Skip to main content

M&L_8_2.pdf

Page 1

[niflf wr'

gld

4,"

r ini j

l i l MN | l l

•ÉBI: mini

> <

•J " "

I *ll

-1-1

83

isiirf •••••! • • • • • • i , _ „ „ J i

'" "' l •• '•w„i «•liissssm»

•>•-•

w;

!a

•••

^-Uj

ÜÜ^ 'S,"

«• •• •

• • • •

'

< ^ NJ

I MAART-APRIL 1989

Cr


Jarenlange traditie in polytneerchemische restauratietechnieken

»

r

•

•

^ !S •

1. Metselwerkconsolidatie door cëiöéntepoxyinjectie. Restauratie Gravensteen'- Gent. 'm» .."'f' ,.''*"•

2. Fabrikatie en distributie van bjpulv-f chemische produkten, waterdichfing en re nova tie produktén ."^

4 -" /

I i ^.fe

_jr

fc

dl de neef ENGINEER

fff d e n e e f EMGfMEfi industriepark 8 3100 Heist op den Berg tel. (015) 24 62 31 32 tfax (015) 24 80 72 tlx 62 926

ifjdeneef [mjld.

J/Z/wv

flfl


M&L

M&L

ISSN 0770-4948 8* jaargang Nr. 2 maart-april 1989

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN

Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen Het 'Europakruispunt' te Brussel (foto P. Van den Brouck).

Inhoud Generiek

3 Redactie

Tussen Noordstation en Zuidstation, tussen bovenstad en benedenstad: de architectuur van een kruispunt Luc Verpoest, departement Architectuur K.U. Leuven

_ 4

20 jaar ontwerpen voor het Europakruispunt te Brussel, overzicht en kritiek André Loeckx, departement Architectuur K.U.Leuven

29

Doornzele - Dries: meer dan alleen maar gras en bomen _ Geert Van der Linden. B.M.L.

49

M&L Binnenkrant

Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. (02) 513 99 20. Eindredactie : M.M. Celis. Productie en promotie ; L. Tack. Zetwerk en secretariaat ; D. Torbeyns. Vormgeving : Greta Claeys. Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet, G. Ostyn, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche. Herman Van den Bossche. Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. (050) 33 82 20. Druk die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35

Abonnementsvoorwaarden

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1989". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van e!k kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


GEVELRENOVATIE : • • • • • • • •

reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven

DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem

Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rowah, tel. (03) 485 55 33. Vraag gratis deskundig advies en prijzen.

hllENNEMAHIEU-LIDVAN: • ART RESTORERS ASS. • INTERNATIONAL INSTITUTE OF CONSERVATION

k

(014) 51 77 22 (014) 50 03 24 (014) 50 03 23 (FAX)

RTIKON SA

VISPLUK 27 2290 VORSELAAR

•

RESTAURATIE EN CONSERVATIE van : - Kunstvoorwerpen in hout, steen, metaal, kunststof, marmer, terra-cotta. - Stenen beelden en gevelornamentuur. - Keramiek, aardewerk.

•

VERVAARDIGEN VAN REPLICA kleine en grote oplage Wij werken met moderne middelen en overeenkomstig de recentste wetenschappelijke vindingen

•

FABRIKATIE EN VERKOOPVAN PRODUKTEN VOOR RESTAURATIE : • Lijmen (epoxy, acryl, PVA, enz.) • Verfstrippers (speciaal voor restauratie) : PEEL-AWAY • Minerale steenrestauratieprodukten : GAYSTONE • Steenbehandelingsprodukten : reinigers, verstevigers, enz. • Houtbehandelingsprodukten


Liaisons Dangereuses Getroffen door de nogal evidente contouren, noemden niet van enig sarcasme gespeende censoren het — met een grimlach — ooit een 'schaamlap'. Geen wonder dat de aangelanden deze nauwelijks bedekte (nochtans niet aanwijsbare) allusie op het toponiem 'Putterij' slechts matig konden appreciëren. Hoe dit kaalgeslagen plaatsje Brussel ondanks anderhalve eeuw stedebouwkundig plannen niet hoger trapte dan een wat gênante openlucht-parkeergarage, weet Luc Verpoest te evoceren doorheen een onverhoord documentair dubbelverhaal.

Vrolijk België De jongste 2 decennia meer in het bijzonder zouden ontwerpbureaus en architecten tegen beter weten in — dus vruchteloos — de tekenstiften slijten op de provocerende chaos van dit 'Europakruispunt'. Een parel van cynisme vormt hierbij het prestigieus architectuurconcours voor een reeds ruim beklonken zaak. Geconfronteerd aan het fiasco van de 'renaissance', plukte André Loeckx de enkele minder vrijblijvende projecten uit de wegwerp-mand. Een pleidooi pro domo, allicht, maar ongetwijfeld een retorisch proces.

Evergreen Lege ruimte van de ruimte isoleren tot monumentale dimensies: een stedebouwkundige uitdaging waarvan de Evergemse dries in alle eenvoud een schoolvoorbeeld biedt. Alom oogluikend toegestane ingrepen werpen, op zichzelf onbeduidend, eenmaal gebundeld nochtans reëel een schaduw op het landschap. Geert Van der Linden roept in weinig woorden maar cordaat dan ook terecht op tot beheersing.


Tussen Noordstation en Zuidstation9 tussen bovenstad en benedenstad: de architectuur van een kruispunt

Luc Verpoest, departement Architectuur K.U. Leuven

Het Europakruispunt is de grootsprakerige naam van een nogal onbestemd driehoekig plein in het hart van de Brusselse vijfhoek, tussen de Magdalenasteenweg, het Albertinaplein — vóór de Koninklijke Bibliotheek en de Kunstberg — , de Keizerslaan, de Sint-Michielskathedraal, de Bergstraat en de Grasmarkt, op enkele passen van de Grote Markt. Tot voor kort was dit vrij grote en sterk hellende terrein een openluchtparkeerplaats, doorsneden van een onoverzichtelijk geheel van verbindingswegen voor auto's en voetgangers, tweedimensionale sporen van echte straten en pleinen: een archeologische site.

De Noord-Zuidverbinding als welzijnszorger, volgens een publicitaire brochure uit 1935 M&L 4


Eerder dan het kruispunt van Europa is dit het kruispunt van twee grootschalige ingrepen die de stedebouwkundige en architecturale geschiedenis van Brussel gedurende de laatste anderhalve eeuw hebben gedetermineerd: de verbinding van het Noordstation en het Zuidstation, met de creatie van het Centraal Station, langs het ondergrondse tracé Keizerslaan, Keizerinlaan, Berlaimontlaan, Pachecolaan — de 'Boulevard de la Jonction' - en de verbinding tussen de bovenstad rond het Koningsplein met de Warande en de benedenstad rond de Grote Markt in de Zennevallei. Het standbeeld van Koningin Elisabeth op het halfcirkelvormige Albertinaplein ligt exact halverwege tussen de Grote Markt en het Koningsplein, Het Albertinaplein is tevens het scharnier tussen het Europakruispunt en de Kunstberg. Het vierkante Kunstberg-park heeft dezelfde diagonale oriëntatie als de Grote Markt (Noordwest-Zuidoost) en het Koningsplein (Noordoost-zuidwest). Deze drie horizontale pleinen met monumentale randbebouwing — de Grote Markt en het Koningsplein zijn ook ongeveer even groot — zijn het resultaat van drie eeuwen geschiedenis ... een leerzame geschiedenis. In een brochure die in 1938 werd uitgegeven door het in 1935 opgerichte Office National pour l'Achèvement de la Jonction Nord-Midi (Nationaal Bureau voor de voltooiing van de Noord-Zuidverbinding) werd naar de Grote Markt en het Koningsplein verwezen als

voorbeeld voor de reconstructie van de stadsdelen die voor de bouw van de ondergrondse spoorverbinding werden gesloopt: "Comme en 1695 ... Comme en 1775 ... Recontruire en Harmonie,,.

De Grote Markt en het Koningsplein: de 'modernisering' van de middeleeuwse stad Van 13 tot 15 augustus 1695 werd Brussel gebombardeerd door de Franse artillerie onder aanvoering van maarschalk de Villeroy: 3820 woningen werden vernield, 30 straten volledig met de grond gelijkgemaakt. De Grote Markt werd herbouwd in een rijke Vlaamse-barokarchitectuur van de bouwmeesters Antoon Pastorana, Laurens Merkaert, Jan Cosyn, Pieter Herbosch, Corneel van Nerven, Willem De Bruyn . . . . De wederopbouw van de stad na 1695 kan beschouwd worden als het eerste moderniseringsproject van het middeleeuwse Brussel: "En moins de deux ans, habitants, artisans et architectes, soutenus par les lois et les décrets d'exception mis en place par les autorités, ont réussi cette gageure de restituer Bruxelles dans ses formes anciennes comme une ville neuve, une ville moderne. Car Bruxelles ne fut pas reconstruite a l'identique, comme l'a laissé croire une

'Reconstruire en harmonie', beloofde in 1935 het Office National pour TAchèvement de la Jonction Nord-Midi

5 M&L

• • • •


trop rapide lecture de son relèvement; les changements toire de Varchitecture en Belgique de Warande-wijk apparemment infimes (...) ont bouleverséfondamenta- "sans contredit la plus admirable creation architectulement la structure médiévale de la ville, rompant rale de la Belgique au 18ièmesiècle (...). L'architecture définitivement avec l'ordre économique devenu privée et urbaine, tant dans les hotels que dans les archaïque et paralysant, qu' imposaient encore les habitations ordinaires, subit une endere metamorphocorporations sclérosées et farouchement attachées a se, et a compter de 1770 surtout, déploya souvent dans des prerogatives ayant perdu leur sens et leur dynamis- les distributions intérieures, comme dans la régularité me. Ces corporations, désireuses de perpétuer dans un et l'élégance des fagades, une beauté et une perfection ultime effort la representation de leur pouvoir déchu, qui n'ont pas encore été surpasses de nos jours" (2). ont oppose a cette ville moderne l'image antique d'une Het Koningsplein werd in het begin van de 19de eeuw ville de formes exprimée dans les luxueuses maisons de beschreven als "bdti d la moderne" (3). Dit 'moderne' Koningsplein stond model voor de nieuwe stadsuitla Grande Place" (1). breidingen en voor de stadsverfraaiing van Brussel Het Koningsplein werd met de Koningsstraat (tot aan binnen de 14de-eeuwse stadsmuren. Vandenbreeden de Leuvense poort), de Hertogsstraat en de Warande en Hoppenbrouwers schrijven dat "de stadsverfraaiaangelegd tussen 1776 en 1783 naar het ontwerp van ingsproblematiek en de stedebouwkundige coördinatie de Franse architect Barnabé Guimard (1734-1805). van geheel de Brusselse agglomeratie begint bij het Het project van Guimard werd het uitgangspunt voor ontwerp van de Warande en nadien wordt geactiveerd de verdere architecturale en stedebouwkundige ont- door de aanleg van de ringlanen. De generatieve wikkeling van de bovenstad. In het midden van de kracht uitgaande van de Warande-aanleg speelt (...) 19de eeuw noemde de Leuvense historicus en archeo- bij de stadsverfraaiing een duidelijke en overheersende loog Antoine G.B. Schayes (1808-1859) in zijn His- rol" (4).

«E>> :

PLAN 'm' OiAIJTiK» LÉOPOiJK .S S., '„/./..S.

n

~~

UraiiïfeyÉuiiïy

•

Plan van de Leopoldswijk door architect Tilman Francois Suys. uit 1837 (S.A.B., PP. 1512) M&L 6


In 1838 ontwierp Tilman F r a n c i s Suys (1783-1861) in opdracht van de "Société Civile pour l'agrandissement et l'embellissement de la Capitale de Belgique" het plan van een ongeveer 75 ha grote Leopoldswijk. Het dambordpatroon van straten, pleinen en blokken wordt georiënteerd volgens de hoofdassen van het Warande-park. D e diepte van de bouwblokken en pleinen is deze van de bouwblokken tussen de Hertogsstraat en de Regentlaan, tussen het Academiënpaleis en de Leuvensepoort. De breedte van de blokken is vastgelegd door de ligging van de Wetstraat en het Paleizenplein (achter het Academiënpaleis doorgetrokken in de Montoyerstraat) en door de eraan evenwijdige lanen in het Warande-park zelf die de ligging bepalen van de Zinnerstraat-Guimardstraat en de Lambertmontstraat-Belliardstraat. In 1918 beschreef Guillaume des Marez, stadsarchivaris van Brussel, de Leopoldswijk in zijn Guide Illustré de Bruxelles als "een verlaten en eentonige stad waarvan de straten elkaar in een rechte hoek kruisen, een betreurenswaardig voorbeeld van moderne stadsesthetiek" (5). Het is een reactie die duidelijk in de lijn ligt van Karel Buis' Esthétique des villes (6), tegen de 'moderne' sanering en verfraaiing van de middeleeuwse wijken tussen bovenstad en benedenstad, mede in functie van de aanleg van de Noord-Zuidspoorverbinding in die zone.

Haussmanniaanse stadsverfraaiing in Brussel: de Hofberg en de stations van het Noord en het Zuid

TUSSEN NOORD EN ZUID, TUSSEN BOVENSTAD EN BENEDENSTAD: KRONIEK VAN EEN KRUISPUNT

Voorgeschiedenis: een nieuwe stad 1776-1779: aanleg van de Warande naar ontwerp van Barnabé Guimard en Joachim Zinner en van het Koningsplein, toegeschreven aan Barnabé Guimard. Sint Jakob op Koudenberg: voorgevel naar ontwerp van Barnabé Guimard (1776), kerk naar ontwerp van Louis Montoyer (1785), koepel en balustrade naar ontwerp van Tilman F. Suys (1849). De eerste treinen en de eerste stations 5 mei 1835: eerste treinen op de spoorlijn MechelenBrussel (station 'Groendreef). 1836-1838: door het Stadsbestuur van Brussel worden de eerste voorstellen geformuleerd voor een 'gare intérieure'. 1840: op 24 maart wordt door de Staat en de Stad Brussel een conventie ondertekend voor de verbinding van het station 'Groendreef met het 'Bogaardenstation ' op het Rouppeplein (treinverbinding BrusselTubize). De conventie wordt ondertekend door Jean Baptiste Vifquain (inspecteur van Bruggen en Wegen), B. Masui (directeur van de Spoorwegen) en Van Volxem en Vanderelst (Stad Brussel). 1841: inhuldiging op 28 september van de eerste 'jonction' tussen het station 'Groendreef' en het 'Bogaardenstation' via de 'Porte du Rivage', de 'Boulevard de ['Entrepot', de 'Boulevard de l'Abattoir', en de 'Boulevard du Midi'. Deze verbinding blijft in functie tot 1871 wanneer de 'lignes de ceinture' in gebruik genomen worden. 1841-1846: bouw van het Noordstation naar ontwerp van J.F. Coppens. De gronden werden reeds bij Koninklijk Besluit van 15 juli 1839 onteigend. Het Noordstation van Coppens werd in 1956 gesloopt.

De stadssaneringsprojecten namen in Brussel vooral tijdens het burgemeesterschap van Jules Anspach (1829-1879) tussen 1863 en 1879 'Haussmanniaanse' allures aan (7). D e meest spectaculaire realisatie van Anspach is ongetwijfeld de overwelving van de Zenne en de 'grote doorbraak' van de centrale lanen tussen het Noord- en Zuidstation, naar het ontwerp uit 1865 van Léon Pierre Suys (1823-1887), zoon en leerling van Tilman Frangois Suys, gerealiseerd tussen 1867 en 1871. Tijdens het voorafgaande decennium werden, meestal gemeenteraad diverse projecten van openbare werken in relatie tot de sanering van de Zennevallei, diverse voorgesteld waaronder "de aanpassing van de Hofvoorstellen uitgewerkt voor een rechtstreekse spoor- berg : verbetering van de verbinding tusen de bovenverbinding tussen het Noordstation, tussen 1841 en stad en de stations aan het Noord en het Zuid" (8). In 1846 gebouwd naar het ontwerp van Francois Cop- februari 1865 beraadslaagde de Brusselse gemeentepens (1799-1873) en het Bogaardenstation aan het raad onder druk van het Provinciaal Bestuur en de Rouppeplein, sinds 1840 het eerste Zuidstation 'bin- Staat over de dringende sanering van de Hofberg en nen de stadsmuren'. Dit laatste werd tussen 1864 en omgeving. Reeds vanaf het midden van de eeuw 1869, juist voor de aanleg van de centrale lanen, werden verschillende ontwerpen gemaakt voor de vervangen door een nieuw Zuidstation op de huidige verfraaiing van dit stadsdeel. "Het opvallendste — al plaats, naar het ontwerp van Auguste Payen (1801- van bij die eerste ontwerpen — was het feit", schrijven 1877). Na de voltooiing van de centrale lanen, zonder Apers, Vandenbreeden en Van Santvoort, "dat de van het Koningsspoorverbinding, werd de inplanting van deze verbin- neoclassicistische monumentaliteit ding verlegd naar de oostelijke helling van de Zenne- plein belangrijker werd geacht dan de in de loop der structuur van de vallei. Het probleem van de Noord-Zuidverbinding tijden gegroeide stedebouwkundige stedebouwkundig bleef sindsdien gekoppeld aan de sanering van de binnenstad. Niet het eeuwenoude wijken Sint-Rochus, Putterij, Isabella en Ter Arken verloop van straten (in dit geval de Magdalenasteenweg voorkomen tussen de bovenstad en de benedenstad. Reeds in en de Hofberg) maar het architecturale 1863 had Jules Anspach, toen nog eerste schepen en van het Koningsplein gold als uitgangspunt van de plaatsvervangend burgemeester, aan de Brusselse nieuwe aanleg" (9). Illustratief hiervoor is het monu7 M&L


1 l_J O l J 1 / IU./ v l . ^

LJ^

VjV^IVJJVlLil t i j t .

m

mm • s

: |

liüffl ftttBÜEB

Ui pnn:

I

mentale project van de architecten Arveuf en De La Roche uit 1854 voor een gigantisch "Palais du Commerce" tussen het Koningsplein en het Kantersteen. Vanuit deze vertrekken straalsgewijs drie brede straten waarvan de middelste loodrecht uitkomt op de Grote Markt, in het midden van de Gildenhuizen "De Hertogen van Brabant" uit 1695-1698 van Willem De Bruyn. Er ontstaat zo een aaneenschakeling in rechte lijn van monumentale gebouwen en pleinen tussen het Koningsplein in de bovenstad en het Beursgebouw (1868-1873) van Léon Pierre Suys aan de Anspachlaan. Vergelijkbaar zijn de projecten van Trappeniers (1856) en van Hendrik Beyaert (1861-1864). In 1870 stelden de architecten Peeters, Kennis en Alleweireld een project voor voor het gebied tussen de Koningsstraat en Kantersteen-Parochiaanstraat, met een gedetailleerde architecturale invulling. Het is goed te vergelijken met het project uit 1872 van Antoine Mennesier voor de Onze-Lieve-Vrouw-ter Sneeuwwijk tussen de Koningsstraat en het Noordoostelijk deel van de Ringlaan, tussen het Paleis der Natiën en het Barricadenplein.

I Mlltll

M I P

*r* * .•^••*-ï1>"^* b v

Ontwerp — plattegrond met opstanden (links) en perspectief (onder) — voor een Handelspaleis op de Hofberg door de architecten A. Arveuf en C. De La Roche, uit 1854 (S.A.B., PP., 2414)

'*«•«.

• H

^^

DUX PALAIS Dl'COMMEUCE I'OllK I . \ V1I.I.E I)E BRUXELLGS sur 1 EnpUettmuit A<i lu MonUiJno tU- In Cour 01 prOSOOtÖ " 1 A.ljiiiumlrHlinii cojiiimiinKNltAlCJIUUCUnUUHuM

lc il Mai-B 1554-

M&L 8

^ • ^ ^ ^ <

*i I

< il ^

"

«V*

^«'


PIROJM' DBETINBBS A PAOILreER L E S GDMMUMIOATIONS •::- : . B H A I I T E T ! J E

HENRI

BASDEÏJAVIUJ:

BBYAERT

GONCERNANT

!u& fflOT-maas BIS !L&

^^A^ Ontwerp (plan) voor de heraanleg van de Hofberg door architect Hendrik Beyaert, uit 1861-1864 (S.A.B., PP., 2427)

9 M&L


Ontwerp (opstand) voor de heraanleg van de Hofberg door architect Antoine Trappeniers. uit 1856 (S.A.B.. PP.. 1650)

f n

Y

^ ^ ^ ^ ^ *

«iB»?^ö^. Ontwerp (perspectief) voor de heraanleg van de Hofberg door de architecten Peelers. Kennis en Alleweireld. uit 1870 (S. A.B.. PP.. 2428)

M&L 10


•HH^B 'La Jonction' en de transformatie van Brussel 1855: ontwerp van ingenieur Ad. Le Hardy de Beaulieu voor een rechtstreekse en ondergrondse NoordZuidverbinding met een centraal station tussen Wolvengracht en Kiekenmarkt. Ontwerp Dubois-Nihoul voor een Noord-Zuidverbinding via de bovenstad (achter de Sint-Michielskathedraal en door de Grote Zavel). Oprichting van het propagandecomité 'Anspach-Guillery' ter verdediging van de Noord-Zuidverbinding. 1856: op 24 februari stelt de Stad Brussel de bouw van een centraal gelegen station voor. Aan Leopold II wordt een petitie gericht. 1858: ontwerp van ingenieur Wellens (Bruggen en Wegen) en architect Victor Besme voor een rechtstreekse en bovengrondse Noord-Zuidverbinding in de Zennevallei volgens het tracé van de latere centrale lanen. 1861-1883: bouw van het Justitiepaleis naar ontwerp van Joseph Poelaert. 1864-1869: bouw van het Zuidstation naar ontwerp van Auguste Payen. Gesloopt in 1954. 1864: ontwerp van de Formanoir de la Cazerie (van 1836 tot 1842 burgemeester van Anderlecht) voor de overwelving van de Zenne en een ondergrondse Noord-Zuidverbinding, ongeveer volgens de huidige centrale lanen en met een centraal station tussen de ' Kiekenmarkt en de Bisschopsstraat (tegenover de tussen 1872 en 1874 gebouwde Hallen, naar ontwerp van Léon P. Suys). 1865: het Parlement wordt voor het eerst geraadpleegd over de Noord-Zuidverbinding en de bouw van een centraal station. 1865: op 18 februari beraadslaagt de Brusselse gemeenteraad voor het eerst, onder druk van het Provinciebestuur en van de Staat, over de sanering van de Hofberg en omgeving. 1865: ontwerp van Léon P. Suys voor de overwelving van de Zenne en de aanleg van de centrale lanen, uitgevoerd tussen 1868 en 1871 onder het impuls van burgemeester Jules V. Anspach.

De Kunstberg van Henri Maquet en de Noord-Zuidverbinding van Bruneel: de conventie van 1903 en het ontstaan van het Europakruispunt In 1872 werd een eerste project voorgesteld door Henri Maquet (1839-1909) "pour la rectification de la Montagne de la Cour". In 1876 volgde een ontwerp van stratenplan voor de volledige driehoek tussen de Sint-Michielskathedraal, de Grote Markt en het Koningsplein, met inplanting van een centraal station in de Putterijwijk, de uitbreiding van het Museum voor Schone Kunsten aan de Hofberg en de verbinding door middel van een licht hellende straat in een grote bocht — de zogenaamde "Jonction Maquet" — tussen het Koningsplein en de Grasmarkt. D e grote lijnen van de verdere architecturale en stedebouwkundige ontwikkeling van dit stadsdeel gedurende de volgende eeuw werden hiermee vastgelegd.

Ontwerp van architect Henri Maquet uit 1876 voor de verbinding van de boven- en de benedenstad en de heraanleg van de Hofberg (Archief Koninklijk Paleis, Kaarten en Plannen)

Tien jaar later, in 1882, ontwierp "Architecte du Roi" Alphonse Balat (1818-1895) een uitbreiding van het Museum voor Schone Kunsten (dat tussen 1875 en 1880 naar zijn ontwerp in de Regentschapsstraat werd gebouwd) en van de Koninklijke Bibliotheek in het voormalige Paleis van Karel van Lorreinen. Na zijn dood in 1895 werd het project verder uigewerkt door Henri Maquet. De 'definitieve' plannen werden in 1902 met als titel "Mout des Arts" gepubliceerd in de Chronique des Travaux Publics (10). Ondertussen was in 1893 het definitieve tracé ontworpen voor de Noord-Zuidspoorverbinding door ingenieur F. Bruneel van de Belgische spoorwegen. Met het Kunstberg-project van Henri Maquet vormt het ontwerp Bruneel de architecturale en stedebouwkundige basis voor de overeenkomst tussen de Stad Brussel en de Belgische Staat, bekrachtigd bij Wet van 7 april 1903, betreffende de bouw van het Centraal Station in de Putterijwijk, de aanleg van de Kunstberg met de bouw van het Museum voor Moderne Kunst en de herbouw van de voor deze werken te slopen wijken in de omgeving.

Bij Koninklijk Besluit van 10 januari 1895 was reeds de aanleg en inrichting van de Koudenberg goedgekeurd. In 1898 bouwde Paul Saintenoy (1862-1952) de neogotische apotheek Delacre en een jaar later, in 1899 het art-nouveau-warenhuis "Old England" op de Hofberg. Ondertussen werd in 1897-1898 de SintRochuswijk gesloopt, wat mede de aanleiding was tot het ontslag van Karel Buis als burgemeester in 1899 en tot de oprichting van het "Comité d'études du vieux Bruxelles" in 1903. In hetzelfde jaar werd begonnen met de sloping van de wijken Putterij, Ter Arken en Isabella en de aanleg en bebouwing van de Ravensteinstraat en de Koloniënstraat: een eclectische pronkarchitectuur met veel gevoel voor het ontwerp van monumentale straten en stadsgezichten.

M&L ii

•m


Boven: Ontwerp van architect Henri Maquet uit 1872 'pour la rectification de la Montagne de la Cour' (S.A.B., PP., 2446) Links: Ontwerp van architect Alphonse Balat uit 1882 voor een uitbreiding van het Museum voor Schone Kunsten en van de Koninklijke Bibliotheek (S.A.B., PP., 2519) Pagina rechts: Voorstel van Karel Buis uit 1894 voor een bovenstad-benedenstadverbinding en de sanering van de Hofbergwijk (L'Emulation, 1894, kol. 56) M&L 12


PLACE

ROYALE

K ch e//«. meïrv ffiM W 15 90 15 [Hl., 4 , ,1,,

\

50 I

I

'

JL, .f, ,

13 M&L


Ontwerp van architect Henri Maquet uit 1891 voor een bovenstad-benedenstadverblnding (S.A.B., PP.. 2446)

Bovenstad en benedenstad: een strijd tussen twee steden 1872: ontwerp van Henri Maquet 'pour la rectification de la Montagne de la Cour'. 1876: ontwerp van Henri Maquet voor de herinrichting van het gebied tussen de Warande en de Grasmarkt, met een gebogen straat tussen het Koningsplein en de Grasmarkt, sanering van de Hofbergwijk en inplanting van een ondergronds centraal station in de Putterijwijk (van waaruit ondergrondse spoorlijnen vertrekken onder de Warande, naar de ringlanen). 1881: Henri Maquet legt het plan voor de Hofbergsanering voor aan de Brusselse gemeenteraad. 1882: voorontwerp van Alphonse Balat, architect van het Koninklijk Paleis (1866-1874) en van het Museum voor Schone Kunsten (1875-1880), voor de uitbreiding van het Museum en van de Koninklijke Bibliotheek (in het voormalig paleis van Karel van Lorreinen) en voor de verbetering van de verbinding tussen bovenstad en benedenstad. 1883: project van de 'Compagnie Immobilière de Bel-

M&L 14

gique' voor de bovenstad - benedenstadverbinding én de Noord-Zuidverbinding (met centraal station in de Isabellawijk). 1884: ontwerp van Henri Maquet voor een bovenstad - benedenstadverbinding met centraal station in de Isabellawijk, in het verlengde van het Paleizenplein (met ondergrondse spoorverbinding via het Paleizenplein en de Montoyerstraat naar het Luxemburgstation in de Leopoldswijk). 1891: ontwerp van Henri Maquet voor een bovenstad - benedenstadverbinding en centraal station (verdere uitwerking van het project van 1884). 1893: de Stad Brussel stelt een nieuwe verkaveling voor van de Sint-Rochuswijk. Project Noord-Zuidspoorwegtracé van F. Bruneel, ingenieur bij de Spoorwegen. 1894: voorstel van Karel Buis, burgemeester van de Stad Brussel, voor een bovenstad - benedenstadverbinding en de sanering van de Hofbergwijk.


Actie: slopen en bouwen 1894: nota, gedateerd 13 april, van Leopold II aan Minister De Bruyn van Openbare Werken, met betrekking tot het inschrijven van een bedrag van 450.000,-fr op de buitengewone begroting van 1894 'pour Ie redressement de la Montague de la Cour'. Deze subsidies worden slechts toegekend onder de strikte voorwaarde dat de bovenstad - benedenstadverbinding wordt uitgevoerd volgens de plannen van Henri Maquet (zie nota, gedateerd 30 april 1894, van Minister De Bruyn aan het Stadsbestuur van Brussel). De Stad Brussel aanvaardt het ontwerp Maquet (gemeenteraadszittingen van 2 juli en 19 november). 1895: overlijden van Alphonse Balat. Leopold II keurt het ontwerp van Henri Maquet goed. Koninklijk Besluit van 10 januari voor de aanleg en de inrichting van de Koudenberg. 1896-1901: vijf opeenvolgende Koninklijke Besluiten met betrekking tot de subsidiëring van de sanering van de Hofbergwijk, voor een bedrag van telkens 90.000,-fr. (zie nota van Leopold II van 13 april 1894). 1897-1898: afbraak van de Sint-Rochuswijk (leidt uiteindelijk tot het ontslag van Karel Buis als burgemeester op 16 december 1899). 1898: in augustus presenteert Henri Maquet een nieuw ontwerp voor de uitbreiding van het Museum voor Schone Kunsten (in de lijn van het ontwerp van Balat uit 1882), met bovenstad - benedenstadverbinding en centraal station in de Putterijwijk (zie ontwerp van 1881). Bouw van de apotheek Delacre, Koudenberg 64-66, naar ontwerp van Paul Saintenoy.

1899: bouw van het warenhuis 'Old England', Hofberg 2, naar ontwerp van Paul Saintenoy, in samenwerking met Jules De Becker en ingenieur Wyhowski. 1899: Wet van 14 september 1899: krediet van 3,5 miljoen op de buitengewone begroting van 1899 voor het museumproject van Henri Maquet. 1901: oprichting van de 'Ligue intercommunale contre Ie métropolitain' (tegen de Noord-Zuidverbinding en het centraal station in Putterijwijk). 1902: project 'Mont des Arts' van Henri Maquet (met Museum voor Moderne Kunst, Koninklijke Bibliotheek, Rijksarchief, en kantoren voor het Bibliografisch Instituut, de 'Académie de Belgique', de Koninklijke Commissie voor Monumenten). Publikatie van het project in de Chronique des Travaux Publics van 1 juni 1902. 1903: oprichting op 15 januari 1903 van het 'Comité d'Etudes du Vieux Bruxelles', naar aanleiding van de sloping van de Sint-Rochuswijk en de dreigende sloping van de wijken Putterij, Ter Arken en Isabella. 1903: Conventie - Wet van 7 april 1903: overeenkomst tussen de Stad Brussel en de Belgische Staat voor de bouw van een centraal station in de Putterijwijk (op het tracé Bruneel, gepubliceerd op 12 april in de Chronique des Travaux Publics), de aanleg van de Kunstberg en de bouw van het Museum voor Moderne Kunst. De wijken Putterij, Ter Arken en Isabella worden gesloopt. Aanleg van de Koloniënstraat en de Ravensteinstraat.

U R B A N I S A T I O N DCS A B O R D S DE LA

JONCTIONNORD-MIDI SITUATION CN 1959

Tracé vein de .Moorcl-Ziiiclycrhiiuliiii>. Tuestuiul voor (1903) en na beëindiging van de werken (1959) (Brunfaut F.. La Junction, 1959)

15 M&L


Plan voor de inplanting van het Centraal Station en de heraanleg van de Putterijwijk, gehecht aan de conventie tussen Stad en Staat van 1903 (S.A.B., PP., 2851)

De Putterijstraat, omstreeks 1903 (verzameling G. Abeels, foto Sint-Lukasarchief) M&L 16


De 'voorlopige' Kunstberg-tuin, aangelegd in 1909 naar de plannen van architect Vacherot (foto Sint-Lukasarchief)

Uitstel 1908: Henri Maquet presenteert zijn 'definitief' project voor de Kunstberg. Het plan wordt door de Kamer en de Senaat afgewezen. Op 21 augustus 1908 keurt de Kamer een subsidie van 800.000,-fr. goed op de buitengewone begroting van 1908 om de 'ruïnes' van de Sint-Rochuswijk te verbergen in functie van de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1910. 1909: aanleg van de 'voorlopige' Kunstberg-tuin naar het ontwerp van de Franse architect Vacherot. De regering keurt een budget van 4 miljoen goudfranken goed voor de transformatie van de Putterijwijk, in functie van het bouwen van een centraal station. 1911-1914: bouw van het gedeelte van de Noord-Zuidverbinding tussen de Kapellekerk en de Zuidlaan (viaduct). 1913: eerste ontwerp van Victor Horta voor een Centraal Station. 1914: beëindiging van de nivelleringswerken voor het Centraal Station. Het ontwerp van architect Joseph Caluwaers voor de Kunstberg wordt gepubliceerd in L'Emulation (nr. 9 en nr. 10 van 1926). Het project Caluwaers wordt voorgelegd aan een commissie met afgevaardigden van het Rijksarchief, de Koninklijke Bibliotheek, de Diensten van Bruggen en Wegen, en de architecten Victor Horta, Oscar Van de Voorde en Charles Van Rysselberghe. Caluwaers krijgt de opdracht voor het uitvoeringsontwerp van het bibliotheekgedeelte. 1921: het parlement blokkeert de budgetten voor de Noord-Zuidverbinding 1922: wetsontwerp (13 juli 1922) van Xavier Neujean, Minister van Spoorwegen, voor de stopzetting van de werken aan de Noord-Zuidverbinding. 1922-1928: bouw van het paleis voor Schone Kunsten naar ontwerp van Victor Horta. 1931: de Noord-Zuidverbinding wordt in de Senaat verdedigd door de 'joinctionistes' Paul Segers, Victor Waucquez en Paul Crokaert. 1931-1934: bouw van de Shell-building (hoek Cantersteen en Ravensteinstraat) naar het ontwerp van Alexis Dumont.

De Putterijwijk tijdens de slopingswerken, omstreeks 1908 (verzameling G. Abeels, foto Sint-Lukasarchief)

Luchtfoto van de Putterijwijk, omstreeks 1928 (foto Sabena, verzameling Horta-museum, reproductie Sint-Lukasarchief)

17 M&L


De Koninklijke Bibliotheek en de bouwwoede rond het Centraal Station: het einde van het 19de-eeuwse bouwblok Na een lange onderbreking — mede door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog — werden de projecten van de Kunstberg en van de Noord-Zuidverbinding, met het Centraal Station, pas in 1935 opnieuw opgenomen. Tussen het Paleizenplein en de Ravensteinstraat was ondertussen in de periode 1925-1928 het Paleis voor Schone Kunsten gebouwd naar het ontwerp van Victor Horta. In 1935 werd de Office National pour VAchèvement de la Jonction Nord-Midi opgericht. Het in hetzelfde jaar gestichte Albert IBibliotheekfonds richtte in 1937 een stedebouwkundige ideeënwedstrijd in voor de Kunstberg, in functie van de bouw van de Koninklijke Bibliotheek. Een grondige analyse van de ingezonden ontwerpen, onder andere van de laureaten Jules Ghobert en Edward Van Steenbergen, zou kunnen verduidelijken in hoeverre nieuwe stedebouwkundige en architecturale inzichten die door de moderne avant-garde sinds 1918 werden ontwikkeld reeds ingang hadden gevonden. Het project dat tussen 1954 en 1969 werd gerealiseerd door Jules Ghobert en Maurice Hoyoux (laureaat van de wedstrijd die in 1938 werd ingericht voor een Koninklijke Bibliotheek in de Kruidtuin) is van een duidelijk classiciserende signatuur in de lijn van de monumentale projecten van Arveuf De La Roche, Trappeniers, Balat en Maquet.

Perspectieftekening van het ontwerp 'Akropolis', de inzending van architect Edward Van Steenbergen voor de stedebouwkundige ideeënwedstrijd voor de Kunstberg, 1937 (Albert I Bibliotheekfonds. Verslag aan de Regeering over zijn werkzaamheden sedert zijn stichting in 1935, 1946. pi. 17)

\

3Êö6Nf' £

—mt

«OF'

3 „.

\f%

—^sss^r

«^LiClu

••.,

• ':1-':

{ :

;

Perspectieftekening van het ontwerp 'Sérénité, Ordre, Expression' van architect Jules Ghobert voor de stedebouwkundige ideeënwedstrijd van de Kunstberg, 1937 (foto Archives d'Architecture Moderne) M&L 18


Ontwerp (maquette) voor de aanleg van de Kunstberg door architect Jules Chobert. uit 1946 (Albert I Bibliotheekfonds. Verslag van de Regeering over zijn werkzaamheden sedert zijn stichting in 1935, 1946. pi. 33)

Ontwerp (plan) voor de aanleg van de Kunstberg door architect Jules Ghobert. uit 1946 (Albert I Bibliotheekfonds. Verslag van de Regeering over zijn werkzaamheden sedert zijn stichting in 1935, 1946, pi. 50)

Ontwerp (perspectief) van de aanleg van de Kunstberg door architect Jules Ghobert, uit 1946 (Albert I Bibliotheekfonds. Verslag van de Regeering over zijn stichting in 1935, 1946, pi. 65)

19 M&L


i >

•

>

4

\

•"

Ir

iOntwerp (maquette) voor de Albert I Bibliotheek door architect Maurice Houyoux, uit 1946 (Albert I Bibliotheekfonds. Verslag van de Regeering over zijn werkzaamheden sedert zijn stichting in 1935, 1946. pi. 84)

Ontwerp (perspectief) voor de Grote vestibule van de Albert I Bibliotheek door architect Maurice Houyoux. uit 1946. (Albert I Bibliotheekfonds. Verslag van de Regeering over zijn werkzaamheden sedert zijn stichting in 1935, 1946. pi. 102)

Ontwerp (perspectief) voor de patio van de Albert 1 Bibliotheek door architect Maurice Houyoux. uit 1946 (Albert I Biliotheekfonds, Verslag van de Regeering over zijn stichting in 1935, 1946, pi. 99)

****.

--^-.r-

••"««•Mil

~in'mr*t.t,r:*gx

M&L 20


Boven: Perspectief van de lokettenhal van het Centraal Station, door architect Albert Demesmaeker uit 1940, naar het ontwerp van architect Victor Horta uit 1937 (foto Archives d'Architecture Moderne) Rechts: De lokettenhal van het Centraal Station kort na de voltooiing in 1952 (foto Archives d'Architecture Moderne)

Architectuur en stad: de Albertina en het centraal station 1935: oprichting op 7 maart 1935 van het 'Albert Ibibliotheekfonds'. 1935: Wet van 11 juli 1935 betreffende de oprichting van het 'Nationaal Bureau voor de voltooiing van de Noord-Zuidverbinding' {'Office National pour l'achèvement de la Jonction Nord-Midi') 1936: wedstrijd ingericht door het 'Centre BelgoLuxembourgeois d'Information de l'Acier', 'pour l'étude d'immeubles a appartements en ossature métallique au dessus des tunnels de la jonction nord-midi' (terrein gelegen aan de 'rue d'or') inzendingen van onder andere Louis Herman De Koninck (in samenwerking met A. Cornut) en van Gustave Herbosch. 1937: ideeënwedstrijd voor de inrichting van de Kunstberg, in functie van de bouw van de Koninklijke Bibliotheek. Resultaat: eerste prijs, ex aequo, Jules Ghobert en Edward Van Steenbergen. 1937-1952: bouw van het Centraal Station naar het ontwerp van Victor Horta, in samenwerking met Maxime Brunfaut. 1938: wedstrijd voor de bouw van de Koninklijke Bibliotheek in de Kruidtuin. Resultaat: eerste prijs, Maurice Hoyoux. 1939: de regering kiest uiteindelijk de Kunstberg uit voor de inplanting van de Koninklijke Bibliotheek Albertina.

Het Centraal Station en het Europakruispunt kort na de voltooiing in 1952 (foto Archives d'Architecture Moderne)

M&L 21


In dezelfde periode werden tussen de Ravensteinstraat, de Loxumstraat, de Keizerinlaan en de Kunstberg een aantal grote gebouwen gerealiseerd: het Centraal Station dat tussen 1937 en 1952 werd gebouwd naar het ontwerp van Victor Horta en Maxime Brunfaut ( 1909); het Sabena-terminusgebouw van Maxime Brunfaut, gebouwd tussen 1952 en 1954; de Ravensteingalerij (1954-1956) naar het ontwerp van Alexis (1877-1962) en Philippe Dumont (1914); het RTT-gebouw van Leon Stynen ( 1899) en Paul De Meyer ( 1922), gebouwd tussen 1959 en 1965 en het Westbury-hotel (1962-1963) van R. Goffaux en C. Heywang. Deze gebouwenrij bepaalde tot voor kort het profiel van de bovenstad tussen de SintMichielskathedraal en de Kunstberg, gezien vanuit de Grasmarkt. Ieder van deze gebouwen neemt een volledig bouwblok in. Men zou kunnen stellen dat de 'klassieke' morfologie van het Koningsplein en het 19de-eeuwse Hausmanniaanse gesloten bouwblok met binnenhof nu de grenzen van hun stedebouwkundige en architecturale mogelijkheden hebben bereikt. Castex, Depaule en Panerai spreken in De rationele stad: van bouwblok tot wooneenheid van de "Morfologische degradatie van het bouwblok" (11). Het is een ontwikkeling in "het architectonisch denken over de stad" die zij omschrijven als "de doodstrijd van een bepaalde ruimtelijke organisatie: het gesloten bouwblok, kenmerk van de klassieke Europese stad, dat door de 19de eeuw wordt getransformeerd en door de 20ste afgeschaft" (12).

M&L 22

De 'Air Terminus' van Sabena door architect Maxime Brunfaut uit 1952-1954 kort na de voltooiing (foto Archives d'Architecture Moderne)

Luchtfoto van de omgeving van het Centraal Station omstreeks 1970 (foto Inbel)


De 'Air Terminus' van Sabena door architect Maxime Brunfaut uit 1952-1954. kort na de voltooiing (foto Archives d" Architecture Moderne)

Bouwwoede rond het centraal station

Hal van de 'Air Terminus' van Sabena door architect Maxime Brunfaut uit 1952-1954, kort na de voltooiing (foto Archives d'Architecture Moderne)

1948-1957: bouw van de Nationale Bank aan de Berlaimontlaan naar ontwerp van Marcel Van Goethem. 1952: inhuldiging op 4 oktober 1952 van het centraal station. 1952-1954: bouw van de Sabena - terminus (Keizerinlaan) naar het ontwerp van Maxime Brunfaut. 1954-1956: bouw van de Ravensteingalerij (tussen Cantersteen en Ravensteinstraat) naar ontwerp van Alexis en Philippe Dumont. 1954-1969: bouw van het Kunstberg-Albertinacomplex naar ontwerp van Maurice Hoyoux en Jules Ghobert. Inhuldiging op 17 februari 1962. 1954: voltooiing van de Noord-Zuidverbinding (zes sporen). 1954: voltooiing van het nieuwe Zuidstation naar ontwerp van Adrien Blomme, Yvan Blomme en Fernand Petit. 1956: voltooiing van het nieuwe Noordstation naar ontwerp van Paul Saintenoy, Jacques Saintenoy en J. Hendrickx-Van den Bosch. 1959-1965: bouw van het RTT-gebouw (Keizerinlaan), naar ontwerp van Leon Stynen en Paul De Meyer. 1962-1963: bouw van het Westbury-hotel (hoek Kardinaal Mercierstraat en Loxumstraat) naar ontwerp van R. Goffaux en C. Heywang. 23 M&L


Modernisme en de Stad Brussel: de invloed van Le Corbusier rond 1930 Deze ontwikkeling is mede het resultaat van de uitwerking van nieuwe stedebouwkundige concepten door de Moderne Beweging, en meer bepaald dit van de "vrijstaande hoogbouw in het groen" (13): de "Ville contemporaine de 3 millions d'habitants" (1922), het "Plan Voisin" voor Parijs (1925) en "La ville radieuse" (1930) van Le Corbusier (1887-1965) zijn hiervoor belangrijke theoretische modellen die de stedebouwkundige praktijk van zowel stadsuitbreiding als stadsvernieuwing, vooral na de Tweede Wereldoorlog, ingrijpend zullen beïnvloeden. In 1930 werd in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten van Victor Horta het derde "Congres Internationaux d'architecture moderne" (CIAM) georganiseerd onder het voorzitterschap van Victor Bourgeois (1897-1962) en met als thema "Rationele manieren van bebouwen".

kaai). In 1927 reeds schreef Bourgeois in verband met de Noord-Zuidverbinding dat "enkele vrijstaande blokken van twintig of dertig verdiepingen in een grote open ruimte, een veel rijker panoramische uitnodiging zouden uitmaken dan straten afgeboord met woningen van middelmatige hoogte" (16). Bourgeois ontwerpt een stationswijk van dit type met Noord-Zuid-gerichte strokenbouw tussen de Begijnhofkerk en de Ring tussen de Antwerpse poort en het IJzerplein (het Groot Godshuis (1824-1827) van Henri L.F. Partoes (1790-1873) wordt afgebroken). Aan de andere zijde van de Ringlaan verrijst aan weerszijden van de Antwerpse Steenweg een "Nouveau quartier" (...), un quartier moderne avec bloes (...) sans cours intérieures (continuité des espaces libres et des artères pour piétons) (...). Les constructions doivent être nécessairement élevées et importantes. A rapprocher cette conception rationnelle des actuelles methodes de lotissement: ilóts triangulaires avec cours intérieures étriquées et a chaque angle, reserrement, étouffement. La largeur des rues ne suffit pas a assurer la salubrité des immeubles qui les bordent. Il y a le revers de la médaille, les fagades postérieures, les cours" (17).

Le Corbusier hield er een uiteenzetting over zijn "Ville Radieuse" en over "Le parcellement du sol des villes". Het jaar voordien had Bourgeois de uitgangs- Opmerkelijk is dat Bourgeois in zijn ontwerp het punten van zijn ambitieuze plan voor "Le Grand-Bru- monumentale hart van Brussel — het "Ilót sacré" xelles" uiteengezet in het tijdschrift 7 arts (14). Het vrijwaart. Reeds in 1927 schreef hij: "Creation d'un werd in extenso gepubliceerd in 1930 in La Cité (15). régime d'artères de repos a travers Bruxelles oü s'édiOp macroschaal — de ABC-as Antwerpen, Brussel, fieraient de plus en plus des magasins importants, dont Charleroi — wordt de Brusselse agglomeratie het toute circulation de véhicules serait bannie, et oü les verkeersknooppunt van internationale spoorwegen, hauteurs des magasins seraient strictement limitées a autosnelwegen en vliegroutes: het verkeer bepaalt de cause de I'indispensable étroitesse de la voirie. L'épine stedebouwkundige organisatie, de architectuur volgt. dorsale de ces canaux de promenade pourrait, par Hij ontwerpt een Noord-Zuidverbinding met autoweg exemple, être le parcours suivant qui realise déjd en en spoorweg die het westelijke deel van het "hart van partie les conditions énoncées et oü d'interessants batiBrussel" doorsnijden (met een centraal station ter ments historiques seraient conserves: Place Royale, hoogte van de Handelskaai, Steenkoolkaai en Kalk- Montague de la Cour, Madeleine, Galeries Saint-

Plan van het ontwerp door architect GJ. Herbosch voor de architectuurwedstrijd ingericht door het Centre Belgo-Luxembourgeois d'Infonnation d'Acier, in 1936 fL'Ossature Métallique, 1937, 7-8, fig. 534) M&L 24


Perspectief van het ontwerp van architect G.J. Herbosch voor de architectuurwedstrijd ingericht door het Centre Belgo-Luxembourgeois d'Information d'Acier, in 1936 (verzameling Archives d'Architecture Moderne)

Hubert, Rue de l'Ecuyer, Place de la Monnaie, Rue Michel (1912-1988) een voorstel voor Brugge (1938). Neuve" (18). Hij ontwikkelde dit verder in La Cité: Voor Brussel zijn geen gelijkaardige, omvattende "Il faut balancer l'extrême agitation des villes par des voorstellen van die omvang bekend. Interessant in dit zones sans fièvre (...). Ce but peut être atteint par opzicht — zij het van beperkte schaal — is de wedI'organisation d'un régime d'artères de repos (...) oü strijd die in 1936 werd ingericht door het Centre serait en quelque sorte reconstitueé l'atmosphère de Belgo-Luxembourgeois d'Information de l'Acier "... l'ancienne Montagne de la Cour: voie étroite, maisons pour l'étude d'immeubles a appartements en ossature de commerce, badaudage, calme (...), rétablissement métallique a ériger au-dessus des tunnels de la lonction sur Ie 'Mont des Arts' de magasins, d'un musée en Nord-Midi", en waarvan de resultaten werden gepuplein air, de cafés avec terrasses, d'oü de belles vues bliceerd in het tijdschrift L'ossature métallique (21). pourraient être ménagées sur la ville historique et sur la ville moderne: gratte-ciel. Opéra, Bourse, jardins a De meeste projecten lijken op een eerder 'traditioneédifier sur les terrains de la Putterie..." (19). Het le' wijze de door de aanleg van de Noord-ZuidverbinEuropakruispunt krijgt vorm... . ding aangetaste bouwblokken te willen herstellen. Niettegenstaande het verleggen van de rooilijnen en In hetzelfde jaar ontwerpt Stanislas Jasinski (1901- de sterk monumentaliserende architectuur wordt de 1978) een administratieve wijk aan de Anspachlaan, 'straat' nog steeds erkend als noodzakelijk stedebouwnaast de Beurs: drie hoge, kruisvormige kantoorto- kundig uitgangspunt. In slechts twee projecten wordt rens in de geest van het "Plan Voisin" (1925) voor de morfologie van het gesloten bouwblok duidelijk Parijs van Le Corbusier. Het middeleeuwse weefsel doorbroken door de introductie van een nieuwe typoen de klassieke stad worden verdrongen door "de logie van één — het project van Louis Herman De moderne architectuur die ontstaat tegen de stad in: Koninck (1896-1984) — of meerdere — het project vanaf het Plan Voisin (...) wordt volgens dezelfde van Gustave Herbosch (1908-1976) — vrijstaande vernietigingslogica een stuktstad vervangen door een wooneenheden. Boeiend is het project van Herbosch dat de bouwblok-typologie combineert met evenwijverzameling objecten..." (20). dige hoogbouwstroken waarmee hij twee doelstellinIn dezelfde geest ontwikkelden Huib Hoste (1881- gen meende te kunnen realiseren: "Deux solutions 1957) en Renaat Braem ( 1910) een voorstel voor sont réalisables. La première, d'ordre architectural: Antwerpen (1935) en Huib Hoste en Paul-Amaury construire a rue comme par le passé, sur des lots de 25 M&L


fagades déterminées, la maison individuelle, renouvelant ['anarchie de nos'rues corridor'. La seconde, offrant un facteur nouveau profondément humain, c'est la grande part laissée dans ['urbanisme a la 'verduration'. Conception d'ensemble d'immeubles construits sur pilotis, avec Vutilisation totale du terrain en espace vert. La base devient un pare, solution collective et favorable, correspondant d l'augmentation des loisirs provenant de la diminution des heures de travail (...). Aux logis sains correspondront des espaces de délassement, oasis au centre des cités" (22). 'Boulevard of broken dreams' Het Europakruispunt is het lege en onherbergzame

slagveld van twee eeuwen strijd tussen bovenstad en benedenstad, tussen diverse stedebouwkundige en architecturale concepten, aangewakkerd door de aanleg van de Noord-Zuidverbinding. Aan de randen van het Europakruispunt liggen nu fragmenten van de middeleeuwse stad, van de klassieke stad en van de moderne stad ... enkele realisaties en veel ontwerpen. In de voorbije twintig jaar werden diverse plannen voorgesteld om deze onvoltooide projecten te voltooien. De recente realisatie van de hotels aan de Grasmarkt is er verreweg het ongelukkigste van, een aanfluiting van ieder architecturaal en stedebouwkundig fatsoen. Rest nu nog een kleine smalle strook aan de rand van de Keizerinlaan om vooralsnog het Europakruispunt te redden, bijna driehonderd jaar na de eerste modernisering van het middeleeuwse Brussel. 1995 is niet ver meer af.

Perspectieftekening door de architecten L.H. De Koninck en A. Cornut voor de architectuurwedstrijd Belgo-Luxembourgeois d'Information d'Acier in 1936 (L'Ossature Métallique, 1937. 7-8, fig. 545)

ingericht

Pagina rechts : Plan van het ontwerp van de architecten L.H. De Coninck en A. Cornut voor de architectuurwedstrijd Centre Belgo-Luxembourgeois d'lnformation d'Acier in 1936 ("L'Ossature Métallique, 1937, fig. 549)

M&L 26

door het

Centre

ingericht door het


Het Europakruispunt: het bijzonder plan van aanleg en het einde van de architectuur 1957: oprichting van het 'Comité de I'llot Sacré'. 1960: Bijzonder Plan van Aanleg voor het Hot Sacré, goedgekeurd door de Gemeenteraad van Brussel op 21 maart 1960 (Koninklijk Besluit van 24 augustus 1960). 1961: eerste ideeënwedstrijd voor het Europakruispunt (eerste prijs: Robert Courtois). 1962: tweede ideeënwedstrijd voor het Europakruispunt (eerste prijs: Baudon). 1967: onderhands contract tussen het Ministerie van Financiën (Minister Willy De Clerck in de regering Van den Boeynants) en de 'S.A. Parking Grand' Place' (Charles De Pauw, Ado Blaton, Claude De Clerck), voor de verhuur voor 99 jaar van het Europakruispunt. 1968: bouwaanvraag parking Europakruispunt naar ontwerp van Polak en Van Meulecom dat aan de basis ligt van de wijziging van het BPA van 24 augustus 1960, bij Koninklijk Besluit van 9 augustus 1968 (het Europakruispunt wordt gescheiden van het Ilót Sacré). 1969: persconferentie van het Atelier de Recherche et d'Action Urbaine (ARAU) op 7 mei 1969 in La Mort Subite. Tegenontwerp voor het Europakruispunt van ARAU. Ontwerp Europakruispunt van Luc Deleu (Sint-Lucas-architectuurinstituut, Brussel). 1970: derde ideeënwedstrijd voor het Europakruispunt. Resultaat: tweede prijs: bureau Planning. Einde 1970 krijgt het studiebureau Tekhne de opdracht voor een synthese van de wedstrijdinzendingen. 1971: eerste synthese van het studiebureau Tekhne en confrontatie met de ideeën van het bureau Planning. Gewijzigde synthese van het studiebureau Tekhne. 1974: het bureau Planning krijgt opdracht voor de uitwerking van een Europakruispunt-project. 1975: het bureau Planning presenteert een syntheseontwerp voor het Europakruispunt. 1976: BPA-voorstel van de Stad Brussel (ontwerp Claeys). ARAU presenteert een 'esthetisch alternatief.

1978: diverse projecten van de architectuurschool 'La Cambre' onder leiding van Maurice Culot {'La Junction'van Birkye, Busieau en Neirinck, en 'Le Quartier des Arts' van D'Helft en Verliefden). 1983: wedstrijd 'Prix Bonduelle' van de 'Académie Royale de Belgique' (laureaat: Georges Baines). Presentatie van het 'projet amélioré' van Mare Heene (ARAU) (tegenvoorstel voor ontwerp BPA van de Stad Brussel). 1984: afbraak van de woningen aan de Hofberg. Koninklijk Besluit van 13 september 1984 betreffende het definitief Bijzonder Plan van Aanleg voor het Europakruispunt. 1984-1994: 'Dix ans ont suffi: le quartier de la Putterie et de la cathédrale revit. En quittant la Grande Place, habitants et touristes ne se retrouvent plus devant le vide des parkings, mais sont confrontés au spectacle de la nouvelle place du Marché aux Herbes, a l'architecture harmonieuse d'influence néoclassique' (Quinze ans d'action urbaine ou Bruxelles vu par ses habitants, ARAU, Brussel, 1984).

Bronnen Ranieri L., Leopold II, urbaniste, Brussel, 1973. Brussel, Breken en Bouwen: architectuur en stadsverfraaiing 1780-1914, Brussel, 1979 (Sint-Lukasarchief). Poelaert en zijn tijd, Brussel, 1980 (Institut Supérieur d'Architecture Victor Horta). Straten en stenen: Brussel, stadsgroei 1780-1980, Brussel, 1982 (Sint-Lukasarchief). Quinze ans d'action urbaine ou Bruxelles vu par ses habitants, Brussel, 1984 (ARAU). La Jonction Nord-Midi (tentoonstellingscatalogus), Brussel, 1986 (Gustave Abeels, i.s.m. Cercle d'histoire et d'archéologie Les Marolles).

27 M&L


Voetnoten (1) Quinze ans d'action urbaine ou Bruxelles vu par ses habitants, Brussel, 1984, p. 50. (2) Schayes A.G.B., Histoire de Varchitecture en Belgique, Brussel, (1849-1850), deel IV, p. 144. (3) Ondiette Ch., Dictionnaire géographique et topographique des treize départements de la Belgique et de la rive gauche du Rhin, Parijs, 1804, p. 49. (geciteerd in: Brussel, Breken, Bouwen: Architectuur en stadsverfraaiing 1780-1914, Brussel, 1979, p. 237, noot 16). (4) Vandenbreeden J., Hoppenbrouwers A., Luister van de 19deeeuwse gevel, in Brussel, Breken, Bouwen: Architectuur en stadsverfraaiing 1780-1914, Brussel, 1979, p. 132. (5) Des Marez G., Guide illustré de Bruxelles, 1: Les Monuments civils et religieux, Brussel. 1918, p. 237 (geciteerd in Brussel, Breken, Bouwen: Architectuur en stadsverfraaiing 1780-1914, Brussel, 1979, p. 23). (6) Buis Ch., Esthétique des villes, Brussel, 1893. Zie i.v.m. de betekenis en de inzichten van Karel Buis (1837-1914, van 18.. tot 1899 burgemeester van Brussel); Smets M., De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België: een overzicht van de volkswoningbouw, 1830-1930, Brussel-Luik, 1977, p. 63-67 (Charles Buis en de rationeel esthetische reaktie tegen de technocratie); Abeels G., Een voortdurend gevecht: Karel Buis en de esthetiek van Brussel, in Straten en Stenen: Brussel, stadsgroei 1780-1980, Brussel, 1982, p. 205-254. (7) Zie i.v.m. de stedebouwkundige ontwikkeling ten tijde van burgemeester Jules Anspach; Leblicq Y., Evolutie van het uitzicht van Brussel in de 19de eeuw, in Brussel, Breken, Bouwen: Architectuur en stadsverfraaiing 1780-1914, Brussel. 1979, p. 11-91; idem. De stedebouw te Brussel ten tijde van Poelaert, in Poelaert en zijn Tijd, Brussel. (8) Bulletin Communal de Bruxelles, 1863, II, p. 94 (geciteerd in; Leblicq Y., De stedebouw te Brussel ten tijde van Poelaert, p. 61, in Poelaert en zijn tijd, Brussel, 1980, p. 23-75). (9) Apers J., Vandenbreeden J., Van Santvoort L., Chronologisch overzicht van de belangrijkste stedebouwkundige feiten in en rond Brussel, 1780-1982, in Straten en Stenen: Brussel, stadsgroei 1780-1980, Brussel, 1982, p. 37. (10) Zie; Chroniques des travaux publics, 1 juni 1902. Zie ook Ranieri L., Leopold 11, Urbaniste, Brussel, 1973, p. 285-302. (11) Castex J., Depaule J.C., Panerai P., De rationele stad: van

M&L 28

(12) (13) (14) (15) (16)

(17) (18)

(19) (20)

(21) (22)

bouwblok tot wooneenheid, Nijmegen, 1984, p. 199 [oorspronkelijke titel; Formes Urbaines: de LTlót a la Barre, Parijs, 1980]. Castex J., Depaule J.C. Panerai P.. De rationele stad: van bouwblok tot wooneenheid, Nijmegen, 1984, p. 7. Smets M., De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België: een overzicht van de volkswoningbouw, 1830-1930, BrusselLuik, 1977, p. 148. Bourgeois V., L'urbanisme vivant. Pour Ie Grand-Bruxelles. Quelques suggestions, in 7 Arts, V (1927), nr. 14 (20 februari, p. ..). Bourgeois V., Le Grand Bruxelles, in La Cité, VIII, (1930), nr. 11, p. 165-180. Bourgeois V., L'urbanisme vivant. Ne craignons pas hauteur des immeubles dans grandeur d'air, in 7 Arts, V (1927), nr. 24 (15 mei), p. X, (geciteerd in: Smets M., De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België: een overzicht van de volkswoningbouw, 1830-1930, Brussel-Luik, 1977, p. 157). Bourgeois V., Le Grand-Bruxelles, in La Cité, VIII (1930), nr. 11, p. 165-180. Bourgeois V., L'urbanisme vivant. Pour le Grand-Bruxelles. Les monuments et ensembles historiques, in 7 Arts, V, (1927), nr. 17 (13 maart), p. (geciteerd in Smets M., De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België: een overzicht van de volkswoningbouw 1830-1930, Brussel-Luik, 1977, p. 153, n. 669). Bourgeois V., Le Grand-Bruxelles, in La Cité, VIII (1930), nr. 11, p. 165-180. Castex J., Depaule J.Ch., Panerai Ph., De rationele stad: van bouwblok tot wooneenheid, Nijmegen, 1984, p. 230. Jasinski schreef in verband met zijn ontwerp: 'Om een weinig orde of logika in die oude rommel te brengen, om aan onze ambtenaren de levensvreugde terug te schenken en een gezond arbeidsmilieu, wat dient er gedaan ? ... slopen en herbouwen." {'Slopen en bouwen', in Opbouwen, III (1933), nr. 9-11 (19 juli), p. 136; geciteerd in Smets M., De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België: een overzicht van de volkswoningbouw, 1830-1930, Brussel-Luik, 1979, p. 153, n. 688). L'ossature métallique, VI (1937), nr. 7-8 (juli-augustus), p. 321-389. Herbosch G., in L'ossature métallique, VI (1937), nr. 7-8 (juli-augustus), p. 366.


In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. Fl. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bols. Les techniques modernes sent tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus -1934

Kerk Eine -1918

Reigerstraat 8, 9000 gent Tel.: (091) 22 22 39 - 22 20 48 Fax.: (091) 20 27 75


MADE IN BELGIUM EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg

Postgebouw, Markt, Brugge. EXHYDRO® : waterbestendige steenbescherming door wtcb getest ATG/H 606

Beschermde mijnwerkers wijk in Bois Du Luc (Houdeng-Goegnies). EXHYDRO inj : droogmaking van muren tegen opstijgend vocht door injectie-diffusie onder lage druk

Het Herenhuis Vaxelaire, Sterrekundelaan, Brussel. Beschermd monument. Begin 19de eeuw. REMAL 13 : chemische gevelreiniging

Het 'Erasmushuis' in Brussel werd met onze produkten gerestaureerd. GLAZUR REMAFIX REPOX ...

RENOVATION MAINTENANCE BUREAU : 1000 Brussel - Baksteenkaai 32/B7 tel. : (02) 513 70 20 Fax. : (02) 513 22 11 tlx. : Renoma B - 23921

PVBA


de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wi| vatten dit in 5 puntjes samen:

n

De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticlteit van het monument bewaard bli|ft.

H

Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren.

El

Het materiaal moet vri| van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

•

Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.

H

Het restauratiematenaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en miektiemortels van hoogwaardige kwa[SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

Solar

K.eine Breedstraat 51 2700Sr Niklaas

voor meer informatie belt u'. Oj/jjó.pi. 61

In het labyrint van bouwspecialiteiten wijzen wij de weg

Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. : (015)24 19 68 Telefax : (015)24 28 60


Beter met de bank van hier. Hier leven en werken. Hier groeien, opgroeien, bouwen aan de toekomst omdat hier nog toekomst is. Met een sterke bank die hier haar wortels heeft. Met een grootbank die hier met u van elk obstakel een nieuwe overwinning maakt. Met de Kredietbank, de bank van hier.

EEN E R V A R E N

K I J K OP DE T O E K O M S T

j * i • w

NATUURSTEEN

AMINCK NV

VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. (03) 326 03 83 TELEFAX (03) 325 68 66

GASSTRAAT11 A 9100 LOKEREN TELEX 32158 NAVLAM TEL. (091) 48 12 17 TELEFAX (091) 48 96 61


M & L Binnenkrant

(tekening Hoogpoort)

Inhoud nr. 39 / Bijlage bij M&L 8/2 - Maart-April 1989 B.M.L.-Activiteiten Buitenkrant Tentoonstelling Literatuur K.C.M.L

.2 .4 .8 .13 14


CD 88 901. De Beiaard van het Gentse Belfort Op donderdag 6 april laatstleden had in het Toreken te Gent de persvoorstelling plaats van een zesde compact disc in de reeks 'Orgels in Vlaanderen-Zingende Torens'. Aan de beurt was ditmaal de beiaard van de Gentse belforttoren, virtuoos bespeeld door Jos d'Hollander, stadsbeiaardier van Gent, docent aan de Koninklijke Beiaardschool te Meche len en aan het Lemmensinstituut te Leuven, en zijn zoon Geert, stadsbeiaardier te Mechelen. De Beiaard van Gent is een meesterwerk van Pieter Hemony (1619-1680), de 'Stradivarius van het klokkenspel'. Het is bovendien de meest uitgestrekte middentoonbeiaard ter wereld, met twintig klokken in het basregister (pedaal) en drieëndertig klokken in het discantregister (manuaal). De speeltafel of het klavier omvat drieënzeventig toetsen (drieénvijftig in het manuaal en twintig in het pedaal). De CD-opname laat het volledig gamma horen van de meest uiteenlopende speelmogelijkheden en benaderingen van het instrument: eenvoudige liederen; dansen; barokwerkjes (deels bewerkte clavecimbelmuziek, deels oorspronkelijke beiaardmuziek); beschrijvende muziek uit de laatromantiek; authentieke beiaard muziek vanaf 1950 tot heden; vierhandige beiaardwerken. In de programmakeuze komen de Gentse toondichters, onder wie twee achttiendeeeuwse beiaardiers, ruim aan bod. Het ligt ook voor de hand dat deze historische opname (de eerste CDopname die ooit is gemaakt van de Gentse beiaard en tevens de eerste DDD-Compact Disc met beiaardmuziek) aanvangt met het Gentse stadslied "Boven Gent rijsf van Johan Destoop (tekst van Albert Rodenbach).

ml

m

\

fl f

,

;

1 \1

ggk ^^^

_

De historische Hemony-klokken van de Gentse beiaard

CDM90I

CARILLON OF THE BELFRY OF GHENT Jtnqfrtöf

lorrn»

•A W De Beiaard van het Gentse Belfort (speelduur 66'3T') werd digitaal opgenomen door de studio G. Steurbaut, en is een co-productie van René Gailly, International Productions en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Bestuur voor Monumenten en Landschappen.

2

jlH

Wtm^*'-'"

I M&L BINNENKRANT I

- ^


RESTAURA Het poortgebouw en gastenkwartier van het voormalig Karthuizerklooster te Lierde (Sint-Martens-Lierde) De bij Besluit van de Vlaamse Executieve van 11 april 1984 beschermde overblijvende gebouwen van het voormalig Karthuizerklooster te SintMartens-Lierde — de kerk werd reeds vroeger als monument beschermd — begrenzen thans een dorpsplein, voordien binnenplaats van het klooster. Deze gebouwen zijn het gastenkwartier met centrale poort, het brouwershuis (thans pastorie), een schuur, het zogenaamde 'kloosterhuis' en het van meet af aan ook als parochiekerk bestemde bedehuis. Enkele iconografische documenten geven een beeld van de vroegere aanleg en uitzicht van het Karthuizerklooster: een aquarel van 1640, een figuratief plan uit het einde van de 18de eeuw, een schilderij, bewaard in de pastorie dat een reconstructie van het klooster voorstelt, met 'V.d.B. 1880' is gesigneerd en waarbij de schilder zich waarschijnlijk mede heeft laten inspireren door genoemd figuratief plan, alsook nog een litho-

Hef gastenkwartier met poortgebouw vóór de restauratie

grafie van A. Heins die de naast de schuur gelegen doch nu verdwenen neerhofwoning voorstelt.

Het gastenkwartier met poortgebouw na de restauratie

M&L BINNENKRANT I

Aan het in 1329 te Sint-Martens-Lierde gestichte Karthuizerklooster werd in 1578 tijdens de godsdiensttroebelen aanzienlijke schade toegebracht. Vanaf 1600 tot omstreeks 1625 werden herstellingswerken uitgevoerd. Van 1722 tot 1725 werd een nieuwe kerk gebouwd en omstreeks dezelfde tijd onder meer ook een nieuwe woning voor de prior en voor de procureur, een eetzaal, een bibliotheek en een archief. In 1770 werd begonnen met de bouw van een nieuwe brouwerij en gastenkwartier met portiersgebouw. De thans nog bewaarde constructies dateren alle van de grote verbouwingscampagnes in de 18de eeuw. Ten gevolge van de door Keizer Jozef II ingevoerde hervormingen werd de

3


orde opgeheven en werden haar goederen verkocht. De overblijvende gebouwen zijn thans eigendom hetzij van particulieren (gastenkwartier, kostershuis en schuur), hetzij van de gemeente (pastorie). Einde 1984 werd architect L. Coolens door de eigenaar gelast met het opmaken van een restauratiedossier voor de inkompoort en de links aansluitende vleugel van het voormalig gastenverblijf. In hoofdzaak betrof het herstellingswerken aan het baksteenparament van de huidige woning en in de doorgang van de inkompoort, aan het pleister- en schilderwerk rond de doorgangen en in het fronton van deze inkompoort, herstel, respectievelijk vernieuwing van de slechte dakstructuur en van de dakbedekking, alsook vernieuwing van het buitenschrijnwerk. Aan de kalkstenen plinten en omlijstingen van ramen en deuren, van doorgangen en fronton van de inkompoort werd omzeggens niet geraakt. De werken, voor een bedrag van 7.920.660,-fr. (exclusief BTW), waarvan 6.906.119,-fr. (exclusief BTW) subsidieerbaar, toegewezen aan de firma A. & P. Serck uit Gent, namen een aanvang in maart 1988; hun beëindiging wordt voorzien voor april 1989. De beslissing om het vernieuwd pleisterwerk rond de poortdoorgangen en in het fronton te schilderen in een lichte okertint in plaats van het meer vertrouwde wit werd plaatselijk op doorgaans positieve reacties onthaald. Voor deze optie heeft men zich trouwens gebaseerd op de voorstelling bij het genoemde schilderij uit 1880. Voor het vensterschrijnwerk werd geopteerd voor een eenvoudig laat18de-eeuws model. Door slechte weersomstandigheden moest met de uitvoering van het schilderwerk evenwel nog wat worden gewacht. Een probleem stelde wel de retouche hier en daar met reparatiemortels bij de kalkstenen neggen van de poortdoorgangen. Hoewel kleurverschil tussen het bestaande werk en de bijgewerkte gedeelten tot een minimum kon worden beperkt, moest worden vastgesteld dat toch een storend aspect ontstond bij regeninslag op de westzijde. Aldus werd het meest delicate punt van steenretouche met reparatiemortels duidelijk aan de orde gesteld, namelijk het vooralsnog niet opgeloste probleem van het verschil in waterabsorptievermogen tussen het produkt en de natuursteen.

WETEN REGELGEVING Omzendbrief van 6 maart 1989 betreffende werken aan gebouwen bestemd voor een erkende eredienst. Op 6 maart 1989 heeft de Gouverneur van Limburg aan de gemeenten en kerkfabrieken van zijn provincie een rondschrijven gericht met betrekking tot de herstellings- en aanpassingswerken aan gebouwen bestemd voor een erkende eredienst. Aangezien het een zaak betreft die voor de Monumentenzorg zeer belangrijk is, meende de redactie dat het zinvol was de inhoud van deze brief hier integraal te publiceren. Geachte Dames en Heren, Geachte Heren, Betreft: Herstellings- en aanpassingswerken aan gebouwen bestemd voor een erkende eredienst Er wordt nog steeds vastgesteld dat er werken worden uitgevoerd aan gebouwen van de wettelijke ingerichte parochiale eredienst zonder de voorafgaande Koninklijke machtiging dewelke vereist wordt door artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 16 augustus 1824: "Het is verboden nieuwe kerken of nieuwe gebouwen, voor de uitoefening van de openbare eredienst bestemd, te stichten en op te richten, de bestaande weder op te bouwen of er de inrichting van te veranderen, zonder onze voorafgaande toestemming. De kerkelijke besturen zullen zich slechts bezig houden met de onderhoudsherstellingen, vereist voor de instandhouding der gebouwen". Dienaangaande wil ik U nogmaals het schrijven van 03.11.1986 van de Heer Staatssecretaris van Justitie, U medegedeeld bij mijn brief van 26.11.1986, in herinnering brengen.

Hedwig Van den Bossche.

Voor wat betreft de wijzigingen aan de binneninrichting der kerken adviseer ik U vooraf steeds advies te vragen van het Bisdom en indien het wijzigingen betreffen aan merkwaardige interieurs, al of niet beschermd, kan U altijd advies vragen aan het Bestuur voor Monumenten- en Landschapszorg. Mijn rondschrijven van 11.06.1985 had reeds op deze aangelegenheid betrekking.

4

M&L BINNENKRANT I

Tevens wens ik hierbij uw bijzondere aandacht te vestigen op de aan de kerkmeesters toevertrouwde opdracht — artikel 41 van het Decreet van 30 december 1809 — dewelke als doel heeft een regelmatig onderhoud en bijgevolg een goede bewaring van de gebouwen te verzekeren. In dit verband werd U de brief, dd. 03.06.1981, van de Minister van Justitie toegezonden op 17.06.1981. Teneinde grote uitgaven voor herstellingswerken te voorkomen is het dan ook belangrijk dat tijdig de nodige vaststellingen worden gedaan en een opdracht tot het samenstellen van een werkendossier wordt gegeven. Mag ik hierbij aandringen dat U erop toeziet dat voor dergelijke opdrachten een beroep wordt gedaan op terzake bevoegde en bekwame architecten. Ook vraag ik U mij steeds het ontwerpdossier voorafgaand aan het aanvatten van de gunningsprocedure voor advies over te maken. Dit dossier zal dan ook door mijn zorgen voorgelegd worden aan de Diocesane commissie van het Bisdom. Wanneer het dossier noch van mijnentwege noch vanwege het Bisdom aanleiding geeft tot opmerkingen zal ik U de toestemming verlenen tot het aanvatten van de gunningsprocedure. Te zijner tijd zal U mij dan het gunningsdossier voorleggen zodat ik het kan overmaken aan de Minister van Justitie voor het bekomen van de Koninklijke machtiging voor het uitvoeren der werken. Tot slot wens ik er nog uw aandacht op te vestigen dat voor het uitvoeren van werken, in toepassing van het Koninklijk besluit van 23 juli 1981 (B.S. 10.09.1981), subsidies kunnen bekomen worden vanwege het Vlaamse Gewest. Voor werken aan niet-monumentale gebouwen bedraagt de subsidie 30 96. De verdeling van de kosten voor werken aan monumentale gebouwen — Gewest 60 %, Provincie 20 %, Gemeente 10 % en Kerkfabriek 10 % — wordt geregeld door het besluit van de Vlaamse Executieve van 4 juli 1984 (B.S. 04.07.1984), bekrachtigd door het Decreet van 30 oktober 1984 (B.S. 30.10.1984). De procedure voor het indienen van deze dossiers werd vastgelegd bij het besluit van de Vlaamse Executieve van 28 oktober 1987 (B.S. 28.11.1987). Het ontwerpdossier voor


werken aan monumentale gebouwen dient te worden samengesteld overeenkomstig de richtlijnen van het Ministerieel Besluit van 1 februari 1988 (B.S. 29.03.1988). Hierbij wil ik er nogmaals uw aandacht op vestigen dat tijdig de nodige vaststellingen van de gebreken aan de gebouwen worden gedaan zodat de termijn voor de afhandeling van een subsidiedossier geen beletsel mag zijn voor de indiening van een dergehjk dossier en voor de goede afloop der werken. Aangezien ik ervan in kennis werd gesteld dat de subsidieringsmogehjkheden onvoldoende worden benut en teneinde de gemeentelijke tussenkomsten tot een minimum te beperken durf ik aandringen op het optimaal benutten van deze mogelijkheden. Mag ik U vragen in de toekomst strikt rekening te houden met de wettelijke bepalingen en gegeven onderrichtingen. Door het niet naleven van deze wettelijke bepalingen stelt U zich als opdrachtgevend bestuur overigens bloot aan de straffen bepaald bij de wet van 6 maart 1818, gewijzigd bij de wetten van 5 juni 1934 (B.S. 14.06.1934) en 14 juni 1963 (B.S. 26.06.1963). Tevens gelieve U van de inhoud van dit schrijven mededeling te geven aan de gemeenteraad en de kerkfabriek in hun eerstkomende vergadering. Met achting, A. Vandermeulen, Gouverneur.

Wet- en Regelgeving. Monumenten, Stads- en Dorpsgezichten Sinds kort is een (eerste) addendum beschikbaar bij de tweede uitgave (1987) van de brochure Wet- en Regelgeving, uitgaande van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Meteen worden aan deze brochure 14 pagina's toegevoegd, waarin: 1. Het besluit van de Vlaamse Executieve van 28 oktober 1987 houdende vaststelling van de procedure inzake de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd. 2. De omzendbrief van 28 oktober 1987 ter verduidelijking van het

besluit van de Vlaamse Executieve houdende vaststelling van de procedure inzake de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd. 3. Het ministerieel besluit van 1 februari 1988 betreffende de wijze waarop bij aanvraag van subsidies van de Vlaamse Gemeenschap voor werken aan beschermde monumenten die toebehoren aan regionale of lokale besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen, het ontwerpdossier wordt samengesteld.

Wet- en Regelgeving. Monumenten, Stads- en Dorpsgezichten. Addenda december 1988. Op schriftelijke aanvraag (M&L, T.a.v. de Heer L. Tack, Belliardstraat 18, 1040 Brussel) gratis te bekomen door alle bezitters van de brochure Wet- en Regelgeving. Deze laatste kost 160,-fr. en kan besteld worden door overschrijving van dit bedrag op rekeningnummer 000-2001776-84, Fonds M&L, Belliardstraat 18, 1040 Brussel

TENTOONSTELLING Architectuur en Verbeelding in Fort Asperen Onder de titel 'Architectuur en Verbeelding' presenteert Fort Asperen (Nederland) van 4 juni tot en met 10 september een internationale tentoonstelling van hedendaagse architectuur en beeldende kunst. Op de tentoonstelling zijn negentien, speciaal voor het fort ontworpen beelden en installaties te zien van evenzoveel architecten en beeldende kunstenaars uit binnen- en buitenland. Gelijktijdig met 'Architectuur en Verbeelding' zullen in de Kijkschuur in Acquoy de resultaten te zien zijn van de zogenaamde 'Ideeënstroom': in het kader van de tentoonstelling is aan bouwkundestudenten van Technische Universiteiten, Hogescholen voor de Kunsten en Academies voor Bouwkunst gevraagd een nieuwe bestemming voor het fort te ontwerpen.

ook voor de jonge Russische architecten Alexandr Brodsku, Ilya Utkin en Yuri Awakumov, die recentelijk aan de definitieve lijst van deelnemers zijn toegevoegd. De uit Madrid afkomstige Baldeweg verwierf onlangs de opdracht voor de bouw van het paviljoen voor de olympische spelen in 1992 in Barcelona. Half mei start de installatie van de werken; de architecten en beeldende kunstenaars zijn vanaf die datum deels aanwezig om de uitvoering van hun ontwerpen te begeleiden.

Jan Brand (Arnhem) is artistiek directeur van de manifestatie. Onder de deelnemers bevinden zich beroemdheden als Andrea Branzi (Italië), Daniel Libeskmd (Polen) en Stefan Wewerka (Duitsland). Voor het eerst ook zal in Nederland het werk te zien zijn van Juan Navarro Baldeweg (Spanje), Georges Descombes (Zwitserland) en de Amerikaan John Hejduk. Hetzelfde geldt bijna vanzelfsprekend

Onder redactie van Jan Brand en Han Janselijn verschijnt bij de tentoonstelling een boek, dat de vele, soms onverwachte raakvlakken tussen bouwkunst, beeldende kunst en design behandelt. Architecten begeven zich op het terrein van de autonome kunst en beeldende kunstenaars maken gebruik van een architectonische vormentaal. In rijk geïllustreerde thematische artikelen schetst 'Architectuur en Verbeelding' de historische samenhang tussen de bouwkunst en andere visuele kunsten. In speciaal voor dit boek geschreven biografieën wordt uitvoerig ingegaan op het werk van vijfentwintig belangrijke architecten en kunstenaars, zoals: Adolf Loos, Brancusi, Malewitch, Van Doesburg, Le Corbusier, Rietveld, Fontana, Koolhaas, Libeskmd, Coenen en vele anderen. Aan de hand van karakteris-

M&L BINNENKRANT

5


tieke projecten van deze architecten wordt de algemene ontwikkeling van stijlen vanaf 1900 geschetst. De artikelen zijn geschreven door een groot aantal internationale auteurs. Het boek verschijnt (Nederlands/ Engels) in juni 1989 bij uitgeverij Waanders; het telt 320 pagina's met 64 kleuren en 250 zwart/wit illustraties. Prijs: ca. f 49,50.

'Architectuur en Verbeelding' - Fort Asperen, Langendijk 60 in Acquoy (Nederland) - van 4 juni tot en met 10 september, toegaxikelijk van dinsdag tot en met zondag van 10 tot 18 u. S (uitsluitend gedurende de openingstijden) 034S1-19992.

Aldo Rossi. Il Teatro Domestico De alomtegenwoordige — en even onbruikbare — Conica-koffiekan (naar de konische vorm van het deksel) van de Milanees Aldo Rossi bewees op heden reeds ten overvloede dat deze onbetwiste koploper van de hedendaagse architectuurscène geen huisraad te min vindt om ook hier zijn eigenzinnige stempel op te drukken. Bij wijze van pauze na de krachttoer 'Académie de Bruxelles' — de adembenemende catalogus blijft voor iedere architectuurfreak een 'must' — brengt de Fondation pour 1'Architecture in haar stilaan vertrouwde tentoonstellingsruimte een selecte keuze uit deze nederige (?), door de Meester geknede, gebruiksvoorwerpen. Naast de Milano-stoel, de Rilievotafel, het Teatro-salon, de stoomketel Il Conica of het Momento-uurwerk, gaat onze keuze nochtans onvoorwaardelijk naar de welluidende Cabina dell' Elba, de onweerstaanbare gestreepte strandcabine-vormige kast. Het leeuwenaandeel van de collectie wordt evenwel gevormd door het dozijn artisanaal vervaardigde, handgeweven tapijten, met hun originele cartons. Onmiskenbaar bestemd voor de verlichte — en begoede — amateur, getuigen ze tegelijk van de verbazende handvaardigeheid van het Sardische Stadje Oristano.

Ditmaal geen baanbrekende catalogus, maar wel twee parallelle publikaties begeleiden de tentoonstelling: — Aldo Rossi. Il Teatro Domestico. Een leuk gedrukt en geïllustreerd, door Molteni & C. uitgegeven pamfletje met staaltjes meubilair. — Aldo Rossi. Tessiture Sarde. Een bibliofiel schrijn voor de twaalf 'monument'-tapijten, uitgegeven door Storea, met teksten van Aldo Rossi en Heinrich Klotz.

6

M&L BINNENKRANT I

Tapijt (3 x 2 m) van Aldo Rossi, artisanaal vervaardigd in Sardinië, 1986

'Aldo Rossi. Il Teatro Domestico' Fondation pour L'Architecture, Kluisstraat 55, 1050 Brussel van 14 april tot en met 21 mei, toegankelijk van maandag tot vrijdag, van 12u30 tot 19 u, zaterdag en zondag van 11 u tot 19 u.

M.M. Celis.


LITERATUUR

Milieugids. Repertorium voor milieuhygiëne, natuur en landschap, bebouwde omgeving en energie. Een co-uitgave van de Stichting Leefmilieu en Kluwer

aanvullingen redelijke volumes te beslaan. Deze volledigheid houdt tevens een continue actualisering in van deze dynamische materie. Een uiterst moeilijke doch noodzakelijke opdracht.

Deze gids wil de gebruiker ervan — van bedrijfsleider tot student, van ambtenaar tot verontruste burger — een overzicht, inzicht en wegwijzer verschaffen in het labyrint van instellingen en organisaties die op de groeiende milieumarkt met (elk een deel van) de milieuproblematiek bezig zijn. Dit opzet poogt de Stichting Leefmilieu te verwezenlijken door middel van een losbladige systeemuitgave die elk kwartaal wordt aangevuld en geactualiseerd. De milieugids zal geleidelijk aan uitgroeien tot een 1500 a 2000 pagina's tellend standaardwerk. De ruggegraat van de Milieugids wordt gevormd door 4 hoofdrubrieken: milieuhygiëne; natuur en landschap; kwaliteit van de bebouwde omgeving; energie. Per rubriek worden telkens 4 hoofdgroepen beschreven: overheidsadministraties; instellingen en organisaties inzake belangenbehartiging, documentatie, educatie, informatie; onderzoekscentra, laboratoria, advies- en studiebureau's; bedrijven.

De prijs voor de eerste aflevering van de Milieugids in band bedraagt 1.495,-fr. De prijs voor de volgende afleveringen, die automatisch worden toegezonden, bedraagt momenteel 8,3,-fr per pagina. Voor deze uitgave dient men zich te wenden tot het volgend adres: Kluwer Wetenschappelijke Uitgeverij - Verkoopssecretariaat - Santvoortbeeklaan 21-23 - 2100 Deume.

Ze zijn alfabetisch gerangschikt en alle nuttige informatie wordt overzichtelijk weergegeven. Alle instellingen, organisaties en bedrijven worden bovendien voorzien van trefwoorden. Een eerste verwijst naar de specifieke subsectoren waarin de instelling werkzaam is; een tweede geeft de functies aan welke de instantie vervult binnen zijn/haar werkterrein. De gegevens worden samengebracht door ervaren deskundigen in hun werkterrein. De informatie wordt nog aangevuld met een documentair gedeelte. Aflevering 1 beslaat slechts een 150tal pagina's; de milieugids bevat dan ook momenteel nog teveel lacunes om bruikbaar te zijn. Om dit binnen een aanvaardbare termijn te worden in al zijn facetten dienen de kwartale

M. De Borgher.

Dr. Nico J.M. Nelissen, Gemeentelijke Monumentenzorg in de Praktijk In juni 1986 verscheen in Nederland de eerste druk van de losbladige documentatie Gemeenteüjke Monumentenzorg in de praktijk, samengesteld door Dr. Nico J.M. Nelissen. Het werk was bedoeld als achtergrondinformatie bij de cursusdagen die de Stichting Nationale Contactcommissie Monumentenbescherming (N.C.M.) en de Stichting Nationaal Restauratiefonds organiseren in verband met de ontwikkelingen die zich in Nederland voordoen op het gebied van de Monumentenzorg. Met name was het de bedoeling om de gemeenteüjke verantwoordelijken voor te bereiden op de Nieuwe Monumentenwet. Deze wet zou van de gemeente immers de spil maken waaromheen de monumentenzorg in Nederland zou draaien. Het succes van deze publikatie blijkt reeds uit het feit dat zij aan haar derde druk toe was nog vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet op 1 januari 1989.

M&L BINNENKRANT

De grote belangstelling die deze documentatie in Nederland kent is volkomen terecht. Op een overzichtelijke en praktische manier wordt deze lezer ingewijd in het juridische, bestuurlijke en financiële systeem van de monumentenzorg. Het eerste hoofdstuk behandelt de monumentenzorg in het algemeen. Vooral de rol van het Rijk en de centrale voorzieningen worden daarin uiteengezet. Het tweede hoofdstuk handelt over de gemeente als spil in het ontwikkelen van een gemeentelijk monumentenbeleid. Al de aspecten die van belang zijn bij het ontwikkelen van een gemeentelijk monumentenbeleid komen uitvoerig aan bod. In het derde hoofdstuk staat zorgvuldig beschreven hoe de gemeente de particuliere restauraties dient te begeleiden. Het is een stevige leidraad voor de gemeente-ambtenaar die een privé eigenaar, die zijn monument wenst te restaureren, moet wegwijs maken in regels en procedures met betrekking tot diverse subsidies, (voor-) financiering, fiscaliteit enzomeer. Het vierde en laatste hoofdstuk gaat over het 'uitdragen' van het gemeentelijk monumentenbeleid. Het bevat een aantal praktische aanbevelingen over de wijze waarop aan de burger de nodige informatie wordt verstrekt, hoe de doelgroepen worden benaderd, hoe de samenwerking met particuliere monumentenorganisaties wordt georganiseerd, etc. Centraal daarin staat dat de gemeente een belangrijke loketfunctie heeft. Ondanks het onvermijdelijk 'administratieve' karakter van dit werk is de samensteller erin geslaagd het vlot leesbaar te houden. De zakelijke, directe benadering, de heldere indeling en de luchtige lay-out dragen daar toe bij. Het geheel is bovendien zo handzaam en bruikbaar omdat elk onderdeel met voorbeelden wordt geïllustreerd uit de gemeentelijke praktijk.

Gemeentelijke Monumentenzorg in de Praktijk Losbladige documentatie Samenstelling: Dr. Nico J.M. Nelissen Uitgave: Stichting Nationaal Restauratiefonds - Stichting Nationale Contactcommissie Monumentenbescherming M. Fierlafijn

7


Vandensande T. e.a., Huizen van, voor en door het volk. Rond het Feestlokaal Vooruit Sedert 1983 werkt de Koning Boudewijnstichting met de steun van de Nationale Loterij aan de uitbouw en de realisatie van een programma rond het behoud en de herwaardering van het bouwkundig erfgoed. De acties richten zich zowel op de realisatie van concrete restauratie- en renovatieprojecten als op het sensibiliseren van de bevolking voor het patrimonium. Eén van de middelen om deze sensibilisering te bewerkstelligen is de uitgave van publikaties. In de reeks

"Monografieën Bouwkundig Erfgoed" is nu een derde nummer verschenen: "Huizen van, voor en door het volk. Rond het Feestlokaal Vooruit in Gent". De uitgave van deze monografie valt samen met de start van een campagne naar sponsorwerving toe. De globale restauratie van dit feestelijke gebouw zal inderdaad nog heel wat (financiële) inspanningen vergen. In oktober 1910 kocht de Samenwerkende Maatschappij Vooruit een terrein gelegen langsheen de Gentse Sint-Pietersnieuwstraat. Twee jaar later werd op deze gronden gestart met de bouw van het Feestlokaal Vooruit naar een ontwerp van Ferdinand Dierkens. Immers, "ooir het socialisme moest zijn tempels hebben, waai het recht op leven en wel-

M&L BINNENKRANT

stand wordt gepredikt en verdedigd, waar het evangelie van de vrede en de solidariteit wordt geleerd aan alle mensen die van goede wil zijn", zo luidde het in het dagblad Vooruit op II juni 1914. Het Feestlokaal beschikte over een bibliotheek, een sportzaal, een filmzaal, een winkel en een restaurant-buffet. In de jaren na de tweede wereldoorlog en vooral vanaf de jaren '60 ging het echter stilaan bergaf met "de Vooruit". Pas wanneer een jonge equipe het roer in handen nam, vond het gebouw een nieuwe bestemming en een nieuw elan. Dit is in een notedop het verhaal dat in de eerste twee hoofdstukken van deze monografie door Tinne Vandensande geschetst wordt: de groei van de coöperatie en van de socialistische


Stallaerts, medewerker van het Archief en Museum van de Socialistische Beweging (AMSAB) in Gent, heeft het over het minder bekende en in architecturaal opzicht alleszins minder spectaculaire volkshuis van Geraardsbergen. Dit volkshuis — op de taalgrens — is allicht een meer representatief voorbeeld van het doorsnee Vlaamse volkshuis dan wat in Antwerpen onder het motto 'Help U zelve' door progressief-liberalen werd opgebouwd. Kunsthistoricus Willem Aerts belicht op een beknopte maar boeiende wijze zowel het gebouw als de initiatiefnemers.

Het volkshuis 'Help U Zelve' in Antwerpen. Detail van de gevelpunten (Raguenet, Batiments modemes)

In Huizen van, voor en door het volk stelt Herman Stynen de vraag naar de mogelijke actuele betekenis van dit zeer diverse patrimonium. Vanuit een historisch perspectief lijkt het vasthouden aan de politiek-ideologische basis waarop deze huizen gebouwd zijn, eerder remmend te werken. Wat in wezen met deze gebouwen verbonden blijft is de hoop op een echte ontvoogding: een hoop die deze gebouwen hoe dan ook gedragen hebben. In het Feestlokaal Vooruit lijkt alvast een aanzet gegeven te zijn tot het realiseren van deze reeds lang sluimerende droom: een open huis. Dat een open huis, een huis in beweging moet zijn, wordt bevestigd in de epiloog. Bij monde van Eric Temmerman, directeur van het centrum, komen hierin de uitbaters aan het woord. De ervaring van vijf jaar werking van het socio-cultureel centrum, de evaluatie hiervan, wordt aangegrepen om de verdere perspectieven te schetsen. Het begrip (Europees) kunstcentrum wordt geïntroduceerd en uiteengezet: een open toekomst....

Vandeijsande T. e.a., "Huizen van, voor en door het volk. Rond het Feestlokaal Vooruit", een uitgave van de Koning Boudewijnstichting met de steun van de Nationale Loterij, telt 121 blz. en 112 illustraties (zwart-wit). Prijs: 300,-fr. Verkrijgbaar bij:

Het volkshuis van Brussel. De feestzaal

Koning Boudewijnstichting Brederodestraat 21 1000 Brussel ST 02/511.18.40. beweging in Gent als aanloop tot de oprichting van de Samenwerkende Maatschappij Vooruit, haar bloei vanaf de eeuwwissehng en het indrukwekkende bouwprogramma dat gerealiseerd wordt. In dit 'gebouwde socialisme' neemt het Feestlokaal een bijzondere plaats in.

Verder belichten drie verschillende auteurs de volkshuizen van respectievelijk Brussel, Geraardsbergen en Antwerpen. Jos Vandenbreeden van het Brusselse Sint-Lukasarchief behandelt op een sobere manier het vernielde en inmiddels tot mythe verworden volkshuis van Brussel. Rik

I M&L BINNENKRANT

Kunstencentrum Vooruit Sint-Pietersnieuwstraat 23 9000 Cent ST 091/25.56.43.

9


Nationale Monumentenstudiedag. Nijmegen, 2 maart 1989: 'Wonen met een geschiedenis' De jaarlijkse Nederlandse 'Nationale Monumentenstudiedag' heeft ditmaal te Nijmegen plaatsgehad op 2 maart 1989. Organisator van deze studiedagen is de Stichting Nationale Contactcommissie Monumentenbescherming (N.C.M.), een stichting die in Nederland de krachten in de particuliere monumentenwereld bundelt en aldus als koepel fungeert van de honderden monumentenverenigingen die in Nederland werkzaam zijn. Zoals elk jaar kende het gebeuren een ruime belangstelling: het monumentale Nijmeegse concertgebouw 'De Vereeniging' (1914-1915) was nagenoeg volgelopen. Al even traditioneel was de kwaliteit van de referaten, met als centraal thema 'Wonen met een geschiedenis.

De rol van de restaurerende instellingen (organisaties voor stadsherstel) werd belicht door de heer G. M. Scholten, voorzitter van de Federatie Het Behouden Huis. Als belangrijkste verantwoordelijke en voor een doeltreffende toepassing van de nieuwe monumentenwet wees hij de gemeentebestuurders aan. Pas als zij de inwoners kunnen overtuigen van het belang van het behoud van het gebouwd erfgoed, zal er een klimaat ontstaan waarin de restaurerende instellingen een positieve inbreng kunnen hebben. In zijn inleiding over de (in Nederland bij uitstek) belangrijke rol van de ca. 900 woningcorporaties die woonhuismonumenten beheren, beklemtoonde

In zijn welkomstwoord sprak de heer J.CJ. Lammers, voorzitter van de NCM, zijn voldoening uit over de nieuwe Monumentenwet die toen twee maanden geleden in werking was getreden. Toch vond hij dat zowel gemeenten als provincies nog te weinig gebruik maken van de mogelijkheden voor het voeren van een eigen monumentenbeleid. Zo hebben slechts 160 van de ruim 700 Nederlandse gemeenten een eigen monumentenverordening uitgevaardigd. Ook de subsidiemogelijkheden worden nog onvoldoende benut. Hij sprak de hoop uit dat de monumentenwet de gemeenten zal aansporen de monumentenzorg 'serieus te gaan oppakken'. Het beleid dat door de meeste provincies wordt gevoerd op het gebied van de monumentenzorg, kan als afwachtend worden gekenmerkt. Prof. dr. ir. R. Meischke hield het eerste referaat over het eigenlijke centrale thema van de studiedag. Heel origineel - en niet van humor gespeend - benaderde hij de geschiedenis van het woonhuis in Nederland via de luchtjes die men er kon opsnuiven. Hij omschreef die geschiedenis als een voortdurend streven om vat te krijgen op het binnenklimaat, en daardoor tocht en kou, maar ook stank uit te bannen.

10

M&L BINNENKRANT I

ir. W. De Vreeze, stafmedewerker bij de Nationale Woningraad, het dilemma waar zij voor geplaatst staan. Zij hebben, op grond van de Woningwet, de opdracht te zorgen voor een zakelijk verantwoord woningbeheer. Maar dit zakelijk beheer en de actuele noden inzake volkshuisvesting zijn vaak niet in overeenstemming te brengen met monumentenbescherming op grond van cultuurhistorische overwegingen. De spreker hoopt evenwel dat een 'inspirerende maatschappelijke discussie' daarover kan worden gevoerd, opdat het cultuurhistorisch belang van monumentenzorg enig tegenwicht zou bieden tegen de koele exploitatieberekening van het huidige huisvestingsbeleid. Drs. A. Weigraven, directeur van de


Stichting Nationaal Restauratiefonds, sprak namens de partikuliere eigenaars van woonhuismonumenten. In tegenstelling tot de vorige betrokkenen, is de groep individuele eigenaars niet georganiseerd. Het Nationaal Restauratiefonds tracht de drempels die voor hen bestaan zoveel mogelijk te verlagen en heeft, om eerst zelf inzicht te krijgen in hun specifieke problemen, een uitgebreid marktonderzoek laten verrichten in de gemeenten Amsterdam, Amersfoort, Leiden en Kampen. Uit dit onderzoek kunnen de volgende hoofdconclusies worden getrokken: 1. De monumentenkennis is gering, wat leidt tot een lage graad van motivatie. De wens tot kennisvergroting is echter zeker aanwezig. Men ervaart de 'monumentenstatus' wel eerder als een pluspunt (25 %) dan als een minpunt (10 %). 2. De gemeente heeft een spilfunctie. Zij heeft een 'lage drempel' voor de eigenaar, die er voor allerhande zaken, ook voor subsidie- en financieringsaangelegenheden terecht wil. 3. De financiële problemen zijn talrijk, en dit geldt zowel bij de instandhouding als bij de restauratie. Het Restauratiefonds probeert de particuliere eigenaars zoveel mogelijk te helpen bij het oplossen van financiële problemen. Zo kan de financiering van een restauratie eventueel gecombineerd worden met de financiering voor de aankoop van een monument. De financieringslasten zijn relatief goedkoop gemaakt, en de procedures aanzienlijk vereenvoudigd. In zijn inleiding over de stedebouwkundige context van het 'Wonen met een geschiedenis' had Dr. ir. R.A.F. Smook, architect-stedebouwkundige, vooral aandacht voor de condities waaronder dit wonen kan plaatsvinden. Meer dan ooit is het scheppen van woonmogelijkheden in historische omgeving een kwestie van soepele samenwerking tussen verschillende partners. De overheid moet die samenwerking organiseren en coördineren. De gemeenschap moet ook bereid zijn de onvermijdelijke meerkosten als investering in cultureel erfgoed op te brengen, want de investeringsbereidheid van de private sector zal nooit zo groot zijn dat de financiële overheidstussenkomst overbodig wordt. Omtrent de veelgeprezen decentralisatie die door de nieuwe monumentenwet werd ingevoerd had de spreker nogal wat twijfels. Hij vroeg zich af of de beoordeling van de kwaliteit van de monumentenzorg wel in goede handen is, rekening houdend met het feit dat diezelfde handen voor de uitvoering moeten zorg dragen. "Ik zou als een

ware ketter in decentralisatieland een pleidooi willen houden voor wat meer inhoudelijke controle van hogere overheden", zo besloot hij zijn betoog.

Stichting Nationaal Restauratiecentrum

Uit de plenaire discussie die op de referaten volgde noteerden we enkele opmerkelijke tussenkomsten. — Aangezien wonen economisch gezien een zwakke functie is, bestaat het gevaar dat economisch sterkere functies worden bevorderd die nadelig zijn voor de kwaliteit van de historische omgeving. Met name de toeristische industrie kan een gevaar betekenen. In dit verband had een spreker het over de 'hamburgercultuur' en een 'friet-met-mayonaise-beleid'. — Volgens een voormalig bestuursverantwoordelijke is het gevaarlijk om inzake de kwaliteit van de historische omgeving concessies te doen. Uit ervaring weet hij dat elke toegeving een nieuwe oproept. De bouw van een bungalow naast een historische molen tolereren leidt tot het uiteindelijk resultaat dat de molen verdwijnt en de bungalow behouden blijft, aldus een boetade van de spreker. Ook al kan aan een monument niet direct een gepaste bestemming worden gegeven, zo meent hij, dan nog is het verkieslijk het te behouden en desnoods een aantal jaren ongebruikt te laten. Hergebruik mag niet de enige norm voor behoud zijn. Overigens: ook hergebruik is niet eeuwig. — Een andere spreker bekloeg zich over de lelijkheid van de kantoorgebouwen (in Nederland). Blijkbaar is vooral voor de bedrijfswereld het economisch nu de enige architecturale inspiratiebron. Tegenover deze typisch Nederlandse zuinigheid staat bijvoorbeeld de culturele traditie van de Italianen die ook voor kantoorgebouwen — ondanks de economische implicaties — een kwaliteitsarchitectuur weten te realiseren.

Op 15 februari jongstleden werd in Nederland de Raad van Advies geïnstalleerd voor het Nationaal Restauratiecentrum (NRG). Doel is het stimuleren van opleiding en scholing in restauratietechnieken voor zowel roerende als onroerende monumenten.

Na de plenaire discussie hadden de deelnemers aan de studiedag de gelegenheid om een rondwandeling te doen door de Nijmeegse benedenstad en de I9de-eeuwse schil. De zogeheden Benedenstad is een beschermd stadsgezicht. De 19de en 20ste-eeuwse schil rond het centrum heeft een rijke singelbebouwing waarvan ook het concertgebouw 'De Vereeniging' deel uitmaakt. In dit gebied bevinden zich enkele honderden beschermde monumenten. De rondwandelingen werden vooraf toegelicht door ir. B.J.M.M. Pouderoyen, architect-stedebouwkundige. De studiedag werd besloten met een ontvangst door het gemeentebestuur van Nijmegen in het Stadhuis.

De Stichting NRG is opgericht omdat de scholingsmogelijkheden en de beroepsopleidingen in de sfeer van de monumentenzorg ontoereikend zijn geworden om in de toekomst de restauratie van cultuurhistorisch waardevolle objecten en gebouwen op een verantwoorde wijze mogeüjk te maken. Het schort aan mogelijkheden jongeren op te leiden tot onder meer timmerman, steenhouwer, restauratieschilder of beeldhouwer. Eerdere pogingen om tot een goed functionerend en rendabel opleidingscentrum op het terrein van de monumentenzorg te komen, hadden na kortere of langere tijd geen succes. De Stichting NRG meent dat door het combineren van theorie en praktijk in één centrum nu een levensvatbare basis wordt geschapen. De combinatie van mogelijkheden doet zich voor rond de voormalige synagoge aan de Nieuwe Uilenburgerstraat 31, te Amsterdam. Deze zal de komende maanden worden verbouwd, zodat het Nationale Gentrum met ingang van 1 september 1989 van start kan gaan. In het Gentrum kunnen ruimten beschikbaar worden gesteld voor theoretische en praktische opleidingen, cursussen, lezingen, na- of bijscholingscursussen en cursussen in de vrijetijdssfeer. Voorts wil de Stichting NRG de kennis van materialen, ambachten en technieken bevorderen, vastleggen en overdragen door middel van documentatie, inventarisatie, innoverend onderzoek en publikatie.

Meerin/ormatieican worden verstrekt door de voorzitter van de Stichting Nationaal Restauratie Centrum, de heer W. Kramer, architect, Valkestraat 25, 3811KC Amersfoort, & 033/ 61.31.35 en door de projectleider, de heer M.R. Fritz, architect, G. Teriborgstraaf 38/3. 1071 TP Amsterdam, ® 020/71.17.32, ook te bereiken bij het Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg, Keizersgracht 123, Amsterdam, S 020/26.39.47..

M. Fierlafijn.

I M&L BINNENKRANT

ii


Historische Woonsteden Naar jaarlijkse gewoonte houdt de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België VZW een gedetailleerde lijst van bezoekbare kastelen en dito burgerwoonsten ter beschikking van de belangstellenden. De lijst omvat ruim 100 gebouwen met monumentwaarde, vaak met omgevend park, en verschaft niet enkel inlichtingen inzake de toegankelijkheid, ingangsprijzen en te volgen reisroutes, doch vervolledigt deze met een bondige historische nota.

• Natuurpatrimonium: voor het natuurbehoud in de landelijke zones (oprichten van natuurreservaten, natuurbouw, bescherming van natuurlijke waterlopen, moerassen en vijvers, en refugia voor fauna en flora) en in de stedelijke zones (aanleg en onderhoud van tuinen en parken, aanbrengen van beplantingen, enz.)

wordt een winnaar gekozen, die een trofee en een cheque van 150.000,-fr. ontvangt. De jury kiest vervolgens de winnaar van de 'Nationale Ford-Prijs voor Natuur en Cultuur' die een bijkomende cheque van 200.000,-fr. ontvangt en die zijn land zal verdedigen op de Europese finale, waarin de nationale winnaars van de 14 deelnemende landen tegen elkaar uitkomen. De Europese laureaat krijgt een bijkomende cheque van 10.000,-$. De deelnemingsformulieren moeten, volledig ingevuld en vergezeld van de kandidatuur, vóór 8 september 1989 naar onderstaand adres teruggestuurd worden (in 2 exemplaren). De prijsuitreiking voor België zal eind 1989 plaatsvinden. Plaats en datum worden nog nader bepaald.

De 42 pagina's tellende lijst kost 50,fr., en kan aangevraagd worden bij de vereniging, Vergotestraat 24, 1200 Brussel. S 02/735.09.65.

Voor meer inlichtingen: The Conservation Foundation - c/o Infopublic Isabelle Hardy - Lambermontlaan 436 - 1030 Brussel - S 02/242.37.98.

Prijs voor het Natuur- en Cultuurpatrimonium 1989 In 1989 wordt voor het zesde achtereenvolgende jaar de Prijs voor het Natuur- en Cultuurpatrimonum georganiseerd met de steun van de Conservation Foundation en Ford Motor Company. De wedstrijd staat open voor alle particulieren, groepen en verenigingen. Centraal staat de bevordering van de initiatieven met betrekking tot de natuurbescherming en de valorisering van het architectonisch, cultureel en artistiek erfgoed van België. De kandidaturen moeten aan één van volgende 4 categorieën beantwoorden:

Het aardewerkmuseum in Raeren

Europese Gemeenschap. Steun voor modelprojecten • Cultuurpatrimonium: instandhouding en herwaardering van waardevolle (burgerlijke of religieuze) gebouwen en industrieel erfgoed. Renovatie van stads- en dorpsgezichten waarbij bijzondere aandacht kan gaan naar openbare ruimten die binnen deze ensembles gelegen zijn. Acties ten voordele van museumverwerking, behoud van ambachten, archieven en manuscripten, kunstwerken, enz. komen eveneens in aanmerking. • Leefmilieu: projecten in het teken van de bescherming van het leefmilieu, grondstoffen- en energiebesparing, strijd tegen vervuiling, recyclage van grondstoffen enz. • Jongeren: voor projecten in voornoemde domeinen, die opgezet werden door jongeren onder de 18 jaar, alleen of onder toezicht van een volwassene. Alle kandidaturen worden aan een jury voorgelegd, die samengesteld is uit belangrijke personaliteiten uit de wereld van natuurbescherming en patrimoniumbehoud. Per categorie

12

I M&L BINNENKRANT

In het kader van de financiële steun die sinds 1984 voor de Commissie van de Europese Gemeenschappen verleend wordt voor modelprojecten tot instandhouding van het architectonisch erfgoed van de Gemeenschap (zie M&L 7/4, Binnenkrant, p. 14), werden dit jaar voor het Vlaams Gewest volgende aanvragen ingediend: Antwerpen: Antwerpen (Griekse gemeenschap): Vlasmarkt, Grieks cultureel centrum Boom (E.M.A.B.B. vzw): Steenbakkerssite 'Frateur" Lier (Stad Lier): Begijnhof Lier (Stad Lier): Vleeshuis 5inf-Xafeii;he-Waver (Roosendael vzw): Domein Roosendael, Poortgebouw. Brabant: Dilbeek (Gemeente Dilbeek): Kasteel en Domein La Motte, Classicistisch landhuis Halle (Stadsbestuur Halle): Sint-Martinusbasiliek Leuven (Stad Leuven): Sint-Michielskerk Rotselaar (Dirk Vansintjan): Molenmaalderij Van Doren, Molen


Limburg: Borgloon (Familie Haenen): Kanunnikenhuis Bree (Stadsbestuur Bree): Stadswallen, Grauwe Toren Hasselt (Stad Hasselt): Oud Kerkhof Herk-de-Stad (Stadsbestuur): Voormalige Rijkswachtkazerne Herk-de-Stad (Stadsbestuur): Voormalig gemeentehuis Kinrooi (H. Lemmens): Lemmensmolen Lommei (Gemeente Lommei): Dorpswoonhuis 'Aerts' Overpelt (Levende Molens vzw): Bemvaartmolen Riemst (Gemeente Riemst): Voormalige Waterburcht, Donjon Sint-Truiden (Stad Sint-Truiden): SintTrudoabdij Tessenderio (Gemeente Tessenderlo): Staakmolen Zonhoven (Kerkfabriek): Classicistische Sint-Quintinuskerk Oost-Vlaanderen: Genf (Socio-cultureel centrum Vooruit): Feestzaal Vooruit' Cent (Investpa n.v.): Gebouw Lievekaai 1 Rupelmonde (Gemeente Kruibeke): Watermolen (getijdemolen) Volgens het reglement zal de Commissie van de Europese Gemeenschappen, na inwinning van deskundig advies, uiterlijk op 30 juni 1989 een beslissing nemen over de ingediende projecten.

Oproep tot Jonge Architecten. De heropbouw van een historische straat in het stadscentrum van Brussel De A.G., een belangrijke Belgische verzekeringsmaatschappij, en de Fondation pour 1'Architecture namen het initiatief tot een ruime Europese raadpleging, voorbehouden voor jonge architecten, met het oog op de heropbouw van een vijftiental rijhuizen langs één der oudste Brusselse verkeersaders: de Lakensestraat, tussen het de Brouckèreplein en de Begijnhofwijk. Deze heropbouw-operatie, waarvan de voltooiing voorzien wordt in de lente 1992, streeft een dubbel doel na: — de esthetische, functionele en economische haalbaarheid aantonen van het traditionele percelleringsmodel voor de bouw van kwaliteitsvolle woningen in een historisch centrum; — jonge architecten uit de Europese Gemeenschap, wier aandacht gaat naar de renovatie van historische stadskernen, ontdekken en een kans bieden.

De her-op-te bouwen straatwand (1), nabij het de Brouckèreplein (2) en de Begijnhofwijk (3)

Jonge architecten (minder dan 40 jaar oud) die belangstelling vertonen voor dit programma kunnen de Fondation pour 1'Architecture een dossier laten geworden met beschrijving van hun ervaring en bekwaamheid inzake stadskemvemieuwing: eventuele verwezenlijkingen en/of niet uitgevoerde ontwerpen, wedstrijden, onderzoeken, publikaties, artikels... . Een werkgroep gevormd uit afgevaardigden van de Fondation pour l'Architecture, de bouwheer, de betrokken Openbare Instanties en de wijkbewoners zal, ten laatste op 10 juli 1989, vierentwintig architecten aanduiden die meteen zullen verzocht worden een ontwerp in te dienen. Eind 1989 zal een internationale jury de twaalf laureaten bekendmaken waarvan de ontwerpen integraal zullen worden tentoongesteld en gepubliceerd. Zes onder hen zullen betrokken worden bij de heropbouwwerken.

M&L BINNENKRANT

De dossiers en kandidaturen moeten opgesteld zijn in het Nederlands, Frans of Engels, en dienen ten laatste op 15 juni 1989 ingediend te worden op volgend adres : Fondation pour l'Architecture - Oproep tot jonge Europese architecten - Kluisstraat 55 -1050 Brussel - België. ® 02/649.02.59.

Unesco. Fotografie en patrimonium De fotoprijskamp ingericht door 'L'Association des Amis de l'Unesco' vzw, van de Franse Gemeenschap,

13


met de medewerking van het Museum voor Fotografie van Charleroi en het Museum van Louvain-la-Neuve, gaat zijn 4de editie in onder het thema 'Landschappen WaUonië-Brussel'. De prijzen zullen aankoopprijzen zijn, daar de wedstrijd beoogt tentoonstellingen in te richten ter promotie van het patrimonium, en deze ter beschikking te stellen van de culturele instellingen die erom zouden vragen: Prijs van 'Les Amis de l'Unesco': 50.000,-fr. en persoonlijke tentoonstelling in de galerij 'Triglyphe'; Prijs Jeugdclub van het Gemeentekrediet voor een kandidaat onder de 26 jaar: 20.000,-fr.; meerdere aankoopprijzen elk van een waarde van 5.000,-fr. per foto. De kandidaten moeten in België verblijven, ledere kandidaat zal 6 tot 12 foto's inzenden, zwart/wit of kleur, 24 x 30 minimum, 50x 60 maximum, niet ingelijst. Inzendingen worden verwacht ten laatste op 15 september 1989 bij: — L'Association des Amis de l'Unesco, Generaal de Gaullelaan 17, 1050 Brussel of — het Museum voor Fotografie van Charleroi, Avenue Paul Pastur 11, 6100 Mont-sur-Marchienne.

Voor verdere inlichtingen, zich wenden tot "Les Amis de l'Unesco - Generaal de Gaullelaan 17 - 10S0 Brussel ® 01/648.80.06.

Internationaal colloquium Crux et Arma. Landcommanderij Alden Biesen, 31 mei -1 juni 1989 In 1990 herdenkt de Duitse Orde zijn stichtingsjaar, nu 800 jaar geleden. Het Germanisches National Museum te Nümberg zal in 1990 het kader vormen voor een uitzonderlijke tentoonstelling, gewijd aan de Duitse Orde. Ook de balije Alden Biesen zal er een belangrijke plaats krijgen. Binnen deze context organiseren de Provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium van Limburg en de Landcommanderij Alden Biesen in samenwerking met het Historisch Studiecentrum Alden Biesen vzw, het Vlaams Comité van de Internationale Raad voor Monumenten en Landschappen (Icomos-Vlaanderen) en de Vereni-

14

ging van Vlaamse Kunsthistorici, Archeologen en Musicologen (VLAKAM) een internationaal colloquium 'Crux et Arma', gewijd aan de architectuur van de Duitse Orde in de middeleeuwen. Prof. U. Vermeulen (K.U.L.), eminent kenner van de arabische geschiedenis, kuituur en mentaliteit, zal tijdens de openingszitting de inhoudelijke achtergrond van de confrontatie van de godsdiensten ten tijde van de kruistochten diepgaand schetsen. De betekenis van het gebeuren voor de actuele relatie tussen Europa en de Arabische Wereld zal bijzondere aandacht krijgen. In het licht van deze fundamentele openingslezing zal tijdens de namiddagzitting dieper ingegaan worden op de historische context van de architectuur van de Duitse Orde. Het referaat van Dr. J. Fleckenstein, Prof. em. van de Universiteit te Göttingen en directeur van het Max-PlanckInstituut voor Geschiedenis aldaar, zal de wezenskenmerken van de geestelijke ridderorden in de middeleeuwen behandelen. Het werk en de betekenis van Bemardus van Clairvaux, de wegbereider van de geestelijke ridderorden, zal hierbij een centraal gegeven zijn. Prof. Dr. K. Elm, die geschiedenis doceert aan de Vrije Universiteit te Berlijn, zal in zijn voordracht ingaan op de organisatie en de functie van de geestelijke ridderorden. Inzonderheid zal hij aandacht vragen voor een kenmerkende particulariteit binnen deze middeleeuwse instellingen, met name het spanningsveld tussen regionalisme en universalisme. De laatste lezing van de eerste dag stelt Prof. Dr. H. Samsonowicz, als hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Warschau, waarvan hij van 1980 tot 1982 ook rector was, in de gelegenheid de confrontatie van Oost-Europa met het Kruistochtenfenomeen historisch te belichten. De tweede dag van het colloquium is gewijd aan de architectuur van de Duitse Orde. Hierbij staat de vraag centraal of de Duitse Orde een specifiek, bouwkundig antwoord heeft gegeven op het samengaan van ridder en monnik. Dr. M. Arzynski, verbonden aan het Kunstwetenschappelijk Instituut van de Poolse Akademie voor Wetenschappen en hoogleraar aan het Instituut voor Monumentenzorg van de Universiteit van Torun, zal op deze vraagstelling ingaan en meer bepaald de burchtenbouw van de Duitse Orde in Pruisen grondig analyseren. Hij promoveerde over dit ontwerp aan de Universiteit van Wroclaw. Dr. U. Arnold, professor aan de Universiteit te Bonn en voorzitter van de Internationale Commissie voor het onderzoek van de geschiedenis van

I M&L BINNENKRANT I

de Duitse Orde, zal de minder toegankelijke ordeburchten in Lijfland en Estland bespreken. Een bijzondere plaats binnen het thema aan de orde op dit internationaal colloquium moet ongetwijfeld voorbehouden worden aan Mariënburg, impossante burcht en hoofdzetel van de Duitse Orde ten zuidoosten van de Poolse havenstad Gdansk. Hier werd tevens het paleis van de grootmeester vanaf de 14de eeuw geïntegreerd. Dr. M. Dygo, wetenschappelijk medewerker aan het Historisch Instituut van de Universiteit te Warschau, zal in zijn referaat de symbolische betekenis van de architectuur van de Duitse Orde als onderzoeksgegeven uitvoerig behandelen. Alhoewel in hun huidige verschijningsvorm de gebouwen van de landcommanderij Alden Biesen geenszins als middeleeuws mogen beschouwd worden, toch leek het de organisatoren van het colloquium zinvol in dit kader ook de architectuur van Alden Biesen te duiden. Cons. Dr. E. Gasiorowski, lid van het Deens IcomosComité, onderzocht in opdracht van de restauratiecommissie van Alden Biesen de 16de-eeuwse waterburcht en kon bij die gelegenheid belangrijke bouwhistorische vaststellingen doen. Op basis van deze nieuwe inzichten was het mogelijk een meer genuanceerd en vooral inhoudelijker beeld te schetsen van de voormalige landcommanderij Alden Biesen. In zijn referaat zal Drs. C.G. De Dijn, diensthoofd-conservator van de Dienst voor het Kunstpatrimonium voor de Provincie Limburg, ingaan op de vraag of ook in de Nieuwe Tijd de architectuur van Alden Biesen de wezenskenmerken van de Duitse Orde betekenisvol gestalte geeft.

Tuinantiek Avant Garden, het studieburo voor tuin- en landschapsarchitectuur, geleid door de tuinarchitecen Peter Adams en Luk Logist, onderging in de loop der jaren een evolutie naar het ontwerpen van tuinen, geïnspireerd — qua stijl — op de traditionele kasteeltuinen, zonder het hedendaags leef- en onderhoudsaspect uit het oog te verliezen. Ook het restaureren van oude, verwaarloosde tuinen behoort tot het werkterrein. Ter illustratie organiseert Avant Garden gedurende de maand mei een tentoonstelling van Tuinantiek. Vooraanstaande Engelse en Franse antiquairs leveren voor dit evenement enkele van hun fraaiste stukken om de bestaande voorraad beelden, ornamenten, banken en dergelijke aan te vullen.


AVANFGARDEN

de hardere calcietrijke zones blijven als nerven in verweerd hout staan. Na verloop van eeuwen worden wel de korsten van de steen aan de voegen afgestoten en bekomt men de typische wolzak of matrasvorm; de structuur en de stabiliteit van de steen is dan nog niet in het gedrang. De Gobertange is in ons land, maar ook in Nederland, zeer veel gebruikt; in de 19de eeuw werd hij zelfs massaal toegepast. Voor beeldhouwwerk werd deze harde steen weinig gebruikt; de zachtere Ledesteen was hiervoor beter geschikt. Vloeren, plaveisels en straatkeien in Gobertangesteen treft men wel meer aan.

Avant Garden, Tuinantiek, tot eind mei, op vrijdag en zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur - Park van Wijnegem Tumhoutsebaan 385 - 2110 Wijnegem - S 03/353.68.64.

De Gobertangesteengroeve te Geldenaken Op initiatief van architect W. Moens van de Stad Antwerpen bracht een Antwerpse delegatie op 8 maart jongstleden een bezoek aan de Gobertange-steengroeve te Geldenaken (Jodoigne). Aanleiding was de geplande restauratie van de Sint-Joriskerk van Antwerpen. Om niet, zoals bij restauraties wel meer gebeurt een aan het gebouw vreemde soort witsteen toe te voegen — vandaag gebruikt men doorgaans de Massangissteen uit Frankrijk — onderzoekt men de mogelijkheden van nieuw gewonnen Gobertangesteen. Deze witte steen, naar zijn vindplaats Gobertange of Gobertinge genoemd, behoort samen met de Diegemersteen tot het Brusseliaan. Dit is een zandige kalksteen die in de bodem aangetroffen wordt als losse schollen, kalkrijke lenzen in de leem. Men kan hem redelijk goed onderscheiden van de andere groep in onze monumenten veel voorkomende witsteen, de Ledesteen, waartoe vooral de Balegemse steen behoort. De Gobertangesteen is harder en weervaster dan de Ledesteen, komt steeds voor in kleiner formaat en de verweringskleur is helder geelachtig wit in vergelijking met de donkere okerkleur, soms blauw- of groenachtig, van de Ledesteen. Op plaatsen die door regeninslag worden bereikt verweert de steen slechts zeer oppervlakkig. De zandige delen worden uitgespoeld en

Daar de Gobertangesteen niet in aaneengesloten banken voorkomt, zoals bijvoorbeeld de Belgische blauwe hardsteen of de Franse witsteensoorten, is de ontginning zeer moeizaam. De winning van de verwante Diegemer-steen (op de plaats waar nu de Nationale Luchthaven Zaventem ligt) is volledig gestaakt. De Gobertangesteen wordt momenteel nog in twee groeven geëxploiteerd in Geldenaken. De bezochte groeve werd 3 jaar geleden geopend en wordt uitgebaat door het aannemingsbedrijf Colen. De winning gebeurt vandaag in dagbouw. Op een diepte van ongeveer 20 m onder het maaiveld treft men de eerste laag steen aan. De lagen hebben een dikte variërend van 30 tot 50 cm en zijn van mekaar gescheiden door lagen zand en leem. De steen wordt laag per laag letterlijk opgebroken door graafmachines en de gebroken schollen worden afgevoerd. In de bezochte groeve gebeurt alleen het vervaardigen van gekloven steen aan de groeve zelf. Voor alle andere bewerkingen zoals verzagen, schuren, polieren, zandstralen of behouwen (het aanbrengen van een manuele frijnslag op het gezaagde oppervlak) wordt de steen naar de fabriek getransporteerd. Slechts de harde kem van deze schollen is bruikbaar en levert gemiddeld 10 tot 15 cm — en uitzonderlijk 18 cm — dikke bouwstenen, die vermetseld moeten worden volgens liggend leger. Grotere formaten kunnen niet worden bekomen, tenzij door de stenen tegen het groefleger in te verwerken met het risico dat bij verwering de steen schorsgewijze afstoot. Te oordelen naar de authentieke materie in onze historische monumenten was dit vroeger niet anders. De schaal van de winning is vandaag wellicht beperkter: er resten nog twee steengroeven waar vroeger een driehonderd putten moeten geweest zijn. Toch is het jammer dat de ontgonnen steen vandaag vooral in nieuwe 'hoeves' verwerkt wordt en men voor restauraties gebruik maakt van ingevoerde steensoorten.

M&L BINNENKRANT

Ook de stenen waaruit men dorpels, lintelen en kruismonelen kan vervaardigen zijn schaars; doch vergelijkt men de huidige wijze van ontginnen met de historische dan kan men stellen dat dit probleem niet nieuw is, wel integendeel. Tot goed half deze eeuw was de winning uiterst primitief. Men maakte een put van 2 tot 3 m doorsnede, met onbeklede wanden tot onder de eerste laag steen. Deze hield men staan als een soort plafond, waaronder men vanuit de put gangen groef om de schollen los te maken. Het slepen van de stenen naar de bodem van de put en het takelen met de windas uit de put gebeurde manueel. Dit laatste veronderstelt dat op deze wijze zeker geen grotere stenen werden gedolven dan vandaag in dagbouw en met machines. Het hoeft geen betoog dat destijds menig steendelver zijn eigen graf groef. Hoe dan ook, tot een bezoek aan een 'historische' steengroeve — met de teletijdmachine natuurlijk — zouden wij ons niet hebben laten overhalen.

Literatuur betreffende natuursteen, waaronder ook de Gobertangesteen besproken wordt: Cnudde C., Harotin J.-J., Majot J.-P., Stenen en marmers van Wallonië, Brussel, 1987. Dit boek geeft een interessant overzicht van wat het Waalse landsgedeelte aan stenen rijk is. Het boek is zeer praktisch opgevat met technische fiches en paginagrote foto's van elke steensoort evenals van de verschillende bewerkingen van natuursteen. Ook de vele foto's van geslaagde realisaties en de lijst van exploitanten van steengroeven moeten de toepassing van de natuurstenen bij een ruimer publiek doen ingang vinden. Janse J., Berends G., Schulte A.G., Meijer P.G., Monumenfen Monografieen nr. 4, Natuursteen in monumenten, Zeist, 1977. Wellicht omdat Nederland veel minder rijk is aan dergelijke bodemschatten maakten men er dit uitstekend en zeer volledig overzicht van alle in Nederland gebruikte natuursteen. Per steensoort wordt de historiek van ontginning en toepassing geschetst en vindt men een lijst van historische bouwwerken waarin de steen voorkomt. Beide publikaties zijn beschikbaar in de bibliotheek van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. A. Malliet.

15


Limburg beschermt zijn roerend kunstbezit

worden door de VZW 'Stichting tot behoud van het roerend kunst- en oudheidkundig patrimonium'.

Het Provinciebestuur van Limburg besliste onlangs om met ingang van dit jaar jaarlijks een bedrag van 1.000.000,-fr. vrij te maken voor dringende conservatie- en restauratieingrepen aan het openbaar roerend kunstbezit. Per goedgekeurd dossier zal de provincie voor maximum 50 % tussenkomen in de kosten.

Deze VZW — die onder impuls van het Provinciebestuur werd opgericht — beschikt over een gespecialiseerd en goed uitgerust atelier. Zij werkt met geschoolde restaurateurs die door hun rijke ervaring en vakkenis borg kunnen staan voor een goede en wetenschappelijk verantwoorde uitvoering van de opdrachten. Deze stichting heeft haar ateliers in de voormalige abdij van Sint-Truiden.

Textilia, handschriften, beelden, zilverwerk en schilderijen behoren tot de meest kwetsbare onderdelen van ons cultuur-historisch patrimonium. De meeste van deze voorwerpen zijn eigendom van kerkfabrieken, OCMWs en gemeenten. Uit een onderzoek van het Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst, waarbij 156 OCMW-besturen en kerkfabrieken bezocht werden, bleek dat 80 % van de bewaarde kunstvoorwerpen zich in een zorgwekkende toestand bevinden. Verder bleek ook dat bij de betrokken instanties wel de wil aanwezig is om deze voorwerpen te restaureren en te beschermen, maar dat de nodige financiële middelen ontbreken. Voor deze vorm van uitgaven kon tot op heden geen aanspraak gemaakt worden op enige vorm van subsidie. Immers, het decreet van 17 november 1982 voorziet wel in de bescherming van het roerend patrimonium, maar kent nog steeds geen uitvoeringsbesluiten. Zo men er toch in slaagt de nodige fondsen te verwerven, dan leert de praktijk dat lokale overheden eerder schilderijen en beelden laten restaureren dan wel textilia en vaatwerken, die een geringe kunsthistorische belangstelling genieten. Vandaar dat het Provinciebestuur in haar subsiediereglement voor het openbaar roerend kunstbezit vooral prioriteit wenst te verlenen aan de bescherming van deze marginale — en door het decreet niet-erkende — voorwerpen. Het kunstvoorwerp moet bovendien een publieke bestemming hebben.

Het subsidiereglement of bijkomende inlichtingen kunnen bekomen worden bij de Vde Directie 'Cultuur en Recreatie', afdeling 11, Zuivelmarkt 33, te 3500 Hasselt (& 011/21.02.66) of bij het Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst, Begijnhof 59 te 3800 Sint-Truiden, © 011/68.85.79.

Koning Boudewijnstichting. "Monumenten. Wij zorgen ervoor". Met de steun van de Nationale Loterij kon de Koning Boudewijnstichting de afgelopen vijf jaar steun verlenen aan 'grote' en 'kleine' projecten. In beide gevallen gaat het om concrete restauratie- en renovatieprojecten met een publieke bestemming. Telkens wordt er een financiële inbreng voorzien en logistieke ondersteuning verleend. De lokale gemeenschap wordt op creatieve wijze geïnformeerd.

Om voor subsidie in aanmerking te komen, dienen de betrokken openbare besturen een gemotiveerde aanvraag te doen bij de Vde Directie Cultuur en Recreatie te Hasselt. Aan de hand van deze aanvragen wordt dan een prioriteitenlijst opgesteld, waarbij voorrang gegeven wordt aan de meest bedreigde en meest waardevolle voorwerpen. Per goedgekeurd dossier zal de Bestendige Deputatie de provinciale tussenkomst bepalen, met een maximum van 50 % van de in aanmerking komende kosten. De noodzakelijke restauratie- en conservatiewerken zullen uitgevoerd

Enkele voorbeelden van 'grote' projecten die nu worden aangepakt: de watermolen in Rotselaar, de brouwerij De Snoek in Alveringem, de sfinxenvijver in het kasteelpark van Leeuwergem, de Sint-Rumolduskapel in Mechelen en het beeldhouwersatelier Salu in Laken. De bestemming kan dezelfde blijven of aangepast worden aan actuele noden. Het belangrijkste is dat het monument 'gebruikt' wordt. De inzet voor het 'kleine' monument is bij het publiek bekend als de campagne "Verenigingen zetten zich in voor monumenten". Het is door een partnership met deze 'verenigingen' dat sinds 1985 een vijftigtal kleinere monumenten gerestaureerd en gered werden. Deze campagnes van de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij lopen over twee jaar en hebben een grote verscheidenheid aan monumenten opgeleverd:

16

M&L BINNENKRANT I

bijvoorbeeld de calvarie van de SintServaaskapel in Rommersom (Hoegaarden), het oude station van Steenhuffel (Londerzeel) dat omgebouwd werd tot toeristisch infocentrum, de oude burchtsite ven Kessenich (Kinrooi), de harmoniezaal van de Kunstvrienden in Merksplas, het oud gemeentehuis van Baarle-Hertog, ingericht als Heemhundig archief-, werk- en expositieruimte, het poortdomein van de voormalige abdij Roosendael, nu een centrum voor jeugdtoerisme in Sint-Katelijne-Waver, het Van Peteghem-orgel in Berlare, het oude fort van Oelegem dat voortaan de verdediging van de natuur op zich neemt en de neogotische gevel van een opvangtehuis in Antwerpen waar monumentenzorg ook een stukje welzijnszorg voor haar rekening neemt. De Koning Boudewijnstichting wil die inspanningen nog opdrijven en doet daarom een beroep op aüe geïnteresseerden die zich willen inzetten voor het bouwkundig erfgoed. Monumentenzorg is zeker geen eenmansbedrijf. Gemotiveerde partners kunnen samen met de Stichting overgaan tot concrete realisaties. Het kan hier gaan om een heemkundige kring, een onderwijsinstelling, een gemeentebestuur of een bedrijf, om maar enkele voorbeelden te geven. In het kader van deze campagne is per project maximaal een steun voorzien van 500.000,-fr. Het bedrag ervan -wordt bepaald in functie van de waarde van het project, de raming van de kosten en de eventuele subsidie van overheidswege. De steun wordt in hoofdzaak aangewend voor de uitvoering van de werken. Zowel facturen van materiaalaankopen als van aannemers komen in aanmerking. Daarnaast kunnen de gelden ook besteed worden aan uitstralings- en sensibiliseringsactiviteiten. Voorwaarden om deel te nemen: - Alle waardevolle projecten met betrekking tot het onroerend erfgoed komen in aanmerking; de bescherming als monument is geen dwingende voorwaarde. - De gebouwen of sites waarop de projecten betrekking hebben, kunnen zowel openbaar als particulier eigendom zijn. In beide gevallen moet echter een garantie geboden worden dat de gebouwen en terreinen na de restauratie toegankelijk zijn. - De initiatiefnemers verbinden er zich toe om zelf een aantal werkzaamheden uit te voeren, vanzelfsprekend onder deskundige begeleiding. - De initiatiefnemers zijn bereid om de uitstraling van het project op lokaal vlak te verzorgen: via artikels in de plaatselijke pers, folders, tentoonstellingen, geleide bezoeken, enz.


RIETEN DAKEN

WILLY IBENS

Smederij

o

P.V.B.A.

Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45

v^

MOLEN BAAN 18 2220 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • • • •

Restauratie alle smeedwerk Kopiëren Drijfwerk Eigen ontwerp Design Meubels

Gediplomeerd restaurateur

1 Arch. Groep Planning en Stabo

Informatiecentrum van de non-ferrometalen A+ 91.

Montoyerstraat, 4 7

- 1040 Brussel Tel. 02/513.86.34


Lotto, Presto, Duo, Joker. De winnaars die niet spelen danken de spelers die niet winnen. De 65% Belgen die met de Lotto, Presto, Duo of Joker spelen, hoeven zich geen kopbrekens te maken in de bestemming van hun inzet als zij verliezen. De Nationale Loterij maakt er helemaal geen geheim van en zegt het duidelijk in de dagbladen of met metersgrote affiches: hun inzet dient zowel voor de restauratie van een historisch waardevol gebouw of de internationale uitstraling van

de Opera voor Vlaanderen, als voor het kankeronderzoek, de voorbereiding van de Belgische atleten of waterboringen voor de hard getroffen Sahel-bewoners. Trouwens, haar naam alleen al maakt het duidelijk. De Nationale Loterij die de Lotto, Duo, Presto en Joker groepeert, is geen privé-onderneming gebaseerd op winstbejag, maar een openbare instelling ten dienste van de Gemeenschap. Anders gezegd, zelfs

al winnen zij niet met de Lotto, Duo, Presto of Joker, hun inzet is nooit weggegooid geld. Hij is enkel omgetoverd in een aria, een museum, een laserstraal, een atletiekpiste of een levensnoodzakelijke bron midden de woestijn.

©

Nationale Loterij Kardinaal Mercierstraat 6 1000 BRUSSEL

J

• ALGEMENE BOUWONDERNEMING • VERNIEUWBOUW

ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER...

• RESTAURATIEWERKEN ELWERKEN TEENHERSTELLINGEN • BETONREPARATIES ANDEI

'IjSfe

Heeft U zich al eens afgevraagd hoe liet komt dat eeuwenoude molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse stoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnen/ware torst'-' Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout Renofors-Bèta systeem. Voor

houten klokkebeiaard met het jaaaren.

Renotors-llèla is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken.

il

Renofors-liêta is een gewapend kunstharssvsteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert Vraag nu vrijblijvend documentatie. Hel 03/776.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

1151 2700S1 N.W

ADMINISTRATIEVE ZETEL: LIEVEN BAUWENSSTRAAT 20 LU

— : O cc

ELimm.

ERKBMNCEN

Ook sterk in gevelreimging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.


Herstelling monumenten en openbare werken N . V . G E B R O E D E R S G E O R G E S EN I N G E N I E U R J O Z E F

VANDEKERCKHOVE O O S T R O Z E B E K E S T R A A T 54

INGELMUNSTER

tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37

Restauratie van de Rijksuniversiteit "HET PAND" te Gent.

8770


RESTAURATIE EN Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.

MAAR HET KAN

MONUMENTENZORG Onderzoek :

Kunsfhistorisch • Technisch Bouwkundig

Behandeling :

Muurschilderingen • Stuc Sculptuur (steen en hout)

Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

Meubilair • Leder Schilden jen (paneel en doek)

\

MN

Solar

Bodemvondsten (houten leder) Adres Oosfveldkouter 26 9920 Lovendegem

Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-Niklaas. Of bel 03/776 91 62.

DEPIGEONAL |

DeClercqL. 03 233 82 27 • Van Der Biest L. 03 77144 66 VandenborreH.& LauwersM. 091 726303

S30» Gevel- en restauratiewerken Waterdichte bespuiting Oppervlaktebehandeling & sierpleisters Zand- en straalbedrijf industriële schilderwerken - Hoogtewerken

•

SchudelW

091221753

Mfefe HERNIEUWEND

J . GENNE Bosdel Industriepark CENK (011) 35 80 51 / 35 80 52 Telefax (011) 35 80 53

8 Mlzerlkstraat 3610 DIEPENBEEK

(011) 32 33 60

1989

3tort 950^ t ^ J 'K\^9 I • • • »--4 I • • • 11 • • I I ^ 1


20 jaar ontwerpen voor het Europakruispunt te Brussel, overzicht en kritiek

(foto O. Pauwels)

André Loeckx, departement Architectuur K.U.Leuven

Midden in het hart van Brussel, ingeklemd tussen de laagstad — stad van mensen, bewoners, kunstenaars, kunstenmakers, bezoekers, 'flaneurs' van alle soort — en de hoogstad — stad van macht, geld, aanzien, verkeer — lag tot voor kort een parkeerterrein met bezinestation. Een leeg stuk Brussel — leeg in de zin van: niet bedekt met gebouwen — maar terzelf dertijd boordevol geschiedenis. Dit lapje leegte was een overschot van meer dan een eeuw grootstedelijke ingrepen en speculaties. Zo lang reeds vormt dit stadsdeel het onderwerp van een haast klassiek stedelijk drama waarin geen enkele glansrol ontbreekt: koning, burgemeester, speculant, architect, bewoner. In deze bijdrage wordt niet het voorlopig laatste bedrijf van dit meesterwerk besproken, maar wel een belangrijk aspect van het scenario, met name de architectuur. 29 M&L

• • • •


Ook de voorbije twintig jaar bleek het Europakruispunt immers een geliefde opgave te zijn van allerhande architectuurwedstrijden, tegenprojecten, eindwerken, en dergelijke. Als men al deze voorstellen op een rijtje zet, springt niet onmiddellijk de juiste oplossing, het perfecte alternatief, de gemiste kans in het oog. Op heel wat nog vrij recente architectuurbenaderingen, die alle ooit met klem hun grote gelijk benadrukten, zit reeds behoorlijk wat sleet. Een dergelijk overzicht wijst dan ook onvermijdelijk op de waanzinnige snelheid waarmee architectuurvertogen en stijlen versleten worden. De verwarrende veelheid van oplossingen toont eveneens hoe krampachtig de architectuur in totaal uiteenlopende richtingen een uitweg zocht uit de grote crisis die ergens halverwege de jaren zestig duidelijk werd. De architectuur van de stad, struikelsteen van de Moderne Beweging, blijft daarbij het architectuurvraagstuk bij uitstek. Doorheen dit alles begint de architectuur echter stilaan opnieuw de taal van de stad te begrijpen en te spreken. In de ontwerpen worden terug zinvolle uitspraken gedaan over stad, wonen, moderniteit. De niet-architectuur die uiteindelijk op het Europakruispunt gebouwd wordt lijkt deze jonge hoop weer de grond in te boren. Toch is dit niet helemaal zo. De architectuur komt van ver terug en beschikt over nieuwe troeven. Van haar maatschappelijke positie blijft echter niet veel meer over. Dat wordt nog een hele opgave. Succes en mislukking, in dit bilan ligt ons inziens de betekenis van het verhaal van het De Grote Markt en het'Europakmispunt', tot vóór enkele jaren. Op Europakruispunt. Maar laat ons geen overhaaste de achtergrond v.l.n.r. het KT.T.-gebouw, de Lotto-toren, de .

. f

\,

,

.

i •• i ^ i

•

Sabena Air Terminus en het Centraal Station (foto Inbel)

besluiten trekken en beginnen bij het begin.

Het omwerp Polak-Van Meulekom, uit 1969 (verzameling Brusselse Raad voor het Leefmilieu) M&L 30


Het synthesevoorstel van Planning uit 1975 herneemt de grote lijnen van de inzending voor de wedstrijd van 1970 (Archief Planning)

Op het einde van de jaren zestig lijken politiekers en promotoren zich alles te kunnen veroorloven met de stad. In Brussel gaat men net iets te ver. De al te schandalige uitverkoop van publieke stadsruimte aan het private 'S.A. Parking Grand' Place', door Polak en Van Meulekom (1969) in bedenkelijke architectuur vertaald, wordt voor het nieuw opgerichte Atelier de Het eerste tegenproject van het Arau uit 1969 (verzameling Brusselse Recherche et d'Action Urbaines {ARAU) een eerste groot actiepunt. Het verzet klinkt krachtig tijdens een Raad voor het Leefmilieu) rumoerige persconferentie in — een betere plaats is niet denkbaar — café Mort Subite; een tegenproject wordt even later voorgesteld. In die tijd houdt een diep besef van crisis het architectuurwereldje in zijn greep. Een veralgemeende afkeer van de uitwassen van het naoorlogse speculatieve modernisme tast de bestaansgrond zelf van architectuur aan. Alleen de bewoners kunnen de stad redden (van architectuur) ! Zij moeten de stad heroveren ! Zij alleen kunnen zorgen voor de herwaardering van de stad als een ontmoetingsplaats (met nadruk op 'ontmoeting', niet op 'plaats')! Het hart van de stad moet opnieuw uitgroeien tot een echt stedelijk forum in sociologische, niet in architectonische zin. Architectuur kan in het beste geval een goede scène bieden voor het nieuwe stadsspektakel dat zou moeten M&L 31


plaatsvinden; als generator van gebeurtenissen is zij afgeschreven. Vorm moet plaats ruimen voor een veelheid van veronderstelde functies. Het eerste ARAU tegenproject (1969), en later ook de inzending van Planning voor de wedstrijd van 1970, toont een bescheiden, haast afwezige architectuur. Het betonnen dak van de ondergrondse parkeergarage wordt 'forum' of 'agora', een leeg plateau, omzoomd met wat groen. Verder enkele lage gebouwen, ontmoetingsruimten... Bij de inzendingen voor deze wedstrijd van 1970, uitgeschreven door het stadsbestuur in een poging om de vele protesten losgeslagen door de ARAU-actie wat in goede banen te leiden, vindt men ook enkele ontwerpen die nog de stempel dragen van Team-10, zo bijvoorbeeld het voorstel van Bugod, Graux en Terlinden. Verschillende stadsfuncties zoals verkeer, handel, cultuur en wonen worden op één site samengebracht, maar men poogt ze wel vertikaal op verschillende bouwlagen gescheiden te houden, wat leidt tot vrij ingewikkelde en dus dure oplossingen. In het ontwerp worden de hoekige, krachtige types van de Moderne Beweging uitgerafeld en vermengd met traditioneel aandoende vormen, ten einde een indruk van stedelijkheid op mensenmaat te creëren. Stedelijkheid staat voor verscheidenheid. De nadruk ligt op het doorbreken van een als rigide en monotoon ervaren moderne vormentaal, niet op het achterhalen en herstellen van de morfo-logica van de stad. De vormelijke verwijzingen naar elementen van het stedelijk weefsel — wandelstraten, binnenkoeren, dakvolumes, terrassen, enzovoort — blijven heel vrij. Daar komt echter spoedig verandering in. Meer en meer komt de stad in al haar materialiteit, haar architectuur, naar het voorplan en dit vanuit uiteenlopende invalshoeken: Muratori, Tendenza, Panerai, Fortier, Krier, Culot. De sociale leuze "de stad aan haar bewoners" kan het in enkele gevallen goed vinden met de nieuwe architectuurslogan "reconstructie van de stad". Om de stad opnieuw te bouwen moet men ze echter eerst beter leren kennen. Het modernisme en de erbij horende "40 jaar stilte" (Castex) of "intellectuele berusting" (L. Krier) hadden de kennis van de stad nagenoeg uitgewist. Herontdekking slaat in de eerste plaats op elementaire stedelijke types en morfologische principes: straat, bouwblok, plein, percellering. Architectuur keert terug, maar heeft niet dadelijk een reële stedelijke dimensie te pakken; haar stadsbeelden zijn nu eens erg beperkt en dagelijks, dan weer heel breedvoerig en idealiserend. Het "esthetisch alternatief" van ARAU (1976) biedt een goed voorbeeld van deze vroege morfo-typologische benadering. Enkel langs de Keizerinlaan ziet men het begin van een wat nieuwer en krachtiger architectuur die echter te zeer versneden wordt met allerhande openingen naar de benedenstad. De rest van het ontwerp toont een eenvoudige, om niet te zeggen simplistische typologie. Uiteenlopende kleinstedelijke types van gebouwen en open ruimten worden samengebracht. De onhandige morfologie verwart nog steeds verscheidenheid met 'menselijke M&L 32

Het 'esthetisch alternatief van het Arau uit 1976 (foto Archives d'Archit


ecture Moderne)

33 M&L


De inzending van Bugod. Graux en Terlinden voor de Stedebouwkundige wedstrijd van 1970 (foto Archives d'Architecture Moderne)

schaal' en slaagt er niet in een min of meer samenhangende publieke ruimte te vormen. Het Albertinaplein krijgt een vollediger wand, de Bergstraat echter niet. Enkele lelijke — 'moderne' — gebouwen in de Magdalenastraat worden achter architectuur verborgen. Ook een elders gesloopt monument vindt een veilig onderkomen in dit project, letterlijke wederopbouw dus. Door dit alles heeft dit "esthetisch alternatief" iets van een collage of iets dat tegenover de "chaos de la ville liberale " een "éclectisme inherent a toute procédure de decision démocratique" (ARAU) stelt. Grootstedelijk kan het project echter niet genoemd worden: groen, schaduw, stalletjes, luifels suggereren de sfeer van een zondagmorgen in een provinciestadje. Het voorstel van de La Camère-ploeg Birkiye, Busieau en Neirinck (1978) getuigt reeds van een meer zelfzeker morfo-typologisch kunnen. Architectuur herwint haar autonomie, vertelt een eigen verhaal dat ook op zichzelf het luisteren waard is. De letterlijke typologie van woonomgevingen wordt opengebroken om plaats te maken voor andere stedelijke feiten. Ingrijpende transformaties van belangrijke stedelijke types en de creatie van monumentale publieke stadsruimtes vormen de leidraad van het ontwerp. De typologie vermijdt echter referenties naar een modernistische vormentaal. Typologische transformaties beogen het benadrukken van een monumentaliteit die haar inspiratie vindt in de 19deeeuwse grootstad: boulevard, winkelgalerij, stadspark. M&L 34

I

'La rencontre evocatrice', een sfeerbeeld uit het voorstel van de La Cambre-ploeg met Birkiye, Busieau en Neirinck, uit 1978 (foto Archives d'Architecture Moderne)


Het voorstel Birkiye. Busieau en Neirinck, uit 1978 (verzameling Archives d'Architecture Moderne)

Deze benadering kenmerkt ook enkele bekroonde inzendingen van de Bonduelle-wedstrijd van 1983. In het ontwerp van laureaat G. Baines worden mogelijkheden en beperkingen van de 'rijpe' morfo-typologische aanpak zichtbaar. De vormentaal sluit aan bij deze van Ticino-architecten zoals Snozzi en Botta. Een voorkeur voor klare symmetrische composities garandeert een optimaal effect van de gebruikte stedelijke basistypes. Baines' plan gaat uit van het gesloten bouwblok. De schaal ervan overtreft echter duidelijk deze van de bouwblokken van de benedenstad en lijkt zelfs de aparte volumes van Centraal Station, RTT- en Sabena-gebouw te verkleinen. De enorme gesloten straatwand beëindigt en bindt de volumina van de bovenstad en maakt van de Kiezerinlaan een stukje grootstedelijk boulevard. Een typologische transformatie verandert een deel van het binnengebied in een publiek park; een kleiner gedeelte behoudt een strikt privaat karakter. Wonen en werken nemen elk een wand van hetzelfde bouwblok in: samenbrengen van functies zonder vermenging. Op de hoekpunten krijgen enkele stedelijke functies telkens een ander architecturaal accent: hotel, museum, grootwarenhuis. Een voetgangersbrug leidt de 'flaneur' van het oude Brussel over een prachtige tuin naar de ingang van het Centraal Station. Op zijn weg zorgt de verzorgde architectuur zeker voor wat bijkomend architecturaal genieten, na een bezoek aan de Grote Markt en de Sint-Hubertusgalerij. Tot op het fatale ogenblik dat Baines' nieuwe uurwerktoren de wandelaar een laatste waarschuwing geeft: de trein naar de voorsteden staat op het punt te vertrekken. Eens de deuren van het station hem opslorpen is de droom voorbij, versplinterd door het wrede

Het voorstel Birkiye, Busieau en Neirinck, uit 1978 (detail) (verzameling Archives d'Architecture Moderne)

tijdsrooster van de trein, die zelf buiten het ontwerp staat. Ondanks de eigentijdse Ticino-stijl laadt Baines het hart van Brussel op met 19de-eeuwse stadsbeelden: boulevard, passage, publieke tuin, hotel op de hoek. Het blijft echter een vriendelijke beeldengalerij waarin Haussmanns aggressieve monumentaliteit geen plaats vindt en waarbij "Ie temps des gares" beperkt blijft tot het uurwerk op de hoek. Baines' Europakruispunt wordt geen Place de l'Etoüe; het Centraal Station geen Gare de Lyon. 35 M&L


PLAN 1 2 3. •t

JARDINS

Acccis jarJin BoiMOfH fraiches Rsmise K., .,!„•,

De (gelauwerde) inzending van Georges Baines voor de Bonduelle-wedstrijd van 1983: het aanlegplan van de tuinen (boven) en het inplantingsplan op gelijkvloers niveau (onder) (verzameling G. Baines)

M&L 36


inrararaiiiimi:!:

1 I

n ^ r ^ r r n i p i ' I^TT

*rTJIUUL

1

'EST

1

Wi

LJ

-Tf

l

^1

f

J 1 J

•! LEL

i

•• - •

AC:(:KS GARK CENTRALE

De inzending van Georges Baines voor de Bonduelle-wedstrijd van 1983. Doorsnede (verzameling G. Baines)

lüteï^ O DD

D

DDiDn Q D

o

D

D i D : D

fifiM

ü

D Q

PLACE

DU

MUSEE

G. Baines, 1983. Het museum-plein (Académie Royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Beaux-Arts, 1984, 3-4)

t

n. Pim^H ffi 'n THHH •'••

•

B •

•

•

•^r?

•

B

a ILJ l l l l ^ ja

•

•

^ III • II! I ^ •

•

•

•

•

s

k

B

'".fp'z

SSSSL

G. Baines, 1983. Doorsnede over de openbare tuin (Académie Royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Beaux-Arts, 1984, 3-4)

iiiiiiiiiiïiinwrri limilplllllTFTTT^ •™T-mrrTTT-r

jjl' ifw iri TI irrrrrnTmmTi ||||||IHIIilllini11T|l|Him TT-m-m-TTTTTTTmiiiJ

1

irntTTriirtnnrrrTTinrri

I .

nDDDDQDDDGDDOr DDnaaDDDaDDDD

' v ^

f7

MIlIlMIlMiilliiaiiiwiiiiiiiliBttiiBTIII ilTlllllflÏT'ITllI^ Il Qv?. G. Baines, 1983. De gevels langs de Keizerinlaan (Académie Royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Beaux-Arts, 1984, 3-4)

37 M&L


Ook Jo Crepain werkt met transformaties van herkenbare morfo-typologische kenmerken. Crepains voorstel vermijdt het herinvoeren van een gesloten bouwblok en sluit meer aan bij het ontwerp van de La Cambre-ontwerpers. Op nadrukkelijke wijze poogt de architect het conflict tussen de uiteengelegde volumes van de moderne stad en het fijnmazige weefsel van de oude stad op te lossen. Het langwerpig volume dat de Keizerinlaan vervolledigt en de bovenstad begrenst, wordt aan de hoogstad-zijde opgetuigd met een 'CIAM-gevel', compleet met gordijnwand, skelet en vrij plan. De laagstad-zijde van ditzelfde bouwvolume moet een indruk van stadswal geven met massiefbouw, natuursteen en kleine ramen. Een monumentale galerij boort zich een weg van de toegang van

het Centraal Station naar de Grasmarkt beneden. In de plaats van bouwblokken ontwerpt Crepain een getransformeerd weefseltype met woningen in concentrische stroken. Straten, trapstegen en ritme van daken suggereren typologische verwantschappen met het oude stadsweefsel. Amper bekomen van 'de dood', 'het fiasco', 'het einde' van de architectuur, is het ontwerpen met 'rijpe' morfo-typologische inslag blijkbaar niet meer om zichzelf verlegen. Elke gelegenheid dient aangegrepen om de stad te herbouwen. Elke leegte, geslagen door modernistische stadsontwikkeling moet opgevuld worden met architectuur. De schaamte

•\ br\t

De inzending (grondplan) van Jo Crepain voor de Bonduelle-wedstrijd van 1983 (Académie Royale de Belgique. Bulletin de la Classe des Beaux-Arts, 1984, 3-4) M&L 38


De inzending (inplanting niveau bureaus) van Jo Crepain voor de Bonduelle-wedstrijd van 1983 (Académie Royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Beaux-Arts, 1984, 3-4)

De inzending (dwarsdoorsnede) van Jo Crepain voor de Bonduelle-wedstrijd van 1983 (Académie Royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Beaux-Arts. 1984, 3-4)

39 M&L


Maquette van de inzending van Jo Crepain voor de Bonduelle-wedstrijd van 1983 (eigen foto)

voorbij. Alleen de modernistische typologie blijft taboe en waar deze bestaat wordt ze best achter een of andere wal verborgen. Ergens onderweg werd in alle stilte afscheid genomen van de participatie-beweging; de architect poogt zijn rol als eigenmachtige bedenker van woonkwaliteit opnieuw te spelen, voorlopig nog in papieren projecten of beperkte realisaties. Het wilde denken van de avant-garde keert echter niet terug. De nadruk van de stadswederopbouw ligt op helen van wonden in het weefsel, vullen van leegten, lijmen van breuken, vormgeven aan compromissen. Wijst dit toch nog — zoals vermoedelijk bij G. Baines — op een eerlijke terughoudendheid ? Of schuilt er in het werken met bestaande types misschien iets fundamenteel behoudsgezind, iets bang, iets restaurerend, iets dat uiteindelijk de hedendaagse stedelijkheid miskent? Kennis van architectuurtaai uitgedrukt in typologieën en morfologieën is een noodzakelijke, maar lang geen voldoende voorwaarde om tot een hoogwaardige architectuur van de stad te komen. Het louter toepassen van morfo-typologie garandeert enkel de grijze degelijkheid die Panerai als minimum kwaliteit wil veilig stellen. Onhandige transformaties die voortkomen uit het niet voldoende begrijpen of aanvoelen van vormentaal bieden echter even weinig kans op kwaliteit. Een poëtische eigenheid verlenen aan een plaats — in dit geval het hart van een hoofdstad — vergt gevoelige en gevatte transformaties van morfo-typologische gegevenheden. Daartoe blijven het talent en de inval van de ontwerper onontbeerlijk. Eerlijk gezegd slaagt ons M&L 40

inziens enkel het ontwerp van Birkye, Busieau en Neirinck daar voldoende in. Onze ontwerpgeschiedenis van het Europakruispunt is echter nog niet ten einde. In het overzicht van 20 jaar "designerly way of thinking" over het hart van Brussel kan men immers moeilijk naast een aantal bijdragen kijken die heel andere paden bewandelen. Een merkwaardige inzending voor de Bonduelle-wedstrijd — echter niet in de ogen van de jury — werd op papier gezet door Volcrick. Voor deze ontwerper zou het Europakruispunt, waarrond men reeds meer dan een eeuw lang een schouwspel van macht en speculatie opvoert, een letterlijk theater van de stad moeten worden. Het spektakel dat de oude stad zelf onvermoeibaar ten beste geeft aan elke bezoeker die het Centraal Station verlaat, zou dan in Volcricks openluchttheater omkaderd worden met een groots architecturaal gebaar waarin de "grandeur" van Jules Anspach zich zou meten met de "valeurs individualistes, pittoresques, historicistes et artisanales " van Charles Buis. Deze enkelvoudige ingreep, het enorme openluchttheater midden in de huidige lege plek, verleent aan het Europakruispunt een grootstedelijk of zelfs een metropolitaan karakter. Hier is geen sprake van een compromis tussen twee vijandige weefsels; hier ontstaat een nieuw stedelijk feit dat in staat zou moeten zijn volk op de been te brengen en cultuurcreatie in de hand te werken. "Een stuwend monument" zou Rossi zeggen. Vorm genereert functies. Volcricks metropolitane inspiratie komt echter niet uit New York, maar uit het Oude Rome.


De inzending van Volcrick voor de Bonduelle-wedstrijd van 1983 (eigen foto)

M&L 41


Een gelijkaardige bedoeling vindt men in het ontwerp van Jean-Louis Dujardin, bekroond met een eervolle vermelding. Midden in de open ruimte bouwt de architect een volwaardige stadsopera. Ook Dujardin plant een krachtig nieuw element in, midden in het niemandsland, tussen twee elkaar vreemde stadsdelen. Elke poging om de ruimtelijke spanningen van de stad op te lossen door het vermengen van tegenstrijdige typo-morfologieën wordt afgewezen. Dujardins concept onderstreept het onmiskenbaar verschil en de principiële gelijkwaardigheid van hoogstad en laagstad. De nieuwe opera brengt een derde term in het spel, een derde verschil dat de beide andere niet opheft, maar juist de nevenschikking van zinrijke verschillen vervolledigt. Hier wordt architectuur van de stad — de grootstad — bedreven. Maar ook buiten de Bonduelle-wedstrijd valt er nog een en ander te beleven. In 1969, terwijl in de 'Mort Subite' een eerste tegenproject van het ARAU broedt, geeft Luc Deleu een heel andere oplossing voor het Europakruispunt vorm. Het ontwerp is verwarrend en suggestief. Midden de open ruimte is een vreemde laat-moderne architectuurmachine geland. Een deel van het stadweefsel wordt weggerukt; dynamische circulatielijnen snijden diep in het vlees van de oude stad en verbinden het willens nillens met een nieuw architectonisch centrum. Het modernisme gaat door met zijn destructieve actie, niet ter verrijking van een of andere speculant, maar om een onvermijdelijke prijs te betalen voor "het opladen van de potentiële energie van de publieke ruimte", zou Zaha De inzending van Jean-Louis Dujardin voor de Bonduelle-Wedstrijd van 1983 (Académie Royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Beaux-Arts, 1984, 3-4) De inzending (plan van de opera) van Jean-Louis Dujardin voor de Bonduelle-wedstrijd voor 1983 (Académie Royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Beaux-Arts, 1984, 3-4)

M&L 42


De inzending {doorsnede van de opera) van Jean-Louis Dujardin voor de Bonduelle-wedstrijd voor 1983 (Académie Royale de Belgique, Bulletin de la Classe des Beaux-Arts, 1984, 3-4)

Het voorstel van Luc Deleu uit 1969 (eigen foto) 43 M&L


Hadid zeggen. Het stervend hart van Brussel krijgt een pacemaker. Deleus mededeling werd door niemand ernstig genomen.

gemaakt door de moderne bouw- en uitrustingstechnologie.

Modernisme en de architectuur van de stad. Ook in Vijftien jaar en heel wat architectuurstijlen en — enkele inzendingen voor de Bonduelle-prijs komt dit modes later ontwerpt Louis Dams, laatstejaarsstudent thema aan bod, maar dan wel buiten de prijzen. aan de T,H. Eindhoven, een ander Europakruispunt. Uitgangspunt van het ontwerp van de groep HoogDaarbij treedt iets nieuw op de scène. De morfo-typo- poort (Stephane Beel, Xaveer de Geyter, Arjan Karslogie van de reconstructie die teruggrijpt naar de senberg en Willem-Jan Neutelings) is de vormelijke bestaande of veronderstelde 19de-eeuwse stedelijk- geleding van ... leegte. Voor de ontwerpers draagt de heid wordt resoluut vervangen door een modernisti- lege driehoek van het Europakruispunt meer geschiesche. De stedebouwkundige compositie gaat opnieuw denis en ook meer metropolitane potentialiteit dan de uit van aparte gebouwen, omringd door open ruim- meeste volgebouwde stadsdelen, zelfs de meest achtten, een patroon dat in principe het tegenbeeld vormt bare. De lege driehoek, nu reeds een unieke plaats in van het gesloten bouwblok. Met grote architecturale de stad, wacht op een stroom van stadsbewoners, is objecten — herkenbare gebouwen — die met elkaar nagenoeg klaar om de dichte en ordeloze beweging relaties van complementariteit, contrast, herhaling, van de echte 'flaneurs' op te vangen. Hoogpoort asymmetrie, evenwicht van tegendelen aangaan, geeft vrijwaart en beklemtoont de driehoek door een uitgede ontwerper vorm aan een grote stedelijke ruimte. sproken architecturale uitwerking van de randen. De spil van het ontwerp is geen horizontale winkelga- Daar slorpen roltapijten de voetgangersstromen op lerij meer, maar een toren. In begeleidende tekenin- en verbinden hen met de mechanische stroomlijnen gen verwijst de ontwerper — alle verhoudingen in van trein en metro. Hier is de trein niet meer het acht genomen — naar de Eiffeltoren en naar Manhat- bruuske einde van de nostalgische architectuurwandetan. Zichtbare beweging van liften en ritme van ling van enkele bezoekers; hij neemt integraal deel opeenvolgende vloeren beklemtonen superpositie, aan de beweging doorheen de stadsruimte van vele verticaliteit en opwaartse beweging, mogelijk tienduizenden stadsgebruikers en wordt daardoor een

TEKENING 2 EUROPAKRUISPUNT Louis DAMS

Het eindejaarsontwerp van Louis Dams aan de T.H. Eindhoven, 1983 (eigen verzameling) M & L 44


• it •

^ ^ *_f

Het project van het Team Hoogpoort (Stephane Beel, Xaveer de Geytter, Arjan Karsenberg, Willem-Jan Neutelingsj uit 1983 (foto Hoogpoort) Het project van het Team Hoogpoort uit 1983 (foto Hoogpoort)

45 M&L

lÊÊÊBÊm


architectuuropgave bij uitstek. De open driehoek vormt een volwaardige derde term tussen hoogstad en laagstad. Bovendien verbinden de roltrappen de zichtbare stad met de verborgen stad, een ondergrondse stad die volledig bestaat uit beweging en techniek. Door de talloze verborgen leidingen en lijnen stroomt leven en energie naar de zichtbare stad erboven. Over de bovenzijde van de driehoek zweeft een langgerekt volume dat terzelfdertijd de Keizerinnelaan profileert en toch het zicht op de benedenstad vrijwaart. Dit volume steunt op enkele schaarse pilotis en hangt met reusachtige kabels — volgens de beste

constructivistische overdrijving — aan een wolkenkrabber gebouwd op één van de hoekpunten. Het verbannen type is weer terug ! Het krachtige, verticale teken geeft vorm aan een perfect tegenbeeld van de horizontale leegte. De toren speelt niet enkel een rol in het geleden van de driehoek en zijn randen. Hoogpoorts ontwerp reikt verder dan de onmiddellijke omgeving (Centraal Station, Sabena-gebouw, RTT...): de nieuwe wolkenkrabber vervolledigt zonder valse schaamte de wat schrale skyline, bepaald door de verderaf gelegen Westbury-toren en de stadhuistoren van de Grote Markt. Op die wijze wordt

Her project van het Team Hoogpoon uit 1983 (foto Hoogpoort)

het Europakruispunt een van ver zichtbaar teken aan de stadshorizon, opgenomen bij de torens van Brussel. De wolkenkrabber van Hoogpoort zorgt daarbij nog voor de nodige verdichting en vermenigvuldiging van bruikbare vloeroppervlakte, en dit als compensatie voor de lege driehoek. Met nog meer nadruk dan het ontwerp van Dams brengt deze inzending, die natuurlijk een overduidelijke OMA-stempel draagt, het nieuwe modernisme binnen de ontwerpgeschiedenis van het Europakruispunt. Op compromisloze wijze worden met stijl, typologie en compositie moderne thema's bespeeld: eigenzinnigheid, tegenstelling, verdichting, beweging, techniek, ruimte, hoogte. M&L 46

Baines en het team Hoogpoort brengen belangrijke zienswijzen over stad en architectuur binnen in het Europakruispunt-debat van 1983. Brussel, grootstad en metropool. Stilaan vinden de enorme kansen, geboden door deze nog lege plek, een architecturale uitdrukking. Het debat krijgt allure en diepgang. De ontknoping gaat echter een heel andere richting uit. In werkelijkheid zal er met heel het recente architectonisch denken over het Europakruispunt gewoon geen rekening gehouden worden. Nog vóór de proclamatie van de uitslag van de Bonduelle-wedstrijd, keuren de bevoegde instanties een nieuw BPA goed. Met wat goede wil vindt men in dit 'definitieve' BPA resten van een synthesevoorstel van Planning uit 1975 en herinneringen aan vroege morfo-typologische benade-


VUE AXONOMETRIQUE depuis Ie jardin de l'Albertine 0

10

20

30

40

50

lOOm

Het 'projet amélioré' van het Arau, uit 1983 (verzameling Archives d'Architecture Moderne)

ringen. Het ARAU ziet warempel enkele oude doelstellingen gerealiseerd: hier en daar worden bouwlijn en straatprofiel hersteld en het wonen in de stad krijgt weer wat aandacht. Een vermoeid ARAU beperkt zich dan ook tot enkele kleine verbeteringen, samengevat in een "projet amélioré": zeker niet het meest eervolle resultaat van 15 jaar "recherche et action urbaines"\ Vaarwel Ticino en Manhattan, de middelmaat heeft het gehaald. Misschien hadden we moeten vechten voor het behoud van het benzinestation en de parking, die — aldus Vlees en Beton (4.1985) — toch nog enige metropolitane kwaliteit hadden of die tenminste de kansen op goede architectuur open hielden.

Epiloog

In oktober 1984 lijkt de zaak van het Europakruispunt beslecht. De promotoren beginnen met de voorbereiding van hun project. Daarbij hoort men af en toe nog wat rumoer op de achtergrond, bijvoorbeeld over de vraag of men hotels ook als woningen kan beschouwen. De stad Brussel stelde immers 'woningen in de stad' als voorwaarde voor het goedkeuren van het nieuwe BPA. Dat was trouwens ook het hoofdmotief voor ARAU om in te stemmen met dit voorstel. Enkele jaren later betreurt ARAU dat het feitelijke invullingsplan slechts weinig appartementen voorziet, maar het kan zich niet tegen het project verzetten omdat hotels eigenlijk ook als residentiële functie aanvaard worden, aldus Ville et Habitant (1986). Ook de stijl geeft aanleiding tot enkele schermutselingen. ARAU stelt voor het te houden bij traditionele materialen, sobere kleuren en een lichtere dakvorm teneinde een te 'postmodern' uitgevallen gevel wat aanvaardbaarder te maken. Uiteindelijk kiest de stad Brussel voor een opsmuk in 'Vlaamse Renaissance'. De architecten zwijgen... tot de kranen uitrukken.

"Neen, dit is geen droom meer!" "een nieuwe Europese uitdaging vanwege Brussel"; "niets minder dan de aanleg van een mooi park omgeven door drie hotels"; "hier is zeer zeker geen sprake van torengebouwen Wat nu uitgevoerd wordt raakt kant noch wal. De noch van futurische (sic) durf"; "zijn harmonisch Keizerinlaan, breukstreep tussen hoogstad en laagbouwkundig geheel als een nieuw juweel aan de Brus- stad, blijft een uiteengelegde ruimte. Een overmaats selse kroon", "goede zaken voor de kleinhandelaars kruispunt vloeit over in een oeverloze "jardin et van de omliggende wijken dank zij het nieuwe kliënteel place" rond een enorme betonnen helling naar de ondergrondse parking. Even verder zal een vijfsteruit de hotels"... . 47 M&L


renhotel in één of andere pastiche pogen Hortas centraal station en Brunfauts Sabenagebouw te verenigen rond één circus. Tussen het gebroken Albertinaplein en de eenzame Magdalenakerk moeten enkele bomen en een vluchtheuvel de ruimte organiseren. Het mooie perspectiefzicht vanuit de Grasmarkt op Hortas gevel gaat haast volledig verloren achter de voorzetgevels die de nieuwe betonnen volumes bedekken. De nieuwe wand van de Bergstraat verbergt Sint-Michiels en vestigt de aandacht op de Nationale Bank. Stukjes trapgevel en gevelbepleistering suggereren iets van de typische smalle stadspercelen die, normaal gesproken, met hun wisselende invullingen ritme geven aan het straatleven. Over meer dan een suggestie gaat het hier echter niet. Tussen gevelritme en achterliggend bouwvolume is elk verband zoek, maar dat was eigenlijk ook reeds het geval aan de overkant van de Bergstraat. Erger is het dat in wat het BPA als winkelstraten bedoelde zelfs de essentiële relatie tussen gelijkvloers en straat verloren gaat. Op het gelijkvloers wensen de promotoren blijkbaar niet eens een degelijk stedelijk winkelfront te vormen. In de Bergstraat werden nauwelijks bruikbare winkelpuien voorzien. Waar het traditionele smalle perceel toeliet soepel in te spelen op elke straathelling, daar lijkt het gelijkvloers van de valse percelen in de Infante Isabellastraat wel in de grond te zinken. Vanop de stoep kijkt de wandelaar niet in een of ander schitterend uitstalraam, maar wel recht in het bord van wie

gezellig zit te tafelen in een restaurant dat meters onder het straatniveau gelegen is. De functie "commerces" voorzien in het BPA blijft beperkt tot twee ramen die elk uitzicht geven op een ondiepe vitrinekast. Het hart van Europa klopt zelfs niet voor winkeliers en kooplustigen. "Brussel was ooit nog een bruisende stad". Gelukkig kijkt Buis de andere richting uit. 20 jaar architectuur voor het Europakruispunt. Wat het architectenwerk betreft toch heel wat beter reeds dan de doodse stilte die volgens J. Castex intrad met het naoorlogse modernisme. Maar de promotoren van het huidige project is het niet om architectuur te doen en wat nu gebouwd wordt is eigenlijk geen architectenwerk. Deze magere troost geldt bijvoorbeeld niet voor het Markiesgebouw dat nu ook zijn steentje bijdraagt tot de luister van ditzelfde stuk Brussel. Waar het Markiesgebouw faalt in een al te doorzichtige poging tot grote architectuur, daar toont het Europakruispunt hoe klein België soms zijn wil. Deleu, Tanghe, Culot, Crepain, Baines, Beel, Neutelings ... . De architecten hebben opnieuw wat te vertellen over architectuur en stad. Alleen wijst de afloop van het verhaal erop hoe marginaal architectuur wel geworden is, hoe het binnenskamers ophemelen van de eigen mogelijkheden niet volstaat, hoe buiten het architectuurwereldje de architectuurcultuur te dun geworden is om de stad over te laten aan ondernemers, politiekers, handelaars en actiegroepen.

rit^.8 mi Ti i l 1 ' •f iiiij IIII || |

De pseudo-neo-Vlaamse-renaissancehotels in opbouw. Op het voorplan de spiraalsgewijze toegang tot de parkings (foto O. Pauwels) M&L 48


Doornzele - Dries: meer dan alleen maar gras en bomen

(toto P. Van den Broeck)

Geert Van der Linden, B.M.L.

Doornzele, een gehucht van Evergem gelegen nabij het kanaal Gent-Terneuzen, is bekend om zijn mooie en zeer goed bewaarde dries. In de schaduw van de bomen heerst er nog een landelijke rust. Centraal domineert de Sint-Petrus en Pauluskerk. De westzijde wordt beheerst door een molenwal met bakstenen molenromp. Uit de vorm en ligging van de dries blijkt dat het hier een oorspronkelijke landelijke agglomeratie betreft, gegroeid rond een open ruimte die gebruikt werd door de errond wonende agrarische gemeenschap. De voornaamste functie van het 'plein' was deze van verzamelplaats voor het vee; het werd er gemolken, gedrenkt. De centrale ligging vergemakkelijkte het afzonderen van het omgevende akkerland en het vergaren van mest (Dussart & Claude, 1975). Een goed bewaarde dries mag een zeldzaamheid genoemd worden daar de meeste bebouwd of verkaveld werden na het privatiseringsproces van dergelijke 'gemene gronden' in de 18de en 19de eeuw. 49 M&L

••


Etymologisch zou Doornzele wijze op een Frankische hoeve (sala) in een doornige streek. In het charter van 966, waarin koning Lotharius de bezittingen van de Sint-Baafsabdij erkende, werd Doornzele reeds vermeld. In 1234 werd te Doornzele een Cisterciënzerinnenabdij opgericht. Dit vrouwenklooster hield zich onder andere bezig met landbouw en de vruchtbaarmaking van de streek. Bij het klooster ontstond een gehucht rond een dries. De omwonenden kregen deze langgerekte strook van 19 ha in gemeenschappelijk vruchtgebruik van de baljuw van de Oudburg, namens de graaf van Vlaanderen (Vanacker & Hendryckx, 1982). Op de dries waren volgens het gewoonterecht twee oude prerogatieven van kracht: het plant- en het weiderecht; de aangelanden mochten er, met andere woorden, bomen planten en dieren laten grazen. In de Franse tijd werd de dries eigendom van de gemeente, maar de omwonenden bleven het plant- en weiderecht opeisen. Tot op heden hebben deze oude, maar nooit op schrift gestelde voorrechten, aanleiding gegeven tot heel wat eigendomsbetwistingen. In het drieslandschap is het verschil in bodemgebruik nog duidelijk visueel waarneembaar. De percelen met plantrecht bevinden zich rondom het centrale, niet beplante deel. Van het weiderecht wordt door de omwonenden heden geen gebruik meer gemaakt; wel wordt enkele malen per jaar het gras gemaaid, zowel onder de bomen als op het centrale deel waar tot voor kort nog regelmatig een kudde schapen graasde. Alhoewel de omwonenden alleen over plant- en weiderecht beschikten, werden de aangelanden in 1835 als eigenaar van de percelen met plantrecht opgenomen in de leggers van het primitief kadaster (dit is de eerste kadasterkaart van België). De percelen werden omschreven als "beplante gronden"; bij één perceel werd als bodemgebruik "boomgaard" opgegeven, bij een ander perceel "land". De delen waarvan de gemeente eigenaar was, werden omschreven als "onbewerkt land".

DE CARTOGRAFISCHE

Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van de Ferraris (1775)

Kaart primitief kadaster (1835)

In de loop der tijden werd de dries verschillende malen ontgonnen. Tijdens de hongerjaren 1845-1848 en gedurende de Tweede Wereldoorlog werden er groenten en aardappelen geteeld. In historisch-landschappelijk opzicht is, naast de nog visuele herkenbaarheid van het plant- en het weiderecht, het feit dat de oppervlakte nagenoeg ongewijzigd is gebleven, een belangrijk gegeven. Van de meeste driezen bleef na verloop van tijd immers maar een beperkt deel over en werd de rest verkaveld of bebouwd. Hoe de dries van Doornzele door de jaren heen is geëvolueerd kunnen we vanaf 1775 nagaan aan de hand van kaartmateriaal: - de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, van de Ferraris (1775), - de kaart van het primitief kadaster (1835), - de kaarten van het 'Institut cartographique militaire' (1863) - het 'Institut cartographique militaire' (1909), - het Militair geografisch instituut (1938), M&L 50

o

-wo

too

Institut cartographique militaire (1863)


- het Nationaal geografisch instituut (1980-1981).

EVOLUTIE VAN DE DRIES

Inslitut cartographique militaire (1909)

Militair geografisch instituut (1938)

Aan de westelijke toegang is op de kabinetskaart van de Ferraris in 1775 een windmolen afgebeeld met ernaast een vijver, vermoedelijk ontstaan door het graven van de molenberg. Dit molensite wordt op recentere kaarten nagenoeg steeds op dezelfde wijze voorgesteld. De vijver werd ook gebruikt als drinkpoel voor het vee. Op de kaart van 1909 zijn ten zuiden van de kerk nog twee andere poelen ingetekend. Centraal verschijnt de in 1777 gebouwde en in 1832 vergrootte kapel. Het kerkhof was met een gracht omzoomd. In de periode 1858-1860 werd op de plaats van de kapel de parochiekerk gebouwd. Een nieuw kerkhof werd aangelegd ten westen van het omgrachte kerksite. De in de Tweede Wereldoorlog verwoeste kerk werd in 1950 heropgebouwd. De omgevende gracht is inmiddels gedempt. Het toenemend gemotoriseerd verkeer veroorzaakte anderzijds een snelle uitbreiding van het wegennet. Een middenweg met vijf invalswegen (kaart van 1775) groeit in de periode 1980-1981 uit tot een bijna onoverzichtelijk patroon van sluikwegen die de hoofdweg dwars over de dries verbinden met de weg errond. Het oostelijk uiteinde van de dries moest plaats ruimen voor de verruimingswerken aan het kanaal Gent-Terneuzen en de ermee gepaard gaande verlegging van de spoorweg (kaart van 1909). De randpercelen zijn steeds beplant geweest. Op de meeste kaarten zijn de aanplantingen voorgesteld als bomen met een regelmatig plantpatroon. Langsheen de middenweg worden vanaf 1863 op regelmatige afstand bomen ingetekend. Op de kaart van 1775 staat langs de middenweg ook een tweerijïge aanplant in driehoeksverband afgebeeld. Vermoedelijk gaat het hier om geknotte bomen. Op deze kaart is de volledige dries tevens omzoomd met een haag, dienstig als veekering.

Een visie op het beheer In het kader van het beschermingsvoorstel, uitgewerkt door het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, werd door het gemeentebestuur en het driescomité tevens gevraagd naar een beheersplan om zo de dries voor de toekomst te vrijwaren. Een dergelijk beheersplan heeft, naast het vastleggen van functies, ook als doelstelling werken en handelingen te coördineren. Dit alles komt niet enkel het landschap, maar ook de eigenaars en de gebruikers ten goede. Nationaal geografisch instituut (1980-81)

De noodzaak om tot een beheersplanning op lange termijn te komen blijkt onder meer uit de kappingsaanvragen die geregeld bij het gemeentebestuur worden ingediend. Ongekontroleerde kappingen en heraanplantingen doen het beboomde karakter teloor gaan. Andere problemen stellen zich op verkeerstechnisch vlak: ongeordend parkeren, een wirwar van berijdbare wegen... . 51 M&L


Het basisdocument van het beheersplan vormt ongetwijfeld een kaart met de nauwkeurige weergave van de bestaande situatie: eigendomstoestand, wegeninfrastructuur, bodemgebruik, bomenbestand, .... Vertrekkende van deze gegevens kan een visie voor de toekomst uitgewerkt worden.

De stenen-molenniXne (foto P. Van den Broeck)

Daarnaast moet verder verval van de molen worden tegengegaan en zou de heraanleg van het molensite, met onder meer de poel aan de voet van de molenberg, ongetwijfeld in historisch en esthetisch opzicht een meerwaarde betekenen voor de dries. Een probleem bij het opmaken van het beheersplan vormt de sterk versnipperde eigendomstoestand. De totale oppervlakte bedraagt 18,9 ha; hiervan behoort slechts 7 ha aan de gemeente. De overige 11,9 ha is privaat eigendom: de 79 randpercelen zijn in handen van 62 eigenaars. Hiervan kunnen slechts de erfgenamen Guillaume De Potter d'Indoye (met 3,2 ha) en de V.Z.W. Gesticht der zusters van het Heilig Hart van Maria (met ongeveer 1,5 ha) als 'belangrijke' eigenaars bestempeld worden. De overige percelen variëren in oppervlakte van 120 to 2520 m2. De middenstrook, met uitzondering van de rijksweg en het molensite, is gemeentelijk bezit. Het is dan ook wenselijk, mede om een doelgericht beheer te vergemakkelijken, dat de gemeente een aantal bijkomende verwervingen zou realiseren (1). M&L 52

In deze visie wordt een belangrijke plaats ingenomen door het bomenbestand. Van de 79 randpercelen zijn er 70 beplant. Het assortiment bestaat voornamelijk uit Canadapopulier (80 %) en — in mindere mate — uit Zomereik (4 % ) , Berk (4 % ) , Amerikaanse eik (3 % ) , Linde (2 % ) , Beuk (2 %) en Notelaar (2 % ) . De resterende 3 % omvatten Lork, Meidoorn, Japanse kerselaar. Plataan, Wilg, Magnolia, Es en Ceder (2). Het merendeel van de Canadapopulieren werd in 1947 geplant ter vervanging van door de Duitsers in 1941 gerooide populieren. Naargelang van de breedte van de randpercelen (20 tot 35 meter) werd geopteerd voor 3, 4 of 5 bomenrijen, telkens met een tussenafstand van 7 meter. De bomen zelf staan in vierkantsverband. Langs de rijksweg werden beuken aangeplant. Meer dan waarschijnlijk was het bomenassortiment vroeger beperkter, hoewel hierover geen concrete indicaties werden gevonden. Voor zover kon worden nagegaan, werd door de driesbewoners in het verleden steeds geopteerd voor het aanplanten van bomen op een regelmatige tussenafstand. Hakhoutaanplantingen werden op de historische kaarten niet teruggevonden: dergelijke aanplantingen zouden immers een hinder gevormd hebben voor de beweiding op de dries. Oude foto's tonen aan dat de bomen geknot werden, onder andere op een aantal randpercelen en nabij de poel aan de molenberg (De Vos, 1966 en Wolfaert, 1982). Ook de Ferraris maakte op zijn kabinetskaart van ca. 1775 vermoedelijk een onderscheid tussen geknotte en opgaande bomen. De geknotte bomen staan weergegeven in een tweerijïge aanplant in driehoeksverband en met een kleinere tussenafstand dan de andere aanplantingen. Hoewel de in het verleden gebruikte boomsoorten niet gekend zijn, mag toch gesteld worden dat men bij het plantrecht steeds de voorkeur gaf aan de meest rendabele boomsoort, zodat de keuze van de canadapopulier in recentere tijden logisch mag genoemd worden. Het voorstel tot het algemene doorvoeren van heraanplantingen met canadapopulier wordt dan ook in het beheersplan weerhouden. Dit heeft als bijkomend voordeel dat ook particuliere eigenaars hier de voorkeur aan geven, gelet op de relatief snelle produktie. Een optie voor een meer duurzame boomsoort lijkt slechts mogelijk mits verwerving van de particuliere gronden door de gemeente. Het voordeel van deze laatste optie is dat men niet voortdurend geconfronteerd wordt met kappingen en dat inheemse bomen vanuit esthetisch (landschappelijk) oogpunt een grotere waarde hebben.

Rechter pagina: een oost-west zicht op de dries (foto P. Van den Broeck)


^'riss

•

A\ 1 'f jfl 12

/r

A

\ A

N

1f;

^ '.

1

/

wli x

r» r

\\l P ' \ \

^

^

•

1

-

• • > & .

1

i

i

X''

•


Het is evident dat bij de keuze van populieren, of later van een meer duurzame boomsoort, rekening dient te worden gehouden met de bodemgesteldheid van de dries. De aanduiding van "vergraven gronden" op de bodemkaart van België biedt hiervoor geen enkel houvast. Eigen onderzoek toonde aan dat het bodemmateriaal in de randpercelen bestaat uit humusrijke zandgronden met hier en daar nog een duidelijke humus B-horizont. De grondwatertafel bevond zich in september 1987 tussen -70 cm (in het westen en -180 cm (in het oosten). Slechts op één plaats, ongeveer halverwege de dries, werd de reductiehorizont aangeboord, dit op -180 cm diepte. In het verleden had de dries een drainerend grachtenstelsel waarvan enkel in het westelijk uiteinde nog enkele grachten niet gedempt werden. Afgezien van de 'normale' bodemverstoringen bij het uithalen van bomen en doorvoeren van grondbewerkingen, vond er kort na de Tweede Wereldoorlog tijdelijk een sterke bodemvervuiling plaats door olieachtige produkten, toen de dries door het geallieerde leger als stapelplaats voor brandsstoffen werd gebruikt. Tot vrij

recent werd bovendien huis- en industrieel afval ingegraven. Dit alles had gedurende meerdere jaren zijn weerslag op de flora (Van Daele en Heungens, 1979). Een interessant aspect biedt ook het niet beplante deel. Het doorvoeren van een planmatig maaibeheer kan leiden tot een kenmerkende, gevarieerde en rijk geschakeerde vegetatie op een schrale bodem. Een exact maaischema en de wijze van maaien, waarbij begrazing door schapen niet mag uitgesloten worden, kan evenwel slechts opgesteld worden na een grondige inventarisatie van de plantengroei. Het moge duidelijk zijn dat de dries van Doornzele mits het doorvoeren van een aangepast beheer nog een riante toekomst voor zich heeft. Bij het uitwerken van het beheersplan verdient het behoud van de historische en esthetische waarde van de dries de voorrang, maar tegelijkertijd moet de nodige soepelheid worden ingebouwd voor het opvangen van veranderde functies en door te voeren aanpassingen.

Voetnoten (1) Op de gemeenteraad van 25.08.1988 werd besloten om de gronden en de erop staande bomen van de erfgenamen Guillaume de Potter d'Indoye aan te kopen. (2) Inventaris opgemaakt door Griet Vanrentergem, Gemeentebestuur Evergem.

Bibliografie — De Vos A., 1000 jaar Evergem, Gemeentebestuur, Evergem, 1966. — Dussaert P., Claude J., Les villages de 'dries' en Basse et Moyenne-Belgique, Bulletin de la Société Beige d'Etudes Géographiques. Tome XL. 1975. — Vanacker D.. Hendryckx M., Langs het kanaal, N.V. Scheepswerven, Evergem, 1982. — Van Daele E., Heungens A.. Mijten- en Collemboleninventarisatie van Doornzeledries, Gent, Rijks. Univ. Meded. Fac. Landbouw, 1979. — Wolfaert G., Oudeprentkaarten van Evergem, Van der Meulen, Evergem, 1982.

Centraal op de dries staat de parochiekerk, ter vervanging van een in 1777 gebouwde kapel, palend aan het kerkhof (foto P. Van den Broeck)

M&L 54


WANDELBROCHURES 'LANGS VLAAMSE WEGEN' Voor een nadere kennismaking met de voornaamste monumenten en landschappen in de steden en gemeenten van Vlaanderen, kan U gebruik maken van de wandelbrochures die door de Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw worden uitgegeven. Reeds verschenen: Torhout • Leuven • Maaseik • Hasselt de Antwerpse Zoo • Tongeren • Oudenburg Heusden-Zolder • Aalst Technische gegevens: zestien bladzijden • vierkleurendruk formaat: 21 cm x 29,7 cm Kostprijs: 50 fr./exemplaar (verzendingskosten inbegrepen) Inlichtingen: Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw Bergstraat 72 - 1000 Brussel Tel. (02) 512 40 97 Rekeningnr. 426-3141111-35

"Wandelen doorheen de Kunstwijk" is de titel van een nieuwe brochure waarin men, aan de hand van twee wandelroutes, kennis kan maken met het bouwkundig erfgoed in de Brusselse Kunstwijk. Dit gebied strekt zich uit vanaf het Justitiepaleis tot aan de Kruidtuin en vanaf de Kleine Ring tot aan de Noord-Zuid-verbindingslanen. In de Kunstwijk bevinden zich nog tal van waardevolle gebouwen zoals het Koninklijk Paleis, het Paleis der Natie, de Sint-Michielskathedraal, het Justitiepaleis, het Egmontpaleis, het Park van Brussel, de Kunstberg, het Koningsplein, enz.

WANDELEN DOORHEEN DE KUNSTWIJK

Technische gegevens: 34 bladzijden • vierkleurendruk • 36 illustraties formaat: 21 cm x 29,7 cm Deze brochure bestaat eveneens in het Frans. Kostprijs: 100 fr./exemplaar (verzendingskosten inbegrepen) Iniichtingen: Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw Bergstraat 72 - 1000 Brussel Tel. (02) 512 40 97 Rekeningnr. 426-3141111-35

v z w Kijnst\vi|k Sdch&ig Monumenten en UUKtedwpnofg

J/W


Doe een M&L-jaarabonnement cadeau

Bovendien houdt M&L voor de milde schenker een present in petto : U betaalt 950 fr. en ontvangt van ons een set van 6 kleurenpostkaarten.

Naam : Adres : • wenst een abonnement te schenken aan : Naam : Adres : Ik stort 950 fr. op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten en Landschappen. Na storting ontvang ik de kleurenpostkaarten.

Datum:

Terug te sturen naar M&L-redactie. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel.

Handtekening


REATIEVE

U wilt een verouderd gebouw vernieuwen, een oud monument opknappen, de ruimte inrichten ? Het bouwpatrimonium is de trots van elke gemeente, het geeft een rijkelijk uitzicht aan de omgeving. Schenk uzelf de traditie van een edele materie ; de Blauwe Steen uit Henegouwen. Hij is natuurlijk bestendig tegen slechte weersomstandigheden en vriesvast. U kan uw kreativiteit de vrije loop laten. Realiseer eenvoudige of grootse bouwideeën. Van de meest klassieke tot de meest baanbrekende. De Blauwe Steen is gemakkelijk te onderhouden, is niet duur en kan overal gebruikt worden ; fonteinen, monumenten, zitbanken, voetpaden, tegelvloeren van eender welke soort, omlijstingen, bekleding van gevels... Kortom, overal waar U een degelijk en duurzaal materiaal wilt gebruiken dat de tijd trotseert.

BLAUWE STEEN UIT HENEGOUWEN® Een produkt van de NV. Carrières du Hainaut.Tel.067/33.41.21 Stuur mij dus volledige informatie over de Blauwe Steen uit Henegouwen, richtprijzen en een lijst van de gespeda llseerde verkopers in mijn streek Naam_ Straat. Postnummer. Provincie

Nr^

Bus.

Plaats.

Beroep.

Terugzenden naar IM.V CARRIÈRES PU HAINAUT, 7400 SOICNIES


HERBOL-HERBOFLEX® SYSTEEM

rmm*

^Kvrnr*

• blijvend elastische gevelbescherming geen gevaar voor terugkerende barsten • absoluut waterdicht • milieuvriendelijk systeem

Raadpleeg : HERBOL-Verven, Boogstraat 35, 1800 Vilvoorde. Tel. (02) 251 51 14


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_8_2.pdf by Vlaanderen-be - Issuu