Monitoring Natuurinrichtingsproject Latemse Meersen ECOBE 013-R157
Opdrachtgever: VLM Oost-Vlaanderen
Colofon Rapport Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer ECOBE 013-R157 Wijze van refereren: Dijkstra, J.P. Van Pelt, D. en Van Diggelen, R., 2013. Uitvoering monitoring Natuurinrichtingsproject Latemse Meersen, deel Keuzemeersen, jaar 2 en Meersbeek, jaar -1. Rapport Universiteit Antwerpen, Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer, ECOBE 013 –R157.
11 april 2014 Universiteit Antwerpen Prof. Dr. R. van Diggelen e-mail: ruurd.vandiggelen@ua.ac.be Departement Biologie Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer Universiteitsplein 1 BE-2610 Antwerpen (Wilrijk) Tel.+32 3 265 22 68 Fax+32 3 265 22 71 http://www.ua.ac.be/ecobe Contactpersoon: Prof. Dr. Rudy van Diggelen e-mail: Ruurd.vandiggelen@uantwerpen.be http://www.uantwerpen.be/ecobe
Uitvoering monitoring Natuurinrichtingsproject Latemse Meersen, deel Keuzemeersen, jaar 2 en Meersbeek, jaar -1
J P Dijkstra D van Pelt R van Diggelen
Rapport 013-R157
-2-
INHOUD 1
Inleiding .................................................................................................................... 7 1.1 Situering studiegebied en kader monitoringsproject ................................................ 7 1.2 Kader monitoringsprogramma natuurinrichtingsproject .......................................... 9 1.3 Algemene doelstelling monitoring ............................................................................. 9
2
Doelen natuurinrichting ...........................................................................................11 2.1 Ecologische doelstellingen beleid ............................................................................ 11 2.2 Ecologische doelstellingen inrichting en beheer: gebiedsthema’s .......................... 11
3
Stratificatie ..............................................................................................................13
4
Monitoringsparameters............................................................................................14 4.1 Overzicht te monitoren parameters ........................................................................ 14 4.2 Motivatie parameterselectie.................................................................................... 17
5
Meetontwerp ...........................................................................................................18 5.1 Algemeen ................................................................................................................. 18 5.2 Stuurparameters ...................................................................................................... 18 5.3 Methodiek monitoring parameters volgens monitoringsplan PUP2 ....................... 22 5.3.1 Oppervlaktewaterpeil ............................................................................................ 22 5.3.2 Grondwaterwaterpeil en stijghoogteverschillen ................................................... 22 5.3.3 Grond- en oppervlaktewatersamenstelling ........................................................... 24 5.3.4 Oppervlakte en ligging doelsystemen ................................................................... 25 5.3.5 Oppervlakte en ligging van natuurstreefbeelden.................................................. 25 5.3.6 Soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden ...................................... 26 5.3.7 Territoriumdichtheid broedvogels ......................................................................... 27 5.3.8 Soortenrijkdom niet-broedvogels .......................................................................... 28
6 Uitvoering monitoring Natuurinrichtings-project Latemse Meersen, deel Keuzemeersen, jaar 2 en Meersbeek, jaar -1. ...................................................................29 6.1 Uitlezen van de grondwaterstanden tot 12 maanden na start van de opdracht (Keuzemeersen) en registratie van het oppervlaktewaterpeil tot 12 maanden na start van de opdracht (Keuzemeersen) ............................................................................................... 29 6.2 Staalname en analyse van oppervlaktewater- en grondwaterstalen (Keuzemeersen + Meersbeek)........................................................................................................................ 34 6.3 Vegetatieopname in permanente kwadraten (Keuzemeersen) .............................. 38 6.3.1 Werkwijze .............................................................................................................. 38 6.4 Bepaling slibdikte Meersbeek volgens III-5 .............................................................. 39 6.5 Bepaling algemene biotoopkwaliteit Meersbeek .................................................... 40 6.6 Bepaling soortensamenstelling aquatische macrofauna (Meersbeek) ................... 41 7
Resultaten en conclusies ..........................................................................................43 7.1 Uitlezen van de grondwaterstanden en registratie van het oppervlaktewaterpeil (Keuzemeersen).................................................................................................................... 43 7.1.1 Stijghoogteverschillen piëzometerkoppels ............................................................ 47 7.1.2 Duurlijnen en berekende gemiddelden.................................................................. 48 7.1.3 Resultaten oppervlaktewaterpeilmetingen m.b.v. e+ WATER Level 150 op locatie LMNS001X ........................................................................................................................ 62 -3-
7.2 Analyse van oppervlakte- en grondwaterstalen (Keuzemeersen + Meersbeek) ..... 64 7.2.1 Bespreking kwaliteit oppervlaktewater Keuzemeersen ........................................ 64 7.2.2 Bespreking kwaliteit grondwater Keuzemeersen .................................................. 69 7.2.3 IR/EGV-diagram (Van Wirdum, 1980) ................................................................... 75 7.2.4 Meersbeek ............................................................................................................. 84 7.3 Bepaling slibdikte Meersbeek volgens III-5 .............................................................. 90 7.4 Bepaling algemene biotoopkwaliteit ....................................................................... 92 7.5 Kartering van de natuurstreefbeelden (Keuzemeersen) ......................................... 97 7.6 Vegetatieopname in permanente kwadraten (Keuzemeersen) .............................. 97 7.7 Bepaling soortensamenstelling aquatische macrofauna (Meersbeek) ................... 98 8
Bijlages .................................................................................................................. 101
-4-
Figuren Figuur 5.1 Lokalisatie peilbuizen op digitaal hoogtemodel t.b.v. monitoring....................................... 23 Figuur 8.1 IR/EGV-diagram van de 3 grondwaterstalen o.b.v. de labometingen van de EGV .............. 76 Figuur 8.2 pH/EGV-diagram van de 3 grondwaterstalen o.b.v. de labometingen van de EGV............. 76 Figuur 8.3 Het Piper-diagram (1944) ..................................................................................................... 77 Figuur 8.4 Het Piper-diagram (1944) van de drie grondwaterstalen .................................................... 78 Figuur 8.5 Het Maucha-diagram (1932) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP001X in 2009. 79 Figuur 8.6 Het Maucha-diagram (1932) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP005X in 2012. 79 Figuur 8.7 Het Maucha-diagram (1932) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP002X in a) 2009 en b) 2012. .................................................................................................................................... 80 Figuur 8.8 Het Maucha-diagram (1932) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP004X in a) 2009 en b) 2012. .................................................................................................................................... 81 Figuur 8.9 Het Stiff-diagram (1951) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP001X .................... 82 Figuur 8.10 Het Stiff-diagram (1951) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP005X .................. 82 Figuur 8.11 Het Stiff-diagram (1951) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP002X in a) 2009 en b) 2012. ......................................................................................................................................... 82 Figuur 8.12 Het Stiff-diagram (1951) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP004X in a) 2009 en b) 2012. ......................................................................................................................................... 83 Figuur 8.13 Dwarsprofiel slib en waterkolom + slib punt west. ............................................................ 90 Figuur 8.14 Dwarsprofiel slib en waterkolom + slib punt oost. ............................................................ 91 Figuur 8.15 Dwarsprofiel hoogte waterkolom punt west. .................................................................... 91 Figuur 8.16 Dwarsprofiel hoogte waterkolom punt oost...................................................................... 92
Tabellen Tabel 4-1 Overzicht van gebiedsthema’s, maatregelen en stuur-, tussen- en doelparameters ten behoeve van monitoring natuurinrichting Latemse Meersen - deelgebied Keuzemeersen. ....... 15 Tabel 4-2 Doelsoorten fauna ................................................................................................................. 17 Tabel 5-1 Overzicht van metingen aan stuurparameters...................................................................... 20 Tabel 5-2 Meetnet oppervlaktewaterpeilen ......................................................................................... 22 Tabel 5-3 Meetnet grondwaterpeilen en stijghoogteverschillen.......................................................... 23 Tabel 5-4 Meetnet grond- en oppervlaktewatersamenstelling ............................................................ 24 Tabel 5-5 Meetnet oppervlakte en ligging van doelsystemen .............................................................. 25 Tabel 5-6 Meetnet oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden .......................................................... 25 Tabel 5-7 Meetnet soortensamenstelling vegetatie ............................................................................. 26 Tabel 5-8 Meetnet territoriumdichtheid broedvogels .......................................................................... 27 Tabel 5-9 Meetnet soortenrijkdom niet-broedvogels........................................................................... 28 Tabel 6-1 Basisgegevens van de piëzometers en peillat in Keuzemeersen. Gegevens als kabellengte en TAW sensor zijn aangepast indien er nieuwe sensoren zijn geplaatst. ........................................ 32 Tabel 6-2 Bepaling van ortho-fosfaat. ................................................................................................... 34 Tabel 6-3 Ladingbalansen per staal. ...................................................................................................... 35 Tabel 7-1 Overzicht van het aantal uitlezingen tijdens de studieperiode en de handmatige referentiemetingen per piëzometer en tevens ook voor peillat LMNS001X. .............................. 43 Tabel 7-2 Overzicht van de jaarlijks gemiddelden (cmTAW) per piëzometer voor a) het tweede meetjaar en b) het zesde meetjaar en c) voor de vergelijking tussen het tweede en zesde meetjaar. ...................................................................................................................................... 45 Tabel 7-3 a) Trofieniveaus voor oppervlaktewaterstalen van Keuzemeersen naar Leentvaar (1979) en b) Trofieniveaus voor P naar Stuijfzand (1993) en voor N naar Vollenweider (1968).................. 66 Tabel 7-4 Analyseresultaten voor de oppervlaktewaterstalen ’01 en 02 Keuzemeersen, inclusief toetsing aan kwaliteitsnormen voor oppervlaktewater. .............................................................. 67
-5-
Tabel 7-5 Resultaten van de veld- en labometingen van de drie grondwaterstalen in de Keuzemeersen in 2009 en 2012. .................................................................................................. 69 Tabel 7-6 Analyseresultaten voor de grondwaterstalen Keuzemeersen. ............................................. 73 Tabel 7-7 Procentuele verhoudingen ionenconcentraties in de 3 grondwaterstalen .......................... 84 Tabel 7-8 Trofieniveaus voor oppervlaktewaterstalen Meersbeek naar a) Leentvaar (1979) en b) Trofieniveaus voor P naar Stuijfzand (1993) en voor N naar Vollenweider (1968). ..................... 85 Tabel 7-9 Analyseresultaten voor de oppervlaktewaterstalen Meersbeek West en Oost, inclusief toetsing aan kwaliteitsnormen voor oppervlaktewater. .............................................................. 88 Tabel 7-10 Resultaten doorzicht Meersbeek. Per punt zijn twee metingen uitgevoerd. ..................... 92 Tabel 7-11 Resultaten stroomsnelheid Meersbeek. Per punt zijn twee metingen uitgevoerd. ........... 92 Tabel 7-12 Overzicht resultaten watervegetatiestructuur.................................................................... 93 Tabel 7-13 Overzicht plantensoorten Meersbeek per punt.................................................................. 94
Afbeeldingen Afbeelding 7.1 Locatie meetpunten voor algemene biotoopkwaliteit. ................................................ 41
Foto’s Foto 7.1 Overzicht meetopstelling meetpunt west Meersbeek. .......................................................... 40 Foto 7.2 Overzicht meetopstelling meetpunt oost, Meersbeek ........................................................... 40
Bijlages Bijlage 1 Analyseverslagen water ........................................................................................................ 101 Bijlage 2 Soortenlijst BBI...................................................................................................................... 101 Bijlage 3 De berekende gemiddelden van de geregistreerde waterpeilen per meetjaar en per meetlocatie ................................................................................................................................. 101 Bijlage 4 Excelgrafieken van de geregistreerde waterpeilen per meetjaar ........................................ 101 Bijlage 5 Veldformulieren opnames vegetatie gebiedsdekkend en fotoreportage geïnventariseerde percelen ...................................................................................................................................... 101 Bijlage 5 Overzichtstabel opnames met bedekkingen en ecologische evaluatie van de geïnventariseerde plantensoorten tijdens de gebiedsdekkende vegetatiekartering ................ 101 Bijlage 7 Resultaten ASSOCIA-analyse van opnames gebiedsdekkende vegetatiekartering .............. 101 Bijlage 8 Overzichtstabel typologieën en oppervlakte per type van de gebiedsdekkende vegetatiekartering ...................................................................................................................... 101 Bijlage 9 Ecotooptypologie opnames gebiedsdekkende vegetatiekartering ...................................... 101 Bijlage 10 Veldformulieren opnames en fotoreportage PQ’s ............................................................. 101 Bijlage 11 Overzichtstabel opnames met bedekkingen en ecologische evaluatie van de geïnventariseerde plantensoorten in de PQ’s ............................................................................ 101 Bijlage 12 Resultaten ASSOCIA-analyse van de PQ-opnames ............................................................. 101
-6-
1 INLEIDING 1.1 Situering studiegebied en kader monitoringsproject De opdracht van deze studie omvat de deeluitvoering van een (langlopend) monitoringsprogramma (ecohydrologie en vegetatie) voor het Natuurinrichtingsproject Latemse Meersen: - enerzijds voor het deel Keuzemeersen (Gent-Drongen). Hier gaat het om de bepaling van de situatie 2 jaar na de uitvoering van de natuurinrichtingswerken (t=2); - anderzijds voor het deel Meersbeek (Sint-Martens-Latem). Hier gaat het om de bepaling van de situatie voorafgaand aan de uitvoering van de geplande maatregelen (t=-1). De monitoring binnen natuurinrichting is gericht op het nagaan van de effectiviteit van de maatregelen voor natuur die in het kader van de natuurinrichting worden uitgevoerd. Gezien het belang van het beheer voor beoogde doelgemeenschappen kunnen de resultaten tevens belangrijk zijn om het beheer waar nodig bij te sturen of te optimaliseren. De inrichtingsmaatregelen voor het deel Keuzemeersen (KM) betreffen voornamelijk: - het hydrografisch isoleren van een centraal gelegen blok weilanden - het plaatsen van een regelbare stuw op de afwateringsgracht van deze zone - het ruimen en lokaal herinrichting van sloten - natuurgericht beheer van centraal gelegen weilanden Voor het deel Meersbeek (MB) gaat het voornamelijk om: - slibruimen waterloop en zijgrachtjes De onderhavige opdracht behelst: - het bepalen van de peilen van grondwater en oppervlaktewater in m TAW (KM), - het nemen en analyseren van waterstalen (KM + MB), - bepaling slibdikte (MB) - bepaling algemene biotoopkwaliteit (doorzicht, stroomsnelheid, watervegetatiestructuur) (MB) - het gebiedsdekkend in kaart brengen natuurstreefbeelden (KM) - het maken van vegetatieopnames (KM) - bepaling macrofauna-samenstelling (MB) - Verwerking van alle verzamelde en geleverde abiotische en biotische gegevens (KM + MB) - Eindrapportering (KM+MB) volgens standaard monitoringsrapport Natuurinrichting. Kaart 1-1 geeft de ligging aan van de studiegebieden, de Keuzemeersen en Meersbeek. Beide deelgebieden zijn gelegen in de provincie Oost-Vlaanderen en maken deel uit van de Leievallei. Keuzemeersen ligt op het grondgebied van de stad Gent (deelgemeente Drongen). Dit gebied van 24,15 ha (overeenkomstig het blok in natuurbeheer, de dijk rond de Keuzewijk inbegrepen) situeert zich ten noorden van de Latemse Meersen. Het deelgebied Meersbeek is gelegen op het grondgebied van de gemeente Sint-Martens-7-
Latem. Het studiegebied (ca. 12 ha., inclusief graslanden) is gesitueerd ten westen en ten oosten van Baarle Frankrijkstraat (dus maar een deel van het totale deelgebied Meersbeek. Het deelgebied Meersbeek situeert zich in het noordwesten van Latemse meersen. De 2 studiegebieden liggen ongeveer 1.5 km bij elkaar vandaan vanuit de lucht gezien en worden gescheiden door de Leie.
Kaart 1-1 Situering van de twee studiegebieden Keuzemeersen en Meersbeek.
Voor het deel Keuzemeersen geldt dat deze studie voortborduurt op de studie van Esher uit 2009: Uitvoering monitoringsprogramma natuurinrichtingsproject Latemse Meersen, deel Keuzemeersen. Vanaf nu wordt dat rapport steeds geciteerd als Esher (2009) en dus niet meer volledig uitgeschreven. In dit rapport is de nulsituatie (of de situatie daaromtrent) vastgelegd voor het deel Keuzemeersen, maar het rapport schets tevens ook de gehele kadering van het (toekomstige deel van het) monitoringsprogramma voor Latemse Meersen. Om ook deze studie in dit grotere kader te plaatsen, hebben de auteurs van dit rapport dan ook gemeend om de hoofdstukken 1 t/m 5 van het rapport Esher (2008), voor zover mogelijk, integraal te moeten overnemen. Hier en daar is de tekst aangepast en niet-relevante informatie voor deze opdracht verwijdert of is er met noten aangegeven wat wel of niet van toepassing is op de huidige opdracht. Om precies te zijn, de kadering begint bij § 1.2 en eindigt bij § 5.3. Tevens is geprobeerd om zoveel mogelijk (als het gaat om KM) de gegevens van de nulsituatie uit het rapport Esher 2009 ook in dit rapport op te nemen. Beide maatregelen moeten ertoe leiden dat dit rapport zoveel mogelijk op zichzelf staat en onafhankelijk van ander bronnen kan worden geraadpleegd.
-8-
1.2 Kader monitoringsprogramma natuurinrichtingsproject De doelstellingen, geformuleerd in het landinrichtingsproject Leie & Schelde (Besluit van de Vlaamse regering op 26 oktober 1994), werden in het richtplan Leie en Schelde verder geconcretiseerd in een visie omtrent de inrichtingsmaatregelen (natuurontwikkeling via grondverwerving, hydrologische ingrepen en beheerovereenkomsten). Vervolgens ging het NIP Latemse Meersen in uitvoering in verschillende fasen, onder de vorm van een eerste (VLM & AMINAL Afdeling Natuur, 2001) en een tweede (VLM & AMINAL Afdeling Natuur, 2004) deelprojectuitvoeringsplan (of PUP) waarin de maatregelen concreet werden beschreven. Deze maatregelen zijn van uiteenlopende aard, namelijk: infrastructuuren kavelwerken (verwerven centrale deel Keuzemeersen, inrichten van een begrazingsblok en omvorming van akkerland naar grasland), maatregelen m.b.t. beplanting (kappen van de zuidelijke populierendreef, herstellen van de noordelijke populierendreef, eenmalig beheer van knotbomen, landschappelijke integratie van de Keuzewijk en onderhoud van de bomen langs de Leieoever) aanpassingen van wegen en het wegenpatroon (optimaliseren van een wandelpad), waterhuishoudingswerken (ruimen van sloten, plaatsen van een stuw, hydrografische scheiding begrazingsblok-omliggende meersen), herprofileren en aanpassen van afwateringsgrachten), grondwerken (herstel van poelen en afschuinen van grachtoevers), beheerovereenkomsten en de realisatie van natuureducatieve voorzieningen. De in dit plan (PUP2) uitgewerkte maatregelen om de natuurwaarden in de Keuzemeersen te optimaliseren en te bestendigen, dienden te worden onderworpen aan een milieu impactstudie. In de hieruit volgende MER deelprojectuitvoeringsplan2 ‘Keuzemeersen’, dat uitgevoerd werd in 2005 door ESHER i.s.m. de VLM en AMINAL Afdeling Natuur, werden nieuwe inventarisatiegegevens verwerkt qua vegetatie, fauna en hydrologie en werd een apart hoofdstuk opgenomen met het monitoringsplan voor de Keuzemeersen. ESHER kreeg vervolgens de opdracht een hydrologisch (waterkwaliteit- en kwantiteit) en vegetatiekundig deel van dit monitoringsprogramma uit te voeren voor de situatie voorafgaand de uitvoering van de maatregelen.
1.3 Algemene doelstelling monitoring Monitoring kan gedefinieerd worden als ‘het periodiek, herhaald waarnemen en gestandaardiseerd beschrijven van parameters met als doel de overeenkomst met of de mate van afwijking van vooropgezette normen vast te stellen’. Doordat men zo een herhaalde verzameling van gegevens doorheen de tijd krijgt, is het mogelijk om eventuele trends, veranderingen te detecteren. Monitoring van een natuurinrichtingsproject omvat primair het in de tijd (op)volgen van de ontwikkelingen van natuurwaarden die plaatsvinden naar aanleiding van een eenmaal gedane ingreep (inrichtingsmaatregelen) of een ingezette vorm van beheer. Het heeft tot doel om te komen tot een systeem van kwaliteitsbewaking ten behoeve van het beleid, waarmee gestelde natuurdoelen kunnen worden getoetst op twee niveaus: 1. Evaluatie en terugkoppeling naar de Vlaamse beleidsdoelen 2. Evaluatie en terugkoppeling van de inrichtings- en beheersdoelen op projectniveau Het moet toelaten om te signaleren of zich andere ontwikkelingen voordoen dan de gewenste, en om, indien mogelijk, ook de oorzaak van het probleem te achterhalen zodat
-9-
het beheer kan bijgesteld worden en er lessen kunnen getrokken worden voor nog uit te voeren projecten. Verder kunnen de gegevens uit monitoring worden gebruikt ten behoeve van kennisvergroting, communicatie en voorlichting.
-10-
2 DOELEN NATUURINRICHTING 2.1 Ecologische doelstellingen beleid Op basis van de MER van PUP2: De hoofddoelstelling betreft het versterken en bestendigen van de huidige natuurwaarde van de Keuzemeersen. De klemtoon wordt in eerste instantie gelegd bij het optimaliseren van het gebied als broedgebied voor weide- en watervogels. In een bredere optiek wordt gestreefd naar de ontwikkeling van grasland-, moeras- en struweelvegetaties met de hieraan gebonden karakteristieke dier- en plantensoorten. Als bijkomende doelstellingen van dit project dienen het behoud van het landschappelijk karakter van het gebied en het optimaliseren van het recreatieve en natuureducatieve nevengebruik vermeld. Voor het beleid is dit te vertalen in volgende ecologische hoofddoelstellingen: 1. Verhogen van de (a)biotische diversiteit op gebiedsniveau (Thema 12 van MINAplan 3: Verlies van biodiversiteit) 2. Versterking van het functioneren van het gebied binnen een groter complex van natuurgebieden in dit deel van de Leievallei (Thema 11: Versnippering) 3. Terugdringen van schadelijke invloeden voor natuur en het natuurlijk milieu als gevolg van menselijke activiteiten (thema 5: Vermesting, 9b: Verontreiniging van oppervlaktewater en 9c: Verdroging) Door monitoringgegevens van verschillende natuurinrichtingsprojecten te bundelen, kan inzicht verkregen worden in de effectiviteit van natuurinrichting als instrument in het kader van behoud van de biodiversiteit. Om het functioneren van het projectgebied als onderdeel van een groter complex van natuurgebieden in de omgeving te monitoren, dient men de resultaten van deze monitoring te combineren met gegevens over de omliggende (natuur)gebieden. Dit valt echter buiten het kader van onderhavige studie. Wel is geprobeerd om in deze studie, althans voor het deel Keuzemeersen, de huidige resultaten te vergelijken met die van de nulsituatie en hieruit conclusies te trekken aangaande effectiviteit van de genomen maatregelen en eventueel adviezen te geven aangaande het beheer.
2.2 Ecologische doelstellingen inrichting en beheer: gebiedsthema’s Om de doelstellingen van de natuurinrichting te halen, worden verschillende maatregelen uitgevoerd. Voor de monitoring zijn deze maatregelen gegroepeerd in thema’s. Maatregelen die in eerste instantie geen ecologische doelstelling hebben worden niet opgevolgd (landschappelijke en recreatieve doelstellingen). Volgende gebiedsthema’s en bijbehorende maatregelen zijn te onderscheiden, gerangschikt naar afnemende mate van belangrijkheid:
-11-
Gebiedsthema 1: verschraling van (voormalige) landbouwgronden o omvorming van maïsakker naar grasland Overeenkomstige thema’s uit het MINA-plan 3: -
thema 12: Verlies van biodiversiteit
-
thema 5: vermesting
-
thema 9b: verontreiniging van oppervlaktewater
o instellen verschralingsbeheer (maaien en/of begrazen zonder bemesting) Overeenkomstige thema’s uit het MINA-plan 3: -
thema 12: Verlies van biodiversiteit
-
thema 5: vermesting
-
thema 9b: verontreiniging van oppervlaktewater
Gebiedsthema 2: verbeteren ecologisch functioneren oppervlaktewateren o afdammen huishoudelijk afvalwater Overeenkomstige thema’s uit het MINA-plan 3: -
thema 9b: verontreiniging van oppervlaktewater
o afschuinen oevers grachten Overeenkomstige thema’s uit het MINA-plan 3: -
thema 12: Verlies van biodiversiteit
o herprofileren en aanpassen afwateringsgrachten Overeenkomstige thema’s uit het MINA-plan 3: -
thema 12: Verlies van biodiversiteit
o ruimen van sloten en grachten Overeenkomstige thema’s uit het MINA-plan 3: -
thema 12: Verlies van biodiversiteit
-
thema 9b: verontreiniging van oppervlaktewater
o heraanleg poelen Overeenkomstige thema’s uit het MINA-plan 3: -
thema 12: Verlies van biodiversiteit
Gebiedsthema 3: vernatting o plaatsen stuw Keuzemeersen ten behoeve van verhoging grondwaterpeil Overeenkomstige thema’s uit het MINA-plan 3: -
thema 3: Verdroging
-12-
3 STRATIFICATIE Met stratificatie wordt aangegeven in welke delen van het projectgebied het zinvol is maatregelen ten aanzien van een bepaald gebiedsthema te monitoren. De stratificatie van elke maatregel wordt in de derde rij van de tabellen omtrent de bespreking van de op te volgen parameters (hoofdstuk 5) opgenomen.
-13-
4 MONITORINGSPARAMETERS In dit hoofdstuk worden de gebiedsthema’s met daaraan gekoppelde inrichtings- en beheermaatregelen vertaald in ecosysteemprocessen en worden een aantal parameters opgesomd aan de hand waarvan het verloop van die processen in de tijd te ‘volgen’ is.
4.1 Overzicht te monitoren parameters Tabel 4-1 geeft de op te volgen parameters aan per gebiedsthema. De grijs gemarkeerde parameters worden beschouwd als minder prioritair op te volgen in kader van dit project en zijn niet verder uitgewerkt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen stuurparameters, tussenparameters en doelparameters. Stuurparameters houden direct verband met de uit te voeren maatregel en dienen om de uitgangssituatie vast te leggen. Tussenparameters zijn op basis van causale relaties verbonden met de stuurparameter en dienen om zichtbaar te maken dat een veronderstelde relatie inderdaad aanwezig is. Dit is van belang als men de oorzaak van eventueel ongewenste ontwikkelingen wil achterhalen. Doelparameters zijn het belangrijkst: hieronder vallen alle doelsystemen, natuurstreefbeelden en doelsoorten die men wil realiseren of herstellen.
-14-
Tabel 4-1 Overzicht van gebiedsthema’s, maatregelen en stuur-, tussen- en doelparameters ten behoeve van monitoring natuurinrichting Latemse Meersen - deelgebied Keuzemeersen. Stuurparameter Gebiedsthema
Maatregel
1: Verschraling in (voormalige) landbouwgronden
Omvorming van maïsakker naar grasland
Oppervlakte om te vormen akkerland (ha)
Instellen verschralingsbeheer: maaien en/of begrazen zonder bemesting
Opp. maaibeheer (ha) Maairegime Maaitijdstip Opp. begrazingsbeheer (ha) Begrazingsintensiteit (GVE/ha) Begrazingstijdstip
Slibruimingen in grachten
Lengte geruimde grachten (m)
Afschuining oevers
Oppervlakte af te schuinen oevers (m2)
Afdammen huishoudelijk afvalwater
Lengte af te dammen (m)
2: Verbeteren ecologisch functioneren van oppervlaktewateren
Herprofileren en Lengte aan te passen en aanpassen te herprofileren gracht afwateringsgrach (m) ten
Tussenparameters TussenTussenparameter 1 parameter 2 Nutriëntengehalte (mg Diversiteit en N/l), (mg P/l),(mg K/l) soortensamenstelling loopkevers en bodemspinnen
Slibdikte waterbodem (m)
Oppervlaktewaterkw ali-teit: trofie en saprobie ammonium (mg N/l) totaal-fosfaat (mg P/l) Zuurstofverzadiging (%) BOD (mg/l)
Doelparameters Doelsysteem
Natuurstreefbeeld
Doelsoorten
Oppervlakte en ligging doelsystemen (ha) grasland moeras
Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden (ha) vochtig, licht bemest grasland (hc) vochtig, licht bemest grasland gedomineerd door russen (hj) natte ruigte met moerasspirea (hf) mesofiel hooiland (hu) soortenrijk permanent grasland (hp*) weilandcomplex met zeer veel sloten en/of microreliëf (hpr) grote zeggenvegetatie (mc) rietvegetatie (mr)
Vegetatie Soortensamenstelling in natuurstreefbeelden (zie kolom links) Vogels Doelsoorten (tabel 4.2) Rode Lijstsoorten Aandachtssoorten Zoogdieren Soortenrijkdom
Oppervlakte en ligging doelsystemen (ha) waterlopen stilstaand water moeras
Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden (ha) sloten en grachten met een gevarieerde waterplanten en oeverbegroeiing en BBI >6 eutrofe plas (ae) Leie, met zo natuurlijk mogelijke oevers en BBI ≥ 6 rietland (mr) grote zeggenvegetatie (mc) natte ruigte met Moerasspirea (hf)
Vegetatie Soortensamenstelling in natuurstreefbeelden (zie kolom links) Vogels Doelsoorten (tabel 4.2) Rode Lijstsoorten Aandachtssoorten Vissen Soortenrijkdom stromend water Amfibieën Soortenrijkdom stilstaand water Macrofauna Soortensamenstelling stromend en stilstaand water Libellen Soortenrijkdom stromend en
Algemene biotoopkwaliteit: doorzicht (m) stroomsnelheid (ms1) watervegetatiestruct uur
15
Stuurparameter Gebiedsthema
3: Vernatting
Maatregel Heraanleg poelen
Diepte poel (m) Oppervlakte (m2)
Plaatsen stuw Keuzemeersen t.b.v. verhoging zomerpeil
Stuwpeil (m TAW)
Tussenparameters TussenTussenparameter 1 parameter 2
Doelparameters Doelsysteem
Natuurstreefbeeld
Doelsoorten stilstaand water
Grondwaterpeil (m+TAW m-mv) oppervlaktewater-peil Grondwaterkwali-teit watertype -trofie (13 parameters)
Diversiteit en soortensamenstelling loopkevers en bodemspinnen
Oppervlakte en ligging doelsystemen (ha) grasland moeras open water
16
Oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden (ha) vochtig, licht bemest grasland (hc) vochtig, licht bemest grasland gedomineerd door russen (hj) natte ruigte met moerasspirea (hf) mesofiel hooiland (hu) soortenrijk weilandcomplex met zeer veel sloten en/of microreliëf (hpr) rietland (mr) grote zeggenvegetatie (mc)
Vegetatie Soortensamenstelling in natuurstreefbeelden (zie kolom links) Vogels Doelsoorten (tabel 4.2) Rode Lijstsoorten Aandachtssoorten Zoogdieren Soortenrijkdom
Tabel 4-2 Doelsoorten fauna Omschrijving
Diergroep WATER
Doelsoort MOERAS
GRASLAND
Blauwe reiger Dodaars Kuifeend Fuut Meerkoet Waterhoen IJsvogel
Blauwborst Kleine karekiet Porseleinhoen Rietgors Rietzanger Slobeend Sprinkhaanzanger Waterral Zomertaling
Grutto Kievit Smient Tureluur Watersnip Patrijs Veldleeuwerik Graspieper
Weide-, water- en moerasvogels
Vogels
Fauna van moerassen
Ongewervelden
libellen
Greppelsprinkhaan
Moerassprinkhaan
Ongewervelden
libellen Alpenwatersalamander Groene kikker
Waterspin Bruine kikker Kamsalamander Vinpootsalamander
Gewone pad Kleine watersalamander
Fauna van poelen met goede structuur en water-kwaliteit
Amfibieën
4.2 Motivatie parameterselectie Het oppervlaktewaterpeil wordt blijvend opgevolgd omdat het in directe relatie staat met het grondwater. Een slecht peilbeheer heeft een directe nefaste invloed voor de natuur. Het grondwaterpeil geeft de onmiddellijke relatie weer tussen de vegetatie en het grondwater. Het geeft de waterpeilen in de bodem weer. De kwelintensiteit kan dan ook worden bepaald door het opvolgen van de stijghoogteverschillen. De samenstelling van het grondwater en oppervlaktewater heeft een directe invloed op de vegetaties. De evolutie van de diverse parameters (13-tal) moeten blijvend worden opgevolgd. De uitgebreide parameterset is nodig om de betrouwbaarheid van de chemische analyse te kunnen testen aan de hand van de ladingsbalans van anionen en kationen. Het nutriëntengehalte in de bodem als indicatie voor het gevoerde beheer (ingesteld hooilandbeheer en extensief begrazingsbeheer zonder bemesten) wordt niet opgevolgd omdat de veranderingen in de bodem zelfs na 10 jaar moeilijk te meten zijn. De verspreiding en ligging van doelsystemen en natuurstreefbeelden kan worden nagegaan door een vlakdekkende inventarisatie. Het geeft een algemene evolutie van het gevoerde beheer en de invloed van de inrichtingsmaatregelen. Of de vegetatietypes van de vooropgestelde natuurstreefbeelden gehaald worden, wordt nagegaan door de soortensamenstelling van de vegetatietypes op te volgen aan de hand van permanente kwadraten. De reactie van avifauna op de inrichtingsmaatregelen wordt nagegaan door de soortenrijkdom en territoriumdichtheid te bepalen. De Keuzemeersen heeft als belangrijke doelstelling het inrichten van het meersengebied voor weide-, water-, moeras- en ruigtevogels en daarom moet avifauna blijvend worden opgevolgd. Echter avifauna is geen onderdeel van de huidige opdracht.
-17-
5 MEETONTWERP 5.1 Algemeen Een meetnetontwerp is een geïntegreerd samenspel van het op elkaar afstemmen van de meetlocaties (hoeveel en waar), monitorings- en meetfrequentie en de meetmethode voor de monitoring van gekozen parameters. Het in te richten meetnet en de gegevens die hieruit voortvloeien in de loop der tijd, moeten de mogelijkheid bieden de vooraf gestelde beleids- en gebiedsdoelen te kunnen toetsen. Daarnaast moet het mogelijkheden bieden, wanneer zich ontwikkelingen voordoen die vooraf niet werden voorzien, de oorzaken daarvan te kunnen achterhalen en in de stuurparameters te kunnen ingrijpen en zo de ontwikkelingen te kunnen ‘bijsturen’. In de onderstaande paragrafen worden de verschillende te monitoren parameters thematisch (hydrologie, flora, fauna) behandeld. Steeds wordt daarbij een terugkoppeling gemaakt voor welke gebiedsthema’s betreffende monitoring nodig is. Eerst komt het vastleggen van de stuurparameters vóór en na inrichting aan de orde. Hiermee wordt later ‘bijsturen’ in het natuurontwikkelingsproces mogelijk gemaakt. Bij de monitoringsfrequentie wordt het jaar ten opzichte van de uitvoering van maatregelen genoemd: T= -2 twee jaar vóór uitvoering van maatregelen T= -1 één jaar vóór uitvoering van maatregelen T = 0 het jaar van uitvoering van maatregelen T = 1 één jaar ná uitvoering van maatregelen T = 2 twee jaar ná uitvoering van maatregelen etc…
5.2 Stuurparameters In Tabel 5-1 is aangegeven welke stuurparameters moeten worden gemeten. Hiermee worden de uitgangspunten voor de te ontwikkelen natuurwaarden bepaald (uitgangssituatie). Onder uitgangssituatie wordt verstaan de toestand onmiddellijk na het treffen van maatregelen (op T = 0). Ten aanzien van de wijze waarop diverse maatregelen in de praktijk worden uitgevoerd, is in eerste instantie het projectuitvoeringsplan richtinggevend. Desondanks kunnen zich tijdens de werkzaamheden situaties voordoen, waarbij een maatregel niet geheel volgens de omschrijving in het uitvoeringsplan kan worden uitgevoerd. Om deze reden is bij de uitvoering van de werken een logboek aangelegd, waarin door de opzichter van het werk dergelijke afwijkingen van het uitvoeringsplan kunnen worden opgetekend. Deze afwijkingen zijn voor de Keuzemeersen: •
Waterbodem afwateringssloot van woningen Keuzewijk naar de Leie geherprofileerd op peil 5, 70 m TAW. BOK (Binnen OnderKant van buis = vloei) uitlaatconstructie heeft peil van 5,92 m TAW. Voorziene peil : 5,70 m TAW). Aangezien het overstortpeil -18-
•
•
• • • •
•
riolering Keuzewijk 6,10 m TAW bedraagt, is er nog ruim voldoende helling voor afwatering. Als afwatering van de zuidelijke meersen werd de gracht aan de noordkant van de zuidelijke (gekapte populieren) dreef geherpofileerd (met nieuwe dwarsduiker onder rijweg), en werd niet de gracht aan de zuidkant van die dreef gebruikt. De westelijke komgrond watert niet af naar de regelbare stuw (omdat het te ingrijpend was om de dwarsgracht uit te diepen). Er zit een afwateringsbuis in PVC onder de noordelijke populierendreef voor deze komgrond. Deze zit op een hoogte van 5,80 TAW en heeft een diameter van 160 mm. De voorziene nieuwe perceelsovergang ter hoogte van de noordelijke dreef werd niet uitgevoerd wegens te brede sloot. De regelbare stuw op de centrale gracht zit verder van de Leie-oever dan voorzien (drie buizen na elkaar tussen de stuw en de Leie, in plaats van 1 buis) Er is 1300 m bijkomende afsluiting geplaatst om gebied in 5 aparte gebruiksblokken te kunnen beheren (bijkomende weidepoorten en overgangen). De ruimingsspecie werd nergens op de oever van de sloten gedeponeerd om te ontwateren zoals voorzien in BB. In de plaats werden er drie grond- en slibdepot plaatsen in gebied aangelegd (zo geen oeverbevuiling, éénmalige belasting van rijstroken langs sloten, ...) De hoogtes van de schotbalken voor de 2 stuwen bedragen nu 15 cm en 5 cm in plaats van de voorziene 20 cm en 5 cm.
-19-
Tabel 5-1 Overzicht van metingen aan stuurparameters.
Het overzicht is voor perceels- en kaartnummers: zie het MER. (Stuur)parameter Oppervlakte om te vormen akkerland (ha) Oppervlakte hooilandbeheer Maairegime en maaitijdstip Oppervlakte extensief begrazingsbeheer, intensiteit en tijdstip Oppervlakte maaien en nabeweiden Maairegime en maaitijdstip Begrazingsintensiteit en tijdstip
Gebiedsthema
Aantal meetlocaties
Ligging meetlocaties
Meetfrequentie
1
1
Perceel 1223, 1222 (1 gebruik)
eenmalig T = 0
1
5
Binnen aangeduide zone op Kaart 3 van het MER
eenmalig T = 0, wijzigingen registreren
Uiteindelijk uitgevoerd als volgt: Deze akker was reeds enkele jaren omgezet in grasland op moment van t=0, dus 0 m². In de gebruiksovereenkomsten met enkele landbouwers, opgenomen in bijlage 12, is de oppervlakte en beheerwijze omschreven. In totaal wordt: 20ha31a 21ca tussen 20 juli en 15 aug gemaaid 16ha45a39ca tussen 15 sept en 15 okt gemaaid 11ha90a22ca nabegraasd
1
7
Binnen aangeduide zone op Kaart 3 van het MER
eenmalig T = 0, wijzigingen registreren
1
10
Binnen aangeduide zone op Kaart 3 van het MER
eenmalig T = 0, wijzigingen registreren
eenmalig T = 0
2370 m niet vervuilde waterbodems + 295 m verontreinigde waterbodems Alles werd volledig uitgevoerd volgens plan. De details per gracht en per grachtsegment zijn in het bestek te vinden.
eenmalig T = 0
Enkel de gracht tussen perceel 1245 en perceel 1220 werd gedempt en dit over 30 m.
eenmalig T = 0
Noordelijk deel werd niet geherprofileerd. Klein stuk tussen perceel 1238 en perceel 1239b is geherprofileerd over 49 m. De zuidelijke rand van perceel 1245 werd uitgegraven over 213 m. De westrand van perceel 1257a werd uitgegraven over 127 m.
eenmalig T= 0
De oppervlaktes van afgravingen werden niet bepaald. Het gaat om de afschuining van hoeken,
Lengte geruimde grachten (m)
2
13
Prioriteit 1: tussen percelen 1215 en 1213 + 1232 rondom percelen 1239b en 1239c langs percelen 1241 en 1248 Prioriteit 2: tussen percelen 1239b en 1239c tussen percelen 1221 en 1222 tussen percelen 1222 en 1224 tussen percelen 1224 en 1225 tussen percelen 1225 en 1228 Prioriteit 3: tussen percelen 1232 en 1230 + 1229 tussen percelen 1228 en 1230 + 1229 tussen percelen 1221 en 1220 + 1242 tussen percelen 1245 en 1243 + 1244
Lengte afdamming (m)
2,3
3
Tussen percelen 1220 en 1245 Tussen percelen 1218a en 1226
Lengte te herprofileren en aanpassen afwateringsgracht (m)
2,3
2
Afschuining oever (m2)
2
7
Gracht op volgende perceelsgrenzen: tussen percelen 1213 + 1234 en 1215 + 1214 + 1233 tussen percelen 1235 en 1233 + 1232 + 1229 tussen percelen 1238 en 1229 + 1228 + 1239b + 1240 Gracht op volgende perceelsgrenzen: tussen de zuidelijke populierendreef en percelen 1258a + 1259b + 1259a tussen percelen 1259a en 1260 De afgravingen zijn gesitueerd op de percelen 1229, 1228, 1225, 1224, 1222 en 1221
(Stuur)parameter
Gebiedsthema
Aantal meetlocaties
Ligging meetlocaties
Meetfrequentie
Uiteindelijk uitgevoerd als volgt: met zijden van een kleine 10 m. Aangezien het afschuiningen in de vorm van driehoeken betreft, zal elke afschuining circa 40 m² bedragen. Er werden 7 dergelijke driehoeken afgegraven.
Diepte poel (m) Oppervlakte (m2)
Hoogte stuw (m+TAW)
2
2
Poel tussen percelen 1218a en 1218c/2 Poel tussen percelen 1228 en 1239b Poel tussen percelen 1224, 1222 en 1239b
eenmalig T= 0
3
2
Stuw Keuzemeersen (ten behoeve van zomerpeilverhoging) Stuw als hydrologische scheiding, hoekpunt van perceel 1248
eenmalig T = 0, wijzigingen registreren
Ook hier zijn de oppervlaktes niet gemeten. Diepte poel 1 (westrand perceel 1239b): van 5,30 m TAW tot 4,00 mTAW dus 1,30 meter uitgegraven. Diepte poel 2 (noordwesthoek perceel 1239b): van 5,18 mTAW tot 4,00 mTAW dus 1,18 m uitgegraven. Diepte poel 3 (in hooilandpercelen): van 5,90 à 5,60 mTAW tot 4,30 mTAW dus 1,30 tot 1,60 m uitgegraven. De vier schotbalken werden geplaatst op 15 oktober 2008; met max. peil 6,28 mTAW (schommelingen van ongeveer 15 cm). Op 15 juni 2009 werden 2 schotbalkjes weggehaald zodat het water onmiddellijk daalde tot 5,93 mTAW (dit was in functie van maaien). Op de dag van het weghalen van die balkjes werd nog een waterpeil van 6,12 mTAW gemeten. Later (tijdens bouwverlof : 22 juli 2009) werden deze balkjes teruggeplaatst.
5.3 Methodiek monitoring parameters volgens monitoringsplan PUP2
5.3.1 Oppervlaktewaterpeil Meetdoelstelling Het meetnet voor oppervlaktewaterpeil heeft tot doel om de verhoging van de gemiddelde oppervlaktewaterstand in de Keuzemeersen na uitvoering van het plaatsen van een stuw op centrale afwateringsgracht op te volgen. Tabel 5-2 Meetnet oppervlaktewaterpeilen Parameter
oppervlaktewaterpeil (m TAW / m + mv)
Type parameter
tussenparameter
Gebiedsthema
3
Stratificatie
afwateringsgrachten
Aantal meetlocaties
1
Ligging meetlocaties
net stroomopwaarts de aan te leggen stuw
Monitoringsfrequentie
jaarlijks: T = -1 t/m 10
Meetfrequentie
automatisch meetnet: 365 maal per jaar
Meetmethode
automatisch met behulp van divers
5.3.2 Grondwaterwaterpeil en stijghoogteverschillen Meetdoelstelling Het meetnet waarin grondwaterpeilen en stijghoogteverschillen worden gemeten, heeft tot doel de effectiviteit te bepalen van de maatregel van gebiedsthema 3. Hiermee wordt getracht om de grondwaterstand te verhogen en de kwelsituatie te optimaliseren en te controleren. Door gebruik van automatische metingen kunnen ook het aantal dagen inundatie worden opgevolgd.
-22-
Figuur 5-1 Lokalisatie peilbuizen op digitaal hoogtemodel t.b.v. monitoring Tabel 5-3 Meetnet grondwaterpeilen en stijghoogteverschillen Parameter
Grondwaterpeilen (m+TAW/ m-mv) en stijghoogteverschillen
Type parameter
tussenparameter
Gebiedsthema
3
Stratificatie
vernattingszone binnen de Keuzemeersen
Aantal meetlocaties
5 waarvan 3 met piëzometernesten en 2 met enkel ondiepe piëzometers (totaal 8 piëzometers)
Ligging meetlocaties
transect loodrecht op de Leie
Monitoringsfrequentie
T = -2 t/m 10
Meetfrequentie
automatisch meetnet: 365 maal per jaar
Meetmethode
automatisch met behulp van divers
-23-
5.3.3 Grond- en oppervlaktewatersamenstelling Meetdoelstelling Het meetnet grond- en oppervlaktewatersamenstelling heeft in aanvulling op het meetnet grondwaterpeilen en stijghoogteverschillen tot doel om te controleren of de verschillende maatregelen binnen gebiedsthema 3, waarmee wordt getracht om de grondwaterstand te verhogen en de kwelsituatie te optimaliseren, uiteindelijk een verschuiving van het watertype met zich meebrengt. Te bepalen parameters:
pH Conductiviteit (µS/cm) Temperatuur (enkel voor oppervlaktewater) Biologisch zuurstofverbruik (BOD520 mg O2/l) (enkel voor oppervlaktewater) Bicarbonaat (HCO3-) Orthofosfaat (H2PO4-) Nitraat (NO3-) Nitriet (NO2-) (enkel voor oppervlaktewater) Ammonium (NH4+) Sulfaat (SO42-) Chloride (Cl-) Natrium (Na+) Kalium (K+) Calcium (Ca2+) Magnesium (Mg 2+) IJzer (Fetot) Totaal-P en Kjeldahl-N (enkel bij oppervlaktewater)
Tabel 5-4 Meetnet grond- en oppervlaktewatersamenstelling Parameter
Grond- en oppervlaktewatersamenstelling
Type parameter
Tussenparameter
Gebiedsthema
3
Stratificatie
vernattingszone binnen de Keuzemeersen
Aantal meetlocaties
5 x 3 grondwaterstalen + 1 staal oppervlaktewater
Ligging meetlocaties
raai peilbuizen
Monitoringsfrequentie
T = -1, 0, 2, 5, 10
Meetfrequentie
één meting per meetseizoen (bij GHG)
Meetmethode
bemonstering van grondwater in ondiepe piëzometer : bemonstering in monsterfles; bepaling pH en EGV (µS/cm) direct na bemonstering, laboanalyse van HCO3 (ppm), H2PO4 + 2+ + 2+ 2+ (ppm), NO3 (ppm), NH4 (ppm), SO4 (ppm), Cl (ppm), Na (ppm), K (ppm), Ca (ppm), Mg tot (ppm), Fe (ppm)
-24-
5.3.4 Oppervlakte en ligging doelsystemen o Meetdoelstelling Het in kaart brengen van de oppervlakte en ligging van de verschillende doelsystemen heeft voornamelijk tot doel te kunnen toetsen of uitgevoerde maatregelen de gewenste veranderingen teweegbrengen. Dit is gewenst in het kader van alle gebiedsthema’s. De doelsystemen worden in het veld geïdentificeerd met behulp van de globale landschapstypen waterlopen, stilstaand water, moeras, grasland en struweel. Tabel 5-5 Meetnet oppervlakte en ligging van doelsystemen Parameter
Oppervlakte en ligging van doelsystemen stilstaand water waterlopen moeras grasland struweel
Type parameter
doelparameter
Gebiedsthema
1, 2 en 3
Stratificatie
alle doelsystemen
Aantal meetlocaties
gebiedsdekkend Keuzemeersen
Monitoringsfrequentie
T = -1, 2, 5, 10 (15, 20, 25)
Meetfrequentie
één meting per jaar tijdens voorjaar/zomer
Meetmethode
m.b.v. GPS in kaart brengen (grenzen tussen) doelsystemen
5.3.5 Oppervlakte en ligging van natuurstreefbeelden Meetdoelstelling In de Keuzemeersen wordt de oppervlakte en de ligging van alle aanwezige natuurstreefbeelden (BWK-eenheden of vegetatietypen) gekarteerd. Dit heeft voornamelijk tot doel te kunnen toetsen of de gewenste natuurstreefbeelden, die in het projectrapport worden vermeld, zich inderdaad ontwikkelen en vestigen. Tevens wordt naar de oppervlakteverhoudingen en de ligging van de natuurstreefbeelden in het gebied gekeken. Daarmee biedt deze parameter ook de mogelijkheid meetlocaties te kunnen kiezen, waar wordt bekeken of de soortensamenstelling in verschillende natuurstreefbeelden zich in de gewenste richting ontwikkelt.
Tabel 5-6 Meetnet oppervlakte en ligging natuurstreefbeelden Parameter
Oppervlakte en ligging van natuurstreefbeelden
Type parameter
doelparameter
Gebiedsthema
1, 2 en 3
-25-
Parameter
Oppervlakte en ligging van natuurstreefbeelden
Stratificatie
alle doelsystemen alle natuurstreefbeelden
Aantal meetlocaties
gebiedsdekkend Keuzemeersen
Monitoringsfrequentie
T = -1, 2, 5, 10 (15, 20, 25)
Meetfrequentie
één meting in het voorjaar (evt. controle in het najaar voor moeras)
Meetmethode
Op basis van aanwezige indicatieve soorten de ligging van natuurstreefbeelden binnen de vlakken van doelsystemen in kaart brengen
5.3.6 Soortensamenstelling vegetatie in natuurstreefbeelden Meetdoelstelling Het vaststellen van de grenzen en oppervlakten van doelsystemen en natuurstreefbeelden zijn tamelijk grove bewerkingen, waarbij afgaand op de aanwezigheid van een aantal indicatorsoorten voor BWK-eenheden de aanwezigheid van een natuurstreefbeeld kan worden vastgesteld. Met die bewerkingen is het niet mogelijk de ontwikkelingen van de vegetatie meer in detail (op soortniveau) te volgen en te beoordelen in hoeverre de gekozen natuurstreefbeelden ook daadwerkelijk tot ontwikkeling komen en duurzaam gehandhaafd blijven. Hiertoe is een bepaling van de soortensamenstelling (en soortenrijkdom) binnen de oppervlakken (kaartvlakken), waarin met de uitvoering van verschillende maatregelen de verschillende natuurstreefbeelden worden gerealiseerd, wenselijk. Aan de hand van de soortensamenstelling en het verloop ervan door de jaren heen kan, mede aan de hand van het voorkomen van indicatorsoorten voor de BWK-eenheden, worden geëvalueerd of en hoe de diverse natuurstreefbeelden zich ontwikkelen. Tabel 5-7 Meetnet soortensamenstelling vegetatie Parameter
Soortensamenstelling vegetatie
Type parameter
doelparameter
Gebiedsthema
1, 3
Stratificatie
Alle natuurstreefbeelden Gebiedsthema 1 perceel dat wordt omgevormd van akkerland naar grasland percelen in te stellen hooilandbeheer percelen in te stellen maaibeheer en nabeweiden percelen in te stellen extensief begrazingsbeheer Gebiedsthema 3 percelen in zone voor vernatting
Aantal meetlocaties
Kaartvlakken en Permanente Quadraten (PQ) Per natuurstreefbeeld minimaal 1 kaartvlak en 2-5 PQ's (PQ = 2 m x 2 m) Afhankelijk van het aantal natuurstreefbeelden Afhankelijk van het aantal kaartvlakken waarin vergelijkbare maatregelen worden uitgevoerd (representatieve steekproef per maatregel per natuurstreefbeeld) Afhankelijk van verschillen in abiotische condities tussen kaartvlakken met hetzelfde natuurstreefbeeld
-26-
Parameter
Soortensamenstelling vegetatie
Ligging meetlocaties
Willekeurige selectie van kaartvlakken en PQ's aan de hand van de kaart van de ligging van natuurstreefbeelden, rekening houdend met globale soortenrijkdom en lokale verschillen in bodemsamenstelling PQ's mogen ook in geïnventariseerde kaartvlakken liggen
Monitoringsfrequentie T = -1, 2, 5, 10 Meetfrequentie
Bij voorkeur twee metingen per meetseizoen, afhankelijk van het gegeven vegetatietype in het voorjaar (mei – juni) en/of in het najaar (augustus – september).
Meetmethode
Bepaling van de aanwezigheid en abundantie van plantensoorten in kaartvlakken per natuurstreefbeeld volgens Tansley. Voor de PQ's wordt de LONDO-methode gebruikt.
5.3.7 Territoriumdichtheid broedvogels (noot: onderdeel 5.3.7 is niet uitgewerkt in deze studie) Meetdoelstelling Het monitoren van vogels gebeurt ten behoeve van de gebiedsthema’s 1 (verschraling), 2 (verbeteren ecologisch functioneren oppervlaktewateren) en 3 (vernatting). In het projectrapport zijn ook voor vrijwel alle doelsystemen vogels als doelsoorten geformuleerd (zie ook Tabel 4-2). Dit geeft aan dat de verschillende gebiedsthema’s en maatregelen voor vogels niet onafhankelijk van elkaar te beschouwen zijn. Maatregelen met een mogelijk effect op de avifauna zijn bijvoorbeeld extensivering van het graslandgebruik en verhoging van de grondwaterstand. Omdat vogels op een grotere schaal van het landschap gebruik maken, zijn deze effecten niet perceelsgewijs te meten, zoals bij overige parameters gebeurt. Daarom is de meetdoelstelling van deze parameter, net als voor zoogdieren, het vaststellen van het totale effect van de maatregelen op het voorkomen van vogels in het projectgebied. Tabel 5-8 Meetnet territoriumdichtheid broedvogels Parameter
Territoriumdichtheid broedvogels
Type parameter
doelparameter
Gebiedsthema
1, 2 en 3
Stratificatie
geen (hele gebied)
Aantal meetlocaties
gebiedsdekkend
Ligging meetlocaties Monitoringsfrequentie
doelsoorten: 12 keer: T = -1, 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 andere soorten: 3 keer: T = -1, 5 en 10
Meetfrequentie
6 ochtendbezoeken en 1 nachtbezoek in de periode van half maart tot half juli
Meetmethode
territoriumkartering van ‘jaarlijks’ op te volgen soorten
Doelsoorten De doelsoorten worden weergegeven in Tabel 4-2. -27-
Al de soorten vermeld in deze tabel, aangevuld met Rode Lijstsoorten (Devos en Anselin, 1999) en Aandachtssoorten (BVR 29-06-1999: bijlage V van de MER), vormen een geschikte set om te monitoren. De set omvat zowel meer algemene als bijzondere soorten. Het monitoren van alle soorten kost relatief veel tijd extra en levert naar verhouding minder aanvullende informatie. Deze soortenlijst dient echter niet al te strak te worden aangehouden. Inventariseerders worden aangeraden interessante waarnemingen van soorten die hier niet zijn vermeld, mee te nemen.
5.3.8 Soortenrijkdom niet-broedvogels (noot: onderdeel 5.3.8 is niet uitgewerkt in deze studie) Meetdoelstelling Met behulp van de territoriumkartering kan een goed beeld worden verkregen van de soortenrijkdom van territoriale soorten in het gebied. Omdat er maatregelen worden genomen die effecten kunnen hebben op soorten die niet in het gebied broeden, is het zinvol dit apart te monitoren. Hiermee kan men bijvoorbeeld aantonen of het gebied belangrijker is geworden als rustgebied voor allerlei soorten trekvogels, als foerageergebied of hoogwatervluchtplaats voor steltlopers of als overwinteringsgebied voor eenden en ganzen. Voor de keuze van de te onderzoeken soorten geldt hetzelfde als voor de broedvogels. Met name de keuze voor het monitoren van moeras- en watervogels ligt bij deze parameter voor de hand. Tabel 5-9 Meetnet soortenrijkdom niet-broedvogels Parameter
Soortenrijkdom niet–broedvogels
Type parameter
doelparameter
Gebiedsthema
1, 2 en 3
Stratificatie
hele gebied
Monitoringsfrequentie
4 keer: T = -1, 2, 5 en 10
Aantal meetlocaties
gebiedsdekkend
Ligging meetlocaties:
representatief gebiedsdeel
Meetfrequentie
Afhankelijk van gekozen soorten en het type gebied gelijktijdig met de territoriumkartering, eventueel aangevuld met (minimaal 5) tellingen in de periode van oktober tot maart (cf. internationale watervogeltellingen)
Meetmethode
integrale gebiedstelling op dezelfde manier als de territoriumkartering
-28-
6 UITVOERING MONITORING NATUURINRICHTINGS-PROJECT LATEMSE MEERSEN, DEEL KEUZEMEERSEN, JAAR 2 EN MEERSBEEK, JAAR -1. 6.1 Uitlezen van de grondwaterstanden tot 12 maanden na start van de opdracht (Keuzemeersen) en registratie van het oppervlaktewaterpeil tot 12 maanden na start van de opdracht (Keuzemeersen) De eerste uitlezing van grondwaterstanden en van het oppervlaktewaterpeil was op 04-112011. Alvorens is er op de VLM een overdracht geweest van de noodzakelijke spullen (een uitleestoestel (e-control) + batterij + schroevendraaier + handleiding, sleutels voor het openen van de gegalvaniseerde behuizingen van de piëzometers, overzicht/beschrijving per piëzometer aan de hand van foto’s, overzichtskaartje van het gebied en nog enkele documenten). De VLM heeft eerder in het veld alle piëzometers opnieuw opgezocht en gearceerd met verf aangezien in sommige gevallen deze tussen hoge pollen pitrus stonden en lastig waren te vinden. Tijdens de uitlezing op 04/11/2012 bleek echter dat van de in totaal 10 divers/sensoren er slechts 3 konden worden uitgelezen (Tabel 6-1), waaronder de barodiver. Het geheugen van deze 3 divers was vol (24.000 metingen, 1 uurlijkse meting) en dus registreerden ze geen data meer. Van de 3 uitgelezen divers is een MON-bestand aangemaakt. Nog diezelfde dag, in overleg met P. Mestdagh, is besloten om de mogelijk defecte divers direct terug te brengen naar het VLMkantoor in Gent. Op 27/01/2012 zijn door de VLM de defecte divers vervangen door nieuwe, behalve LMNP001X. Het bovenste gedeelte van piëzometer LMNP001X (vanaf november 2012: LAT_P061x) was in de tussentijd stuk gegaan en moest eerst worden gerepareerd alvorens de diver terug te kunnen plaatsen. Overdracht van (nieuwe) gegevens (m.b.t. de plaatsing) van nieuwe divers heeft per mail plaats gevonden (mail Toon Coillie gedateerd op 27-022012). Vervolgens is de uitlezing hervat (driemaandelijks afhankelijk van de weersomstandigheden). Zo kon bijvoorbeeld in de winter van 2013 er niet op tijd worden uitgelezen vanwege langdurige vorst. Vanaf 27/01/2012 hebben er zich geen grote problemen meer voorgedaan met de uitlezing van sensoren. LMNP001X is uiteindelijk gerepareerd in november 2012 en voorzien van een nieuwe diver met een nieuwe locatiecode LAT_P061X i.p.v. LMNP001X (Zie Tabel 6-1. De lengte van de piëzometer is exact gelijk aan de oorspronkelijke lengte (bevestiging per email door de heer T. Van Coillie op 29/03/2013). Van deze sensor zijn dus alleen de gegevens van de laatste uitleesronde meegenomen in de analyses. Er was onduidelijkheid of er nu wel of geen e+ WATER Level 150 in de rvs koker zat. Bij nadere inspectie bleek ook deze sensor kapot. De e+ WATER Level is door de heer J.P Dijkstra van de UA eruit gehaald (op 31 mei 2012, maar exacte datum onbekend) en overgedragen aan de heer P. Mestdagh van de VLM op diezelfde dag. In overleg met P. Mestdagh is besloten om het opppervlaktewaterpeil enkel nog maar handmatig op te nemen. De exacte status van de e+ WATER Level 150 is op dit moment onduidelijk, maar is nog niet teruggeplaatst. -29-
Aangezien de peilschaal erg los op de rvs koker zat (vastgemaakt met ijzerdraad) heeft de VLM de bovenkant van de rvs koker met een dGPS ingemeten. Hoogte bovenkant koker = 7.598m TAW (meting uit e-mail van 14/06/2012 met de heer P. Mestdagh). Vanaf die tijd zijn alle metingen gelinkt aan de bovenkant van de rvs koker. Eerdere metingen zijn omgerekend naar de bovenkant van de rvs koker. Een volledig overzicht van de basisgegevens m.b.t. tot de piëzometers en het opppervlaktewaterpeil, inclusief alle wijzigingen is opgenomen in Tabel 6-1. De nieuwe divers (met nieuwe serienummers) zijn van nieuwe locatiecodes voorzien, die overigens wel erg op de oude codes leken, maar net even anders waren. In retrospectief had dit beter niet kunnen gebeuren, aangezien het ten eerste verwarring oplevert (bijv. in de nationale databank), maar ten tweede ook problemen geeft bij synchronisatie van nieuwe en historische monbestanden en/of gegevens. Voor de synchronisatie is uitvoerig telefonisch contact geweest met de heer R. Wolkenveld van de firma Eijkelkamp (Nederland) die ook de oude en nieuwe mini-divers heeft geleverd. De nieuwe serienummers geven overigens geen problemen bij de synchronisatie, de locatiecodes dus wel. De locatiecode kan worden aangepast in het monbestand (openen via het programma Wordpad). Alle voorkomende locatiecodes in het bestand moeten handmatig worden aangepast. Dit is een uiterst precieze klus, aangezien software als Diver-Office karaktergevoelig is en de (gewijzigde) naamcodes exact evenveel karakters moet bevatten. Indien een nieuwe locatiecode bijvoorbeeld 1 karakter tekort heeft, dan moet dit opgelost worden met 1 spatie achter die code. In het volgende voorbeeld is een spatie weergegeven als [spatie]. Bijvoorbeeld als LMM_P005X (9 karakters) moet worden gesynchroniseerd met LMNP005X (8 karakters) dan wordt LMM_P005X als volgt verandert: LMNP005X[spatie]. Indien dit niet zo wordt gedaan zal het programma Diver-Office de twee locatiecodes nog steeds als twee verschillende peilbuizen blijven herkennen. Bovendien is het in Diver-Office onmogelijk om data van twee locatiecodes te integreren in 1 grafiek of 1 databestand. Er is overigens voor geopteerd om de nieuwe locatiecodes te gebruiken en niet de oude. Aangezien de nieuwe locatiecodes langer zijn dan de oude, hoeft er op deze manier niet rekening te worden gehouden met de spaties in de monbestanden. Ander voordeel is dat bij toekomstige analyses de data/locatiecodes meteen kunnen worden gelinked met de huidige (goed werkende) mini-divers. Helaas zijn de nieuwe locatiecodes wel minder logisch dan de oude. In Tabel 6-1 (kolommen 1 t/m 4) staat van elke mini-diver het oude en nieuwe serienummer en tevens ook de oude en nieuwe locatiecodes. Bij de laatste uitlezing waren alle mini-divers in goed werkende staat en niet gestopt. De mini-divers meten dus gewoon door (1-dags-registratie). Voor betrouwbare metingen moeten de divers dus wel op geregelde tijden worden uitgelezen inclusief handmatige meting met een peilklokje. Bij het verwerken van de data in Excel kwamen er enkele kleine onregelmatigheden naar voren. Deze onregelmatigheden kwamen voor op 31/07/2012 (om 15.00 uur), de dag van de grondwaterstaalname. In de piëzometers LMM_P004X, LMM_P102X en LMM_P105X is er op deze dag een (sterke) daling te zien in de (grond-)waterstand. Uit deze buizen zijn ook de stalen voor grondwater genomen. Het is dus zeer waarschijnlijk dat deze (tijdelijke) daling te maken heeft met het feit dat in deze buizen bijna al het grondwater is opgepompt voor staalname. Bij piëzometer LMM_P105X duurde het enkele dagen langer voordat de waterstand terug was op het oude niveau van voor de grondwaterstaalname. Er is berekend of de (sterke) daling een groot effect zou hebben op de gemiddelde berekende waterstanden in de piëzometers, maar dit bleek niet het geval. Hiervoor zijn de lage waardes vervangen door de gemiddelde waarde van de ervoor + erna liggende metingen, en -30-
vervolgens is het verschil berekend. De gecorrigeerde metingen en de berekening staan gearceerd in rood in de digitale Excelbestanden. Het grootste effect bleek hoogstens ca. 0.4 mm (in piëzometer LMM_P105X) op het jaarlijks gemiddelde waterpeil te zijn en daarom is er besloten om niet te corrigeren voor de dalingen. Wat wel is aangepast zijn de Jaarlijks gemiddeld laagste waterpeil (GLPt) (gemiddelde van de 45 laagste peilen) en het Jaarlijks minimum waterpeil van de betreffende piëzometers aangezien het hier wel om grote afwijkingen ging, met name de laatste parameter.
-31-
LMNP001X LAT_P061x
B3823 L6906
LMNP002X LMNP002X
B3822 B3822 4--05--2007 Ondiep 7.02 3.81
LMNP102X LMNP003X LMNP104X LMNP004X LMNP105X
B3824 A5359 A5319 A5402 A5385
LMM_P102X LMM_P003X LMM_P104X LMM_P004X LMNP105X
L3695 K9140 K9160 K9127 A5385
4--05--2007 Ondiep 7.38 3.22
4--05--2007 4--05--2007 4--05--2007 4--05--2007 4--05--2007
Diep Ondiep Diep Ondiep Diep
7.05 7.28 7.66 7.63 7.00
4.58 3.925 4.63 3.88 4.64
LMNP005X LMM_P005X A5149 M1994 4--05--2007 Ondiep 7.03 2.63 LMNBARO LMNBARO B9393 B9393 4--05--2007 nvt nvt nvt
TAW sensor
Kabellengte (cm)
Maaiveld (TAW)
Onderkant buis TAW
Lengte buis (m)
Bovenkant buis (TAW)
Diep/Ondiep
Datum plaatsing
Serie nr. (na 27-012012)
Serie nr. Oud
Locatie code (na 2701-2012)
Locatie code oud
Tabel 6-1 Basisgegevens van de piëzometers en peillat in Keuzemeersen. Gegevens als kabellengte en TAW sensor zijn aangepast indien er nieuwe sensoren zijn geplaatst. Cursieve locatiecodes en serienummers betekent dat de divers niet defect waren en niet zijn vervangen. Nvt = niet van toepassing en NB = niet beschikbaar.
Opmerkingen Dit was eerder LMNP001X. Gehele buis = 322.0 cm. Tijdens de studie is bovengedeelte van deze piëzometer afgebroken. Eerder was al de rvs beschermkoker verwijderd. De piëzometer is uiteindelijk in november 2012 gerepareerd en toen is er ook een nieuwe sensor (=LAT_P061X) geplaatst. 3.21 6.30 364 3.38 Gehele buis = 381.0 cm; sensor nog werkend op 04-112011, batterij 81% 4.16 6.63 NB NB
2.47 3.36 3.03 3.75 2.37
6.37 6.53 6.95 6.95 6.26
423 343 441 350 442
2.83 3.86 3.25 4.13 2.58
Gehele buis = 458.0 cm Gehele buis = 392.5 cm Gehele buis = 463.0 cm Gehele buis = 388.0 cm Gehele buis = 463.5 cm; sensor nog werkend op 04-11--2011, batterij 82%
4.40 6.33 227 4.76 Gehele buis = 263.0 cm nvt nvt nvt nvt Sensor nog werkend op 04-11-2011, batterij 84%
-32-
nvt
1
Huidige status is onbekend (en daarmee dus ook de locatiecodering).
-33-
TAW sensor
nvt
Kabellengte (cm)
Maaiveld (TAW)
Lengte buis (m)
7.60 nvt
Onderkant buis TAW
2---10--2008 nvt
Bovenkant buis (TAW)
Diep/Ondiep
Datum plaatsing
Serie nr. (na 27-012012)
Serie nr. Oud
Locatie code (na 2701-2012)
Locatie code oud
LMNS001X LMNS001X1
nvt nvt
Opmerkingen De eerste keer is het niveau direct afgelezen van de peillat: -0.42. De peillat is vervolgens omgerekend naar de bovenkant van de koker. Verschil met bovenkant peillat en bovenkant koker bedroeg ca. 2.8 cm. Er zijn twee peillatten van 1 meter op de rvs koker bevestigd = 2 meter lengte. Dus niveau bovenkant peillat naar waterniveau bedraagt: 142cm+2.8cm= 143 cm. Hoogte bovenkant koker = 7.598m TAW (meting uit e-mail van 14--06--2012 met P. Mestdagh).
6.2 Staalname en analyse van oppervlaktewater- en grondwaterstalen (Keuzemeersen + Meersbeek) De staalname voor oppervlakte- en grondwater is uitgevoerd door de heer J.P. Dijkstra en heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012 (= winter) en op 31 juli 2012 (=zomer) op de aangewezen punten. Grondwaterstaalname heeft alleen plaats gevonden op 31 juli 2012 (=zomer). De punten zijn bijna exact dezelfde als die in het rapport van ESHER (2009). Er heeft zich echter een wijziging voor gedaan m.b.t. de piëzometers waaruit stalen grondwater zijn genomen. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat staalnames afkomstig zouden zijn uit de piëzometers LMNP001X, LMNP002X en LMNP004X . Maar aangezien tijdens de studie LMNP001X defect bleek te zijn en pas in ca. november 2012 gerepareerd, is in goed overleg met de heer P. Mestdagh van de VLM besloten om een grondwaterstaal uit LMNP005X te halen i.p.v. LMNP001X . Door deze piëzometer te selecteren is er toch nog enigszins sprake van een transectbenadering (i.p.v. een puntstaalname). Het transect is nu, logischerwijs, meer naar het (noord) westen verlegd. De parameters Na+, K+, Ca+ en Mg2+ zijn door het labo van de Universiteit Antwerpen (UA) geanalyseerd, terwijl de resterende parameters door het labo van Pidpa (Hidrocontrol) zijn geanalyseerd. De analyseverslagen van Pidpa zijn aangeleverd in PDF en te zien in Bijlage 1. De gegevens van de UA zijn intern overgedragen in een Excelsheet. De analyseverslagen van Pidpa zijn vervolgens van PDF overgebracht naar Excelsheets en deze zijn samengevoegd met de resultaten van de parameters geanalyseerd door de UA. Deze totaal Excelfile bestaat uit meerder sheets waarin verdere berekeningen zijn opgenomen zoals de bepaling van het gehalte ortho-fosfaat en de betrouwbaarheid van de chemische analyses. Hieronder staat een samenvatting van de bepaling van ortho-fosfaat voor elk staal (Tabel 6-2). Hieruit valt af te leiden dat er tijdens de eerste (standaard-) analyse geen enkel waarde onder 0.02 mg/l is gemeten. Er is dan ook geen extra analyse met lagere detectielimiet uitgevoerd. In Tabel 6-3 zijn de ladingbalansen opgenomen van elk staal. Hieruit blijkt dat alle waardes onder de maximum toegelaten afwijking bevinden (= EN%) van maximaal 10%. Er zijn dan ook geen analyses opnieuw gedaan vanwege een te hoge maximale afwijking in de ladingsbalans.
Origineel: o-PO4(3-)
µg/l P2O5 740
µg/l P2O5 1018
µg/l P2O5 1152
µg/l P2O5 3624
-34-
µg/l P2O5 427
µg/l P2O5 88
µg/l P2O5 255
µg/l P2O5 2961
02KM_450383
01KM_450385
LMN005_450364
LMN004_450382
LMN002_450380
OWMB Oost Zomer 450381
OWMB West Zomer 450384
OWMB Oost Winter 442964
OWMB West Winter 442966
Tabel 6-2 Bepaling van ortho-fosfaat.
µg/l P2O5 602
Na omrekenin g: mg P/l mg P/l mg P/l mg P/l mg P/l mg P/l mg P/l mg P/l mg P/l o-PO4(3-) 0.323 0.444 0.503 1.582 0.186 0.038 0.111 1.292 0.263 mg mg mg mg mg mg mg mg mg H2PO4/ H2PO4/ H2PO4/ H2PO4/ H2PO4/ H2PO4/ H2PO4/ H2PO4/ H2PO4/ l l l l l l l l l o-PO4(3-) 1.011 1.391 1.574 4.952 0.584 0.120 0.348 4.046 0.823 Check
0.19
0.26
0.30
Tabel 6-3 Ladingbalansen per staal. % AFWIJKING OWMB West Winter 442966 OWMB Oost Winter 442964 OWMB West Zomer 450384 OWMB Oost Zomer 450381 LMN002_450380 LMN004_450382 LMN005_450364 01KM_450385 02KM_450383
0.94
0.11
0.02
EN% -3.4% 0.0% -3.3% 2.5% -0.6% -5.7% 3.8% 4.9% -2.5%
EN%<10% OK OK OK OK OK OK OK OK OK
0.07
0.76
0.16
Om de waterkwaliteit van Keuzemeersen te kunnen vergelijken met die van eerdere metingen heeft er eerst een transformatie van de data plaats gevonden. Per parameter is er gekeken of er afwijkingen bestonden. Zo was er 1 parameter die niet in het huidige bestek voorkwam (fluoride), terwijl in de historische analyses er een behoorlijk aantal parameters ontbraken die wel in het huidige bestek waren opgenomen: 1) Temperatuur bij Zuurtegraad; 2) Opgeloste Zuurstof; 3) Temperatuur bij Zuurstofbepaling; 4) M-Alkaliteit; 5) Totale Stikstof; 6) Koud Hydrolyseerbare Fosfor . De ontbrekende parameters zijn in de historische analyse als NB (= Niet Beschikbaar) aangegeven. Vervolgens zijn de eenheden vergeleken van beide, historische en de huidige, analyses. De eenheden die niet gelijk waren, zijn omgerekend. In de digitale Excelsheet ‘Omrekeningen’ zijn omrekeningen met rood gearceerd en hierin kunnen dus de eenheden en parameters worden bekeken die zijn omgerekend. De laatste stap was het gelijkmaken van de volgorde van de parameters in de tabel met die van Tabel 6.7 (pag. 71) uit het rapport van Esher (2009), voordat er verder mee werd gerekend in Excel. Als allerlaatste controle, na het kopiëren en plakken van de data uit het rapport en het ordenen van de tabel, zijn alle waardes nog eens handmeting gecontroleerd. Indien er verschillen zijn met het gebruik in de eenheden voor bepaalde parameters (2009 vs. 2012) is geopteerd voor het gebruik van de meeste recente, en dus niet voor de eenheden uit het rapport van 2009. Het huidige bestek verklaart niets over het gebruik van eenheden, maar gemakshalve wordt verondersteld dat de eenheden gebruikt door beide -35-
labo’s (PP en UA) het meest up-to-date zijn. Vervolgens zijn de eenheden vergeleken met die van de milieukwaliteitsnormen. Daaruit bleek dat alleen voor TOTALE FOSFOR de eenheden verschillend zijn (µg P/l in de analyseverslagen) en deze is vervolgens omgezet (naar mg P/l) zodat de eenheden overeenkwamen met de eenheid van de milieukwaliteitsnorm. De toetsing van analyseresultaten is op gelijkaardige manier gebeurd als in het rapport van Esher (2009), alhoewel het onduidelijk is hoe de basismilieunormen in dat rapport exact tot stand zijn gekomen en welke er precies zijn gebruikt. Zo is het bijvoorbeeld ook niet duidelijk hoe men tot richtwaardes (G) en absolute normen (A) komt, omdat deze niet zijn opgenomen in de bijlages vermeld hieronder of wellicht zijn losgelaten. De waterkwaliteitsnormen in dit rapport zijn afkomstig uit de bijlagen van TITEL II van het VLAREM, bijlagen bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (gecoördineerde versie juni 2012). Toetsing van basismilieukwaliteitsnormen is gebaseerd op bijlage 2.3.1. Basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater, categorie 8° ‘voor de oppervlaktewateren van het type zoete polderwaterloop (Pz)’ (pag. 17), terwijl de viswaterkwaliteitsnormen afkomstig zijn uit bijlage 2.3.4. milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater met de bestemming viswater (pag. 45). Aangezien niet voor alle gemeten parameters normen beschikbaar zijn in bovenstaande bijlages, zijn dus, logischerwijze, alleen de normen overgenomen die beschikbaar waren. Bij de nieuwe interpretatie zijn ook nog steeds de oude kwaliteitsnormen toegevoegd in separate kolommen (maar hieraan is niet meer getoetst!), zodat gemakkelijk kan worden bekeken welke normen nieuw, aangepast en/of gelijk zijn gebleven (eventuele verschillen tussen oude en nieuwe normen zijn gearceerd). Voor de basismilieukwaliteitsnormen t.a.v. oppervlaktewater geldt dat er 3 normen zijn komen te vervallen i.v.m. 2009: Ammonium-N, IJzer (Fe) en Nitriet + nitraat. De legenda (op basis van kleuren) van de interpretatie van de weergave van analyse is zoveel mogelijk gelijkaardig dan in het rapport van Esher (2009). Ook dit vergemakkelijkt een vergelijking met de situatie in 2007. Om tot een ‘meetbare’ vergelijking te komen met de huidige gegevens en met die van 2007 is het percentuele verschil voor elke parameter uitgerekend (t.o.v. de huidige gegevens). Indien het verschil meer dan 20% is (= willekeurig arbitrair niveau) wordt de parameter als ‘verschoven’ verklaard. Bovendien kan op deze manier snel en effectief worden bekeken of het om een negatieve of positieve verandering gaat. Indien er sprake was van detectielimieten (geen absolute waardes, maar waardes onder een bepaald limiet) is er ‘handmatig’ gekeken of er (waarschijnlijk) sprake is van een verandering of niet. III.2.6 Kartering van de natuurstreefbeelden (Keuzemeersen) Hoeveelheid: 1, Eenheid: TP
Het karteren van alle aanwezige natuurstreefbeelden (BWK-eenheden) heeft tot doel te kunnen toetsen of de gewenste natuurstreefbeelden zich inderdaad ontwikkelen en vestigen. Tevens wordt naar de oppervlakteverhoudingen en de ligging van de natuurstreefbeelden in het gebied gekeken. Daarmee biedt deze parameter ook de mogelijkheid meetlocaties te kiezen, waar wordt bekeken of de soortensamenstelling in verschillende natuurstreefbeelden zich in de gewenste richting ontwikkelt. Werkwijze: Natuurstreefbeelden worden gedefinieerd door BWK codes van BWK versie 2. Het resultaat is een gebiedsdekkende kaart. Alle aanwezige natuurstreefbeelden worden gedigitaliseerd met een nauwkeurigheid van 10 m. Elk natuurstreefbeeld wordt tevens getypeerd met een -36-
inventarisatie van de aanwezige plantensoorten, waarbij de bedekkingsschaal van Tansley gebruikt wordt. Indien van één type natuurstreefbeeld meerdere vormen voorkomen, dan worden er ook meerdere soortenlijsten gegeven. De natuurstreefbeelden worden één keer opgenomen in het voorjaar.
-37-
6.3 Vegetatieopname in permanente kwadraten (Keuzemeersen) In mei 2012 zijn met behulp van de gps en een metaaldetector alle 8 permanente kwadraten die in
2007 zijn uitgezet opnieuw opgezocht. Hierbij is ook de hulp van voormalig medewerkster van Esher, Leen Martens, ingeschakeld. Zij is effectief meegegaan in het veld bij het zoeken van de PQ’s. In totaal werden er slechts twee hoekpunten (elk in een verschillende PQ) teruggevonden. De hoekpunten zijn stenen fenopalen met een 35 cm lange metalen inslagpen. Vervolgens is er op basis van die 2 teruggevonden hoekpunten elke andere optie van hoekpunten ingemeten met een meetlint (op exact 2 meter afstand), maar zelfs dan waren de andere hoekpunten/fenopalen niet te vinden! Zeer vermoedelijk zitten de fenopalen er nog wel in, maar zijn ze volledig overwoekerd door plantengroei. Zeer waarschijnlijk zijn ze ook onder het maaiveld gedrukt door vee en/of tractoren. Het zou kunnen zijn dat in het vroege voorjaar wanneer de vegetatie nog zeer kort is (ca. begin maart) de fenopalen beter zichtbaar zijn. In overleg met Pieter Mestdagh is daarom besloten om de hoekpunten te laten voor wat het is en met een gps (nauwkeurigheid van ca. 2 m) en op basis van de foto’s uit 2009 de PQ’s opnieuw uit te zetten. Dit is overigens een zeer veel gebruikte methode i.t.t. het vastleggen van PQ’s met fenopalen. In sommige gevallen konden de pollen pitrus op de foto goed worden gebruikt voor oriëntering. De daadwerkelijke opnames van de PQ’s (gebruikte schaal is Londo) zijn gebeurd op een aantal dagen en tegelijkertijd met de opnames van de percelen (gebruikte schaal is Tansley). Van elke PQ’s is zijn foto’s genomen om de vegetatie vast te leggen (zie Bijlage 10). Op de foto’s dienen bamboestokjes met oranje vlaggetjes als afbakening van de hoekpunten en staan exact op 2 meter afstand van elkaar.
6.3.1 Werkwijze Er werden in 2007 8 PQ's uitgezet van 2 x 2 meter op de locaties die aangeduid zijn op onderstaande kaart (zie kaart 3 rapport Esher (2009). Binnen elk proefvlak wordt van alle aanwezige plantensoorten de bedekkingsgraad genoteerd. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Londo-schaal. De resultaten van deze vegetatieopnames zijn verwerkt in Turboveg om de vegetatietypes te bepalen en de resultaten worden ook vertaald naar de Vlaamse natuurtypes ('systematiek van natuurtypen in Vlaanderen, www.inbo.be). De vegetatiekundige opname is uitgevoerd op het meest representatieve moment van het jaar ifv van het beheer van het perceel, het vegetatietype, en de weersomstandigheden (nat/ droog voorjaar). Er wordt een opname gedaan in het voorjaar (mei-juni) en op het einde van de zomer (eind augustus-september) voor alle PQ's. Met de soortenlijsten wordt een aantal bewerkingen uitgevoerd. Deze worden in het onderstaande beschreven: − bepaling van de soortenrijkdom en evaluatie van het voorkomen van karakteristieke, zeldzame en/of bedreigde soorten, rode lijstsoorten en doelsoorten; − beoordeling van de mate van ontwikkeling van ecotooptypen aan de hand van volledigheid van het voorkomen van ecologische soortengroepen volgens Witte (1998).
-38-
− beoordeling van de mate van ontwikkeling en verdeling van plantensoorten binnen kaartvlakken aan de hand van een berekening van de volledigheid van ecologische soortengroepen, waarbij ook de abundantie van soorten wordt meegewogen. − vertaling naar de Vlaamse natuurtypen
6.4
Bepaling slibdikte Meersbeek volgens III-5
Op donderdag 19 januari 2012 is er slibdikte gemeten in de twee toegewezen meetpunten te Meersbeek (zie Foto 6-1 en 6-2Error! Reference source not found.). Deze punten zijn tijdens het eerste veldbezoek op 21-10-2011 bezichtigd en in overleg vervolgens vastgelegd. Voor de slibdiktemetingen is er een boot gebruikt. Op beide plaatsen zijn de buitenste palen gebruikt van een bestaand hekwerk (afrastering van houten palen met prikkeldraad). Voor meetpunt west stond het hek aan de zuidoever; voor meetpunt oost stond het hek aan de noordoever. Aangezien het hekwerk in goede staat verkeerde en er vermoedelijk nog wel enige jaren zal blijven staan, kunnen deze palen de komende jaren opnieuw worden gebruikt of voor herkenning dienen. Aan één beekzijde hebben we zelf een paal in de bodem geslagen. Dit is mede gedaan om als (tweede) referentiepunt of gemakkelijke herkenning te dienen voor andere metingen in deze studie (bijv. water kwaliteit), maar ook voor het vergemakkelijken van opvolging in toekomstige studies. Op dit moment staan de twee palen er nog steeds. Het gebruik van het hekwerk en de ingeslagen palen dient voor het spannen van een touw. Door een touw over de beek te spannen, inclusief meetlint, kon de afstand en interval van slibdiktemetingen nauwkeurig worden bepaald. Bij de eerste meting (westelijk) is er een interval van 1 meter gebruikt en zijn er in totaal 10 metingen gedaan. Aangezien de beek bij punt oost veel smaller is, is er een interval van 50 cm gebruikt. Hier zijn 11 metingen uitgevoerd. Beide metingen verliepen vlot (zeker het oostelijk punt). De metingen van het westelijk punt duurde iets langer, omdat dit lastiger te bereiken was. Bij dit punt hebben we de boot al in het begin van de brug te water gelaten, maar het eerste stuk was zeer lastig te bevaren vanwege de vele plantengroei. Bovendien is de beek bij meetpunt west tamelijk breed en waren er dus meer meetpunten vereist over langere afstand. Verder is het hier van belang om op te merken dat het niet even duidelijk was waar de beek precies begint of ophoudt, c.q. wat precies oever is en wat (stromend) water. In principe zijn we begonnen te meten zodra er open water is.
-39-
Foto 6-1 Overzicht meetopstelling meetpunt west Meersbeek.
Foto 6-2 Overzicht meetopstelling meetpunt oost, Meersbeek
6.5 Bepaling algemene biotoopkwaliteit Meersbeek Op 31/07/2012 zijn de parameters (doorzicht, stroomsnelheid en de watervegetatiestructuur) gemeten voor algemene biotoopkwaliteit in de toegewezen meetpunten te Meersbeek. De eerste twee punten (West en Oost) zijn exact dezelfde meetpunten voor slibdikte die op het eerste veldbezoek van 21-10-2011 zijn bezichtigd en in overleg vervolgens zijn vastgelegd. Verder is door de heer P. Van Herp, Dienst Grondgebiedzaken van de gemeente Sint-Martens-Latem per e-mail op 08/11/2011 het derde punt nabij Kwakstraat nr. 21 medegedeeld. Alle drie meetpunten zijn opgenomen in Error! Reference source not found.. Op 31 juli was de vegetatie maximaal uitgegroeid; de geschatte bedekkingen en dus ook de gemeten hoogte van planten zijn dus maximaal te noemen.
-40-
Afbeelding 6-1 Locatie meetpunten voor algemene biotoopkwaliteit. Het gele punt is het meetpunt nabij Kwakstraat nr. 21. Coördinaten punt 1 west: 51°1’39.60”N 30°37’35.46”E; Coördinaten punt 2 oost: 51°1’38.55”N 3°37’14.35”E; Coördinaten punt 3 Kwakstraat, nr. 21: 51°1’33.93”N 3°37’52.87”E.
6.6 Bepaling soortensamenstelling aquatische macrofauna (Meersbeek) Op 8 juni 2012 zijn op de drie aangewezen locaties (1 ten westen en 2 ten oosten van de Baarle-Frankrijkstraat; zie Afb. 6-1) in de Meersbeek een staal aquatische macroinvertebraten genomen. Per locatie is er op een 15-tal meter (plus minus 5 minuten) van de waterloop al scheppend met een schepnet bemonsterd zoals beschreven in De Pauw & Vannevel 1990. Tijdens de bemonstering is het net enkele malen visueel gecontroleerd of er macro-invertebraten inzaten en vervolgens geleegd in een emmer. Verder is met behulp van een sponsje macro-invertebraten van takken, stenen en hout ‘afgeschraapt’. Dit was met name van toepassing op staalnamepunt nabij Kwakstraat nr. 21, aangezien hier zeer veel dode takken en stukken hout in het water lag (wat scheppen met het net lastig maakte af en toe). Ook is het sponsje gebruikt op de muren van het stenen gemetselde bruggetje. Van elk van de drie staalnames is een BBI staalnameverslag opgemaakt wat te vinden is in Error! Reference source not found.. In deze verslagen staan o.a. wat de weersomstandigheden waren, het landgebruik, bemonsterde habitats (waterbodem, planten, stenen, takken), maar ook fysische parameters, etc. Soortgroepen die in het veld ter plekke werden herkent zijn op de staalnameformulieren geschreven. Een deel van de stalen is direct uitgewerkt na de staalname en een deel van de stalen is op 4% formol gezet en later verder uitgesorteerd. Eenmaal uitgesorteerd zijn de organismen gedetermineerd onder binoculair en de aantallen geregistreerd.
-41-
-42-
7 RESULTATEN EN CONCLUSIES 7.1 Uitlezen van de grondwaterstanden en registratie van het oppervlaktewaterpeil (Keuzemeersen) In Tabel 7-1staan alle handmatige metingen van de waterstanden per piëzometer en ook de handmatige metingen van de peillat LMNS001X. De ondiepe piëzometer LAT_P061X had eerst de code LMNP001X, maar is later dus vervangen door LAT_P061X. Doordat deze piëzometer defect was tijdens een groot deel van de studie waren er maar 2 handmatige metingen mogelijk (meting nr. 1 en 5). Bij de eerste ronde (zie ook § 6.1) bleken veel sensoren defect te zijn en deze zijn op 27-01-2012 vervangen door de VLM (voor de precieze toedoen zie Hoofdstuk 6, §6.1).
Ondiep Diep
117 110
1.170 1.100
5.86 5.90
Ondiep Diep Ondiep Diep Ondiep Ondiep
176 463 134 106 106 140 143 67 62
1.760 4.630 1.340 1.060 1.060 1.400 1.430 0.670 0.620 0.000 1.140 1.160 0.770 0.540 0.570 NB NB 1.110
5.87 3.03 5.94 5.99 5.96 5.98 6.17 6.36 6.38
Ondiep Diep Ondiep Diep Ondiep Diep Ondiep Ondiep Ondiep
114 116 77 54 57 NB NB 111
-43-
6.49 6.50 6.51 6.51 6.45
5.92
Uitlezer1
Berekening grondwaterstand (TAW)
LMNP005X LMNP105X LMNBARO LMNP004X LMNP104X LMNP003X LMNP102X LMNP002X LAT_P061X LMNS001X LMNP005X LMNP105X LMNBARO LMNP004X LMNP104X LMNP003X LMNP102X LMNP002X LAT_P061X LMNS001X LMNP005X
Stand in meters
Buis
04--11--2011 04--11--2011 04--11--2011 04--11--2011 04--11--2011 04--11--2011 04--11--2011 04--11--2011 04--11--2011 04--11--2011 27--01--2012 27--01--2012 27--01--2012 27--01--2012 27--01--2012 27--01--2012 27--01--2012 27--01--2012 27--01--2012 27--01--2012 31--05--2012
Stand in cm (bovenkant buis waterpeil)
Datum meting
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 3
Diep/Ondiep
Meting
Tabel 7-1 Overzicht van het aantal uitlezingen tijdens de studieperiode en de handmatige referentiemetingen per piëzometer en tevens ook voor peillat LMNS001X. Piëzometer LAT_P061X (ondiep) was defect tijdens het grootste deel van de studie en is later gehercodeerd (was LMNP001X).
JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD TVC/PM TVC/PM TVC/PM TVC/PM TVC/PM TVC/PM TVC/PM TVC/PM TVC/PM TVC/PM JPD
LMNS001X LMNP005X LMNP105X LMNBARO LMNP004X LMNP104X LMNP003X LMNP102X LMNP002X LAT_P061X LMNS001X LMNP005X LMNP105X LMNBARO LMNP004X
5 5 5 5 5 5
22--02--2013 22--02--2013 22--02--2013 22--02--2013 22--02--2013 22--02--2013
LMNP104X LMNP003X LMNP102X LMNP002X LAT_P061X LMNS001X
Ondiep Diep Ondiep Diep Ondiep Ondiep
168 174 131 105 107 NB 145.5 142.7 112 109
Ondiep Diep
178 179 139 109 105 NB 169 71 67
Ondiep
127
0.940 0.000 1.680 1.740 1.310 1.050 1.070 NB 1.455 1.427 1.120 1.090 0.000 1.780 1.790 1.390 1.090 1.050 NB 1.688 0.710 0.670 0.000 1.270
Diep Ondiep Diep Ondiep Ondiep
130 93 70 76 96 168
1.300 0.930 0.700 0.760 0.960 1.680
Ondiep Diep Ondiep Diep Ondiep Diep Ondiep Ondiep
1
Uitlezer: JPD = Jelte Pieter Dijkstra, UA TV = Toon van Coillie, VLM PM = Pieter Van Mestdagh, VLM
-44-
Uitlezer1
31--07--2012 03--10--2012 03--10--2012 03--10--2012 03--10--2012 03--10--2012 03--10--2012 03--10--2012 03--10--2012 03--10--2012 03--10--2012 22--02--2013 22--02--2013 22--02--2013 22--02--2013
94
Berekening grondwaterstand (TAW)
3a 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 5 5 5 5
Diep
Stand in meters
Buis LMNP105X LMNBARO LMNP004X LMNP104X LMNP003X LMNP102X LMNP002X LAT_P061X LMNS001X
Stand in cm (bovenkant buis waterpeil)
Datum meting 31--05--2012 31--05--2012 31--05--2012 31--05--2012 31--05--2012 31--05--2012 31--05--2012 31--05--2012 31--05--2012
Diep/Ondiep
Meting 3 3 3 3 3 3 3 3 3
6.06
6.36
JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD JPD
6.36 6.35 6.35 6.26 6.42 5.92
JPD JPD JPD JPD JPD JPD
5.95 5.92 5.97 6.00 5.95 6.14 6.17 5.91 5.91 5.85 5.87 5.89 5.96 5.97 5.91 6.32 6.33
Tabel 7-2 Overzicht van de jaarlijks gemiddelden (cmTAW) per piëzometer voor a) het tweede meetjaar en b) het zesde meetjaar en c) voor de vergelijking tussen het tweede en zesde meetjaar. Piëzometer LAT_P061X (ondiep) was defect tijdens het grootste deel van de studie en is later hernoemd (was LMNP001X). Let op: de gemiddelden LAT_P061X voor het 6de meetjaar zijn dus op basis van een kortere periode (27/11/2012 tot en met 21/02/2013.) a) Berekening 2de meetjaar 27 januarie 2008 - 27 januarie 2009 Jaarlijks gemiddeld waterpeil (GPt) Jaarlijks gemiddeld hoogste waterpeil (GHPt): (gemiddelde van de 45 hoogste peilen) Jaarlijks gemiddeld laagste waterpeil (GLPt): (gemiddelde van de 45 laagste peilen) Jaarlijks gemiddeld voorjaarswaterpeil (GVPt): (18/03/2008 t/m 15/04/2008) Jaarlijks maximum waterpeil Jaarlijks minimum waterpeil Jaarlijkse gemiddelde fluctuatie of amplitude (GFt):
LMNP001X
LMNP002X
LMNP003X
LMNP004X
LMNP005X
LMNP102X
LMNP104X
LMNP105X
629.6
623.1
626.7
625.3
622.1
626.1
626.6
623.8
666.4
664.6
663.5
669.5
662.1
660.1
668.2
661.1
572.3
585.4
585.0
578.0
569.7
586.7
580.4
576.0
652.2
632.6
638.1
642.4
629.1
646.4
642.4
634.1
668.8 570.6 98.2
671.2 582.2 89.0
670.1 583.5 86.6
675.4 575.4 100.0
665.0 565.7 99.3
666.0 585.7 80.3
673.7 577.6 96.1
664.9 573.2 91.7
660.3
622.2
633.0
631.7
630.8
629.9
626.4
628.0
668.2
646.9
657.4
663.4
654.7
655.5
663.0
654.2
649.8
583.8
588.5
582.9
582.8
593.0
567.3
581.9
NA
627.0
633.5
629.2
635.3
633.6
628.7
630.9
677.6 634.8
655.7 571.9
666.7 577.3
674.1 571.2
668.7 571.3
667.6 581.5
675.1 556.0
662.7 568.6
b)
Berekening gemiddelden 6de meetjaar 27 januarie 2012 - 27 januarie 2013 Jaarlijks gemiddeld waterpeil (GPt) Jaarlijks gemiddeld hoogste waterpeil (GHPt): (gemiddelde van de 45 hoogste peilen) Jaarlijks gemiddeld laagste waterpeil (GLPt): (gemiddelde van de 45 laagste peilen) Jaarlijks gemiddeld voorjaarswaterpeil (GVPt): 18/03/2012 - 15/04/2012 Jaarlijks maximum waterpeil Jaarlijks minimum waterpeil
-45-
Jaarlijkse gemiddelde fluctuatie of amplitude (GFt):
LMNP001X
LMNP002X
LMNP003X
LMNP004X
LMNP005X
LMNP102X
LMNP104X
LMNP105X
42.8
83.8
89.4
102.9
97.4
86.1
119.1
94.1
30.6 1.8 77.5 NA 8.8 64.2 -55.4
-0.9 -17.7 -1.6 -5.6 -15.5 -10.3 -5.2
6.3 -6.1 3.5 -4.6 -3.4 -6.2 2.8
6.4 -6.1 4.9 -13.2 -1.3 -4.2 2.9
8.7 -7.4 13.1 6.2 3.7 5.6 -1.9
3.8 -4.6 6.3 -12.8 1.6 -4.2 5.8
-0.3 -5.2 -13.1 -13.8 1.4 -21.6 23
4.2 -6.9 5.9 -3.2 -2.2 -4.6 2.4
c)
Afwijking 2de en 6de meetjaar 27 januarie 2008/201227 januarie 2009/2013 Jaarlijks gemiddeld waterpeil (GPt) Jaarlijks gemiddeld hoogste waterpeil (GHPt): Jaarlijks gemiddeld laagste waterpeil (GLPt): Jaarlijks gemiddeld voorjaarswaterpeil (GVPt): Jaarlijks maximum waterpeil Jaarlijks minimum waterpeil Jaarlijkse gemiddelde fluctuatie of amplitude (GFt):
-46-
In Tabel 7-2 staat het overzicht van de jaarlijks gemiddelden (cmTAW) per piëzometer voor a) het tweede meetjaar en b) het zesde meetjaar en c) voor de vergelijking tussen het tweede en zesde meetjaar. In Tabel 7-2c kan dus per specifieke parameter het verschil met het tweede en zesde meetjaar worden bekeken. De gemiddelde stijging in het jaarlijks gemiddeld waterpeil varieert van -0.9 cm in LMNP002X tot en met 8.7cm in LMM_P005X. De andere piëzometers variëren tussen deze waardes. LAT_P061X kent een zeer hoge stijging, maar aangezien dit over een zeer korte periode is, is deze stijging allerminst representatief. Uiteindelijk is er dus NIET sprake van een stijging van het waterpeil in alle gemeten percelen, maar deze lijkt eerder selectief te zijn. Natuurlijk moet hierbij opgemerkt worden (en ook bij de interpretatie van de resterende parameters) dat het hier gaat om een vergelijking tussen twee jaren inclusief de (meteorologische) variatie van die twee jaren. Ook het specifieke hydrologische beheer in die twee jaren kan verschillend zijn geweest en hier bestaan geen gegevens van. Dat juist LMNP002X een verlaging laat zien in het waterpeil heeft er wellicht toch mee te maken dat dit perceel het meest ligt omsloten door de hoofdwatergracht en de waterstand in dit perceel wellicht het meest onder invloed staat indien er water wordt uitgelaten via de stuw. Toekomstige metingen zullen moeten uitwijzen of dit ook zo is.
7.1.1 Stijghoogteverschillen piëzometerkoppels In Tabel 7-3 staan alle resultaten m.b.t. de stijghoogtes in de beschikbare piëzometerkoppels in Keuzemeersen berekend voor de jaren T2 en T6 (gehele jaar) en tevens ook voor het voorjaar wat loopt van 18 maart tot en met 15 april. De resultaten voor T2 wijken af van met die van Esher (2009) aangezien T2 in deze studie is herberekend vanwege een verschuiving in de meetreeksen en dan met name als het gaat om LMNP002X en LMNP102X: die was in de studie van Esher (2009) negatief (-1.9 cm) en is in de huidige berekening positief (3.0). Bij de overige twee koppels zijn de verschillen relatief klein. Ter volledigheid: de periode was 11 mei 2008 - 11 mei 2009 en is nu 27 januari 2008 - 27 januari 2009. In het tweede jaar zijn over het gehele jaar genomen alle stijghoogtes positief, echter alleen voor het koppel LMNP002X en LMNP102X wijzen de waarden op relevante kweldruk, terwijl de waardes in de andere koppels op niet of een zeer zwakke indicatie van kwel wijzen . In het jaar T6 laten de cijfers een verder versterking zien van de cijfers uit T2: de stijghoogte in piëzometerkoppel LMNP002X en LMNP102X is verder toegenomen, terwijl stijghoogtes in de ander twee koppels (zeer) sterk zijn afgenomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat alleen in het eerste piëzometerkoppel relevante kweldruk aanwezig is en meer westelijk in het gebied (totaal) niet. De huidige natte omstandigheden in het perceel met LMNP005X en LMNP105X, wijzen dan ook eerder op vernatting door aanvoer van (lokaal) water in plaats van opkwellend grondwater. Als er alleen gekeken wordt naar de stijghoogtes in het voorjaar valt op dat de stijghoogtes in LMNP002X en LMNP102X en LMNP005X en LMNP105X sterk zijn afgenomen, terwijl die van LMNP004X en LMNP104X maar zeer licht is afgenomen. Met name de stijghoogte in het voorjaar in T6 voor LMNP005X en LMNP105X t.o.v. de stijghoogte in T2 is sterk afgenomen. Het is onduidelijk waardoor dit verlies in stijghoogtes exact wordt veroorzaakt. Toekomstige monitoring van de waterpeilen moet uitwijzen of deze afname door jaarlijkse variatie wordt verklaard of dat er toch een structureel verlies is van relevante kweldruk sinds jaar T2, wat -47-
zou duiden op een verschuiving in het hydrologische systeem de laatste paar jaar in het westelijk deel van het gebied Tabel 7-3 Resultaten van de gemiddelde stijghoogte per jaar en per voorjaar voor de piëzometerkoppels in Keuzemeersen inclusief het verschil tussen T2 en T6 Stijghoogte heel jaar 102-002 104-004 105-005 Tweede meetjaar, T2 3.0 1.3 1.7 7.7 -5.3 -2.8 Zesde meetjaar, T6 Verschil Stijghoogteverschil voorjaar Tweede meetjaar, T2 Zesde meetjaar, T6 Verschil
4.7
-6.7
-4.5
102-002 13.8 6.6 -7.2
104-004 0.0 -0.6 -0.6
105-005 5.1 -4.3 -9.4
7.1.2 Duurlijnen en berekende gemiddelden In onderstaande grafieken zijn de duurlijnen opgenomen voor elke piëzometer in Keuzemeersen. De duurlijnen zijn samengesteld aan de hand van de relatieve tijd (in percentages) van een bepaalde periode (en dus niet aan de hand van de absolute tijd). Grafieken van waterstanden met de absolute tijd (datums van bepaalde periode) zijn ook gemaakt en staan in Bijlage . Ter volledigheidheid, de duurlijnen zijn gebaseerd op dezelfde periode dan de grafieken in de Bijlage : van 27/01/2008 tot en met 27/01/2009 (=T2) en 27/01/20012 tot en met 27/01/2013 (T6). De duurlijnen in onderstaande grafieken (Figuur 7-1 tot en met Figuur 7-5) zullen per piëzometer worden besproken inclusief mogelijke verschillen voor de verschillende jaren. Net zoals in het rapport van Esher (2009) worden de duurlijnen (hier voor het tweede en zesde jaar) gerelateerd aan de karakteristieke duurlijnbundel van bepaalde vegetatietypes om op die manier de huidige en eventuele potentiële vegetatietypes te kunnen detecteren. Voor de (hernieuwde) beschrijving van de duurlijnen van T2 is (ten dele) gebruikt gemaakt van de beschrijvingen uit het rapport van Esher (2009).
-48-
Figuur 7-1 Duurlijngrafiek grondwaterregime in piëzometer LAT_P061x (was LMNP001X) gedurende het tweede en zesde meetjaar
Voor jaar 2 geldt dat voor ca. 40% van het jaar de grondwatertafel t.h.v. LAT_PO61x zich dichtbij het maaiveld bevindt (uitzakking tot ca. 20 cm onder maaiveld = de wortelzone van planten), terwijl voor ca. 70% van de tijd de grondwatertafel zich niet dieper bevindt dan een halve meter onder het maaiveld. Het grondwaterniveau ter hoogte van piëzometer LAT_PO61x kent wel een grote amplitude of grondwatertafelschommeling (98.2 cm) tot hoge grondwaterdieptes (tot 93 cm onder maaiveld). Aangezien in de huidige studie piëzometer LAT_PO61x maar voor een korte periode (van 2711-2012 tot en met 27 01-2013) gefunctioneerd heeft, kan er geen goede vergelijking gemaakt worden met T2. Wel lijkt het erop dat de hoogste (winter) waterstanden (zie eerst 10% van de grafiek) iets hoger zullen uitkomen dan in jaar T2 en daarmee zijn omstandigheden in het perceel, althans in de winter, wellicht iets vochtiger. Evenzeer belangrijk is natuurlijk de uitzakking in de zomer, waar op basis van de huidige duurlijn weinig van kan worden gezegd. ⇒ Bovenstaande elementen (met name de wegzakking naar een meter diepte t.o.v. maaiveld) wijzen op het ontbreken van opwaartse grondwaterstroming. De overeenkomstige duurlijnenbundel is deze van de vochtige Kamgraslanden. Door het diep wegzakken van de grondwatertafel voornamelijk in het voorjaar zijn de potenties voor Dotterbloemgraslanden of andere nattere vegetatietypes uitgesloten. ⇒ Observatie veld 2012: (vochtig)soortenrijk grasland. Zeer weinig opslag van pitrus (alleen een beetje in meest westelijk reep van perceel) of voorkomen van nattere soorten.
-49-
a)
b)
Figuur 7-2 Duurlijngrafiek grondwaterregime in piëzometerkoppel a) LMNP002X en LMM_P002X (was LMNP002X) gedurende het tweede en zesde meetjaar
-50-
Gedurende 43.8 % van het jaar zit de grondwatertafel t.h.v. de piëzometer LMNP002X (zie a)
b)
Figuur 7-2a) in het tweede meetjaar gelijk of boven het maaiveld met als maximum waterpeil 40,8 cm boven maaiveld (let op: uitschieters boven de 20 cm boven het maaiveld vormen maar slechts ca. 1.2% van alle metingen). Gedurende 81,6 % (of dus ruim ¼) van het jaar daalt de grondwatertafel niet onder 20 cm onder maaiveld. De grondwatertafel zakt zelfs niet dieper weg dan 48,2 cm onder maaiveld. Het grondwaterniveau ter hoogte van piëzometer LMNP002X vertoont een amplitude of grondwatertafelschommeling van 0,89 m. -51-
De duurlijn van piëzometer LMNP002X in het 6de meetjaar lijkt zeer veel op die van jaar T2. Het maximum waterpeil is echter afgenomen en het komt nu uit op 25.3 cm. Metingen boven de 20 cm boven maaiveld hebben slechts een aandeel van 0.55% van de tijd. Ook in het jaar 6 daalt de grondwatertafel niet onder 20 cm onder maaiveld gedurende ca. 83% (dus wederom ruim 1/4) van het jaar. Echter de maximale uitzakking is in T6 wel wat groter dan in T2: 48,2 cm onder maaiveld versus ca. 58.5 cm in T6. De amplitude of grondwaterschommeling in T6 is afgenomen met ca. 5 cm t.o.v. T2: van 89 cm naar 84 cm. ⇒ Net zoals in T2 wijzen de elementen in T6 op de aanwezigheid van opwaartse grondwaterstroming. Deze grondwaterstroming (met als bijgevolg de betreffende waterpeilen) heeft zich dan ook weten te consolideren, zei het dat de pieken in hoogste waterpeil zijn afgenomen en de maximum uitzakking (licht) is toegenomen. Aangezien de sterke pieken in de curve van waterpeilen zijn afgenomen, ligt de overeenkomstige duurlijnenbundel tussen die van Dotterbloemgraslanden en Grote zeggenvegetaties in. Een toename in maximale uitzakking is niet per se ongunstig voor Dotterbloemheden, maar deze moet niet te groot worden.
-52-
Gedurende ca. 30% van het jaar zit de grondwatertafel t.h.v. de piëzometer LMNP102X (zie a)
b)
Figuur 7-2b) in het tweede meetjaar gelijk of boven het maaiveld met als maximum waterpeil 29.1 cm boven maaiveld. Gedurende ca. 75 % (dus bijna 3/4) van het jaar daalt de grondwatertafel niet onder 20 cm onder maaiveld. De grondwatertafel zakt zelfs niet dieper weg dan 51,2 cm onder maaiveld. Het grondwaterniveau ter hoogte van piëzometer LMNP102X vertoont een amplitude of grondwatertafelschommeling van ca. 0.80 m.
-53-
Net zoals bij piëzometer LMNP002X, lijkt de duurlijn van LMNP102X in T6 erg veel op die van T2. De piek in hoogste waterpeil is nagenoeg hetzelfde gebleven: 29.1 cm boven maaiveld in T2 vs 30.7 cm in T6. Gedurende ca. 30% van het jaar zit de grondwatertafel t.h.v. de piëzometer LMNP102X (zie a)
b)
Figuur 7-2b) in het zesde meetjaar gelijk of boven het maaiveld, maar uit de curve blijkt dat de duurlijn toch vaker hogere waterpeilen laat zien in deze eerste 30%. Ook is er een (lichte) stijging te zien in de tijd voor de grondwatertafel boven 20 cm onder maaiveld in T6 t.o.v. T2: ca. 83% vs ca. 74%. Het grondwaterniveau ter hoogte van piëzometer LMNP102X in T6 -54-
vertoont een amplitude of grondwatertafelschommeling van ca. 0.86 cm wat een stijging is van 6cm t.o.v. T2. ⇒ Deze elementen wijzen op (een lichte toename) van de aanwezigheid van opwaartse grondwaterstroming wat in principe positief is. De overeenkomstige duurlijnenbundel is deze van de Grote zeggenvegetaties. Er is een lichte stijging te zien in opwaartse druk, wat in principe gunstig is voor de ontwikkeling voor dergelijk vegetatietype. De toename in amplitude is ongunstig voor het verkrijgen van goed ontwikkelde Dotterbloemgraslanden.
⇒ Observatie veld 2012: (zeer vochtig) soortenrijk grasland. In het zuiden zeer veel opslag van pitrus en in mindere mate ook liesgras wat geleidelijk overgaat in een meer dotterbloemachtig vochtig grasland meer noordwaarts met soorten als Trifolium repens, Lychnis-flos-cuculi, Cirsium palustre en Galium palustre. Tussen de vlakken met pitrus zijn er hier en daar ook nog wel stukken grasland met daarin bijvoorbeeld Galium palustre. Het is de vraag tot hoever de verruiging met pitrus opschuift naar het noorden toe.
Figuur 7-3 Duurlijngrafiek grondwaterregime in piëzometer LMM_P003X (was LMNP003X) gedurende het tweede en zesde meetjaar
De grondwatertafel staat in piëzometer LMNP003X in het tweede meetjaar (zie Figuur 7-3) wel boven het maaiveld, al is het slechts iets meer dan 1% van het jaar, dus heel kortstondig. Het maximum grondwaterpeil is 17.6 cm boven maaiveld. Het maaiveld t.h.v. deze piëzometer staat in die uren ondiep onder water na hevige regenbuien (zie grafiek van de grond-55-
waterstanden van LMNP003X samen met de tjdstijghoogtelijn van het oppervlaktewater LMNS001X van het tweede meetjaar in Bijlage 4). Gedurende 43% of dus min of meer de helft van het jaar bevindt de grondwatertafel t.h.v. de piëzometer LMNP003X zich dichtbij het maaiveld waarmee wordt bedoeld dat deze niet daalt onder de 20 cm onder maaiveld. 88 % van de tijd situeert de grondwatertafel zich niet dieper dan een halve meter onder maaiveld. Het grondwaterniveau ter hoogte van piëzometer LMNP003X vertoont een amplitude van ca. 87 cm (door de hogere peilen na hevige regenbuien) met een maximum diepte van 69 cm onder maaiveld. De grondwatertafel in piëzometer LMNP003X in het zesde meetjaar laat een afwijkend (positief) beeld zien t.o.v. tweede meetjaar. Bijna voor de gehele duurlijn geldt dat T6 een verhoging laat zien. Het gemiddelde waterpeil is dan ook toegenomen met ca. 6 cm in T6 tov van T2. De tijd dat de grondwatertafel t.h.v. de piëzometer LMNP003X zich dichtbij het maaiveld bevind, (i.e. niet daalt onder de 20 cm onder maaiveld) is in T6 t.o.v T2 toegenomen van 43% naar ca. 66%. In T6 vertoont LMNP003X een amplitude van ca. 89 cm wat een lichte stijging betekent t.o.v. 87 cm met een maximum diepte van 75.2 cm onder maaiveld. In T6 heeft er dus een iets grotere uitzakking plaats gevonden dan in T2. ⇒ Uit deze elementen (met name dat in T6 2/3 van de tijd het waterpeil zich bevindt boven de 20 cm onder maaiveld) kan afgeleid worden dat er zich opwaartse grondwaterstroming voordoet maar dat deze (nog steeds) zwak te noemen is. Uit de algehele stijging van het waterpeil kan worden opgemaakt dat het perceel natter is geworden en de opwaartse druk waarschijnlijk dan ook iets is toegenomen. De duurlijn valt door de hogere grondwaterstanden (bij en boven maaiveld) nu wel beter samen met de duurlijnenbundel van de Dotterbloemgraslanden, maar nog steeds is het grondwaterpeil in het late voorjaar en in de zomer te laag om ideaal te zijn voor dit natuurtype. ⇒ Observatie veld 2012: (vochtig) verruigd soortenrijk grasland. In het uiterst oostelijk deel is het grasland zeer verruigd (ook waarschijnlijk omdat het grasland niet gemaaid of beheerd is geweest te zien aan de hoge opslag). Opvallend in dit deel is de opkomst van moerasspirea (Filipendula ulmaria), Cirsium palustre en Eupatorium cannabium afgewisseld met een steeds meer toenemende begroeiing van Equisetum fluviatile. Al met al lijkt het erop dat de hydrologische omstandigheden in het oostelijk deel te extreem zijn voor de ontwikkeling van een goed Calthion. Meer westelijk in het perceel is er sprake van een glanshaver verbond of hoog productief soortenrijk grasland aangezien de hoogteligging van het perceel hier geen ontwikkeling van een Calthion toelaat.
-56-
a)
b)
Figuur 7-4 Duurlijngrafiek grondwaterregime in piëzometerkoppel a) LMM_P004X (was LMNP004X) en b) LMM_P104X (was LMNP104X) gedurende het tweede en zesde meetjaar
Het grondwaterregime situeert zich in beide piëzometers LMNP004X en LMNP104X (zie Figuur 7-4) respectievelijk 19.8 en 21.3 cm onder maaiveld en daalt tot respectievelijk 120 cm en 117 cm onder maaiveld. De overeenkomstige amplitude is -100 cm en -96.1 cm. Gedurende slechts 19.7%, resp. 18% van het jaar staat de grondwatertafel gelijk of boven een halve meter onder maaiveld. Dus meer dan 4/5 van het jaar is deze dieper. -57-
In het zesde meetjaar zijn de hoogste waterpeilen min of meer gelijk gebleven aan die van T2: respectievelijk 21.1 cm en 19.9 cm voor LMNP004X en LMNP104X. De maximale daling in T6 is wel afgenomen t.o.v. T2: -124.0 cm en -117.4 cm. Ook in T6 stond de grondwatertafel slechts 27.6% en 25.4% resp. van het jaar gelijk of boven een halve meter onder maaiveld. Alhoewel dit betekent dat nog steeds grofweg 75% van de tijd van het jaar de grondwatertafel dieper staat dan -50 cm onder het maaiveld, is dit wel een stijging t.o.v T2. De toename in de uitzakking van de diepe piëzometer in T6 t.o.v. T2 duidt erop dat de opwaartse druk t.h.v. LMNP104X is verminderd. ⇒ Deze elementen wijzen duidelijk op het ontbreken van opwaartse grondwaterstroming. Ook uit het stijghoogteverschil tussen de ondiepe en diepe piëzometer in zowel het tweede en het zesde meetjaar valt evenmin duidelijk kwel af te leiden. De duurlijnen van zowel T2 als T6 vallen buiten de duurlijnenbundel van de Dotterbloemgraslanden door de te lage grondwaterstanden maar behoren wel duidelijk tot deze van de vochtige Kamgraslanden. ⇒ Observatie veld 2012: soortenrijk grasland. Geen opslag van pitrus. De nattere soorten zijn afwezig in dit perceel.
-58-
a)
b)
Figuur 7-5 Duurlijngrafiek grondwaterregime in piëzometerkoppel a) LMM_P005X (was LMNP005X) en b) LMNP105X) gedurende het tweede en zesde meetjaar
-59-
In T2 situeert het grondwaterregime zich in beide piëzometers LMNP005X en LMNP105X (zie a)
b)
Figuur 7-5) respectievelijk ca. 32 cm en 38.9 cm boven het maaiveld en daalt maximaal tot respectievelijk 67.3 cm en 61.7 cm onder maaiveld. De overeenkomstige amplitude is 99.3 en 91.7 cm. Gedurende 32,1 % en resp. 60,5 % van de tijd staat het maaiveld onder water. Voor T6 geldt dat de meest hoge waterstanden in LMNP005X en LMNP105X t.o.v. T2 door de bank genomen gelijk zijn gebleven, respectievelijk 35.7 cm en 36.7 cm boven maaiveld. Dit verschil bedraagt dus maximaal ca. 4 cm. Voor de minimum waterstanden geldt dat -60-
LMNP005X een lichte stijging liet zien in T6 t.o.v. T2 (-61.7 cm), terwijl LMNP105X juist een lichte daling liet zien (-57.4 = uitzakking). Deze daling wordt met name veroorzaakt door lagere grondwaterstanden in het einde van september 2012. Wellicht zijn de waterstanden toen verlaagd omwille van het maaien. Overigens laat a)
b)
Figuur 7-5 een grotere daling zien (tot -94 cm, maar dit wordt veroorzaakt door de staalname van grondwater en deze waarde is hier dan ook niet opgenomen. De amplitude in
-61-
T6 is voor LMNP005X licht gedaald (met 1.9 cm) en voor LMNP105X licht gestegen (met 2.4 cm). Gedurende 18.5 % en resp. 51.0 % (respectievelijk LMNP005X en LMNP105X) van de tijd in T2 staat het maaiveld onder water. In T6 is dit flink toegenomen naar 63% en 69% respectievelijk. Gedurende 82,5 %, resp. 87,5 % van het jaar T2 stond de grondwatertafel gelijk of boven 20 cm onder het maaiveld. In T6 was dit respectievelijk 86.9 cm en 88.0 cm. In T2 staat gedurende 95,1 %, resp. 99,8 % van het jaar de grondwatertafel gelijk of boven een halve meter onder het maaiveld. In T6 is dit 96.9% en 98.4% respectievelijk.
⇒ Bovenstaande elementen wijzen duidelijk op de aanwezigheid van opwaartse grondwaterstroming. Dit wordt tevens bevestigd door een klein stijghoogteverschil van het grondwaterpeil tussen de diepe en de ondiepe piëzometer, zowel in T2 als in T6. De duurlijnen liggen binnen de duurlijnenbundel van de Grote zeggenvegetaties. Wel is het zo dat, indien de pieken in de tijd/stijghoogte grafiek van de waterpeilen (zie Bijlage x) telkens na hevige regenbuien - er niet zouden geweest zijn, zouden beide duurlijnen eerder horen bij de duurlijnbundels van de Dotterbloemgraslanden. ⇒ Observatie veld 2012: zeer nat, relatief soortenarm grasland. Het grasland rondom de peilbuizen loopt vol met een zeer dichte en hoge begroeiing van pitrus. Sporadisch is er kleine kloon te vinden van Carex acuta wat suggereert dat de voorspelling van Grote zeggenvegetatie hier haalbaar is. Tussen de pitrus zijn dichte graszodes te vinden met hoofdzakelijk Agrostis stolonifera.
7.1.3 Resultaten oppervlaktewaterpeilmetingen m.b.v. e+ WATER Level 150 op locatie LMNS001X Helaas zijn er geen digitale gegevens beschikbaar van de e+ WATER Level 150 op locatie LMNS001X voor de meetperiode in deze studie. De meetreeks in het rapport van Esher (2009) liep van 20 oktober 2008 tot en met 11 mei 2009, terwijl de gerecupereerde data van de defecte e+ WATER Level 150 maar slechts tot 29 mei 2009 gingen (verkregen van de heer T Collie en de VLM Oost-Vlaanderen). Wel zijn de digitale metingen uit T2 en de handmetingen uit T6 verwerkt in de grafieken van de piëzometers (zie Bijlage 5). In Figuur 7-6 zijn alle data die beschikbaar waren voor T2 en T6 (zie ook Tabel 7-1 voor T6) opgenomen.
-62-
Figuur 7-6 Grafiek grondwaterregime voor de e+ Water Level 150 met locatiecode LMNS001X gedurende het tweede en zesde meetjaar. Let op!: in meetjaar T6 zijn er slechts handmatig metingen uitgevoerd. Deze staan als losse meetpunten in de grafiek, maar niet op chronologische volgorde! Dit is gedaan om toch te kijken of de meetwaardes afwijken van de meetreeks die bekend is (T2). In de labels van de losse punten staat de waardes plus de datum van de meting. De meetreeks T2 loopt in principe van 20 oktober 2008 tot en met 11 mei 2009. Alhoewel deze grafiek verre van compleet is, is deze toch hier opgenomen om grofweg een beeld te krijgen van de werking van de stuw en het bijbehorende peil. Het ziet er naar uit dat de metingen op 03 oktober 2012 en 04 november 2011 in de trend passen van de meetreeks T2 (= seizoen 2008/2009). Het peil in oktober is waarschijnlijk zo laag omdat in augustus en september er nog gemaaid wordt en daarvoor de percelen niet te nat mogen zijn. Alleen het punt gemeten op 22-02-2013 is afwijkend t.o.v. de meetreeks in T2. Zie hiervoor ook de opmerking hieronder. Over de punten gemeten in juli en mei 2012 kan weinig gezegd worden aangezien de meetreeks T2 deze datums niet bevat. Het is de auteurs niet bekend in hoeverre waterpeilen van de stuw door de beheerder zijn opgenomen en in hoeverre er houten balken wel of niet (tijdelijk) zijn aangebracht voor en tijdens deze studie. Het is raadzaam om dit in de toekomst wel te doen en nog beter is het om hier simpele richtlijnen voor te bedenken, die algemeen toepasbaar zijn (voor de beheerder) uitgezonderd extreme weersomstandigheden, c.q. droogte en hevige neerslag. Dan is het wellicht gewenst dat de beheerder acuut aanpassing kan doen in het waterpeil. In ieder geval is door J.P. Dijkstra van de Universiteit Antwerpen nooit waargenomen dat er veel water uit of in de stuw liep, maar instroom van Leiewater kan wel plaatsvinden tijdens piekmomenten (zie rapport Esher (2009)). Wel stond het peil tijdens de laatste twee uitleesrondes erg laag (591 en 592 cm TAW op 03/10/2012 en 22/02/2013 respectievelijk t.o.v. 617 TAW op 31/07/2012. In het bijzonder het peil van 22/02/2013 lijkt wel erg laag, terwijl juist (tijdelijke) winterinundatie gewenst is gezien de gemeenschappen die ten doel -63-
worden gesteld in Keuzemeersen. Hierover is ter plaatse gecommuniceerd met de beheerder G. Spanhove van Natuurpunt. Het peil was tijdelijk verlaagd vanwege kapwerkzaamheden (van wilg) in het centrale gedeelte van het gebied.
7.2 Analyse van oppervlakte- en grondwaterstalen (Keuzemeersen + Meersbeek) 7.2.1 Bespreking kwaliteit oppervlaktewater Keuzemeersen In Tabel 7-5 staan de analyseresultaten voor de oppervlaktewaterstalen ’01 en 02 Keuzemeersen 2012’. Deze zijn afgezet tegen die uit 2007, zodat de tijdspanne 5 jaar is. Hieronder wordt eerst de resultaten besproken per staal (o.a. n.a.v. de normen en trofieniveaus) en vervolgens worden de stalen uit 2012 in relatie gebracht met de resultaten uit 2007. De bespreking is grotendeels in een logische volgorde, i.e. hoe de parameters staan opgesomd in de tabel. Voor punt 1 (KM01) geldt dat de gemeten waarden voor zuurtegraad, pH en temperatuur voldoen aan de normeringen. Ammonium is echter te hoog voor de viswaterkwaliteitsnorm. Opgeloste zuurstof is veel te laag, terwijl het biologisch zuurstofverbruik (21 mg/l O2) veel te hoog is voor beide normeringen, de basismilieu- en viswaterkwaliteitsnorm. Ook totale fosfor is veel te hoog voor beide normeringen. Ortho-fosfaat wordt alleen getoetst aan de hand van de basismilieukwaliteitsnorm, maar is maar liefst een factor 40 keer te hoog! De normeringen van opgelost ijzer en ammonium zijn komen te vervallen in de basismilieukwaliteitsnormering, maar zouden beide te hoog zijn wanneer de oude normering van < 0.2 mg/l (na filtratie) en <1 mg N/l respectievelijk nog steeds van toepassing waren. Als het om stikstof gaat, is de kwaliteit beter te noemen: zowel bij Kjeldahlstikstof, nitriet en nitraat, alsook de som van deze beide zijn de waardes onder de toegestane maximum waardes van de normeringen. Chloriden en sulfaat voldoen tevens aan de norm. Voor punt 2 geldt dat (KM02) dat de gemeten waarden voor zuurtegraad, pH en temperatuur voldoen aan de normeringen. Ook ammonium is voldoende laag voor de viswaterkwaliteitsnorm. Opgeloste zuurstof is echter veel te laag, terwijl het biologisch zuurstofverbruik (21 mg/l O2) wel weer onder de norm zit van de basismilieu- en viswaterkwaliteitsnorm. Dit is een belangrijke parameter! De totale fosfor is (net) hoog voor baismilieukwaliteitsnormering, maar voldoende voor de viswaterkwaliteitsnorm. Orthofosfaat wordt alleen getoetst aan de hand van de basismilieukwaliteitsnorm, maar is bij dit punt een factor 6 keer te hoog! De normeringen van opgelost ijzer en ammonium zijn komen te vervallen in de basismilieukwaliteitsnormering. IJzer zo nog net te hoog zijn, maar ammonium zou voldoende zijn wanneer de oude normering van < 0.2 mg/l (na filtratie) en <1 mg N/l respectievelijk nog steeds van toepassing waren. Ook bij dit punt, als het om stikstof gaat, is de kwaliteit beter te noemen: zowel bij Kjeldahlstikstof, nitriet en nitraat, alsook de som van deze beide zijn de waardes onder de toegestane maximum waardes van de normeringen. Chloriden en sulfaat voldoen tevens aan de norm. Indien meetpunt 1 uit 2012 (KM01 2012) vergeleken wordt met dat uit 2007 kan worden geconstateerd dat de geleidbaarheid is toegenomen. Verder was het BOD in 2007 al veel te hoog en is nu nog verder toegenomen. Opmerkelijk is dat BOD van meetpunt 2 (KM02) in -64-
2012 juist drastisch is afgenomen en nu (net) onder de maximum norm van de kwaliteitsnormeringen is geraakt. Verder is bij KM01 de totale fosfor in 2012 toegenomen met bijna 80% t.o.v. 2007 wat enorm lijkt, terwijl totale fosfor bij KM01 sterk daalde. Ortho-fosfaat geeft een vergelijkbaar beeld: sterke stijging in KM01, terwijl er een afname is over tijd in KM02. Het moet natuurlijk worden gezegd dat er hier sprake is van maar twee momentopnames in de tijd en conclusies moeten daarom zeer voorzichtig worden getrokken. Niettemin lijkt het erop dat de sloot bij KM01 (grenzend aan de percelen 22 en 24) in contact staat met een fosfaatbron. Het zou kunnen zijn dat fosfaatrijk water van elders komt (van percelen meer noordelijk naast de snelweg), maar aannemelijker lijkt dat fosfaat vrijkomt uit de geplagde oevers van de percelen 22 en 24. In 200x? zijn deze oevers geplagd en hier is nu een zeer productieve en natte vegetatie ontstaan van Glyceria maxima, Juncus effusus en met name ook Glyceria fluitans. Wat ook opvalt is dat de solot en de geplagde oever zeer graag worden bezocht door watervogels (met name eenden, persoonlijke waarneming). Deze watervogels zouden bovendien kunnen hebben bijdragen tot een hoger fosfaatrijkdom door in het water te ontlasten en fosfaat uit de (geplagde) bodem op te woelen. Opgelost ijzer is gedaald met een bijna 25% in KM01 en in KM02 is dit zelfs gedaald met 1377%. Maar aangezien in 2007 de stalen voor ijzer niet zijn gefilterd zou filtering hier een grote rol kunnen spelen en kan moeilijk conclusies worden getrokken uit de afname. Voor stikstof geldt dat veel van de getallen zijn gegeven onder bepaalde limieten en hiervoor dus geen procentuele waardes kon worden uitgerekend. Ook is de totale stikstof niet gegeven in 2007 en is er dus geen vergelijking mogelijk met 2012. Voor anionen nitriet en nitraat geldt ook dat de cijfers in verschillende klassen zijn gegeven en ook hier is het dus moeilijk te vergelijken. Voor Kjeldahlstikstof in KM 01 2012 een kleine toename geconstateerd in stikstof, terwijl in KM02 een zeer grote afname is gemeten. Het is lastig te zeggen wat hier precies de reden van is. Het kan zijn dat de hoge stikstofwaarde in 2007 een gevolg was van het weinige beschikbare water in op het punt van staalname. Als laatste valt het op dat de chloriden zijn toegenomen in dezelfde verhouding op punten 1 en 2, en dit geldt ook voor calcium. Voor natrium is er ook een toename in beide punten te zien, zei het verschillend van relatieve grootte. Magnesium is enkel toegenomen in KM01 en liet geen verandering zien in KM02. Kalium liet een opmerkelijk verschil zien: een behoorlijke toename in KM01 2012 t.o.v. 2007 en een enorme afname in KM02 2012 t.o.v. 2007. In Tabel 7-4 staan de trofieniveaus van de gemeten punten naar (a) Leentvaar, en voor P naar (b) Stuijfzand (1993) en voor N naar Vollenweider (1968). De laatste twee indelingen van trofieniveaus komt men geregeld tegen in de literatuur. Zowel voor P als N valt KM01 en KM02 in de categorie polytroof. In beide punten is er dus sprake van zeer voedselrijke omstandigheden, ondanks dat voor stikstof de kwaliteitsnormeringen niet worden overschreden. In 2007 is er geen totale stikstof gemeten en dus kon voor N het trofieniveau niet worden bepaald. Het is het aannemelijk dat in 2007 het trofieniveau niet lager was dan het huidige. In ieder geval kan met zekerheid worden gezegd dat voor P er geen verandering is opgetreden in trofie over de 5 jaar. Als we voor de andere twee indelingen de trofieniveaus bekijken dan is op basis van nitraat de niveaus gelijk gebleven in 2012 t.o.v. 2007. Echter op basis van ortho-fosfaat is KM01 juist hypertroof geworden, terwijl KM02 van hypertroof naar eutroof is gedaald. -65-
Evaluatie oppervlaktewaterkwaliteit t.h.v. staalnameplaatsen ‘keuzemeersen 1 en 2’:
Het water in beide stalen is organisch verontreinigd en (nog steeds) polytroof. Op basis van nitraat is de trofie gelijk gebleven (=b-mesotroof), terwijl de trofie op basis van orthofosfaat in punt 1 is toegenomen naar hypertroof en in punt 2 daarentegen juist gedaald is naar eutroof. In tegenstelling tot 2007 is staal ‘keuzemeersen 02’ duidelijk minder verontreinigd dan staal ‘keuzemeersen 01’. Beide kwaliteitsdoelstellingen (basismilieukwaliteit en viswaterkwaliteit) worden op dit moment (uitgangssituatie) niet gehaald en dan vooral op het vlak van fosfaat en niet of minder voor stikstof. Tabel 7-4 a) Trofieniveaus voor oppervlaktewaterstalen van Keuzemeersen naar Leentvaar (1979) en b) Trofieniveaus voor P naar Stuijfzand (1993) en voor N naar Vollenweider (1968). KM01 KM02 KM01 KM02 Staal: 2007 2007 2012 2012 a Jaar: Trofieniveau Totaal fosfaat Totaal stikstof P N P N P N P N (mg/l) (mg/l) Ultra tot oligotroof <0,005 < 0,2 Oligo- tot 0,005-0,01 0,2-0,4 mesotroof Meso- tot eutroof 0,01-0,03 0,3-0,6 Eu- tot polytroof 0,03-0,1 0,5-1,5 Polytroof >0,1 >1,5 * ? * ? * * * * b Trofieniveau P Oligotroof Mesotroof Licht eutroof Eutroof Sterk eutroof Hypertroof
PO4-P (mg/l) 0,005-0,01 0,01-0,02 0,02-0,082 0,082-0,33 0,33-1,31 1,31-5,23
Trofieniveau N Oligotroof b-mesotroof a-mesotroof Eutroof Hypertroof
Nitraat (mg/l) 0 0-1 * 1-1,5 1,5-2 >2 *
*
* *
*
-66-
*
*
0.0
µS/cm
382
351
502
334
23.9
-5.1
TEMPERATUUR
°C
15.1
14.8
17
18.4
11.2
19.6
TEMPERATUUR BIJ ZUURTEGRAAD
°C
NB
NB
24.7
24.5
NB
NB
mg/l NH4
< 2.00
< 2.00
1.2
<0.05
WGV
WGV
mg/l O2
NB
NB
<0.3
2.2
NB
NB
TEMPERATUUR BIJ ZUURSTOFBEPALING
°C
NB
NB
17
18.4
NB
NB
BIOLOGISCH ZUURSTOFVERBRUIK
mg/l O2
16
33
21
5
23.8
-560.0
m-ALKALITEIT
mmol/l
NB
NB
4.27
3.18
NB
NB
TOTALE FOSFOR via PQE
mg/l P
0.398
1.59
1.917
0.419
79.2
-279.5
OPGELOST IJZER
mg/l Fe
2.375
5.879
1.915
0.398
-24.0
-1377.1
KJELDAHLSTIKSTOF
mg/l N
< 2.0
26
3.6
1.8
VV
-1344.4
AMMONIUM
OPGELOSTE ZUURSTOF
2
2
01KM_450385 31/07/2012
Eenheid 2012
Parameter GELEIDBAARHEID
-67-
6,5 – 8,5; minimum – maximum 1000 µS/cm; 90-percentiel maximum 25 °C
Viswater kwaliteitsnormen 4 rapport Esher (2009)
7.1
Basismilieu kwaliteitsnormen 4 rapport Esher (2009)
2007 vs 2012 02KM 3 20% afwijking
7.0
Viswater 4 kwaliteitsnormen
2007 vs 2012 01KM 3 20% afwijking
7.0
Basismilieu 4 kwaliteitsnormen
02KM_450383 31/07/2012
7.0
ZUURTEGRAAD
1
02KM 27/08/2007
6.5
1
01KM 27/08/2007
Tabel 7-5 Analyseresultaten voor de oppervlaktewaterstalen ’01 en 02 Keuzemeersen, inclusief toetsing aan kwaliteitsnormen voor oppervlaktewater.
6 < pH < 9
6,5 < A < 8,5
6 < pH < 9
A < 1000 µS/cm < 28 °C
≤1
(4)
A < 25 °C
G < 1 mgN/l; A < 1 mgN/l
6 mg O2/l; 10percentiel
50 % ≥ 7
6 mg O2/l; 90percentiel
< 6 mg/l
A < 6 mg/l
< 6 mg/l
0.14 mg P/l; zomerhalfjaarg emiddelde
< 1mg/l
G < 0,3 mgP/l, A < 1 mgP/l
< 1mg/l
A < 200 µg/l (opgeloste na filtratie) 6 mg N/l; 90percentiel
A < 6 mgN/l
2007 vs 2012 02KM 3 20% afwijking
Basismilieu 4 kwaliteitsnormen
1.8
NB
NB
4 mg N/l; zomerhalfjaarg emiddelde
BICARBONATEN BEREKEND (EVENWICHT)
mg/l HCO3
195
166
261
194
25.3
14.4
< 0.50
< 0.50
NA
NA
2
2
01KM_450385 31/07/2012
Parameter
Viswater kwaliteitsnormen 4 rapport Esher (2009)
2007 vs 2012 01KM 3 20% afwijking
3.6
Basismilieu kwaliteitsnormen 4 rapport Esher (2009)
02KM_450383 31/07/2012
NB
Viswater 4 kwaliteitsnormen
02KM 27/08/2007
NB
1
01KM 27/08/2007
mg/l N
1
Eenheid 2012
TOTALE STIKSTOF
Anionen: NA CHLORIDEN NITRIET NITRAAT NITRIET + NITRAAT KOUD HYDROLYSEERBARE FOSFOR
ORTHO-FOSFAAT
SULFAAT
10.308
6.537
46.7
17.7
77.9
63.1
<0.10
< 0.10
<0.01
<0.01
WGV
WGV
< 1.000
< 1.000
<0.5
<0.5
WGV
WGV
<1
<1
<0.5
<0.5
WGV
WGV
NB
NB
2961
602
NB
NB
mg H2PO4/l
< 0.50
1.327
4.046
0.823
VV
-61.3
mg/l SO4
1.537
1.342
<20
<10.0
WGV
WGV
8.08 <0.3 56.42 5.29
8.264 1.99 47.14 5.003
28.3 3.4 75.5 6.3
10.6 0.3 61.2 5.22
71.4 VV 25.3 16.6
22.2 -580.6 23.0 4.1
mg/l Cl mg/l NO2 mg/l NO3 mg N/l µg/l P2O5
Kationen:
mg/l Na mg/l K CALCIUM mg/l Ca MAGNESIUM mg/l Mg NATRIUM KALIUM
-68-
A < 1,5 mg/l A < 200 mg Cl-/l
200 mg/l; 90percentiel 0,03 mg NO2/l
0,03 mg NO2/l
5,65 mg N/l; 90-percentiel A < 10 mg/l
0.10 mg P/l; zomerhalfjaarg emiddelde 150 mg/l; gemiddelde
A < 0,30 mg/l (*); A < 0,05 mg/l (**) A < 250 mg/l
Legenda interpretatie van de weergave analyse resultaten: 1
01KM 27/08/2007 en 02KM 27/08/2007 zwart Erg geldt geen norm. schuin De detectielimiet van de analyse is hoger dan de laagste norm. blauw Voldoet aan alle normen. roze Overschrijding van de richtwaarde, niet van de absolute norm. rood Overschrijding van alle normen.
2
01KM_4503852 31/07/2012 en 02KM_4503832 31/07/2012 zwart Erg geldt geen norm. blauw Voldoet aan alle normen. Voldoet niet aan Basismilieu kwaliteitsnormen, maar wel aan groen Viswater kwaliteitsnormen. rood Overschrijding van alle normen.
3
2007 vs 2012 01KM 20% afwijking en 2007 vs 2012 02KM 20% afwijking Rode arcering Verschil > 20% NB Niet Beschikbaar WGV Waarschijnlijk Geen Verschil VV Vermoedelijk Verschil
4
Basismilieu kwaliteitsnormen, Viswater kwaliteitsnormen, Basismilieu kwaliteitsnormen rapport Esher (2009) en Viswater kwaliteitsnormen rapport Esher (2009) gele arcering nieuwe norm groene arcering norm veranderd blauwe arcering norm vervallen
7.2.2 Bespreking kwaliteit grondwater Keuzemeersen Tabel 7-6 Resultaten van de veld- en labometingen van de drie grondwaterstalen in de Keuzemeersen in 2009 en 2012. Temperatuur en zuurstof zijn steeds gemeten in veld. NB = niet beschikbaar.
-69-
Staalnamepunt
Datum staalname
LMNP001X LMNP002X LMNP004X LMNP002X LMNP004X LMNP005X
09/06/2009 09/06/2009 09/06/2009 31/07/2012 09/07/2012 09/07/2012
LMNP002X verschil LMNP004X verschil
Tijdstip staalnam e 13u45 14u15 13u06 17u00 12u45 12u14
pH veld
pH labo
Geleidbaarheid veld Geleidbaarheid labo (µS/cm) (µS/cm)
5.09 5.65 4.14 7.5 6.7 7.1
6.75 7.5 6.85 7.5 6.7 7.1
420 660 280 708 236 564
1.9 2.6
0.0 -0.1
48.0 -44.0
-70-
Temperatuur °C
Zuurstof mg/l O2
Zuurstof %
220 590 240 708 236 564
13 14 15 12.7 13.9 13.4
NB NB NB 1.96 5.17 3.15
NB NB NB 18 51 26.6
118.0 -4.0
-1.3 -1.1
In Tabel 7-6 staan de resultaten voor pH, geleidbaarheid, temperatuur en zuurstof voor de metingen van grondwaterkwaliteit in 2009 en 2012. Aangezien in 2009 de pH metingen (en tevens ook die van geleidbaarheid) in het veld nogal afwijken van de metingen in het labo, zijn naast de veldmetingen ook de labometingen in de tabel opgenomen. Zeker voor pH verschillen labo- en veldmetingen steeds bijna 2 pH-eenheden wat zeer veel is. Daarom is er voor gekozen om hier uitsluitend met de labometingen uit 2009 verder te werken. Voor de metingen in 2012 geldt dat er uitsluitend labometingen zijn en is er dus geen verschil is tussen veld- en labo metingen. Op de dag van de staalname bleek dat de pH-meter kapot was en daarom zijn de stalen meegenomen naar de universiteit en is daar direct dezelfde dag nog pH en geleidbaarheid gemeten door een geaccrediteerde pH-meter.
7.2.2.1 (Verandering in) Grondwatertype In 2009 hadden de drie stalen een gemiddelde pH van 7.1, terwijl dat in 2012 0.1 hoger was met 7.2. De gemiddelde pH van het grondwater is in de tussentijd daarom nauwelijks veranderd. Hierbij moet natuurlijk worden opgemerkt dat in 2012 de piëzometer LMNP001X niet kon worden bemonsterd en i.p.v. deze er een staal genomen is uit piëzometer LMNP005X, aan de ander kant van het gebied. Helaas is er dus geen 1 op 1 vergelijking mogelijk voor alle drie piëzometers en de gemiddelde waardes dienen dan ook voorzichtig te worden geïnterpreteerd. Dit geldt natuurlijk ook voor al de andere metingen (geleidbaarheid, temperatuur en zuurstof). De laatste, zuurstof, is overigens niet gemeten in 2009. Op basis van het totaalgemiddelde voor pH (=7.1) kan het grondwater getypeerd worden als neutraal. Net zoals in 2009 heeft LMNP002X nu ook weer de hoogste pH wat dus zeer dicht tegen basisch grondwater (pH >7.5) zit. Grondwater met een pH < 6.5 wordt beschouwt als zuur grondwater (Vlarem II, Bijlage 2.4.1.) maar is hier niet aan de orde. De gemiddelde geleidbaarheid (µS/cm) is wel flink toegenomen, van 350 in 2009 tot 503 in 2012 en wijst dus op een toename van nutriënten in het grondwater. Piëzometer LMNP004x is over de jaren heen constant gebleven, maar vooral de geleidbaarheid van LMNP002x is sterk toegenomen van 590 naar 708 µS/cm. Over een toe- of afname in LMNP001x of LMNP005x kan logischerwijze geen uitspraak worden gedaan. Wat verder opvalt is de zeer lage zuurstofconcentratie in staal LMNP002x vergeleken met de ander twee stalen. In Tabel 7-7 staan de analyseresultaten voor de grondwaterstalen in Keuzemeersen. Ook wederom in 2012 is er een hoge concentratie aan sulfaten gevonden in LMNP002X. Volgens Esher (2009) is dit te wijten aan een mogelijk laagstaande grondwatertafel die dan oxidatie veroorzaakt van pyriet waarbij sulfaat vrijkomt. Deze verklaring lijkt plausibel en het fenomeen lijkt constant op te treden. Tevens is voor LMNP002X en voor LMNP004X aangegeven met rode arcering of stalen in 2009 verschillen (>20%) met die van 2012 (zie Tabel 7-7). Het eerste wat opvalt is het grote verschil in ortho-fosfaat. In 2009 waren alle concentraties < 0.02 mg/l, terwijl in 2012 de laagste concentratie op 0.120 mg/l H2PO4 zit. Aangezien in 2012 er in geen staal minder dan 0.02 mg/l ortho-fosfaat is gemeten, is er niet gewerkt met een lagere detectielimiet. Helaas is er geen totale fosfor meting van 2009 en dus kan er ook geen berekening worden gemaakt van ortho-fosfaat. -71-
De sulfaten in het staal LMNP004X zijn bijna met de helft afgenomen. Indien de theorie hierboven klopt, zou het kunnen zijn dat er juist minder oxidatie in dit punt is opgetreden door een hogere grondwatertafel. Voor staal LMNP002X is er eigenlijk alleen voor ammonium een positieve afwijking gevonden groter dan 20%. Niettemin is de waarde nog beperkt en net boven de norm voor grondwaterkwaliteit. Verder is er voor zowel calcium als magnesium een sterke afname te zien in 2012 t.o.v. 2007 in het staal LMNP004X wat duidt op minder kalkrijk, maar juist iets zuurder grondwater. Dit komt ook overeen met een zeer lichte daling in pH in dit meetpunt.
Evaluatie grondwaterkwaliteit t.h.v. staalnameplaatsen in 3 piezeometers:
Doordat er een piëzometer defect was, is er helaas geen 1 op 1 vergelijking mogelijk van 2012 met 2009. Niettemin lijkt het erop dat het grondwater rijker aan nutriënten is gewonden in de tussenliggende tijd vanwege de hogere geleidbaarheid. De pH van het grondwater is nauwelijks veranderd. Het grondwater getypeerd worden als neutraal. Opvallend is het grote verschil in ortho-fosfaat tussen 2009 en 2012. In 2009 waren alle concentraties < 0.02 mg/l, terwijl in 2012 de laagste concentratie op 0.120 mg/l H2PO4 zit. De hoge concentratie aan sulfaten lijkt een terugkerend fenomeen in LMNP002X, maar niet in LMNP004X. Voor zowel calcium als magnesium een sterke afname te zien in 2012 t.o.v. 2007 in het staal LMNP004X. Voor staal LMNP002X geldt er voor ammonium een positieve afwijking gevonden groter dan 20%.
-72-
PP LMN005_450364 31/07/2012
LMN002X 2009 vs 2012 20% afwijking1
LMN004X 2009 vs 2012 20% afwijking1
m-ALKALITEIT TOTALE FOSFOR via PQE OPGELOST IJZER
2+
mg/l
Fe
3+
mg/l
Fe
6.85
7.5
6.7
7.1
0.0
-2.2
µS/cm
220
590
240
708
236
564
16.7
-1.7
°C °C
NB NB
NB NB
NB NB
12.7 24.8
13.9 24.8
13.4 24.6
mg/l NH4
0.49
0.4
< 0.10
0.56
<0.05
0.06
28.6
WGV
mg/l O2 °C mg/l O2 mmol/l µg/l P mg/l Fe
NB NB NB NB NB 23 25
NB NB NB NB NB 0.97 0.53
NB NB NB NB NB < 0.020 0.026
2 12.7 <3 2.29 0.251 0.995 NB
5.2 13.9 <3 1.78 0.085 0.058 NB
3.1 13.4 <3 4.51 0.272 2.921
2.5
WGV
< 0.020
0.44
NB 0.5 0.6
NB <0.3 3.2
<0.3 <0.4 275
-7.9
-29.6
2+ 3+
KJELDAHLSTIKSTOF TOTALE STIKSTOF Waterstofcarbonaat mg/l
PP LMN004_450382 31/07/2012
BIOLOGISCH ZUURSTOFVERBRUIK
Fe
PP LMN002_450380 31/07/2012
TEMPERATUUR BIJ ZUURSTOFBEPALING
Fe
LMNP004X 09/06/2009
AMMONIUM OPGELOSTE ZUURSTOF
IJzer (Fe) mg/l
7.5
Eenheid 2012 GELEIDBAARHEID
TEMPERATUUR BIJ ZUURTEGRAAD +
6.75
ZUURTEGRAAD
TEMPERATUUR
Ammonium (NH4 ) mg/l
LMNP002X 09/06/2009
Geleidbaarheid (bij 20°C) µS/cm
LMNP001X 09/06/2009
pH /
Parameter 2012
Eenheid 2009
Parameter 2009
Tabel 7-7 Analyseresultaten voor de grondwaterstalen Keuzemeersen.
BICARBONATEN BEREKEND (EVENWICHT)
mg/l N mg/l N mg/l HCO3
Carbonaten mg/l
-73-
260
150
140
139
108
< 5.0
< 5.0
< 5.0
NB
NB
LMNP001X 09/06/2009
LMNP002X 09/06/2009
LMNP004X 09/06/2009
PP LMN002_450380 31/07/2012
PP LMN004_450382 31/07/2012
PP LMN005_450364 31/07/2012
LMN002X 2009 vs 2012 20% afwijking1
LMN004X 2009 vs 2012 20% afwijking1
51
< 10
52.3 0.02
6.3 <0.01
48.4 <0.01
2.5
WGV
NITRAAT
mg/l NO3
< 1.0
< 1.0
15
<0.5
14.3
<0.5
WGV
-4.9
<0.5 427 0.584
14.3 88 0.120
<0.5 255 0.348
VV
VV
Eenheid 2012
Parameter 2012
Eenheid 2009
Parameter 2009
mg/l Cl mg/l NO2
20
NITRIET
Anionen: Chloriden mg/l -
Nitraat (NO3 ) mg/l
CHLORIDEN
mg N/l KOUD HYDROLYSEERBARE FOSFOR µg/l P2O5 ORTHO-FOSFAAT mg H2PO4/l < 0.020 < 0.020 < 0.020 NITRIET + NITRAAT
Ortho-fosfaat mg P/l
SULFAAT
mg/l SO4
48
200
28
204.4
19.4
30.1
2.2
-44.3
Natrium (Na) mg/l
NATRIUM
Kalium (K) mg/l
KALIUM
Calcium (Ca) mg/l
CALCIUM
Magnesium (Mg) mg/l
MAGNESIUM
mg/l Na mg/l K mg/l Ca mg/l Mg
5.79 0.235 82 3.62
17.9 1.37 128 8.07
6.34 0.355 51.3 3.06
18.4 1.5 129.8 8.34
5.7 0.3 40.8 2.4
17.1 1.0 101.7 5.66
2.6 8.1 1.4 3.2
-10.6 -8.0 -25.9 -28.0
Sulfaten mg/l Kationen:
1
LMN002X 2009 vs 2012 20% afwijking en LMN004X 2009 vs 2012 20% afwijking
Rode arcering NB WGV VV
Verschil > 20% Niet Beschikbaar Waarschijnlijk Geen Verschil Vermoedelijk verschil
-74-
7.2.3 IR/EGV-diagram (Van Wirdum, 1980) Principe: De IR/EGV-methode (Ionic Ratio en Elektrisch Geleidbaarheidsvermogen) probeert met een beperkt aantal basisgegevens een ordening te maken tegen de achtergrond van verschillen in waterkwaliteit die in de hydrologische kringloop optreden. De IR wordt als volgt gedefinieerd: IR = ionenratio = [(0,5xCa2+)]/[(0,5xCa2+) + (Cl-)] of dus de verhouding tussen de calciumionen t.o.v. de calcium- en chloride-ionen samen, uitgedrukt in meq/l. Het EGV of het elektrisch geleidingsvermogen geeft aan in welke mate de oplossing elektrische stroom geleidt en is dus een maat voor de totale hoeveelheid opgeloste ionen. In het IR/EGV-diagram worden drie referentiepunten aangegeven als de hoekpunten van een driehoek. Het toppunt van de driehoek is een referentiepunt voor lithoclien water, het punt uiterst rechts voor thalassoclien water en het linkerhoekpunt voor atmoclien water (Van Wirdum, 1991). Interpretatie: In de Figuur 7-7 is het IR/EGV-diagram te zien van de 3 grondwaterstalen genomen in de piëzometers LMNP001X (2009), LMNP002X (2009 en 2012) en LMNP004X (2009 en 2012) en LMNP005X (2012). Van de meetpunten in 2009 zijn er zowel veld- als labo EGV metingen beschikbaar, maar er is hier gekozen om verder te werken met de labo-EGV’s, aangezien in 2012 de EGV metingen ook in het labo zijn uitgevoerd. De labels zijn in onderstaande grafiek afgekort met de laatste twee tekens van de locatiecode van de piëzometer + laatste twee tekens van het jaartal waarin de stalen zijn genomen: dus LMNP001X (2009) wordt 1X09. Ook zijn de labels verschillend gepositioneerd. Zo zijn 4X09, 4X12, 2X09 boven het punt gepositioneerd, 1X09 en 5X12 onder het punt en 2X12 rechts van het punt. Op deze manier zijn de labels beter leesbaar en vallen ze niet over elkaar heen. In de grafiek uit 2009 uit het rapport van Esher (2009) zijn twee piëzometers omgewisseld bleek bij de huidige analyse: LMNP002X stond op de plaats van LMNP001X en andersom. De tekst is handmatig in de labels gezet, wat waarschijnlijk de oorzaak is van de verwisseling. In Figuur 7-7 is deze fout gecorrigeerd en staan de piëzometers op de juiste plaats in het IR/EGV diagram. Net zoals in 2009 situeren ook in 2012 de drie grondwaterstalen zich nabij het referentiepunt van Lithoclien, dus dichtbij het grondwaterachtig type. In 2009 vallen de stalen LMNP001X en LMNP004X buiten de driehoek. Ook in 2012 valt LMNP004X nog steeds buiten het driehoek, maar is door een lagere IR wel dichter naar het Lithocliene hoekpunt gemigreerd. De meting van LMNP002X in 2012 is door een iets hogere EGV ietwat meer rechts van de meting in 2009 terecht gekomen. Het grondwater in LMNP005X gemeten in 2012 lijkt het meeste op dat van LMNP002X.
-75-
IR/EGV-diagram 4X09 1
4X12
Lithoclien
0.8
1X09
2X09 2X12 5X12
IR
0.6
0.4
Atmoclien
0.2
Thalassoclien
0
10
100
1000
10000
100000
EGV (µS/cm)
Figuur 7-7 IR/EGV-diagram van de 3 grondwaterstalen o.b.v. de labometingen van de EGV 8.0 2X09 5X12
4X09
7.0
2X12
1X09 4X12
6.0
1X09
5.0 pH
2X09 4X09
4.0
2X12 4X12
3.0
5X12
2.0 1.0 0.0 0
100
200
300
400 500 Conductiviteit (µS/cm)
600
700
800
Figuur 7-8 pH/EGV-diagram van de 3 grondwaterstalen o.b.v. de labometingen van de EGV
-76-
In Figuur 7-8 is voor elke piëzometer de pH van de stalen uitgezet tegen de EGV (gemeten in het labo) voor de jaren 2009 (09) en 2012 (12). Uit de grafiek wordt duidelijk dat er twee groepen stalen zijn: groep 1 met een lage conductiviteit en een pH < 7 (piëzometers 1X + 4X) en groep 2 met een hoge conductiviteit (2X + 5X) en met een iets hogere pH (>7) dan groep 1. Het lijkt er dis op dat een lagere EGV ook een lagere pH geeft, maar er zijn te weinig stalen om hier echt harde conclusies aan te kunnen verbinden. Verder zijn de waardes in EGV en pH per staal tussen 2009 en 2012 niet erg afwijkend en laten eenzelfde soort trend zien.
7.2.3.1 Piper-diagrammen (Piper, 1944) Principe: Het Piper-diagram (zie Figuur 7-9) bestaat uit drie delen: een driehoek voor de kationen, een driehoek voor de anionen en een ruit voor beide iontypes samen. Op de zijden van de driehoeken en de ruit staan de procentuele aandelen (gebaseerd op concentraties in meq/l) van de ionen weergegeven. Overeenkomsten en verschillen worden in één oogopslag duidelijk.
Figuur 7-9 Het Piper-diagram (1944)
De projectie van de concentraties van de betreffende ionen in de drie grondwaterstalen in de Keuzemeersen in het Piper-diagram geeft (zie Figuur 7-10): -77-
001X09 002X09 004X09 002X12 004X12 005X12
Chloride(Cl) + Fluoride(F)
Figuur 7-10 Het Piper-diagram (1944) van de drie grondwaterstalen Interpretatie: De resultaten van de Stuyfzandclassificatie worden in het Piperdiagram wederom bevestigd: net zoals in 2009 zijn ook in 2012 in de kationendriekhoek de drie stalen gepositioneerd dichtbij het hoekpunt van calcium. In de anionendriehoek blijkt dat (bi)carbonaat het belangrijkste anion is in het grondwater van de piëzometers LMNP004X (ook al in 2009) en LMNP005X. In het grondwater van LMNP001X in 2009 was (bi)carbonaat ook het belangrijkste anion. Zowel in 2009 als in 2012 is sulfaat in LMNP002X het belangrijkste anion. Aangezien de stalen in 2009 niet veel variëren in Chloride (Fluoride is niet gemeten) zijn de posities op de Chloride + Fluoride as weinig verschoven. Het verschil in concentratie aan bicarbonaat en sulfaat zorgt bij de projectie in de ruit voor een spreiding langs de as SO42- + Cl- of de as CO32- + HCO3-van enerzijds LMNP002X (hoger -78-
gehalte aan sulfaat) en anderzijds LMNP005X/LMNP004X (resp. lager en laagst gehalte aan sulfaat). Dit was ook al zo in 2009 maar dan met staal LMNP001X i.p.v. LMNP005X. De drie grondwaterstalen worden alle drie gekenmerkt door een hoge concentratie aan de som van calcium- en magnesium ionen, lage concentratie aan de som van natrium- en kaliumionen.
7.2.3.2 Maucha-diagrammen (Maucha, 1932) Principe: Een Maucha-diagram is een radiaal diagram waarop elk ion wordt voorgesteld als een pijl vertrekkend vanuit het middelpunt van een cirkel. De lengte van de pijl is een maat van het relatieve aandeel van het ion in de totale ionenconcentratie. In Figuur 7-11 tot en met Figuur 7-14 zijn de Maucha-diagrammen van de drie grondwaterstalen, genomen in de Keuzemeersen, weergegeven. LMNP001X - 09/06/2009 Conductiviteit: 220 µS/cm H+
K+
HCO3-
Na+
Cl-
Ca2+
SO42-
Mg2+
Figuur 7-11 Het Maucha-diagram (1932) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP001X in 2009
Interpretatie 2009: Langere pijlen naar Ca2+ en HCO3- dan naar de andere ionen. De bekomen vorm is typisch voor lithoclien grondwater doch niet sterk uitgesproken (de lengte van de pijlen is niet zo lang).
LMNP005X - 31/07/2012 Conductiviteit: 564 µS/cm H+
K+
HCO3-
Na+
Cl-
Ca2+
SO42-
Mg2+
Figuur 7-12 Het Maucha-diagram (1932) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP005X in 2012
-79-
Interpretatie 2012: Langere pijlen naar Ca2+ en HCO3- dan naar de andere ionen. De bekomen vorm is typisch voor lithoclien grondwater doch niet sterk uitgesproken (de lengte van de pijlen is niet zo lang).
a
LMNP002X - 09/06/2009 Conductiviteit: 590 µS/cm H+
b
H+
K+
HCO3-
Na+
Cl-
Ca2+
Cl-
K+
HCO3-
Na+
SO42-
LMNP002X - 31/07/2012 Conductiviteit: 708 µS/cm
Ca2+
SO42-
Mg2+
Mg2+
Figuur 7-13 Het Maucha-diagram (1932) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP002X in a) 2009 en b) 2012.
Interpretatie 2009: Lange pijlen naar Ca2+ (langer dan in de andere twee stalen) en sulfaat, kortere uitvlagging naar HCO3- en korte pijlen naar de andere ionen. De bekomen vorm wijkt wat af van de referentiefiguur voor lithoclien grondwater maar dan met een lage alkaliniteit (laag bicarbonaatgehalte) en een hoge sulfaatconcentratie. Interpretatie 2012 en verschillen met 2009: De figuur b laat eigenlijk geen verschillen zien met die van a uit 2009. Ook hier weer lange pijlen naar Ca2+ en sulfaat, en kortere pijlen naar de ander ionen. Ook in 2012 is er sprake van een iets afwijkende vorm voor lithoclien grondwater; een vorm met een lage alkaliniteit (laag bicarbonaatgehalte) en een hoge sulfaatconcentratie.
-80-
LMNP004X - 09/06/2009 Conductiviteit: 240 µS/cm
a
H+
LMNP004X - 31/07/2012 Conductiviteit: 236 µS/cm
b
H+
K+
HCO3-
HCO3-
Na+
Cl-
Na+
Cl-
Ca2+
SO42-
K+
Ca2+
SO42-
Mg2+
Mg2+
Figuur 7-14 Het Maucha-diagram (1932) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP004X in a) 2009 en b) 2012. Interpretatie 2009: Korte pijlen naar HCO3- en Ca2+ en heel korte pijlen naar de andere ionen. De bekomen vorm is wel een minivorm van de referentiefiguur voor lithoclien grondwater, maar zeker niet uitgesproken (lengte pijlen is heel beperkt). Interpretatie 2012 en verschillen met 2009: Korte pijlen naar HCO3- en Ca2+ en heel korte pijlen naar de andere ionen. Er kan worden geconstateerd dat er in 2012 (figuur b) een zelfde soort minivorm tot stand is gekomen dan in 2009 (figuur). De pijlen zijn zelfs nog een fractie korter dan in 2009. De bekomen vorm is dus wederom een minivorm van de referentiefiguur voor lithoclien grondwater, maar zeker niet uitgesproken (lengte pijlen is heel beperkt).
7.2.3.3 Stiff-diagrammen (Stiff, 1951) Principe: Per ion wordt het procentueel aandeel weergegeven t.o.v. de middellijn. In Figuur 7-15 tot en met Figuur 7-18 zijn de Stiff-diagrammen van de drie grondwaterstalen, genomen in de Keuzemeersen, weergegeven. LMNP001X - 09/06/2009 Conductiviteit: 220 µS/cm
8.0
Ca2+
HCO3-
Mg2+
SO42-
Na+ + K+
Cl-
4.0
0.0
4.0
8.0
-81-
Figuur 7-15 Het Stiff-diagram (1951) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP001X
Interpretatie 2009: Duidelijke uitvlagging naar calcium en bicarbonaat en heel beperkt naar de andere ionen waardoor de paddenstoelvorm (of ook vogelvorm) ontstaat die typisch is voor het lithoclien (of grondwaterachtig) grondwatertype.
LMNP005X - 31/07/2012 Conductiviteit: 564 µS/cm
Ca2+
HCO3-
Mg2+
SO42-
Na+ + K+
Cl-
8.0
4.0
0.0
4.0
8.0
Figuur 7-16 Het Stiff-diagram (1951) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP005X
Interpretatie 2012: Duidelijke uitvlagging naar calcium en bicarbonaat en een beperktere uitvlagging naar de andere ionen waardoor er een typische paddenstoelvorm (of ook vogelvorm) ontstaat die typisch is voor het lithoclien (of grondwaterachtig) grondwatertype. a
8.0
LMNP002X - 09/06/2009 Conductiviteit: 590 µS/cm
LMNP002X - 09/07/2012 Conductiviteit: 708 µS/cm
b
Ca2+
HCO3-
Ca2+
HCO3-
Mg2+
SO42-
Mg2+
SO42-
Na+ + K+
Cl-
Na+ + K+
Cl-
4.0
0.0
4.0
8.0
8.0
4.0
0.0
4.0
8.0
Figuur 7-17 Het Stiff-diagram (1951) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP002X in a) 2009 en b) 2012.
Interpretatie 2009: Nog een sterkere uitvlagging naar calcium, beperktere uitvlagging naar sulfaat, bicarbonaat en chloride. Voor de overige ionen weinig uitvlagging. Dus de paddenstoel is wat vervormd maar het wijst nog steeds naar lithoclien (of grondwaterachtig) grondwatertype. -82-
Interpretatie 2012 en verschillen met 2009: Ook in 2012 een sterkere uitvlagging naar calcium, een redelijke uitvlagging naar sulfaat, en een beperkte uitvlagging naar bicarbonaat en chloride. Voor de overige ionen weinig uitvlagging, alhoewel de uitvlagging naar natrium en kalium wel iets is toegenomen t.o.v. 2009. Ook in 2012 is de paddenstoel vervormd maar het wijst nog steeds naar lithoclien (of grondwaterachtig) grondwatertype. LMNP004X - 09/06/2009 Conductiviteit: 240 µS/cm
a
8.0
LMNP004X - 09/07/2012 Conductiviteit: 236 µS/cm
b
Ca2+
HCO3-
Ca2+
HCO3-
Mg2+
SO42-
Mg2+
SO42-
Na+ + K+
Cl-
Na+ + K+
Cl-
4.0
0.0
4.0
8.0
8.0
4.0
0.0
4.0
8.0
Figuur 7-18 Het Stiff-diagram (1951) van het grondwaterstaal in piëzometer LMNP004X in a) 2009 en b) 2012.
Interpretatie 2009: De uitvlagging naar calcium en bicarbonaat is groter dan naar de andere ionen waardoor een slanke paddestoelvorm verschijnt (of ook vogelvorm) verschijnt, dus ook hier een eerder ‘zwak’ lithoclien (of grondwaterachtig) grondwatertype. Interpretatie 2012 en verschillen met 2009: De uitvlagging naar calcium en bicarbonaat is in 2012 ook groter dan naar de andere ionen, maar deze is wel iets beperkter (zei het miniem) dan in 2009. Ook in 2012 is er sprake van een slanke paddestoelvorm (of ook vogelvorm), dus ook hier een eerder ‘zwak’ lithoclien (of grondwaterachtig) grondwatertype.
In de literatuur (Van der Hoek & Witte, 1994) worden 2 niet-verontreinigde grondwatertypen beschreven op basis van de Stiff-diagrammen: Watertype 1 wordt bepaald door calcium en bicarbonaat. Dit is typisch voor lithoclien grondwater waarbij het Stiff-diagram een karakteristieke paddestoelvorm heeft. In de literatuur wordt bij dit watertype minstens 50 % van de kationensom ingenomen door calcium en minstens 50 % van de anionensom door bicarbonaat. Watertype 2 wordt bepaald door calcium en sulfaat waarbij calcium minstens 50 % van de kationen inneemt en het percentage sulfaat in de anionensom groter is dan het percentage van chloride en bicarbonaat en in essentie dus ook minstens 50 % van de anionensom inneemt. -83-
Op basis van de procentuele verhoudingen in de concentraties aan ionen (in meq/l) weergegeven in Tabel 7-8, kan geconcludeerd worden dat het grondwater in LMNP001X (dus uit 2009), LMNP004X (2009 en 2012) en LMNP005X (2012) behoort tot watertype 1 en het grondwater in LMNP002X (2009 en 2012) tot watertype 2. Tabel 7-8 Procentuele verhoudingen ionenconcentraties in de 3 grondwaterstalen Procentueel: LMNP001X 09 LMNP002X 09 LMNP004X 09 LMNP005X 12 LMNP002X 12 LMNP004X 12
Ca2+ 88% 81% 83% 80% 81% 82%
Mg2+ 6% 8% 8% 7% 9% 8%
Na+ + K+
Cl-
6% 10% 9% 12% 10% 10%
10% 18% 0% 21% 18% 8%
SO4217% 52% 20% 10% 53% 17%
HCO3-
Water type
73% 30% 80% 69% 28% 75%
1 2 1 1 2 1
Evaluatie grondwaterkwaliteit aan de hand van diagrammen Net zoals in 2009 situeren ook in 2012 de drie grondwaterstalen zich nabij het referentiepunt van Lithoclien, dus dichtbij het grondwaterachtig type.
Uit de pH/EGV grafiek wordt duidelijk dat er twee groepen stalen zijn: groep 1 met een lage conductiviteit en een pH < 7 (piëzometers 1X + 4X) en groep 2 met een hoge conductiviteit (2X + 5X) en met een iets hogere pH (>7) dan groep 1. Uit de resultaten van het Piperdiagram kan geconcludeerd worden dat de drie grondwaterstalen alle drie gekenmerkt worden door een hoge concentratie aan de som van calcium- en magnesium ionen en een lage concentratie aan de som van natrium- en kaliumionen. (Bi)carbonaat blijkt het belangrijkste anion in het grondwater van de piëzometers LMNP004X (ook al in 2009) en LMNP005X. In het grondwater van LMNP001X in 2009 was (bi)carbonaat ook het belangrijkste anion. Zowel in 2009 als in 2012 is sulfaat in LMNP002X het belangrijkste anion. Op basis van de procentuele verhoudingen in de concentraties aan ionen (in meq/l) kan geconcludeerd worden dat het grondwater in LMNP001X (dus uit 2009), LMNP004X (2009 en 2012) en LMNP005X (2012) behoort tot watertype 1 en het grondwater in LMNP002X (2009 en 2012) tot watertype 2.
7.2.4 Meersbeek In Tabel 7-9 staan de trofieniveau’s opgesomd voor de oppervlaktewaterstalen van Meersbeek. Hiervoor zijn de stalen niet gemiddeld over het jaar, maar afzonderlijk te zien voor winter en zomer. Op basis van Leentvaar (1979) geldt dat de beek als polytroof kan worden beschouwd, en dat geldt dus zowel voor punt West alsook voor punt Oost dat gelegen is na het helofyten en in principe het effluent krijgt te verwerken van het helofytenfilter. Ook is er bij deze indeling geen verschil in winter en in zomer. Ook bij de andere twee indelingen, trofieniveau’s voor P naar Stuijfzand (1993) en N naar Vollenweider (1968) is er nauwelijks een verschil. Voor nitraat kan de beek ingedeeld als bmesotroof en voor orthofofaato is is de beek zelf sterk eutroof. Alleen in de winter is het -84-
beektraject voor het helofytenfilter iets minder eutroof, wat misschien het effect kan duiden van het filter. Tabel 7-9 Trofieniveaus voor oppervlaktewaterstalen Meersbeek naar a) Leentvaar (1979) en b) Trofieniveaus voor P naar Stuijfzand (1993) en voor N naar Vollenweider (1968). Staal: MB West MB West MB Oost MB West a)
Jaar: Trofieniveau
Ultra tot oligotroof Oligo- tot mesotroof Meso- tot eutroof Eu- tot polytroof Polytroof b) Trofieniveau P
Totaal fosfaat (mg/l) <0,005
Totaal stikstof (mg/l) < 0,2
0,005-0,01
0,2-0,4
0,01-0,03 0,03-0,1 >0,1
0,3-0,6 0,5-1,5 >1,5
PO4-P (mg/l)
Trofieniveau N Oligotroof b-mesotroof a-mesotroof Eutroof Hypertroof
Oligotroof Mesotroof Licht eutroof Eutroof Sterk eutroof
0,005-0,01 0,01-0,02 0,02-0,082 0,082-0,33 0,33-1,31
Hypertroof
1,31-5,23
Nitraat (mg/l) 0 0-1 1-1,5 1,5-2 >2
winter 2012
zomer 2012
winter 2012
zomer 2012
P
N
P
N
P
N
P
N
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
In Tabel 7-10 staan alle analyseresultaten voor de oppervlaktewaterstalen Meersbeek West en Oost, inclusief toetsing aan de twee kwaliteitsnormen voor oppervlaktewater. De tabel omvat zowel de individuele stalen (winter + zomer), alsook de jaargemiddeldes. Tevens is de afwijking van oost t.o.v. punt west berekend om snel te kunnen zien of punt oost daadwerkelijk hogere waardes laat zien t.a.v. het effluent van het helofytenfilter. Voor punt west geldt dat in de zomer de opgeloste zuurstof net onder de norm van 6 mg/l zat. Dit geldt eveneens voor punt oost in de zomer wat vele malen lager uitkwam en wel op 0.9. Blijkbaar is de zuurstof in het water een probleem in de zomer, alhoewel voor beide punten de BOD niet boven de maximum toegestane waarde van beide milieukwaliteitsnormen is geweest. Naast de opgeloste zuurstof is voor punt west totale fosfor en ortho-fosfaat een probleem. Totale fosfor is niet te hoog indien getoetst voor de viswater kwaliteitsnorm, maar te hoog indien getoetst aan de basismilieu kwaliteitsnorm. Aangezien deze laatste norm uitsluitend geldt voor het zomerhalfjaargemiddelde is het winterstaal hieraan dus niet getoetst geweest. Voor ortho-fosfaat geldt dat het jaargemiddelde maar liefst ca. 13 keer de norm van de basismilieukwaliteitsnorm overschrijdt in punt west. De gemeten concentratie is een niveau -85-
wat gemiddeld was in de begin jaren negentig voor oppervlaktewater in Vlaanderen (http://www.vmm.be/water/kwaliteit-oppervlaktewater/toestandoppervlaktewater/fysisch-chemische-toestand/nutrienten) Dit is temeer opmerkelijk gezien de beek niet zo ver bij punt west vandaan ontspringt. De beek wordt in principe alleen gevoed door regenwater, afstromend water van nabij gelegen graslanden als (vermoedelijk) ook hoger gelegen bewoonde gedeeltes in het zuiden (persoonlijk indruk en communicatie met P. Van Herp, Dienst Grondgebiedzaken, Sint-Martens- Latem). Blijkbaar heeft het water bij de bron al een zeer hoge belasting met fosfaat. Voor punt oost geldt dat er veel meer parameters de normen overschrijden dan in punt west. In eerste instantie kan uit de hogere geleidbaarheid, die met meer dan ¼ toeneemt t.o.v. punt west, worden afgeleid dat het water in punt oost hogere concentraties aan nutriënten heeft. Overigens wordt bij geleidbaarheid nog niet de normen overschreden. Ammonium laat een ca. vijf keer te hoge waarde zien dan de Viswater kwaliteitsnorm toestaat. Ammonium is zowel in winter als in zomer te hoog. De toename in ammonium met punt west is maar liefst 90%. Ook de zuurstofconcentratie in punt oost, met name zomers is onder de maat en ook lager dan die in punt west. M-alkaliteit is met 20% toegenomen in punt oost. De gemiddelde totale fosfor concentratie is zowel te hoog voor de basiskwaliteitsnormen als ook voor de viswater kwaliteitsnorm. De concentratie Totale fosfor neemt maar liefst met meer dan helft toe t.o.v. punt west. De concentratie opgelost ijzer neemt in punt oost met bijna 40% af t.o.v. punt west. Dit zou het gevolg kunnen zijn van de stijging in P die vervolgens bindt aan ijzer en neerslaat. De waarde van Kjeldahl stikstof overschrijdt in de zomer de basismilieu kwaliteitsnorm. Gemiddeld over het jaar genomen komt de waarde uit precies uit op de normgrens van 6 mg/N per L. Totale stikstof kent alleen een basismilieukwaliteitsnorm voor de zomer haljaargemiddelde die voor punt oost ook ruimschoots wordt overschreden. Kjeldahl stikstof en totale stikstof zijn met bijna 70% toegenomen i.v.m. punt west. Voor de anionen geldt dat chloriden, nitriet, koud hydrolyseerbare fosfor, ortho-fosfaat en sulfaat allemaal verhoogde concentraties laten zien vergeleken met punt west. Echter alleen ortho-fosfaat overschrijdt de norm, zowel in de zomer als in de winter. Gemiddeld over het jaar laat het een 2.5 keer hogere waarde zien dan punt west en overschrijdt het maar liefst 30 keer de norm, met name in de zomer. Samenvattend laat punt oost dus voor veel parameters grote verhogingen zien vergeleken met punt west. Veel van die verhogingen zijn tevens overschrijdingen van de normeringen. Het is evident dat over een zo korte afstand (hemelsbreed ca. 1 km) dit het effect moet zijn van het effluent van het helofytenfilter, eventueel in combinatie met de hoeveelheid gesedimenteerd slib in de beek. De werking of capaciteit van dit helofytenfilter lijkt dan ook onvoldoende. Wat tevens opmerkelijk is dat voor bepaalde parameters verhoogde zomerwaardes zijn gemeten, terwijl dan de werking van het filter in theorie juist efficiënter zou moeten zijn.
Evaluatie oppervlaktewaterkwaliteit t.h.v. staalnameplaatsen ‘Meersbeek West en Oost’: De algemene trofie van het oppervlaktewater kan op beide punten in de Meersbeek als polytroof, dus uiterst voedselrijk, worden beschouwd. Het enige verschil tussen de twee meetpunten is dat in de winter in punt west op basis van ortho-fosfaat het water sterk eutroof is i.p.v. hypereutroof.
-86-
Het oppervlaktewater in punt west voldoet voor drie parameters niet aan de normen: opgelost zuurstof in de zomer, totale fosfor en ortho-fosfaat. Met name deze laatste is een probleem en overschrijdt maar liefst 13 keer de basismilieukwaliteitsnorm. Hieruit kan ook worden afgeleid dan met name voor fosfaat er al een te grote belasting is aan de bron van de beek. Het oppervlaktewater in punt oost voldoet voor de volgende parameters niet aan de normeringen: ammonium, opgeloste zuurstof in de zomer, totale fosfor, Kjeldahl stikstof, totale stikstof en ortho-fosfaat. Ortho-fosfaat overschrijdt hier gemiddeld 30 keer de norm. De meerderheid van parameters liet een verandering groter dan 20% zien, i.e. cruciale verhoging of verlaging, t.o.v. punt west. Het is waarschijnlijk dat het helofytenfilter, eventueel in combinatie met gesedimenteerd slib in de beek verantwoordelijk is voor de normoverschrijding en deze verandering. Beide kwaliteitsdoelstellingen (basismilieukwaliteit en viswaterkwaliteit) worden op dit moment (uitgangssituatie) niet gehaald, zowel niet in punt west als zeker niet in punt oost.
-87-
AMMONIUM OPGELOSTE ZUURSTOF TEMPERATUUR BIJ ZUURSTOFBEPALING BIOLOGISCH ZUURSTOFVERBRUIK m-ALKALITEIT TOTALE FOSFOR via PQE
7.2
7.4
7.2
-1.6
µS/cm °C °C mg/l NH4 mg/l O2 °C mg/l O2 mmol/l
384 5.6 11.5 0.52 12.24 5.3 <3 2.79
423 18.9 24.4 <0.05 5.2 18.9 4 3.85
533 5.6 10.3 4.32 12.04 5.3 <3 3.71
557 16.9 24.7 7.06 0.9 16.9 <3 4.61
403.3 12.3 18.0 0.5 8.7 12.1 3.5 3.3
545.1 11.3 17.5 5.7 6.5 11.1 3.0 4.2
26.0 -8.9 -2.6 90.4 -34.8 6 mg O2/l 10-percentiel -9.0 -16.7 6 mg O2/l 90-percentiel 20.2
mg/l P
0.375
0.639
0.494 1.655 0.5
1.1
52.8
West vs Oost >20% 2 afwijking
7.29
6,5 – 8,5 Sörensen minimum – maximum 600 µS/cm 90-percentiel maximum 25 °C
0,14 mg P/l Zomerhalfjaargemiddelde
mg/l Fe
1.116
1.362
0.373 1.400 1.2
0.9
-39.8
KJELDAHLSTIKSTOF
mg/l N
1.9
1.7
4.4
7.5
1.8
6.0
69.7
6 mg N/l 90-percentiel
TOTALE STIKSTOF
mg/l N
2.1
1.7
4.5
7.5
1.9
6.0
68.3
4 mg N/l Zomerhalfjaargemiddelde
mg/l HCO3
170
234
226
281
202.0 253.5
28.8 0.02 0.5
30.2 < 0.01 <0.5
45.4 0.05 0.5
51.3 29.5 <0.01 0.0 <0.5 0.5
OPGELOST IJZER
BICARBONATEN BEREKEND (EVENWICHT)
Viswater kwaliteitsnormen
Basismilieu kwaliteitsnormen
1
Gemiddeld OWMB Oost
PP OWMB Oost Zomer 1 450381 31/07/2012
TEMPERATUUR BIJ ZUURTEGRAAD
Gemiddeld OWMB West
PP OWMB Oost Winter 1 442964 27/01/2012
Parameter
TEMPERATUUR
PP OWMB West Zomer 1 450384 31/07/2012 7.4
Eenheid 2012
7.32
ZUURTEGRAAD GELEIDBAARHEID
PP OWMB West Winter 1 442966 27/01/2012
1
Tabel 7-10 Analyseresultaten voor de oppervlaktewaterstalen Meersbeek West en Oost, inclusief toetsing aan kwaliteitsnormen voor oppervlaktewater.
6 < pH < 9 < 28 °C (4)
≤1 50 % ≥ 7 < 6 mg/l < 1mg/l
20.3
Anionen: NA
mg/l Cl NITRIET mg/l NO2 NITRAAT mg/l NO3
CHLORIDEN
-88-
48.4 0.0 0.5
39.0 50.0 0.0
120 mg/l 90-percentiel 0,03 mg NO2/l 10 mg N/l 90-percentiel
0.55 1018
<0.5 3624
1.011
1.574
1.391 4.952 1.3
3.2
59.2
0,10 mg P/l gemiddelde
35.9
<10.0
51.4
<10
23.0
30.7
25.2
90 mg/l gemiddelde
14.2 4.8 65.3 5.1
14.2 1.0 79.3 4.94
27.2 6.8 79 6.2
33.4 3.5 74.6 5.41
14.2 2.9 72.3 5.0
30.3 5.2 76.8 5.8
53.2 43.6 5.9 13.6
0.5 0.5 1.0 946.0 2321.0 59.2
mg/l Na mg/l K CALCIUM mg/l Ca MAGNESIUM mg/l Mg KALIUM
Legenda interpretatie van de weergave analyse resultaten: 1
Meersbeek West + Oost winter + zomer. zwart Erg geldt geen norm. blauw Voldoet aan alle normen. groen Voldoet niet aan Basismilieu kwaliteitsnormen, maar wel aan Viswater kwaliteitsnormen. rood Overschrijding van alle normen.
2
Meersbeek West vs Oost >20% afwijking Rode arcering Verschil > 20%
-89-
Viswater kwaliteitsnormen
<0.5 1152
West vs Oost >20% 2 afwijking
0.52 740
Kationen: NATRIUM
Basismilieu kwaliteitsnormen
1
Gemiddeld OWMB Oost
1
PP OWMB Oost Zomer 1 450381 31/07/2012
Gemiddeld OWMB West
PP OWMB Oost Winter 1 442964 27/01/2012
PP OWMB West Zomer 1 450384 31/07/2012
PP OWMB West Winter 1 442966 27/01/2012
Eenheid 2012
Parameter
mg N/l µg/l P2O5 mg ORTHO-FOSFAAT H2PO4/l SULFAAT mg/l SO4
NITRIET + NITRAAT KOUD HYDROLYSEERBARE FOSFOR
7.3 Bepaling slibdikte Meersbeek volgens III-5 Op onderstaande grafieken (Figuur 7-19 tot en met Figuur 7-22) staan de gemeten dwarsprofielen (punt west en oost) van de beek. Op de x-as staat de noord- en zuidoever aangegeven. Bij de beide oevers van punt west was het peil onmiddellijk diep en was de oever dus relatief steil. Bij de zuidoever van punt oost was deze minder steil. Figuur 7-19 (punt west) laat zien dat de sliblaag ongeveer gelijk verdeeld is over de gehele breedte, waarbij de gemiddelde dikte ca. 70 cm is, de maximale dikte ca. 100 cm en de minimale dikte ca. 50 cm is. Figuur 7-20 laat zien dat de verdeling van de sliblaag een tamelijk ongelijke verdeling kent (meer slib in het midden en de noordkant), terwijl de sliblaag ook minder dik is vergeleken met punt west: gemiddeld zo’n ca. 50cm, met uitschieters naar 83cm. De minimale dikte is hier ca. 0 - 15cm.
Figuur 7-19 Dwarsprofiel slib en waterkolom + slib punt west.
-90-
Figuur 7-20 Dwarsprofiel slib en waterkolom + slib punt oost.
De gemiddelde hoogte van de waterkolom is voor punt west en oost bijna gelijk, namelijk respectievelijk ca. 54 cm en 56 cm (Figuur 7-21 en Figuur 7-22) . Niettemin is de verdeling van de waterkolom over de volledige beekbreedte bij de twee meetpunten volledig anders. Aangezien de beek op punt oost veel minder breed is, is de waterkolom (in het midden van de beek) veel hoger dan in punt west, waar de waterkolom over de volledige breedte ongeveer het zelfde is.
Figuur 7-21 Dwarsprofiel hoogte waterkolom punt west.
-91-
Figuur 7-22 Dwarsprofiel hoogte waterkolom punt oost.
7.4 Bepaling algemene biotoopkwaliteit In Tabel 7-11 staan de resultaten van de metingen van de doorzicht (helderheid verticale waterkolom) van het water. Per punt zijn steeds twee metingen verricht en in de tabel staat hiervan het totaal gemiddelde. Geen een van de drie meetpunten had een totaal doorzicht van 100%. Duidelijk is te zien dat er een relatieve toename is in doorzicht stroomafwaarts. Tabel 7-11 Resultaten doorzicht Meersbeek. Per punt zijn twee metingen uitgevoerd. Punt 1 2 3 Datum 31--07--2012 31--07--2012 31--07--2012 Omschrijving punt
Meersbeek West Doorzicht (cm) 1ste meting 30 Totale diepte (cm) 1ste meting 39 % doorzicht van totaal 1ste meting 0.8 Doorzicht (cm) 2de meting 27 Totale diepte (cm) 2de meting 33 % doorzicht van totaal 2de meting 0.8 Gemiddeld doorzicht meting 1 en 2 0.79
Meersbeek Oost 43 43 1.0 24 32 0.8 0.88
Meersbeek Kwakstraat 19 19 1.0 22 24 0.9 0.96
In Tabel 7-12 staan de resultaten van de stroomsnelheidsmetingen op elk van de drie punten. Hieruit blijkt dat punt Meersbeek West de hoogste stroomsnelheid vertoont, terwijl de punten Meersbeek Oost en Kwakstraat (stroomafwaarts) beide een zeer lage maar gelijke stroomsnelheid vertonen. Tabel 7-12 Resultaten stroomsnelheid Meersbeek. Per punt zijn twee metingen uitgevoerd. Punt 1 2 3 Datum 31--07--2012 31--07--2012 31--07--2012
-92-
Omschrijving punt
Meersbeek West
Meersbeek Oost
Stroomsnelheid (m/sec) meting 1 Stroomsnelheid (m/sec) meting 2 Stroomsnelheid (m/sec) meting 3 Gemiddelde stroomsnelheid (m/sec) Gemiddelde stroomsnelheid (cm/sec) Opmerkingen stroomsnelheid
0.04 0.06 0.05 0.05 5.22
0.0019 0.0014 0.0009 0.0014 0.14
Duidelijk stroming afwaarts. De stroomsnelheid is gemeten over 5m
Nauwelijks stroming. De stroming is soms ook veranderlijk: dan ook opwaarts. De stroomsnelheid is gemeten over 1m
Meersbeek Kwakstraat 0.0016 0.0016 0.0016 0.0016 0.16 De stroomsnelheid is gemeten over een 0.5 meter. Net zoals bij punt 2 is er ook hier nauwelijks stroming. Ook hier zo nu en dan opwaartse stroming ipv afwaartse.
In Tabel 7-13 staan de resultaten van metingen van de vegetatiestructuur, terwijl in de Tabel 7-14 de resultaten staan van gevonden planten op de 3 meetlocaties. Deze laatste zijn overgenomen van het Veldprotocol voor de bepaling van de BBI (Error! Reference source not found.). Belangrijk om hier te benadrukken is dat de bedekkingen van de metingen watervegetatiestructuur afkomstig zijn van de vegetatie in de beek en dus niet genomen zijn over de gehele beek. Dus een bedekking van 98% (punt West) wil zeggen dat de vegetatierand van 2.86 m een dichtheid had van 98%, terwijl 2% water zichtbaar was. Bij de punten 1 en 2 gaat het dus om zeer dichte vegetaties. De structuur van de vegetatie is zeer gevarieerd voor de drie verschillende punten. Zo heeft punt West door de bank genomen de breedste rand van emergente vegetatie, terwijl het punt Meersbeek Kwakstraat nauwelijks een vegetatierand (helofyten) heeft. Niettemin kan binnen een punt de variatie tamelijk varieren. Dat geldt met name voor punt 2 Oost. Hier is de beek een dertigtal meter verderop bijna volledig dichtgegroeid door een stevige liesgrasvegetatie. Het grote verschil in maximale en gemiddelde hoogte bij punt Meersbeek Kwakstraat komt doordat er nauwelijks oevervegetatie (helofyten) aanwezig was op een enkele zeer hoge gele lis na die verantwoordelijk is voor de hoge maximale hoogte (zie ook opmerkingen). Tabel 7-13 Overzicht resultaten watervegetatiestructuur. Punt 1 2 Datum 31--07--2012 31--07--2012 Omschrijving punt Meersbeek West Meersbeek Oost Gem. breedte vegetatie (m) 2.6 1.35 Planten max. hoogte (m) 1.88 0.85 Planten gem. hoogte (m) 1.4 0.68 % bedekking helofyten 98 95 % water 2 5 % planten drijvend <1 <1 % planten onder water <1 0
-93-
3 31--07--2012 Meersbeek Kwakstraat 0.3 1.6 0.3 <1 99 1 0
Opmerkingen
Hier en daar is nog een beetje water te zien. Drijvend is enkel een beetje kroos. Sporadisch hier en daar planten Callitrische sp. en enkele Mentha aquatica rosetten
De bedekking van oevervegetatie is zeer wisselend over de gehele lengte van dit punt. Dit heeft vooral te maken met de lichtinval die wordt getemperd door de hoge populieren ter plaatse. Daarom zijn bedekkingen geschat in een homogeen stuk met liesgras aan de overkant van de oever. Dit is te bereiken via de dam iets opwaarts van de beek op dit punt. Dit stuk komt ook overeen met de slibdiktemetingen.
Vanwege dit donkere meetpunt (gelegen in een deel van een broekbos) en veel slib te plaatse komen er nauwelijks planten voor. Er staat een enkele gele lis op de oever/in het water die zorgt voor de hoge maximale hoogte. Voor de rest is er alleen sprake van een rand van kroos van plus minus 30 cm. Er is dus totaal geen oever vegetatie in het water. Er staat wel grote brandnetel (Urtica dioica) en wolfspoot (Lycopus europeus) op de oever. Aan de andere kant van de oever is er wel een wat bredere vegetatie van liesgras, maar die plek is onbereikbaar.
Tabel 7-13 en Tabel 7-14 laten zien dat punt 1 als enige een submerse vegetatie laat zien, alhoewel dit qua bedekking nauwelijks iets voorstelt. Met name de diversiteit in emergente vegetatie is op punt West het grootst, terwijl die op de punten Oost en Kwakstraat slechts uit 3 soorten bestaat waarvan de eutrofe soort Glyceria maximia verreweg de belangrijkste is. Als drijvende plantensoort is alleen kroos (Lemna minor) waargenomen op de punten West en Kwakstraat. De hoeveelheid planten abundant op de oever is het grootst voor de punten 2 en 3, Oost en Kwakstraat. Maar hier moet benadrukt worden dat er niet echt erg streng een duidelijke grens afgebakend is tijdens de opnames. Bovendien is de opname van punt 3 inclusief bomen en stuiken en enkele bosplanten waardoor het aantal soorten ook hoger uitvalt. Tabel 7-14 Overzicht plantensoorten Meersbeek per punt. Data zijn afkomstig van veldprotocollen voor de bepaling van de BBI (Zie Bijlage X). Punt 1 2 3 Datum ? ? ? Omschrijving punt Meersbeek West Meersbeek Oost Meersbeek Kwakstraat Submerse vegetatie: <33% bedekking Afwezig Afwezig Plantensoorten: Callitrische sp. Mentha aquatica Emergente vegetatie: <33% bedekking <33% bedekking <33% bedekking Plantensoorten: Carex acuta Glyeria maxima Glyeria maxima Glyceria maxima Iris pseudocorus Iris pseudocorus Iris pseudocorus Juncus effusus Rorippa amphibia Juncus effusus Lycopus europeus Mentha aquatica Phragmites australis Rorippa amphibia Sparganium erectum Typha latifolia Drijvende vegetatie <33% bedekking <33% bedekking Afwezig Plantensoorten: Lemna minor Lemna minor
-94-
Abundatie op de oever nvt Plantensoorten: Cardamine pratensis Carex acuta Equisetum palustre Juncus effusus Lycopus europeus Mentha aquatica Myosotis sp.
Opmerkingen
nvt Agrostis stolonifera Carex otrubae Cirsium arvense Equisetum palustre Filipendula ulmaria Glyceria fluitans Glyceria maxima Juncus effusus Lycopus europeus Mentha aqautica Phalaris arundinacea Ranunculus ficaria Ranunculus repens Rumex obtusifolius
nvt Alnus glutinosa Filipendula ulmaria Fraxinus excelsior Geum urbanum Juncus effusus Mentha aqautica Ranunculus repens Ribes rubrum Rubus sp. Rumex obtusifolius Salix alba Salix cinerea Symphytum officinale Urtica dioica Valeriana officinalis
Overgang van planten op oever naar emergente toestand is onduidelijk.
Conclusie: Doorzicht meten met een Secchi-schijf is niet zeer nauwkeurig, maar geeft min of meer een beeld en/of trends aan voor de helderheid van het water. Hier moet benadrukt worden dat dit uiteraard slechts een momentopname is. In ieder geval kunnen de meetpunten in deze studie met elkaar worden vergeleken. Duidelijk is te zien dat er een relatieve toename is in de doorzicht stroomafwaarts: het punt West heeft een lager doorzicht dan punt oost, en oost heeft weer een lager doorzicht dan het punt Kwakstraat. Deze trend is des te opvallender doordat de punten 2 en 3 juist minder lichtinval hebben dan punt 1 vanwege het bladerdek van bomen erboven. Punt West is volledig vrij van bomen. Opmerkelijk is toch dat op deze twee punten de helderheid, relatief gezien, groter is dan bij punt 1. Het lager doorzicht op punt West kan (mede) veroorzaakt worden door de (veel) hogere stroomsnelheid op dit punt waardoor meer slib/deeltjes in de waterkolom aanwezig is. Ook zal het omleiden van het beekwater door het helofytenfilter (c.q. het wegvangen van zwevende deeltjes) wellicht ervoor kunnen zorgen dat de helderheid licht is verbeterd. Over het algemeen kan worden gesteld, vooral in het geval van vijvers, dat bij een doorzicht van minder dan 1 meter er (nog) steeds sprake is van eutrofe omstandigheden. Gezien deze algemene richtlijn is het evident dat de 3 meetpunten hier als eutroof kunnen worden beschouwd . Dit komt ook overeen met de vegetatie op deze drie punten die zeer productief is en uitsluitend bestaat uit eutrofe hoog productieve soorten. Punt Oost en punt Kwakstraat hadden ongeveer dezelfde stroomsnelheid, maar verschillen sterk van Punt West dat een veel hogere stroomsnelheid liet zien. Dit verschil kan vooral worden verklaard doordat de waterstroomsnelheid voor punt West niet of nauwelijks wordt gehinderd door vegetatie of andere beekobstructie (betonnen buizen en bruggen), terwijl dit wel (sterk) geldt voor de twee andere punten. Ook zou het kunnen zijn dat het helofytenfilter sterk de stroomsnelheid verminderd op de punten Oost en Kwakstraat aangezien het debiet (verplaatsing van water) wel eens minder zou kunnen in het traject na -95-
het helofytenfilter. Het is zeer de vraag of de slibkolom gemeten op de punten de oorzaak is van het verschil in stroomsnelheid, aangezien in punt West de sliblaag ook aanzienlijk is.
-96-
7.5 Kartering van de natuurstreefbeelden (Keuzemeersen) Dit onderdeel wordt separaat aangeleverd.
7.6 Vegetatieopname in permanente kwadraten (Keuzemeersen) Dit onderdeel wordt separaat aangeleverd.
-97-
7.7 Bepaling soortensamenstelling aquatische macrofauna (Meersbeek) In Tabel 7-15 staat de bepaling van de Biogische Biotische Index (BBI) per meetlocatie. Meersbeek West scoort het hoogst met een 7 en bezit ook de meeste taxa en de grootste klasse frequentie vergeleken bij de andere twee punten, Meersbeek Oost punt 2 en punt 3. Dit laatste punt is het punt bij de stenen brug aan de Kwakstraat nr. 21. Voor de ligging van de meetlocaties zie Afbeelding 6-1. Tabel 7-15 Bepaling van de BBI per meetlocatie. Meersbeek Oost punt 3 = stene brug Kwakstraat nr. 21
Aantal taxa (> 2 individuën) : Laagste score tolerantieklasse : Klasse frequentie Score :
Meersbeek - West - Punt 1 16
Meersbeek - Oost - Punt 2 10
Meersbeek - Oost - Punt 3 6
4 >2 7
(Mollusca) 4 1 5
4 1 5
In Tabel 7-16 staat de Multimetric Macroinvertebrate Index Flanders (MMIF) per meetlocatie. Hierbij scoort Meersbeek het hoogst; de (water) kwaliteit kan beoordeeld worden als matig, terwijl de andere twee punten als slecht kunnen worden beoordeeld. Meersbeek punt 2 heeft daarbij een net iets hogere score dan bij meersbeek punt 3 en de kwaliteit is in die zin iets minder slecht t.o.v. punt 3. Tabel 7-16 Bepaling van Multimetric Macroinvertebrate Index Flanders (MMIF) per meetlocatie
Tax EPT NST SWD MTS Sum of Score MMIF Quality class
Meersbeek - Meersbeek - Meersbeek West - Punt 1 West - Punt 1 Oost - Punt 2 Value Score Value 22.0 3 15.0 0.0 0 0.0 4.0 2 1.0 2.5 3 2.1 4.5 3 3.9 11 0.6 Moderate
Meersbeek Oost - Punt 2 Score 2 0 1 3 2 8 0.4 Poor
Meersbeek Oost - Punt 3 Value 13.0 0.0 1.0 1.1 3.6
Meersbeek Oost - Punt 3 Score 2 0 1 2 2 7 0.35 Poor
In Tabel 7-17 is de bepaling van de Shannon-Weaver index opgenomen per meetlocatie. De Shannon-Weaver index is een diversiteitsindex en representeert een kwantitatieve meting van de hoeveelheid types (bijv. soorten) in een dataset en tegelijkertijd ook de hoeveelheid individuen binnen deze types. De waarde van een diversiteitsindex stijgt wanneer het aantal van types (in het geval van deze studie ‘soorten’ van macro invertebraten) en wanneer de ‘eveness’ stijgt. Eveness is de term die gebruikt voor de gelijkheid van het aantal (waargenomen) individuen per soorten. Voor een gekend aantal types de waarde van een diversiteitsindex is maximaal wanneer alle types gelijk aanwezig zijn. Voor Meersbeek laat punt West de hoogste index zien t.o.v. punt 2 en 3. Meersbeek West bezit dus de meeste -98-
soorten en (gemiddeld) de meeste exemplaren per soort. Meetlocatie punt 2 laat weer een hogere diversiteitsindex zien dan punt 3, wat een zeer lage diversiteitsindex heeft. Een lijst van alle gedetermineerde soorten per meetlocatie is opgenomen in Bijlage x. In deze lijst staat de groep, taxon, wetenschappelijke en Nederlandse naam, het aantal gedetermineerde exemplaren, geslacht (indien bepaald), het totaal aantal dieren, de tolerantieklasse van BBI en de tolerantiescore MMIF per soort. Tabel 7-17 Bepaling van de Shannon-Weaver index per meetlocatie Meersbeek West - Punt 1 Relatieve abundantie 0.01 0.00 0.00 0.06 0.01 0.08 0.10 0.00 0.01 0.06 0.05 0.12 0.00 0.02 0.01 0.18 0.01 0.06 0.16 0.00 0.00 0.04
Meersbeek West - Punt 1
1
2.51
p.ln(p) -0.04 -0.02 -0.02 -0.17 -0.05 -0.20 -0.23 -0.02 -0.04 -0.17 -0.16 -0.26 -0.02 -0.09 -0.04 -0.31 -0.05 -0.17 -0.29 -0.02 -0.02 -0.12
Meersbeek Oost - Punt 2 Relatieve abundantie 0.08 0.01 0.14 0.06 0.01 0.04 0.03 0.02 0.01 0.01 0.23 0.19 0.17 0.01 0.01
Meersbeek Oost - Punt 2
1
2.13
p.ln(p) -0.20 -0.05 -0.28 -0.17 -0.03 -0.12 -0.10 -0.09 -0.03 -0.03 -0.34 -0.32 -0.30 -0.03 -0.05
Meersbeek Oost - Punt 3 relatieve abundantie 0.17 0.00 0.03 0.00 0.02 0.00 0.04 0.70 0.00 0.00 0.02 0.00 0.01
Meersbeek Oost - Punt 3
1
1.09
p.ln(p) -0.30 -0.02 -0.10 -0.02 -0.08 -0.02 -0.13 -0.25 -0.02 -0.02 -0.08 -0.02 -0.04
Evaluatie bepaling soortensamenstelling aquatische macrofauna (Meersbeek):
Locatie Meersbeek West (dichtbij begin van beek) laat voor alle bepaalde indexen (BBI, MMIF en Shannon-Weaver index ) de hoogste score zien en hieruit kan worden afgeleid dat dit punt de hoogste (water) kwaliteit van de drie meetpunten bezit. Niettemin kan deze score worden gekwalificeerd als ‘matig’, terwijl de ander twee locaties ‘slecht’ scoren. Punt 2 (oost) laat daarbij wel een betere score zien dan punt 3. Bekeken in het licht van de waterkwaliteit metingen (§ 7.2.4.) komen de scores komen hiermee in grote mate overeen. De oppervlaktewaterkwaliteit van punt west is hoger en overschrijd minder normeringen dan in oost (punt 2).
-99-
Referentielijst 1. 2.
3. 4. 5. 6.
7. 8.
9.
10.
11.
12.
Alblas, Wilfred and Kes, Cor. De zwarte stern in Rijnwoude. (1998). Rapport. Armstrong, J., Armstrong, W., & Van der Putten, W.H. (1996). Phragmites die-back: Bud and root death, blockages within the aeration and vascular systems and the possible role of phytotoxins. New Phytologist 133, 399-414. Beheerdersnetwerk. Helofytenverjonging, verlanding en ganzenvraat in laagveenplassen. (10-11-2009). www.beheerdersnetwerken.nl. Crawford, R.M.M. & Braendle, R. (1996). Oxygen deprivation stress in a changing environment. Journal of Experimental Botany 47, 145-159. De Jong, T. and Verbeek, P. Beschermingsplan groene glazenmaker 2002-2006. (2001). Rapport Everts, F.H. & De Vries, N.P.J. (1991). De vegetatieontwikkeling van beekdalsystemen. Een landschapsoecologische studie van enkele Drentse beekdalen. Historische Uitgeverij Groningen. Fijten, Marina and Fransen, Tim. Aanvraag Kennisbon OBN slotenuitdijing Kogjes- en Lakerpolder. (2009). Rapport Goebel, W. (1996). Klassifikation überwiegend grundwasser-beeinflußter Vegetationstypen. Deutscher Verband für Wasserwirtschaft und Kulturbau e.V. (Hrsg.). Smolders, A.J.P., Lamers,L.P.M., den Hartog,C., & Roelofs,J.G.M. (2003). Mechanisms involved in the decline of Stratiotes aloides L. in The Netherlands: sulphate as a key variable. Hydrobiologia 506, 603-610. Smolders, A.J.P., Lamers, L.P.M., Lucassen, E.C.H.E., Van der Velde, G., & Roelofs, J.G.M. (2006). Internal eutrophication: How it works and what to do about it - a review. Chemistry and Ecology 22, 93-111. Van der Welle, M.E.W., Niggebrugge, K., Lamers, L.P.M., & Roelofs, J.G.M. (2007). Differential responses of the freshwater wetland species Juncus effusus L. and Caltha palustris L. to iron supply in sulfidic environments. Environmental Pollution 147, 222230. Wiessner, A., Kuschk, P., Jechorek, M., Seidel, H., & Kastner, M. (2008). Sulphur transformation and deposition in the rhizosphere of Juncus effusus in a laboratory-scale constructed wetland. Environmental Pollution 155, 125-131.
-100-
8 BIJLAGES Bijlage 1 Analyseverslagen water Bijlage 2 Soortenlijst BBI Bijlage 3 Berekende gemiddelden van de geregistreerde waterpeilen per meetjaar en per meetlocatie Bijlage 4 Tijdstijghoogtelijnen per meetjaar Bijlage 5 Fotoreportage geïnventariseerde percelen Bijlage 6 Overzichtstabel opnames met bedekkingen en ecologische evaluatie van de geïnventariseerde plantensoorten tijdens de gebiedsdekkende vegetatiekartering Bijlage 7 Resultaten ASSOCIA-analyse van opnames gebiedsdekkende vegetatiekartering Bijlage 8 Overzichtstabel typologieën en oppervlakte per type van de gebiedsdekkende vegetatiekartering Bijlage 9 Ecotooptypologie opnames gebiedsdekkende vegetatiekartering Bijlage 10 Fotoreportage PQ’s Bijlage 11 Overzichtstabel opnames met bedekkingen en ecologische evaluatie van de geïnventariseerde plantensoorten in de PQ’s Bijlage 12 Resultaten ASSOCIA-analyse van de PQ-opnames
-101-
Bijlage 1 Analyseverslagen water
-102-
-103-
-104-
-105-
-106-
-107-
-108-
-109-
Bijlage 2 Soortenlijst BBI
Meersbeek
Groep Oligochaeta Hirudinea Mollusca
Taxon Tubificidae Theromyzon Helobdella Bithynia Bathyomlphamlus Valvata Segmentina Anisus Planorbarius Sphaerium Pisidium
Meersbeek - West - Punt 1 N 51° 1' 39.60" E 3° 37' 35.46"
Specimen (Wetenschappelijke naam Tubifex spec. Theromyzon tessulatum Helobdella stagnalis Bithynia tentaculata Bathyomlphamlus contortus Valvata cristata Segmentina nitida Anisus vortex Planorbarius corneus Sphaerium corneum Pisidium spec.1
Nederlandse naam
Grote diepslak Riempje Platte pluimdrager Glanzende schijfhoren Draaikolkschijfhoren Posthorenslak Gewone hoornschaal Erwtenmossel spec.1
2 1 1 16 3 21 25 1 2 15 14
-110-
2 1 1 16 3 21 25 1 2 15 14
6
4 4 4 4 4 5 5
Tolerantiescore MMIF
Waterloop :
Staalnameplaats : Coördinaten : x : y:
Tolerantieklasse BBI
Dimitri Van Pelt
12/04/2012
Totaal #
Naam onderzoeker :
Datum oplevering determinatie :
# getelde
BBI 2012-001
# gedetermineerd
Registratienummer :
Geslacht (indien bepaald)
Determinatieformulier
1 4 4 5 5 6 6 5 5 4 4
Diptera Lepidoptera Heteroptera
Crustacea
Coleoptera
Odonata
Rups (landdier) Gewone duikerwants Platte waterwants Gewone sigaar Oostelijke sigaar
Kleine ruggelaar Grote ruggelaar Waterroofkever Grote keizerlibel Lantaarntje
Determinatieformulier Registratienummer :
BBI 2012-002
Naam onderzoeker :
Dimitri Van Pelt
Datum oplevering determinatie :
08/04/2012
Staalnameplaats :
Meersbeek - Oost - Punt 2
-111-
2m/4v 13m/8v 8m/17v
7m/17v 7m/9v 1v
x 31 1 x 6 2 21 25 3 1 15 24 16 1 1 9 257
Tolerantiescore MMIF
Tolerantieklasse BBI
Corixa punctata Ilyocoris cimicoïdes Sigara striata Sigara iactans Crangonyx pseudogracilis Proasellus coxalis Asellus aquaticus Noterus crassicornis Noterus clavicornis Dytiscidae (larve) spec. Anax imperator Ischnura elegans
1 31 1 3 6 2 21 25 3 1 15 24 16 1 1 9
Totaal #
Corixa Ilyocoris Sigara Sigara Crangonyctidae Asellidae Asellidae Noteridae Noteridae Dytiscidae Anax Ischnura
Nederlandse naam Barnsteenslak (landdier)
# getelde
Specimen (Wetenschappelijke naam Succinea putris Chironomus non-thummi-plumosus Chironomus thummi-plumosus
Geslacht (indien bepaald)
Taxon Succinea Chironomidae Chironomidae
# gedetermineerd
Groep
-
3 2
5 5 5
5 5 5
4
4 4
5 -
4
5 5 6 6 99
Diptera
Heteroptera Crustacea Coleoptera
Sigara striata Asellus aquaticus Noterus crassicornis Noterus clavicornis Acilius sulcatus Rhantus suturalis Nartus (Rhantus) grapii Hydroporus palustris Coelambus impressopunctatus
Riempje Barnsteenslak (landdier) Ovale poelslak
larve/pop pop Gewone sigaar Kleine ruggelaar Grote ruggelaar Grote gegroefde waterroofkever Gewone slijkzwemmer
-112-
13 2 24 10 1 1 6 5 4 1 1 39 28 4 3 4 1 19 1
1m 15m/13v 2m/2v 2m/1v 2m/2v 1m 10m/9v
Totaal # 13 2 24 10 x 1 6 5 4 1 1 39 28 4 3 4 1 19 1
Tolerantiescore MMIF
Helobdella stagnalis Bathyomphalus contortus Succinea putris Radix ovata Chironomus non-thummi-plumosus Chironomus thummi-plumosus
Nederlandse naam
# getelde
Specimen (Wetenschappelijke naam Tubifex spec.
N 51° 1' 38.55" E 3° 37' 14.35"
Tolerantieklasse BBI
Hirudinea Mollusca
Taxon Tubificidae Lumbriculidae Helobdella Bathyomphalus Succinea Lymnaea Chironomidae Chironomidae Tabanidae Culicidae Sigara Asellidae Noteridae Noteridae Dytiscidae Dytiscidae Dytiscidae Dytiscidae Dytiscidae
Coördinaten : x : y:
Geslacht (indien bepaald)
Groep Oligochaeta
Meersbeek
# gedetermineerd
Waterloop :
6 5 4
1 2 4 5
6 -
5
-
5 3 2 3 3 5 4 5 5
Determinatieformulier Registratienummer :
BBI 2012-003
Naam onderzoeker :
Dimitri Van Pelt
Waterloop :
Meersbeek
Datum oplevering determinatie : Staalnameplaats : Coördinaten : x : y:
11/04/2012 Meersbeek - Oost - Punt 3 N 51° 1' 33.93" E 3° 37' 52.87"
-113-
Tolerantiescore MMIF
1 2 169
Tolerantieklasse BBI
larve
1 2
Totaal #
Nederlandse naam
# getelde
Specimen (Wetenschappelijke naam Helochares lividus Scirtes spec.
Geslacht (indien bepaald)
Taxon Hydrophylidae Scirtidae
# gedetermineerd
Groep
-
5 7 59
Hirudinea Mollusca Diptera
Hymenoptera Crustacea Coleoptera
Asellidae Noteridae Dytiscidae Dytiscidae
Helobdella stagnalis Glossiphonia complanata Bathyomphalus contortus Planorbis planorbis Chironomus non-thummi-plumosus Chironomus thummi-plumosus pop pop larve landdier Asellus aquaticus Noterus crassicornis Rhantus suturalis Hyphydrus ovatus
Riempje Gewone schijfhoren
Kleine ruggelaar Gewone slijkzwemmer
-114-
44 1 7 1 5 1 10 177 4 1 1 1 5 1 1 1
(extrapolatie poppen =>)
1v 1v
4
44 1 7 1 5 1 10 181 x 1 1 x 5 1 1 1 260
6 5 4 6
Tolerantiescore MMIF
Tolerantieklasse BBI
Totaal #
Nederlandse naam
# getelde
Specimen (Wetenschappelijke naam Tubifex spec.
Geslacht (indien bepaald)
Taxon Tubificidae Lumbriculidae Helobdella Glossiphonia Bathyomphalus Planorbis Chironomidae Chironomidae Chironomidae Psychodidae Tipulidae
# gedetermineerd
Groep Oligochaeta
1 2 4 4 5 6 3 2 3 3
-
4 5 5 47
Bijlage 3 Berekende gemiddelden van de geregistreerde waterpeilen per meetjaar en per meetlocatie
Peilmetingen grondwaterstand (cmTAW) LMNP001 LMNP002 X X Berekening 2de meetjaar 27 januarie 2008 - 27 januarie 2009 Jaarlijks gemiddeld waterpeil (GPt) Jaarlijks gemiddeld hoogste waterpeil (GHPt): Jaarlijks gemiddeld laagste waterpeil (GLPt): Jaarlijks gemiddeld voorjaarswaterpeil (GVPt): (18/03/2008 t/m 15/04/2008) Jaarlijks maximum waterpeil (gemiddelde van de 45 hoogste peilen) Jaarlijk minimum waterpeil (gemiddelde van de 45 laagste peilen) Jaarlijkse gemiddelde fluctuatie of amplitude (GFt):
LMNP003 LMNP004 X X
LMNP005 X
LMNP102 X
LMNP104 X
LMNP105 X
629.6 666.4 572.3
623.1 664.6 585.4
626.7 663.5 585.0
625.3 669.5 578.0
622.1 662.1 569.7
626.1 660.1 586.7
626.6 668.2 580.4
623.8 661.1 576.0
652.2
632.6
638.1
642.4
629.1
646.4
642.4
634.1
668.8 570.6 98.2
671.2 582.2 89.0
670.1 583.5 86.6
675.4 575.4 100.0
665.0 565.7 99.3
666.0 585.7 80.3
673.7 577.6 96.1
664.9 573.2 91.7
Berekening gemiddelden 6de meetjaar 27 januarie 2012 - 27 januarie 2013 Jaarlijks gemiddeld waterpeil (GPt) Jaarlijks gemiddeld hoogste waterpeil (GHPt): Jaarlijks gemiddeld laagste waterpeil (GLPt): Jaarlijks gemiddeld voorjaarswaterpeil (GVPt): 18/03/2012 - 15/04/2012 Jaarlijks maximum waterpeil (gemiddelde van de 45 hoogste peilen) Jaarlijk minimum waterpeil (gemiddelde van de 45 laagste peilen) Jaarlijkse gemiddelde fluctuatie of amplitude (GFt):
660.3 668.2 649.8 NA 677.6 634.8 42.8
622.2 646.9 583.8 627.0 655.7 571.9 83.8
633.0 657.4 588.5 633.5 666.7 577.3 89.4
631.7 663.4 582.9 629.2 674.1 440.5 233.6
630.8 654.7 582.8 635.3 668.7 571.3 97.4
629.9 655.5 593.0 633.6 667.6 532.7 134.9
626.4 663.0 567.3 628.7 675.1 556.0 119.1
628.0 654.2 581.9 630.9 662.7 490.1 172.6
Afwijking 2de en 6de meetjaar 27 januarie 2008/2012- 27 januarie 2009/2013 Jaarlijks gemiddeld waterpeil (GPt) Jaarlijks gemiddeld hoogste waterpeil (GHPt): Jaarlijks gemiddeld laagste waterpeil (GLPt): Jaarlijks gemiddeld voorjaarswaterpeil (GVPt): Jaarlijks maximum waterpeil
30.6 1.8 77.5 NA 8.8
-0.9 -17.7 -1.6 -5.6 -15.5
6.3 -6.1 3.5 -4.6 -3.4
6.4 -6.1 4.9 -13.2 -1.3
8.7 -7.4 13.1 6.2 3.7
3.8 -4.6 6.3 -12.8 1.6
-0.3 -5.2 -13.1 -13.8 1.4
4.2 -6.9 5.9 -3.2 -2.2
-115-
Peilmetingen grondwaterstand (cmTAW)
Jaarlijk minimum waterpeil Jaarlijkse gemiddelde fluctuatie of amplitude (GFt):
LMNP001 LMNP002 X X 64.2 -10.3 -55.4 -5.2
-116-
LMNP003 LMNP004 X X -6.2 -134.9 2.8 133.6
LMNP005 X 5.6 -1.9
LMNP102 X -53.0 54.6
LMNP104 X -21.6 23.0
LMNP105 X -83.1 80.9
Bijlage 4 Tijdstijghoogtelijnen per meetjaar
-117-
-118-
-119-
-120-
-121-
-122-
-123-
-124-
-125-
-126-
-127-
-128-
Bijlage 5:
fotoreportage geïnventariseerde percelen
Zone 1
01-06-2012 Zone 2
25-06-2012
-129-
Zone 3
25-06-2012 Zone 4
30-05-2012
-130-
Zone 5
30-05-2012 Zone 6
23-06-2012
-131-
Zone 7
23-06-2012 Zone 8
23-06-2012
-132-
Zone 9
23-06-2012 Zone 10
05-06-2012
-133-
Zone 11
28-06-2012
Zone 12
09-06-2012
-134-
Zone 13
09/06/2012 Zone 14
09/06/2012
-135-
Zone 15
30/05/2012 Zone 16
08/06/2012
-136-
Zone 17
30/05/2012 Zone 18
03/07/2012
-137-
Zone 19
03/07/2012
Zone 20
03/07/2012
-138-
Zone 21
14/06/2012 Zone 22
14/06/2012
-139-
Zone 23
13/06/2012 Zone 24
13/06/2012
-140-
Zone 25
13/06/2012 Zone 26
13/06/2012
-141-
Zone 27
13/06/2012 Zone 28
25/06/2012
-142-
Zone 29
14/06/2012 Zone 30
22/06/2012
-143-
Zone 31
22-06-2012 Zone 32
13/06/2012
-144-
Zone 33
30/05/2012 Zone 34
08/06/2012
-145-
Zone 35
05/06/2012 Zone 36
05/06/2012
-146-
Zone 37
05/06/2012 Zone 38
05/06/2012
-147-
Zone 39
29/06/2012 Zone 40
25/06/2012
-148-
Bijlage 6
Overzichtstabel opnames met bedekkingen en ecologische evaluatie van de geïnventariseerde plantensoorten tijdens de gebiedsdekkende vegetatiekartering
Bijlage 7
Resultaten ASSOCIA-analyse van opnames gebiedsdekkende vegetatiekartering
Bijlage 8
Overzichtstabel typologieën en oppervlakte per type van de gebiedsdekkende vegetatiekartering
Bijlage 9
Ecotooptypologie opnames gebiedsdekkende vegetatiekartering
Deze bijlages worden slechts in electronische vorm aangeleverd
-149-
Bijlage 10:
fotoreportage PQ’s
PQ1
25 juni 2012
25 juni 2012
-150-
PQ2
25 juni 2012
25 juni 2012
-151-
PQ3
29 juni 2012
29 juni 2012
-152-
PQ4
29 juni 2012
29 juni 2012
-153-
PQ 5
03 juli 2012
03 juli 2012
-154-
PQ6
29 juni 2012
29 juni 2012
-155-
PQ7
25 juni 2012
25 juni 2012
-156-
PQ8
03 juli 2012
03 juli 2012
-157-
Bijlage 11
Overzichtstabel opnames met bedekkingen en ecologische evaluatie van de geïnventariseerde plantensoorten in de PQ’s
Bijlage 12
Resultaten ASSOCIA-analyse van de PQ-opnames
-158-
ECOBE 013-R157