waarschijnlijk dat er in verstoorde, minder veerkrachtige natuur een toegenomen risico is op niet-lineaire en plotse veranderingen die soms moeilijk omkeerbaar zijn, zoals het uitbreken van plagen en algenbloei, [134]. Het vermogen om verstoringen op te vangen is er uitgeput.

288


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

1.4 Europese Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel een aantal soorten en habitats die mondiaal bedreigd zijn, en waarvoor Europa een centrale rol vervult, te beschermen. Voor de bescherming van die soorten en habitats worden onder meer Habitatrichtlijngebieden afgebakend. Met zijn 7,5 % Habitatrichtlijngebied scoort Vlaanderen zwak in vergelijking met het Europese gemiddelde, maar goed in vergelijking met de omliggende economische topregio’s (hoofdstuk 9). Dankzij de richtlijn moeten ontwikkelingen in en om de Habitatrichtlijngebieden (bv. infrastructuurwerken) rekening houden met de instandhouding van die soorten en habitats. Beschadiging kan alleen bij gebrek aan alternatieven en voor ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’ en dient te worden gecompenseerd (bv. herstel van slikken en schorren na de verdieping van de Zeeschelde). Voor de instandhouding van de soorten en habitats waarop de Habitatrichtlijn focust, is meestal een gericht beheer nodig. Op ongeveer een derde van de bijna 102.000 ha Habitatrichtlijngebied wordt het beheer financieel ondersteund door de overheid (natuurgebied, uitgebreid bosbeheerplan, beheerovereenkomst) (hoofdstuk 9). Dat is een merkelijk lager aandeel dan in andere EU-landen [81]. Een vijfde van het Habitatrichtlijngebied is in landbouwgebruik en daar is op iets minder dan een derde van de oppervlakte een natuurgerichte bemestingsbeperking van toepassing (hoofdstuk 9). Deze instrumenten zijn generiek van aard en richten zich niet specifiek op de soorten en habitats uit de richtlijn. Voor 25 % van de Bijlage IV-soorten met een leefgebied in Vlaanderen zijn er soortbeschermingsmaatregelen in uitvoering (hoofdstukken 2 en 9). De uitvoering van maatregelen voor de instandhouding van de soorten en habitats uit de Habitatrichtlijn lopen achter op de afbakening. Slechts 4 % van de in Vlaanderen aanwezige habitats en 27 % van de in Vlaanderen levende soorten waar de Habitatrichtlijn zich op richt, bevindt zich in de beoogde gunstige staat van instandhouding (hoofdstukken 2 en 3). De juridische bescherming en instandhoudingsmaatregelen volstaan niet om het voortbestaan van die soorten en habitats te garanderen. De bedreigingen moeten brongericht worden aangepakt. Voor de watergebonden natuur is de zorg voor de milieukwaliteit vervat in de Kaderrichtlijn Water. De Kaderrichtlijn Water vult de Habitatrichtlijn ook aan inzake de instandhouding van natuurlijke processen.

1.5 Instrumenten van het Vlaams natuur- en bosbeleid Het Vlaamse beleid zet voor de instandhouding van de biodiversiteit en het duurzame gebruik van de natuur een veelheid aan instrumenten in. Dat is van belang om de vele componenten van de biodiversiteit en de diverse actoren te kunnen betrekken [241]. De inzet van veel instrumenten evolueert positief: de oppervlakte natuurgebied stijgt (hoofdstuk 7), het aantal beheerovereenkomsten met landbouwers neemt toe (hoofdstuk 13), private bosbeheerders besteden, gestimuleerd door de bosgroepen, steeds meer aandacht aan de ecologische functie van hun bos (hoofdstuk 12) en via de samenwerkingsovereenkomst en de regionale landschappen stijgt het aantal lokale initiatieven inzake natuur (hoofdstuk 14). Voor sommige instrumenten worden oppervlaktedoelen uit het MINA-plan 3 wel (bv. beheerovereenkomsten voor kleine landschapselementen) en voor andere niet (bv. ‘oppervlakte met effectief natuurbeheer’, beheer-

289


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

overeenkomsten botanisch beheer) tijdig bereikt. Hoewel er steeds meer natuurreservaten erkend worden, is er een afname van de gesubsidieerde aankoop van terreinen, wat bijdraagt tot het niet tijdig halen van de doelstelling inzake ‘oppervlakte met effectief natuurbeheer’. De openstelling van erkende natuurreservaten is sinds 2000 met 70 % toegenomen (hoofdstuk 8). Dankzij deze instrumenten verhoogt de participatie in het stoppen van het verlies van biodiversiteit en het streven naar een duurzaam gebruik van de natuur. Overheden en natuurverenigingen leggen zich vooral toe op natuurgebieden, waar getracht wordt optimale omstandigheden te creëren voor veel bedreigde soorten (hoofdstuk 8). Landbouwers, bosbeheerders, jagers, lokale overheden en regionale landschappen richten zich eerder op de natuur buiten de natuurgebieden (hoofdstuk 12, 13, 14). De waterbeheerders houden zich bezig met de watergebonden natuur. Deze diverse benaderingen zijn veelal complementair en kunnen – indien ze samenhangend worden ingezet – elkaar versterken. De effecten van de verschillende instrumenten op de natuur zijn moeilijker te evalueren. Voor geen van de instrumenten zijn immers natuurdoelen op schaal Vlaanderen geëxpliciteerd, noch naar inhoud of locatie, noch naar timing (hoofdstuk 7). Voor de recreatieve en economische doelen van natuur- en bosgebieden geldt dezelfde vaststelling (hoofdstukken 11 en 12). De natuurrichtplannen kunnen daarbij een sleutelrol

#16

vervullen, maar de vooruitgang ervan blijft beperkt (hoofdstuk 10). Bij de invulling van de instrumenten overheerst momenteel een bottom-upbenadering. Vlaamse natuurdoelen kunnen alleen worden afgeleid uit de doelen geformuleerd in lokale beheerplannen. Zo streven de beheerplannen van 70 % van de oppervlakte erkend natuurreservaat gezamenlijk naar 37 % halfnatuurlijk grasland, 24 % bos, 15 % moeras, 11 % heide en vennen en 8 % mozaïeklandschap (hoofdstuk 8). Met de instandhoudingsdoelstellingen zullen voor het eerst natuurdoelen op Vlaams niveau geconcretiseerd worden. Die zullen de diverse actoren in en om de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden alvast een eerste houvast bieden (hoofdstuk 9). Om het natuur- en bosbeleid te kunnen optimaliseren voorziet de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur 20042009 een objectieve evaluatie van de ingezette instrumenten. De beleidsnota stelt dat hiertoe kan worden aangesloten op onder andere het Natuurrapport. Een dergelijke evaluatie dient zowel de efficiëntie, de effectiviteit als de billijkheid in beschouwing te nemen. Een analyse van de beschikbaarheid van gegevens leverde volgende knelpunten (hoofdstuk 7): ! Op schaal Vlaanderen is er onvoldoende zicht op de relatie tussen begrotingsuitgaven en de inzet

van instrumenten om de efficiëntie van de instrumentenmix te kunnen evalueren (hoofdstuk 7). ! De digitale dataopbouw inzake de inzet van instrumenten is nog in ontwikkeling. De natuurgebieden-

databank is tot op heden onvolledig ingevuld en voor de instrumenten van het bosbeleid bestaat nog geen dergelijk systeem. Het is uiteraard aangewezen naar één centrale databank inzake natuur- en bosbeleidsinstrumenten te evolueren. ! De monitoring van de effecten van de diverse instrumenten verloopt weinig gestroomlijnd: van

bijna de helft van de oppervlakte natuurgebied, bos met bosbeheerplan en landbouwperceel met beheerovereenkomst zijn geen gestandaardiseerde ecologische gegevens beschikbaar (hoofdstuk 7). Alleen voor de erkende natuurreservaten is een beperkte evaluatie van de doelbereiking mogelijk (hoofdstuk 8).

290


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

! In functie van die doelen dienen ruimte-, natuur-, bos-, water- en landbouwbeleid het Vlaams

Ecologisch Netwerk, met de natuurverwevings- en natuurverbindingsgebieden, optimaal te realiseren. Een nauwe samenhang met de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden is daarbij van belang. Daarbij zijn grote eenheden natuur, waar natuurlijke processen ruimte krijgen, waar effecten van klimaatverandering kunnen worden opgevangen en waar de kansen voor het creĂŤren van een natuurgerichte milieukwaliteit het grootst zijn, onontbeerlijk [271]. Natuurverbindings- en natuurverwevingsgebieden dragen onder meer bij tot de instandhouding van de biodiversiteit in die grote eenheden natuur [265, 68]. Soorten die zich actief door het landschap verplaatsen vullen de verbindingsfunctie mee in [270]. Een derde van de gewasproductie hangt voor zijn bestuiving overigens af van de natuurlijke fauna [269]. Een intensieve samenwerking met alle betrokkenen bij de open ruimte is essentieel. ! In functie van die doelen dient het milieubeleid de stikstof- en fosforemissies verder te reduceren.

Voor sommige natuurdoelen is de doelafstand zo groot dat gebiedsgerichte maatregelen nodig zijn om de stromen van stikstof en fosfor (bij) te sturen. ! Het natuur- en het waterbeleid dienen de instroom en de verdere uitbreiding van uitheemse

soorten meer gestructureerd aan te pakken. Aanvullend op een preventief beleid is een permanen-

#16

te opvolging en beheersing van risicosoorten nodig. ! Bij het inzetten van instrumenten dient te worden uitgegaan van het beschikbare inzicht in de fac-

toren die bepalend zijn voor de natuurdoelen (bv. populatiedynamiek, functionele relaties, hydrologie, biogeochemische evenwichten, drempelwaarden, niet-lineaire relaties) [272]. De inzet en de effecten van de instrumenten dienen op gestandaardiseerde wijze te worden opgevolgd en geĂŤvalueerd. Dat is essentieel om, via een permanente bijsturing van de instrumentenmix, de gestelde doelen op kosteneffectieve wijze na te streven. ! Op internationaal niveau is een sterk klimaatbeleid essentieel om kans te maken om het verlies van

biodiversiteit te stoppen. Lectoren Dominique Aerts - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Veerle Beyst - Studiedienst van de Vlaamse Regering Dirk Bogaert - Universiteit Gent / Arteveldehogeschool An Cliquet - Universiteit Gent, vakgroep Internationaal Publiekrecht Hilde Heyrman - Vlaamse Landmaatschappij Maurice Hoffmann - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Bea Kayaerts - MiNa-raad Els Martens - Agentschap voor Natuur en Bos Kris Van Looy - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Jos Van Slycken - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Rudi Verheyen - Stuurgroep Natuurrapport

292


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

! De evaluatie van de billijkheid houdt zich bezig met de vraag of de gevolgen van de instrumenten

evenredig verdeeld zijn over de verschillende betrokkenen. Over de billijkheid van de verschillen de instrumenten uit het natuur- en bosbeleid in Vlaanderen zijn geen wetenschappelijke gegevens beschikbaar. Hierdoor beperkt de evaluatie van de instrumentenmix in dit Natuurrapport zich noodgedwongen tot een evaluatie van het bereiken van natuurstreefbeelden in 1660 ha voldoende gedocumenteerd erkend natuurreservaat (hoofdstuk 8). Die waren tegen eind 2006 voor 88 % van de oppervlakte gerealiseerd. Uit de screening blijkt dat de vereiste gegevens voor een evaluatie van de instrumentenmix niet op korte termijn beschikbaar zullen zijn. Ook op internationaal niveau stelt zich de problematiek dat de effectiviteit van natuurbehoudsinstrumenten veel minder gedocumenteerd is dan de effectiviteit van andere beleidsinstrumenten [267]. Daardoor worden natuurbehoudsinstrumenten gemakkelijk vatbaar voor kritiek en missen ze kansen voor optimalisatie [70]. Naast een versterking van de opvolging van de instrumenten voor een ex-postevaluatie [178], dient ook de ex-ante-evaluatie op basis van ecologische en ecologisch-economische modellen (scenario-onderzoek) te worden verkend (hoofdstuk 7).

02 Aanbevelingen voor het beleid De oorzaken van het huidige verlies van biodiversiteit zijn nog niet onder controle en bijkomende negatieve invloeden van klimaatverandering en van de instroom van uitheemse soorten blijken onafwendbaar. In deze omstandigheden wordt het moeilijk om de Vlaamse (MINA-plan, Natuurdecreet) en internationale (2010-doelstelling, Habitatrichtlijn) natuurdoelen te halen. Daarom is het van belang de bronnen van de verschillende verstoringen nog grondiger aan te pakken (ruimtegebruik, emissies van vermestende stoffen en van broeikasgassen, in- en uitvoer van soorten), voldoende grote natuurgebieden zorgvuldig te beheren [269] alsook daarbuiten een basisnatuurkwaliteit te garanderen. Dit laatste dient onder andere om – waar mogelijk – verschuivingen van populaties toe te laten wanneer leefgebieden ongeschikt worden. In die context is een snelle en kwaliteitsvolle uitvoering van volgende acties prioritair: ! Het Vlaamse natuur- en bosbeleid dient, in functie van de algemene internationale doelen, concrete

Vlaamse én gebiedsgerichte natuurdoelen vast te leggen, naar analogie en in afstemming met de instandhoudingsdoelen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijnen. De natuurrichtplannen vervullen daarbij een sleutelrol. Deze doelen situeren zich niet noodzakelijk op soort- of habitatniveau, maar ook op ecosysteem- of op genetisch niveau. Ze zijn niet alleen reactief (bv. herstel van Rode Lijstsoorten), maar ook proactief (instandhouding van ecosysteemstructuren en -processen of van sleutel-, paraplu- of indicatorsoorten) [264, 267]. Ook de recreatieve en economische doelen van natuur- en bosgebieden dienen te worden geëxpliciteerd. Die moeten uitgaan van maatschappelijke behoeften en draagkracht van de natuur. Duidelijke doelstellingen zijn van belang om (1) de instrumenten samenhangend en doelgericht in te zetten, (2) ook andere beleidsdomeinen meer natuurgerichte inspanningen te laten leveren, (3) multifunctioneel gebruik van het landschap te optimaliseren en (4) meer duidelijkheid en zekerheid te geven aan alle betrokkenen bij de open ruimte.

291


Natuurrapport 2007 / Synthese / #16 Synthese en aanbevelingen voor het beleid

293


Foto: levendbarende hagedis (Yves Adams/Vildaphoto)


Bijlagen


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

296


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

Referenties 1.

Adriaensen F., Van Damme S., Van den Bergh E., Van Hove D., Brys R., Cox T., Jacobs S., Kontings P., Maes J., Maris T., Mertens W., Nachtergale L., Struyf E., Van Braeckel A. & Meire P. (2005). Instandhoudingsdoelstellingen Schelde-estuarium. Rapport Universiteit Antwerpen, Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer (ECOBE). Studie uitgevoerd in samenwerking met het Instituut voor Natuurbehoud, Vlaamse Gemeenschap (Afdeling Natuur), KULeuven (Laboratorium Aquatische Ecologie). ECOBE 05-R86.

2.

Aeolus (2003). Inventarisatie kleine landschapselementen in het kader van het regionaal gebiedsgericht project 'groene corridor' in NW Brabant. In opdracht van de provincie Vlaams-Brabant, Leuven.

3.

Aeolus (2006). Achtergrondnota Natuur - Haven van Antwerpen. Afdeling Natuur, Aeolus, Universiteit Antwerpen, Antwerpen.

4.

Anselin A. & Cooleman S. (2007). Wintertelling van de Canadese Gans, Branta canadensis in Vlaanderen (2007). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007(9). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

5.

Anselin A., Devos K. & Kuijken E. (1998). Kolonievogels en zeldzame broedvogels in Vlaanderen in 1995 en 1996. Rapporten van het instituut voor natuurbehoud 1998(9). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

6.

Antrop M., De Blust G., Van Eetvelde V. & Van Olmen M. (2000). Ontwikkeling van een methode voor geïntegreerde en gebiedsgerichte monitoring van de biodiversiteit van de terrestrische natuur in het Vlaamse Gewest. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2000(21). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

7.

Arts F. (2000). Literatuuronderzoek naar effecten van recreatie en vegetatiesuccessie op kustbroedvogels. Studie in opdracht van Rijksinstituut voor Kust en Zee. RIKS/OS/2000.822X RIKZ, Middelburg.

8.

Askeyev O.V., Tischin D., Sparks T.H. & Askeyev I.V. (2005). The effect of climate on the phenology, acorn crop and radial increment of pedunculate oak (Quercus robur) in the middle Volga region, Tatarstan, Russia. International Journal of Biometeorology 49: 262-266.

9.

Aukema B., Bruers J.M. & Viskens G. (2005). A new Zealand endemic Nysius established in The Netherlands and Belgium (Heteroptera: Lygaeidae). Belgian Journal of Entomology 7: 37-43.

10.

Bauwens D., Jooris R., Verbelen D. & Dochy O. (2006). Poelen en amfibieën in West-Vlaanderen. Resultaten van een grootschalig poelenonderzoek door vrijwilligers in 2000-2005. Provincie West-Vlaanderen, Brugge, i.s.m. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel en Hyla, amfibieën- en reptielenwerkgroep van Natuurpunt, Mechelen.

11.

Bayfield N.G. (1979). Recovery or four montane heath communities on Caimgorm, Scotland, from disturbance by trampling. Biological Conservation 15: 165-179.

12.

Bazydlo E. & Szmeja J. (2004). Effect of pH, dissolved organic carbon and total phosphorus concentrations on selected life history of Luronium natans. Polish Journal of Ecology 52: 191-200.

13.

Beck O., Anselin A. & Maelfait J.-P. (2002). Mogelijke maatregelen ter bestrijding van de Canadese ganzen (Branta canadensis) in het stedelijk natuurreservaat Bourgoyen-ossemeersen. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud 2002(17). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

14.

Beyst V. & Pickery J. (2006). Bezoek aan natuur- en bosgebieden. Nota van de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering, Brussel.

15.

Bijlsma R. (2006). Effecten van menselijke verstoring op grondbroedende vogels van Planken Wambuis. De Levende Natuur 2006: 191-198.

16.

Billen G. & Garnier J.R.V. (2005). Nutrient fluxes and water quality in the drainage network of the Scheldt basin over the last 50 years. Hydrobiologia 540: 47-67.

297


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

17.

Birdlife International/European Bird Census Council (2004). European bird populations: estimates and trends BirdLife International, BirdLife Conservation Series nr.10, Cambridge.

18.

Bogaert S., Van Hoof V. & Le Roy D. (2004). Economische waardering van parken.Rapport ECOLAS, in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeeenschap, afdeling Bos & Groen.

19.

Both C. & Visser M.E. (2001). Adjustment to climate change is constrained by arrival date in a long distance migrant bird. Nature 411: 296-298.

20.

Bouckaert G. & Van Reeth W. (1995). Planning en begroting in de milieusector, cursustekst voor de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeleid, Vervolmakingscentrum voor Overheidsmanagement en Beleid. KULeuven, Leuven.

21.

Boukhris O., Willems P. & Berlamont J. (2006). Opstellen van een methode voor het inrekenen van de klimaatsverandering in de composiethydrogrammethode - Algemeen rapport. Rapport MOD 706/10-1 Waterbouwkundig Laboratorium, Antwerpen

22.

Branquart E. (2007). Guidelines for environmental impact assessment and list classification of non-native organisms in Belgium. (http://ias.biodiversity.be/ias/definitions).

23.

Branquart E., Vandekerkhove K., Bourland N. & Lecompte H. (2005). Les arbres sur-âgés et le bois mort dans les forêts de Flandre, de Wallonnie et du Grand-Duché de Luxembourg. In: Vallauri, D. (ed) Acte du Colloque. 'Bois morts et cavités: une clé pour des forêts vivantes' - 25-28 octobre 2004, p. 19-28. Lavoisier, editions Tec & Doc, Paris.

24.

Breine J., Maes J., Quataert P., Van den Bergh E., Simoens I., Van Thuyne G. & Belpaire C. (2007). A fish based assessment tool for the ecological quality of the brackish Schelde estuary in Flanders (Belgium). Hydrobiologia 575: 141-159.

25.

Bruers J. & Viskens G. (1999). Stephanitis oberti (Kolenati, 1856). Nieuwe soort voor België. (Heteroptera, Tingidae). Entomo-info 10: 11.

26.

Bruge H. (1995). Xylosandrus germanus (Blanford, 1894) [Belg. sp. nov.] (Coleoptera, Scolytidae). Bulletin et Annales de la Société royale Belge d' Entomologie 131: 249-264.

27.

Brundtland G. (1987). Our common future: The World Commission on Environment and Development. Oxford University Press, Oxford.

28.

Brys R., Van Braeckel A., Vandevoorde B., Ysebaert T., Escaravage V., Van Damme S. & Van den Bergh E. (2005). Afstemmen van referentiecondities en evaluatiesystemen in functie van de KRW: afleiden en beschrijven van typespecifieke referentieomstandigheden en/of MEP in elk Vlaams overgangswatertype vanuit de - overeenkomstig de KRW - ontwikkelde beoordelingssystemen voor biologische kwaliteitselementen. Onderzoeksverslagen van het Instituut voor Natuurbehoud 2005(7). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel

29.

Buijs A.E., Langers F. & de Vries S. (2006). Een andere kijk op groen: beleving van natuur en landschap in Nederland door allochtonen en jongeren. WOT Rapport 24. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen.

30.

Butler S.J., Vickery J.A. & Norris K. (2007). Farmland Biodiversity and the Footprint of Agriculture. Science 314: 381-384.

31.

Camargo J.A., Alonso A. & Salamanca A. (2005). Nitrate toxicity to aquatic animals: a review with new data for freshwater invertebrates. Chemosphere 58: 1255-1267.

32.

Caughley G. & Gunn A. (1996). Conservation Biology in Theory and Practice. Blackwell Science, Oxford.

33.

Cleland E.E., Chiariello N.R., Loarie S.R., Mooney H.A. & Field C.B. (2006). Diverse responses of phenology to global changes in a grassland ecosystem. Proceedings of the National Academy of Sciences 103: 13740-13744.

34.

Coeck J., Colazzo S., Meire P. & Verheyen R. (2000). Herintroductie en herstel van kopvoornpopulaties (Leuciscus cephalus) in het Vlaamse Gewest: wetenschappelijke opvolging van lopende projecten en onderzoek naar de

298


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

habitatbinding in laaglandrivieren. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2000(15). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. 35.

Coeck J., Martens S., Baeyens R., Dillen A., Auwerx J. & De Charleroy D. (2006). Evaluatie van de pilootherintrodutie van kwabaal in Grote Nete en Bosbeek. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2006(39). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Groenendaal.

36.

Colazzo S., Baert P., Valck F. & Bauwens D. (2001). Kwantificeren van recente veranderingen in status van amfibieën en hun biotopen in het landelijk gebied. Rapport VLINA 00/02. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

37.

Cole D.N. (1993). Trampling effects on mountain vegetation in Washington Colorado, New Hampshire. Research paper INT-4640. USDA For. Serv., Intermountain Research Station, Ogden, Utah.

38.

Cole D.N. (1994). Backcountry impact management. Lessons from research. Backcountry Recreation Management/Trends 31: 10-14.

39.

Conings V., Sterck M., Van Dooren W. & Bouckaert G. (2005). Beleidsnota's versus Beter Bestuurlijk Beleid. Een toetsing van de beleidsnota's aan het Comptabiliteitsdecreet en het Kaderdecreet Bestuurlijk Beleid. Steunpunt voor Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen, Leuven.

40.

Cooke A.S. (1980). Observations on how close certaine passerine species will tolerate an approaching human in rural and suburban areas. Biological Conservation 18: 85-88.

41.

Couderé K., Vincke J., Nachtergaele L., Van den Bergh E., Dauwe W., Bulckaen D. & Gauderis J. (2005). Geactualiseerd Sigmaplan voor veiligheid en natuurlijkheid in het bekken van de Zeeschelde: synthesenota. 74 p. Waterwegen en Zeekanaal NV, Antwerpen.

42.

Courtens W. & Stienen E. (2004). Voorstel tot afbakening van een Vogelrichtlijngebied voor het duurzaam in stand houden van de broedpopulaties van kustbroedvogels te Zeebrugge-Heist. Adviezen van het Instituut voor Natuurbehoud 2004(100). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

43.

De Beck L., Van den Bergh E. & Decleer K. (2006). Toelichtingen bij de criteria en werkwijze voor de herziening van de afbakening van de estuaria in België. Adviezen van het Instituut voor Natuurbehoud 2006(61). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

44.

De Blust G., Vloebergh G. & Knops G. (1991). Open Ruimte: herwaardering van de open ruimte door evenwichtige verweving van functies en activiteiten. Koning Boudewijnstichting, Brussel.

45.

De Cock R., De Blust G., Maes D. & Hoffmann M. (2007). Begeleiding en opvolging van de beheermonitoring van de Vlaamse natuurreservaten. Ontwerpvisie april 2007. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

46.

de Heer M., Kapos V. & ten Brink B.J.E. (2005). Biodiversity trends in Europe: development and testing of a species trend indicator for evaluating progress towards the 2010 target. Philosophical Transactions of the Royal Society B-Biological Sciences 360: 297-308.

47.

De Jaeger S., Eyckmans J., Van Biervliet K. & Van Puyenbroeck T. (2005). Ontwikkeling van een coherent beleidskader voor de evaluatie van financiële tegemoetkomingen (vooral subsidies) en toepassing van dit evaluatiekader op een aantal cases, eindrapport TWOL studie 2003-00164 voor AMINAL. EHSAL - Ecolas, Brussel.

48.

De Knijf G. & Anselin A. (1996). Een gedocumenteerde rode lijst van de libellen van Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 1996(4). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

49.

De Knijf G., Anselin A., Goffart Ph. & Tailly M. (2006). De libellen (Odonata) van België: verspreiding - evolutie habitats. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

50.

de Koeijer T., van Bommel K., Clement J., Groeneveld R., van Hinsberg A., Reijnen M. & van Wijk M. (2007). Kosteneffectiviteit terrestrische EHS. Concept 8 januari 2007. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen.

51.

de Koeijer T., van Bommel K., van Esbroek M., Groeneveld R., van Hinsberg A., Reijnen M. & van Wijk M. (2006). Methodiekontwikkeling kosteneffectiviteit van het natuurbeleid. De realisatie van het natuurdoel 'Natte Heide'.

299


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

Wot-rapport 20. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen. 52.

De Nocker L., Liekens I. & Broekx S. (2004). Natte natuur in het Schelde-estuarium: een verkenning van de kosten en baten. VITO, Mol.

53.

De Spiegeleire D., Cabus P. & Bryon J. (2006). Functieverweving en medegebruik vanuit toeristisch-recreatief perspectief. Steunpunt Toerisme en Recreatie, toerisme research paper nr. 12. K.U.Leuven, Leuven.

54.

Deckers B., Verheyen K., Hermy M. & Muys B. (2005). Effects of landscape structure on the invasive spread of black cherry Prunus serotina in an agricultural landscape in Flanders, Belgium. Ecography 28: 99-109.

55.

Decleer K. (2007). Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007(1). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

56.

Decleer K., Ameeuw G. & Devos K. (2006). Waterzone van het Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent: Wetenschappelijke omschrijving en situering van het gebied. Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2006(40). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

57.

Declerck S., Louette G., De Bie T. & De Meester L. (2002). Patterns of diet overlap between populations of nonindigenous and native fishes in shallow ponds. Journal of Fish Biology 61: 1182-1197.

58.

Dekoninck W., Vankerkhoven F. & Maelfait J.P. (2003). Verspreidingsatlas en voorlopige rode lijst van de mieren van Vlaanderen. Rapporten van het instituut voor natuurbehoud 2003(7). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

59.

Demeulenaere E., Schollen K. & Vandomme V.e.al. (2002). Een hiĂŤrarchisch monitoringssysteem voor beheersevaluatie van natuurreservaten in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2002(09). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

60.

Den Hertog B. (1985). Effecten van openluchtrecreatie op droge terreinen. Landbouwuniversiteit Wageningen, vakgroep Boshuishoudkunde, Wageningen.

61.

Denys L. & Van Wichelen J. (2007). Schatting van watertypespecifieke achtergrondconcentraties van totaalfosfor voor Vlaamse stilstaande wateren. adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007(87). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

62.

Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (2007). Overzicht inbreukdossiers bij de EU-Commissie implementatie Vogel- en Habitatrichtlijn in Vlaams Gewest. Intern document. Afdeling Internationaal Milieubeleid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.

63.

Dillen A., Martens S., Baeyens R. & Coeck J. (2005). Onderzoek naar de biologie van de kwabaal (Lota Lota L.), ter voorbereiding van het herstel van de soort in het Vlaamse Gewest. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2005(4). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

64.

Dillen A., Martens S., Baeyens R. & Coeck J. (2006). Onderzoek naar de haalbaarheid van het herstel van serpelingpopulaties in waterlopen van het Vlaamse Gewest. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2006(14). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

65.

Dillen A., Martens S., Baeyens R., Van Gils W. & Coeck J. (2005). Habitatevaluatie en biotoopherstel ten behoeve van de visfauna in zones van de Habitatrichtlijn. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2005(3). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

66.

Dochy O. & Hens M. (2005). Van de stakkers van de akkers naar de helden van de velden. Beschermingsmaatregelen voor akkervogels. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2005(01). Instituut voor Natuurbehoud i.s.m. Provinciebestuur West-Vlaanderen, Brugge, Brussel.

67.

Dolek M. & Geyer A. (1997). Influence of management on butterflies of rare grassland ecosystems in Germany. Journal of Insect Conservation 1: 125-130.

68.

Donald P.F. & Evans A.D. (2006). Habitat connectivity and matrix restoration: the wider implications of agri-environment schemes. Journal of Applied Ecology 43: 209-218.

300


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

69.

Donald P.F., Green R.E. & Heath M.F. (2001). Agricultural intensification and the collapse of Europe's farmland bird populations. Proceedings of the Royal Society of London Series B - Biological Sciences: 25-29.

70.

Donald P.F., Sanderson F.J., Burfield I.J., Bierman S.M., Gregory R.D. & Waliczky Z. (2007). International conservation policy delivers benefits for birds in Europe. Science 317: 810-813.

71.

Donald P.F., Sanderson F.J., Burfield I.J. & van Bommel F.P.J. (2006). Further evidence of continent-wide impacts of agricultural intensification on European farmland birds, 1990-2000. Agriculture, Ecosystems and Environment 116: 189-196.

72.

Duke G. (2005). Biodiversity and the EU - Sustaining life, sustaining livelihoods. Conference report. Stakeholder Conference held under the Irish Presidency of the European Union in parternship with the European Commission, 25th - 27th May 2004, Grand Hotel, Malahide, Ireland.

73.

Dumont B., Roovers P. & Gulinck H. (2005). Estimation of off-track visits in a nature reserve: a case study in central Belgium. Landscape and Urban Planning 71: 311-321.

74.

Dumortier M., Hens M. & Kuijken E. (2006). De 2010 biodiversiteitsdoelstelling. Hoe meet Vlaanderen de vooruitgang ? Natuur.focus 5: 50-55.

75.

European Commission (2002). Interpretation note on 'Estuaries' (Habitat Thype 1130), with a view to aiding the selection, delimitation and management of Sites of Community Interest hosting this habitat type. Administrative note. European Commission, Brussels.

76.

European Commission (2005). Note to the Habitats Committee: Assessment, monitoring and reporting of conservation status - Preparing the 2001-2007 report under Article 17 of the Habitats Directive (DocHab-04-03/03 rev.3). The European Commission, Brussels.

77.

European Commission (2006). Communication from the Commission. Halting the loss of biodiversity by 2010 and beyond. Sustaining ecosystem services for human well-being. COM (2006) 216 final. European Commission, Brussels.

78.

European Council (2001). Presidency conclusions Göteborg European Council. 15 and 16 June 2001SN 200/1/01. European Commission, Brussels.

79.

European Environment Agency (2004). High nature value farmland. Characteristics, trends and policy changes. EEA report N° 1/2004. European Environment Agency, Copenhagen.

80.

European Environment Agency (2006). Land accounts for Europe 1990-2000. Towards integrated land and ecosystem accounting. EEA report N° 11/2006. European Environment Agency, Copenhagen.

81.

European Environment Agency (2006). Progress towards halting the loss of biodiversity by 2010. EEA report N° 5/2006. European Environment Agency, Copenhagen.

82.

European Environment Agency (2007). Streamlining European Biodiversity Indicators (SEBI): Draft EEA technical report. European Environment Agency, Copenhagen.

83.

European Habitats Forum (2006). Towards European Biodiversity Monitoring: Assessment, monitoring and reporting of conservation status of European habitats and species, Wien, Cambridge, Brussels.

84.

Europese Commissie (2007). Habitatrichtlijn: interpretatieproblematiek begrenzing van speciale beschermingszones in estuaria - Vlaams Gewest. Brief van EC - DG Milieuzaken aan de Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie van 7/11/2006RL 92/43/EEG

85.

Europese Commissie (2007). Verslag van de Commissie over de uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. COM (2003) 854 definitief. Europese Commissie, Brussel.

86.

Eurostat (2005). Regional GDP per capita in the EU-25. Eurostat New Release 13/2005. Eurostat Press Office, Luxemburg.

301


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

87.

Ferraro P.J. & Pattanayak S.K. (2006). Money for nothing? A call for empirical evaluation of biodiversity conservation investments. PLOS Biology 4: 482-488.

88.

Food and Agricultural Organization (2006). Global Forest Resources Assessment 2005, Main Report. Progress towards sustainable forest management. FAO Forestry Paper 147. FAO, Rome.

89.

Gächter R., Steingruber S.M., Reinhardt M. & Wehrli B. (2004). Nutrient transfer from soil to surface waters: Differences betweet nitrate and phophate. Aquatic Science 66: 117-122.

90.

Gienapp P., Hemerik L. & Visser M.E. (2005). A new statistical tool to predict phenology under climate change scenarios. Global Change Biology 11: 600-606.

91.

Gregory R.D., van Strien A., Vorisek P., Meyling A.W.G., Noble D.G., Foppen R.P.B. & Gibbons D.W. (2005). Developing indicators for European birds. Philosophical Transactions of the Royal Society B-Biological Sciences 360: 269-288.

92.

Greulich S., Bornette G., Amoros C. & Roelofs J.G.M. (2000). Investigation on the fundamental niche or a rare species: an experiment on establishment of Luronium natas. Aquatic Botany 66: 209-224.

93.

Grimm N.B., Gergel S.E., Mc Dowell W.H., Boyer E.W., Dent C.L., Groffman P., Hart S.C., Harvey J., Johnston C., Mayorga E., Mc Clain M.E. & Pinay G. (2003). Merging aquatic and terrestrial perspectives of nutrient biogeochemistry. Oecologia 442: 485-501.

94.

Hagemeijer E.J.M. & Blair M.J.E. (1997). The EBCC Atlas of European Breeding Birds: Their Distribution and Abundance. T&AD Poyser, London.

95.

Haskoning (2005). Overwegingkader voor de aanwezigheid van de bever in de valleigebieden in Vlaanderen. 2005/NVP/01. Agentschap voor Natuur en Bos, Brussel.

96.

Hellawell J.M. (1991). Development of a rationale for monitoring. In: Goldsmith F.B. Monitoring for Conservation and Ecology. Conservation Biology Series Chapman & Hall, p. 1-14.

97.

Helm A., Hanski I. & Partel M. (2006). Slow response of plant species richness to habitat loss and fragmentation. Ecology Letters 9: 72-77.

98.

Henkens R. (1998). Ecologische capaciteit natuurdoeltypen I. Methode voor bepaling effect recreatie in relatie tot broedvogels. IBN-Rapport 363. IBN-DLO, Wageningen.

99.

Hens M., Van Hoydonck G., Stuckens J., Vercoutere B. & Janssens B. (2005). Voorbereiding en ontwikkeling van een methodiek voor de monitoring van beheerovereenkomsten. Studie in opdracht van de Vlaamse Landmaatschappij. Haskoning, Mechelen.

100.

Herremans M., Demeulenaere E., Versweyveld S. & Dewyspelaere J. (2005). Conceptnota monitoring (Natuurpunt Studie - Natuur Beheer). Hamerstuk Strategische Raad van Bestuur Natuurpunt. Natuurpunt, Mechelen.

101.

Herremans M., Verbeylen G., Driessens G., Jooris R., Leysen K., Van den Broeck D., Van Pelt F., Verbelen D. & Zwertvaegher D. (2007). Vrijwilligers Natuurpunt Studie. Vrijwilligers brengen effecten van klimaatopwarming op natuur in Vlaanderen in Beeld. Poster (www.natuurpunt.be)

102.

Heutz G. & Paelinckx D. (2005). Natura 2000 habitats: doelen en staat van instandhouding. Versie 1.0 (ontwerp) onderzoeksverslag. Onderzoeksverslagen van het Instituut voor Natuurbehoud 2005(3). Instituut voor Natuurbehoud en afdeling Natuur, Brussel.

103.

Heutz G., Paelinckx D., Verhaege F., Wouters J., Decleer K., De Beck L., De Saeger S., Martens E., Panis J., Van Broeckhoven B., Toebat J., Lommaert L. & Goethals V. (2004). Opmaak van instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 habitats: methodologie. Interne nota van de afdeling Natuur en het Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

104.

Hoste I., Van Landuyt W. & Verloove F. (2006). Landschap en flora in beweging, 19de en 20ste eeuw. In: Van Landuyt W., Hoste I., Vanhecke L., van den Brempt P., Vercruysse W. & De Beer D. Atlas van de Flora van

302


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

Vlaanderen en het Brussels Gewest Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Nationale Plantentuin van België en Flo.Wer, p. 45-67. 105.

Hulme P.E. (2005). Adapting to climate change: is there scope for ecological management in the face of a global threat? Journal of Applied Ecology 42: 784-794.

106.

Hulme P.E. & Bremner E.T. (2006). Assessing the impact of Impatiens glandulifera on riparian habitats: partitioning diversity components following species removal. Journal of Applied Ecology 43: 43-50.

107.

Hurford C. (2006). Monitoring in Cultural Habitats. In: Hurford C. & Schneider M. Monitoring Nature Conservation in Cultural Habitats: a Practical Guide & Case Studies. Springer, p. 3-12.

108.

Hutsebaut E., Eyckmans J., Van Biervliet K., Willeghems P. & Reyniers J. (2005). Subsidies afdeling Natuur. In: De Jaeger S., Eyckmans J., Van Biervliet K. & Van Puyenbroeck T. Ontwikkeling van een coherent beleidskader voor de evaluatie van financiële tegemoetkomingen (vooral subsidies) en toepassing van dit evaluatiekader op een aantal cases, eindverslag overige gevalstudies. TWOL studie 2003-00164 voor AMINAL. AMINAL, p. 11-13.

109.

Hutsebaut E. & Ochelen S. (2007). Evaluatie subsidies aan erkende natuurreservaten. Intern werkdocument. Cel Milieueconomie, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.

110.

Idea Consult, Universiteit Gent & Belconsulting (2006). Ex ante evaluatie van het PDPO 2007-2013. Studie uitgevoerd in opdracht van de afdeling Monitoring en Studie, Departement EWBL - Administratie Landbouw en Visserij.

111.

Intergovernmental Panel on Climate Change (2007) Summary for Policymakers. In: Climate Change 2007: Impacts, Adaptation and Vulnerability. Contribution of Working Group II to the Fourth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change, M.L. Parry, O.F. Canziani, J.P. Palutikof, P.J. van der Linden and C.E. Hanson, Eds., Cambridge University Press, Cambridge, UK, 7-22. (www.ipcc.ch)

112.

Jochems H., Schneiders A., Denys L. & Van den Bergh E. (2002). Typologie van de oppervlaktewateren in Vlaanderen. Eindverslag van het project VMM. KRLW-typology 2001. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud 2002(27). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

113.

Kaplan R. & Kaplan S. (1989). The experience of nature, a psychological perspective. Cambridge University Press, Cambridge.

114.

Kleijn D., Baquero R.A., Clough Y., Diaz M., De Esteban F., Fernandez F., Gabriel D., Herzog F., Holzschuh A., Jöhl R., Knop E., Kruess A., Marshall E.J.P., Steffan-Dewenter T.T., Verhulst J., West T.M. & Yela J.L. (2006). Mixed biodiversity benefits of agri-environment schemes in five European countries. Ecology Letters 9: 243-254.

115.

Kleijn D. & Sutherland W.J. (2003). How effective are agri-environment schemes in maintaining and conserving biodiversity ? Journal of Applied Ecology 40: 947-969.

116.

Krebs J.R., Wilson J.D., Bradbury R.B. & Siriwardena G.M. (1999). The second silent spring ? Nature 400: 611612.

117.

Lammers W., van Oostenbrugge R., Kruitwagen S., Kuindersma W., Stolwijk H. & Veeneklaas F. (2002). Quick scan effectiviteit en doelmatigheid van het natuurbeleid. RIVM Rapport/08765001/2002. RIVM, Bilthoven.

118.

Langouche D., Wiedemann T., Van Ranst E., Neirynck J. & Langohr R. (2002). Berekening en kartering van kritische lasten en overschrijdingen voor verzuring en eutrofiëring in bosecosystemen in Vlaanderen. In: Neirynck J.e.a. Bepaling van de verzuring- en vermestinggevoeligheid van Vlaamse bossen met gemodelleerde depositiefluksen. Eindverslag van project VLINA 98/01, studie uitgevoerd voor rekening van de Vlaamse Gemeenschap binnen het kader van het Vlaams Impulsprogramma Natuurontwikkeling.

119.

Lansdown R.V. & Wade P.M. (2003). Ecology of the Floating Water-plantain, Luronium natans. Conserving Natura 2000 Rivers - Ecology series n°9 English Nature, Peterborough.

120.

Laurent C.e.al. (2005). Evaluation des ressources forestières mondiales. Belgique. Rapport National 131, Rome.

121.

Lemoine N., Schaefer H.C. & Bohning-Gaese K. (2007). Species richness of migratory birds is influenced by glo-

303


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

bal climate change. Global Ecology and Biogeography 16: 55-64. 122.

Leyssen A., Adriaens P., Denys L., Packet J., Schneiders A., Van Looy K. & Vanhecke L. (2005). Toepassing van verschillende biologische beoordelingssystemen op Vlaamse potentiële interkalibratielocaties overeenkomstig de Europese kaderrichtlijn water: partim 'Mactrofyten'. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2005(05). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

123.

Leyssen A., Denys L., Schneiders A., Van Looy K., Packet J. & Vanhecke L. (2006). Afstemmen van referentiecondities en evaluatiesystemen voor de biologische kwaliteitselementen macrofyten en fytobenthos en uitwerken van een meetstrategie in functie van de kaderrichtlijn water. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2006(9). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

124.

Liekens I., Bogaert S., De Nocker L., Maes J., Libbrecht D., De Smet L. & Nunes P. (2006). Maatschappelijke kosten-batenanalyse van het natuurherstelproject Hemmepolder. Ecolas & VITO.

125.

Ligthart S., van Rheenen T., van Bommel K., Reijnen M., van Wijk M., Brink C., Gaaff A., Leneman H. & Latour J. (2004). Kosteneffectiviteit natuurbeleid: methodiekontwikkeling. Tussenrapportage 2004. Planbureaurapporten 23. Natuurplanbureau, Wageningen.

126.

Maes J., Stevens M. & Breine J. (2007). Modelling the migration opportunities of diadromous fish species along a gradient of dissolved oxygen concentration in a European tidal watershed. Estuarine and Coastal Shelf Science 75: 151-162.

127.

Maes J., Stevens M. & Breine J. (2007). Poor water quality contrains the distribution and movements of twaite shad Alosa fallax in the watershed of river Scheldt (in druk). Hydrobiologia.

128.

Maris T., Cox T., Temmerman S., De Vleeschauwer P., Van Damme S., De Mulder T., Van den Berg E. & Meire P. (2007). Tuning the tide: creating ecological conditions for tidal marsh development in a flood control area. Hydrobiologia 588: 31-43.

129.

Maris T., Van Damme S. & Meire P. (2006). Onderzoek naar de gevolgen van het sigmaplan, baggeractiviteiten en havenuitbreiding in de Zeeschelde op het milieu. Geïntegreerd eindverslag van het onderzoek verricht in 2005. Rapport bestek nr. 16ei/01/37. Universiteit Antwerpen, Antwerpen.

130.

Mens en Ruimte (1996). De gewenste bosstructuur voor Vlaanderen. Visievorming, selectie en globale afbakening/differentiatie voor de gebieden of elementen op schaal 1/50.000 door de overheidssector "Bosbouw". Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Aminal - afdeling Bos en Groen, Brussel.

131.

Meykens J. & Vereecken H. (2001). Ontwikkeling en integratie van gevoeligheidskaarten voor verzuring en vermesting van ecosystemen in Vlaanderen. BDB/KULeuven/VMM, Brussel.

132.

Milieu- en Natuurplanbureau (RIVM) (2006). Natuurbalans 2006. Milieu- en Natuurplanbureau, Bilthoven.

133.

Milieu- en Natuurplanbureau (RIVM) (2004). Natuurbalans 2004. Milieu- en Natuurplanbureau, Bilthoven.

134.

Millennium Ecosystem Assessment (2005). Ecosystems and Human Well-being: Synthesis. Island Press, Washington D.C.

135.

Ministerie van Verkeer en Waterstaat (2001). Langetermijnvisie Schelde-estuarium (Long-term vision Schelde estuary). Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Directie Zeeland en Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Administratie Waterwegen en Zeewezen, Middelburg.

136.

Mooij W.M., Hülsmann S., De Senerpont Domis L.N., Nolet B.A., Bodelier P.L.E., Boers P.C.M., Dionisio Pires L.M., Gons H.J., Ibelings B.W., Noordhuis R., Portielje R., Wolfstein K. & Lammens E.H.R.R. (2005). The impact of climate change in the Netherlands: a review. Aquatic Ecology 39: 381-400.

137.

Moons E., Eggermont M., Hermy M. & Proost S. (2000). Economische waardering van bossen. Een case-study van Heverleebos-Meerdaalwoud. Garant, KULeuven, Leuven.

138.

Munoz-Fuentes V., Vila C., Green A.J., Negro J.J. & Sorenson M.D. (2007). Hybridization between white-headed

304


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

ducks and introduced ruddy ducks in Spain. Molecular Ecology 16: 629-638. 139.

Muylaert K., Sabbe K. & Vijverman M. (2000). Spatial and temporal dynamics of phytoplankton communities in a freshwater tidal estuary (Scheldt, Belgium). Estuarine and Coastal Shelf Science 50: 673-687.

140.

Naidoo R. & Ricketts T.H. (2006). Mapping the economic costs and benefits of conservation. PLOS Biology 4: 2153-2164.

141.

Nationaal Instituut voor de Statistiek (2001). Mathematische demografie. Bevolkingsvooruitzichten 2000-2050 per arrondissement. Nationaal Instituut voor de Statistiek, Brussel.

142.

New T.R. (1999). Entomology and nature conservation. European Journal of Entomology 96: 11-17.

143.

Nicholls H. (2004). The Conservation Business. PLOS Biology 2: 1256-1259.

144.

Nichols J.D. & Williams B.K. (2006). Monitoring for conservation. Trends in Ecology & Evolution 21: 668-673.

145.

Nielsen U.N., Riis T. & Brix H. (2006). The effect of weed cutting on Luronium natans. Aquatic Conservation: Marine and Freshwater Ecosystems 16-4: 409-417.

146.

Niewold F.J.J. (2004). De onverwachte terugkeer van de bever in Vlaanderen. Kansen, knelpunten en ondersteunende maatregelen. Alterra-rapport 996. Alterra, Wageningen.

147.

Niewold F.J.J. (2003). Haalbaarheidsonderzoek naar de herkolonisatie van de bever in het bekken van de Schelde en de Dijle. Alterra rapport 705, Wageningen.

148.

Organisation for Economic Co-operation and Development (2007). OECD Environmental Performance Reviews - Belgium. OECD Publications, Paris.

149.

Overloop S., Bossuyt M., Buysse M., Ducheyne S., Dumortier M., Eppinger R., Genouw G., StemgĂŠe K., Van Gijseghem D., Van Hoof K., Vogels N., Vanden Auweele W., Wustenberghs H., D'hooghe J. & Fernagut B. (2006). MIRA2006. Milieu- en Natuurrapport Vlaanderen, Achtergronddocument 2006 Vermesting. Vlaamse Milieumaatschappij, Aalst.

150.

Paelinckx D., Van Landuyt W. & De Bruyn L. (2007). Conservation status of the Natura 2000 habitats and species. Report of the Research Institute for Nature and Forest. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007(30). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

151.

Paelinckx D., Wils C., Sterckx G. & Vandekerkhove K. (2004). Indicatieve situering van de NATURA 2000 habitats binnen en buiten habitatrichtlijngebieden op basis van de Biologische Waarderingskaart. Onderzoeksverslag en digitaal bestand Instituut voor Natuurbehoud 2004(3). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

152.

Papazoglou C., Kreiser K., Waliczky Z. & Burfield I. (2004). Birds in the European union: a status assessment. Birdlife International, Wageningen.

153.

Parker J.D., Burkepile D.E. & Hay M.E. (2006). Opposing Effects of Native and Exotic Herbivores on Plant Invasions. Science 311: 1459-1461.

154.

Parmesan C. (2006). Ecological and Evolutionary Responses to Recent Climate Change. Annual Review of Ecology, Evolution, and Systematics 37: 637-669.

155.

Peymen J., Oosterlynck P., Defloor W., Van Gulck T., van Straaten D. & Kuijken E. (2000). Opstellen en beoordelen van ecosysteemkwetsbaarheidskaarten met betrekking tot biotoopverlies en barrière-effect. Rapport VLINA 97/05, Brussel.

156.

Piessens K. & Hermy M. (2006). Does the heathland flora in north-western Belgium show an extinction debt ? Biological Conservation 132: 382-394.

157.

Platteau J., Bas L., Bernaerts E., Campens V., Carels K., Demuynck E., Hens M., Overloop S., Samborski V., Smets D., Van Gijseghem D., Vriesacker M., Wustenberghs H. & (red) (2006). Landbouwrapport 2005. Vlaamse Overheid, Departement Landbouw en Visserij.

305


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

158.

Preston C.D., Telfer M.G., Arnold H.R. & Rothery P. (2002). The changing flora of Britain, 1930-1999. In: Preston C.D., Pearman D.A. & Dines T.D. New Atlas of the British and Irish Flora Oxford. University Press, p. 910.

159.

Projectdirectie ontwikkelingsschets Schelde-estuarium (ProSes) (2004). Strategisch milieueffectenrapport Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium. Hoofdrapport. ProSes, Brussel/Den Haag.

160.

Quataert P., De Bruyn L., Genouw G., Hens M. & Vandecasteele B. (2005). Kwaliteitvolle monitoring voor het beleid. Afwegingskader en rekenmodel voor de bepaling van de steekproefgrootte bij beleidsgerichte monitoring. Onderzoeksopdracht LIN/AMINAL/DTG/2004/OL200300184. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

161.

Raven M.J., Noble D.G. & Baillie S.R. (2007). The Breeding Bird Survey 2006. BTO Research Report 471. British Trust for Ornithology, Thetford.

162.

Reading C.J. (2007). Linking global warming to amphibian declines through its effects on female body condition and survivorship. Oecologia 151: 125-131.

163.

Redfield A.C. (1958). The biological control of chemical factors in the environment. American Scientist : 205-221.

164.

Resource Analysis (2005). Actualisatie van het Sigmaplan: maatschappelijke Kosten-batenanalyse. Eindrapporten [CD-ROM]. Projectconsortium MKBA Sigmaplan. Resource Analysis, Antwerpen.

165.

Ronse A. (2008). Distribution and ecological requirements of Luronium natans in Belgium (in voorbereiding).

166.

Roovers P. (2005). Impact of outdoor recreation on ecosystems: towards an integrated approach. Doctoraatsproefschrift nr. 650 aan de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen van de KULeuven, Leuven.

167.

Roovers P., Verheyen K., Hermy M. & Gulinck H. (2004). Experimental trampling and vegetation recovery in some forest and heathland communities. Applied Vegetation Science 7: 111-119.

168.

Salo P., Korpimäki E., Banks P., Nordström M. & Dickman C. (2007). Alien predators are more dangerous than native predators to prey populations. Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences.

169.

Schneiders A. (2007). Aanzet tot het opstellen van richtwaarden en natuurgerichte normen voor nutriënten in oppervlaktewateren conform de Europese Kaderrichtlijn Water. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007(27). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

170.

Schneiders A. & Wils C. (1995). Een beleidsvisie voor het herstel van waterlooptypen in Vlaanderen. Universitaire Instelling Antwerpen, Antwerpen.

171.

Secretariat of the Convention on Biological Diversity (2006). Global Biodiversity Outlook 2, Montreal.

172.

Seeuws P., Coeck J. & Verheyen R.F. (1996). Ecologie van beschermde rondbek- en vissoorten, Soortbeschermingsplan voor de beekprik. UIA, departement Biologie, Antwerpen.

173.

Seeuws P., Van Liefferinge C., Verheyen R.F. & Meire P. (1999). Ecologie en habitatpreferentie van beschermde vissoorten. Soortbeschermingsplan voor de rivierdonderdpad (Cottus gobio) en de kleine modderkruiper (Cobitis taenia). UIA, departement Biologie, Antwerpen.

174.

Sherry R.A., Zhou X., Gu S., Arnone J.A., Schimel D.S., Verburg P.S., Wallace L.L. & Luo Y. (2006). Divergence of reproductive phenology under climate warming. Proceedings of the National Academy of Sciences.

175.

Smith G.C., Henderson I.S. & Robertson P.A. (2005). A model of ruddy duck Oxyura jamaicensis eradication for the UK. Journal of Applied Ecology 42: 546-555.

176.

Sorber A. & Hellendoorn J.C. (1985). Beleidsanalyse in de rijkssfeer. In: Handboek beleidsvoering voor de overheid (M2400). Samsom H.D. Tjeenk Willink, 17 p.

177.

Spaans B., Bruinzeel L. & Smit C.J. (1996). Effecten van verstoring door mensen op wadvogels in de Waddenzee en de OosterscheldeI BN-rapport 202. Instituut voor Bos en Natuuronderzoek (IBN-DLO), Wageningen.

178.

Stem C., Margoluis R., Salafsky N. & Brown M. (2005). Monitoring and evaluation in conservation: a review of trends and approaches. Conservation Biology 19: 295-309.

306


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

179.

Sterck M., Conings V. & Bouckaert G. (2007). Budgeting, accounting and auditing for results. Towards integrated financial management. Steunpunt voor Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen, Leuven.

180.

Sterckx G., Paelinckx D., Decleer K., De Saeger S., Provoost S., Denys L., Packet J., Wouters J., Demolder H., Thomaes A., Vandekerkhove K. & De Keersmaeker L. (2007). Habitattypen Bijlage 1 Habitatrichtlijn. In: Decleer K. Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgische deel van de Noordzee. Mededelingen van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek 2007(1). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, p. 59-359.

181.

Stevens M., Maes J., Guelinckx J., Ollevier F., Breine J. & Belpaire C. (2006). Opvolging van het visbestand van de Zeeschelde. Resultaten voor 2005. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2006(45). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

182.

Stienen E. & Van Waeyenberge J. (2002). Verstoken van verstoring: het belang van de Baai van Heist als rusten broedgebied voor vogels. In: Mees et al.(eds.) Academische studiedag: 5 jaar strand-natuurreservaat 'De Baai van Heis' - De Vlaamse stranden: steriele zandbakken of natuurpatrimonium ? VLIZ Special Publication 9. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, AMINAL afd. Natuur - Vlaams instituut voor de Zee (VLIZ), Oostende.

183.

Strubbe D. & Matthyssen E. (2008). Invasive Ring-necked Parakeets (Psittacula krameri) in Belgium: habitat selection and impact on native birds. Ecography (in druk).

184.

Studiedienst van de Vlaamse Regering (2007). Vrind 2007 Vlaamse Regionale Indicatoren. Studiedienst van de Vlaamse Regering, Brussel.

185.

Tamis W.L.M., van 't Zelfde M., van der Meijden R., Groen C.L.G. & de Haes H.A. (2005). Ecological interpretation of changes in the Dutch flora in the 20th century. Biological Conservation 125: 211-224.

186.

Thomaes A. (2006). Anophlophora chinensis Förster voor het eerst gevonden in België (Coleoptera, Cerambicidae). Entomo-info 17: 97-98.

187.

Valck F., Gysels J. & Mercelis S. (2001). Soortbeschermingsplan hamster. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, AMINAL, Afdeling Natuur, Brussel.

188.

Van Biervliet K., Bogaert G., Deconinck M., Le Roy D. & Bogaert S. (2002). Ontwikkelen van socio-economische beoordelingscriteria die het mogelijk maken de kostprijs van een degradatie van het mariene milieu objectief te bepalen. Ecolas. In: Maes, F. Beoordeling van de mariene degradatie in de Noordzee en voorstellen voor een duurzaam beheer. Eindrapport van het project ‘Duurzaam beheer van de Noordzee’ – MARE-DASM, pp. 216332.

189.

Van Braeckel A., Piesschaert F. & Van den Bergh E. (2006). Historische analyse van de Zeeschelde en haar getijgebonden zijrivieren: 19e eeuw tot heden. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2006(29). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

190.

Van Damme S., Van Hove D., Ysebaert T., De Deckere E., Van den Bergh E. & Meire P. (2003). Ontwikkelen van een score of index voor fytoplankton, macrozoöbenthos, macro-algen en angiospermen voor de Vlaamse overgangswateren volgens de Europese kaderrichtlijn water. Rapport nr. ECOBE 03-R54. Universiteit Antwerpen, onderzoeksgroep ecosysteembeheer, Antwerpen

191.

Van Den Berge K. (2007). Verspreidingsonderzoek marterachtigen. Interne rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007(6). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

192.

Van Den Berge K. & De Pauw W. (2003). Roofdieren. In: Verkem S., De Maeseneer J., Vandendriessche B., Verbeylen G. & Yskout S. Zoogdieren in Vlaanderen. Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002. Natuurpunt Studie en JNM-Zoogdierenwerkgroep, p. 310-313.

193.

Van den Bergh E., Van Damme S., Graveland J. & De Jong D. (2003). Voorstel voor natuurontwikkelingsmaatregelen ten behoeve van de Ontwikkelingsschets 2010 voor het Schelde-estuarium, op basis van een ecosysteemanalyse en verkenning van mogelijke maatregelen om het streefbeeld Natuurlijkheid van de Lange Termijn Visie te bereiken. Werkdocument/RIKZ/OS/2003.825x. RIKZ, Instituut voor Natuurbehoud, Universiteit van Antwerpen, Middelburg.

307


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

194.

Van den Bergh E., Van Damme S., Graveland J., De Jong D., Baten I. & Meire P. (2005). Ecological rehabilitation of the Schelde estuary (The Netherlands-Belgium; Northwest Europe): linking ecology, safety against floods, and accessibility for port development. Restoration Ecology 13: 204-214.

195.

Van den Broeck D., Polfliet T., Herremans M., Vanreusel W. & Verbeylen G. (2006). Monitoring van ammoniak en zwaveldioxide met korstmossen in Limburg. Eindverslag Bijzonder Leefmilieuproject i.s.m. Provincie Limburg 2005-2006. Rapport Natuurpunt Studie 2006/5, Mechelen.

196.

Van den Broeke E. (2006). De exote grondeekhoorn (Eutamius sibiricus) in het Zoniënwoud. Poster voor SOS Invasions, 9-10 maart 2006, Brussel.

197.

Van Den Bruel W.E. (1947). A propos du comportement en Belgique de Stephanitis rhododendri Horvath (Tingididae). Bulletin et Annales de la Société royale Belge d' Entomologie 83: 191-197.

198.

Van Dyck H., Maes D. & Brichau I. (2001). Toepassen van een multi-soortenbenadering bj planning en evaluatie in het Vlaamse natuurbehoud. Rapport in opdracht van AMINAL, afdeling Natuur. Universiteit Antwerpen, Wilrijk.

199.

Van Hove D., Nijssen D. & Meire P. (2003). Opstellen van instandhoudingsdoelstellingen voor speciale beschermingszones in het kader van de vogelrichtlijn 79/409/EEG, de habitatrichtlijn 92/43/EEG en eventuele watergebieden van internationale betekenis (Conventie van Ramsar) in de zeehaven van Antwerpen, poort van Vlaanderen in het Ruimtelijk Structuurplan. Studie uitgevoerd i.o.v. het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Natuur. Universiteit Antwerpen, Antwerpen.

200.

Van Landuyt W., Hoste I., Vanhecke L., Van den Bremt L., Vercruysse W. & De Beer D. (2006). Atlas van de flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

201.

Van Miegroet M. (1974). Naar een groenstrategie. In: Van Miegroet M. Naar een groenstrategie in Vlaanderen. Ed. Vereniging voor groenvoorziening, p. 7-26.

202.

Van Reeth W. (2002). The bearable lightness of budgeting. The uneven implementation of performance oriented budget reform. KULeuven, Instituut voor de Overheid, Leuven.

203.

Van Reeth W. & Goethals V. (2006). Evolutie van de aangewezen oppervlakten van de waterrijke gebieden van internationale betekenis en van de speciale beschermingszones in het Vlaamse Gewest. Adviezen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2006(25). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

204.

Van Reeth W., Peyemen J., Weyembergh G. & Dumortier M. (2006). Kosteneffectiviteit van reservaatbeheer: vooronderzoek naar concept en haalbaarheid (versie 3.8). Intern document Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

205.

van Roomen M., van Winden E., Koffijberg K., Ens B., Hustings F., Kleefstra R., Schoppers J., van Turnhout C., SOVON ganzen- en zwanenwerkgroep & Soldaat L. (2006). Watervogels in Nederland in 2004/2005. RIZA-rapport BM06.14, SOVON-monitoringsrapport 2006/02. SOVON Vogelonderzoek, Beek-Ubbergen.

206.

Van Uytvanck J. & Decleer K. (2006). Analyse van het effect van extensieve begrazing op spontane verbossingsprocessen. Rapporten van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek 2006(5). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

207.

van Veen M. & Bouwma I. (2007). Perspectieven voor de Vogel- en Habitatrichtlijnen in Nederland. Milieu, Bilthoven.

208.

Van Wichelen J., Denys L.L.M., Dasseville R. & Vyverman W. (2005). Ontwikkelen van scores of indices voor het biologisch kwaliteitselement fytoplankton voor de Vlaamse rivieren, meren en overgangswateen overeenkomstig de Europese kaderrichtlijn water. Eindrapport. Universiteit Gent, vakgroep Biologie, Gent.

209.

Vangansbeke B. (2006). Groendienst vangt Canadese ganzen in Bourgoyen-Ossemeersen en aan Watersportbaan. Snep! 3: 3.

210.

Vansteenwegen Ch. (2006). La surveillance de l'avifaune commune par "points d'écoute" en Wallonie. Analyse 1990-2005. Aves 43: 201-250.

308


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

211.

Vellend M., Verheyen K., Jacquemyn H., Kolb A., Van Calster H., Peterken G. & Hermy M. (2006). Extinction debt of forest plants persist for more than a century following habitat fragmentation. Ecology 87: 542-548.

212.

Verbeylen G. (2003). Aziatische grondeekhoorn. In: Verkem S., De Maeseneer J., Vandendriessche B., Verbeylen G. & Yskout S. Zoogdieren in Vlaanderen. Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002. Natuurpunt Studie en JNM-Zoogdierenwerkgroep, p. 284-289.

213.

Verbeylen G. (2005). Bestrijding van de beverrat. De begeleiding, analyse en evaluatie van de bestrijding en de opmaak van aanbevelingen voor een verdere aanpak. In: Stuyck J., Verbeylen G., Baert K. & Lens B. Jaarverslag 2005 - Onderzoeksgroep Knaagdierbeheer IBW-rapport IBW.W.IR.2005.002, IBW, in opdracht van AMINAL afdeling Water, p. 50-53.

214.

Verbeylen G. & Nijs G. (2007). Hazelmuizen in nesten. Inventarisatie 2006 en concrete beschermingsmaatregelen voor de hazelmuis (Muscardinus avellanarius) in Vlaanderen, met bijzondere aandacht voor de ZuidLimburgse bosreservaten. Rapport Natuur.studie 2007/2. Natuurpunt Studie (Zoogdierenwerkgroep), Mechelen.

215.

Verheggen G.M., Foppen R., Soldaat L. & Daemen B. (2004). Meetplan Monitoring Hazelmuis 2004. VZZ rapport 2004.35. VZZ/CBS, Arnhem/Voorburg.

216.

Verkem S. & Verhagen R. (2000). Bescherming vleermuizen. Rapport AMINAL/afdeling Natuur/1998/nr 1. AMINAL, Brussel.

217.

Verloove F. (2006). Catalogue of Neophytes in Belgium (1800-2005). Scripta Botanica Belgica 39, Nationale Plantentuin, Meise.

218.

Verloove F. (2002). Ingeburgerde plantensoorten in Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 2002(20). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

219.

Vermeersch G., Anselin A. & Devos K. (2006). Bijzondere broedvogels in Vlaanderen in de periode 1994-2005: populatietrends en recente status van zeldzame, kolonievormende en exotische broedvogels in Vlaanderen. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2006(2). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

220.

Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., GabriĂŤls J. & Van Der Krieken B. (2004). Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 2004(23). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

221.

Vermeersch G., Anselin A. & Herremans M. (2007). Methodehandleiding bij het project 'Algemene Broedvogelmonitoring Vlaanderen (ABV). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel (http://www.inbo.be/content/page.asp?pid=FAU_VO_ABV_Start).

222.

Vermeersch G., Maes D., Bauwens D., Van Spaendonck G. & Van Schandevijl W. (2005). Beheersevaluatie van de Brusselse groene ruimten d.m.v. de multisoortenaanpak: casestudy Vuylbeekvallei. Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2005(8). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

223.

Versteirt V., Desender K., Geudens G. & Grootaert P. (2000). Determinatie en bioindicatie van bosgebonden ongewervelden. 3. Ecologische standplaatskarakterisatie van bossen aan de hand van keverfauna (Coleoptera). 4. Verkennend onderzoek naar de potentiĂŤle waarde van integrale bosreservaten voor het behoud van xylobionte arthropoden. ENT.2000.03 & ENT.2000.04. KBIN, Brussel.

224.

Verstraeten A., Quataert P. & Vandekerkhove K. (2006). Onderzoek naar spontante verbossing en actieve bosaanplant op niet-bosbodems: deel 1: vergelijking van de vegetatiestructuur en -soortensamenstelling bij spontante verbossing versus bosaanplant. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2006(3). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Geraardsbergen.

225.

Vervoort R. (1994). Een beschermingsplan voor de Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) in Vlaams-Brabant. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Brussel.

226.

Vervoort R. & Goddeeris B. (1996). Maatregelenprogramma voor het behoud van de Boomkikker (Hyla arborea) in Vlaanderen. AMINAL, Brussel.

309


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

227.

Vlaamse Regering (2004). Beleidsnota Leefmilieu- en Natuur 2004-2009. Beleidsnota neergelegd door Kris Peeters, Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, Brussel.

228.

Vlaamse Regering (1999). Regeerakkoord 1999: Een nieuw project voor Vlaanderen.

229.

Vlaamse Regering (2003). Milieubeleidsplan 2003-2007, vastgesteld door de Vlaamse Regering op 19 september 2003. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel.

230.

Vlaamse Regering (2004). Regeerakkoord 2004. Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen. De ontplooiing van Vlamingen en Vlaanderen duurzaam bevorderen. Een zorgzame, lerende samenleving. Goed en doelmatig bestuur. Vlaamse Regering 2004-2009. Brussel.

231.

Wamelink G. & de Jong J. (2007). Kansen voor natuur in het veenweidegebied. Een modeltoepassing van SMART2-SUMO2, MOVE3 en BIODIV. Rapport 8. Wettelijke onderzoekstaken. Natuur en Milieu, Wageningen.

232.

Warren M.S., Hill J.K., Thomas J.A., Asher J., Fox R., Huntley B., Roy D.B., Telfer M.G., Jeffcoate S., Harding P., Jeffcoate G., Willis S.G., Greatorex-Davies J.N., Moss D. & Thomas C.D. (2001). Rapid responses of British butterflies to opposing forces of climate and habitat change. Nature 414: 65-69.

233.

Wassen M.J., Olde Venterink H., Lapshina E.D. & Tanneberger F. (2005). Endangered plants persist under phosphorus limitation. Nature 437: 547-550.

234.

Water Framework Directive United Kingdom Technical Advisory Group (2006). UK Environmental standards and conditions (phase I) - final report.

235.

Wätzold F. & Schwerdtner K. (2005). Why be wasteful when preserving a valuable resource ? A review article on the cost-effectiveness of European biodiversity conservation policy. Biological Conservation 123: 327-338.

236.

Weiserbs A. & Jacob J.P. (2006). Toezichts- en informatienetwerk fauna/flora van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. AVES in opdracht van Leefmilieu Brussel. BIM, Brussel.

237.

WES (2006). Onderzoek ruimte voor toerisme en recreatie in Vlaanderen. Eindrapport. Studie in opdracht van Toerisme Vlaanderen. TVL/P&O/2005/02. WES, Brugge

238.

Willby N.J. & Eaton J.W. (1993). Distribution, Ecology and Conservatino of Luronium natans (L) Raf in Britain. Journal of Aquatic Plant Management 31: 70-76.

239.

Willems P., Boukhris O., Berlamont J., Van Eerdenbrugh K., Viaene P. & Blanckaert J. (2007). Impact van klimaatverandering op hoogwater- en laagwater langs Vlaamse rivieren. KVIV Ingenieursblad : 28-35.

240.

Wils C., Paelinckx D., Adams Y., Berten B., Bosch H., De Knijf G., Demolder H., De Saeger S., Guelinckx R., Lust P., Oosterlynck P., T' Jollyn F., Scheldeman K., Vandenbussche V., Van Hove M. & Vriens L. (2004). Biologische Waarderingskaart en natuurgerichte bodembedekkingkaart van het Vlaamse Gewest. Integratie van de BWK en vereenvoudiging tot een 90- en 32-delige legende (80% BWK, versie 2 van 1997 tot 2003 en 20% BWK, versie 1). Rapporten van het Instituut voor Natuurbehoud 2004(8). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.

241.

Wilson K.A., Underwood E.C., Morrison S.A., Klausmeyer K.R., Murdoch W.W., Reyers B., Wardell-Johnson G., Marquet P.A., Rundel P.W., McBride M.F., Pressey R.L., Bode M., Hoekstra J.M., Andelman S., Looker M., Rondinini C., Kareiva P., Shaw M.R. & Possingham H.P. (2007). Conserving biodiversity efficiently: what to do, where and when. PLoS Biology 5: 1-12.

242.

Wouters J. & Quataert P. (2006). Uitwerking van een steekproefschema voor de tweede Bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest. Aanvangsverslag onderzoeksopdracht LIN/AMINAL/B&G/2004/OL200200174. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

243.

Yalden D.W. (1992). The influence of recreational disturbance on common sandpipers Actitis hypoleucos breeding by an upland reservoir, in England. Biological Conservation 61: 41-49.

244.

Yseboodt R. & Clement L. (2007). Monitoring van de waterkwaliteit van het Netebekken in de periodes 20032004 en 2005-2006. UA-onderzoeksgroep Ecosysteembeheer, Provincie Antwerpen, Provinciale Visserijcommissie.

310


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

245.

URL: http://www.thuisindestad.be/stadsmonitor

246.

URL: http://aps.vlaanderen.be/survey_aps/APS-survey.htm

247.

URL: http://www.gisvlaanderen.be

248.

URL: http://www.inbo.be/content/page.asp?pid=MON_VL_start

249.

URL: http://www.natuur-kalender.be

250.

URL: http://www.bataction.be

251.

URL: http://watervogels.inbo.be

252.

URL: http://www.inbo.be/content/page.asp?pid=MON_WIL_start

253.

URL: http://www.wetlands.org

254.

URL: http://www.inbo.be/content/page.asp?pid=FLO_florabank

255.

URL: http://www.inbo.be/content/page.asp?pid=BIO_BWK_start

256.

URL: http://www.milieurapport.be

257.

URL: http://www.inbo.be/content/page.asp?pid=FAU_ZOO_MAR_NETWERK

258.

URL: http://www.natuurindicatoren.be

259.

URL: http://www.vliz.be/projects/endis/index.php

260.

URL: http://www.biodiv.org

261.

URL: http://www.sovon.nl/default.asp?id=26

262.

URL: http://biodiversity-chm.eea.europa.eu/information/indicator/F1090245995

263.

Aguilar R., Ashworth L., Galetto L. & Aizen M.A. (2006). Plant reproductive susceptibility to habitat fragmentation: review and synthesis through a meta-analysis. Ecology Letters 9: 968-980.

264.

Brooks T.M., Mittermeier R.A., da Fonseca G.A.B., Gerlach J., Hoffmann M., Lamoreux J.F., Mittermeier C.G., Pilgrim J.D. & Rodrigues A.S.L. (2006). Global biodiversity conservation priorities. Science 313: 58-61.

265.

Damschan E.I., Haddad N.M., Orrock J.L., Tewksbury J.J. & Levey D.J. (2006). Corridors increase plant species richness at large scales. Science 313: 1284-1286.

266.

Elmqvist T., Folke C., Nystrom M., Peterson G., Bengtsson J., Walker B. & Norberg J. (2003). Response diversity, ecosystem change, and resilience. Frontiers in Ecology and the Environment 1: 488-484.

267.

Gaston K.J. & Fuller R.A. (2007). Biodiversity and extinction: losing the common and the widespread. Progress in Physical Geography 31: 213-225.

268.

Henderson S., Dawson T.P. & Whittaker R.J. (2006). Progress in invasive plants research. Progress in Physical Geography 30: 25-46.

269.

Kremen C., Williams N.M., Aizen M.A., Gemmill-Herren B., LeBuhn G., Minckley R., Packer L., Potts S.G., Roulston T., Steffan-Dewenter I., Vazquez D.P., Winfree R., Adams L., Crone E.E., Greenleaf S.S., Keitt T.H., Klein A.M., Regetz J. & Ricketts T.H. (2007). pollination and other ecosystem services produced by mobile organisms: a conceptual framework for the effects of land-use change. Ecology Letters 10: 299-314.

270.

Lundberg J. & Moberg F. (2003). Mobile link organisms and ecosystem functioning: implications for ecosystem resilience and management. Ecosystems 6: 87-98.

271.

Milieu- en Natuurplanbureau (RIVM) (2007). Natuurbalans 2007. Milieu- en Natuurplanbureau, Bilthoven, Nederland.

311


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Referenties

272.

Novacek M.J. & Cleland E.E. (2001). The current biodiversity extinction event: Scenarios for mitigation and recovery. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America 10 National Academic Sciences, Washington D.C.

273

URL: http://statbel.fgov.be

274

Van Eetvelde J. (2004). Evolutie van de epifytenflora in de Denderstreek sinds 1962: leiden veranderingen in luchtvervuilingstoestand tot soorten shifts ? Universiteit Gent. Scriptie, 190 pp. Ill.

275.

URL: http://www.mina.be/natuurrichtplan.html

276.

URL: http://www.ebcc.info

277

URL: http://www.danah.be

312


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

Begrippen A

Bemestingsnorm: maximale hoeveelheid stikstof of fosfor die in de vorm van dierlijke, kunst- of andere mest mag worden toegediend op landbouwgrond.

Actueel natuurtype: de vegetatie actueel aanwezig op het terrein (B.Vl.Reg. van 27/6/2003, art.1 12°).

Benchmark: norm om de prestaties die een organisatie levert of de middelen die zij inzet, te toetsen aan die van andere vergelijkbare organisaties.

Afstandsregel: norm uitgedrukt als kritische afstand tussen een verstorend element (functie, activiteit, object) en een ander daardoor gestoord element, bijvoorbeeld tussen een lawaaibron en een woonwijk.

Beneden-Schelde: de Schelde tussen de Rupelmonding en de Belgisch-Nederlandse grens (fysisch) of de Schelde tussen de Belgisch-Nederlandse grens en het stroomopwaartse einde van de Rede van Antwerpen (juridisch).

Algenbloei: snelle groei van algen in het oppervlaktewater, waardoor negatieve effecten kunnen optreden zoals verhoogde zuurstoffluctuaties en de productie van toxische stoffen.

Benthos: alle organismen die in of op de bodem van zoete of zoute wateren leven.

Ammoniak: NH3, een bij kamertemperatuur kleurloos en scherpriekend gas. Ammonium: het ion NH4+ waarvan ammoniumbasen en zouten worden afgeleid.

Bestaansmiddelenprogramma: programma in de Algemene Uitgavenbegroting waarin de uitgaven voor personeel, werking en uitrusting van een of meerdere organisatieafdelingen zijn opgenomen. Deze uitgaven worden niet met specifieke beleidsdoelstellingen verbonden.

BBP-deflator: prijsindex die de evolutie van het gemiddelde prijsniveau van alle in een land geproduceerde goederen en diensten meet.

Bestemmingsplan: plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Het decreet op de ruimtelijke ordening van 1999 heeft het planningsstelsel in de ruimtelijke ordening, zoals omschreven in de wet op de stedenbouw van 1962, gewijzigd: het gewestplan, het algemeen plan van aanleg en het bijzonder plan van aanleg worden vervangen door ruimtelijke uitvoeringsplannen, die een uitvoering geven aan de ruimtelijke structuurplannen. Er zijn gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Beheerovereenkomst: contractuele beheerafspraak tussen landbouwers en de overheid met als doel natuurwaarden te behouden of te laten ontwikkelen in bepaalde door landbouwers gebruikte percelen mits financiële vergoeding.

Bestrijdingsmiddel: synthetische of uit levende organismen gewonnen stof, aangewend tegen ongewenste planten (herbiciden), insecticiden (insecticiden), schimmels (fungiciden) of andere organismen.

Beleidsinstrumenten: concrete en specifieke vormen van interventie waarmee overheden trachten het gedrag van doelgroepen te beïnvloeden via juridische, economische of communicatieve prikkels. Naast deze gedragsbeïnvloedende beleidsinstrumenten zijn er ook nog 'directe' beleidsinstrumenten, bv. infrastructuurwerken, waarmee de overheid zelf rechtstreeks op het terrein ingrijpt. Naast beleidsinstrumenten is soms ook sprake van 'ondersteunende instrumenten'. Ze omvatten activiteiten die de werking van een overheidsdienst ondersteunen, bijvoorbeeld personeelsbeleid, begroting en bestuurlijke organisatie. Typologie van gedragsbeïnvloedende beleidsinstrumenten (stimulerend/ontradend):

Binnendijks gebied: landinwaarts van de dijken gelegen; zone beveiligd door de dijken.

Aquatisch: tot het water behorend, in het water levend.

B

- juridische instrumenten, bv. regelgeving/boete (de zweep); - economische instrumenten, bv. subsidiëring/milieuheffing (de wortel); - communicatieve instrumenten, bv. sensibilisatie/ontrading (de preek).

Biociden: bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik (bv. houtbeschermingsmiddelen, ontsmettingsmiddelen). Biodiversiteit: de variabiliteit onder levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van, onder andere, terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken. Dat omvat ook de diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen. Bio-indicator: karakteristiek organisme voor specifieke milieuomstandigheden of specifieke natuurtypen. (zie ook: Indicatorsoort) Biologische landbouw: landbouwproductiemethode waarvan de hoofdlijnen zijn: geen gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest; toepassing van extensieve veebezetting en maatregelen voor dierenwelzijn, conform een lastenboek.

313


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

Biotoop: ruimtelijk min of meer homogeen gebied met van de omgeving afwijkende levensomstandigheden, bewoond door een bepaalde levensgemeenschap; woongebied van een groep organismen. Bioveiligheid: de veiligheid voor de volksgezondheid en voor het milieu (met inbegrip van planten en dieren) bij het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen. Blauwgrasland: onbemest schraal hooiland waarvan de typerende kleur bepaald wordt door pijpenstrootje, blauwe zegge en tandjesgras. Bosdecreet: decreet van 13 juni 1990 (BS 28/9/1990), gewijzigd bij decreet van 21 oktober 1997 (BS 10/1/1998), decreet van 18 mei 1999 (BS 23/7/1999), decreet van 17 juli 2000 (BS 17/8/2000), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/8/2002), decreet van 24 december 2004 (BS 31/12/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/5/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/6/2006). Bosgebied: natuurgebied waarvan de vegetatie gedomineerd wordt door boomsoorten. In de planologische betekenis worden daarmee gebieden aangeduid waar bos domineert of ontwikkeld dient te worden. Bosgroep: een duurzaam samenwerkingsverband tussen bosbeheerders binnen een bepaald gebied, met als doel de realisatie van de door het Bosdecreet opgelegde doelstellingen door een rationeler beheer mogelijk te maken. Bosreservaat: biologisch waardevol bosgebied met een beschermingsstatuut in het kader van het Bosdecreet (art. 22 tot 30) en het bijhorende B.Vl.Reg. van 20 januari 1993 tot vaststelling van regelen betreffende de aanwijzing of erkenning en het beheer van de bosreservaten. Bosreservaten hebben twee prioritaire functies: de ecologische functie is er nevengeschikt aan de wetenschappelijke functie.

D Depositie: hoeveelheid van een stof of een groep van stoffen die uit de atmosfeer neerkomen in een gebied, uitgedrukt als een hoeveelheid per oppervlakte-eenheid en per tijdseenheid (bv. 10 kg SO2/ha/jaar). Diadrome vissen: trekvissen, die tussen zoet en zout water migreren. Dispersie: de eenmalige ongerichte verplaatsing van organismen op weg naar een voortplantingsplaats. Doelbereiking: de mate waarin een vooraf bepaalde doelstelling wordt gerealiseerd. Dit begrip vormt het complement van 'distance-to-target' of 'doelafstand'. Doelmatigheid: in principe een synoniem voor 'efficiëntie'. Binnen de Vlaamse overheid heeft het begrip vaak een meer algemene betekenis en verwijst het naar effectiviteit, efficiëntie en zuinigheid. (zie ook: Efficiëntie) Domeinbos: bos beheerd door het Vlaamse Gewest (met name Agentschap voor Natuur en Bos). Duurzaamheidsambtenaar: De gemeente kan in het kader van de samenwerkingsovereenkomst opteren voor een gemeentelijke gesubsidieerde ambtenaar. De duurzaamheidsambtenaar kan worden ingezet voor de uitvoering van o.a. natuurklachtenbehandeling, natuurontwikkeling, ecologisch bermbeheer, geïntegreerd waterlopenbeheer, toezicht op en verlening van adviezen in verband met milieu- en natuurvergunningen, afvalbeheer, milieubeleidplanning. Duurzame ontwikkeling: ontwikkelingsmodel dat voorziet in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van de toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien in het gedrang te brengen.

Buitendijks gebied: rivierwaarts van de dijken gelegen. Buitengebied: beleidsmatig begrip voor het gebied waarin de open (onbebouwde) ruimte overweegt. Elementen van bebouwing en infrastructuur die in functionele samenhang zijn met de niet-bebouwde ruimte maken er onderdeel van uit en kunnen plaatselijk overwegen.

C Corridor: verbindingselement tussen twee kleine landschapselementen; twee bosjes kunnen onderling verbonden zijn door hagen, bomenrijen; ook algemeen, route (weg) die de verplaatsing van individuen of soorten toelaat van een gebied naar een ander.

E Ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang: natuur- en bosgebieden met verzamelingen van kleine landschappelijke en natuurlijke elementen die niet tot het Vlaams Ecologisch Netwerk behoren en gemeentegrensoverschrijdend zijn of bovenlokale invloed uitoefenen. Ecoregio: regio die in fysisch-geografisch en ecologisch opzicht min of meer homogeen is. Binnen een ecoregio kunnen eventueel nog kleinere ecodistricten worden onderscheiden. Vooral klimaat, geologische ontstaansgeschiedenis en bodem zijn bepalend voor de natuurtypes die in een bepaalde ecoregio van nature kunnen voorkomen. Ecosysteem: het geheel van biotische en abiotische ele-

314


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

menten die het samenleven van levende organismen in een bepaald gebied kenmerken. Ecosysteemdiensten: voor de mens waardevolle goederen en diensten die door ecosystemen worden voortgebracht, zoals waterzuivering, bescherming tegen overstromingen, hout en vezels, recreatie en esthetische waarde. Ecotoop: in essentie het kleinst mogelijke, herkenbare en afgrensbare landschapsonderdeel dat gekenmerkt wordt door een karakteristieke combinatie van abiotische (meso- of microklimaat, bodem, waterhuishouding, ontstaan, historiek) en biotische (floristische, vegetatiekundige, faunistische) eigenschappen. Efemere soort: uitheemse soort die niet langer dan één of hooguit enkele jaren kan overleven. Effect: gevolg van een prestatie of output. Een effect kan verwijzen naar een situatieverandering in het beleidsveld, hetzij in de attitudes of gedragingen bij een doelgroep (gedragseffect), in de toestand van het milieu (milieueffect) of in de toestand van de natuur (ecologisch effect). Effectiviteit: de mate waarin een overheid haar doelstellingen bereikt (doelbereiking) dankzij de inzet van beleidsinstrumenten of andere beleidsmaatregelen. Efficiëntie: de verhouding tussen de geleverde prestaties (output) en de ingezette middelen (input). Efficiëntie wordt meestal uitgedrukt als een output-inputratio. Emissie: uitstoot of lozing van stoffen, golven of andere verschijnselen door bronnen. Epifyt: plant die groeit op andere planten van een andere soort (dragerplant) zonder daaraan voedsel te onttrekken. Erkend natuurreservaat: zie natuurreservaat Erkende terreinbeherende natuurvereniging: een privaatrechtelijk rechtspersoon waarvan de statuten het natuurbehoud en/of de natuurbescherming als hoofdzakelijk en ondubbelzinnig doel bepalen, die gebieden beheert als natuurreservaat en als dusdanig op grond van het Natuurdecreet en van het uitvoeringsbesluit van 29 juni 1999 wordt erkend. Estuarium: het overgangsgebied tussen rivier en zee. Europese Kaderrichtlijn Water: Europese richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid. Extinctie: het uitsterven van een soort in algemene zin of voor een bepaalde plek (lokale extinctie).

F Fragmentatie: zie versnippering Functieverweving: bij functieverweving komen verschillende functies gemengd en min of meer gelijkwaardig voor. De objectieven van een andere sector worden daarbij ingepast in de eigen doelstellingen. Men aanvaardt niet alleen die objectieven, maar ook eigen doelstellingen worden herzien of ter discussie gesteld. Fytoplankton: plantaardig plankton. (zie ook: Plankton)

G Gebied van communautair belang: zie Speciale Beschermingszone, Habitatrichtlijngebied, Vogelrichtlijngebied Gebiedsgericht beleid: het gebiedsgerichte natuurbeleid heeft betrekking op de natuurwaarden van de beschermde gebieden, meer bepaald het Vlaams Ecologisch Netwerk, het Ingegraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk, de natuurreservaten, de Ramsargebieden en de Speciale Beschermingszones. Met het Natuurdecreet werd ervoor geopteerd om vooral prioriteit te geven aan de verdere uitwerking van een gebiedsgericht natuurbeleid via een uitgebreid hoofdstuk V 'Gebiedsgericht beleid'. Gekweekte soort: uitheemse soort die actief worden onderhouden voor menselijke doeleinden. Het zijn soorten die zelden of nooit verwilderen. Gemeentelijk milieujaarprogramma: voor de opvolging van het gemeentelijke milieubeleidsplan (meerjarenplan) moet er jaarlijks een milieujaarprogramma opgemaakt worden, dat de volgende elementen bevat: - een verslag van de stand van uitvoering van het geldende gewestelijke milieubeleidsplan op gemeentelijk vlak en, voor zover ze bestaan, van het provinciale milieubeleidsplan en het gemeentelijke milieubeleidsplan; - een opgave van de door de gemeente in het komende jaar te verrichten activiteiten en te nemen maatregelen ter uitvoering van het geldende gewestelijke milieubeleidsplan en, voor zover ze bestaan, van het provinciale milieubeleidsplan en het gemeentelijke milieubeleidsplan; - een overzicht van de in het ontwerp van begroting geraamde inkomsten en uitgaven voor de uitvoering van het gewestelijke milieubeleidsplan en, voor zover ze bestaan van het provinciale milieubeleidsplan en het gemeentelijke milieubeleidsplan.

315


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

Grenswaarde: waarde (vaak concentratiecijfer van immissie) die niet overschreden mag worden. In de VLAREM-wetgeving heeft het begrip grenswaarde een zeer specifieke omschrijving. Een grenswaarde wordt er voor de meeste parameters omschreven als een concentratie die in 90 % van de metingen op jaarbasis niet overschreden mag worden. De 10 % monsters die niet conform zijn mogen niet meer dan 50 % afwijken van de grenswaarde. Groendak: dak bedekt met levende planten. Groene bestemming: staat voor de volgende bestemmingscategoriën in de plannen van aanleg: de natuurgebieden, de reservaatgebieden, de bosgebieden, de groengebieden, de parkgebieden en de bufferzones. Grootstedelijk gebied: in het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt stedelijk gebied gedefinieerd als gebied waar een intense ruimtelijke, culturele en socio-economische samenhang en verweving bestaat tussen de verschillende menselijke activiteiten, waar dichte bebouwing overheerst en waar het wenselijk is ontwikkelingen te stimuleren en te concentreren. Op basis van de stedelijke uitrustingsgraad en het voorzieningenniveau, van het belang van het stedelijke gebied voor de omgeving en voor Vlaanderen, en op basis van hun interne stedelijke structuur, wordt beleidsmatig onderscheid gemaakt in de volgende vier categorieën: grootstedelijke, regionaalstedelijke, structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau. De verschillen tussen die categorieën situeren zich enerzijds op het vlak van de doelstellingen inzake ruimtelijk beleid en anderzijds op het kwantitatieve en het kwalitatieve vlak. Grootvee-eenheden: het aantal eenheden paarden, koeien of andere grote grazers (schapen en geiten daarentegen behoren tot het kleinvee).

H Habitat: een land- of waterzone met bijzondere geografische, abiotische of biotische kenmerken, die zowel natuurlijk als halfnatuurlijk kan zijn en waarin een bepaalde soort leeft. Habitat van communautair belang: habitat vermeld in Bijlage I van de Habitatrichtlijn. (zie ook: Habitatrichtlijn) Habitatrichtlijn: Europese richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Habitatrichtlijngebied: Speciale Beschermingszone aangewezen ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. De gebieden hebben een van de volgende twee statuten: (1)

316

een gebied dat door de Vlaamse regering aan de Europese Commissie is aangemeld als potentieel gebied van communautair belang; of (2) een gebied dat, overeenkomstig de procedure van art. 4 van de Habitatrichtlijn, formeel aangeduid wordt als Speciale Beschermingszone nadat de Europese Commissie het op een lijst van gebieden van communautair belang geplaatst heeft. Halfnatuurlijk grasland: vegetaties waar de mens op een vrij extensieve manier invloed uitoefent door middel van een extensief maaibeheer of het toepassen van lichte begrazing (met landbouwhuisdieren). Tot deze categorie kunnen onder meer heischrale graslanden, blauwgraslanden, dotterbloemgraslanden en mesofiele hooilanden gerekend worden. Overeenkomstige eenheden op de biologische waarderingskaart zijn respectievelijk Ha, Hm, Hc en Hu. Herbivoren: dieren waarbij planten het hoofdbestanddeel vormen van het voedsel. Huiskavel: percelen die ofwel behoren bij de vergunde woning ofwel bij de vergunde stal of stallen van de landbouw- of veeteeltinrichting en die met de vergunde woning, stal of stallen een ononderbroken ruimtelijk geheel vormen. De begrenzing van de huiskavel vindt plaats op basis van een duidelijk herkenbaar specifiek gebruik of op basis van een in het landschap duidelijk herkenbaar element. Hydromorfologie: de fysische vorm van een waterlichaam.

I Indicator: een indicator is een grootheid (een variabele) weergegeven binnen een context. De indicator krijgt een betekenis door de context voor te stellen in de vorm van (historische of natuurlijke) referentiewaarden en/of van doelstellingen. Een indicator verwijst naar en/of informeert over activiteiten of toestanden in verband met het milieu en de natuur. Indicatorsoort: soort waarvan bepaalde eigenschappen (bv. aan- of afwezigheid, populatiedichtheid, voortplantingssucces) als een maat gebruikt worden voor: 1° de toestand van andere soorten waarvoor die eigenschappen te moeilijk of te duur zijn om te meten; 2° de toestand of aanwezigheid van bepaalde milieuomstandigheden. Dit laatste kan verder opgesplitst worden in toestand van een habitat en invloed van een milieudruk (of stressor). In de eerste betekenis kan het zowel gaan om een soort die indicatief is voor de toestand van meerdere andere soorten (biodiversiteitsindicator) ofwel van een grotere functionele groep van


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

soorten (bv. gemeenschapsindicator). Het kennis aspect kan expliciet in de definitie van ‘indicator’ worden geïntegreerd (“Soort die men ecologisch voldoende kent om uit de aan- of afwezigheid en/of talrijkheid ervan, bepaalde ecologische of milieueigenschappen van een terrein te kunnen afleiden”). Infiltratie: indringing van neerslag in de bodem in de hogere delen van het landschap. Ingeburgerde soort: uitheemse soort die levensvatbare populaties heeft uitgebouwd en permanent aanwezig blijft. Gewoonlijk nabij de oorspronkelijk ingevoerde planten en niet noodzakelijk binnendringend in (half)natuurlijke habitats. Initieel natuurtype: de vegetatie aanwezig op het terrein op het ogenblik dat een aanvraag tot erkenning van een gebied als natuurreservaat wordt ingediend. (zie ook: Actueel natuurtype, Natuurstreefbeeld) Integraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk: voor de instandhouding, ondersteuning en versterking van de natuurkernen (Vlaams Ecologisch Netwerk) wordt voorzien in de afbakening van Natuurverwevingsgebieden. Zij vormen als het ware een beschermende jas voor de natuurkernen. Voor de verbinding van de verschillende natuurkernen worden natuurverbindingsgebieden afgebakend. Samen vormen die gebieden het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk. In deze gebieden worden bijkomende kansen gegeven aan planten en dieren. Andere functies zoals landbouw, recreatie, bosbouw, wonen, … mogen er niet door in het gedrang komen. Intergetijdengebied: het gebied dat droogvalt bij laagwater en bij hoogwater onder water staat; dit bestaat uit slikken en platen. Invasieve soort: uitheemse soort die ver buiten de oorspronkelijke plaats van introductie doordringt in (half)natuurlijke milieus, al dan niet met ecologische en/of economische schade tot gevolg. Inventarisatie: het verzamelen van een set van kwantitatieve of kwalitatieve gegevens aan de hand van een gestandaardiseerde procedure, maar zonder enige veronderstelling met betrekking tot wat men verwacht te vinden. Adhocverzameling van soortgegevens, hetgeen ook soms inventarisatie genoemd wordt, hoort hier dus niet bij.

K Kleine landschapselementen: lijn- of puntvormige elementen met inbegrip van de bijhorende vegetaties waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet resul-

taat zijn van menselijk handelen en die deel uitmaken van de natuur zoals: bermen, bomen, bosjes, bronnen, dijken, graften, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, perceelrandbegroeiingen, sloten, struwelen, poelen. Knuppelpad: een veelal verhoogd pad met houten paaltjes, aangelegd om een moerasachtig terrein zonder problemen te kunnen oversteken. Kosteneffectiviteit: de verhouding tussen de effecten die een overheid door haar beleid tot stand brengt, en de middelen die zij daarvoor heeft ingezet. Kritische last: maximaal toelaatbare depositie per eenheid van oppervlakte voor een bepaald ecosysteem zonder dat er op termijn schadelijke effecten optreden. Kwel: het uittreden van grondwater (algemene definitie). Het uittreden van grondwater onder invloed van grotere stijghoogten buiten het beschouwde gebied (specifieke definitie); het uittreden van water dat binnen het gebied aan het oppervlak is toegevoegd, valt dus buiten deze term. Kwetsbaar gebied natuur: de kwetsbare zones natuur waarbinnen de verstrengde bemestingsnormen van artikel 15ter van het Meststoffendecreet van toepassing zijn.

L Landschap: onze waarneming van de buitenomgeving (aardoppervlak), met inbegrip van de talrijke functies en hun samenhang, en ontstaan door de werking van gesteente, water, lucht, planten, dieren en de mensen. Leefgebied: zie Biotoop Levensgemeenschap: totaliteit van elkaar beïnvloedende, tot verschillende soorten behorende organismen, die samen voorkomen op een zelfde plaats.

M Macrofyt: plant die met het blote oog waarneembaar is. Dit begrip wordt meestal gebruikt om de groep van waterplanten en draadalgen te duiden. Mediaanwaarde: die meetwaarde waarbij, als een verzameling meetwaarden naar opklimmende grootte gerangschikt zijn, er precies evenveel meetwaarden groter als kleiner zijn dan deze meetwaarde. Mesotroof: matig rijk aan voedingsstoffen. Milieuconvenant: zie Samenwerkingsovereenkomst

317


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

Milieuraad: de opzet van een gemeentelijke milieuraad is het maatschappelijk draagvlak te verbreden voor het lokale milieubeleid. De raad brengt advies uit over het jaarlijkse gemeentelijke milieujaarprogramma, over het ontwerp van gemeentelijk milieubeleidsplan en over alle uitvoeringsplannen van acties uit het Gemeentelijke Natuurontwikkelingsplan. De raad moet tevens om advies gevraagd worden voor alle gemeentelijke beslissingen en plannen die een invloed hebben op het behoud of de ontwikkeling van de natuurlijke structuur of de algemene milieukwaliteit. In eerste instantie heeft de milieuraad dus een adviserende taak. Daarnaast is het ook een forum waarbij informatie wordt doorgegeven en waar wordt gediscussieerd over het milieu- en natuurbeleid in de gemeente. Militair domein: zoals hier gehanteerd omvat deze categorie de terreinen met een militair gebruik (eigendom van het ministerie van Landsverdediging) en die beheerd worden door het Agentschap voor Natuur en Bos via een samenwerkingsprotocol. De militaire functie primeert en stelt randvoorwaarden, maar de vaak unieke ecologische, en recreatieve/economische waarde wordt intussen erkend en navenant beheerd. Deze gebieden hebben niet noodzakelijk een bestemming van militair domein op het gewestplan. Minafonds: fonds voor preventie en sanering inzake leefmilieu en natuurbehoud: een Dienst met Afzonderlijk Beheer binnen de Vlaamse begroting die vooral wordt gefinancierd via ontvangsten uit milieuheffingen. Monitoring: het periodiek waarnemen en gestandaardiseerd beschrijven van parameters met als doel de overeenkomst met of de mate van afwijking van doelen of normen vast te stellen. Het moet daarbij gaan om een herhaalde verzameling van gegevens in de tijd.

N Natura 2000: Europees netwerk van gebieden die door de EU-lidstaten werden aangewezen als Speciale Beschermingszone ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Natuur: de levende organismen, hun habitat, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen, ongeacht of ze al dan niet voorkomen in aansluiting op menselijk handelen, met uitsluiting van de cultuurgewassen, de landbouwdieren en de huisdieren. Natuurbeheer: een samenhangende reeks van (beheer)maatregelen, een complex van doelbewuste handelingen (bewust nietsdoen inbegrepen) die het behoud of het minder ingrijpend herstellen en ontwikkelen van de

318

bestaande natuurwaarde beoogt. De tijdsduur is onbeperkt en er moet een continuĂŻteit zijn zowel in het type maatregel als in de intensiteit daarvan. Natuurbehoud: het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van de natuur en het natuurlijke milieu door natuurbescherming, natuurontwikkeling en natuurbeheer en het streven naar een zo groot mogelijke biologische diversiteit in de natuur. Natuurbescherming: het geheel van de maatregelen gericht op natuurbehoud en tegen nadelige invloeden die kunnen ontstaan door menselijke activiteiten. Natuurdecreet: decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 (BS 10/01/1998), gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 (BS 23/07/1999), decreet van 18 mei 1999 (BS 30/9/1999), decreet van 19 juli 2002 (BS 31/08/2002), decreet van 30 april 2004 (BS 08/06/2004), decreet van 7 mei 2004 (BS 11/06/2004), decreet van 22 april 2005 (BS 13/05/2005) en decreet van 19 mei 2006 (BS 20/06/2006). Natuurgebied: gebied dat door een overheid (gewestelijk, provinciaal, gemeentelijk), een terreinbeherende vereniging of een ander privaat rechtspersoon in eigendom of in gebruik is met het oog om het te beheren in functie van herstel, ontwikkeling en instandhouding van de biodiversiteit. Een natuurgebied kan al dan niet formeel zijn aangewezen of erkend als natuurreservaat. In de planologische betekenis zijn natuurgebieden die gebieden waar natuur de hoofdfunctie is. Natuurinrichting: betreft projecten bestaande uit maatregelen en inrichtingswerkzaamheden die gericht zijn op een optimale inrichting van een gebied met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur en natuurlijk milieu in het Vlaams Ecologisch Netwerk en in de groen-, park-, buffer- en bosgebieden. Natuurkwaliteit: de bijdrage die een gebied of een of meerdere afzonderlijke natuurelementen, al of niet in onderlinge samenhang, leveren of kan leveren aan de biologische diversiteit. Natuurlijke structuur: ruimtelijk begrip uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. De gewestelijke natuurlijke structuur is het samenhangende geheel van de rivier- en beekvalleien, de grotere natuur- en boscomplexen en de andere gebieden waar de voor de natuur structuurbepalende elementen en processen tot uiting komen. De ecologische infrastructuur wordt gevormd door lijn-, punt- en vlakvormige natuurelementen, door kleinere natuur- en boscomplexen en door parkgebieden. Natuurontwikkeling: het geheel van maatregelen gericht op de creatie van voorwaarden voor het tot stand


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

komen of het herstel van natuur in een bepaald gebied; een geheel of grotendeels spontaan verlopend proces waardoor levensgemeenschappen ontstaan met een hogere natuurwaarde dan die die er aanwezig waren. Natuurreservaat: terrein dat van belang is voor het behoud en de ontwikkeling van de natuur of voor het behoud en de ontwikkeling van het natuurlijk milieu en dat daarvoor door de Vlaamse Regering als natuurreservaat aangewezen of erkend is (Natuurdecreet, art. 32 e.v.). In natuurreservaten wordt via een aangepast beheer een natuurstreefbeeld behouden of ontwikkeld. Voor elk natuurreservaat ingesteld krachtens het natuurdecreet wordt een beheerplan opgesteld dat de maatregelen vermeldt die voor het beheer en de inrichting getroffen worden. - Vlaams natuurreservaat: wordt aangewezen op gronden die het Vlaams Gewest in eigendom of in huur heeft of die daartoe ter beschikking worden gesteld. - Erkend natuurreservaat: wordt erkend op verzoek van de eigenaar en/of diegene die het gebruiksrecht heeft, mits beider toestemming, of op verzoek van de beheerder, mits de eigenaar ermee instemt. De voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 (BS 12/9/2003). De erkenning geldt voor een periode van 27 jaar en gebeurt op basis van een goedgekeurd beheerplan. Door de erkenning kan de beheerder aanspraak maken op subsidies voor de huur, het beheer en de openstelling van het natuurreservaat. Natuurrichtplan: een gebiedsspecifiek plan dat op grond van het Natuurdecreet moet worden opgesteld voor elk gebied van het Vlaams Ecologisch Netwerk, het Ingegraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk, de Speciale Beschermingszones en de Ramsargebieden. De natuurrichtplannen voor het Vlaams Ecologisch Netwerk en het Ingegraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk worden opgesteld tegen 2008.

planten en dieren tussen de gebieden van het Vlaams Ecologisch Netwerk en/of natuurreservaten en waarbinnen een specifiek gebiedsgericht natuurbeleid gevoerd wordt. De natuurverbindingsgebieden vormen, samen met de natuurverwevingsgebieden, het Integraal verwevingsen ondersteunend netwerk. Natuurverwevingsgebied: categorie van gebieden uit het Natuurdecreet waarbinnen een specifiek gebiedsgericht natuurbeleid gevoerd wordt. Samen met de natuurverwevingsgebieden geven ze gestalte aan een Integraal verwevings- en ondersteunend netwerk. Het beleid in natuurverwevingsgebieden is gericht op handhaving en ontwikkeling van bepaalde natuurwaarden, waarbij andere functies dan natuur (bv. landbouw, bosbouw, militair domein, drinkwaterwinning) nevengeschikt zijn. Binnen natuurverwevingsgebied kunnen de natuurwaarden ruimtelijk verweven zijn (bv. een landbouwgebied met lokaal waardevolle halfnatuurlijke graslanden) ofwel functioneel verweven zijn (bv. landbouwperceel met weidevogels). Neofyten: plantensoort die zich in historische tijd in een bepaald gebied gevestigd heeft. Niche: de ecologische plaats en de rol die een soort in een levensgemeenschap inneemt. Nitraat: als stikstofbron een essentieel nutriënt voor planten. De stof wordt opgenomen via de wortels uit de aarde. Nitraten worden gevormd doordat bacteriën ammonium tot nitriet en vervolgens tot nitraat omzetten. Nitraat is samen met fosfaat de oorzaak van de eutrofiëring van vele oppervlaktewaters. Nitraatrichtlijn: algemene naam voor zout van salpeterzuur. Het is een vorm van stikstof die goed oplosbaar is in water en die door planten kan worden opgenomen. Samen met fosfaat is nitraat de oorzaak van vermesting. Nitrofiel: stikstofminnend; met een voorkeur voor stikstofrijke milieus.

Natuurstreefbeeld: de vegetatie waarnaar gestreefd wordt via gericht beheer op basis van de aanwezige potenties (B.Vl.Reg. van 27 juni 2003, art.1 13°). De in het besluit opgesomde natuurstreefbeelden zijn ingedeeld volgens karteringseenheden van de biologische waarderingskaart (idem, art. 17). Natuurtype: algemene verschijningsvorm van de natuur, gewoonlijk gecatalogeerd volgens de structuur en samenstelling van de begroeiing (bv. bos, nat grasland, schorre). Natuurtypes kunnen algemeen of zeer gedetailleerd gedefinieerd worden, naargelang het gebruiksdoel. Natuurverbindingsgebied: categorie van gebieden uit het Natuurdecreet die van belang zijn voor de migratie van

319


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippenlijst

O Oeverzone: strook land vanaf de bodem van de bedding van het oppervlaktewaterlichaam die een functie vervult in de natuurlijke werking van watersystemen of natuurbehoud, of in de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, bestrijdingsmiddelen of meststoffen. Oligotroof: voedselarm (milieu). Ontsnippering: het proces waarbij door genomen maatregelen (bijvoorbeeld aanleg van kleine landschapselementen) de versnippering (fragmentatie) van gebieden wordt tegengegaan. (zie ook: Versnippering) Oppervlaktewater: aquatische ecosystemen: open water, meren, rivieren, sloten, kanalen, e.d. Organismen: levende wezens. Orthofosfaat: de verbinding van een fosforatoom en vier zuurstofatomen. De basismolecule waaronder fosfor in het milieu voorkomt. Orthofosfaat komt vrij in oplossing voor of vormt de bouwsteen voor polyfosfaten. Outcome: synoniem van 'effect'. Soms ook in een meer strikte betekenis die enkel verwijst naar effecten in de zin van gedragsverandering bij doelgroepen. (zie ook: Effect) Output: prestaties en producten die worden geleverd door de inzet van beleidsinstrumenten. Overstromingsgebied: door banddijken, binnendijken, valleiranden of op andere wijze begrensd gebied dat op regelmatige tijdstippen al dan niet op gecontroleerde wijze overstroomt of kan overstromen en dat als dusdanig een waterbergende functie vervult of kan vervullen.

P Paraplusoort: soort waarbij de behoudsmaatregelen voor die soort ook gunstig zijn voor vele andere, samen voorkomende soorten. Het gaat vooral om soorten met een groot ruimtebeslag die vaak de combinatie van verschillende biotopen als habitat hebben. Percentiel: elk van de punten die een numeriek geordende verzameling in honderd gelijke delen splitst. Plaggen: verwijderen van de bovenste bodemlaag (0 - 5 cm) en bijbehorende vegetatie in het kader van het natuurbeheer; afsteken van zoden. Met de plaggen verdwijnen een groot aantal voedingsstoffen uit het terrein. Plankton: alle zwevende of rondzwemmende microscopisch kleine organismen. Men spreekt van plantaardig (fyto)plankton en dierlijk (zoĂś)plankton.

320

Populatie: groep van organismen van dezelfde soort die samen voorkomen in een bepaald gebied. Predator: dier dat van andere dieren leeft. Primaire productie: de productie van organische componenten uit koolstofdioxide, door hoofdzakelijk fotosynthese. Alle leven op aarde komt voort uit primaire productie. De primaire producenten of autotrofen vormen de basis van de voedselketen. Op het land zijn dat hoofdzakelijk planten, in het water voornamelijk algen.

R Rechtspersoon: benaming voor wie naast de natuurlijke personen (mensen) rechts- en handelingsbekwaam is als ware het een natuurlijk persoon. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds privaatrechtelijke rechtspersonen (geen overheidsinstanties; voorbeelden: een vereniging zonder winstoogmerk, een naamloze vennootschap) en anderzijds publiekrechtelijke rechtspersonen (overheidsinstanties; voorbeelden: het gewest, de provincie, de gemeente). Recurrent beheer: het met een bepaalde periodiciteit sturend ingrijpen door de mens in de natuur en het natuurlijke milieu met het oog op het herstel, het behoud of de ontwikkeling van de natuur. Regionaal landschap: een duurzaam samenwerkingsverband dat ingesteld wordt op voorstel van een provincie of drie of meer aaneengesloten gemeenten, gericht op overleg en samenwerking met de betrokken doelgroepen ter bevordering van het streekeigen karakter, van natuurrecreatie en natuureducatie, van recreatief medegebruik, van het natuurbehoud en van het beheer, herstel, aanleg en de ontwikkeling van kleine landschapselementen. Het regionaal landschap is gericht op de bevordering van de band van de burgers met het omringende landschap en de natuur. Reservaatgebied: planologische term waarmee natuurreservaten of natuurgebieden met wetenschappelijke waarde worden bedoeld. Richtwaarde: beleidsmatig na te streven milieukwaliteitsdoelstelling met opgaven van tijdstip voor realisatie. Rode Lijst: overzicht van bedreigde soorten, opgesteld volgens specifieke IUCN-criteria. Omvat de categorieĂŤn 'verdwenen uit Vlaanderen', 'met verdwijnen bedreigd', 'kwetsbaar'. Rode Lijstsoort: soort die volgens de classificatie van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) in Vlaanderen 'kwetsbaar', 'bedreigd' of 'met uitsterven'


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippenlijst

bedreigd is. (zie ook: Rode Lijst) Rondbekken: of prikken zijn de primitiefste van alle gewervelde dieren. Het zijn geen vissen. Ze hebben een palingachtig lichaam met kraakbeenskelet, de gepaarde vinnen ontbreken. Hun lichaam vertoont geen schubben. Ze zijn gekenmerkt door ronde zuigmonden met hoornachtige tanden bezet. Ruimteboekhouding: een onderdeel van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. In deze boekhouding worden de kwantitatieve opties met betrekking tot wonen, industrie, natuur & bos en landbouw verrekend in toename of afname van de oppervlakten van bestemmingscategorieën. Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen: beleidsdocument, vastgesteld door de Vlaamse regering, dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur in Vlaanderen. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling en is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen. Het huidige Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is door de Vlaamse regering vastgesteld in 1997. Het heeft als tijdshorizon 2007 en bevat een ruimtebalans met de beleidsdoelstellingen over de oppervlakteverdeling (in ha) voor de diverse sectoren in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen tegen 2007.

Sleutelsoort: soort waarvan de invloed(en) op ecologische processen erg belangrijk is (zijn), en alleszins groter dan men op basis van alleen de abundantie of biomassa zou verwachten. Het zijn soorten die een belangrijke functionele rol vervullen in het ecosysteem: soorten met een groot aantal relatief goed gekende directe en indirecte relaties met andere soortengroepen. Een achteruitgang of het verdwijnen van een sleutelsoort zorgt voor een domino-effect op andere soorten (abundanties, voorkomen) en ecologische processen. Sleutelsoorten vervullen een rol die niet door andere soorten of processen wordt uitgeoefend. Voorbeelden zijn soorten die een belangrijk deel van zaad- of stuifmeelverspreiding voor hun rekening nemen en soorten die landschappen beïnvloeden, de zgn. ecologische ingenieurs (bv. bever). Slikken en schorren: slikken is het gedeelte van de oever van een tijrivier dat bij vrijwel elk hoogwater overstroomt. Schorren zijn het hogergelegen en begroeide gedeelte van de oevers van een tijrivier die van dagelijks tot slechts enkele malen per jaar wordt overspoeld. Slikplaten: verhoogde zones in het midden van een estuarium die overstromen bij hoogtij. Soort van communautair belang: soort vermeld in Bijlage I van de Vogelrichtlijn of in Bijlagen II, IV of V van de Habitatrichtlijn. (zie ook: Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn)

Ruimtelijk Uitvoeringsplan: een grafisch plan (gewestelijk, provinciaal, gemeentelijk) dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is. Hierbij worden stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer aangegeven, de feitelijke en juridische toestand beschreven, net als de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is. Indien nodig wordt een limitatieve lijst aangebracht van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden.

Speciale Beschermingszone: gebied dat door een EUlidstaat werd aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden moeten de instandhoudingsmaatregelen worden toegepast die nodig zijn om de natuurlijke habitats en/of populaties van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. De Speciale Beschermingszones vormen in de lidstaten van de Europese Unie samen het Natura 2000-netwerk. (zie ook: Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied).

S

Standhoudende soort: uitheemse soort die zonder verdere menselijke tussenkomst ter plaatse blijft zonder of met beperkte mogelijkheid tot vermeerderen.

Samenwerkingsovereenkomst: de samenwerkingsovereenkomst is een vrijwillige overeenkomst die een gemeente of provincie afsluit met de Vlaamse overheid op vlak van milieu. In ruil voor het uitvoeren van een aantal taken krijgt ze financiële en inhoudelijke ondersteuning van de Vlaamse overheid. De gemeente of provincie kan zelf kiezen welke onderdelen van de overeenkomst ze ondertekent en welke ambitieniveaus ze wenst te behalen. Schraalgrasland: weinig productief grasland. Sedimentatie: afzetting van bodemmateriaal.

Standstillbeginsel: dit beginsel houdt in dat de huidige situatie als norm aangenomen wordt voor de toekomst. Voor het natuurbehoud betekent dit dat de natuur in kwaliteit en kwantiteit niet achteruit mag gaan. Het standstillbeginsel is opgenomen in o.m. het DABM (art. 1.2.1) en het Natuurdecreet (art. 8). Stijghoogte: hoogte van het grondwater in een peilput in een afgesloten watervoerende laag. Stikstofoxiden: verzamelterm voor stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2).

321


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

Streefwaarde: milieukwaliteitdoelstelling waarbij geen nadelige effecten te verwachten zijn. Struweel: vegetatie met dominantie van struiken. Successie: opeenvolgende veranderingen die zich in de vegetatie voltrekken, waarbij een levensgemeenschap ontstaat of in een andere overgaat. Een klassiek voorbeeld is de verlanding van open water. Survey: een courante onderzoeksmethode om het gedrag of de neerslag van het gedrag te bestuderen. Daartoe wordt een groot aantal onderzoekselementen via aselecte steekproeftrekking gekozen, en aan de onderzoekselementen worden vragen gesteld met behulp van een gestandaardiseerde vragenlijst. Suspensie: kleine vaste deeltjes die in een vloeistof gemengd zijn en slechts zeer langzaam. Symboolsoort: soort die gebruikt wordt om publieke en/of politieke aandacht inzake natuurbehoud (of bepaalde deelaspecten ervan) te trekken (bv. financiële ondersteuning, sensibilisering). Meestal gaat het om grote dieren (vooral zoogdieren en vogels) die als charismatisch worden ervaren (cfr. hoge aaibaarheidsfactor).

T Terrestrisch: behorend bij of aangepast aan het leven op het land; op het land gevormd. Tijamplitude: het hoogteverschil tussen hoog- en laagwater. Trofie: voedselrijkdom. Trofisch: op de voedselopname(cyclus) betrekking hebbend.

U Uitheems: soorten die binnen een bepaald gebied (bv. Vlaanderen) van nature niet voorkomen (synoniem: exoot).

art. 7-19 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 (BS 10/09/1998) tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het Natuurdecreet. Verbindingsgebieden: zie Natuurverbindingsgebied Verdroging: vermindering van de specifieke waterinhoud van een watervoerende laag en van de bodem door menselijke beïnvloeding. Wijzigingen als gevolg van natuurlijke elementen en klimaat vallen dus niet onder dit begrip. Verdroging omvat alle effecten die voortvloeien uit een antropogeen veroorzaakte grondwaterstanddaling zoals vochttekort, verschillen in mineralisatie en kwel, inclusief de effecten van compenserende maatregelen. Vergunningsplicht: wettelijke verplichting om voor het uitvoeren van welbepaalde activiteiten over een vooraf verleende vergunning te beschikken die het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten toelaat en er eventueel voorwaarden aan verbindt. Vermesting: het voedselrijker worden van het milieu, waardoor de ecologische processen en de natuurlijke kringlopen verstoord worden; afhankelijk van de herkomst van voedingsstoffen wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe vermesting. Versnippering: het uiteenvallen van structuren en hun organisatorische ordening. Bij versnippering van natuur gaat het om fragmentatie van het leefgebied voor soorten, waardoor soorten ten minste lokaal kunnen uitsterven. Versnippering uit zich in de afname van oppervlakten, de toenemende weerstand tussen die kleiner wordende oppervlakten door andere vormen van landgebruik en meer algemeen in de toename van aantal en omvang van barrières. Verzuring: de verhoging van de concentratie waterstofionen in bodem en water als natuurlijk proces of als gevolg van atmosferische deposities van zwavel- en stikstofverbindingen (zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak) of van veranderingen in de hydrologie of in de vegetatie.

V

Vlaams Ecologisch Netwerk: samenhangend en ecologisch functioneel geheel van gebieden uit het Natuurdecreet waarbinnen een specifiek gebiedsgericht natuurbeleid wordt gevoerd. Het beleid is gericht op handhaving en ontwikkeling van hoogwaardige natuur waarbij de natuurfunctie bovengeschikt is aan andere functies. Het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 voorziet de afbakening van 125.000 ha Vlaams Ecologisch Netwerk tegen 2007.

Vegetatiebesluit: besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 1991 (BS 24/03/1992) tot instelling van vergunningsplicht voor de wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen. Dit besluit werd gewijzigd door

Vlaams Impulsprogramma Natuurontwikkeling: een onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma beheerd door de Vlaamse regering, rond thema's die verband houden met natuur (ontwikkeling, behoud, beheer, ...).

Uurhok: oppervlak van 4 x 4 km binnen het raster van de topografische kaarten van België dat gebruikt wordt voor de inventarisatie van de flora en fauna.

322


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

Vlaams natuurreservaat: zie Natuurreservaat Vluchtafstand: de maximale afstand tussen een dier en potentieel gevaar waarop dat dier beslist om weg te vluchten.

gende stoffen: cadmium, chroom, koper, kwik, nikkel, lood en zink.

Vogelrichtlijn: Europese richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand. Vogelrichtlijngebied: Speciale Beschermingszone aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, aangewezen bij besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van Speciale Beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn. Dit besluit maakt een onderscheid tussen integraal beschermde en niet integraal beschermde Vogelrichtlijngebieden.

W Waterbodem: bodem van waterlopen of stilstaande wateren die altijd of een groot gedeelte van het jaar onder water staat. Waterlichaam: voor de Kaderrichtlijn Water worden watermassa's ingedeeld in grondwaterlichamen en oppervlaktewaterlichamen. Een grondwaterlichaam is een watermassa in een of meerdere watervoerende lagen. Een oppervlaktewaterlichaam is een deel van een rivier, een meer of een kanaal. Watersysteem: een geografisch afgebakend, samenhangend en functioneel geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems, oevers en technische infrastructuur met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijhorende fysische, chemische en biologische kenmerken en processen. Westerschelde: de Schelde Nederlandse grens tot Vlissingen.

van

de

Belgisch-

Z Zeeschelde: het Zeescheldebekken omvat de Schelde, de Durme vanaf Lokeren, de Zenne vanaf Vilvoorde, de Dijle vanaf Werchter, de Kleine Nete vanaf Grobbendonk, de Grote Nete vanaf Oosterlo en de Rupel inclusief de bijhorende valleigebieden. Zuurequivalent: eenheid om de verzuringsgraad van verontreinigende stoffen te meten. Deze eenheid laat toe om de verschillende verzurende stoffen met elkaar te vergelijken. Zware metalen: metalen met een atoommassa groter dan 20. Meestal bedoelt men hiermee de groep van vol-

323


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Afkortingen

Afkortingen AMINAL

Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer

ANB

Agentschap voor Natuur en Bos

art.

artikel

B.Vl.Reg.

Besluit van de Vlaamse Regering

BBP

FOD

Belgische Federale Overheidsdienst

GEP

Goed Ecologisch Potentieel

GIS

Geografisch Informatiesysteem

GLB

Gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie

Bruto Binnenlands Product

GNBS

Gewenste Natuur- en Bosstructuur

BS

Belgisch Staatsblad

GOG

Gecontroleerde overstromingsgebieden

BWK

Biologische Waarderingskaart

GPS

Global Positioning System

CAPLO

Centraal Aanspreekpunt voor Lokale Overheden

IBW

Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer

INBO

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

CBD

Convention on Biological Diversity

IPCC

Intergovernmental Panel on Climate Change

CIW

Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid

IUCN

International Union for the Conservation of Nature

CORINE

Coordination of Information on the Environment

IVA

Intern Verzelfstandigd Agentschap

DGRNE

Direction Générale des Ressources Naturelles et de l'Environnement

IVON

Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk

DIN

Dissolved Inorganic Nitrogen (Opgelost anorganisch stikstof)

KB

Koninklijk Besluit

KLE

Kleine landschapselementen

DONAR

Data Opslag Natte Rijkswaterstaat

KRW

Europese Kaderrichtlijn Water

DPSIR

Driving forces, Pressure, State, Impact, Response

KULeuven

Katholieke Universiteit Leuven

DSi

Opgelost silicium

LIN

Departement Leefmilieu en Infrastructuur

ECOBE

Ecosystem management research group

LNE

Leefmilieu, Natuur en Energie

EEA

European Environment Agency (Europees Milieuagentschap)

LTV

Langetermijnvisie Schelde-estuarium

MAP

Mestactieplan

EHS

Ecologische Hoofdstructuur

MAP 3

Mestactieplan III

EIB

Ecologische Infrastructuur van Bovenlokaal belang

MCPFE

Ministrial Conference on the Protection of Forests in Europe

EQR

Ecological Quality Ratio

MEP

Maximaal Ecologisch Potentieel

EU

Europese Unie en zijn instellingen

MER

Milieueffectrapport

EU-15

Dit zijn de 15 landen die vóór 1 mei 2004 lid waren van de EU

MINA-plan

Milieubeleidsplan

FAO

Food and Agriculture Organisation of the United Nations

MIRA

Milieurapport

Flo.wer

Floristische Werkgroepen Vlaanderen

MIRA-BE

Milieurapport: beleidsevaluatie

324

MINA-plan 3 Milieubeleidsplan 2003-2007


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Begrippen

Vlaams natuurreservaat: zie Natuurreservaat Vluchtafstand: de maximale afstand tussen een dier en potentieel gevaar waarop dat dier beslist om weg te vluchten.

gende stoffen: cadmium, chroom, koper, kwik, nikkel, lood en zink.

Vogelrichtlijn: Europese richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand. Vogelrichtlijngebied: Speciale Beschermingszone aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, aangewezen bij besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van Speciale Beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn. Dit besluit maakt een onderscheid tussen integraal beschermde en niet integraal beschermde Vogelrichtlijngebieden.

W Waterbodem: bodem van waterlopen of stilstaande wateren die altijd of een groot gedeelte van het jaar onder water staat. Waterlichaam: voor de Kaderrichtlijn Water worden watermassa's ingedeeld in grondwaterlichamen en oppervlaktewaterlichamen. Een grondwaterlichaam is een watermassa in een of meerdere watervoerende lagen. Een oppervlaktewaterlichaam is een deel van een rivier, een meer of een kanaal. Watersysteem: een geografisch afgebakend, samenhangend en functioneel geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems, oevers en technische infrastructuur met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijhorende fysische, chemische en biologische kenmerken en processen. Westerschelde: de Schelde van de Belgisch-Nederlandse grens tot Vlissingen.

Z Zeeschelde: het Zeescheldebekken omvat de Schelde, de Durme vanaf Lokeren, de Zenne vanaf Vilvoorde, de Dijle vanaf Werchter, de Kleine Nete vanaf Grobbendonk, de Grote Nete vanaf Oosterlo en de Rupel inclusief de bijhorende valleigebieden. Zuurequivalent: eenheid om de verzuringsgraad van verontreinigende stoffen te meten. Deze eenheid laat toe om de verschillende verzurende stoffen met elkaar te vergelijken. Zware metalen: metalen met een atoommassa groter dan 20. Meestal bedoelt men hiermee de groep van vol-

323


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Soorten Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Amerikaanse nerts

Mustela vison

zoogdieren

#06

Amerikaanse vogelkers

Prunus serotina

vaatplanten

#06, #16

Appelvink

Coccothraustes coccothraustes

vogels

#01

Argusvlinder

Lasiommata megera

vlinders

#01, #05

Atlantische steur

Acipenser sturio

vissen

#02

Aziatische grondeekhoorn

Tamias sibiricus

zoogdieren

#06

Azuurwaterjuffer

Coenagrion puella

libellen

#05

Baardvleermuis

Myotis mystacinus

zoogdieren

#02

Baars

Perca fluviatilis

vissen

#06

Barbeel

Barbus barbus

vissen

#02

Bechsteins vleermuis

Myotis bechsteinii

zoogdieren

#02, #09

Beekoeverlibel

Orthetrum coerulescens

libellen

#01

Beekprik

Lampetra planeri

vissen

#02, #09

Beekrombout

Gomphus vulgatissimus

libellen

#01

Beuk

Fagus sylvatica

vaatplanten

#03, #05, #13

Beverrat

Myocastor coypus

zoogdieren

#06

Bittervoorn

Rhodeus sericeus amarus

vissen

#02, #09

Blankvoorn

Rutilus rutilus

vissen

#06

Blauwbandgrondel

Pseudorasbora parva

vissen

#06

Blauwe glazenmaker

Aeshna cyanea

libellen

#05

Blauwgras

Sesleria caerulea

vaatplanten

#04

Bloedrode heidelibel

Sympetrum sanguineum

libellen

#05

Boerenzwaluw

Hirundo rustica

vogels

#01

Bont zandoogje

Pararge aegeria

vlinders

#05

Bonte vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

vogels

#01

Boomblauwtje

Celastrina argiolus

vlinders

#05

Boomkikker

Hyla arborea

amfibieĂŤn

#02, #09

Boomklever

Sitta europaea

vogels

#01, #06

Boomleeuwerik

Lullula arborea

vogels

#01

Boommarter

Martes martes

zoogdieren

#02

Boompieper

Anthus trivialis

vogels

#01

Bosbeekjuffer

Calopteryx virgo

libellen

#01

326


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Bosschildmos

Flavoparmelia caperata

korstmossen

#04

Bosvleermuis

Nyctalus leisleri

zoogdieren

#02

Brandgans

Branta leucopsis

vogels

#06

Brede geelgerande waterroofkever

Dytiscus latissimus

kevers

#02

Breedscheenjuffer

Platycnemis pennipes

libellen

#05

Bronslibel

Oxygastra curtisii

libellen

#01, #02

Bruin blauwtje

Aricia agestis

vlinders

#05

Bruin zandoogje

Maniola jurtina

vlinders

#01, #05

Bruine Amerikaanse dwergmeerval

Ictalurus nebulosus

vissen

#06

Bruine glazenmaker

Aeshna grandis

libellen

#05

Bruine kiekendief

Circus aeruginosus

vogels

#10

Bruine kikker

Rana temporaria

amfibieĂŤn

#02

Bruine korenbout

Libellula fulva

libellen

#01

Bruine rat

Rattus norvegicus

zoogdieren

#06

Bruine vuurvlinder

Lycaena tityrus

vlinders

#01

Bruinrode heidelibel

Sympetrum striolatum

libellen

#05

Buizerd

Buteo buteo

vogels

#01

Bunzing

Mustela putorius

zoogdieren

#02

Canadese gans

Branta canadensis

vogels

#06

Carolina-eend

Aix sponsa

vogels

#06

Cetti-zanger

Cettia cetti

vogels

#01

Chinese rotseekhoorn

Sciurotamias davidianus

zoogdieren

#06

Citroenvlinder

Gonepteryx rhamni

vlinders

#05

Corsicaanse den

Pinus nigra laricio

vaatplanten

#12

Dagpauwoog

Inachis io

vlinders

#05

Das

Meles meles

zoogdieren

#01

Draaihals

Jynx torquilla

vogels

#01

Drijvende waterweegbree

Luronium natans

vaatplanten

#02, #04, #16

Duindoorn

Hippophae rhamnoides

vaatplanten

#03

Duinpieper

Anthus campestris

vogels

#11

Dwergjuffer

Nehalennia speciosa

libellen

#01

Dwergstern

Sterna albifrons

vogels

#11

Dwergvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

zoogdieren

#02

Eikenpage

Neozephyrus quercus

vlinders

#05

327


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Ekster

Pica pica

vogels

#01, #16

Elft

Alosa alosa

vissen

#02

Ergatoïde staafmier

Hypoponera schauinslandi

mieren

#05

Europese bever

Castor fiber

zoogdieren

#01, #02, #06, #09

Europese hamster

Cricetus cricetus

zoogdieren

#01, #02, #07, #09, #10, #13

Europese nerts

Mustela lutreola

zoogdieren

#02

Europese rivierkreeft

Astacus astacus

schaaldieren

#02

Faraomier

Monomorium pharaonis

mieren

#05

Fint

Alosa fallax

vissen

#02, #15, #16

Fitis

Phylloscopus trochilus

vogels

#01

Fluiter

Phylloscopus sibilatrix

vogels

#01

Franjestaart

Myotis nattereri

zoogdieren

#02

Gaai

Garrulus glandarius

vogels

#01

Galigaan

Cladium mariscus

vaatplanten

#03

Gebogen schildmos

Hypotrachyna revoluta

korstmossen

#04

Geel schorpioenmos

Hamatocaulis vernicosus

mossen

#02

Geelbuikvuurpad

Bombina variegata

amfibieën

#02

Geelgors

Emberiza citrinella

vogels

#01

Geelsprietdikkopje

Thymelicus sylvestris

vlinders

#05

Geelvlekheidelibel

Sympetrum flaveolum

libellen

#05

Gehakkelde aurelia

Polygonia c-album

vlinders

#05

Gekraagde roodstaart

Phoenicurus phoenicurus

vogels

#01

Gele kwikstaart

Motacilla flava

vogels

#01

Gentiaanblauwtje

Maculinea alcon

vlinders

#01, #16

Gestippeld schildmos

Punctelia subrudecta

korstmossen

#04

Gestreepte waterroofkever

Graphoderus bilineatus

kevers

#02

Gevlekte glanslibel

Somatochlora flavomaculata

libellen

#01

Gevlekte witsnuitlibel

Leucorrhinia pectoralis

libellen

#01, #02

Gewone bronlibel

Cordulegaster boltonii

libellen

#01

Gewone dophei

Erica tetralix

vaatplanten

#03

Gewone es

Fraxinus excelsior

vaatplanten

#03

Gewone oeverlibel

Orthetrum cancellatum

libellen

#05

Gewone pad

Bufo bufo

amfibieën

#05

328


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Gewone pantserjuffer

Lestes sponsa

libellen

#05

Gewoon schorsmos

Hypogymnia physodes

korstmossen

#04

Gladde iep

Ulmus minor

vaatplanten

#03

Gladde slang

Coronella austriaca

reptielen

#02

Glanskop

Parus palustris

vogels

#01

Glassnijder

Brachytron pratense

libellen

#01

Goudhaan

Regulus regulus

vogels

#01

Goudvink

Pyrrhula pyrrhula

vogels

#01

Grasmus

Sylvia communis

vogels

#01

Graszanger

Cisticola juncidis

vogels

#01

Grauwe gans

Anser anser

vogels

#01

Grauwe gors

Miliaria calandra

vogels

#01

Grauwe klauwier

Lanius collurio

vogels

#01

Grijze grootoorvleermuis

Plecotus austriacus

zoogdieren

#02

Groen boomschildmos

Flavoparmelia soredians

korstmossen

#04

Groene kikker

Rana esculenta

amfibieĂŤn

#02

Groene schotelkorst

Lecanora conizaeoides

korstmossen

#04

Groene specht

Picus viridis

vogels

#01, #06

Groenknolorchis

Liparis loeselii

vaatplanten

#02

Groentje

Callophrys rubi

vlinders

#05

Groot dikkopje

Ochlodes faunus

vlinders

#01, #05

Groot dooiermos

Xanthoria parietina

korstmossen

#04

Groot koolwitje

Pieris brassicae

vlinders

#05

Groot schildmos

Parmotrema chinense

korstmossen

#04

Grootoorvleermuis

Plecotus auritus

zoogdieren

#02

Grote bonte specht

Dendrocopos major

vogels

#01, #06

Grote brandnetel

Urtica dioica

vaatplanten

#16

Grote egelskop

Sparganium erectum

vaatplanten

#04

Grote hoefijzerneus

Rhinolophus ferrumequinum

zoogdieren

#02

Grote keizerlibel

Anax imperator

libellen

#05

Grote lijster

Turdus viscivorus

vogels

#01

Grote marene

Coregonus lavaretus

vissen

#02

Grote modderkruiper

Misgurnus fossilis

vissen

#02

Grote pimpernel

Sanguisorba officinalis

vaatplanten

#03

329


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Grote roodoogjuffer

Erythromma najas

libellen

#05

Grote stern

Sterna sandvicensis

vogels

#11

Grote vos

Nymphalis polychloros

vlinders

#03

Grote vossenstaart

Alopecurus pratensis

vaatplanten

#03

Grote waternavel

Hydrocotyle ranunculoides

vaatplanten

#06

Grove den

Pinus sylvestris

vaatplanten

#12

Haagbeuk

Carpinus betulus

vaatplanten

#03

Haarfonteinkruid

Potamogeton trichoides

vaatplanten

#04

Halsbandparkiet

Psittacula krameri

vogels

#06

Hazelmuis

Muscardinus avellanarius

zoogdieren

#01, #02, #09

Heikikker

Rana arvalis

amfibieĂŤn

#02, #10

Heivlinder

Hipparchia semele

vlinders

#05

Heksenvingermos

Physcia tenella

korstmossen

#04

Heldenbok

Cerambyx cerdo

kevers

#02

Helm

Ammophila arenaria

vaatplanten

#03

Holenduif

Columba oenas

vogels

#06

Hoogveenglanslibel

Somatochlora arctica

libellen

#01

Hooibeestje

Coenonympha pamphilus

vlinders

#01, #02, #05

Houtduif

Columba palumbus

vogels

#01

Houting

Coregonus oxyrhynchus

vissen

#02

Houtpantserjuffer

Lestes viridis

libellen

#05

Hulst

Ilex aquifolium

vaatplanten

#03, #13

Icarusblauwtje

Polyommatus icarus

vlinders

#01, #05

Indische gans

Anser indicus

vogels

#06

Ingekorven vleermuis

Myotis emarginatus

zoogdieren

#02, #09

Kamsalamander

Triturus cristatus

amfibieĂŤn

#02, #09, #13

Kapjesvingermos

Physcia adscendens

korstmossen

#04

Kauw

Corvus monedula

vogels

#01, #06

Kempense heidelibel

Sympetrum depressiusculum

libellen

#01

Kievit

Vanellus vanellus

vogels

#01

Klein dooiermos

Xanthoria polycarpa

korstmossen

#04

Klein geaderd witje

Pieris napi

vlinders

#05

Klein koolwitje

Pieris rapae

vlinders

#05

Kleine bonte specht

Dendrocopos minor

vogels

#01

330


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Kleine maanvaren

Botrychium simplex

vaatplanten

#02

Kleine modderkruiper

Cobitis taenia

vissen

#02, #09

Kleine rietgans

Anser brachyrhynchus

vogels

#01

Kleine roodoogjuffer

Erythromma viridulum

libellen

#05

Kleine vos

Aglais urticae

vlinders

#05

Kleine vuurvlinder

Lycaena phlaeas

vlinders

#01, #05

Kneu

Carduelis cannabina

vogels

#01

Knobbelzwaan

Cygnus olor

vogels

#06

Knoflookpad

Pelobates fuscus

amfibieĂŤn

#01, #02, #13

Koekoek

Cuculus canorus

vogels

#01

Koevinkje

Aphantopus hyperantus

vlinders

#05

Kolgans

Anser albifrons

vogels

#01

Koninginnepage

Papilio machaon

vlinders

#05

Koolmees

Parus major

vogels

#01

Kopvoorn

Leuciscus cephalus

vissen

#01

Koraaljuffer

Ceriagrion tenellum

libellen

#05

Kraai

Corvus corone

vogels

#01

Krakeend

Anas strepera

vogels

#01, #15

Kranswier

Chara species

kranswieren

#03

Kruipend moerasscherm

Apium repens

vaatplanten

#02

Kruipwilg

salix repens

vaatplanten

#03

Kuifleeuwerik

Galerida cristata

vogels

#01

Kussentjesmos

Leucobryum glaucum

mossen

#02

Kwabaal

Lota Lota

vissen

#01

Laatvlieger

Eptesicus serotinus

zoogdieren

#02

Landkaartje

Araschnia levana

vlinders

#05

Lantaarntje

Ischnura elegans

libellen

#05

Liesgras

Glyceria maxima

vaatplanten

#04

Lynx

Lynx lynx

zoogdieren

#02

Maanwaterjuffer

Coenagrion lunulatum

libellen

#01

Maghelaengans

Chloephaga picta

vogels

#06

Mandarijneend

Aix galericulata

vogels

#06

Matkop

Poecile montana

vogels

#01

Medicinale bloedzuiger

Hirudo medicinalis

ringwormen

#02

331


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Meerkikker

Rana ridibunda

amfibieĂŤn

#02

Meervleermuis

Myotis dasycneme

zoogdieren

#02, #09

Mercuurwaterjuffer

Coenagrion mercuriale

libellen

#01, #02

Merel

Turdus merula

vogels

#01

Moerasparelmoervlinder

Euphydryas aurinia

vlinders

#02

Mopsvleermuis

Barbastella barbastellus

zoogdieren

#02

Muskusrat

Ondatra zibethicus

zoogdieren

#06

Nachtegaal

Luscinia megarhynchos

vogels

#01

Nachtzwaluw

Caprimulgus europaeus

vogels

#01, #11

Nauwe korfslak

Vertigo angustior

weekdieren

#02

Nijlgans

Alopochen aegyptiacus

vogels

#06

Noordse glazenmaker

Aeshna subarctica

libellen

#01

Noordse witsnuitlibel

Leucorrhinia rubicunda

libellen

#01

Oranje zandoogje

Pyronia tithonus

vlinders

#05

Oranjetipje

Anthocharis cardamines

vlinders

#01, #05

Otter

Lutra lutra

zoogdieren

#02

Paapje

Saxicola rubetra

vogels

#01

Paardenbijter

Aeshna mixta

libellen

#05

Paling

Anguilla anguilla

vissen

#03

Parelvederkruid

Myriophyllum aquaticum

vaatplanten

#06

Pijlstaart

Anas acuta

vogels

#01, #15

Pijpenstrootje

Molinia caerulea

vaatplanten

#03

Pimpelmees

Parus caeruleus

vogels

#01, #11

Pimpernelblauwtje

Maculinea teleius

vlinders

#02

Plaagmier

Lasius neglectus

mieren

#05

Plasrombout

Gomphus pulchellus

libellen

#05

Platbuik

Libellula depressa

libellen

#05

Platte schijfhoren

Anisus vorticulus

weekdieren

#02

Poedergeelkorst

Candelariella reflexa

korstmossen

#04

Poelkikker

Rana lessonae

amfibieĂŤn

#02

Populier

Populus species

vaatplanten

#12

Purper geweimos

Pseudevernia furfuracea

korstmossen

#04

Putter

Carduelis carduelis

vogels

#01

Rendiermos

Cladonia species

korstmossen

#02

332


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Reuzenbalsemien

Impatiens glandulifera

vaatplanten

#06

Rietgans

Anser fabalis

vogels

#01

Rietgors

Emberiza schoeniclus

vogels

#01

Rietzanger

Acrocephalus schoenobaenus

vogels

#01

Ringmus

Passer montanus

vogels

#01

Rivierdonderpad

Cottus gobio

vissen

#02, #09, #16

Riviergrondel

Gobio gobio

vissen

#06

Rivierprik

Lampetra fluviatilis

vissen

#02, #09

Rivierrombout

Gomphus flavipes

libellen

#02

Roerdomp

Botauris stellaris

vogels

#16

Roestbruin schorssteeltje

Chaenotheca ferruginea

korstmossen

#04

Roodborst

Erithacus rubecula

vogels

#01

Roodwangschildpad

Trachemys scripta elegans

reptielen

#05

Rosse stekelstaart

Oxyura jamaicensis

vogels

#06

Rosse vleermuis

Nyctalus noctula

zoogdieren

#02

Rugstreeppad

Bufo calamita

amfibieĂŤn

#02, #13

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

zoogdieren

#02

Schedefonteinkruid

Potamogeton pectinatus

vaatplanten

#04

Serpeling

Leuciscus leuciscus

vissen

#01

Sierlijke witsnuitlibel

Leucorrhinia caudalis

libellen

#01, #02

Slobeend

Anas clypeata

vogels

#01

Smalbladige es

Fraxinus angustifolia

vaatplanten

#03

Smaragdlibel

Cordulia aenea

libellen

#05

Smient

Anas penelope

vogels

#01

Spaanse vlag

Euplagia quadripunctaria

vlinders

#02

Speerwaterjuffer

Coenagrion hastulatum

libellen

#01

Sperwer

Accipiter nisus

vogels

#01

Spotvogel

Hippolais icterina

vogels

#01

Spreeuw

Sturnus vulgaris

vogels

#01, #06

Staartmees

Aegithalos caudatus

vogels

#01

Steeliep

Ulmus laevis

vaatplanten

#03

Steenmarter

Martes foina

zoogdieren

#16

Steenrode heidelibel

Sympetrum vulgatum

libellen

#05

Steur

Acipenser sturio

vissen

#02

333


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Stevige stroommossel

Unio crassus

weekdieren

#02

Strandplevier

Charadrius alexandrinus

vogels

#11

Struikhei

Calluna vulgaris

vaatplanten

#03

Tafeleend

Aythya ferina

vogels

#01, #15

Tangpantserjuffer

Lestes dryas

libellen

#01

Tjiftjaf

Phylloscopus collybita

vogels

#01

Torenvalk

Falco tinnunculus

vogels

#01, #11

Tropische staafmier

Hypoponera punctatissima

mieren

#05

Tuinfluiter

Sylvia borin

vogels

#01

Tweekleurige vleermuis

Vespertilio murinus

zoogdieren

#02

Tweevlek

Epitheca bimaculata

libellen

#01

Vale vleermuis

Myotis myotis

zoogdieren

#02

Valkruid

Arnica montana

vaatplanten

#02

Variabele waterjuffer

Coenagrion pulchellum

libellen

#01

Veenmos

Sphagnum species (uitgez. Sphagnum pylasii)

mossen

#02

Veenzegge

Carex davalliana

vaatplanten

#03

Veldleeuwerik

Alauda arvensis

vogels

#01, #16

Venglazenmaker

Aeshna juncea

libellen

#01

Viervlek

Libellula quadrimaculata

libellen

#05

Vink

Fringilla coelebs

vogels

#01, #05

Visarend

Pandion haliaetus

vogels

#01

Visdief

Sterna hirundo

vogels

#11

Vlagzalm

Thymallus thymallus

vissen

#02

Vliegend hert

Lucanus cervus

zoogdieren

#02

Vogelkers

Prunus padus

vaatplanten

#06

Vossenstaart

Alopecurus pratensis

vaatplanten

#03

Vroedmeesterpad

Alytes obstetricans

amfibieĂŤn

#02, #09, #13

Vroege glazenmaker

Aeshna isoceles

libellen

#01

Vuurjuffer

Pyrrhosoma nymphula

libellen

#05

Vuurlibel

Crocothemis erythraea

libellen

#05

Vuursalamander

Salamandra salamandra

amfibieĂŤn

#10

Wasbeer

Procyon lotor

zoogdieren

#06

Wasbeerhond

Nyctereutes procyonoides

zoogdieren

#06

334


Natuurrapport 2007 / Bijlagen / Soorten

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Groep

Hoofdstuk

Waterrietzanger

Acrocephalus paludicola

vogels

#01

Watersnuffel

Enallagma cyathigerum

libellen

#05

Waterteunisbloem

Ludwigia grandiflora

vaatplanten

#06

Watervleermuis

Myotis daubentonii

zoogdieren

#02

Weidebeekjuffer

Calopteryx splendens

libellen

#05

Wielewaal

Oriolus oriolus

vogels

#01

Wijngaardslak

Helix pomatia

weekdieren

#02

Wilde eend

Anas platyrhynchos

vogels

#01, #15

Wintereik

Quercus petraea

vaatplanten

#03

Winterkoning

Troglodytes troglodytes

vogels

#01

Wintertaling

Anas crecca

vogels

#01, #15

Witkopeend

Oxyura leucocephala

vogels

#06

Witte kwikstaart

Motacilla alba

vogels

#01

Wolf

Canis lupus

zoogdieren

#02

Wolfsklauw

Lycopodium / Lycopodiella

vaatplanten

#02

Wulp

Numenius arquata

vogels

#11

Zalm

Salmo salar

vissen

#02

Zanglijster

Turdus philomelos

vogels

#01

Zeeprik

Petromyzon marinus

vissen

#02

Zeggekorfslak

Vertigo moulinsiana

weekdieren

#02

Zilverstreephooibeestje

Coenonympha hero

vlinders

#02

Zomereik

Quercus robur

vaatplanten

#03

Zomerschroeforchis

Spiranthes aestivalis

vaatplanten

#02

Zomertortel

Streptopelia turtur

vogels

#01

Zonnebaars

Lepomis gibbosus

vissen

#06

Zware dreps

Bromus grossus

vaatplanten

#02

Zwarte els

Alnus glutinosa

vaatplanten

#03

Zwarte heidelibel

Sympetrum danae

libellen

#05

Zwarte kraai

Corvus corone

vogels

#01

Zwarte mees

Parus ater

vogels

#01

Zwarte specht

Dryocopus martius

vogels

#01

Zwarte zwaan

Cygnus atratus

vogels

#06

Zwartkop

Sylvia atricapilla

vogels

#01

Zwartsprietdikkopje

Thymelicus lineola

vlinders

#05

335


Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaamse onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Het INBO verricht onderzoek en levert kennis aan al wie het beleid voorbereidt, uitvoert of erin geĂŻnteresseerd is. Als toonaangevende wetenschappelijke instelling werkt het INBO in de eerste plaats voor de Vlaamse overheid, maar het levert ook informatie voor internationale rapporteringen en gaat in op vragen van lokale besturen. Daarnaast ondersteunt het INBO onder meer organisaties voor natuurbeheer, bosbouw, landbouw, jacht en visserij. Het INBO maakt deel uit van nationale en Europese onderzoeksnetwerken. Het maakt zijn bevindingen ook bekend bij het grote publiek. Het INBO telt ongeveer 250 medewerkers, voornamelijk onderzoekers en technici. Naast de hoofdzetel in Brussel, heeft het INBO vestigingen in Geraardsbergen, Groenendaal en Linkebeek. Het INBO stelt tweejaarlijks het Natuurrapport op. Het Natuurrapport biedt een overzicht van de biodiversiteit in Vlaanderen, van de oorzaken van veranderingen en van de inspanningen en resultaten van het beleid. De rapportering gebeurt in belangrijke mate aan de hand van indicatoren. De website Natuurindicatoren - www.natuurindicatoren.be - bevat voor elke indicator een handige fiche met cijfermateriaal en beknopte achtergrondinformatie. De brochure Natuurindicatoren 2007 brengt de voornaamste indicatoren samen. Die brochure is ook beschikbaar in het Engels: Biodiversity indicators 2007. Tot slot is er Natuur@Vlaanderen, een vlot leesbare en rijkelijk geĂŻllustreerde brochure die de bevindingen samenvat en zich tot een breed publiek richt. Alle publicaties zijn beschikbaar op www.inbo.be.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook