ONDERZOEK VAN WATERBODEM EN OEVERS CODE VAN GOEDE PRAKTIJK
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
ONDERZOEK VAN WATERBODEM EN OEVERS Code van Goede Praktijk publicatiedatum / 31.05.2020 ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
pagina 2 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
DOCUMENTBESCHRIJVING Titel van publicatie: Onderzoek van waterbodem en oevers Code van goede praktijk Wettelijk Depot nummer: D/2021/5024/04
Verantwoordelijke Uitgever: OVAM Trefwoorden: Waterbodemonderzoek Waterbodem Oever Sediment
Samenvatting: Deze code van goede praktijk is een handleiding voor het onderzoek van waterbodems en oevers in het kader van een oriënterend bodemonderzoek, beschrijvend bodemonderzoek, waterbodemonderzoek en technisch verslag. Aantal bladzijden: 69
Aantal tabellen en figuren: 22 T / 8 F
Datum publicatie: 2020
Prijs*: /
Begeleidingsgroep en/of auteur:
Contactpersonen: Katrien Van de Wiele Goedele Vanacker Dirk Dedecker Goedele Kayens
Annemie Boden – Antea Group Kristel Lauryssen – Antea Group Johnny Teuchies – Universiteit Antwerpen Ward De Cooman – VMM Ilse Van Keer – VITO Kaat Touchant – VITO Johan Vos – VITO Katrien Van De Wiele – OVAM Goedele Vanacker – OVAM Dirk Dedecker – OVAM Johan Ceenaeme – OVAM Mike Mortelmans – OVAM Goedele Kayens – OVAM Andere titels over dit onderwerp: / xxxx
U hebt het recht deze brochure te downloaden, te printen en digitaal te verspreiden. U hebt niet het recht ze aan te passen of voor commerciële doeleinden te gebruiken. De meeste OVAM-publicaties kunt u raadplegen en/of downloaden op de OVAM-website: http://www.ovam.be * Prijswijzigingen voorbehouden.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 3 of 69
INHOUD Inleiding …………………………………………………………………………………………………………………………………………….6 1 Situering ................................................................................................................................... 7 2 Toepassingsgebied ................................................................................................................... 8 2.1 2.2
Verticale opbouw van de waterbodem Horizontale opbouw van waterbodem en de oevers
3 4 5 6
Juridisch kader en doelstelling van het onderzoek ................................................................ 11 Waterbodemonderzoek of landbodemonderzoek? .............................................................. 12 Eigenschappen en processen van de waterloop.................................................................... 13 Voorstudie .............................................................................................................................. 16
6.1 6.2
Onderzoek van de waterbodem nodig in het Oriënterend bodemonderzoek? Administratief onderzoek
16 17
6.3 6.4
Historisch onderzoek Omgevingskenmerken, geologie en hydrogeologie
19 20
6.4.1 6.4.2
Algemene kenmerken van de waterloop Hydrogeologie
20 20
6.4.3 6.5
Omgevingskenmerken Inventarisatie van potentiële verontreinigingsbronnen voor de waterbodem
21 22
6.5.1 6.5.2
Lozingen Activiteiten op of nabij het water
22 24
6.5.3 6.5.4
Verspreiding van een verontreiniging van de landbodem of via de waterloop Diffuse bronnen
24 26
6.6 6.6.1
Beschikbare onderzoeken Kwaliteit van de waterbodem
26 27
6.6.2 6.6.3
Oppervlaktewaterkwaliteit Bodemkwaliteit van oevers en overstromingsgebieden
28 31
6.7 6.8
Terreinbezoek Type waterloop
31 32
6.9 6.9.1
Bemonsteringsstrategie Afbakening van het gebied waar het onderzoek is uitgevoerd
33 33
6.9.2 6.9.3
Bemonsteringsstrategie voor onderzoek aan lozingspunten Te onderzoeken parameters en aantal te analyseren stalen
33 34
6.9.4 6.9.5
Bemonstering en analyses als niet op de onderzoekslocatie kan geboord worden Bemonstering van diepere lagen
34 34
7
Bemonstering en analyse ....................................................................................................... 35
7.1
Bemonstering
35
7.1.1 7.1.2
Bemonstering van de waterbodem Bemonstering van de oevers en overstromingsgebieden
35 39
7.2
Analyses
40
8
Interpretatie en evaluatie ...................................................................................................... 41
pagina 4 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
9 10
31.05.2020
8.1 8.2
Te hanteren toetsingswaarden Mengstalen en clusterstalen
41 41
8.3
Interpretatie
41
9
Duidelijke aanwijzing voor ernstige bodemverontreiniging waterbodem (DAEW)............... 42
9.1 9.1.1
Stroomschema Blok 1: Verontreiniging
42 44
9.1.2 9.1.3
Blok 2: Landgebruik Blok 3: Verspreiding
44 46
9.1.4
Blok 4: Andere criteria
46
10
Voorstudie .............................................................................................................................. 49
10.1 10.2
Algemene kenmerken van de waterloop Overstromingsgebieden
11 12
Risico-evaluatie ...................................................................................................................... 51 Bijlagen ................................................................................................................................... 52
12.1 12.2
Bijlage 1: Begrippenlijst Bijlage 2: Lijst van risico-inrichtingen waterbodems
52 54
12.3 12.4
Bijlage 3: Contactgegevens waterloopbeheerders Bijlage 4: Standaarddocument toelating bemonstering
54 55
12.5 12.6
Bijlage 5: Triade kwaliteit waterbodem Bijlage 6: Veldregistratie
55 63
12.7
Bijlage 7: Overzicht triggerwaarden
68
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
49 50
pagina 5 of 69
INLEIDING Deze code van goede praktijk is een handleiding voor onderzoek van een waterbodem in het kader van: een oriënterend bodemonderzoek; een beschrijvend bodemonderzoek; een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek; een technisch verslag van bagger- en ruimingsspecie. Bij gebrek aan een standaardprocedure voor een decretaal waterbodemonderzoek, moet een decretaal waterbodemonderzoek volgens artikel 125 uitgevoerd worden volgens deze code van goede praktijk. Deze code van goede praktijk beperkt zich tot de waterbodem van onbevaarbare waterlopen. Het onderzoek van een waterbodem in een oriënterend bodemonderzoek of technisch verslag wordt uitgevoerd door een bodemsaneringsdeskundige van type 1. Het onderzoek van een waterbodem in een beschrijvend bodemonderzoek en decretaal waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd door een bodemsaneringsdeskundige van type 2. Deze code van goede praktijk richt zich tot de bodemsaneringsdeskundige en is dan ook in die zin geschreven. Voor het onderzoek van bevaarbare waterlopen werkt u een plan van aanpak uit in overleg met de OVAM en de waterloopbeheerder.
pagina 6 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
1 SITUERING Een waterloop is een complex en dynamisch systeem. De kwaliteit van het oppervlaktewater en het ecologisch herstel van de waterloop wordt onder meer beïnvloed door de kwaliteit van de waterbodem. De kwaliteit van de waterbodem wordt dan weer beïnvloed door de waterkwaliteit, de omgeving, lozingen in de waterloop, de aan- en afvoer van sediment in de waterloop,... Zwevend en salterend verontreinigd sediment zet zich af in zones waar het water trager stroomt door de hydromorfologie van de waterloop of door de aanwezigheid van kunstwerken. Lozingen kunnen heel wat sediment bevatten, waardoor ze sedimentvormers zijn. Ook door erosie kan verontreiniging van op de oevers in de waterbodem terechtkomen. In dit geval fungeert de waterbodem als ‘sink’ voor verontreiniging. Als de verontreiniging zich weer van de waterbodem losmaakt dan is de waterbodem een bron – ‘source’- voor verontreiniging van het oppervlaktewater en zijn ecologie. Het onderzoek van de waterbodem richt zich zowel op het sediment als het onderliggende vaste deel van de waterbodem als op de oevers van de waterloop. U gaat na of er in de waterbodem een verontreiniging aanwezig is waarvoor verdere maatregelen nodig zijn. Het onderzoek van een waterbodem is op verschillende vlakken een uitdaging. Op technisch vlak wordt u geconfronteerd met een dynamisch systeem dat zich niet altijd goed laat voorspellen. Bovendien bevat de waterbodem mogelijk een cocktail van verontreinigingen. Onder andere het dynamisch karakter van het systeem zorgt ervoor dat de bron van de verontreiniging soms moeilijk te bepalen is. Op administratief en juridisch vlak zult u vaak te maken hebben met verschillende belanghebbenden.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 7 of 69
2 TOEPASSINGSGEBIED Deze code van goede praktijk richt zich op het onderzoek van de waterbodem en de directe omgeving (bijvoorbeeld de oever, een overstromingsgebied, het grondwater) die in interactie staat met de waterbodem van onbevaarbare waterlopen. Het Bodemdecreet definieert de waterbodem zoals gedefinieerd in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (verder Decreet Integraal Waterbeleid) als de bodem van een oppervlaktewaterlichaam die altijd of een groot gedeelte van het jaar onder water staat. Uit deze definitie leiden we af dat de waterbodem de bodem is van een meer, een wachtbekken, een spaarbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater, of een deel van een stroom, rivier of kanaal (niet-limitatieve lijst). Ook de bodem van havens, dokken, vijvers, vennen, plassen, sloten, schorren, slikken, … beschouwen we als waterbodems, hoewel ze niet expliciet vernoemd zijn in het Decreet Integraal Waterbeleid. Voor het ruimen van waterlopen en het opmaken van een technisch verslag in deze context, verwijzen we naar de specifieke procedures en codes hierover, die u ook vindt op de website van de OVAM (https://www.ovam.be/bagger-en-ruimingsspecie). De onderzoeksstrategie voor waterbodems is afhankelijk van het doel van het onderzoek. We onderscheiden onder andere volgende doelen: De gebruiksmogelijkheden van bagger- en ruimingsspecie bepalen bij een periodieke sedimentverwijdering of een herinrichting. De kwaliteit van de waterbodem en de oevers van (een segment van) de waterloop in beeld brengen. De invloed van de lozing op de waterloop (en de plaats van emissie van de verontreinigende stoffen) bepalen. De verspreiding van een landbodemverontreiniging (vaste deel van de aarde of grondwater) naar de waterbodem of waterloop bepalen. We raden aan dat u bij de aanvang van een onderzoek van een waterbodem al rekening houdt met de plannen voor de waterloop en zijn omgeving. Zo kunt u het onderzoek afstemmen op plannen voor eventuele herinrichting, geplande bagger- en ruimingswerken, … . Integratie van het onderzoek en eventuele sanering met deze andere werken kan er voor zorgen dat het totale project meer duurzaam en kostenefficiënt is. Een toelichting van de begrippen die in deze code van goede praktijk worden gebruikt, vindt u als Bijlage 1: Begrippenlijst. Een aantal begrippen worden hieronder verduidelijkt. De definities die we hiervoor gebruiken, zijn zoveel mogelijk afgestemd op het Decreet Integraal Waterbeleid (http://www.integraalwaterbeleid.be/nl/stroomgebiedbeheerplannen/stroomgebiedbeheerplannen-20162021/documenten/achtergronddocumenten/Begrippen_Termen.pdf/view).
pagina 8 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
De definities voor ‘onbevaarbare waterloop’ en ‘bevaarbare waterloop’ zijn overgenomen uit het Koninklijk Besluit van 5 oktober 1992 tot vaststelling van de lijst van de waterwegen en hun aanhorigheden. De definities voor ‘lineaire waterloop’ en ‘niet-lineaire waterloop’ zijn overgenomen uit de terminologie voor bagger- en ruimingsspecie.
2.1 VERTICALE OPBOUW VAN DE WATERBODEM De verticale opbouw van een waterbodem is schematisch voorgesteld in Figuur 1. De waterbodem bestaat uit het vaste deel van de waterbodem en het sediment.
Figuur 1: Verticale opbouw van de waterbodem
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 9 of 69
2.2 HORIZONTALE OPBOUW VAN WATERBODEM EN DE OEVERS De horizontale opbouw van een waterloop en de oevers is schematisch voorgesteld in Figuur 2. Het Decreet Integraal Waterbeleid definieert ‘oeverzone’ als de strook land vanaf de bodem van de bedding van het oppervlaktewater¬lichaam die een functie vervult inzake de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud of inzake de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, pesticiden of meststoffen. Deze definitie is vanuit ecologische invalshoek geschreven en minder geschikt in het kader van een bodemonderzoek. Wij definiëren ‘de oever’ als de zone vanaf de bovenste rand van het talud (kruin, knikpunt) en verder landinwaarts.
Figuur 2: Horizontale opbouw van waterbodem en oever
pagina 10 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
3 JURIDISCH KADER EN DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK Voert u een onderzoek van de waterbodem uit om de kwaliteit van bagger- en ruimingsspecie te bepalen? Hou dan rekening met de bepalingen van: hoofdstuk XIII van titel III van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007; de standaardprocedure voor het opstellen van een technisch verslag. U voert het onderzoek uit met het oog op een correcte afvoer en hergebruik van de specie en om gepaste uitvoeringsmaatregelen te formuleren. U lokaliseert eventuele verontreinigingskernen en brengt de algemene waterbodemkwaliteit in beeld. Voert u een onderzoek van de waterbodem uit in een oriënterend bodemonderzoek? Hou dan rekening met de bepalingen van artikel 28 van het Bodemdecreet. U gaat na of er duidelijke aanwijzingen zijn dat er een ernstige verontreiniging aanwezig is door het lozen van polluenten via het afvalwater of door andere menselijke handelingen (bijvoorbeeld calamiteiten). Een decretaal waterbodemonderzoek voert u uit volgens hoofdstuk XII van titel III van het Bodemdecreet. U gaat na of er op het onderzochte waterlooptraject ernstige waterbodemverontreinigingen aanwezig zijn. U voert het onderzoek van een waterbodem uitvoert in een beschrijvend bodemonderzoek? Dan houdt u rekening met de bepalingen van artikel 38 van het Bodemdecreet. U gaat na of er een ernstige waterbodemverontreiniging aanwezig is door het lozen van afvalwater of de verspreiding van (landbodem)verontreiniging (voorbeelden: erosie, run-off, verwaaiing vanop de oever, via verspreiding van een grondwaterverontreiniging of van puur product).
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 11 of 69
4 WATERBODEMONDERZOEK OF LANDBODEMONDERZOEK? Twijfelt u op basis van de situatie ter plaatse of het over een waterbodem- of landbodemonderzoek gaat? Dan oordeelt u op basis van uw expertise en voert u het onderzoek uit volgens het meest toepasselijke kader. Voor monstername en analyse kijkt u dan naar de bodemmatrix (gaat het al dan niet over slibachtig materiaal). Een droge grachtbodem en een lozingsgracht onderzoekt u als een waterbodem. Ervaart u technische moeilijkheden bij het bemonsteren van de waterbodem? U kan de andere technieken toepassen als u het gebruik ervan kan motiveren.
pagina 12 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
5 EIGENSCHAPPEN EN PROCESSEN VAN DE WATERLOOP U moet de eigenschappen en de dynamiek van de waterloop kennen om het onderzoek van de waterbodem goed uit te voeren. Hiervoor kunt u beroep doen op vakliteratuur.
Materiaal van de waterbodem De toplaag van de waterbodem is vaak (deels) actief sediment waarin verschillende fysische, chemische en biologische processen plaatsvinden. Er treedt uitwisseling op met onder meer het oppervlaktewater, fauna en flora. De waterbodem is zo deel van het aquatisch ecosysteem. Het sediment is vaak een donkere, bruine of zwarte slibachtige laag met veel organisch materiaal (plant-, tak-, depositie- en bladresten). Deze slibachtige laag onderscheidt zich meestal duidelijk van de onderliggende laag door het kleurverschil en het verschil in consistentie. Het actieve sediment is visueel niet te onderscheiden. De waterloop is uitgeschuurd in de oorspronkelijke bodem of rots. Informatie over de samenstelling van de oorspronkelijke bodem, vindt u op geologische kaarten. Het sediment ontstaat door afzetting van partikels in suspensie (zwevende stof of zwevend sediment) onder invloed van de zwaartekracht. Het zwevend materiaal is afkomstig van stroomopwaartse erosie van de bedding of van de oevers, zwevend materiaal in lozingen, afbraak van plantaardig materiaal en dierlijke resten,… Onder de druk van toenemende sedimentatie, consolideren de diepere waterbodemlagen.
Erosie en sedimentatie In een waterloop kan zowel erosie als sedimentatie optreden. Welk proces optreedt, hangt vooral af van de snelheid van het water en weerstand van het bodemoppervlak. Algemeen wordt gesteld dat: de snelheid van het water varieert van bovenloop naar benedenloop: in de bovenloop stroomt het water het snelst en treedt eerder erosie op, in de benedenloop stroomt het water trager en treedt meer sedimentatie op; in de buitenbocht erosie optreedt, in de binnenbocht sedimentatie: zo worden respectievelijk de holle en bolle oever gevormd; in de bedding verschillen kunnen optreden in snelheid van het water en zich plaatselijk banken vormen of een pool/riffle systeem kan ontstaan; ter hoogte van kunstwerken (kokers, sluizen,…) sedimentatie kan voorkomen.
De waterloop en omgeving Een natuurlijke waterloop heeft een zomer- en winterbedding. Bij hoge regenval of grote watertoevoer is de bedding breder en stroomt de waterloop in de winterbedding. Bij overstroming kan verontreinigd sediment en oppervlaktewater op de aanpalende gronden terechtkomen, op de oevers en in overstromingsgebieden.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 13 of 69
Door overstromingen worden langs de waterloop van nature een oeverwal en verder de komgronden gevormd. De natuurlijke oeverwal ontstaat door sedimentatie van grover materiaal bij relatief grote watersnelheid; in de komgronden sedimenteert kleiiger materiaal. Een kunstmatige oeverwal (bijvoorbeeld een dijk) kan met verschillende materialen aangelegd zijn. Achter de dijken kan nog historisch overstromingssediment aanwezig zijn. Om de waterloopbeheerder toe te laten de waterloop te beheren, wordt er een strook van maximaal vijf meter erfdienstbaarheid voorzien. In deze zone wordt maaispecie en bagger- en ruimingsspecie gedeponeerd. In het verleden werd hier mogelijk ook verontreinigde specie gedeponeerd. Verontreinigingen van de landbodem kunnen zich ook verspreiden naar de waterloop en de oevers.
Hydrogeologie Een waterloop is drainerend of infiltrerend. Dit kan variëren over de lengte van de waterloop of met seizoenale schommelingen. Vaak is een waterloop drainerend. Waar de waterloop verlegd is, kan een atypische situatie worden gecreëerd. Hier zal de waterloop vaak infiltrerend zijn.
pagina 14 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
DEEL VERKENNENDE FASE U voert de verkennende fase in het onderzoek van een waterbodem uit in een oriënterend bodemonderzoek en in een decretaal waterbodemonderzoek.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 15 of 69
6 VOORSTUDIE In het online platform ‘waterbodemverkenner’ worden onder meer gegevens samengebracht die nodig zijn voor de voorstudie. Dit kennissysteem wordt voortdurend aangevuld met nieuwe gegevens. Op termijn zult u een groot deel van de gegevens kunnen opzoeken in de waterbodemverkenner. In afwachting daarvan vraagt u de nodige informatie op bij de verder genoemde bronnen.
6.1 ONDERZOEK VAN DE WATERBODEM NODIG IN HET ORIËNTEREND BODEMONDERZOEK? U gaat na of onderzoek van de waterbodem nodig is op basis van de volgende gegevens die u tijdens de voorstudie verzamelt: de lozingspunten en rioleringen die gerelateerd zijn aan het (voormalige) productieproces dat onderwerp is van het oriënterend bodemonderzoek, zowel op de onderzoekslocatie als erbuiten; de lozingsvergunningen; de locaties van de lozingsleidingen/lozingspijp en (indirecte) lozingspunten; de locaties van de waterzuiveringsinstallaties; eerder uitgevoerde onderzoeken van de waterbodem en/of oevers en gegevens over eventuele bagger- en ruimingswerken in de nabijheid van de lozing; de huidige en voormalige activiteiten die onderwerp zijn van het oriënterend bodemonderzoek en opgenomen zijn in de ‘Lijst risico-inrichtingen waterbodems’ ( Bijlage 2: Lijst van risico-inrichtingen waterbodems) en aanwezig waren voor 1991. Is of was er op de onderzoekslocatie een ‘risico-inrichting waterbodems’ aanwezig met een directe of indirecte lozing in een waterloop? Of grenst de onderzoekslocatie aan een waterloop? Zijn er andere aanwijzingen voor een waterbodemverontreiniging zoals een calamiteit op de oever of andere risico-inrichtingen die waterbodemverontreiniging kunnen veroorzaken? Dan voert u een onderzoek van de waterbodem uit in het oriënterend bodemonderzoek. U rapporteert uw voorlopige bevindingen als volgt: U maakt een plan van de onderzoekslocatie en duidt aan: • huidige en voormalige lozingspunten gerelateerd aan het (voormalige) productieproces; • rioleringen; • lozingsleidingen; • waterzuiveringsinstallaties. U voegt de lozingsvergunningen toe als bijlage bij het rapport. U voegt de relevante gegevens uit eerder uitgevoerde onderzoeken toe als bijlage bij het rapport. U formuleert een duidelijk besluit over de nood aan onderzoek van de waterbodem in het oriënterend bodemonderzoek.
pagina 16 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
6.2 ADMINISTRATIEF ONDERZOEK U voert altijd een administratief onderzoek uit. Tabel 1 beschrijft de administratieve gegevens die u over de waterloop moet verzamelen. Te verzamelen info
Korte beschrijving
Bron
Naam VHA-waterloop
Vlaamse Hydrografische Atlas
Gegevens waterloop Naam waterloop waarin geloosd wordt VHA-code G-code S-code(s)
Vlaamse Hydrografische Atlas Gewestcode VHA-waterloop: code van de ganse waterloop Identificator VHA-waterloopsegment: code van het kleinste deel van de waterloop (segment)
Categorie van de waterloop
Vlaamse Hydrografische Atlas
Bekken en deelbekken
Vlaamse Hydrografische Atlas
Te onderzoeken traject
Afbakening te onderzoeken traject afhankelijk van doelstelling studie (beschrijving start- en eindpunt, totale lengte, breedte, diepte, inclusief oever)
Waterloopbeheerder
Adres + contactpersoon
Beheerder riolering1
Adres + contactpersoon
Vlaamse Hydrografische Atlas of https://www.vlaanderen.be/nl/natuuren-milieu/water/beheer-van-deonbevaarbare-waterlopen
Tabel 1: Voorstudie waterbodem – administratieve gegevens
U vindt de Vlaamse Hydrografische Atlas op www.geopunt.be.
1
Indien sprake van een indirecte lozing via het openbare rioleringsstelsel (dit is een riolering die afvalwater ontvangt en daarna terechtkomt in een oppervlaktewater)
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 17 of 69
Het beheer van de onbevaarbare waterlopen is de bevoegdheid van: 1 de Vlaamse Milieumaatschappij, voor de onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie; 2 de provincies, voor de onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie op hun grondgebied, met uitsluiting van de waterlopen van tweede categorie binnen het werkingsgebied van een polder of watering; 3 de gemeenten, voor de onbevaarbare waterlopen van de derde categorie op hun grondgebied met uitsluiting van de waterlopen van derde categorie binnen het werkingsgebied van een polder of watering; 4 de polders en de wateringen, voor onbevaarbare waterlopen van de tweede en derde categorie gelegen binnen hun werkingsgebied. Waterlopen kunnen naar een hogere of lagere categorie overgebracht worden als de huidige en de toekomstige waterloopbeheerder daarover akkoord gaan. Dit wordt herklassering of hercategorisering genoemd. Waterlopen die niet ingedeeld zijn in bovenstaande categorieën, noemt met niet-geklasseerde waterlopen. Dit zijn: baangrachten langs gemeentewegen; zij worden beheerd door de gemeente; baangrachten langs gewestwegen en snelwegen in Vlaanderen; zij worden beheerd door het Agentschap voor Wegen en Verkeer; grachten die een ‘poldering of watering’ als beheerder hebben; zij worden onderhouden door het bestuur van de polder of watering (https://vvpw.be/); andere niet-geklasseerde waterlopen en privégrachten; zij worden beheerd door de eigenaar(s) van de aangrenzende percelen. Het onderhoud van een gemene gracht moet gebeuren op kosten van de verschillende mede-eigenaars. de gemeente (of polders en wateringen binnen hun werkingsgebied) kan grachten van algemeen belang (publieke grachten) aanduiden. Ze neemt dan het beheer van de gracht over, niet de eigendom. De gemeente kan daarbij ook een erfdienstbaarheid opleggen van maximaal 5 meter. In ‘ Bijlage 3: Contactgegevens waterloopbeheerders’ vindt u nuttige links om de administratieve data en contactgegevens te verzamelen. Als u gegevens opvraagt, vermeldt u steeds minimaal de S-code van het betreffende segment van de waterloop.
pagina 18 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
6.3 HISTORISCH ONDERZOEK Voor het historisch onderzoek verzamelt u informatie over eventuele menselijke ingrepen aan de waterloop of wateroppervlakte en zijn nabije omgeving, bijvoorbeeld: aanleg water(gang); verandering in de loop van de watergang (bijvoorbeeld de waterloop rechttrekken); wijziging in waterhuishouding; uitgevoerde oeverwerken; calamiteiten; ruimingswerken gedeponeerde specie op de oever; aanpassingen aan het rioleringsstelsel; historiek van lozingen op de waterloop; verlegging of opheffing van lozingspunten. Deze informatie vindt u op oude (topografische) kaarten, in historische atlassen, in archieven, bij waterloopbeheerder(s), omwonenden, gemeente, vergunningen, … Te verzamelen info Historiek waterloop
Korte beschrijving Ingrepen aan de waterloop
Ligging riolering en lozingspunten
Zowel huidige als vroegere
Lozingsperiode Lozingspunt(en) Debieten Parameters
Verdachte stoffen effluent (onderscheid maken tussen relevant of niet relevant voor waterbodemonderzoek)
Historische en recente bagger- of ruimingsgegevens Beschrijving van omringende- of andere activiteiten rond de waterloop die de kwaliteit ervan kunnen beïnvloeden Aanwezigheid eigen waterzuiveringsinstallatie
Bron Oude kaarten Waterloopbeheerder Gemeente Omwonenden Waterloopbeheer Terreinbezoek Lozingsvergunning
Lozingsvergunning
Waterloopbeheerder Gemeente Omwonenden
Exploitant
Tabel 2: Voorstudie waterbodem - historische gegevens
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 19 of 69
6.4 OMGEVINGSKENMERKEN, GEOLOGIE EN HYDROGEOLOGIE U verzamelt gegevens over de omgeving van de waterloop, de geologie en de hydrogeologie van de locatie waar u het onderzoek van de waterbodem uitvoert. Hiervoor gebruikt u de onderstaande tabellen als leidraad.
6.4.1 Algemene kenmerken van de waterloop Type Feitelijk gebruik van het oppervlaktewater
Korte beschrijving Afwatering Scheepvaart Recreatie Visserij Regionale watervoorziening Natuur en landschap Industrie Landbouw Andere: …
Kwaliteitsdoelstelling oppervlaktewater
Basiskwaliteit Productie drinkwater Zwemwater Viswater
Type waterloop
Bron Terreinbezoek
Vlaamse Hydrografische Atlas
Visueel
Tabel 3: Algemene kenmerken van de waterloop
6.4.2 Hydrogeologie Type Geologie Hydrologie
Grondwater Waterwinningen Vergunde grondwaterwinningen
Korte beschrijving Bodemopbouw tot de eerste afscheidende laag, korte beschrijving van de diepere geologie Zout, brak of zoet water Drainerend / Infiltrerend Mogelijke fluctuaties afhankelijk van het getij Grondwaterkwetsbaarheid Grond- en oppervlaktewaterwinningen in de buurt
Bron
http://dov.vlaanderen.be
Tabel 4: Geohydrologische kenmerken
pagina 20 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
6.4.3 Omgevingskenmerken U beschrijft de directe omgeving van de onderzoekslocatie, het lozingspunt of de lozingspunten en de situatie stroomop- en stroomafwaarts op basis van onder meer: de topografie; het feitelijke gebruik van omliggende terreinen (natuur, landbouw, industrie, ...) door een terreinbezoek; het gewestplan. Type Omgevingskenmerken aan het lozingspunt en stroomaf- en opwaarts indien relevant voor de water(bodem)kwaliteit Aanwezigheid overstromingsgebieden stroomafwaarts Ecologisch waardevol gebied
Korte beschrijving
Bron
www.geopunt.be Natura 200 Habitatrichtlijngebied Vogelrichtlijngebied VEN-gebied IVON-gebied Groene gewestplanbestemming Groengele gewestplanbestemming
Ligging in kwetsbare gebieden ten gevolge van vermesting Ligging in beschermingszone oppervlaktewaterwinning voor drinkwater Ligging in beschermingszones rond grondwaterwinningen
www.geopunt.be
www.vlm.be http://dov.vlaanderen.be
http://dov.vlaanderen.be
Tabel 5: Kwetsbare gebieden
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 21 of 69
6.5 INVENTARISATIE VAN POTENTIËLE VERONTREINIGINGSBRONNEN VOOR DE WATERBODEM
Figuur 3: Mogelijke bronnen van verontreiniging
In het historisch onderzoek brengt u de potentiële verontreinigingsbronnen voor waterbodemverontreiniging in kaart. Dit zijn onder meer: lozingen (al dan niet vergund); activiteiten op of nabij water; calamiteiten; verspreiding van verontreiniging van de landbodem via het grondwater of van de oever door run-off, erosie en verwaaiing; verspreiding van een waterbodemverontreiniging stroomopwaarts; diffuse verontreiniging. U vindt deze gegevens bij de waterloopbeheerder, de gemeente, in vergunningen en door een terreinbezoek.
6.5.1 Lozingen Waterbodemverontreiniging ontstaat vaak door lozingen. U brengt deze lozingen in kaart, waarbij u een onderscheid maakt tussen: industriële en huishoudelijke lozingen; historische en actuele lozingen. Deze informatie is belangrijk om de onderzoeksstrategie te bepalen en om juridische redenen.
pagina 22 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
U bepaalt de mogelijke impact van de lozingen op de kwaliteit van een waterloop en de waterbodem op basis van het debiet, de frequentie van lozing, de aard van de geloosde stoffen, het debiet van de waterloop, ...
Lozingen van huishoudelijk afvalwater versus bedrijfsafvalwater Het VLAREM maakt onderscheid tussen huishoudelijk afvalwater, koelwater en bedrijfsafvalwater (bron: www.vmm.be/water/afvalwater/soorten). Het lozen van huishoudelijk afvalwater is in principe niet gebonden aan een omgevingsvergunning als het afkomstig is van woongelegenheden. Voor lozingspunten van huishoudelijk afvalwater maakt u onderscheid tussen individuele lozingspunten en collectieve lozingspunten. Koelwater is niet in aanraking gekomen met verontreinigende stoffen. Bedrijfsafvalwater is alle afvalwater dat niet voldoet aan de definitie van huishoudelijk afvalwater of koelwater. Als huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater samen geloosd worden, wordt het beschouwd als bedrijfsafvalwater. Voor bedrijfsafvalwater onderscheidt u bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen en bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen. Wat gevaarlijke stoffen zijn, vindt u als bijlage 2C bij titel I van het VLAREM. Het indelingscriterium GS bepaalt vanaf welke concentratie u afvalwater beschouwt als bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen. Als de concentratie van gevaarlijke stoffen hoger is dan het indelingscriterium GS, is een bedrijf vergunningsplichtig voor die parameter. De indelingscriteria vindt u in de tabel van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het VLAREM. Ook gevaarlijke stoffen zonder indelingscriterium worden opgenomen in de vergunning, als ze relevant zijn voor het geloosde afvalwater. Onderzoek aan de lozingspunten is enkel nodig wanneer er aanwijzingen zijn dat er (bedrijfs)afvalwater met gevaarlijke stoffen wordt of werd geloosd. Het is belangrijk ook de lozing van niet-verontreinigd water in de waterloop te inventariseren omdat die mee het debiet van de waterloop bepaalt en dus ook de verdunning van eventuele verontreiniging. Historische versus actuele lozingen Niet alleen actuele lozingen zijn belangrijk. Vooral historische lozingen, rechtstreeks in de waterloop of bijvoorbeeld via oude grachtensystemen, kunnen een invloed hebben gehad op de waterbodemkwaliteit. Vermits verontreiniging in een waterbodem gedurende lange tijd geadsorbeerd kan blijven, is het dus mogelijk dat een lozing van tientallen jaren geleden nog steeds sporen nalaat in de waterbodem.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 23 of 69
U verzamelt de gegevens over de historische en actuele lozingen in de betreffende waterloop en onderscheidt: lozingspunten van huishoudelijk afvalwater met een aanzienlijke vuilvracht (> 50 IE, indicatief); lozingspunten van industrieel afvalwater; andere verontreinigde grachten of waterlopen die samenvloeien met de te onderzoeken waterloop; iedere andere toevoer van verontreinigingen (bijvoorbeeld sluikstorten). Hotspotstudie waterbodemverontreiniging De studie ‘Waterbodem – speerpunten voor waterbodemonderzoek‘ (hotspotstudie) geeft een lijst van risicoinrichtingen die een grote kans hebben om waterbodemverontreiniging te veroorzaken. Ze geeft ook per inrichting de verdachte stoffen relevant voor onderzoek van de waterbodem (prioritaire stoffen). U vindt deze studie op de website van de OVAM (www.ovam.be). IMJV-databestand Bedrijven die conform VLAREM over een J-type vergunning beschikken of vergunningsplichtig zijn als klasse 1 of 2 én boven de drempelwaarde emitteren, zijn verplicht om bepaalde milieurelevante informatie aan de Vlaamse overheid te bezorgen. Daardoor beschikt de VMM over een uitgebreid databestand van verontreinigende stoffen die de (rapporteringsplichtige) bedrijven uitstoten naar water en lucht. Deze gegevens kunt u raadplegen op https://www.vmm.be/data/imjv-databestand/imjv
6.5.2 Activiteiten op of nabij het water U inventariseert VLAREBO- en VLAREM-activiteiten die worden en werden uitgeoefend op de gronden die aan de waterloop grenzen (inclusief op- en overslag). U vraagt de huidige en voormalige vergunningen op bij de gemeente. U maakt ook een overzicht van relevante calamiteiten op de oever of in de waterloop. U schat de kans in op waterbodemverontreiniging en bepaalt de verdachte stoffen die voor de waterbodem relevant zijn. U raadpleegt hiervoor de hotspotstudie.
6.5.3 Verspreiding van een verontreiniging van de landbodem of via de waterloop Verspreiding verontreiniging van de landbodem U brengt potentiële verontreinigingsbronnen en bodemverontreinigingen op de oever in kaart. U besteedt extra aandacht aan teer- of PAK-verontreiniging op het land. Puur product van deze verontreiniging kan in de onderliggende lagen of in het sediment voorkomen en zichtbaar worden in de vorm van teerbubbels in het water.
pagina 24 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Figuur 4: Procesvorming teerbubbels - conceptueel model van de migratie van NAPL. Merk op dat er ook gasvorming kan ontstaan door biodegradatie van een ander organisch materiaal in het sediment, en niet enkel door afbraak van NAPL
Figuur 5: Teerbubbels en vlekken nabij voormalige gasfabriek
Verspreiding vanuit het watersysteem Ook in de waterloop zelf kan (historische) verontreiniging zich vanaf een bepaald punt stroomafwaarts verspreiden, via het water en via sedimenttransport.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 25 of 69
6.5.4 Diffuse bronnen Verhoogde concentraties aan polluenten in de waterbodem kunnen het gevolg zijn van niet-puntgebonden verontreinigingsbronnen, zoals: atmosferische depositie; landbouw; run-off van wegen; materiaal dat gebruikt is in de omgeving van de waterloop (beschoeiingen, kunstwerken, …); anti-fouling van schepen; algemeen voorkomende verontreiniging (zoals zware metalen, minerale olie, …). Deze bronnen zijn moeilijker te identificeren en te controleren.
6.6 BESCHIKBARE ONDERZOEKEN U verzamelt alle informatie die er beschikbaar is over de kwaliteit van: de waterbodem; het oppervlaktewater; het zwevende stof; de organismen die in de waterloop voorkomen. Raadpleeg hiervoor monitoringsgegevens, gegevens over afperking van bodemverontreiniging die zich verspreid heeft tot in de waterloop, Triade-onderzoek, MMIF, gegevens over de Visindex. U vindt deze gegevens onder meer in de waterbodemverkenner. U raadpleegt ook uitgevoerde oriënterende bodemonderzoeken, beschrijvende bodemonderzoeken, waterbodemonderzoeken, bodemsaneringsprojecten en technische verslagen van terreinen uit de directe omgeving. Wanneer u analyseresultaten gebruikt uit andere onderzoeken of voorgaande fases, controleert u of deze gegevens nog representatief zijn: U beantwoordt daarvoor de volgende vragen: Zijn de analyseresultaten nog actueel? • Is het sediment nog aanwezig (op basis van gegevens over ruimen en baggeren)? • Is er nieuwe aanrijking mogelijk door lozing, bijkomende sedimentatie,…? • ... Hoe werd het staal bemonsterd? • Wat is het type van techniek? • Gaat het over een puntstaal of een mengstaal en welke zone werd bemonsterd en op welke diepte? • Welke laag werd bemonsterd? (het sediment? het vaste deel van de waterbodem?...) • Wat was de doelstelling van het onderzoek? U toetst de stalen aan de normen of toetsingswaarden die van toepassing zijn in uw onderzoek. Wanneer de analyseresultaten niet (meer) representatief zijn voor de feitelijke toestand op het terrein, dan beschouwt u deze analyseresultaten enkel als indicatief. Zijn ze dat wel, dan neemt u ze op in het onderzoek.
pagina 26 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Door de grote heterogeniteit en de dynamiek van een waterloop is de kans groot dat de eerdere resultaten niet meer representatief zijn. Ze zijn wel nog bruikbaar om de historiek van de verontreiniging of historische verontreiniging in kaart te brengen.
6.6.1 Kwaliteit van de waterbodem 6.6.1.1 Triade-kwaliteit Het triade-concept combineert drie onderdelen voor de karakterisatie van waterbodems: fysicochemie, ecotoxicologie biologie. Met het triade-concept wordt een eerste ecologisch oordeel gevormd over de kwaliteit van de waterbodem. De kwaliteit van de waterbodem wordt vergeleken met een referentiebodem die de natuurlijke toestand benadert. Hoe meer de bevindingen afwijken van de referentiebodem, hoe slechter de waterbodemkwaliteit. Dit eerste oordeel kan een aanzet zijn voor diepgaander onderzoek of bescherming van de waterbodem of vormt een aanwijzing voor een al dan niet ernstige bedreiging voor het ecosysteem. De VMM hanteert de triade-methodiek voor het monitoren van de kwaliteit van waterbodems. Het meetnet bestaat uit een 600-tal locaties die sinds 2000 één maal om de 4 jaar worden geanalyseerd. In 2008 werd het aantal locaties per cyclus teruggebracht naar 300 meetplaatsen. Sinds 2016 wordt een 6-jarige cyclus aangehouden. Voor meer informatie met betrekking tot de Triade karakterisatie van de waterbodem wordt verwezen naar Bijlage 5: Triade kwaliteit waterbodem. Meer informatie vindt u ook in het ‘jaarverslag water’ van VMM en het ‘Handboek voor de karakterisatie van de bodems van de Vlaamse waterlopen volgens Triade’. Beoordelingscomponenten Fysicochemie Ecotoxicologie
Beoordelingstechnieken
Geef informatie over
Fysische en chemische analyse van het sediment
Bodemtype – aanwezigheid van specifieke toxische stoffen en verontreinigingsgraad
Toxiciteitstesten: Laboratoriumtesten (bioassys)
Potentiële toxiciteit van de aanwezige verontreiniging Informatie is niet stofspecifiek Doorvergiftigingsrisico en biologische beschikbaarheid van specifieke stoffen Actuele ecologische kwaliteit Informatie is niet stofspecifiek
Bioaccumulatietesten: actief en passief Biologie
Analyse van de samenstelling en abundanties van de levensgemeenschap in en op waterbodem
Tabel 6: Waterbodemkwaliteit volgens de Triade-methode (bron: VMM)
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 27 of 69
U vraagt de gegevens van de relevante meetpunten uit de VMM-waterbodemdatabank op (www.vmm.be). U verzamelt ook andere relevante triade-gegevens als ze beschikbaar zijn http://geoloket.vmm.be/Geoviews/map.phtml. 6.6.1.2 Fysicochemische waarden Een triadekwaliteit met score 3 of 4 is een indicatie voor een ernstige verontreiniging of vermindering van de ecologische kwaliteit van de waterbodem. Een hoge fysicochemische waarde is enkel een indicatie van een potentieel risico. Van de meeste waterlopen zijn er fysicochemische gegevens beschikbaar. Deze gegevens zijn bijvoorbeeld verzameld in het kader van ruimingswerken. 6.6.1.3 Waterbodemopbouw U verzamelt ook gegevens over de opbouw van de waterbodem, als ze beschikbaar zijn: boorprofielen van de waterbodem; boorprofielen van de diepere lagen; heterogeniteit in waterbodemopbouw; …
6.6.2 Oppervlaktewaterkwaliteit De oppervlaktewaterkwaliteit wordt beschreven op basis van de fysicochemische, biologische en bacteriologische (zwem) waterkwaliteit. 6.6.2.1 Fysicochemische kwaliteit In de monitoring van de fysicochemische kwaliteit van oppervlaktewater analyseert de VMM op alle meetplaatsen een basispakket aan parameters: watertemperatuur; concentratie aan opgeloste zuurstof (O2); zuurtegraad (pH); chemisch zuurstofverbruik (CZV); ammoniakale stikstof (NH4+-N); nitriet (NO2--N); nitraat (NO3--N); totaal orthofosfaat (o-PO4----P); totaal fosfor (Pt); chloride (Cl-); geleidingsvermogen (EC).
pagina 28 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Op een aantal geselecteerde meetplaatsen worden ook de volgende parameters bepaald: biochemisch zuurstofverbruik (BZV); Kjeldahl-stikstof (Kj-N); sulfaat (SO4--); totale hardheid; gehalte aan zwevende stoffen (ZS); zware metalen. Voor specifieke doeleinden wordt het basispakket nog aangevuld met andere parameters. Een belangrijke parameter voor de bespreking van de waterkwaliteit is de opgeloste zuurstof. Een voldoende hoge concentratie aan opgeloste zuurstof is van zeer groot belang voor het leven in het water en speelt een grote rol in zelfzuiverende processen van de waterloop. Voor de beoordeling van de waterkwaliteit wordt de Prati-index voor zuurstofverzadiging (PIO) gebruikt. Deze index krijgt een slechte score bij lage zuurstofconcentraties. De resultaten krijgen volgende beoordeling: PIO 0 – 1 PIO > 1 – 2 PIO > 2 – 4 PIO > 4 – 8 PIO > 8 – 16
Klasse 1 Klasse 2 Klasse 3 Klasse 4 Klasse 5
Niet verontreinigd Aanvaardbaar Matig verontreinigd Verontreinigd Zwaar verontreinigd
Tabel 7: Prati-index
6.6.2.2 Biologische kwaliteit Het VMM-oppervlaktewatermeetnet meet ook de biologische kwaliteit. Hiervoor werd (naar analogie met indices in andere Europese landen) de Belgisch Biotische Index (BBI) uitgewerkt, die varieert van 0 tot 10. Aanvullend wordt ook met de Multimetrische Macro-Invertebratenindex Vlaanderen gewerkt. Deze index beoordeelt de macro-invertebraten in rivieren en meren volgens de Europese kaderrichtlijn Water op basis van vijf criteria. Deze criteria zijn een maat voor de diversiteit, samenstelling, omvang en tolerantie van de populatie. De eindbeoordeling is een biotische indexwaarde tussen 0 en 1. Een hoge index wijst op een zeer goede ecologische status. Dit meetnet wordt onderhouden door de VMM. BBI 9 - 10 7-8 5–6 3–4 1–2 0
Zeer goed Goed Matig Slecht Zeer slecht Uiterst slecht
Tabel 8: Belgisch biotische index
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 29 of 69
De BBI evalueert de kwaliteit van een waterloop als biotoop. De BBI integreert twee factoren: de aan- of afwezigheid van verontreinigingsgevoelige macro-invertebraten en de diversiteit, met name het totaal aantal verschillende aangetroffen soortengroepen. Bron: VMM-biologisch meetnet (www.vmm.be) 6.6.2.3 Palingpolluentenmeetnet Het palingpolluentenmeetnet werd uitgevoerd tussen 1994 en 2001. U vindt het rapport van deze studie op https://www.vlaanderen.be/publicaties/het-vlaamse-palingpolluentenmeetnet-1994-2001-gehalten-aanpolychloorbifenylen-organochloorpesticiden-en-zware-metalen-in-paling. Het palingpolluentenmeetnet moest inzicht geven in de verontreinigingstoestand van de Vlaamse oppervlaktewaters via metingen op paling. Op een beperkt aantal plaatsen werden ook andere vissoorten gebruikt. De vis werd geanalyseerd op: een tiental PCB-congeneren; een tiental zware metalen; een aantal organochloorpesticiden. Er wordt een onderscheid gemaakt in 4 klassen: Klasse 1: niet afwijkend tegenover de referentietoestand. Klasse 2: licht afwijkend tegenover de referentietoestand. Klasse 3: afwijkend tegenover de referentietoestand. Klasse 4: sterk afwijkend tegenover de referentieklasse. Bron: INBO Het palingpolluentenmeetnet wordt niet meer gebruikt. De resultaten van deze studies kunnen echter wel nuttige gegevens bevatten over de historiek van de waterloop. In 2001 startte het INBO met een overkoepelend meetnet: het vismeetnetwerk. De resultaten van de studies vindt u hier: https://www.inbo.be/nl/thema/beleid/meetnetten/vismeetnetwerk. Via het vismeetnet verzamelt het INBO jaarlijks de nodige data om aan beide Europese rapportageverplichtingen te voldoen. Daarnaast heeft de VMM ook een biotameetnet uitgewerkt. Op een beperkt aantal meetplaatsen wordt in baars of paling gemeten volgens de richtlijnen van de Kaderrichtlijn water. 6.6.2.4 Meetnet zoetwatervis (VIS informatiesysteem of VIS-index) Het meetnet zoetwatervis (INBO) onderzoekt geregeld op een 900-tal plaatsen welke soorten vis er in welke aantallen aanwezig zijn. Ook het gewicht en de lengte van de vissen wordt gemeten. Bron: INBO http://vis.milieuinfo.be/
pagina 30 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Het rapport ‘Visbestandopnames in Vlaamse beken en rivieren in het kader van het 'Meetnet zoetwatervis' 2010’ (link https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/visbestandopnames-in-vlaamse-beken-enrivieren-in-het-kader-van-het-meetnet-zoetwatervis-2010) bevat de gegevens van de bemonsteringen uitgevoerd in 2010 in het kader van het ‘Meetnet Zoetwatervis’ op Vlaamse beken en rivieren. In totaal werden 247 locaties bevist, verspreid over elf bekkens. Elke gevangen vis werd op soort gebracht, gemeten, gewogen en teruggezet. Ook werden enkele fysische en chemische parameters genoteerd. 6.6.2.5 Kwaliteit zwevende stof Met een centrifuge wordt uit een grote hoeveelheid water het zwevend materiaal geconcentreerd. Dit geeft een momentopname van de kwaliteit. Door dit regelmatig te herhalen kan een veel grotere temporele variatie gevolgd worden. De resultaten van de zwevend stof analyses zijn nog niet raadpleegbaar via de website van de VMM, maar kunnen opgevraagd worden bij de VMM.
6.6.3 Bodemkwaliteit van oevers en overstromingsgebieden Verontreiniging van de waterbodem en het oppervlaktewater verspreidt zich ook door overstromingen, op oevers en in overstromingsgebieden. Vroeger werd ook verontreinigde ruimingsspecie op de oever gedeponeerd. Zoals eerder gezegd, kunnen verontreinigingen van de landbodem zich ook verspreiden naar de waterloop en de oevers. Informatie over relevante bodemonderzoeken en saneringen vindt u in het geoloket van de OVAM (http://services.ovam.be/geoloket/). U kan de rapporten opvragen bij de OVAM. Besteed bij het bestuderen van deze rapporten ook voldoende aandacht aan voormalige activiteiten waaraan lozingen gekoppeld waren.
6.7 TERREINBEZOEK U voert het terreinbezoek uit nà het (historisch) onderzoek, zodat u vooraf weet welke plaatsen extra aandacht verdienen. Tijdens het terreinbezoek brengt u de kenmerken van de waterloop, de oevers en de onmiddellijke omgeving in kaart. U controleert op potentiële verontreinigingsbronnen, onder meer: de huidige en voormalige lozingspunten; de activiteiten op de oever; de mogelijkheid tot run-off. U voert een visuele controle uit van het lozingspunt en het traject naar het lozingspunt. Als indirect geloosd wordt of werd via een open gracht, controleert u die ook visueel.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 31 of 69
U beschrijft de omgevingskenmerken van de waterloop in de buurt van het lozingspunt en stroomopwaarts en stroomafwaarts van het lozingspunt indien dit relevant is voor het onderzoek. U schenkt in het bijzonder aandacht aan aanwijzingen voor oeverdeponie. Let ook op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen en andere bodemvreemde materialen. Bij twijfel over de aanwezigheid van asbest neemt u een materiaalmonster voor visuele controle op aanwezigheid van asbest. Neem foto’s van het lozingstraject, kenmerkende situaties en andere relevante waarnemingen op in het rapport. Op basis van de voorstudie en uw waarnemingen tijdens het terreinbezoek, selecteert u de meest verdachte locatie(s) voor staalname van de waterbodem en oevers.
6.8 TYPE WATERLOOP De bemonsteringsstrategie zal onder meer afhankelijk zijn van het type waterloop: onbevaarbare (lineaire) waterlopen: 1ste, 2de en 3de categorie en niet-geklasseerde waterlopen met relevant debiet; bredere (niet-lineaire) wateroppervlakken, al dan niet met stilstaand water: vijvers, poelen, wachtbekkens,… en ook verbredingen van de waterlopen zoals zandvangen of sedimentvangen; grachten en niet-geklasseerde waterlopen zonder relevant debiet: baangrachten, perceelsgrachten, … bevaarbare waterlopen. Niet-geklasseerde waterlopen met een relevant debiet, behandelt u op dezelfde manier als geklasseerde waterlopen. Niet-geklasseerde waterlopen zonder relevant debiet en grachten maken ook deel uit van het hydrografisch netwerk. Ze staan al dan niet in verbinding met grotere waterlopen. Ze kunnen stilstaand of stromend water bevatten. Ze onderscheiden zich van geklasseerde waterlopen doordat ze regelmatig droog komen te staan. Lozingspunten op een gracht hebben vaak een beperkte vuilvracht en eventuele waterbodemverontreiniging blijft vaak lokaal. Niet-geklasseerde waterlopen met een ‘grachtenkarakter’, onderzoekt u als een gracht. Bredere (niet-lineaire) wateroppervlakken zijn stilstaande wateren (zoals vijvers en poelen) en verbredingen van de waterlopen (zoals zandvangen).
pagina 32 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
6.9 BEMONSTERINGSSTRATEGIE Op basis van de verontreinigingshypothese stelt u een strategie op voor het veld- en laboratoriumonderzoek.
6.9.1 Afbakening van het gebied waar het onderzoek is uitgevoerd U voert een decretaal waterbodemonderzoek uit? Leg dan in de prioriteitenlijst vast welke waterloop of welke segmenten van de waterloop u onderzoekt. U onderzoekt de waterbodem in een oriënterend bodemonderzoek? Baken de onderzoekslocatie af op basis van de kadastrale grenzen van één of meerdere kadastraal genummerde percelen. Is het onderzoek van de waterbodem of de oevers gerelateerd aan een lozingspunt? Neem dan de waterloop waarin geloosd wordt en het stroomafwaartse deel van de waterloop ook op in het gebied waar het onderzoek is uitgevoerd
6.9.2 Bemonsteringsstrategie voor onderzoek aan lozingspunten Is de ligging van het lozingspunt of de lozingspunten gekend? Voorzie minimaal deze staalnames: één clusterstaal van de waterbodem aan de stroomafwaartse kant van elk lozingspunt; één clusterstaal van de waterbodem stroomafwaarts van elk lozingspunt op de meest relevante plaats (onder meer waar accumulatie van sediment verwacht wordt). Als de lozingspunten dicht bij elkaar liggen dan kan één stroomafwaarts staal van de waterbodem volstaan voor meerdere lozingspunten. Het is aangeraden dat u ook stroomopwaarts een staal voorziet als er aanwijzingen zijn dat de waterloop stroomopwaarts verontreinigd is. Is de ligging van het lozingspunt of de lozingspunten niet gekend? Voorzie dan minimaal de volgende staalnames: Een clusterstaal of clusterstalen van de waterbodem in de zone van elk vermoedelijk lozingspunt volgens tabel 9. U deelt het traject in evenredige delen in. Per deel neemt u een clusterstaal op de meest relevante plaats (de zone met de meeste sedimentatie); Eén clusterstaal stroomafwaarts van de zone van elk vermoedelijk lozingspunt op de meest relevante plaats (onder meer waar accumulatie van sediment verwacht wordt). Neem ook een staal van de talud als u (zichtbaar) versmering van verontreiniging vaststelt langs de talud.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 33 of 69
L (m)2 0-10 m 10-50 m 50-100 m 100-200 m 200-400 m 400-700 m 700-1000 m >1000 m
N3 1 2 3 4 5 6 7 U beslist zelf
Tabel 9: Onderzoeksstrategie voor onderzoek van de waterbodem waarbij de ligging van de lozingspunten niet gekend is
U bemonstert telkens het sediment en het onderliggende vaste deel van de waterbodem.
6.9.3 Te onderzoeken parameters en aantal te analyseren stalen U analyseert alle stalen op: Het standaardanalysepakket waterbodem: • zware metalen (As, Cd, Cr, Cu, Hg, Pb, Ni en Zn); • minerale olie; • polychloorbifenylen (PCB’s); • Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s); • Organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s); • klei, organisch materiaal en pH-KCl; De relevante verdachte stoffen voor waterbodem op basis van de huidige en voormalige risico-activiteiten.
6.9.4 Bemonstering en analyses als niet op de onderzoekslocatie kan geboord worden Is het niet mogelijk om een waterbodemstaal te nemen in het te onderzoeken gebied? Doe dan de nodige inspanningen om een zo representatief mogelijk staal te nemen van de waterbodem via inspectieputten, oeverstaal, …. Uiteraard moet de veiligheid van de monsternemer gegarandeerd blijven.
6.9.5 Bemonstering van diepere lagen Historische lozingen kunnen verontreiniging hebben veroorzaakt die inmiddels is afgedekt door minder of niet verontreinigd sediment. In dat geval beschouwt u de diepere sedimentlaag als de meest verdachte laag. Ook bij historische ruimingen houdt u er rekening mee dat diepere lagen van oeverdeponie meer verdacht kunnen zijn dan de oppervlakkige lagen.
2 3
L is de lengte langsheen het oppervlaktewater waar mogelijk lozingspunten gesitueerd zijn of waren N is het aantal clusterstalen van de waterbodem
pagina 34 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
7 BEMONSTERING EN ANALYSE 7.1 BEMONSTERING U heeft de toelating van de waterloopbeheerder nodig om de waterbodem te mogen bemonsteren. In de bijlage 3 vindt u de contactgegevens van de waterloopbeheerders. U gebruikt daarvoor het standaarddocument als bijlage 4.
7.1.1 Bemonstering van de waterbodem Afhankelijk van de doelstelling van het onderzoek van de waterbodem, neemt u puntstalen, clusterstalen of mengstalen. Hiervoor verwijzen we ook naar het CMA: CMA/1/A.4. 7.1.1.1 Puntstaal Bij vermoeden of kennis van een probleem met vluchtige parameters (VOS) neemt u het staal op de meest verdachte locatie. In dit geval is het aangewezen om meerdere puntstalen te nemen voor analyse op de vluchtige parameter(s). Een mengmonster is in dit geval niet representatief. Een puntstaal bestaat uit slechts één greep. U vult het recipiënt volledig met zo weinig mogelijk handelingen. U duidt de monsternamelocatie aan op het monsternameformulier. 7.1.1.2 Clusterstaal U verzamelt clusterstalen: om de invloed van verdachte punten zoals lozingspunten na te gaan; voor de afbakening van verontreinigingen.
De bemonsteringsplaats bepalen U heeft op basis van de voorstudie en het terreinbezoek een inschatting gemaakt van de meest verdachte locaties. Met een peilstok kunt u op het terrein de dikte van het sediment verifiëren. Het is echter niet altijd zo dat de meeste verontreiniging wordt aangetroffen waar het meeste sediment te vinden is. Aan het lozingspunt wordt door het effect van de lozing zelf geen sedimentatie verwacht. Afhankelijk van het debiet van de lozing en de kenmerken van de waterloop bemonstert u minimum één tot vijf meter van het lozingspunt af. Is de ligging van het lozingspunt of de lozingspunten niet gekend? Deel het te onderzoeken traject op in evenredige delen. In elk van het deel wordt een clusterstaal genomen in de zone met de meeste sedimentatie.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 35 of 69
Als de waterloop recent geruimd of gebaggerd is, kan de meest relevante zone niet meer nagegaan worden door middel van een peilstok. De meest relevante plaats voor bemonstering schat u dan in aan de hand van de kenmerken van de waterloop, de input van de waterloopbeheerder en het onderzoek van de waterbodem dat is uitgevoerd in het kader van de ruiming of de baggerwerken. U neemt een staal van het resterende sediment of van het vaste deel van de waterbodem in die zone. Ga ook na of er stroomafwaarts nog verontreinigd sediment aanwezig is en neem eventueel ook hier een staal. In onderzoek van waterbodem gerelateerd aan de lozingspunten zijn ook deze staalnames zinvol: Een stroomopwaarts staal om een mogelijke aanrijking of verontreiniging stroomopwaarts te detecteren. Bemonstering van meerdere lagen afzonderlijk om een beter beeld te krijgen over de verdachte laag. Neem dan zeker een staal van de bovenste 20 cm van het sediment. Een staal voor afperking in de diepte: 0,5 m onder de verdachte laag. …
Staalname U voegt minimum zes deelmonsters samen tot een clusterstaal. U verzamelt de deelmonsters in een zone van twee op twee meter rondom het staalnamepunt. U voegt ze samen tot een staal van minimum tien liter sediment. U meet de locatie van het centrale staalnamepunt in en duidt die aan op het monsternameformulier. De staalname voldoet aan deze voorwaarden: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
u bemonstert de volledige dikte van het sediment; u neemt minimum 1 monster per halve meter (vanaf de bovenkant waterbodem); u bemonstert verschillende grondsoorten apart; u bemonstert verschillende waarneembaar verontreinigde lagen apart; u bemonstert sediment en het vaste deel van de waterbodem apart; op basis van de historiek en de verwachte diepte van de meest verdachte laag, deelt u de sedimentlaag op.
7.1.1.3 Mengstaal U neemt mengstalen voor: partijkeuringen voor de opmaak van een technisch verslag voor bagger- en ruimingsspecie; onderzoek naar de globale toestand van het sediment.
Deellocaties Op basis van het verwachtingspatroon van de verontreinigingssituatie, kunt u de onderzoekslocatie opsplitsen in deellocaties waarvan u inschat dat de waterbodem een gelijke chemische kwaliteit heeft. Voor geïsoleerde waterpartijen zoals vijvers of poelen kunt u de bemonsteringszones willekeurig indelen.
pagina 36 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Voor geklasseerde waterlopen voorziet u bemonsteringszones loodrecht op de stromingsrichting van de waterloop. Voor grote wachtbekkens kunnen de verschillende deellocaties een verschillende waterbodemkwaliteit vertonen. Grachten en niet-geklasseerde waterlopen zonder relevant debiet vormen een netwerk van relatief kleine “waterloopjes” die samen tientallen kilometers te ruimen trajecten kunnen vertegenwoordigen. U bemonstert ze als een netwerk van grachten. Als er aanwijzingen zijn dat de waterbodem van een bepaalde gracht een andere samenstelling heeft dan de rest van het stelsel (door bijvoorbeeld lozingen van niet huishoudelijk afval), bemonstert u deze als individuele gracht.
Monsternamepatroon Een mengstaal (veldmonster) stelt u samen uit meerdere grepen, volgens een systematisch spreidingspatroon in de te bemonsteren zone. U zorgt voor een representatief staal door zowel de snel stromende zones (minder fijn materiaal, te verwachten verontreiniging kleiner), als traag stromende zones (meer fijn materiaal, te verwachten verontreiniging groter) te bemonsteren. U let er op dat u deelmonsters met afwijkende zintuiglijke vaststellingen niet mengt met andere deelmonsters. De afwijkende deelmonsters worden ook apart geanalyseerd. Onbevaarbare lineaire waterlopen tot 30 m breedte en grachten deelt u op in bemonsteringszones van 50 meter lengte. U meet de locatie van het beginpunt en het eindpunt van de bemonsteringszone. U verspreidt de grepen over een zigzag-patroon (minimaal “M” of “W”) van oever tot oever. U vindt een illustratie van het monsternamepatroon en de uitzetting van de deelmonsters in figuur 6.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 37 of 69
Figuur 6: Spreidingspatroon in lineaire waterlopen (tot 30m breedte) en grachten met resp. 15 à 20 grepen en 6 grepen (enkel voor Van Veen grijper 6 liter)
Voor brede niet-lineaire wateroppervlakken en lineaire waterlopen breder dan 30 meter verdeelt u de grepen over een raster met grids. De grids worden evenredig verdeeld over het raster (= hectarezone). In het midden van elk grid neemt u een greep. U vindt een illustratie van het monsternamepatroon en de uitzetting van de deelmonsters in figuur 7.
pagina 38 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Figuur 7: Spreidingspatroon in rasten voor niet-lineaire wateroppervlakken en lineaire waterlopen > 30m breedte (resp. grid 3 x 3 en grid 5 x 3).
7.1.2 Bemonstering van de oevers en overstromingsgebieden U bakent de zone(s) af die u onderzoekt. Voorbeelden zijn: een smalle oeverstrook; de oeverwal; zone waar oeverdeponie aanwezig is; overstromingsgebied; taluds; winterbedding; …
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 39 of 69
Voor de bemonstering van een oeverstrook kan een lineair traject van boringen langs de waterloop volstaan. Voor de overstromingsgebieden werkt u in raaien loodrecht op de waterloop. De stalen op de oevers en in overstromingsgebieden neemt u volgens gelaagdheid tot minstens 0,5 m onder de meest verdachte laag. Als u visueel geen geroerde toplaag onderscheidt, neemt u een afzonderlijk staal van de toplaag van 30 cm.
Veldregistratie Tijdens het veldwerk noteert u minimaal een aantal veldwerkgegevens. U gebruikt daarvoor het invulformulier als Bijlage 6: Veldregistratie. Neem ook alle organoleptische waarnemingen vastgesteld tijdens het veldwerk op in de rapportage. Rapporteer ook andere waarnemingen die een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van waterbodemverontreiniging.
7.2 ANALYSES Door het hoge organische stofgehalte zijn er specifieke analytische vereisten voor slibachtig materiaal. Zorg voor een duidelijk onderscheid met gewone bodemstalen. Lever alle materialen die onder de definitie ‘waterbodem en onbehandelde bagger- en ruimingsspecie’ vallen aan als matrix ‘waterbodem’ bij het laboratorium.
pagina 40 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
8 INTERPRETATIE EN EVALUATIE U interpreteert de analyseresultaten. Hou daarbij rekening met de geldende procedures voor het onderzoek dat u uitvoert.
8.1 TE HANTEREN TOETSINGSWAARDEN In het kader van hergebruik van bagger- en ruimingsspecie toetst u de visuele vaststellingen (bodemvreemde materialen en stenen) en de chemische analyseresultaten aan de voorwaarden voor gebruik van bodemmaterialen. Andere waterbodemresultaten toetst u aan de triggerwaarde. Dit geldt zowel voor de sedimentlaag als voor het vaste deel van de waterbodem. De triggerwaarden vindt u als Bijlage 7: Overzicht triggerwaarden. Achtergrondinformatie hierbij vindt u in de studie ‘Sediment triggerwaarden voor verder onderzoek’, opgemaakt door de Universiteit Antwerpen. Deze studie vindt u op de website van de OVAM (www.ovam.be). Bij overschrijding van de triggerwaarde voert u een toetsing Duidelijke Aanwijzing voor een Ernstige Waterbodemverontreiniging (DAEW) uit volgens hoofdstuk 9. Waar de bodem zijn functie als landbodem vervult, toetst u de analyseresultaten aan de bodemsaneringsnorm. De talud beschouwt u als waterbodem. De oever van de waterloop is ‘landbodem’.
8.2 MENGSTALEN EN CLUSTERSTALEN U moet voor mengstalen en clusterstalen van waterbodem geen verrekening doen voorafgaand aan de toetsing aan de triggerwaarde.
8.3 INTERPRETATIE U gaat na of de resultaten representatief zijn en voldoen aan uw verwachtingen. U stelt zichzelf hiervoor de volgende vragen: Is het sediment afkomstig van een zone waar het verontreinigd sediment zich accumuleert of is er kans dat het afkomstig is van een geërodeerde zone? Is de zone waaruit het monster werd genomen voldoende representatief om de beïnvloeding van het lozingspunt in beeld te brengen? Was het technisch mogelijk om het sediment te onderscheiden van de onderliggende vaste waterbodem of werd een mengstaal van beide lagen gemaakt? … Op basis van deze evaluatie, de toetsing van de analyseresultaten aan de triggerwaarden en de eventuele uitkomst van de methodiek ‘DAEW’, schrijft u uw besluit.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 41 of 69
9 DUIDELIJKE AANWIJZING VOOR ERNSTIGE BODEMVERONTREINIGING WATERBODEM (DAEW) U doorloopt deze methodologie als in de verkennende fase een overschrijding van de triggerwaarde wordt vastgesteld voor één of meerdere parameters. Ook als er een verhoogde waarde (hoger dan detectielimiet) wordt vastgesteld voor een parameter waarvoor er geen triggerwaarde beschikbaar is, past u deze methodologie toe.
9.1 STROOMSCHEMA De toetsing wordt weergegeven in tabel 10. Ze bestaat uit vier grote blokken: Blok 1: verontreiniging; Blok 2: landgebruik; Blok 3: verspreiding; Blok 4: andere criteria. Per blok toetst u aan verschillende beslissingscriteria. Deze criteria worden verder in detail toegelicht. Tijdens het doorlopen van de verschillende blokken maakt u een evaluatie van de waterbodemverontreiniging op basis van de gemeten concentraties, de kenmerken van de plaats waar de verontreiniging is vastgesteld en het risico op verspreiding van de verontreiniging. In blok 4 kunt u nog andere aanwijzingen in rekening brengen. U kent een score toe aan elk criterium. De score is een maat voor de ernst van de waterbodemverontreiniging. Na het doorlopen van de toetsing, maakt u de som van de scores: Bij een som < 250, is er geen DAEW als gevolg van de waterbodemverontreiniging; Bij een som ≥ 250, is er een DAEW als gevolg van de waterbodemverontreiniging. Als u na het doorlopen van blok 1 vaststelt dat de som van de scores voor de criteria al groter is dan 350, kunt u beslissen om de overige blokken niet te doorlopen. In dat geval besluit u dat er een DAEW is als gevolg van de waterbodemverontreiniging.
pagina 42 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Tabel 10: Duidelijke aanwijzing voor een ernstige waterbodemverontreiniging
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 43 of 69
9.1.1 Blok 1: Verontreiniging Criterium 1: Hoeveel parameters overschrijden de triggerwaarde? U maakt de som van het aantal parameters dat de triggerwaarde overschrijdt. Dit doet u voor de individuele parameters, niet voor de parametergroepen. Voorbeeld: de concentraties van benzo(a)pyreen, acenafteen, lood en nikkel overschrijden de triggerwaarde. Het antwoord voor criterium 1.1 is 4. Als er geen triggerwaarde beschikbaar is voor de parameter dan vergelijkt u de concentratie in eerste instantie met beschikbare buitenlandse normen, als die beschikbaar zijn. Vermeld in welk land deze norm gehanteerd wordt en wat de bron is van deze waarde. In tweede instantie vergelijkt u de gemeten concentratie met een referentiewaarde, als die beschikbaar is. Een referentiewaarde is de concentratie die op een referentielocatie wordt vastgesteld, bijvoorbeeld stroomopwaarts van de verdachte zone. Ook in dit geval licht u toe hoe u tot deze waarde komt.
Criterium 2: Wat is de hoogste overschrijdingsfactor van de triggerwaarde? Voor elke individuele parameter die de triggerwaarde overschrijdt, bepaalt u de overschrijdingsfactor (OF) als volgt: OF = Ciwb / triggerwaarde waarbij: OF = overschrijdingsfactor Ciwb = maximale gemeten concentratie aan parameter i in de waterbodem De hoogste overschrijdingsfactor is de uitkomst van criterium 1.2. Als er geen triggerwaarde beschikbaar is voor de parameter dan vergelijkt u de concentratie in eerste instantie met buitenlandse normen, als die beschikbaar zijn. Vermeld in welk land deze norm gehanteerd wordt en wat de bron is van deze waarde. In tweede instantie vergelijkt u de gemeten concentratie met een referentiewaarde, als die beschikbaar is. Een referentiewaarde is de concentratie die in op een referentielocatie wordt vastgesteld, bijvoorbeeld stroomopwaarts van de verdachte zone. Ook in dit geval licht u toe hoe u tot deze waarde komt.
9.1.2 Blok 2: Landgebruik Criterium 1: is er een kans op humaan contact met de aanwezige waterbodemverontreiniging? U beoordeelt de kans dat de mens in contact komt met de verontreinigde waterbodem. U evalueert het risico op dermaal contact met de verontreinigde waterbodem (en dus niet met het eventueel verontreinigd oppervlaktewater).
pagina 44 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
U motiveert uw besluit aan de hand van een terreinbezoek, gestaafd met foto’s. U kunt de opdrachtgever of omwonenden aanspreken om de situatie beter te beoordelen. U beoordeelt de kans op humaan contact voor deze zones: het lozingspunt (bronperceel, als dit van toepassing is); de zone waar de waterbodemverontreiniging is vastgesteld; het perceel net stroomafwaarts van het perceel waar de waterbodemverontreiniging is vastgesteld. U gaat na in welke mate deze zones toegankelijk zijn voor mensen, waardoor contact met de waterbodemverontreiniging mogelijk is. U houdt hierbij rekening met de reële situatie. Voorbeeld: er is een verbod op zwemmen, maar de omwonenden weten dat men in de zomer wel zwemt. Dan baseert u uw besluit op het feit dat er gezwommen wordt. U gaat na of: De waterloop gelegen is naast een wandel- of fietspad, in een natuurgebied, of grenst aan een woonzone (of tuinen van huizen); evalueer dan hoe gemakkelijk de waterloop kan betreden worden. Bijvoorbeeld: • Is er een constructie, bijvoorbeeld een reling, aanwezig die de toegang verhindert? • Is er een significant hoogteverschil tussen de oever en de waterloop? • Wat is de hellingsgraad van het talud? Er in de zomer gezwommen wordt in de waterloop en hoe diep het water is. Er gevist wordt op de waterloop, of er andere watersporten uitgeoefend worden (bijvoorbeeld kajak, kano, suppen).
Criterium 2: Wat is het ruimtegebruik ter hoogte van de waterbodemverontreiniging? U bepaalt wat het werkelijke ruimtegebruik is op beide oevers van de waterloop in de zone van de waterbodemverontreiniging en op beide oevers ter hoogte van het aanpalend, stroomafwaarts gelegen perceel (ten opzichte van de waterbodemverontreiniging). U evalueert dit in eerste instantie op basis van het gewestplan. Wanneer uit uw terreinbezoek, of uit gesprekken met de opdrachtgever of omwonenden blijkt dat het reële gebruik afwijkt van het gewestplan, gebruikt u die gegevens in uw beoordeling. Wanneer er in de zone met waterbodemverontreiniging, of onmiddellijk stroomafwaarts ervan gevist of gesport wordt, hanteert u het ruimtegebruik ‘recreatie’.
Criterium 3: Is het gebied waar de waterbodemverontreiniging is vastgesteld, gelegen in een beschermingszone drinkwater oppervlaktewater? U bepaalt of de zone waar waterbodemverontreiniging is vastgesteld of het aanpalende perceel stroomafwaarts in een beschermingszone drinkwater oppervlaktewater ligt. U raadpleegt hiervoor de ‘stroomgebiedsbeheerplannen’.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 45 of 69
Criterium 4: Is het gebied waar de waterbodemverontreiniging is vastgesteld, gelegen in biologisch waardevol gebied? U bepaalt of de zone waar de waterbodemverontreiniging is vastgesteld, of het aanpalende perceel stroomafwaarts in biologisch waardevol gebied gelegen is. U raadpleegt hiervoor de biologische waarderingskaart.
9.1.3 Blok 3: Verspreiding Criterium 1: Is de zone waar de waterbodemverontreiniging is vastgesteld, aangeduid als overstromingsgevoelig gebied? U bepaalt of de zone waar waterbodemverontreiniging is vastgesteld of het aanpalende perceel stroomafwaarts in overstromingsgevoelig gebied ligt. U raadpleegt hiervoor de kaart ‘Overstromingsgevoelige gebieden in Vlaanderen’.
Criterium 2: Werd het verontreinigd sediment op de oever gedeponeerd? U beoordeelt op basis van uw terreinbezoek, gesprekken met de opdrachtgever en omwonenden en historisch onderzoek of er verontreinigd sediment op de oever is gedeponeerd. Als u weet of vermoedt dat er oeverdeponie aanwezig is, kunt u in deze fase de oevers al onderzoeken. De beoordeling van de analyseresultaten voor de oevers, gebeurt volgens de standaardprocedure voor oriënterend bodemonderzoek.
9.1.4 Blok 4: Andere criteria Criterium 1: Er wordt visueel verontreiniging vastgesteld tijdens de bemonstering. Als u tijdens de staalname van de waterbodem visueel verontreiniging vaststelt (bijvoorbeeld een oliefilm, chemische geur, asbestfragmenten), dan verhoogt u de score met ‘+50’.
Criterium 2: Het betreft een kunstmatig waterlichaam. Als de onderzochte waterloop een kunstmatig waterlichaam is (bijvoorbeeld een kanaal, dok, zandwinningsput), verlaagt u de score (-50).
Criterium 3: Er is verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem naar het grondwater vastgesteld. Als er verspreiding van de verontreiniging van de waterbodem naar het grondwater is vastgesteld, verhoogt u de score met ‘+50’.
Criterium 4: In het oppervlaktewater wordt voor dezelfde parameter de milieukwaliteitsnorm (MKN) overschreden. Wanneer er oppervlaktewaterverontreiniging is vastgesteld met dezelfde parameter(s) als in de waterbodem, en de concentraties overschrijden de MKN, verhoogt u de score met ‘+50’. Om dit criterium te beoordelen, raadpleegt u alle beschikbare informatie, zoals de gegevens van de waterloopbeheerder.
pagina 46 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Criterium 5: Andere aanwijzingen We kunnen niet alle criteria voor het bepalen van de DAEW kunnen in een eenvoudige methodologie verwerken. Daarom voegen we het criterium ‘Andere aanwijzingen’ toe. U kan hiervoor de score ‘+50’ of ‘-50’ toekennen. Enkele voorbeelden wanneer u een score ‘+50’ toekent: Het verontreinigd sediment heeft zich stroomafwaarts verspreid en het risico op verspreiding is nog steeds aanwezig. U stelt een zintuiglijk waarneembaar effect vast dat gerelateerd is aan de aanwezige waterbodemverontreiniging. Het oppervlaktewater is verontreinigd en wordt gebruikt als drenk- of sproeiwater. Er staan dieren op de vijfmeterstrook op de oever van de verontreinigde waterloop. Ook andere criteria kunnen leiden tot een score ‘+50’. Wanneer u de score met 50 verhoogt, motiveert u dit. Enkele voorbeelden wanneer u een score ‘-50’ toekent: De verontreiniging is regionaal. De waterbodemverontreiniging is volledig afgeperkt en zeer beperkt in omvang. U heeft gegevens van VMM of een andere waterloopbeheerder waaruit u besluit dat er geen DAEW is; bijvoorbeeld het resultaat van een Triadebeoordeling. Ook andere criteria kunnen leiden tot een score ‘-50’. Wanneer u de score met 50 verlaagt, motiveert u dit.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 47 of 69
DEEL AFPERKENDE FASE In het afperkend onderzoek van de waterbodem brengt u de verontreiniging in de waterloop horizontaal en verticaal in beeld en onderzoekt u de omgeving die door de waterloop kan beïnvloed worden. Dit houdt in: afperking van de verontreiniging stroomopwaarts en stroomafwaarts rekening houdend met geruimde zones en geërodeerde zones; afperking van de verontreiniging in de diepte; controle van het overstromingssediment in de oeverzone en het overstromingsgebied. Als dat relevant is, onderzoekt u ook: de oevers; het grondwater; het zwevend of salterend sediment; het poriewater; de bron van de verontreiniging; de kwaliteit van het oppervlaktewater; … U werkt de onderzoeksstrategie uit op basis van historisch onderzoek en een degelijk terreinbezoek. Hierbij besteedt u bijzondere aandacht aan: de bronnen van verontreiniging: Zijn alle bronnen gekend? grachten in verbinding met de waterloop; oude meanders; …
pagina 48 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
10 VOORSTUDIE U herneemt de voorstudie uit de verkennende fase en vult die aan met de informatie hieronder.
10.1 ALGEMENE KENMERKEN VAN DE WATERLOOP Type Strahler-orde
Relevante beschoeiingen Kwaliteitsdoelstelling van het oppervlaktewater Structuur
Geplande projecten Waterbeheersings- en zuiveringsinfrastructuur Waterhuishouding (incl. stromingspatroon, stroomsnelheid enz.) Hydrologie en hydromorfologie
Korte beschrijving De strahler-orde is een maat voor de vertakkingsgraad van een waterloop. Hoe hoger deze waarde, hoe meer zijlopen er in deze waterloop uitmonden.
Maat voor de morfologische variatie en dus van het zelfreinigend vermogen van een waterloop. De waarde is afhankelijk van de meandering, stroomkuilenpatroon en de aanwezigheid van holle oevers. Zeer waardevol (B1, S1, R1) Waardevol (B2, S2, R2) Matig (B3, S3, R3) Slecht (B4, S4, R4) Zeer slecht (B5, S5, R5) Kanaal (kan) Drooggevallen (polderwaterloop) Geen gegevens (gi) Geplande projecten die een impact kunnen hebben op de waterloop
Meetreeksen van debieten of afvoerkarakteristiek, doorstroomprofiel, bemalen en inlaten van oppervlaktewater, spuien, … Drainerend/infiltrerend als gekend Mogelijke fluctuaties afhankelijk van het getij – als gekend
Bron UIA
DuLo-waterplannen Waterhuishoudplannen Deelbekkenplannen VMM
Waterloopbeheerder en gemeenten Waterloopbeheerder Waterloopbeheerder
Waterloopbeheerder
Tabel 11: Algemene karakteristieken waterloop
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 49 of 69
10.2 OVERSTROMINGSGEBIEDEN Door overstroming van waterlopen en verontreinigd sediment dat zich afzet in overstromingsgebieden, kan verontreiniging zich verspreiden buiten de oevers van de waterloop. Het is dan ook belangrijk om deze verontreiniging in kaart te brengen. Een aantal verschillende types overstromingsgebieden zijn opgesomd in tabel 12. Type EOG: Effectief Overstromingsgevoelige Gebieden
ROG: Recent Overstroomde Gebieden
OG: In BBP of SGBP afgebakende Overstromingsgebieden GOG: Gecontroleerde OverstromingsGebieden
Korte omschrijving Om de toepassing van de watertoets te vergemakkelijken, zijn een aantal kaarten opgemaakt, o.a. een kaart met overstromingsgevoelige gebieden. In het donkerblauw zijn de effectief overstromingsgevoelige gebieden aangeduid. De ROG zijn een verzameling van alle gebieden waar tijdens de periode 1988-2005 ten minste een keer een overstroming vastgesteld werd en op kaart ingetekend. Deze overstromingsgebieden hebben niet altijd iets te maken met het buiten de oevers treden van waterlopen. Ook ondergelopen terreinen als gevolg van overvloedige neerslag zijn hier inbegrepen. Het DIW van 18 juli 2003 bepaalt dat er in de stroomgebied- of bekkenbeheerplannen overstromingsgebieden op kaart aangeduid kunnen worden. In het algemeen is een GOG een gebied langs een waterloop waar in geval van hoge waterstanden – ten gevolge van piekdebieten en/of hoogtij – op een gecontroleerde manier tijdelijk water geborgen kan worden
Bron www.geopunt.be
www.geopunt.be
www.geopunt.be
www.sigmaplan.be
Tabel 12: Types overstromingsgebieden
pagina 50 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
11 RISICO-EVALUATIE Bepaal het humaantoxicologische risico, het ecotoxicologische risico en het verspreidingsrisico. De ecotoxicologische risico-evaluatie voor waterbodems is zeer belangrijk, omdat de waterbodem onderdeel uitmaakt van een belangrijk ecosysteem. De OVAM werkt aan een risicosystematiek voor waterbodems. In afwachting daarvan, gebruikt u de methodiek uit het ontwerp Standaardprocedure voor waterbodemonderzoek (versie 2007). Dit document is beschikbaar op de website van de OVAM (www.ovam.be).
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 51 of 69
12 BIJLAGEN 12.1 BIJLAGE 1: BEGRIPPENLIJST De begrippen in deze code van goede praktijk zijn zoveel mogelijk afgestemd op of overgenomen van de definities in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.
Algemene definities Waterbodem (DIW): de bodem van een oppervlaktewaterlichaam die altijd of een groot gedeelte van het jaar onder water staat. Oppervlaktewaterlichaam (DIW): een onderscheiden oppervlaktewater, zoals een meer, een wachtbekken, een spaarbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater, of een deel van een stroom, rivier, kanaal of overgangswater. Oppervlaktewater (DIW): binnenwateren, met uitzondering van grondwater. Bevaarbare waterlopen: de waterlopen opgenomen in het Koninklijk Besluit van 5 oktober 1992 tot vaststelling van de lijst van de waterwegen en hun aanhorigheden, overgedragen van de Staat aan het Vlaamse Gewest. Onbevaarbare waterlopen: de waterlopen die niet in het KB van 5 oktober 1992 zijn opgenomen, en dit vanaf hun punt van oorsprong of van klassering. Dit wil zeggen: • Deze waterlopen zijn niet gerangschikt als bevaarbare waterlopen (KB van 5 oktober 1992). • Het punt van oorsprong of van klassering is het punt waarop zij een deelbekken van meer dan 100 ha bezitten (Wet Onbevaarbare waterlopen). • Men onderscheidt onbevaarbare waterlopen van 1ste, 2de en 3de categorie en niet geklasseerde onbevaarbare waterlopen. Lineaire waterlopen: oppervlaktewateren waarvan de lengte aanzienlijk groter is dan de breedte (grachten, beken, rivieren, kanalen, ...). Niet-lineaire wateroppervlakken: oppervlaktewateren waarvan de lengte niet beduidend groter is dan de breedte (vijvers, meren, wachtbekkens, spaarbekkens, havens, dokken ...).
Ruimtelijke afbakening Sediment: een mengsel van fijne anorganische en organische deeltjes dat uit de waterkolom is bezonken en dat op de bodem een laag vormt. Actief sediment: top van de sedimentlaag waarin processen plaatsvinden in uitwisseling met het oppervlaktewater. Vaste deel van de waterbodem: het van nature aanwezige geconsolideerde deel van de bodem van het oppervlaktewaterlichaam, eigen aan de regio waarin het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt. Bedding (DIW): een rivier of een beek stroomt in haar bedding. Talud (DIW): strook land binnen de bedding van een oppervlaktewaterlichaam vanaf de bodem van de bedding tot aan het begin van het omgevende maaiveld of de kruin van de berm.
pagina 52 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Kruin: de bovenste rand van het talud, zijnde het knikpunt waar het schuine talud eindigt en het horizontale deel van de omgeving landinwaarts begint. Oever: landstrook vanaf de kruin van de berm en verder landinwaarts over een arbitrair vastgelegde breedte. Overstromingsgebied (DIW): door bandijken, binnendijken, valleiranden of op andere wijze begrensd gebied dat op regelmatige tijdstippen al dan niet op gecontroleerde wijze overstroomt of kan overstromen en dat als dusdanig een waterbergende functie vervult of kan vervullen.
Verspreiding van sediment Baggerspecie (DIW): bodemmateriaal dat afkomstig is van het verdiepen, verbreden of onderhouden van bevaarbare waterlopen die behoren tot het openbare hydrografische net, of van de aanleg van nieuwe waterinfrastructuur, met inbegrip van kanalen, havens en dokken. Ruimingsspecie: bodemmateriaal dat afkomstig is van het verdiepen, verbreden of onderhouden van onbevaarbare waterlopen die behoren tot het openbare hydrografische net, of andere onbevaarbare waterlopen en waterlichamen. Overstromingssediment: overstromingssediment is afgezet sediment dat achterblijft na een overstroming buiten de bedding.
Bemonstering (zie ook CMA) Mengstaal: een samengesteld staal dat wordt verkregen door (deel)stalen, die op 2 of meer verschillende locaties zijn genomen, te mengen. Clusterstaal: een samengesteld staal dat wordt verkregen door minstens zes (deel)stalen, die op verschillende locaties zijn genomen in een zone van maximaal 2m op 2m, te mengen. Puntstaal: een staal dat wordt genomen met een enkele steek en waarmee een recipiënt zonder menging in één handeling, gevuld wordt zonder headspace. Steek: het volume aan staal dat in één keer kan worden genomen met een staalname-apparaat. Monsternamepunt: een geografisch punt ter hoogte van de waterloop, gekenmerkt door een welbepaalde X- en Y-coördinaat, alwaar in verticale richting één of meerdere monsternemingen (deelmonsters) worden uitgevoerd. Boorpunt: een geografisch punt op de oever of in het overstromingsgebied, gekenmerkt door een welbepaalde X- en Y-coördinaat, waar in verticale richting één of meerdere monsternemingen (deelmonsters) worden genomen.
Afvalwater Huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat enkel bestaat uit water afkomstig van normale huishoudelijke activiteiten, sanitaire installaties, keukens, de reiniging van gebouwen zoals woningen, kantoren, kazernes, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, kapsalons, restaurants, drankgelegenheden en afvalwater afkomstig van wassalons waar de toestellen enkel door de klanten zelf worden bediend. Het lozen van huishoudelijk afvalwater is in principe niet gebonden aan een omgevingsvergunning indien afkomstig van woongelegenheden.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 53 of 69
Koelwater: het water dat in de industrie voor afkoeling gebruikt wordt en dat niet in aanraking is gekomen met af te koelen stoffen of met andere verontreinigende stoffen. Bedrijfsafvalwater: alle afvalwater dat niet voldoet aan de definitie van huishoudelijk afvalwater (of koelwater). Als huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater samen geloosd worden, wordt het geheel gezien als bedrijfsafvalwater.
12.2 BIJLAGE 2: LIJST VAN RISICO-INRICHTINGEN WATERBODEMS De meest actuele lijst van risico-inrichtingen die een grote kans hebben om waterbodemverontreiniging te veroorzaken, vindt u in de studie ‘Waterbodem – speerpunten voor waterbodemonderzoek’ (de hotspotstudie) op de website van de OVAM: www.ovam.be
12.3 BIJLAGE 3: CONTACTGEGEVENS WATERLOOPBEHEERDERS Via www.geopunt.be vraagt u de waterloopbeheerder(s) op via de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA): 1 Ga naar Geopunt Vlaanderen – Waterlopen (externe website). 2 Tik in de zoekbalk bovenaan de naam van de waterloop of een adres, perceelnummer, ... en druk op Enter. 3 Zoom in of uit. 4 Klik met uw muisaanwijzer op de waterloop. 5 Er verschijnt dan een nieuw venster. Klik daarin op VHA-waterloopsegmenten. 6 Er verschijnt een tabelletje. Daarin vindt u onder meer categorie en beheerder van de waterloop. Administratieve data en contactgegevens vindt u hier: www.abclokalebesturen.be www.pinakes.be
pagina 54 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
12.4 BIJLAGE 4: STANDAARDDOCUMENT TOELATING BEMONSTERING VERZOEK TOELATING BEMONSTERING WATERBODEM NAAM erkend bodemsaneringsdeskundige Adres Telefoonnummer e-maildres vraagt hierbij de toelating aan waterloopbeheerder om de waterbodem en oevers te bemonsteren van de waterloop naam waterloop (VHA) gewestcode waterloop identificator VHA-waterloopsegment afbakening van het te onderzoeken traject (met aanduiding op plan als bijlage) zoals aangeduid op het plan als bijlage. Periode van bemonstering: (bijvoorbeeld juni-juli 2020) Deze bemonstering gebeurt in opdracht van: Naam opdrachtgever Adres opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever De reden van dit onderzoek is: Reden van het onderzoek
12.5 BIJLAGE 5: TRIADE KWALITEIT WATERBODEM Het triade-concept combineert drie onderdelen voor de karakterisatie van waterbodems (fysico-chemie, ecotoxicologie en biologie). Op die manier wordt een eerste ecologisch oordeel over de kwaliteit van de waterbodem gevormd waardoor een genuanceerd oordeel kan geveld worden over de eigenlijke actuele ecologische kwaliteit van de waterbodem. De kwaliteit van een waterbodem wordt vergeleken met een referentiebodem die de natuurlijke toestand benadert. Hoe meer luiken een afwijking ten opzichte van de referentiebodem vertonen, hoe slechter de waterbodemkwaliteit.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 55 of 69
De VMM hanteert de triade-methodiek voor het monitoren van de kwaliteit van waterbodems. Het meetnet bestaat uit een 600-tal locaties die sinds 2000 éénmaal om de 4 jaar worden geanalyseerd. In 2008 werd het aantal locaties per cyclus teruggebracht naar 300 meetplaatsen. Sinds 2016 wordt een 6-jarige cyclus aangehouden: 2000-2003: 600 meetplaatsen 2004-2007: 600 meetplaatsen 2008-2011: 300 meetplaatsen 2012-2015: 300 meetplaatsen 2016-2021: 300 meetplaatsen Monsterneming, strategie en apparatuur Bij de voorbereiding van de monsternamecampagne werd van ieder meetplaats een theoretisch bemonsteringsgrid voorgesteld aan de hand van de breedte van de waterloop en de geschatte heterogeniteit van de waterbodem in een 50 meter zone. Op het veld wordt in stroomopwaartse richting bemonsterd, teneinde de invloed op het nemen van de volgende stalen te minimaliseren. Om praktisch en efficiënt te kunnen werken, wordt in diagonalen bemonsterd. Op die manier bekomt men een stratified-at-random bemonstering, d.w.z. in ieder vak worden at random een deelstaal of meerdere deelstalen genomen. Meestal is een gemiddelde van 50 deelstalen voldoende om ongeveer 40 liter waterbodem te verzamelen. Voor de biologische evaluatie moet ervoor gezorgd worden dat minstens 10 deelstalen genomen worden per 10 liter waterbodem. Bij een algemene beoordeling van de kwaliteit van de waterbodem is er vooral interesse voor de laag die het meest interageert met het bovenstaande water en moet hoofdzakelijk deze laag bemonsterd worden. In de praktijk gaat het over een diepte van maximum 20 cm. De gebruikte verzwaarde Van Veen grijper (2 liter) voldoet hieraan. Het materiaal wordt verzameld in een inox vat van 50 liter. Het staal wordt met behulp van een inox mortelroerder gehomogeniseerd. Vervolgens wordt het homogene mengstaal verdeeld over de verschillende recipiënten. Dit gebeurt onder voortdurend mengen van het mengmonster en het at-random verdelen over de verschillende recipiënten. Het mengstaal van ongeveer 45 liter wordt op het terrein verdeeld in drie substalen: één substaal voor de fysisch-chemische analysen (3 liter); één substaal voor de biologische evaluatie (minimum 10 liter); één substaal voor de ecotoxicologische testen (10 liter).
pagina 56 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Tijdens de bemonstering worden een aantal in situ metingen uitgevoerd, namelijk: de meting van de opgeloste zuurstof, de zuurtegraad, het geleidend vermogen en de temperatuur van het oppervlaktewater. Beoordelingscomponenten Fysico-chemie Ecotoxicologie
Biologie
Beoordelingstechnieken
Geeft informatie over
Fysische en chemische analyse van het sediment Toxiciteitstesten: Laboratoriumtesten (bioassays) Bioaccumulatietesten: actief en passief
Bodemtype, aanwezigheid van specifieke toxische stoffen en verontreinigingsgraad Potentiële toxiciteit van de aanwezige verontreinigingen. Informatie is niet stofspecifiek. Doorvergiftigingsrisico en biologische beschikbaarheid van specifieke stoffen. Actuele ecologische kwaliteit. Informatie is niet stofspecifiek.
Analyse van de samenstelling en abundanties van de levensgemeenschap in/op waterbodem
Tabel 13: Waterbodemkwaliteit volgens de Triade-methode (bron: VMM)
Fysisch-chemische beoordeling De fysisch-chemische component van de Triade beschrijft de fysisch-chemische kwaliteit van de waterbodem. Steeds worden de meest gekende chemische verontreinigingen geanalyseerd, waardoor de fysisch-chemische inhoud van de waterbodem wordt gegeven. In het kader van de methodologische studie naar de inventarisatie, de ecologische effecten en de saneringsmogelijkheden van de bodems van de Vlaamse waterlopen werd een toetsingskader ontwikkeld dat de aanrijking aangeeft van microverontreinigingen t.o.v. referentiegehaltes, nadat een standaardisatie is gebeurd voor zware metalen en organische microverontreinigingen t.o.v. organische stof (5%) en klei (11%). Dit gebeurt volgens de voorwaarden voor omrekening van achtergrondwaarden en bodemsaneringsnormen voor terrestrische bodems.
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 57 of 69
Bij de verdeling in fysisch-chemische klassen worden arbitraire aanrijkingsniveaus t.o.v. referentiewaarden aangenomen. De referentiewaarden werden tijdens de studie bepaald uit het geometrisch gemiddelde van 12 streng geselecteerde referentiewaterlopen in Vlaanderen (tabel 15). Van iedere variabele wordt een verhouding t.o.v. de referentie berekend, de VTR. De logaritme hiervan varieert tussen de grenzen 0 en 2. M.a.w. het aanrijkingsniveau varieert tussen 0 en 100. Tussen deze grenzen worden arbitrair 4 klassen gedefinieerd (tabel 14). Log VTR < 0,4 0,4 – 0,8 0,8 – 1,2 > 1,2
Aanrijking < 2,5 2,5 – 6,3 6,3 – 15,8 > 15,8
Klasse 1 2 3 4
Kleur Blauw Groen Geel Rood
Betekenis t.o.v. referentie Niet afwijkend Licht afwijkend Afwijkend Sterk afwijkend
Tabel 14: Logindex en aanrijkingsniveau voor de verschillende fysisch-chemische klassen
Microverontreiniging Referentiewaarde X Y Z Arseen 11 27,5 69,3 173,8 mg/kg DS Cadmium 0,38 1,0 2,4 6,0 mg/kg DS Chroom 17 42,5 107,1 268,6 mg/kg DS Koper 8 20,0 50,4 126,4 mg/kg DS Kwik 0,05 0,1 0,3 0,8 mg/kg DS Lood 14 35,0 88,2 221,2 mg/kg DS Nikkel 11 27,5 69,3 173,8 mg/kg DS Zink 67 167,5 422,1 1.058,6 mg/kg DS APKWS 37 92,5 233,1 584,6 mg/kg DS EOX 31 77,5 195,3 489,8 mg/kg DS Som OCP 3,9 9,8 24,6 61,6 µg/kg DS Som 7 PCB’s 5,1 12,8 32,1 80,6 µg/kg DS 6 PAK’s van Borneff 0,220 0,6 1,4 3,5 mg/kg DS Lager dan X: klasse 1 – tussen X en Y: klasse 2 – tussen Y en Z: klasse 3 – hoger dan Z: klasse 4 Tabel 15: Referentiewaarden voor de verschillende variabelen als het geometrisch gemiddelde van 12 referentiewaterlopen en de verschillende niveaus ter indeling van de klassen
Ecotoxicologische beoordeling Een ecotoxicologische beoordeling geeft een idee over de potentiële effecten op organismen. Daartoe worden in het laboratorium gekweekte organismen voor een bepaalde tijdspanne (uren of dagen) blootgesteld aan poriënwater of waterbodem. Tussen verschillende soorten testorganismen bestaan grote verschillen in gevoeligheid voor specifieke toxische stoffen. Bovendien kan de biologische beschikbaarheid van stoffen in waterbodems aanzienlijk verschillen tussen de organismen. Vandaar dat een testbatterij wordt aanbevolen. Verder spelen ook kostenefficiëntie, snelheid en eenvoud een belangrijke rol bij de keuze van de testen.
pagina 58 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Voor elke poriënwater bioassay wordt het aantal effect eenheden bepaald. Effect eenheden (EE) is de reciproke waarde van de EC50 of LC50. Deze laatste zijn respectievelijk de effectconcentratie of de letale concentratie waarbij 50% van de blootgestelde organismen een effect vertoont of sterft. Voor de vaste test wordt het procent mortaliteit weergegeven van de blootgestelde organismen na een bepaalde tijd. Een ecotoxicologische refererentiewaterbodem wordt gedefinieerd als een waterbodem waarbij geen acute toxiciteit wordt waargenomen. Voor elke poriënwater bioassay wordt het aantal effect eenheden gedeeld door 0.01 om een deling door 0 te vermijden. De bekomen ‘verhouding-tot-referentie (VTR) waarden’ worden uitgemiddeld over de testbatterij en verdeeld in 4 klassen (tabel 16). Eveneens wordt voor de vaste fase test het procent mortaliteit ingedeeld in 4 klassen (tabel 17). VTR 1 1 - 150 150 – 300 > 300
Klasse 1 2 3 4
Kleur Blauw Groen Geel Rood
Betekenis Geen acute impact Licht acute impact Acute impact Ernstige acute impact
Tabel 16: VTR en ecotoxicologische klassenindeling voor poriewatertesten
% Sterfte < 20 20 – 50 50 – 75 75 - *100
Klasse 1 2 3 4
Kleur Blauw Groen Geel Rood
Betekenis Geen acute impact op benthische biota Licht acute impact op benthische biota Acute impact op benthische biota Ernstig acute impact op benthische biota
Tabel 17: % Sterfte en ecotoxicologische klassenindeling voor vaste fase test
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 59 of 69
Biologische beoordeling Als indicatoren voor een biologische beoordeling van waterbodems wordt de aanwezigheid van benthische macro-invertebraten onderzocht. Met deze veldwaarneming kunnen actuele negatieve effecten in het veld aangetoond worden. Een veldinventarisatie geeft ook een globaal beeld van de ecologische kwaliteit van het waterecosysteem. Vandaar dat het noodzakelijk wordt geacht meerdere variabelen (randfactoren) te kennen om betrouwbaar inzicht te krijgen in deze kwaliteit. Om een relatie te kunnen leggen met de aanwezige verontreinigingen is een grondig inzicht in de bodemkarakteristieken nodig omdat deze in hoofdzaak bepalend zijn voor de samenstelling van de macrofauna. Daarom zijn ook referentielocaties belangrijk. In tabel 18: Waterbodemkwaliteit volgens de Triade-methode (bron VMM) wordt de klassenindeling hiervan weergegeven (De Pauw & Heylen, 2001). BWI 7 - 10 5-6 3-4 0-2
Klasse 1 2 3 4
Kleur Blauw Groen Geel Rood
Betekenis Goede biologische kwaliteit Matige biologische kwaliteit Slechte biologische kwaliteit Zeer slechte biologische kwaliteit
Tabel 18: Indeling in klassen van de BWI
Aanvullend bij de biotische index wordt rekening gehouden met kaakafwijkingen bij muggenlarven. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat kaakafwijkingen bij muggenlarven kunnen gerelateerd worden aan de aanwezige microverontreiniging. In het kader van het waterbodemmeetnet VMM zijn deze 150 meetplaatsen aan een onderzoek naar de kaakafwijkingen bij muggenlarven onderworpen. Voor het % misvormingen worden drie criteria onderscheiden: criterium 1: meer dan 8%; criterium 2: meer dan 16%; criterium 3: meer dan 32%. Uiteindelijk wordt het sterkste signaal (hoogste klasse) van beide indexen op de biologische as aangeduid. Wat op zijn beurt resulteert in volgende biologische beoordeling. Klasse 1 2 3 4
Beoordeling Goede biologische kwaliteit Matige biologische kwaliteit Slechte biologische kwaliteit Zeer slechte biologische kwaliteit
Kleur Blauw Groen Geel Rood
Tabel 19: Biologische beoordelingsklassen
pagina 60 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Triadebeoordeling Een kwaliteitsbeoordeling doet een uitspraak over de kwaliteit van een waterbodem aan de hand van beschrijvende of numerieke beoordelingsmethoden. De Triade combineert de drie onderdelen van de karakterisatie (fysico-chemie, ecotoxicologie en biologie). Op die manier wordt een ecologisch oordeel over de kwaliteit van de waterbodem gevormd. Dit eerste oordeel kan een aanzet zijn voor diepgaander onderzoek of bescherming van de waterbodem of vormt een aanwijzing voor een al dan niet ernstige bedreiging voor het ecosysteem. Op die manier kan de Triade gebruikt worden om waterbodems te rangschikken volgens toenemende prioriteit voor saneringsonderzoek binnen het ecologisch herstel van rivieren/beken. Hierbij moet men rekening houden met het feit dat een sanering van de waterbodem slechts zinvol is wanneer aan de lozingsbron zuiveringsinspanningen aan het oppervlaktewater zijn ondernomen. Enkel in deze waterlopen waar lozingen zijn afgesloten, is het opportuun een screening met de triade toe te passen en kan een eerste zinvolle prioriteitenlijst opgemaakt worden. Evenwel zal bij het opstellen van een prioriteitenlijst van te saneren waterlopen nog steeds het aspect hydraulische en nautische redenen een belangrijke rol spelen. Bovendien bestaat, wanneer specie aan land wordt gebracht, de mogelijkheid van een nieuwe (land)bodemverontreiniging door een verontreinigde waterbodem. Om tot een eenduidige lijst van prioritair verder te onderzoeken waterbodems te komen, werd tijdens de karakterisatiestudie voorgesteld een triadekwaliteitsbeoordeling te ontwikkelen. Bij de triadekwaliteitsbeoordeling of TKB, waarbij elk van de drie klassen hetzelfde gewicht draagt in de uiteindelijke beoordeling worden klassen omgezet in signalen. De fysisch-chemische klassen 3 en 4 krijgen de signaalfunctie (+). Klassen 1 en 2 krijgen een minteken, of geen signaal. Biologisch en ecotoxicologisch worden de klassen 2, 3 en 4 als signalen beschouwd (+). Klasse 1 betekent hier geen signaal (-) (tabel 20). Op basis van de signalen, bekomen in de drie beoordelingen afzonderlijk, kunnen de waterbodems gerangschikt worden in volgorde van globale kwaliteitsbeoordeling van de Triade. De redenering daarbij is de volgende: het samengaan van een chemisch met een biologisch en een ecotoxicologisch signaal (+) kan wijzen op effecten, die te wijten zijn aan verontreiniging. Dergelijke waterbodems krijgen een slechte kwaliteitsbeoordeling op basis van de Triade. Het ontbreken van de signalen (-) in alle drie de beoordelingen wijst op een ‘zuivere’ waterbodem.
Klasse 1 2 3
Signaal Fysisch-chemisch (C) Ecotoxicologisch (E) + + +
Biologisch (B) + +
Tabel 20: Omzetting van klassen in signalen (- of +) als hulpmiddel bij de globale kwaliteitsbeoordeling
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 61 of 69
Volgens het Triadeconcept worden waterbodems onderverdeeld in vier klassen: Klasse 4 (TKB 4) betekent een ernstige indicatie voor een ernstige verontreiniging. Klasse 3 (TKB 3) verwijst naar een verontreiniging. Klasse 2 (TKB 2) verwijst naar een matige verontreiniging. Klasse 1 (TKB 1) geeft een indicatie voor afwezigheid van verontreiniging. Chemie + + + + -
Ecotoxicologie + + + + -
Biologie + + + + -
Globale klasse 4 3
2 1
Tabel 21: Triadekwaliteitsbeoordeling (TKB)
In de VMM-waterbodemdatabank (www.vmm.be) kunnen de relevante meetpunten met de relevante gegevens worden opgevraagd. De deskundige moet tevens nagaan of er andere relevante triade-gegevens beschikbaar zijn. http://geoloket.vmm.be/Geoviews/map.phtml
Figuur 8: Ecologische kwaliteit van de waterbodem: triadeconcept
pagina 62 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
12.6 BIJLAGE 6: VELDREGISTRATIE Administratieve gegevens Project: Naam veldwerkers: Nummer monsternamepunt / bemonsteringszone: Waterloop: VHA-waterloopsegment: Datum monstername: Weersomstandigheden: Vorige dag(en): o Geen opmerkingen o Hevige neerslag o Zeer zonnig
Vandaag: o Geen opmerkingen o Hevige neerslag o Zeer zonnig
Doelstelling onderzoek o
Staalname n.a.v. lozingspunt ………………
o
Staalname n.a.v. verdachte locatie…..…….
o
Afperking waterbodemverontreiniging
o
Nagaan invloed verontreiniging of activiteit op de aanliggende oever op de waterloop
o
Bepaling algemene kwaliteit traject
o
Partijkeuring
o
Andere:
Verdere omschrijving:
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 63 of 69
Bemonsteringswijze Type staal: o mengstaal o clusterstaal o puntstaal i.k.v. vluchtige parameters
Aantal steken of happen per monster: Aanlevering aan het laboratorium: o niet-gemengd staal van min. 10 l o on-site gemengd staal volgens voorwaarden CMA Monstername Gebruikte staalname-apparatuur: o Van Veen grijper o Veenboor o Beekersampler o Multisampler
o
Zuigerboor
o
Valbom
o
Vrijwitboor
o
Ekman grijper
o
Edelmanboor
o
Andere ….
Wijze van staalname: o Via doorwaden o Vanaf de oever o Via ponton / vlot / boot Afstand tot de oever:
…………m
Diepte waterkolom:
………..cm
Dikte sliblaag minimum:
………..cm
Dikte sliblaag maximum:
………..cm
pagina 64 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Beschrijving waterbodem Kleur waterbodem: Geur waterbodem: o Zwart o geen o Grijs o riool slib o Geel
o H2S – rotte eieren
o Oranje/rood
o Ander: ……….
Reden van geen monstername: o Werken o Onbereikbaar ondergronds
/
moeilijk
bereikbaar
/
o Dichtgevroren o Geen slib
o Bruin
o Stenige bodem
o …
o Onveilige situatie o Andere:
Andere waarnemingen m.b.t. waterbodem / uit het staal verwijderde matrixvreemde materialen ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………………………………… Afwijkingen ten opzichte van het CMA (inclusief motivering voor de afwijking) ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………………………………………
31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 65 of 69
Beschrijving waterloop o Verstevigde oever: beton, schanskorven/stenen, houten betuining,… Beschrijving linkeroever:
o Natuurlijke begroeiing: bomen, rietkraag, kruidachtig, gras,… o Toegankelijkheid: o Verstevigde oever: beton, schanskorven/stenen, houten betuining
Beschrijving rechteroever:
o Natuurlijke begroeiing: bomen, rietkraag, kruidachtig, gras o Toegankelijkheid:
Aanpalend bodemgebruik: Linkeroever: o Bos
Rechteroever: o Bos
o Recreatie
o Recreatie
o Natuur
o Natuur
o Landbouw: weide
o Landbouw: weide
o Landbouw: akker
o Landbouw: akker
o Woongebied
o Woongebied
o Industrie
o Industrie
o Braakliggend
o Braakliggend
o Andere
o Andere
Gebruik van de waterloop: o Vissen o Zwemmen o Andere: Doorzichtigheid waterkolom o helder
Stroming o droogstaand
o matig troebel
o stilstaand/traag
o troebel
o matig
o zeer troebel
o zeer snel
pagina 66 of 69
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
31.05.2020
Waarnemingen waterloop / Aard van eventuele verontreiniging o geen visuele verontreiniging
o schuim
o huishoudelijk afvalwater
o afval
o industrieel afvalwater
o aanwezigheid bladeren / takken
o landbouwverontreiniging
o gasontwikkeling
o stankhinder
o dode vissen
o olie
o teer
o drijflaag: veel / weinig / microfilm
o andere:
Schematische voorstelling: locatie / inmeting monsternamepunt / bemonsteringszone waterloop, breedte, diepte, stroomrichting
31.05.2020
verloop / helling talud lozingspunten, overstorten, grachten omgevingskenmerken straatnamen, bebouwing,…
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 67 of 69
12.7 BIJLAGE 7: OVERZICHT TRIGGERWAARDEN De triggerwaarden voor waterbodem werden afgeleid zoals beschreven in het rapport ‘Waterbodem – Triggerwaarden voor verder onderzoek’. Voor een aantal parameters is de voorgestelde triggerwaarde (BSI>6) lager dan de waarde voor vrij hergebruik (bijlage 5 VLAREBO). In deze gevallen wordt de triggerwaarde beleidsmatig gelijkgesteld met de waarde voor vrij hergebruik. Onderstaande tabel geeft de uiteindelijke triggerwaarden weer: Parameter As t Cd t Co t Cr t Cu t Hg t Ni t Pb t Se t Sn t Vt Zn t Acenaft Acenaftyl Ant B(a)A B(a)P B(b)Flu B(e)P B(ghi)Pe B(k)Flu Chr dBz(ah)An Fen Flu Fluoreen Indenol(123cd)p Naft Pyr
pagina 68 of 69
Eenheid mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
Triggerwaarde 52.0 5.56 32.7 94.9 101.6 1.7 48 152 6.13 15.0 56.9 679 3.1 0.6 2.4 3.9 0.665 1.1 1.212 0.556 0.6 2.5 0.3 15 2 9.5 0.7 0.618 21
31.05.2020
Parameter PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 170 PCB 180 PCB28 PCB 31 PCB 49 PCB 52 BDE 100 BDE 153 BDE 154 BDE 183 BDE 209 BDE 28 BDE 47 BDE 66 BDE 85 BDE 99 M BySn D BySn D FySn T BySn T FySn 1234CBz 1235CBz 1245CBz 14CBz 24DDD 44DDD 44DDE 44DDT HCBz KWS ap. Peryleen TransChloordaan Tolueen Cyaniden totaal Cyaniden vrijstelb. Dieldrin EAS tce EOX TetraBrBiphA
Eenheid µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µgSn/kg ds µgSn/kg ds µgSn/kg ds µgSn/kg ds µgSn/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds mg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds µg/kg ds µg/kg ds mg/kg ds mgCl/kg ds µg/kg ds
Triggerwaarde 10.0 6.90 13.0 17.0 3.61 12.0 4.68 3.46 2.70 7.92 2.100 2.50 0.500 1.76 1120 3.00 3.40 3.38 2.50 4.22 45.6 55.6 4.59 0.052 6.79 0.380 0.587 0.640 1.6 1.16 50 50 50 60 988 0.280 0.100 1.6 2.31 3000 1.30 787 3.60 33.8
Tabel 22:Overzicht triggerwaarden 31.05.2020
Onderzoek van waterbodem en oevers – Code van goede praktijk
pagina 69 of 69