Skip to main content

VLIF_activiteitenverslag_2005.pdf

Page 1

VLIF

2005


Inhoud 1 Inleiding 2 Wettelijke basis 3 Regelgeving 3.1 VLIF- steun aan land- en tuinbouwers 3.1.1 Algemene voorwaarden 3.1.2 Steunmaatregelen 3.1.2.1 Steun aan de vestiging in land- en tuinbouw 3.1.2.2 Steun aan de investeringen 3.1.2.3 Steun als compensatie voor de geleden schade 3.1.2.4 Steun ten gunste van bedrijven in financiële moeilijkheden 3.1.2.5 VLIF-Waarborg 3.2 VLIF-steun aan land- en tuinbouwcoöperaties 3.3 Aanpassing regelgeving in 2005 en specifieke acties 3.3.1 Steunmaatregelen ter compensatie van de schade door leegstand ingevolge vogelpest 3.3.2 Gewestwaarborg op overbruggingskredieten voor de tuinbouwsector

4 Het VLIF financieel in 2005 4.1 Begroting 4.2 Organisatie 4.3 Toegekende steun 4.3.1 Toegekende steun aan land- en tuinbouwers en hun coöperaties 4.3.2 Toegekende steun aan agrovoedingsbedrijven 4.3.3 Toegekende steun aan de omkadering van de land- en tuinbouw 4.4 Financiële middelen 4.4.1 Overdracht saldo 2004 4.4.2 Dotatie van de Vlaamse Gemeenschap 4.4.3 Ontvangen borgsom bij VLIF-erkenning 4.4.4 Geïnde waarborgbijdragen 4.4.5 Terugbetalingen van teveel uitbetaalde rentesubsidie en premies 4.4.6 Terugvorderingen van uitbetaalde VLIF-waarborg 4.5 Uitbetaalde VLIF-steun 4.5.1 Uitbetaalde VLIF-steun aan land- en tuinbouwers en hun coöperaties 4.5.2 Uitbetaalde VLIF-steun aan de agrovoedingssector 4.5.3 Uitbetaalde VLIF-steun aan de omkadering van land- en tuinbouw

5 Ingediende VLIF-dossiers (producenten en coöperaties) 5.1 Dossiers land- en tuinbouwers 5.1.1 Indeling per maatregel: vestigingssteun vs. investeringssteun 5.1.2 Indeling volgens aantal verrichtingen 5.1.2.1 Bespreking van specifieke verrichtingen per categorie 5.1.2.2 Bespreking van specifieke verrichtingen: milieumaatregelen, diversificatie en dierenwelzijn 5.1.2.3 Overzicht meest voorkomende verrichtingen per provincie 5.2 Dossiers land- en tuinbouwcoöperaties

2

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


6 Toegekende steun (producenten en coöperaties) 6.1 Steun aan land- en tuinbouwers 6.1.1 Vestigingssteun 6.1.1.1 Algemeen 6.1.1.2 Verrichtingen met vestigingssteun 6.1.2 Investeringssteun 6.1.2.1 Algemeen 6.1.2.2 Steuncategorieën (percentages) voor investeringssteun 6.1.2.3 Belangrijkste verrichtingen met investeringssteun 6.1.3 Doorlichting van de toegekende VLIF-steun per investeringscategorie en specifiek doel 6.1.3.1 Algemeen 6.1.3.2 Specifieke verrichtingen in de kijker 6.1.4 Waarborg 6.2 Steun aan land- en tuinbouwcoöperaties

7 Evolutie (producenten en coöperaties) 7.1 Begroting 7.2 Indieningen 7.2.1 Aantal indieningen van particuliere land- en tuinbouwers 7.2.1.1 Evolutie van de indieningen voor vestigingssteun 7.2.1.2 Evolutie van de indieningen voor investeringssteun 7.2.1.3 Evolutie van de indieningen voor specifieke thema’s 7.2.2 Aantal indieningen van land- en tuinbouwcoöperaties 7.3 Toegekende steun 7.3.1 Totale toegekende steun aan particuliere land- en tuinbouwers 7.3.2 Totale toegekende steun aan land- en tuinbouwcoöperaties 7.3.3 Waarborg 7.4 Uitbetaalde steun 7.4.1 Rentesubsidies 7.4.2 Kapitaalpremies 7.4.3 Waarborg

8 Uitbreiding VLIF met de agrovoedingssector en de omkadering van land- en tuinbouw 8.1 Inleiding 8.2 Steun aan de agrovoedingssector 8.2.1 Vastgelegde VLIF-steun 8.2.2 Uitbetaalde VLIF-steun 8.2.3 Organieke regelgeving VLIF voor de agrovoedingssector 8.3 Steun aan de omkaderingssector van land- en tuinbouw 8.3.1 Vastgelegde VLIF-steun 8.3.2 Uitbetaalde VLIF-steun 8.3.3 Organieke regelgeving VLIF voor de omkaderingssector

Bijlagen Bijlage 1: Wetten, decreten en besluiten inzake het VLIF Bijlage 2: Lijst van verrichtingen ingedeeld naar aard (categorie) en ev. specifiek doel

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

3


4

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


1. Inleiding Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF), werd in 1993 opgericht als Vlaamse openbare instelling (VOI) van categorie A met rechtspersoonlijkheid. Het heeft probleemloos als opvolger van het federale LIF, zijn voorbestemde plaats ingenomen als volwaardig beleidsinstrument binnen het Vlaamse land- en tuinbouwbeleid tot ondersteuning van vooral investeringen en vestigingen in de land- en tuinbouwsector. In de decreetbepalingen tot oprichting van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds wordt aan de Vlaamse regering opgelegd jaarlijks een verslag over de werking en het beheer van het VLIF op te stellen en aan het Vlaams Parlement over te maken. De afdeling Land- en Tuinbouwondersteuningsbeleid (LTO) van de administratie Land- en Tuinbouw (ALT), die instaat voor de dagelijkse werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, stelt navolgend het 12e activiteitenverslag voor over de werking van het VLIF voor het jaar 2005. Met de activiteitenverslagen in de vorige jaren werd vooral boekhoudkundig verslag uitgebracht over de werking van het VLIF. Voorliggend verslag tracht, zoals ook vorig jaar, naast het cijfermateriaal ook enig inzicht en duiding te geven bij de resultaten van de toegepaste regelgeving. Bovendien werden ook een aantal evoluties over meer dan 10 jaar VLIF-activiteiten weergegeven. De afdeling tracht op deze wijze de geĂŻnteresseerden van de VLIF-activiteitenverslagen tegemoet komen in hun streven naar begrijpende informatie. Afgezien van de decretale verplichting biedt dit verslag ook de gelegenheid om de werking van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds bij een breder publiek kenbaar te maken. Dit is niet zonder belang na de heroriĂŤntering van de VLIF-regelgeving in 2000 om het beter af te stemmen op een steunverlening gericht op de invulling van nieuwe maatschappelijke uitdagingen in land- en tuinbouw. De activiteiten van het VLIF zijn een onderdeel van het Europees plattelandsontwikkelingsbeleid in Vlaanderen en geven de mogelijkheid aan land- en tuinbouw om in te spelen op de verbrede doelstellingen die door de EU nagestreefd worden voor deze sector, naast een uitgesproken zorg voor leefmilieu en dierenwelzijn. Een aantal recente bijsturingen terzake waren van die aard dat in 2005 een nieuwe aanpassing zich opdrong om binnen de budgettaire enveloppe van het VLIF te blijven. Deze aanpassing zal echter slechts van kracht worden in 2006. De land- en tuinbouw heeft hierop reeds geanticipeerd zodat in 2005 circa 4500 dossiers werden ingeleid. Meer algemeen kan men een toegenomen investeringsactiviteit vaststellen in land- en tuinbouw de laatste jaren; de dip van de negentiger jaren licht achter ons. De verruiming van het VLIF naar de agrovoedingssector en de omkaderingssector van land- en tuinbouw met de vrijgekomen middelen van het niet langer engageren van de Europese cofinanciering bij de investerings- en vestigingssteun heeft zich ook in 2005 geconcretiseerd door enerzijds de betoelaging van het nieuwe proefcentrum voor de tuinbouw te Sint-Katelijne-Waver en anderzijds de betoelaging met Vlaamse middelen van een ganse reeks agrovoedingsprojecten naast de Europese cofinanciering. Vooralsnog waren dit ad hoc beslissingen door de Vlaamse regering. Inmiddels werd ook gewerkt aan de ontwikkeling van organieke regelgevingen voor zowel de omkaderingssector van land- en tuinbouw als voor de agrovoedingssector. Normaliter zullen deze in de loop van 2006 in voege treden.

afdeling Land- en Tuinbouwondersteuningsbeleid

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

5


2. Wettelijke basis De werking van het VLIF steunt op een aantal basisteksten (decreet, besluiten van de Vlaamse regering en ministeriële besluiten), die hier kort besproken worden. De teksten zelf worden in extenso opgenomen in de bijlagen bij dit activiteitenverslag.

2.1 Bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur (B.S. 20/07/1993) Bij art. 2, § 2, van deze bijzondere wet werden bepaalde landbouwmateries, waaronder het Landbouwinvesteringsfonds, overgedragen aan de Gewesten met ingang van 1 januari 1993. Vermits er toen in het kader van een rigide begrotingsbeleid jaarlijkse indieningsperiodes voor de steunaanvragen waren afgebakend waarbij de dossiers ingediend van 1 april van het jaar tot 31 maart van het volgend jaar (begrotingsjaar) dienden afgehandeld te worden in dat volgend jaar, behoren de dossiers ingediend vanaf 01/04/1992 tot de gewestelijke bevoegdheden.

2.2 Decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (B.S. 29/12/1993) Bij art. 12 van dit decreet werd een Vlaams Landbouwinvesteringsfonds opgericht om de geregionaliseerde bevoegdheid inzake het Landbouwinvesteringsfonds uit te oefenen. Het VLIF heeft rechtspersoonlijkheid in de vorm van een openbare instelling van categorie A. De doelstelling van het Fonds is financiële hulpmiddelen ter beschikking te stellen van de land- en tuinbouwers alsmede van hun verenigingen en coöperaties, ten einde alle verrichtingen te bevorderen die de productiviteit van de land- en tuinbouwbedrijven verhogen, hun rendabiliteit verzekeren en opvoeren, en de kostprijzen verminderen: - investeringsverrichtingen: goederen van blijvende aard verwerven, uitbreiden of verbeteren zoals grond, gebouwen, constructies, bedrijfsuitrusting, installaties, machines, werktuigen en materieel; - omschakeling van bedrijven ingevolge gewijzigde economische omstandigheden; - installatie van jonge land- en tuinbouwers; - verwerking en commercialisering van land- en tuinbouwproducten, voornamelijk bij wijze van coöperatie; De doelstellingen zijn dezelfde als in de wet van 15 februari 1961 (oprichting van een Landbouwinvesteringsfonds), maar aangezien het VLIF het statuut heeft van een pararegionale zijn er naast de dotatie van de Vlaamse Gemeenschap ook eigen inkomsten : - terugbetalingen van ten onrechte verleende steun; - saldo van het voorgaande begrotingsjaar; - tegemoetkomingen van de Europese Gemeenschap op de uitgaven van het Fonds; - bijdragen voor het bekomen van VLIF-waarborg. Het Fonds wordt ertoe gemachtigd een waarborg te verlenen voor investeringen in de land- en tuinbouw onder de voorwaarden en modaliteiten die door de Vlaamse regering te bepalen zijn tot beloop van een jaarlijks decretaal vastgelegd maximumbedrag. De Vlaamse regering regelt de werking en het beheer van het VLIF en stelt de nodige diensten, uitrusting, installaties en personeelsleden ter beschikking van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds.

6

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Bij decreet van 19 juli 2002 (B.S. 27/08/2002) werden de doelgroepen van het VLIF uitgebreid met coĂśperaties van consumenten die als doelstelling de uitbating van een land- en/of tuinbouwbedrijf hebben en rechtspersonen met maatschappelijke of sociale doelstelling die een landbouw- of tuinbouwactiviteit hebben. Bij art. 55 van het decreet van 24 december 2004 (B.S. 31/12/2004) houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005 werden de doelgroepen opnieuw verruimd, nl. met de dienstverlenende, de begeleidende, de toeleverende, de afzet- en de primaire verwerkende sector van land- en tuinbouw. Daarbij zijn de doelgroepen bedoeld bij de vorige wijziging niet meer expliciet genoemd.

2.3 Besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (B.S. 13/09/1996) Naast administratieve regels met het oog op de werking en het beheer van het VLIF wordt de aard van de VLIF-steun bepaald : - Het Fonds verleent subsidies onder de vorm van rentesubsidies en investeringspremies overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw. - Voor leningen in de land- en tuinbouw kan een waarborg verkregen worden tot maximaal 80 % van het bedrag dat overblijft nadat de vastgestelde eigen waarborgen door de kredietinstellingen zijn gerealiseerd. - Het verkrijgen van de waarborg van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds is afhankelijk van het betalen van een bijdrage uiterlijk 60 dagen na de mededeling aan de kredietinstelling van de waarborgtoekenning door het Fonds. Deze bijdrage beloopt 0,35 % op de toegekende VLIF-waarborg, vermeerderd met 0,015 % op de toegekende VLIF-waarborg per jaar duurtijd van deze waarborg. Bij laattijdige betaling wordt de bijdrage forfaitair met 25 euro verhoogd en bij niet-betaling binnen 1 jaar nadat de toekenning van de VLIF-waarborg aan de kredietinstelling werd meegedeeld, vervalt de verleende waarborg onherroepelijk. De dossiers ingediend vóór 1 januari 1994 bleven ingevolge een overgangsregeling vrijgesteld van deze bijdrage. - Om leningen toe te staan die in aanmerking komen voor VLIF-steun dienen de kredietinstellingen erkend te zijn. Deze erkenning heeft slechts praktische uitwerking mits het ondertekenen van een overeenkomst met het VLIF en het betalen van een borgsom van 12.500 euro die zonder rente terugbetaalbaar is bij het eindigen van de erkenning. - De door het VLIF uitbetaalde waarborgen worden teruggevorderd bij de begunstigde van de VLIF-tussenkomsten. Hiervoor staat een centrale invorderingscel in die werd opgericht bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en die handelt volgens de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaams Gewest en de instellingen die eronder ressorteren (B.S. 31/05/1995) en de betreffende uitvoeringsbesluiten. Alle inkomsten en uitgaven van het Fonds verlopen via een hiertoe door het Fonds geopende rekening.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

7


2. Wettelijke basis Inmiddels werd dit besluit gewijzigd op 30 maart 2001 (B.S. 18/05/2001) voor wat de volgende aspecten betreft : - verwijzing naar de nieuwe VLIF-regelgeving - maximale VLIF-waarborg op 80 % van de gesubsidieerde bedragen brengen i.p.v. 90 % - aanpassingen ingevolge de invoering van de euro Door de wijziging dd. 18 maart 2005 (B.S. 19/04/2005) vervalt in art. 13 het discretionair karakter van de erkenning van de kredietinstellingen door de minister : alle instellingen die onder de controle van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen die erom vragen moeten erkend worden.

2.4 Besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (B.S. 14/02/2001) In dit besluit wordt de VLIF-regelgeving bepaald voor steunverlening voor aanvragen ingediend vanaf 01/01/2000. Voor de steunstelsels met EOGFL-medefinanciering (“communautaire steun”) is deze gebaseerd op de desbetreffende bepalingen van de EG-Verordening 1257/99 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het EOGFL en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (Publicatieblad van de EG nr. L160 van 26/06/1999). Analoog aan de vorige VLIF-regelgevingen bevat dit besluit de volgende onderdelen : - Algemene begrippen - Steun aan investeringen op landbouwbedrijven - Steun aan de vestiging van jonge landbouwers - Regionale steun als compensatie van geleden schade - Regionale steun ten gunste van de bedrijven in financiële moeilijkheden - Regionale steun voor coöperatieve vennootschappen voor verwerking, afzet en dienstverlening - Startpremie aan samenwerkingsverbanden - Algemene bepalingen en slotbepalingen In hoofdstuk 3 van dit activiteitenverslag wordt gedetailleerd ingegaan op de bepalingen van de VLIFregelgeving. In 2004 werd dit besluit gewijzigd : - op 19 maart 2004 (B.S. 14/04/2004) : subsidiëring van ammoniakemissiearme stallen - op 14 juli 2004 (B.S. 27/09/2004) : specificaties inzake de startsteun aan samenwerkingsverbanden - op 3 december 2004 (B.S. 21/02/2005) : verhoging investeringsbedrag waarop VLIF-waarborg kan gegeven worden tot 2 miljoen euro per bedrijf.

2.5 Ministerieel besluit van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (B.S. 12/05/2001) Dit besluit ter uitvoering van de VLIF-regelgeving, bepaald bij het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2000, bevat de modaliteiten en de specifieke voorwaarden voor de toekenning van VLIF-steun, namelijk :

8

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


-

vereiste vakbekwaamheid; vereiste minimale beroepsbekwaamheid bij eerste installatie; bepalingen inzake het verplicht bijhouden van een boekhouding; minimumnormen inzake leefmilieu, hygiĂŤne en dierenwelzijn; vaststelling van het referentie-inkomen; inhoud en model van een bedrijfsplan; inhoud en model van een globale begroting van het bedrijf; inhoud en model van een startplan; lijst van de documenten die de bedrijfszekerheid aantonen; bepalingen met betrekking tot mogelijke geleden schade en financiĂŤle moeilijkheden; bepalingen over de startpremie aan samenwerkingsverbanden; praktische richtlijnen inzake de nieuw ingevoerde kapitaalpremies; voorwaarden en duur van de rentesubsidie en van de waarborg; minimuminvestering of -verrichting die kan gesubsidieerd worden; maximumprijzen voor investeringen.

Inmiddels werd dit besluit gewijzigd - op 2 mei 2001 (B.S. 29/06/2001) : vaststelling van het referentie-inkomen voor 2001 - op 12 september 2001 (B.S. 13/12/2001) : aanpassing bedragen door de invoering van de euro - op 6 september 2002 (B.S. 06/11/2002) : vaststelling van het referentie-inkomen vanaf 2002, wijziging betalingsritme voor kapitaalpremies, aanpassing van sommige bijlagen aan de euro - op 4 september 2003 (B.S. 25/09/2003) : inzake steun bij herbevolking na veeziekten - op 19 maart 2004 (B.S. 14/04/2004) : subsidiĂŤring van ammoniakemissiearme stallen - op 14 juli 2004 (B.S. 23/09/2004) : specificaties inzake de startsteun aan samenwerkingsverbanden - op 13 december 2004 (B.S. 28/12/2004) : verhoging investeringsbedrag waarop VLIF-waarborg kan gegeven worden tot 2 miljoen euro per bedrijf.

2.6 Ministerieel besluit van 30 september 2005 tot erkenning van kredietinstellingen voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (B.S. 20/10/2005) Dit besluit geeft een opsomming van de door het VLIF erkende kredietinstellingen en in bijlage de tekst van de bilateraal te ondertekenen overeenkomst tussen elke erkende kredietinstelling en het VLIF met algemene rechten en plichten inzake het aanvragen en opvolgen van de VLIF-tussenkomsten, zoals: - in te dienen documenten bij een aanvraag; - mee te delen informatie als er steun is toegekend; - kenmerken van de VLIF-waarborg (inclusief start en einde ervan); - VLIF-bepalingen in de kredietakten; - kenmerken van de VLIF-rentesubsidie (inclusief start en einde ervan); - procedure bij achterstalligheden en kredietopzegging; - mededelingen over de stand van de zekerheden tijdens de looptijd van de steun; - penalisatie van nalatigheden van de kredietinstelling bij het beheer van de VLIF-dossiers.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

9


3. Regelgeving Het onderzoek naar de mogelijkheden voor het verlenen van VLIF-steun voor aanvragen die in 2005 goedgekeurd werden, gebeurde op basis van de bepalingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw en het gelijknamig ministerieel besluit van dezelfde datum. Beide besluiten worden toegepast op aanvragen om steun ingediend vanaf 1 januari 2000, gelijklopend met de toepassing van het programma voor plattelandsontwikkeling in Vlaanderen (2000-2006). Zij werden inmiddels op een aantal vlakken gewijzigd. De belangrijkste wijziging werd doorgevoerd met het besluit van de Vlaamse regering van 19 maart 2004 en hield in dat voor aanvragen vanaf 1 januari 2003 steun kon verkregen worden voor de bouw van ammoniakemissiearme stallen (ongeacht de grondgebondenheid), de herinrichting van zeugen- en legkippenstallen met diervriendelijke huisvestingssystemen en voor bepaalde investeringen in de biologische landbouw. Voor dossiers waarvoor in 2005 steun werd toegekend, waren de aanvragen reeds in belangrijke mate ingeleid in 2004 of vroeger (ongeveer 73 % van de beslissingen), voor 27% van de aanvragen werd beslist in het jaar van indiening, in 2005 zelf. Dit wijst op enige structurele achterstand. Via de VLIF-regelgeving wordt op niveau van het Vlaamse Gewest en binnen een door de EU bepaald kader, uitvoering gegeven aan het structuur- en investeringsbeleid van de Vlaamse Regering ten aanzien van de particuliere land- en tuinbouwers en hun verenigingen. De steun aan de investeringen en de installatie wordt sterk bepaald door het EU-beleid dat vervat is in Verordening (EG) nr. 1257/99 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) plus latere wijzigingen.. Een aantal andere steunmaatregelen, met name de steun voor de coöperatieve vennootschappen voor verwerking, afzet en dienstverlening; de steun aan bedrijven in financiële moeilijkheden; de steun ter compensatie van geleden schade en de startpremie voor samenwerkingsverbanden zijn conform de Communautaire Richtsnoeren voor Staatssteun in de Landbouwsector van 1 februari 2000.

3.1 VLIF-steun aan land- en tuinbouwers

1

3.1.1 Algemene voorwaarden

Het VLIF kan onder een aantal algemene voorwaarden steun verlenen aan personen die een land- of tuinbouwactiviteit uitoefenen. • Beroepsstatus Zowel personen die de landbouw in hoofdberoep uitoefenen als personen die de land¬bouw als bijberoep hebben, kunnen steun verkrijgen. Er kan hoogstens een halftijdse betrekking buiten de landbouw zijn en de inkomsten uit de landbouwactiviteiten op het bedrijf moeten minstens 35 % bedragen van de totale inkomsten. Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen landbouwer zijn. Voor rechts¬personen betekent dit dat het doel hoofdzakelijk verband houdt met de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf en dat er zeer concrete voorwaarden gesteld worden aan de bestuurders en inzake de aard en verdeling van de aandelen. • Beroepsbekwaamheid Om steun te kunnen krijgen moeten de aanvragers beroepsbekwaam zijn. Daarbij worden aan personen die zich voor het eerst in de sector vestigen steeds eisen gesteld qua scholing en opleiding. • Economische levensvatbaarheid Er kan alleen steun verkregen worden indien het land- of tuinbouwbedrijf economisch levensvatbaar is. Dit wordt vastgesteld met een berekening van het arbeidsinkomen (AI) per volle arbeidskracht (VAK) vertrekkend van de reële bedrijfsgegevens. Het AI per VAK moet groter zijn dan het referentie-inkomen2 dat jaarlijks vastgesteld wordt. Voor aanvragen ingediend in 2005 bedroeg het referentie-inkomen 23.000 euro per VAK zoals in 2004.

1 Land- en tuinbouwproductiebedrijven, ook indien de exploitant een rechtspersoon is. Deze productiebedrijven worden verder in dit verslag ook "particulieren" genoemd.

10

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


• Vergunningen Er kan alleen steun verkregen worden wanneer de aanvrager in het bezit is van de vergunningen (stedenbouwkundige vergunning, milieuvergunning, vergunning waterwinning e.a.) en de productierechten (melkquotum, nutriëntenhalte,…) die noodzakelijk zijn voor de exploitatie. Indien er voor de beoefende speculaties wettelijke verplichtingen zijn op het vlak van welzijn van de dieren of hygiëne moeten deze gerespecteerd worden. • Boekhouding Er kan alleen steun verkregen worden op voorwaarde dat er een bedrijfseconomische boekhouding bijgehouden wordt.

3.1.2 Steunmaatregelen Het VLIF verleent zowel steun voor verrichtingen gefinancierd met leningen aangegaan bij een erkende kredietinstelling als voor verrichtingen gefinancierd met eigen middelen. De vorm van de steun is fundamenteel verschillend naargelang het een verrichting betreft waarvoor investeringssteun kan verkregen worden (modernisering gebouwen, machines,….) of een verrichting waarvoor vestigingssteun (overname bedrijfsbekleding) wordt verleend. Op de eerste 50.000 euro vestigingskosten wordt de vestigingssteun altijd toegekend onder de vorm van een vestigingspremie en vervolgens onder vorm van een rentesubsidie voor zover er voor de bijkomende kosten een lening afgesloten wordt. Deze rentesubsidie is niet omzetbaar in een kapitaalpremie. Investeringssteun wordt toegekend onder de vorm van een rentesubsidie als er voor de investeringen een krediet afgesloten wordt en zal in alle omstandigheden aangevuld worden met een kapitaalpremie die rechtstreeks in verband staat met deze rentesubsidie totdat een vooropgesteld volume steun verkregen wordt. Wanneer de investeringen volledig gefinancierd worden met eigen middelen wordt de steun uitsluitend verleend onder de vorm van een kapitaalpremie. Rentesubsidie en kapitaalpremie passen zich aan elkaar aan zodanig dat steeds het vooropgestelde volume steun verkregen wordt. Als aanvulling op de zekerheden aangebracht door de land- of tuinbouwer zelf, kan het VLIF voor kredieten die van een rentesubsidie genieten, gewestwaarborg toekennen. Het verkrijgen van steun, evenals de omvang ervan, hangt af van de aard van de investering en de mate waarin, naast de bovenvermelde algemene voorwaarden, ook een aantal specifieke voorwaarden vervuld worden. Hierna volgt terzake een beknopt overzicht.

3.1.2.1 Steun aan de vestiging in land- en tuinbouw Doel van de steun De Vlaamse overheid wil jongeren aanmoedigen om zich in de sector als zelfstandige ondernemer te vestigen. De steunmaatregel geldt voor alle types van bedrijven ongeacht de aard van de activiteit en de productiemethode. Vorm van de steun De steun aan de vestiging bestaat uit een vestigingspremie en een rentesubsidie en wordt als volgt verleend: • vooreerst een vestigingspremie van maximaal 50 % op de eerste 50.000 euro vestigingskosten, ongeacht de financieringswijze;

2 Het referentie-inkomen wordt berekend als ongeveer 2/3 van het vergelijkbaar arbeidsinkomen, het gemiddelde brutoloon van werknemers buiten de landbouw.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

11


3. Regelgeving • vervolgens, en voor zover de bijkomende vestigingskosten gefinancierd worden met een lening, een rentesubsidie van maximaal 4 % gedurende 10 jaar, met maximaal 1 jaar vrijstelling van kapitaalaflossing (binnen de duur van de steun), en op maximaal 100.000 euro vestigingskosten; • voor de vestigingskosten hoger dan 150.000 euro die gefinancierd worden met een lening kan een rentesubsidie van maximaal 4 % gedurende 10 jaar met maximaal 1 jaar vrijstelling van kapitaalaflossing (binnen de duur van de steun) verkregen worden op maximaal 100.000 euro. Er is geen minimaal door de kredietnemer zelf te dragen rentelast bepaald. De overheidswaarborg kan alleen verkregen worden op de leningen die van rentesubsidie genieten. Hij bedraagt maximaal 80 % van het gesubsidieerde krediet dat zelf maximaal 200.000 euro bedraagt. Bijkomende voorwaarden voor vestigingssteun • Wie van de vestigingssteun wil genieten moet op het tijdstip van de aanvraag jonger zijn dan 40 jaar en zich voor het eerst vestigen als landbouwer. De steun aan de eerste vestiging wordt enkel verleend aan natuurlijke personen hetzij in de hoedanigheid van landbouwer natuurlijke persoon voor de overname van de bedrijfsbekleding hetzij in de hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap met landbouw als doel voor de overname van aandelen. • Enkel de vestigingskosten die op het tijdstip van vestiging gemaakt worden, kunnen aanvaard worden voor het verlenen van de vestigingssteun. Het betreft kosten voor: - de overname van de bedrijfsbekleding betrekking hebbend op vee, uitrusting, materieel, aanplantingen, voorraden, vruchten te velde en navetten; - de aankoop van vee, uitrusting, materieel en voorraden gericht op het vervolledigen van de bedrijfsbekleding; - de overname van aandelen ter gelegenheid van de vestiging als bestuurder in een vennootschap met landbouw als maatschappelijk doel. Alleen bij de eerste fase van de overname kan vestigingssteun verkregen worden. Er is geen vestigingssteun voor het verwerven van goederen die onroerend zijn van nature. Rechtspersonen worden uitgesloten van de vestigingssteun.

3.1.2.2 Steun aan de investeringen Doel van de steun Investeringssteun wordt verleend om de landbouwers aan te moedigen hun bedrijfsstructuren aan te passen aan de snel evoluerende en wisselende omstandigheden waarin de bedrijven moeten opereren ten gevolge van een nieuwe maatschappelijke benadering van de landbouw. Dit komt tot uiting in hogere eisen inzake de kwaliteit en de aard van de producten, inzake leefmilieu, het welzijn van de dieren en de hygiëne, verstrengde normen met betrekking tot arbeidsomstandigheden en kritisch consumentengedrag over betaalde prijzen ten opzichte van de door de landbouw ontvangen prijzen. De aanmoediging van de investeringen beoogt een aanpassing van de bedrijfsstructuur tot: • verlaging van de productiekosten; • verbetering en omschakeling van de productie; • verhoging van de kwaliteit; • verbetering van het leefmilieu, de hygiënische omstandigheden en/of de normen op het gebied van welzijn van de dieren; • bevordering van de diversificatie van de activiteiten op het landbouwbedrijf.

12

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Investeringssteun mag niet in strijd zijn met het beleid op andere vlakken (marktpolitiek, milieubeleid, beleid ruimtelijke ordening, ...) en mag de doelstellingen hiervan niet doorkruisen. Vorm van de steun De steun kan verkregen worden onder vorm van rentesubsidies en/of kapitaalpremies naargelang de wijze van financiering van de investeringen. De omvang van de steun is onafhankelijk van de wijze van financiering. Naargelang de aard van de investering kan een bepaald volume steun verkregen worden (40, 30, 20 of 10 %).

40%

Investeringen gericht op een landbouw met verbrede doelstellingen (diversificatie naar zelf verwerken en commercialiseren, hoevetoerisme, landschapsbeheer), duurzame landbouwmethodes (milieu-investeringen en investeringen gericht op energiebesparing) en biologische landbouw

30%

Investeringen gericht op de bereiding van samengestelde voeders op basis van zelf geteelde basisproducten, installaties en materieel voor de productie en het gebruik van hernieuwbare brandstoffen, installaties en materieel voor de productie van medicinale en aromatische planten en de vernieuwing van laagstamfruitaanplantingen met nieuwe schurftresistente variĂŤteiten

20%

Alle andere investeringen voornamelijk in onroerende goederen, gericht op de realisatie van een structuurverbetering

10%

Alle andere investeringen voornamelijk in materieel en dieren (roerende goederen).

De steun voor investeringen gefinancierd met een lening wordt uitsluitend verleend onder de vorm van een rentesubsidie aangevuld met een investeringspremie, zodat het vooropgestelde volume steun effectief verkregen wordt. In de mate dat de landbouwer minder krediet opneemt of krediet op kortere termijn aangaat, zal een groter deel onder vorm van een kapitaalpremie uitgekeerd worden. De steun voor investeringen gefinancierd met eigen middelen wordt verleend onder de vorm van een investeringspremie. Bij de toekenning van de steun zal de rentesubsidie voorrang hebben op de investeringspremies. De rentesubsidie bedraagt: • maximum 4 % gedurende maximaal 15 jaar voor investeringen die van 40 of 30 % steun kunnen genieten; • 3 % gedurende maximaal 15 jaar voor investeringen die van 20 of 10 % steun kunnen genieten. De steun voor ammoniakemissiearme stallen compenseert de meerkost van deze staltypes ten opzichte van een standaardstal. Het steunpercentage is zodoende variabel. De rentesubsidie bedraagt hierbij ook maximaal 3 % gedurende maximaal 15 jaar. Om een steunbedrag dat gespreid wordt uitbetaald (rentesubsidie) te kunnen afmeten tegenover een kapitaalpremie (om te komen tot het totaal steunvolume) moet deze worden omgerekend naar een waarde van vandaag met een factor om deze bedragen te "actualiseren": de actualisatievoet. In de VLIF-regelgeving is dit kengetal belangrijk vermits de grootte van de investeringssteun een percentage is van het investeringsbedrag in actuele waarde. De toegekende rentesubsidie moet geactualiseerd worden om de toe te kennen investeringspremie te kunnen bepalen: de actuele waarde van de rentesubsidie vermeerderd met de investeringspremie geeft het totale voorgeschreven steunvolume in actuele waarde. Voor de afhandeling van de in 2004 ingediende aanvragen wordt hiervoor 4,43 % per jaar gebruikt, voor de in 2005 ingediende aanvragen 4,08 % per jaar.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

13


3. Regelgeving In de periode 2000-2006 kan de investeringssteun maximaal verkregen worden op een investeringsbedrag van 500.000 euro per VAK en 1.000.000 euro per bedrijf. Het gesubsidieerde bedrag wordt beperkt tot een maximumbedrag per aanwezige standplaats voor het vee of per m2 bedrijfsgebouw. Voor ammoniakemissiearme stallen op niet grondgebonden varkensbedrijven en op pluimveebedrijven varieert het steunpercentage tussen minimaal 20 % en maximaal 28,58 %. De meerkost van de ammoniakemissiearme stal t.o.v. de standaardstal vormt de basis voor het berekenen van het steunpercentage.

Bijkomende voorwaarden per deelsector van de veehouderij Investeringen in de melkveesector zijn subsidiabel wanneer het bedrijf na uitvoering ervan over een voldoende groot melkquotum beschikt d.w.z. een quotum dat in een redelijke verhouding staat tot het aantal plaatsen voor melkkoeien. Investeringen in de melkveesector zijn verbonden met het houden van melkkoeien en het bijhorende jongvee. In de varkenssector zijn investeringen die niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit subsidiabel wanneer ze gericht zijn op: • het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme varkensstal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de zeugenhouderij gebeurt in combinatie met groepshuisvesting (voor aanvragen vanaf 1 januari 2003); • het verbouwen en uitrusten van een bestaande zeugenstal naar een stal met groepshuisvesting (voor aanvragen vanaf 1 januari 2003); • hoevetoerisme en landschapsbeheer. Bij de beoordeling van de productiecapaciteit in het kader van een aanvraag om steun voor een ammoniakemissiearme stal, wordt rekening gehouden met overgenomen bestaande capaciteit en/of capaciteit verkregen door omzetting. De nutriëntenhalte vormt het uitgangspunt voor een berekening over de aanvaardbare capaciteit. Wanneer het bedrijf bovendien voldoende grondgebonden is na uitvoering van de investeringen zijn ook investeringen subsidiabel wanneer ze gericht zijn op: • zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten; • de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren; • biologische landbouw. Een bedrijf is voldoende grondgebonden wanneer het na de investeringen beschikt over een oppervlakte van 1 ha per 25 plaatsen voor productieve zeugen en 1 ha per 30 vleesvarkensplaatsen. De aankoop van bestaande varkensstallen is niet subsidiabel. In de pluimveesector zijn investeringen die niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit subsidiabel wanneer ze gericht zijn op: • het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme stal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de legkippenhouderij gebeurt in combinatie met een omschakeling naar huisvesting in verrijkte kooien, volièrehuisvesting of grondhuisvesting (voor aanvragen vanaf 1 januari 2003); • het verbouwen en uitrusten van een bestaande legkippenstal naar een stal met volièrehuisvesting of grondhuisvesting(voor aanvragen vanaf 1 januari 2003); • de verbetering van het leefmilieu en de hygiëne en het welzijn van de dieren; • zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme en landschapsbeheer; • biologische landbouw.

14

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Bij de beoordeling van de productiecapaciteit in het kader van een aanvraag om steun voor een ammoniakemissiearme stal, wordt rekening gehouden met overgenomen bestaande capaciteit en/of capaciteit verkregen door omzetting. De nutriëntenhalte vormt het uitgangspunt voor een berekening over de aanvaardbare capaciteit. Omvormingen binnen de pluimveesector worden niet aanzien als uitbreidingen indien de mestproductie niet toeneemt. De aankoop van bestaande pluimveestallen is niet subsidiabel. In de rundvleessector zijn alle investeringen subsidiabel wanneer het bedrijf voldoende grondgebonden is na uitvoering van de investeringen. Het bedrijf is grondgebonden wanneer de bezetting van vleesrunderen kleiner is dan 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare voor de voedering van voor die runderen bestemde oppervlakte voedergewassen. Elke stier, koe of ander rund van meer dan 2 jaar vertegenwoordigt 1 GVE en elk rund van zes maanden tot 2 jaar 0,6 GVE. Wanneer het vleesveebedrijf niet voldoende grondgebonden is en de investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit, zijn ze subsidiabel wanneer ze gericht zijn op: • de verbetering van het leefmilieu de hygiëne en het welzijn van de dieren; • zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme en landschapsbeheer; • biologische landbouw. In de vleeskalversector zijn investeringen die niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit subsidiabel wanneer ze gericht zijn op: • de verbetering van het leefmilieu de hygiëne en het welzijn van de dieren; • zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme en landschapsbeheer. De voorwaarde van grondgebondenheid in de vleesveehouderij is niet van toepassing. De aankoop van bestaande en de bouw van nieuwe stallen is niet subsidiabel. Bij omschakeling naar de biologische productiemethode in de veehouderij geldt de voorwaarde van productiecapaciteit niet. Dit betekent dat de omschakeling naar de biologische veehouderij kan gebeuren vanuit elke andere deelsector van de veehouderij. Algemene voorwaarde: bedrijfsplan In een bedrijfsplan moet de land- of tuinbouwer aantonen dat de investeringen gerechtvaardigd zijn in het licht van de toestand en van de structuur van zijn bedrijf en dat het uitvoeren van de investeringen zal leiden tot een duurzame verbetering van deze toestand. Bij het opstellen ervan speelt de land- of tuinbouwer een belangrijke rol. Hij brengt immers alle basisgegevens aan die voor dit plan noodzakelijk zijn. Een bedrijfsplan omvat de volgende onderdelen: • beschrijving van het bedrijf: de land- of tuinbouwer verstrekt met een informatiefiche alle inlichtingen over teeltplan, veebezetting, opbrengsten, kosten en gepresteerde arbeid. Via de aanvraag om steun wordt informatie verstrekt over het aanwezige kapitaal; • opgave van de structurele tekortkomingen op het bedrijf die weggewerkt zullen worden via het uitvoeren van één of meer weloverwogen investeringen; • gedetailleerde beschrijving van de geplande investeringen; • opgave van de nagestreefde doelstelling met de investeringen; • berekening van de rendabiliteit van het bedrijf aan de hand van een begroting. Hiermee wordt tevens aangetoond dat de geplande investeringen verantwoord zijn, gelet op de toestand en de structuur van het bedrijf. Ook blijkt hieruit of het bedrijf voldoende opbrengstmogelijkheden heeft om de aflossing van de kredieten mogelijk te maken en een volwaardig inkomen op te leveren (financiële draagkracht); • in het geheel van de aanvraag vermeldt de aanvrager op welke wijze hij de voorgenomen reeks investeringen zal financieren en welke werkzaamheden hij zelf zal uitvoeren.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

15


3. Regelgeving 3.1.2.3 Steun als compensatie van geleden schade Doel van de steun Land- en tuinbouwers die belangrijke schade geleden hebben aan de landbouwproductie of de landbouwproductiemiddelen ten gevolge van onvoorziene gebeurtenissen zoals natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of het uitbreken van dier- of plantenziekten, kunnen van steunmaatregelen genieten. Vorm van de steun De steun wordt verleend onder vorm van een rentesubsidie van maximaal 3 % gedurende maximaal 3 jaar op een overbruggingskrediet. Het maximumbedrag van het overbruggingskrediet is gelijk aan het bedrag van de werkelijk geleden schade aan de landbouwproductie en de landbouwproductiemiddelen verminderd met ontvangen schadevergoedingen. Voorwaarden De minimale omvang van de schade aan de landbouwproductie en productiemiddelen door natuurrampen en buitengewone weersomstandigheden bedraagt 30 % van een normale productie. De veeziekten die weerhouden worden zijn: runderbrucellose, -tuberculose en -leucose, gekkekoeienziekte, varkenspest, vogelpest en pseudovogelpest. In deze gevallen kan er slechts steun zijn voor de herbevolking hetzij: • na volledige opruiming van de veestapel of na bewezen noodzakelijke leegstand ingevolge runderbrucellose, gekkekoeienziekte, varkenspest, vogelpest en pseudovogelpest; • na de uitzuivering ten gevolge van een aantasting van rundertuberculose en runderleucose van ten minste 30 % van de veestapel. Voor schadegevallen veroorzaakt door natuurrampen en buitengewone weersomstandigheden voorziet de regelgeving niet in een onmiddellijke praktische toepassing. Ze schetst enkel het algemeen kader waarbinnen maatregelen kunnen genomen worden.

3.1.2.4 Steun ten gunste van bedrijven in financiële moeilijkheden Doel van de steun Op het tijdstip dat er zich een onvoorziene gebeurtenis (andere dan natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of het uitbreken van dier- of plantenziekten) voordoet waardoor land- of tuinbouwers in financiële moeilijkheden komen, kan de minister een algemene steunmaatregel treffen wanneer de situatie dit verantwoordt. In de maatregel worden de voorwaarden en modaliteiten voor het verkrijgen van de steun, de criteria voor het vaststellen van de financiële moeilijkheden, het gebied waarbinnen de bedrijven moeten gelegen zijn en de periode tijdens dewelke de maatregel van toepassing is, vastgelegd. De regelgeving voorziet zodoende niet in een onmiddellijke praktische toepassing. Enkel het algemeen kader waarbinnen maatregelen kunnen genomen worden, is geschetst. Zowel algemene als specifieke maatregelen (een sector, een streek) zijn mogelijk. Vorm van de steun Indien er een steunmaatregel uitgevaardigd wordt, zal de steun de vorm hebben van een rentesubsidie van maximaal 3 % gedurende maximaal 3 jaar op een overbruggingskrediet.

16

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Voorwaarden • • • • • •

de bedrijven moeten aantonen reëel in moeilijkheden te verkeren; de problemen moeten een structurele oorzaak hebben; de steun moet beperkt zijn in omvang; de bedrijven moeten levensvatbaar zijn na het nemen van de gepaste structurele maatregelen; een herstructureringsplan moet ingediend worden; de sector moet, wanneer meer dan 1,5 % (bij algemene maatregelen) of 3 % (bij specifieke) van de productie bij de maatregel betrokken wordt, bepaalde compensaties (capaciteitsafbouw) leveren.

3.1.2.5 VLIF-waarborg Doel van de steun De regels inzake het toekennen, opvolgen en uitbetalen van waarborg zitten vervat in het decreet van 22 december 1993, het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000, het ministerieel besluit van dezelfde datum (gewijzigd voor wat waarborg betreft op 3 december 2004) en het werkingsbesluit van 16 juli 1996, de overeenkomst tussen de erkende kredietinstellingen en het VLIF en een aantal omzendbrieven. Kenmerken en voorwaarden • De waarborg is aanvullend, wat inhoudt dat hij tot doel heeft de zekerheden die de kredietaanvrager kan aanbrengen aan te vullen. De eigen zekerheden moeten maximaal vastgelegd worden; • Ongeacht de waarde van de eigen zekerheden kan een waarborg verkregen worden van maximaal 80 % op het eerste miljoen euro gesubsidieerde krediet en de kosten om de gesubsidieerde investeringen te realiseren. Bij investeringen en kredieten die groter zijn dan 1.000.000 euro kan overheidswaarborg verkregen worden op een krediet van maximaal 2.000.000 euro maar neemt het percentage waarborg gradueel en omgekeerd evenredig af tussen 80% en 50%. Het percentage wordt toegepast op het hele krediet; • De waarborg is niet subsidiair, wat betekent dat, in geval van een uitwinning, de opbrengsten naar rato van het waarborgpercentage, eveneens afgeboekt worden op het gewaarborgde kredietgedeelte. De ontlener moet volledig uitgewonnen worden en alle aan het krediet gehechte zekerheden moeten verwezenlijkt zijn vooraleer er waarborg kan uitbetaald worden aan de bank. Het kredietsaldo na uitwinning kan door de kredietinstelling tot beloop van het waarborgpercentage opgevraagd worden bij het VLIF; • Voor het verkrijgen van waarborg moet een bijdrage betaald worden in functie van het gewaarborgde bedrag en de duur van de waarborg; • In algemene regel wordt de waarborg toegekend voor een duur van 10 jaar. Voor verrichtingen ter gelegenheid van de eerste installatie kan de duur maximaal 15 jaar bedragen, inbegrepen 1 jaar vrijstelling van aflossing. Naast de bovenvermelde algemene voorwaarden worden bij het toekennen van waarborg een aantal normen gehanteerd die verband houden met de aanvrager, de rendabiliteit van het bedrijf, het bijhouden van boekhouding en het inschatten van de risico’s. Concreet houdt dit onder meer in dat: • het AI/VAK minstens moet gelijk zijn aan het referentie-inkomen; • wanneer waarborg verkregen wordt steeds een bedrijfseconomische boekhouding moet bijgehouden worden; • de waarborg kan beperkt of geweigerd worden bij overdreven risico’s met betrekking tot het individuele bedrijf, de exploitant of een bepaalde sector; • een rechtspersoon waarborg kan verkrijgen wanneer naast de goederen van de rechtspersoon ook deze van de zaakvoerders, bestuurders of afgevaardigde bestuurders die structureel verbonden zijn met het bedrijf, aangesproken zijn en wanneer de balans een positief eigen vermogen vertoont.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

17


3. Regelgeving 3.2 VLIF-steun aan de landbouwers- en tuinderscoöperaties

3

Doel van de steun Wanneer de samenwerking tussen landbouwers en/of tuinders gestructureerd is in de vorm van een coöperatieve vennootschap (C.V.) die aan bepaalde specifieke voorwaarden voldoet, kunnen deze C.V.'s steun verkrijgen voor investeringen die in verband staan met hun activiteiten en doelstellingen. Het betreft voornamelijk de bouw en inrichting van bedrijfsgebouwen en de aankoop van materieel. Vanzelfsprekend komen milieu-investeringen ook in aanmerking voor steun. Vorm van de steun Er wordt een steun verleend die overeenkomt met 4 % rentesubsidie gedurende 10 jaar voor gebouwen en milieu-investeringen en 7 jaar voor materieel, of een equivalent daarvan in een combinatie van rentesubsidie en kapitaalpremie. Onder de algemene voorwaarden kunnen coöperatieve machineringen bij de aankoop van machines voor gemeenschappelijk gebruik dezelfde steun verkrijgen als de producenten (4 steunintensiteiten: 10 à 40%) Afhankelijk van de financiering wordt deze steun verleend onder de vorm van: • uitsluitend rentesubsidie; • uitsluitend een gelijkwaardige kapitaalpremie als alles met eigen middelen wordt gefinancierd; • rentesubsidie (op lager kredietbedrag dan de investering of bij kortere duur) aangevuld met een kapitaalpremie. De kredieten kunnen daarenboven ook VLIF-waarborg genieten.

3.3 Aanpassingen regelgeving in 2005 en specifieke acties In 2005 werd de VLIF-regelgeving niet gewijzigd. Er werd wel een bijsturing voorbereid. Rond twee specifieke acties die al voor 2005 beslist werden was er in 2005 nog activiteit inzake dossierbehandeling. Het betreft de steunmaatregelen ter compensatie van de schade door leegstand ingevolge vogelpest in 2003 en de gewestwaarborg op overbruggingskredieten voor de tuinbouwsector uit 2004.

3.3.1 Steunmaatregelen ter compensatie van de schade door leegstand ingevolge vogelpest Begin 2005 werden de laatste beslissingen genomen over aanvragen voor het verkrijgen van een leegstandsvergoeding ingevolge de epidemie van vogelpest in 2003. Hierna worden de globale resultaten van de specifieke actie kort toegelicht. Er werden 672 aanvragen ingeleid voor het verkrijgen van een kapitaalpremie. Er werd geen beroep gedaan op de geboden mogelijkheid van rentesubsidie voor overbruggingskredieten. Aan 597 aanvragers werd een leegstandsvergoeding verleend. Aan 70 aanvragers werd geen steun toegekend en 5 aanvragen werden om diverse redenen niet verder behandeld (3 dossiers uit Wallonië en 2 dossiers dubbel ingediend). In de gevallen waar de steun geweigerd werd was dit vooral het gevolg van de vaststelling dat de aanvrager zich niet kon rangschikken als “landbouwer” volgens de VLIF-regelgeving. Het betrof voornamelijk gepensioneerde exploitanten of exploitanten die hun voornaamste activiteiten en inkomsten buiten het bedrijf verwierven. In een beperkt aantal gevallen was er geen herbevolking of was de schade niet te wijten aan de vogelpest.

3 Coöperatieve vennootschappen voor de afzet en verwerking van land- en tuinbouwproducten, alsook voor dienstverlening.

18

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


In onderstaande tabel worden een aantal kengetallen m.b.t. de toegekende steun weergegeven. Met bijna 14 miljoen vleeskuikens die in de compensatieregeling betrokken waren, werd voor ongeveer 60 % van de vleeskuikenstapel een schadevergoeding uitbetaald. In de sector leg (inclusief opfok) was ongeveer 20 % van de veestapel betrokken bij de compensatieregeling. Aantal bedrijven

Aantal dieren met compensatie

Steunbedrag (euro)

449

13.734.090

1.410.703

Legkippen (kooien)

36

1.187.471

680.983

Legkippen (scharrel)

12

149.990

138.886

Legkippen (biologisch)

3

21.005

36.530

Legkippen (volière)

1

4.800

3.252

Opfok legpoeljen

23

1.030.665

169.457

Opfok zware moeder-dieren

21

272.306

114.339

Moederdieren (vlees)

29

366.356

284.043

Moederdieren (leg)

1

8.480

2.361

Grootouderdieren

1

10.644

17.640

Kalkoenen

6

66.174

71.504

Eenden

1

9.600

4.667

Activiteit Vleeskuikens

Aant. niet ingelegde eieren Broeierij (gangbaar)

13

13.849.797

310.235

Broeierij (struisvogel)

1

11.697

36.495

Totaal

597

3.281.095

3.3.5 Gewestwaarborg op overbruggingskredieten voor de tuinbouwsector Einde 2004 werd een steunmaatregel uitgevaardigd voor tuinders die financiële moeilijkheden hebben als gevolg van de crisis in de tuinbouwsector in 2004. De steun heeft de vorm van 80 % ambtshalve gewestwaarborg op een overbruggingskrediet dat verstrekt wordt om de continuïteit van het bedrijf te verzekeren. Het overbruggingskrediet kan toestaan worden aan gespecialiseerde tuinbouwbedrijven met: • onvoldoende financiële reserves doordat de bedrijfsleider minder dan 5 jaar gevestigd is als gespecialiseerd tuinder; • minimum één krediet in omloop waarvoor de VLIF-tussenkomst nog een looptijd heeft van minimum 3 jaar.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

19


3. Regelgeving Het overbruggingskrediet is uitsluitend bestemd voor de financiering van productie-uitgaven en bedraagt maximaal 100.000 € per bedrijf en maximum van 10 € per m2 glasoppervlakte voor glastuinbouwbedrijven. Het heeft een maximale duur van 3 jaar en er wordt jaarlijks één-derde afgelost. De rentevoet is ten hoogste gelijk aan de EU-referentievoet 4. De kredieten genieten van een ambtshalve overheidswaarborg van 80 % gedurende 3 jaar en komen in rangorde na vroeger toegestane kredieten. In geval van uitwinning worden de opbrengsten slechts in laatste instantie aangewend ter delging van het overbruggingskrediet. De steun wordt verleend in het kader van Verordening (EG) Nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimis-steun in de landbouwsector en de visserijsector. Dit brengt mee dat de waarde van de steun gelijkgesteld wordt aan die van een rentesubsidie gedurende 3 jaar op het kredietbedrag. Het rentevoordeel is gelijk aan het verschil tussen de rentevoet van het krediet en de referentievoet. Bedrijven die de steun verkrijgen worden opgenomen in een register van bedrijven die minimis-steun verkregen hebben. Er wordt rekening gehouden met de bijdrage die betaald wordt voor het verkrijgen van de waarborg. De bijdrage bedraagt 0,395 % van het gewaarborgde bedrag. De kredieten van de aanvrager mogen niet opgezegd zijn en alleen wanneer een bedrijfseconomische analyse aantoont dat het tuinbouwbedrijf zijn financiële verplichtingen in normale omstandigheden zal kunnen nakomen, zal de overheidsgarantie toegekend worden. Gedurende de looptijd van het overbruggingskrediet met overheidswaarborg, mag alleen onder zeer strikte voorwaarden nog bijkomend krediet met VLIF-waarborg toegestaan worden aan het bedrijf. De aanvragen moesten uiterlijk op 30 april 2005 ingediend zijn bij het VLIF. Omdat in 2005 dezelfde noden bestonden voor een aantal bedrijven als gevolg van de sterk gestegen energieprijzen werd de maatregel uitzonderlijk verlengd en konden de aanvragen nog ingeleid worden tot 30 april 2006. De aanvragen om gewestwaarborg op overbruggingskredieten aangevraagd in 2005 werden inmiddels afgehandeld. Er werden 36 aanvragen ingeleid. Er werd in 32 dossiers gewestwaarborg verleend voor een bedrag van 1.772.072 euro. In 4 dossiers werd de waarborg geweigerd omdat er geen kredieten waren waar de rentesubsidie nog een duur had van 3 jaar (2), de aanvrager zich niet kon rangschikken als tuinder (1) en omdat de gevraagde informatie niet verstrekt werd (1). Ingevolge de verlenging van de actie tot 30 april 2006 werden begin 2006 nog 7 aanvragen ingeleid.

4 De EU-referentievoet komt overeen met de actualisatievoet toegepast cfr. 3.1.2.2

20

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


4 Het VLIF financieel in 2005 4.1 Begroting De begroting 2005 van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds beliep initieel 42,375 miljoen euro, zowel voor de ontvangsten als voor de uitgaven, terwijl het VLIF beschikte over een vastleggingsmachtiging van 51,256 miljoen euro en een waarborg kon toekennen van maximaal 95,984 miljoen euro (cf. art. 132 van het decreet van 22 december 2004 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2005, B.S. 06/07/2005). De uitgaven worden gedekt door een dotatie van 42 miljoen euro uit de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en door de eigen inkomsten (voornamelijk waarborgbijdragen). Bij de begrotingscontrole werd de vastleggingsmachtiging teruggebracht tot 51,076 miljoen euro. De dotatie werd evenwel verhoogd tot 46,820 miljoen euro om tegemoet te komen aan het tekort eind 2004 aan betalingsmiddelen om alle betalingen 2004 te kunnen uitvoeren. Het totaal van de VLIF-begroting bedroeg dan ook 50,148 miljoen euro, zowel voor de ontvangsten als voor de uitgaven (cfr. art. 45 van het decreet van 24 juni 2005 houdende aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2005, B.S. 27/12/2005). Tabel 4.1. Begroting 2005 van het VLIF (x 1000 euro) Vastleggingsmachtiging (B.A. 54.1 / 99.31) Land- en tuinbouwers Rentesubsidies Kapitaalpremies Waarborgen Agrovoeding Omkadering Inkomsten Dotatie van de Vlaamse Gemeenschap (B.A. 54.1/41.41) Terugbetalingen door begunstigden (terugvorderingen) Waarborgbijdragen Saldo 2003 Uitgaven Land- en tuinbouwers Rentesubsidies Kapitaalpremies Waarborgen Agrovoeding Omkadering

Totaal : 51,076 23,382 15,994 1,700 6,000 4,000 Totaal : 50,148 46,820 0,150 0,100 3,078 Totaal : 50,148 26,434 17,614 1,700 3,200 1,200

4.2 Organisatie Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds is een Vlaamse openbare instelling (VOI) van het type A met eigen rechtspersoonlijkheid, opgericht bij artikel 12 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (B.S. 29/12/1993) om ingevolge de regionalisering van het Landbouwinvesteringsfonds krachtens de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur deze bevoegdheden in het Vlaams Gewest verder te zetten.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

21


4. Het VLIF financieel in 2005 Dit betekent dat er geen eigen bestuursorganen zijn, noch een eigen vermogen of personeel. Het VLIF valt onder de onmiddellijke bevoegdheid van de Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid en de middelen (materieel, gebouwen, personeel,…) worden ter beschikking gesteld door het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het VLIF wordt beheerd in de afdeling Land- en Tuinbouwondersteuningsbeleid van de administratie Land- en Tuinbouw (ALT), departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw (EWBL). Naast een aantal mensen in het hoofdbestuur in Brussel, is er ook per provincie een buitendienst met één of twee ingenieurs en enkele deskundigen (dossierbehandelaars), waarvan het aantal evenredig is met het aantal te behandelen aanvragen, die worden bijgestaan door een administratieve kracht. Het VLIF krijgt als VOI-A een dotatie uit de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en is dan ook opgenomen in het centraal thesauriebeheer het Centraal Financieringsorgaan (CFO) waarbij het VLIF een eigen financiële rekening heeft. De zuiver boekhoudkundige operaties (budgettaire vastleggingen en betalingen) worden uitgevoerd door een rekenplichtige die ressorteert onder de algemene administratieve diensten (A.A.D.) van het departement EWBL. Het VLIF verleent investerings- en vestigingssteun aan land- en tuinbouwers of coöperaties in de vorm van rentesubsidies en kapitaalpremies en eventueel een aanvullende waarborg op gesubsidieerde kredieten. Daarnaast wordt ook steun verleend aan de agrovoedingssector en de omkadering van de land- en tuinbouw (voornamelijk proeftuinen en praktijkcentra). Voor het overgrote deel van de VLIF-steun is er Europese medefinanciering in uitvoering van 2 steunmaatregelen opgenomen in het Vlaams Plattelandsontwikkelingsplan (PDPO) in uitvoering van de Verordening nr. 1257/19991 waarvoor er Europese medefinanciering is vanwege het EOGFL 2, afdeling Garantie, nl. steun aan investeringen (25 % EU) en steun aan vestiging van jonge landbouwers (50% EU). De steun voor deze beide maatregelen wordt uitbetaald via het Vlaams Betaalorgaan EOGFL-Garantie dat ressorteert onder de administratie Beheer en Kwaliteit Landbouwproductie (ABKL) op volgende wijze : - Het VLIF betaalt de Vlaamse cofinanciering aan het Betaalorgaan - Het Betaalorgaan prefinanciert de EU-medefinanciering en betaalt de volledige steun uit aan de begunstigde (kredietinstelling als het gaat om een rentesubsidie / land- of tuinbouwer als het een kapitaalpremie betreft) - Het Betaalorgaan recupereert de EU-medefinanciering bij het EOGFL. Daarnaast is er nog een beperkt steunvolume zonder EU-medefinanciering, zoals rentesubsidie boven het EU-plafond voor vestiging, rentesubsidie voor landbouwers- en tuinderscoöperaties, aanvullende VLIFwaarborg, …. Daarvoor betaalt het VLIF zelf de volledige steun (= 100 % Vlaams) uit aan de begunstigden, in casu de erkende kredietinstellingen. Procedure voor toekenning van VLIF-steun De steunaanvragen worden bij het VLIF ingediend in Brussel, hetzij door de erkende kredietinstellingen als er geleend werd om de verrichting te financieren, hetzij door de begunstigde zelf als alles gefinancierd wordt met eigen middelen. Na een kort nazicht op volledigheid van de aanvraag (cfr. ingevulde gegevens en bijlagen), wordt de aanvraag geregistreerd met toekenning van een dossiernummer. Dit wordt meegedeeld aan de betreffende kredietinstelling en begunstigde. De aanvraag wordt doorgestuurd naar de provinciale buitendienst. Een dossierbehandelaar bezoekt vervolgens het bedrijf om de aanvraag technisch en financieel-economisch te onderzoeken. Hierbij wordt het dossier vervolledigd met een aantal documenten (zoals bedrijfsbegroting, technisch verslag) om te komen tot een voorstel van tussenkomst volgens de geldende VLIF-regelgeving. Nadat de ingenieur het volledig samengesteld dossier en het voorstel van tussenkomst conform met de regelgeving en procedures bevonden heeft, wordt dit naar de VLIF-hoofddienst in Brussel gestuurd waar het dossier nog eens nagekeken wordt op de goede en uniforme toepassing van de regelgeving over heel Vlaanderen. Eventueel wordt het dossier teruggestuurd naar de buitendiensten voor verbetering. 1 Verordening 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het EOGFL (Europees Publicatieblad L 160 van 26 juni 1999) 2 EOGFL : Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw

22

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


In Brussel wordt het voorstel van tussenkomst door de bevoegde minister of gedelegeerde ondertekend voor goedkeuring. De toegekende steun wordt voor budgettaire vastlegging naar de VLIF-rekenplichtige gestuurd. Na bevestiging hiervan wordt de VLIF-beslissing inzake de steuntoekenning meegedeeld aan de begunstigde land- of tuinbouwer, de kredietinstelling en de VLIF-buitendienst. Procedures voor uitbetaling van de toegekende steun Zodra de kredietinstelling de VLIF-beslissing heeft ontvangen kan ze de rentesubsidie opvragen bij het begin van het trimester waarin de jaarvervaldag van het krediet valt door middel van opvragingslijsten volgens het type van rentesubsidie. In de VLIF-hoofddienst worden deze lijsten gecontroleerd, meer bepaald of de berekening van de steun overeenkomt met de toegekende steun (gesubsidieerd bedrag, duurtijd, ‌). Afwijkingen worden aan de kredietinstelling gemeld met het verzoek om een regularisatie op te nemen in de volgende opvragingslijst. Aan het einde van het trimester wordt er per type rentesubsidie een betalingsopdracht opgemaakt voor de VLIF-rekenplichtige die het Vlaamse deel van de steun gegroepeerd overschrijft naar het Betaalorgaan dat vervolgens de volledige steun betaalt aan de respectievelijke kredietinstellingen (zie punt 4.2.). Voor de rentesubsidies zonder EU-medefinanciering (zie hiervoor) betaalt de VLIF-rekenplichtige zelf de steun uit aan de respectievelijke kredietinstellingen.

Om de toegekende kapitaalpremies voor uitbetaling vrij te geven, stuurt de VLIF-buitendienst, zodra deze de VLIF-beslissing heeft ontvangen en na controle van de facturen en vaststelling van het definitief investeringsbedrag, een document naar de VLIF-hoofddienst. Eventueel moet dus eerst een herziening van de steun worden doorgevoerd. Hierdoor kan de premie opgenomen worden in een betalingslijst samen met alle premies die daartoe in de goede staat staan voor de betaling van de eerste helft van de premie (of volledig als die minder dan 1000 euro bedraagt). Deze lijst wordt naar de VLIF-rekenplichtige gestuurd voor een gegroepeerde betaling aan het Betaalorgaan van het Vlaamse deel van de premies, dat vervolgens de volledige premies betaalt aan de respectievelijke land- en tuinbouwers op hun rekening die geregistreerd is onder hun producentnummer in de ABKL-identificatiedatabank.

Als een bedrijf gedwongen wordt stopgezet na kredietopzegging, kan de kredietinstelling de uitbetaling van de toegekende aanvullende VLIF-waarborg opvragen na de realisatie van de eigen zekerheden ingebracht door de kredietnemer. Na juridisch advies over de uitwinningsprocedure en de aanwending van de gerecupereerde sommen, legt het VLIF een betalingsnota aan de minister voor ter goedkeuring van de uit te betalen waarborg. Dit is de basis van de betalingsopdracht naar de VLIF-rekenplichtige voor uitbetaling aan de betreffende kredietinstelling.

4.3 Toegekende steun (= budgettaire vastlegging) In dit hoofdstuk worden enkel bedragen gegeven inzake de verschillende steunvormen. Voor de meer inhoudelijke gegevens over de toegekende VLIF-steun wordt verwezen naar hoofdstuk 6. In totaal werd er 66.287.781,55 euro VLIF-steun toegekend in 2005. Vanaf 2005 wordt enkel het Vlaams deel van de steun aan land- en tuinbouwers (vestiging en investeringen) budgettair vastgelegd aangezien het VLIF de Europese medefinanciering bij elke betaling toch niet zelf betaalt, maar enkel het Vlaams deel aan het Betaalorgaan betaalt dat vervolgens de totale steun (Vlaams deel + Europese medefinanciering) uitbetaalt aan de begunstigde kredietinstelling (rentesubsidie) of aanvrager (kapitaalpremies). In 2005 werd aldus 51.075.995,58 euro budgettair vastgelegd op de vastleggingsmachtiging van 51.076.000 euro.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

23


4. Het VLIF financieel in 2005 Uitgesplitst per doelgroep geeft dit : • land- en tuinbouwers en hun coöperaties : • agrovoeding : • omkadering :

Toegekende steun 58.665.670,29 euro 3.484.471,01 euro 4.137.640,25 euro 66.287.781,55 euro

Vastgelegde steun 43.453.884,32 euro 3.484.471,01 euro 4.137.640,25 euro 51.075.995,58 euro

Het VLIF gebruikte in 2005 dus de volledige vastleggingsmachtiging. Daarnaast waren er nog een 500-tal afgewerkte dossiers, voor een budgettaire vastlegging van ong. 5,5 miljoen euro, die niet meer konden worden vastgelegd in 2005 bij gebrek aan vastleggingsmachtiging.

4.3.1 Toegekende steun aan land-en tuinbouwers en hun coöperaties RENTESUBSIDIES Een rentesubsidie wordt toegekend voor een bepaalde duur (5 à 15 jaar) afhankelijk van de looptijd van het betreffende krediet en/of de aard van de investering. Het Vlaams deel van de toegekende steun wordt budgettair vastgelegd in het jaar van beslissing om gedurende verschillende jaren, degressief naarmate het kredietsaldo daalt, te worden uitbetaald. De rentesubsidies worden opgesplitst in 3 grote categorieën : - investeringssteun (C) met 25 % EOGFL-medefinanciering op de werkelijke uitbetalingen - vestigingssteun (CI) met 50 % EOGFL-medefinanciering op de werkelijke uitbetalingen - louter regionale rentesubsidie (REG) zonder EOGFL-medefinanciering. In 2005 werden voor deze categorieën voor dossiers van land- en tuinbouwers en hun coöperaties in totaal 25.548.311,03 euro rentesubsidie vastgelegd : investeringen (C): 18.933.662,70 euro (plus 446.746,30 euro voor herzieningen) vestigingen (CI) : 1.629.465,65 euro (plus 72.758,33 euro voor herzieningen) regionale steun (REG): 1.561.094,06 euro (plus 64.620,43 euro voor herzieningen) regionale steun (REG-coöp.) 2.455.094,21 euro (plus 384.869,35 euro voor herzieningen) Totaal: 24.579.316,62 euro (plus 968.994,41 euro voor herzieningen) KAPITAALPREMIES Oude regelgeving (dossiers ingediend tot en met 1999) De betreffende premies werden toegekend voor dossiers die ingediend werden vóór 2000 volgens de toenmalige VLIF-regelgeving. Hierin werden aan land- en tuinbouwers die minder dan 5 jaar gevestigd waren een bijkomende premie toegekend op hun investeringen bovenop de toegekende rentesubsidie met EU-medefinanciering, berekend als een equivalent van deze rentesubsidie. In tegenstelling tot de huidige VLIF-kapitaalpremies werden deze premies slechts indicatief vermeld bij de steunbeslissing en werden pas definitief vastgesteld na factuurcontrole. Aangezien inmiddels het VLIF slechts het Vlaamse deel (= 50 % of 75 %) moet uitbetalen aan het Betaalorgaan, dient ook maar dit Vlaams aandeel van de premies budgettair te worden vastgelegd op de VLIFmachtiging om de betaling mogelijk te maken. In 2005 werd er 13.781,70 euro vastgelegd voor uitbetaling van premies aan investeringen bij eerste installatie ( = 27.563,47 euro premietotaal) (zie ook punt 4.5.2. Uitbetalingen). Hiermee zijn de laatste oude premies van deze categorie volledig vereffend. Premies aan investeringen in de varkenssector waren in 2004 reeds volledig weggewerkt. Huidige regelgeving (dossiers ingediend vanaf 2000) Er worden 2 types kapitaalpremies toegekend : - vestigingspremie van 50 % op de eerste schijf van 50.000 euro vestigingskosten - investeringspremie, hetzij bij autofinanciering 10 %, 20 % , 30 % of 40 % op de subsidiabele investering, hetzij bij financiering met krediet aanvullend bij de rentesubsidie om te komen tot een steunvolume van 10 %, 20 %, 30 % of 40 % van de subsidiabele investering.

24

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Deze premies werden in 2005 bij de goedkeuring (toekenning) van de steun vastgelegd (Vlaams gedeelte). In 2005 werd in totaal 16.804.741,61 euro vastgelegd voor kapitaalpremies: - investeringspremies (land- en tuinbouwers): 13.388.736,70 euro (plus 494.700,48 euro voor herzieningen) - investeringspremies (coöperaties): 246.008,86 euro (plus 213.182,53 euro voor herzieningen) - vestigingspremies: 2.391.985,29 euro (plus 70.127,75 euro voor herzieningen) 16.026.730,85 euro (plus 778.010,76 euro voor herzieningen) Startpremie aan samenwerkingsverbanden Voor 1 dossier werd er in 2005 een startpremie van 22.069,16 euro vastgelegd. Deze premie helpt de beheerskosten dragen bij de start van een coöperatie met het oog op de gemeenschappelijke afzet van land- en tuinbouwproducten, tijdens het eerste werkingsjaar. WAARBORGEN In 2005 werd in totaal 1.064.980,82 euro VLIF-waarborg vastgelegd voor uitbetaling van de aanvullende waarborg voor 12 bedrijven die hun land- en tuinbouwactiviteit gedwongen hadden stopgezet na opzegging van de kredieten wegens oplopende achterstallen. Het betreft 5 landbouw- en 7 tuinbouwbedrijven (zie ook Uitbetalingen onder punt 4.5.3. voor inhoudelijke gegevens).

4.3.2 Toegekende steun aan agrovoedingsbedrijven Door de verruiming van de VLIF-doelgroepen (cfr. art. 55 van het programmadecreet 2005) kent het VLIF ook kapitaalpremies toe aan agrovoedingsbedrijven voor wat de Vlaamse cofinanciering betreft. In 2005 gebeurde dit parallel met de EU-financiering van investeringsprojecten in de tweede indieningsronde terzake binnen het PDPO 2000-2006 waarbij 89 projecten werden weerhouden voor een totale vastlegging aan Vlaamse steun van 3.484.471,01 euro. Deze projecten omvatten investeringen uit volgende sectoren: vlees; kleinvee en eieren; zuivelproducten; groenten en fruit; niet eetbare tuinbouwproducten; granen; aardappelen; industriële gewassen (vlas).

4.3.3 Toegekende steun aan omkadering van de land- en tuinbouw Door de verruiming van de VLIF-doelgroepen (cfr. art. 55 van het programmadecreet 2005) kent het VLIF ook kapitaalpremies toe aan de omkadering van de land- en tuinbouw, in casu proeftuinen en praktijkcentra. Feitelijk betreft het een inkapselen van de steunverlening van deze doelgroep binnen het VLIF, waar ze voorheen op een specifiek begrotingsartikel werden bediend. In 2005 werd hiervoor in totaal 4.137.640,25 euro premies vastgelegd : - 234.361,25 euro van vroeger toegekende steun die getransfereerd werd naar het VLIF - 3.903.279,00 euro voor 1 nieuwe aanvraag van een proefstation

4.4 Financiële middelen

4.4.1 Overdracht saldo 2004

De VLIF-rekening vertoonde op 31/12/2004 een creditsaldo van 76.524,49 euro. Eind 2004 werd bij de tweede aanpassing van de begroting 2004 (decreet en dotatiebesluit van 24 december 2004) aan het VLIF een bijkomende dotatie van 3 miljoen euro toegekend. Deze werd echter niet meer in 2004 zelf vrijgegeven, laat staan dat ze kon aangewend worden. Dit kon pas begin 2005. Begrotingstechnisch komt deze dan ook in de rekeningen als saldo 2004 zodat het VLIF eigenlijk een saldo 2004 van in totaal 3.076.524,49 euro had.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

25


4. Het VLIF financieel in 2005 4.4.2 Dotatie van de Vlaamse Gemeenschap De initieel toegekende dotatie van de Vlaamse Gemeenschap van 42 miljoen euro werd integraal, zij het in verschillende schijven, vrijgegeven krachtens het ministerieel besluit van 4 januari 2005 houdende toekenning van een dotatie voor 2005 aan het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Bij de aanpassing van de begroting 2005 werd deze dotatie verhoogd tot 46,820 miljoen euro. De verhoging van 4,820 miljoen euro werd integraal vrijgegeven krachtens het ministerieel besluit van 8 juli 2005 houdende toekenning van een aanvullende dotatie aan het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds voor 2005.

4.4.3. Ontvangen borgsom bij VLIF-erkenning De erkenning door het VLIF van een kredietinstelling voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor VLIF-steun heeft slechts uitwerking als deze kredietinstelling een borgsom van 12.500 euro betaalt aan het VLIF. Dit bedrag blijft daar renteloos gedeponeerd tot aan de beĂŤindiging van de erkenning. In 2005 werd er een kredietinstelling nieuw erkend zodat er bijgevolg ook 12.500 euro borgsom ontvangen werd.

4.4.4 GeĂŻnde waarborgbijdragen Als het VLIF aanvullende waarborg verleent, dan dient een bijdrage betaald te worden die als volgt wordt berekend : - 0,35 % op de toegekende waarborg - 0,015 % op de toegekende waarborg per jaar duurtijd van deze waarborg. Voor een duurtijd van 10 jaar betekent dit bijvoorbeeld in totaal 0,5 % op de toegekende waarborg. In 2005 ontving het VLIF 109.449,24 euro aan waarborgbijdragen voor 131 dossiers.

4.4.5 Terugbetalingen van teveel uitbetaalde rentesubsidie en premies Bij een stopzetting van de steun of na een herziening van de initieel toegekende steun, bijvoorbeeld als gevolg van een interne of externe controle (audit) wordt het teveel uitbetaalde bedrag teruggevorderd. Rentesubsidies worden meestal onmiddellijk rechtgezet bij de betaling zelf of verrekend bij een volgende opvraging zodat er hiervoor geen echte geldstroom is. Dit neemt niet weg dat er toch nog beperkte effectieve terugstortingen worden verricht door kredietinstellingen. Terugvorderingen van kapitaalpremies geven wel effectieve terugstortingen door de land- of tuinbouwers zelf. Net zoals de betalingen met EU-medefinanciering worden uitgevoerd door het Betaalorgaan, worden ook de terugvorderingen teruggestort via het Betaalorgaan, dat dan het Vlaams deel van de ontvangen sommen doorstort naar het VLIF. In 2005 ontving het VLIF aldus in totaal 128.144,57 euro (Vlaams deel) na terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde steun voor 89 dossiers : 1 dossier voor rentesubsidie : 1.397,84 euro 3 dossiers voor vestigingspremie : 22.296,83 euro 85 dossiers voor investeringspremie : 104.449,90 euro

26

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


4.4.6 Terugvorderingen van uitbetaalde VLIF-waarborg De aan de erkende kredietinstellingen uitbetaalde VLIF-waarborg na faling en uitwinning van het bedrijf worden teruggevorderd bij de (gewezen) kredietnemers. Hiertoe worden de dossiers doorgestuurd naar de centrale invorderingscel (CIC) van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap die alle mogelijke wettelijke middelen ter beschikking heeft om de betreffende som in te vorderen, uiteraard nadat er enkele aanmaningen zijn geweest. Deze instantie kan ook betalingsregelingen toestaan, met medeweten van het VLIF. De uiteindelijk toch ontvangen sommen zijn zeer beperkt vermits het per definitie schuldenaars zijn die alles kwijt zijn door de gedwongen stopzetting van hun land- of tuinbouwactiviteit en uitwinning van hun bedrijf. Deze worden dan door de CIC doorgestort aan het VLIF. Het VLIF ontving in 2005 aldus 16.515,48 euro ontvangen uit hoofde van slechts 5 verschillende zaken waarvoor al enkele jaren regelmatig iets wordt terugbetaald door betrokkenen, terwijl het VLIF in de loop der jaren voor 72 gevallen in totaal 7.651.083,21 euro waarborg uitbetaalde.

4.5 Uitbetaalde VLIF-steun De totale uitbetalingen aan VLIF-steun in 2005 bedroegen 50.115.239,06 euro (Vlaams aandeel), als volgt verdeeld : Totaal steunvolume waarvan Vlaamse cofinanciering Aan land- en tuinbouwers en hun coöperaties: - rentesubsidies : 33.520.853,02 euro 25.694.201,69 euro - kapitaalpremies (oude regelgeving) : 27.563,47 euro 13.781,70 euro - kapitaalpremies : 29.936.549,49 euro 20.865.857,97 euro - waarborg : 1.064.980,82 euro 1.064.980,82 euro - startpremie aan samenwerkingsverbanden: 22.069,16 euro 22.069,16 euro Aan de agrovoedingssector: 1.374.354,29 euro Aan de omkadering van land- en tuinbouw: 1.079.993,43 euro 67.026.363,68 euro

1.374.354,29 euro 1.079.993,43 euro 50.115.239,06 euro

Verder in dit deel wordt alleen het Vlaams aandeel van de steun weergegeven dat door het VLIF zelf wordt uitbetaald aangezien het Europees deel (EOGFL-medefinanciering) wordt geregeld via het Betaalorgaan (zie hoger). Het VLIF gebruikte in 2005 dus nagenoeg alle beschikbare betalingsmiddelen (3.076.524,49 euro saldo 2004 + 46,820 miljoen euro dotatie + 254.109,29 euro eigen inkomsten) zodat het kassaldo eind 2005 slechts 23.105,36 euro bedroeg. Bij gebrek aan betalingsmiddelen moest er echter nog 2.060.820,07 euro onbetaalde regionale rentesubsidie (= volledig Vlaams) van het 4e kwartaal 2005 worden doorgeschoven naar 2006.

4.5.1 Uitbetaalde VLIF-steun aan land- en tuinbouwers en hun coöperaties RENTESUBSIDIES In 2004 werd in totaal 25.694.201,69 euro rentesubsidie uitbetaald (Vlaams gedeelte), verdeeld over de 3 steuncategorieën als volgt : - investeringssteun (C) : 17.279.240,16 euro - vestigingssteun (CI): 2.066.904,61 euro - louter regionale steun (REG) : 6.348.056,92 euro Het betreft dus jaarlijkse betalingen ingevolge beslissingen die kunnen teruggaan tot maximaal 15 jaar geleden (dus sedert de start van het VLIF in 1993).

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

27


4. Het VLIF financieel in 2005 KAPITAALPREMIES Oude regelgeving (dossiers ingediend tot en met 1999) In 2005 werden de vastgelegde 13.781,70 euro voor aanvullende investeringspremies ook effectief uitbetaald, betrekking hebbend op nog 11 achtergebleven vestigingsdossiers. Huidige regelgeving (dossiers ingediend vanaf 2000) De kapitaalpremies toegekend volgens de huidige VLIF-regelgeving voor aanvragen ingediend vanaf 1 januari 2000 worden uitbetaald na controle van de investeringsbewijzen, hetzij in 2 gelijke delen met 1 jaar tussentijd, hetzij volledig in 1 keer als de premie kleiner is dan 1000 euro. In 2005 werd er 20.865.857,97 euro uitbetaald door het VLIF (= Vlaams deel) verdeeld als volgt : Startpremie aan samenwerkingsverbanden Vestigingspremies Geheel of gedeeltelijk met krediet Aantal dossiers 455 Uitbetaald 3.068.672,15 (euro)

Investeringspremies

Volledig eigen middelen

TOTAAL

Geheel of gedeeltelijk met krediet

Volledig eigen middelen

TOTAAL

17

472

4.224

2.908

7.132

104.436,14

3.173.108,29 11.245.936,98 6.446.812,70 17.692.749,68

De in 2005 toegekende premie van 22.069,16 euro werd ook in 2005 uitbetaald. WAARBORG De in 2005 vastgelegde VLIF-waarborg werd ook in 2005 uitbetaald, nl. 1.064.980,82 euro. Dit bedrag bestond uit 855.268,81 euro kapitaal en 209.712,01 euro intresten en kosten. Na de kredietopzegging door de bank worden de eigen zekerheden uitgewonnen. Soms duurt de uitwinningsprocedure lang, waarna voor het resterend verlies een beroep gedaan wordt op het VLIF om de waarborg uit te betalen. Hiertoe is een juridisch advies ter zake nodig, gevolgd door het onderzoek ter bepaling van het waarborgbedrag zodat eventueel nog bijkomende gegevens moeten opgevraagd worden bij de bank. De bedrijven waarvoor in 2005 waarborg uitbetaald werd, zijn dus reeds enkele jaren geleden in liquidatie gegaan. De waarborguitkeringen in 2005 hadden betrekking op 12 gevallen van onvermogen met 16 VLIF-dossiers waarvoor het VLIF initieel 1.528.265,97 euro waarborg had toegekend. Landbouw

Tuinbouw

Totaal

aantal gevallen

5

7

12

aantal VLIF-dossiers

6

10

16

Initieel toegekende VLIFwaarborg

561.643,43 euro

966.622,54 euro

1.528.265,97 euro

Uitbetaalde waarborg

427.737,07 euro

637.243,75 euro

1.064.980,82 euro

kapitaal

382.579,93

472.688,88

855.268,81

intresten

45.157,14

164.554,87

209.712,01

Van de 5 uitbetalingen voor een landbouwbedrijf, waren er 2 voor een varkensbedrijf. Van de 7 uitbetalingen voor een tuinbouwbedrijf waren er 3 fruitbedrijven en 2 champignonbedrijven.

28

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


TERUGBETALING VAN EERDER ONTVANGEN BORGSOMMEN De erkenning door het VLIF van een kredietinstelling voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor VLIF-steun heeft slechts uitwerking als deze kredietinstelling een borgsom betaalt aan het VLIF. Dit bedrag blijft daar renteloos gedeponeerd tot aan de beëindiging van de erkenning. In 2005 werd de erkenning van 2 kredietinstellingen beëindigd ingevolge fusie met een andere erkende kredietinstelling. Hierdoor diende de bij erkenning ontvangen borgsom van 500.000 BEF aan deze kredietinstellingen te worden terugbetaald, hetzij een uitgave van 24.789,36 euro.

4.5.2 Uitbetaalde VLIF-steun aan de agrovoedingssector In 2005 betaalde het VLIF 1.374.354,29 EUR steun aan agrovoedingsbedrijven. Het betrof 43 betalingen die voortvloeiden uit in 2005 toegekende steun (zie hoofdstuk 8 voor meer inhoudelijke informatie). De betaling van deze premies gebeurt na eindcontrole op de gesubsidieerde verrichting(en). De betaling wordt gespreid in maximum 2 schijven. Het bovengenoemd bedrag omvat enkel het Vlaams aandeel dat doorgestort wordt naar het Vlaams betaalorgaan EOGFL-Garantie. Dit betaalorgaan prefinanciert het Europees gedeelte in toepassing van de PDPO-maatregel "Bevordering van afzet en verwerking", in afwachting dat het EOGFL dit aan het betaalorgaan stort, en betaalt de premies volledig uit aan de begunstigden.

4.5.3 Uitbetaalde VLIF-steun aan de omkadering van land- en tuinbouw In 2005 werd er in totaal 1.079.993,43 EUR betaald, waarvan 975.819,75 EUR voor één bepaalde nieuwe aanvraag waarvoor de steun werd toegekend in 2005 en 100.173,68 EUR voor andere eerdere projecten (zie hoofdstuk 8 voor meer inhoudelijke informatie). De betaling van deze premies gebeurt na eindcontrole op de gesubsidieerde verrichting(en). De betaling wordt gespreid over maximum 4 schijven.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

29


5. Ingediende VLIF-dossiers (producenten en coöperaties) In 2005 werden in totaal 4484 nieuwe dossiers ingediend nl. 4448 dossiers door particuliere land- en tuinbouwers en 36 dossiers door coöperatieve vennootschappen. Dit zijn 423 dossiers meer dan in 2004. De evolutie van het aantal ingediende dossiers over de jaren heen wordt uitvoerig besproken in hoofdstuk 7. De totale voorziene investeringskost voor deze 4484 dossiers bedraagt 450 miljoen euro, waarvan 3,3 miljoen euro voor de coöperatieve vennootschappen. In 2004 was dit 350 miljoen euro. We merken dus een sterke stijging van de voorziene investeringskosten bij de particuliere landbouwer.

5.1 Dossiers land- en tuinbouwers De 4448 ingediende dossiers van de particuliere land- en tuinbouwers hebben voor twee-derden betrekking op de landbouwsector, en dus voor één-derde op de tuinbouwsector. Bij de verhouding van de voorziene investeringskosten merkt men nog een groter aandeel voor de landbouw (72%). Tabel 5.1 en figuur 5.1 geven een overzicht van het aantal ingediende dossiers en de voorziene investeringskosten per provincie. West-Vlaanderen is veruit de belangrijkste provincie wat landbouw betreft met in totaal 1678 dossiers waarvan 1355 landbouwdossiers. In Oost-Vlaanderen is tuinbouw relatief belangrijker. Er werden nl. meer tuinbouwdossiers ingediend dan in West-Vlaanderen, maar veel minder landbouwdossiers (718). Ook in Antwerpen zijn veel aanvragen afkomstig van tuinbouwbedrijven (335), maar er werden slechts 489 landbouwdossiers ingediend. Limburg en Vlaams Brabant hebben merkelijk minder indieningen dan de andere provincies (respectievelijk 470 en 389). De stijging van het aantal dossiers ten opzichte van 2004 doet zich in elke provincie voor en dit in de landbouwsector (+441 dossiers). De tuinbouwsector daarentegen kent een lichte afname (-33 dossiers). Mogelijke redenen voor deze sterke stijging in de landbouwsector zijn het succes van de steunmaatregel voor het bouwen van amoniakemissiearme stallen en het speculeren op wijzigingen in de regelgeving begin 2006. Bij het bekijken van de voorziene investeringskosten wordt deze stijging nog extra bevestigd. In de landbouwsector zijn er ten opzichte van 2004 120 miljoen euro meer investeringskosten, in de tuinbouwsector 7 miljoen euro. Tabel 5.1 Aantal ingediende dossiers en voorziene investeringskosten per provincie Landbouw

Tuinbouw

Totaal

West-Vlaanderen

1355

323

1678

Oost-Vlaanderen

718

369

1087

Antwerpen

489

335

824

Limburg

290

180

470

Vlaams Brabant

254

135

389

3106

1342

4448

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

West-Vlaanderen

153.626.038

23.411.995

177.038.033

Oost-Vlaanderen

81.467.036

28.476.561

109.943.597

Antwerpen

42.168.023

48.630.917

90.798.940

Limburg

24.867.564

11.768.184

36.635.748

Vlaams Brabant

24.228.196

9.186.703

33.414.899

326.356.857

121.474.359

447.831.217

Vlaanderen

Vlaanderen

30

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Figuur 5.1 Aantal ingediende dossiers in land- en tuinbouw per provincie

5.1.1 Indeling per maatregel: vestigingssteun vs. investeringssteun In 2005 werden 222 aanvragen ingediend voor vestigingssteun en 4295 aanvragen voor investeringssteun (tabel 5.2). Een dossier kan zowel een aanvraag voor vestigings- als investeringssteun bevatten. Op 11 dossiers na werden alle aanvragen om vestigingssteun ingediend door een financiĂŤle instelling die krediet verleende voor de financiering van de vestiging. Gezien de omvang van deze dossiers is dit een logische vaststelling. Voor aanvragen om investeringssteun werd 39% ingediend door de landbouwer zelf waarbij de voorziene kosten volledig met eigen middelen gefinancierd worden. Meestal gaat het om kleinere investeringen, de investeringsdrempel voor het indienen van VLIF-dossiers bedraagt 6250 euro. De 1658 betrokken dossiers halen dan ook slechts 15% van de totale voorziene kosten voor investeringssteun (402,6 miljoen euro). De gemiddelde voorziene kost voor investeringen bedraagt 93.754 euro per dossier, en voor een vestiging loopt dit op tot 203.414 euro. Ook hier merken we een sterke toename ten opzichte van 2004: er worden dus meer dossiers ingediend voor een hogere gemiddelde investeringskost. Tabel 5.2 Aantal ingediende dossiers en voorziene kosten per maatregel en financieringswijze

Eigen middelen Lening bij bank Totaal

Aantal dossiers Voorziene kosten (miljoen euro) Aantal dossiers Voorziene kosten (miljoen euro) Aantal dossiers Voorziene kosten (miljoen euro)

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

Vestigingen 11 0,694 211 44,465 222 45,158

Investeringen 1.658 59,164 2.637 343,509 4.295 402,673

31


5. Ingediende VLIF-dossiers (producenten en coรถperaties) Tabel 5.3 toont het aantal ingediende dossiers, voorziene kosten en kredietvolume per kredietinstelling. Het totaal kredietvolume bedraagt 378miljoen euro; een stijging met 141 miljoen euro t.o.v. 2004, bijna uitsluitend gerealiseerd door de drie grootste banken: KBC (+ 92 miljoen euro), Landbouwkrediet (+45 miljoen euro) en Fortis (+15 miljoen euro). De totale stijging in kredietvolume ligt zelfs hoger dan de totale stijging van de voorziene investeringskost (+ 116 miljoen euro). Er worden dus meer omvangrijke dossiers ingediend met hoge investeringskosten, waarbij men ook sneller krediet aanvraagt dan financiering met eigen middelen. De toename in investeringskosten en kredietvolume toont aan dat een goede samenwerking tussen VLIF en de kredietinstellingen van groot belang blijft. Tabel 5.3 Aantal ingediende dossiers, voorziene kosten en kredietvolume per maatregel en per kredietinstelling Vestigingen

Investeringen

Totaal

Aantal

Voorziene kosten

Aantal

Voorziene kosten

Aantal

Voorziene kosten

Krediet volume

11

693.570

1.658

59.163.968

1.669

59.857.538

0

141

29.512.362

LANDBOUWKREDIET

48

10.224.126

677

90.231.069

725 100.455.195 100.443.341

FORTIS BANK

16

3.240.817

305

34.092.507

321

37.333.324

35.085.935

ING BELGIE

3

651.174

65

7.704.948

68

8.356.123

8.390.879

CENTEA

1

274.426

24

1.533.654

25

1.808.080

2.010.883

AXA BANK

22

1.418.440

22

1.418.440

1.314.304

DEXIA BANK

18

1.836.988

18

1.836.988

1.496.495

6

713.892

8

1.275.892

1.382.350

1

387.200

1

387.200

250.000

EIGEN MIDDELEN KBC BANK

DELTA LLOYD BANK

2

562.000

TRIODOS BANK Totaal

222 45.158.476

1.519 205.590.075

4.295 402.672.741

1.660 235.102.437 227.849.120

4.517 447.831.217 378.223.308

In tabel 5.4 wordt een overzicht gegeven van de vestigingsdossiers per provincie. Men ziet dat in WestVlaanderen niet alleen de meeste vestigingsdossiers ingediend (36%) werden, maar gemiddeld gezien ook de zwaarste (38% van de voorziene kosten). Verder valt het relatief lage aandeel vestigingsdossiers van Limburg op (4,5%) en het relatief hoge aandeel van Vlaams Brabant (13%) wanneer men deze vergelijkt met het gemiddelde aandeel van deze provincies in Vlaanderen. Voor Limburg is dit lage aantal wellicht een gevolg van een uitzonderlijk hoog aantal vestigingsdossiers in 2004 (33 dossiers). In tabel 5.5 wordt een overzicht gegeven van de investeringsdossiers per provincie. Omdat de investeringsdossiers 88% vertegenwoordigen van het totaal aantal dossiers, tekent zich hier dezelfde sectorale en provinciale spreiding af zoals hoger beschreven.

32

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Tabel 5.4 Overzicht van het aantal ingediende vestigingsdossiers en voorziene kosten in land- en tuinbouw per provincie Aantal indieningen Landbouw

Tuinbouw

Totaal

West-Vlaanderen

75

6

81

Oost-Vlaanderen

61

7

68

Antwerpen

30

5

35

6

4

10

25

3

28

197

25

222

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

West-Vlaanderen

16.782.034

438.490

17.220.524

Oost-Vlaanderen

13.171.225

480.038

13.651.263

Antwerpen

6.379.914

316.586

6.696.500

Limburg

1.239.307

836.767

2.076.074

Vlaams Brabant

5.211.367

302.749

5.514.116

42.783.845

2.374.631

45.158.476

Limburg Vlaams Brabant Vlaanderen Voorziene kosten (euro)

Vlaanderen

Tabel 5.5 Overzicht van het aantal ingediende investeringsdossiers en voorziene kosten in land- en tuinbouw per provincie Aantal indieningen Landbouw

Tuinbouw

Totaal

West-Vlaanderen

1305

320

1625

Oost-Vlaanderen

673

365

1038

Antwerpen

463

330

793

Limburg

287

178

465

Vlaams Brabant

240

134

374

2968

1327

4295

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

West-Vlaanderen

136.844.004

22.973.505

159.817.509

Oost-Vlaanderen

68.295.812

27.996.522

96.292.334

Antwerpen

35.788.110

48.314.331

84.102.441

Limburg

23.628.258

10.931.416

34.559.674

Vlaams Brabant

19.016.829

8.883.954

27.900.783

Vlaanderen Voorziene kosten (euro)

Vlaanderen

283.573.012 119.099.728 402.672.741

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

33


5. Ingediende VLIF-dossiers (producenten en coöperaties) 5.1.2 Indeling volgens aantal verrichtingen In deze rubriek worden de verschillende verrichtingen waarvoor het VLIF steun verleent nader geanalyseerd. Per dossier kan voor verschillende types van investeringen (verschillende verrichtingen) steun aangevraagd worden. De types investeringen (verrichtingen) worden gegroepeerd in 5 categorieën naar de aard van de investering: • Eerste vestiging; • Aankoop hoeve; • Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen; • Andere bedrijfsverbeteringen; • Installaties,materieel en vee. Binnen elke categorie kan men daarnaast nog een aantal specifieke investeringen beschouwen, volgens het doel van de investering, gegroepeerd in 4 groepen: • milieu-investeringen; • investeringen ter bevordering van de diversificatie op het land- of tuinbouwbedrijf; • investeringen ter bevordering van het dierenwelzijn; • investeringen in de biologische landbouw. Het overgrote deel van de verrichtingen rangschikt zich evenwel nog steeds in de rubriek ‘gangbare investeringen’, hier genoemd ‘overige’. Een overzicht van alle types investeringen die tot een bepaalde categorie en/of doelgroep behoren, wordt weergegeven in de bijlagen. De tabellen 5.6, 5.7 geven een overzicht van respectievelijk het aantal verrichtingen en de voorziene uitgaven per categorie, doelgroep en provincie. Wanneer men de situatie voor Vlaanderen in zijn geheel bekijkt, merkt men dat in 3371 (76%) dossiers van de 4448 ingediende dossiers investeringen voorzien zijn in de categorie ‘installaties, materieel en vee’. Voor bijna 23% van de gevallen hebben die investeringen op een uitgesproken wijze betrekking op het milieu en voor 4% op de diversificatie in de land- en tuinbouw. In 54% van de dossiers zijn investeringen in de categorie ‘bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen’ voorzien, ook hier kunnen een aantal investeringen toegewezen worden aan verbeteringen voor het milieu, diversificatie, dierenwelzijn of biologische landbouw. De categorie ‘Eerste vestiging’ (vnl. vestigingssteun) komt vooral voor in de landbouwsector. Overnames van bedrijven komt in de tuinbouwsector minder vaak voor; het starten van een nieuw tuinbouwbedrijf gebeurt veelal door de creatie van een bedrijf ondergebracht in de categorie ‘Installaties, materieel en vee’ en ‘Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen’. Naast de werkelijke vestigingssteun bevat de categorie ‘Eerste vestiging’ ook investeringssteun voor overnames tweede fase. De categorie ‘Aankoop hoeve’ vindt men ook hoofdzakelijk in de landbouwsector terug (84%). Opvallend is dat meer dan 50% (52,3%) van het totaal aantal aanvragen voor ‘aankoop hoeve’ afkomstig is uit WestVlaanderen.

34

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Tabel 5.6 Overzicht van het aantal ingediende verrichtingen per categorie en per doelgroep per provincie(*) West-Vlaanderen

Oost-Vlaanderen

Antwerpen

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Eerste vestiging

109

6

115

83

10

93

44

5

49

Aankoop hoeve

199

15

214

92

16

108

18

17

35

290

1

291

131

131

36

36

Diversificatie

37

12

49

15

21

9

9

Dierenwelzijn

33

33

28

28

30

1

31

Overige

448

202

650

265

219

484

145

180

325

Totaal

808

215

1023

439

225

664

220

181

401

Milieu

46

57

103

33

151

184

6

173

179

Milieu Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen

Andere Diversificatie bedrijfsverbeteringen Overige Totaal

1

1

209

76

285

110

131

241

48

96

144

255

133

388

143

282

425

55

269

324

282

37

319

140

26

166

106

32

138

38

9

47

27

3

30

20

4

24

Overige

633

209

842

372

259

631

249

194

443

Totaal

953

255

1208

539

288

827

375

230

605

Milieu Installaties, materieel en vee

6

Diversificatie

Limburg

Vlaams-Brabant

Vlaanderen

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Eerste vestiging

10

6

16

32

4

36

278

31

309

Aankoop hoeve

16

14

30

18

4

22

343

66

409

26

19

19

502

1

503

7

6

8

73

21

94

23

4

4

118

1

119

Milieu Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen

Diversificatie

6

1

2

Dierenwelzijn

23

Overige

88

51

139

60

47

107

1006

699

1705

Totaal

143

52

195

89

49

138

1699

722

2421

Milieu

9

7

16

7

23

30

101

411

512

1

2

0

2

Andere Diversificatie bedrijfsverbeteringen Overige Totaal Milieu Installaties, materieel en vee

26

Diversificatie

1 51

117

168

33

58

91

451

478

929

60

124

184

41

81

122

554

889

1443

61

15

76

49

23

72

638

133

771

7

15

5

20

107

21

128

7

Overige

188

112

300

162

94

256

1604

868

2472

Totaal

256

127

383

226

122

348

2349

1022

3371

(*) Verschillende verrichtingen kunnen gespreid over de verschillende categorieĂŤn deel uit maken van 1 dossier

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

35


5. Ingediende VLIF-dossiers (producenten en coรถperaties) Tabel 5.7 Overzicht van de voorziene bedrijfsuitgaven (euro) per categorie en per doelgroep per provincie West-Vlaanderen Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Oost-Vlaanderen Landbouw

Tuinbouw

Antwerpen

Totaal

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Eerste vestiging

18.753.841

Aankoop hoeve

16.928.726 1.951.899 18.880.625 7.635.066 1.155.057 8.790.123 2.303.344 4.346.035 6.649.379

Milieu Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen

438.490 19.192.331 14.518.736

64.653.689

111.700 64.765.389 28.696.587

Diversificatie 2.867.379

482.344 3.349.723 1.210.879

Dierenwelzijn

1.072.169

1.072.169

495.638 15.014.374 7.771.639

316.586 8.088.225

28.696.587 7.353.939 179.570 1.390.449

727.847

7.353.939

416.381

416.381

727.847 1.483.591

105.000 1.588.591

Overige

19.032.591 12.442.688 31.475.279 11.882.280 13.534.098 25.416.377 8.838.290 24.115.719 32.954.009

Totaal

87.625.828 13.036.733 100.662.561 42.519.792 13.713.668 56.233.460 18.363.493 24.220.719 42.584.213

Milieu

417.819 1.255.000 1.672.819

318.661 3.993.504 4.312.165

175.656 9.221.031 9.396.687

13.223 13.223 Andere bedrijfs- Diversificatie verbeteringen Overige 4.150.386 1.102.156 5.252.543 2.427.296 2.719.060 5.146.356 2.212.958 2.787.696 5.000.653

Totaal

4.568.206 2.357.156 6.925.362 2.745.957 6.712.564 9.458.521 2.402.197 12.008.727 14.410.923

Milieu

7.082.925

779.090 7.862.015 3.346.122

553.579 3.899.701 3.382.509 2.415.394 5.797.903

13.061 427.204 430.713 30.922 461.635 Diversificatie 1.070.354 121.280 1.191.635 414.143 Installaties, materieel en vee Overige 17.596.157 4.727.347 22.323.504 10.287.220 5.832.993 16.120.213 7.514.129 5.292.534 12.806.663

Totaal

25.749.437 5.627.717 31.377.154 14.047.486 6.399.633 20.447.119 11.327.351 7.738.850 7.738.850

Limburg Landbouw

Tuinbouw

Vlaams-Brabant Totaal

Landbouw

Tuinbouw

Vlaanderen

Totaal

Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Eerste vestiging

2.271.683

960.107 3.231.790 5.549.627

302.749 5.852.376 48.865.525 2.513.571 51.379.096

Aankoop hoeve

1.148.461

705.061 1.853.522 1.719.700

537.532 2.257.233 29.735.297 8.695.585 38.430.882

5.444.361

5.444.361 5.671.936

Milieu Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen

Diversificatie

531.825

54.000

585.825

400.617

1.446.650

134.080

54.025

5.671.936 111.820.512

111.700 111.932.212

454.643 5.427.081

769.940 6.197.021

134.080 4.864.336

105.000 4.969.336

Dierenwelzijn

1.446.650

Overige

4.724.451 3.720.491 8.444.942 3.100.304 3.190.689 6.290.992 47.577.915 57.003.685 104.581.600

Totaal

12.159.786 3.774.491 15.934.277 9.306.937 3.244.714 12.551.651 169.975.836 57.990.325 227.966.161

Milieu

162.780

133.152

295.932

45.764

Andere bedrijfs- Diversificatie verbeteringen Overige 1.821.055 2.483.120 4.304.175

7.760

Totaal

1.983.835 2.616.272 4.600.107

Milieu

1.875.247

729.492

776.811

822.575 1.120.681 15.379.497 16.500.178 7.760

20.983

0

20.983

992.563 1.722.055 11.341.187 10.084.596 21.425.783

783.017 1.769.374 2.552.390 12.483.211 25.464.093 37.947.303

225.775 2.101.022 1.298.356

652.210 1.950.566 16.985.161 4.626.047 21.611.207

136.939 401.106 286.990 688.096 2.453.256 452.253 2.905.510 Diversificatie 136.939 Installaties, materieel en vee Overige 5.291.613 3.486.477 8.778.090 5.169.452 2.393.134 7.562.587 45.858.572 21.732.486 67.591.057

Totaal

36

7.303.800 3.712.252 11.016.051 6.868.915 3.332.334 10.201.249 65.296.989 26.810.786 92.107.774

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


5.1.2.1 Bespreking van specifieke verrichtingen per categorie In de tabellen 5.6 en 5.7 werden de verrichtingen onderverdeeld in categorieën en doelgroepen. In dit gedeelte worden de specifieke verrichtingen per categorie, behorende tot een bepaalde doelgroep, nader besproken. Eerste vestiging De categorie ‘Eerste vestiging’ is uitzonderlijk omdat dit de enige categorie is waar niet enkel investeringssteun, maar vooral vestigingssteun wordt toegekend. Vestigingssteun wordt gegeven bij de eerste fase van een overname en bij aankoop van materieel, vee en planten ter gelegenheid van de vestiging en als aanvulling op de overname. De tweede fase van een overname geniet van investeringssteun. Volgende verrichtingen werden aangevraagd: • • • • • • •

Overname bij vestiging: Overname 2e fase: Aankoop materieel bij 1e vestiging: Overname aandelen vestiging: Aankoop vee bij 1e vestiging: Overname aandelen 2e fase: Aankoop planten bij 1e vestiging:

226 aanvragen 43 aanvragen 24 aanvragen 10 aanvragen 3 aanvragen 2 aanvragen 1 aanvraag

Aankoop hoeve In de categorie ‘Aankoop hoeve’ wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de speculaties op het bedrijf. Een aankoop wordt wel opgesplitst in de elementen gebouwen, woning en grond. Bouw en verbetering bedrijfsgebouwen In de categorie ‘Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen’ werden 503 aanvragen voor steun voor milieu-investeringen ingediend. In vergelijking met 2004 is dit een stijging van 379, hoofdzakelijk te wijten aan het grote succes van de steun voor ammoniakemissiearme stallen: • • • • • • • • • • •

Ammoniakemissiearme varkensstallen grondgebonden: Bouwen/Verb. am.reductiestallen vleesvarkens: Bouwen/Verb. en uitrusten potstal melkvee en jongvee (melkvee): Bouwen/Verb. am.reductiestallen fokvarkens: Bouwen/verb. am.reductiestallen biggen: Bouwen/Verb. am.reductiestallen drachtige zeugen: Bouwen/Verb. am.reductiestallen kraamhokken: Bouwen/Verb. am.reductiestallen legkippen: Bouwen/Verb. am.reductiestallen vleesvee: Bouwen/Verb. am.reductiestallen moederdieren (pluimvee) Overige:

168 aanvragen 96 aanvragen 88 aanvragen 36 aanvragen 28 aanvragen 28 aanvragen 19 aanvragen 7 aanvragen 6 aanvragen 1 aanvraag 26 aanvragen.

In 2004 konden we al zien dat de steunmaatregel voor het bouwen of verbeteren van ammoniakemissiearme stallen een succes zou worden, gezien het relatief groot aantal indieningen op een korte periode. Voor 2005 wordt dit bevestigd. Het aantal dossiers liep wellicht nog hoger op door het speculeren op een verwachte wijziging in de regelgeving met toepassing van een uniform steunpercentage in 2006. Investeringen in deze stallen brengen meestal een hoge kost met zich mee, hetgeen voor een stuk verklaart waarom de gemiddelde investeringskost per dossier een dergelijke stijging kende in 2005. De gemiddelde voorziene investeringskost voor de ingediende dossiers ammoniakemissiearme stallen bedraagt 275.000 euro.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

37


5. Ingediende VLIF-dossiers (producenten en coöperaties) Daarnaast werden in deze categorie ook 94 aanvragen voor steun m.b.t. verbreding en diversificatie ingediend, het betreft vooral investeringen in hoevetoerisme en openstellen van het bedrijf aan groepen naast investeringen in de productie en commercialisatie van hoeveproducten: • • • • •

Educatief toegankelijk maken van het bedrijf (gebouwen): Hoeveproducten zuivel (gebouwen): Hoeveproducten (andere sectoren) (gebouwen): Hoeveproducten vlees (gebouwen): Detailverkoop (gebouwen):

35 aanvragen 25 aanvragen 13 aanvragen 11 aanvragen 10 aanvragen

In de categorie ‘Bouwen en verbeteren bedrijfsgebouwen’ werden ook 119 aanvragen tot steun voor verbeteren van het dierenwelzijn ingediend: • • • • • •

Verbeteren stalklimaat: Verbouwen zeugenstallen naar groepshuisvesting: Groepshuisvesting kalveren: Losse huisvesting varkens: Herinrichting voor scharrelkippen: Verbouwen legkippenstal naar volièresysteem:

35 aanvragen 32 aanvragen 19 aanvragen 19 aanvragen 13 aanvragen 1 aanvraag.

Waar in 2004 hoofdzakelijk nog investeringen voor de groepshuisvesting voor kalveren (wettelijke verplichting) werden ingediend, merkt men in 2005 een toename van het aantal investeringsaanvragen voor groepshuisvesting van zeugen. Verder werd in deze categorie ook nog steun gevraagd voor gebouwen voor 4 biologische pluimveehouderijen en 1 biologische melkveehouderij. Andere bedrijfsverbeteringen In de categorie ‘Andere bedrijfsverbeteringen’ werden 512 aanvragen voor steun voor milieu-investeringen ingediend, dit zijn er 148 meer dan in 2004: • • • • • • •

Energiebesparing : schermen, buffer, ...: Aanleg waterreservoir: Opvang/Hergebruik beregeningswater: Mestopslagplaats: Energiebesparing : kasomhulling: Rationeel afvalbeheer: Kadaveropslag:

196 aanvragen 159 aanvragen 90 aanvragen 26 aanvragen 21 aanvragen 13 aanvragen 7 aanvragen

Het betreft vooral investeringen in de glastuinbouw gericht op energiebesparingen, de aanleg van een waterreservoir en opvang of hergebruik van beregeningswater. Vooral de investeringen voor energiebesparing in de serre via schermdoeken en het aanleggen van een waterreservoir kenden een grote stijging ten opzichte van 2004. Aanvragen voor investeringen voor geur en stofbestrijding kwamen in 2005 niet specifiek voor. Verder was er 1 aanvraag voor steun voor een bio-hoogstamboomgaard (biologische landbouw) en 2 aanvragen voor steun voor biomassaproductie (diversificatie).

38

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Installaties, materieel en vee In de categorie ‘Installaties, materieel en vee’ werden in totaal 771 aanvragen gedaan voor milieu-investeringen: • • • • • • • •

Mestinjectie: Geavanceerde spuitmachines: Mechanische onkruidbestrijding: Waterzuiveringsinstallatie: Emissiearme mestspreiding: Gasverwarmingsinstallatie: Rookgasreiniging: Mestbew./verw.systemen:

393 aanvragen 220 aanvragen 54 aanvragen 36 aanvragen 33 aanvragen 30 aanvragen 4 aanvragen 1 aanvraag.

Het gaat vooral om aanvragen voor mestinjectiesystemen (393) en geavanceerde spuitmachines (220). Deze twee investeringen kenden ook een sterke toename ten opzichte van 2004, opnieuw wellicht mede veroorzaakt door speculaties op wijzigingen in de regelgeving. Investeringen voor installaties voor compostering komen in 2005 niet meer voor. In deze categorie werden ook 128 aanvragen gedaan met betrekking tot verbreding en diversificatie van het land- en tuinbouwbedrijf., meer bepaald voor materieel betrekking hebbend op de productie van hoeveproducten en detailverkoop: • • • • • • •

Hoeveproducten zuivel (materieel): Maal- en menginstallatie: Hoeveproducten (andere sectoren) (materieel): Detailverkoop (materieel): Educatief toegankelijk maken van het bedrijf (materieel): Hoeveproducten vlees (materieel): Machines landschapsbeheer:

52 aanvragen 20 aanvragen 16 aanvragen 13 aanvragen 11 aanvragen 8 aanvragen 8 aanvragen

5.1.2.2 Bespreking van specifieke verrichtingen m.b.t. milieu, diversificatie of dierenwelzijn Tabel 5.8 geeft een overzicht van het aantal verrichtingen per specifieke doelgroep en hun spreiding over de verschillende provincies. In Vlaanderen werd in totaal in 1786 ingediende dossiers steun aan milieu-investeringen aangevraagd. Dit is in 22,5% van het totaal aantal ingediende dossiers voor 2005. Antwerpen en West-Vlaanderen scoren relatief het hoogst qua milieu-investeringen (respectievelijk 24,9 en 24,2%); in Limburg had slechts 14,6% van de ingediende dossiers betrekking op milieu-investeringen. Steun voor diversificatiemaatregelen komt relatief weinig voor: gemiddeld in 2,8% van alle dossiers in Vlaanderen, een daling van 2,3% ten opzichte van 2004. Steun voor dierenwelzijn komt in 2005 slechts in 90 dossiers voor. Steun aan investeringen in de biologische landbouw werd in 2005 zelden of nooit aangevraagd. Dit was in 2004 niet anders. Enkel in Antwerpen waren er 4 aanvragen en in Oost-Vlaanderen en Limburg telkens 1.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

39


5. Ingediende VLIF-dossiers (producenten en coĂśperaties) Tabel 5.8 Overzicht van het aantal verrichtingen per specifiek doelgroep en hun verhouding tussen de provincies Aantal verrichtingen West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Milieu

Limburg Vlaams Brabant Vlaanderen

713

481

353

118

121

1786

Diversificatie

96

51

34

14

29

224

Dierenwelzijn

33

28

31

23

4

119

0

1

4

1

0

6

24,19%

22,72%

24,96%

14,60%

18,17%

22,46%

Diversificatie

3,26%

2,41%

2,40%

1,73%

4,35%

2,82%

Dierenwelzijn

1,12%

1,32%

2,19%

2,85%

0,60%

1,50%

Biologische landbouw

0,00%

0,05%

0,28%

0,12%

0,00%

0,08%

Biologische landbouw Verhouding t.o.v. totaal Milieu

Milieu-investeringen (1786 verrichtingen ) Figuur 5.3 geeft een overzicht van de verschillende milieu-investeringen over de categorieĂŤn heen en hun relatief aandeel. Bijna de helft van de milieu-investeringen zijn investeringen in ofwel mestinjectie en emissiearme mestspreiding (24%), ofwel in het bouwen en verbeteren van ammoniakemissiearme stallen (22%). Figuur 5.2 Verdeling van het aantal verrichtingen onder de doelgroep milieu-investeringen

40

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Diversificatie en verbreding (224 verrichtingen) De investeringen m.b.t. diversificatie die veruit het meest terugkwamen in aanvragen in 2005 waren investeringen inzake de aanmaak van hoeveproducten voor zuivel (gebouwen en materieel), samen goed voor 33% (cfr. Figuur 5.3). Zo’n 21% van de aanvragen voor diversificatie hadden betrekking op hoevetoerisme en het openstellen van bedrijven aan groepen. Figuur 5.3 Verdeling van het aantal verrichtingen onder de doelgroep diversificatie

Dierenwelzijn (119 verrichtingen) Waar in 2004 hoofdzakelijk nog investeringen voor de groepshuisvesting voor kalveren (wettelijke verplichting) werden ingediend, merkt men in 2005 een toename van het aantal investeringsaanvragen voor groepshuisvesting van zeugen (cfr. Figuur 5.4). Aanvragen voor investeringen ter verbetering van het stalklimaat kwamen meest frequent voor (29%). Figuur 5.4 Verdeling van het aantal verrichtingen onder de doelgroep dierenwelzijn

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

41


5. Ingediende VLIF-dossiers (producenten en coĂśperaties) 5.1.2.3 Meest voorkomende verrichtingen per provincie Tabel 5.9 bevat de tien meest aangevraagde types investeringen in 2005 in de landbouwsector: machines en materieel staat afgetekend op de eerste plaats met 1469 aanvragen, m.a.w. in 47% van alle ingediende landbouwdossiers (3106). De meeste opvallende verandering ten opzichte van 2004 is ook hier de intrede van de ammoniakemissiearme stallen (grondgebonden varkensstallen). Tabel 5.9 Top 10 van de verrichtingen in de landbouwsector naar aantal aanvragen WestOostVlaanderen Vlaanderen Antwerpen

Vlaams Brabant

Limburg

Vlaanderen

Machines en materieel

591

327

226

171

154

1469

Mestinjectie

162

93

85

31

20

391

Bewaar- en machineloods

178

84

24

19

26

331

81

59

61

27

11

239

Erf- en andere verharding

116

58

22

21

20

237

Overname bij vestiging

78

65

31

5

27

206

Geavanceerde spuitmachines

85

28

9

24

27

173

122

29

6

11

168

Sleufsilo

62

31

12

8

7

120

Aankoop gebouwen (in gebruik)

62

30

9

5

5

111

Bouwen/ Inrichten melkveestal

Ammoniakemissiearme varkensstallen grondgebonden(*)

(*) Ammoniakemissiearme stallen ongeacht de grondgebondenheid zullen vooral vanaf 2006 een rol spelen Tabel 5.10 bevat de tien meest aangevraagde types investeringen in 2005 in de tuinbouwsector: machines en materieel staat afgetekend op de eerste plaats met 791 aanvragen, m.a.w. in 59% van alle ingediende tuinbouwdossiers (1342). De meest opvallende verandering ten opzichte van 2004 is de toename van het aantal investeringen in energiebesparing (o.a. schermdoeken voor serres). Tabel 5.10 Top 10 van de verrichtingen in de tuinbouwsector naar aantal aanvragen WestVlaanderen

Limburg

Vlaams Brabant

Vlaanderen

Machines en materieel

203

224

178

102

84

791

Bouwen / Inrichten serre

102

123

120

16

13

374

Energiebesparing: schermen, buffer, ...

18

69

87

4

15

193

Bewaar- en machineloods

44

67

44

15

17

187

Terreinuitrusting

22

50

20

12

5

109

Erf- en andere verharding

29

37

27

9

7

109

Aanleg waterreservoir

26

40

31

2

6

105

Gangbare pitfruitvariĂŤteiten

2

19

3

56

25

105

Opvang/Hergebruik beregeningswater

6

28

51

1

2

88

22

22

8

14

11

77

Bouwen frigo

42

OostVlaanderen Antwerpen

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


5.2 Dossiers land- en tuinbouwcoöperaties Naast steun aan de particuliere land- en tuinbouwer verleent het VLIF ook steun aan land- en tuinbouwcoöperaties. Deze moeten voldoen aan de specifieke bepalingen van de coöperatie voorzien in de VLIF-regelgeving, afgestemd op deze van de Nationale Raad voor de Coöperatie (waar o.a. nagegaan wordt of de statuten regels bevatten die de overheersende rol, die een aandeelhouder zou kunnen spelen in de beslissingen van de algemene vergadering, beperken en of de coöperatie geen overdreven eisen stelt om het toelaten van nieuwe leden te begrenzen). De coöperatie moet minstens betrekking hebben op 3 werkende leden-landbouwers en 2 zelfstandige landbouwbedrijven. In 2005 werden door de coöperatieve sector 36 aanvragen ingediend met een voorziene totale investeringskost van 3,3 miljoen euro. Dit zijn 14 aanvragen meer dan in 2004, maar in tegenstelling tot vorig jaar betreft het vooral kleinere investeringsdossiers, de totale investeringskost ligt trouwens 25,3 miljoen euro lager. Het grootste aantal dossiers (20) werd ingediend door coöperaties voor afzet en verwerking (hoofdzakelijk telersverenigingen, groenten&fruit en zuivelcoöperaties); 16 aanvragen kwamen van dienstverlenende coöperaties, type machineringen. De zuivelsector heeft het grootste aandeel in de totaal voorziene uitgaven (11,7 miljoen euro), betrekking hebbende op investeringen uit Oost-Vlaanderen en Antwerpen(cfr. Tabel 5.11). In tegenstelling tot 2004 zijn de voorziene uitgaven in de sector groenten en fruit (telersverenigingen, in casu tuinbouwveilingen) relatief laag (2,5 miljoen euro i.pv. 18,1 miljoen euro in 2004). De voorziene bedrijfsuitgaven voor een machinering zijn, zoals gebruikelijk, relatief klein. Tabel 5.11 Overzicht van de voorziene uitgaven (euro) voor ingediende dossiers van land- en tuinbouwcoöperaties per provincie West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Limburg Vlaams Brabant Vlaanderen Groenten en fruit

145.074

259.856

0

730.000

0

6.222.800

5.445.968

0

Machinering

416.036

36.600

380.876

636.472

Eindtotaal

561.109

6.519.256

Zuivel

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

5.826.844 1.366.472

1.396.747

2.531.677

0 11.668.768 21.924

1.491.908

1.418.671 15.692.352

43


6. Toegekende steun (producenten en coöperaties) In 2005 verleende het VLIF steun voor een totaalbedrag van 66,29 miljoen euro (Vlaamse + Europese steun), waarvan 51,08 miljoen euro Vlaamse middelen. Hiermee werd de beschikbare vastleggingsmachtiging volledig opgebruikt. De steun had in 2005 voor de eerste keer betrekking op zowel de produktiebedrijven (land- en tuinbouw), hun coöperaties als op de agrovoedingssector en omkaderingssector in land- en tuinbouw welke voor hun steunverlening aan investeringen geïntegreerd werden in het VLIF. Betrokken op de Vlaamse middelen (51,08 miljoen euro) bedroeg het aandeel van de produktiebedrijven van land- en tuinbouwers en hun coöperaties 85%; 8% werd toegekend aan de omkaderingssector en 7% aan de agrovoedingssector (zie figuur 6.1). Een gedetailleerde analyse van de verdeling volgens steunvorm (rentesubsidie, kapitaalpremie, waarborg) bevindt zich in hoofdstuk 4.

Figuur 6.1 Totaal vastgelegde VLIF-steun

6.1 Steun aan land- en tuinbouwers Voor de particuliere land- en tuinbouwers werden 2971 nieuwe dossiers in 2005 gunstig beslist, samen goed voor in totaal (Vlaams + EU) 52,699 miljoen euro steun (cfr. tabel 6.1). Daarnaast werden 220 ongunstige beslissingen genomen, waarvan sommigen vatbaar zijn voor herziening na het vervullen van een aantal opgelegde voorwaarden. Er werden 573 dossiers herzien, wat een bijkomende toekenning van 1,602 miljoen euro met zich meebracht. Tabel 6.1 Aantal gunstig besliste dossiers voor particuliere land- en tuinbouwers en hun steunvolume (euro) Landbouw

Tuinbouw

Totaal

2011

960

2971

33.423.741

19.275.595

52.699.336

343

230

573

1.185.710

416.488

1.602.199

Nieuwe dossiers Aantal Steunvolume (euro) Herzieningen Aantal Steunvolume (euro)

44

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Het grootste deel van de toekenningen (68%) gebeurt voor dossiers uit de landbouwsector, goed voor 63% van het totale steunvolume. De overige dossiers (32%) zijn toekenningen aan de tuinbouwsector, deze vertegenwoordigen 37% van het totaal toegekende steunvolume. Ten opzichte van 2004 betekent dit een verschuiving ten voordele van de landbouw. Tabel 6.2 Aantal gunstig besliste dossiers voor particuliere land- en tuinbouwers en hun steunvolume per provincie West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen

Limburg Vlaams Brabant Vlaanderen

Nieuwe dossiers Aantal Steunvolume (euro)

1112 19.572.707

757

508

300

12.353.713 12.219.967 4.480.981

294

2971

4.071.968 52.699.336

Herzieningen Aantal Steunvolume (euro)

221

184

51

57

60

573

810.315

353.281

75.603

190.537

172.462

1.602.199

Tabel 6.2 en figuur 6.2 maken duidelijk dat West-Vlaanderen de provincie is met het hoogste aantal dossiers en het hoogste toegekende steunvolume. Antwerpen heeft beduidend minder dossiers dan OostVlaanderen, maar komt in totaal steunvolume wel dicht in de buurt van Oost-Vlaanderen. In Antwerpen worden dan ook meer omvangrijke dossiers, voornamelijk uit de tuinbouwsector behandeld. In Limburg en Vlaams Brabant wordt een heel stuk minder steun toegekend. Dit beeld correspondeert met de belangrijkheid in de Vlaamse land- en tuinbouw van deze provincies.

Figuur 6.2 Totale toegekende steun aan particuliere land- en tuinbouwers per provincie Sinds de verandering van de regelgeving in 2000 kan steun worden verleend in de vorm van rentesubsidie met aanvullende premie (kredietdossiers) of louter in de vorm van een gelijkwaardige premie (financiering met eigen middelen). In 2005 werd voor 1130 nieuwe dossiers, gefinancierd met eigen middelen, steun in de vorm van premies toegekend (zie tabel 6.3). Daartegenover staan 1841 nieuwe dossiers gefinancierd met een lening bij een kredietinstelling. Het totale steunvolume, als som van de rentesubsidie en de aanvullende kapitaalpremie, ligt voor deze dossiers beduidend hoger. Ook bij deze dossiers is het mogelijk dat een gedeelte met eigen middelen wordt gefinancierd, waardoor het aandeel van de kapitaalpremie toeneemt, de dossiers worden in tabel 6.3 wel integraal ondergebracht in de kolom ‘lening bij kredietinstelling’.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

45


6. Toegekende steun (producenten en coรถperaties) Tabel 6.3 Aantal dossiers en toegekende steun (euro) naar financieringswijze Lening bij Eigen middelen kredietinstelling

Totaal

Nieuwe dossiers Aantal Steunvolume (euro)

1.130

1.841

2.971

6.093.125

46.606.211

52.699.336

101

472

573

127.376

1.474.823

1.602.199

1.231

2.313

3.544

6.220.501

48.081.034

54.301.535

Herzieningen Aantal Steunvolume (euro) Totaal Aantal Steunvolume (euro)

Het totale steunvolume voor dossiers met een lening bedraagt 48,081 miljoen euro. Dit is 10 miljoen euro meer dan in 2004. Het steunvolume voor de dossiers met eigen middelen bleef nagenoeg constant op 6 miljoen euro. Indeling volgens kredietinstelling Tabel 6.4 Overzicht van het aantal dossiers en het totale steunvolume (euro) in land- en tuinbouw per kredietinstelling Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Aantal

Steunvolume

Aantal

Steunvolume

Aantal

Steunvolume

KBC BANK

855

18.686.936

488

12.712.776

1343

31.399.711

EIGEN MIDDELEN

814

3.870.961

417

2.349.540

1231

6.220.501

LANDBOUWKREDIET

439

7.506.754

143

2.323.320

582

9.830.074

FORTIS

148

2.819.458

86

1.359.838

234

4.179.296

ING BELGIE

42

774.620

29

566.542

71

1.341.163

AXA BANK

21

383.578

9

111.200

30

494.779

CENTEA

18

284.882

9

175.458

27

460.340

DEXIA BANK

10

163.404

6

50.931

16

214.335

BEROEPSKREDIET

4

98.330

1

29.683

5

128.013

DELTA LLOYD BANK

2

19.961

1

4.767

3

24.727

RECORD BANK

1

567

1

8.028

2

8.595

Tabel 6.4 geeft een overzicht van het totale steunvolume per kredietinstelling. KBC Bank heeft hierin duidelijk het grootste aandeel (58%), daarna volgen Landbouwkrediet (18%) en FORTIS Bank (8%). KBC Bank richt zich in verhouding meer naar de tuinbouwsector dan Landbouwkrediet en FORTIS Bank.

46

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


6.1.1 Vestigingssteun 6.1.1.1 Algemeen In 2005 werden 196 dossiers met vestigingssteun goedgekeurd (zie tabel 6.5), gecofinancierd met Europese financiële middelen (stelsel 5). Daarvan ontvingen 73 dossiers bijkomende steun zonder medefinanciering van het EOGFL (stelsel 7). Er werden 6 vestigingsdossiers herzien. Na een terugval in 2004 (168 dossiers) herstelt het aantal vestigingen zich opnieuw rond de 200 dossiers. De totale steun voor vestigingen bedroeg in totaal 9,954 miljoen euro waarvan 6,644 miljoen euro met medefinanciering door het EOGFL. Tabel 6.5 Overzicht van de toegekende steun (euro) voor vestigingsdossiers per provincie West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Nieuwe Dossiers

Limburg Vlaams Brabant Vlaanderen

70

60

25

26

15

196

Landbouw

3.434.885

2.511.639

1.109.947

916.614

498.498

8.471.582

Tuinbouw

189.679

259.112

114.899

346.328

222.396

1.132.414

3.624.563

2.770.751

1.224.846 1.262.942

720.894

9.603.996

4

1

0

1

0

6

Landbouw

166.807

82.783

1.582

30.397

2.000

283.568

Tuinbouw

16.753

0

0

49.382

0

66.135

183.559

82.783

1.582

79.779

2.000

349.703

3.808.123

2.853.535

1.226.427 1.342.721

722.894

9.953.699

Totaal Herzieningen

Totaal Eindtotaal

Figuur 6.3 visualiseert het aandeel van de verschillende provincies in de toegekende steun voor vestigingen: twee derden van de nieuwe vestigingen gebeurden in West- en Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg hebben elk een aandeel van 13%, Vlaams Brabant 8%. Van het totale steunvolume voor vestigingen gaat 88% naar nieuwe vestigingen in de landbouwsector. Dit wil niet noodzakelijk zeggen dat er zeer weinig nieuwe vestigingen zijn in de tuinbouwsector, maar wel dat deze niet altijd vestigingssteun krijgen. Vestigingssteun wordt verleend bij de overname van een bedrijf, en niet bij de creatie van een nieuw bedrijf, hetgeen in de tuinbouwsector regelmatig voorkomt. Veel nieuwe tuinbouwbedrijven vallen onder de categorie ‘Bouwen/inrichten serre’ en krijgen investeringssteun.

Figuur 6.3 Steunvolume voor nieuwe vestigingsdossiers in land- en tuinbouw per provincie

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

47


6. Toegekende steun (producenten en coรถperaties) 6.1.1.2 Verrichtingen met vestigingssteun De totale toegekende steun van 9,953 miljoen euro voor vestigingen wordt gebruikt om een totale subsidiabele vestigingskost van 32,613 miljoen euro te helpen financieren (zie tabel 6.6). Het grootste aandeel vestigingskosten heeft betrekking op gewone overnames (97%). Overnames van aandelen komen in 2005 enkel in de tuinbouwsector voor. Andere verrichtingen die betoelaagd worden met vestigingssteun zijn de aankoop van aanvullend materieel, de aankoop van vee en planten bij eerste vestiging Tabel 6.6 Overzicht van subsidiabele vestigingskost (euro) voor de specifieke verrichtingen met vestigingssteun in land- en tuinbouw Landbouw

Tuinbouw

Totaal

28.466.103

3.062.402

31.528.505

Aankoop materieel bij 1e vestiging

460.077

88.895

548.971

Overname aandelen vestiging

0

332.397

332.397

202.904

0

202.904

29.129.083

3.483.694

32.612.777

Overname bij vestiging

Aankoop vee bij 1e vestiging Eindtotaal

6.1.2 Investeringssteun 6.1.2.1 Algemeen In 2005 werd aan 2832 nieuwe dossiers investeringssteun verleend, gecofinancierd met Europese middelen (stelsel 1); 290 dossiers werden herzien. De totale steun voor investeringen bedroeg 44,35 miljoen euro waarvan 25% EOGFL-bijstand voor 185,74 miljoen euro investeringsuitgaven (tabel 6.7). De landbouwsector is goed voor 57,6% van het totale subsidiabele investeringsbedrag; de tuinbouwsector voor 78,786 miljoen euro (43,4%). Voor tuinbouw heeft de provincie Antwerpen de leiding met een totaal investeringsbedrag van 28,023 miljoen euro. West- en Oost-Vlaanderen blijven onder de 20 miljoen euro. In vergelijking met 2004 werd er voor minder dossiers meer steun toegekend (+6,25 MEuro) (-259). Dit is een gevolg van de toename van de gemiddelde toegekende steun (zie hierna), parallel met de toename van de investeringskosten per dossier. Tabel 6.7 Totale subsidiabele investeringskosten (euro) in land- en tuinbouw per provincie Landbouw

Tuinbouw

Totaal

West-Vlaanderen

48.800.509

17.859.416

66.659.925

Oost-Vlaanderen

23.981.331

17.930.015

41.911.347

Antwerpen

15.111.071

28.023.646

43.134.717

Limburg

9.982.634

6.441.754

16.424.388

Vlaams Brabant

9.075.477

8.531.424

17.606.901

106.951.023

78.786.255

185.737.278

Vlaanderen

48

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


In tabel 6.8 werd de verhouding van de totale toegekende steun ten opzichte van het totale investeringsbedrag voorgesteld. Globaal gezien is deze vrij constant over de provincies heen, met een gemiddelde van 24,2% voor de landbouw en 23,5% voor de tuinbouw. Voor landbouw zit alleen West-Vlaanderen boven het gemiddelde en voor tuinbouw alleen Antwerpen. Ten opzichte van 2004 is er een stijging van de gemiddelde steun met 2,8% in de landbouw en 1,1% in de tuinbouw. Tabel 6.8 Verhouding van de toegekende steun op de totale subsidiabele investeringskost voor land- en tuinbouw per provincie Landbouw

Tuinbouw

West-Vlaanderen

26,12%

21,44%

Oost-Vlaanderen

23,58%

23,41%

Antwerpen

23,59%

26,78%

Limburg

21,55%

18,27%

Vlaams Brabant

19,15%

20,90%

Vlaanderen

24,17%

23,47%

Tabel 6.9 en figuur 6.4 volgen het te verwachten patroon dat ook in de voorgaande tabellen naar voor komt en dat de provinciale verdeling van de landbouw in Vlaanderen typeert. West-Vlaanderen is de grootste landbouwprovincie, Antwerpen heeft de hoogste investeringskosten voor de tuinbouw. Tabel 6.9 Overzicht van de toegekende steun (euro) voor investeringsdossiers per provincie West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Nieuwe Dossiers

1.065

712

Landbouw

12.219.743

5.534.751

3.552.408 2.051.126

1.594.131 24.952.159

Tuinbouw

3.728.401

4.048.211

7.442.713 1.166.913

1.756.943 18.143.181

9.582.962 10.995.121 3.218.038

3.351.074 43.095.339

Totaal Herzieningen

15.948.144

492

Limburg Vlaams Brabant Vlaanderen 279

284

2.832

106

101

28

20

35

290

Landbouw

525.314

120.565

11.754

100.526

143.984

902.142

Tuinbouw

101.442

149.933

62.268

10.233

26.478

350.354

Totaal

626.756

270.498

74.022

110.759

170.462

1.252.496

Eindtotaal

16.574.900

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

9.853.460 11.069.143 3.328.797

3.521.535 44.347.835

49


6. Toegekende steun (producenten en coöperaties)

Figuur 6.4 Steunvolume voor nieuwe investeringsdossier in land- en tuinbouw per provincie

6.1.2.2. Steuncategorieën (percentages) voor investeringssteun Sinds 2000 worden de meeste investeringen betoelaagd volgens steuncategorieën van 10, 20, 30 en 40 % steun. Tabel 6.10 geeft een overzicht van de investeringskosten per steuncategorie. Op 56% van de totale investeringsbedragen wordt 20% steun toegekend, 27% krijgt 10% steun en 17% mag rekenen op 40% steun. De categorie 30% steun komt zelden voor. Voor de bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen wordt over het algemeen 20% steun toegekend, maar ook 40% steun komt geregeld voor (biologische landbouw, diversificatie en milieumaatregelen). Installaties, materieel en vee wordt meestal met 10% steun betoelaagd, al is ook 20% en 40% (biologische landbouw, diversificatie en milieumaatregelen) mogelijk. Andere bedrijfsverbeteringen komen gespreid over alle categorieën voor. Aankoop hoeve en eerste vestiging (het gedeelte investeringssteun) worden enkel met 20% betoelaagd. De steunverlening voor ammoniakemissiearme stallen, nog beperkt in 2004, valt ook onder investeringssteun, maar heeft een variabel steunpercentage en laat zich niet onder deze categorieën onderbrengen. Tabel 6.10 Overzicht van de totale subsidiabele investeringskosten (euro) per steuncategorie 10% Eerste vestiging (overname 2e fase) Aankoop hoeve

50

20%

30%

40%

Totaal

3.135.955

3.135.955

10.258.084

10.258.084

Andere bedrijfsverbeteringen

1.911.895

10.426.061

301.589

7.332.379

19.971.923

Installaties, materieel en vee Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen

47.682.075

3.062.518

222.867

8.924.911

59.892.371

436.427

75.490.768

14.282.362

90.209.557

Eindtotaal

50.030.398

102.373.385

30.539.651

183.467.890

524.455

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Figuur 6.5 Totale subsidiabele investeringskost per steuncategorie (10,20,30 of 40%)

6.1.2.3. Belangrijkste verrichtingen met investeringssteun Navolgend wordt een overzicht gegeven van de betoelaagde investeringen volgens onderscheiden verrichtingen in de landbouwsector, d.i. de verschillende types investeringen waarvoor het VLIF steun verleend. Tabel 6.11 Top 10 van de subsidiabele investeringskosten per verrichting in de landbouwsector Nr

Type Investering

1

Machines en materieel (*)

31.222.920

2

Bewaar- en machineloods

12.214.225

3

Ammoniakemissiearme varkensstallen grondgebonden

7.691.789

4

Bouwen/Inrichten melkveesta

7.560.508

5

Mestinjectie

4.541.132

6

Bouwen/Verb. am.reductiestallen vleesvarkens

3.781.719

7

Aankoop gebouwen (in gebruik)

3.267.755

8

Overname 2e fase

2.789.614

9

Bouwen/Verb. en uitrusten potstal melkvee en jongvee (melkvee

2.646.300

10

Groepshuisvesting kalveren

2.153.087

Totaal top 10

Investeringsbedrag

77.869.049

(*) Alle machines en materieel die geen aparte investeringscode hebben (zie bijlage) In 2005 werd in totaal voor 106,95 miljoen euro investeringen in de landbouw met behulp van VLIF investeringssteun gesubsidieerd. Tabel 6.11 geeft een overzicht van de tien types investeringen met de grootste subsidiabele investeringskost in de landbouwsector. Het type investering waar veruit het meeste geld naartoe ging is ‘Machines en materieel’. ‘Bouwen van een bewaar- of machineloods’ komt op de tweede plaats. Op de derde plaats verschijnt nu al ‘Ammoniakemmissiearme varkensstallen grondgebonden’, deze verrichting kent een groot succes en zit wat toegekende steun betreft in 2005 zeker nog niet op zijn hoogtepunt, het volume zal wellicht nog toenemen in 2006. Opvallend is de vijfde plaats voor investeringen in mestinjectie die zeer frequent voorkomen en waarvoor 40% steun kon verkregen worden. De geavanceerde spuitmachines halen in tegenstelling tot vorig jaar de top 10 niet meer.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

51


6. Toegekende steun (producenten en coöperaties) Figuur 6.6 geeft de provinciale verdeling weer voor de tien investeringstypes uit de tabel 6.11: de nummers in de figuur corresponderen met de plaats in die top 10. De ammoniakemissiearme varkensstallen vindt men uiteraard vooral terug in West-Vlaanderen. Vlaams Brabant heeft een relatief hoog percentage voor ‘Machines en materieel’ en ‘Overnames tweede fase’, Oost-Vlaanderen voor ‘Aankoop gebouwen (in gebruik)’. De groepshuisvesting van kalveren is voornamelijk een Antwerpse aangelegenheid. Hiermee wordt invulling gegeven aan de Europese Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (91/629/EEG).

Figuur 6.6 Provinciale verdeling van de belangrijkste investeringstypes in de landbouwsector Ook voor de tuinbouwsector kan een voorstelling volgens onderscheiden verrichtingen of types investeringen waarvoor het VLIF steun verleend gemaakt worden. Tabel 6.12 Top 10 van de subsidiabele investeringskosten per verrichting in de tuinbouwsector Nr

Type Investering

Investeringsbedrag

1

Bouwen/Inrichten serre

25.385.770

2

Machines en materieel

15.708.004

3

Bewaar- en machineloods

8.267.152

4

Energiebesparing : schermen, buffer, ...

4.312.088

5

Bouwen frigo

3.910.631

6

Opvang/Hergebruik beregeningswater

2.395.413

7

Terreinuitrusting

2.392.400

8

Aankoop gebouwen (niet in gebr.)

2.284.758

9

Robotisering

2.027.047

10

Aankoop gebouwen (installatie)

1.550.967

Eindtotaal

68.234.229

(*) Alle machines en materieel die geen aparte investeringscode hebben (zie bijlage 2)

52

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


In 2005 werd in totaal voor 78,786 miljoen euro investeringen in de tuinbouw met behulp van VLIF investeringssteun gerealiseerd. Tabel 6.12 geeft een overzicht van de tien types investeringen met de grootste subsidiabele investeringskost in de tuinbouwsector Het type investering waar het meeste geld naartoe ging is bouw en inrichting van een serre, ook machines en materieel scoort hoog. Samen zijn ze goed voor 52,2% van de totale investeringskosten in de tuinbouw. Onder het type ‘Bouwen en inrichtingen serre’ vallen ook een aantal nieuwe vestigingen (creatie van bedrijven). Net als in de landbouw is ook hier de bewaar- of machineloods in trek. In energiebesparing d.m.v. schermen, buffer, e.d. werd eveneens behoorlijk geïnvesteerd. Op de vijfde plaats verschijnt bouwen frigo, ook opvang/hergebruik van beregeningswater en erfverharding halen de top tien. De top tien geeft voor de tuinbouwsector een zelfde beeld als vorig jaar.

Figuur 6.7 Provinciale verdeling van de belangrijkste investeringstypes in de tuinbouwsector Antwerpen is de belangrijkste tuinbouwprovincie en dat merkt men ook in figuur 6.7. Vooral in de categorieën ‘Energiebesparing’, ‘Aankoop gebouwen’ en ‘Opvang beregeningswater’ werd vooral in Antwerpen volop geïnvesteerd. Oost-Vlaanderen kent veel investeringen in terreinuitrusting en in robotisering. In West-Vlaanderen is het dan weer aankoop van gebouwen (niet in gebruik) die frequenter voorkomt in vergelijking met de andere provincies.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

53


6. Toegekende steun (producenten en coöperaties) 6.1.3 Doorlichting van de toegekende VLIF steun per investeringscategorie en specifiek doel. 6.1.3.1 Algemeen Tabel 6.13 geeft een overzicht van de subsidiabele investeringskosten die gepaard gaan met verrichtingen voor een bepaalde categorie en/of doelgroep. Eerste Vestiging (*) Aankoop hoeve

Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen

Andere bedrijfsverbeteringen

Installaties, materieel en vee

Dierenwelzijn Milieu Diversificatie Overige Totaal Milieu Overige Totaal Milieu Diversificatie Overige Totaal

Eindtotaal

Landbouw 31.918.697 5.773.974 2.990.968 18.659.506 3.093.503 27.941.620 52.685.597 344.622 4.176.210 4.520.832 7.361.411 1.668.468 32.151.128 41.181.006 136.080.106

Tuinbouw 3.830.035 4.484.110 0 9.207 351.312 39.424.855 39.785.374 8.329.587 7.129.479 15.459.066 2.361.855 153.883 16.195.626 18.711.364 82.269.949

Totaal 35.748.732 10.258.084 2.990.968 18.668.713 3.444.815 67.366.475 92.470.971 8.674.208 11.305.689 19.979.897 9.723.266 1.822.351 48.346.754 59.892.371 218.350.055

Tabel 6.13 Subsidiabele investeringskosten per categorie en per doelgroep in land- en tuinbouw (*) Onder de categorie ‘Eerste vestiging’ zijn bij deze oefening naast de vestigingssteun, ook de overnames tweede fase inbegrepen (zie bijlage 2) In tabel 6.14 worden het aantal verrichtingen waarvoor in 2005 steun werd toegekend opgelijst. Tabel 6.14 Aantal verrichtingen per categorie en per doelgroep in land- en tuinbouw Eerste Vestiging (*) Aankoop hoeve

Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen

Andere bedrijfsverbeteringen

Installaties, materieel en vee Eindtotaal

Dierenwelzijn Milieu Diversificatie Overige Totaal Milieu Overige Totaal Milieu Diversificatie (leeg) Totaal

Landbouw 229 257 68 173 65 810 1116 72 328 400 342 93 1178 1613 3615

Tuinbouw 45 64 2 18 574 594 271 351 621 109 13 709 831 2156

Totaal 274 321 68 175 83 1384 1710 343 679 1021 451 106 1887 2444 5771

(*) Onder de categorie ‘Eerste vestiging’ zijn naast de vestigingssteun, ook de overnames tweede fase inbegrepen (zie bijlage 2)

54

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


6.1.3.2 Specifieke verrichtingen in de kijker o) Ammoniakemissiearme stallen De royale steunverlening aan ammoniakemissiearme stallen is vrij recent in de regelgeving doorgevoerd, waardoor er wellicht nog een toename van dossiers en investeringskosten zal zijn in 2006 en verder. Maar ook in 2005 zijn er al 152 toekenningen voor een investeringsbedrag van 18,5 miljoen euro. De overgrote meerderheid komt uit West-Vlaanderen; ook in Oost-Vlaanderen is de maatregel een succes. (zie tabel 6.15) Tabel 6.15 Overzicht van het aantal dossiers en de subsidiabele investeringskosten voor de in 2005 gunstig besliste dossiers voor ammoniakemissiearme stallen per provincie Aantal dossiers Investeringsbedrag

%varkenstallen grondgebonden

West-Vlaanderen

94

13.829.530

41,25%

29,79%

Oost-Vlaanderen

46

3.489.342

43,84%

28,26%

Antwerpen

5

788.757

58,05%

20,00%

Limburg

5

212.400

0,00%

0,00%

Vlaams Brabant

2

177.453

0,00%

0,00%

152

18.497.481

41,58%

27,63%

Vlaanderen

o) Mestinjectoren en emissiearme mestspreiding In de landbouwsector blijven investeringen in mestinjectie zeer in trek, zij staan dan ook op plaats vier wat totaal betoelaagd investeringsbedrag betreft. Naast mestinjectoren kan ook steun verkregen worden voor emissiearme mestspreiding. Dit heeft hetzelfde doel als mestinjectoren maar komt minder frequent voor. In tabel 6.16 zijn de cijfers voor beide investeringen opgeteld. Tabel 6.16 Overzicht van het aantal dossiers en de subsidiabele investeringskosten voor de in 2005 gunstig besliste dossiers voor mestinjectie en emissiearme mestspreiding per provincie Aantal dossiers

Investeringsbedrag

West-Vlaanderen

80

1.670.233

Oost-Vlaanderen

59

1.268.539

Antwerpen

51

1.412.577

Limburg

19

624.761

Vlaams Brabant

10

220.715

219

5.196.823

Vlaanderen

Tabel 6.17 toont de evolutie voor deze investeringen sinds 2001. Vooral in 2003 werden veel dossiers voor mestinjectie gunstig beslist (321) voor een subsidiabele investeringskost van 8 miljoen euro. De daling zet zich voort in 2005. Toch blijft het aantal indieningen aanhouden, wellicht een gevolg van het speculeren op een wijziging in de regelgeving (terugval steun van 40% naar 10%).

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

55


6. Toegekende steun (producenten en coöperaties) Tabel 6.17 Evolutie van het aantal gunstig besliste dossiers en de subsidiabele investeringskosten voor mestinjectie en emissiearme mestspreiding

Mestinjectie Emissiearme mestspreiding

Aantal Investeringsbedrag

2001

2002

2003

2004

2005

82

172

321

264

182

1.499.502 3.848.460 8.069.422 5.991.745 4.541.132

Aantal Investeringsbedrag

3

16

19

27

37

35.017

265.223

421.288

661.811

655.692

o) Hoevetoerisme (educatief toegankelijk maken van het bedrijf ) Eén van de types in de categorie ‘Verbreding en diversificatie van landbouwbedrijven’ is het hoevetoerisme. Twee derden van het totale investeringsbedrag in 2004 voor hoevetoerisme wordt in West-Vlaanderen (1 miljoen euro) gerealiseerd. De aanwezigheid van de kust is hieraan niet vreemd. Limburg verleent in 2005 opnieuw steun voor hoevetoerisme in tegenstelling tot 2004. Tabel 6.18 Overzicht van de subsidiabele investeringskosten voor de in 2004 gunstig besliste dossiers voor hoevetoerisme per provincie Aantal dossiers

Investeringsbedrag

West-Vlaanderen

15

991.495

Oost-Vlaanderen

9

204.721

Antwerpen

4

340.947

Limburg

4

297.398

Vlaams Brabant

3

68.379

35

1.902.941

Vlaanderen

Tabel 6.19 Evolutie van het aantal gunstig besliste dossiers en de subsidiabele investeringskosten voor hoevetoerisme

Gebouwen

Materiaal

Aantal (*) Investeringsbedrag

2001

2002

2003

2004

2005

16

18

33

23

25

560.011 1.072.269 1.393.143 1.239.379 1.700.395

Aantal (*) Investeringsbedrag

6

10

16

12

10

41.671

90.227

73.025

80.533

202.545

(*) Eén dossier kan zowel investeringen voor hoevetoerisme voor gebouwen en materieel bevatten. o) Gebruik van regenwater en waterrecuperatie Met de aanleg van een waterreservoir kan regenwater worden opgevangen en gebruikt op het land- of tuinbouwbedrijf. Ook systemen voor de opvang en het hergebruik van beregeningswater zijn een besparing in het gebruik van drinkwater, grondwater of oppervlaktewater. In 2005 werden 109 dossiers betoelaagd voor de aanleg van een waterreservoir en 78 voor de opvang en hergebruik van beregeningswater. In Antwerpen gebeuren de meeste kosten, wellicht een gevolg van de grootte van de tuinbouwbedrijven in die provincie. De Antwerpse waterreservoirs zijn ook gemiddeld merkelijk duurder (grootschaliger) dan in de andere provincies.

56

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Tabel 6.20 Overzicht van het aantal dossiers en de subsidiabele investeringskosten voor de in 2005 gunstig besliste dossiers voor aanleg waterreservoir en opvang/hergebruik beregeningswater per provincie Opvang/Hergebruik beregeningswater

Aanleg waterreservoir

Totaal

Aantal

Investerings bedrag

Aantal

Investerings bedrag

West-Vlaanderen

36

278.170

10

230.100

508.271

Oost-Vlaanderen

43

452.182

24

453.571

905.753

Antwerpen

23

500.699

40

1.549.063

2.049.762

Limburg

2

10.000

0

0

10.000

Vlaams Brabant

5

32.747

4

162.679

195.425

109

1.273.798

78

2.395.413

3.669.211

Vlaanderen

Tabel 6.21 Evolutie van het aantal gunstig besliste dossiers en de subsidiabele investeringskosten voor aanleg waterreservoir en opvang/hergebruik beregeningswater

Aanleg waterreservoir

Aantal Investeringsbedrag

Opvang/hergebruik Aantal beregeningswater Investeringsbedrag

2001

2002

2003

2004

2005

47

98

79

110

109

535.267 1.256.388 83

948.508 1.137.240 1.273.798

127

124

83

78

2.777.267 4.659.846 4.034.298 2.156.671 2.395.413

6.1.4 Waarborg In 2005 werd er voor 118 dossiers in totaal 20,26 miljoen euro waarborg verleend op een kredietvolume van 32,17 miljoen euro (= 63 %). Dit is een historisch laag aandeel, die het gevolg is van een regelgeving waarbij de waarborg niet subsidiair is, en voor de overheidswaarborg dient betaald te worden, maar ook gezien de langere behandelingstermijn van VLIF-waarborgdossiers plus de complexiteit van de VLIF-regelgeving. De waarborg bedraagt in de regel 80 % van de gesubsidieerde kredietgedeelten, wat het maximum is. Met deze waarborg stemt een totale aan het VLIF te betalen bijdrage van 101.512,78 euro overeen (= 0,501 % van de toegekende waarborg). Tabel 6.22 Aantal dossiers en toegekende waarborg per sector en per provincie Landbouw

Tuinbouw

Totaal

Aantal

Toegekende waarborg

Aantal

Toegekende waarborg

Aantal

Toegekende waarborg

West-Vlaanderen

18

1.662.041

9

2.017.643

27

3.679.684

Oost-Vlaanderen

17

1.585.065

12

2.038.767

29

3.623.832

Antwerpen

15

3.417.672

30

7.448.526

45

10.866.197

Limburg

5

673.296

6

797.864

11

1.471.160

Vlaams Brabant

3

339.993

3

283.593

6

623.586

58

7.678.066

60

12.586.393

118

20.264.459

Vlaanderen

Tabel 6.22 geeft een overzicht van het aantal dossiers en de toegekende waarborg uitgesplitst per sector en provincie. Aan de grote tuinbouwdossiers in Antwerpen wordt de meeste waarborg verleend.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

57


6. Toegekende steun (producenten en coöperaties) 6.1.5 Andere steunmaatregelen In 2005 werd geen steun toegekend voor occasionele steunmaatregelen.

6.2 Steun aan land- en tuinbouwcoöperaties Qua steunverlening wordt onderscheid gemaakt tussen de coöperaties voor afzet en verwerking (hoofdzakelijk telersverenigingen en zuivelcoöperaties) en dienstverlenende coöperaties, type machineringen. Deze laatsten volgen, wat de toekenning van de investeringssteun betreft, de steuncategorieën (percentages) van de land- en tuinbouwers, terwijl voor de coöperaties voor afzet en verwerking voor dossiers ingediend in 2005 18,60% steun verleend werd voor onroerende- en milieuinvesteringen, en 14,09% voor roerende investeringen. Het is opvallend dat de tuinbouwveilingen voor sommige belangrijke dossiers terug de voorkeur geven aan VLIF-steun i.p.v. steun in het kader van de GMO groenten en fruit. Dit heeft alles te maken met een verantwoord management en een aanvaardbare spreiding van het actiefonds over de maatregelen die deel uitmaken van hun jaarprogramma’s. Tabel 6.23 Aantal dossiers en toegekend steunvolume aan land- en tuinbouwcoöperaties Nieuwe Dossiers Aantal Steunvolume (euro)

10 2.701.103

Herzieningen Aantal Steunvolume (euro)

2 598.052

De totale steun aan land- en tuinbouwcoöperaties bedroeg 3,3 miljoen euro (zie tabel 6.23). 83,3% van het totale toegekende steunvolume ging naar dossiers uit West-Vlaanderen (zie tabel 6.24), een inhaalbeweging t.o.v. 2004 waar slechts 0,9% van het toegekende steunvolume voor West-Vlaanderen bestemd was. Verrichtingen met toegekende steun aan land- en tuinbouwcoöperaties Tabel 6.24 De subsidiabele investeringskosten (euro) voor coöperaties per sector en provincie Groenten en fruit

Zuivel

West-Vlaanderen

9.108.644

0

0

9.108.644

Oost-Vlaanderen

620.372

0

0

620.372

0

1.860.000

0

1.860.000

630.000

0

256.143

886.143

0

0

60.524

60.524

Antwerpen Limburg Vlaams Brabant Vlaanderen

58

10.359.016 1.860.000

Machinering Eindtotaal

316.667 12.535.683

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


7. Evolutie VLIF (producenten en coรถperaties) Voorgaande hoofdstukken geven vooral een overzicht van de activiteiten in 2005. Navolgend wordt de evolutie weergegeven voor de periode 1993-2005. Binnen deze periode tekenen zich een aantal trends af en zorgen bepaalde gebeurtenissen voor afwijkingen of zelfs nieuwe trends.

7.1 Begroting Door de regionalisering van het Landbouwinvesteringsfonds waren 1993 en 1994 budgettair nog overgangsjaren. Vanaf 1995 heeft de begroting haar huidige vorm gekregen, met zowel inkomsten als uitgaven. Vastleggingsmachtiging De vastleggingsmachtiging van het VLIF werd tot 1996 grosso modo constant gehouden op 64,452 miljoen euro (2,6 miljard BEF). In 1995 werd hiervan evenwel 6,445 miljoen euro (260 miljoen BEF) overgedragen voor andere acties. Ook in 1997 en volgende jaren werd de VLIF-machtiging telkens verlaagd om andere activiteiten buiten het VLIF te financieren. Deze verminderingen hinderden het VLIF niet vermits de machtiging voldoende hoog was om met de toen gangbare VLIF-regelgeving alle aanvragen af te handelen. Eind 1999 werd er 11,155 miljoen euro (450 miljoen BEF) overgedragen naar het Financieringsinstrument voor de Vlaamse Visserij- en Aquicultuursector (FIVA) dat door de vele aanvragen om FIVA-steun machtiging tekort had. Ook in de volgende jaren werd de goedgekeurde VLIF-vastleggingsmachtiging nog een aantal keren gebruikt als terugvalbasis om (extra) middelen nodig voor andere nieuwe initiatieven te compenseren. Vanaf 2005 is er een fundamentele wijziging ingevoerd inzake de budgettaire vastlegging van steun: enkel nog het Vlaams gedeelte van de steun wordt vastgelegd, waardoor er budgetruimte komt om naast de land- en tuinbouw ook de agrovoedings- en omkaderingssector te bedienen (zie hoger). Tabel 7.1 Evolutie van de vastleggingsmachtiging, inkomsten en uitgaven (*1000 euro) Vastleggingsmachtiging

Inkomsten(1)

Uitgaven

1995

54.784

25.022

25.047

1996

64.663

34.081

34.080

1997

63.565

35.732

35.734

1998

61.842

42.396

42.397

2

1999

49.199 ( )

42.718

42.717

2000

56.725

53.845

53.844

2001

55.508

38.760

38.760

2002

55.370

40.798

40.798

2003

52.000

36.358

36.358

2004

50.650

41.356

41.356

2005

51.076

50.148

50.148

(*) oorspronkelijk 2434, 7 miljoen BEF, maar door een overdracht van 450 miljoen BEF herleid tot 1984, 7 miljoen BEF (= 49,199 miljoen euro) Betalingskredieten Aangezien het VLIF in 1993 zonder lasten van het verleden startte, werden de behoeften elk jaar groter door het cumulerende aantal dossiers ten laste van het VLIF (cfr. uitbetaling rentesubsidies gedurende vele jaren). De uitgaven worden voor het overgrote deel gedekt door een dotatie van de Vlaamse Gemeenschap.

1 Dotatie Vlaamse Gemeenschap + EU-bijdragen

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

59


7. Evolutie VLIF (producenten en coĂśperaties) Tot 2002 volstond de toegekende dotatie om elk jaar alle nodige betalingen tijdig te kunnen uitvoeren. Vanaf 2003 stelde zich het probleem dat de dotatie lager was dan wat volgens de behoefteberekening werd gevraagd, zodat er eind 2003 een tekort van ongeveer 4 miljoen euro ontstond. Hetzelfde scenario in 2004 zorgde ervoor dat het gecumuleerd tekort eind 2004 al opgelopen was tot 8 miljoen euro. Met een bijkomende dotatie van 3 miljoen euro eind 2004 is dit tekort in 2005 teruggeschroefd tot 2 miljoen euro. Tabel 7.2 Evolutie van de inkomsten en uitgaven (*1000 euro) INKOMSTEN

Dotatie Vlaams Gewest

EOGFLbijstand

Waarborgbijdragen

Overige terug betalingen

Saldo vorig jaar

Diverse inkomsten

TOTAAL

1995

17.805

6.696

521

-

-

-

25.022

1996

22.167

11.257

657

-

-

-

34.081

1997

25.818

7.734

371

-

1.438

371

35.732

1998

30.877

10.694

310

-

69

446

42.396

1999

28.384

9.209

149

12

4.593

371

42.718

2000

32.226

2.442

248

5

18.676

248

53.845

2001

19.551

3.034

322

5

15.674

174

38.760

2002

28.766

943

200

10

10.705

174

40.798

2003

32.000

944

230

200

2.785

198

36.357

2004

41.000

-

100

225

31

-

41.356

2005

46.820

-

100

150

3.078

-

50.148

UITGAVEN

Rentesubsidies

Kapitaalpremies

Diverse uitgaven

TOTAAL

1995

21.825

2.974

248

-

-

25.047

1996

29.494

2.727

1.859

-

-

34.080

1997

29.893

2.990

2.479

-

372

35.734

1998

38.944

2.107

900

-

446

42.397

1999

38.882

1.733

1.239

-

863

42.717

2000

49.566

1.968

2.062

-

248

53.844

2001

34.000

2.806

1.735

45

174

38.760

2002

26.267

12.412

1.900

45

174

40.798

2003

18.800

12.622

2.500

50

2386

36.358

2004

23.500

16.456

1.400

-

-

41.356

2005

26.434

17.614

Startsteun Waarborgen groeperingen

1.700

-

2

4400( )

50.148

Vanaf 2001 betaalt het VLIF enkel het Vlaams gedeelte van de steun (aan het Vlaams Betaalorgaan EOGFLGarantie), zodat enerzijds de prefinanciering van het Europees deel door het VLIF stopte (minder uitgaven vanaf 2001), maar dat er ook geen inkomsten meer waren uit de EOGFL-bijstand (daling vanaf 2002).

2 In 2005 werden de agrovoedings- en omkaderingssector geĂŻntegreerd in de VLIF-begroting (zie hoger). In tabel 7.2 werden deze opgenomen onder de rubriek diverse uitgaven. De uitgaven m.b.t. agrovoeding bedragen 3,2 miljoen euro, die voor de omkaderingssector 1,2 miljoen euro.

60

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Voor kapitaalpremies zijn de uitgaven vanaf 2002 veel hoger dan daarvoor door een meer veralgemeende invoer ervan met de nieuwe VLIF-regelgeving vanaf 2000. Voordien waren er ook beperkte kapitaalpremies, maar van een ander type.

7.2 Indieningen

7.2.1 Aantal indieningen van particuliere land- en tuinbouwers

Figuur 7.1 toont de evolutie in het aantal indieningen van 1993 tot 2005. Niettegenstaande een terugval in het aantal land- en tuinbouwbedrijven vertoont de evolutie een stijgend beeld. Midden jaren ’90 was er wel een terugval van de aanvragen uit de tuinbouwsector (van 1995 tot 1997), onder meer ingevolge van een crisis in de tuinbouwsector. Eind jaren ’90 start dan weer een opwaartse trend in het aantal indieningen. De cijfers voor 1999 met een uitgesproken stijging van het aantal aanvragen en een stijgend gemiddeld kredietbedrag moeten enigszins gerelativeerd worden vermits er eind 1999 zeer veel aanvragen zijn binnengekomen om te anticiperen op de wijziging van de VLIF-regelgeving in 2000. Zoals verwacht waren er in 2000 veel minder aanvragen om VLIF-steun. Deze terugval werd in 2001 ruimschoots goedgemaakt, enerzijds door een inhaalbeweging van uitgestelde investeringen in afwachting van de nieuwe VLIF-regelgeving en anderzijds door de nieuwe mogelijkheid om dossiers in te dienen voor subsidiëring van investeringen die uitsluitend met eigen middelen worden gefinancierd. Vanaf 2001 wordt het investeringsvolume het criterium in de cijfermatige analyse van de werking van het VLIF. In 2002 zien we dan, zoals verwacht na het piekjaar 2001, enige terugval van zowel het aantal ingediende VLIF-aanvragen als van het kredietvolume. Deze is echter relatief klein zodat het aantal ingediende aanvragen nu rond de 4000 stuks blijft schommelen (maar in 2005 toch 4448) terwijl dit vóór 2000 gemiddeld ongeveer 2750 was. In 2005 is er opnieuw een piek in het aantal landbouwdossiers. De forse toename kan gedeeltelijk verklaard worden door het extra aantal indieningen op het einde van het jaar om te anticiperen op een aangekondigde bijstelling van de regelgeving.

Figuur 7.1 Evolutie van het aantal ingediende dossiers voor particuliere land- en tuinbouwers

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

61


7. Evolutie VLIF (producenten en coÜperaties) 7.2.1.1 Evolutie van de indieningen voor vestigingssteun In de figuren 7.2 en 7.3 worden respectievelijk de evolutie van het aantal ingediende dossiers en de voorziene vestigingskosten weergegeven. Zowel het aantal dossiers als de voorziene kosten zijn na 1999 afgenomen en konden het niveau van midden jaren ’90 niet meer bereiken. De halvering van het aantal aanvragen om vestigingssteun is niet gecompenseerd geweest door een even grote omgekeerde beweging van de gemiddelde vestigingskosten per bedrijf. Deze laatste zijn wel met ongeveer 20% gestegen in een periode van 10 jaar. In het geheel van de VLIF-steunverlening is het belang van de vestigingssteun afgenomen van 37,5% (1994) tot 15% (2004). De plafonnering van de steun is hieraan niet vreemd. 600 500 400 300 200 100 0 Aantal

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

360

503

403

414

262

287

392

107

247

175

229

193

222

Figuur 7.2 Evolutie van het aantal indieningen voor vestigingssteun van 1993 tot 2005 90.000.000 80.000.000 70.000.000 60.000.000 50.000.000 40.000.000 30.000.000 20.000.000 10.000.000 0 1993 Vestigingskost

53.195.633

1994 82.089.087

1995 64.342.104

1996 64.471.591

1997 45.189.325

1998 47.175.277

1999 73.469.102

2000 19.587.973

2001 45.640.576

2002 32.547.429

2003 40.606.785

2004 34.017.780

2005 45.158.476

Figuur 7.3 Evolutie van de voorziene vestigingskosten voor vestigingssteun van 1993 tot 2005

7.2.1.2 Evolutie van de indieningen voor investeringssteun In de figuren 7.4 en 7.5 worden respectievelijk de evolutie van het aantal ingediende dossiers en de voorziene investeringskosten voor investeringssteun weergegeven. Beide figuren vertonen hetzelfde stijgende patroon. In tegenstelling tot de vestigingssteun kende de investeringssteun wel een beduidende toename na 2000. Gezien de omvang van de steun, is het vooral dit type steun dat zijn weerslag vindt in het totaalbeeld van figuur 7.1. In 2005 zien we dat de stijging in het aantal dossiers gepaard gaat met een nog grotere toename van de voorziene investeringskosten: de gemiddelde investeringskosten per dossier lopen dus sterk op. Vooral de toename van dossiers met grote investeringen zoals ammoniakemissiearme stallen spelen hier een belangrijke rol.

62

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Figuur 7.4 Evolutie van het aantal indieningen voor investeringssteun van 1993 tot 2005

Figuur 7.5 Evolutie van de voorziene investeringskosten voor investeringssteun van 1993 tot 2005 Figuur 7.6 toont de evolutie van de voorziene investeringskosten voor aanvragen per steuncategorie (10, 20, 30 en 40%) sinds de invoering ervan in 2000. Het jaar 2000 werd buiten beschouwing gelaten aangezien er in 2000 nog dossiers werden ingediend met de regelgeving van vóór 2000 in gedachten. De aanvragen voor de investeringstypes in de steuncategorie 20% kennen de meeste investeringen, in 2003 zelfs tot 150 miljoen euro. De steuncategorie 40% neemt sinds 2001 geleidelijk toe van 26,7 miljoen euro in 2001 tot 36,5 miljoen euro in 2004. Het massaal indienen van omvangrijke dossiers voor de betoelaging van ammoniakemissiearme stallen in 2005 vertaalt zich in de sterke stijging van het investeringsvolume voor de categorie met 40% steun (verviervoudiging).

Figuur 7.6 Evolutie van de voorziene investeringskosten per steuncategorie (10, 20, 30 , 40%) voor indieningen vanaf 2001

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

63


7. Evolutie VLIF (producenten en coöperaties) 7.2.1.3 Evolutie van de indieningen voor specifieke thema’s De figuren 7.7 en 7.8 tonen de evolutie van de indieningen naar specifieke investeringsthema’s die sinds de nieuwe regelgeving van 2000 extra aandacht kregen: milieu (7.7), diversificatie (7.8), dierenwelzijn (7.8) en biologische landbouw (7.8). Na 2000 merkt men grosso modo een verdubbeling in de aanvragen voor milieu-investeringen. In 2005 is er opnieuw een spectaculaire stijging, vooral wegens het succes van de investeringen voor ammoniakemissiearme stallen. Voor dierenwelzijn kwam de grote sprong er reeds in 1998, en een piek in 2003 van 159 indieningen. Diversificatie was voor 2000 zo goed als onbestaande en kende vanaf 2001 een tamelijk constant aantal indieningen. In 2005 werden er 224 aanvragen voor steun tot diversificatie van een land- of tuinbouwbedrijf ingediend. Van steun aan investeringen in de biologische landbouw was formeel slechts sprake vanaf 2000. In 2001 waren er 12 indieningen, maar een groot succes is dit voorlopig nog niet geworden, ook in 2005 waren er slechts 6 indieningen 2000 1800 1600 1400 1200 1000 800 600 400 200 0

Milieu

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

421

385

299

336

358

402

326

283

1106

998

1114

1090

1786

Figuur 7.7 Evolutie van het aantal indieningen voor milieu- investeringen

Figuur 7.8 Evolutie van het aantal indieningen voor milieu- investeringen in specifieke thema’s (diversificatie, dierenwelzijn en biologische landbouw)

64

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


7.2.2 Aantal indieningen van land- en tuinbouwcoöperaties Het aantal indieningen voor land- en tuinbouwcoöperaties voor afzet, verwerking en dienstverlening bedraagt sinds 1993 gemiddeld 14,1 dossiers. Gezien het gering aantal dossiers kunnen sterke schommelingen van jaar tot jaar voorkomen. 2005 was een recordjaar voor het aantal ingediende dossiers (36). Gezien de sterke concentratie in de coöperatieve sector, vooral aanwezig in de zuivelsector en de sector voor groenten en fruit, en het feit dat sedert 1997 de coöperatieve groente- en fruitveilingen voor hun investeringen eerder beroep doen op de lucratievere financieringsbron in hoofde van de GMO groenten en fruit, blijft het aantal dossiers van deze sector beperkt. Toch wordt enige heropleving vastgesteld in het gemeenschappelijk gebruik van machines door zogenaamde machineringen. Tabel 7.3 Evolutie van het aantal indieningen voor coöperatieven 1993

1996

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

9

11

16

8

17

9

7

21

36

7.3 Toegekende steun

7.3.1 Totale toegekende steun aan producenten

Figuur 7.9 toont de evolutie van de totale toegekende steun aan land- en tuinbouwers sinds 1993. De totale toegekende steun is de som van de toegekende rentesubsidies en kapitaalpremies. Vóór 2001 betreft het de evolutie van vooral rentesubsidies; vanaf 2001 (nieuwe regelgeving) betreft dit zowel rentesubsidies als kapitaalpremies. In 1995 en 1996 steeg de verleende steun: in 1995 omdat er meer dossiers werden ingediend in de te behandelen indieningsperiode (contingentering), in 1996 door de toepassing van de pas ingevoerde VLIFregelgeving waarbij meer dossiers konden worden afgehandeld (afschaffing van de contingentering) en de subsidiëringsmogelijkheden uitgebreid werden. In 1996 was de totale stijging enkel te wijten aan de landbouwsector, de tuinbouwsector kende toen een daling. In 1997 en 1998 daalde het toegekend steunvolume evenwel, enerzijds omdat er gemiddeld kleinere kredietbedragen voor subsidiëring werden ingediend (crisis glastuinbouw), maar ook omdat de omschakeling naar een vernieuwd informaticasysteem bij het VLIF en de decentralisatie van de dossierafhandeling naar de buitendiensten moeizamer verliep dan verwacht. Bovendien lagen de kredietrentevoeten zeer laag zodat niet de maximale VLIF-rentesubsidie kon verleend worden vermits de kredietnemer zelf minimaal 3 % rente op zich moest nemen. In 1999 werd beduidend meer steun verleend dan in 1998, vooral omdat de praktische omschakelingsproblemen naar het vernieuwd informaticasysteem achter de rug waren. In 2000 werden enkel aanvragen van vóór 1 januari 2000 afgehandeld vermits de nieuwe VLIF-regelgeving, van toepassing op aanvragen ingediend vanaf 1 januari 2000, pas eind 2000 werd uitgevaardigd. Dit heeft tot gevolg dat nagenoeg alle dossiers tot en met 1999 werden afgehandeld, maar ook niet meer dan dat. Bijgevolg is er in 2000 een sterke daling van de toegekende steun tegenover de voorgaande jaren. In 2001 is er dan ook een inhaaloperatie geweest zodat men in 2001 zelfs boven het niveau van 1997 uitkomt. Door de renteongevoeligheid van de nieuwe VLIF-regelgeving door het afschaffen van het minimum ten laste van de kredietnemer, kon bovendien steeds de maximale rentesubsidie toegekend worden.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

65


7. Evolutie VLIF (producenten en coรถperaties) Vooral de tuinbouwsector kende in 2001 een grote groei, zelfs in die mate dat de totale toegekende steun die van de landbouwsector overschreed. In 2002 is er een lichte stijging wat het totaal steunvolume betreft, ook al kent de tuinbouwsector een lichte daling. Zowel in 2003 als 2004 was er een lichte daling van het totaal toegekende steunvolume, maar de vastleggingsmachtiging werd telkens volledig opgebruikt. Er bleven telkens een niet verwaarloosbaar aantal afgewerkte dossiers liggen die dan op rekening kwamen van het volgende jaar (te lage vastlegginsmachtiging). Dit was niet anders in 2005 met een toename van de toegekende steun, vooral in de landbouw (milieumaatregelen).

Figuur 7.9 Evolutie van de toegekende steun aan particuliere land- en tuinbouwers van 1993 tot 2005 EU-cofinanciering voor investerings- en vestigingssteun Figuur 7.10 toont de evolutie van de totale steun verleend met Europese cofinanciering. Op de linkeras leest u het Europees deel van de totale steun af, op de rechteras het percentage Europese steun ten op zicht van de totaal verleende steun. Vanaf 2001 merkt men een duidelijke stijging op van het aandeel van Europese steun. Dit is het gevolg van de toen nieuwe VLIF-regelgeving waarbij - alle investeringssteun wordt toegekend met EU-medefinanciering terwijl er voordien een deel zonder EU-bijstand werd toegekend; - de vestigingssteun steeds eerst bestaat uit een premie met 50 % EU-steun op een eerste schijf van 50.000 euro vestigingskost, terwijl er voordien alleen rentesubsidie was met hoogstens 40 % EU-steun op de vestigingskost. De globale percentages blijven vanaf dan ook vrij constant: voor vestigingssteun rond 43,5% (minder dan het cofinancieringspercentage van 50 % omdat er ook nog een schijf louter regionaal zonder EU-bijstand wordt gesubsidieerd), voor investeringssteun rond 25% wat gelijk is aan het cofinancieringspercentage omdat bij alle investeringssteun EU-bijstand betrokken is.

66

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Figuur 7.10 Evolutie van de EU-cofinanciering voor investerings- en vestigingssteun sinds 1993

7.3.2 Totale toegekende steun aan land- en tuinbouwcoรถperaties De totale toegekende steun voor land- en tuinbouwcoรถperaties bedraagt gemiddeld over de periode 1993-2005 2,5 miljoen euro. Gezien het gering aantal dossiers kunnen soms sterke schommelingen van jaar tot jaar voorkomen. Gezien de sterke concentratie in de coรถperatieve afzetsector kunnen een paar dossiers van deze coรถperaties sterk doorwegen en belangrijke begrotingsmiddelen opslorpen. Tabel 7.4 Evolutie van de toegekende steun aan land- en tuinbouwcoรถperaties sinds 1993 1993

1996

2.283.246 6.381.298

2000 128.318

2001

2002

2.098.993 4.490.271

2003 97.745

2004

2005

4.179.721 2.701.103

7.3.3 Waarborg Vanaf 1995 daalt het toegekende percentage waarborg ten opzichte van het totaal kredietvolume (zowel gevraagd als gesubsidieerd) terwijl dit tegenover het gevraagde kredietvolume van de dossiers met waarborg stijgt. Dit betekent dat er minder dossiers zijn waarvoor waarborg gevraagd en toegekend wordt, maar dat degenen waarvoor hij toch gevraagd is meer waarborg krijgen. Het eerste fenomeen is te verklaren doordat er vanaf 1994 een bijdrage moet betaald worden aan het VLIF voor het verkrijgen van VLIF-waarborg. Het tweede fenomeen wordt veroorzaakt door het optrekken van de maximaal toe te kennen waarborg tot 90 % van het gesubsidieerd krediet (i.p.v. 75 % voordien). Daarenboven wordt er, als er waarborg is gevraagd, steeds de maximale 90 % waarborg gevraagd en verleend. De kredietinstelling heeft er immers geen belang bij om een lager percentage waarborg te vragen (de kredietnemer wel gezien de bijdrage) want hoe kleiner dit percentage hoe groter het aandeel van het verlies voor de bank als er een uitwinning moet gebeuren. Voor dossiers ingediend vanaf 1 januari 2002 is de maximale VLIF-waarborg wel verlaagd tot 80 %, waardoor de medeverantwoordelijkheid van de kredietinstellingen terug groter wordt (EU-regelgeving). De trend van steeds minder toegekende waarborg (in bedragen) manifesteert zich steeds verder in de loop der jaren. Zelfs als het gesubsidieerde volume groter is dan het vorige jaar, daalt de waarborg ook nog, zoals bijvoorbeeld in 2001.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

67


7. Evolutie VLIF (producenten en coรถperaties) Tabel 7.5 Evolutie van de toegekende waarborg en de verhouding t.o.v. het kredietvolume (*1000 euro) Gevraagd krediet-volume Toegekende waarborg van dossiers met waarborg

% waarborg

1993

79.138

138.830

57,00%

1994

71.264

99.661

71,51%

1995

77.013

103.054

74,73%

1996

55.821

83.436

66,90%

1997

59.879

77.707

77,06%

1998

35.414

42.239

83,84%

1999

61.021

74.846

81,53%

2000

50.726

60.015

84,52%

2001

33.764

49.885

67,68%

2002

33.667

53.226

63,25%

2003

17.123

30.947

55,33%

2004

17.888

30.398

58,85%

2005

19.344

30.457

63,51%

7.4 Uitbetaalde steun 7.4.1 Rentesubsidie

Tabel 7.6 geeft de evolutie weer van de uitbetaalde totale rentesubsidie (investeringssteun, vestigingssteun en louter regionale steun). Tabel 7.6 Evolutie van de uitbetaalde rentesubsidies (in miljoen euro) 1993

1996

2000

2001

2002

2003

2004

2005

0,667

30,372

40,754

25,451

25,977

19,836

24,987

25,694

De uitbetalingen aan rentesubsidies worden, afgezien van schommelingen, telkenjare belangrijker naarmate het aantal actieve VLIF-dossiers toeneemt. De rentesubsidie wordt immers gedurende verschillende jaren uitbetaald, afhankelijk van duur van de toegekende rentesubsidie. Bijgevolg bestaan de betalingen uit steun die voortvloeit uit beslissingen van de voorbije jaren. In 1999 werd om praktische redenen slechts voor 3 trimesters rentesubsidie uitbetaald. Voor het 4de trimester 1999 werd begin 2000 in totaal 400,5 miljoen BEF vereffend (10 miljoen euro). Deze zijn begin 2000 uitbetaald zodat er voor 5 trimesters is uitbetaald in 2000. Vanaf 2001 ziet men de intrede van het betaalorgaan EOGFL garantie in de betalingsoperaties: het VLIF betaalt vanaf dan enkel nog het Vlaamse aandeel van de steun, wat een daling in de absolute cijfers weergeeft. Uiteraard blijven de begunstigden wel hun volledige steun uitbetaald krijgen. In 2003 werd er minder uitbetaald omdat er niet voldoende dotatie was toegekend om alle betalingsbehoeften te dekken. Deze dotatie was in 2004 wel hoger (zie punt 7.1. Begroting) zodat opnieuw meer betalingen konden uitgevoerd worden, maar nog niet voldoende om alles te vereffenen. Dit was niet anders in 2005.

68

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


7.4.2 Kapitaalpremies In tabel 7.7 wordt een overzicht gegeven van de evolutie van de uitbetaalde kapitaalpremies voor de huidige regelgeving (vanaf 2001). In 2001 gebeurde de uitbetaling van de kapitaalpremies hetzij in 5 gelijke delen, gespreid over 5 opeenvolgende jaren, hetzij volledig in 1 keer als de premie kleiner is dan 1.000 euro. In 2002 werd beslist dat deze premies in 2 keer uitbetaald dienden te worden, of volledig indien de premie kleiner is dan 1.000. Alle dossiers ingediend in 2000 en 2001 die in 2001 1/5e uitbetaald gekregen hebben, kregen zodoende het resterende deel van hun premie gestort in 2002. Vandaar de sterke toename van het premiebedrag in 2002 t.o.v. 2001, en dit zowel voor de uitbetaalde investerings- als de vestigingspremies. Dit betekent dat in onderstaande tabel eigenlijk het aantal dossiers wordt weergegeven die een eerste of een tweede betaling kenden. Elk dossier komt 2 keer voor (in twee opeenvolgende jaren), behalve deze met een kleine premie die in 1 keer uitbetaald wordt of deze met een premiesupplement als 3e betaling na herziening. In 2003 nam het aantal dossiers waarvoor in dat jaar een uitbetaling is geweest opnieuw toe, zowel wat uitbetaalde investeringspremies als vestigingspremies betreft en dit voor dossiers waarbij de investeringen volledig met eigen middelen gefinancierd werden als deze waarvoor de investeringen geheel of gedeeltelijk met krediet werden gefinancierd. Het totaal premiebedrag nam, in vergelijking met 2002, enkel toe voor de investeringspremies; het totaal uitbetaalde premiebedrag voor vestigingspremies daalde in 2003. In 2004 werd het hoogste aantal vestigingspremies uitbetaald maar blijft het totale premiebedrag lager dan in 2002. Het aantal uitbetaalde investeringspremies en bijhorende premiebedrag daalde licht ten opzichte van 2003, maar is wel hoger dan dat van 2002. Deze laatste vaststellingen moeten gezien worden tegen de achtergrond dat door het tekort aan betalingsmiddelen eind 2003 en 2004 verschillende uitbetalingen moesten worden uitgesteld tot het volgende jaar. In tegenstelling tot 2004 konden in 2005 wel alle premies die klaar waren voor uitbetaling effectief betaald worden. (zie stijging aantal betalingen). Daarnaast is voor de investeringspremies het bedrag sterk gestegen omdat er een verschuiving is naar meer grote premies (stijging steun in de 40%-categorie). Tabel 7.7 Evolutie van de uitbetaalde kapitaalpremies voor vestigings- en investeringssteun 2002 Vestigingspremies

met eigen kred. mid.

Aantal 249 dossiers Premiebedrag 2.451 (*1000 euro)

7 60

2003

2004

2005

Tot.

met eigen kred. mid.

Tot.

met eigen kred. mid.

Tot.

met eigen kred. mid.

Tot.

256

260

270

321

335

455

17

472

104

3.173

2.511 1.641

10 53

1.694 1.998

14 72

2.070 3.069

Investeringspremies Aantal 2.416 1.338 3.754 3.050 2.141 5.191 2.690 1.977 4.667 4.224 2.908 7.132 dossiers Premiebedrag 6.438 3.230 9.668 6.451 4.147 10.598 6.041 3.889 9.931 11.246 6.447 17.693 (*1000 euro)

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

69


7. Evolutie VLIF (producenten en coöperaties) 7.4.3 Waarborg Vermits enkel de dossiers ingediend vanaf 01/04/1992 ten laste zijn van het VLIF en er tussen de toekenning van VLIF-waarborg en de eventuele afrekening van de waarborg ingevolge kredietopzegging en uitwinning enkele jaren kunnen verlopen, nam de uitbetaling van waarborg pas een aanvang in 1996. De cijfers in onderstaande tabel tonen geen duidelijk stramien in de evolutie van de uitbetaalde waarborg over de jaren heen. Meer dan het aantal dossiers waarvoor er waarborg werd verleend en de grootte van de waarborg, zijn externe factoren bepalend voor de uitbetalingen aan waarborg na uitwinning. Hierbij denken we aan uitzonderlijke gebeurtenissen (persoonsgebonden, natuurgebonden, marktomstandigheden, …) die financiële moeilijkheden kunnen veroorzaken in bepaalde sectoren. Ook de onderlinge verschillen tussen de dossiers qua finaciële impact kunnen groot zijn. In 2003 bijvoorbeeld ging er 1,2 miljoen euro naar de faling van 1 coöperatieve. Tabel 7.8 Uitbetaalde VLIF-waarborg van 1996 tot 2005 toegekende Aantal initieel VLIF-waarborg

70

Kapitaal

Intresten + kosten

TOTAAL

1996

3

276.343

139.689

35.775

175.464

1997

8

577.747

492.667

86.252

578.919

1998

5

402.132

211.653

33.853

245.506

1999

9

735.993

614.264

127.608

741.872

2000

9

1.014.523

774.446

141.371

915.817

2001

3

387.874

242.570

22.271

264.841

2002

7

1.163.505

797.002

110.728

907.730

2003

3

2.089.785

1.484.639

69.493

69.493

2004

11

1.627.522

868.147

333.459

1.201.606

2005

12

1.528.266

855.269

209.712

1.064.981

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


8. Uitbreiding VLIF met de agrovoedingssector en de omkadering van land- en tuinbouw 8.1 Inleiding Ingevolgde de uitbreiding van de decreetsbepalingen op het VLIF bij het programmadecreet van 22 december 1993 (BS 29/12/1993) werd de agrovoedingssector en de omkaderingssector van land- en tuinbouw toegevoegd aan de doelgroepen van het VLIF. Parallel en aansluitend bij de verruiming van de doelstellingen van het VLIF werd een reorganisatie van de steunverlening om bedrijfsverbetering in Vlaanderen doorgevoerd, waarbij de steunverlening aan investeringsprojecten uit de agrovoedingssector overgenomen werd van de administratie Economie. Terzelfdertijd werd de steunverlening van de omkaderingssector (proeftuinen en -centra) voorheen betoelaagd op basis van een apart begrotingsartikel uitgebreid in het VLIF.

8.2 Steun aan de agrovoedingssector In het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling in Vlaanderen (PDPO) periode 2000-2006, werd in het voorjaar van 2005 een tweede indieningsronde georganiseerd voor investeringsprojecten uit de agrovoedingssector, afgesloten per 31 maart 2005. Zowel de EOGFL-steun als de VLIF-steun, bij middel van een uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering, wordt toegekend en uitbetaald als kapitaalpremie (directe steun) gebaseerd op het in aanmerking komende en gecontroleerde investeringsbedrag. In tegenstelling met de eerste indieningsronde kwamen in de tweede ronde principieel eveneens investeringsprojecten uit de vleeswarensector in aanmerking voor betoelaging, mits er voldoende Europese financiële middelen zouden beschikbaar zijn. Gezien dit laatste vooralsnog niet het geval was, werd beslist om aan de projecten uit de vleeswarensector enkel, weliswaar verhoogde, Vlaamse steun (5%) toe te kennen. Voor de overige sectoren bedroeg de Europese EOGFL-steun 12,5% van de aanvaarde investeringen met bijkomend 2,5% Vlaamse VLIF-cofinanciering. In de mate dat alsnog Europese middelen vrijkomen bij het afsluiten van het PDPO 2000-2006 zou de vleeswarensector bijkomende steun kunnen bekomen tot max. 10% van de subsidiabele uitgaven. De vastlegging van de Vlaamse steun voor de projecten uit de vleeswarensector werd ingeschreven in de begroting van 2006; deze van de projecten uit de overige sectoren op de begroting van 2005.

8.2.1 Vastgelegde VLIF-steun De tweede indieningsronde werd afgesloten per 31 maart 2005: 145 projecten (inbegrepen de vleeswarensector) werden ingediend, waarbij 7 projecten niet weerhouden werden gezien ze niet beantwoordden aan het vastgelegde steunkader. Gezien de beperkte financiële middelen en de beperkte uitvoeringstermijn van de investeringen (aanvang: 01/01/2004; einde 30/6/2006 gezien de projecten vóór 15 oktober 2006 dienen uitbetaald te zijn), werd gesteld dat voor bouwwerken de bouwvergunning bij het dossier diende te worden gevoegd en voor belangrijke investeringen inzake installaties/machines de bestelbons in het dossier aanwezig moesten zijn. Mede hierdoor reduceerde het aantal projecten, de vleeswarensector (34 ingediende projecten) buiten beschouwing gelaten, tot 89. De vast te leggen VLIF-steun bedroeg 3.484.471,01 euro (zonder vleeswarensector). Voor de vleeswarensector werden inmiddels 26 projecten weerhouden, betrekking hebbend op 2.428.105,86 euro Vlaamse steun (5%).

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

71


8. Uitbreiding VLIF met de agrovoedingssector en de omkadering van land- en tuinbouw Tabel 8.1: Toegekende VLIF-steun tweede indieningsronde Sectoren

Aantal projecten

Maximale / aanvaardbare VLIF-steun Investeringen euro

%

Toegekende VLIF-steun euro

Vlees

15

16.550.049,01

2,5

413.751,23

Kleinvee en eieren

5

8.207.241,73

2,5

205.181,04

Zuivelproducten

8

14.533.891,32

2,5

363.347,28

Groenten en fruit

21

39.146.731,14

2,5

978.668,28

Niet eetbare tuinbouwproducten (NET)

1

14.220.192,00

5(°)

711.009,6

Granen

4

1.200.204,52

2,5

30.005,11

Zaaizaad en pootgoed

0

0,00

2,5

0,00

Aardappelen

11

18.916.547,12

2,5

472.913,68

Industriële gewassen (vlas)

24

12.383.791,56

2,5

309.594,79

Biologische producten

0

0,00

5(°)

0,00

Alternatieve producten

0

0,00

5(°)

0,00

TOTAAL

89

125.158.648,40

3.484.471,01

(°) ten einde de ontwikkeling van een aantal sectoren te promoten, werd het EU-steunpercentage op 15% gebracht; de overeenkomende Vlaamse steun bedraagt 5%

8.2.2 Uitbetaalde VLIF-steun De in 2005 uitbetaalde Vlaamse steun aan projecten uit de eerste indieningsronde was, uitgezonderd de steun uitbetaald aan de zuivelcoöperaties (zie , afkomstig van de administratie Economie, afd. Economische Expansie (Hermesfonds). In onderstaande tabel wordt per sector de uitbetaalde VLIF-steun voor 2005 weergegeven voor de tweede ronde. Om tegemoet te komen aan de betalingsverplichtingen van 2005 binnen het PDPO werden voor deze projecten voorschotten uitbetaald op basis van een controle van de uitgevoerde werken.

72

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Tabel 8.2: Uitbetaalde VLIF-steun tweede indieningsronde per sector op 31/12/2005 Sectoren

toegekende VLIF-steun als voorschot betaalde VLIF-steun 2005 euro

euro

%

Vlees

413.751,23

103.546,08

25,03

Kleinvee en eieren

205.181,04

130.123,41

63,42

Zuivelproducten

363.347,28

66.535,14

18,31

Groenten en fruit

978.668,28

510.881,31

52,20

Niet eetbare tuinbouwproducten (NET)

711.009,60

159.278,62

22,40

30.005,11

9.782,47

32,60

0,00

0,00

Aardappelen

472.913,68

259.249,58

54,82

Industriële gewassen (vlas)

309.594,79

134.957,68

43,59

Biologische producten

0,00

0,00

/

Alternatieve producten

0,00

0,00

/

3.484.471,01

1.374.354,29

Granen Zaaizaad en pootgoed

TOTAAL

/

39,44

8.2.3 Organieke regelgeving VLIF voor de agrovoedingssector In het kader van een ruimere reorganisatie van de steunverlening van de land- en tuinbouwsector, met o.m. het overnemen van de (primaire) agrovoedingssector van Economie door Landbouw, werd binnen het VLIF inmiddels ook gestart met de opmaak van een organieke regelgeving voor de betoelaging van investeringen van de agrovoedingssector.

8.3 Steun aan de omkaderingssector van land- en tuinbouw De erkende tuinbouwproeftuinen en –centra verkrijgen subsidies van Vlaanderen voor structuurverbeteringen. De subsidies bedragen maximaal 50% van het aanvaarde investeringsbedrag. Tot einde 2004 werd de betoelaging van investeringsdossiers van proeftuinen en –centra gefinancierd op basis van een begrotingsartikel binnen de begroting van de ALT. Vanaf 2005 gebeurt dit binnen het VLIF.

8.3.1 Vastgelegde VLIF-steun In 2005 werd een totaal toegekend subsidiebedrag van 4.137.640,25 euro vastgelegd. Dit bedrag omvat enerzijds de vastlegging van 3.903.279,00 euro voor een in 2005 goedgekeurd investeringsdossier van het Proefstation voor de Groenteteelt vzw te Sint-Katelijne-Waver en anderzijds de transfer van de vastlegging van 234.361,25 euro van de lopende projecten naar de VLIF-begroting. Van het in 2005 vastgelegde subsidiebedrag werd hetzelfde jaar 1.079.993,43 euro uitbetaald: 975.819,75 euro voor het nieuwe project van het Proefstation voor de Groenteteelt vzw en 104.173,68 euro voor de overige projecten.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

73


8. Uitbreiding VLIF met de agrovoedingssector en de omkadering van land- en tuinbouw 8.3.2 Uitbetaalde steun In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de in 2005 uitgevoerde betalingen en van de vastgelegde steunbedragen van investeringsdossiers van proeftuinen en –centra. Tabel 8.3: vastleggingen en uitbetalingen in 2005 (euro) Proeftuin / proefcentrum Dossier

Toegekende steun

Vastgelegde steun binnen het VLIF

Uitbetaalde steun in 2005

Proefstation voor de Groenteteelt

P2005 01

3.903.279,00

3.903.279,00

975.819,75

Proefcentrum voor Sierteelt

P2003 01

153.000,00

38.250,00

38.078,68

PCF-Proeftuin aardbeien en houtig kleinfruit

P2003 03

98.750,00

98.750,00

74.062,50

Proefstation voor de Groenteteelt

P2003 04

39.815,00

29.861,25

19.907,50

Proefcentrum Hoogstraten

P2003 05

63.250,00

31.625,00

15.812,50

PCF-Proeftuin pit- en steenfruit

P2004 01

60.750,00

45.562,50

30.375,00

Nationale Proeftuin voor Witloof

P2004 02

15.000,00

15.000,00

/

4.137.640,25

1.079.993,43

Totaal

8.3.3 Organieke regelgeving VLIF voor de omkaderingssector Inmiddels werd ook voor de omkaderingssector gestart met de opmaak van een organieke regelgeving voor de betoelaging van investeringen van proeftuinen en –centra, met mogelijk uitbreiding voor de loonwerkers in land- en tuinbouw.

74

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Bijlagen Bijlage 1 Wetten, decreten en besluiten inzake het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 16 JULI 1993. - Bijzondere wet tot vervollediging van de federale staatsstructuur (B.S.20/07/1993)

BOUDEWIJN, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1 Wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (...) Artikel 2 § 1. (...) § 2.Artikel 6, § 1, V, van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 8 augustus 1988, wordt vervangen door de volgende bepaling : “ V. Wat het landbouwbeleid betreft : 1° De toepassing, in het kader van het Landbouwfonds, van de Europese maatregelen inzake het landbouwstructuurbeleid met betrekking tot : - de specifieke steun voor de landbouw in probleemgebieden; - de plattelandsontwikkeling; 2° Het Landbouwinvesteringsfonds; 3° De aanvullende of suppletieve hulp aan landbouwbedrijven; 4° Het promotiebeleid; 5° De toepassing van de Europese maatregelen in het raam van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die betrekking hebben op het leefmilieu en op de landinrichting, de bosbouw en het natuurbehoud. Voor andere dan de in het eerste lid, 1°, bedoelde aangelegenheden worden de Gewesten betrokken bij het beheer van het Landbouwfonds”. § 3. (...)

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

75


Bijlagen 22 DECEMBER 1993.- Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (B.S. 29/12/1993) [ gecoördineerde versie na de wijzigingen bij decreet van 19 juli 2002 (B.S. 27/08/2002) bij art. 55 van het programmadecreet van 24 december 2004 (B.S. 31/12/2004) ]

(...) HOOFDSTUK IV - LANDBOUW Afdeling 1 - Vlaams Landbouwinvesteringsfonds Art. 12 § 1 Er wordt een Vlaams Landbouwinvesteringsfonds opgericht hierna te noemen het Fonds. Het Fonds heeft tot taak de bevoegdheden uit te oefenen inzake het Landbouwinvesteringsfonds die overgedragen worden krachtens de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur. §2

Het Fonds heeft rechtspersoonlijkheid. De bepalingen van de wet van 16 maart 1954 in verband met de begroting, de rekeningen, het comptabiliteitsstelsel, het gezag en de controle op de instellingen van categorie A zijn op het Fonds van toepassing voor zover er in dit decreet niet wordt van afgeweken.

§3

Het Fonds kan , teneinde verrichtingen te ondersteunen die de structuur van de land- en tuinbouwbedrijven verbeteren, hun rendabiliteit verzekeren en opvoeren, en de kostprijzen verminderen of die de diversificatie van de landbouwactiviteiten en landbouwproducten bevorderen, of die de landbouw met verbrede doelstellingen bevorderen, of die de omschakeling naar duurzame landbouw bevorderen, of die de economische activiteit van de dienstverlenende, de begeleidende, de toeleverende, de afzet en de primaire verwerkende sector van land- en tuinbouw helpen bevorderen, tegemoetkomingen verlenen aan : 1° land- en tuinbouwers alsmede aan hun verenigingen en hun vennootschappen; 2° zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen inzake de dienstverlening, begeleiding en de toelevering aan de land- en tuinbouwsector; 3° zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen inzake afzet en primaire verwerking van landen tuinbouwproducten. De Vlaamse Regering kan nadere regels en voorwaarden bepalen waaraan de zelfstandigen, verenigingen en vennootschappen moeten voldoen. De Vlaamse Regering kan de steunverlening aan zelfstandigen, vennootschappen en verenigingen uit de agrotoeleveringssector en de agrovoedingssector beperken tot een jaarlijks maximaal percentage van het totale voorziene budget van het Fonds. Onder verrichting wordt verstaan : 1° investeringsverrichtingen : goederen van blijvende aard verwerven, uitbreiden of verbeteren zoals grond, gebouwen, constructies, bedrijfsuitrusting, installaties, machines, werktuigen en materieel; 2° omschakeling of diversificatie van bedrijven (ingevolge gewijzigde economische omstandigheden) of omschakeling van de landbouwbedrijfsvoering; 3° installatie van jonge land- en tuinbouwers; 4° verwerking en commercialisering van land- en tuinbouwproducten; 5° dienstverlening of begeleiding.

76

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


§4

De middelen van het Fonds zijn : a) een jaarlijkse dotatie lastens de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap; b) de terugbetalingen van sommen, die voortkomen uit de uitvoering van de taken van het Fonds; c) het eventuele saldo op het einde van het voorgaande begrotingsjaar op het Fonds; d) de tegemoetkoming van de Europese Gemeenschap in de uitgaven van het Fonds voor de ondersteuning van de landbouwsector; e) de bijdragen voor de waarborg.

§5

Het Fonds wordt gemachtigd een waarborg te verlenen voor investeringen in de land- en tuinbouw.

§6

De waarborg van het Vlaamse Gewest wordt toegekend aan het geheel van de door het Fonds gewaarborgde leningen bedoeld in § 5.

§7

De Vlaamse Regering stelt jaarlijks een verslag op over de werking en het beheer van het Fonds. Het verslag wordt aan de Vlaamse Raad meegedeeld vóór 30 juni van het daaropvolgende jaar.

§8

De Vlaamse Regering regelt de werking en het beheer van het Fonds. Zij stelt de nodige diensten, uitrusting, installaties en personeelsleden van haar diensten ter beschikking van het Fonds en kan, overeenkomstig de ter zake geldende algemene beginselen, sommige van haar bevoegdheden delegeren aan de leidend ambtenaar die zij daartoe aanwijst.

§9

Het Fonds neemt de in § 1 bedoelde taken op vanaf de datum van de overdracht. De rechten en plichten van de Staat inzake het federale Landbouwinvesteringsfonds die aan het Vlaamse Gewest worden overgedragen in uitvoering van de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden vanaf de datum van die overdracht toegewezen aan het Fonds.

Afdeling 2.

-

(...)

24 JUNI 2005.- Decreet houdende aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2005 (B.S. 27/12/2005) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : (...) Artikel 45 Goedgekeurd wordt de bij dit decreet gevoegde aangepaste begroting voor het jaar 2005 van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. De begroting beloopt voor de ontvangsten 50.148.000 euro voor de uitgaven 50.148.000 euro. De ontvangsten en uitgaven voor orde worden respectievelijk geraamd op 0 euro en 0 euro. Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds wordt ertoe gemachtigd ten laste van zijn begroting een bedrag van 51.076.000 euro vast te leggen. Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds wordt ertoe gemachtigd zijn waarborg te verlenen aan leningen bestemd voor investeringen in de land- en tuinbouw voor een totaal gewaarborgd bedrag van 95.984.000 euro.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

77


Bijlagen De uitstaande verbintenissen vastgelegd op basisallocatie 52.10 van het programma 54.90 mogen vanaf het begrotingsjaar 2005 geordonnanceerd, vereffend en betaald worden lastens het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. (...)

Brussel, 24 juni 2005. (get.)

VLAAMS LANDBOUWINVESTERINGSFONDS BEGROTINGSCONTROLE 2005 (in duizend euro) ONTVANGSTEN ESR code 46.1

COFOG code

Omschrijving

BO 2005 BC 2005

HOOFDSTUK 1 - Tegemoetkoming van de Overheid Dotatie van het Vlaamse Gewest (PR.54.10 - ba 41.41).

42.000

46.820

42.000

46.820

Terugbetalingen door ondernemingen (begunstigden of kredietinstellingen)

250

150

Waarborgbijdragen

100

100

350

250

25

0

25

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

42.375

50.148

Totaal voor hoofdstuk 1 HOOFDSTUK 2 - Opbrengsten als gevolg van het uitvoeren van de statutaire opdracht 57.1 16

Totaal voor hoofdstuk 2 46.1

HOOFDSTUK 3 - Inkomstenoverdrachten binnen dezelfde institutionele entiteit CFO-vergoeding voor goed beheer rekening Totaal voor hoofdstuk 3

59.11

HOOFDSTUK 4 - Inkomstenoverdrachten van het buitenland EU-bijstand.op investeringspremies (oude regelgeving) Totaal voor hoofdstuk 4

08.21

HOOFDSTUK 5 - Bijzondere ontvangsten Overgedragen saldo 31/12/2004 Totaal voor hoofdstuk 5

08.3

HOOFDSTUK 6 - Ontvangsten voor orde Diverse ontvangsten Totaal voor hoofdstuk 6

Totaal ontvangsten

78

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


(in duizend euro) UITGAVEN ESR COFOG code code 03.3

Omschrijving

BO 2005

BC 2005

GVK

GOK

GVK

GOK

Diverse uitgaven

0

0

0

0

Totaal voor hoofdstuk 1 HOOFDSTUK 2 - Betalingen aan derden als gevolg van het uitvoeren van de statutaire opdracht (art. 12 van het decreet van 22 september 1993 : oprichting van het VLIF) a) steun aan land- en tuinbouwers en hun coรถperaties

0

0

0

0

HOOFDSTUK 1 - Uitgaven voor orde

31.12 04210 Rentesubsidies - verbetering

24.900

18.000 17.630 17.000

31.12 04210 Rentesubsidies - eerste installatie

3.600

2.000

1.772

2.434

51.32 04210 Rentesubsidies - regionale steun

1.513

4.475

3.980

7.000

31.12 04210 Kapitaalpremies bij eerste installatie

18

18

14

14

51.12 04210 Kapitaalpremies in de varkenssector

0

0

0

0

51.12 04210 Investeringspremies

15.975

51.12 04210 Vestigingspremies

12.932 13.450 14.400

2.700

2.400

2.480

3.150

50

50

50

50

2.500

2.500

1.700

1.700

51.12 04210 b) Investeringssteun aan agrovoedingsbedrijven

6.000

3.200

aan de omkadering van de 51.12 04820 c) Investeringssteun land- en tuinbouw

4.000

1.200

51.12 04210 Startsteun erkende groeperingen 31.32 04210 Waarborgen

Totaal voor hoofdstuk 2 Totaal uitgaven

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

51.256

42.375 51.076 50.148

51.256 42.375 51.076 50.148

79


Bijlagen 16 JULI 1996 - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. (B.S. 13/09/1996) [ gecoördineerde versie na de wijzigingen bij besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2001 (B.S. 18/05/2001) bij besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2005 (B.S. 19/04/2005) ] De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988, de bijzondere wet van 1 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten en de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur; Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige organismen van Openbaar Nut; Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991; Gelet op het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993, inzonderheid op artikel 77; Gelet op het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, inzonderheid op artikel 12 waarbij een Vlaams Landbouwinvesteringsfonds wordt opgericht; Gelet op het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 1993 betreffende de bijdrage om de waarborg te verkrijgen van de publiekrechtelijke rechtspersoon die door de Vlaamse Regering is aangewezen, gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1994; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 1995 houdende toewijzing van bevoegdheden inzake bestuur en toezicht op de Vlaamse openbare instellingen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 1995; Gelet op het akkoord van de Inspectie van Financiën, gegeven op 14 maart 1996; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 16 juli 1996; Gelet op de wet op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat de regelen betreffende het beheer en de werking van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds dringend dienen te worden uitgebreid met de criteria voor erkenning van de instellingen om kredieten toe te kennen die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds en het noodzakelijk is om administratieve procedures te vereenvoudigen en aan te passen aan Vlaamse regelgeving ten einde het beleid van het Vlaams Gewest inzake het verlenen van steun aan de investerin Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid en de Vlaamse minister van Economie, KMO, Landbouw en Media; Na beraadslaging,

80

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


BESLUIT : Artikel 1.De leidend ambtenaar van de administratie Land- en Tuinbouw wordt overdracht van bevoegdheid verleend om namens de Vlaamse Regering nota’s, ambtsberichten, briefwisseling en documenten met betrekking tot het dagelijks beheer en de organisatie van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, hierna het Fonds genoemd, te ondertekenen. Hij voert hierbij de titel van directeur-generaal van het Fonds. De directeur-generaal staat in voor de afhandeling van de dossiers op grond van de richtlijnen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld voor de toepassing van artikel 12 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994. Hij verzekert de dagelijkse werking van het Fonds. Art. 2.De directeur-generaal van het Fonds wordt namens de Vlaamse Regering gemachtigd binnen de perken van zijn bevoegdheden : - overeenkomsten af te sluiten en bestellingen te doen voor een maximaal bedrag van 6.250 euro1, alsmede de geÍigende procedure hiervoor te kiezen ; - alle goedkeuringen te verlenen en stukken te ondertekenen die voor de uitvoering van de gesloten overeenkomsten vereist zijn, conform de van kracht zijnde bepalingen ; - met betrekking tot de subsidies en de waarborg toegestaan conform de van kracht zijnde richtlijnen in toepassing van artikel 12 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, alle goedkeuringen te verlenen en stukken te ondertekenen die voor de afhandeling van de zaken vereist is ; Art. 3.Driemaandelijks brengt de in artikel 1 aangeduide ambtenaar verslag uit over de aanwending van de krachtens dit besluit verleende machtigingen. Maandelijks wordt een staat overgemaakt van de binnen de perken van artikel 2 gedane vastleggingen en betalingen. Art. 4.Het personeel, de uitrusting en de installaties van de administratie Land- en Tuinbouw worden ter beschikking gesteld van het Fonds. Art. 5.De begroting van het Fonds wordt jaarlijks opgemaakt met opgave van alle ontvangsten en alle uitgaven, welke de herkomst en de oorzaak ervan ook moge zijn en dient uiterlijk tegen 1 mei door de directeurgeneraal van het Fonds door bemiddeling van de Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid te worden overgezonden aan de Vlaamse Regering om te worden toegevoegd aan het ontwerp van begroting van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar. Art. 6.De jaarlijkse uitvoeringsrekening op de begroting van het Fonds dient uiterlijk tegen 30 april door de directeur-generaal van het Fonds door bemiddeling van de Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid te worden overgezonden aan de Vlaamse Regering.

1 tot 31/12/2001 was dit 250.000 BEF

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

81


Bijlagen Art. 7.De bepalingen van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de Rijkscomptabiliteit die betrekking hebben op de controle van de vastleggingen en de uitgaven zijn eveneens van toepassing op het Fonds. Art. 8.De algemene en bijzondere regels betreffende : 1° de vorm en inhoud van de begroting ; 2° de comptabiliteit ; 3° de overlegging van de rekeningen ; 4° de periodieke toestandopgaven en verslagen worden vastgesteld overeenkomstig de regelen van het koninklijk besluit van 7 april 1954 houdende algemeen reglement op de begroting en de comptabiliteit van de bij de wet van 16 maart 1954 bedoelde instellingen van openbaar nut. Art. 9.Het Fonds verleent subsidies onder de vorm van rentetoelagen en investeringspremies overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw. Art. 10.De jaarlijkse dotatie aan het Fonds lastens de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, de tegemoetkoming van de Europese Gemeenschap in de uitgaven van het Fonds voor de ondersteuning van de landbouwsector, evenals de terugbetalingen van teveel uitbetaalde rentetoelagen en investeringspremies, worden gestort op hiertoe door het Fonds geopende rekeningen. Art. 11.§ 1. In overeenstemming met de desbetreffende bepaling van artikel 12 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 verleent het Fonds een waarborg voor leningen in de land- en tuinbouw tot maximaal 80 %2 van het bedrag dat overblijft nadat de vastgestelde waarborgen door de kredietinstellingen zijn gerealiseerd. § 2. De waarborg van het Fonds : a) dekt de hoofdsom en de intresten van het gewaarborgd krediet; b) kan uitgebreid worden tot de kredietopeningsprovisie en de extra kosten voor het tellen van de kredietaanvraag en de uitwinning van de waarborgen. In dergelijk geval wordt de looptijd van de lening voor het bepalen van de bijdrage, zoals bepaald in § 3 van dit artikel, verlengd met één jaar. c) dekt niet de verwijlintresten, de wederbeleggingsvergoedingen, de provisie voor overdisponering en de penaliteitsverhogingen toegepast bij de opeisbaarheid van het krediet. § 3. De waarborg van het Fonds is afhankelijk van het betalen van een bijdrage, zoals bepaald in artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. § 4. In afwijking van artikel 8 van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schulden waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest wordt de bijdrage binnen de 60 kalenderdagen na de mededeling aan de kredietinstelling van de toekenning van de waarborg van het Fonds op een hiertoe door het Fonds geopende rekening gestort. Zolang de waarborgbijdrage niet betaald is binnen de vastgestelde termijn wordt de toegekende waarborg als nietig beschouwd. Bij laattijdige betaling wordt de bijdrage zoals bepaald in § 3, verhoogd met 25 euro3. Vanaf 1 jaar na de mededeling van de waarborgtoekenning vervalt in voorkomend geval de medegedeelde waarborg evenwel onherroepelijk. § 5. Bij uitwinning worden de opbrengsten proportioneel verdeeld over het gewaarborgde en nietgewaarborgde deel van het krediet.

2 voor dossiers ingediend tot 31/12/2000 was dit 90 % 3 tot 31/12/2001 was dit 1.000 BEF

82

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


§ 6. Indien het Fonds de opgevraagde waarborg betaald heeft, zal de kredietinstelling de opbrengsten van latere terugwinningen in dezelfde mate verdelen en terugbetalen aan het Fonds zoals vermeld in het vorig lid. § 7. De door het Fonds uitbetaalde waarborgen in uitvoering van artikel 12 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 zullen worden ingevorderd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren. Art. 12.De in artikel 11, § 7, van dit besluit bedoelde terug te vorderen bedragen ingevolge de uitbetaling van de waarborg van het Fonds, evenals de eventueel teveel uitbetaalde bedragen aan waarborg, worden gestort op hiertoe door het Fonds geopende rekeningen. Art. 13.§1. De leningen waarvoor de in artikel 9 bedoelde rentetoelagen en de in artikel 11 bedoelde waarborg worden verleend zijn kredieten die werden toegekend door kredietinstellingen erkend door de Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid. § 2. De kredietinstellingen die voldoen aan de bepalingen van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen worden erkend. § 3. De kredietinstellingen richten hun verzoek tot erkenning bij aangetekende brief aan de minister bevoegd voor het landbouwbeleid. § 4. Bij de aanvraag tot erkenning moeten ze volgende gegevens meedelen of documenten bijvoegen : - de statuten; - de samenstelling van de raad van bestuur en van het dagelijks bestuur; - de goedgekeurde jaarrekeningen van de drie laatste boekjaren; - het financiële plan indien de instelling nog geen drie jaar bestaat; - alle andere noodzakelijke gegevens die de werkzaamheden nader omschrijven; - alle door de bevoegde Vlaamse minister gevraagde inlichtingen. § 5. De erkenning heeft slechts praktische uitwerking wanneer de betreffende instellingen een door de Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid vastgestelde overeenkomst ondertekenen en een borgsom van 12.500 euro4. storten aan het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Deze borgsom is zonder rente terugbetaalbaar bij het eindigen van de erkenning. Art. 14.Het koninklijk besluit van 28 maart 1975 betreffende de invordering van door het Landbouwinvesteringsfonds uitgevoerde waarborgen wordt opgeheven voor wat de toepassing in het Vlaams Gewest betreft. Art. 15.Het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 1994 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds wordt vervangen door dit besluit. Art. 16.Het Rekenhof en de betrokken ambtenaar ontvangen voor kennisgeving een eensluidend afschrift van dit besluit. Art. 17.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 1996.

4 Tot 31/12/2001 was dit 500.000 BEF

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

83


Bijlagen Art. 18.De Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 16 juli 1996 De minister-president van de Vlaamse Regering, (get.) L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid, (get.) Mevr. W. DEMEESTER - DE MEYER De Vlaamse minister van Economie, KMO, Landbouw en Media, (get.) E. VAN ROMPUY

24 NOVEMBER 2000. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (B.S. 14/02/2001) [gecoördineerde versie na de wijzigingen bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2004 (B.S. 14/04/04) besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 (B.S. 27/09/2004) besluit van de Vlaamse Regering van 3 december 2004 (B.S. 21/02/2005) ] DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, inzonderheid op artikel 12; Gelet op de verordening (EG) nr. 1257/99 van de Raad van 17 mei 1999 inzake de steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juli 1996 betreffende steun aan investeringen en aan de installatie in de landbouw; Gelet op de communautaire richtsnoeren (97/C 283/02) voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden; Gelet op de communautaire richtsnoeren (2000/C 28/02) voor staatssteun in de landbouwsector; Gelet op het overleg in de Interministeriële Conferentie Landbouw op 11 september 2000; Gelet op het advies van de Vlaamse Land- en Tuinbouwraad, gegeven op 15 september 2000; Gelet op de beschikking van de Europese Commissie van 6 oktober 2000 tot goedkeuring van het programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling voor het Vlaamse Gewest met betrekking tot de programmeringsperiode 2000-2006; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 14 juli 2000; Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door een verplichte retroactieve toepassing van de maatregelen in het kader van het Vlaamse plan voor plattelandsontwikkeling met een onverantwoord

84

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


grote achterstand in de behandeling van de aanvragen om steun en de uitbetaling van de steun als gevolg, waardoor land- en tuinbouwers in moeilijkheden dreigen te geraken met de financiering van hun investeringen of vestigingskosten; Gelet op advies 30.847/3 van de Raad van State, gegeven op 30 oktober 2000, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw en de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden; Na beraadslaging; BESLUIT : Hoofdstuk I. - Algemene begrippen Artikel 1. In dit besluit wordt voor de productiesector verstaan onder: 1° de landbouwer: de persoon die een land- of tuinbouwbedrijf exploiteert met een arbeidsbehoefte van minimaal 0,5 en maximaal 10 volle arbeidskrachten (VAK) per bedrijfsleider. De landbouwer kan zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon zijn. De natuurlijke persoon of de beherende vennoot, zaakvoerder, bestuurder of afgevaardigde bestuurder van de rechtspersoon moet minstens 50 % van zijn totale arbeidsduur besteden aan de werkzaamheden op het land- of tuinbouwbedrijf en minstens 35 % van zijn totale inkomen uit die activiteit halen. 2° de rechtspersoon: opgericht onder de vorm van een landbouwvennootschap als bedoeld in de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap of de rechtspersoon die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet: a) opgericht zijn onder een der vormen als bedoeld in artikel 2 van titel IX van Boek I van het Wetboek van Koophandel; b) de statuten hebben de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf en de verhandeling van de op het bedrijf voortgebrachte producten tot doel; c) opgericht zijn voor onbepaalde duur of voor een duur van ten minste 20 jaar; d) de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap moeten op naam zijn; e) de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap moeten voor ten minste 51 % toebehoren aan de zaakvoerders, de bestuurders of de afgevaardigde bestuurders; f ) de zaakvoerders, de bestuurders of de afgevaardigde bestuurders moeten onder de vennoten worden aangewezen. 3° een volle arbeidskracht (VAK): de persoon die een arbeidsduur presteert van 1800 uur per jaar. Art. 2. In dit besluit wordt onder coöperatieve vennootschap voor verwerking, afzet en dienstverlening verstaan de coöperatieve vennootschap die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet: a) opgericht zijn overeenkomstig de bepalingen van titel IX van Boek I van het Wetboek van Koophandel; b) het voorwerp van de vennootschap moet in hoofdzaak verband houden met de landbouw, de tuinbouw of de veeteelt; c) de meerderheid van de vennoten moet de activiteit van landbouwer uitoefenen in de zin van artikel 1 van dit besluit of minstens 50 % van de stemgerechtigde aandelen moet in handen zijn van landbouwers en/of van één of meerdere coöperatieve vennootschappen voor verwerking, afzet en dienstverlening die voldoen aan de bepalingen van dit besluit;

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

85


Bijlagen d) de vennootschap moet het toetreden van nieuwe leden toelaten zonder hierbij overdreven eisen te stellen; e) de statuten moeten voorzien dat ieder vennoot op de algemene vergadering over minstens één stem beschikt en dat, in het geval van meerdere stemmen per vennoot, het aantal stemmen waarover een vennoot beschikt, beperkt wordt tot ten hoogste één tiende van de op de algemene vergadering aan de vertegenwoordigde deelbewijzen verbonden stemmen; f ) het jaarlijks dividend mag 7 % van het gestort bedrag der aandelen niet overschrijden; g) de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, kan steeds, ten einde de vertegenwoordiging van de landbouwers en de jongeren in het bijzonder te verzekeren, bijkomende voorwaarden opleggen betreffende de samenstelling van de Raad van Bestuur; h) indien de meerderheid van de stemgerechtigde aandelen in het bezit is van één of meerdere andere coöperatieve vennootschappen opgericht overeenkomstig dit artikel, moet de coöperatieve vennootschap voor verwerking, afzet en dienstverlening de voorwaarden, bedoeld in c en d niet vervullen. Art. 3. In dit besluit wordt onder een samenwerkingsverband van landbouwers verstaan het samenwerkingsverband waarvan ten minste de helft van de leden landbouwers in hoofdberoep zijn en dat opgericht is, hetzij: 1° onder de vorm van een coöperatieve vennootschap bedoeld in artikel 2 van dit besluit; 2° onder de vorm van een vereniging zonder winstgevend doel; 3° onder de vorm van een vereniging waarvan tenminste drie werkende leden landbouwers zijn en de leden hoofdelijk aansprakelijk zijn; Hoofdstuk II. - Steun aan investeringen op landbouwbedrijven Art. 4. De landbouwer die een landbouwbedrijf exploiteert waarvan kan worden aangetoond dat het levensvatbaar is en dat het voldoet aan minimumnormen op het gebied van leefmilieu, hygiëne en dierenwelzijn en waar de productie zo georganiseerd wordt dat een positief resultaat gerealiseerd wordt t.o.v. deze minimumnormen, kan genieten van de investeringssteun die in aanmerking komt voor de financiering uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (E.O.G.F.L.). De natuurlijke persoon, landbouwer of de beherende vennoot, zaakvoerder, bestuurder of afgevaardigde bestuurder van de rechtspersoon, landbouwer moet over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid beschikken. Een economisch levensvatbaar landbouwbedrijf is een landbouwbedrijf dat na de investeringen een arbeidsinkomen per VAK verschaft hoger dan het in artikel 5 bedoelde referentie-inkomen. De landbouwer stelt voor zijn bedrijf een bedrijfsplan op dat beantwoordt aan de in artikel 5 vastgestelde voorwaarden. Bovendien verbindt hij er zich toe een bedrijfseconomische boekhouding bij te houden. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de voorwaarden inzake vakbekwaamheid en deskundigheid, de criteria waaraan de bedrijfseconomische boekhouding moet voldoen en de eventueel bijkomende normen in het kader van de steunverlening op het vlak van leefmilieu, hygiëne, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening. Art. 5. In het bedrijfsplan bedoeld in artikel 4, moet worden aangetoond dat de investeringen gerechtvaardigd zijn in het licht van de toestand en van de structuur van het bedrijf en dat de uitvoering van dit plan zal leiden tot een duurzame verbetering van deze toestand.

86

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, stelt de berekeningswijze voor het arbeidsinkomen vast. Onder referentie-inkomen wordt een percentage van het vergelijkbaar arbeidsinkomen verstaan, zijnde het gemiddelde brutoloon van de werknemers buiten de landbouw. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, stelt elk jaar het in aanmerking te nemen referentie-inkomen vast. Art. 6. Het maximale percentage steun voor de investering naargelang de aard ervan, bedraagt: 1°) 40 % voor investeringen gericht op de realisatie van een landbouw met verbrede doelstellingen, duurzame landbouw en/of biologische landbouw, zoals nader omschreven in de bijlage bij dit besluit; 2°) 30 % voor investeringen gericht op de reconversie van het landbouwbedrijf, zoals nader omschreven in de bijlage bij dit besluit; 3°) 20 % voor investeringen in onroerend goed, gericht op de realisatie van een structuurverbetering, zoals nader omschreven in de bijlage bij dit besluit; 4°) 10 % voor overige investeringen gericht op de realisatie van een structuurverbetering, zoals nader omschreven in de bijlage bij dit besluit; 5°) een variabel % steun dat minimaal 20 % bedraagt, voor investeringen in een ammoniakemissiearme stal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM. Het % steun is gelijk aan de verhouding tussen de meerprijs per dierplaats, beperkt tot 40 % van de prijs per dierplaats bij een standaardstal en de prijs per dierplaats bij de ammoniakemissiearme stal. De investeringssteun kan een of meerdere van de volgende maatregelen omvatten: 1°) de steun onder de vorm van een investeringspremie al dan niet aanvullend aan een rentetoelage; 2°) de steun onder de vorm van een rentetoelage; 3°) de waarborg, bedoeld in artikel 12, § 5 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de andere gelijkaardige investeringen als bedoeld in de bijlage die van de investeringssteun kunnen genieten. Art. 7. §1. De in artikel 6 bedoelde steunregeling kan betrekking hebben op investeringen die gericht zijn op: 1°) verlaging van de productiekosten; 2°) verbetering en omschakeling van de productie; 3°) verhoging van de kwaliteit; 4°) verbetering van het leefmilieu, de hygiënische omstandigheden en/of de normen op het gebied van dierenwelzijn; 5°) bevordering van de diversificatie van de activiteiten op het landbouwbedrijf voorzover de diversificatie niet voor gevolg heeft dat het arbeidsinkomen uit de landbouwactiviteiten op het bedrijf kleiner wordt dan 50 % van het totale arbeidsinkomen uit het bedrijf. §2.

Komen niet in aanmerking voor steun als bedoeld in artikel 6: 1°) investeringen in de melkveesector die leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit tenzij ze samengaan met een evenredige verhoging van het aan het bedrijf toegekende melkquotum; 2°) investeringen in de varkenssector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren en/of biologische landbouw. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit en moet na uitvoering van de investering een minimale graad van grondgebondenheid bereikt worden.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

87


Bijlagen Deze minimale graad van grondgebondenheid is bereikt wanneer het bedrijf na de investeringen beschikt over een oppervlakte van 1 ha voor 30 vleesvarkensplaatsen en 1 ha voor 25 plaatsen voor productieve zeugen. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme varkensstal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de zeugenhouderij gebeurt in combinatie met groepshuisvesting, voor het verbouwen en uitrusten van een bestaande zeugenstal naar een stal met groepshuisvesting en voor investeringen in hoevetoerisme en landschapsbeheer; 3°) investeringen in de pluimveesector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren, het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme pluimveestal voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de legkippenhouderij gebeurt in combinatie met volièrehuisvesting, voor het verbouwen en uitrusten van een bestaande legkippenstal naar een stal met volièrehuisvesting en/of biologische landbouw. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit; 4°) investeringen in de rundvleessector die leiden tot een bezetting van vleesrunderen die groter is dan 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare voor de voedering van die runderen bestemde oppervlakte voedergewassen. Elke stier, koe of ander rund van meer dan 2 jaar vertegenwoordigt 1 GVE en elk rund van zes maand tot 2 jaar 0,6 GVE. Deze voorwaarde geldt niet voor investeringen gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren en/of biologische landbouw voor zover ze niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit; 5°) investeringen in de vleeskalversector met uitzondering van deze gericht op het zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten, hoevetoerisme, landschapsbeheer, de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren. Bovendien mogen deze investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit; 6°) de aankoop van varkens, pluimvee en mestkalveren; 7°) de aankoop van ander vee dan bedoeld onder 6°, met uitzondering van de eerste aankoop; 8° ) de aankoop van grond. Bij omschakeling naar de biologische productiemethode zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 3 september 2000, geldt de voorwaarde inzake productiecapaciteit, bedoeld in het eerste lid, 1° tot 5°, niet. Art. 8. De totale omvang van de subsidiabele investeringen bedraagt is in de periode 2000 – 2006 maximaal 500.000 euro per VAK en 1.000.000 euro per bedrijf voor de financiële steun onder vorm van rentetoelage en/of kapitaalpremie vatbaar voor communautaire cofinanciering; 2.000.000 euro per bedrijf voor de overheidswaarborg. De rentetoelage bedraagt maximaal 4 % voor de investeringen, bedoeld in artikel 6, 1° en 2° en 3 % voor de investeringen, bedoeld in artikel 6, 3° en 4° en 5°. Art. 9. De landbouwer, die van de investeringssteun, bedoeld in artikel 6, wenst te genieten dient daartoe een aanvraag in bij het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Voor een overheidswaarborg dient dit te gebeuren door tussenkomst van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. De aanvraag moet vergezeld zijn van een informatiefiche van het bedrijf met het oog op het opstellen van het bedrijfsplan op basis van een begroting van het arbeidsinkomen. De bevoegde ambtenaar maakt met de landbouwer de begroting van het bedrijf op.

88

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, stelt de wijze vast waarop het bedrijfsplan en de begroting tot het bepalen van het arbeidsinkomen dienen te worden opgesteld. Hoofdstuk III. - Steun aan de vestiging van jonge landbouwers Art. 10. De persoon die zich voor het eerst vestigt hetzij als natuurlijke persoon, landbouwer hetzij als beherende vennoot, zaakvoerder, bestuurder of afgevaardigde bestuurder van een rechtspersoon, landbouwer en die op het tijdstip van de aanvraag om steun jonger is dan 40 jaar, kan genieten van steunmaatregelen die in aanmerking komen voor financiering uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds van de Landbouw (EOGFL) voor de lasten voortvloeiend uit de vestiging. De natuurlijke persoon, landbouwer of de beherende vennoot, zaakvoerder, bestuurder of afgevaardigde bestuurder van een rechtspersoon, landbouwer, moet hiertoe over een minimale vakbekwaamheid en deskundigheid voor eerste vestiging beschikken. De jonge landbouwer stelt voor zijn bedrijf een startplan op dat beantwoordt aan de in artikel 11 vastgestelde voorwaarden. Bovendien verbindt hij er zich toe een bedrijfseconomische boekhouding bij te houden. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de voorwaarden en de normen inzake minimale vakbekwaamheid en deskundigheid voor eerste vestiging en de criteria waaraan de bedrijfseconomische boekhouding moet voldoen. Art. 11. In het startplan bedoeld in artikel 10 moet worden aangetoond dat de landbouwer zich vestigt op een landbouwbedrijf waarvan wordt aangetoond dat het economisch levensvatbaar is en dat voldoet aan de minimumnormen op gebied van leefmilieu, hygiëne en dierenwelzijn. Een economisch levensvatbaar bedrijf bij vestiging is een landbouwbedrijf dat voldoende bedrijfszekerheid biedt en een arbeidsinkomen per VAK verschaft dat hoger is dan het in artikel 5 bedoelde referentieinkomen. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, stelt de berekeningswijze vast voor het arbeidsinkomen. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten tot het aantonen van de voldoende bedrijfszekerheid en de eventueel bijkomende normen in het kader van de steunverlening op het vlak van leefmilieu, hygiëne, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening. Art. 12. De vestigingssteun die in aanmerking komt voor financiering uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds van de Landbouw (EOGFL) kan een of meerdere van de volgende maatregelen omvatten: 1° de steun onder de vorm van een investeringspremie; 2° de steun onder de vorm van een rentetoelage; 3° de waarborg, bedoeld in artikel 12, § 5 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994. De gekapitaliseerde waarde van de steun bedraagt ten hoogste 25.000 euro onder vorm van een investeringspremie en 25.000 euro onder vorm van een rentetoelage.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

89


Bijlagen Art. 13. Voor het verkrijgen van de in artikel 12 bedoelde vestigingssteun moet de landbouwer vestigingskosten aantonen. Deze bedragen 50.000 euro per vestiging voor de investeringspremie en 100.000 euro per vestiging voor de rentetoelage. Bij kleinere bedragen kan de steun proportioneel verkregen worden. De rentetoelage bedraagt maximaal 4 %. Art. 14. De landbouwer die geniet van de vestigingssteun, bedoeld in artikel 12, kan van volgende aanvullende regionale steunmaatregelen genieten: 1°) de steun onder de vorm van een rentetoelage; 2°) de waarborg, bedoeld in artikel 12, § 5 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalinge tot begeleiding van de begroting 1994. De gekapitaliseerde waarde van de regionale steun bedraagt ten hoogste 25.000 euro per vestiging. Art. 15. Voor het verkrijgen van de in artikel 14 bedoelde regionale vestigingssteun moet de landbouwer 100.000 euro vestigingskosten aantonen, andere dan deze bedoeld in artikel 13. De rentetoelage met betrekking tot de aanvullende regionale steun bedraagt maximaal 4 %. Art. 16. De landbouwer die van de vestigingssteun wenst te genieten dient daartoe een aanvraag in bij het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Voor een overheidswaarborg dient dit te gebeuren door tussenkomst van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. De aanvraag moet vergezeld zijn van een informatiefiche van het bedrijf met het oog op het opstellen van het startplan op basis van een begroting van het arbeidsinkomen. De bevoegde ambtenaar maakt met de landbouwer de begroting op van het bedrijf. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, stelt de wijze vast waarop het startplan en de begroting tot het bepalen van het arbeidsinkomen dient te worden opgesteld. Hoofdstuk IV. - Regionale steun als compensatie van geleden schade Art. 17. Bij belangrijke geleden schade aan de landbouwproductie of de landbouwproductiemiddelen, met inbegrip van gebouwen en aanplantingen, ten gevolge van onvoorziene gebeurtenissen zoals natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of het uitbreken van dier- of plantenziekten, kan de landbouwer van een of meerdere van de volgende regionale steunmaatregelen genieten: 1°) de steun onder de vorm van een rentetoelage op een overbruggingskrediet. De rentetoelage bedraagt maximaal 3 %; 2°) de steun onder de vorm van een investeringspremie al dan niet aanvullend aan een rentetoelage; 3°) de waarborg, bedoeld in artikel 12, § 5 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten voor het verkrijgen van de steun, de aard en de omvang van de schadegevallen, de aard van de veeziekten, de wijze waarop het bedrag van de schade dient vastgesteld te worden en de totale omvang van de steun. Deze bepalingen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Inspectie van Financiën en de Vlaamse minister, bevoegd voor Financiën en Begroting.

90

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Art. 18. De landbouwer die van de in artikel 17 bedoelde steun wenst te genieten, dient daartoe een aanvraag in bij het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Voor de maatregelen, bedoeld in artikel 17, 1° en 3°, dient dit te gebeuren door tussenkomst van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Indien er waarborg gevraagd wordt, maakt de bevoegde ambtenaar met de landbouwer de begroting van het bedrijf op. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, stelt de wijze vast waarop de in dit artikel bedoelde begroting dient te worden opgesteld. Hoofdstuk V. - Regionale maatregelen ten gunste van de bedrijven in financiële moeilijkheden Art. 19. De landbouwer die het bewijs aanbrengt dat hij financiële moeilijkheden heeft die een gevolg zijn van buitengewone gebeurtenissen andere dan deze bedoeld in artikel 17 kan van een of meerdere van de volgende regionale steunverlening genieten: 1°) de steun onder de vorm van een rentetoelage op een overbruggingskrediet. De rentetoelage bedraagt maximaal 3 %; 2°) de waarborg, bedoeld in artikel 12, § 5 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de voorwaarden en modaliteiten voor het verkrijgen van de steun en de criteria voor het vaststellen van de financiële moeilijkheden. Deze bepalingen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Inspectie van Financiën en de Vlaamse minister, bevoegd voor Financiën en Begroting. Art. 20. De landbouwer die van de in artikel 19 bedoelde steun wenst te genieten, dient daartoe een aanvraag in bij het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) door tussenkomst van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. Indien er waarborg wordt gevraagd, maakt de bevoegde ambtenaar met de landbouwer de begroting van het bedrijf op. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, stelt de wijze vast waarop de in dit artikel bedoelde begroting dient te worden opgesteld. Hoofdstuk VI. - Regionale steun voor coöperatieve vennootschappen voor verwerking, afzet en dienstverlening Art. 21. De coöperatieve vennootschap voor verwerking, afzet en dienstverlening kan voor haar investeringen van een of meerdere vormen van volgende regionale steun genieten: 1°) de steun onder de vorm van een investeringspremie al dan niet aanvullend aan een rentetoelage; 2°) de steun onder de vorm van rentetoelage. De rentetoelage bedraagt maximaal 4 %; 3°) de waarborg, bedoeld in artikel 12, § 5 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

91


Bijlagen De totale steun wordt overeenkomstig de aard van de investering vastgesteld op 40 %, 30 %, 20 % of 10 % van de subsidiabele investeringen. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de aard van de investeringen en het percentage steun dat van toepassing is. Art. 22. De coöperatieve vennootschap voor verwerking, afzet en dienstverlening, die van de in artikel 21 bedoelde steun wenst te genieten dient daartoe een aanvraag in bij het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Voor een overheidswaarborg dient dit te gebeuren door tussenkomst van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds; Indien er waarborg gevraagd wordt, maakt de coöperatieve vennootschap voor verwerking, afzet en dienstverlening op basis van haar boekhoudkundige bescheiden een previsionele winst- en verliesrekening op waaruit moet blijken dat na de beoogde verrichtingen het bedrijf rendabel zal zijn. Hoofdstuk VII. - Startpremie aan samenwerkingsverbanden Art. 23. § 1. Een regionale startpremie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van land- of tuinbouwers pet uitsluiting van deze in aanmerking komend voor aanloopsteun in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, voorzover deze één of meerdere van de volgende doeleinden nastreven: 1° de bedrijfsverzorging; 2° de toepassing van nieuwe technologieën en van methoden voor de bescherming en de verbetering van het leefmilieu en voor de instandhouding van het landschap; 3° de invoering van alternatieve landbouwproductiemethoden; 4° een rationeler gemeenschappelijk gebruik van landbouwproductiemiddelen; 5° de gemeenschappelijke afzet van land- en tuinbouwproducten. De gemeenschappelijke afzet van land- en tuinbouwproducten dient steeds als doelstelling aanwezig te zijn in de zin dat de leden de verplichting hebben opgenomen hun productie, geheel of gedeeltelijk, op de markt te brengen volgens de door het samenwerkingsverband vastgestelde voorschriften inzake aanvoer en afzet. Deze voorschriften dienen eveneens gezamenlijke regels te bevatten inzake de productie, met normen over kwaliteit en kwantiteit van de producten. Met betrekking tot de organisatie van het samenwerkingsverband dient voorzien te zijn dat de leden minstens drie jaar lid blijven en gehouden zijn aan een vooropzeg van minstens twaalf maanden. De startpremie is bestemd om bij te dragen in de kosten van beheer van de samenwerkingsverbanden opgericht na 1 januari 2000, en is afhankelijk van het aantal leden en van de gezamenlijke verrichte activiteit. § 2. De groeperingen van samenwerkingsverbanden en de federaties van groeperingen kunnen onder dezelfde voorwaarden als deze voorzien voor de samenwerkingsverbanden genieten van de startpremie. Nochtans mag het verlenen van een startpremie aan een groepering of federatie niet tot gevolg hebben dat een samenwerkingsverband meer dan éénmaal van de in § 1 bedoelde steun geniet. Art. 24. Om te kunnen genieten van de startpremie moet de groepering of de federatie opgericht zijn, hetzij: 1°) onder de vorm van een coöperatieve vennootschap voor verwerking, afzet en dienstverlening; 2°) onder de vorm van een vereniging zonder winstgevend doel.

92

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Art. 25. Het samenwerkingsverband, de groepering of federatie van samenwerkingsverbanden dient het bewijs te leveren dat de samenwerking sociaal of economisch verantwoord is. Art. 26. Op het ogenblik van de aanvraag legt het samenwerkingsverband, de groepering of de federatie van samenwerkingsverbanden haar statuten voor samen met een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven vergezeld van hun verantwoording. Art. 27. De startpremie bedraagt maximaal 22.500 euro. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de aanvullende voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van de steun. Hoofdstuk VIII. - Algemene bepalingen en slotbepalingen Art. 28. Met betrekking tot de steunverlening, bedoeld in artikel 6, 12, 14, 17, 19 en 21 stelt de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, de voorwaarden en de modaliteiten van de rentetoelage en/of investeringspremie vast, de duur van de waarborg en eventueel de in aanmerking te nemen minimum- en maximuminvesteringen en vestigingskosten en de gevallen en de mate waarin het equivalent van de steun geheel of gedeeltelijk onder de vorm van uitgestelde aflossingen mag toegekend worden. De waarborg kan verleend worden wanneer uit de begroting van het bedrijf blijkt dat het arbeidsinkomen per VAK groter is dan het referentie-inkomen Indien er waarborg verleend wordt, verplicht de landbouwer zich ertoe een bedrijfseconomische boekhouding bij te houden. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaalt de criteria waaraan de bedrijfseconomische boekhouding moet voldoen. Art. 29. De in dit besluit bedoelde steunmaatregelen kunnen worden geweigerd aan de aanvragers die een verklaring hebben gedaan welke na onderzoek geheel of gedeeltelijk vals is bevonden. Art. 30. De landbouwer die wenst te genieten van de in dit besluit bedoelde steunmaatregelen, verbindt er zich toe geen andere steun aan te vragen of aangevraagd te hebben onder de vorm van rentetoelage, toelage of premie van welke aard ook voor de investeringen of de vestiging bedoeld in hoofdstukken II en III van dit besluit, die voor gevolg zou hebben dat het niveau van de steun, bedoeld in respectievelijk artikel 7 en 8 van de Verordening (EG) nr. 1257/99 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees OriĂŤntatie en Garantiefonds (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen, overschreden wordt. Art. 31. De in dit besluit bedoelde steun kan alleen verkregen worden voor investeringen waarvan de uitvoering ten hoogste zes maanden voor het tijdstip van indiening van de aanvraag om steun een aanvang nam.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

93


Bijlagen Art. 32. Vanaf de publicatie van dit besluit kunnen gedurende een periode van drie maanden en bij wijze van overgangsmaatregel nog aanvragen om steun ingediend worden voor investeringen waarvan de uitvoering na 1 januari 2000 een aanvang nam en waarvoor nog geen aanvraag om steun ingediend werd. Art. 33. De in de eerste kolom van onderstaande tabel vermelde artikelen of onderdelen ervan, hebben betrekking op dit besluit. Met betrekking tot de bedragen die in euro worden vermeld in de tweede kolom van deze tabel, gelden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2001 de bedragen die in Belgische frank worden vermeld in de derde kolom. Artikel

EUR

BEF

500.000

20.000.000

1.000.000

40.000.000

25.000

1.000.000

25.000

1.000.000

50.000

2.000.000

100.000

4.000.000

artikel 14, lid 2

25.000

1.000.000

artikel 15, lid 1

100.000

4.000.000

artikel 27, lid 1

22.500

900.000

artikel 8, lid 1

artikel 12, lid 2

artikel 13, lid 1

ĂŽ Art. 34. Het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juli 1996 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw wordt opgeheven. Art. 35. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000. Art. 36. De bedragen die in euro worden vermeld in de artikelen 8, lid1; 12, lid 2; 13, lid 1; 14, lid 2; 15, lid 1 en 27, lid 1 treden in werking op 1 januari 2002. Art. 37. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 24 november 2000 De minister-president van de Vlaamse Regering Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw Vera DUA

94

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Bijlage 1: Overzicht van de investeringen volgens hun aard en het overeenstemmend percentage steun t.o.v. subsidiabele investeringen. Aard van de investeringen Groep 1: Investeringen gericht op de realisatie van een landbouw met verbrede doelstellingen, duurzame landbouw en/of biologische landbouw

Beschrijving van de investering met vermelding van de bijzondere voorwaarden

Steun

Installatie voor afvalwaterzuivering op bedrijfsniveau (vb: rietveld) Uitrusting voor het reinigen van de rookgassen van stookinstallaties met cyclonen, doekenfilters of rookgaswassing Nieuwe verwarmingsinstallaties met gas of omschakeling van bestaande verwarmingsinstallaties naar gasverwarming Investeringen gericht op de vermindering van de ammoniakuitstoot en de geurhinder: - mestinjectiesystemen voor dierlijke mest; - andere emissiearme mestspreidingssystemen voor dierlijk mest; - stalverluchtingssysteem met een filter ter bestrijding van de geur- en stofhinder (biofilter, biobed, stoffilters, luchtwassers) Systemen voor het hergebruik van beregeningswater, opvang en hergebruik van hemelwater als beregeningswater Installatie van een rookgascondensor, een warmtebuffer, energieschermen of combi-schermen Installatie van een energiebesparende kasomhulling (dubbel glas, gecoat glas, kunststof kanaalplaten) Aanbrengen van isolatie in bestaande en verwarmde pluimvee-, varkensen vleeskalverstallen zodat een energiebesparing gerealiseerd wordt Machines en uitrusting die specifiek noodzakelijk zijn voor het beheer van kleine landschapselementen, perceelranden en landschap (eventueel contracten voorleggen) Machines en uitrusting die specifiek noodzakelijk zijn voor het beheer van kleine landschapselementen, perceelranden en landschap (eventueel contracten voorleggen)

40 %

Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor de aanmaak van zuivelproducten (met melk van het eigen bedrijf ) en het bewaren van deze producten evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor deze activiteit Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor het versnijden, bereiden en verkoopsklaar maken van vlees (geproduceerd op het eigen bedrijf) en het bewaren van deze producten evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor deze activiteit. Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor het artisanaal verwerken en verkoopsklaar maken van landen tuinbouwproducten (andere dan melk en vlees en geproduceerd op het eigen bedrijf ) en het bewaren van deze producten evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor deze activiteit Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die bestemd zijn voor de rechtstreekse verkoop van de eigen productie (al dan niet in verwerkte vorm) aan de consument of aan de detailhandel, inbegrepen de opslag- of koelruimtes voor deze producten evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor het uitoefenen van deze activiteit Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die voldoen aan de normen voor het houden van biologische varkens zoals beschreven in het lastenboek voor de dierlijke biologische productie en op voorwaarde dat: - de aanvrager de biologische productiemethode toepast (bewijs voorleggen); - de productiecapaciteit niet wordt vergroot;

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

95


Bijlagen Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die voldoen aan de normen voor het houden van biologische leghennen zoals beschreven in het lastenboek voor de dierlijke biologische productie en op voorwaarde dat: - de aanvrager de biologische productiemethode toepast (bewijs voorleggen); - de productiecapaciteit niet wordt vergroot Mechanische of thermische onkruidbestrijding of loofdoding (schoffelmachine, spitfrees, vingeregge, loofklapper, onkruid- of loofbrander, grondstoommachine

40 %

Aanleg hoogstamboomgaarden in de bio-teelt Investeringen gericht op het educatief toegankelijk maken van de landbouwbedrijvigheid inzake de productie van bijlage 1 producten voor een breder publiek Andere gelijkaardige investeringen gericht op de realisatie van een landbouw met verbrede doelstellingen, duurzame landbouw en/of biologische landbouw. Groep 2: Investeringen gericht op de reconversie van het landbouwbedrijf

Installaties en materieel inclusief graandrooginstallaties, die op bedrijfsniveau specifiek noodzakelijk zijn voor de bereiding van samengestelde voeders (andere dan ruwvoeders) hoofdzakelijk met zelf geteelde basisproducten en ter vervanging van krachtvoeders Installaties en materieel die op bedrijfsniveau specifiek noodzakelijk zijn voor de productie en eventueel het gebruik van hernieuwbare brandstoffen (biomassa) Installaties en materieel die op bedrijfsniveau specifiek noodzakelijk zijn voor de productie van medicinale en aromatische planten

30 %

Vernieuwing van laagstam fruitaanplantingen met nieuwe variëteiten, zonder uitbreiding van de totale oppervlakte en op voorwaarde dat de geïntegreerde productiemethode toegepast wordt Andere gelijkaardige investeringen gericht op de reconversie van het landbouwbedrijf Groep 3: Investeringen in onroerende goed, gericht op de realisatie van een structuurverbetering

Bouwen, verbouwen en uitrusten van melkveestallen inclusief melkinstallatie en van jongveestallen voor jongvee van dit melkvee. Bij uitbreidingsinvesteringen is een evenredige uitbreiding van het melkquotum vereist Bouwen, verbouwen en uitrusten van vleesveestallen en van jongveestallen voor jongvee van dit vleesvee. De bedrijven zijn na de investeringen voldoende grondgebonden d.w.z. hebben tenminste 1 ha ruwvoerders per 2 grootvee-eenheden Bouwen, verbouwen en uitrusten van stallen voor herten, schapen, geiten, konijnen en eventueel het bijhorende jongvee Bouwen, verbouwen en uitrusten van stallen voor paarden inbegrepen gebouwen voor het trainen van paarden (geen paardenpension en geen manèges) Bouwen, verbouwen en uitrusten van gebouwen voor een zeer specifieke dierlijke productie zoals de kweek van slakken, insecten en larven (geen hondenkwekerijen)

20 %

Sleufsilo met recuperatiesysteem voor silosappen Bouwen, verbouwen en uitrusten (verwarming, beregening, substraatinstallaties, tabletten,…) van serres in glas of plastiek op vaste voet andere dan de uitrusting genoemd in groep 1 Bouwen, verbouwen en uitrusten van kwekerijen van paddestoelen Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen voor de productie van witloof inbegrepen de hydrocultuurinstallatie Bouwen, verbouwen en uitrusten van gebouwen voor een zeer specifieke plantaardige productie (in vitro culturen)

96

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Installaties voor de robotisering van de productie Frigo’s Beregeningsinstallaties en installaties voor fertigatie in de tuinbouw, maar niet op basis van grondwater Aanleg van terreinen voor container- en stellingenteelt evenals de specifieke terreinuitrusting in de boom- en sierteelt (algemeen) Loodsen voor de opslag en de bewaring van de productie, het marktklaar maken van de productie of voor het stallen van machines en materieel (geen huisvesting van dieren) Erfverharding en andere infrastructuurwerken in onroerende staat (opvangbassins voor hemelwater, kavelwegen, reinigingsplaats met bezinkput voor voertuigen, opslagplaats voor vaste mest op kopakker, verhardingen voor de beperking van grondtarra) Heraanplanten van fruitplantages met gangbare variÍteiten beperkt tot de gerooide oppervlakte van appel , peer en perzik Nieuwe aanplantingen van kersen, krieken, pruimen, noten en druiven Installaties en materieel gericht op de oogstprotectie in bestaande fruitplantages (hagelkanon, hagelnetten, beregening tegen lentenachtvorst) Aankoop van bestaande bedrijfsgebouwen al dan niet in gebruik bij de aanvrager. De vorige exploitant is niet benadeeld, er is werkelijke exploitatie Sanitaire opslagruimte voor kadavers met een koelinstallatie Omschakeling naar groepshuisvesting voor vleeskalveren. De bouw van nieuwe stallen voor vleeskalveren is niet subsidiabel Vernieuwing van de inrichting van bestaande pluimveestallen waarbij de kippen gehuisvest worden volgens het scharrelprincipe. Voor nieuwe pluimveestallen en voor de vernieuwing van batterijen is er geen steun

20 %

Omschakeling van een gebonden naar een los huisvestingssysteem voor varkens Installeren of verbeteren van de isolatie, de ventilatie en de verwarming in bestaande pluimvee-, varkens- en vleeskalverstallen waardoor er voor gezorgd wordt dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties binnen grenzen gehouden worden die niet schadelijk zijn voor de dieren Installatie van brijvoedering (zonder uitbreiding van de productiecapaciteit) Systemen voor beperking, recyclage of rationeel beheer van afvalwater of stoffen (ontsmettings- en ontziltinginstallaties, opslagplaats voor verontreinigd water of afvalstoffen) Systemen voor de beperking van het gebruik en/of verliezen van pesticiden. Het betreft voornamelijk geavanceerde spuitmachines waarbij er een duidelijk aantoonbare vermindering is van de gebruikte hoeveelheid product en/of de drift t.o.v. de gangbare spuittoestellen Investeringen gericht op de beperking van de verspreiding van ziektekiemen (installaties voor het steriliseren van substraten of afvalgrond, reinigingsplaats met bezinkput voor voertuigen voor het vervoer van dieren, sanitaire laad- of losplaatsen voor dieren, incl. eventuele afsluiting, sanitair sas in stallen) De overname van een tweede gedeelte van de bedrijfsbekleding beperkt tot vee, uitrusting, materieel, voorraden, vruchten te velde en navetten op basis van een geregistreerd overnamecontract met een reĂŤle inventaris. Uitrusting die onroerend is van nature is niet subsidiabel in het kader van een overname. Het subsidiabel bedrag van een totale overname (inclusief eerste gedeelte) is beperkt tot 250.000 Euro en de sectorale beperkingen zijn niet van toepassing

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

97


Bijlagen Andere gelijkaardige investeringen in onroerende goed, gericht op de realisatie van een structuurverbetering Groep 3b: Investeringen in ammoniakemissie-arme stal, voorkomend op de lijst van ammoniakemissie-arme stallen in uitvoering van het VLAREM

Het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme stal, voorkomend op de lijst van ammoniakemissiearme stallen in uitvoering van het VLAREM, op voorwaarde dat in zeugenstallen groepshuisvesting en in legkippenstallen volièrehuisvesting wordt toegepast.

Groep 4: Overige investeringen gericht op de realisatie van een structuurverbetering

Machines en materieel (goederen roerend van nature) niet opgenomen in de andere lijsten en met uitzondering van tweedehandsmaterieel

Variabel % De toe te passen steunintensiteit is minimaal 20 % op de volledige ammoniakemissie-arme stal. Voor stalsystemen waar een steun van 20 % onvoldoende is om de meerprijs t.o.v. een standaardstal te compenseren, wordt een aanvullende steun verleend hierbij bepalend dat de totale steun maximaal een meerprijs van 40 % mag compenseren

Dieren hierbij bepalend dat vervangingsvee nooit subsidiabel is en dat de steun enkel kan betrekking hebben op de eerste aankoop die past in een bedrijfsplan dat voorziet in een uitbreiding van de veestapel. De aankoop van varkens, pluimvee en vleeskalveren is nooit subsidiabel Duurzame planten zoals rozen- en moederplanten, hopen aspergeplanten, houtachtig kleinfruit

10 %

Overname van de bedrijfsbekleding van een tweede bedrijf beperkt tot het vee, de machines en het materieel. De sectorgebonden beperkingen zijn van toepassing (quotum, grondgebondenheid) Plastiekserres en -tunnels, andere dan deze genoemd in groep 3 Andere gelijkaardige investeringen gericht op de realisatie van een structuurverbetering.

98

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


24 NOVEMBER 2000. - Ministerieel besluit betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (B.S. 15/05/2001) [gecoördineerde versie na de wijzigingen bij ministerieel besluit van 2 mei 2001 (B.S. 29/06/2001) ministerieel besluit van 12 september 2001 (B.S. 13/12/2001) ministerieel besluit van 6 september 2002 (B.S. 6/11/2002) ministerieel besluit van 4 september 2003 (B.S. 25/09/2003) ministerieel besluit van 19 maart 2004 (B.S. 14/04/2004) ministerieel besluit van 14 juli 2004 (B.S. 23/09/2004) ministerieel besluit van 13 december 2004 (B.S. 28/12/2004)]

DE VLAAMSE MINISTER VAN LEEFMILIEU EN LANDBOUW, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, laatst gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur; Gelet op het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, inzonderheid op het artikel 12 waarbij een Vlaams Landbouwinvesteringsfonds wordt opgericht; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 oktober 1999 en 14 april 2000; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw; Gelet op de wet van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende de noodzaak om onverwijld de bestaande regionale steunmaatregelen inzake de investeringen en de installatie in de landbouw aan te passen aan de bepalingen van het Vlaamse plan voor plattelandsontwikkeling in toepassing van Verordening (EG) 1257/99 van de Raad van 17 mei 1999 inzake de steun voor plattelandsontwikkeling. BESLUIT: Artikel 1. De bij artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2000 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw bedoelde vakbekwaamheid en deskundigheid wordt aangetoond wanneer de aanvrager hetzij: 1 een diploma of een getuigschrift voorlegt van een basisopleiding inzake landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs; 2 een diploma of een getuigschrift voorlegt van een basisopleiding anders dan landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs en hij zich bovendien ten minste 2 jaar toegelegd heeft op land- en tuinbouwproductie; 3 een diploma of een getuigschrift voorlegt van een basisopleiding, in voorkomend geval aangevuld met ervaring, die door de Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid tenminste als gelijkwaardig met één van bovenvermelde niveaus wordt erkend; 4 zich ten minste 3 jaar toegelegd heeft op land- en tuinbouwproductie en met vrucht naschoolse landbouwleergangen van minimum 100 uren gevolgd heeft; 5 zich ten minste 10 jaar toegelegd heeft op land- en tuinbouwproductie.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

99


Bijlagen Art. 2. De bij artikel 10 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering voorziene minimale vakbekwaamheid en deskundigheid voor eerste vestiging wordt aangetoond wanneer de aanvrager hetzij: 1 een diploma of een getuigschrift voorlegt van een basisopleiding inzake landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs; 2 een installatieattest heeft en hij zich bovendien ten minste 2 jaar toegelegd heeft op land- en tuinbouwproductie; 3 een diploma of een getuigschrift voorlegt van een basisopleiding, in voorkomend geval aangevuld met ervaring, die door de Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid tenminste als gelijkwaardig met één van bovenvermelde niveaus wordt erkend; Art. 3. De in artikelen 4 en 10 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde bedrijfseconomische boekhouding moet ten minste bestaan uit: - de opstelling van een jaarlijkse begin- en eindinventaris; - de systematische en regelmatige registratie van de verschillende goederen- en geldstromen betreffende het bedrijf in de loop van het boekjaar. Ze leidt tot de jaarlijkse opstelling van: - een beschrijving van de algemene bedrijfskenmerken, met name van de gebruikte productiefactoren; - een gedetailleerde balans (activa en passiva) en een gedetailleerde exploitatierekening (kosten en opbrengsten); - de nodige gegevens ter beoordeling van de doeltreffendheid van de bedrijfsvoering in haar geheel, alsmede ter beoordeling van de rentabiliteit van de belangrijkste bedrijfsonderdelen. Art 4. De in artikelen 4 en 11 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde minimumnormen inzake leefmilieu, hygiëne en dierenwelzijn betreffen: - desgevallend beschikken over een geldige stedenbouwkundige vergunning of bouwvergunning en een geldige milieuvergunning voor het bedrijf; - de communautaire normen inzake hygiëne en dierenwelzijn of de federale of gewestelijke normen wanneer deze strenger zijn. Art. 5. Het bij artikel 5 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde referentie-inkomen is vastgesteld op 23.000 euro vanaf het jaar 20025. Art. 6. Het bij artikel 5 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde bedrijfsplan omvat overeenkomstig het model in bijlage 1: - een beschrijving van de toestand en de structuur van het bedrijf voor de investeringen; - een beschrijving en verantwoording van de investeringen waarbij ten minste moet aangetoond worden dat de investering bijdraagt tot een beter leefmilieu of een verbetering van het dierenwelzijn of een verbetering van de hygiëne op het bedrijf of sociaal verantwoord is; - een beschrijving van de financieel-economische toestand van het bedrijf bij de voltooiing van het bedrijfsplan op basis van een begroting van het arbeidsinkomen. Art. 7. De in artikel 6 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde andere investeringen en het percentage steun dat van toepassing is, zullen bepaald worden bij ministeriële omzendbrief. Art. 8. De in artikelen 9 en 16 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde begroting tot het bepalen van het arbeidsinkomen wordt opgesteld overeenkomstig het model in bijlage 3.

5 was 870.000 BEF voor de jaren 2000 en 2001.

100

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Art. 9. De in artikel 11 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde startplan omvat overeenkomstig het model in bijlage 2: - een beschrijving van de toestand en de structuur van het bedrijf; - overzicht van de documenten m.b.t. de bedrijfszekerheid; - een financieel plan voor de komende 2 jaar met inbegrip van een balans ; - een beschrijving van de financieel-economische toestand van het bedrijf op basis van een begroting van het arbeidsinkomen. Art. 10. De in artikel 11 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde voorwaarden tot aantonen van de bedrijfszekerheid betreft het voorleggen van volgende documenten: - een geregistreerd overnamecontract en een gedetailleerde inventaris van de overgenomen goederen; - desgevallend een contract voor samenuitbating; - de overdracht van de pacht en een pachtcontract voor de gronden van de overlater; - de overdracht van het melkquotum, het zoogkoeienpremie- en ooienpremiequotum en het suikerbietenquotum; - het sanitair attest voor bedrijven met varkenshouderij of overeenkomende documenten voor bedrijven met ander vee; - de overdracht van de milieuvergunning; - de overdracht van beheerscontracten; - de nutriëntenhalte. Art. 11. De in artikel 17 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde minimale omvang van de schade aan de landbouwproductie bedraagt 30 % van een normale productie. Deze laatste is in beginsel gelijk aan het gemiddelde van de drie jaren vóór het jaar waarin de gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Het percentage schade aan de landbouwproductie wordt vastgesteld door de aangestelde ambtenaar desgevallend op basis van de bevindingen van de Commissie voor vaststelling van schade aan teelten of op basis van een expertenverslag. De veeziekten die weerhouden worden zijn: runderbrucellose, -tuberculose en -leucose, gekkekoeienziekte, varkenspest, vogelpest en pseudovogelpest. In deze gevallen kan er slechts steun zijn voor de herbevolking hetzij: - na volledig opruiming van de veestapel of na bewezen noodzakelijke leegstand ingevolge runderbrucellose, gekkekoeienziekte varkenspest, vogelpest en pseudovogelpest; - na de uitzuivering tengevolge van een aantasting van rundertuberculose en runderleucose van ten minste 30 % van de veestapel. Het maximumbedrag van het overbruggingskrediet is gelijk aan het bedrag van de werkelijk geleden schade aan de landbouwproductie en de landbouwproductiemiddelen verminderd met ontvangen schadevergoedingen. In geval de schade het gevolg is van een uitbraak van een dierziekte wordt het maximumbedrag van het overbruggingskrediet vastgesteld als een verschil van opbrengsten en kosten. Als opbrengsten worden de afslachtvergoeding en de ontvangsten uit de verkoop van het aangetast vee in rekening genomen; als kosten de aankoop van vee, de opfokkosten, het verlies aan inkomsten en het verlies aan voorraden. De totale maximale steun evenals de gevallen waarin de steun toegekend wordt onder vorm van een premie en aansluitend de voorwaarden met betrekking tot deze premie worden vastgelegd bij ministeriële omzendbrief.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

101


Bijlagen Art. 12. De bij artikel 19 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering voorziene steun ten gunste van bedrijven in financiële moeilijkheden wordt verleend: - als niet specifieke maatregel voor alle levensvatbare bedrijven onder vorm van een overbruggingskrediet, wanneer uit een individueel onderzoek de noodzaak blijkt van deze maatregel en de begunstigde bedrijven op jaarbasis globaal geen productiewaarde vertonen die groter is dan 1,5 % van de totale waarde van de landbouwproductie in het Vlaams Gewest; - als specifieke maatregel voor bepaalde productierichtingen in het betrokken gebied onder vorm van een overbruggingskrediet, voor levensvatbare bedrijven wanneer uit een individueel onderzoek de noodzaak blijkt voor deze maatregel. De productiewaarde van de bedoelde productierichting moet voor deze bedrijven groter zijn dan 50 % van de totale bedrijfsomzet op basis van de gemiddelden van de drie laatste jaren. In het jaar voorafgaand aan de maatregel mag het aandeel van de begunstigde bedrijven in de totale productiewaarde van de bedoelde productierichting niet groter zijn dan 3 % van de totale jaarproductie van dit product in het betrokken gebied. Aanvullende voorwaarden inzake rentetoelage en waarborg voor het overbruggingskrediet, afbakening van het gebied en andere toekenningsmodaliteiten, o.m. de periode tijdens dewelke de maatregel van toepassing is, zullen het voorwerp uitmaken van een ministeriële omzendbrief aan de erkende kredietinstellingen. Ingeval de betrokken bedrijven voor de beoogde productierichting een productie halen hoger dan 3 % van de totale jaarproductie van dit product in het betrokken gebied zal deze specifieke maatregel slechts van toepassing zijn als een beheersovereenkomst afgesloten wordt met de betrokken bedrijven waarbij de productiecapaciteit voor het beoogde product in het betrokken gebied verlaagd wordt met 10 % uiterlijk twee jaar na de afsluiting van de toepassing van de maatregel en ten minste gedurende 5 jaar. Art. 13. De in artikel 23 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering voorziene startpremie bedraagt maximaal het totaal van de werkelijk verantwoorde kosten van beheer voor het eerste werkingsjaar. Als kosten van beheer worden volgende uitgaven aanvaard : huur van passende panden, aanschaf van kantooruitrusting, kosten van administratief personeel, algemene kosten en vergoedingen voor juridische en ambtelijke handelingen. De premie wordt voor de helft uitbetaald op het einde van het eerste werkingsjaar en de rest in twee maal op het einde van elk der volgende jaren. Bij de omvorming van een feitelijke vereniging naar een rechtspersoon mag de vereniging nog geen startsteun verkregen hebben en kunnen enkel specifieke kosten die verband houden met de omvorming, in aanmerking komen voor steun. De groepering mag niet ontbonden worden vóór het zesde jaar van haar activiteit. Art. 14. De in artikel 28 verwijzend naar de artikelen 6 en 21 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering voorziene steun die betrekking heeft op subsidiabele investeringen die gefinancierd worden met eigen middelen wordt verleend onder de vorm van een investeringspremie. De steun die betrekking heeft op subsidiabele investeringen die gefinancierd worden met een lening aangegaan bij een door het VLIF erkende kredietinstelling wordt verleend onder de vorm van een rentetoelage aangevuld met een investeringspremie.

102

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


In de mate dat voor de investeringen geleend wordt, zal bij de toekenning van de steun de rentetoelage voorrang hebben op de investeringspremies. De omvang van de aanvullende investeringspremie is afhankelijk van de totale waarde van de rentetoelage en is , uitgedrukt in percent van het gesubsidieerd bedrag, gelijk aan het verschil tussen het steunpercentage dat van toepassing is (40, 30, 20 of 10 %) en de actuele waarde van de rentetoelage, eveneens uitgedrukt in percent van het gesubsidieerd bedrag. De actuele waarde van de rentetoelage wordt berekend aan de hand van het percentage en de duur van de rentetoelage, de duur van de vrijstelling, het aantal kapitaalaflossingen per jaar en de actualisatierentevoet. Deze laatste wordt jaarlijks vastgesteld door de Europese Unie. De investeringspremies worden in twee gelijke delen uitbetaald, gespreid over de twee jaren volgend op de investering, na het beĂŤindigen van de investering en na controle van de investeringsbewijzen. Indien de investeringspremie kleiner is dan 1.000 euro wordt deze in ĂŠĂŠnmaal uitbetaald. Art. 15. De in artikel 28 verwijzend naar artikel 12 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering voorziene vestigingspremie wordt in twee gelijke delen uitbetaald, gespreid over de twee jaren volgend op de vestiging en voor zover vestigingskosten voorgelegd worden ter verantwoording van de premie. Art. 16. De in artikel 28 verwijzend naar de artikelen 6, 12, 17, 19 en 21 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde modaliteiten van de rentetoelage en/of investeringspremie, de eraan verbonden voorwaarden, de duur van de waarborg evenals de gevallen waarin het equivalent van de steun geheel of gedeeltelijk onder de vorm van uitgestelde aflossingen mag toegekend worden maken het voorwerp uit van bijlage 4. De aanvullende overheidswaarborg bedraagt maximaal 80 % op de subsidiabele investeringen ten belope van 1 miljoen euro. In geval de subsidiabele investeringen 1 miljoen euro overtreffen, neemt de overheidswaarborg op de lening beperkt tot de subsidiabele investeringen gradueel en omgekeerd evenredig af tussen maximaal 80% en 50 % toegepast op het geheel van de gewaarborgde lening. Art. 17. De in artikel 28 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering bedoelde minimum investering of verrichting die geheel of gedeeltelijk met een lening gefinancierd wordt, is vastgesteld op 12.500 euro. In de andere gevallen wordt de minimuminvestering of verrichting vastgesteld op de helft van dit bedrag. De bedoelde maximum investeringen en vestigingskosten maken het voorwerp uit van bijlage 5. Art. 18. Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2001 geldt in plaats van het bedrag van 1.000 euro, vermeld in artikel 14, en het bedrag van 12.500 euro, vermeld in artikel 17, respectievelijk het bedrag van 40.000 Belgische frank en 500.000 Belgische frank. Art. 19. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2000. Art. 20. Het bedrag dat in euro wordt vermeld in artikel 17 treedt in werking op 1 januari 2002. Brussel, 24 november 2000. De Vlaamse Minister voor Leefmilieu en Landbouw (get.) Vera DUA

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

103


Bijlagen Bijlage 1 Bedrijfsplan Naam en adres aanvrager:

Naam en adres bedrijf:

Beschrijving van het bedrijf: Landbouwbedrijf Teelten

Oppervl. (ha)

Graangewassen tarwe gerst haver

Veestapel

aantal (jaarl. gemidd.)

Rundvee melkkoeien zoogkoeien kalveren jongvee mestvee mestkalveren Varkens kweekzeugen biggen jonge zeugen mestvarkens Pluimvee leghennen mestkuikens Kleinvee schapen geiten lammeren konijnen Andere dieren

Hakvruchten suikerbieten aardappelen

Weiden blijvende tijdelijke Voederteelten maĂŻs voederbieten

Andere gewassen Tuinbouwbedrijf Teelten Tuinbouwteelten in volle grond Tuinbouwteelten onder koud glas of plastiek tunnel Tuinbouwteelten onder warm glas

Oppervl. (ha)

Teelten Fruitteelt appel peer Witloofteelt

Oppervl. (are)

Kampernoelieteelt Andere teelten

-

104

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Structurele tekortkomingen in het bedrijf: ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... ...................................................................................................................................................................................................................

Beoogde investeringen (in euro) Aard en beschrijving van de voorgenomen investeringen

Jaar

Netto voorziene kosten

Eigen prestaties

Bijkomende kosten en taksen

TOTAAL

Verantwoording investeringen ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... Finacieel-economische toestand van het bedrijf na investeringen op basis van de begroting van het arbeidsinkomen ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... ...................................................................................................................................................................................................................

Handtekening aanvrager

Advies ambtenaar

Handtekening ambtenaar

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

105


Bijlagen Bijlage 2 Startplan Naam en adres aanvrager:

Naam en adres bedrijf:

Beschrijving van het bedrijf: Landbouwbedrijf Teelten

Oppervl. (ha)

Graangewassen tarwe gerst haver

Veestapel

aantal (jaarl. gemidd.)

Rundvee melkkoeien zoogkoeien kalveren jongvee mestvee mestkalveren Varkens kweekzeugen biggen jonge zeugen mestvarkens Pluimvee leghennen mestkuikens Kleinvee schapen geiten lammeren konijnen Andere dieren

Hakvruchten suikerbieten aardappelen

Weiden blijvende tijdelijke Voederteelten maĂŻs voederbieten

Andere gewassen Tuinbouwbedrijf Teelten Tuinbouwteelten in volle grond Tuinbouwteelten onder koud glas of plastiek tunnel Tuinbouwteelten onder warm glas

Oppervl. (ha)

Teelten Fruitteelt appel peer Witloofteelt

Oppervl. (are)

Kampernoelieteelt Andere teelten

-

106

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Structurele tekortkomingen in het bedrijf: ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... ...................................................................................................................................................................................................................

Bedrijfszekerheid (overzicht documenten) ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... Doel en verantwoording investeringen ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... Finacieel-economische toestand van het bedrijf na investeringen op basis van de begroting van het arbeidsinkomen ................................................................................................................................................................................................................... ................................................................................................................................................................................................................... ...................................................................................................................................................................................................................

Handtekening aanvrager

Advies ambtenaar

Handtekening ambtenaar

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

107


Bijlagen Bijlage 3 Nr. VLIF: Datum :

GLOBALE BEGROTING VAN HET LAND- EN/OF TUINBOUWBEDRIJF Naam: Voornaam: Straat: Postcode + Fusiegemeente:

Bedrijfsoppervlakte: Landbouwstreek: Provincie:

PLANTAARDIGE PRODUCTIE Marktbare Landbouwteelten Teelten of bijproducten Graangewassen 2) 1. 2. 3. Hakvruchten 1. 2. 3. Contractteelten 1. 2. 3. Andere teelten 3) 1. 2. Verkochte bijproducten 4) 1. 2. GLB-PREMIES 5) 1. graangewassen 2. braaklegging 3. andere ............... ............... Algemeen Totaal

108

Oppervlakte in ha

Opbrengs t in kg/ha

Eenheidsprijzen in euro/kg

Verkochte hoeveelh. in kg

Opbrengst verkoop in euro

Verbruikte hoeveelheden 1)

*A

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Grasland en voedergewassen Oppervlakte hoofdteelten

ha

Teelten en bijproducten

Opper-vlak- Opbrengst te in kg/ha in ha

Graasweiden 2) Hooiweiden Voederbieten Voedergewassen om te hooien Voedergewassen om in te kuilen Verbruikte bijproducten 3) Algemeen Totaal

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

Oppervlakte nateelten Eenheidsprijzen in euro/kg 1)

ha Verkochte hoeveelh. in kg 1)

Opbrengst verkoop in euro 1)

Verbruikte hoeveelh. kg of ha

*B

109


Bijlagen Tuinbouwteelten Teelten of bijproducten

Opp. aren

Opbrengst in kg of stuks/are 2)

Verkoop in ‘t groot 1)

Verkoop in detail 1)

Totale opbrengst verkoop Eenheids Verkochte Eenh. Verkochte in euro prijzen prijzen hoeveelh. euro/kg of hoeveelh. euro/kg of kg of stuks euro/stuk kg of stuks euro/stuk

In volle grond 1. 2. 3. Onder koud glas en plastiek 1. 2. 3. Onder warm glas 1. 2. 3. Onder glas en volle grond 4) 1. 2. 3. Fruit en klein fruit 1. 2. 3. Andere teelten 3) 1. 2. 3. Bijproducten 1. Algemeen Totaal

110

*C

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


DIERLIJKE PRODUCTEN Rundvee, schapen en ander vee Aangekochte dieren Categorie

Jaarlijks gemidd. aantal

Gem. prijs per dier 2)

Jaarlijks gemidd. kapitaal

Aantal

Gemidd. prijs/stuk

Totale waarde in euro

MELKVEE Melkkoeien Reformkoeien Vaarzen > 2 jaar Vaarzen 6 m - 2 j. Jongvee < 6 m Fokstier(en) MESTVEE Zoogkoeien Reformkoeien Vleesrunderen > 2j Vaarzen > 2 j Vaarzen 6 m - 2 j. Jongvee < 6 m Stieren > 6 m Vleeskalveren ........... .........3) Algemeen Totaal

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

111


Bijlagen Verkoop van zuivelproducten Zuivelproducten

Verkochte hoeveelheden in liter of kg1)

Eenh. prijzen euro/liter of euro/kg

Totale opbrengst in euro

Melk Room Boter Andere producten ............... Premies 2) ............... Algemeen Totaal

*D

Verkoop van vee Categorie Vaarzen > 2 jaar Vaarzen 6 m - 2 j Kalveren Reformkoeien - gewoon - extra Vleesrunderen - gewoon - extra Stieren - gewoon - extra Vleeskalveren ........... 3) GLB-premies e.a. 4) 1. zoogkoeien 2. mannelijke runderen 3. e.a. Bijproducten 5) ................ ................ Algemeen Totaal

112

Aantal (1)

Gemidd. gewicht in kg

Verkoopprijs euro/kg (2)

Totale opbrengst in euro

*E

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Varkens, pluimvee en ander kleinvee

Categorie

Jaarlijks gemidd. aantal 1)

Gem. prijs per dier 2)

Jaarlijks gemidd. kapitaal

Aangekochte dieren Aantal

Gemidd. prijs/stuk

Totale waarde in euro

Kweekzeugen Jonge zeugen Reformzeugen Beren Vleesvarkens ............ ............ 3) Algemeen Totaal

b

Verkoop van vee Categorie

Aantal (1)

Kweekzeugen Jonge zeugen Reformzeugen Beren Vleesvarkens Biggen ............ ............ 3) Bijproducten 4) ............ ............ Algemeen Totaal

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

Gemidd. gewicht in kg

Verkoopprijs euro/kg

Totale opbrengst in euro

*F

113


Bijlagen Kosten Betaalde kosten Aangerekende kosten Categorie 1. Aankoop vee = a + b 2. Aangekocht voeder 3. Andere kosten van rundvee en ander grootvee 4. Andere kosten van varkens en kleinvee 5. Aangekocht zaaigoed en planten 6. Aangekochte meststoffen 7. Fytosanitaire producten 8. Werktuigkosten 9. Werk door derden 10. Overige kosten landbouw entuinbouw 11. Verkoopkosten 12. Seizoens- en gelegenheidslonen 13. Kosten voor grond en gebouwen 14. Algemene kosten Totaal

Jaarlijks totaal in euro

Opmerkingen

*1

Afschrijvingen en onderhoud van gebouwen, aanplantingen 3) en grondverbeteringen niet gedekt door de pacht. Aard van de goederen

Gebruikswaarde in euro 1)

Pct. afschrijving + onderhoud 2)

Afschrijvingen en onderhoud in euro

1. 2. 3. 4. 5. Totaal

114

*2

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Afschrijving van het materieel Categorie

Gebruikswaarde 1)

Pct. afschrijving 2)

Afschrijvingen in euro

Totaal machinepark Tractie Ploegen Bodembewerking Uitzaai en bemesting Onderhoudswerken Oogst Vervoer Melkuitrusting koeltank Klein gereedschap 3) Buitenberegening Overige

4)

Totaal

*3

Intrest van het geĂŻnvesteerde kapitaal Aard van de goederen

Waarde of aantal ha

Intrest van grondkapitaal of van geĂŻnvesteerd kapitaal in euro

Grond 1) Teelten 2)

Gebouwen, aanplantingen, grondverbeteringen 3) Materieel 4) Dieren 5)

Totaal

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

*4

115


Bijlagen BEDRIJFSRESULTATEN Totale opbrengst Totaal bedrag 1) Verkoop van marktbare teelten

*A

Verkoop van voederteelten

*B

Verkoop van tuinbouwteelten

*C

Verkoop van zuivelproducten

*D

Verkoop van rundvee en schapen

*E

Verkoop van varkensproducten

*F

in pct. van totaal der verkopen 1)

Andere speculaties 2) Premies 3) Totale opbrengst

I

Totale kosten Totaal bedrag in euro Betaalde lasten

*1

Afschrijvingen en onderhoud van gebouwen, aanplantingen en grondverbeteringen * 2 Afschrijving materieel

*3

Intrest grondkapitaal en geĂŻnvesteerd kapitaal

*4

Totale kosten

II

Arbeidsinkomen Arbeidsinkomen I-II

Aantal VAK 1)

Arbeidsinkomen/VAK

Referentieinkomen 2)

Einddatum

X pct. Opmerkingen 3)

de .................

Handtekening van de bevoegde ambtenaar

116

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Instructies voor het invullen van de begroting De begroting van het bedrijf dient worden opgemaakt ingeval van: - steunverlening in het kader van een bedrijfsverbeteringsplan; - steunverlening in het kader van een eerste vestiging; - verlenen van gewestwaarborg. De begroting van het bedrijf wordt gemaakt door de bevoegde ambtenaar samen met de land- of tuinbouwers. De cijfers betreffende de productie dienen reële cijfers te zijn van het bedrijf en geen streekgemiddelden. De begroting geeft ofwel: 1. de situatie weer van het bedrijf op het tijdstip van de steunaanvraag (installatie); 2. de situatie op het einde van het verbeteringsplan (na uitvoering van de investeringen). Het verbeteringsplan kan gespreid zijn over een periode van 6 jaar. In het technisch verslag dienen de verschillende etappen worden aangeduid. Alle bedragen dienen exclusief BTW te zijn. Opmerkingen bij het opstellen van de begroting: I. Plantaardige productie. Marktbare landbouwteelten. (p. 1) 1) De kolom “Verbruikte hoeveelheden” omvat de hoeveelheden van de productie van marktbare teelten verbruikt door het vee op het bedrijf. 2) Graanmaïs wordt vermeld in de rubriek “Graangewassen”. 3) De teelten voor industriële verwerking, andere dan op contract geteeld, horen thuis in de rubriek “Andere teelten”. 4) De rubriek “Verkochte bijproducten” omvat enkel de bijproducten die verkocht zijn aan derden, de bijproducten verbruikt door het vee worden vermeld in het overzicht “Grasland en voedergewassen”. 5) De GLB-premies (graangewassen - braaklegging e.a.) : het aantal ha waarvoor de premie bekomen wordt, wordt vermeld in de kolom opp. ha en de ontvangen som in de kolom opbrengst van de verkoop in euro Grasland en voedergewassen. (p.2) 1) Indien de productie van grasland en voedergewassen wordt verbruikt door de dieren van het bedrijf, dan moeten de kolommen “Eenheidsprijzen” - “Verkochte hoeveelheden” en “Opbrengst van verkoop” niet ingevuld worden. 2) De vergoeding voor vreemde dieren in verzorging wordt mede aangeduid in de kolom : “Opbrengst van de verkoop in euro”. 3) De rubriek “Verbruikte bijproducten” herneemt de bijproducten van de marktbare teelten van het bedrijf verbruikt door het vee. Bvb. bladeren en suikerbietkoppen, gedroogde bijproducten, enz. C. Tuinbouwteelten. (p. 3) 1) Omwille van de verschillen, werd er een onderscheid gemaakt tussen prijzen in ‘t groot en in detail. Enkel verkopen van producten van het bedrijf van de aanvrager dienen aangeduid. 2) Onder opbrengst in kg of stuks/are verstaat men de opbrengst aan verkoopsklaar eindproduct. 3) De champignonproductie en andere speculaties dienen weergegeven in de rubriek “Andere tuinbouwteelten”. 4) De teelten die tijdelijk in serres en in volle grond gekweekt worden.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

117


Bijlagen II. Dierlijke producten. A. Rundvee schapen en ander vee. 1. Jaarlijks gemiddeld aantal aanwezige of vetgemeste dieren. (p. 4) 1) Men noteert het aantal dieren dat gemiddeld aanwezig is voor een bepaalde categorie gedurende het volledige jaar. Bv. de mestveestal biedt plaats voor 200 vleesrunderen, en is gemiddeld voor 90 % bezet, dan zal het gemiddeld aantal aanwezige vleesrunderen gelijk zijn aan 180. 2) In de kolom gemiddelde prijs wordt per diersoort de gemiddelde waarde aangegeven per stuk vee. Voor de dieren die gans het jaar gemiddeld dezelfde waarde behouden (bv. melkvee) wordt deze waarde genoteerd. Voor de dieren die evolueren in waarde (aangroeien) is de waarde gelijk aan : de waarde als ze in de categorie komen + de waarde als ze de categorie verlaten gedeeld door 2. bv. vaarzen 6 maand - 2 j. waarde = waarde op 6 maand + waarde op 2 jaar 2 Opmerking: Voor dieren die minder dan 1 jaar op bedrijf blijven, waar dus op een zelfde stalplaats opeenvolgend andere dieren staan (bv. in de categorie mestrunderen > 2 j.) wordt identiek gewerkt als hierboven. Uiteraard zal in de tabel van de verkopen (p.6) een hoger aantal mestrunderen ingeschreven worden = aantal gemiddeld aanwezig x aantal ronden per jaar. 3) Schapen en ander vee dienen aangeduid in de vrijgebleven vakken van dit overzicht. 2. Verkoop van zuivelproducten. (p.5) 1) Onder verkochte hoeveelheden dienen eveneens het verbruik in het huishouden of persoonlijk verbruik evenals de voordelen in natura verstaan. Het verbruik door het vee wordt niet weerhouden. 2) De ontvangen premies moeten toegevoegd worden aan de verkopen. 3. Verkoop van vee. (p.6) 1) Het aantal verkochte dieren is het aantal werkelijk verkochte dieren; dit cijfer kan hoger zijn dan het aantal gemiddeld aanwezige dieren indien de dieren slechts een gedeelte van het jaar op het bedrijf blijven (bv. mestrunderen) zodat het aantal verkochte dieren gelijk is aan het aantal aanwezige x aantal ronden/jaar ronde = aantal dieren dat opeenvolgend op eenzelfde stalplaats wordt gehuisvest (bv. indien mestperiode van een rund = 4 maand, is het aantal ronden = 3). 2) De gemiddelde prijs per categorie dient hier aangegeven voor zover het verkochte vee van homogene kwaliteit is, anders differentiëren. 3) De verkoop van schapen en ander vee moet aangeduid worden in de vrijgebleven vakken van dit overzicht. 4) Ontvangen GLB-premies e.a. dienen vermeld te worden : in de kolom “aantal” dient het aantal dieren waarvoor de premie bekomen wordt vermeld en in de kolom “totale opbrengst in euro” het ontvangen bedrag. 5) Onder bijproducten verstaat men de ontvangsten voortkomende van verkoop van dekkingen, embryo’s, enz... B. Varkens pluimvee en ander kleinvee 1. Jaarlijks gemiddeld aantal aanwezige of vet gemeste dieren 1) Men noteert het aantal dieren dat gemiddeld aanwezig is in een bepaalde categorie gedurende het volledige jaar. Bv. de mestvarkensstal biedt plaats voor 1.000 mestvarkens, en is gemiddeld voor 90 % bezet, dan zal het gemiddeld aantal aanwezige varkens gelijk zijn aan 900.

118

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


2) In de kolom gemiddelde prijs wordt per diersoort de gemiddelde waarde aangegeven per stuk vee. Voor de dieren die gans het jaar nagenoeg dezelfde gemiddelde waarde behouden (bv. zeugen) wordt deze waarde genoteerd. De waarde van de biggen (- 22 kg) wordt bij de zeugen gerekend. Voor dieren die evolueren in waarde (aangroeien) is de waarde gelijk aan: de waarde die ze hebben als ze in de categorie komen + de waarde als ze de categorie verlaten, gedeeld door 2. bv. waarde mestvarken = waarde big van 22 kg + waarde slachtrijp varken 2 3) Pluimvee en ander kleinvee dienen aangeduid in de vrijgebleven vakken van dit overzicht. 2. Verkoop van vee. (p. 8) 1) Het aantal verkochte dieren is het aantal werkelijk verkochte dieren : dit cijfer kan hoger zijn dan het aantal gemiddeld aanwezige dieren indien de dieren slechts een gedeelte van het jaar op het bedrijf blijven (bv. mestvarkens) zodat het aantal verkochte dieren gelijk is aan het aantal aanwezige x aantal ronden/jaar ronde = aantal dieren dat opeenvolgend op eenzelfde stalplaats wordt gehuisvest (bv. indien mestperiode van een mestvarken = 4 maand, is het aantal ronden = 3). 2) De gemiddelde prijs per categorie dient hier aangegeven. 3) De verkoop van pluimvee en ander kleinvee moet aangeduid worden in de vrijgebleven vakken van dit overzicht. 4) Onder bijproducten verstaat men de ontvangsten voortkomend uit dekkingen, enz. III. Kosten. 1. Betaalde kosten (p. 9) Volgende categorieĂŤn van kosten (betaalde en/of toegerekende) worden in de land- en tuinbouwbegroting opgenomen (steeds exclusief BTW). 1) Aankoop vee : - rundvee, varkens en andere diersoorten zonder vervoerkosten (is desgevallend loonwerk) en andere kosten (bvb. Sanitel) 2) Aangekocht voeder : - kracht- en ruwvoeders - kosten voor strooisel, e.d. 3) Andere kosten rundvee en ander grootvee : - veeartskosten - brandstoffen voor verwarming - veeverzekering tegen ziekten en sterfte - dekgelden, keuringskosten, K.I. - melkcontrole - specifieke lidgelden (veekweeksyndicaat, vilbeluik) - bijdragen voor het fonds voor de productie en gezondheid van de dieren - sanitelkosten (provinciale bijdrage, oormerknummers) 4) Andere kosten varkens en ander kleinvee : veeartskosten - brandstoffen voor verwarming - dekgelden, K.I. - specifieke lidgelden - bijdragen voor het fonds voor de productie en gezondheid van de dieren - sanitelkosten (provinciale bijdrage, oormerknummers)

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

119


Bijlagen 5) Aangekocht zaaigoed en planten : - zaad- en pootgoed - plantsoen - occasioneel aangekochte planten opmerking: geen meerjarige opplant die afgeschreven wordt - aankoop witloofwortelen 6) Aangekochte meststoffen : - minerale meststoffen - organische meststoffen (stalmest) - grondverbeteraars (schuimaarde, kalk) - bladvoeding 7) Fytosanitaire producten : - bestrijdingsmiddelen - biologische bestrijding - grondontsmettingsmiddelen 8) Werktuigkosten : - gereedschap (< 125 euro) - brandstoffen en smeermiddelen voor tractoren, machines - onderhoudskosten tractoren en werktuigen - grondstoffen voor onderhoud of werking van machines (bv. detergenten voor melkmachine) - verzekeringen, belastingen (verkeerstaks) - gebruik privéwagen voor het bedrijf (forfaitair 0,20 euro/km) - keuringskosten werktuigen (bv. spuitmachine) Opmerking: kosten voor herstelling, die de levensduur van de tractor of werktuigen aanzienlijk verlengen worden niet in rekening gebracht maar opgenomen bij de waardeberekening van het materieel - huur werktuigen - huur palloxen 9) Werk door derden : - loonwerkers - kosten stalontsmetting - kosten van vervoer - malen van voeders, enz.. - transport en andere kosten voor de afzet van dierlijk mest 10) Overige kosten voor landbouw - tuinbouw : gewasverzekeringen (bv. hagel enz.) - heffingen (bv. mestdecreet) - vergoeding aan derden voor mestafname - brandstoffen voor verwarming van teelten en conditionering gewasproducten - potgrond - substraten (veenbalen e.a.) - eenmalig bind- en steunmateriaal - éénmalig gebruikte bloempotten door het bedrijf Opmerking : geen meermalig gebruikte bloempotten - eenmalig gebruikte plastiek - hommels - keuringskosten voor teelten

120

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


11) Verkoopkosten : - inpak en verkoopsmaterialen - kosten voor opslaan en commercialisatie - vergunningen - veilingkosten - marktgelden - publiciteitskosten - bijdragen promotiefondsen - producentenfonds - huur aanvoerkisten 12) Seizoen- en gelegenheidslonen : - betaalde kosten voor gelegenheids- en seizoenpersoneel - voordelen in natura (uitgedrukt in geld) 13) Kosten voor grond en gebouwen : - betaalde pachten voor grond en gebouwen - polderlasten, waterschapslasten - huur opslagplaatsen, serres, frigoâ&#x20AC;&#x2122;s e.a. - onroerende voorheffing gronden en gebouwen - belasting op installaties en bedrijfsgebouwen - brandverzekering gebouwen + inrichting - kosten voor productierechten (bv. melkquotum, suikerbietquotum) 14) Algemene kosten : - elektriciteit - telefoon, fax, modem - water (+ milieuheffing) - lidgelden, abonnementen - provinciale taksen - grondontleding, mestontleding, voederontleding - algemene verzekeringen (B.A.) (niet gebouwen, noch voertuigen) - brandverzekering inhoud (dieren, machines, roerend) - algemene belastingen (geen onroerende voorheffing).

2. Aangerekende kosten Afschrijvingen en onderhoud van gebouwen, aanplantingen en grondverbeteringen (p. 10) : 1) De waarde die toegekend wordt aan de gebouwen dient de gebruikswaarde of de waarde die het goed heeft als productiemiddel voor het land- of tuinbouwbedrijf te zijn. Deze gebruikswaarde is een berekende waarde waarbij rekening gehouden wordt met navolgende parameters : - de huidige kostprijs van een gelijkaardig goed (zie lijst van maximumprijzen voor investeringen in land- en tuinbouwconstructies); - een waardevermindering in rekening te brengen van 4% per jaar; - de ouderdom van het gebouw; - de duur van de waardevermindering wordt beperkt tot 15 jaar; - het procent land- of tuinbouwnuttige aanwending; - gebouwen van ouder dan 15 jaar een gebruikswaarde hebben van 40% van de indirecte vervangingswaarde voor zover ze 100% als landbouw nuttig aangewend worden.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

121


Bijlagen 2) De rentevoet die de afschrijving en het onderhoud van gebouwen, landbouw- en tuinbouwinstallatie en aanplantingen omvatten bedraagt in principe 7 % : voor de volgende goederen : - asperges; - laagstamappelaanplantingen; - perzikbomen, pruimenbomen, kerselaars; - bessenstruiken is de rentevoet vastgesteld op 12 pct 3) De schatting van de aanplantingen dient te geschieden op basis van de recentste cijfers meegedeeld door het C.L.E. Afschrijving van het materieel. (p. 11) 1) De waarde die toegekend wordt aan het materieel dient de gebruikswaarde of de waarde die het goed heeft als productiemiddel voor het land- of tuinbouwbedrijf te zijn. Deze gebruikswaarde is een berekende waarde waarbij rekening gehouden wordt met indirecte vervangingswaarde en de ouderdom van het materieel. 2) De afschrijving van het materieel wordt forfaitair berekend : voor een land- en tuinbouwbedrijf rekent men 9 % van de gebruikswaarde. 3) De inventaris van de werktuigen omvat een globale raming van het klein gereedschap, waarvan de afzonderlijke gebruikswaarde kleiner is dan 125 euro. 4) Het materieel voor de bereiding van veevoeder mag vermeld worden in de categorie “overige”. Intrest van het geïnvesteerd kapitaal. (p. 12) 1) Krachtens een interpretatie van de E.G. dient voor de grond de gemiddelde pachtprijs van de streek aangerekend. Men vermeldt dan in de kolom “Intrest van grondkapitaal en van geïnvesteerd kapitaal” het resultaat van het product : aantal ha in eigendom x gemiddelde pachtprijs/ha. 2) Voor de teelten dient men als basis de recentst door het C.L.E. meegedeelde cijfers te gebruiken. 3) Voor de gebouwen, aanplantingen en grondverbeteringen dient men in de kolom “Waarde”, het totaal van de kolom “vervangingswaarde of constructiewaarde” van overzicht “Afschrijvingen en onderhoud van gebouwen, aanplantingen en grondverbeteringen niet gedekt door de pacht “ te vermelden en hierop een reductiecoëfficiënt van 55 % toe te passen. De op deze gereduceerde waarde toe te passen rentevoet bedraagt 6 %. 4) Voor het materieel dient men in de kolom “Waarde” het totaal van de kolom “vervangingswaarde” van het overzicht “Afschrijving van materieel” blz. 11 te vermelden en hierop en reductiecoëfficiënt van 55 % toe te passen. De op deze gereduceerde waarde toe te passen rentevoet bedraagt 6 %. 5) Voor de dieren dient men in de kolom “Waarde” het algemeen totaal van de kolom “Jaarlijks gemiddeld kapitaal” van het overzicht “Jaarlijks gemiddeld aantal aanwezige of vetgemeste dieren” te vermelden. De op de totale waarden toe te passen rentevoet bedraagt 6 %. IV. Bedrijfsresultaten. 1. Totale Opbrengst. (p. 13) 1) Men dient de bedragen van de verkopen per speculatie aan te duiden in euro evenals in % van de totale verkopen. 2) Inkomsten uit toeristische en ambachtelijke activiteiten op het bedrijf worden in de rubriek “andere speculaties” vermeld. 3) In deze rubriek worden de toevallige premies die niet rechtstreeks aan de productie verbonden zijn ingevuld, bv. premies veeprijskampen. 2. Arbeidsinkomen. (p. 14) 1) Om het aantal VAK te bekomen, dient men de nodige arbeidsuren voor het bedrijf per jaar te ramen en dit aantal uren te delen door 1.800. 2) Op het referentie-inkomen per VAK dient een jaarlijks groeiindex toegepast te worden rekening houdend met de einddatum. 3) Teneinde de berekening van de begroting vergelijkbaar te maken met het referentie-inkomen, dient het berekend bedrijfsinkomen met X % te worden aangepast.

122

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

123

Groep 1: Investeringen gericht op de realisatie van een landbouw met verbrede doelstellingen, duurzame landbouw en biologische landbouw

Aard van de investeringen

Steun

• Uitrusting voor het reinigen van de rookgassen van stookinstallaties met cyclonen, doekenfilters of rookgaswassing; • Nieuwe verwarmingsinstallaties met gas of omschakeling van bestaande verwarmingsinstallaties naar gasverwarming; • Investeringen gericht op de vermindering van de ammoniakuitstoot en de geurhinder: • mestinjectiesystemen voor dierlijke mest • andere emissiearme mestspreidingssystemen voor dierlijk mest; • stalverluchtingssysteem met een filter ter bestrijding van de geur- en stofhinder (biofilter, biobed, stoffilters, luchtwassers); • Systemen voor het hergebruik van beregeningswater, opvang en hergebruik van hemelwater als beregeningswater; • Installatie van een rookgascondensor, een warmtebuffer, energieschermen of combi-schermen; • Installatie van een energiebesparende kasomhulling (dubbel glas, gecoat glas, kunststof 40% kanaalplaten); • Aanbrengen van isolatie in bestaande en verwarmde pluimvee-, varkens- en vleeskalverstallen zodat een energiebesparing gerealiseerd wordt; • Machines en uitrusting die specifiek noodzakelijk zijn voor het beheer van kleine landschapselementen, perceelranden en landschap (eventueel contracten voorleggen); • Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor de aanmaak van zuivelproducten (met melk van het eigen bedrijf ) en het bewaren van deze producten evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor deze activiteit; • Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor het versnijden, bereiden en verkoopsklaar maken van vlees (geproduceerd op het eigen bedrijf ) en het bewaren van deze producten evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor deze activiteit; • Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die gebruikt worden voor het artisanaal verwerken en verkoopsklaar maken van land- en tuinbouwproducten (andere dan melk en vlees en geproduceerd op het eigen bedrijf ) en het bewaren van deze producten evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor deze activiteit;

Beschrijving van de investering met vermelding van de bijzondere voorwaarden

Financiering met een lening Duur RS Duur WB

De max. duur van de RS hangt af van de econ. levensduur van de investering. Hij bedraagt 7 jaar indien 4% 10 j de normale afschrijvingsduur ≤ 10 jaar en 15 jaar indien e normale afschrijvingsduur > 10 jaar.

%RS

Voorwaarden en modaliteiten van de rentesubsidie en/ of kapitaalpremie, de duur van de waarborg en de gevallen waarin de steun geheel of gedeeltelijk onder de vorm van uitgestelde aflossingen wordt toegekend.

Bijlage 4:


124

Groep 3a

• Bouwen, verbouwen en uitrusten van melkveestallen inclusief melkinstallatie en van jongveestallen voor jongvee van dit melkvee. Bij uitbreidingsinvesteringen is een evenredige uitbreiding van het melkquotum vereist;

• Installaties en materieel inclusief graandrooginstallaties, die op bedrijfsniveau specifiek Groep 2: Investeringen noodzakelijk zijn voor de bereiding van samengestelde voeders (andere dan ruwvoeders) gericht op de reconver- hoofdzakelijk met zelf geteelde basisproducten en ter vervanging van krachtvoeders; sie van het landbouw- • Installaties en materieel die op bedrijfsniveau specifiek noodzakelijk zijn voor de productie bedrijf en eventueel het gebruik van hernieuwbare brandstoffen (biomassa); 30% • Installaties en materieel die op bedrijfsniveau specifiek noodzakelijk zijn voor de productie van medicinale en aromatische planten; • Vernieuwing van laagstam fruitaanplantingen met nieuwe variëteiten, zonder uitbreiding van de totale oppervlakte en op voorwaarde dat de geïntegreerde productiemethode toegepast wordt.

De max. duur van de RS hangt af van de econ. levensduur van de investering. Hij bedraagt 7 jaar indien 4% 10 j de normale afschrijvingsduur ≤ 10 jaar en 15 jaar indien e normale afschrijvingsduur > 10 jaar.

• Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die bestemd zijn voor de rechtstreekse verkoop van de eigen productie (al dan niet in verwerkte vorm) aan de consument of aan de detailhandel, inbegrepen de opslag- of koelruimtes voor deze producten evenals de aankoop van materieel dat specifiek noodzakelijk is voor het uitoefenen van deze activiteit; De max. duur van de RS • Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die voldoen aan de normen voor hangt af van de econ. het houden van biologische varkens zoals beschreven in het lastenboek voor de dierlijke levensduur van de biologische productie en op voorwaarde dat: investering. Hij - de aanvrager de biologische productiemethode toepast (bewijs voorleggen); bedraagt 7 jaar indien - de productiecapaciteit niet wordt vergroot; 10 j 40% 4% de normale afschrij• Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen die voldoen aan de normen voor vingsduur ≤ 10 jaar en het houden van biologische leghennen zoals beschreven in het lastenboek voor de dierlij15 jaar indien e normale ke biologische productie en op voorwaarde dat: afschrijvingsduur > 10 - de aanvrager de biologische productiemethode toepast (bewijs voorleggen); jaar. - de productiecapaciteit niet wordt vergroot; • Mechanische of thermische onkruidbestrijding of loofdoding (schoffelmachine, spitfrees, vingeregge, loofklapper, onkruid- of loofbrander, grondstoommachine); • Aanleg hoogstamboomgaarden in de bio-teelt; • Investeringen gericht op het educatief toegankelijk maken van de landbouwbedrijvigheid inzake de productie van bijlage 1 producten voor een breder publiek;

Bijlagen

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

125

• Bouwen, verbouwen en uitrusten van vleesveestallen en van jongveestallen voor jongvee Groep 3a :Investeringen van dit vleesvee. De bedrijven zijn na de investeringen voldoende grondgebonden d.w.z. in onroerende goed , hebben tenminste 1 ha ruwvoerders per 2 grootvee-eenheden; gericht op de realisatie • Bouwen, verbouwen en uitrusten van stallen voor herten, schapen, geiten, konijnen en van een structuurverbe- eventueel het bijhorende jongvee; tering • Bouwen, verbouwen en uitrusten van stallen voor paarden inbegrepen gebouwen voor het trainen van paarden (geen paardenpension en geen manèges); • Bouwen, verbouwen en uitrusten van gebouwen voor een zeer specifieke dierlijke productie zoals de kweek van slakken, insecten en larven (geen hondenkwekerijen); • Sleufsilo met recuperatiesysteem voor silosappen; • Bouwen, verbouwen en uitrusten (verwarming, beregening, substraatinstallaties, tabletten,…) van serres in glas of plastiek op vaste voet andere dan de uitrusting genoemd in groep 1; • Bouwen, verbouwen en uitrusten van kwekerijen van paddestoelen; • Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen voor de productie van witloof inbegrepen de hydrocultuurinstallatie; • Bouwen, verbouwen en uitrusten van gebouwen voor een zeer specifieke plantaardige productie (in vitro culturen); 20% • Installaties voor de robotisering van de productie; • Frigo’s; • Beregeningsinstallaties en installaties voor fertigatie in de tuinbouw, maar niet op basis van grondwater; • Aanleg van terreinen voor container- en stellingenteelt evenals de specifieke terreinuitrusting in de boom- en sierteelt (algemeen); • Loodsen voor de opslag en de bewaring van de productie, het marktklaar maken van de productie of voor het stallen van machines en materieel (geen huisvesting van dieren); • Erfverharding en andere infrastructuurwerken in onroerende staat (opvangbassins voor hemelwater, kavelwegen, reinigingsplaats met bezinkput voor voertuigen, opslagplaats voor vaste mest op kopakker, verhardingen voor de beperking van grondtarra); • Heraanplanten van fruitplantages met gangbare variëteiten beperkt tot de gerooide oppervlakte van appel , peer en perzik; • Nieuwe aanplantingen van kersen, krieken, pruimen, noten en druiven; •Installaties en materieel gericht op de oogstprotectie in bestaande fruitplantages (hagelkanon, hagelnetten, beregening tegen lentenachtvorst); • Aankoop van bestaande bedrijfsgebouwen al dan niet in gebruik bij de aanvrager. De vorige exploitant is niet benadeeld, er is werkelijke exploitatie; De max. duur van de RS hangt af van de econ. levensduur van de investering. Hij bedraagt 7 jaar indien 10 j 3% de normale afschrijvingsduur ≤ 10 jaar en 15 jaar indien e normale afschrijvingsduur > 10 jaar.


126 15 jaaar

10 j

De max. duur van de RS hangt af van de econ. levensduur van de investering. Hij bedraagt 7 jaar indien 10 j 3% de normale afschrijvingsduur ≤ 10 jaar en 15 jaar indien e normale afschrijvingsduur > 10 jaar.

Groep 3b: Investeringen • Het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme stal, voorkomend op de lijst van in ammoniakemissiear- ammoniakemissiearme stallen van het VLAREM, op voorwaarde dat in zeugenstallen Variabel % (1) me stal, voorkomend op groepshuisvesting en in legkippenstallen volièrehuisvesting wordt toegepast. mini- 3% de lijst van ammoniakemum missie stallen van het 20% VLAREM

• Sanitaire opslagruimte voor kadavers met een koelinstallatie; • Omschakeling naar groepshuisvesting voor vleeskalveren. De bouw van nieuwe stallen voor vleeskalveren is niet subsidiabel; • Vernieuwing van de inrichting van bestaande pluimveestallen waarbij de kippen gehuisvest worden volgens het scharrelprincipe. Voor nieuwe pluimveestallen en voor de vernieuwing van batterijen is er geen steun; • Omschakeling van een gebonden naar een los huisvestingssysteem voor varkens; • Installeren of verbeteren van de isolatie, de ventilatie en de verwarming in bestaande pluimvee-, varkens- en vleeskalverstallen waardoor er voor gezorgd wordt dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties binnen grenzen gehouden worden die niet schadelijk zijn voor de dieren; • Installatie van brijvoedering (zonder uitbreiding van de productiecapaciteit); • Systemen voor beperking, recyclage of rationeel beheer van afvalwater of stoffen (ontsmettings- en ontziltinginstallaties, opslagplaats voor verontreinigd water of afvalstoffen); 20% • Systemen voor de beperking van het gebruik en/of verliezen van pesticiden. Het betreft voornamelijk geavanceerde spuitmachines waarbij er een duidelijk aantoonbare vermindering is van de gebruikte hoeveelheid product en/of de drift t.o.v. de gangbare spuittoestellen; • Investeringen gericht op de beperking van de verspreiding van ziektekiemen (installaties voor het steriliseren van substraten of afvalgrond, reinigingsplaats met bezinkput voor voertuigen voor het vervoer van dieren, sanitaire laad- of losplaatsen voor dieren, incl. eventuele afsluiting, sanitair sas in stallen); • De overname van een tweede gedeelte van de bedrijfsbekleding beperkt tot vee, uitrusting, materieel, voorraden, vruchten te velde en navetten op basis van een geregistreerd overnamecontract met een reële inventaris. Uitrusting die onroerend is van nature is niet subsidiabel in het kader van een overname. Het subsidiabel bedrag van een totale overname (inclusief eerste gedeelte) is beperkt tot 250.000 Euro en de sectorale beperkingen zijn niet van toepassing;

Bijlagen

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

127

3%

Verrichtingen die passen • De overname van de bedrijfsbekleding beperkt tot vee, uitrusting, materieel, voorraden, in het kader van de eer- vruchten te velde en navetten op basis van een geregistreerd overnamecontract met een reële inventaris. Uitrusting die onroerend is van nature is niet subsidiabel in het kader van ste installatie een overname. • De aankoop van vee, uitrusting, materieel en voorraden gericht op het vervolledigen van de bekleding van bedrijven die niet of gedeeltelijk in productie zijn of de vervanging van vee, uitrusting en materieel dat niet overgenomen wordt, voor zover de verrichtingen verantwoord zijn en er geen nieuwe oriëntatie gegeven wordt aan de activiteiten op het bedrijf. • De overname van aandelen als bedrijfsleider (beherend vennoot, zaakvoerder, bestuurder, afgevaardigd bestuurder) in een vennootschap die een positief eigen vermogen aantoont middels een door de bedrijfsrevisor of erkende accountant opgesteld verslag van de 75.000 4% bedrijfsboekhouding en jaarrekening over het laatste jaar voorafgaand aan de overname euro van aandelen als basis voor de waardebepaling van de aandelen. De operatie is slechts mogelijk voor vennootschappen die de landbouw als hoofdactiviteit hebben. De waarde van het aandeel wordt slechts gesubsidieerd naar rato van het gedeelte betrekking hebbend op de bij een bedrijfsovername door een natuurlijke persoon in aanmerking genomen inventarisposten + de landbouwbedrijfsgebouwen. De overname van aandelen is in principe slechts tweemaal mogelijk overeenkomstig een vestiging van natuurlijke personen als landbouwer in twee fasen. De uitgaven hebben geen betrekking op het verwerven van productierechten, rechten op vergoeding, allerlei andere rechten en bedrijfsgebouwen. De begunstigde moet het fiscaal en sociaal statuut aannemen van landbouwer in hoofdberoep.

Groep 4: Investeringen • Machines en materieel (goederen roerend van nature) niet opgenomen in de andere lijsten gericht op de realisatie en met uitzondering van tweedehandsmaterieel; van een structuurverbe- • Dieren hierbij bepalend dat vervangingsvee nooit subsidiabel is en dat de steun enkel kan betrekking hebben op de eerste aankoop die past in een bedrijfsplan dat voorziet in een tering uitbreiding van de veestapel. De aankoop van varkens, pluimvee en vleeskalveren is nooit subsidiabel; • Duurzame planten zoals rozen- en moederplanten, hop- en aspergeplanten, houtachtig 10% kleinfruit; • Overname van de bedrijfsbekleding van een tweede bedrijf beperkt tot het vee, de machines en het materieel. De sectorgebonden beperkingen zijn van toepassing (quotum, grondgebondenheid); • Plastiekserres en -tunnels, andere dan deze genoemd in groep 3.

10 jaar

15 j

De max. duur van de RS 10 j bedraagt 5 jaar


128

• Bouwen, verbouwen en uitrusten van bedrijfsgebouwen; • Investeringen gericht op de bescherming en verbetering van het milieu. • Aankoop van machines en materieel. nvt

nvt

3 jaar

3j

De max. duur bedraagt 4% 10j. voor gebouwen en 10 j 7j. voor machines

3%

• Er kan tot 3 jaar vrijstelling van aflossing toegestaan worden zonder kosten voor het VLIF, waarvan 1 jaar bij de vestiging van de aanvrager; de overige 2 jaren voor zover de financieel economische toestand van het bedrijf dit verantwoordt.

• Voor investeringen en verrichtingen die normaal gewaarborgd worden gedurende 10 jaar wordt de duur van de waarborg op 15 jaar gebracht indien de investering/ verrichting past in de vestiging van de aanvrager.

(1) De toe te passen steunintensiteit is minimaal 20 % op de volledige emissiearme stal. Voor stalsystemen waar een steun van 20 % onvoldoende is om de meerprijs t.o.v. een standaardstal te compenseren, wordt een aanvullende steun verleend hierbij bepalend dat de totale steun maximaal een meerprijs van 40 % mag compenseren.

Coöperaties

Compensatie van gele- • Schade aan landbouwproductie en productiemiddelen door natuurrampen en buitengeden schade wone weersomstandigheden. • Schade door veeziekten na brucellose, BSE, varkenspest, pseudovogelpest en dikke buikenziekte op voorwaarde van een volledige opruiming gevolgd door herbevolking. • Schade door veeziekten na tuberculose en leucose op voorwaarde van ten minste 30% opruiming gevolgd door herbevolking. • Schade door andere buitengewone gebeurtenissen.

Bijlagen

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Bijlage 5:

Maximumprijzen voor investeringen (BTW niet inbegrepen)

1.1. Melkveestallen (zonder melkinstallatie, ruimte voor jongvee en stro-opslag): standaard ligboxenstal: 3.250 euro/koe gedeeltelijk ingestrooide stal: 4.000 euro/koe 1.2. Melkinstallaties 1.2.1. melkleiding 500 euro/koe 1.2.2. melkstal 800 euro/koe 2. Zoogkoeienstallen (zonder stro-opslag) 2.500 euro/koe 3. Vleesveestallen 2.150 euro/dier 4. Jongveestallen 1.350 euro/dier 5. Vleeskalverstallen 750 euro/dier 6. Fokvarkensstallen (incl. mestopslagplaats voor 6 maand) 2.750 euro/zeug 7. Vleesvarkensstallen (incl. mestopslagplaats voor 6 maand) 400 euro/plaats 8. Schapenstallen (exclusief melkinstallatie) 325 euro/plaats 9. Geitenstallen (inclusief melkinstallatie) 600 euro/plaats 10. Pluimveestallen 10.1. Stallen voor leghennen (met kooien en ammoniakemissiereductie) 25 euro/kip 10.2. Stallen voor leghennen (volièresysteem en ammoniakemissiereductie) 28 euro/kip 10.3. Stallen voor vleeskuikens (met ammoniakemissiereductie) 13 euro/kuiken 11. Paardenstallen Stallen met boxen en inrichting 285 euro/m? Rijhal 180 euro/m? 12. Konijnenstallen Stallen voor voedsters 7,5 euro/voedster Stallen voor vleeskonijnen 4 euro/vleeskonijn 13. Loodsen 13.1. Gesloten loods (gepolierde vloer, geïsoleerd, poorten) 200 euro/m? 13.2. Aardappelloods (met binneninrichting) 250 euro/m? 13.3. Witloofloods (zonder hydrocultuurinstallatie) 200 euro/m? 13.4. Fruitloods (zonder frigo) 200 euro/m? 14. Groenteserres 1.1. Licht verwarmd 55 euro/m? 1.2. Zwaar verwarmd met energiebesparende voorzieningen 100 euro/m? 15. Serres voor sierteelt 2.1. Licht verwarmd 75 euro/m? 2.2. Zwaar verwarmd met energiebesparende voorzieningen 100 euro/m? 16. Inrichting witloofloods voor hydrocultuur 30.000 euro/ha forcerie 17. Inrichting champignonbedrijf 375 euro/m? 18. Erfverharding 25 euro/m? 19. Educatief toegankelijk maken van het landbouwbedrijf 150.000 euro/bedrijf en max. voor een breder publiek (hoevetoerisme, ontvangstruimtes 37.500 euro/verblijfsentiteit groepen, scholen e.a.) bij max. 4 verblijfseenheden Overname van bedrijven - Navetten - Werkelijk betaalde voorschotten aan teelten - Voorraden

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

187 euro/ha 750 euro/ha 10.000 euro/bedrijf

129


Bijlagen 30 SEPTEMBER 2005 - Minsterieel besluit tot erkenning van kredietinstellingen voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (B.S. 20/10/2005) DE VLAAMSE MINISTER VAN INSTITUTIONELE HERVORMINGEN, LANDBOUW, ZEEVISSERIJ EN PLATTELANDSBELEID, Gelet op het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, inzonderheid op artikel 12, gewijzigd bij het decreet van 24 december 2004; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, inzonderheid op artikel 13, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 maart 2001 en 18 maart 2005; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 oktober 2004; Gelet op het ministerieel besluit van 15 april 2002 tot erkenning van kredietinstellingen voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds; Overwegende dat er in de bankwereld een aantal verschuivingen, zoals fusies en naamswijzigingen, zijn doorgevoerd, moet de erkenning van de kredietinstellingen krachtens artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 hieraan worden aangepast, vooral aangezien die verschuivingen pas worden meegedeeld als ze al in de praktijk zijn doorgevoerd, BESLUIT: Artikel 1. De volgende kredietinstellingen worden overeenkomstig artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds erkend om kredieten toe te kennen die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds: 1° 2° 3° 4° 5° 6° 7° 8° 9° 10° 11° 12° 13° 14°

Landbouwkrediet N.V.; KBC Bank N.V.; Bank J. Van Breda & C° N.V.; Beroepskrediet N.V. (en de door haar erkende kredietverenigingen); ING België N.V.; CBC Banque S.A.; FORTIS Bank N.V. (en de door haar erkende Landbouwkantoren); DEXIA Bank N.V.; DELTA LLOYD Bank N.V.; AXA Bank N.V.; RECORD Bank N.V.; CENTEA N.V.; TRIODOS Bank N.V.; Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. (Rabobank Nederland) en de door haar erkende autonome lokale Rabobanken.

Art. 2. Bank J. van Breda & C° N.V., vermeld in artikel 1, 3°, wordt alleen erkend voor de door haar voor 1 april 1996 ingediende dossiers, zolang de genomen beslissing over de steunverlening voor die dossiers praktische uitwerking heeft op basis van de vóór 1 april 1996 geldende richtlijnen.

130

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Art. 3. De overeenkomst, vermeld in artikel 13, §5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2002 houdende vaststelling van de regelen tot de werking en het beheer van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, is gevoegd als bijlage bij dit besluit. Art. 4. Het ministerieel besluit van 15 april 2002 tot erkenning van kredietinstellingen voor het toekennen van kredieten die in aanmerking komen voor steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds wordt opgeheven. Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2005.

Brussel, 30 september 2005 De Vlaamse minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid,

Yves LETERME

BIJLAGE

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds OVEREENKOMST

TUSSEN het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid EN ................................................................................................................................................................................................................... wordt overeengekomen wat volgt: Inleidend artikel In deze overeenkomst wordt verstaan onder: 1° 2° 3° 4°

de minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid; het Fonds : het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds; de kredietinstelling : krediet : elke lening of kredietopening waarvoor het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds zijn waarborg of een rentesubsidie heeft verleend; 5° het decreet : artikel 12 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, waarbij een Vlaams Landbouwinvesteringsfonds werd opgericht.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

131


Bijlagen Artikel 1. De voorwaarden van de tegemoetkoming van het Fonds worden bepaald door de wet, de uitvoeringsbesluiten, de ministeriële omzendbrieven en deze overeenkomst. Art. 2. § 1. De kredietinstelling dient bij het Fonds een aanvraag tot tegemoetkoming in en voegt daarbij een door de kredietaanvrager ondertekende verklaring waarbij die: 1° zijn akkoord verleent om al de voor het onderzoek van zijn aanvraag noodzakelijke gegevens aan het Fonds te bezorgen; 2° bevestigt dat hij aan de kredietinstelling kennis heeft gegeven van alle elementen van zijn patrimonium, zowel de activa als de passiva; 3° verklaart dat hij geen andere aanvraag tot tegemoetkoming van het Fonds heeft ingediend of zal indienen hetzelfde doel. § 2. De aanvraag tot tegemoetkoming, vermeld in § 1, geeft de voorwaarden aan waaronder de kredietinstelling aanvaardt het gevraagde krediet toe te kennen. § 3. De wederopnemingen zullen behandeld worden als nieuwe aanvragen. Art. 3. De beslissingen worden aan de kredietinstelling meegedeeld. Bij een gunstige beslissing moet de kredietinstelling de volgende gegevens meedelen aan het Fonds zodra het krediet, zelfs gedeeltelijk, werd opgenomen: 1° contractdatum; 2° eerste vervaldag waarbij kapitaal moet worden terugbetaald (datum); 3° einde van de steun (datum); 4° duur van een aflossingsperiode (jaarlijks, semestrieel, trimestrieel, maandelijks); 5° kredietopnemingen: datum + bedrag van alle opnemingen voor de betreffende kredieten. Ook eventuele vervroegde terugbetalingen moeten worden doorgegeven aan het VLIF. De kredietinstelling brengt de minister op de hoogte van het niet-uitbetalen of van de gedeeltelijke uitbetaling van kredieten waarvoor een tegemoetkoming van het Fonds werd verleend zodra ze er kennis van heeft. Art. 4. § 1. De waarborg van het Fonds is aanvullend. Hij heeft tot doel de zekerheden die de kredietaanvrager kan aanbrengen aan te vullen. De aan het krediet gehechte zekerheden mogen niet worden gewijzigd gedurende de volledige duurtijd van de waarborg van het Fonds zonder voorafgaand akkoord van de minister. § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 15 wordt de waarborg van het Fonds pas uitgevoerd na uitwinning van de ontlener met al zijn goederen en nadat de andere aan het krediet gehechte zekerheden werden verwezenlijkt. De mede-ontlener die zich slechts voor een gedeelte van zijn goederen verbonden heeft, moet echter slechts met die goederen uitgewonnen worden, als het Fonds ervan in kennis gesteld werd bij de aanvraag tot tegemoetkoming. Art. 5. § 1. De tegemoetkoming van het Fonds in de waarborg neemt een aanvang zodra het krediet, zelfs gedeeltelijk, wordt opgenomen. Ze neemt een einde na verloop van de door de minister vastgestelde termijn. § 2. Als een meer aangepaste vaststelling van de vervaldag het rechtvaardigt en de kredietinstelling het Fonds ervan op de hoogte brengt, is het echter toegestaan dat de waarborg van het Fonds eindigt op een andere datum binnen de twaalf maanden voor of na de einddatum, vermeld in § 1. § 3. De minister kan, bij toekenning van een uitstel van kapitaalaflossing overeenkomstig artikel 8, beslissen de duurtijd van de tegemoetkoming van het Fonds in de waarborg te verlengen.

132

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


§ 4. De kredietinstelling en de ontlener kunnen een krediet overeenkomen waarvan de looptijd de duurtijd van de waarborg van het Fonds overschrijdt. § 5. Met behoud van de toepassing van § 6 en § 7 wordt de waarborg van het Fonds bij elke vervaldag in kapitaal afgebouwd met de verhouding van de kapitaalaflossing die overeenkomt met het percentage toegekende waarborg gedurende de door de minister vastgestelde duur van die waarborg. Met behoud van de toepassing van artikel 8 moet de kredietakte minstens in één vervaldag in kapitaal per jaar voorzien. De afbouw van de waarborg neemt een aanvang op de eerste vervaldag voor kapitaal, of bij het nietgoedkeuren door de minister van door de kredietinstelling toegestane uitstellen van kapitaalaflossing vanaf de datum die vastgesteld zou worden voor de eerste vervaldag voor kapitaal bij weigering van de genoemde uitstellen door de kredietinstelling. § 6. De minister kan van de afname van de waarborg afzien als hij, overeenkomstig artikel 8, in de loop van het krediet een uitstel van kapitaalaflossing toestaat. § 7. Elke onbetaalde vervaldag blijft gedekt door de waarborg van het Fonds als hij voorwerp uitmaakt van een staat van bevinding als vermeld in artikel 10. Als een gedeeltelijk betaalde vervaldag het voorwerp uitmaakte van een staat van bevinding als vermeld in artikel 10, wordt de waarborg van het Fonds afgebouwd volgens artikel 5 naar rato van wat de uitgevoerde betaling vertegenwoordigt ten opzichte van het verschuldigde bedrag. De kredietopzegging brengt stopzetting van de afbouw van de waarborg van het Fonds met zich mee. Art. 6. § 1. Elke akte voor een krediet dat het voorwerp uitmaakt van een tegemoetkoming van het Fonds moet vermelden dat de ontlener zich verbindt op het eerste verzoek aan het Fonds en aan de kredietinstelling alle inlichtingen van professionele of financiële aard te verstrekken en alle bezoeken en onderzoeken van hun afgevaardigden toe te staan. § 2. Bovendien moet elke akte voor een krediet dat het voorwerp uitmaakt van een tegemoetkoming van het Fonds vermelden dat: 1° de ontlener zich ertoe verbindt elke verwerving van onroerende goederen aan de kredietinstelling te melden en haar op het eerste verzoek hypotheek hierop te verlenen; 2° de kredietinstelling zich het recht voorbehoudt te allen tijde en zonder voorafgaande kennisgeving het krediet op te zeggen: a) in geval van onjuiste verklaringen door de ontlener; b) als de ontlener de voorwaarden, gesteld bij het toekennen van het krediet of van de waarborg van het Fonds, niet eerbiedigt; 3° de ontlener zich ertoe verbindt geen afstand te doen van zijn productiequota gedurende de volledige duur van de waarborg zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van het Fonds; 4° de ontlener zich ertoe verbindt de kredietinstelling onmiddellijk te informeren over steunaanvragen bij openbare overheden uit hoofde van een vrijwillige productievermindering op zijn bedrijf; 5° de ontlener aan de kredietinstelling, die aanvaardt, het afstaanbare gedeelte van alle lonen, wedden en vergoedingen die hem, uit welke hoofde ook, kunnen toekomen afstaat alsook elk bedrag dat hij zou moeten ontvangen na een quotumafstand of een vrijwillige productievermindering op zijn bedrijf. Die afstand zal alleen uitwerking hebben als de ontlener in gebreke blijft om de opeisbaar geworden bedragen te betalen ter uitvoering van de aan het krediet verbonden verbintenissen; 6° elk door de ontlener ontvangen of te ontvangen bedrag na een quotumafstand of vrijwillige productievermindering van rechtswege en prioritair aangewend wordt voor kredieten, gewaarborgd door het Fonds, als die quotumafstand of vrijwillige productievermindering een aantasting van de rendabiliteit van het bedrijf met zich meebrengt.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

133


Bijlagen Art. 7. § 1. De kredietinstelling stelt de fondsen pas beschikbaar nadat de ontlener de bewijsstukken betreffende uitvoering en kostprijs van de investering waarvoor het krediet werd verleend, heeft voorgelegd. § 2. De geleende bedragen moeten, behoudens toestemming van de minister, opgenomen worden binnen de twee jaar vanaf de datum van ondertekening van de leningsakte of de datum van terugzending door de ontlener van de kredietopeningsbrief, voorzien van zijn handtekening. Art. 8. De minister kan eveneens uitstel van kapitaalaflossing toestaan, hetzij bij de toekenning van de waarborg, hetzij in de loop van het krediet. Art. 9. § 1. De minister bepaalt de duurtijd van tegemoetkoming in de rente door het Fonds. De tegemoetkoming in de rente neemt een aanvang op de datum die aan de eerste vervaldag in kapitaal voorafgaat met een periode, gelijk aan het interval tussen de vervaldagen in kapitaal, in voorkomend geval vermeerderd met de duur van de volgens artikel 8 toegestane uitstellen van kapitaalaflossing. Als de datum die aldus vastgesteld wordt aan de datum waarop de intresten beginnen te lopen voorafgaat, neemt de rentetussenkomst pas een aanvang op die laatste datum. De kredietinstelling stelt het Fonds in kennis van de overeengekomen datum van de eerste vervaldag in kapitaal. § 2. De tegemoetkoming in de rente wordt berekend op het gesubsidieerde bedrag dat bij elke vervaldag in kapitaal afneemt met een schijf, gelijk aan dat bedrag gedeeld door het aantal vervaldagen in kapitaal tijdens de duur van de tegemoetkoming. Het gesubsidieerd bedrag bij de vervaldagen in kapitaal gebeurt evenwel slechts na de eventuele door de minister toegestane uitstellen in kapitaalaflossing, in voorkomend geval ten belope van een schijf gelijk aan het gesubsidieerd bedrag gedeeld door het aantal vervaldagen in kapitaal dat na deze uitstellen overblijft binnen de duur van rentetegemoetkoming. Het bedrag waarop de rentesubsidies berekend worden, kan nooit het contractueel bepaalde kapitaalsaldo overtreffen. § 3. De uitbetaling van de aan een krediet verbonden rentesubsidies kan door de kredietinstelling slechts jaarlijks opgevraagd worden in het trimester van de jaarvervaldag. § 4. Bij elke overeengekomen vervaldag in intresten brengt de kredietinstelling de rentesubsidie op het debet van de hiervoor in haar boeken geopende rekeningen. § 5. De afrekeningen van de opeisbare rentesubsidies worden trimestrieel afgesloten en ter betaling bezorgd aan de minister volgens de bij ministeriële onderrichting vastgelegde voorwaarden. Art. 10. § 1. Als de ontlener die waarborg van het Fonds geniet, zijn verplichting om de aflossing of de intresten voor het toegekende krediet te betalen niet nakomt binnen de zes maanden na de vastgestelde vervaldag, moet de kredietinstelling aan het Fonds vóór het einde van de zevende maand een staat van bevinding voorleggen met vermelding van de financiële toestand van de ontlener, de beschikbaarheid van de zekerheden van de lening en in voorkomend geval de reeds genomen maatregel ter vrijwaring ervan. Een kopie van de laatste balans en winst- en verliesrekening wordt aan de staat van bevinding toegevoegd als de ontlener een rechtspersoon is. § 2. De kredietinstelling moet in voorkomend geval aan het Fonds eveneens melding maken van de onroerende verwervingen van de ontlener waarvan ze kennis heeft. In voorkomend geval kan de minister de kredietinstelling opleggen van de ontlener te eisen dat hij de verworven onroerende goederen hypothekeert. § 3. Elke vervaldag die geen voorwerp uitmaakt van een staat van bevinding als vermeld in § 1 wordt bij de bepaling van de waarborg van het Fonds als volledig betaald beschouwd. § 4. De kredietinstelling informeert het Fonds onverwijld over de aanzuivering van vervaldagen waarvoor een staat van bevinding als vermeld in § 1, werd doorgestuurd.

134

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Art. 11. De kredietinstelling moet het Fonds onmiddellijk informeren over elke kredietopzegging alsook over de motieven die ertoe leidden. Ze bezorgt een kopie van de opzeggingsbrief waarin ze een einde stelt aan het krediet en er de volledige terugbetaling van eist. Het Fonds heeft het recht van de kredietinstelling te eisen dat ze onmiddellijk het krediet opzegt in geval van onjuiste verklaringen door de ontlener of het niet respecteren door die laatste van de voorwaarden, gesteld bij de toekenning van zijn waarborg. Art. 12. De rentesubsidies worden uiterlijk zes maanden na de opzegging stopgezet. Elk beslagleggingsexploot of bevel dat voorafgaat aan een beslag dat gericht is op de goederen van de ontlener of op de aan het krediet gehechte zekerheden brengt onmiddellijke stopzetting van de rentesubsidies met zich mee. Elke minnelijke verkoop van die goederen, verplicht door eender wie, alsook het verlies door de ontlener van de hoedanigheid van landbouwer in hoofdberoep heeft dezelfde uitwerking. De kredietinstelling stelt in voorkomend geval de minister onverwijld in kennis van de datum van bovenvermelde handelingen en gebeurtenissen. De minister kan evenwel, op gemotiveerd verzoek van de kredietinstelling, besluiten tot het behoud van de rentesubsidies. Art. 13. De kredietinstelling moet gedurende de volledige duurtijd van de tegemoetkoming van het Fonds iedere tekortkoming van de ontlener aan zijn wettelijke, reglementaire of overeengekomen verplichtingen in verband met de toekenning van het krediet of de tegemoetkoming van het Fonds aan de minister mee te delen vanaf het ogenblik dat ze ervan kennis kreeg. Ze zendt jaarlijks, onmiddellijk na ontvangst, aan de minister een afschrift van de balans en de winst- en verliesrekening van de coÜperatieven en verenigingen van landbouwers, als vermeld in artikel 1 van de wet, die de tegemoetkoming van het Fonds hebben verkregen. Bij ontstentenis van een normale boekhoudkundige toestand, of in geval van verliezen, deelt de kredietinstelling haar bevindingen mee of bezorgt ze een kopie van het expertiseverslag dat ze na onderzoek ter plaatse heeft opgesteld. Art. 14. De minister kan te allen tijde de waarborg van het Fonds die gehecht is aan een krediet bij gemotiveerde beslissing geheel of gedeeltelijk intrekken als de kredietinstelling de bepalingen van artikel 4 § 1, artikel 6, 7, 10, 11 en 13 van de huidige overeenkomst niet heeft nageleefd. Art. 15. De minister kan, als het beroep op de waarborg van het Fonds geheel of gedeeltelijk vaststaat, beslissen die onmiddellijk uit te voeren ten belope van een voorlopig bedrag dat hij vaststelt. Als die provisie het definitieve bedrag van tegemoetkoming door het Fonds overtreft, moet de kredietinstelling de teveel ontvangen bedragen, vermeerderd met de wettelijke intresten, te rekenen vanaf de uitbetalingsdatum, terug storten. Art. 16. De kredietinstelling houdt zich aan de ministeriÍle onderrichtingen betreffende de eventuele verwezenlijking van de goederen van de ontlener of van de aangebrachte zekerheden als het krediet gewaarborgd is door het Fonds.

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

135


Bijlagen Art. 17. In geval van meerdere kredieten worden de uit de verwezenlijking van de zekerheden voortkomende bedragen, behoudens door de minister toegestane rangafstand, in de volgorde van inschrijving aangewend voor de terugbetaling van de kredieten waaraan die zekerheden gehecht zijn. Art. 18. Met behoud van de toepassing van artikel 14 kan de minister bij fouten of nalatigheden van de kredietinstelling bij het beheer van een door het Fonds gewaarborgd krediet, evenals in voorkomend geval bij de realisatie van de goederen van de ontlener of andere ingebrachte zekerheden, beslissen de uit te voeren waarborg te verminderen ten belope van het nadeel dat eruit voortvloeit voor het Fonds. Art. 19. De minister of zijn afgevaardigde kan bij de kredietinstelling inzage nemen of een afschrift verkrijgen van de dossiers, rekeningen en documenten betreffende de kredieten die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van het Fonds. De kredietinstelling moet op het eerste verzoek van het Fonds haar beheer van de kredieten en in voorkomend geval van de realisatie van de goederen van de ontlener en de aangebrachte zekerheden rechtvaardigen en elk document dat hiervoor nuttig is, bezorgen. Art. 20. De kredieten, vermeld in deze overeenkomst, maken, overeenkomstig de ministeriĂŤle onderrichtingen, in de boeken van de kredietinstelling het voorwerp uit van een boekhouding die afgezonderd is van de andere verrichtingen. De kredietinstelling bezorgt aan de minister op het eerste verzoek, en volgens de voorgeschreven voorwaarden, alle boekhoudkundige en financiĂŤle bescheiden die noodzakelijk zijn voor de bepaling van de totaalbedragen waarvoor het Fonds zich verbonden heeft. Deze overeenkomst is van toepassing op de tegemoetkomingen van het Fonds waarvan de aanvraag ingediend werd vanaf 1 april 1996. Artikel 7 tot en met 19 zijn daarenboven onmiddellijk van toepassing op de tegemoetkomingen waarvan de aanvraag ingediend werd voor die datum. Die tegemoetkomingen blijven voor het overige geregeld door de bepalingen van de bij de indiening van de aanvraag tot tegemoetkoming van het Fonds geldende overeenkomst die niet strijdig zijn met de voornoemde artikelen.

Opgemaakt in Brussel, in twee exemplaren, op

De kredietinstelling,

136

De Vlaamse minister bevoegd voor het landbouwbeleid,

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Bijlage 2: Lijst van de gesubsidieerde verrichtingen ingedeeld naar aard (categorie) en ev. specifiek doel Eerste Vestiging Aankoop materieel bij 1e vestiging Aankoop planten bij 1e vestiging Aankoop vee bij 1e vestiging Overname 2e fase Overname aandelen 2e fase Overname aandelen vestiging Overname bij vestiging

Aankoop Hoeve Aankoop gebouwen (in gebruik) Aankoop gebouwen (installatie) Aankoop gebouwen (niet in gebr.) Aankoop grond (in gebruik) Aankoop grond (niet in gebruik) Aankoop/verbetering woning Bouwen of aankoop woning

Bouw en verbetering van bedrijfsgebouwen Ammoniakemissiearme varkensstallen grondgebonden Milieu Bewaar- en machineloods Bijzondere dierlijke productie Bijzondere plantaardige productie Biologische melkveehouderij Biologische landbouw Biologische pluimveehouderij Biologische landbouw Biologische schapen/geitenhouderij Biologische landbouw Biologische varkenshouderij Biologische landbouw Bouw/Inrichten kleinveestallen Bouw/Inrichten paardenstallen Bouw/Inrichting pluimveestal Bouwen frigo Bouwen rundveestal Bouwen/Inrichten jongveestal (melkvee) Bouwen/Inrichten jongveestal (vleesvee) Bouwen/Inrichten kampernoeliekwekerij Bouwen/Inrichten kweekvarkensstal Bouwen/Inrichten melkveestal Bouwen/Inrichten serre Bouwen/Inrichten vleeskalverstal Bouwen/Inrichten vleesvarkensstal Bouwen/Inrichten vleesveestal Bouwen/Inrichten witloofloods Bouwen/Verb. am.reductiestal + verrijkte kooien/voliäresysteem legkippen Milieu

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

Bouwen/Verb. am.reductiestallen melkvee en jongvee Milieu Bouwen/Verb. am.reductiestallen mestkuikens Milieu Bouwen/Verb. am.reductiestallen moederdieren Milieu Bouwen/Verb. Am.reductiestallen poeljen Milieu Bouwen/Verb. am.reductiestallen varkens Milieu Bouwen/Verb. Am.reductiestallen vleesvarkens Milieu Bouwen/Verb. am.reductiestallen vleesvee Milieu Bouwen/Verb. en uitrusten potstal melkvee en jongvee (melkvee) Milieu Bouwen/Verb. legkippenstal naar verrijkte kooien of voliäresystemen Dierenwelzijn Bouwen/Verb. zeugenstallen naar groepshuisvesting Dierenwelzijn Bouwen-Inrichten melkstal/melkinstallatie/voederautomaat Brijvoedering Milieu Detailverkoop (gebouwen) Diversificatie Div. tuinbouwinrichtingen Educatief toegankelijk maken van het bedrijf (gebouwen) Diversificatie Energiebesparing (stalisolatie) Milieu Groepshuisvesting kalveren Dierenwelzijn Herinrichting voor scharrelkippen Dierenwelzijn Hoeveproducten (andere sectoren) (gebouwen) Diversificatie Hoeveproducten vlees (gebouwen) Diversificatie Hoeveproducten zuivel (gebouwen) Diversificatie Inrichting jongveestal (melkvee) Inrichting jongveestal (vleesvee) Inrichting kleinveestal Inrichting kweekvarkensstal Inrichting melkveestal Inrichting rundveestallen Inrichting stal paarden e.a. Inrichting van gebouwen Inrichting vleeskalverstal Inrichting vleesvarkensstal Inrichting vleesveestal Losse huisvesting varkens Dierenwelzijn Melkinstallatie Plastiek tunnels Stro-opslag bij potstal Milieu Uitrust. kampernoeliekwekerij Uitrusting serre Verbeteren stalklimaat Dierenwelzijn Vernieuwing daken van hoeven met cultuurhistorisch karakter Verplaatsing bedrijfsgebouwen

137


Bijlagen Andere bedrijfsverbeteringen Aankoop duurzame planten Aanleg waterreservoir Milieu Aanplantingen Allerl. constructies Bescherm./verb. leefmilieu Milieu Bio-hoogstamboomgaarden Biologische landbouw Biomassaproductie Diversificatie Boorput Diversen Emissiearme mestspreiding Milieu Energiebesparing (kasomhulling) Milieu Energiebesparing (schermen, buffer, ...) Milieu Erf- en andere verharding Gangbare pitfruitvariâteiten Geur- en stofbestrijding Milieu Grondverbetering Inrichting van bedrijfsruimten voor zorgvragersDiversificatie Kadaveropslag Milieu Kersen, pruimen, druiven, ... Loods/silo/erfverh/boorput Mestopslagplaats Milieu Nieuwe fruitvariâteiten Opvang/Hergebruik beregeningswater Milieu Overname tweede bedrijf Rationeel afvalbeheer Milieu Robotisering Sleufsilo Teelt aromatische/medische planten Diversificatie Terreinuitrusting Verandering bedoel. invest.

138

Verbetering bedrijfshygiëne Voorzieningen voor personeel (gebouwen) Voorzieningen voor personeel (materieel) Welzijn van de dieren

Dierenwelzijn

Installaties, materieel en vee Aankoop varkens, pluimvee, mestkalveren Aankoop vee Buitenberegening en -fertigatie Detailverkoop (materieel) Diversificatie Educatief toegankelijk maken van het bedrijf (materieel) Diversificatie Gasverwarmingsinstallatie Milieu Geavanceerde spuitmachines Milieu Hoeveproducten (andere sectoren) (materieel) Diversificatie Hoeveproducten vlees (materieel) Diversificatie Hoeveproducten zuivel (materieel) Diversificatie Installaties voor compostering Milieu Leefmilieu/materieel Milieu Maal- en menginstallatie Diversificatie Machines en materieel Machines landschapsbeheer Diversificatie Mechanische onkruidbestrijding Milieu Melkkoelers Mestbew./verw.systemen Milieu Mestinjectie Milieu Oogstprotectie fruit Rookgasreiniging Milieu Tweedehands materieel Vogelschrikapparatuur Waterzuiveringsinstallatie Milieu

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005

139


Samenstelling:: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw Administratie Land- en Tuinbouw Afdeling Land- en Tuinbouwondersteuningsbeleid Verantwoordelijk uitgever: Jules Van Liefferinge directeur-generaal Depotnummer : 2006/3241/126 Druk : PEN Voor bijkomende exemplaren (zolang de voorraad strekt): Afdeling Land- en Tuinbouwondersteuningsbeleid Leuvenseplein 4 - 1000 Brussel Tel: 02/553.63.10 - Fax: 02/553.63.05 Digitale versie (PDF) :: http://www.vlaanderen.be/landbouw

140

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds 2005


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
VLIF_activiteitenverslag_2005.pdf by Vlaanderen-be - Issuu