Skip to main content

LARA_Sectorenboek_DIGI.pdf

Page 1

SECTOREN


1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35. 36. 37. 38. 39. 40. 41. 42. 43. 44. 45. 46. 47. 48. 49. 50. 51. 52. 53. 54. 55. 56. 57. 58. 59. 60. 61. 62. 63. 64. 65. 66. 67. 68. 69. 70. 71. 72. 73. 74.

Aalst Aalter Aarschot Aartselaar Affligem Alken Alveringem Antwerpen Anzegem Ardooie Arendonk As Asse Assenede Avelgem Baarle-Hertog Balen Beernem Beerse Beersel Begijnendijk Bekkevoort Beringen Berlaar Berlare Bertem Bever Beveren Bierbeek Bilzen Blankenberge Bocholt Boechout Bonheiden Boom Boortmeerbeek Borgloon Bornem Borsbeek Boutersem Brakel Brasschaat Brecht Bredene Bree Brugge Buggenhout Damme De Haan De Panne De Pinte Deerlijk Deinze Denderleeuw Dendermonde Dentergem Dessel Destelbergen Diepenbeek Diest Diksmuide Dilbeek Dilsen-Stokkem Duffel Edegem Eeklo Erpe-Mere Essen Evergem Galmaarden Gavere Geel Geetbets Genk

75. 76. 77. 78. 79. 80. 81. 82. 83. 84. 85. 86. 87. 88. 89. 90. 91. 92. 93. 94. 95. 96. 97. 98. 99. 100. 101. 102. 103. 104. 105. 106. 107. 108. 109. 110. 111. 112. 113. 114. 115. 116. 117. 118. 119. 120. 121. 122. 123. 124. 125. 126. 127. 128. 129. 130. 131. 132. 133. 134. 135. 136. 137. 138. 139. 140. 141. 142. 143. 144. 145. 146. 147. 148.

Gent Geraardsbergen Gingelom Gistel Glabbeek Gooik Grimbergen Grobbendonk Haacht Haaltert Halen Halle Ham Hamme Hamont-Achel Harelbeke Hasselt Hechtel-Eksel Heers Heist-op-den-Berg Hemiksem Herent Herentals Herenthout Herk-de-Stad Herne Herselt Herstappe Herzele Heusden-Zolder Heuvelland Hoegaarden Hoeilaart Hoeselt Holsbeek Hooglede Hoogstraten Horebeke Houthalen-Helchteren Houthulst Hove Huldenberg Hulshout Ichtegem Ieper Ingelmunster Izegem Jabbeke Kalmthout Kampenhout Kapellen Kapelle-op-den-Bos Kaprijke Kasterlee Keerbergen Kinrooi Kluisbergen Knesselare Knokke-Heist Koekelare Koksijde Kontich Kortemark Kortenaken Kortenberg Kortessem Kortrijk Kraainem Kruibeke Kruishoutem Kuurne Laakdal Laarne Lanaken

Landen Langemark-Poelkapelle Lebbeke Lede Ledegem Lendelede Lennik Leopoldsburg Leuven Lichtervelde Liedekerke Lier Lierde Lille Linkebeek Lint Linter Lochristi Lokeren Lommel Londerzeel Lo-Reninge Lovendegem Lubbeek Lummen Maarkedal Maaseik Maasmechelen Machelen Maldegem Malle Mechelen Meerhout Meeuwen-Gruitrode Meise Melle Menen Merchtem Merelbeke Merksplas

133

189. 190. 191. 192. 193. 194. 195. 196. 197. 198. 199. 200. 201. 202. 203. 204. 205. 206. 207. 208. 209. 210. 211. 212. 213. 214. 215. 216. 217. 218. 219. 220. 221. 222. 223. 224. 225. 226. 227. 228.

Mesen Meulebeke Middelkerke Moerbeke Mol Moorslede Mortsel Nazareth Neerpelt Nevele Niel Nieuwerkerken Nieuwpoort Nijlen Ninove Olen Oostende Oosterzele Oostkamp Oostrozebeke Opglabbeek Opwijk Oudenaarde Oudenburg Oud-Heverlee Oud-Turnhout Overijse Overpelt Peer Pepingen Pittem Poperinge Putte Puurs Ranst Ravels Retie Riemst Rijkevorsel Roeselare

229. 230. 231. 232. 233. 234. 235. 236. 237. 238. 239. 240. 241. 242. 243. 244. 245. 246. 247. 248. 249. 250. 251. 252. 253. 254. 255. 256. 257. 258. 259. 260. 261. 262. 263. 264. 265. 266. 267. 268.

123

68 288

227

111 16 188

Ronse Roosdaal Rotselaar Ruiselede Rumst Schelle Scherpenheuvel-Zichem Schilde Schoten Sint-Amands Sint-Genesius-Rode Sint-Gillis-Waas Sint-Katelijne-Waver Sint-Laureins Sint-Lievens-Houtem Sint-Martens-Latem Sint-Niklaas Sint-Pieters-Leeuw Sint-Truiden Spiere-Helkijn Stabroek Staden Steenokkerzeel Stekene Temse Ternat Tervuren Tessenderlo Tielt Tielt-Winge Tienen Tongeren Torhout Tremelo Turnhout Veurne Vilvoorde Vleteren Voeren Vorselaar

224

269. 270. 271. 272. 273. 274. 275. 276. 277. 278. 279. 280. 281. 282. 283. 284. 285. 286. 287. 288. 289. 290. 291. 292. 293. 294. 295. 296. 297. 298. 299. 300. 301. 302. 303. 304. 305. 306. 307.

Vosselaar Waarschoot Waasmunster Wachtebeke Waregem Wellen Wemmel Wervik Westerlo Wetteren Wevelgem Wezembeek-Oppem Wichelen Wielsbeke Wijnegem Willebroek Wingene Wommelgem Wortegem-Petegem Wuustwezel Zandhoven Zaventem Zedelgem Zele Zelzate Zemst Zingem Zoersel Zomergem Zonhoven Zonnebeke Zottegem Zoutleeuw Zuienkerke Zulte Zutendaal Zwalm Zwevegem Zwijndrecht

249 125

43

263 214 11 42 31 179 19 269 193 225 89 237 236 296 46 48 8 49 302 242 162 28 44 128 57 197 283 240 168 14 307 205 268 252 289 39 127 286 216 178 66 293 212 122 32 223 195 272 192 82 72 17 245 191 78 270 143 95 65 33 18 202 98 97 204 45 130 69 92 217 115 132 297 253 4 181 135 201 160 156 118 291 207 271 234 136 167 175 277 24 171 166 87 134 38 19935233 64 50 182 146 2 88 94 117 261 23 292 222 284 285 232 241 264 61 75 58 256 198 238 113 101 221 209 63 147 25 158 137 180 55 104 34 129 12 47 169 126 244 219 257 26221 3 235 60 173 298 110 184 278 281 53 51 10 151 7 294 36 176 187 74 170 114 250 152 210 231 183 83 196 56 190 85 99 186 1 81 228 124 303 91 304 22 71 206 243 67 121 208282 266 150 109 258 265251 59 144 295 148 13 275 5 120 138 73 200 177290 139 96 157 172 6 305 300 103 84 54 254 299 194 153 154 90 273 30 220 79 119 211 140 108 142280 145 52 287 26 274 159 62 230 279 301 112 40 9 29 203 255 276 247 155 259 165 226 213 37 174 41 161 185 141 306 116 105 246 80 15 131 260 76 106 163 107 215 93 189 149 77 229 70 218 20 239 248 102 86 27 100

149. 150. 151. 152. 153. 154. 155. 156. 157. 158. 159. 160. 161. 162. 163. 164. 165. 166. 167. 168. 169. 170. 171. 172. 173. 174. 175. 176. 177. 178. 179. 180. 181. 182. 183. 184. 185. 186. 187. 188.

LANDBOUWRAPPORT 2010

SECTOREN

Overhandigd op 15 januari 2011 aan

Kris Peeters

Minister-president van de Vlaamse Regering

Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid

267


COLOFON Redactie

Stuurgroep

Jonathan Platteau, Dirk Van Gijseghem,

Voorzitter: Dirk Van Gijseghem

Tom Van Bogaert

Projectleider: Jonathan Platteau Verslaggever: Tom Van Bogaert

Vormgeving Seppe Bernar

Leden op voordracht van de Strategische Adviesraad Landbouw en Visserij

Druk

Vicky Goossens (ABS)

Peeters nv

Leen Schrevens (Groene Kring) Emiel Brouckaert (Rederscentrale)

Beeldmateriaal © Fotografie Koen De Langhe: cover, p. 82-83, 118-119

Koen Carels, Dirk Van Guyze Leden op voordracht van het Beleidsdomein LV

© Vilda - Yves Adams: p. 20-21, 36-37, 162-163

Annemie Leys

© Istockphoto - Alex Nikada: p. 60-61

Lieve Vleurick Sandra De Schepper

Depotnummer D/2010/3241/433

Verantwoordelijke uitgever Jules Van Liefferinge Secretaris-generaal

Luc Van Bellegem Leden op voordracht van het Beleidsdomein LNE Jan Kielemoes Leden op voordracht van het Beleidsdomein EWI

Departement Landbouw en Visserij

Ferdi Soors

Administratie

Experts

Departement Landbouw en Visserij

Stijn Overloop (VMM - MIRA)

Afdeling Monitoring en Studie

Fleur Marchand (ILVO)

Koning Albert II-Laan 35, bus 40

Marc Rosiers (Boerenbond)

1030 Brussel ams@vlaanderen.be www.vlaanderen.be/landbouw Tel. 02 552 78 20 Fax 02 552 78 21

© Vlaamse overheid, Departement Landbouw en Visserij Alle rechten voorbehouden. Overname van gedeelten van de tekst in publicaties met een educatief of wetenschappelijk doel is toegestaan mits de bron vermeld wordt: Platteau J., Van Gijseghem D. & Van Bogaert T. (reds.) (2010) Landbouwrapport 2010, Departement Landbouw en Visserij, Brussel. Het Landbouwrapport 2010 is beschikbaar op www.vlaanderen.be/landbouw/studies.

Colofon

7


WOORD VOORAF We hebben er ditmaal voor gekozen om het Landbouwrapport 2010 in twee delen op te stellen. Dit boekdeel geeft een beschrijving van de verschillende sectoren van de Vlaamse land- en tuinbouw: varkens, pluimvee, grondgebonden veeteelt, tuinbouw en akkerbouw. Het andere boekdeel beschrijft de Vlaamse landbouw vanuit twee perspectieven: een omgevingsperspectief en een duurzaamheidsperspectief. Er is duidelijk nood aan objectieve, cijfermatige informatie en duiding over de Vlaamse land- en tuinbouw. De vele vragen die gesteld worden aan het Departement Landbouw en Visserij over de situatie waarin de verschillende sectoren en hun producten zich bevinden, bewijzen dat. Daarom hebben we ervoor geopteerd deze sectorhoofdstukken in een apart boekdeel te publiceren. De verschillende sectoren worden op een identieke manier beschreven: structuur van de sector, productie, consumptie en rentabiliteit. We gaan ervan uit dat door dit boek de kennis over en de waardering van de land- en tuinbouw in Vlaanderen gevoelig zal toenemen. We wensen u veel kijk- en leesplezier met het LARA 2010. Jules Van Liefferinge Dirk Van Gijseghem Secretaris-generaal Voorzitter Stuurgroep Departement Landbouw en Visserij

December 2010

Woord vooraf

9


INHOUD COLOFON . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 WOORD VOORAF . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 INLEIDING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15

VARKENSΜ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39 1 STRUCTUUR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40 1.1  Veestapel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40 1.2  Productie-eenheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41 1.2.1  Aantal bedrijven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41 1.2.2  Bedrijfsgrootte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43 1.3  Economisch belang op gemeenteniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45

ALGEMENE BESCHRIJVING VAN DE VLAAMSE LANDBOUW. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23 1  ECONOMISCH BELANG . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 2  DE BEDRIJFSSTRUCTUUR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28 3  BEDRIJFSECONOMISCHE KENGETALLEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31 3.1  Landbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31 3.2  Tuinbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32

2 PRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46 2.1  Productievolume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46 2.2  Productiewaarde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47 3  AANWENDING VAN DE PRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48 3.1  Consumptie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48 3.2  Zelfvoorzieningsgraad . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48 3.3  Buitenlandse handel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49 4 RENTABILITEIT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51 4.1  Prijzen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51 4.2  Technische en financiële resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53 4.2.1  Bedrijfstak vermeerdering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53 4.2.2  Bedrijfstak vetmesting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54 4.2.3  Bedrijfsresultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55

10

Inhoud

Inhoud

11


PLUIMVEE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63

GRONDGEBONDEN VEETEELT. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85

1 STRUCTUUR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64

1 STRUCTUUR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86

1.1  Veestapel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64

1.1  Veestapel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86

1.2  Productie-eenheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66

1.2  Productie-eenheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88

1.2.1  Aantal bedrijven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66

1.2.1  Aantal bedrijven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88

1.2.2  Bedrijfsgrootte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68

1.2.2  Bedrijfsgrootte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88

1.3  Economisch belang op gemeenteniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70

2 MELKPRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91

2 PRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71

2.1  Productie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92

2.1  Productievolume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71

2.1.1  Productievolume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92

2.2  Productiewaarde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73

2.1.2  Productiewaarde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94

3  AANWENDING VAN DE PRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74 3.1  Consumptie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74 3.2  Zelfvoorzieningsgraad . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74 3.3  Buitenlandse handel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75

2.2  Aanwending van de productie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95 2.2.1  Consumptie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95 2.2.2  Zelfvoorzieningsgraad . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96 2.2.3  Buitenlandse handel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96 2.3  Rentabiliteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98

4 RENTABILITEIT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77

2.3.1  Prijsevolutie

4.1  Prijsevolutie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77

2.3.2  Technische en financiële resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100

4.2  Technische en financiële resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78 4.2.1  Legkippen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78 4.2.2  Vleeskippen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98

3 RUNDVLEESPRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104 3.1  Productie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105 3.1.1  Productievolume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105 3.1.2  Productiewaarde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106 3.2  Aanwending van de productie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106 3.2.1  Consumptie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106 3.2.2  Zelfvoorzieningsgraad . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107 3.2.3  Buitenlandse handel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107 3.3  Rentabiliteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109 3.3.1  Prijsevolutie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109 3.3.2  Financiële resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110 4 VOEDERGEWASSEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114

12

Inhoud

Inhoud

13


TUINBOUW . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121

AKKERBOUW. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165

1 STRUCTUUR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122

1 STRUCTUUR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 166

1.1  Areaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122

1.1  Areaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 166

1.2  Productie-eenheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130

1.2  Productie-eenheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173

1.2.1  Aantal bedrijven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130

1.2.1  Aantal bedrijven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173

1.2.2  Bedrijfsgrootte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 131

1.2.2  Bedrijfsgrootte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 173

1.3  Economisch belang op gemeenteniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136

1.3  Economisch belang op gemeenteniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 175

2 PRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140

2 PRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176

2.1  Productievolume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140

2.1  Productievolume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176

2.2  Productiewaarde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142

2.2  Productiewaarde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178

3  AANWENDING VAN DE PRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143

3  AANWENDING VAN DE PRODUCTIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179

3.1  Consumptie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143

3.1  Consumptie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179

3.2  Zelfvoorzieningsgraad . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145

3.2  Zelfvoorzieningsgraad . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179

3.3  Buitenlandse handel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145

3.3  Buitenlandse handel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180

4 RENTABILITEIT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150

4 RENTABILITEIT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182

4.1  Prijsevolutie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150

4.1  Prijsevolutie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182

4.2  Technische en financiële resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153

4.2  Technische en financiële resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185

4.2.1  Groente- en aardbeiensector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 153

4.2.1  Bedrijfstak akkerbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185

4.2.2  Fruitsector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155

4.2.2  Bedrijfsresultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189

4.2.3  Sierteeltsector . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157

14

Inhoud

BEGRIPPEN EN METHODOLOGISCHE TOELICHTINGEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 193

Inhoud

15


INLEIDING Dit is de derde editie van het Landbouwrapport (LARA). Met dit rapport proberen we de Vlaamse landbouw-, tuinbouw- en visserijsector zo accuraat mogelijk te beschrijven. Om een goed landbouwbeleid te voeren, is het noodzakelijk te beschikken over een betrouwbaar, op cijfers en onderzoek gebaseerd referentiekader. Dit rapport is daarom in de eerste plaats bedoeld voor de beleidsbetrokkenen, maar wil ook voldoende toegankelijk zijn voor de geïnteresseerde burger. Het rapport probeert zo volledig mogelijk te zijn in de beschrijving van de Vlaamse land- en tuinbouw en visserij met inbegrip van het betreffende beleid. In vergelijking met het vorige rapport uit 2009 (LARA 2008) valt meteen op dat het Landbouwrapport 2010 uit twee boeken bestaat. Het algemene boek blijft de hoofdmoot, maar er is een afzonderlijk sectorenboek bijgekomen. Dat boek beschrijft de toestand van alle land- en tuinbouwsectoren in Vlaanderen. Decretale opdracht Met het decreet van 6 juli 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij werd de opmaak van het Landbouwrapport decretaal verankerd. Het decreet beschrijft de opmaak van het Landbouwrapport als volgt: Het tweejaarlijks te verschijnen Landbouwrapport zal een beschrijving geven van de evolutie van de landbouw en de visserijsector in Vlaanderen. Het rapport bestaat uit: zz

zz

zz

een beschrijving, analyse en evaluatie van de toestand van de landbouw en de visserij in Vlaanderen; een beschrijving, analyse en evaluatie van het door het beleidsdomein gevoerde landbouw- en visserijbeleid; een beschrijving van de verwachte ontwikkelingen van de Vlaamse landbouw en visserij.

Een stuurgroep zal het Departement Landbouw en Visserij bijstaan bij de opmaak. Afgevaardigden van de Strategische Adviesraad maken deel uit van deze stuurgroep.

Inleiding

17


Landbouwrapport in twee boeken Om de landbouw in al zijn facetten op een gestructureerde wijze te beschrijven kozen we voor een tweeledige structuur.

In elk van deze sectorhoofdstukken komen volgende aspecten aan bod: zz

In dit boek wordt de landbouw per subsector beschreven: zz

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw In dit hoofdstuk wordt, als inleiding op de analyse van de sectoren, de land- en tuinbouw in zijn geheel geschetst. Daarbij komen de economische, structurele en de bedrijfseconomische aspecten aan bod.

zz

zz

zz

Varkens zz

De varkenshouderij is economisch een zeer belangrijke bedrijfstak binnen de Vlaamse land- en tuinbouw en kan opgedeeld worden in twee oriëntaties: opfok en vleesproductie. In dit hoofdstuk worden beide deelsectoren geanalyseerd. zz

Pluimvee De pluimveesector kan ingedeeld worden in drie activiteiten: vermeerdering, productie van consumptie-eieren en vleesproductie. Voor sommige kengetallen wordt de legsector (consumptie- en broedeieren) in zijn geheel beschouwd. Wat de vleesproductie betreft, wordt de analyse vooral toegespitst op de productie van kippenvlees.

zz

Grondgebonden veeteelt De rundveehouderij kan ingedeeld worden in twee specialisaties: de vleesveeen de melkveehouderij. In dit hoofdstuk worden, na een globale analyse van de sectorstructuur, beide oriëntaties meer in detail toegelicht. Aangezien de rundveesector de bedrijfstak is die in Vlaanderen het grootste gedeelte van het landbouwareaal in beslag neemt in de vorm van voederteelten, wordt op het einde van dit hoofdstuk aandacht besteed aan deze gewassen.

zz

De structurele beschrijving van de sector biedt een antwoord op de volgende vragen: hoe groot is die sector (areaal, aantal dieren, aantal bedrijven enz.)?, hoe zien de bedrijven eruit?, hoe belangrijk is de sector? en hoe zijn al deze elementen geëvolueerd in de loop der jaren? In het tweede deel wordt de productie van de sector besproken aan de hand van de geproduceerde hoeveelheden en de totale productiewaarde. Op basis van de consumptie- en handelsgegevens wordt aangegeven hoe en waarvoor deze productie wordt aangewend. Het laatste deel geeft een overzicht van de prijzen die de landbouwer ontvangt voor zijn producten en de rentabiliteit van zijn bedrijf, gebaseerd op de beschikbare gegevens uit het Landbouwmonitoringsnetwerk (AMS-LMN).

In het andere boek komen sectoroverkoepelende aspecten aan bod. Daarbij wordt uitgegaan van het internationale perspectief, dat via het (landbouw)beleid inspeelt op de Vlaamse landbouw zelf. Vervolgens wordt de Vlaamse landbouw weergegeven volgens de drie duurzaamheidspijlers: economisch (zowel landbouw in enge vorm als het volledige agrobusinesscomplex), milieu en sociaal.

Internationale ontwikkelingen (politiek, economisch, sociaal, milieu, enz.)

Europese context van de landbouw

Economisch

Landbouw ABC

Landbouwbeleid

Milieu

Sociaal

Tuinbouw De tuinbouwproducties zijn zeer divers. De grote subsectoren zijn groenteteelt, fruitteelt en sierteelt. Elk van deze oriëntaties kent zowel teelt in open grond als teelt onder glas. In dit hoofdstuk worden voor de verschillende indicatoren de drie oriëntaties apart geanalyseerd en wordt, waar mogelijk, een verdere opdeling gemaakt tussen de teelt in openlucht en onder glas.

zz

Akkerbouw De akkerbouw omvat een brede waaier van gewassen: granen, nijverheidsgewassen (suikerbieten, vlas, koolzaad, enz.), aardappelen en droog geoogste peulvruchten. De analyse in dit hoofdstuk wordt toegespitst op de drie belangrijkste teelten: granen, aardappelen (exclusief pootaardappelen) en suikerbieten.

18

Inleiding

Inleiding

19


Het boek telt acht hoofdstukken. zz

Economische en politieke ontwikkelingen op internationaal vlak

zz

Landbouw in de Europese Unie

zz

Het Vlaamse landbouwbeleid

zz

Het agrobusinesscomplex

zz

Structurele en economische kenmerken van de landbouw

zz

Landbouw en zijn natuurlijke omgeving

zz

Sociale aspecten van de landbouw

zz

Visserij

Hoofdlijnen Elk hoofdstuk van het Landbouwrapport wordt voorafgegaan door een bondige samenvatting in de vorm van een aantal hoofdlijnen, zodat de lezer in een oogopslag kan zien wat er in de tekst staat.

Landbouwrapport 2010 als schakel in de ketting Het LARA wordt geflankeerd door drie complementaire producten van de afdeling Monitoring en Studie van het Departement Landbouw en Visserij: het landbouwzakboekje, de feiten en cijfers op de website en het studiewerk. zz

zz

zz

Landbouwindicatoren in zakformaat is een handige en compacte publicatie die het actuele cijfermateriaal over de Vlaamse land- en tuinbouw bevat. Het tweejaarlijkse landbouwzakboekje verscheen eind 2009 voor de vijfde keer. De cijferrubriek op de website van Landbouw en Visserij wordt regelmatig geactualiseerd. In de rubriek komen economische, structurele, sociale en milieu-indicatoren aan bod. Ook het landbouwbeleid krijgt de nodige aandacht. U vindt de gegevens op www.vlaanderen.be/landbouw/cijfers. Beleidsvoorbereidend studiewerk binnen het Departement Landbouw en Visserij en wetenschappelijk onderzoek in verschillende onderzoeksinstellingen vormen de kennisbasis van het LARA. Deze studies richten zich op een publiek dat op zoek is naar uitgebreide informatie en diepgaande analyses. De rapporten van de departementale studiedienst zijn raadpleegbaar op de webpagina www.vlaanderen.be/ landbouw/studies.

Begrippenlijst Aangezien het niet mogelijk is om in de tekst alle begrippen en berekeningswijzen uit te leggen, is achteraan in het rapport een bijlage ‘Begrippen en methodologische toelichtingen’ opgenomen. Hierin vindt u bijvoorbeeld wat het bruto standaard saldo inhoudt of hoe het economische belang van een sector wordt berekend. Bronnen Het Landbouwrapport is het resultaat van de verwerking en analyse van beschikbaar, al dan niet gepubliceerd cijfermateriaal, afkomstig van diverse databanken, zowel beleidsinterne (verschillende afdelingen van het beleidsdomein Landbouw en Visserij, Studiedienst Vlaamse Regering, Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Vlaamse Milieumaatschappij) als beleidsexterne instellingen (Eurostat, FOD Economie - Algemene directie Statistiek en Economische Informatie). Aan het einde van elk hoofdstuk volgt een opsomming van de geraadpleegde bronnen. Wat de opgestelde statistieken betreft, geldt dat alle cijfers betrekking hebben op Vlaanderen, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld. Het gaat om de laatst beschikbare gegevens, wat niet voor alle indicatoren hetzelfde jaar is. Voor de evoluties van de indicatoren worden, indien mogelijk, consistente reeksen opgesteld vanaf 1999.

20

Inleiding

Inleiding

21


H1

Els Bernaerts, Els Demuynck

VLAANDEREN BEDRIJFSINKOMEN AANTAL FAMILIALE AKKERBOUW VARKENS CULTUURGROND EINDPRODUCTIEWAARDE

AANDEEL

VEEVOEDERS GESTEGEN STIJGING

RUNDVEE TABEL BASIS TUINBOUWWAARDE BELANG

COMBINATIE KOSTEN TUINBOUWBEDRIJVEN

VEETEELT VERGELIJKBARE EURO LANDBOUW

ECONOMISCH SECTOR BRUTO

VARKENS TOEGEVOE

VOEDERGEWASSEN GROOTSTE FRUIT ARBEIDSINKOMEN OPPERVL

FAK GROENTEN

MESTSTOFFEN MILJARD

AKKERBOUW

AGRARISCHE

LANDBOUWTYPERINGSKAART

MELK

MILJOEN

LANDBOUWBEDRIJVEN

VENNOOTSCHAPPEN

BEDRIJ GEMIDDELDE INKOMEN

BEDRIJFSECONOMISCHE

GEMIDDELD

HOOFDLIJNEN De Vlaamse land- en tuinbouw is economisch een belangrijke sector. Hij stelde in 2009 58.600 personen regelmatig tewerk en genereerde de afgelopen 3 jaar gemiddeld een eindproductiewaarde van 4,8 miljard euro en een netto toegevoegde waarde van 1,1 miljard euro. Binnen de Vlaamse landbouw is de veeteelt sterk ontwikkeld. Van de totale eindproductiewaarde wordt er 60% gerealiseerd door de veeteeltsector. Tuinbouw is goed voor 31 % en akkerbouw voor 9 %. Hoewel de landbouw steeds minder belangrijk wordt als bron van tewerkstelling, blijft de sector de hoeksteen van het platteland. 46 % van de Vlaamse oppervlakte wordt bewerkt door de land- en tuinbouw. De landbouwproducten en de agrovoedingswaren nemen bovendien een aanzienlijk aandeel van de Belgische uitvoerwaarde voor hun rekening. De uitvoer overtreft de invoer met 3,4 miljard euro, zodat de landbouwsector een wezenlijke bijdrage levert tot het Belgische handelsoverschot.

ALGEMENE BESCHRIJVING VAN DE VLAAMSE LANDBOUW

In dit hoofdstuk wordt, als inleiding op de analyse van de sectoren, de land- en tuinbouw in zijn geheel geschetst. Daarbij komen de economische, structurele en de bedrijfseconomische aspecten aan bod.

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

25


H1

H1

Het belang van de diverse producten is regionaal gebonden, wat blijkt uit de landbouwtyperingskaart (figuur 2). De kaart geeft het resultaat weer van een classificatie van gemeenten met een gelijkaardige landbouwactiviteit.

1  ECONOMISCH BELANG De land- en tuinbouwsector realiseerde in 2009 een eindproductiewaarde van 4,5 miljard euro. Hiervan is veruit het grootste deel (ongeveer 60%) afkomstig van de veeteelt (figuur 1). De productiewaarde varieert van jaar tot jaar. Het jaar 2009 werd gekenmerkt door een zeer lage waarde door de slechte prijsvorming van een groot aantal producten (o.a. glasgroenten, appelen, melk en granen).

De typische regio’s zijn herkenbaar: fruit rond Sint-Truiden, groenten rond Sint-Katelijne-Waver, Roeselare en Hoogstraten, sierteelt rond Gent en veredeling in WestVlaanderen, het Meetjesland, het Land van Waas en de Kempen. Melkvee is belangrijk in de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland en in combinatie met de veredeling in de Kempen. Rundvee komt voor in de regio rond Brugge, het zuiden van West- en OostVlaanderen en in combinatie met akkerbouw in Vlaams-Brabant en Zuid-Limburg.

Figuur 1. Evolutie van de eindproductiewaarde, miljoen euro, 1999-2009 Figuur 2. Landbouwtyperingskaart, 2007 6.000 5.000 4.000

akkerbouw

3.000

tuinbouw

2.000

veeteelt

specialisatie veredeling

specialisatie sierteelt incl. boomkwekerijen

veredeling - groenten

specialisatie fruit

veredeling - rundvee

sierteelt - rundvee

veredeling - melkvee

akkerbouw - rundvee

specialisatie groenten incl. aardbeien

groenten - rundvee

overheersend melkvee

verstedelijkt

1.000 0

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008* 2009*

*voorlopige cijfers Bron:  Departement Landbouw en Visserij

De vijf belangrijkste subsectoren zijn varkensvlees, melk en melkderivaten, rundvlees, groenten en niet-eetbare tuinbouwproducten. Zij vertegenwoordigen samen ongeveer drie kwart van de totale eindproductiewaarde.

0

25

50 Km

Bron:  Departement Landbouw en Visserij, NGI-AGIV

26

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

27


H1

H1

De Vlaamse landbouw genereert in 2009 een bruto toegevoegde waarde van 1,1 miljard euro en een netto toegevoegde waarde van 0,9 miljard euro. De jaren 2008 en 2009 werden wel gekenmerkt door zeer lage waarden (figuur 3). In 2008 was dit te wijten aan de sterk gestegen kosten (o.a. van energie, meststoffen en veevoeders) en bleef de eindproductiewaarde nog op peil. In 2009 daalden de kosten, maar was de eindproductiewaarde benedenmaats. Figuur 3. Evolutie van de bruto en netto toegevoegde waarde, miljoen euro, 1999-2009

Het aandeel van de landbouwproducten en de agrovoedingswaren bedraagt in 2009 10,3 % van de Belgische uitvoerwaarde. Met een uitvoer (30,6 miljard euro) die de invoer (27,3 miljard euro) overtreft, leveren de landbouwproducten een duidelijke positieve bijdrage (+3,4 miljard euro) op de handelsbalans. De agrarische sector wordt steeds minder belangrijk in de Vlaamse economie als bron van tewerkstelling en toegevoegde waarde. Toch blijft de sector een belangrijke activiteit voor het platteland, want uit cijfers van ADSEI blijkt dat 46% van de Vlaamse oppervlakte in 2009 bewerkt wordt door de land- en tuinbouw. In 2009 bewerkte de land- en tuinbouw volgens gegevens van de mei-enquête een oppervlakte van 620.161 ha. Hiervan nemen de voedergewassen met 60 % het grootste aandeel voor hun rekening (figuur 4). Het grote areaal voedergewassen illustreert het belang van de rundveehouderij in Vlaanderen.

2.000

1.500 netto toegevoegde waarde bruto toegevoegde waarde

Ten opzichte van 10 jaar geleden is de oppervlakte cultuurgrond met 3 % gedaald. De daling heeft zich vooral doorgezet bij de voedergewassen. Figuur 4. Bestemming van de oppervlakte cultuurgrond, ha, 1999-2009

1.000 700.000 600.000 500

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008* 2009*

*voorlopige cijfers Bron:  Departement Landbouw en Visserij

Uit cijfers van de Nationale Bank van België (NBB) blijkt dat de bruto toegevoegde waarde van de sector (inclusief jacht, bosbouw en visserij) een aandeel heeft van 0,8 % in de totale Vlaamse bruto toegevoegde waarde in 2008. Volgens de mei-enquête van ADSEI zijn er in 2009 58.635 personen regelmatig tewerkgesteld in de agrarische sector. Omgerekend naar voltijds tewerkgestelden en inclusief de seizoensarbeid betekent dit 44.590 voltijds tewerkgestelden (d.w.z. minstens 38 uur per week of 20 dagen per maand tewerkgesteld). Ongeveer 2,1 % van de actieve bevolking in 2008 is werkzaam in de agrarische sector volgens de NBB. Opvallend is het hoge aandeel zelfstandigen (62 % van het totaal aantal werkzame personen).

28

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

voedergewassen

500.000 400.000

akkerbouw

300.000

tuinbouw

200.000

andere

100.000 0

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

29


H1

H1

Figuur 6. Indeling van de bedrijven volgens specialisatie, 2009

2  DE BEDRIJFSSTRUCTUUR

diverse gemengde bedrijven 14%

Het aantal landbouwbedrijven in Vlaanderen is ten opzichte van 1999 teruggelopen met ongeveer 30 % tot 29.394 eenheden in 2009. Dit is een daling van gemiddeld 3,6 % per jaar (figuur 5).

gemengd rundvee 8%

rundvleesproductie 27%

andere graasdieren (schapen,...) 12%

50.000

25

40.000

20

veeteelt 52%

hokdieren (varkens, pluimvee) 17%

tuinbouw 17% 30.000

15

20.000

10

10.000

5

0

ha/bedrijf

aantal bedrijven

Figuur 5. Aantal landbouwbedrijven en de gemiddelde oppervlakte per bedrijf, 1999-2009

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 aantal bedrijven

oppervlakte per bedrijf

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

86 % van de bedrijven zijn gespecialiseerd in een bepaalde productierichting, met veeteelt als veruit de belangrijkste specialisatie (52 %), gevolgd door de tuinbouw (17 %) en de akkerbouw (17 %). Binnen de veeteelt is de rundveehouderij het sterkst vertegenwoordigd (figuur 6).

akkerbouw 17%

melkproductie 25%

gemengde bedrijven veeteelt 11%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij en FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Er treedt een voortdurende schaalvergroting op. Ten opzichte van 1999 is de gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per bedrijf gestegen met 40 % tot 21,1 ha (figuur 5). De bewerkte oppervlakte is voor 34 % in eigendom. Dit percentage verandert weinig van jaar tot jaar. Het aandeel vermindert omgekeerd evenredig met de grootte van het bedrijf (figuur 7). Figuur 7. Aandeel cultuurgrond in eigendom volgens grootte van het bedrijf, %, 2009 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 < 2 ha

2 tot 5 ha

5 tot 10 ha

10 tot 20 ha

20 tot 30 ha

30 tot 50 ha

50 tot 80 ha

≥80 ha

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

30

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

31


H1

H1

De schaalvergroting komt ook duidelijk naar voren uit de cijfers van de gemiddelde veebezetting per bedrijf (tabel 1). De cijfers in de tabel hebben enkel betrekking op de gespecialiseerde rundvee-, varkens- en pluimveebedrijven. De gemiddelde grootte van de veestapel per bedrijf stijgt bijna continu. Tabel 1. Gemiddelde veebezetting per bedrijf en indeling van de bedrijven per grootteklasse, 20012009 2001 aantal runderen per

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

85

87

87

90

91

95

97

100

105

1.298

1.360

1.381

1.404

1.424

1.457

1.517

1.576

1.670

32.507

32.667

33.106

33.644

34.472

36.624

39.003

38.162

39.644

rundveebedrijf aantal varkens per varkensbedrijf aantal kippen per

3  BEDRIJFSECONOMISCHE KENGETALLEN De rentabiliteitsgegevens berusten op de verwerking van de boekhoudgegevens van een 700-tal Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN).

3.1  Landbouw Gemiddeld voor alle landbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2008 gedaald ten opzichte van 2007. Het familiale arbeidsinkomen per familiale arbeidskracht (FAK) daalt met 43 % (figuur 9) en bedraagt nog slechts 37 % van het vergelijkbare inkomen. Figuur 9. Evolutie van het familiale arbeidsinkomen voor landbouwbedrijven en het vergelijkbare inkomen in Vlaanderen, euro, 2005-2008

pluimveebedrijf Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Wat het juridisch statuut betreft, worden er steeds meer vennootschappen opgericht. In 2009 hebben 2.723 bedrijven of 9,3 % van alle landbouwbedrijven een vennootschap. Dit betekent een stijging met 37 % t.o.v. 2001. Het aandeel vennootschappen is het grootst bij de bedrijven met de grootste economische dimensie (uitgedrukt in standaardgrootte-eenheden (SGE)) (figuur 8). Figuur 8. Aandeel vennootschappen volgens economische dimensie van het bedrijf, %, 2009 35

40.000

30.000 familiaal arbeidsinkomen per FAK

20.000

vergelijkbaar inkomen 10.000

0 2005

2006

2007

2008

30 Bron:  Departement Landbouw en Visserij

25 20 15 10

gemiddelde voor Vlaanderen

5 0 minder van 0,5 dan 0,5 tot 4 SGE SGE

van 4 tot 8 SGE

van 8 tot 12 SGE

van 12 tot 15 SGE

van 15 tot 20 SGE

van 20 tot 25 SGE

van 25 tot 30 SGE

van 30 tot 40 SGE

40 SGE of meer

De opbrengsten per hectare zijn licht gestegen ten opzichte van 2007 (+ 3 %). Deze stijging is te danken aan het herstel van de opbrengsten uit varkens door stijgende varkensprijzen. De akkerbouwsector werd geconfronteerd met dalende verkoopprijzen na de zeer goede prijzen in 2007. De lichte afname bij rundvee en voedergewassen is te wijten aan de lagere gemiddelde melkprijs. In 2008 werd een verhoging van de totale kosten per hectare (+11 %) opgetekend. De sterkste stijging in 2008 werd genoteerd voor de veevoeders (+22 %). Andere stijgers waren de energiekosten en de kosten voor meststoffen en voor grond- en gebouwenkapitaal.

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

32

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

33


H1

H1

Het inkomen is sterk verschillend naargelang van de sector. Figuur 10 geeft een overzicht van het bedrijfsinkomen voor alle productierichtingen ten opzichte van het gemiddelde inkomen in de Vlaamse landbouw. De vleesveesector komt in 2008 als minst rendabele bedrijfstak naar voren. Figuur 10. Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK, 2008

Figuur 11. Evolutie van het arbeidsinkomen voor tuinbouwbedrijven en het vergelijkbare inkomen in Vlaanderen, euro, 2005-2008 40.000

30.000 arbeidsinkomen per VAK varkens

20.000 vergelijkbaar inkomen

vleesvee

10.000

0 2005

melkvee sterk gespecialiseerd

2006

2007

2008

Bron:  Departement Landbouw en Visserij akkerbouw

-25%

-20%

-15%

-10%

-5%

0%

5%

10%

15%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

Een vergelijking van de diverse sectoren ten opzichte van het gemiddelde Vlaamse bedrijfsinkomen in de tuinbouw wordt weergegeven in figuur 12. Hieruit blijkt dat de fruitsector het hoogste bedrijfsinkomen per FAK heeft in 2008, gevolgd door de champignonbedrijven. De snijbloemensector behaalt de minst goede resultaten. Figuur 12. Spreiding van het bedrijfsinkomen per FAK, 2008

3.2  Tuinbouw champignons

Gemiddeld voor alle tuinbouwbedrijven met beroepsmatig karakter is de rentabiliteit in 2008 sterk gedaald tegenover het goede jaar 2007 (figuur 11). Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht (VAK) bedraagt in 2008 nog 20.936 euro, dit is 53 % van het vergelijkbare inkomen. De daling was algemeen. Zowel groenten, fruit als sierteelt presteerden minder goed in 2008.

aardbeien glasgroenten groenten openlucht potplanten azalea's snijbloemen fruit -90%

-70%

-50%

-30%

-10%

10%

30%

50%

70%

90%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

34

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

35


H1

H1

REFERENTIES zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

36

Bernaerts E. & Demuynck E. (2009) Productierekening van de Vlaamse land- en tuinbouw 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Bernaerts E. & Demuynck E. (2005) Regionale rekeningen van de landbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Coulier T. (2009) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Danckaert S., Lenders S. & Oeyen A. (2009) De landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. D’hooghe J. & Campens V. (2009) Vlaamse standaardopbrengsten voor de gewassen en de veehouderij 2003-2005, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Mei-enquête, meerdere jaargangen, Brussel. Instituut voor de nationale rekeningen (2010) Regionale rekeningen 1999-2008, Brussel. Raad van de Europese Unie (1985) Bijlage 2 Classificatie van de landbouwbedrijven volgens productierichting, Publicatieblad van de Europese Unie L220, 17/8, 10-13. www.statbel.fgov.be: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie.

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

Algemene beschrijving van de Vlaamse landbouw

37


Els Bernaerts, Els Demuynck

BEDRIJVEN FOD INFORMATIE BIGGEN VARKENS VLAANDEREN

H2

ECONOMIE

KOSTEN

VOEDERKOSTEN

TON

ECONOMISCHE

DEPARTEMENT STATISTIEK

VARKENSΜ

OPBRENGSTEN

ARBEIDSINKOMEN BIGGENPRIJS

KG

ZEUG

AANTAL UITVOER

PRODUCTIE

GESPECIALISEERDE

EURO ZEUG

LANDBOUW HANDEL EV

VLEESVARKENS VARKENSPROV PRODUCTIEWAARDE

PRIJS OPBRENGSTEN HANDEL VARKENSHOUDERIJ VARKENSSTAPEL

VISSERIJ PRODUCTIE

ALGEMENE

HOOFDLIJNEN Hoewel de varkensstapel veel kleiner is dan eind jaren negentig, blijft de varkenshouderij vanuit economisch oogpunt een heel belangrijke sector binnen de Vlaamse land- en tuinbouw. De varkenssector neemt bijna 30% van de productiewaarde van de Vlaamse agrarische sector voor zijn rekening. Verder bedraagt het saldo op de handelsbalans van varkensproducten ruim 1 miljard euro. De varkenshouderij is met 93 % van de nationale productiewaarde en 94 % van de varkensstapel vooral een Vlaamse aangelegenheid.

De varkenshouderij is economisch een zeer belangrijke bedrijfstak binnen de Vlaamse

Er is een sterke concentratie van de varkensteelt op de grote bedrijven. De gemiddelde varkensstapel per bedrijf groeit sinds 2007 in een versneld tempo.

ductie. In dit hoofdstuk worden beide deelsectoren geanalyseerd. Bepaalde brongege-

Op financieel vlak werd het jaar 2009 gekenmerkt door dalende varkensvleesprijzen, bijna stabiele biggenprijzen en lagere voeder- en energieprijzen dan in 2008.

onderscheid te maken tussen beide oriëntaties. Voor bepaalde kengetallen was dus

land- en tuinbouw en kan opgedeeld worden in twee oriëntaties: opfok en vleesprovens (o.a. gegevens van ADSEI) zijn echter niet gedetailleerd genoeg om een duidelijk enkel een globale analyse mogelijk met een aparte toelichting voor de zeugenhouderij.

Varkens

41


De varkensstapel is sterk regionaal en provinciaal geconcentreerd. Vlaanderen is goed voor 94 % van het totale aantal varkens in België (figuur 2). Binnen Vlaanderen beschikt West-Vlaanderen duidelijk over het grootste aantal varkens, namelijk 3,3 miljoen stuks.

1  STRUCTUUR H2

H2

1.1  Veestapel Figuur 2. Verdeling van de varkensstapel over de gewesten en provincies, 2009

Volgens de mei-enquête 2009 zijn er 5.933.238 varkens: 1.605.570 biggen tot 20 kg, 1.219.002 varkens van 20 tot 50 kg, 2.584.755 vleesvarkens van 50 kg en meer (inclusief reforme zeugen en beren) en 523.911 fokvarkens van 50 kg en meer. Figuur 1 geeft de evolutie van de varkensstapel weer. Het totaal aantal varkens in Vlaanderen is van 1999 tot en met 2004 sterk neerwaarts bijgesteld om daarna min of meer te stabiliseren. Vooral in 2000 en 2001 was er een zeer sterke daling. De zeugenstapel is verder blijven dalen tot 2008.

Antwerpen: 907.960 stuks (15,3%) Limburg: 475.888 stuks (8,0%) Vlaanderen: 5.933.238 stuks (93,9%)

7.500

750

7.000

700

6.500

650

6.000

600

5.500

550

5.000

Wallonië en Brussel: 387.817 stuks (6,1%)

500 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 totaal varkens

Vlaams-Brabant: 147.376 stuks (2,5%) West-Vlaanderen: 3.286.742 stuks (55,4%)

zeugen

varkens

Figuur 1. Evolutie van de varkensstapel in Vlaanderen, 1.000 stuks, 1999-2009

Oost-Vlaanderen: 1.115.272 stuks (18,8%)

zeugen

Bron:  FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Bron:  FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

1.2  Productie-eenheden 1.2.1  Aantal bedrijven In 2009 zijn 8 % van de Vlaamse landbouwbedrijven gespecialiseerde varkensbedrijven (2.327 bedrijven). Ongeveer 50 % daarvan is gelokaliseerd in West-Vlaanderen, terwijl de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen verantwoordelijk zijn voor elk 19 %.

De afname van de varkensstapel is vooral een gevolg van het milieubeleid (mestproblematiek) en werd mee beleidsmatig gestimuleerd door de Vlaamse overheid via een opkoopregeling. In vier opkooprondes (2001, 2002, 2003 en 2004) zijn in totaal 42.161 zeugen en 344.340 vleesvarkens op 1.242 bedrijven uit productie genomen.

42

Varkens

Varkens

43


H2

Het aantal varkenshouders is echter veel groter. Volgens de mei-enquête 2009 zijn er 5.377 bedrijven met varkens. Van het totale aantal landbouwbedrijven zijn er 18 % met varkens en 11 % met zeugen. Dit percentage is het hoogst in West-Vlaanderen en het laagst in Vlaams-Brabant (figuur 3). Figuur 3. Aandeel bedrijven met varkens in het totaal aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2009

1. totaal varkens 35 30

1.2.2  Bedrijfsgrootte Het aantal varkenshouders vertoont de laatste 10 jaar een continu dalende tendens (-43 % ten opzichte van 1999). Het aantal varkens is minder sterk gekrompen, zodat het gemiddelde aantal varkens per bedrijf steeg van 775 in 1999 tot 1.103 in 2009 (figuur 4). Ten gevolge van de zeer sterke afname van de varkensstapel was er tussen 1999 en 2001 een stabilisatie van het gemiddelde aantal varkens per bedrijf. Sinds 2007 gebeurt de groei van de bedrijven in een versneld tempo. De introductie van MAP III zorgt voor nieuwe expansiemogelijkheden, want varkensbedrijven mogen voortaan groeien als ze kunnen aantonen dat ze mest verwerken. De gemiddelde varkensstapel per bedrijf is het grootst in Antwerpen (1.395 varkens) en met slechts 655 het laagst in Vlaams-Brabant.

H2

Figuur 4. Evolutie van het aantal bedrijven met varkens en het gemiddelde aantal varkens per bedrijf, 1999-2009

25 20 15 10 5 0 Antwerpen

Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

12.000

1.200

10.000

1.000

8.000

800

6.000

600

aantal varkens per bedrijf

aantal bedrijven met varkens

gemiddelde voor Vlaanderen

2. zeugen 4.000

35

400 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 aantal bedrijven met varkens

30

aantal varkens per bedrijf

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

25 20 15 gemiddelde voor Vlaanderen

10 5 0 Antwerpen

Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

Tabel 1 toont het percentage van de bedrijven en het aantal dieren per grootteklasse, zowel voor het totaal van de varkens als voor de zeugen. Er zijn nog steeds relatief veel kleine bedrijven. Ongeveer 17 % van de bedrijven heeft minder dan 250 varkens maar vertegenwoordigt daarmee slechts 1,5 % van het aantal varkens. De meeste dieren bevinden zich op de grotere bedrijven: 56 % van de varkens wordt gehouden op de bedrijven met meer dan 1.500 varkens. Wat de zeugen betreft is de situatie gelijkaardig: 41 % van de zeugenstapel wordt gehouden op bedrijven met meer dan 250 zeugen. 14 % van de bedrijven heeft minder dan 50 zeugen maar vertegenwoordigt daarmee slechts 1,7 % van het totale aantal zeugen.

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

44

Varkens

Varkens

45


1.3  Economisch belang op gemeenteniveau

Tabel 1. Indeling van de bedrijven per grootteklasse, 2009 1. totaal varkens H2 aantal dieren per bedrijf

% bedrijven

% dieren

1 tot 249

16,8

1,5

250 tot 499

16,0

5,5

500 tot 749

12,0

6,7

750 tot 999

12,1

9,6

1.000 tot 1.499

18,2

20,3

1.500 tot 1.999

10,3

16,2

2.000 tot 2.499

6,6

13,2

2.500 en meer

8,0

27,0

100

100

geheel van de bedrijven

Uit de verdeling van de varkensstapel over de provincies (figuur 2) en het aandeel van de bedrijven met varkens in het totale aantal landbouwbedrijven per provincie (figuur 3), bleek alvast de sterke concentratie van de varkenshouderij in West-Vlaanderen. Figuur 5 toont aanvullend het belang van de varkenssector per gemeente. De gemeenten waar de varkenshouderij een belangrijke plaats inneemt, liggen in de eerste plaats in West-Vlaanderen met een aansluitend deel in Oost-Vlaanderen en in mindere mate in het noorden van Antwerpen en Limburg.

H2

Figuur 5. Belang van de varkenssector per gemeente, 2009 verstedelijkte gemeenten % gespecialiseerde varkensbedrijven op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20% % SO bedrijfstak varkens in de totale SO van de gemeente 0% < 10 % 10 - 20 % 20 - 40 % > 40 % (max.66%)

2. zeugen aantal dieren per bedrijf

% bedrijven

% dieren

1 tot 49

13,9

1,7

50 tot 99

21,2

9,9

100 tot 149

22,3

16,2

150 tot 199

15,5

16,1

200 tot 249

11,1

14,7

250 en meer

16,0

41,4

100

100

geheel van de bedrijven

0

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

25

50 Km

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, NGI-AGIV

46

Varkens

Varkens

47


2.2  Productiewaarde

2  PRODUCTIE

De eindproductiewaarde van de varkenssector in Vlaanderen bedraagt in 2009 ongeveer 1.295 miljoen euro, wat 48 % uitmaakt van de waarde van de volledige veeteeltsector en 29 % van de waarde van de volledige land- en tuinbouw (figuur 7).

H2

2.1  Productievolume In 2009 zijn in België 11,2 miljoen varkens geslacht. Dat komt overeen met een geslacht gewicht van 1.082.036 ton. Figuur 6 geeft de evolutie weer van het geslacht gewicht en het aantal geslachte varkens. De evolutie van het geslacht gewicht en het aantal geslachte varkens volgt de sterk dalende trend van de varkensstapel niet. Een verklaring is dat de dalende binnenlandse aanvoer van varkens gecompenseerd wordt door een kleinere uitvoer en een grotere invoer van vleesvarkens.

H2

Figuur 7. Evolutie van de productiewaarde van varkens, miljoen euro, 1999-2009 2.000

1.600

1.200

1.100

12

1.000

11

900

10 9

800 700

8

600

7

500

2000

2001

2002

2003

aantal geslachte varkens

2004

2005

2006

2007

2008

2009

800 aantal geslachte varkens (miljoen stuks)

gewicht geslachte varkens (1.000 ton)

Figuur 6. Evolutie van het geslacht gewicht en het aantal geslachte varkens, België, 2000-2009

6

gewicht geslachte varkens

400

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009* *voorlopig cijfer Bron:  Departement Landbouw en Visserij

Uit de evolutie blijkt dat de afgelopen 10 jaar de hoogste waarden werden genoteerd in 2001 en de laagste in 1999, de jaren waar respectievelijk zeer hoge en zeer lage prijzen werden genoteerd. Het jaar 2009 wordt gekenmerkt door een omzetdaling ten opzichte van 2008. De grotere slachtproductie kon de slechtere prijsvorming niet compenseren. Toch blijft de productiewaarde hoger dan in 2005, 2006 en 2007.

Bron:  FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Om de werkelijke productie van varkensvlees te kennen, moeten deze slachtingen vermeerderd worden met de uitvoer van levende dieren en verminderd met de invoer ervan. In 2007 (laatst beschikbaar cijfer) bedroeg de bruto Belgische varkensvleesproductie 1.061.045 ton karkasgewicht. Op basis van dit nationale cijfer kan de Vlaamse bruto productie geraamd worden op 987.206 ton karkasgewicht.

48

Varkens

Varkens

49


3.3  Buitenlandse handel

3  AANWENDING VAN DE PRODUCTIE H2

3.1  Consumptie Figuur 8 toont de evolutie van de aankoop van vers vlees in kg per inwoner in Vlaanderen. De gemiddelde Vlaming kocht 42,1 kg vlees in 2009, waarvan 9,4 kg varkensvlees. Het thuisverbruik van vers varkensvlees is sinds 2006 licht toegenomen. Veel varkensvlees wordt echter ook aangekocht in de vorm van vleesmengelingen (gemengd gehakt, worst, enz.). In geldwaarde uitgedrukt wordt 362,5 euro vers vlees per inwoner aangekocht in 2009, waarvan 70,2 euro voor varkensvlees.

Tabel 2 geeft de handelsbalans voor België weer voor de varkensproducten. In totaal is er een export van ongeveer 1,6 miljard euro en een positief saldo van 1 miljard euro. Dit is bijna hoofdzakelijk te danken aan de omvangrijke uitvoer van vers varkensvlees. De meeste handel gebeurt met landen van de Europese Unie. Bij de invoer bedraagt het aandeel van de intracommunautaire handel bijna 100 %, bij de uitvoer is dit 92 %. Tabel 2. Buitenlandse handel in varkensproducten, miljoen euro, België, 2009 invoer levende varkens

saldo 95,2

-30,1

19,8

0,2

-19,7

105,5

95,1

-10,5

vers varkensvlees

108,2

1.164,1

1.055,9

gedroogd en gerookt vlees

106,0

97,8

-8,1

ander vers vlees

bereidingen

226,0

236,1

10,1

gevogelte en wild

totaal

565,6

1.593,3

1.027,7

565,3

1.465,8

900,4

fokdieren slacht- en gebruiksdieren

50

40

uitvoer 125,4

Figuur 8. Thuisverbruik van vlees, kg per inwoner, 2005-2009

H2

30 vleesmengelingen 20

varkensvlees rund- en kalfsvlees

10

0 2005

2006

2007

2008

2009

Bron:  GfK Panel Services Benelux, VLAM

waarvan intra-EU-27

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

Figuur 9 toont procentueel per handelspartner de in- en uitvoer van de afzonderlijke varkensproducten en van het totaal. De totale invoer van varkensproducten is hoofdzakelijk afkomstig van Frankrijk (32 %), Nederland (22 %) en Duitsland (20 %). De herkomst verschilt echter per product. De invoer van levende varkens komt vooral uit Frankrijk en Nederland. De bereidingen zijn vooral afkomstig uit Duitsland en Frankrijk en die van vers varkensvlees uit Duitsland, Frankrijk en Nederland. Voor gedroogd en gerookt vlees is Italië de belangrijkste leverancier.

3.2  Zelfvoorzieningsgraad De Belgische zelfvoorzieningsgraad voor varkensvlees bedraagt 242 in 2007 (laatst beschikbaar cijfer). Aangezien dit kengetal groter is dan 100, wil dit zeggen dat de nationale productie groter is dan het nationale verbruik.

50

Varkens

Varkens

51


H2

De Belgische uitvoer van het totaal van de varkensproducten is met een aandeel van 38 % hoofdzakelijk bestemd voor de Duitse markt. Ook hier verschilt de situatie grondig per product. Opvallend is het hoge aandeel van Nederland bij de uitvoer van levende varkens en bereidingen. Bij vers varkensvlees heeft Duitsland het overwicht. Voor gedroogd en gerookt varkensvlees is Frankrijk de belangrijkste handelspartner. Figuur 9. Buitenlandse handel van varkensproducten per handelspartner, %, België, 2009

1. invoer 100%

Frankrijk

80%

Nederland 60% Duitsland 40%

4  RENTABILITEIT H2

4.1  Prijzen Figuur 10 geeft de evolutie weer van de maandelijkse prijzen voor biggen en de prijs voor vleesvarkens (levend) voor de periode 2002-2009. De noteringen van de prijs voor halfvette varkens door het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) zijn stopgezet in april 2007. De tijdreeks wordt vanaf dan voortgezet door de noteringen van de varkensprijs door de Vereniging voor Varkenshouders (VEVA). De varkensprijs is in 2009 gedaald. Vooral de inkrimping van de Europese exportmarkt door de relatief dure euro en de maatregelen van Rusland inzake kwaliteit hebben bijgedragen tot de slechtere prijsvorming. De biggenprijs veranderde bijna niet ten opzichte van 2008. Uit de cijfers van de eerste zes maanden van 2010 blijkt dat de prijs voor vleesvarkens en biggen gemiddeld lager is dan de eerste zes maanden van 2009 door een ruim aanbod.

Italië andere

20%

Figuur 10. Evolutie van de biggenprijs (euro/dier) en de prijs voor vleesvarkens (levend, euro/100kg), 2003-2009 140

0% levende varkens

vers varkensvlees

gedroogd en bereidingen gerookt vlees

totaal

120 100 halfvette varkens (BIRB)

2. uitvoer

80 vleesvarkens (VEVA)

100%

60 biggen

Frankrijk

40

Nederland

20

Duitsland

0

80%

60%

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Italië

40%

Bron:  BIRB, VEVA, Departement Landbouw en Visserij Verenigd Koninkrijk 20% andere 0% levende varkens

vers varkensvlees

gedroogd en bereidingen gerookt vlees

totaal

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

52

Varkens

Varkens

53


H2

Aangezien de voederkost de belangrijkste variabele kost is voor de varkenshouderij, is het nuttig om naast de verkoopprijzen ook de veevoederprijzen te analyseren. Na een sterke stijging van de mengvoederprijzen in 2008 door een krapte op de grondstoffenmarkt, zijn de veevoederprijzen in 2009 opnieuw gedaald en ze blijven begin 2010 stabiel (figuur 11). Met de stijging van de grondstoffenprijzen is de voederprijs vanaf mei 2010 opnieuw gestegen. Figuur 11. Evolutie van de voederprijzen per jaar, euro per ton, jan/07 - aug/10

4.2  Technische en financiële resultaten De technische en financiële resultaten hebben betrekking op 61 gespecialiseerde varkensbedrijven die bij het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) aangesloten zijn. Voor de berekening van de gegevens per bedrijfstak worden voor de vermeerdering enkel bedrijven met meer dan 75 fokzeugen geselecteerd en voor de vetmesting bedrijven met meer dan 300 mestvarkens. De meeste bedrijven in de steekproef zijn gecombineerde bedrijven, zodat deze voor beide bedrijfstakken in aanmerking genomen worden.

H2

4.2.1  Bedrijfstak vermeerdering

350

De gespecialiseerde zeugenhouderij scoort technisch steeds beter: het aantal worpen en het aantal grootgebrachte biggen per zeug stijgen (tabel 3).

300 250

Tabel 3. Evolutie van de rentabiliteitscijfers zeugenhouderij, 2005-2008

200 2005

150 100 50

jan/07 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/08 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/09 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/10 feb mrt apr mei jun jul aug

0

biggenmeel Bron:  BEMEFA

zeugenmeel

mestvarkensmeel

2006

2007

2008

gemiddeld aantal aanwezige zeugen

145

150

161

169

aantal worpen per zeug per jaar

2,16

2,20

2,19

2,21

aantal grootgebrachte biggen per zeug per jaar

19,9

20,2

21,2

22,2

13

14

13

13

opbrengsten (euro/gem. aanwezige zeug)

697

723

660

828

variabele kosten (euro/gem. aanwezige zeug)

531

555

644

764

bruto saldo (euro/ gem. aanwezige zeug)

167

168

16

64

1.879

1.853

1.374

1.453

gemiddelde verkoopprijs per big (euro)

38,7

40,3

33,1

40,2

gemiddelde prijs krachtvoeder biggen (euro/kg)

0,26

0,28

0,32

0,36

gemiddelde prijs krachtvoeder zeugen (euro/kg)

0,16

0,18

0,22

0,26

sterftepercentage biggen

opbrengsten per 1.000 euro voederkosten (euro)

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

De opbrengst per zeug steeg sterk in 2008, vooral door de verbeterde biggenprijs. De variabele kosten per zeug zijn echter zeer hoog in 2008, wat toe te schrijven is aan de hoge voederkosten. De voederkosten nemen drie kwart van de totale variabele kosten voor hun rekening (figuur 12). Ten opzichte van 2007 wordt er een iets hoger bruto saldo per zeug en een iets hogere opbrengst per 1.000 euro voederkost opgetekend. Deze indicatoren blijven echter aan de lage kant.

54

Varkens

Varkens

55


Aan de kostenzijde stijgen de variabele kosten per gemiddeld aanwezig vleesvarken in 2008 door de stijgende voederprijzen. De totale voederkosten nemen 93 % in van de totale variabele kosten (figuur 13).

Figuur 12. Verdeling van de variabele kosten per zeug, 2008 overige variabele kosten 7%

H2

H2

Figuur 13. Verdeling van de variabele kosten per vleesvarken, 2008

werk door derden 1%

energie 9%

energie 1%

diergeneeskundige zorgen 8%

werk door derden 1%

overige variabele kosten 3%

diergeneeskundige zorgen 2% veevoeder 75% veevoeder 93%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

4.2.2  Bedrijfstak vetmesting De opbrengst per gemiddeld aanwezig vleesvarken steeg sterk in 2008 dankzij een hogere verkoopprijs (tabel 4). De waarde van de inkomende biggen wordt als negatieve opbrengst geboekt, zodat de prijsstijging zich niet volledig weerspiegelt in de opbrengststijging. Tabel 4. Evolutie van de rentabiliteitscijfers vleesvarkenshouderij, 2001-2008 2005

2006

De gestegen opbrengsten worden bijna volledig tenietgedaan door de gestegen voederkosten, zodat het bruto saldo slechts licht stijgt. 2007

2008

gemiddeld aantal aanwezige vleesvarkens

862

913

952

1.071

gemiddeld gewicht verkochte vleesvarkens (kg)

109

110

110

111

sterftepercentage (%)

2,97

2,89

2,74

2,89

opbrengsten (euro/gem. aanwezig vleesvarken)

218

228

222

246

variabele kosten (euro/gem. aanwezig vleesvarken)

120

130

164

187

bruto saldo (euro/gem. aanwezig vleesvarken)

98,0

98,2

58,5

59,4

opbrengsten per 1.000 euro voederkosten (euro)

2.009

1.932

1.475

1.415

gemiddelde verkoopprijs per vleesvarken (euro)

123

128

118

133

0,170

0,176

0,221

0,255

gemiddelde prijs krachtvoeder vleesvarkens (euro)

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

4.2.3  Bedrijfsresultaten Tabel 5 toont de bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven. De stijging in de kosten werd gecompenseerd door de gestegen opbrengsten zodat het arbeidsinkomen per familiale arbeidskracht (FAK) op de varkensbedrijven licht toenam ten opzichte van de slechte resultaten van 2007. Uitgedrukt per omgerekend varken blijft het familiale arbeidsinkomen op het niveau van 2007.

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

56

Varkens

Varkens

57


Tabel 5. Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2005-2008 2005 H2

aantal omgerekende varkens

2006

2007

2008

1.234

1.240

1.238

1.380

aantal VAK

1,51

1,59

1,50

1,56

aantal FAK

1,5

1,54

1,46

1,49

H2

Figuur 15. Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2008

rentabiliteit (euro) totale opbrengsten (euro per omgerekend varken)

283,2

296,9

295,3

315,2

totale kosten (euro per omgerekend varken)

264,0

281,2

321,5

337,1

netto bedrijfsresultaat (euro per omgerekend varken)

19,2

15,8

-26,1

-21,9

fam. arbeidsinkomen (euro per omgerekend varken)

62,9

61,7

17,1

17,0

51.839

49.693

14.528

15.719

fam. arbeidsinkomen (euro per FAK)

Uit de structuur van de bedrijfsopbrengsten van de gespecialiseerde bedrijven in 2008 blijkt dat 89 % afkomstig is van de varkens (figuur 14). Dat wijst op een zeer sterke specialisatie. Figuur 14. Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde varkensbedrijven, 2008 marktbare gewassen 5%

pluimvee 2%

overige 8% berekende lonen 12% werk door derden 2%

grond- en gebouwenkapitaal 10%

Departement Landbouw en Visserij

overige opbrengsten 3%

De totale kosten per omgerekend varken zijn in 2008 gestegen met 5 % tot de hoogste waarde van de laatste jaren. Vooral de kosten van de veevoeders en, in mindere mate, van energie en grond- en gebouwenkapitaal dragen bij tot de stijging. De veevoeders, de berekende lonen en de kosten voor het grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 81 % van de kosten voor hun rekening (figuur 15).

werktuigkosten 3%

veevoeders 59%

energie 3% diergeneeskundige zorgen 3% Bron:  Departement Landbouw en Visserij

rundvee en voedergewassen 1%

varkens 89%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

58

Varkens

Varkens

59


REFERENTIES H2

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

60

Bernaerts E. & Demuynck E. (2009) Productierekening van de Vlaamse land- en tuinbouw 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.

H2

Bernaerts E. & Demuynck E. (2005) Regionale rekeningen van de landbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Coulier T. (2009) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Danckaert S., Lenders S. & Oeyen A. (2009) De landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. D’hooghe J. & Campens V. (2009) Vlaamse standaardopbrengsten voor de gewassen en de veehouderij 2003-2005, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Eurostat (12/2010) Intra- and extra-EU trade, combined nomenclature, Luxemburg. FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Mei-enquête, meerdere jaargangen, Brussel. GfK Panelservices Benelux (2008), Brussel, www.gfk.be. Instituut voor de nationale rekeningen (2010) Regionale rekeningen 1999-2008, Brussel. Raad van de Europese Unie (1985) Bijlage 2 Classificatie van de landbouwbedrijven volgens productierichting, Publicatieblad van de Europese Unie L220, 17/8, 10-13. www.bemefa.be: Beroepsvereniging van de mengvoederfabrikanten. www.statbel.fgov.be: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. www.veva.be: Vereniging Varkenshouders vzw.

Varkens

Varkens

61


Els Bernaerts, Els Demuynck

POELJEN EIEREN UITVOER ARBEIDSINKOMEN CONSUMPT INFORMATIE

EINDPRODUCTIEWAARDE

STUKS PLUIMVEE BEDRIJFSRESULTATEN ZELFVOORZI ECONOMISCHE

H3

PLUIMVEE

EURO KIPPENVLEES LEGKIPPEN SCHARRELEIEREN

PRODUCTIE BEDRIJVEN

EI

PRODUCTCATEGORIE

BROEDEIEREN SUPERMARKTEN

LEGHENNENPRIJS

BEDRIJF

FOKDIEREN

PLUIMVEESTAPEL

HOOFDLIJNEN In vergelijking met andere agrarische sectoren is het aantal pluimveebedrijven en de productiewaarde eerder beperkt. De pluimveesector bevindt zich vooral in Vlaanderen: meer dan 80 % van de nationale pluimveestapel en de nationale productiewaarde van deze sector is voor rekening van Vlaanderen. De pluimveestapel is beduidend kleiner dan 10 jaar geleden, maar lijkt zich de laatste jaren opnieuw te stabiliseren. Door een sterke daling van het aantal bedrijven is het aantal stuks pluimvee per bedrijf sterk de hoogte ingegaan. In tegenstelling met andere veeteeltsectoren lagen de prijzen in 2009 in de pluimveesector op een behoorlijk niveau. De eierprijzen kenden zelfs een gevoelige stijging. De pluimveeproducten noteren een duidelijk positief saldo op de handelsbalans, wat vooral toe te schrijven is aan de export van vers kippenvlees.

De pluimveesector kan ingedeeld worden in drie activiteiten: vermeerdering, produc-

De pluimveesector staat voor belangrijke uitdagingen qua dierenwelzijn. Tegen 2012 moet de leghennenhouderij voldoen aan de Europese leghennenrichtlijn en moet ze volledig overschakelen naar verrijkte kooien of alternatieve huisvestingssystemen. Bij de vleeskippen gaat het om een maximale bezettingsdichtheid die in 2010 van toepassing werd.

niet altijd een duidelijk onderscheid maken tussen de productie van consumptie- en

tie van consumptie-eieren en vleesproductie. Aangezien de verzamelde statistieken broedeieren, wordt in dit hoofdstuk voor sommige kengetallen de legsector in zijn geheel beschouwd. Wat de vleesproductie betreft, wordt de analyse vooral toegespitst op de productie van kippenvlees.

Pluimvee

65


Figuur 1. Evolutie van de pluimveestapel in Vlaanderen, index: 1999 = 100 %, 1999-2009

1  STRUCTUUR

110

100

1.1  Veestapel

H3

In mei 2009 zijn er volgens de mei-enquête in totaal 27,9 miljoen stuks pluimvee in Vlaanderen, waarvan 10,2 miljoen leghennen en poeljen en 17,0 miljoen vleeskippen. Zowat 6,3 miljoen leghennen produceren consumptie-eieren. Ruim een miljoen moederdieren staan in voor de productie van broedeieren (tabel 1).

10.244

leghennen van consumptie-eieren

6.281

leghennen van broedeieren (moederdieren)

1.242

poeljen

2.721

vleeskippen ander pluimvee totaal

leghennen consumptie-eieren 80

H3

totaal 70

Tabel 1. Verdeling van de pluimveestapel, 1.000 stuks, 2009 leghennen en poeljen

vleeskippen

90

16.980 718 27.941

60 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

De pluimveesector is vooral een Vlaamse aangelegenheid, met West-Vlaanderen en Antwerpen als koplopers (figuur 2). Figuur 2. Verdeling van de pluimveestapel over de gewesten en provincies, 2009

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

1. leghennen en poeljen

De pluimveestapel is veel kleiner dan 10 jaar geleden, zowel bij de legkippen als de vleeskippen. De laatste jaren lijkt het aantal dieren zich opnieuw te stabiliseren (figuur 1). De uitzonderlijke lage waarde in 2003 is te wijten aan de extra leegstand door de maatregelen tegen de vogelgriep.

Antwerpen 32,8% Oost-Vlaanderen 15,2% Limburg 7,9%

Vlaanderen 86,6%

Vlaams-Brabant 1,0%

West-Vlaanderen 43,1% Wallonië en Brussel 13,4%

66

Pluimvee

Pluimvee

67


2. vleeskippen

Figuur 3. Aandeel pluimveehouders in het totale aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2009

1. bedrijven met leghennen en poeljen

Antwerpen 29,6% Oost-Vlaanderen 19,2% Limburg 13,4%

Vlaanderen 82,2%

H3

Vlaams-Brabant 5,6% West-Vlaanderen 32,2% Wallonië en Brussel 17,8%

4

3 H3 gemiddelde voor Vlaanderen

2

1

0 Antwerpen

Limburg

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

2. bedrijven met vleeskippen 4

1.2  Productie-eenheden 1.2.1  Aantal bedrijven Iets minder dan 1 % van de landbouwbedrijven, namelijk 289, zijn gespecialiseerde pluimveebedrijven. Het aantal pluimveehouders is echter veel groter. Veel bedrijven huisvesten slechts een paar stuks pluimvee voor eigen gebruik. Daarom worden voor de statistieken over het aantal en de grootte, enkel de ondernemingen met minstens 20 leghennen of vleeskippen in aanmerking genomen. De pluimveesector in Vlaanderen telt in 2009 574 bedrijven met minimum 20 leghennen en poeljen, en 558 bedrijven met minimum 20 vleeskippen. Dat is respectievelijk 1,95 % en 1,90 % van het totale aantal landbouwbedrijven. Dit percentage is het hoogst in Antwerpen en in WestVlaanderen (figuur 3).

3

2

gemiddelde voor Vlaanderen

1

0 Antwerpen

Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

68

Pluimvee

Pluimvee

69


1.2.2  Bedrijfsgrootte Het aantal bedrijven met meer dan 20 leghennen en poeljen en 20 vleeskippen is over de periode 1999-2009 met respectievelijk 49 % en 41 % gedaald (figuur 4). Als gevolg van de grote afslanking van het aantal bedrijven, neemt het gemiddelde aantal dieren per bedrijf toe in de beschouwde periode tot 17.835 leghennen en 30.430 vleeskippen per bedrijf.

H3

Figuur 4. Evolutie van het aantal pluimveebedrijven en het gemiddelde aantal dieren per bedrijf, 1999-2009

Uit de indeling van de bedrijven per grootteklasse (tabel 2) blijkt dat de meeste dieren gehuisvest zijn op bedrijven van middelmatige grootte. Bij de leghennen zijn er nog veel bedrijven met weinig leghennen: bijna 28 % van de bedrijven heeft minder dan 100 leghennen, maar ze vertegenwoordigen een verwaarloosbaar klein percentage in de leghennenstapel. Tabel 2. Indeling van de pluimveebedrijven per grootteklasse, %, 2009 1. leghennen en poeljen aantal leghennen per bedrijf

H3 bedrijven

leghennen

20 tot 99

27,7

0,0

1.700

19.000

100 tot 9.999

24,6

6,8

1.500

17.000

10.000 tot 29.999

25,1

25,1

30.000 tot 49.999

12,7

27,1

1.300

15.000

50.000 tot 69.999

6,6

21,0

1.100

13.000

70.000 en meer

3,3

20,0

900

11.000

geheel van de bedrijven met leghennen

100

100

700

9.000

500

7.000

leghennen per bedrijf

aantal bedrijven met leghennen

1. leghennen en poeljen

2. vleeskippen

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 aantal bedrijven met leghennen

aantal vleeskippen per bedrijf

leghennen per bedrijf

20 tot 99

vleeskippen 5,2

0,0

100 tot 9.999

13,6

2,0

1.000

32.000

10.000 tot 29.999

38,7

24,5

950

31.000

30.000 tot 49.999

26,0

33,0

900

30.000

50.000 tot 69.999

10,0

19,0

850

29.000 28.000

70.000 en meer

6,5

21,5

800 750

27.000

geheel van de bedrijven met vleeskippen

100

100

700

26.000

650

25.000

600

24.000

550

23.000

500

vleeskippen per bedrijf

aantal bedrijven met vleeskippen

2. vleeskippen

bedrijven

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

22.000 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 aantal bedrijven met vleeskippen

vleeskippen per bedrijf

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

70

Pluimvee

Pluimvee

71


1.3  Economisch belang op gemeenteniveau Het aandeel van pluimvee in de totale waarde van de land- en tuinbouw van de gemeentes is eerder beperkt. De gemeentes waar pluimvee minstens 20% uitmaakt van de totale standaardoutput zijn beperkt in aantal en vooral gelegen in Antwerpen, Limburg en West-Vlaanderen (figuur 5).

H3

Figuur 5. Belang van de pluimveesector per gemeente, 2009 verstedelijkte gemeenten

2  PRODUCTIE

2.1  Productievolume Figuur 6 geeft de evolutie van het aantal geslachte dieren weer. In 2009 werden in België 290,5 miljoen stuks pluimvee geslacht of 469.295 ton karkasgewicht. Hiervan is respectievelijk 99,6 % en 98,1 % afkomstig van kippen. Het aantal geslachte dieren is duidelijk gestegen in 2009. Het lage cijfer van 2003 is te wijten aan de vogelgriep.

H3

% gespecialiseerde pluimveebedrijven op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20% % SO bedrijfstak pluimvee in de totale SO van de gemeente 0%

Figuur 6. Evolutie van het aantal geslachte stuks pluimvee, miljoen stuks, België, 2002-2009 300

< 10 % 10 - 20 % 20 - 40 % (max.30%)

280

260

240

220

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie 0

25

50 Km

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, NGI-AGIV

72

Pluimvee

Om de werkelijke productie van pluimveevlees te kennen, moeten deze slachtingen vermeerderd worden met de uitvoer van levende dieren en verminderd met de invoer ervan. In 2007 (laatst beschikbaar cijfer bij ADSEI) bedroeg de bruto Belgische pluimveevleesproductie 277.449 ton karkasgewicht. Op basis van deze cijfers kan de Vlaamse bruto pluimveevleesproductie geraamd worden op 229.179 ton karkasgewicht.

Pluimvee

73


Aan de hand van de nationale productiecijfers van ADSEI, wordt de Vlaamse productie van consumptie-eieren in 2009 geraamd op 1.693 miljoen eieren of 82% van de nationale productie. Door een inkrimping van de pluimveestapel is de productie de afgelopen 10 jaar sterk gedaald. Figuur 7. Evolutie van de productie van consumptie-eieren, miljoen stuks, 1999-2009

2.2  Productiewaarde In 2009 bedraagt de eindproductiewaarde in Vlaanderen voor pluimvee 239 miljoen euro, wat overeenkomt met 5 % van de eindproductiewaarde van de totale Vlaamse land- en tuinbouwsector in dat jaar. Pluimveevlees noteert in 2009 een waardedaling ten opzichte van 2008 als gevolg van dalende prijzen (figuur 8). De productiewaarde blijft echter op een behoorlijk niveau. De eiersector is in 2009 goed voor 133 miljoen euro (voorlopig cijfer) of 3 % van de totale productiewaarde van land- en tuinbouw. De status quo in de eiersector (-1 % ten opzichte van 2008) resulteert uit een stijging van de prijzen en een inkrimping van de productie.

4000 H3

3000

H3

Figuur 8. Evolutie van de eindproductiewaarde van gevogelte en eieren, miljoen euro, 1999-2009

2000

300 1000

250 200

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

gevogelte 150

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

eieren 100 50 0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009* *voorlopig cijfer Bron:  Departement Landbouw en Visserij

74

Pluimvee

Pluimvee

75


3.3  Buitenlandse handel

3  AANWENDING VAN DE PRODUCTIE

3.1  Consumptie

H3

Figuur 9 toont de evolutie van het thuisverbruik van kippenvlees en eieren. Het verbruik kent een schommelend patroon. In 2009 consumeert de Vlaming gemiddeld 10,0 kg vers kippenvlees en 85,1 eieren per persoon. Dit stemt overeen met respectievelijk 74,3 en 14,8 euro per hoofd van de bevolking.

De buitenlandse handel in pluimveeproducten wordt weergegeven in tabel 3. De handelsbalans voor levende dieren en met name voor slacht- en gebruiksdieren is negatief. Dit wordt echter ruimschoots gecompenseerd door het positieve saldo voor vers vlees en bereidingen. Binnen de productcategorie eieren is het saldo positief voor verbruikseieren en broedeieren, maar negatief voor eiproducten. De totale uitvoer van de pluimveeproducten bedraagt 974,6 miljoen euro en de totale invoer 611,0 miljoen euro. Dit levert een positief saldo op van 363,5 miljoen euro in 2009. De meeste handel gebeurt met landen van de EU (95,5 % van de invoer en 94,5 % van de uitvoer).

H3

Tabel 3. Buitenlandse handel per productcategorie, miljoen euro, België, 2009

95

12

90

11

85

10

80

9

75

8

70

7 2000

2001

2002

2003

2004

eieren

2005

2006

2007

invoer levend pluimvee (kippen):

kg kippenvlees

aantal eieren

Figuur 9. Thuisverbruik van kippenvlees (in kg per capita) en eieren (in eenheden per capita), 20002009

2008 2009* kippenvlees

Bron:  GfK Panel Services Benelux, VLAM

uitvoer

saldo

226,8

43,9

-182,9

fokdieren

10,3

22,7

12,4

slacht- en

216,5

21,2

-195,3

vers vlees van kippen

148,2

542,5

394,3

gevogeltebereidingen

134,5

274,7

140,2

eieren:

101,6

113,5

11,9

broedeieren

11,4

18,0

6,6

verbruikseieren

54,4

71,8

17,4

eiproducten

35,8

23,7

-12,1

611,0

974,6

363,5

583,5

921,4

337,9

gebruiksdieren

totaal waarvan intra-EU-27

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

3.2  Zelfvoorzieningsgraad De Belgische zelfvoorzieningsgraad voor eieren in 2008 bedraagt 104. Dit betekent dat de nationale productie iets groter is dan de nationale behoefte. Tussen 2004 en 2008 is er een continue daling van de zelfvoorzieningsgraad voor eieren. Voor kippenvlees bedraagt de Belgische zelfvoorzieningsgraad in 2007 (laatst beschikbaar cijfer) 111. Voor vlees van ander gevogelte dan kip is dit cijfer slechts 15.

Figuur 10 toont de in- en uitvoer van de productcategorieën per handelspartner. In zijn totaliteit is de invoer vooral afkomstig uit Nederland (56 %) gevolgd door Frankrijk (27 %) en Duitsland (8 %). Nederland is voor alle productcategorieën de belangrijkste leverancier. Voor levend pluimvee en eieren is dit het meest uitgesproken. Voor de gevogeltebereidingen is dit minder uitgesproken en wordt Nederland op de voet gevolgd door Frankrijk en Duitsland. De uitvoer is vooral bestemd voor de Nederlandse (35 %) en de Franse (27 %) markt, gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (13 %) en Duitsland (11 %). Levend pluimvee wordt vooral geëxporteerd naar Nederland. Daarnaast gaat in 2009 ten opzichte van het totaal een relatief groter deel van de eieren naar Duitsland, en is een relatief groter deel van de gevogeltebereidingen bestemd voor het Verenigd Koninkrijk.

76

Pluimvee

Pluimvee

77


Figuur 10. Aandeel buitenlandse handel per productcategorie en per handelspartner, België, 2009

4  RENTABILITEIT 1. invoer 100%

4.1  Prijsevolutie

80% Frankrijk H3 60%

Nederland Duitsland

40%

andere 20%

0% levend pluimvee

vers vlees van kippen

gevogeltebereidingen

eieren

totaal

De prijzen voor bruine eieren worden wekelijks bepaald door de eierprijzencommissie in Kruishoutem. In 2009 was de prijsvorming zeer goed (figuur 11). De eiermarkt werd gekenmerkt door een sterke vraag vanuit Duitsland. In 2009 zijn veel Duitse leghennenbedrijven overgeschakeld naar alternatieve huisvestingssystemen. Doordat de bedrijven die hun stallen ombouwen tijdelijk leeg kwamen te staan, daalde de leghennenpopulatie fors. Duitsland kampte met een tekort op de eiermarkt, wat de vraag naar Belgische en Nederlandse eieren deed stijgen. Daardoor stegen de eiernoteringen. De prijs van de scharreleieren kreeg nog een extra stimulans. Heel wat Duitse supermarkten gingen alleen nog scharreleieren verkopen, wat de prijs van de scharreleieren extra de hoogte induwde. Ook begin 2010 kon de sector nog profiteren van deze gunstige situatie. Daarna gingen de noteringen echter bergafwaarts door een toegenomen Europees aanbod aan eieren.

H3

Wekelijks bepaalt de nationale prijzencommissie voor het levend pluimvee in Deinze de kippenprijs. De braadkippenprijs lag de laatste jaren op een behoorlijk niveau. In 2009 lag de braadkippenprijs lager dan 2008 omdat de exportmarkt te lijden had onder de relatief dure euro.

2. uitvoer 100%

Frankrijk

80%

Nederland

Figuur 11. Evolutie van de prijs aan producent voor de vleeskippen (euro per ton) en bruine eieren (euro per 10.000 eieren), 1999-2009

60% Duitsland 40%

Verenigd Koninkrijk

1.000

800

andere

20%

600

braadkippen

0% levend pluimvee

vers vlees van kippen

gevogeltebereidingen

eieren

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

totaal

bruine eieren (62,5 g)

400

200

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 Bron:  Nationale prijzencommissie voor het levend pluimvee Deinze, eierprijzencommissie Kruishoutem

78

Pluimvee

Pluimvee

79


In 2008 stond de rendabiliteit sterk onder druk door de hoge energie- en veevoederkosten. (figuur 12). De veevoederprijzen zijn sinds september 2008 opnieuw gedaald en stabiliseerden zich op een lager niveau in 2009 en begin 2010. Vanaf mei 2010 zitten de prijzen opnieuw in de lift door een stijging van de grondstofprijzen.

Tabel 4. Bedrijfsresultaten legkippen, 2005-2008 2005 arbeidsinkomen (euro per 1.000 eieren)

Figuur 12. Evolutie van de voederprijs voor legkippen en vleeskippen per maand, euro per ton, 01/2007 – 08/2010 H3

400

6,98

-2,80

2,97

3,00

3,00

3,21

297,40

333,35

321,50

322,09

62,62

62,56

63,13

62,83

prijs ei (euro per 100 stuks)

3,30

4,26

4,30

5,58

prijs voeder (euro per kg)

0,18

0,16

0,17

0,23

139,74

140,42

133,65

135,79

14,19

10,78

5,31

9,80

394

425

398

402

prijs aanvangspoelje (euro per hen) eieren per aanvangshen (stuks per hen)

uitval (%) 300

2008

5,98

voederconversie (gram per ei)

350

2007

-0,65

ei gewicht (gram per ei)

450

2006

legperiode (aantal dagen)

H3

Bron:  VEPEK

250

jan/07 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/08 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/09 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/10 feb mrt apr mei jun jul aug

200

legmeel

vleeskippenmeel

4.2.2  Vleeskippen Tabel 5 toont de bedrijfsresultaten van vleeskippen. Het arbeidsinkomen bedraagt 0,22 euro per vleeskip in 2008. Dat lage cijfer is te wijten aan de hogere voederprijzen die niet konden worden doorgerekend in de verkoopprijzen.

Bron:  BEMEFA

Tabel 5. Bedrijfsresultaten vleeskippen, 2005-2008 2005

4.2  Technische en financiële resultaten De resultaten zijn afkomstig van gegevens die via de bedrijfsbegeleiding zijn ingezameld door VEPEK (Vereniging voor Eieren, Pluimvee en Konijnen). 4.2.1  Legkippen Tabel 4 geeft de bedrijfsresultaten weer van legkippen voor 2005 tot 2008. Het arbeidsinkomen in 2008 bedraagt -2,80 euro per 1.000 eieren. Dit lage cijfer was te wijten aan de hoge voeder- en energiekosten.

2006

2007

2008

arbeidsinkomen (euro per kip)

0,29

0,34

0,40

0,22

prijs kuiken (euro per kuiken)

0,26

0,26

0,27

0,31

gewicht vleeskip (kg per kip)

2,31

2,38

2,42

2,41

prijs vleeskip (euro per kg)

0,75

0,75

0,84

0,88

prijs voeder (euro per kg)

0,24

0,25

0,28

0,32

voederconversie (kg per kg)

1,78

1,72

1,71

1,76

uitval (%)

3,24

2,43

3,48

4,27

54

54

55

55

duur ronde (aantal dagen) Bron:  VEPEK

80

Pluimvee

Pluimvee

81


REFERENTIES zz

zz

H3 zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

82

Bernaerts E. & Demuynck E. (2009) Productierekening van de Vlaamse land- en tuinbouw 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Bernaerts E. & Demuynck E. (2005) Regionale rekeningen van de landbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.

H3

Coulier T. (2009) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Danckaert S., Lenders S. & Oeyen A. (2009) De landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. D’hooghe J. & Campens V. (2009) Vlaamse standaardopbrengsten voor de gewassen en de veehouderij 2003-2005, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Eurostat (12/2010) Intra- and extra-EU trade, combined nomenclature, Luxemburg. FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Mei-enquête, meerdere jaargangen, Brussel. GfK Panelservices Benelux (2008), Brussel, www.gfk.be. Instituut voor de nationale rekeningen (2010) Regionale rekeningen 1999-2008, Brussel. Raad van de Europese Unie (1985) Bijlage 2 Classificatie van de landbouwbedrijven volgens productierichting, Publicatieblad van de Europese Unie L220, 17/8, 10-13. Viaene J. & Verheecke W. (2010) Bedrijfsresultaten braadkippen 2009 in vergelijking met 2008, Verbond voor Pluimvee, Eieren en Konijnen, Gent. Viaene J. & Verheecke W. (2010) Bedrijfsresultaten legkippen 2009 in vergelijking met 2008, Verbond voor Pluimvee, Eieren en Konijnen, Gent. www.statbel.fgov.be: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie.

zz

www.bemefa.be: Beroepsvereniging van de mengvoederfabrikanten.

zz

www.deinze.be: Nationale Prijzencommissie voor het Levend Pluimvee te Deinze.

zz

www.kruishoutem.be: eierprijzencommissie te Kruishoutem.

Pluimvee

Pluimvee

83


Els Bernaerts, Els Demuynck

QUOTUM VLEESKALVEREN MELK

GESPECIALISEERDE GRONDGEBONDEN BOTER RUNDVLEE GRONDGEBONDEN VEETEELT ZUIVELPRO VOEDERGEWASSEN KALFSVLEES

LITER RENTABILITEIT

HANDEL

VEETEELT OPBREN

VLEESVEE KAAS KOSTEN ARBEIDSINKO H4

PRODUCTIEWAARDE

RUNDEREN ROOM

BEDRIJVEN ZELFVOORZIENINGSGRAAD

HOOFDLIJNEN De rundveehouderij is sterk ontwikkeld binnen de Vlaamse landbouw. Ongeveer een derde van alle bedrijven is gespecialiseerd in de rundveehouderij. Ook qua buitenlandse handel is de rundvee een belangrijke sector, met een duidelijk positief saldo. De herstructurering in de rundveesector zet zich in een versneld tempo voort, vooral in de melkveesector. Het aantal melkleveraars is de laatste jaren sterk gedaald, terwijl de totale melkproductie juist groter is, zodat het gemiddeld aantal liters melk dat geleverd wordt per producent enorm is gestegen. Een belangrijk actueel thema in de rundveehouderij heeft betrekking op het veranderende Europese landbouwbeleid (afbouw prijsondersteuning, ontkoppeling slachtpremies kalveren, zachte landing van de melkquota, toekomstig premie- en quotabeleid in het kader van GLB na 2013). Door de afbouw van de prijsondersteuning heeft de rundveehouderij te kampen met toenemende prijs- en inkomensschommelingen. Zo bereikte de melkprijs in 2009 een historisch laag niveau, met als gevolg een zeer lage productiewaarde. Verder wordt het melkquotum hoe langer hoe minder de bepalende factor voor de melkproductie. De quotumplafonds werden geleidelijk verhoogd met het oog op een afschaffing van het melkquotastelsel na 2015.

De rundveehouderij kan ingedeeld worden in twee specialisaties: de vleesvee- en de melkveehouderij. In dit hoofdstuk worden, na een globale analyse van de sectorstructuur, beide oriëntaties meer in detail toegelicht. Aangezien de rundveesector de bedrijfstak is die in Vlaanderen het grootste gedeelte van het landbouwareaal in beslag neemt in de vorm van voederteelten, wordt op het einde van dit hoofdstuk aandacht besteed aan deze gewassen.

Grondgebonden veeteelt

87


Per provincie beschouwd, beschikt West-Vlaanderen over het grootste aantal runderen (figuur 1).

1  STRUCTUUR

Figuur 1. Verdeling van de rundveestapel over de gewesten en provincies, 2009

1.1  Veestapel Het aantal runderen in Vlaanderen is de laatste 10 jaar gevoelig gedaald (-18,2 % ten opzichte van 1999). De daling doet zich vooral voor bij de melkkoeien (-15 %) (tabel 1). De instelling van de melkquota (in 1984) en de toename van de melkgift per koe hebben tot deze evolutie bijgedragen. Door een verruiming van het quotum is het aantal melkkoeien de laatste jaren gestabiliseerd en in 2009 gestegen. H4

Antwerpen: 315.386 stuks (24,3%) Limburg: 134.969 stuks (10,4%) Vlaanderen: 1.296.510 stuks (49,9%)

De zoogkoeienstapel is 1 % groter dan in 1999. Tussen 2003 en 2007 is de zoogkoeienstapel continu uitgebreid. De laatste 2 jaar is er een daling merkbaar. Het houden van zoogkoeien wordt vanuit het beleid gestimuleerd door een premiestelsel. De rundvleessector kampte de laatste jaren echter met lage rentabiliteitscijfers. Tabel 1. Evolutie van de rundveestapel, 1999-2009

H4

West-Vlaanderen: 413.467 stuks (31,9%)

Wallonië en Brussel 2009

1999

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

2009

zoogkoeien

201.629

203.463

334.595

329.069

melkkoeien

349.039

296.951

281.908

227.629

vleeskalveren

167.986

142.541

2.521

4.648

1.584.548

1.296.510

1.500.622

1.303.943

totaal runderen

Vlaams-Brabant: 108.373 stuks (8,4%)

Wallonië en Brussel: 1.303.943 stuks (50,1%)

Vlaanderen 1999

Oost-Vlaanderen: 324.315 stuks (25,0%)

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Vlaanderen telt in 2009 minder runderen dan Wallonië. Er is een duidelijk verschil in de samenstelling. De Waalse rundveehouderij is meer gericht op zoogkoeien, terwijl in Vlaanderen de melkveestapel omvangrijker is dan de zoogkoeienstapel. Verder is de Belgische kalverhouderij een bijna zuiver Vlaamse aangelegenheid.

88

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

89


1.2  Productie-eenheden

Figuur 3. Evolutie van het aantal bedrijven met runderen en het gemiddelde aantal runderen per bedrijf, 1999-2009

1.2.1  Aantal bedrijven

Figuur 2. Aandeel van bedrijven met runderen in het totale aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2009

aantal bedrijven met runderen

Het aantal bedrijven dat runderen houdt, is echter groter (15.349 in 2009). Dat is iets meer dan de helft van alle landbouwexploitaties (figuur 2). Dit percentage is het hoogst in Oost-Vlaanderen en het laagst in Vlaams-Brabant.

80 20.000 75 15.000 70

H4 10.000

70

65 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

60

aantal bedrijven met runderen gemiddelde voor Vlaanderen

50

aantal runderen per bedrijf

Bijna 32 % van de Vlaamse bedrijven (9.379 in 2009) zijn gespecialiseerd in rundveehouderij: 3.835 in de productierichting melkvee, 4.334 in vleesvee en 1.210 in een combinatie van beide.

H4

85

25.000

runderen per bedrijf

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

40

Uit een indeling per grootteklasse (tabel 2) blijkt dat 68 % van de runderen gehouden wordt op bedrijven met minstens 100 dieren. De bedrijfsgrootte is echter afhankelijk van het type bedrijf. Zo is de kalverhouderij een aparte bedrijfstak, die een hoge veebezetting heeft: 44 % van de vleeskalveren wordt gehouden op bedrijven met 700 dieren en meer.

30 20 10 0 Antwerpen

Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Tabel 2. Indeling van de rundveebedrijven per grootteklasse, 2009

1. totaal runderen aantal runderen per bedrijf

De bedrijven met runderen kennen een dalende tendens (-35 % t.o.v. 1999) (figuur 3). 1.2.2  Bedrijfsgrootte Het gemiddelde aantal runderen per bedrijf steeg ten opzichte van 1999 met 25 % tot 84 dieren in 2009. Het aantal melkkoeien per bedrijf noteerde de grootste stijging.

Grondgebonden veeteelt

% runderen

1 tot 9

14,5

0,9

10 tot 24

15,1

2,8

25 tot 49

15,5

6,7

50 tot 74

13,5

9,9

75 tot 99

11,7

12,0

100 tot 149

15,0

21,4

150 en meer

14,7

46,3

100

100

geheel van de bedrijven

90

% bedrijven

Grondgebonden veeteelt

91


2. melkkoeien

2  MELKPRODUCTIE aantal melkkoeien per bedrijf

% bedrijven

% melkkoeien

1 tot 14

15,1

2,1

15 tot 29

22,2

11,7

30 tot 44

22,9

19,5

45 tot 59

16,7

19,9

60 en meer

23,1

46,8

100

100

geheel van de bedrijven

De melkveehouderij is sterk ontwikkeld binnen de Vlaamse landbouw. In alle gemeenten wordt melkvee gehouden en het aantal gemeenten waar de melkveehouderij meer dan 20% van de totale standaardoutput (SO) uitmaakt, is talrijk. De gemeenten die behoren tot de hoogste klasse zijn vooral gelegen in de Kempen, de Vlaamse Ardennen, Noord-Limburg en de Voerstreek (figuur 4). Figuur 4. Economisch belang van de melkveesector per gemeente, 2009 verstedelijkte gemeenten % gespecialiseerde melkveebedrijven op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20%

H4

3. zoogkoeien

H4

% SO bedrijfstak melkvee in de totale SO van de gemeente 0%

aantal zoogkoeien per bedrijf

% bedrijven

% zoogkoeien

< 10 %

1 tot 4

20,1

2,5

5 tot 9

19,6

6,4

10 tot 19

23,9

15,7

20 tot 39

21,8

28,6

40 en meer

14,6

46,8

100

100

10 - 20% 20 - 40 %

geheel van de bedrijven

> 40 % (max 73 %)

4. vleeskalveren aantal vleeskalveren per bedrijf 1 tot 99

% bedrijven

% vleeskalveren 67,1

2,3

100 tot 299

2,9

2,6

300 tot 500

7,9

15,2

500 tot 700

13,4

35,7

700 en meer

8,7

44,2

geheel van de bedrijven

100

100

0

25

50 Km

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, NGI-AGIV

Bron:  Bron: Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

92

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

93


2.1  Productie

Figuur 6. Evolutie van de melkleveringen en het aantal melkleveraars, 1999/00-2009/10 2.000

11.000

1.950

10.000

1.900

9.000

1.850

8.000

1.800

7.000

1.750

6.000

1.700

5.000

1.650

4.000

H4

Figuur 5. Verdeling van melkleveringen over de gewesten en provincies, melkjaar 2009/2010

aantal melkleveraars

Uit de statistieken van het beleidsdomein Landbouw en Visserij, opgesteld in het kader van de melkquotaregeling, blijkt dat er in Vlaanderen in de melkcampagne 2009/10 (lopend van 1 april 2009 tot en met 31 maart 2010) 1.934 miljoen liter geleverd werd. Dat maakt 62,5 % uit van de nationale verkopen in deze categorie. Deze melkaanvoer is voor het grootste deel afkomstig van bedrijven uit West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen (figuur 5). De melkleveringen hebben betrekking op 6.215 producenten of een gemiddelde van 311.155 liter per producent.

melkleveringen (miljoen liter)

2.1.1  Productievolume

H4

1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05 2005/06 2006/07 2007/08 2008/09 2009/10 Melkleveringen

aantal melkleveraars

Antwerpen: 27,0% Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens Agentschap Landbouw en Visserij Limburg: 12,7% Vlaanderen: 1.934 miljoen liter (62,5%)

Oost-Vlaanderen: 25,0% Vlaams-Brabant: 4,8% West-Vlaanderen: 30,5%

Wallonië en Brussel: 1.158 miljoen liter (37,5%)

Het aantal producenten is fors gedaald. Sinds 2006/07 gebeurt dat in een versneld tempo o.a. als gevolg van een versoepeling van het beleid (versoepeling van de quotummobiliteit). Als gevolg van een dalend aantal producenten (-41 % ten opzichte van 1999/00) en een stijging van de melkleveringen is de gemiddeld geleverde hoeveelheid per producent en per melkjaar sterk gestegen (+83 %). De gemiddelde geleverde melkhoeveelheid per producent is beduidend groter in Vlaanderen dan in Wallonië. De provincie met het grootste aantal geleverde liters per producent is Antwerpen, gevolgd door Limburg (figuur 7).

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens Agentschap Landbouw en Visserij

Figuur 7. Evolutie van de gemiddelde melkleveringen per producent, liter, 1999/00-2009/10

Ten opzichte van 1999/00 wordt er 8 % meer melk geleverd (figuur 6). Tot 2006 varieerden de melkleveringen relatief weinig door een gelijkblijvend quotum. Vanaf 2006 werd het quotum in verschillende stappen verruimd met als gevolg een toename in de melkleveringen.

500.000 400.000 300.000

1999/00

200.000

2009/10

100.000 0 Vlaanderen

Wallonië

Antwerpen

Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens Agentschap Landbouw en Visserij

94

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

95


Er is een groot structuurverschil tussen de provincies, maar ook tussen de bedrijven onderling, wat blijkt uit de verdeling van de toegekende melkquota voor leveringen. Ongeveer 13 % van de melkaanvoer is afkomstig van bedrijven met meer dan 800.000 liter (tabel 3). Het betreft 4 % van de bedrijven. De meeste producenten (25 %) hebben een quotum tussen 100.000 en 200.000 liter. De meeste melk wordt geleverd door bedrijven met een quotum tussen de 300.000 en 400.000 liter.

Figuur 8. Evolutie van de productiewaarde van melk en melkderivaten, miljoen euro, 1999-2009 700 600 500 400

Tabel 3. Verdeling van de producenten en de melkleveringen per quotumklasse, 2009/10

300 producenten

quotumklasse (1.000 liter)

H4

melkleveringen %

aantal

1.000 liter

%

< 50

277

4,5

9.877

0,5

50 -100

465

7,5

32.114

1,7

100-200

1.534

24,6

211.200

10,9

200-300

1.153

18,6

265.831

13,7

300-400

969

15,6

324.543

16,8

400-500

677

10,9

291.246

15,1

500-600

436

7,0

236.669

12,2

600-700

306

4,9

195.346

10,1

700-800

145

2,3

109.993

5,7

≥ 800

253

4,1

257.006

13,3

6.215

100

1.933.827

100

totaal

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens Agentschap Landbouw en Visserij

2.1.2  Productiewaarde Met een productiewaarde van 441 miljoen euro in 2009 is de zuivelsector goed voor 9,8 % van de waarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie. De zuivelproducten vormen in dat jaar het derde belangrijkste product binnen de veeteeltsector na varkensvlees en rundvlees. Figuur 8 geeft de evolutie weer van de productiewaarde. Zoals blijkt uit de figuur was 2007 een uitstekend jaar qua omzetcijfer en dit door een tekort aan zuivelproducten op de wereldmarkt. Daarna werd de zuivelsector geconfronteerd met een sterke prijsdaling, vooral in 2009, met uitzonderlijk lage productiewaarden tot gevolg.

96

Grondgebonden veeteelt

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009*

*voorlopig cijfer Bron:  Departement Landbouw en Visserij H4

2.2  Aanwending van de productie 2.2.1  Consumptie Uit de gegevens inzake gezinsaankopen van zuivelproducten per jaar (als indicator voor het zuivelverbruik) blijkt dat de totale aankopen van zuivelproducten in de beschouwde periode gedaald zijn (tabel 4). Dit is toe te schrijven aan de verminderde aankopen per inwoner van melk, boter en andere zuivelproducten. Tabel 4. Evolutie van de aankopen van enkele zuivelproducten, kg per inwoner per jaar, 2000-2009 2000 consumptiemelk

2005

2007

2008

2009

nb

54,5

53,7

53,5

52,7

boter en margarine

10,8

9,3

9,0

8,9

8,8

yoghurt

10,4

11,3

11,5

11,4

11,5

kaas

9,8

10,7

10,8

10,8

10,8

andere zuivelproducten

nb

17,6

17,6

17,4

16,6

totaal zuivelproducten

110,4

103,3

102,5

102,0

100,4

Bron:  Bron: GfK Panel Services Benelux, VLAM

In geldwaarde uitgedrukt wordt er 259,73 euro per jaar en per inwoner besteed aan zuivelproducten, waarvan 38 % aan kaas en 18 % aan consumptiemelk.

Grondgebonden veeteelt

97


2.2.2  Zelfvoorzieningsgraad

Tabel 6. Buitenlandse handel in zuivelproducten per productcategorie, België, miljoen euro, 2009

De zelfvoorzieningsgraad is voor de belangrijkste zuivelproducten, met uitzondering voor kaas en condensmelk, groter dan 100 (tabel 5). Dit wil zeggen dat de nationale productie groter is dan het nationale verbruik. Tabel 5. Zelfvoorzieningsgraad voor enkele belangrijke zuivelproducten, België, %, 2008 zelfvoorzieningsgraad verse vloeibare melkproducten

149

verbruikersroom

134

condensmelk H4

97

poeder van volle melk/room

251

poeder van afgeroomde melk

177

boter

106

invoer

uitvoer

saldo

volle en magere melk

202,9

256,9

54,0

kaas

931,1

515,9

-415,2

melkpoeder

264,6

343,5

78,9

boter

265,6

379,5

113,9

room

173,7

111,2

-62,5

yoghurt en melkdranken

121,8

142,9

21,2

andere zuivelproducten

230,3

705,5

475,1

2.190,1

2.455,4

265,3

2.176,3

2.079,7

-96,5

totaal waarvan: intra-EU-27

H4

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat kaas (exclusief smeltkaas) smeltkaas

33 249

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

2.2.3  Buitenlandse handel De handelsbalans voor enkele belangrijke zuivelproducten wordt weergegeven in tabel 6. Met uitzondering van kaas en room, hebben alle zuivelproducten een positieve handelsbalans. Globaal beschouwd resulteert dit in een positieve handelsbalans voor de zuivelproducten van 265,3 miljoen euro. Wat de handel met landen binnen de Europese Unie betreft, is de invoer van zuivelproducten wel iets groter dan de uitvoer.

De meeste handel gebeurt met landen binnen de Europese Unie. Onze belangrijkste handelspartners zijn Nederland, Frankrijk en Duitsland, wat blijkt uit figuur 9. Opvallend voor de invoer is het grotere aandeel van Duitsland bij melk, van Nederland bij room en boter en van Ierland bij boter. Bij de uitvoer van zuivelproducten is het vooral het enorme aandeel van andere landen bij melkpoeder dat opvalt. Van de uitvoer van melkpoeder is namelijk 66 % bestemd voor derde landen. Figuur 9. Buitenlandse handel in zuivelproducten per handelspartner, België, 2009

1. invoer 100%

Frankrijk Nederland

80%

Duitsland 60% Italië 40%

Verenigd Koninkrijk

20%

Ierland Andere

0% melk

98

Grondgebonden veeteelt

kaas

melkpoeder

boter

room

totaal

Grondgebonden veeteelt

99


2. uitvoer

Figuur 10. Evolutie van de melkprijs, werkelijk gehalte eiwit en vet, maandelijkse premies inbegrepen, euro per 100 kg, 2000-2009 40

100% Frankrijk 80%

30 Nederland

60%

Duitsland Italië

40%

Verenigd Koninkrijk H4

20

10

20%

H4

Andere 0

0% melk

kaas

melkpoeder

boter

room

2000

totaal

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

2.3  Rentabiliteit 2.3.1  Prijsevolutie De prijzen betaald aan de melkproducenten variëren van jaar tot jaar (figuur 10). Volgens gegevens van de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (BCZ) werd, na een aantal jaren van dalende prijzen, een sterk positieve prijsevolutie opgetekend in 2007. Aan de basis lag de uitzonderlijk sterke stijging van de wereldmarktprijzen op de zuivelmarkt. De krappe bevoorrading vanuit de EU en Oceanië en de gestegen internationale vraag onder meer uit Azië, beïnvloedden de prijs van zuivelproducten positief en de prijs aan landbouwer volgde. In 2008 en vooral in 2009 heeft de zuivelmarkt te kampen met een toenemende prijsdruk door een ruimer aanbod en een achterblijvende vraag. Een remmende factor op de afzet voor de Europese zuivel in 2009 is o.a. de wereldwijde economische groeivertraging en de ongunstige concurrentiepositie als gevolg van de relatief hoge eurokoers ten opzichte van de dollar. Uit de eerste cijfers van 2010 blijkt dat de zuivelmarkt positiever gestemd is. De zuivelprijzen herstellen door een kleinere melkaanvoer zowel binnen als buiten Europa. Het economisch herstel verloopt vlotter dan gedacht en de concurrentiepositie van de Europese zuivelproducten op de wereldmarkt is verbeterd door een lagere eurokoers.

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Bron:  BCZ

Voor de analyse van de rentabiliteit is het nuttig om de verkoopprijzen van de melk te vergelijken met de veevoederprijzen. De voederkosten zijn immers de belangrijkste variabele kosten op de melkveebedrijven. Na een sterke stijging van de mengvoederprijzen in 2008 door een krapte op de grondstoffenmarkt, zijn de veevoederprijzen in 2009 opnieuw gedaald en blijven begin 2010 stabiel. Vanaf mei zitten de prijzen opnieuw in de lift door een stijging van de grondstoffenprijzen (figuur 11). Figuur 11. Evolutie van de maandelijkse prijzen voor melkveevoeders, euro per ton, januari 2007 augustus 2010 350 300 250 200 150 100 50

jan/07 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/08 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/09 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/10 feb mrt apr mei jun jul aug

0

Bron:  BEMEFA

100

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

101


2.3.2  Technische en financiële resultaten Voor de analyse worden enkel de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven uit het Landbouwmonitoringsnetwerk in beschouwing genomen om de invloed van andere bedrijfstakken zoveel mogelijk uit te schakelen. Het betreft de resultaten van 97 bedrijven, met een gemiddelde melkproductie van 399.626 liter melk, 84 grootvee-eenheden rundvee (GVER) en 38,1 hectare cultuurgrond.

Aan de kostenzijde bereikten de variabele kosten 796 euro per GVER of 0,18 euro per geproduceerde liter. De voederkosten maken daarvan al 48 % uit (figuur 12). Figuur 12. Verdeling van de variabele kosten per GVER, 2008 zaai- en pootgoed 4%

Bedrijfstak rundvee en voedergewassen

H4

overige 8%

Het bruto saldo van de bedrijfstak rundvee en voedergewassen bereikt in 2008 het laagste niveau van de 4 beschouwde jaren (tabel 7). Dit is vooral toe te schrijven aan de gestegen kosten. De financiële opbrengst was weliswaar lager dan in het uitzonderlijk goede zuiveljaar 2007, maar nog altijd hoger dan in 2005 en 2006. De opbrengsten bestaan voor 86 % uit de opbrengsten van melkproducten. De melkproductie per bedrijf is gestegen, maar de prijs is lager. Technisch scoren de bedrijven ook beter: de gemiddelde melkgift per koe neemt voortdurend toe. Tabel 7. Evolutie van de rentabiliteitscijfers melk, 2005-2008 2005 melkgift per koe (liter per koe)

2006

2007

2008

6.612

6.744

6.993

7.034

vetgehalte (gram per liter)

43,4

43,5

43,5

42,9

eiwitgehalte (gram per liter)

34,7

34,7

35,0

34,8

318.872

343.016

383.558

399.626

melkproductie (liter per bedrijf)

94,3

96,0

95,0

95,7

2,9

2,5

2,7

2,7

prijs per liter aan melkerij (euro per 100 liter)

29,02

28,45

35,68

33,08

opbrengst rundvee en voedergewassen per ha (euro)

3.209

3.266

4.336

3.676

opbrengst rundvee en voedergewassen per GVER (euro)

1.491

1.508

1.953

1.697

1.223

1.264

1.676

1.466

268

244

277

230

variabele kosten rundvee en voedergewassen per GVER (euro)

568

593

680

796

bruto saldo rundvee en voedergewassen per GVER (euro)

923

914

1273

902

opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten (euro)

6.539

6.211

6.247

4.522

gemiddelde krachtvoederkost voor melkvee (euro per kg)

0,188

0,187

0,229

0,270

gevoederd aan vee (%)

waarvan: opbrengst melkproducten overige opbrengst rundvee en voedergewassen

bestrijdingsmiddelen 3% H4

energie 9%

diergeneeskundige zorgen 7%

voederkosten 47%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

Bedrijfsresultaten

waarvan: bestemd voor de melkerij (%)

werk door derden 14%

meststoffen 8%

Tabel 8 toont de bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven. Het inkomen is in 2008 geëvolueerd van het beste naar het minst goede resultaat. De totale opbrengsten waren behoorlijk, maar de totale kosten stegen zeer sterk. De kosten voor veevoeders, meststoffen en energie gingen fors de hoogte in. De totale opbrengsten zijn ontoereikend om de totale kosten (inclusief de vergoeding voor eigen arbeid) te dekken, zodat het netto bedrijfsresultaat negatief is en de opbrengsten per 1.000 euro kosten kleiner zijn dan 1.000. Het familiale arbeidsinkomen, uitgedrukt per familiale arbeidseenheid, bereikt 19.044 euro, het laagste cijfer van de 4 beschouwde jaren.

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

102

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

103


Tabel 8. Bedrijfsresultaten van de sterk gespecialiseerde melkveebedrijven, 2005-2008 2005

2006

2007

2008

oppervlakte cultuurgrond (ha)

35,3

36,0

37,2

38,1

aantal ha grasland en voedergewassen

30,5

31,8

32,9

34,4

aantal melkkoeien

48,2

50,9

54,8

53,9

aantal VAK

1,51

1,48

1,54

1,66

aantal FAK

1,50

1,48

1,54

1,65

totale opbrengsten per ha cultuurgrond

3.920

4.096

5.313

4.549

kosten per ha cultuurgrond

4.484

4.604

5.142

5.359

-564

-508

170

-810

874

890

1033

849

1.047

1.083

1.836

826

24.551

26.366

44.388

19.044

Een verdeling van de kosten leert dat de uitgaven voor de berekende lonen, gronden gebouwenkapitaal en de veevoeders de drie voornaamste kostenrubrieken zijn. Zij nemen samen ongeveer twee derde van de kosten voor hun rekening (figuur 14). Figuur 14. Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2008 overige kosten 7%

zaai- en pootgoed 2% veevoeders 16%

werk door derden 5%

meststoffen 3%

rentabiliteit (euro) H4

netto bedrijfsresultaat per ha cultuurgrond opbrengst per 1.000 euro kosten familiaal arbeidsinkomen per ha cultuurgrond familiaal arbeidsinkomen per FAK

bestrijdingsmiddelen 1% diergeneeskundige zorgen 2%

berekende lonen 31% energie 3%

werktuigkosten 10%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

In figuur 13 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen 81 % voor hun rekening. Figuur 13. Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven, 2008 overige opbrengsten 12%

H4

grond- en gebouwenkapitaal 20% Bron:  Departement Landbouw en Visserij

marktbare gewassen 3%

pluimvee 2% varkens 2%

rundvee en voedergewassen 81%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

104

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

105


3.1  Productie

3  RUNDVLEESPRODUCTIE 3.1.1  Productievolume In alle gemeentes wordt rundvee gekweekt, maar de gemeentes waar de rundveesector een belangrijke economische plaats inneemt, zijn eerder beperkt en vooral gelegen in de Kempen, in het noorden van West-Vlaanderen, het Pajottenland en de Vlaamse Ardennen (figuur 15). De vleeskalverhouderij bevindt zich rond Kasterlee. Figuur 15. Belang van de rundvleessector per gemeente, 2009

In 2009 werden er in België 461.672 volwassen runderen en 328.314 kalveren geslacht. Dit komt overeen met een geslacht gewicht van respectievelijk 202.349 en 52.568 ton (figuur 16). Om de werkelijke productie van rundvlees te kennen, moeten deze slachtingen vermeerderd worden met de uitvoer van levende dieren en verminderd met de invoer ervan. In 2007 (laatst beschikbaar cijfer bij ADSEI) bedroeg de bruto Belgische rundvleesproductie 287.977 ton karkasgewicht. Op basis van deze cijfers kan de Vlaamse rundvleesproductie geraamd worden op 176.613 ton.

verstedelijkte gemeenten

H4

% gespecialiseerde rundveebedrijven op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20%

Figuur 16. Evolutie van het geslacht gewicht (1.000 ton) en het aantal geslachte runderen (1.000 stuks), België, 1999-2009

H4

% SO bedrijfstak vleesvee in de totale SO van de gemeente 0%

1. volwassen dieren

< 10 % 10 - 20 %

800

400

600

300

400

200

200

100

1.000 ton

1.000 stuks

20 - 40 % (max.37%)

0

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 aantal dieren

geslacht gewicht

2. kalveren 0

25

50

600

60

400

40

200

20

1.000 ton

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, NGI-AGIV

1.000 stuks

Km

0

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 aantal dieren

geslacht gewicht

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

106

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

107


3.1.2  Productiewaarde

Tabel 9. Thuisverbruik van rund- en kalfsvlees per inwoner, 2000-2009

De productiewaarde van rundvee bedraagt in 2009 569 miljoen euro, wat 13 % van de totale Vlaamse eindproductie uitmaakt en ongeveer 56 % van de nationale waarde voor rundvlees. Na varkensvlees is rundvlees het tweede belangrijkste veeteeltproduct in 2009 en komt op nummer drie op de ranglijst van alle land- en tuinbouwproducten. Na het crisisjaar 2001 (als gevolg van BSE) is de productiewaarde hersteld en stabiliseert zich de laatste jaren op een hoger niveau (figuur 17). Figuur 17. Evolutie van de productiewaarde van rundvlees, miljoen euro, 1999-2009

kg per inwoner 2000

2005

euro per inwoner 2009

2000

2005

2009

rundvlees

nb

8,1

7,7

nb

82,2

84,4

kalfsvlees

1,7

1,4

1,3

14,3

14,4

15,8

Bron:  GfK Panel Services Benelux, VLAM

700

3.2.2  Zelfvoorzieningsgraad H4

600

De Belgische zelfvoorzieningsgraad voor rund- en kalfsvlees bedraagt 139 in 2007 (laatst beschikbaar cijfer). Aangezien dit kengetal groter is dan 100, wil dit zeggen dat de nationale productie groter is dan het nationale verbruik.

500

H4

400

3.2.3  Buitenlandse handel

300

De handelsbalans voor de belangrijkste producten wordt weergegeven in tabel 10. De uitvoer overschrijdt de invoer voor alle productcategorieën. De meeste handel gebeurt met landen binnen de EU.

200 100 0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009*

Tabel 10. Buitenlandse handel per productcategorie, miljoen euro, België, 2009 invoer

*voorlopige cijfers Bron:  Departement Landbouw en Visserij levende runderen vers rundvlees

3.2  Aanwending van de productie

gedroogd en gerookt vlees bereidingen

3.2.1  Consumptie Uit de gegevens inzake gezinsaankopen van rundvleesproducten blijkt dat de Vlaming in 2009 gemiddeld 9,0 kg vers rund- en kalfsvlees (excl. mengsels) per persoon aankoopt, wat overeenkomt met een besteding van 100,2 euro (tabel 9). In aankoopvolume is 86 % rundvlees en 14 % kalfsvlees. Uitgedrukt in euro per inwoner is de verdeling 84 % rundvlees en 16 % kalfsvlees.

108

Grondgebonden veeteelt

totaal: waarvan intra-EU-27

uitvoer

saldo

48,0

135,3

87,3

206,7

493,0

286,2

3,8

6,7

2,9

39,5

68,4

28,8

298,1

703,4

405,3

268,9

702,2

433,4

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

Grondgebonden veeteelt

109


Onze belangrijkste handelspartners zijn Frankrijk, Nederland en Duitsland (figuur 18). Opvallend bij de invoer zijn het grotere aandeel van Frankrijk voor de levende runderen en van Nederland bij vers rundvlees. Bij de uitvoer komt het grote aandeel van Nederland bij de levende runderen en de bereidingen naar voren. Figuur 18. Buitenlandse handel per handelspartner, België, 2009

3.3  Rentabiliteit 3.3.1  Prijsevolutie De vleeskalverhouderij is zeer geïntegreerd. Meer dan 90 % van de kalverproductie gebeurt onder contract. Bij het volwassen rundvee speelt overwegend het vrijemarktmechanisme. Figuur 19 geeft de evolutie van de gewogen gemiddelde prijs weer van de volwassen runderen (prijs levend gewicht). Gemiddeld zijn de prijzen in 2009 gestegen met 3,7 %. De prijsevolutie is echter afhankelijk van de kwaliteitsklasse. In 2009 noteerden vooral de hogere kwaliteitsklassen een merkbare stijging. In het eerste halfjaar 2010 liggen de gemiddelde prijzen onder het niveau van 2009.

1. invoer 100%

80% H4

H4

Frankrijk

Figuur 19. Prijsevolutie van de levende volwassen runderen, euro per 100 kg, 1999-2009 60%

Nederland 250 Duitsland

40%

Andere

200

20% 150 0% levende runderen

vers rundvlees

bereidingen

totaal

100

2. uitvoer

50

100%

0 Frankrijk

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

80% Nederland 60%

Duitsland Italië

40%

Verenigd Koninkrijk 20% Andere 0% levende runderen

vers rundvlees

bereidingen

totaal

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

110

Grondgebonden veeteelt

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

Voor de rentabiliteitsanalyse is het nuttig om de verkoopprijzen van de runderen te vergelijken met de veevoederprijzen. De kosten voor veevoeders vormen immers een belangrijke uitgavenpost. In 2008 waren de veevoederprijzen voor vleesvee zeer hoog als gevolg van de krapte op de graanmarkt. De veevoederprijzen zijn gedaald in 2009 en stabiliseren gedurende de eerste maanden van 2010. Vanaf mei 2010 zitten de voederprijzen voor rundvee opnieuw in de lift door stijgende grondstoffenprijzen (figuur 20). De melkpoedermarkt kende een prijspiek in 2007 door een tekort op de wereldmarkt. Daarna daalden de prijzen. Vanaf december 2009 stijgen de prijzen opnieuw door een verbeterde zuivelmarkt.

Grondgebonden veeteelt

111


Figuur 20. Evolutie van de veevoederprijzen, euro, januari 2007 - augustus 2010

Tabel 11. Evolutie van de opbrengstcijfers vlees, 2005-2008

350

2005

2006

2007

2008

1.648

1.869

1.890

2.230

300

opbrengst rundvee en voedergewassen (euro per ha)

250

opbrengst rundvee en voedergewassen (euro per GVER)

711

738

759

828

200

variabele kosten rundveehouderij en voedergewassen (euro per GVER)

423

449

504

608

bruto saldo rundveehouderij en voedergewassen (euro per GVER)

289

289

255

221

opbrengst per 1.000 euro bijkomende voederkosten

3.555

3.214

2.651

2.320

gemiddelde krachtvoederkosten voor vleesvee (euro per kg)

0,192

0,218

0,251

0,292

150 100 50

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

0 jan/07 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/08 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/09 feb mrt apr mei juni juli aug sep okt nov dec jan/10 feb mrt apr mei jun jul aug

H4

runderen vleesvee (euro per ton)

kunstmelk (euro per 100kg)

Bron:  BEMEFA

3.3.2  Financiële resultaten

Aan de kostenzijde bedroegen de variabele kosten 608 euro per GVER. De voederkosten maken daarvan reeds 56 % uit (figuur 21). Ten opzichte van 2007 is de stijging van de kosten voor veevoeders het meest markant. Gezien het grote aandeel van de voederkosten in de totale kosten is deze stijging nefast voor het bruto saldo en de opbrengst per 1.000 euro voederkosten. Figuur 21. Structuur van de variabele kosten per GVER, 2008

De analyse is gebaseerd op de resultaten van 36 gespecialiseerde vleesveebedrijven uit het LMN, met gemiddeld 119 GVER, 52 zoogkoeien en 42,3 hectare cultuurgrond. Het betreft voornamelijk gesloten zoogkoeienbedrijven, waarbij de stieren van eigen bedrijf afgemest worden. Bedrijfstak rundvee en voedergewassen Het jaar 2008 wordt gekenmerkt door betere financiële opbrengsten voor rundvee en voedergewassen door een betere prijsvorming van de verkochte voedergewassen en, in mindere mate, van de runderen (tabel 11).

H4

overige 7%

zaai- en pootgoed 3%

meststoffen 7% werk door derden 12%

bestrijdingsmiddelen 2%

energie 6%

diergeneeskundige zorgen 11%

veevoeder 52%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

112

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

113


Bedrijfsresultaten

Figuur 22. Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2008

Het inkomen blijft jaar na jaar een heikel punt in de rundvleessector. In 2008 stegen de totale kosten sterk en de opbrengsten volgden deze stijging onvoldoende. Daardoor daalde het netto bedrijfsresultaat en het familiale arbeidsinkomen tot het laagste niveau van de bestudeerde periode (tabel 12). Tabel 12. Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2005-2008 2005

H4

2006

varkens 4%

2007

2008

beteelde oppervlakte

43,9

45,6

45,3

42,3

aantal ha grasland en voedergewassen

34,0

34,6

34,4

37,3

102,0

115,0

116,2

119,4

aantal VAK

1,41

1,34

1,40

1,47

aantal FAK

1,41

1,34

1,40

1,47

aantal dieren in GVER

rentabiliteit (euro) totale opbrengsten per ha cultuurgrond

2.596

2.936

3.179

3.567

totale kosten per ha cultuurgrond

3.313

3.561

3.919

4.557

netto bedrijfsresultaat per ha cultuurgrond

-717

-625

-740

-989

opbrengst per 1.000 euro kosten

783

825

811

783

familiaal arbeidsinkomen per ha cultuurgrond

442

501

435

257

13.737

17.038

14.016

7.396

familiaal arbeidsinkomen per FAK

marktbare gewassen 11%

overige opbrengsten 23%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

In figuur 22 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. De opbrengsten uit rundvee en voedergewassen nemen 62 % voor hun rekening. Er dient wel opgemerkt te worden dat de premies (zoogkoeienpremies, enz.) in de overige opbrengsten opgenomen zijn. De bedrijven hebben vaak een gemengd karakter. In de steekproef zijn dit vooral bedrijven die de rundvleesproductie combineren met akkerbouw.

rundvee en voedergewassen 62%

H4

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

De totale kosten per ha liggen in 2008 op een hoog niveau. Vooral de veevoederkosten waren bijzonder hoog in 2008. De berekende lonen, de veevoeders en de kosten voor het grond- en gebouwenkapitaal zijn de drie voornaamste kostenrubrieken en nemen samen 64 % van de kosten voor hun rekening (figuur 23). Figuur 23. Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde rundvleesbedrijven, 2008 zaai- en pootgoed 2% overige kosten 10% werk door derden 5%

veevoeders 22% meststoffen 3% bestrijdingsmiddelen 2%

berekende lonen 28%

diergeneeskundige zorgen 4% energie 2%

grond- en gebouwenkapitaal 14%

werktuigkosten 8%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

114

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

115


Figuur 25. Verdeling van het areaal voedergewassen over de gewesten en provincies, 2009

4  VOEDERGEWASSEN De voedergewassen nemen 60 % in van de totale oppervlakte cultuurgrond in Vlaanderen (figuur 24) en hebben hoofdzakelijk betrekking op weiden en maïs.

Antwerpen: 74.155 ha (19,9%) Limburg: 43.504 ha (11,7%)

Figuur 24. Indeling van de oppervlakte cultuurgrond, 2009

Oost-Vlaanderen: 102.139 ha (27,4%)

Vlaanderen: 46,3%

andere 0,5%

Vlaams-Brabant: 36.406 ha (9,8%)

maïs 40,4%

tuinbouw 8,0%

West-Vlaanderen: 116.290 ha (31,2%)

tijdelijke weiden 14,4%

H4

H4 Wallonië en Brussel: 53,7%

voedergewassen 60,1%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie akkerbouw 31,4%

andere 1,8%

blijvende weiden 43,4%

totale oppervlakte cultuurgrond 2009 = 620.161 ha

Als gevolg van de inkrimping van de veestapel is ook het Vlaamse areaal voedergewassen gedaald ten opzichte van 1999 (tabel 13). Dit is volledig toe te schrijven aan de areaalinkrimping bij het grasland. Het areaal voedermaïs is immers nog licht uitgebreid. Tabel 13. Evolutie van het areaal voedergewassen, ha, 1999-2009

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

De voederteelten zijn vooral terug te vinden op de rundveebedrijven, zodat de verdeling per provincie te vergelijken is met die van de runderen (figuur 25).

1999

2009

% verandering

voedermaïs (excl. droog geoogste korrelmaïs)

144.746

150.306

4

grasland

244.014

215.622

-12

- tijdelijk grasland

58.520

53.692

-8

- blijvend grasland

185.494

161.930

-13

395.462

372.494

-6

totaal voedergewassen

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

De voedermaïs wordt voor 83 % gehakseld, bestemd als ruwvoeder voor het vee. De resterende 17 % wordt gedorst (vochtig geoogste korrelmaïs, enz.) om als krachtvoederbron te dienen. Vooral deze laatste vorm zit in de lift.

116

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

117


REFERENTIES zz

zz

zz

zz

H4 zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

118

Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (2010) Jaarverslag 2010, Leuven. Bernaerts E. & Demuynck E. (2009) Productierekening van de Vlaamse land- en tuinbouw 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Bernaerts E. & Demuynck E. (2005) Regionale rekeningen van de landbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Coulier T. (2009) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. H4

Danckaert S., Lenders S. & Oeyen A. (2009) De landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. D’hooghe J. & Campens V. (2009) Vlaamse standaardopbrengsten voor de gewassen en de veehouderij 2003-2005, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Eurostat (12/2010) Intra- and extra-EU trade, combined nomenclature, Luxemburg. FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Mei-enquête, meerdere jaargangen, Brussel. GfK Panelservices Benelux (2008), Brussel, www.gfk.be. Instituut voor de nationale rekeningen (2010) Regionale rekeningen 1999-2008, Brussel. Raad van de Europese Unie (1985) Bijlage 2 Classificatie van de landbouwbedrijven volgens productierichting, Publicatieblad van de Europese Unie L220, 17/8, 10-13. www.statbel.fgov.be: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. www.bemefa.be: Beroepsvereniging van de mengvoederfabrikanten.

Grondgebonden veeteelt

Grondgebonden veeteelt

119


Els Bernaerts, Els Demuynck

APPELEN

GLASGROENTEN HANDEL

PEREN TUINBOUW GROENTETEELT FRUIT BLOEMKOOL KOSTEN ONDER INKOMEN SIERTEELT OPENLUCHT BEDRIJFSRESULTATEN PRODUCTIE GESPECIALISEERDE AZALEA

BEDRIJVEN OPBRENGSTEN

TUINBOUW

ARBEIDSINKOMEN

WORTELEN

GROENTEN PRIJS FOD LANDBOUW GESPECIALISEERDE

EURO

TOTAL

CULTUU

DEPARTEMENT

AREAAL OPPERVLAKTE

H5

HOOFDLIJNEN De tuinbouwsector is qua oppervlakte misschien een kleinere landbouwsector, met slechts 8 % van de totale Vlaamse cultuurgrond, maar hij is wel verantwoordelijk voor bijna een derde van de totale landbouwproductiewaarde. De Belgische tuinbouwactiviteiten bevinden zich vooral in Vlaanderen. Vlaanderen is verantwoordelijk voor 90 % van de nationale productiewaarde van de tuinbouw. Bij de beschutte teelten loopt dit aandeel zelfs op tot 99 %. Qua buitenlandse handel levert de tuinbouw een grote bijdrage in de totale in- en uitvoerwaarde van de landbouwproducten en noteert hij een licht positieve handelsbalans. De groentesector vertoont het grootste positieve saldo, wat vooral te danken is aan het sterke exportcijfer van de diepvriesgroenten. Het jaar 2009 werd gekenmerkt door een zeer lage productiewaarde als gevolg van een slechte prijsvorming. De daling was merkbaar in alle deelsectoren: groenten, fruit en sierteelt. Vooral de omzet van de glasgroenten en het hardfruit noteerden een sterke procentuele vermindering. De omzetdaling werd niet gecompenseerd aan de kostenzijde zodat de rentabiliteit van de bedrijven zwaar onder druk kwam te staan. De tuinbouwproducties zijn zeer divers en sterk streekgebonden. Zo is de groenteteelt in openlucht vooral terug te vinden in West-Vlaanderen, de groenteteelt onder glas in de provincie Antwerpen, de fruitteelt vooral in Limburg en de sierteelt vooral in Oost-Vlaanderen.

De tuinbouwproducties zijn zeer divers. De grote subsectoren zijn groenteteelt, fruitteelt en sierteelt. Elk van deze oriëntaties kent zowel teelt in open grond als teelt onder glas. In dit hoofdstuk worden voor de verschillende indicatoren de drie oriëntaties apart geanalyseerd en wordt, waar mogelijk, een verdere opdeling gemaakt tussen de teelt in openlucht en onder glas.

Tuinbouw

123


Figuur 2. Evolutie van het tuinbouwareaal, ha, 1999-2009

1  STRUCTUUR

60.000 50.000

1.1  Areaal

groeten 40.000

Van de totale oppervlakte cultuurgrond wordt 8 % gebruikt voor tuinbouwteelten (49.657 ha in 2009). De groenteteelt vertegenwoordigt het grootste aandeel (56 %) in het tuinbouwareaal (figuur 1).

fruit 30.000 sierteelt 20.000 totale tuinbouw

Figuur 1. Bestemming van de cultuurgrond, 2009

10.000

akkerbouw 31,4%

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 fruit 32,2%

andere 0,5%

H5

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

sierteelt 11,4%

tuinbouw 8,0%

andere 0,7%

groenten 55,7% voedergewassen 60,1%

H5

Groenteteelt De groenteteelt beslaat een oppervlakte van 27.637 ha. Ruim 96 % hiervan, nl. 26.612 ha, is bestemd voor het telen van groenten in openlucht. De voornaamste teelten zijn groene bonen, prei, bloemkool, wortelen en groene erwten, samen goed voor 55 % van het areaal voor vollegrondsgroenten (figuur 3). Volgens de mei-enquête is 71,6 % van de oppervlakte groenten in openlucht bestemd voor industriegroenten. Slechts 4 % van het areaal voor groenten is bestemd voor glasgroenten (1.025 ha). Tomaten en kropsla, met respectievelijk 43 % en 22 % van het areaal glasgroenten, nemen de grootste oppervlakte voor hun rekening.

totale oppervlakte cultuurgrond 2009 = 620.161 ha Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Het areaal blijft de laatste jaren vrij constant voor de drie deelsectoren (figuur 2). Elk van deze deelsectoren kent zowel teelt in open grond als teelt onder glas. Van het totale tuinbouwareaal is 4,2 % bestemd voor teelten in serres (2.062 ha).

124

Tuinbouw

Tuinbouw

125


Figuur 3. Verdeling van het groenteareaal in openlucht en onder glas over de diverse gewassen, 2009

Vlaanderen neemt 67 % van het nationale groenteareaal in openlucht voor zijn rekening. In Vlaanderen heeft West-Vlaanderen duidelijk het grootste groenteareaal in openlucht met bijna 64 % (figuur 4).

1. openlucht

De glasgroenteteelt is een typische Vlaamse aangelegenheid. Ruim 99 % van het nationale groenteareaal onder glas is in Vlaanderen gesitueerd. Bijna 60 % hiervan is terug te vinden in de provincie Antwerpen.

groene bonen 14% andere 23%

Figuur 4. Verdeling van het groenteareaal over de gewesten en provincies, 2009

prei 12%

1. openlucht

spinazie 7% Antwerpen: 1.711 ha (6,4%)

groene erwten 9%

H5

Limburg: 2.716 ha (10,2%)

tuinwortelen 10%

bloemkool 10% spruitkool 8%

Vlaanderen: 26.612 ha (67,3%)

witloofwortelen 7%

Oost-Vlaanderen: 2.825 ha (10,6%)

H5

Vlaams-Brabant: 2.448 ha (9,2%) West-Vlaanderen: 16.913 ha (63,6%)

totaal groenteareaal openlucht = 26.612 ha

2. onder glas Wallonië en Brussel: 12.947 ha (32,7%)

andere 17%

2. onder glas komkommers 4% tomaten 43% Antwerpen: 590 ha (57,5%)

veldsla 5%

Limburg: 7 ha (0,6%) Vlaanderen: 1.025 ha (99,2%)

paprika 9% kropsla 22%²

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Tuinbouw

Vlaams-Brabant: 30 ha (2,9%) West-Vlaanderen: 294 ha (28,7%)

totaal groenteareaal onder glas = 1.025 ha

126

Oost-Vlaanderen: 105 ha (10,3%)

Wallonië en Brussel: 9 ha (0,8%) Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Tuinbouw

127


Fruitteelt

2. onder glas

Iets meer dan 16.000 ha wordt gebruikt voor de fruitteelt. 98 % van dit areaal is bestemd voor de openluchtteelt. De voornaamste fruitsoorten zijn peren en appelen met een oppervlakte van respectievelijk 7.285 en 6.418 ha, goed voor 47 % en 41 % van de totale fruitoppervlakte in openlucht (figuur 5).

andere 4,7% bessen 5,6%

druiven 2,4%

Het areaal appelen neemt de afgelopen tien jaar geleidelijk af met gemiddeld 3 % per jaar. Deze daling wordt gecompenseerd door de toename van het perenareaal. Sinds 2007 is het areaal peren groter dan het areaal appelen. aardbeien 87,2%

De oppervlakte fruitteelt onder glas bedraagt 337 ha en is goed voor bijna 2 % van het totale areaal fruitteelt. De grootste oppervlakte onder glas is bestemd voor de aardbeienteelt. Figuur 5. Verdeling van het fruitareaal in openlucht en onder glas over de diverse teelten, 2009

1. openlucht totaal fruitareaal onder glas = 337 ha

H5 kersen 7,0%

andere 1,9%

H5

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

aardbeien 3,7%

appelen 41,0%

Met ruim 90 % van het nationale areaal is fruitteelt duidelijk een Vlaamse aangelegenheid. De fruitteelt is vooral terug te vinden in de provincie Limburg en in mindere mate in Vlaams-Brabant (figuur 6). Figuur 6. Verdeling van het fruitareaal over de gewesten en provincies, 2009

peren 46,5% Antwerpen: 664 ha (4,1%) Limburg: 9.442 ha (59,0%)

totaal fruitareaal in openlucht = 15.672 ha Vlaanderen: 16.009 ha (90,8%)

Oost-Vlaanderen: 1.387 ha (8,7%) Vlaams-Brabant: 3.977 ha (24,8%) West-Vlaanderen: 539 ha (3,4%)

Wallonië en Brussel: 1.624 ha (9,2%) Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

128

Tuinbouw

Tuinbouw

129


Sierteelt Van de totale sierteeltoppervlakte (5.673 ha) is ruim 88 % bestemd voor de openluchtteelt. Hiervan nemen de sierplanten van de boomkwekerij (rozen, heesters, struiken, enz.) de grootste oppervlakte in (figuur 7).

Vlaanderen is verantwoordelijk voor 87 % van het totale Belgische areaal sierteelt. De sierteelt is vooral verspreid over de provincies Oost-Vlaanderen en in mindere mate Antwerpen (figuur 8). Figuur 8. Verdeling van het sierteeltareaal over de gewesten en provincies, 2009

Figuur 7. Verdeling van het sierteeltareaal in openlucht en onder glas over de diverse teelten, 2009

1. openlucht

Antwerpen: 1.433 ha (25,3%)

andere 4%

azaleas 3%

Limburg: 750 ha (13,2%) bloembollen en knollen 3%

Vlaanderen: 5.673 ha (86,9%)

potchrysanten 7% bosplanten 11%

Oost-Vlaanderen: 2.365 ha (41,7%) Vlaams-Brabant: 245 ha (4,3%) West-Vlaanderen: 879 ha (15,5%)

H5

H5

fruitplanten 10%

sierplanten van de boomkwekerij 62%

Wallonië en Brussel: 853 ha (13,1%) Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

totaal sierteeltareaal in openlucht = 5.048 ha

2. onder glas andere 9% azaleas 29%

boomkwekerijplanten 14%

perk- en balkonplanten 23%

snijbloemen 9% potplanten 16% totaal sierteeltareaal onder glas = 625 ha

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

130

Tuinbouw

Tuinbouw

131


1.2.2  Bedrijfsgrootte

1.2  Productie-eenheden 1.2.1  Aantal bedrijven In 2009 zijn ongeveer 17 % van de Vlaamse landbouwexploitaties gespecialiseerde tuinbouwbedrijven, wat overeenkomt met 4.874 bedrijven. Het aantal bedrijven dat tuinbouwgewassen teelt, ligt echter hoger en bedraagt 8.259 in 2009. Dit komt overeen met 28 % van alle Vlaamse landbouwbedrijven. 4.851 bedrijven produceren groenten, 2.357 bedrijven telen fruit, en 1.695 bedrijven doen aan sierteelt (figuur 9).

De combinatie van een lichte afname van het totale tuinbouwareaal en een relatief grotere daling van het aantal tuinbouwbedrijven wijst op een schaalvergroting. De gemiddelde oppervlakte tuinbouwgewassen per bedrijf stijgt de afgelopen tien jaar met 50 % en bereikt in 2009 6,0 ha (figuur 10). Het gemiddelde areaal tuinbouw in openlucht bedraagt 6,7 ha en dat van tuinbouw onder glas bedraagt 0,7 ha. Figuur 10. Evolutie van het aantal bedrijven met tuinbouwgewassen en de gemiddelde oppervlakte tuinbouwgewassen per bedrijf, 1999-2009

Figuur 9. Aandeel bedrijven met tuinbouwgewassen in het totale aantal landbouwbedrijven van de provincie, %, 2009

7

12.000

6

11.000

5

10.000

4

sierteelt

9.000

3

totaal tuinbouwgewassen

8.000

35 groenten

30 H5

25

fruit

aantal bedrijven

40

ha per bedrijf

13.000

H5

20 15 10 5

2 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 aantal bedrijven met tuinbouwgewassen

0 Vlaanderen

Antwerpen

Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

gemiddelde oppervlakte bedrijf

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

132

Tuinbouw

Tuinbouw

133


Een indeling per grootteklasse leert dat 39 % van de bedrijven met tuinbouw in openlucht meer dan 5 ha tuinbouwgewassen in openlucht teelt (tabel 1). Deze bedrijven vertegenwoordigen 84 % van het tuinbouwareaal in openlucht. 23 % van de bedrijven met tuinbouwgewassen onder glas heeft meer dan 1 ha tuinbouwgewassen onder glas. Samen zijn deze bedrijven goed voor 62 % van de totale oppervlakte tuinbouwgewassen onder glas. Tabel 1. Indeling per grootteklasse van de bedrijven die tuinbouwgewassen telen, 2009 openlucht

Het gemiddelde bedrijfsareaal groenten in openlucht bedraagt 6,5 ha, en dat van groenten onder glas bedraagt 0,9 ha. Uit tabel 2 blijkt dat 42 % van de bedrijven met groenten in openlucht, meer dan 5 ha hiervan teelt. Deze bedrijven vertegenwoordigen 81 % van het areaal groenten in openlucht. 30 % van de bedrijven telen meer dan 1 ha groenten onder glas. Samen zijn deze bedrijven goed voor 67 % van de totale oppervlakte groenten onder glas. Tabel 2. Indeling per grootteklasse van de bedrijven die groenten telen, 2009

onder glas aantal ha

aantal ha tuinbouw per

Groenteteelt

% bedrijven

tuinbouw per

% areaal

% bedrijven

openlucht

% areaal

bedrijf

bedrijf <1

1,4

24,3

onder glas

aantal ha 14,7

53,2

< 0,5

groenten per

aantal ha % bedrijven

% areaal

groenten per

bedrijf

H5

1 tot 2

12,9

2,7

0,5 tot 1

23,8

23,6

2 tot 5

24,0

11,7

1 tot 1,5

11,3

18,7

5 tot 10

19,2

20,2

1,5 tot 2

4,5

10,7

10 tot 15

8,0

14,5

2 tot 2,5

3,1

9,7

11,6

49,5

2,5 tot 3

1,4

5,3

≥3

2,7

17,3

≥ 15

geheel van de bedrijven

100

100

geheel van de bedrijven

100

% areaal

<1

15,9

1,0

< 0,5

40,8

9,2

1 tot 2

12,4

2,7

0,5 tot 1

29,4

24,0

2 tot 5

29,8

15,4

1 tot 1,5

14,3

19,1

5 tot 10

24,1

25,9

1,5 tot 2

5,9

11,7

10 tot 15

8,2

15,3

2 tot 2,5

3,8

9,6

≥ 15

9,6

39,7

2,5 tot 3

2,2

6,8

≥3

3,6

19,6

100 geheel van de

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

% bedrijven

bedrijf

bedrijven

100

100

geheel van de bedrijven

100

H5

100

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

134

Tuinbouw

Tuinbouw

135


Fruitteelt

Sierteelt

De gemiddelde bedrijfsoppervlakte fruit in openlucht bedraagt 7,7 ha, terwijl die van fruit in serres 0,5 ha bedraagt.

Voor bedrijven met sierteelt is de gemiddelde oppervlakte sierteeltgewassen gelijk aan 3,7 ha en voor sierteelt onder glas 0,6 ha.

Tabel 3 toont aan dat 40 % van de bedrijven met fruitteelt in openlucht meer dan 5 ha fruitteelt in openlucht heeft. Samen vertegenwoordigen deze bedrijven meer dan 91 % van het totale areaal fruitteelt in openlucht. 17 % van de bedrijven heeft echter een oppervlakte fruitteelt in openlucht groter dan 15 ha, samen goed voor 64 % van de totale fruitteelt in openlucht. Bijna 15 % van de bedrijven met fruitteelt onder glas heeft meer dan 1 ha fruitteelt onder glas, samen goed voor 55 % van de oppervlakte fruitteelt onder glas.

16 % van de bedrijven die aan sierteelt in openlucht doen, heeft een oppervlakte sierteelt die groter is dan 5 ha. Samen vertegenwoordigen deze bedrijven 73 % van de totale sierteeltoppervlakte in openlucht. Van de bedrijven met sierteelt in openlucht heeft 5 % een oppervlakte sierteelt in openlucht die groter is dan 15 ha, samen goed voor bijna 49 % van de totale oppervlakte sierteelt in openlucht (tabel 4). 17 % van de bedrijven met sierteelt onder glas, heeft meer dan 1 ha sierteelt onder glas, samen goed voor 55 % van de totale oppervlakte sierteelt onder glas.

Tabel 3. Indeling per grootteklasse van de bedrijven die fruit telen, 2009 openlucht aantal ha fruit per bedrijf

% bedrijven

Tabel 4. Indeling per grootteklasse van de bedrijven met sierteelt, 2009

onder glas aantal ha fruit

% areaal

per bedrijf

% bedrijven

openlucht aantal ha

% areaal

sierteelt per

H5 <1

37,3

1,5

< 0,5

68,4

21,9

1 tot 2

10,0

1,8

0,5 tot 1

16,8

23,3

2 tot 5

12,8

5,2

1 tot 1,5

8,5

20,2

5 tot 10

13,5

12,8

1,5 tot 2

2,3

7,9

10 tot 15

9,4

15,0

2 tot 2,5

1,7

7,5

17,0

63,7

2,5 tot 3

0,3

1,6

≥3

2,0

17,6

≥ 15

geheel van de bedrijven

100

100

geheel van de bedrijven

100

100

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Tuinbouw

aantal ha % bedrijven

% areaal

sierteelt per

bedrijf

% bedrijven

% areaal H5

bedrijf

<1

48,8

5,0

< 0,5

63,7

22,2

1 tot 2

17,1

6,2

0,5 tot 1

19,1

22,9

2 tot 5

18,2

15,4

1 tot 1,5

8,4

17,5

5 tot 10

7,8

14,5

1,5 tot 2

3,8

11,1

10 tot 15

3,2

10,2

2 tot 2,5

2,7

10,4

≥ 15

4,9

48,7

2,5 tot 3

0,9

4,2

≥3

1,4

11,7

geheel van de bedrijven

136

onder glas

100

100

geheel van de bedrijven

100

100

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Tuinbouw

137


1.3  Economisch belang op gemeenteniveau Onderstaande figuren geven het belang van de verschillende sectoren weer voor elke gemeente. Groenteteelt

2. Groenten onder glas verstedelijkte gemeenten % gespecialiseerde groentebedrijven onder glas op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20% % SO bedrijfstak groenten onder glas in de totale SO van de gemeente 0%

Zoals uit figuur 11 blijkt, is de groenteteelt in openlucht vooral van groot belang voor de streek rond Mechelen, waar voor een aantal gemeenten de groenteteelt in open lucht minstens 40% uitmaakt van de totale standaardoutput (SO) van desbetreffende gemeente. In de streek rond Roeselare zijn er een groot aantal gemeenten waar de vollegrondsgroenten tussen 10 à 20 % van de totale SO uitmaken. Hier worden voornamelijk groenten geteeld bestemd voor de diepvriesindustrie en is er vooral contractteelt.

< 10 % 10 - 20 % 20 - 40 % > 40 % (max 94%)

Voor de groenten onder glas liggen de gemeenten behorende tot de hoogste klasse vooral in de driehoek Putte – Rumst – Wommelgem. Daarnaast zijn de glasgroenten ook van groot belang voor de regio rond Hoogstraten en Roeselare. H5

H5

Figuur 11. Economisch belang van de groentesector (inclusief aardbeien) per gemeente, 2009

1. Groenten in openlucht verstedelijkte gemeenten % gespecialiseerde groentebedrijven in openlucht op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20%

0

25

50 Km

% SO bedrijfstak groenten in openlucht in de totale SO van de gemeente 0%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, NGI-AGIV

< 10 % 10 - 20 % 20 - 40 % > 40 % (max 73%)

0

25

50 Km

138

Tuinbouw

Tuinbouw

139


Fruitteelt

Sierteelt

In figuur 12 komt de fruitregio op basis van het relatieve aandeel van de SO en van de gespecialiseerde fruitbedrijven duidelijk tot uiting. De fruitteelt is vooral van groot belang voor de streek rond Sint-Truiden (de driehoek Tielt-Winge, Hoeselt, Gingelom) (figuur 12).

De sierteelt is vooral belangrijk voor Oost-Vlaanderen. In de streek rond Lochristi, Destelbergen, Merelbeke en Melle worden hoofdzakelijk potplanten geteeld. In de regio Wetteren, Oosterzele, Laarne, Wichelen en Lede zijn dit vooral sierbomen. Meer richting Brussel vinden we de snijbloemensector. De bosboomteelt bevindt zich vooral in de streek Maldegem, Waarschoot, Evergem (figuur 13).

Figuur 12. Economisch belang van de fruitsector per gemeente, 2009 Figuur 13. Economisch belang van de sierteeltsector per gemeente, 2009 verstedelijkte gemeenten % gespecialiseerde fruitbedrijven en blijvende teelten op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20%

verstedelijkte gemeenten % gespecialiseerde sierteelt- en boomkwekerijbedrijven op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20%

% SO bedrijfstak fruit en blijvende teelten in de totale SO van de gemeente 0%

H5

% SO bedrijfstak bloemen, sierplanten en boomkwekerij in de totale SO van de gemeente

< 10 %

0%

10 - 20 %

< 10 %

20 - 40 %

10 - 20 %

> 40 % (max 77%)

20 - 40 %

H5

> 40 % (max 85%)

0

25

50 Km

0

25

50 Km

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, NGI-AGIV

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, NGI-AGIV

140

Tuinbouw

Tuinbouw

141


Fruitteelt

2  PRODUCTIE

De Vlaamse productie van fruit bedroeg in 2008 ongeveer 500.800 ton en vertegenwoordigt hiermee 91 % van de Belgische productie van fruit. De belangrijkste fruitsoorten zijn appelen en peren. Van de totale fruitproductie in 2008 namen de appelen 61 % en de peren 31 % voor hun rekening (figuur 15). Het jaar 2008 werd echter gekenmerkt door een zeer kleine perenoogst. Het weer tijdens de bloei van de perelaars was zeer ongunstig voor de vruchtzetting.

2.1  Productievolume Groenteteelt De Vlaamse productie van groenten in 2008 wordt geraamd op 1,36 miljoen ton, wat overeenkomt met 85 % van de nationale groenteproductie. De productie schommelt van jaar tot jaar, wat blijkt uit figuur 14. Figuur 14. Evolutie van het productievolume van de groenten, 1.000 ton, 2001-2008

Figuur 15. Evolutie van het productievolume van het fruit, 1.000 ton, 2001-2008 800

600

appelen

1.600

peren 400

H5

H5

aardbeien 1.200 groenten in openlucht

800

groenten beschutte teelt

fruitteelt Vlaanderen

200

0 2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

400 Bron:  Departement Landbouw en Visserij 0 2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

Sierteeltsector Bron:  Departement Landbouw en Visserij

Voor de sierteeltsector zijn geen gegevens over het productievolume voorhanden.

In 2008 gebeurt 72 % van de totale productie van groenten in openlucht. De voornaamste teelten zijn wortelen, prei, bloemkool, spruiten en spinazie, met respectievelijk 20 %, 16 %, 9 %, 7 % en 7 % van de totale Vlaamse groenteproductie in openlucht. De industriegroenten zijn sterk ontwikkeld in Vlaanderen. Van de groenteproductie in open lucht is ongeveer 66% voor de industriële verwerking. De groenteteelt onder glas is samen met de champignonteelt goed voor 28 % van de totale productie van groenten. De tomaten zijn, met 59 % van totale productie van de beschutte groenteteelt, duidelijk het belangrijkste gewas dat onder glas wordt geteeld. De diverse slasoorten en de champignons zijn verantwoordelijk voor respectievelijk 17 % en 9 %.

142

Tuinbouw

Tuinbouw

143


2.2  Productiewaarde De tuinbouw is in 2009, met een eindproductiewaarde van 1.388 miljoen euro, goed voor 31 % van de waarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie (figuur 16).

3  AANWENDING VAN DE PRODUCTIE

3.1  Consumptie Figuur 16. Evolutie van de productiewaarde van de tuinbouwproducten, miljoen euro, 1999-2009 1.600

1.200 groenten fruit

800

In 2009 kocht elke Belg gemiddeld 62,7 kg verse groenten aan, goed voor 124,5 euro. In figuur 17 wordt de consumptie weergegeven van de voornaamste groenten in volume (index 2000 = 100 %) en in euro per persoon. Uitgedrukt in euro per persoon wordt er ten opzichte van 2000 meer geld uitgegeven aan verse groenten. In volume is de evolutie productafhankelijk. Tomaten en wortelen noteren een index boven 100. Sla en kolen zitten de laatste jaren in de lift, maar blijven onder het niveau van 2000. De meest geconsumeerde groenten zijn tomaten (16 %), wortelen (16 %), uien(11 %), kool (10 %) en witloof (10 %).

niet-eetbare tuinbouwproducten

Figuur 17. Evolutie van het thuisverbruik van de voornaamste groenten, index: 2000 = 100 %, 20002009

400 H5 0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008* 2009* *voorlopig cijfer

Groenteteelt Het aandeel van de groenteteelt in de totale waarde van de Vlaamse tuinbouwproductie bedraagt met 583 miljoen euro, 42 %. Binnen de groenteteelt is 52 % van de waarde afkomstig van de vollegrondsteelten (openlucht). De voornaamste vollegrondsteelten zijn prei, wortelen, bloemkool en witloof. De groenteteelt onder glas is verantwoordelijk voor 48 % van de productiewaarde van de totale groenteteelt, met tomaten en sla als voornaamste groenteteelten onder glas. Fruitteelt Met 315 miljoen euro bedraagt het aandeel van de fruitteelt in de totale waarde van de Vlaamse tuinbouwproductie 23 %. Peren en appelen nemen respectievelijk 39 % en 29 % van de fruitomzet voor hun rekening. Sierteelt Hoewel de sierteelt slechts iets meer dan 11 % van het tuinbouwareaal inneemt, is de sierteeltsector verantwoordelijk voor 490 miljoen euro, ofwel 35 % van de totale waarde van de Vlaamse tuinbouwproductie. Binnen de sierteeltsector zijn de bloemen en sierplanten goed voor ongeveer 53 % van de productiewaarde, terwijl de boomkwekerij verantwoordelijk is voor de resterende 47 %.

144

Tuinbouw

130

120%

125

110%

120

100%

115

90%

110

80%

105

70%

100

60%

95

50%

bestedingen in euro

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

130%

H5

90 2000

2001

2002

2003

2004

kolen witloof

2005

2006

2007

2008

2009

sla

tomaten

wortelen

andere groenten

besteding aan verse groenten (euro per persoon) Bron:  GfK Panel Services Benelux, VLAM

In het jaar 2009 werd er 82,4 kg vers fruit geconsumeerd per persoon. Uitgedrukt in besteding, spendeerde de Vlaming gemiddeld 169 euro per persoon aan fruit. Ten opzichte van 2000 wordt er minder fruit thuis verbruikt in volume, maar er is wel een toename in euro per persoon (figuur 18). De citrusvruchten en steenvruchten nemen het grootste aandeel in het fruitverbruik voor hun rekening, namelijk respectievelijk 29 % en 28 %.

Tuinbouw

145


3.2  Zelfvoorzieningsgraad

Figuur 18. Evolutie van het thuisverbruik van de voornaamste fruitteeltproducten, index: 2000 = 100 %, 2000-2009 120%

180

110%

170

90%

150

80%

140

3.3  Buitenlandse handel

bestedingen in euro

160

100%

In 2006/07 (laatst beschikbaar cijfer) bedraagt de Belgische zelfvoorzieningsgraad voor groenten 136 en voor fruit 73.

De tuinbouwsector noteert in 2009 een positief saldo van 336 miljoen euro (tabel 6). De groentesector heeft het grootste positieve handelssaldo. Enkel voor fruit is de invoer groter dan de uitvoer. Dit handelstekort is vooral te wijten aan de invoer van verse bananen en citrusvruchten. Tabel 6. Overzicht van de Belgische handel in tuinbouwproducten, miljoen euro, 2009

70%

130 2000

2001

H5

2002

2003

2004

2005

2006

pitvruchten

steenvruchten

klein fruit

ander fruit

2007

2008

2009

invoer

uitvoer

saldo

citrusvruchten totaal vers fruit

besteding aan vers fruit (euro per persoon)

groenten

1.451

1.905

454

fruit

3.537

3.331

-206

586

674

88

5.574

5.910

336

sierteelt totaal

H5

Bron:  GfK Panel Services Benelux, VLAM Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

Wat de sierteelt betreft, wordt de consumptie enkel uitgedrukt in bestedingen (euro per capita). Gemiddeld spendeerde de Vlaming in 2009 46,8 euro, wat lager is dan in 2004. Het meeste geld wordt gespendeerd aan snijbloemen, die 30,5 % uitmaken van de totale uigaven voor sierteelt (tabel 5). Tabel 5. Besteding aan sierteeltproducten, euro per capita, 2004-2009 2004 snijbloemen

2005

2006

2007

2008

2009

16,30

15,20

15,60

15,59

15,27

14,26

kamerplanten

5,51

6,66

6,87

6,93

7,34

7,66

bloemstukken en plantencomposities

8,47

8,21

7,45

7,19

7,84

6,94

11,95

7,70

7,76

7,47

7,81

8,35

bomen en tuinplanten

7,25

7,36

7,14

7,85

8,14

8,88

bloembollen

1,34

0,91

1,03

0,75

0,82

0,72

50,82

46,06

45,84

45,80

47,21

46,81

balkon- en perkplanten

totaal sierteelt Bron:  GfK Panel Services Benelux, VLAM

146

Tuinbouw

Tuinbouw

147


Iets meer dan de helft van de totale import van tuinbouwproducten komt uit landen van de EU. Hiervan zijn Nederland, Frankrijk en Spanje de grootste leveranciers. Aan de uitvoerzijde gaat ruim 94 % van de uitvoer naar de landen van de EU. De voornaamste exportpartners zijn Duitsland, Frankrijk en Nederland (figuur 19). Figuur 19. Verdeling van de Belgische handel in tuinbouwproducten volgens handelspartner, 2009

1. invoer

Groenteteelt Het positieve saldo bij de groenten is vooral te danken aan de grote uitvoer van diepvriesgroenten en in minder mate aan de uitvoer van verse tomaten (tabel 7). Binnen de verse groenten zijn de voornaamste exportproducten tomaten, prei, wortelen en rapen, paddenstoelen en kropsla. Aan de invoerzijde wordt de top 3 gevormd door tomaten, wortelen en rapen en uien en sjalotten. Tabel 7. Overzicht van de Belgische handel in groenten, miljoen euro, 2009

Frankrijk 11,1%

invoer verse groenten

uitvoer

saldo

571

604

33

tomaten

89

171

82

prei

10

69

59

3

46

43

paddenstoelen en truffels

34

49

15

paprika

26

26

0

wortelen en rapen

50

51

1

uien en sjalotten

49

18

-31

bonen

45

23

-22

aromatische planten

44

24

-19

verwerkte groenten

785

1.262

477

diepvriesgroenten

283

877

594

geconserveerde groenten

289

239

-50

22

13

-9

52

15

-37

1.451

1.905

454

26,0 %

32,2 %

nvt

waarvan Nederland 18,8%

H5

andere 53,5%

kropsla Duitsland 5,5%

Spanje 7,4%

Italië 3,7%

2. uitvoer andere 17,6% Polen 2,3%

H5

waarvan Duitsland 24,5%

Spanje 2,5%

groentesappen Italië 2,9%

olijfoliën en bijproducten

Verenigd Koninkrijk 9,2%

totaal groenten en aromatische planten aandeel in totale tuinbouw Frankrijk 24,5%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

Nederland 16,5% Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

148

Tuinbouw

Tuinbouw

149


Fruitteelt

Sierteelt

De fruitteelt kent een negatieve handelsbalans van - 206 miljoen euro, wat vooral te wijten is aan de grote import van vers fruit. Binnen het verse fruit valt op dat meer dan drie kwart van de invoer toe te schrijven is aan zuidvruchten (bananen, enz.) en citrusvruchten. De top 3 bij de uitvoer wordt gevormd door de zuidvruchten, peren en appelen met respectievelijk 69 %, 8 % en 7 % van de export. De negatieve handelsbalans van vers fruit is toe te schrijven aan de handel in citrusvruchten, zuidvruchten en druiven (tabel 8). De negatieve handelsbalans van vers fruit en van noten wordt slechts gedeeltelijk gecompenseerd door het handelsoverschot van verwerkt fruit. Tabel 8. Overzicht van de Belgische handel in fruit, miljoen euro, 2009

Het saldo van de Belgische handel voor 2009 in sierteeltproducten is licht positief, namelijk 88 miljoen euro. De voornaamste producten die bijdragen tot deze positieve balans zijn de perkplanten en boomkwekerijproducten. Bij snijbloemen is de invoer groter dan de uitvoer (tabel 9). Tabel 9. Overzicht van de Belgische handel in sierteeltproducten, miljoen euro, 2009 invoer

vers fruit H5

404

62

22

23

1

0

28

28

96

115

18

168

120

-47

45

38

-7

55

118

63

245

270

26

zaaigoed

46

35

-11

stekken

24

34

10

boomkwekerijen

54

96

42

snijgroen

62

64

2

586

674

88

11 %

11 %

nvt

waarvan:

uitvoer

saldo

azalea's en rododendrons

2.251

2.070

-181

1.507

1.423

-84

232

88

-145

69

117

48

druiven

120

59

-61

appelen

113

146

33

peren

44

168

124

verwerkt fruit

1.055

1.124

70

bevroren vruchten

113

123

10

geconserveerde

100

66

-34

jam en gelei

49

125

76

fruitsappen

690

754

64

231

137

-94

3.537

3.331

-206

63 %

56 %

nvt

waarvan: zuidvruchten citrusvruchten aardbeien

vruchten

totaal fruit aandeel in totale tuinbouw

kamerplanten snijbloemen

waarvan:

noten

saldo

341

sierplanten

bollen en knollen invoer

uitvoer

rozen perkplanten andere tuinbouwproducten

H5

waarvan:

totaal sierteelt aandeel in totale tuinbouw

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

150

Tuinbouw

Tuinbouw

151


Beschutte groenteteelt

4  RENTABILITEIT

In figuur 21 wordt de prijsevolutie van enkele belangrijke glasgroenten weergegeven. De prijzen voor tomaten waren in 2009 bijzonder slecht. De aanvoercijfers voor de losse tomaten bleven in 2009 min of meer stabiel ten opzichte van 2008, maar voor de trostomaten was er een sterke stijging. De eerste maanden van het jaar was het tomatenaanbod benedenmaats met daardoor hoge noteringen. Maar daarna werd de prijs neerwaarts bijgesteld door een toenemend aanbod uit binnen- en buitenland.

4.1  Prijsevolutie Groenteteelt De marktsituatie voor de groenten was in 2009 niet al te best. Vooral de markt voor de glasgroenten stond onder zware druk. Openluchtgroenten Figuur 20 toont de prijsevolutie van enkele belangrijke groenten in openlucht.

H5

In 2009 bleef de witloofprijs ondermaats. Het jaarbegin werd gekenmerkt door een erg ruim aanbod in ons land, Nederland en Frankrijk. Tijdens de zomer werd een deel witloof uit de markt verwijderd. De laatste maanden van het jaar kwam er een prijsherstel door een verminderd aanbod. Er waren immers minder witloofwortelen gezaaid in 2009 en door de droogte waren er problemen met de witloofwortels. Dit resulteerde in een gemiddelde jaarprijs die net iets boven die van 2008 lag. Het jaar 2009 was voor prei duidelijk beter dan 2008, wat weliswaar geen topjaar was. Voor zowel losse als gebusselde prei lag de prijs een stuk hoger. De aanvoer voor losse prei bleef stabiel, maar de gebusselde prei zakte in volume. In verschillende Europese landen zorgde de erg koude winter voor een terugval in de productie, wat in het begin van het jaar de marktprijs ten goede kwam. De gemiddelde prijs van de bloemkool is gedaald in 2009. De handel verliep vrij wisselvallig. De aanvoeren liepen sterk op en af, waardoor de prijzen erg fluctueerden. Figuur 20. Evolutie van de prijs aan producent voor een aantal belangrijke openluchtgroenten, euro, 1999-2009

De slateelt kampt al enkele jaren met lage prijzen. In 2009 bleef de prijs laag. Landen zoals Groot-Brittannië en Scandinavische regio kenden een toegenomen productie, net als de grootste afnemer Duitsland. Ook de komkommerteelt kende de laatste twee jaar vaak crisismomenten met matige tot slechte prijzen. Er is de toenemende productie van het belangrijkste afzetgebied Duitsland en de sterke concurrentie van de belangrijkste Europese exporteur Spanje, dat zijn productie de laatste jaren sterk uitbreidde. Figuur 21. Evolutie van de prijs aan producent voor de voornaamste glasgroenten, euro, 1999-2009

H5

1,2 1,0 komkommers (per stuk)

0,8

kropsla (per stuk)

0,6

tomaten (per kg)

0,4

trostomaten (per kg)

0,2 0,0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

1,2 Bron:  tot 2002: VMV en REO; vanaf 2003: VBT 1,0 0,8

bloemkool (per stuk)

0,6

prei (per kg)

0,4

witloof (per kg)

0,2 0,0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 Bron:  tot 2002: VMV en REO; vanaf 2003: VBT

152

Tuinbouw

Tuinbouw

153


Fruitteelt

4.2  Technische en financiële resultaten

Het aanbod appelen in 2009 noteerde een stijging van bijna 7 % in vergelijking met 2008. De prijs was echter zeer laag (figuur 22). Tijdens het seizoen 2008/09 veroorzaakte de verbeterde Oost-Europese situatie een druk op onze markt. Het seizoen 2009/10 startte met slechte prijzen door restanten van het seizoen 2008/09 en sterke concurrentie op de exportmarkten.

H5

De jaarprijs voor peren daalde in 2009 ten opzichte van 2008, maar bleef op een behoorlijk niveau. Opvallend voor het perenseizoen 2008/09 was de zeer kleine oogst vanwege de slechte weersomstandigheden (o.a. vorst in het voorjaar en een sombere zomer). Door deze beperkte aanvoer verliep de verkoop van peren op de veilingen zeer goed qua prijsvorming. De perenoogst 2009/10 was ruim en kwalitatief goed. Vanwege de grote Europese producties konden de perenprijzen de zeer hoge prijzen van 2008/09 niet evenaren. Op de perenmarkt is Rusland een belangrijke afnemer. Sinds 2008 heeft Rusland zijn eigen maximale residulimieten vastgelegd die verschillen van de Europese. Door aanpassingen van de spuitschema’s kon de export naar Rusland in 2009 zonder problemen doorgaan. Hierdoor kon een relatief goed prijsniveau voor de peren behouden blijven. De prijs voor het aardbeiseizoen 2009 lag lager dan in 2008. Het welslagen van het seizoen was echter sterk afhankelijk van teler tot teler. Globaal genomen kan gesteld worden dat traditionele telers (openluchtteelt, grondteelt en tunnelteelt) een beter seizoen hadden zeker ten opzichte van 2008, dat een grote catastrofe was voor de vollegrondsproductie. Voor de jaarrondtelers (substraat- en glasteelt) was het seizoen 2009 minder goed.

4.2.1  Groente- en aardbeiensector De analyse van de financiële bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 119 gespecialiseerde groentebedrijven, met gemiddeld 5,9 ha cultuurgrond. Gemiddeld voor alle groente- en aardbeienbedrijven noteert men in 2008 een stijging van de opbrengsten per are cultuurgrond met 8 % tegenover 2007. De stijging is te danken aan de opbrengsten uit glasteelten (+12 %); de teelten in openlucht daalden (-10 %). Figuur 23 geeft de structuur van de opbrengsten weer. Hieruit blijkt dat op een gemiddeld groentebedrijf 69 % van de opbrengsten afkomstig is van teelten onder glas. Figuur 23. Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2008 overige 6% H5

teelten in open lucht 25%

Figuur 22. Evolutie van de prijs aan producent voor de voornaamste fruitteelten, euro per kg, 19992009

teelten onder glas 69%

3,5 3,0 Bron:  Departement Landbouw en Visserij

2,5 aardbeien 2,0 appelen 1,5 peren 1,0 0,5 0,0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 Bron:  VBT

154

Tuinbouw

Tuinbouw

155


De kosten stegen iets minder sterk dan de opbrengsten (+6 %). Uit de verdeling van de kosten volgens oorsprong (figuur 24) blijkt dat de belangrijkste kosten die voor arbeid, grond- en gebouwenkapitaal en verwarming zijn.

Tabel 10. Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde groente- en aardbeienbedrijven, 2005-2008 2005

2006

2007

2008

referentieoppervlakte (ha)

5,7

5,3

5,7

5,9

aantal VAK

3,2

3,3

3,3

4,1

opbrengsten per are cultuurgrond

448

510

476

513

kosten per are cultuurgrond

486

558

534

568

netto bedrijfsresultaat euro/are cultuurgrond

-39

-48

-58

-55

opbrengst per 1.000 euro kosten

921

913

892

903

26.116

25.699

24.096

20.461

146

158

139

142

Figuur 24. Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde groentebedrijven, 2008 directe kosten teelten 3%

verkoopkosten 4%

rentabiliteit

overige onkosten 4% berekende lonen 22%

kosten van grond- en gebouwenkapitaal 15%

arbeidsinkomen (in euro per VAK) arbeidsinkomen (in euro per are cultuurgrond)

H5

overige materialen 2%

betaald personeel 13%

zaai- en plantgoed 8%

energie verwarming 13%

werk door derden 1% werktuigkosten 9% meststoffen 4%

bestrijdingsmiddelen 2%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

Per are uitgedrukt is het arbeidsinkomen toegenomen met 2 %. Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht (VAK) is echter gedaald door de toename van het aantal VAK. Het inkomen daalde tot 52 % van het vergelijkbaar inkomen. Gemiddeld werken er 4,1 arbeidskrachten op de gespecialiseerde groentebedrijven, waarvan 1,9 familiale (tabel 10).

156

Tuinbouw

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

H5

Het arbeidsinkomen per VAK daalde in alle deelsectoren: bij de glasgroentebedrijven -4 %, bij de bedrijven met overwegend groenten in openlucht -31 %, bij de champignonbedrijven -29 % en bij de aardbeibedrijven -21 %. 4.2.2  Fruitsector De analyse van de financiële bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudgegevens van 61 gespecialiseerde fruitbedrijven, die gemiddeld 18,7 ha cultuurgrond bewerken. De opbrengsten uit fruit maken bij de gespecialiseerde fruitbedrijven 96 % van de totale opbrengsten uit (tabel 11). De opbrengsten zijn sterk gedaald na het uitstekende jaar 2007 (-26 %). De totale kosten per hectare zijn met 8 % gedaald. De sterkste besparing werd gerealiseerd bij de betaalde lonen (-23 %). Ook de verkoopkosten daalden sterk (-34 %). De sterkste stijgers bij de kosten waren de werktuigkosten (+5 %) en de bemestingskosten (+16 %).

Tuinbouw

157


In figuur 25 wordt de verdeling van de kosten over de voornaamste kostenrubrieken weergegeven. Hieruit blijkt dat de lonen (berekende + betaalde lonen) en de kosten voor grond- en gebouwenkapitaal de voornaamste kosten zijn.

Tabel 11. Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (excl. aardbeien), 2005-2008 2005 referentieoppervlakte (ha)

Figuur 25. Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde fruitbedrijven (zonder aardbeienbedrijven), 2008

betaald personeel 19%

2007

2008

16,3

16,89

17,35

18,74

3,6

3,9

4,2

4,5

14.820

16.041

20.580

15.243

14.026

15.360

19.743

14.566

14.939

15.954

17.160

15.772

netto bedrijfsresultaat euro per ha cultuurgrond

-120

87

3.420

-528

opbrengst per 1.000 euro kosten

992

1.005

1.199

967

29.674

30.448

46.072

24.935

6.571

7.088

10.937

6.028

aantal VAK rentabiliteit

bestrijdingsmiddelen 7% werk door derden 2%

2006

opbrengsten per ha cultuurgrond

meststoffen 2%

werktuigkosten 14%

waarvan fruit kosten per ha cultuurgrond

arbeidsinkomen (in euro per VAK) arbeidsinkomen (in euro per ha cultuurgrond) H5

H5 Bron:  Departement Landbouw en Visserij

berekende lonen 23%

kosten van grond- en gebouwenkapitaal 20%

4.2.3  Sierteeltsector overige 4%

verkoopkosten 5% directe kosten teelten 4%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

De lagere opbrengsten konden slechts deels gecompenseerd worden door de gedaalde kosten, waardoor het arbeidsinkomen per VAK sterk daalt tot 62 % van het vergelijkbare inkomen. Gemiddeld werken er 4,5 arbeidskrachten op de gespecialiseerde fruitbedrijven, waarvan 1,7 familiale arbeidskrachten.

De analyse van de financiële resultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 74 gespecialiseerde sierteeltbedrijven, met een gemiddelde oppervlakte van 1,5 ha. De totale opbrengsten daalden in 2008 met 7 % ten opzichte van 2007. 67 % van de opbrengsten is afkomstig van teelten onder glas (figuur 26). Figuur 26. Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2008

overige 4%

teelten in openlucht 29% teelten onder glas 67%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

158

Tuinbouw

Tuinbouw

159


Ook de kosten daalden met 5 %, wat vooral toe te schrijven is aan de dalende kost voor fictieve lonen, voor grond- en gebouwenkapitaal en voor zaai- en plantgoed. De energiekost stijgt met 14 %. De belangrijkste kosten zijn die voor lonen (betaald en berekend), grond- en gebouwenkapitaal, zaad en plantgoed en energie voor verwarming (figuur 27).

Het gemiddeld arbeidsinkomen per VAK daalde met een kwart bij de sierteeltbedrijven en bedraagt in 2008 16.064 euro of 41 % van het vergelijkbare inkomen. Gemiddeld werken er 3,0 arbeidskrachten op de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, waarvan 1,9 familiale (tabel 12). Tabel 12. Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2005-2008

Figuur 27. Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde sierteeltbedrijven, 2008 2005 werk door derden 1% betaald personeel 10%

zaai- en plantgoed 13%

overige 7% berekende lonen 21% H5

energie voor verwarming 11%

werktuigkosten 8%

verkoopkosten 4% grond- en gebouwenkapitaal 14%

overige materialen 6%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

2007

2008

referentieoppervlakte (in ha)

1,4

1,4

1,4

1,5

aantal VAK

2,7

2,5

2,7

3,0

opbrengsten per are cultuurgrond

1.743

1.589

1.932

1.787

kosten per are cultuurgrond

2.027

1.848

2.244

2.134

netto bedrijfsresultaat euro/are cultuurgrond

-284

-259

-313

-347

opbrengst per 1.000 euro kosten

860

860

861

837

21.906

23.112

21.379

16.064

420

400

414

315

rentabiliteit

arbeidsinkomen (in euro per VAK) arbeidsinkomen (in euro per are cultuurgrond)

directe kosten teelten 5%

2006

H5

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

De evolutie van het arbeidsinkomen per VAK is sterk afhankelijk van de deelsector. De bedrijven gespecialiseerd in de teelt van potplanten en azalea’s werden geconfronteerd met een dalend arbeidsinkomen met respectievelijk -43,8 % en -25,7 %. Bij de snijbloemenbedrijven evolueerde het inkomen positief na het zeer slechte resultaat van 2007 (+30,6 %).

De daling van de kosten was onvoldoende om de daling in de opbrengsten te compenseren. Het netto bedrijfsinkomen daalt tot -347 euro per are.

160

Tuinbouw

Tuinbouw

161


REFRENTIES zz

zz

zz

zz

zz

H5 zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

zz

162

Bernaerts E. & Demuynck E. (2009) Productierekening van de Vlaamse land- en tuinbouw 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Bernaerts E. & Demuynck E. (2005) Regionale rekeningen van de landbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Coulier T. (2009) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Danckaert S., Lenders S. & Oeyen A. (2009) De landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. D’hooghe J. & Campens V. (2009) Vlaamse standaardopbrengsten voor de gewassen en de veehouderij 2003-2005, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.

H5

Eurostat (12/2010) Intra- and extra-EU trade, combined nomenclature, Luxemburg. FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Mei-enquête, meerdere jaargangen, Brussel. GfK Panelservices Benelux (2008), Brussel, www.gfk.be. Instituut voor de nationale rekeningen (2010) Regionale rekeningen 1999-2008, Brussel. Raad van de Europese Unie (1985) Bijlage 2 Classificatie van de landbouwbedrijven volgens productierichting, Publicatieblad van de Europese Unie L220, 17/8, 10-13. Verbond van Belgische Tuinbouwveilingen (2010) Jaarverslag 2009, Leuven. www.statbel.fgov.be: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. www.veiling.be.

Tuinbouw

Tuinbouw

163


Els Bernaerts, Els Demuynck

SALDO HANDEL PRODUCTIEVOLUME

SUIKERBIETEN GRANEN AKKERBOUW PRODUCTIE AKKERBOUW BEDRIJVEN

AARDAPPELEN

WINTERTARWE S

GEWASSEN PRODUCTEN BEW UITVOER AARDAPPELAREA

GESPECIALISEERDE TON VLAANDEREN KOSTEN CULTUURGROND KG EVOLUTIE ZADEN EURO PROVINCIES KORRELMAÏS

SUIKERGEHALTE OPBRENGSTEN

OLIEHOUDENDE

PRIJS

AANDEEL

AKKERBOUWGEWASSEN

OPPERVLAKTE

AREAAL SUIKERHOUDENDE

VERDELING

H6

HOOFDLIJNEN Hoewel de akkerbouwteelt bijna een derde van de bewerkte landbouwoppervlakte in beslag neemt, is de eindproductiewaarde van de akkerbouw beduidend kleiner dan die van de veeteelt en de tuinbouw. Qua buitenlandse handel levert de akkerbouw een grote bijdrage in de totale in- en uitvoerwaarde van de landbouwproducten. De sector noteert een duidelijk positieve handelsbalans. De gevolgen van de hervormingen van het gemeenschappelijk Europees suikerbeleid zijn duidelijk zichtbaar. Sinds 2006/07 zijn de suikerbietenprijzen sterk neerwaarts bijgesteld en sinds 2008 is ook de oppervlakte suikerbieten sterk verminderd door de inlevering van quotum. Bij andere akkerbouwproducten (o.a. de granen) werd de prijsondersteuning reeds eerder sterk afgebouwd. Door meer marktoriëntatie wordt de akkerbouwsector geconfronteerd met een toenemende prijs- en inkomensvolatiliteit.

De akkerbouw omvat een brede waaier van gewassen: granen, nijverheidsgewassen (suikerbieten, vlas, koolzaad, enz.), aardappelen en droog geoogste peulvruchten. De analyse in dit hoofdstuk wordt toegespitst op de drie belangrijkste teelten: granen, aardappelen (exclusief pootaardappelen) en suikerbieten. De voedergewassen (voedermaïs, weiden, enz.), die vooral verband houden met de rundveehouderij, werden niet als akkerbouwteelt beschouwd, maar werden opgenomen in het hoofdstuk over de rundveesector.

Akkerbouw

167


Figuur 2. Evolutie van het akkerbouwareaal Vlaanderen, ha, 1999-2009

1  STRUCTUUR

250.000

200.000

1.1  Areaal

granen

Van de totale Vlaamse oppervlakte cultuurgrond is 31 % bestemd voor akkerbouwgewassen (194.825 ha in 2009). De graanteelt vertegenwoordigt het grootste aandeel in het akkerbouwareaal. Aardappelen en suikerbieten komen op de tweede en derde plaats (figuur 1).

150.000

aardappelen suikerbieten

100.000

totaal akkerbouw 50.000

Figuur 1. Bestemming van de oppervlakte cultuurgrond, 2009 0 tuinbouw 8,0%

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 andere 0,5%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie-Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie aardappelen 21,0% akkerbouw 31,4%

suikerbieten 11,1%

H6 granen 62,6%

H6

Figuur 3. Verdeling van het akkerbouwareaal over de gewesten en provincies, 2009 vlas 1,9%

andere 0,8%

voedergewassen 60,1%

Vlaanderen neemt minder dan de helft van het nationale akkerbouwareaal voor zijn rekening. De provincie West-Vlaanderen beschikt over de grootste oppervlakte akkerbouw (figuur 3).

cichorei 1,0% Antwerpen: 10.814 ha (5,6%)

zaai -en pootgoed 1,6%

Limburg: 26.700 ha (13,7%)

totale oppervlakte cultuurgrond 2009 = 620.161 ha

Vlaanderen: 194.825 ha (40,2%)

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Na een uitbreiding tussen 2001 tot 2007, is het akkerbouwareaal in 2008 en 2009 licht gedaald (figuur 2). De areaaltoename was toe te schrijven aan de uitbreiding van het graanareaal en dan meer specifiek van de korrelmaïsteelt. In 2008 nam het suikerbieten- en aardappelareaal af en in 2009 verminderde de graanoppervlakte, zodat de totale akkerbouwoppervlakte in deze jaren kleiner werd.

Oost-Vlaanderen: 40.899 ha (21,0%) Vlaams-Brabant: 43.325 ha (22,2%) West-Vlaanderen: 73.087 ha (37,5%)

Wallonië en Brussel: 289.738 ha (59,8%) Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

168

Akkerbouw

Akkerbouw

169


Het aandeel akkerbouw in de totale oppervlakte cultuurgrond is echter groter in Vlaams-Brabant. Het aandeel bedraagt 50 % in Vlaams-Brabant, 35 % in West-Vlaanderen, 32 % in Limburg, 27 % in Oost-Vlaanderen en 12 % in Antwerpen.

Figuur 5. Evolutie van het graanareaal, ha, 1999-2009 90.000 75.000 tarwe

Granen

60.000

De graanteelt beslaat een oppervlakte van 121.828 ha in 2009. Tarwe vormt het grootste aandeel, gevolgd door korrelmaïs (figuur 4).

gerst 45.000 triticale 30.000

korrelmaïs

Figuur 4. Verdeling van het graanareaal over de diverse graangewassen, 2009 15.000 korrelmaïs 26,1%

andere 1,3%

triticale 3,3%

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

tarwe 58,2%

gerst 11,1%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

De graanteelt is vooral verspreid over de provincies West-Vlaanderen en in mindere mate Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen (figuur 6).

H6

H6 totaal graanareaal 2009 = 121.828 ha

Figuur 6. Verdeling van het graanareaal over de gewesten en provincies, 2009

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie Antwerpen: 6.714 ha (5,5%)

De oppervlakte korrelmaïs is in de afgelopen 10 jaar stelselmatig toegenomen (figuur 5). Bovendien zorgde de sterke stijging van de verkoopprijs in 2007 voor een sterke uitbreiding van het areaal in 2008. De daaropvolgende daling van de verkoopprijs zorgde in 2009 dat er aanzienlijk minder korrelmaïs werd ingezaaid.

Limburg: 18.337 ha (15,1%) Vlaanderen: 121.828 ha (38,9%)

Oost-Vlaanderen: 25.563 ha (21,0%) Vlaams-Brabant: 31.188 ha (25,6%) West-Vlaanderen: 40.026 ha (32,8%)

Wallonië en Brussel: 191.005 ha (61,1%) Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

170

Akkerbouw

Akkerbouw

171


Aardappelen

Figuur 8. Verdeling van het aardappelareaal over de gewesten en provincies, 2009

Het aardappelareaal schommelt rond de 40.000 ha (40.923 ha in 2009). Volgens het oogsttijdstip wordt de teelt ingedeeld in vroege aardappelen en in bewaaraardappelen. De vroege aardappelen vertegenwoordigen een vierde van het aardappelareaal (figuur 7).

1.

Vroege aardappelen

Hoewel het bintje sterk aan belang inboet, blijft dit aardappelras met een aandeel van 63 % in het areaal bewaaraardappelen, de meest geteelde variëteit.

Antwerpen: 464 ha (4,5%) Limburg: 220 ha (2,1%)

Figuur 7. Evolutie van het aardappelareaal, ha, 1999-2009

Vlaanderen: 10.333 ha (87,6%)

50.000 vroege aardappelen

40.000

Oost-Vlaanderen: 2.098 ha (20,3%) Vlaams-Brabant: 626 ha (6,1%) West-Vlaanderen: 6.924 ha (67,0%)

bintjes 30.000 totaal bewaaraardappelen 20.000

andere aardappelen totaal aardappelen

10.000

Wallonië en Brussel: 1.469 ha (12,4%)

2. Bewaaraardappelen

H6

H6 0

Antwerpen: 2.878 ha (9,4%)

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

Limburg: 1.834 ha (6,0%)

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie Vlaanderen: 30.590 ha (51,7%)

In tegenstelling tot de graan- en suikerbietenteelt, neemt de aardappelteelt in Vlaanderen een groter areaal in dan in Wallonië. Vooral voor de vroege aardappelen domineert Vlaanderen. West-Vlaanderen is de Vlaamse provincie waar de meeste aardappelen worden geteeld (figuur 8).

Oost-Vlaanderen: 7.987 ha (26,1%) Vlaams-Brabant: 4.859 ha (15,9%) West-Vlaanderen: 13.032 ha (42,6%)

Wallonië en Brussel: 28.523 ha (48,3%) Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

172

Akkerbouw

Akkerbouw

173


Suikerbieten

1.2  Productie-eenheden

Tussen 1999 en 2007 bleef het areaal suikerbieten redelijk stabiel (figuur 2). Door de inlevering van quotum in het kader van de suikerhervorming worden er vanaf 2008 minder suikerbieten uitgezaaid. In 2009 wordt er op 21.713 ha suikerbieten gezaaid. De Vlaamse provincie met het grootste areaal suikerbieten is West-Vlaanderen (figuur 9). Figuur 9. Verdeling van het areaal suikerbieten over de gewesten en provincies, 2009

Antwerpen: 391 ha (1,8%) Limburg: 4.574 ha (21,1%) Vlaanderen: 21.713 ha (34,6%)

Oost-Vlaanderen: 3.437 ha (15,8%)

Wallonië en Brussel: 41.028 ha (65,4%) Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Ongeveer 17 % van de Vlaamse landbouwexploitaties (of 4.875 bedrijven in 2009) zijn gespecialiseerde akkerbouwbedrijven. Het aantal bedrijven met akkerbouwgewassen is echter veel groter. Zo telde men in mei 2009 15.756 bedrijven met akkerbouwgewassen of 54 % van de Vlaamse landbouwbedrijven. Dit percentage varieert van 26 % in Antwerpen tot 70 % in Vlaams-Brabant (figuur 10). Figuur 10. Aandeel bedrijven met akkerbouwgewassen in het totale aantal landbouwbedrijven per provincie, %, 2009 80

60 gemiddelde voor Vlaanderen

Vlaams-Brabant: 5.321 ha (24,5%) West-Vlaanderen: 7.990 ha (36,8%)

H6

1.2.1  Aantal bedrijven

40

20

H6

0 Antwerpen

Limburg

OostVlaanderen

VlaamsBrabant

WestVlaanderen

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

Het aantal exploitaties met akkerbouw vertoont een duidelijk dalende trend (-24 % t.o.v. 1999) (figuur 11). Het aantal land- en tuinbouwbedrijven daalt echter sneller zodat het aandeel bedrijven met akkerbouwgewassen in het totale aantal bedrijven gestegen is (van 49 % in 1999 tot 54 % in 2009). 1.2.2  Bedrijfsgrootte De combinatie van een toename van het totale akkerbouwareaal de afgelopen 10 jaar en een daling van het aantal akkerbouwbedrijven, wijst op een schaalvergroting. De gemiddelde oppervlakte met akkerbouwgewassen per bedrijf stijgt in de beschouwde periode met 39,3 % en bereikt in 2009 12,4 ha (figuur 11).

174

Akkerbouw

Akkerbouw

175


1.3  Economisch belang op gemeenteniveau

25.000

15

20.000

12

15.000

9

10.000

6

5.000

3

In alle gemeenten komt akkerbouw voor, maar het belang ervan varieert sterk (figuur 12). De gemeenten waar de akkerbouw van enige betekenis is, zijn, zoals te verwachten, gelegen op de vruchtbare bodems van Vlaanderen: de zandleem- en leemgronden en de polders.

gemiddelde opervlakte (ha)

aantal bedrijven

Figuur 11. Evolutie van het aantal bedrijven met akkerbouwgewassen en de gemiddelde oppervlakte akkerbouwgewassen per bedrijf, 1999-2009

Figuur 12. Belang van de akkerbouwsector per gemeente, 2009 verstedelijkte gemeenten % gespecialiseerde akkerbouwbedrijven op totaal aantal bedrijven in de gemeente > 20%

0

0

% SO bedrijfstak akkerbouw in de totale SO van de gemeente

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 aantal bedrijven

0%

gemiddelde opervlakte per bedrijf

< 10 %

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

10 - 25 % 25 - 40 % > 40 % (max 73 %)

Een indeling per grootteklasse leert dat de meeste akkerbouwers minder dan 5 ha akkerbouw bewerken, maar deze bedrijven vertegenwoordigen slechts 8 % van het akkerbouwareaal en zijn meestal geen gespecialiseerde akkerbouwbedrijven (tabel 1). H6

H6

Tabel 1. Indeling van de bedrijven met akkerbouwgewassen per grootteklasse, %, 2009 aantal ha akkerbouw per bedrijf

aandeel van de bedrijven

aandeel van het akkerbouwareaal

<5

41,5

7,8

5 tot 10

21,5

12,4

10 tot 20

19,6

22,6

20 tot 30

7,9

15,5

30 tot 40

4,0

11,0

40 tot 50

1,9

6,9

≥ 50

3,6

23,8

geheel van de bedrijven

100

100

0

25

50 Km

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, NGI-AGIV

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

176

Akkerbouw

Akkerbouw

177


Figuur 14. Evolutie van het productievolume van de aardappelen, 1.000 ton, 1999-2009

2  PRODUCTIE

2.500

2.000

2.1  Productievolume

totaal aardappelen 1.500

Granen

vroege aardappelen

De Vlaamse graanproductie in 2009 bedraagt 1.205.489 ton, wat 41 % uitmaakt van de nationale productie. De productie ligt de laatste jaren op een hoger niveau, wat toe te schrijven is aan de uitbreiding van de korrelmaïs- en tarweteelt (figuur 13). Tarwe is qua graanproductie het belangrijkste graangewas, gevolgd door korrelmaïs.

1.000

bewaaraardappelen

500

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009

Figuur 13. Evolutie van het productievolume van de granen, 1.000 ton, 1999-2009

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

1.600

totaal granen 1.200 tarwe H6

gerst

800

Suikerbieten De suikerbietenproductie bleef tot 2007 redelijk stabiel. Door de inlevering van bietenquotum is de productie in 2008 en 2009 een stuk lager en bedraagt 1.659.725 ton in 2009 of 32 % van de nationale productie (figuur 15).

H6

triticale 400

korrelmaïs

Figuur 15. Evolutie van het productievolume van suikerbieten, 1.000 ton, 1999-2009 4.000

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

3.000

2.000

Aardappelen De Vlaamse aardappelproductie (1.860.072 ton in 2009) vertegenwoordigt 58 % van de nationale aardappelproductie (89 % voor de vroege en 52 % voor de bewaaraardappelen) en varieert van jaar tot jaar (figuur 14).

1.000

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

178

Akkerbouw

Akkerbouw

179


2.2  Productiewaarde De waarde van de akkerbouwproducten bedraagt in 2009 399 miljoen euro, wat 8,9 % uitmaakt van de totale eindproductiewaarde van de land- en tuinbouw. De waarde van de akkerbouwsector is hiermee beduidend lager dan die van veeteelt en tuinbouw. Granen, aardappelen en suikerbieten zijn de voornaamste akkerbouwproducten. Zij nemen in 2009 samen 81,8 % van de totale akkerbouwomzet voor hun rekening (figuur 16). Figuur 16. Evolutie van de productiewaarde van de akkerbouwproducten, miljoen euro, 1999-2009 600 500

3  AANWENDING VAN DE PRODUCTIE

3.1  Consumptie In tabel 2 worden de aankoopcijfers van de voornaamste voedingsartikelen op basis van akkerbouwproducten door de gezinnen weergegeven. Al de vermelde producten, behalve de verwerkte aardappelen, vertonen een daling in volume, wat toe te schrijven is aan een gewijzigd consumptiepatroon (meer substitutieproducten, bereide of kant-en-klaargerechten, meer eten buitenshuis, enz.). De bestedingen in geldwaarde kennen een stijging, behalve voor bloem. Tabel 2. Evolutie van de aankoop van producten op basis van akkerbouwproducten, 2000-2009

granen 400

kg per inwoner

aardappelen 300

2000

suikerbieten verse aardappelen

200

overige

verwerkte aardappelen

2005

euro per inwoner 2009

2000

2005

2009

43,3

38,4

37,8

13,0

18,0

22,8

nb

6,0

7,1

nb

8,5

11,7

106,8

87,5

85,8

134,7

127,2

141,6

10,1

7,1

5,8

5,9

4,5

5,4

100 brood (in eenheden)

H6 0

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008* 2009*

bloem

H6

Bron:  GfK Panel Services Benelux, VLAM * voorlopige cijfers Bron:  Departement Landbouw en Visserij

De waarde van de akkerbouw is sinds 2007 duidelijk afgenomen, vooral als gevolg van de waardeverminderingen bij granen en suikerbieten. Vlaanderen heeft een aandeel van 48 % in de nationaal gerealiseerde waarde voor de akkerbouw.

180

Akkerbouw

3.2  Zelfvoorzieningsgraad De aardappelsector heeft een zelfvoorzieningsgraad groter dan 100 (251 in 2007/08), wat wil zeggen dat de nationale productie groter is dan de nationale behoefte. Voor granen en witte suiker zijn er geen recente gegevens beschikbaar.

Akkerbouw

181


3.3  Buitenlandse handel

Figuur 17. Buitenlandse handel in akkerbouwproducten volgens handelspartner, België, 2009

In geldwaarde uitgedrukt, vertoont de buitenlandse handel voor het geheel van de akkerbouwproducten in 2009 een positief saldo van 404,5 miljoen euro. De handelsbalans voor enkele belangrijke akkerbouwproducten wordt weergegeven in tabel 3. Vooral de graanproducten en de aardappelen en aardappelbereidingen dragen bij tot dit positieve saldo.

1. Invoer 100% Frankrijk 80%

Tabel 3. Buitenlandse handel in akkerbouwproducten per productcategorie, België, miljoen euro, 2009 invoer granen:

H6

uitvoer

2.966,9

saldo

3.173,5

Duitsland Italië

206,6

1.145,4

435,6

-709,7

graanproducten

1.821,5

2.737,8

916,4

aardappelen en aardappelbereidingen

311,4

1.102,4

791,0

suikerhoudende gewassen en producten

531,8

878,2

346,4

oliehoudende zaden en producten

2.111,9

874,0

-1.237,9

overige gewassen en derivaten

3.883,8

4.182,3

298,5

9.805,8

10.210,4

404,5

7.391,7

8.600,0

1.208,3

waarvan: intra-EU-27

60%

40%

granen in de korrel

totaal akkerbouw

Nederland

Verenigd Koninkrijk 20% Andere 0% granen en graanproducten

aardappelen suikeroliehoudende totaal en houdende zaden en akkerbouw aardappel- gewassen en producten bereidingen producten

2. Uitvoer 100%

H6 Frankrijk

80% Nederland

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat 60%

Qua in- en uitvoerwaarde vertegenwoordigt de akkerbouw respectievelijk 36 % en 33 % van de totale in- en uitvoerwaarde van de landbouwproducten. Figuur 17 toont aan dat onze belangrijkste handelspartners voor de akkerbouwproducten Frankrijk, Nederland en Duitsland zijn, zowel voor de in- als de uitvoer. Er gebeurt echter ook veel handel met landen buiten de EU. Bij de invoer is dit vooral toe te schrijven aan de oliehoudende zaden en producten. Bij de uitvoer is vooral bij de graanproducten en de suikerhoudende gewassen en producten het aandeel van de uitvoer naar landen buiten de EU het grootst. Opvallend bij de invoer is het grote aandeel van Nederland bij de aardappel (bereidingen) en de oliehoudende zaden en producten. Verder worden veel graan en graanproducten ingevoerd vanuit Frankrijk. Voor de suikerhoudende gewassen en producten zijn Duitsland en Frankrijk de belangrijkste leveranciers.

Duitsland Italië

40%

Verenigd Koninkrijk 20% Andere 0% granen en graanproducten

aardappelen suikeroliehoudende totaal en houdende zaden en akkerbouw aardappel- gewassen en producten bereidingen producten

Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van Eurostat

Bij de uitvoer valt vooral het relatief grotere aandeel op van Frankrijk bij de aardappel(bereidingen), van Nederland voor de oliehoudende zaden en producten en van Duitsland voor de suikerhoudende gewassen en producten.

182

Akkerbouw

Akkerbouw

183


Aardappelen

4  RENTABILITEIT

4.1  Prijsevolutie Granen De graanprijs wordt o.a. beïnvloed door het gemeenschappelijke marktprijsbeleid in de graansector. Door de geleidelijke afbouw van de prijsondersteuning van granen en de invoering van een ontkoppelde bedrijfstoeslag heeft het marktmechanisme steeds meer invloed op de prijsvorming. Figuur 18 geeft de evolutie van de tarweprijs weer. In 2007/08 zorgden de slechte oogst binnen en buiten Europa, de extreem lage voorraden wereldwijd en de toenemende vraag voor zeer hoge prijzen. In 2008/09 en in 2009/10 oversteeg de productie de vraag met als gevolg toenemende graanvoorraden en lagere prijzen. Door tegenvallende oogstcijfers 2010/11 binnen en buiten Europa zitten de graanprijzen opnieuw in de lift.

De gemiddelde seizoensprijs voor aardappelen vertoont op de vrije markt een sterk fluctuerend verloop (figuur 19). De consumptieaardappelteelt is niet onderworpen aan een gemeenschappelijke marktprijsordening, zodat vraag en aanbod prijsbepalend zijn. De vraag naar aardappelen is vrij inelastisch, zodat een relatief kleine variatie in de productiehoeveelheid een grote prijsverandering veroorzaakt. De hoogste prijs wordt genoteerd in het seizoen 2006/07. Het seizoen werd gekenmerkt door lage rendementen en grote bewaarproblemen als gevolg van de slechte weersomstandigheden tijdens het teeltseizoen. De oogsten 2007, 2008 en 2009 waren ruimer, wat resulteerde in lagere prijsnoteringen op de vrije markt. Om de schommelingen op de vrije markt op te vangen, worden er contracten afgesloten. Het Proefcentrum voor Aardappelteelt raamt het aandeel areaal onder contract voor 2010 op 51 %. Figuur 19. Evolutie van de aardappelprijs aan producent op de vrije markt, België, euro per 100 kg, 1999/2000-2009/2010 24

Figuur 18. Evolutie van de prijs aan producent voor voedertarwe, België, euro per 100 kg, 1999/2000-2009/2010 H6

20

24

16

20

12

16

8

12

4

8

0

H6

1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05 2005/06 2006/07 2007/08 2008/09 2009/10

4

Bron:  FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

0 1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05 2005/06 2006/07 2007/08 2008/09 2009/10 Bron:  Departement Landbouw en Visserij op basis van gegevens FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

184

Akkerbouw

Verder wordt ook een belangrijk gedeelte van de consumptieaardappelen rechtstreeks verkocht aan de consument. Uit cijfers van GfK Panel Services Benelux blijkt dat ongeveer 16 % van de aangekochte aardappelen door de Vlaamse gezinnen rechtstreeks bij de producent gekocht wordt.

Akkerbouw

185


Suikerbieten Net zoals de graanprijs wordt ook de suikerprijs beïnvloed door het gemeenschappelijke marktbeleid. In figuur 20 wordt de prijsevolutie van de suikerbieten aan 16 % suiker en gewogen voor productie binnen en buiten quotum, weergegeven. De prijzen bleven tot 2005/06 redelijk stabiel door de ongewijzigde prijsondersteuning. De MTRhervorming leidde vanaf 2006/07 tot een aanzienlijke verlaging van de prijsondersteuning. De gegarandeerde prijs voor witte suiker werd over 4 jaar met 36 % verlaagd, met als gevolg dalende prijzen voor suikerbieten.

Figuur 21. Evolutie van het suikergehalte van de bieten, België, %, 1999/2000-2009/2010 19,0 18,5 18,0 17,5 17,0

Figuur 20. Evolutie van de prijs aan producent voor suikerbieten (16 %), België, euro per ton, 1999/2000-2009/2010

16,5 16,0

50

15,5 1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05 2005/06 2006/07 2007/08 2008/09 2009/10

40 Bron:  Confederatie van de Belgische Bietenplanters 30 20

H6

4.2  Technische en financiële resultaten De analyse van de financiële bedrijfsresultaten is gebaseerd op de boekhoudresultaten van 63 bedrijven, met gemiddeld 51,5 ha cultuurgrond. De gegevens van de bedrijfstak akkerbouw hebben betrekking op alle bedrijven met desbetreffende teelt.

10

H6

0 1999/00 2000/01 2001/02 2002/03 2003/04 2004/05 2005/06 2006/07 2007/08 2008/09 2009/10 Bron:  Confederatie van de Belgische Bietenplanters

De uiteindelijk betaalde prijs aan producent wordt eveneens beïnvloed door het suikergehalte. Dit gehalte varieert van seizoen tot seizoen en van bedrijf tot bedrijf. In figuur 21 wordt het gemiddelde suikergehalte van de Belgische bietenoogst weergegeven. Door de gunstige weersomstandigheden was het suikergehalte in 2009/2010 uitzonderlijk hoog.

186

Akkerbouw

4.2.1  Bedrijfstak akkerbouw Wintertarwe De graanoogst 2008 werd gekenmerkt door zeer goede kilogramopbrengsten, maar minder gunstige prijzen. De graanprijzen lagen in 2008 40 % lager dan de uitstekende prijzen van 2007 (tabel 4). Wereldwijd was het aanbod veel hoger dan in 2007 wat de wereldmarkt sterk deed dalen. De prijzen waren echter niet uitzonderlijk laag. Het grootste probleem deed zich voor aan de kostenzijde. De variabele kosten voor wintertarwe stegen met 20 % ten opzichte van 2007. Alle kosten stegen, maar de belangrijkste stijging in absolute cijfers was toe te schrijven aan de uitgaven voor meststoffen.

Akkerbouw

187


Bewaaraardappelen

Tabel 4. Evolutie van de opbrengstcijfers van wintertarwe, 2005-2008 2005 rendement (kg per ha)

2006

2007

2008

8.391

8.178

7.439

8.475

gemiddelde prijs (euro per 100kg)

10,5

14,1

22,5

13,5

opbrengst graan (euro per ha)

877

1.152

1.671

1.141

variabele kosten (euro per ha)

611

610

631

755

bruto saldo* (euro per ha)

456

757

1279

658

* inclusief opbrengsten nevenproducten Bron:  Departement Landbouw en Visserij

De opbrengst per ha lag in 2008 iets lager dan in 2007, maar de prijs steeg (tabel 5). Een kleiner aanbod zorgde voor een betere prijsvorming. De variabele kosten zijn in 2008 gedaald, na een sterke stijging in 2007. De kosten voor meststoffen en energie stegen sterk, de kosten voor pootgoed en bestrijdingsmiddelen verminderden. De toegenomen opbrengsten en de gedaalde kosten resulteerden in een hoger bruto saldo. Tabel 5. Evolutie van de opbrengstcijfers van bewaaraardappelen, 2005-2008 2005 rendement (kg per ha)

Figuur 22. Verdeling van de variabele kosten per ha wintertarwe, 2008 H6 energie 10%

overige 1%

zaai- en pootgoed 13%

2007

2008

40.865

34.522

45.846

43.753

10,9

15,5

9,3

10,3

opbrengst (euro per ha)

4.459

5.351

4.266

4.487

variabele kosten (euro per ha)

1.541

1.717

2.118

1.970

bruto saldo* (euro per ha)

2.918

3.658

2.163

2.529

gemiddelde prijs (euro per 100kg)

De bestrijdingsmiddelen nemen het grootste aandeel in de variabele kosten (figuur 22). De sterk gestegen kosten, die niet doorgerekend konden worden in de verkoopprijs, resulteren in een bijna gehalveerd bruto saldo, ten opzichte van het uitzonderlijk goede resultaat van 2007.

2006

* inclusief opbrengsten nevenproducten Bron:  Departement Landbouw en Visserij

H6

Net zoals bij de graangewassen is het aandeel van de bestrijdingsmiddelen de grootste variabele kost (figuur 23). Bijna even belangrijk is de kost voor zaai- en pootgoed. Figuur 23. Verdeling van de variabele kosten per ha bewaaraardappelen, 2008

werk door derden 23%

meststoffen 23% overige 2%

zaai- en pootgoed 30%

energie 5%

bestrijdingsmiddelen 30%

werk door derden 16%

meststoffen 13%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

bestrijdingsmiddelen 34%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

188

Akkerbouw

Akkerbouw

189


Suikerbieten

4.2.2  Bedrijfsresultaten

Het rendement van de suikerbietenoogst lag 5 % hoger dan in 2007 en bereikte de één na hoogste waarde van de afgelopen 7 jaar. Ook het suikergehalte lag hoog. De ontvangen prijs per ton bieten blijft stabiel (tabel 6). Het effect van de suikerhervorming, die de gegarandeerde prijs voor witte suiker verlaagt, wordt gemaskeerd door de extra vergoeding voor het hoge suikergehalte van de bieten en de hoge pulpprijs. De variabele kosten stegen echter, waardoor het bruto saldo slechts licht hoger was dan in 2007, maar beduidend lager dan in 2005 en 2006. Tabel 6. Evolutie van de opbrengstcijfers van suikerbieten, 2005-2008 2005 rendement (kg per ha)

Tabel 7. Bedrijfsresultaten van de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, euro, 2005-2008 2007

2008

2005

64.797

66.810

65.030

68.163

4,0

3,3

3,2

2.599

2.237

16,9

variabele kosten (euro per ha) bruto saldo* (euro per ha)

gemiddelde prijs (euro per 100kg) opbrengst (euro per ha) suikergehalte (%)

H6

2006

2008

45,9

48,6

51,5

3,2

aantal VAK

1,49

1,52

1,48

1,62

2.074

2.170

aantal FAK

1,42

1,39

1,35

1,53

16,4

17,2

17,8

1.096

1.073

1.139

1.217

totale opbrengsten per ha cultuurgrond

3.520

3.299

3.546

3.337

1.504

1.169

942

957

kosten per ha cultuurgrond

3.758

3.433

3.545

3.788

netto bedrijfsresultaat per ha cultuurgrond

-238

-134

1

-451

opbrengst per 1.000 euro kosten

937

961

1.000

881

familiaal arbeidsinkomen per ha cultuurgrond

748

878

906

502

24.142

28.898

32.687

16.913

Figuur 24. Verdeling van de variabele kosten per ha suikerbieten, 2008

werk door derden 33%

2007

46,2

Bij de suikerbietenteelt is het werk door derden de voornaamste uitgave (figuur 24).

overige 4%

2006

oppervlakte cultuurgrond (ha)

* inclusief opbrengsten nevenproducten Bron:  Departement Landbouw en Visserij

energie 7%

Na de goede resultaten in 2007 wordt de akkerbouwsector in 2008 geconfronteerd met een sterke inkomensdaling (tabel 7). De totale opbrengsten per ha daalden, terwijl de kosten stegen. Het netto bedrijfsresultaat daalt tot een verlies van 451 euro per ha. Het familiale arbeidsinkomen (netto bedrijfsresultaat vermeerderd met de toegerekende lonen voor familiale arbeid) per FAK valt terug op bijna de helft van de waarde in 2007.

rentabiliteit (euro)

familiaal arbeidsinkomen per FAK

H6

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

zaai- en pootgoed 19%

meststoffen 13%

bestrijdingsmiddelen 24% Bron:  Departement Landbouw en Visserij

190

Akkerbouw

Akkerbouw

191


In figuur 25 wordt de structuur van de opbrengsten weergegeven. Hieruit blijkt dat veel gespecialiseerde akkerbouwbedrijven naast de akkerbouwteelten ook nog andere activiteiten uitoefenen. De opbrengsten uit marktbare gewassen maken 60 % uit van de totale opbrengsten. De premies in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zijn in de post overige opbrengsten geklasseerd.

REFERENTIES zz

zz

Figuur 25. Structuur van de opbrengsten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2008 overige opbrengsten 16%

zz

zz

pluimvee 14%

marktbare gewassen 60%

zz

varkens 3% rundvee en voedergewassen 7%

zz

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

zz

H6 zz

Ook uit de structuur van de kosten, komt het gemengde karakter van de akkerbouwbedrijven naar voren. De veevoeders zijn immers de op één na grootste kost (figuur 26).

zz

zz

Figuur 26. Structuur van de kosten voor de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven, 2008 overige kosten 7% werk door derden 5% betaalde lonen 1%

zz

zaai- en pootgoed 6% veevoeders 15% meststoffen 5%

berekende lonen 25%

grond- en gebouwenkapitaal 14%

bestrijdingsmiddelen 6%

zz

zz

zz

Bernaerts E. & Demuynck E. (2009) Productierekening van de Vlaamse land- en tuinbouw 2009, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Bernaerts E. & Demuynck E. (2005) Regionale rekeningen van de landbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Confederatie van de Belgische Bietenplanter. De bietplanter, maandelijks vakblad, meerdere jaargangen, Brussel. Coulier T. (2009) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2008, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Danckaert S., Lenders S. & Oeyen A. (2009) De landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. D’hooghe J. & Campens V. (2009) Vlaamse standaardopbrengsten voor de gewassen en de veehouderij 2003-2005, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Eurostat (12/2010) Intra- and extra-EU trade, combined nomenclature, Luxemburg. FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Mei-enquête, meerdere jaargangen, Brussel.

H6

GfK Panelservices Benelux (2008), Brussel, www.gfk.be. Instituut voor de nationale rekeningen (2010) Regionale rekeningen 1999-2008, Brussel. Raad van de Europese Unie (1985) Bijlage 2 Classificatie van de landbouwbedrijven volgens productierichting, Publicatieblad van de Europese Unie L220, 17/8, 10-13. Synagra. Synagra berichten, vakblad, meerdere jaargangen, Brussel. www.statbel.fgov.be: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. www.pcainfo.be: Interprovinciaal proefcentrum voor de aardappelteelt

energie 4% werktuigkosten 12%

Bron:  Departement Landbouw en Visserij

192

Akkerbouw

Akkerbouw

193


BEGRIPPEN EN METHODOLOGISCHE TOELICHTINGEN

Bestemming van de oppervlakte cultuurgrond De oppervlakte cultuurgrond wordt ingedeeld in 4 grote bestemmingen: akkerbouwgewassen, tuinbouwteelten, voedergewassen en andere. Onder akkerbouw worden volgende teelten geklasseerd: granen voor de korrel (exclusief vochtig geoogste korrelmaïs), droge peulvruchten, nijverheidsgewassen (suikerbieten, cichorei, vezelvlas, oliehoudende gewassen, geneeskrachtige en aromatische planten en kruiden, landbouwzaden en andere nijverheidsgewassen) en aardappelen. De voedergewassen omvatten: voederbieten, andere wortel- en knolgewassen, voedermaïs (inclusief vochtig geoogste korrelmaïs), andere eenjarige voedergewassen dan maïs, meerjarige voedergewassen (klaver, luzerne en andere), tijdelijk en blijvend grasland. Tuinbouwteelten zijn groenten en fruit en sierteelt, zowel in openlucht als in serres, tuinbouwzaden en plantgoed en de tuinen voor eigen gebruik. Het braakland en de wijmenaanplantingen (teelt voor biezen bestemd voor het vlechten van manden) vormen dan de andere bestemmingen.

Bruto (binnenlandse) vleesproductie De bruto binnenlandse vleesproductie is het resultaat van de nationale slachtingen (inclusief de thuisslachtingen) verminderd met de invoer en vermeerderd met de uitvoer van levende dieren.

Bruto standaard saldo (BSS) Het bruto standaardsaldo is het gemiddelde Vlaamse bruto saldo voor elk van de landbouwproducties. Het bruto saldo wordt gedefinieerd als de geldwaarde van de bruto productie, waarvan men bepaalde bijhorende specifieke kosten aftrekt. De bruto productie is gelijk aan de som van de waarde van de hoofd- en bijproducten, inclusief de subsidiebedragen die verband houden met de producten, arealen en/of veestapel. De specifieke kosten zijn voor de plantaardige producties als volgt samengesteld: zaai- en pootgoed, aangekochte meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen, kosten voor irrigatie, verwarming, drogen, specifieke kosten voor afzet en verwerking, verzekeringskosten en andere specifieke kosten. Voor de dierlijke producties zijn dit volgende kosten: de kosten voor de vervanging van dieren, veevoeder, ziektebestrijding, dekgeld en kunstmatige inseminatie, productiecontrole, specifieke kosten voor de afzet en verwerking en andere specifieke kosten.

Begrippen en methodologische toelichtingen

195


Economisch belang per gemeente op basis van SO (kaarten) Om het belang van een sector in de landbouw binnen de Vlaamse gemeenten te meten, werd gebruik gemaakt van onderstaande gegevens: zz

zz

de oppervlakte van de verschillende teelten en het aantal dieren volgens de meienquête van de FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie; de Standaard output “2004” (gemiddelde van 2003 tot en met 2005) per teeltgroep of diersoort (zie definitie SO).

Per gemeente wordt dan de totale SO van een bepaalde teelt of diersoort berekend door de gegevens uit de mei-enquête te vermenigvuldigen met de overeenkomstige SO per ha of per dier. Deze werden toegewezen per sector (akkerbouw, melkvee, enz.) en vergeleken met de totale SO (van alle sectoren) binnen een gemeente. Via een kleurenschaal worden de gemeenten ingekleurd naargelang van het aandeel van de desbetreffende sector in het totale SO. De gemeenten waar meer dan 20% van de bedrijven in de desbetreffende productierichting zijn gespecialiseerd, zijn gearceerd. Voor de landbouwtyperingskaart steunt de bepaling van de landbouwactiviteit van een gemeente op twee profielen: de verdeling van het aantal bedrijven over een aantal productierichtingen enerzijds en de verdeling van de economische dimensie (SO“2004”) over een aantal bedrijfstakken anderzijds. De gemeenten worden gegroepeerd volgens een min of meer grote gelijkenis van hun profielen. De meest voorkomende productierichting of teeltgroep bepaalt de naam van de landbouwactiviteit van de gemeente. Voor meer details in verband met het kaartmateriaal wordt verwezen naar volgende publicatie: Danckaert S., Lenders S. & Oeyen A. (2009) De landbouwactiviteit in Vlaamse gemeenten, proeve van typologie, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.

Eindproductiewaarde De (eind)productiewaarde, berekend door afdeling Monitoring en Studie, wordt opgesteld aan de hand van het begrip regionale hoeve: een fictief landbouwbedrijf dat de totale landbouwoutput van de Vlaamse landbouw voortbrengt. De eindproductiewaarde omvat de waarde van het gedeelte van de productie die verkocht wordt buiten deze regionale hoeve, het gedeelte dat verbruikt wordt door de landbouwer en zijn gezin en de inventarisverandering. Voor meer details wordt verwezen naar volgende publicatie: Bernaerts E. & Demuynck E. (2005) Regionale rekeningen van de landbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.

196

Begrippen en methodologische toelichtingen

Familiale arbeidskracht (FAK) Het aantal FAK is het aantal niet-betaalde (meestal familiale) regelmatige en nietregelmatig tewerkgestelde personen die omgerekend worden tot volwaardige arbeidskrachten (zie definitie volwaardige arbeidskrachten).

Grootvee-eenheden rundvee (GVER) Het aantal GVER wordt bepaald door het aantal dieren (rundvee) in eigendom om te zetten met behulp van volgende coëfficiënten: runderen jonger dan 3 maanden: 0; runderen van 3 maanden tot en met 2 jaar: 0,6 en runderen ouder dan 2 jaar: 1.

Intermediair verbruik Het intermediair verbruik is de waarde van alle goederen en diensten die als input voor de productie van de beschouwde periode worden gebruikt en buiten de regionale hoeve aangekocht worden. Deze post omvat geen uitgaven waarvan het gebruik verdeeld is over verschillende jaren. Meer gespecificeerd geeft het intermediair verbruik de uitgaven weer, gedaan voor: zz

zaai- en pootgoed dat in de handel aangekocht wordt;

zz

energie en smeermiddelen;

zz

meststoffen;

zz

fytosanitaire producten;

zz

veevoeders gekocht buiten de landbouw;

zz

ingevoerd gebruiksvee;

zz

klein materiaal en onderhoud- en herstellingskosten van machines en gebouwen;

zz

algemene onkosten (diergeneeskundige zorgen, verzekeringen, water, enz.).

Per definitie omvat het intermediair verbruik noch de aankoop van materiaal waarvan de levensduur groter is dan 1 jaar, noch de aankoop of grote herstellingen van gebouwen welke investeringsuitgaven zijn. De lonen maken geen deel uit van het intermediair verbruik.

Begrippen en methodologische toelichtingen

197


Leghennen Onder de term leghen worden in dit rapport de hennen voor consumptie- en broedeieren verstaan, inclusief de poeljen, tenzij anders vermeld.

Melkleveringen In het kader van de heffing in de melksector wordt een levering gedefinieerd als elke levering van melk, exclusief andere zuivelproducten, door een producent aan een koper ongeacht of de producent, de koper, het bedrijf dat deze melk behandelt of verwerkt, dan wel een derde de melk vervoert. Een koper is een onderneming of groepering die van een producent melk koopt: zz

zz

om deze, ook in het kader van een loonwerkovereenkomst, in te zamelen, te verpakken, op te slaan, te koelen en te behandelen of te verwerken; om deze door te verkopen aan een of meer bedrijven die melk of andere zuivelproducten behandelen of verwerken.

Wat betreft het aantal producenten waarop de melkleveringen betrekking hebben, worden alle producenten in aanmerking genomen die betrokken zijn in de berekening van de extra heffing. Sommige producenten zijn niet de hele melkcampagne actief (overnames, enz.) of hebben geen quotum (enkel leasing).

Omgerekend varken

Productierichting (PR) De indeling van de bedrijven volgens de productierichting is gebaseerd op het begrip bruto standaardsaldo (BSS, zie definitie BSS). De PR, ook wel technisch-economische gerichtheid genoemd, wordt vastgesteld rekening houdend met het relatieve aandeel van de verschillende producties in de totale BSS van het bedrijf. De bedrijven worden ingedeeld in 9 grote groepen. Binnen deze groepen bestaat dan nog een verdere opdeling. In dit rapport worden de volgende productierichtingen gebruikt. Voor een gedetailleerd overzicht wordt verwezen naar het Publicatieblad van de Europese Unie (PB, L220 van 17 augustus 1985). productierichting

benaming

gespecialiseerde bedrijven 1

gespecialiseerde akkerbouwbedrijven

2

gespecialiseerde tuinbouwbedrijven

3

gespecialiseerde bedrijven met blijvende teelten

4

gespecialiseerde graasdierbedrijven met specialisatie: 41

melkvee

42

mestvee

43

gemengd rundvee

44 5

Het aantal omgerekende varkens is gelijk aan het aantal mestvarkens + het aantal jonge zeugen + (het aantal fokzeugen x 2) + (het aantal beren x 1,5).

andere graasdieren gespecialiseerde veredelingsbedrijven met specialisatie:

501

varkens

502

pluimvee

503

gemengde veredelingsbedrijven

gemengde bedrijven 6

bedrijven met combinaties van gewassen

7

198

Begrippen en methodologische toelichtingen

bedrijven met combinaties van veeteelt 71

bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren

72

bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op veredeling

8

bedrijven met combinaties van gewassen en veeteelt

9

niet te classificeren bedrijven

Begrippen en methodologische toelichtingen

199


Rentabiliteit De rentabiliteitsgegevens zijn gebaseerd op de naar regionaal vlak geëxtrapoleerde boekhoudresultaten van een 700-tal bedrijven die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN). Bij de analyse wordt een onderscheid gemaakt tussen de gegevens voor een bepaalde bedrijfstak en de bedrijfsgegevens. In wat volgt worden de definities van enkele kengetallen weergegeven. Voor meer details wordt verwezen naar volgende publicatie: Bernaerts E., Coulier T., Demuynck E., Platteau J. & Tacquenier B. (2008) Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2006, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel. Bedrijfstak zz

bruto saldo

Het bruto saldo voor een bepaalde bedrijfstak wordt gedefinieerd als de totale opbrengsten (exclusief de subsidiebedragen die verband houden met de producten, arealen en/of veestapel) verminderd met alle variabele kosten. Variabele kosten zijn kosten die op korte termijn sterk variëren met de omvang (meststoffen, veevoeders, enz.). Alle kosten die betrekking hebben op grond, gebouwen, werktuigen en arbeidskrachten worden hierin niet opgenomen. Bedrijfsresultaten zz

netto bedrijfsresultaat

Dit bedrag is het verschil tussen de totale opbrengsten en de totale kosten. Een positief (negatief) bedrag duidt een winst (verlies) aan. zz

De SO is de geldwaarde van de brutolandbouwproductie per eenheid tegen prijzen af boerderij en exclusief BTW. In tegenstelling met het BSS wordt er bij de SO geen rekening gehouden met de subsidies en ook de specifieke kosten (zaad, meststoffen, bestrijdingsmiddelen, voeders, energie enz.) worden niet afgetrokken.

Toegevoegde waarde De bruto toegevoegde waarde tegen marktprijzen is het verschil tussen de eindproductiewaarde en het intermediair verbruik. Wanneer de bruto toegevoegde waarde vermeerderd wordt met de subsidies en verminderd met de taksen en de afschrijvingen, verkrijgt men de netto toegevoegde waarde tegen factorkosten. De netto toegevoegde waarde tegen factorkosten vertegenwoordigt dan het globale inkomen van de land- en tuinbouwactiviteit.

Vergelijkbaar inkomen Het vergelijkbaar inkomen komt overeen met het gemiddelde bruto salaris van een voltijds tewerkgestelde loontrekkende.

Volwaardige arbeidskracht (VAK) Een volwaardige arbeidskracht is een volwassen persoon, jonger dan 65 jaar, volledig arbeidsgeschikt en bestendig beschikbaar voor het bedrijf. De beschikbare arbeidskrachten worden omgerekend tot VAK met behulp van omrekeningscoëfficiënten die rekening houden met de leeftijd en de arbeidsgeschiktheid. Voor meer details wordt verwezen naar het Rentabiliteitsrapport Land- en tuinbouw 2006.

bedrijfsinkomen

Het bedrijfsinkomen is het familiaal arbeidsinkomen vermeerderd met de toegerekende vergoeding op het eigen geïnvesteerde bedrijfs- en grondkapitaal. Het bedrijfsinkomen wordt net zoals het familiaal arbeidsinkomen uitgedrukt per FAK.

200

Standaard output (SO)

familiaal arbeidsinkomen

Het arbeidsinkomen van het gezin is gelijk aan het toegerekend loon voor de niet betaalde regelmatig tewerkgestelde personen, vermeerderd met de winst of verminderd met het verlies. Het familiaal arbeidsinkomen wordt uitgedrukt per familiale arbeidskracht (FAK). zz

Een standaardgrootte-eenheid (SGE) is een eenheid om de economische bedrijfsomvang van een onderneming te meten. Eén SGE is gelijk aan 5.810 euro van bruto standaardsaldo “2004” (gemiddelde 2003 tot en met 2005) of in formule: SGE=BSS ”2004”/5.810.

arbeidsinkomen

Het arbeidsinkomen wordt gedefinieerd als de totale opbrengsten verminderd met de totale kosten exclusief de toegerekende en betaalde lonen. Dit arbeidsinkomen wordt uitgedrukt per volwaardige arbeidskrachten (zie definitie volwaardige arbeidskracht). zz

Standaardgrootte-eenheden (SGE)

Begrippen en methodologische toelichtingen

Zelfvoorzieningsgraad De zelfvoorzieningsgraad geeft de verhouding weer (uitgedrukt in %) tussen de geproduceerde en de totale verbruikte hoeveelheden. Dit kengetal meet in welke mate de nationale productie de nationale behoefte dekt.

Begrippen en methodologische toelichtingen

201


AFKORTINGEN

202

ABC

agrobusinesscomplex

ADSEI

Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie

AGIV

Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen

AMS

afdeling Monitoring en Studie

BCZ

Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie

BEMEFA

Belgische beroepsvereniging van mengvoederfabrikanten

BIRB

Belgisch Interventie- en Restitutiebureau

BSS

bruto standaard saldo

EU

Europese Unie

Eurostat

Statistisch Bureau van de Europese Unie

FAK

familiale arbeidskracht

FOD

federale overheidsdienst

GVER

grootvee-eenheid rundvee

ha

hectare

kg

kilogram

LARA

Landbouwrapport

LMN

Landbouwmonitoringsnetwerk

MTR

Mid Term Review

NBB

Nationale Bank van België

NGI

Nationaal Geografisch Instituut

PB

Publicatieblad

PR

productierichting

SALV

Strategische Adviesraad Landbouw en Visserij

SGE

standaard grootte-eenheid

SO

standaardoutput

VAK

volwaardige arbeidskracht

VEPEK

Vereniging voor Pluimvee, Eieren en Konijnen

VEVA

Vereniging voor Varkenshouders

VLAM

Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing

Afkortingen


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
LARA_Sectorenboek_DIGI.pdf by Vlaanderen-be - Issuu