Skip to main content

Rapport_terreinverkenning.pdf

Page 1

Ondersteuningsnetwerken Een terreinverkenning September 2019

ONDERWIJSINSPECTIE


COLOFON Samenstelling Onderwijsinspectie Verantwoordelijke uitgever Lieven Viaene, inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel Wettelijk depot D/2019/3241/275 Copyright © Niets uit deze publicatie mag worden gekopieerd of op een andere wijze worden verspreid zonder bronvermelding.


Ondersteuningsnetwerken Een terreinverkenning


Inhoud I.

II.

OPDRACHT EN AANPAK ................................................................................................................................. 5 Opdracht

5

Operationalisering van de opdracht

5

Divisie-overstijgende werkgroep

6

ORIËNTERING OP HET WERKVELD ................................................................................................................. 7 Algemeen

7

Verschillen in inplanting en schaalgrootte

7

Verschillen in aanbod

10

Twee sporen

11

Op het vlak van organisatie

12

Uitgebreide en gevarieerd samengestelde beleidsorganen

12

Keuze voor een regiowerking en gedeeld leiderschap

13

Op het vlak van ondersteuning

14

Een groeiend aantal ondersteuningsvragen

14

De inzet van de ondersteuners

15

Op het vlak van middelen

III.

IV.

15

DE TERREINVERKENNING ............................................................................................................................ 17 Doel

17

Procedure en verloop

17

Bereik

19

Instrumenten, methodiek en registratie

20

Resultaten terreinverkenning

23

Een globaal beeld over alle bouwstenen voor kwaliteit

23

Een diepgaander beeld per thema Organisatie Visie en strategisch beleid Vormgeving van de ondersteuning Samenwerking Personeelsbeleid en professionalisering Kwaliteitsontwikkeling Middelenbeleid

25 25 28 31 36 39 42 44

STERKTES EN GROEIKANSEN VOLGENS DE GESPREKSPARTNERS.................................................................. 47 Op het vlak van organisatie, visie, beleid en kwaliteitszorg

48

—[ 3 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


ONW: focus op de uitbouw van een autonome organisatie op maat van afstandswerkers

48

CLB en PB’s: waardering voor de kwaliteitsvolle uitbouw van de ondersteuningsnetwerken in een korte tijd

49

Op het vlak van personeelsbeleid en professionalisering

49

Coördinatoren en ondersteuners: expertisedeling en -opbouw als sleutelbegrippen

49

Buo-scholen, CLB en PB’s: waardering en uitdaging

50

Op het vlak van de vormgeving van de ondersteuning

50

ONW: de vormgeving van de ondersteuning is een stap in de richting van inclusie

50

Scholen waarderen de ondersteuning als een stap vooruit

52

Op het vlak van samenwerking

53

ONW: het belang en de knelpunten van samenwerking en co-creatie

53

CLB’s en PB’s: het belang van een netoverstijgend geïntegreerd ondersteuningsmodel

54

Bijgestaan door de scholen

54

Tot slot een krachtig signaal aan de overheid Alle gesprekspartners: nood aan transparante regelgeving

55 55

V.

INSPIRERENDE VASTSTELLINGEN ................................................................................................................. 57

VI.

PERSPECTIEF OP HET VERVOLGTRAJECT ...................................................................................................... 59

VII.

Een antwoord op de startvragen

59

Een sterkere beeldvorming

60

De volgende stappen

60

BIJLAGEN..................................................................................................................................................... 61 Bijlage 1: vragenlijst voor de ONW

61

Bijlage 2: Overzicht van de 50 bouwstenen en de selectie per gesprekspartner

63

—[ 4 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


I.

OPDRACHT EN AANPAK

OPDRACHT Met het oog op het uitwerken van een toezichtskader voor de ondersteuningsnetwerken1 (ONW) kreeg de onderwijsinspectie van de minister van onderwijs en vorming de opdracht een referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning uit te werken. Het referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning moet toepasbaar zijn binnen het volledige ondersteuningsmodel (OM), dus voor zowel de ondersteuning kleine als brede types. Naast het creëren van een gezamenlijke taal over kwaliteitsvolle ondersteuning kan het referentiekader een aanvulling vormen op mogelijke onduidelijkheden binnen de regelgeving en als hefboom voor kwaliteitsontwikkeling fungeren. In het ontwikkelingstraject moet er specifieke aandacht gaan naar de betrokkenheid van ouders en is er een inbreng van relevante partners: ondersteuningsnetwerken, expertisenetwerken/expertisescholen, scholen gewoon en buitengewoon onderwijs, centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s) en pedagogische begeleiders (PB’s). In cocreatie met relevante stakeholders ontwikkelde de onderwijsinspectie al drie referentiekaders: het OK voor onderwijskwaliteit, het RclbK voor kwaliteit in de CLB’s en het RIK voor een kwaliteitsvolle internaatwerking. Momenteel loopt er een ontwikkelingstraject voor een referentiekader NAFT (naadloos flexibel traject).

OPERATIONALISERING VAN DE OPDRACHT Anders dan voor de overige referentiekaders is er weinig bronnenmateriaal voorhanden, biedt de regelgeving weinig houvast en is het werkgebied van de ONW ons onbekend. Daarom doorlopen we een aangepast traject:

1

Zie artikel 172, § 9 van het decreet basisonderwijs en artikel 314/8, §9 van de codex secundair onderwijs

—[ 5 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


2018-2019

2019-2020

•Startvragen •Hebben we nood aan een apart referentiekader voor een kwaliteitsvolle ondersteuning? •Wat is passend vanuit de bestaande referentiekaders: OK, RclbK, RiK, NAFT (in wording)? •Hoe kunnen we zicht krijgen op een nieuw, gevarieerd en onbekend werkgebied in transitie? •Aanpak •Data-analyse: kwantititief en kwalitatief •Literatuurverkenning: beleidsonderzoek, toezichtsen referentiekaders, regelegving, internet ... •Terreinverkenning: ONW + partners

•Terreinverkenning ondersteuning kleine types •Literatuurstudie •Opstart referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning in cocreatie

DIVISIE-OVERSTIJGENDE WERKGROEP Om de opdracht uit te voeren werd binnen de onderwijsinspectie een divisie-overstijgende werkgroep samengesteld. Deze werkgroep bestaat uit twee inspecteurs buitengewoon basisonderwijs (bubao), één inspecteur buitengewoon secundair onderwijs (buso), twee inspecteurs gewoon basisonderwijs (gbao), één inspecteur gewoon secundair onderwijs (so) en twee inspecteurs CLB. De ondersteuningsnetwerken bevinden zich immers op het kruispunt tussen scholen gewoon en buitengewoon onderwijs en de CLB’s. De werkgroep analyseerde data, voerde een literatuurverkenning uit om zich in het werkveld te oriënteren, bereidde de terreinverkenning bij de ONW en de partners voor en voerde ze uit. De werkgroep volgt ook de ontwikkelingen op het vlak van regelgeving en binnen de Evaluatiecommissie OM op.

—[ 6 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


II.

ORIËNTERING OP HET WERKVELD

In dit luik schetsen we, voorafgaand aan de bespreking van het opzet en de resultaten van de terreinverkenning, een aantal context- en inputgegevens die een impact (kunnen) hebben op de ondersteuning en de manier waarop de ondersteuningsnetwerken zich ontwikkelen. De gegevens zijn gebaseerd op data ter beschikking gesteld door Agodi en door de ONW.

ALGEMEEN Verschillen in inplanting en schaalgrootte Het aantal ONW verschilt per provincie. Vlaanderenbreed zijn er acht openbare ONW en zestien vrij gesubsidieerde ONW:

Provinciale verdeling ONW (N = 24) 10 9 8 7

4

6 5 4 3 2 1

1 1

1 5

4

3

3

1 1

0 West-Vlaanderen

Oost-Vlaanderen

Antwerpen vrij

Brabant

Limburg

openbaar Figuur 1 Verdeling van de ONW over de provincies

De ONW hebben een verschillende schaalgrootte. Terwijl het ene ONW 36 scholen ondersteunt, biedt een ander ONW-ondersteuning aan meer dan een tienvoud. De ONW gerangschikt van het kleinste naar het grootste aantal scholen levert volgend beeld op:

—[ 7 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Spreiding scholen regulier onderwijs over de ONW (N = 24) van klein naar groot

500 400

381 300

311 311

200 100 36 47 51 64 70 75 77 79

148 159 162 164 130 132 139 146 126 102 103 109

195

0 1

2

3

4

5

6

7

8

9

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 Figuur 2 Spreiding scholen gewoon onderwijs over de ONW

Ook de verhouding basisscholen versus secundaire scholen varieert. Waar in het ene ONW het aandeel basisscholen net geen 60% bedraagt is dat in een ander 95%:

Verhouding bao versus so (N = 24) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

2

53

27

42

82

61

2

16

98 42 52 50 43

34

248

1

46 71 51

25

3

80 124 108

52

4

5

6

7

8

63

9

213 90 96 96 121

11

24

44

39

59

106 63

95

84 37 22

9

297 125

42

53

22 14

42 33

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 bao

so Figuur 3 Verhouding bao versus so

11 ONW werken samen met in totaal 44 scholen buiten het eigen net of met erkende niet gesubsidieerde scholen. Volgens de gegevens van Agodi, zijn dertien scholen niet aangesloten bij een ONW. Het gaat om zes Franstalige basisscholen, één kleuterschool, de enige onderwijsverstrekker voor buitengewoon onderwijs in de Joodse gemeenschap, enkele buo-scholen type 6 en 4 en een ziekenhuisschool.

—[ 8 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


De spreiding van het aantal buo-scholen per ONW verschilt:

Spreiding van het aantal buo-scholen per ONW (N = 24) van klein naar groot 35 30 30 28

25 20 20

19 15 15 15 10 5 4

5

6

7

7

4

5

8

8

8

6

7

8

10

9

11

12 12 12

16 16

13 13

0 1

2

3

9

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 Figuur 4 Spreiding buo-scholen over de ONW

Het aantal bubao-scholen versus buso-scholen varieert per ONW van 50 tot 78%:

Verhouding bubao versus buso (N = 24) 100% 90% 80%

5 5

5

3

3

5 5

3 7

2 11

5

4 5

4

6

2

6

10

5

2 2 3

2

70% 60% 50% 40% 30%

14 8

10

5

5

11 7

5 8

5 17

7

7 5

7

8

3

10 20

15

7 4 4

2

20% 10% 0% 1

2

3

4

5

6

7

8

9

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 bubao

buso Figuur 5 Verhouding bubao- versus buso-scholen

—[ 9 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


De verhouding tussen het aantal buo-scholen dat ondersteuning kan bieden en het aantal ontvangende scholen, verschilt van een op vijf tot een op twintig:

Scholen gewoon onderwijs versus buo-scholen (N = 24) 47

4

70 64 51

23 21

5 6 7 148 8

79 36 8 77 75

19

7

8 9 146 10 130 11 102 12 132 12 126 12 164 13 109 13 159 15 103 15 139 16 195 311 162 20 311

17 15 13 11 9 7 5 3

16 19 28 381

1 0

50

100

150

200

30 250

scholen gewoon onderwijs

300

350

400

450

buo-scholen

Figuur 6 Scholen gewoon onderwijs versus buo-scholen per ONW

Verschillen in aanbod Per ONW verschilt het aantal types buo. Slechts drie ONW hebben buo-scholen van alle types in hun werkgebied. Type 5 buiten beschouwing gelaten, zijn er negen ONW met een aanbod over alle types. Het gaat dan om vijf vrije ONW (op een totaal van zestien) en vier openbare ONW (op een totaal van acht). Types buo-scholen aangesloten bij ONW (N = 1047) 207

30

178

25

107 28 16 12

20 15

24 23 24 18

10

60

6

type BA

type 9

type 8

type 7

type 6

type 5

250

type 4

200

type 3

150

type 2

100

13

0 197

50

11

5

112 130 0

24 24 24

type 1

Basisaanbod type 9 type 8 type 7 type 6 type 5 type 4 type 3 type 2 type 1

Aanbod gespreid over ONW (N = 24)

Figuur 7 Aanbod buo gespreid over de ONW

—[ 10 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


De type 5-scholen die in principe buiten de ONW vallen, nemen een specifieke plaats in. Er zijn dertien buo-scholen type 5, twaalf van hen zijn aangesloten bij een ONW, gespreid over zes ONW.

Twee sporen Het ondersteuningsmodel bevat twee sporen: de ondersteuningsnetwerken die instaan voor de ondersteuning van de brede types: type basisaanbod (BA), type 3, 9 en 7 (spraak- en taalstoornis of STOS). Daarnaast bieden een aantal buo-scholen al dan niet in samenwerkingsverbanden ondersteuning aan voor de kleine types: type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking). Ruim vier op de tien buo-scholen hebben een gemengd profiel. Dat wil zeggen dat zij zowel een aanbod kleine types als brede types hebben. Zij kunnen dus evengoed binnen het ondersteuningsnetwerk als autonoom ondersteuning aanbieden:

Profiel buo-scholen (N = 310) 4% 10%

41% 45%

kleine types

brede types

gemengd

type 5 Figuur 8 Profiel buo-scholen

In de praktijk gaan de ondersteuningsnetwerken verschillend met dit tweesporenmodel om. Negen ondersteuningsnetwerken bieden een dienstverlening aan zowel voor de kleine als voor de brede types. Elf ondersteuningsnetwerken bieden geen ondersteuning voor de types 4, 6 en 7 maar wel voor type 2. In vier andere ONW wordt nog een andere combinatie gemaakt. In één ondersteuningsnetwerk dat een strikte scheiding maakt tussen de kleine en de brede types is type 7 (STOS) reeds overgeheveld naar de aanbieders ondersteuning kleine types als voorafname op de gewijzigde regelgeving per 1 september 2019. Via deze regelgeving wordt een open-end financiering voor de kleine types ingevoerd2.

2

Zie: https://data-onderwijs.vlaanderen.be/edulex/document.aspx?docid=15071

—[ 11 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


OP HET VLAK VAN ORGANISATIE Uitgebreide en gevarieerd samengestelde beleidsorganen Alle ondersteuningsnetwerken beschikken over een beleidsorgaan. Over de 24 ondersteuningsnetwerken heen zijn de beleidsorganen als volgt samengesteld:

Samenstelling beleidsorgaan (N = 24)

13%

20%

10% 4%

13%

7% 13%

20%

vertegenwoordigers bao

vertegenwoordigers so

vertegenwoordigers bubao

vertegenwoordigers buso

vertegenwoordigers PB

competentiebegeleiders

vertegenwoordigers CLB

andere Figuur 9 Samenstelling beleidsorganen

Tussen de ONW onderling zijn er vrij grote verschillen zowel qua grootte als qua samenstelling van het beleidsorgaan. De gemiddelde grootte is 15 leden. Het grootste bestuursorgaan bestaat uit 28 leden, het kleinste uit 3. In het beleidsorgaan zijn de vier co-creatiepartners (scholen gewoon onderwijs, scholen buitengewoon onderwijs, pedagogische begeleidingsdiensten en CLB) niet steeds vertegenwoordigd:

—[ 12 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Samenstelling beleidsorganen (N = 24)

Aanwezigheid cocreatiepartners (N = 24)

30 25 20

3

5

2

1 7

15 10

5

5

19

19

13 21

19

22

23 17 11

5

10; 42%

0 14; 58%

ja

nee

ja

nee

Figuur 10 Samenstelling beleidsorganen

Uit de gesprekken tijdens de terreinverkenning blijkt dat de samenstelling van de bestuursorganen dit schooljaar in vergelijking met vorig schooljaar is veranderd. Vooral bij KOV en OVSG speelden in een aantal ONW de PB’s (zowel competentiebegeleiders als reguliere pedagogische begeleiders) een sleutelrol in de opstartfase om de ON- vorm te geven. In sommige ONW waren de buo-scholen met een sterk GON-verleden of vanuit de waarborgregeling de trekkers. Bij KOV maken de competentiebegeleiders soms nog deel uit van het beleidsorgaan. Bij de andere begeleidingsdiensten is de samenwerking sedert dit schooljaar, met de reductie van het aantal competentiebegeleiders, uitsluitend gericht op de ondersteuningspraktijk. Enkel occasioneel participeren deze competentiebegeleiders nog aan het beleidsoverleg. Over de 24 ONW varieert het aantal competentiebegeleiders dat betrokken is van 0 tot 7 per ONW. De mate van betrokkenheid van de CLB’s bij de ONW is divers: er zijn verschillen tussen de netten en de regio’s. VCLB’s maken meestal deel uit van het beleid van de vrije ONW uitgezonderd in WestVlaanderen. Voor de GO! CLB’s is die betrokkenheid verminderd sinds de vorming van de openbare ONW. Enkel in West-Vlaanderen zijn de GO! CLB’s betrokken bij de uitbouw van de organisatiestructuur van de ONW.

Keuze voor een regiowerking en gedeeld leiderschap Sinds schooljaar 2018-2019 zijn de ONW van OVSG en GO! gefusioneerd tot openbare ONW. Drie van de acht openbare ONW zitten dit eerste schooljaar nog volop in het fusieproces en functioneren in de praktijk als aparte organisaties met een aparte besluitvorming per onderwijsverstrekker. Tijdens de terreinverkenning en in de verwerking van de resultaten, benaderen we deze drie ONW wel als één instelling. —[ 13 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


22 van de 24 ONW organiseren hun werking in (sub)teams. Het gemiddeld aantal (sub)teams over de 24 ONW is 5. De spreiding ziet er als volgt uit:

Aantal (sub)teams per ONW (N = 24) 18 16 16

14 12 10 10 10

8

9 8

6

7 6

4

5

2 1

1

2

2

2

2

1

2

3

4

5

6

5

5

7

6

5

3

3

3

3

3

7

8

9

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24

0

Figuur 11 Spreiding van het aantal (sub)teams over de ONW

Van de 22 ONW met een werking in (sub)teams zijn er 16 per regio samengesteld. 1 ONW kiest voor een opsplitsing per onderwijsniveau en beschikt over een team basis- en een team secundair onderwijs. 5 ONW (vier openbare en één vrij namelijk de kleine onderwijsverstrekkers) maken teams per koepel/net. De 24 ONW hebben in totaal 156,5 coördinatoren aangesteld en investeren samen 118,4 voltijdse equivalenten. Slechts 1 ONW kiest voor 1 coördinator. In alle andere ONW wordt de coördinatie opgenomen door minstens 2 personen. In één ONW zijn er 25 (deeltijdse) coördinatoren aangesteld.

OP HET VLAK VAN ONDERSTEUNING Een groeiend aantal ondersteuningsvragen Bij het begin van het schooljaar bedienden de 24 ONW samen meer dan 18.000 ondersteuningsvragen. In de loop van het schooljaar tot op het moment van de terreinverkenning (april 2019) zijn er ongeveer 6.000 ondersteuningsvragen bijgekomen. De ondersteuningsvragen zijn als volgt over de types verdeeld:

—[ 14 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Verdeling van de ondersteuningsvragen per type (N = 18.672) 1% 2% 2%

9% 24%

9% 13% 40%

type 3

type 7 (STOS)

type 9

type BA (1 en 8)

type 2

type 4

type 6

type 7 (aud)

Figuur 12 Verdeling van ondersteuningsvragen per type

De inzet van de ondersteuners Het aantal ondersteuningsvragen per ondersteuner varieert, onder meer afhankelijk van de tewerkstellingsbreuk, en neemt toe in de loop van het schooljaar. De opgevraagde gegevens tijdens de terreinverkenning geven een indicatie dat een ondersteuner gemiddeld in vier verschillende scholen en voor drie verschillende types wordt ingezet. Verder onderzoek is nodig om hierover betrouwbare gegevens te verkrijgen. Volgens de gegevens van Agodi waren er, op datum van maandag 3 december 2018, 3.028 personeelsleden met een aanstelling in de ondersteuningsnetwerken. Zij vertegenwoordigen 2.460,97 voltijdse equivalenten (VTE). Hier zijn zowel de titularissen als de vervangers inbegrepen. De verdeling van deze personeelsleden over de hoofdstructuren (HS) is als volgt: Aantal voltijdse eenheden titularissen ondersteuningsnetwerken per HS Omschrijving HS Aantal VTE’s hoofdstructuur 121 buitengewoon kleuteronderwijs 88,143 221 buitengewoon lager onderwijs 1458,499 321 buitengewoon secundair onderwijs 712,668 2.259,31

Aantal voltijdse eenheden vervangers ondersteuningsnetwerken per HS Omschrijving HS Aantal VTE’s hoofdstructuur 121 buitengewoon kleuteronderwijs 10,938 221 buitengewoon lager onderwijs 119,283 321 buitengewoon secundair onderwijs 71,442 201,663

OP HET VLAK VAN MIDDELEN De middelen worden over de ondersteuningsnetwerken verdeeld via een 70/30-verdeelsleutel. 70% wordt verdeeld op basis van het totale aantal leerlingen van de scholen voor gewoon onderwijs behorend tot het netwerk, 30% op basis van het gemiddelde aantal leerlingen met een gemotiveerd verslag of (inschrijvings)verslag van de 6 voorbije schooljaren in de scholen voor gewoon onderwijs behorend tot het netwerk. —[ 15 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Er loopt een overgangsperiode van 3 jaar. In het schooljaar 2017-2018 werden alleen de waarborgmiddelen en het extra budget (15 miljoen) via de 70/30-regel verdeeld en behield iedereen hetzelfde budget als de GON-middelen het jaar daarvoor. In het schooljaar 2018-2019 en 2019-2020 worden de GON-budgetten telkens voor 1/3 toegevoegd aan de budgetten die volgens de 70/30-regel verdeeld worden. Commissies met vertegenwoordigers van de onderwijsverstrekkers en de vakorganisaties staan in voor de verdeling van de middelen voor de ondersteuningsnetwerken. Binnen de ondersteuningsnetwerken beschikken de buo-scholen over een autonomie om de middelen te herverdelen en personeel naar mekaar over te dragen. Grosso modo bestaan er over de ondersteuningsnetwerken heen drie modellen: 1. de buo-scholen hevelen de beschikbare middelen over naar één of twee buo-scholen; 2. de middelen worden over alle buo-scholen verdeeld; 3. vooral buo-scholen met een dalend leerlingenaantal krijgen de middelen.

—[ 16 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


III.

DE TERREINVERKENNING

DOEL De terreinverkenning is gericht op een brede beeldvorming van zowel het beleid van het ONW als van de ondersteuning. Hierbij heeft de onderwijsinspectie een dubbel doel voor ogen: een brede beeldvorming van een nieuw, onbekend en gevarieerd werkgebied in transitie (hoe werkt het ondersteuningsnetwerk nu?) en informatie verzamelen voor het opstellen van een referentiekader in ontwerpvorm (wat is wenselijk?) waarover we, in het kader van cocreatie, in debat willen gaan met een breed forum van stakeholders. De terreinverkenning heeft niet als doel om een kwaliteitsmeting te doen. Ze kan geenszins als een nulmeting worden opgevat. De verzamelde gegevens kunnen evenmin op een betrouwbare manier worden gebruikt om uitspraken te doen over de kwaliteit van de ondersteuningsnetwerken. Ze zijn niet gebaseerd op een triangulatie van bronnen en ze zijn evenmin diepgaand onderzocht aan de hand van een vooraf bepaalde of afgesproken normstelling. De verzamelde gegevens laten wel toe om ons een beeld te vormen over hoe de ondersteuningsnetwerken functioneren en bieden een antwoord op de vraag hoe passend de bouwstenen uit de bestaande referentiekaders op dit moment voor de ondersteuningsnetwerken zijn of door de gesprekspartners als passend worden ervaren. We maken een onderscheid tussen wel, deels en niet passend. Passend betekent hier ‘van toepassing’, ‘er gaat aandacht naar’, ‘het ONW is ermee bezig’... Het is geen uitspraak over hoe kwaliteitsvol een bepaald aspect is (zie ook verder 3.4). De terreinverkenning biedt bovendien kansen om de co-creatiepartners kritisch te laten reflecteren over het functioneren van de ONW en de sterktes en groeikansen die ze aangeven in kaart te brengen.

PROCEDURE EN VERLOOP We brachten een werkbezoek van één dag aan alle ondersteuningsnetwerken (N = 24) en voerden dus een populatie-onderzoek uit. Daarnaast organiseerden we provinciale gespreksfora met de CLB’s en de PB’s. Elk gespreksforum nam een dagdeel in beslag. We gaven de gesprekken vorm aan de hand van open vragen in een semigestructureerd interview. Tijdens de werkbezoeken aan de ONW voerden we gesprekken met:  leden van het beleidsorgaan (kortweg het beleid) en de coördinatie van het ONW (135 minuten);  een 15-tal ondersteuners (90 minuten);  een 15-tal vertegenwoordigers van scholen gewoon onderwijs (90 minuten);  een selectie van vertegenwoordigers van buo-scholen - alle types (60 minuten). —[ 17 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Op deze manier bereikten we de vier co-creatiepartners van het ondersteuningsnetwerk: de scholen gewoon onderwijs, de buo-scholen, de CLB’s en de pedagogische begeleiders. De ONW selecteerden zelf de gesprekspartners. Doorgaans liep dit vlot. In enkele ONW waren de vertegenwoordigers van de buo-scholen zowel in het gesprek met het beleid als in het gesprek met de buo-scholen aanwezig wat een methodologische beperking vormt (zie verder). We bezorgden de vragen voor het beleid en de coördinatie vooraf. Op die manier zorgden we ervoor dat het gesprek in een veilig klimaat kon verlopen en gaven we de gesprekspartners de kans om zich op het gesprek voor te bereiden. De vragen die we als voorbereiding aan de ONW gaven, zijn opgenomen in bijlage 1. Hoewel we geen specifieke voorbereiding verwachtten, had het merendeel van de beleidsteams een voorstelling van hun ONW voorbereid. De coördinatoren en de ondersteuners hadden een uitgesproken waardering voor het feit dat we met hen in dialoog gingen. Ieder gesprek kende een gelijkaardige opbouw: (1) kennismaking aan de hand van algemene vragen, (2) inhoudelijke uitdieping en (3) het aanduiden door de gesprekspartners van sterktes en groeikansen. In het gesprek met het beleid van het ONW peilden we ook naar suggesties voor het opstellen van het referentiekader. Voor de gesprekken met de ondersteuners, scholen gewoon onderwijs en buo-scholen werkten we naast de open dialoog met een anonieme registratiefiche die tijdens het gesprek individueel werd ingevuld. Op die manier wilden we de perceptie van de individuele gesprekspartners capteren. Waar zinvol en mogelijk vroegen we de ONW relevante documenten ter beschikking te stellen. Het betreft documenten zoals functieprofielen, organogrammen, visieteksten, kwaliteits- en ondersteuningsinstrumenten. Deze documenten kunnen als basis dienen voor een praktijkgerichte literatuurstudie voor het referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning. Het departement Onderwijs en Vorming was vragende partij om te participeren aan de werkbezoeken. In 20 van de 24 werkbezoeken namen leden van het departement deel als observator. Voor de verkennende gesprekken met de CLB’s en PB’s voerden we groepsgesprekken op verschillende locaties. Alle CLB’s en pedagogische begeleidingsdiensten werden gecontacteerd. Beide groepen schreven zich in via SurveyMonkey of via e-mail. Voor de gesprekken met de PB’s mikten we op begeleiders die nauw bij de werking van het ONW betrokken zijn. Voor de PB’s organiseerden we drie gesprekken en dit in Antwerpen, Brussel en Gent. Daarnaast organiseerden we vier gesprekken voor de CLB’S eveneens in Antwerpen, Brussel en Gent maar ook in Brugge omdat het aantal CLB’s in Oosten West-Vlaanderen samen te groot was voor één gesprek.

—[ 18 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


BEREIK We spraken in de 24 ONW in het beleidsgesprek met 196 partners of een gemiddelde van 8 personen per gesprek. Ruim 40% van hen zijn coördinatoren, de anderen zijn leden van het beleidsorgaan of personen die sterk betrokken zijn bij het beleid van het ondersteuningsnetwerk. We ontmoetten 339 ondersteuners wat een bereik vormt van meer dan 10% van het totale aantal ondersteuners. De ondersteuners met wie we in gesprek gingen, zijn verdeeld over 178 leraren en 161 ondersteuners van andere disciplines. 88 van hen zijn nieuw aangeworven en 251 waren eerder of zijn nog werkzaam in het buitengewoon onderwijs. We gingen in gesprek met 297 vertegenwoordigers van scholen, onder wie de kleine helft directeurs. De andere vertegenwoordigers waren doorgaans zorgcoördinatoren of leerlingenbegeleiders. We spraken met 144 vertegenwoordigers van scholen uit het buitengewoon onderwijs waarvan twee derden uit het buitengewoon basisonderwijs en één derde uit het buitengewoon secundair onderwijs. De gesprekspartners waren voor 90% directeurs. In 8 van de 24 gesprekken waren ook directeurs aanwezig zonder ondersteuners in dienst. In de 4 groepsgesprekken met CLB-vertegenwoordigers gingen we in dialoog met 37 directies en 11 medewerkers afkomstig uit 48 CLB’s. Op een totaal van 61 centra vormt dit een bereik van 79%. Met de 3 gesprekken met de PB’s bereikten we in totaal 45 pedagogisch begeleiders waarvan 30 competentiebegeleiders. Zij waren als volgt verdeeld:

Verdeling over de netten (N = 45)

OVSG; 8; 18%

GO!; 10; 22%

KOV; 24; 53%

POV; 3; 7%

KOV

POV

GO!

OVSG Figuur 134 Bereik PB’s per begeleidingsdienst

—[ 19 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Het ging telkens om constructieve gesprekken met een rijke input. De gelijkgezindheid tussen de gesprekspartners van de CLB’s en de PB’s was opvallend (zie verder).

INSTRUMENTEN, METHODIEK EN REGISTRATIE Als voorbereiding op de werkbezoeken analyseerden we de websites van de ONW en ruwe gegevens beschikbaar bij de overheid. Daarnaast vroegen we enkele voor de hand liggende data op bij de ondersteuningsnetwerken zelf. Voor elk gesprek ontwikkelden we een instrument dat zowel de gespreksleidraad als de registratietool omvat. Het instrument voor het gesprek met het beleid en de coördinatie is het meest uitgebreid. Het kreeg inhoudelijk vorm op basis van verschillende bronnen:  de rubrieken, verwachtingen, kwaliteitsbeelden en bijhorende schalen van het OK, RclbK, RIK;  de instrumenten die het Rekenhof gebruikt voor hun onderzoek naar het M-decreet en de zorg in het gewoon onderwijs3;  de onderzoeksvragen van de evaluatiecommissie OM;  de analyse van de websites;  de data-analyse;  de regelgeving. De andere instrumenten zijn afgeleiden van het instrument voor het beleid en de coördinatie. Naar analogie met de referentiekaders OK en RclbK focusten we ons op volgende thema’s:  het beleid en de aansturing van de ondersteuningsnetwerken;  de kwaliteitsontwikkeling;  de organisatie, de inhoud en de vormgeving van de ondersteuningstrajecten;  het personeels- en professionaliseringsbeleid;  de samenwerking met en tussen de scholen voor gewoon onderwijs, de scholen voor buitengewoon onderwijs (buo-scholen), de CLB’s, de pedagogische begeleidingsdiensten en relevante anderen;  de aanwending van de middelen;  de aandacht van de ONW voor resultaten en effecten van de ondersteuning. Voor de 7 thema’s selecteerden we in totaal 50 bouwstenen (zie bijlage 2) op basis van de bestaande referentiekaders voor onderwijskwaliteit (OK) en voor CLB (RclbK) of op basis van de regelgeving en van de beleidsteksten voor het ondersteuningsmodel. De bouwstenen zijn in vraagvorm opgenomen

3

Zie https://www.rekenhof.be/NL/

—[ 20 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


in bijlage 1. Visueel voorgesteld selecteerden we bouwstenen uit de volgende rubrieken van het OK en het RclbK (in paars opgelicht):

De rubrieken die we niet selecteerden uit de referentiekaders RclbK en OK hebben betrekking op de specificiteit voor de onderwijspraktijk in scholen en de leerlingenbegeleiding van CLB’s en zijn met andere woorden niet relevant voor het ondersteuningsmodel. —[ 21 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Daarom detecteerden we voornamelijk voor de thema’s (1) de organisatie, de inhoud en de vormgeving van de ondersteuningstrajecten en (2) de samenwerking met en tussen de scholen voor gewoon onderwijs, de scholen voor buitengewoon onderwijs (buo-scholen), de CLB’s, de pedagogische begeleidingsdiensten en relevante anderen, bouwstenen uit de beleidsteksten en de regelgeving OM (zie bijlage 1). In 3.5.2 worden alle bouwstenen besproken per thema. In het gesprek met het beleid kwam de volledige set van bouwstenen aan bod. De gesprekken met de ondersteuners, scholen gewoon onderwijs en buo-scholen waren minder uitgebreid. Uit de 50 bouwstenen (zie bijlage 2) selecteerden we voor de ondersteuners 14 bouwstenen die betrekking hebben op de vormgeving van de ondersteuning, de samenwerking met de scholen en de manier waarop ze zelf ondersteund worden en kunnen participeren aan het beleid van het ONW. Voor de scholen gewoon onderwijs ging het om 16 bouwstenen over de vormgeving van de ondersteuning, de samenwerking met de ondersteuners, hoe ze geïnformeerd zijn over de werking van het ONW en hun bijdrage aan de kwaliteitsontwikkeling. De buo-scholen spraken we voornamelijk aan op hun werkgeverschap. We legden hen 11 bouwstenen voor die betrekking hebben op het personeelsbeleid, professionalisering, middelenbeleid en participatie aan het beleid van het ONW. Voor de geselecteerde bouwstenen gingen we tijdens de gesprekken na of deze al dan niet passend of van toepassing waren voor het betreffende ondersteuningsnetwerk. Met andere woorden of de bouwsteen in dat specifieke ONW gebeurt en ingang vindt. Op basis van de toelichting door de coördinatoren en de leden van het beleidsorgaan maakten we zelf na het beleidsgesprek een inschatting van het passend karakter van de 50 bouwstenen. Deze inschatting is een weergave van de werking van het ONW en vormt geen beoordeling van de kwaliteit. Tijdens de gesprekken die we met de ondersteuners, de scholen gewoon onderwijs en de buo-scholen voerden, verzamelden we informatie over de aangegeven beperkte selectie uit de 50 bouwstenen en capteerden we hun individuele percepties via een individuele anonieme registratiefiche. Naast het nagaan of een bouwsteen al dan niet passend is, verzamelden we ook relevante opmerkingen die we verwerkten per thema en per bouwsteen. In 3.5.2 geven we hiervan de resultaten weer per thema. Zoals blijkt uit hoofdstuk 2: oriëntering op het werkveld, verschillen de ONW op meerdere vlakken sterk van mekaar. Sommige ONW functioneren (nog) niet als één beleidsgeheel waardoor niet alle bouwstenen aan bod konden komen binnen het gegeven tijdsbestek. Waar dat het geval was, gaven we dit aan met de code ‘knab’ of ‘kwam niet aan bod’. Voor het gesprek met het beleid was dat in slechts 28 van de 1200 uitspraken het geval. —[ 22 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


De ondersteuners gaven in 8 op 3390 gevallen aan dat een bouwsteen voor hen niet van toepassing (nvt) was, voor de scholen was dat in 15 op de 3564 en voor de buo-scholen in 60 op de 1584 keren het geval. Hieronder geven we een globaal beeld over alle bouwstenen en gesprekspartners heen om vervolgens per thema gerichter op een aantal opvallende percepties en vaststellingen in te gaan.

RESULTATEN TERREINVERKENNING Een globaal beeld over alle bouwstenen voor kwaliteit Het globale beeld over het passend karakter van de 50 bouwstenen volgens de onderwijsinspectie voor de 24 ondersteuningsnetwerken ingeschat vanuit de gesprekken met het beleid van de ONW is als volgt:

Passend karakter van de bouwstenen ( N = 1200) 71; 6%

28; 2%

245; 21% 856; 71%

past

past deels

past niet

knab

Figuur 14 Passend karakter bouwstenen: inschatting onderwijsinspectie

Er zijn weliswaar verschillen tussen de ondersteuningsnetwerken maar voor 19 van de 24 ondersteuningsnetwerken is minstens de helft van de bouwstenen passend:

—[ 23 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Globaal beeld (N = 24) 60 50

1

2

3

4

5

7

1 6

9

9

1 8

40

1 1 9

2 9

2 9

4

2

9

15

2 19

7 6 8

30

1 4

1 11

18 25

8

2 13

7 9

1 22

23 20

20

18

10 50

27 24 23 19 15 49 48 47 46 45 43 43 41 41 41 39 39 39 37 33 29 29

9

0 1

2

3

4

5

6

7

8

9

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 past

deels

niet

knab

Figuur 15 Globaal beeld voor de 24 ONW: inschatting onderwijsinspectie

Tijdens de gesprekken met de ondersteuners, scholen gewoon onderwijs en buo-scholen, deden we dezelfde vaststellingen op een beperkte set van bouwstenen. In de perceptie van deze drie groepen gesprekspartners is het merendeel van de bevraagde bouwstenen passend, zoals blijkt uit onderstaande drie figuren:

De perceptie van de ondersteuners (N = 3390) 8; 0% 130; 4%

De perceptie van de scholen (N = 3564) 81; 2%

60; 4% 15; 1% 207; 13%

930; 26%

1123; 33% 2129; 63%

past past niet

De perceptie van de buoscholen (N = 1584)

past deels nvt

2538; 71%

past past niet

past deels nvt

363; 23%

past past niet

954; 60%

past deels nvt

Figuur 16 Globale perceptie ondersteuners, scholen gewoon onderwijs en buo-scholen

Niettemin er verschillen zijn per thema, scoort geen enkel thema lager dan 50%:

—[ 24 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Passend karakter per thema 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

0 19

2 11 30

5 10

5 8

56

26

11 14

49

41

174

129

217

123

102

past

past deels

past niet

5 5 24

62

0 4 19

49

knab

Figuur 17 Passend karakter per thema: inschatting onderwijsinspectie

Op basis van deze globale analyse kunnen we besluiten dat de 50 bouwstenen van toepassing zijn op de ONW. Ook waar de bouwstenen worden gezien als deels of (nog) niet passend voor een bepaald ONW, blijven ze een belangrijke indicator voor de werking en het functioneren van de ONW.

Een diepgaander beeld per thema Per thema brengen we een gedetailleerd kwantitatief beeld samen met een toelichting over de opmerkingen die we vanuit de dialoog met de verschillende gesprekspartners noteerden. Deze opmerkingen geven aanvullende informatie over de werking van de ONW en kunnen als basis dienen om de bouwstenen te verfijnen en bij te stellen of om nieuwe toe te voegen. Waar relevant geven we aan of de aanvullende opmerkingen gemaakt werden vanuit het perspectief van het beleid, de ondersteuners, de scholen gewoon onderwijs of de buo-scholen. Organisatie Bouwstenen Uit de referentiekaders OK en RclbK en de regelgeving selecteerden we negen bouwstenen voor kwaliteitsvol organisatiebeleid: 1. coördinatoren aangesteld met een transparante opdracht; —[ 25 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


2. overlegstructuren voor het realiseren van een coherent beleid; 3. ondersteuningsteams samengesteld op basis van de noden van ondersteuning, deskundigheid en multidisciplinariteit; 4. gestructureerd overleg en/of doeltreffende communicatiekanalen tussen coördinatoren en ondersteuners; 5. ruimte voor overleg, intervisie en expertisedeling tussen de ondersteuners; 6. participatie in de besluitvorming voor ondersteuners; 7. participatie in de besluitvorming van de vier co-creatiepartners; 8. beleidsruimte voor een autonome organisatie; 9. externe communicatie over de werking. Zoals hierboven aangegeven gingen we het passend karakter van de negen bouwstenen bij het beleid (coördinatoren en leden van het beleidsorgaan) na op basis van de toelichting die we kregen en de dialoog die we voerden. Bij de ondersteuners peilden we naar hun perceptie van de mogelijkheden tot intern overleg en betrokkenheid bij de besluitvorming. Bij de scholen gewoon onderwijs en bij de buo-scholen bevroegen we de wijze waarop ze over de werking van het ONW geïnformeerd zijn. Daarnaast gaven de buoscholen hun mening over de mate van betrokkenheid bij de besluitvorming. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners, de scholen voor gewoon onderwijs en de buo-scholen leveren volgend beeld op:

Inschatting onderwijsinspectie op basis van het beleidsgesprek (N = 24)

coördinatoren met transparante opdracht

20

4

overlegstructuren voor coherent beleid

21

3

multidisciplinaire teams volgens noden en…

21

3

21

2 1

overleg en communicatiekanalen intervisie en expertisedeling

22

Interne participatie

1 1

15

6

participatie stakeholders

3

21

beleidsruimte voor autonome organisatie

2

15

communicatie externe partners

6 18

0

past

5

deels

niet

3 3

10

15

1

20

3 25

30

knab

—[ 26 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Perceptie ondersteuners (N = 339) intern overleg en participatie

194 0

50

past

125

100 deels

150 niet

200 nvt

18

250

2

300

350

55

3

400

Perceptie scholen (N = 297) communicatie externe partners

239 0

50

100 past

150

deels

200

250

300

350

niet

Perceptie buo-scholen (N = 144) communicatie externe partners

124

participatie stakeholders

18

81 0

20

40 past

deels

38 60 niet

80

100

24 120

1 1 1 140

160

nvt

Figuur 18 Kwantitatieve analyse bouwstenen organisatie

Er is geen uitgewerkt juridisch kader voor de functie van coördinator. Toch werken in het overgrote deel van de ONW de coördinatoren op basis van een transparante opdracht of een intern uitgewerkt functieprofiel. De meeste ONW investeren in extra coördinatie-uren om de dagelijkse werking van de (sub)teams aan te sturen. Zoals uit de oriëntering blijkt (zie 2.1), zijn in bijna alle ONW meerdere coördinatoren aangesteld. Tussen de coördinatoren onderling bestaat er doorgaans een transparante en efficiënte taakverdeling, zo bleek uit de gesprekken. De meeste ONW voorzien in voldoende overleg om een gezamenlijk coherent organisatiebeleid te voeren over de verschillende (sub)teams heen. De ONW hebben aandacht voor een multidisciplinaire samenstelling van hun (sub)teams. Ze bewaken een spreiding van expertise over de teams. Volgens de coördinatoren en de ondersteuners bestaat er tussen hen doorgaans een open en vlotte communicatielijn. Meestal vindt er wekelijks gestructureerd overleg plaats tussen coördinatoren en ondersteuners. Daarin komt een combinatie van inhoudelijk overleg, praktische afspraken, professionalisering en intervisie aan bod. Niettemin blijft een grote groep van ondersteuners vragende partij voor meer intervisie en expertisedeling en vinden zij, in tegenstelling tot het beleid, de bouwsteen ‘intern overleg’ slechts deels passend. —[ 27 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Uit bovenstaande grafiek blijkt dat de gesprekspartners aangeven dat de helft of meer van de ONW voorziet in transparante en doordachte overlegstructuren waarin ondersteuners participeren in de besluitvorming. Hetzelfde geldt voor de beleidsruimte die coördinatoren en ondersteuners krijgen om samen uit te groeien tot een doeltreffende organisatie. In een aantal ONW gaven de gesprekspartners aan dat de uitgebreide samenstelling van het beleidsorgaan en vooral het gebrek aan samenwerking tussen de bestuursleden, een doeltreffende besluitvorming hypothekeert met een impact tot op de werkvloer. Sommige ONW voorzien, met het oog op een kwaliteitsvolle besluitvorming, in tussenstructuren zoals een stuurgroep of een zorgloket die met een verregaande autonomie het dagelijks bestuur samen met de coördinatoren opnemen. Ze kennen het beleidsorgaan de rol van klankbordgroep toe. In andere ONW wordt hetbb aantal leden van het bestuursorgaan beperkt gehouden. Hierboven (zie 2.1) haalden we al aan dat in de bestuursorganen niet alle co-creatiepartners vertegenwoordigd zijn. Het overgrote deel van de ONW voorziet daarom ook communicatiekanalen en structuren om stakeholders te informeren over en te laten participeren in de besluitvorming. De communicatiekanalen verschillen van ONW tot ONW. 20 van de 24 ONW beschikken over een website. Uit een analyse van de websites voorafgaand aan de terreinverkenning, blijkt dat de informatiewaarde van de websites varieert. Sommige websites zijn bijzonder informatief en stellen documenten ter beschikking. Het grootste deel van de ONW communiceert via nieuwsbrieven of organiseert informatievergaderingen voor de ontvangende scholen. Daarnaast geven de gesprekspartners aan dat in sommige ONW er een open en vlotte communicatie is tussen de coördinatoren en de scholen die gepaard gaat met geregelde face-2-face ontmoetingen. Toch geeft meer dan de helft van de scholen aan dat ze weinig transparant geïnformeerd worden over de werking rechtstreeks vanuit het ONW. Vaak nemen de ondersteuners deze rol op. 3 op 4 van de 144 buo-scholen waarmee we in gesprek gingen, waren bij de opstart van de ondersteuningsnetwerken betrokken. Ruim de helft van de buo-scholen geeft aan momenteel te participeren in de besluitvorming. CLB’s en PB’s die vaak bij de opstart betrokken waren, spelen op vandaag soms een beperktere rol in de besluitvorming (zie 2.1). Waar de PB’s en de CLB’s participeren in het beleidsorgaan, hebben ze doorgaans ook een stem in de besluitvorming. In enkele ONW worden de beslissingen genomen door de buo-scholen die de middelen beheren en is er op beleidsniveau weinig sprake van co-creatie. Visie en strategisch beleid Bouwstenen We selecteerden acht bouwstenen die we in het gesprek met de leden van het beleid en de coördinatoren bespraken: 1. een eigen en richtinggevende visie; —[ 28 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

tot stand gekomen in samenspraak met interne en externe partners; vertaald in een strategisch plan om de visie te realiseren; transparante afspraken en maatregelen met het oog op gelijkgerichtheid; de ondersteuning van de ondersteuners; de aandacht voor leraargerichte, schoolgerichte en leerlinggerichte ondersteuning; het opvolgen van de ondersteuners; het registreren van relevante gegevens.

In het gesprek met de ondersteuners focusten we op de aanwezigheid van transparante afspraken voor gelijkgerichtheid en ondersteunend materiaal. De scholen vroegen we een inschatting te maken van de mate waarin de ondersteuners gelijkgericht werken. Bij de buo-scholen gingen we na of zij samen met het ONW afspraken maken voor het opvolgen van de ondersteuners. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting van de onderwijsinspectie op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners, de scholen voor gewoon onderwijs en de buo-scholen leveren volgend beeld op:

Inschatting onderwijsinspectie op basis van het beleidsgesprek (N = 24) eigen richtinggevende visie

13

samenspraak met interne en externe partners

7

15

plan voor realisatie visie

5

10

transparante afspraken voor gelijkgerichtheid

4

7

4 7

14

8

ondersteuning van de ondersteuners

2

21

aandacht voor lerarengerichte, schoolgerichte en…

3

16

opvolgen ondersteuners

8 21

registratie relevante gegevens

2 1

13 0 past

10

5 deels

10

15

1 20

25

30

niet

Perceptie ondersteuners (N = 339) transparante afspraken voor gelijkgerichtheid en…

103 0

50

past

deels

204 100

150

200

32 250

300

350

400

niet

—[ 29 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Perceptie scholen (N =297) gelijkgerichtheid bij ondersteuners

147 0

50

128 100

past

deels

150 niet

1111

200

250

300

350

nvt

Perceptie buo-scholen (N = 144) afspraken opvolgen functioneren ondersteuners

69 0

past

20 deels

40 niet

45 60

80

25 100

120

5 140

160

nvt

Figuur 19 Kwantitatieve analyse bouwstenen visie en strategisch beleid

Ongeveer de helft van de ONW heeft een visie op hoe ze haar ondersteuning wil vormgeven en heeft de intentie om vanuit deze visie een strategisch beleid uit te bouwen of is daarmee gestart. De meeste ONW zijn nog volop bezig met het uitwerken van een beleidsplan. Uit een rudimentaire analyse van de beschikbare visieteksten van twintig ONW blijkt dat de aandacht voor de drie niveaus van ondersteuning (leerling, leraar en school), ondersteuning op maat en tot op de klasvloer, inzet op professionaliteit, multidisciplinariteit en handelingsgericht werken, kernelementen zijn. Het concept van het ondersteuningsmodel - met name in cocreatie streven naar flexibele multidisciplinair onderbouwde ondersteuning op maat van leerlingen, leraren en scholen met effect tot op de klasvloer, zo kort mogelijk maar zo lang als nodig - kent een breed draagvlak over de ONW heen. Voor diverse ondersteuningsnetwerken vormt dit een goede vertrekbasis voor verdere verfijning. Vanuit de co-creatiegedachte ontwikkelen de ONW hun visie samen met externe partners. Ze consulteren scholen en CLB’s, een enkele keer andere hulpverleningsorganisaties of ze doorlopen een traject met de PB’s of andere externe begeleiders zoals een hogeschool. Een enkel netwerk vertrekt vanuit het referentiekader onderwijskwaliteit voor scholen om zijn visie verder te ontwikkelen. Uit de gesprekken blijkt dat meer dan de helft van de ONW transparante afspraken maakt met het oog op gelijkgerichtheid van de ondersteuning en beschikt over de nodige systemen en structuren om de maatregelen en afspraken te realiseren. Diverse systemen worden daartoe ingezet zoals een vademecum, een groeidocument, online tools... Door hun recente start zitten de ondersteuningsnetwerken nog niet in de fase dat ze de effecten van hun afspraken en maatregelen nagaan. De ondersteuners —[ 30 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


van hun kant geven aan dat er nog ruimte is voor kwaliteitsverbetering. De scholen merken verschillen in aanpak tussen de ondersteuners op. Ze duiden daarbij onder meer op het gebrek aan coachende vaardigheden en maturiteit bij sommige ondersteuners van wie ze een uitgelezen expertise verwachten. De gesprekspartners geven aan dat slechts enkele ONW transparante afspraken maken met de scholen en andere betrokken partners over rollen en taakverdeling aan de hand van de fasen van het zorgcontinuüm. De verschillen in kwaliteit van het zorgbeleid in de scholen speelt de ondersteuningsnetwerken hierbij parten, zo geven coördinatoren en ondersteuners aan. Volgens hen hebben de ONWaandacht voor de verschillende niveaus van ondersteuning (leerling, leraar en school) maar staan ze het verst in het operationaliseren van het leerlingenniveau. De meeste coördinatoren geven aan dat ze ernstige inspanningen leveren om de ondersteuners op te volgen en te ondersteunen. Ze maken tijd om aanwezig te zijn op de werkvloer of staan de ondersteuners via onder meer collegiale consultatie, intervisie, functioneringsgesprekken bij (zie 3.2.5.5). In een aantal ondersteuningsnetwerken wordt deze rol ook opgenomen door de competentiebegeleider(s). Er zijn grote verschillen wat betreft de mate van betrokkenheid en de rollen die de buo-scholen op dit vlak opnemen (zie verder personeelsbeleid: 3.2.5.5). De coördinatoren en de ondersteuners zien het als een uitdaging om een gebruiksvriendelijk, multifunctioneel en onderbouwd registratiesysteem te ontwikkelen. Bijna alle ondersteuningsnetwerken construeren momenteel allerhande tools gaande van aanmeldingssystemen, elektronische agenda’s voor ondersteuners, instrumenten voor registratie van dienstverplaatsingen, documenten voor het registreren van de doelen en de belangrijkste stappen in de ondersteuning… Enkele ONW hanteren een overkoepelend registratiesysteem dat de functies van alle aparte instrumenten verenigt en daarenboven fungeert als meetinstrument. De nood aan monitoring van gegevens is bijzonder groot, zo bleek uit de gesprekken. Het registreren van de relevante gegevens ligt immers aan de basis van kwaliteitsontwikkeling (zie 3.2.5.6). Bovendien is een dergelijk systeem nuttig in functie van de continuïteit van ondersteuning voor leerlingen over de ONW heen. Vormgeving van de ondersteuning Bouwstenen Voor het gesprek met het beleid over de vormgeving van de ondersteuning selecteerden we de volgende twaalf bouwstenen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

een transparante aanmeldingsprocedure voor de scholen; onderbouwde criteria om een ondersteuningsvraag te weigeren; opstart van de ondersteuning binnen een redelijke termijn: een accurate beeldvorming van de leerling en de school; onderbouwde criteria om de intensiteit en de duur van de ondersteuning te bepalen; gebruik van de gemotiveerde verslagen van het CLB; —[ 31 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


7. 8. 9. 10. 11. 12.

inzet van de ondersteuners volgens deskundigheid; afstemming met ouders, leerlingen en school over de vorm en de inhoud van de ondersteuning; geregelde evaluatie en bijsturing; aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij leerlingen; aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij leraren en lerarenteams; hanteren van de principes van handelingsgericht werken.

Met de ondersteuners gingen we in gesprek over de criteria voor toewijzing van ondersteuningstrajecten, over de beeldvorming en de rol van de gemotiveerde verslagen daarbij, over de criteria voor de vormgeving van de ondersteuning, over de afstemming met alle betrokkenen en over de evaluatie en bijsturing van de trajecten met aandacht voor de resultaten. Bij de scholen voor gewoon onderwijs peilden we naar hun mening over de aanmeldingsprocedure, de opstart binnen een redelijke termijn, de accurate beeldvorming, de afstemming met alle betrokkenen, de inzet van de ondersteuners volgens deskundigheid, de evaluatie en bijsturing met aandacht voor de resultaten en over het handelingsgericht werken. Met de buo-scholen gingen we in op de gemaakte afspraken voor het inzetten van de ondersteuners. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners, de scholen voor gewoon onderwijs en de buo-scholen leveren volgend beeld op:

Inschatting onderwijsinspectie op basis van het beleidsgesprek (N = 24) transparante aanmeldingsprocedure

21

2 1

aandacht resultaten leerlingen

21

2 1

aandacht resultaten leraren

10

10

handelingsgericht werken

3

1

23

criteria voor weigering

1

14

planmatige start binnen redelijke termijn

6

2

18

2

6

accurate beeldvorming

23

criteria voor vormgeving

8

1 12

gebruik gemotiveerde verslagen

4

20

inzet ondersteuners volgens deskundigheid

4

18

afstemming alle betrokkenen

6 21

evaluatie en bijsturing

3

20 0

5 past

deels

4

10 niet

15

20

25

30

knab

—[ 32 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Perceptie ondersteuners (N = 339) beeldvorming en gebruik gemotiveerde verslagen

333

criteria voor vormgeving

6

168

152

criteria toewijzing ondersteuning

18

243

afstemming alle betrokkenen

91

275

evaluatie en bijsturing met aandacht resultaten

63

310 0

50

past

deels

100 niet

150

1

41 1 25 4

200

250

300

350

400

nvt

Perceptie scholen (N = 297) transparante aanmeldingsprocedure + weigering aandacht resultaten leerlingen en leraren handelingsgericht werken planmatige start binnen redelijke termijn accurate beeldvorming vormgeving met alle betrokkenen en gemotiveerde… inzet ondersteuners volgens deskundigheid evaluatie en bijsturing

206 176 246 225 213 233 185 224

0

50

past

deels

100 niet

87

3 81 48 3 66 6 77 7 60 4 100 12 66 7

112

150

200

250

300

350

nvt

Perceptie buo-scholen (N = 144) afspraken inzet ondersteuners

85 0

20

40 past

deels

30 60 niet

80

100

25 120

4 140

160

nvt

Figuur 20 Kwantitatieve analyse bouwstenen vormgeving ondersteuning

Uit de gesprekken blijkt dat nagenoeg alle ONW een transparante aanmeldingsprocedure hanteren met duidelijke richtlijnen over welke ondersteuningsvragen al dan niet door het ondersteuningsnetwerk worden opgenomen. De vorm van aanmelden is evenwel verschillend per netwerk: van een mail naar de contactpersoon tot een digitaal platform of zorgloket. Scholen geven de voorkeur aan een éénduidige procedure, ook voor de kleine types. De aanmelding moet type-specifiek gebeuren maar dit bemoeilijkt maatwerk. Een leerling heeft soms meerdere noden dan de specifieke noden eigen aan één type. Sommigen zien ook een contradictie tussen de aanmelding op naam van een leerling en de bedoeling van het ondersteuningsmodel om meer in te zetten op leraar- en teamgerichte ondersteuning. Zoals wettelijk voorzien vormt voor alle ONW het (gemotiveerd) verslag ((G)V) van het CLB de toelatingsvoorwaarde voor ondersteuning. Hierbij uiten de scholen heel wat ongenoegen. Ze —[ 33 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


geven aan dat de criteria die de CLB’s hanteren voor het opmaken van het (G)V niet transparant zijn. Bovendien zorgt de wijze waarop de CLB's zich organiseren voor heel wat vertraging. De kwaliteit van de (G)V ervaren ze als wisselend per medewerker of per CLB. De regelgeving voorziet dat de scholen in het begin maar ook in de loop van het schooljaar ondersteuningsvragen kunnen stellen. De meeste ONW starten de ondersteuning binnen een redelijke termijn op. Sommige ONW hanteren instapmomenten per trimester of werken met wachttijden. In enkele ONW worden na de paasvakantie geen nieuwe ondersteuningstrajecten meer opgestart. De scholen geven aan dat er bij overgangen tussen onderwijsniveaus en bij schoolveranderingen meestal vertraging is om de ondersteuning op te starten. Vaak gaat een nieuwe vraag in de loop van het schooljaar ten koste van de reeds lopende ondersteuningstrajecten in die school. Door het gebrek aan bijkomende middelen worden de lopende ondersteuningen verminderd in intensiteit om nieuwe ondersteuningen te kunnen opnemen. Na de aanmelding volgt een fase van vraagverheldering om de hulpvraag te concretiseren. Alle ONW besteden aandacht aan een accurate beeldvorming. De meesten geven daarbij aan dat ze zowel voor de opvoedings- en onderwijsbehoeften van de leerling als voor de ondersteuningsbehoeften van de leraar en het lerarenteam aandacht hebben. Welke acties er nodig zijn voor een brede beeldvorming is afhankelijk van de casus en in bepaalde gevallen loopt de beeldvorming verder tijdens de ondersteuning. Het (G)V van het CLB en het aanmeldingsformulier vormen doorgaans het uitgangspunt. De ondersteuners geven evenwel aan dat de kwaliteit van de (G)V sterk verschillend is. Tevens zijn de (G)V minder bruikbaar als ze niet recent zijn. De beeldvorming wordt verder aangevuld vanuit verschillende bronnen zoals observaties en gesprekken met de zorgcoördinator/leerlingenbegeleider, leraren, leerlingen, ouders en externe hulpverleners. Doorgaans hebben de ondersteuners ook toegang tot de leerlingendossiers van de leerlingen die ze begeleiden. Meestal wordt de informatie samengebracht in een vorm van startgesprek met alle betrokkenen waarbij de hulpvraag wordt verhelderd en geconcretiseerd met het oog op het vooropstellen van SMART-geformuleerde doelen op leerling-, leerkracht- en teamniveau. Heel wat ondersteuners ervaren het als een uitdaging om de hulpvraag van de school te verfijnen tot enkele afgebakende heldere doelen. Dit startgesprek heeft ook de bedoeling om de ondersteuning af te stemmen met de betrokken leerling, ouders, leraren, zorgcoördinator/leerlingenbegeleider en CLB. De betrokkenheid van ouders en CLB hierbij is evenwel wisselend. Dit overleg resulteert in een ondersteuningsplan op maat van de hulpvraag van de school en van de specifieke ondersteuningsbehoeften van de leerling. Volgens de ondersteuners blijft dit plan in sommige situaties nog teveel een eigen werkinstrument. Het is nog onvoldoende een gedeeld ondersteuningsplan dat aansluit op het zorgtraject dat reeds loopt in de school en dat is afgestemd op wat leraren en zorgcoördinatoren opnemen. Volgens de gesprekspartners is de mate waarin het zorgbeleid van de scholen voor gewoon onderwijs is uitgebouwd in fase 0 en 1 van het —[ 34 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


zorgcontinuüm sterk verschillend. De ondersteunende en faciliterende structuren zijn niet altijd aanwezig, luidt het. Dit verschilt ook per onderwijsvorm. Ter versterking van fase 0 en 1 werken sommige ONW nauw samen met de competentiebegeleider die fungeert als brugfiguur met de PB’s in functie van de schoolondersteuning in fase 0 en 1, maar dit gebeurt in minder dan de helft van de gevallen (zie 3.2.5.4 samenwerking). Vanuit een afweging per casus en van de beschikbare expertise en tijd bepaalt het ONW de inhoud, de vorm, de intensiteit en de duur van de ondersteuning. De meerderheid van zowel het beleid als de ondersteuners geven aan dat dit in mindere mate gebeurt op basis van onderbouwde en transparante criteria. Tegelijk hechten de ondersteuners belang aan de nodige flexibiliteit en vrijheid om op maat te kunnen werken. De grotere flexibiliteit in vergelijking met de vroegere GON-werking ervaren ze als een meerwaarde. Voor de inzet van ondersteuners hanteren de ONW meerdere criteria waaronder organisatorische factoren (verplaatsingsafstand, reistijd, ondersteuningstijd), deskundigheid, continuering,… De meeste ONW ervaren een spanningsveld tussen het inzetten van specifieke expertise en het werken met een ankerfiguur per school met brede inzetbaarheid. De meeste scholen zijn vragende partij voor een vaste ondersteuner zodat de continuïteit van de ondersteuning gewaarborgd is. Een vaste ankerfiguur kent de zorgcultuur op de school, kan verbinding maken met de teamleden en bouwt vertrouwen op. Ook de ondersteuners ervaren de nood aan brede expertise omwille van comorbiditeit (een leerling met gedragsproblemen kan ook leerproblemen hebben, een leerling met een auditieve problematiek kan ook een motorische beperking hebben, …). Anderzijds verwachten de scholen ook specifieke expertise die de eigen zorgmedewerkers niet bezitten zodat de ondersteuning een meerwaarde vormt. De ONW ontwikkelen hun expertise via intervisie, collegiaal overleg in multidisciplinaire deelteams en expertisegroepen (zie 3.2.5.5 professionalisering). Alle ONW schenken aandacht aan de principes van handelingsgericht werken bij het vormgeven van de ondersteuning. Sommigen hanteren hierbij de M-cirkel die het handelingsgericht denken ondersteunt. Scholen voor gewoon onderwijs bevestigen dit, maar ervaren ook verschillen bij ondersteuners. Ondersteuningstrajecten waar niet planmatig en doelgericht wordt gewerkt, zijn evenwel uitzonderingen. Sommige scholen gaan ook zelf de principes van handelingsgericht werken meer en meer integreren. Zowel uit de gesprekken met het beleid, de ondersteuners als de scholen blijkt dat er ruime aandacht wordt besteed aan evaluatie en bijsturing van de ondersteuningstrajecten. De evaluatie gebeurt op geregelde basis en wordt casusafhankelijk reeds vastgelegd bij de start van de ondersteuning. De ondersteuners vertrekken bij de evaluatie doorgaans vanuit de vooropgestelde doelen. Naarmate deze meer SMART zijn geformuleerd, verloopt de evaluatie doelgerichter. Wanneer de vooropgestelde doelen zijn bereikt, worden trajecten zelden afgesloten maar veeleer ‘on hold’ gezet zodat indien nodig de ondersteuning snel terug kan opstarten. —[ 35 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


De meeste ONW hebben bij de evaluatie aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij de leerlingen. De ondersteuning op de klasvloer wordt door scholen gewaardeerd. De resultaten en effecten bij de leraren en lerarenteams komen veel minder aan bod. Hiervoor geven de gesprekspartners verschillende redenen aan. Sommigen stellen dat het nog te vroeg is om reeds effecten te zien. Anderen maken een onderscheid tussen expliciete doelen op leraar- en teamniveau en wat de ondersteuner impliciet meeneemt omwille van gevoeligheden en de beperkte openheid voor ondersteuning bij sommige leraren. De gesprekspartners geven aan dat er soms nog te veel wordt vastgehouden aan leerlinggerichte ondersteuning vanuit de vroegere GON-werking. Enerzijds vindt een aantal scholen dat sommige ondersteuners nog niet zo sterk zijn in het coachen van leraren en lerarenteams en nog kunnen groeien in deze rol. Anderzijds geven meerdere ondersteuners aan dat er in sommige scholen nog weerstand leeft tegenover leraargerichte ondersteuning. Niettemin kunnen zowel de scholen als de ondersteuners voorbeelden aangeven waar als gevolg van de geboden ondersteuning de onderwijsleerpraktijk is bijgestuurd en het zorgbeleid is versterkt. Een ondersteuningsvraag omvat ook een engagement voor de school en de betrokken leraren. Heel wat scholen ervaren 'de regie bij de school' als belastend. Ze vinden het moeilijk om te voorzien in voldoende overleg voor de afstemming van trajecten en expertisedeling met leraren. De ondersteuner brengt een nieuwe inhoud of een nieuwe manier van werken binnen, maar dit als school zelf implementeren is niet evident. Scholen geven aan dat ze hiervoor de expertise, de middelen en de mankracht missen. Daarnaast is het een belangrijke randvoorwaarde dat leraren in het gewoon onderwijs vanuit een ontwikkelingsgerichte bril naar hun leerlingen kijken en open staan voor ondersteuning. Samenwerking Bouwstenen Voor het luik samenwerking selecteerden we de volgende bouwstenen: 1. 2. 3. 4.

de aanwezigheid van een aanspreekpunt voor ouders/leerlingen; de wijze waarop ouders/leerlingen geïnformeerd worden; de samenwerking met schoolinterne leerlingenbegeleiders/zorgcoördinatoren; de samenwerking met het CLB met het oog op een doeltreffende ondersteuning van de leerlingen en van de scholen; 5. de samenwerking met de PB's met het oog op een doeltreffende schoolondersteuning; 6. de samenwerking met andere partners binnen het werkgebied met het oog op een doeltreffende ondersteuning van alle leerlingen en scholen; 7. de samenwerking van het ONW met andere ONW met het oog op expertisedeling en de continuïteit van de ondersteuning voor alle leerlingen. In het gesprek met de coördinatoren en leden van het beleidsorgaan gingen we na op welke manier ze met wie samenwerken en of deze bouwstenen passend zijn voor hun ONW.

—[ 36 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Bij de ondersteuners peilden we naar hun samenwerking met de scholen en bij de scholen naar de samenwerking met de ondersteuners. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners en de scholen voor gewoon onderwijs leveren volgend beeld op:

Inschatting onderwijsinspectie op basis van het beleidsgesprek (N = 24) aanspreekpunt voor ouders en leerlingen

19

info voor ouders en leerlingen

11

9

school

2 0

3

1

3

23

CLB

10

13

PBD

7

11

anderen

10

13

andere ONW 5 past

deels

niet

2

5

6

15

20

10

1

2

7

12 0

3

2 1 25

30

knab

Perceptie ondersteuners (N = 339) met scholen

221 0

50

117

100

150

200

past

deels

250

1 300

350

400

niet

Perceptie scholen (N = 297) met ondersteuners

258 0

50

100

37 150

past

deels

200

250

2 300

350

niet

Figuur 21 Kwantitatieve analyse bouwstenen samenwerking

Alle gesprekspartners zien verbindend samenwerken als één van de fundamenten van het ondersteuningsnetwerk. Bovenstaande cijfergegevens laten zien dat er verschillen zijn naargelang de partners waarmee wordt samengewerkt. Voor alle ondersteuningsnetwerken staat een nauwe samenwerking met de scholen gewoon onderwijs voorop, zowel op het niveau van het beleid als op het niveau van de ondersteuners. —[ 37 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


De ondersteuningsnetwerken informeren de scholen en faciliteren de informatieverspreiding (zie 3.2.5.1 organisatie/communicatie). Zowel de ondersteuners als de scholen geven aan dat er in de praktijk doorgaans een constructieve samenwerking is met de schoolinterne leerlingenbegeleiders / zorgcoördinatoren. Voldoende overlegtijd voorzien bij de ondersteuningstrajecten is hierbij essentieel. De ondersteuners geven in de gesprekken aan dat ze vaak informeel en tussendoor overleggen met de leraren en de zorgcoördinatoren/leerlingenbegeleiders. De scholen waarderen hierbij de flexibiliteit van de ondersteuners. Sommige scholen vinden het moeilijk om structureel overleg te organiseren. Vooral in het basisonderwijs ontbreken daarvoor soms de nodige middelen/lestijden. Scholen maken hierbij de overweging dat dit overleg niet ten koste mag gaan van de ondersteuning in de klas. Het ontbreken van structurele overlegmomenten bemoeilijkt evenwel een goede samenwerking. Er is nood aan een gedeelde visie, duidelijk geformuleerde taken en verwachtingen en het engagement van de scholen om de ondersteuning van de leerling, de leraren en de school kwaliteitsvol te kunnen realiseren. De meeste ondersteuningsnetwerken hebben een contactpersoon voor ouders/leerlingen in de school. De ouders/leerlingen op een heldere en toegankelijke manier informeren over de werking zien de ONW nog als werkpunt (via website, infomoment, … in begrijpbare taal). De communicatie met en de betrokkenheid van ouders bij het ondersteuningstraject van hun kind is wisselend (zie 3.2.5.3 vormgeving van de ondersteuning). Scholen en ondersteuners geven aan dat kansarme ouders op een kwaliteitsvolle manier betrekken nog een uitdaging vormt. Ongeveer de helft van de ondersteuningsnetwerken vindt dat de samenwerking met de CLB’s voldoet. De afstemming tussen beiden, in functie van een gezamenlijke en kwaliteitsvolle ondersteuning van de leerlingen en de scholen, heeft nog groeikansen. Zowel de betrokkenheid bij het beleid als de samenwerking op het terrein is sterk wisselend en soms afhankelijk van het engagement van individuele personen. De ondersteuners werken voor ongeveer de helft van de ondersteuningsvragen samen met het CLB. Minder dan de helft van de ondersteuningsnetwerken geeft aan constructief samen te werken met de PB’s. Een aantal ondersteuningsnetwerken werkt intensief samen met de competentiebegeleiders. Zij fungeren als brugfiguur naar de reguliere PB’s wanneer er sprake is van een onvoldoende uitgebouwd zorgbeleid in een school en er nood is aan schoolondersteuning in fase 0 en 1 van het zorgcontinuüm (voor de verdere samenwerking met de competentiebegeleiders: zie 3.2.5.5 professionalisering). Tussen de ondersteuners onderling bestaan er grote verschillen wat betreft hun samenwerking met de PB’s op de werkvloer. Uit de gegevens die de 339 ondersteuners aanreikten, blijkt dat er maar voor 5% van de ondersteuningen een samenwerking is. In enkele ONW wordt voor het merendeel van de trajecten samengewerkt met de PB’s/competentiebegeleiders, in andere helemaal niet of in beperkte mate.

—[ 38 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


De meeste ONW werken samen met buitenschoolse hulpverlening (revalidatiecentra, therapeuten, thuisbegeleiding,...). Het vormt vaak een uitdaging om de gedeelde zorg af te stemmen en te komen tot een gelijkgerichte visie. De meeste ONW geven aan dat ze samenwerken met enkele andere ONW (afhankelijk van koepel/net) met het oog op expertisedeling en gezamenlijke visieontwikkeling. Ze ervaren toch een knelpunt wanneer een leerling bij een schoolwissel overgaat naar een ander ONW wat betreft de continuering en de gelijkgerichtheid van de ondersteuning. De samenwerking tussen ONW beperkt zich vaak tot het beleidsniveau en vindt nog niet plaats op het niveau van de ondersteuners. We vroegen de ONW voor hoeveel zorgvragen ze samenwerken met andere ONW. Dit blijkt voor slechts 330 ondersteuningstrajecten het geval te zijn wat op het geheel van het aantal ondersteuningsvragen (zie 2.1) een peulenschil is. Tussen de ONW onderling bestaan grote verschillen. 14 ONW gaven aan dat ze voor geen enkele leerling samenwerken, 1 ONW voor slechts 1 leerling. De overige 9 ONW reikten cijfers aan in een spreiding van 17 tot 67. Sommige ONW hebben contacten met de expertisenetwerken kleine types. Het gaat vooral om overleg tussen de respectievelijke coördinatoren. Het inzetten op samenwerking op het niveau van de ondersteuners zien ze nog als werkpunt. Enkele ONW vermelden ook samenwerking met andere partners zoals universiteiten en lerarenopleidingen met het oog op deskundigheidsontwikkeling. Personeelsbeleid en professionalisering Bouwstenen Voor personeelsbeleid en professionalisering waren volgende bouwstenen onderwerp van gesprek met het beleid: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

De aanwerving van ondersteuners op basis van een onderbouwd profiel; De multidisciplinaire samenstelling van het ondersteuningsteam; De inzet van de competentiebegeleiders op een onderbouwde manier; De professionalisering van de ondersteuners op basis van behoeften en noden; Een doeltreffende aanvangsbegeleiding; Een stimulans voor nieuwe inzichten en vernieuwingen; Transparante afspraken voor de evaluatie van personeelsleden.

Bij de ondersteuners peilden we naar hun mening over de professionaliseringsmogelijkheden om de ondersteuning kwaliteitsvol vorm te geven. Met de buo-scholen gingen we in op de afspraken die er zijn gemaakt over de aanwerving van de ondersteuners, over de aanvangsbegeleiding en professionalisering en over de evaluatie van de personeelsleden.

—[ 39 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners en de buo-scholen leveren volgend beeld op:

Inschatting onderwijsinspectie op basis van het beleidsgesprek (N = 24) aanwerving op basis profiel

17

7

multidisciplinaire samenstelling

22

onderbouwde inzet competentiebegeleider

2

18

professionalisering op basis van noden

3

1 2

20

doeltreffende aanvangsbegeleiding

3

17

stimulans vernieuwing

3

2

18

afspraken evaluatie personeel 0

3

5 past

10

deels

2

5

17

niet

15

1

1 4

20

25

30

knab

Perceptie ondersteuners (N = 339) professionele ondersteuning

179 0

50

149

100 past

150

200

deels

11

250

300

350

400

niet

Perceptie buo-scholen (N = 144) afspraken aanwerving

83

35

22

4

afspraken professionalisering/aanvangsbegeleiding

81

36

23

4

afspraken evaluatie personeel

64 0

past

20 deels

49 40

niet

60

80

26 100

120

5 140

160

nvt

Figuur 22 Kwantitatieve analyse bouwstenen personeelsbeleid en professionalisering

Bij de opstart van de ONW gebeurde de aanwerving van ondersteuners vanuit de buo-scholen die personeel aanleverden. Vaak ging het om de overdracht van GON-medewerkers en personeelsleden die overtollig werden in het buo. Momenteel hebben de coördinatoren in de meeste ONW het mandaat om nieuwe ondersteuners aan te werven op basis van een eigen opgesteld profiel. In enkele ONW (vooral OVSG) neemt het bestuur de aanwerving op zich. Nagenoeg alle ONW hebben bij de aanwerving aandacht voor een multidisciplinaire samenstelling van het team. Daarnaast zijn onder meer de houding ten aanzien van inclusie, het geloof in de groeikracht van leerlingen en leraren, de expertise —[ 40 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


in functie van de noden, de ervaring in onderwijs, de ervaring met ondersteuning, de coachende en communicatieve vaardigheden, flexibiliteit en brede inzetbaarheid, … elementen die in meerdere of mindere mate een rol spelen. Alle gesprekspartners benadrukken dat het onzekere statuut van de personeelsleden en het voorlopige karakter van de ONW problematisch zijn. De huidige regeling waarbij ondersteuners van het ONW worden gekoppeld aan een buo-school geeft aanleiding tot diverse en soms onlogische constructies. De buo-scholen willen vermijden dat nieuw aangeworven ondersteuners voorrang opbouwen ten nadele van de eigen leraren, gezien het profiel van ondersteuner verschilt van het profiel van leraar buo. Daardoor hanteren bepaalde ONW een doorschuifsysteem waarbij de tewerkstelling van de ondersteuners op een bepaald instellingsnummer jaarlijks verandert zodat ze geen rechten voor een TADD (tijdelijke aanstelling doorlopende duur) kunnen opbouwen. De ONW ervaren dat ze door dit onzekere statuut heel veel moeite hebben om het nodige personeel te vinden of te houden. De meeste ONW besteden ruime aandacht aan professionalisering en heel wat ONW werken dit uit in een autonoom professionaliseringsbeleid. Een groot deel van de ONW voorziet in aanvangsbegeleiding. Nieuwe ondersteuners volgen een coachingstraject of krijgen de kans om een korte tijd mee te lopen met een collega. Soms worden facultatieve basisvormingen georganiseerd waarop kan ingetekend worden al dan niet vanuit het eigen persoonlijk ontwikkelingsplan. De meeste ONW detecteren gericht de professionaliseringsbehoeften van de medewerkers via bevragingen, via coaching of vanuit functioneringsgesprekken. Ze sluiten aan bij het aanbod van prioritaire nascholing van de overheid. Daarnaast voorzien ze in geregeld collegiaal overleg en intervisie om de eigen expertise te delen of organiseren ze lerende netwerken om specifieke expertise te ontwikkelen en te verdiepen. Heel wat ONW zijn zich bewust van het belang van verbindende communicatie en coachende vaardigheden voor de ondersteuningspraktijk en besteden er in groeiende mate aandacht aan. Doorheen de gesprekken kwam een ruime variatie aan professionaliseringsinitiatieven aan bod: coaching, wisselleren, teamgerichte nascholingen, interne workshops, persoonlijk gekozen vormingen, toegang tot verschillende documentatiecentra, inspiratiedagen, focusgroepen en denktanks met externe partners, …. In enkele ONW fungeren de buo-scholen als expertisecentrum en zijn ze betrokken bij de professionalisering van de ondersteuners. Daarbij staan de ondersteuners soms (deels) mee op de werkvloer in de buo-school met het oog op deskundigheidsverwerving. Het merendeel van de ONW krijgt van de buoscholen het mandaat een autonoom professionaliseringsbeleid te voeren los van de werking in de buo-scholen. De ruime helft van de ondersteuners voelt zich voldoende ondersteund om de ondersteuning kwaliteitsvol vorm te geven. Ze waarderen vooral het collegiaal overleg waarbij ze samen op zoek gaan hoe ze het maatwerk kunnen optimaliseren. Sommigen geven aan dat de nascholingen te —[ 41 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


weinig op maat zijn, dat ze hun noden wel kenbaar kunnen maken maar dat de ruimte en middelen hiervoor ontbreken. Uit bovenstaande grafiek blijkt dat drie vierde van de ONW de competentiebegeleiders onderbouwd inzet. Als pedagogisch begeleiders met deskundigheid in inclusief onderwijs werken ze verbindend samen met de partners van het ONW en vormen ze een klankbord. Ze spelen een belangrijke rol in de professionalisering van de ondersteuners en coördinatoren, onder meer door het introduceren van kaders en de ondersteuningscyclus. Ze begeleiden de IAC-trajecten. Ze zorgen voor netwerkverbindingen en vormen de brug naar de reguliere begeleidingsdiensten in het kader van schoolondersteuning voor fase 0 en 1 van het zorgcontinuüm. De mate van betrokkenheid van de competentiebegeleiders varieert per ONW en per net/koepel. In enkele ONW vervullen ze een trekkersrol zowel op vlak van beleid als op vlak van coaching en ondersteuning van de medewerkers. In enkele andere ONW zijn ze amper of niet betrokken. Volgens de ONW vormt de evaluatie van het personeel een probleem omwille van het specifieke statuut. De ondersteuners zijn personeelsleden van buo-scholen maar werken er de facto niet. De coördinatoren van de ONW volgen de ondersteuners op en hebben zicht op hun functioneren. Ze hebben evenwel geen officieel mandaat om de ondersteuners te evalueren. Dit behoort tot de taak van de directies van de buo-scholen maar zij kennen de ondersteuners niet en hebben onvoldoende zicht op de verwachtingen ten aanzien van de ondersteuners. De meeste ONW kiezen voor een pragmatische aanpak waarbij de buo-scholen met de coördinatoren van het ONW afspraken maken over de opvolging van het personeel. De buo-directies benadrukken dat een bijsturing van de regelgeving aangewezen is. Kwaliteitsontwikkeling Bouwstenen Omdat de ONW jonge organisaties zijn, selecteerden we op het vlak van kwaliteitsontwikkeling een beperkte set van vier bouwstenen: 1. de evaluatie van sommige aspecten van de werking op een betrouwbare manier; 2. een doelgericht kwaliteitsbeleid; 3. informatiegeletterdheid via het bijhouden van relevante kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over de werking; 4. het bijstellen van de werking op basis van problemen en knelpunten of het responsief vermogen. De vier bouwstenen kwaliteitsontwikkeling kwamen tijdens het beleidsgesprek aan bod. Bij de scholen peilden we naar hun ervaring met het responsief vermogen van de ONW.

—[ 42 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners en de buo-scholen leveren volgend beeld op:

Inschatting onderwijsinspectie op basis van het beleidsgesprek (N = 24) betrouwbare evaluatie

18

doelgericht kwaliteitsbeleid

4

12

informatiegeletterdheid

9

13

responsief vermogen

2 8

1

19 0

5

3

10 past

1 1

15

deels

niet

20

1 2 1 1 25

30

knab

Perceptie scholen (N = 297) responsief vermogen

186 0

50

94

100 past

150 deels

niet

200

15 2 250

300

350

nvt

Figuur 23 Kwantitatieve analyse bouwstenen kwaliteitsontwikkeling

De meeste ONW evalueerden na één jaar hun werking vanuit bevragingen bij de co-creatiepartners in het algemeen en de ontvangende scholen in het bijzonder. Sommige werden hierbij vanuit de pedagogische begeleidingsdiensten ondersteund. Andere ONW werkten een eigen evaluatietraject uit. Enkele ONW kwamen nog niet aan evaluatie van de werking toe. Ook voor het uitwerken van een doelgericht kwaliteitsbeleid zijn er verschillende snelheden. De helft van de ONW is in het verlengde van visieontwikkeling bezig met het ontwikkelen van een doelgericht kwaliteitsbeleid in nauwe samenspraak met de ondersteuners én de co-creatiepartners. De andere helft is een half jaar na een fusie nog volop bezig met het vormgeven van de organisatie of is nog zoekende om coherentie te vinden in het beleidsorgaan. Informatiegeletterdheid gaat hand in hand met het registreren en analyseren van relevante kwantitatieve en kwalitatieve gegevens (zie 3.2.5.2). Hoewel alle ONW relevante kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over de werking bijhouden, blijkt uit de gesprekken dat dit eerder ad hoc gebeurt of om organisatorische redenen maar nog weinig in functie van kwaliteitsontwikkeling.

—[ 43 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


De meeste ONW stellen hun werking bij op basis van problemen en knelpunten. Dit gebeurt meestal aan de hand van bevragingen en via diverse klankbordgroepen en gesprekken. Meer dan de helft van de scholen geeft aan dat het ONW systematisch en op vastgelegde momenten peilt naar hun tevredenheid. Ze zijn van oordeel dat het ONW voldoende rekening houdt met hun feedback en op basis hiervan de werking bijstuurt. Middelenbeleid Bouwstenen Voor het middelenbeleid selecteerden we drie bouwstenen: 1. de efficiënte besteding van de middelen zowel voor coördinatie als voor ondersteuning; 2. het zicht op en het invullen van de materiële noden van de ondersteuners; 3. de afspraken inzake middelenverdeling met een waarborg voor de kleine types. We gingen over de drie bouwstenen in dialoog met de coördinatoren en het beleid van het ONW en met de buo-scholen. Bij de ondersteuners peilden we naar hun perceptie over de doeltreffendheid van de regeling voor verplaatsing en andere onkosten. Toelichting bij de gegevens en informatie uit de gesprekken De inschatting op basis van de informatie uit de gesprekken met het beleid en de perceptie van de ondersteuners en de buo-scholen leveren volgend beeld op:

—[ 44 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Inschatting onderwijsinspectie op basis van het beleidsgesprek (N = 24) efficiënte inzet beschikbare middelen

20

zicht op materiële noden ondersteuners + tegemoetkoming

4

11

9

verdeling middelen + waarborg kleine types

4

18 0

5 past

6

10 deels

15

20

25

30

niet

Perceptie ondersteuners (N = 339) doeltreffende regeling onkosten

103 0

191

50

100 past

150 deels

45

200

250

300

350

400

niet

Perceptie buo-scholen (N = 144) efficiënte inzet beschikbare middelen

90

zicht op materiële noden ondersteuners +…

32

91

waarborg kleine types

13

81 0

20 past

21

41

40 deels

13

60 niet

80

100

9 19

16 120

6 140

160

nvt

Figuur 24 Kwantitatieve analyse bouwstenen middelen

In hoofdstijk 2 wijzen we op de complexiteit van het financieringssysteem en de verschillen in verdeling van de middelen: van verregaande autonomie bij de ONW tot centraal aangestuurd vanuit de buoscholen. In de beleidsgesprekken kwam aan bod dat in die ondersteuningsnetwerken waar de middelen over alle buo-scholen verdeeld worden, de samenwerking en afstemming tussen de verschillende buo-scholen een uitdaging is. Bij de openbare ONW is het vaak een probleem om de middelen netoverschrijdend te herverdelen. Volgens de beleidsmedewerkers loopt de middelenverdeling lang niet overal vlekkeloos en heeft dat een impact op de organisatieontwikkeling. De gesloten enveloppe zorgt daarenboven voor veel frustratie, zo bleek uit de gesprekken. Scholen willen meer gemotiveerde verslagen en meer ondersteuning maar hoe meer verslagen, hoe geringer de ondersteuning per leerling wordt. De aanhoudende toevloed van ondersteuningsvragen plaatst coordinatoren en ondersteuners voor de moeilijke opdracht om op een onderbouwde manier ondersteuning op maat te bieden en vergt een verregaande flexibiliteit. —[ 45 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Binnen deze contextgegevens zijn er indicaties dat de ONW inspanningen doen om hun beschikbare middelen efficiënt in te zetten. Doorgaans wordt een onderbouwde afweging gemaakt hoeveel middelen voor coördinatie worden ingezet. Verreweg de meeste ONW maken analyses om de verplaatsingstijd van de ondersteuners te reduceren. Vrijgekomen ondersteuningsuren omwille van extra muros, stages of andere schoolactiviteiten worden voor andere leerlingen benut. Ook geeft het merendeel van de buo-scholen aan dat de middelen voldoende doeltreffend en transparant worden ingezet. Enkel in de openbare netwerken zijn er soms bedenkingen bij de transparantie. Bij de autonoom werkende ONW zeggen de directies van de buo-scholen dat ze er vaak geen gedetailleerd zicht meer op hebben, maar dat ze er wel vertrouwen in hebben. Op de vraag of de middelen voor de kleine types gewaarborgd worden, kregen we tijdens de beleidsgesprekken doorgaans een bevestigend antwoord. Sommige buo-scholen gaven aan dat dit door de inkanteling van de kleine types in het ONW niet altijd duidelijk is. Maar ook bij de integratie van de kleine types in het ONW wordt de ondersteuning voor de hulpvragen kleine types gegarandeerd. De meeste ondersteuners zijn ontevreden over de onkostenregeling. De grote verschillen in onkostenvergoedingen, vaak ook binnen één ONW, dreven boven in quasi elk gesprek met ondersteuners. De onkostenvergoedingen variëren van enkel een kleine verplaatsingsvergoeding (halve fietsvergoeding) tot de vergoeding van alles wat een ondersteuner nodig heeft. Diverse elementen liggen aan de basis van die grote verschillen. De wil tot prefinanciering ligt in sommige buo-scholen moeilijk waardoor sommige ondersteuners lang op hun verplaatsingsvergoeding moeten wachten. Sommige buo-scholen stellen de terugbetaling van het woon-werkverkeer, een regeling die niet voor de ondersteuners kleine types opgaat, in vraag. Hetzelfde geldt voor de andere materiële onkosten. Doorgaans moeten de scholen voor gewoon onderwijs voorzien in de kosten voor kopies, leermateriaal, telefoon… Ondersteuners ervaren hiermee vaak moeilijkheden deels door het ontbreken van een vaste werkplek, deels door de bruikbaarheid van het materiaal in diverse scholen, maar ook door de houding van sommige scholen. We stelden tijdens de terreinverkenning vast dat het materieel en de infrastructuur waarover de ONW beschikken, sterk verschillend is. Waar in het ene ONW de coördinatoren een kleine kantoorruimte moeten delen, beschikken anderen over een infrastructuur geschikt voor verschillende overlegvormen en over een goed gevulde mediatheek.

—[ 46 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


IV.

STERKTES EN GROEIKANSEN VOLGENS DE GESPREKSPARTNERS

Zoals aangegeven in 3.2 rondden we elk gesprek af met het opmaken van een balans tussen sterktes en groeikansen. In totaal deden we dat 103 keer: in de 24 werkbezoeken telkens bij de 4 gesprekspartners, in de 3 groepsgesprekken met de PB’s en in de 4 groepsgesprekken met de CLB’s. De input werd geregistreerd en vervolgens gerubriceerd volgens de vastgelegde thema’s zodat verschillen en gelijkenissen in de perceptie van alle gesprekspartners zichtbaar werden. In het licht van onze doelstelling ‘informatie verzamelen voor een referentiekader’ gingen we vooral op zoek naar elementen die de gesprekspartners gezamenlijk als prioritair benoemden of in minstens 1/4de van de gesprekken werden aangehaald hetzij als sterk, hetzij als groeikans. Naast het benoemen van sterktes en groeikansen voor het eigen ondersteuningsnetwerk brachten de gesprekspartners tijdens dit gespreksonderdeel ook een boodschap voor de overheid en het beleid. De input van PB’s en CLB’s is opvallend gelijkgericht en is bijgevolg gezamenlijk verwerkt. Hetzelfde geldt voor het gesprek met het beleid en de ondersteuners. De scholen voor gewoon onderwijs concentreerden zich bij de sterkte-groeikansen-analyse in overgrote mate op de vormgeving van de ondersteuning en de samenwerking. Op de perceptie van sterktes en groeikansen van de buo-scholen als werkgevers zit er ruis. Omwille van 4 factoren kwamen er minder sterktes en/of groeikansen in minstens 1/4de van de gesprekken naar voren:  de verdeling van de middelen onder de buo-scholen speelt een cruciale rol bij de vormgeving van het ondersteuningsnetwerk en vanzelfsprekend ook voor de gepercipieerde sterktes en groeikansen;  er zijn ondersteuningsnetwerken waarin de kleine types geheel of gedeeltelijk geïntegreerd zijn. Ook dit speelt een rol in de perceptie van sterktes en groeikansen;  in sommige ondersteuningsnetwerken werken de ondersteuners doorgaans zowel in de buo-school als in het ondersteuningsnetwerk wat de perceptie van het personeelsbeleid beïnvloedt;  een ander element dat ruis veroorzaakt was de aanwezigheid van sommige buo-directeurs zowel bij het beleidsgesprek als in het apart gesprek met de buo-scholen. Ondanks die verschillende positionering van de buo-scholen ten aanzien van het ONW vallen er toch algemene conclusies te trekken voornamelijk als boodschap voor het onderwijsbeleid.

—[ 47 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


OP HET VLAK VAN ORGANISATIE, VISIE, BELEID EN KWALITEITSZORG ONW: focus op de uitbouw van een autonome organisatie op maat van afstandswerkers Onderstaande figuren brengen een overzicht van de toonaangevende sterktes en groeikansen die het beleid en de ondersteuners aanhaalden:

Perceptie beleid en coördinatoren (N = 24) welbevinden en groepsgevoel

7

opvolging ondersteuners en… visieontwikkeling

0

6

visieontwikkeling

0

3

3

5

multidisciplinariteit

7

7

multidisciplinariteit

6

communicatie

0

communicatie

5

3

werkbare teams

5

3

autonomie/beleidsruimte

8

participatie

8

0

2 4 6 beleid groei

8

0 beleid sterk

Perceptie ondersteuners (N = 24)

0

3

6

werkbare teams

6

0

autonomie/beleidsruimte

6

0

participatie

6

2

10

0

12

ondersteuners sterk

2

3 4

6

8

10

ondersteuners groei

Figuur 25 perceptie beleid en ondersteuners op het vlak van organisatie, visie, beleid en kwaliteitszorg

Ondersteuners onderstrepen het belang van een onderbouwde opdeling in werkbare multidisciplinaire deelteams al dan niet per regio of per type. De coördinatoren beamen dit en spelen zoveel als mogelijk in op de noden eigen aan afstandswerkers. Ze zetten in op welbevinden en een positieve organisatiecultuur. Het gericht opvolgen van wat op de werkvloer gebeurt en het alert reageren op vragen en noden van de ondersteuners, vormen daarvoor cruciale elementen in de perceptie van de coordinatoren van het ONW. Participatie, openheid en een doeltreffende interne communicatie zijn sleutelelementen voor een kwaliteitsvolle organisatie zowel voor het beleidsorgaan, de coördinatoren als de ondersteuners. Opvallend is de waarde die de coördinatoren en in mindere mate de ondersteuners hechten aan autonomie op beleidsvlak. Het feit dat ondersteuningsnetwerken geen eigen statuut hebben ligt aan de basis hiervan. Visievorming en een visie op inclusie ontwikkelen, vormen nog groeikansen waar de coördinatoren bewust willen op inzetten. Anders dan de ondersteuners streven de coördinatoren explicieter naar gelijkgerichtheid.

—[ 48 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Kwaliteitsontwikkeling komt opvallend weinig in de prioriteitenlijst van zowel ondersteuners als coördinatoren naar voren.

CLB en PB’s: waardering voor de kwaliteitsvolle uitbouw van de ondersteuningsnetwerken in een korte tijd In de zeven gesprekken met CLB en PB’s werd een sterke waardering uitgesproken voor de kwaliteit waarmee de ondersteuningsnetwerken op korte tijd en in moeilijke omstandigheden werden uitgebouwd. In de drie gesprekken met de PB’s kwamen de grote verschillen tussen de ondersteuningsnetwerken zowel op het vlak van organisatie als in visievorming en beleid aan bod. Die verschillen zijn volgens hen inherent verbonden aan het jonge bestaan van deze organisaties. Het beleidsvoerend vermogen en de transparantie naar de buitenwereld kan nog worden versterkt. In drie van de vier gesprekken benoemden de CLB’s hun betrokkenheid op de uitbouw van de ondersteuningsnetwerken als een sterkte. De participatie van CLB’s in de visievorming kwam in de vier gesprekken als een te borgen sterkte naar voren. Het uitwerken van een onderbouwde visie op inclusie werd in alle gesprekken als een prioritaire uitdaging aangeduid. De PB’s hopen unaniem dat de ondersteuningsnetwerken in de nabije toekomst inzetten op kwaliteitsontwikkeling in nauwe samenwerking met de scholen voor gewoon onderwijs op basis van eenzelfde taal/referentiekader.

OP HET VLAK VAN PERSONEELSBELEID EN PROFESSIONALISERING Coördinatoren en ondersteuners: expertisedeling en -opbouw als sleutelbegrippen Het beleid en de ondersteuners duidden volgende prioriteiten aan op het vlak van personeelsbeleid en professionalisering:

Perceptie beleid/coördinatoren (N = 24)

expertise-opbouw 0

expertise-opbouw

9

expertisedeling

11 0

Perceptie ondersteuners (N = 24)

2

beleid sterk

4

6

beleid groei

10

12

8

expertisedeling

1 8

1

15 0

14

2

4

ondersteuners sterk

6

1

8 10 12 14 16 18 ondersteuners groei

Figuur 26 Perceptie beleid en ondersteuners op het vlak van personeelsbeleid en professionalisering

—[ 49 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Expertisedeling en intervisie in het algemeen en co- of duo-ondersteuning, collegiale visitatie, collegagroepen zijn vormen van professionalisering waaraan zowel coördinatoren als ondersteuners veel belang hechten. Beiden geven aan dat ze willen investeren in expertiseopbouw. Het ontwikkelen en verdiepen van de coachende vaardigheden van de ondersteuners staat bovenaan hun prioriteitenlijst. Hetzelfde geldt voor type-expertise en brede inzetbaarheid. Er is nood aan een professionaliseringsbeleid afgestemd op de professionaliseringsbehoeften van de ondersteuners. De ONW benoemen een voldoende brede inzetbaarheid als een cruciale voorwaarde voor het schoolnabij werken. Hierbij vormt flexibiliteit een prioriteit. De meeste ONW zijn evenwel zoekende naar een goed evenwicht tussen brede inzetbaarheid enerzijds en voldoende type-expertise anderzijds. Het gebrek aan een statuut voor de ondersteuners en de daaraan verbonden onzekere toekomst vormen een bedreiging voor solide expertise-opbouw en continuïteit binnen de ONW. De ONW betreuren dat hierdoor opgebouwde expertise verloren gaat.

Buo-scholen, CLB en PB’s: waardering en uitdaging Zowel buo-scholen (15/24), CLB’s (4/4) als PB’s (3/3) benoemen de expertise-opbouw in de ONW als lovenswaardig en zien die in de toekomst graag gegarandeerd en uitgebreid. De tijd en ruimte die gecreëerd worden voor expertise-opbouw en -deling benoemen CLB’s en PB’s als sterke beleidskeuzes en cruciale bouwstenen voor een groeiende kwaliteit. Dat neemt niet weg dat de CLB’s, de PB’s en de buo-scholen zich achter een verdergaande professionalisering scharen zeker op het vlak van coachende vaardigheden en type-expertise. De buo-scholen bevestigen dit in 15 van de 24 gesprekken.

OP HET VLAK VAN DE VORMGEVING VAN DE ONDERSTEUNING ONW: de vormgeving van de ondersteuning is een stap in de richting van inclusie Op het vlak van vormgeving komen vooral twee elementen bovendrijven, zowel bij de ondersteuners als bij het beleid van de ONW:

—[ 50 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Perceptie beleid/coördinatoren (N = 24) maatwerk en flexibiliteit

13

schoolgerichtheid

4 0

2

beleid sterk

Perceptie ondersteuners (N = 24) 1

10 4

6

8 10 12 14 16

beleid groei

maatwerk en flexibiliteit

schoolgerichtheid 0 2 ondersteuners sterk

14

7

1

4

4 6 8 10 12 14 16 ondersteuners groei

Figuur 27 Perceptie beleid en ondersteuners

De meerderheid van de ONW duiden maatwerk en flexibiliteit aan als sterke elementen in de nieuwe vorm van ondersteuning. Een ondersteuningstraject uitwerken op maat van de noden van de leerling en de leerkracht zowel naar doelstellingen, vorm als intensiteit is een belangrijk doel van de ONW. Verschillende elementen zetten dit doel onder druk. Ingaan op de aanhoudende toevloed aan ondersteuningsvragen zonder bijkomende middelen remt de flexibiliteit. Tegelijkertijd geven zowel ondersteuners als coördinatoren aan dat ze nog zoekende zijn. Voor bepaalde ondersteuningstrajecten kan nog gerichter ingezet worden op criterium-onderbouwd maatwerk. Naast de leerlinggerichtheid van de ondersteuning is de gerichtheid op de leraar of de school een sterk element. Zowel de coördinatoren als de ondersteuners noemen dit een duurzame beleidskeuze waaraan ze veel belang hechten. De meesten geven evenwel toe dat er op het vlak van leraargerichtheid nog een lange weg te gaan is. Dat neemt niet weg dat coördinatoren en ondersteuners het belang van schoolnabij werken, onderstrepen. De school kennen, constructieve contacten onderhouden met de zorgcoördinatoren, leerlingbegeleiders én leraren, inspelen op de eigenheid van de school, voldoende aanwezig zijn op de school ook buiten de ondersteuningsuren zijn elementen die volgens de ondersteuners bevorderend werken. Zowel de ondersteuners als de coördinatoren beklemtonen daarbij het belang van het vrijwaren van hun onafhankelijke en schoolexterne positie, een noodzakelijke voorwaarde voor een kwaliteitsvolle inbreng op lerarenniveau.

—[ 51 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Scholen waarderen de ondersteuning als een stap vooruit De scholen haalden volgende sterktes en groeikansen aan op het vlak van ondersteuning:

Perceptie scholen (N = 24) expertise

17

toegankelijkheid

9

continuïteit

1

10 1

5

flexibiliteit

13

versterken zorgbeleid

2

6

8

schoolnabij werken

12 0

2

4

6

1 8

10

scholen sterk

12

14

16

18

20

22

24

26

28

30

scholen groei Figuur 28 Perceptie scholen

Vanuit de registratie van de perceptie van scholen krijgen we een op het eerste zicht diffuus beeld van tegelijkertijd sterkte en groeikans op het vlak van expertise. De multidisciplinaire samenstelling van de ondersteuningsteams benoemen scholen als een sterkte. Ze ervaren ondersteuners doorgaans als experten die inclusie helpen bevorderen door ook leraren te ondersteunen. In 17 van de 24 gesprekken uiten scholen expliciet waardering voor de expertise die de ondersteuners op korte tijd verworven. Niettemin geven scholen in 10 gesprekken aan dat er nog verschillen zijn tussen de ondersteuners. Gebrek aan maturiteit, type-expertise en coachende vaardigheden bij sommige ondersteuners werden vaak aangehaald. Die scholen zien expertise-opbouw als een groeikans. Scholen zitten hiermee op één lijn met de ONW die van expertisedeling en -opbouw prioriteiten maken. Scholen benoemen de openheid en aanspreekbaarheid samengevat als de toegankelijkheid van de coordinatoren en ondersteuners als een sterk punt. Ze beschouwen de ‘olievlek’-functie van de huidige ondersteuners (via het coachen van één leraar andere leraren inspireren) als een vooruitgang in vergelijking tot de vroegere GON-werking. In zes gesprekken geven scholen aan dat de ondersteuners deze opdracht kwaliteitsvol opnemen. In acht andere gesprekken wordt het als een prioritaire groeikans aangeduid. Waar coördinatoren en ondersteuners zoekende zijn naar een bevredigend evenwicht tussen brede inzetbaarheid en type-expertise zijn scholen dat evenzeer. Scholen leggen de lat evenwel hoog. Ze —[ 52 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


willen schoolnabije ‘type-experten’ die daarenboven over coachende vaardigheden beschikken en vanuit een externe blik als kritische vriend een toegevoegde waarde bieden aan de uitbouw van hun zorgbeleid.

OP HET VLAK VAN SAMENWERKING ONW: het belang en de knelpunten van samenwerking en co-creatie Op het vlak van samenwerking leggen de coördinatoren en ondersteuners volgende prioriteiten:

Perceptie beleid/coördinatoren (N = 24)

inhoudellijke band buo

5

verkeerde verwachtingen scholen

8

verkeerde verwachtingen 0 scholen

Perceptie ondersteuners (N = 24)

13

2

0 ondersteuners sterk

co-creatie

11 0

beleid sterk

2

4

6

8

5

10

15

ondersteuners groei

0 8

10 12 14

beleid groei Figuur 29 Perceptie beleid en ondersteuners

Zowel de coördinatoren als de ondersteuners staan principieel achter het co-creatiemodel. Niettemin wordt in hun ogen de potentiële kracht van dit model onderuitgehaald door verschillende factoren. Co-creatie gaat hand in hand met het opnemen van een engagement. Sommige scholen gewoon onderwijs nemen hun regierol te weinig op, zo luidt het bij de ONW. Het overgrote deel van de coördinatoren en ondersteuners duidt hierbij het niet dwingend karakter van de regelgeving aan als een bron van moeilijkheden. Wat zowel voor coördinatoren als voor ondersteuners een hinderpaal vormt, zijn de verkeerde verwachtingen die bij scholen en leraren in het bijzonder leven. Ze geven aan dat door in de communicatie vanuit het onderwijsbeleid de focus te leggen op leerlinggebonden ondersteuning, die verkeerde verwachtingen bij leraren en ouders worden gevoed. Deze communicatie roept zowel bij ondersteuners als bij coördinatoren wrevel op. Leraren hebben daarenboven vaak koudwatervrees voor klasinterne ondersteuning en staan niet altijd open voor coaching. Ondersteuners zijn in hun ogen ‘helpende handen’. Bovendien kunnen leraren te weinig tijd vrijmaken voor structureel overleg. Dat neemt niet weg dat alle gesprekspartners inclusief de scholen ook voorbeelden van —[ 53 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


goede praktijk en stapsgewijze verbetering aanhalen. Volgens ondersteuners en coördinatoren vergt een mentaliteitsverandering richting inclusie tijd. Ze gunnen de scholen die tijd en hopen ze te ondersteunen met een richtinggevende visie op inclusie. Een andere bedreiging vormt de nog te beperkte kwaliteit van de leerlingenbegeleiding in fase 0 (brede basiszorg) en 1 (verhoogde zorg) in de scholen. Ondersteuners die in principe expertise binnen brengen in fase 2 (uitbreiding van zorg) en 3 (individueel aangepast curriculum), zien vaak hun inspanningen verloren gaan omdat ze niet verder kunnen bouwen op de fundamenten van fase 0 en 1. Ze vragen de overheid met aandrang te investeren in en toe te zien op de uitbouw van fase 0 en 1 in de scholen.

CLB’s en PB’s: het belang van een netoverstijgend geïntegreerd ondersteuningsmodel CLB’s en PB’s benoemen eveneens volmondig het co-creatiemodel als een meerwaarde en vragen bindende afspraken, verankerd in de regelgeving, zodat alle partners hun engagement ten volle opnemen. Ze onderstrepen de dringende vraag van de coördinatoren en ondersteuners aan de overheid om scholen gericht te stimuleren om hun brede basiszorg en verhoogde zorg kwaliteitsvol vorm te geven. CLB’s voelen zich in het co-creatiemodel hoogst oncomfortabel in hun rol als poortwachter. CLB’s leveren immers via een (G)V het toegangsticket tot ondersteuning. De administratieve planlast die hiermee gepaard gaat, hypothekeert naar hun aanvoelen niet alleen de samenwerking met scholen maar verlamt ook de eigen CLB-werking waardoor hun opdracht in verband met leerlingenbegeleiding op de werkvloer aan kwaliteit inboet. Zowel CLB’s als PB’s spreken zich uitdrukkelijk uit voor een netoverstijgend en geïntegreerd ondersteuningsmodel. Het huidige netgebonden tweesporenmodel vormt in hun ogen een bedreiging voor de kwaliteit van de ondersteuning en vormt een miskenning van het feit dat élk kind met specifieke opvoedings- en onderwijsbehoeften recht heeft op voldoende ondersteuning. Ze nemen aanstoot aan de huidige labeling per type die in hun ogen haaks staat op het handelingsgericht denken.

Bijgestaan door de scholen Scholen duiden twee prioritaire uitdagingen aan:

—[ 54 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Perceptie scholen (N = 24) versnippering

13

samenwerking CLB

10 0

2

4

6 sterk

8

10

12

14

groei Figuur 30 Perceptie scholen

Ook scholen kanten zich massaal tegen wat zij een versnippering van middelen noemen. Het feit dat verschillende ondersteuners vanuit verschillende organisaties (het ondersteuningsnetwerk voor de brede types en de aanbieders ondersteuning kleine types) die daarenboven verschillende principes hanteren, hun school binnen komen, ervaren zij als niet efficiënt. Ze zien bovendien net als de PB’s en de CLB’s niet in waarom leerlingen vanuit de kleine types recht hebben op meer ondersteuning dan leerlingen vanuit de brede types. Wat de scholen als een storend element in het co-creatiemodel ervaren, is de samenwerking met het CLB voor de (G)V. Ze spreken van een bottleneck en storen zich zowel aan de werkwijze als aan de tijd die CLB’s nodig hebben om het nodige handelingsgericht traject te lopen en deze verslagen op te stellen.

TOT SLOT EEN KRACHTIG SIGNAAL AAN DE OVERHEID Alle gesprekspartners: nood aan transparante regelgeving In het overgrote deel van de gesprekken onderstrepen alle gesprekspartners, zowel de coördinatoren, de ondersteuners, de scholen voor gewoon onderwijs als de buo-scholen de hoge nood aan een transparante regelgeving, een duidelijk apart juridisch statuut én meer middelen. Onderstaande grafiek geeft een beeld in hoeveel gesprekken dit aan bod kwam:

—[ 55 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


24 24 19 14 9 4 -1

17

24

18

24

24

4

3

17

15

totaal 4

aantal

3

aantal

totaal

Figuur 31 de hoge nood aan een transparante regelgeving, een duidelijk apart juridisch statuut én meer middelen aangekaart per gesprek (N = 4 x 24 + 4 + 3)

—[ 56 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


V.

INSPIRERENDE VASTSTELLINGEN

Dit populatieonderzoek onder de vorm van een terreinverkenning kan niet worden gezien als een nulmeting van de kwaliteit van de ONW omwille van het ontbreken van een solide triangulatie van bronnen en een gedragen normstelling. De terreinverkenning staat wel in dienst van een verfijnde beeldvorming over de werking van de ondersteuningsnetwerken en het verzamelen van elementen voor een eerste ontwerp van een referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning (zie 3.1 en 3.4). Op basis van de gesprekken die we voerden met de leden van de bestuursorganen, de coördinatoren van de ONW, de ondersteuners, de scholen gewoon onderwijs, de buo-scholen, de pedagogische begeleiders en de CLB’s zijn er indicaties dat: Wat betreft de kwaliteitsontwikkeling in de ONW:  een groot deel van de bouwstenen voor kwaliteit in de referentiekaders voor scholen en CLB’s ook de betrachting vormen van de ONW;  het overgrote deel van de ONW ondanks hun jonge bestaan volop geëngageerd bezig zijn met de implementatie van een aantal van die bouwstenen en over een responsief vermogen beschikken om hun kwaliteit verder te ontwikkelen;  het concept van het ondersteuningsmodel - met name in co-creatie streven naar flexibele multidisciplinair onderbouwde ondersteuning op maat van leerlingen, leraren en scholen met effect tot op de klasvloer, zo kort mogelijk maar zo lang als nodig - een breed draagvlak kent; Wat betreft het beleid in de ONW:  coördinatoren in samenspraak met ondersteuners streven naar een organisatie aangepast aan afstandswerkers met noden betreffende expertiseopbouw en -deling;  er naast de ontwikkeling van type-expertise gebaseerd op een inhoudelijke samenwerking met het buo ook nood is aan het opbouwen van coachende vaardigheden bij de ondersteuners;  de middelenverdeling tussen de buo-scholen, hun mate van betrokkenheid en de rollen die ze opnemen een impact hebben op de organisatieontwikkeling van de ONW;  de gedeelde verantwoordelijkheid tussen de buo-scholen en de ONW op het vlak van personeelsbeleid als belemmerend wordt ervaren en vragen oproept omtrent de erkenning van de rechten van (sommige) ondersteuners; Wat betreft de samenwerking binnen de ONW:  de (G)V die toegang geven tot ondersteuning bij scholen veel bedenkingen oproepen en CLB’s in een oncomfortabele positie plaatsen;  er volgens de ONW, de CLB en de pedagogische begeleiders dringend werk moet worden gemaakt van het versterken van de brede basiszorg en de verhoogde zorg in de scholen. Deze beide fasen in

—[ 57 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


het zorgcontinuüm zijn het fundament voor het verhogen van de expertise op het vlak van ondersteuning aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften;  er nood is aan een gedeelde visie, duidelijk geformuleerde taken en verwachtingen en het engagement van de scholen om de ondersteuning van de leerling, de leraren en de school kwaliteitsvol te kunnen realiseren;  naast het schoolnabij werken, de onafhankelijke en schoolexterne positie van de ondersteuners volgens de verschillende gesprekspartners een belangrijke meerwaarde vormt voor een kwaliteitsvolle inbreng op leraar- en schoolniveau;  dat er volgens de gesprekspartners nog een hele weg te gaan is om de inclusie-gedachte breed te laten doordringen en te realiseren in de klaspraktijk;  in het verlengde hiervan de ONW best blijven inzetten op professionalisering waarbij de competentiebegeleiders als pedagogisch begeleiders met deskundigheid in inclusief onderwijs een belangrijke rol spelen; Wat betreft het ondersteuningsmodel:  het tweesporenmodel met brede en kleine types weinig bijval kent bij de co-creatiepartners. Het leidt volgens hen tot versnippering van middelen en een ongelijke behandeling van leerlingen met specifieke opvoedings- en onderwijsbehoeften;  een aantal uitdagingen waarvoor de ONW gezamenlijk staan zoals de uitbouw van een gebruiksvriendelijk, multifunctioneel en onderbouwd registratiesysteem, het opbouwen en delen van goede praktijken, het verstevigen van de samenwerkingsverbanden met welzijn en met lerarenopleiders best gefaciliteerd of ondersteund worden. Ze vormen immers cruciale bouwstenen voor kwaliteit die de draagkracht van individuele organisaties overstijgen;  de roep om een transparant apart juridisch statuut, onderbouwde regelgeving en een faire toekenning van middelen voor de ONW eenduidig en unaniem is.

—[ 58 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


VI.

PERSPECTIEF OP HET VERVOLGTRAJECT

EEN ANTWOORD OP DE STARTVRAGEN Het resultaat van de terreinverkenning voor de 50 bouwstenen in confrontatie met de bestaande referentiekaders levert een antwoord op de startvragen: ‘hebben we nood aan een apart referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning?’ en ‘wat is passend vanuit de bestaande referentiekaders?’. Heel wat elementen uit de bestaande referentiekaders zijn bruikbaar voor het referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning. Dat geldt zeker voor de rubrieken die identiek zijn in het OK en het RclbK: organisatie, visie en strategisch beleid en kwaliteitsontwikkeling. De 50 bouwstenen die we selectecteerden uit deze referentiekaders en aftoetsten tijdens de terreinverkenning zijn op beperkte bijstelling na, passend voor het opstellen van een referentiekader OM. Het te ontwikkelen referentiekader voor kwaliteitsvolle ondersteuning moet wel een duidelijke plaats geven aan het partnerschap tussen het (gewoon en buitengewoon) onderwijs en het ONW. Hetzelfde geldt voor het samenwerkingsbeleid dat in het OK minder omvangrijk is uitgewerkt. Het RclbK kan daarbij als inspiratiebron dienen. Het kernproces ‘ondersteuning’ is specifiek en moet op een geëigende manier vorm krijgen. De rubriek kwaliteitsvolle begeleiding van het RclbK biedt een voedingsbodem om de werkingsprincipes van het ONW zoals multidisciplinariteit, toegankelijkheid, handelingsgericht werken… vorm te geven. We moeten nog sterker inzetten op het formuleren van onderbouwde kwaliteitsverwachtingen voor zowel de ondersteuning van leerlingen als voor leraren en schoolteams. De coördinatoren en leden van het beleidsorgaan van de ONW gaven aanbevelingen voor het doornemen van literatuur. De organisatiespecifieke documenten zoals een organogram, een visietekst, een professionaliseringsplan… die ze naar aanleiding van de terreinverkenning ter beschikking stelden bevatten elementen die de kwaliteitsbeelden verder kunnen stofferen. Bovendien zal het rapport van de evaluatiecommissie ondersteuningsmodel ongetwijfeld een rijke inspiratiebron zijn. CLB’s en PB’s drongen er in de gesprekken op aan om een sober referentiekader te maken dat dezelfde terminologie en een gelijkaardige structuur hanteert als de al bestaande kaders. Ze vragen om doordacht om te gaan met het ontwikkelen van nieuwe referentiekaders (NAFT en ondersteuningsmodel) en vooral in te zetten op sterke dwarsverbindingen tussen de verschillende referentiekaders. Ze achten een aanpassing van de huidige referentiekaders (OK en RclbK) nodig om het ondersteuningsmodel een zichtbare plaats en de nodige aandacht te geven.

—[ 59 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


EEN STERKERE BEELDVORMING De terreinverkenning versterkte de beeldvorming met het oog op het ontwikkelen van bijkomende en specifieke kwaliteitsverwachtingen en het opstellen van kwaliteitsbeelden. Elementen als gedeelde verantwoordelijkheid, een heldere rol- en taakverdeling en een doeltreffende samenwerking op beleidsniveau moeten we in overweging nemen. De bouwstenen voor de vormgeving van de ondersteuning die we voornamelijk uit de regelgeving haalden, moeten worden aangevuld. Naast een aantal werkingsprincipes missen we nog kwaliteitsverwachtingen over onder meer de communicatie tussen de ondersteuner en de ouders en de leerlingen, de afweging tussen klasintern en -extern ondersteunen, de afronding van het ondersteuningstraject, de nazorg, het schoolnabij en versterkend werken op het vlak van inclusie, de samenwerking tussen de aanbieders ondersteuning kleine types en de ONW, de beschikbaarheid van een comfortabele infrastructuur…

DE VOLGENDE STAPPEN Naast een literatuurstudie hebben we nood aan een verdere verkenning van de ondersteuning kleine types. De combinatie van een terreinverkenning ondersteuning brede en kleine types was via een werkbezoek van één werkdag niet haalbaar. Bovendien is het zicht op de aanbieders van ondersteuning kleine types op dit moment nog minder scherp dan het zicht op de ONW voor de terreinverkenning. De lijst van de ONW is beschikbaar op het web. Een volledig overzicht van de aanbieders ondersteuning kleine types hebben we vooralsnog niet. In sommige ONW wordt de ondersteuning voor de kleine types geïntegreerd, in andere deels, in nog andere niet. Sommige aanbieders ondersteuning kleine types hebben een regionale werking, andere een provinciale, nog andere een Vlaamse. Sommige buo-scholen met een ondersteuningsaanbod voor een klein type werken in een hecht samenwerkingsverband, andere niet. Er zijn verschillen per type… Een grondigere verkenning van de inplanting en het aanbod van de ondersteuning kleine types is daarom aangewezen. Een gelijkaardige terreinverkenning als bij de ONW op een selectie van aanbieders van ondersteuning kleine types is nodig om een volledig beeld te krijgen van het huidige ondersteuningsmodel en het referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning verder vorm te geven.

—[ 60 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


VII. BIJLAGEN

BIJLAGE 1: VRAGENLIJST VOOR DE ONW Organisatie Wat houdt de functie van coördinator in? Hoe is het coördinatorenoverleg georganiseerd? Indien het ONW werkt met deelteams, hoe worden die samengesteld? Hoe wordt het overleg tussen de coördinatoren en de ondersteuners georganiseerd en hoe wordt het overleg tussen de ondersteuners onderling georganiseerd? Wie neemt welke rol op in de besluitvorming van het ONW: het beleidsorgaan, de coördinatoren, de ondersteuners, externen? Hoe wordt over de werking van het ONW gecommuniceerd met partners? Visie en strategisch beleid Heeft het ONW een visie uitgewerkt op kwaliteitsvolle ondersteuning? Indien wel, wat houdt die visie in en wie was erbij betrokken? Welke afspraken zijn er gemaakt met de ondersteuners en wat doet het ONW om hen te ondersteunen? Welke materialen stelt het ter beschikking? Hoe volgt het ONW de ondersteuningstrajecten en de werking van de ondersteuners in de scholen op? Vormgeving van de ondersteuning Hoe verloopt de aanmelding van een ondersteuningsvraag? Zijn er ondersteuningsvragen die geweigerd worden? Zo ja, waarom? Binnen welke termijn wordt de ondersteuning opgestart? Hoe vormen ondersteuners zich een beeld van de concrete ondersteuningsbehoeften van leerlingen en lerarenteams? Hoe worden de inhoud en de intensiteit van de ondersteuning bepaald? Hoe worden ondersteuningsvragen toegewezen aan ondersteuners? Hoe wordt er voor de ondersteuningstrajecten afgestemd tussen alle betrokkenen? Worden ondersteuningstrajecten op leerling- of schoolteamniveau geëvalueerd en bijgestuurd? Werken de ondersteuners volgens de principes van handelingsgericht werken? Personeelsbeleid en professionalisering Hoe verloopt de aanwerving van ondersteuners binnen het ONW? Welk profiel moet een ondersteuner hebben? Welke taken nemen competentiebegeleiders op binnen het ONW? Welke zijn de belangrijkste accenten/prioriteiten in het professionaliseringsbeleid van het ONW? Hoe worden personeelsleden van het ONW geëvalueerd?

—[ 61 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Samenwerking Beschikt het ONW over een aanspreekpunt voor ouders en leerlingen? Hoe werken de ondersteuners samen met de interne leerlingenbegeleiders/zorgcoördinatoren? Hoe en voor welke thema's werkt het ONW samen met CLB's? Hoe en voor welke thema's werkt het ONW samen met begeleidingsdiensten? Met welke andere partners werkt het ONW samen? Werkt het ONW samen met andere ONW? Zo ja, met welke en waarvoor? Kwaliteitsontwikkeling Heeft het ONW reeds aspecten van zijn werking geëvalueerd? Indien wel: welke aspecten, op welke wijze en met wie? Houdt het ONW data bij? Zo ja, welke? Hoe gaat het om met bepaalde vaststellingen? Hoe gaat het ONW om met problemen en knelpunten gemeld door ouders, ondersteuners, scholen, een CLB...? Middelen Hoeveel omkadering krijgt en wendt het ONW aan per type? Is er een voorafname van de middelen voor de kleine types? Wat zijn de criteria voor de verdeling van de middelen over de scholen? Sterktes, groeikansen en prioriteiten Welke sterktes ervaart het ONW en wil het borgen in een volgorde van 1 tot 3? Welke groeikansen ervaart het ONW en wil het prioritair op inzetten in een volgorde van 1 tot 3? Tips voor een referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning Heeft het ONW tips om het referentiekader kwaliteitsvolle ondersteuning op te stellen: voorbeelden, inspirerende literatuur? Welke stakeholders moeten we zeker betrekken?

—[ 62 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


BIJLAGE 2: OVERZICHT VAN DE 50 BOUWSTENEN EN DE SELECTIE PER GESPREKSPARTNER Bouwstenen

Beleid

Organisatie 1. coördinatoren aangesteld met een transparante opdracht; 2. overlegstructuren voor het realiseren van een coherent beleid; 3. ondersteuningsteams samengesteld op basis van de noden van ondersteuning, deskundigheid en multidisciplinariteit; 4. gestructureerd overleg en/of doeltreffende communicatiekanalen tussen coördinatoren en ondersteuners; 5. ruimte voor overleg, intervisie en expertisedeling tussen de ondersteuners; 6. participatie in de besluitvorming voor ondersteuners; 7. participatie in de besluitvorming van de vier co-creatiepartners; 8. beleidsruimte voor een autonome organisatie; 9. externe communicatie over de werking. Visie en strategisch beleid 10. een eigen en richtinggevende visie; 11. tot stand gekomen in samenspraak met interne en externe partners; 12. vertaald in een strategisch plan om de visie te realiseren; 13. transparante afspraken en maatregelen met het oog op gelijkgerichtheid; 14. de ondersteuning van de ondersteuners; 15. de aandacht voor leraargerichte, schoolgerichte en leerlinggerichte ondersteuning; 16. het opvolgen van de ondersteuners; 17. het registreren van relevante gegevens. Vormgeving van de ondersteuning 18. een transparante aanmeldingsprocedure voor de scholen; 19. onderbouwde criteria om een ondersteuningsvraag te weigeren; 20. opstart van de ondersteuning binnen een redelijke termijn: 21. een accurate beeldvorming van de leerling en de school; 22. onderbouwde criteria om de intensiteit en de duur van de ondersteuning te bepalen; 23. gebruik van de gemotiveerde verslagen van het CLB; 24. inzet van de ondersteuners volgens deskundigheid; 25. afstemming met ouders, leerlingen en de school over de vorm en de inhoud van de ondersteuning; 26. geregelde evaluatie en bijsturing; 27. aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij leerlingen; 28. aandacht voor de resultaten en effecten van de ondersteuning bij leraren en lerarenteams; 29. hanteren van de principes van handelingsgericht werken.

Ondersteuners

Scholen gewoon onderwijs

Scholen buitengewoon onderwijs

X X X X X

X

X X X X

X

X X X X

X X

X

X

X

X X X X

X

X X X X X

X X

X X X X X

X X X

X X X

X X X

X X

X X

X X

X

X

X

X

X

X

—[ 63 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Samenwerking 30. de aanwezigheid van een aanspreekpunt voor ouders/leerlingen; 31. de wijze waarop ouders/leerlingen geïnformeerd worden; 32. de samenwerking met schoolinterne leerlingenbegeleiders/zorgcoördinatoren; 33. de samenwerking met het CLB met het oog op een doeltreffende ondersteuning van de leerlingen en van de scholen; 34. de samenwerking met de PB's met het oog op een doeltreffende schoolondersteuning; 35. de samenwerking met andere partners binnen het werkgebied met het oog op een doeltreffende ondersteuning van alle leerlingen en scholen; 36. de samenwerking van het ONW met andere ONW met het oog op expertisedeling en de continuïteit van de ondersteuning voor alle leerlingen. Personeelsbeleid en professionalisering 37. De aanwerving van ondersteuners op basis van een onderbouwd profiel; 38. De multidisciplinaire samenstelling van het ondersteuningsteam; 39. De inzet van de competentiebegeleiders op een onderbouwde manier; 40. De professionalisering van de ondersteuners op basis van behoeften en noden; 41. Een doeltreffende aanvangsbegeleiding; 42. Een stimulans voor nieuwe inzichten en vernieuwingen; 43. Transparante afspraken voor de evaluatie van personeelsleden Kwaliteitsontwikkeling 44. de evaluatie van sommige aspecten van de werking op een betrouwbare manier; 45. een doelgericht kwaliteitsbeleid; 46. informatiegeletterdheid via het bijhouden van relevante kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over de werking; 47. het bijstellen van de werking op basis van problemen en knelpunten of het responsief vermogen. Middelenbeleid 48. de efficiënte besteding van de middelen zowel voor coördinatie als voor ondersteuning; 49. het zicht op en het invullen van de materiële noden van de ondersteuners; 50. de afspraken inzake middelenverdeling met een waarborg voor de kleine types.

X X X

X

X

X X X X

X X X X

X

X

X

X X X

X X

X X X X

X

X X X

X X

X X

—[ 64 ]— Ondersteuningsnetwerken [September 2019]


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Rapport_terreinverkenning.pdf by Vlaanderen-be - Issuu