Skip to main content

onderzoeksrapport-Vrije-tijd-van-jongeren-in-migratie.pdf

Page 1

Vrije tijd van jongeren in migratie Lucas Pissens, Jessy Siongers, John Lievens, Lieve Bradt & Ilse Derluyn cjm.vlaanderen.be

1


Vrije tijd van jongeren in migratie

Lucas Pissens Onderzoeksgroep CuDOS - onderzoeker Jessy Siongers John Lievens Onderzoeksgroep CuDOS Vakgroep Sociologie – promotor

Lieve Bradt Vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek - promotor Ilse Derluyn Centre for the Social Study of Migration and Refugees - promotor

3


4


INHOUDSTAFEL Managementsamenvatting 7 Inleiding 11 Voorgaand onderzoek, theoretisch kader en afbakening onderzoek

13

De betekenis van vrijetijdsbesteding voor jonge nieuwkomers

13

Voorgaand onderzoek naar vrijetijdsbesteding en participatie bij jonge nieuwkomers 14 Toegankelijkheid van vrijetijdsaanbod Onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers (OKAN)

15 17

Methode 18 Kwalitatief luik: focusgroepen met leerlingen in het OKAN-onderwijs

18

Kwantitatief luik: survey bij leerlingen in het OKAN-onderwijs

19

Methode van dataverzameling en meetinstrument

19

Steekproef en respons

20

Resultaten 22 Socio-demografisch profiel

22

Prioriteiten en verwachtingen omtrent vrijetijdsbesteding

26

Vrijetijdsactiviteiten en vrijetijdsbesteding

29

Context van vrijetijdsactiviteiten

34

Toeleiders naar het vrijetijdaanbod

37

Tevredenheid en noden omtrent vrijetijdsbesteding

40

Participatiedrempels 46 Impact van participatie aan het georganiseerd vrijetijdsaanbod

53

Besluit 55 Belangrijkste bevindingen

55

Beleidsaanbevelingen 58 Beperkingen van het onderzoek en aanbevelingen voor verder onderzoek

61

Referenties 64 Bijlagen 66 Bijlage 1: Bijkomende tabellen

66

Bijlage 2: Topiclijst voor focusgroepen met OKAN-leerlingen

76

Bijlage 3: Vragenlijst gebruikt voor de survey

77

5


INDEX VAN FIGUREN Figuur 1: Leeftijdsverdeling respondenten (n = 1072)

22

Figuur 2: Geslachtsverdeling respondenten (n = 1074)

23

Figuur 3: Geslachtsverdeling naar leeftijd (n = 1057)

23

Figuur 4: Frequentieverdeling regio's van herkomst (n = 1009)

24

Figuur 5: Tijd reeds in België (n = 1060)

25

Figuur 6: Prioriteiten vrijetijdsbesteding: frequenties (n = 909)

26

Figuur 7: Frequenties vrijetijdsactiviteiten voorbije maand (n = 1074)

30

Figuur 8: Frequenties vrijetijdsactiviteiten voorbije maand, weergegeven per gender (significante verschillen aangeduid met asterisk)

31

Figuur 9: Overige (vrijetijds)activiteiten voorbije maand: frequenties (n = 1074)

33

Figuur 10: Vrijetijdsactiviteiten in familieverband: frequenties (n = 891)

33

Figuur 11: Plaatsen waar men sport: percentages (meerdere antwoorden mogelijk; enkel sporters, n = 747)

34

Figuur 12: Plaatsen waar men culturele activiteiten beoefent: percentages (meerdere antwoorden mogelijk; berekend op de leerlingen die deze culturele activiteiten stellen)

35

Figuur 13: Lidmaatschap aan verenigingen voor vrijetijdsbesteding: vergelijking OKAN-leerlingen en leerlingen regulier onderwijs met en zonder migratieachtergrond (data regulier onderwijs afkomstig uit JOP-schoolmonitor 2018)

36

Figuur 14: Toeleiders naar georganiseerd aanbod voor sport, culturele activiteiten en jeugdverenigingen (meerdere antwoorden mogelijk; berekend op jongeren die deelnamen aan georganiseerd aanbod)

38

Figuur 15: Tevredenheid met vrijetijdsbesteding: vergelijking tussen OKAN-leerlingen en leerlingen met en zonder migratieachtergrond in het regulier onderwijs (data regulier onderwijs afkomstig uit JOP-schoolmonitor 2018)

41

Figuur 16: Specifieke aspecten tevredenheid omtrent vrijetijdsbesteding (n = 877)

42

Figuur 17: Noden/behoeften omtrent vrijetijdsbesteding en -aanbod

45

Figuur 18: Participatiedrempels voor sporten (meerdere antwoorden mogelijk; n = 205)

47

Figuur 19: Participatiedrempels voor sportclubs of -verenigingen (meerdere antwoorden mogelijk; n = 524) Figuur 20: Participatiedrempels culturele activiteiten (meerdere antwoorden mogelijk)

47 48

Figuur 21: Participatiedrempels georganiseerd aanbod culturele activiteiten (meerdere antwoorden mogelijk) Figuur 22: Participatiedrempels jeugdvereniging (meerdere antwoorden; n = 793)

6

49 50


MANAGEMENTSAMENVATTING Inleiding en probleemstelling Eerdere studies wezen reeds op het belang van deelname aan het (georganiseerd) vrijetijdsaanbod voor het welzijn, de integratie en inclusie van jongeren kort na hun migratie. Voor deze jonge nieuwkomers biedt vrijetijdsparticipatie een kans om (Belgische) leeftijdsgenoten te ontmoeten, om het Nederlands in een meer informele, buitenschoolse context te leren gebruiken en om hun zorgen te helpen vergeten. Onderzoek naar de vrijetijdsbesteding van nieuwkomers in Vlaanderen betrof vooralsnog vooral kwalitatief onderzoek en er waren geen representatieve, kwantitatieve gegevens over deze thematiek beschikbaar. Gezien de positieve impact die vrijetijdsbesteding kan hebben op jongeren kort na hun migratie, is het van belang om een zo nauwkeurig mogelijk beeld te hebben van hun vrijetijdsbesteding en de pijnpunten die zij ondervinden bij de toegang tot het vrijetijdsaanbod. De huidige studie lost deze leemte op door gebruik te maken van zowel een reeks focusgroepen met OKAN-leerlingen als een grootschalige survey bij jongeren in het OKAN-onderwijs. Voor de focusgroepen betrof het 9 groepsgesprekken, met in totaal 55 leerlingen. De survey werd in 30 scholen afgenomen, en uiteindelijk werd er een respons van 1.074 bruikbare vragenlijsten gehaald (de vragenlijst was beschikbaar in 13 talen).

Resultaten Prioriteiten qua vrijetijdsbesteding Het leren van het Nederlands blijkt een absolute prioriteit te zijn voor jongeren die recent migreerden naar België (zo’n 79% stelt bv. vooral Nederlands te willen leren in de vrije tijd). Taalverwerving gaat vaak voor op meer recreatieve vrijetijdsbesteding en wordt veelal gezien als een voorwaarde die eerst voldaan moet zijn vooraleer men kan participeren aan het verenigingsleven. Al dan niet georganiseerde vrijetijdsbesteding wordt dan vaak uitgesteld naar een later moment waarop het Nederlands beter zou zijn. Verder stellen nieuwkomers in hun vrije tijd vooral tijd voor zichzelf te willen hebben, om zich te kunnen verdiepen in hun hobby’s of nieuwe zaken te ontdekken.

Invulling vrije tijd en context van vrijetijdsactiviteiten Hoewel de OKAN-leerlingen op frequente basis aan recreatieve activiteiten doen, zoals sport of culturele activiteiten (de eerste meer door jongens, de laatste meer door meisjes), is de aansluiting bij verenigingen voor deze activiteiten eerder beperkt. Veel van hun vrijetijdsbesteding gebeurt thuis of in een nietgeorganiseerde context. Op dagelijkse basis gaat een groot deel van hun vrije tijd uit naar mediagebonden bezigheden, alsook naar huishoudelijke taken en verantwoordelijkheden. We stellen vast dat de participatie van OKAN-jongeren aan het vrijetijdsaanbod beduidend lager ligt dan bij hun leeftijdsgenoten in het regulier onderwijs (vergelijking o.b.v. JOP Schoolmonitor 2018). Het contrast tussen OKAN-leerlingen en leerlingen in regulier onderwijs zonder migratieachtergrond is evenwel meer uitgesproken dan het contrast met leerlingen in het regulier onderwijs met migratieachtergrond. Van de OKAN-leerlingen ging 36% naar de activiteiten van een sport-, cultuur- of jeugdvereniging, bij reguliere leerlingen zonder migratieachtergrond is 66,9% lid van een dergelijke vereniging. Bij de leerlingen regulier onderwijs met een migratieachtergrond is dit 40%. Dit verschil is het meeste uitgesproken voor sportverenigingen.

7


Bij de jongeren die wel deelnemen aan activiteiten in verenigingsverband, verliep de toeleiding voornamelijk via twee kanalen: enerzijds via het informele netwerk van familieleden en vrienden/klasgenoten, anderzijds via actoren binnen de school zoals OKAN-leerkrachten, OKAN-coördinatoren …

Tevredenheid en noden vrijetijdsbesteding Nieuwkomers zijn merkelijk minder tevreden over de vrije tijd dan hun leeftijdsgenoten in het regulier secundair onderwijs. De meerderheid (71,4%) van de respondenten zou hun vrije tijd dan ook liever op een andere manier invullen. Ze verklaren dat ze zich vaak vervelen in de vrije tijd en 4 op 10 voelt zich vaak alleen. In de focusgroepen vertelden de jongeren ook dat ze als nieuwkomer in een onbekende wereld terecht komen waar men de taal niet spreekt en weinig vriendschappelijke contacten heeft, wat tot gevoelens van eenzaamheid en verveling kan leiden. De nieuwkomers hebben een duidelijke behoefte aan sociaal contact: circa 75% wenst meer plekken waar ze met vrienden kunnen samen zijn, terwijl zo’n 68% graag meer gelegenheden zou willen waar ze nieuwe mensen kunnen leren kennen. Verder vindt een meerderheid (64%) dat er meer informatie over het vrijetijdsaanbod zou moeten zijn. Tevens is er nood aan plekken om te sporten en aan beter (openbaar) vervoer naar plekken voor vrijetijdsbesteding. Er doen zich ook enkele markante verschillen voor binnen de OKAN-leerlingen met betrekking tot de tevredenheid en noden in de vrije tijd. Zo geven jongeren die in opvangcentra wonen vaker te kennen dat ze te weinig vrije tijd hebben. Zij geven ook veelvuldiger de wens aan voor beter (openbaar) vervoer naar plekken voor vrijetijdsbesteding.

Participatiedrempels Hoewel de redenen voor non-participatie aan vrijetijdsactiviteiten of aan het vrijetijdsaanbod divers zijn, komen bepaalde drempels zowel in de surveyresultaten als in de focusgroepen prominent naar voor. De taalbarrière vormt voor vele jongeren een belangrijke drempel voor zowel het beoefenen van activiteiten als voor het lidmaatschap van verenigingen. 40% van de jongeren die niet sporten stelt dat dit komt vanwege de taaldrempel. Eenzelfde percentage stelt niet bij een sportvereniging te gaan omdat ze het Nederlands nog niet voldoende machtig zijn. Ook voor jeugd- en culturele verenigingen blijft de taalbarrière prominent aanwezig. Tijdens de focusgroepen stelden jongeren daarnaast dat ze zich angstig of onzeker voelen door hun gebrekkige taalbeheersing en hierdoor ook angst hebben om vreemd te worden bevonden als anderstalige nieuwkomer. Sociale barrières en het gebrek aan sociale contacten vormen eveneens een drempel voor vrijetijdsparticipatie (bv. 25% sport niet omdat ze niemand kennen om mee te sporten). Daarnaast is er ook sprake van een informatietekort: jongeren weten niet waar ze bepaalde activiteiten kunnen beoefenen, of weten niet wat de activiteiten inhouden (bv. een kwart gaat niet naar een jeugdvereniging omdat ze niet weten wat dat is). De jongeren die wel naar clubs of verenigingen gingen, getuigden tijdens de focusgroep overigens wel dat dit sterk bevorderend was voor hun taalbeheersing en het uitbouwen van sociale relaties.

Beleidsimplicaties Gezien de positieve impact van (georganiseerde) vrijetijdsbesteding op integratie, welzijn en inclusie van jonge nieuwkomers, is het essentieel om te wijzen op de voordelen ervan voor deze doelgroep. Enerzijds

8


kan dit door jonge nieuwkomers en hun ouders of voogden wegwijs te maken in het aanbod, bv. aan de hand van brochures, en hen te wijzen op de positieve gevolgen van vrijetijdsbesteding. Anderzijds is het ook cruciaal dat aanbieders van vrijetijdsactiviteiten bewust worden gemaakt van de voordelen die vrijetijdsparticipatie kan hebben voor bv. de taalverwerving of het uitbouwen van een sociaal netwerk. Aanbieders kunnen daarbij ook gestimuleerd worden om hun activiteiten zo vorm te geven dat beheersing van het Nederlands geen noodzakelijke voorwaarde is voor deelname (of dit tenminste niet als dusdanig gepercipieerd worden door de jonge nieuwkomers). Omwille van de uitgesproken behoefte aan sociaal contact die uit de cijfers naar voren kwam, is het belangrijk om meer ontmoetingskansen tussen OKAN-leerlingen en leeftijdsgenoten (inclusief jongeren van buiten het OKAN) te creëren, zowel binnen als buiten de schoolmuren. Dit zou bijvoorbeeld kunnen via multisportpleintjes of vrij toegankelijke culturele of sociale ontmoetingsplaatsen, waar nieuwkomers op een laagdrempelige, toegankelijke manier kennis kunnen maken met het vrijetijdsaanbod. Omdat nieuwkomers zich het meest alleen voelden of verveelden in periodes buiten school (periode voor OKAN, zomervakantiemaanden), kan het voor aanbieders ook interessant zijn om te kijken op welke manier ze in die specifieke periode betekenisvolle activiteiten kunnen aanbieden voor deze doelgroep. Ten slotte is het belangrijk om te kijken welke initiatieven opgezet kunnen worden om precaire groepen zoals jongeren in asielcentra ook mee te krijgen naar het vrijetijdsaanbod. Informatieverstrekking is daarbij een eerste stap, maar ook een meer actieve toeleiding is wenselijk - ook via ouders, begeleiders en voogden - naast het voorzien van voldoende mogelijkheden om zich naar de locatie van het vrijetijdsaanbod te verplaatsen.

9


10


INLEIDING Hoewel migratie een fenomeen van alle tijden is, is de intensiteit van migratiestromen in recente jaren fors toegenomen. Voor België zien we bijvoorbeeld dat het aantal buitenlandse inwijkelingen bijna verdubbelde tussen 2000 en 2016, om in 2016 tot 108.630 immigraties te komen (Vlaamse Migratie en Integratiemonitor, 2018). Ook het aantal vluchtelingen en asielaanvragers steeg al sinds enkele jaren, maar vooral sinds 2015 werden we ons via schokkende beelden bewust van de grote aantallen van mensen die in de meest mensonwaardige omstandigheden hun land ontvluchten voor geweld, conflict en schendingen van mensenrechten. Ook in België voelden we de gevolgen van toenemende conflicten in de rest van de wereld en kenden we een sterke stijging van het aantal asielaanvragen. De Dienst Vreemdelingenzaken registreerde in 2015 in totaal 35.476 asielaanvragen, een verdubbeling tegenover 2014 en het hoogste aantal sinds 2000 (Ledoux, 2016). Wat de herkomstlanden van de migratiestromen betreft, vallen er eveneens veranderingen waar te nemen in de voorbije jaren. Zo kent België een toegenomen instroom uit nieuwe EU-lidstaten zoals Polen en Roemenië, en vanwege de vluchtelingencrisis sinds circa 2015 ook een instroom uit het Midden-Oosten en West-Aziatische landen (Myria – Federaal Migratiecentrum, 2017). De overgrote meerderheid van deze mensen was afkomstig uit Syrië, Afghanistan en Irak. Dat zijn ook nu nog de drie belangrijkste landen van oorsprong van asielaanvragers en vluchtelingen in België. Onder deze verhoogde migratiestromen naar België bevinden zich heel wat jonge (minderjarige) nieuwkomers. Zo was ongeveer 19% van de 48.786 nieuwkomers die in 2016 naar het Vlaams Gewest migreerden jonger dan 18 jaar (Vlaamse Migratie en Integratiemonitor, 2018). Deze jongeren bevinden zich vaak in een maatschappelijk kwetsbare positie: niet alleen is de migratie of vlucht op zich zeer stressvol, maar als anderstalige nieuwkomer komt men ook terecht in een onbekende omgeving waarvan men de taal of heersende conventies of gebruiken nog niet kent, en meestal opnieuw sociale netwerken moet uitbouwen. Dit aanpassingsproces kan eveneens veel stress met zich meebrengen. In deze context merken we op dat onderzoek reeds wees op de belangrijke rol die vrijetijdsbesteding kan spelen voor het welzijn en integratieproces van jongeren in migratie (Block & Gibbs, 2017; De Clerck et al., 2014; Stack & Iwasaki, 2009). Participatie aan het vrijetijdsaanbod is namelijk een manier om sociale contacten te leggen in het nieuwe land en om de fysieke en mentale gezondheid op te krikken. Tegelijk zien we dat nieuwkomers slechts in beperkte mate aansluiting vinden bij het vrijetijdsaanbod, vanwege verscheidene participatiedrempels die ze ondervinden (Block en Gibbs, 2017). Vanuit de jeugd-, sport- en cultuursector in Vlaanderen wordt de laatste jaren dan ook sterk ingezet op het verlagen van de drempels tot het vrijetijdsaanbod voor jongeren met een migratieachtergrond alsook het aanpassen van bestaand aanbod en het creëren van nieuw aanbod om aan de noden van deze doelgroep tegemoet te komen (bv. Masterplan diversiteit in het jeugdwerk). Tegelijkertijd werd ook duidelijk dat onderzoeksgegevens over jonge nieuwkomers en hun vrijetijdsbesteding bijzonder schaars zijn. Voorgaand onderzoek naar de vrije tijd van jonge nieuwkomers in Vlaanderen en België is voornamelijk op kwalitatieve data gebaseerd, waarbij het ontbreekt aan kwantitatieve en meer representatieve gegevens over dit thema. De huidige studie tracht aan deze leemte te beantwoorden door een mixed methods onderzoeksdesign toe te passen, met naast exploratieve focusgroepen tevens een grootschalige surveybevraging bij leerlingen in het OKAN-onderwijs (onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers) in Vlaanderen en Brussel. Er wordt meer specifiek onderzocht welke prioriteiten en verwachtingen of noden deze jongeren koesteren omtrent hun vrijetijdsbesteding en het vrijetijdsaanbod, evenals op welke manier zij hun vrije tijd effectief invullen.

11


Ook de context van vrijetijdsactiviteiten en toeleiders naar het georganiseerd aanbod komen aan bod. Daarnaast wordt gepolst naar de verschillende aspecten van tevredenheid omtrent de vrije tijd, evenals de problemen en participatiedrempels die deze jongeren ervaren met betrekking tot het vrijetijdsaanbod. Dit rapport start met een overzicht van relevante literatuur over vrije tijd en vrijetijdsbesteding van jongeren in migratie, waarna dieper wordt ingegaan op het verloop en de methode en het verloop van de bevraging. In de resultatensectie worden de data uit de survey beschreven, geanalyseerd en teruggekoppeld naar de focusgroepen. In het slotstuk vatten we de voornaamste bevindingen nog eens samen en formuleren we suggesties voor toekomstig surveyonderzoek bij anderstalige nieuwkomers.

12


VOORGAAND ONDERZOEK, THEORETISCH KADER EN AFBAKENING ONDERZOEK De betekenis van vrijetijdsbesteding voor jonge nieuwkomers Migratie is een zwaar en stressvol proces, met een vaak sterke impact op gezondheid, welzijn en de levenskwaliteit van de migranten (Derluyn, Mels & Broekaert, 2009; Stack & Iwasaki, 2009). Deze stressoren en invloeden doen zich niet alleen voor tijdens het migratietraject zelf maar ook bij aankomst in het nieuwe land (Vervliet et al., 2014). Ondanks de verschillen in de redenen voor migratie moet elke nieuwkomer in zijn of haar nieuwe thuisland omgaan met stressoren die verband houden met aanpassingsprocessen aan de nieuwe omgeving, wat deze nieuwkomers voor heel wat uitdagingen in het dagelijks leven stelt. Dit geldt eens te meer voor jonge nieuwkomers die een bijzonder kwetsbare groep vormen. Candappa en Igbinigie (2003) onderzochten zo de dagelijkse leefwereld van jonge vluchtelingen in Londen en vergeleken deze met die van hun leeftijdsgenoten. Daaruit bleek dat het vrijetijdsleven van jonge vluchtelingen sterk bepaald wordt door de sociale rollen en verantwoordelijkheden die ze meekrijgen en dragen. Jonge vluchtelingen krijgen vaak veel grotere verantwoordelijkheden ten aanzien van familie en huishouden toegewezen dan dat bij andere jongeren het geval is. Over het algemeen blijkt daarbij dat van deze jongeren een veel grotere mate van competentie en volwassenheid vereist wordt in hun dagelijks leven in vergelijking met dat van hun leeftijdsgenoten. Hoewel dit ook als een pluspunt kan beschouwd worden, betekent dit ook een extra druk op hun leefwereld en vrije tijd. Niet alleen omwille van de zware verantwoordelijkheden die jonge nieuwkomers vaak op zich moeten nemen wordt vrijetijdsbesteding al wel eens naar de achtergrond verschoven. De Clerck en collega's (2014) stelden in hun onderzoek bij jonge nieuwkomers in Vlaanderen vast dat vrijetijdsbesteding niet altijd als prioritair wordt gezien omdat voor hen het schoolse leren en het leren van de Nederlandse taal voorop staan. Ook de ouders van jonge nieuwkomers beschouwen vrijetijdsactiviteiten soms eerder als een luxeproduct, zeker als het gaat om activiteiten waar men minder vertrouwd mee is (zoals jeugdbewegingen). Desalniettemin wijzen meerdere studies op de positieve impact van vrijetijdsbesteding op onder meer gezondheid, welbevinden, leervaardigheden, integratie en sociale netwerken (Block & Gibbs, 2017; De Clerck et al., 2014; Stack & Iwasaki, 2009). Stack & Iwasaki (2009) toonden zo op basis van onderzoek bij Afghaanse vluchtelingen aan dat deelname aan het vrijetijdsaanbod een positieve impact had op hun sociale connecties met families en vrienden, maar ook vriendschap met niet-Afghaanse personen mogelijk maakte. Tevens vonden ze in hun onderzoek relaties met culturele rituelen, probleemoplossende vaardigheden, leren en interculturele interacties. Over het algemeen stelden ze vast dat engagementen in plezierige, doelgerichte en zinvolle vrijetijdsbesteding betekenisvol waren in het proces van overleven en dat deze gedijen tijdens het vaak stressvolle aanpassingsproces. De positieve impact van sociale steun bij vluchtelingenjongeren (Mels, Derluyn & Broekaert, 2008) en anderzijds het beperkte sociale netwerk van recent aangekomen migranten en vluchtelingen en het grote aantal sociale stressoren waarmee ze veelvuldig geconfronteerd worden in het nieuwe gastland (bv. sociale exclusie, discriminatie) (Vervliet et al., 2014) duiden op het enorme belang om in te zetten op het uitbreiden van hun sociaal netwerk en de bijhorende sociale steun. Activiteiten in de vrije tijd kunnen hier duidelijk een bron van zijn. In een recente studie van Block en Gibbs (2017) werd sport door de respondenten gezien als een middel om jonge mensen te helpen de cultuur van het nieuwe land te begrijpen en eraan deel te nemen, als een manier om gezondheid, welzijn, zelfrespect en zelfvertrouwen op te krikken en als een activiteit die bijdraagt

13


aan vaardigheden die de schoolloopbaan ondersteunen. De mogelijkheid om succes en beloning voor inspanning te ervaren, wat in een schoolcontext veel minder wordt ervaren door deze jongeren, werd zeer waardevol bevonden.

Voorgaand onderzoek naar vrijetijdsbesteding en participatie bij jonge nieuwkomers Ondanks de vele inspanningen vanuit onder meer het jeugdwerk, de cultuur- en sportsector blijkt dat jongeren in kwetsbare posities alsnog moeilijk de weg vinden naar het vrijetijdsaanbod. Participatie aan de samenleving is voor anderstalige nieuwkomers niet evident: zij moeten vaak volledig nieuwe sociale netwerken uitbouwen, in een onbekende omgeving de gekenmerkt wordt door een andere omgangstaal en andere maatschappelijke afspraken en conventies. Tegelijkertijd proberen nieuwkomers transnationale contacten en sociale contacten met familie en vrienden in het land van herkomst (en andere landen) te bestendigen. In meerdere studies worden verschillen in vrijetijdsbesteding tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond beschreven. Van den Broek en Keuzenkamp (2008) stellen bijvoorbeeld dat jongeren met een migratieachtergrond een smaller repertoire aan vrijetijdsactiviteiten hebben dan jongeren zonder migratieachtergrond. Wat betreft de georganiseerde vrijetijdsbesteding zouden jongeren met een migratieachtergrond sterker vertegenwoordigd zijn in doelgroepenverenigingen terwijl jongeren zonder migratieachtergrond dan weer vaker lid zouden zijn van een culturele, jeugd- of sportvereniging (Elchardus & Smits, 2012; Smits, Van Droogenbroeck & Spruyt, 2015; Van den Broek & Keuzenkamp, 2008). De JOPschoolmonitor 2013 laat inderdaad grote verschillen zien in participatie aan bepaalde verenigingen. Terwijl 40,2% van de jongeren zonder migratieachtergrond in een jeugdvereniging zat, bedroeg dit percentage voor de jongeren met een migratieachtergrond 25,4%. Daarnaast gaf 26,1% van de jongeren met een migratieachtergrond aan lid te zijn van een doelgroepbeweging. Uit het daaraan gekoppelde onderzoek naar cultuurparticipatie bleek dat jongeren met een migratieachtergrond tevens beduidend minder participeren aan het receptieve en het georganiseerde cultuuraanbod (Beunen, Siongers & Lievens, 2016). Ook Van den Broek & Keuzenkamp (2008) stelden vast dat jongeren met een migratieachtergrond minder culturele activiteiten ondernemen. Daarentegen werd binnen de amateurkunstbeoefening of de actieve participatie slechts voor twee disciplines een significant lagere participatiegraad gevonden, met name voor het bespelen van een muziekinstrument (niet voor zang) en voor fotografie. Beide vormen van cultuurparticipatie vragen om een hogere financiële investering dan andere vormen van participatie en bij beiden starten jongeren doorgaans pas met de beoefening hiervan na lessen in georganiseerd verband. Wat betreft de ongeorganiseerde vrijetijdsbesteding merken Elchardus en Smits (2012), Jokovi (2000) en Van den Broek en Keuzenkamp (2008) op dat jongeren met een migratieachtergrond vaker gaan winkelen, vaker deelnemen aan activiteiten als rondwandelen in de binnenstad en bezoeken van speeltuinen en meer tijd op informele wijze doorbrengen met vrienden en familie. Verschillende studies hebben zich tot slot gericht op de sportgerelateerde vrijetijdsbesteding van jongeren uit etnische minderheidsgroepen. Zowel in Vlaanderen (Elchardus & Smits, 2012) als internationaal (Walseth & Strandbu, 2014) geven studies aan dat jongeren met een migratieachtergrond in mindere mate

14


participeren aan sportverenigingen (Bradt et al., 2015). Uit data van de JOP-schoolmonitor 2013 blijkt dat sportverenigingen zowel bij jongeren met als zonder migratieachtergrond de meest populaire verenigingen zijn, al liggen de participatiecijfers voor jongeren met een migratieachtergrond (45,3%) wel iets lager dan jongeren zonder een migratieachtergrond (56,6%). Elling en Claringbould (2005) wijzen in dit verband op formele en informele uitsluitingsmechanismen die ervoor zouden kunnen zorgen dat jongeren uit etnische minderheidsgroepen niet langer kunnen of wensen te participeren. De data uit de JOP-schoolmonitor Antwerpen-Gent (2012) gaven aan dat jongeren waarvan minstens één van de ouders komt uit een nietEU15-land meer kans hadden om af te haken in vergelijking met leerlingen met ouders die niet behoren tot een etnisch-culturele minderheidsgroep (Bradt et al., 2015). De bevindingen duiden er met andere woorden op dat de lagere participatiecijfers niet enkel het resultaat zijn van een toegankelijkheidsprobleem, maar dat er ook elementen spelen binnen het aanbod die ervoor zorgen dat deze jongeren zich niet langer aangesproken voelen door de sportclub. Bij jonge vluchtelingen en asielzoekers blijkt de stap naar het vrijetijdsaanbod nog moeilijker. In het actieonderzoek van de Clerck et al. (2014) gaf nagenoeg iedereen van de betrokkenen aan dat er hiaten bestaan binnen de vrijetijdsmogelijkheden voor anderstalige nieuwkomers tussen 16 en 18 jaar. Een groot deel van deze nieuwkomers neemt amper deel aan georganiseerde vrijetijdsactiviteiten en geven hun sport of hobby op bij aankomst in België.

Toegankelijkheid van vrijetijdsaanbod Sociale verschillen in participatie blijken vaak typevoorbeelden van het zogenaamde Mattheuseffect waarbij sociaal kwetsbare groepen systematisch aan het kortste eind trekken en vooral diegenen die reeds participeren makkelijk te overhalen zijn om nog meer te participeren. Deze verschillen komen via allerhande wegen tot stand. Een deel ervan vloeit voort uit financiële drempels die te maken hebben met het lidgeld, de kostprijs van activiteiten en de uitrusting of de manier waarop dat alles betaald dient te worden (bv. het al dan niet kunnen gespreid betalen). Participatieonderzoek (meerdere bijdragen in Lievens, Siongers & Waege, 2015) leert dat drempels voor participatie lang niet alleen financiële drempels betreffen en dat deze vandaag zelfs minder bepalend zijn omdat vanuit de verschillende overheden en vrijetijdsinstanties maatregelen worden genomen om financiële drempels weg te nemen. Andere drempels zijn vaak meer bepalend. Een van die andere drempels is de informatiedrempel waarbij een gebrek aan informatie over het bestaande aanbod ervoor zorgt dat jongeren geen gebruik maken van het bestaande aanbod. Waarschijnlijk sterk onderschatte en in ieder geval zeer moeilijk te overwinnen drempels zijn de symbolische drempels waarbij onzekerheid of schaamte over de eigen leefsituatie uitmonden in het gevoel dat bepaalde vrijetijdsbestedingen niet voor ‘mensen zoals wij‘ zijn en aldus naar zelfuitsluiting leiden. Non-participatie omwille van deze drempels is niet het gevolg van een bewuste keuze maar veeleer het resultaat van een aangevoelde afstand tussen de eigen leefsituatie en het vrijetijdsaanbod. En in het geval van jongeren uit andere culturen betekent dit vaak ook dat het aanbod onvoldoende is afgestemd op hun interesses en culturele achtergrond. Ten slotte zijn er ook een aantal praktische drempels, zoals taalbarrières, mobiliteitsproblemen … Ook internationale studies naar sportparticipatie wijzen in dezelfde richting. Block en Gibbs (2017) vonden in hun onderzoek bij jonge vluchtelingen bevestiging voor een aantal drempels: te hoge financiële kosten, een gebrek aan culturele sensitiviteit in sportieve omgevingen, gebrek aan kennis van de reguliere

15


sportdiensten bij de jonge vluchtelingen en de beperkte toegang tot transport. Maar ook andere dan de doorgaans aangestipte drempels kwamen naar voor in hun studie: discriminatie, cultureel bepaalde geslachtsnormen en ouderlijke attitudes (bv. ouders die het belangrijk vinden dat hun kinderen zich zo veel mogelijk focussen op school) bleken eveneens participatie te belemmeren. Ook De Clerck en collega's (2014) stellen in hun actieonderzoek bij 16- tot 18-jarigen nieuwkomers vast dat een gebrekkige kennis van de Nederlandse taal en het ontbreken van transparante en laagdrempelige informatie vaak de drempel verhogen om deel te nemen aan het bestaande vrijetijdsaanbod. Ten slotte stippen De Clerck et al. (2014) aan dat te weinig wordt ingezet op het verbinden van de verschillende levensdomeinen van de nieuwkomers. Scholen en vrijetijdsactoren opereren zo bijvoorbeeld nog vaak te geïsoleerd van elkaar en tevens los van andere sectoren (bijvoorbeeld welzijn, werk/opleiding, integratie) die een rol spelen in de opvang en de sociale en maatschappelijke integratie van deze nieuwkomers. In hun rapport pleiten ze daarom voor een sterkere afstemming van het informele en formele leren op elkaar: dat wat in het formele (onthaal)onderwijs wordt aangeboden kan versterkt worden door wat in vrijetijdsinitiatieven, welzijnswerk … aan bod komt en omgekeerd. In dit onderzoek gaan we dieper in op de vrijetijdsbesteding van jongeren in het OKAN-onderwijs (onthaalklassen voor anderstaligen). Er wordt hierbij meer specifiek gekeken naar de participatiedrempels naar het (georganiseerde) vrijetijdsaanbod toe, evenals de tevredenheid en verwachtingen omtrent de vrijetijdsbesteding en het vrijetijdsaanbod. Waar er reeds kwalitatief onderzoek rond dit onderwerp werd verricht in Vlaanderen, biedt deze studie een meerwaarde doordat er met een grootschalige surveybevraging wordt gewerkt. Waar eerdere studies rond deze thematiek eerder kleinschalig waren, wensen we met dit onderzoek tot een meer representatief beeld te komen van de vrijetijdsbesteding van jonge nieuwkomers in Vlaanderen.

16


ONTHAALKLASSEN VOOR ANDERSTALIGE NIEUWKOMERS (OKAN) Alle kinderen tussen 6 en 18 jaar die in België verblijven moeten voldoen aan de leerplicht, inclusief kinderen met een andere nationaliteit (Onderwijs Vlaanderen, z.d.). Deze kinderen zijn leerplichtig vanaf de 60ste dag na hun inschrijving in het vreemdelingenregister, het wachtregister of het bevolkingsregister van de gemeente. Ook kinderen zonder officiële verblijfspapieren hebben het recht om ingeschreven te worden in een school. Aangezien anderstalige nieuwkomers vaak het Nederlands nog niet genoeg beheersen om in het regulier onderwijs te starten, bestaan er in het secundair onderwijs onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers (OKAN). Het OKAN-onderwijs biedt een onthaaljaar met als voornaamste doelen het verwerven van het Nederlands evenals de integratie en inburgering van anderstalige nieuwkomers (Onderwijs Vlaanderen, 2006). De lesuren staan dan ook grotendeels in het teken van taalverwerving: de 28 tot 32 wekelijkse lesuren zijn volledig aan het leren van het Nederlands gewijd, met uitzondering van vier vrij te besteden uren en de uren gewijd aan godsdienst, niet-confessionele zedenleer of eigen cultuurbeschouwing. Naast taalverwerving en inburgering ontfermt het OKAN-onderwijs zich ook over de opvolging van het verdere traject in het vervolgonderwijs. Het onthaalonderwijs wordt georganiseerd door een of meer secundaire scholen binnen een scholengemeenschap (in het laatste geval treedt een van de scholen als contactschool op), of door een voltijdse secundaire school die niet tot een scholengemeenschap hoort (Onderwijs Vlaanderen, 2006). Wat de toelatingsvoorwaarden voor het OKAN-onderwijs betreft, wordt een leerling als anderstalige nieuwkomer gezien als hij/zij beantwoordt aan volgende volwaarden: 1) Op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar minstens 12 jaar en jonger dan 18 jaar zijn; 2) Maximaal één jaar ononderbroken in België blijven (m.a.w. een nieuwkomer zijn); 3) Niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal hebben; 4) Onvoldoende de onderwijstaal beheersen om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen; 5) Maximaal negen maanden ingeschreven zijn (vakantiemaanden in juli/augustus niet inbegrepen) in een school met Nederlands als onderwijstaal. Daarnaast kunnen anderstalige nieuwkomers die officieel verblijven in een open asielcentrum, en die op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar minstens 12 jaar en jonger dan 18 jaar zijn, ook als regelmatige leerlingen in het OKAN-onderwijs toegelaten worden. Er bestaan afwijkingsmogelijkheden van deze voorwaarden op het vlak van leeftijd, verblijfsduur en schoolloopbaan in het Nederlandstalig onderwijs. De bevoegdheid om van deze voorwaarden af te wijken ligt in dat geval bij de toelatingsklassenraad. Qua aantal leerlingen in het OKAN-onderwijs valt er sinds 2007-2008 een stijging waar te nemen: waar het aantal OKAN-leerlingen in Vlaanderen en Brussel in het schooljaar 2011-2012 nog 3.152 was, lag dit aantal in juli van het schooljaar 2017–2018 reeds op 4353 (AGODI, 2016, 2019). Volgens recente cijfers van AGODI (2019) waren er in februari 2019 in Vlaanderen en Brussel 4.298 OKAN-leerlingen.

17


METHODE De dataverzameling bestond uit een reeks voorbereidende focusgroepen met OKAN-leerlingen, evenals een kwantitatieve survey in OKAN-scholen in het secundair voltijds onderwijs. De kwantitatieve bevraging van de leerlingen gebeurde via een digitale enquête, die tijdens schoolbezoeken werd afgenomen in de periode oktober-december 2018. In dit stuk van het rapport wordt dieper ingegaan op de verschillende aspecten van de dataverzameling, namelijk de exploratieve focusgroepen, het ontwikkelen en afnemen van de vragenlijst, evenals de uiteindelijke respons die de bevraging genereerde.

Kwalitatief luik: focusgroepen met leerlingen in het OKAN-onderwijs In de periode mei-juni 2018 werd een reeks exploratieve focusgroepen met OKAN-leerlingen georganiseerd. Het betrof negen focusgroepen, telkens met zes à zeven OKAN-leerlingen, waarbij variatie naar leeftijd en geslacht werd nagestreefd (zie tabel 1). De focusgroepen vonden plaats in drie scholen, waarvan twee in een grootstad gelegen waren en een in een centrumstad. In totaal namen 55 leerlingen van zeer diverse origine deel aan de focusgroepen. Naast de groepsinterviews met leerlingen die het Nederlands al voldoende machtig waren, werden er ook focusgroepen in het Arabisch, Frans en Pashto georganiseerd, waarbij de leerlingen in hun moedertaal konden converseren. In deze groepsgesprekken gingen we met de jonge nieuwkomers voornamelijk in op de invulling van hun vrijetijdsbesteding, de moeilijkheden of participatiedrempels die ze ervaarden met betrekking tot het vrijetijdsaanbod en hun verwachtingen omtrent vrijetijdsbesteding. Bij de focusgroepen werd gebruikt gemaakt van een topiclijst met de belangrijkste vragen (zie bijlage 2). Deze vragenlijst fungeerde steeds als een soort leidraad waarvan afgeweken kon worden om dieper in te gaan op bepaalde onderwerpen. De informatie die voortkwam uit deze gesprekken diende als uitgangspunt voor het opstellen van de vragen over participatiedrempels, toeleiders naar het vrijetijdsaanbod, e.d. Daarnaast werd ook de vragenlijst van de JOP-schoolmonitor 2 (2018) als een referentiepunt gebruikt bij het opstellen van de vragenlijst.   Tabel 1: Socio-demografische samenstelling van de focusgroepen (n = 55)

18

Aantal Taal van lln. focusgroep

Landen van herkomst

Locatie van school

1

6

Arabisch

Syrië, Libanon, Marokko

Centrumstad Gemengd

Gemengd

2

5

Pashto

Afghanistan

Grootstad

Gemengd

Gemengd

3

6

Frans

Congo, Guinee, Kameroen

Centrumstad Gemengd

Gemengd

4

6

Nederlands Bulgarije, Brazilië, Ghana, Palestina, Turkije

Centrumstad Gemengd

Gemengd

5

7

Nederlands Afghanistan, Albanië, Polen

Grootstad

Gemengd

Gemengd

6

6

Nederlands Bangladesh, Marokko, Oekraïne, Thailand

Grootstad

Gemengd

Gemengd

7

7

Nederlands Afghanistan, Albanië, Armenië, Griekenland, Thailand, Turkije

Grootstad

Gemengd

Gemengd

8

6

Nederlands Afghanistan, Ghana, Marokko, Grootstad Turkije

Gemengd

Gemengd

9

6

Nederlands Bangladesh, Cuba, Oekraïne, Pakistan, Polen

Gemengd

Gemengd

Grootstad

Leeftijdssamenstelling

Geslachtssamenstelling


Kwantitatief luik: survey bij leerlingen in het OKAN-onderwijs Het hoofdonderzoek bestond uit een survey die via een tablet bij leerlingen in een dertigtal OKAN-scholen werd afgenomen. We lichten hieronder de methode van dataverzameling, de steekproeftrekking en respons gedetailleerd toe.

METHODE VAN DATAVERZAMELING EN MEETINSTRUMENT Op basis van de exploratieve focusgroepen werd de vragenlijst voor de kwantitatieve bevraging opgesteld (zie bijlage 3). Inhoudelijk kan deze vragenlijst in vier grote delen opgesplitst worden. Een eerste reeks vragen peilde voornamelijk naar socio-demografische kenmerken, teneinde een zicht te krijgen op de samenstelling van de jongeren die de vragenlijst invulden. Vervolgens kregen de leerlingen vragen over hun vrijetijdsactiviteiten, waarbij meer specifiek gevraagd werd hoe vaak de respondent bepaalde vrijetijdsactiviteiten had gedaan in de voorbije maand. Deze werden gevolgd door een derde blok vragen over participatiedrempels, de context van vrijetijdsactiviteiten en de toeleiders naar het vrijetijdsaanbod. Het laatste deel vragen betrof dan weer de tevredenheid omtrent de vrijetijdsbesteding en het vrijetijdsaanbod, evenals de wensen en verwachtingen omtrent vrijetijdsbesteding- en aanbod naar de toekomst toe. Voor de dataverzameling werd gewerkt met een digitale vragenlijst (geprogrammeerd via Qualtricssoftware) die tijdens de schoolbezoeken werd afgenomen. Tijdens de eerste weken gebeurde dit online op tablets of computers van de scholen zelf. Daarna werd de vragenlijst steeds met een offline Qualtricsapplicatie op tablets afgenomen (deze applicatie was in de eerste weken van het veldwerk nog niet beschikbaar). Vergeleken met een schriftelijke enquête is het voordeel van een digitale survey dat deze toelaat om vragen aan te passen aan de specifieke situatie van de respondent (bv. leerlingen die aangaven in een sportclub te zitten kregen een vervolgvraag over de toeleider naar deze sportclub, terwijl leerlingen die aangaven niet in een sportclub te zitten dan weer een vraag kregen over de reden waarom ze niet bij een sportclub zitten). Daarnaast liet het werken met Qualtrics-software ook toe om de vragenlijst te programmeren in verschillende talen, waarbij de leerlingen tijdens afname van de vragenlijst steeds van de ene naar de andere taal konden switchen. De vragenlijst werd geprogrammeerd in veertien talen1, waardoor een meerderheid van de bevraagde leerlingen de vragen kon beantwoorden in een taal die ze machtig was. Naast de gewone schriftelijke vragenlijst was er voor de ongeletterde en minder geletterde leerlingen ook een versie met audio-ondersteuning (voor de talen Arabisch, Pashto en Somalisch). Het dient echter wel opgemerkt te worden dat het gebruik van deze audio-vragenlijst vaak moeilijk verliep vanwege de lengte van de vragen en de complexiteit van bepaalde vragen (zie verder). De vragenlijst werd steeds in het bijzijn van de onderzoeker afgenomen in de OKAN-klassen. Tijdens het ondersteunen en begeleiden van leerlingen werd de onderzoeker meestal bijgestaan door een of meerdere leerkrachten. Daarnaast werd de onderzoeker tijdens verschillende schoolbezoeken ook bijgestaan door een extra medewerker. Leerlingen mochten elkaar ook helpen bij het verduidelijken en/of vertalen van vragen. Vooral voor leerlingen die de vragenlijst niet in hun eigen taal beschikbaar hadden, was het makkelijker om deze te laten samenwerken met een taalgenoot die wel een van de beschikbare talen machtig was.

1 De vragenlijst was beschikbaar in volgende talen: Nederlands, Frans, Engels, Arabisch, Pashto, Dari, Somalisch, Spaans, Portugees, Roemeens, Pools, Bulgaars, Turks en Italiaans.

19


Om na te gaan of de leerlingen de vragenlijst ook volledig begrepen hadden, werd op het einde een verificatievraag toegevoegd waarbij de begeleider diende aan te geven in welke mate de respondent de vragenlijst had begrepen. Het ging om een kort tekstvak waarin de begeleider aangaf tot welk punt in de vragenlijst de respondent de vragen had begrepen (het tweede deel van de vragenlijst was complexer dan het eerste deel van de vragenlijst). Vooral voor leerlingen die de vragenlijst niet in hun eigen taal konden invullen, was het belangrijk om dit op te volgen en te registreren in welke mate ze de vragen in de survey effectief hadden begrepen. Deze leerlingen werden gewoonlijk bijgestaan door een begeleider of leerkracht, die dan ook kon aangeven tot welk punt het beantwoorden van de vragen was gelukt, en welke vragen wel of niet begrepen waren door de leerling. Deze verificatievraag werd aan de vragenlijst toegevoegd nadat er tijdens de eerste schoolbezoeken werd vastgesteld dat sommige leerlingen de vragenlijst beantwoordden zonder deze volledig te begrijpen. Voor de analyses werd op basis van deze verificatie achteraf dan een opdeling gemaakt tussen de respondenten die de vragenlijst volledig, deels of helemaal niet hadden begrepen. De methodologische beperkingen van dit onderzoek, evenals suggesties voor toekomstige bevragingen bij OKAN-leerlingen worden besproken in paragraaf 7.

STEEKPROEF EN RESPONS Voor deze bevraging werden op basis van een gestratificeerde toevalsteekproef 30 scholen geselecteerd uit een totaal van 78 OKAN-vestigingsplaatsen. Bij het trekken van deze steekproef werd met twee kenmerken rekening gehouden: 1) de grootte van de gemeente waar de school gevestigd is (waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen grootstad, centrumstad en buitenstedelijk gebied), 2) de aanwezigheid van een opvangcentrum voor asielaanvragers in de buurt van de school, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen scholen die op meer of minder dan 10 kilometer van een opvangcentrum gelegen zijn (deze werd gebaseerd op gegevens uit februari 2018). De steekproef werd zodanig geselecteerd dat de verdeling van deze kenmerken overeenkwam met deze in de gehele populatie van OKAN-scholen (zie tabel 2). Van de 30 scholen in de steekproef weigerde één school deel te nemen. Deze werd vervangen door een random geselecteerde school uit een reservesteekproef die ‘matchte’ op de twee stratificatiekenmerken.

Tabel 2: Steekproef (weergegeven tussen haakjes) en totale populatie van OKAN-vestigingsplaatsen, opgedeeld naar stratificatiecriteria

20

Grootstad Centrumstad (Antwerpen, Gent, Brussel)

andere

Totaal

School op minder dan 10 km van opvangcentrum

13 (5)

11 (4)

19 (7)

43 (16)

School op meer dan 10 km van opvangcentrum

6 (3)

13 (5)

16 (6)

35 (14)

Totaal

19 (8)

24 (9)

35 (13)

78 (30)


De respons van de leerlingen resulteerde in 1.074 bruikbare vragenlijsten. Aanvankelijk vulden 1.222 OKANleerlingen de vragenlijst in, waarvan er 1074 effectief bruikbaar waren. Voor de analyses werd enkel gewerkt met vragenlijsten van respondenten die de vragenlijst ten minste tot aan de vragen over de vrijetijdsactiviteiten hadden begrepen. Als we de respons opsplitsen per deel van de vragenlijst, zien we dat 1.074 vragenlijsten minstens betrouwbaar werden ingevuld tot de vragen over vrijetijdsactiviteiten, 1.000 tot minstens de participatiedrempels en 952 volledig bruikbaar zijn. Bij leerlingen die de vragenlijst niet in hun eigen taal hadden werd dan zoveel mogelijk opgevolgd tot waar ze de vragen effectief begrepen hadden.

21


RESULTATEN

Socio-demografisch profiel Om een beeld te krijgen van de leerlingen die de vragenlijst invulden, wordt in deze paragraaf de sociaaldemografische samenstelling van de respondenten besproken. Er wordt hierbij onder andere gekeken naar leeftijd- en genderverdeling, regio van herkomst, gezins- en woonsituatie. Wat de leeftijdsverdeling betreft toont figuur 1 dat de leeftijdsgroep 14- tot 16-jarigen het grootst is (samengenomen 48,5% van de respondenten), gevolgd door de groep 11- tot 13-jarigen (33%) en de groep van 17 jaar en ouder (18,5%). Qua genderverdeling (figuur 2) stellen we vast dat de jongens 56,1% vertegenwoordigen en de meisjes 43,9%. De genderverhouding verschilt hierin enigszins met die bij nietOKAN leerlingen, waar ze evenwichtiger is. Om deze genderverdeling enigszins te nuanceren, is het nuttig om deze ook te splitsen per leeftijdscategorie. Zoals figuur 3 weergeeft, tekenen er zich toch enkele opvallende leeftijdsverschillen af inzake geslachtsverdeling, met een steeds hoger aandeel jongens naarmate de leeftijdscategorie hoger is. Voor de jongste leeftijdscategorie van 11-13-jarigen is de genderverhouding duidelijk evenwichtiger (50,9% jongens en 49,1% meisjes), terwijl voor de oudere leeftijdsgroepen het aandeel meisjes steeds lager ligt. Voor de groep 14-16 jarigen bedraagt het percentage meisjes 43,8%, terwijl dit voor de groep van 17 jaar en ouder nog slechts 34,7% is.

Figuur 1: Leeftijdsverdeling respondenten (n = 1072) 20%

18,8%

17,8% 15,2%

15%

15,5% 13,2%

11,3% 10%

4,7%

5% 3,0% 0%

22

0,6% 11 jaar

12 jaar

13 jaar

14 jaar

15 jaar

16 jaar

17 jaar

18 jaar

18+


Figuur 2: Geslachtsverdeling respondenten (n = 1074) 60%

56,1%

50% 43,9% 40% 30% 20% 10%

jongen meisje

0%

Figuur 3: Geslachtsverdeling naar leeftijd (n = 1057)

17j en ouder

11j - 13j

49,1%

50,9%

0%

20%

meisje

43,8%

56,2%

14j - 16j

jongen

34,7%

65,3%

40%

60%

80%

100%

Figuur 4 toont het aandeel leerlingen per regio van herkomst (op basis van geboorteland). Leerlingen afkomstig uit het Midden-Oosten vormen de grootste groep, met 23,5% die afkomstig zijn uit deze landen. De verschillende Europese landen zijn samen genomen goed voor 34,7% van alle leerlingen in de dataset. Als we deze opsplitsen naargelang de specifieke regio binnen Europa, stellen we vast dat de Oost-Europese landen de grootste groep vormen (14% van alle respondenten), gevolgd door Zuid-Europa (9%) en de Balkanlanden (8,2%). De groep leerlingen uit Noord- en West-Europa is dan weer de kleinste met 3,5%. Het valt hierbij ook op dat, wanneer we specifiek naar het aantal leerlingen uit EU-lidstaten kijken, deze samengenomen 29,1% van de respondenten omvatten. Verder zien we dat een aanzienlijk deel

23


van de leerlingen afkomstig is uit Sub-Sahara-Afrika en Azië, met respectievelijk 17,0% en 14,7% van alle respondenten. De groep leerlingen afkomstig uit Noord-Afrika en het Amerikaans continent (Noord- en Latijns-Amerika en Caraïben) is dan weer kleiner, met respectievelijk 3,6% en 6,5% van de leerlingen. Als we specifiek naar de landen van herkomst kijken, stellen we vast dat een groot deel van de leerlingen afkomstig is uit Syrië (10,8%), Afghanistan (9%), Roemenië (7,4%), Bulgarije (5,1%) en Somalië (5,1%), gevolgd door Irak (4,9%), Spanje (3,7%), Marokko (2,8%), Turkije (2,8%), Ghana (2,8%), Polen (2,7%) en Palestina (2%

Figuur 4: Frequentieverdeling regio's van herkomst (n = 1009)2 3 25%

23,5%

20% 17,0% 14,7%

15%

14,0%

10%

9,0%

8,2%

3,6%

3,5%

Noord- en West-Europa

5%

Noord-Afrika

6,5%

Amerika

Balkan

Zuid-Europa

Oost-Europa

Azië

Sub-saharisch Afrika

Midden-Oosten

0%

De OKAN-leerlingen werd ook gevraagd hoe lang zij reeds in België verbleven (weergegeven in figuur 5). De groep jongeren die een maand tot 6 maand in België wonen, vormt met zo’n 43,8% de grootste groep, gevolgd door degenen die reeds 6 maand tot 1 jaar in België zijn (27,1%). Daarnaast geeft 21,4% aan al langer dan een jaar in België te wonen, met respectievelijk 15,8% en 5,6% die aangeven een jaar tot twee jaar of langer in België te wonen. Verder telt de groep die nog maar minder dan een maand in België verblijft zo’n 7,7% van de leerlingen. 2 Opdeling van landen naargelang regio: - Azië: Afghanistan, Armenië, Azerbeidzjan, China, Filippijnen, Georgië, India, Indonesië, Japan, Kazachstan, Kirgizië, Myanmar, Nepal, Pakistan, Thailand, Vietnam, Zuid-Korea; - Midden-Oosten: Iran, Irak, Jemen, Libanon, Palestina, Saoedi-Arabië, Syrië, Turkije, Verenigde Arabische Emiraten; - Amerika: Bolivia, Brazilië, Canada, Chili , Costa Rica, Colombia, Cuba, Dominicaanse Republiek, Ecuador, El Salvador, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Paraguay, Peru, Venezuela, Verenigde Staten; - Noord- en West-Europa: België, Duitsland, Frankrijk, Finland, Ierland, Nederland, Verenigd Konikrijk; - Oost-Europa: Hongarije, Moldavië, Oekraïne, Polen, Roemenië, Rusland, Slowakije, Wit-Rusland; - Zuid-Europa: Griekenland, Italië, Portugal, Spanje; - Balkan: Albanië, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Kosovo, Kroatië, Macedonië, Servië; - Sub-Sahara Afrika: Angola, Burkina Faso, Burundi, Democratische Republiek Congo, Eritrea, Ethiopië, Gambia, Ghana, Guinee, Ivoorkust, Kaapverdië, Kameroen, Kenia, Mauritanië, Mozambique, Nigeria, Republiek Congo, Rwanda, Sierra Leonne, Senegal, Soedan, Somalië, Tanzania, Togo, Zuid-Afrika 3 Opmerking: Naast de 1.009 respondenten die effectief hun geboorteland hadden aangegeven, gaven er ook 37 aan in een ander land te zijn geboren dan die in de antwoordopties, zonder te specifiëren om welk land het dan precies ging. Daarnaast gaven 2 leerlingen aan niet te weten in welk land ze geboren waren.

24


Figuur 5: Tijd reeds in België (n = 1060) 50% 43,8% 40%

30%

27,1%

20%

10%

0%

15,8% 7,7%

minder dan 1 maand

5,6%

1 maand tot 6 maanden

6 maanden tot 1 jaar

1 tot 2 jaar

meer dan 2 jaar

Om zicht te krijgen op de gezinssituatie van de OKAN-leerlingen, werd hen gevraagd met welke personen zij samenwoonden. Tabel 3 geeft de verschillende gezinssituaties van de bevraagde jongeren weer. Deze cijfers tonen dat een vrij grote meerderheid van de jongeren met minstens één van de ouders samenwoont: 54,9% van de leerlingen geeft aan met beide ouders samen te wonen, terwijl 27,1% met enkel één ouder samenwoont. De respondenten die zonder ouders wonen, maken samen dan weer 18% van de respondenten uit. Deze groep van niet-begeleide jongeren bestaat meer specifiek uit degenen die helemaal alleen wonen (5% van alle respondenten), degenen die zonder ouders maar met broers of zussen wonen (2,8%), degenen die zonder ouders of broers/zussen maar wel met andere familieleden wonen (5,1%), degenen die in een pleeggezin wonen (3,3%), en degenen die met iemand anders dan pleegouders of familieleden samen wonen (1,1%). Verder werd de leerlingen gevraagd waar ze precies woonden, waarbij de antwoordopties bestonden uit een huis/appartement, een opvangcentrum en een restcategorie. Het valt op dat een aanzienlijke meerderheid (91,2%) aangaf in een huis of appartement te wonen, terwijl slechts 7,2% aangaf in een opvangcentrum te verblijven. Gezien de instroom uit conflictgebieden is dit laatste percentage lager dan men zou verwachten - een verklaring voor dit lage percentage is mogelijks dat er een hoger percentage onbruikbare enquêtes was onder jongeren komende uit conflictgebieden omwille van de hogere graad van ongeletterdheid onder deze groep. Hierdoor zouden deze jongeren minder vertegenwoordigd kunnen zijn in de cijfers. Daarnaast is het ook mogelijk dat een deel van de jongeren die aanvankelijk in opvangcentra verbleven tegen het moment van bevraging reeds naar andere opvangvormen waren doorgestroomd. Als we kijken naar het aantal niet-begeleide minderjarigen – minderjarigen die zonder (één van) hun ouders verblijven in België – zien we dat deze 11,9% van de totale steekproef uitmaken.

25


Tabel 3: Frequenties gezinssituaties (n = 1061) Gezinstype

%

Woont met één ouder (al dan niet met broers, zussen of anderen)

27,1%

Woont met beide ouders (al dan niet met broers, zussen of anderen)

54,9%

Woont alleen

5,0%

Woont met broers en/of zussen, zonder ouders

2,8%

Woont met andere familie

5,1%

Woont in pleeggezin

3,3%

Woont met iemand anders

1,7%

Tabel 4: Frequenties verblijfplaatsen (n = 1066) Verblijfplaats

%

In een huis of appartement

91,2%

In een opvangcentrum

7,2%

Ergens anders

1,6%

Prioriteiten en verwachtingen omtrent vrijetijdsbesteding Vooraleer we de effectieve vrijetijdsbesteding van de OKAN-leerlingen bespreken, lichten we eerst hun verwachtingen en prioriteiten omtrent hun vrijetijdsbesteding toe. Wat jongeren doen in hun vrije tijd en hoe tevreden ze hierover zijn, wordt immers in sterke mate bepaald door de verwachtingen die ze hieromtrent hebben. In de vragenlijst kregen de respondenten in dat verband vragen over waar zij eigenlijk vooral of het liefst hun vrije tijd aan zouden willen besteden. De resultaten hiervan zijn terug te vinden in figuur 6.

Figuur 6: Prioriteiten vrijetijdsbesteding: frequenties (n = 909) Nederlands leren

5,1%

15,7%

79,2%

Nieuwe dingen leren kennen

5,5%

15,9%

78,5%

Beter worden in iets

4,4%

17,3%

78,2%

Tijd voor mezelf hebben

5,8%

Samen met vrienden zijn

6,6%

22,2%

71,2%

Actief zijn

6,3%

22,8%

70,9%

Rusten, ontspannen

6,8%

25,1%

68,1%

Anderen helpen

7,5%

25,4%

67,1%

19,5%

19,1%

Mijn zorgen vergeten

0%

74,7%

27,5% 20%

53,5% 40%

60% niet akoord

26

80% tussen beide

100% akkoord


Nederlands leren blijkt één van de voornaamste prioriteiten te zijn in de vrijetijdsbesteding van de nieuwkomers: 79,2% van de bevraagde leerlingen geeft aan in zijn/haar vrije tijd vooral Nederlands te willen leren. Ook in de groepsgesprekken met OKAN-leerlingen werd het leren van Nederlands als een prioriteit gezien. Nederlands spreken werd vaak als een voorwaarde beschouwd om zelfstandig te zijn en te kunnen participeren aan vrijetijdsactiviteiten. Het leren van de taal als activiteit op zich wordt vaak belangrijker gevonden dan andere vrijetijdsactiviteiten. Zoals verder in het rapport wordt besproken, vormt het nog niet voldoende beheersen van de taal immers vaak een drempel naar het vrijetijdsaanbod. Verder zien we dat de OKAN-leerlingen in hun vrije tijd vooral nieuwe zaken willen ontdekken en hun talenten en vaardigheden willen ontwikkelen. Zo wil 78,5% van de respondenten in de vrije tijd vooral nieuwe dingen leren kennen, terwijl 78,2% aangeeft beter te willen worden in een bepaald iets in de vrije tijd. Ook geeft ongeveer drie kwart van de leerlingen aan dat ze in hun vrije tijd voornamelijk tijd voor zichzelf willen hebben. Veel van deze zaken kwamen ook terug in de focusgroepen: zich verdiepen in een hobby evenals tijd voor zichzelf hebben, bleken belangrijke aspecten van de vrije tijd voor de OKANleerlingen. In verband met dit laatste gaven de leerlingen ook dikwijls aan dat vrije tijd voor hen vooral de tijd betekende die niet werd ingenomen door schoolse of door ouderlijke/familiale verplichtingen (huiswerk en thuis helpen werden enkel als vrije tijd gezien indien het effectief een eigen keuze was, of indien deze activiteiten bijdroegen aan de zelfontwikkeling). In het algemeen definieerden zij ‘vrije tijd’ als de tijd waarvan zij zelf de invulling konden bepalen, los van schoolse of familiale verplichtingen. Eén van de leerlingen die naar een tekenacademie ging, beschreef wat deze vrijetijdsactiviteit voor hem betekende als volgt:

“Ik ga daar omdat ik echt graag teken, dingen maak, huizen teken, dat soort zaken. Ik ga naar daar, ik neem mijn tijd, ik doe wat ik zelf wil doen. Ik ben daar niet omdat mijn ouders zeggen dat ik dat moet doen, ik wil gewoon wat vaker het huis uit om meer vrienden te maken en op mijn gemak te zijn bij anderen.” - Jongen, 12 jaar, afkomstig uit Congo Een andere leerling, die volleybalde, beschreef wat deze hobby voor haar betekende als volgt:

“(…) volleybal doe ik graag omdat ik de kans krijg om het huis uit te zijn, er zijn geen kinderen, er zijn geen ouders die me zeggen wat te doen, dus ik ben echt vrij en je leert ook mensen kennen, je leert in een club te spelen en zo. Je leert hoe samen te werken als team.” - Meisje, 16 jaar, afkomstig uit Kameroen Over het algemeen zijn de prioriteiten van de OKAN-leerlingen omtrent wat ze willen doen met hun vrije tijd best gevarieerd. Enerzijds zien we dat ongeveer 71% van de leerlingen in hun vrije tijd liefst actief wil zijn, terwijl zo’n 68% in hun vrije tijd vooral wil rusten en ontspannen. Ook wil 71% de vrije tijd

27


voornamelijk met vrienden doorbrengen (zoals ook geïllustreerd werd in bovenstaande citaten), en stelt 67% vooral anderen te willen helpen in hun vrije tijd. Verder valt het ook op dat, in vergelijking met de andere items, het percentage respondenten dat aangeeft zijn/haar zorgen te willen loslaten in de vrije tijd relatief laag ligt (53,5%). Er werd ook nagegaan of er verschillen in prioriteiten waren tussen leerlingen naargelang hun achtergrond. Zo werd nagegaan of er verschillen bestonden naargelang jongeren al dan niet uit conflictgebieden of landen met een hoog percentage vluchtelingen afkomstig waren.4 Een markant verschil is dat voor jongeren afkomstig uit conflictgebieden “tijd voor zichzelf hebben” minder prioritair lijkt te zijn dan voor jongeren die niet uit conflictgebieden (en vaak ook uit Europese of meer Westerse landen) komen. 65,4% van de leerlingen uit conflictgebieden vindt het belangrijk om in de vrije tijd ook tijd voor zichzelf te hebben, terwijl bij de andere leerlingen 79,3% vooral tijd voor zichzelf wil hebben in de vrije tijd. In deze context valt het ook op te merken dat jongeren uit conflictgebieden vaker dan andere leerlingen in de vrije tijd ook anderen willen helpen (respectievelijk 70% en 65,4%). Daarnaast zien we ook dat jongeren die in opvangcentra wonen eveneens minder vaak aangeven tijd voor zichzelf te willen hebben: 62% van jongeren in opvangcentra wil vooral vrije tijd voor zichzelf hebben, vergeleken met 75,5% van jongeren die niet in een opvangcentrum wonen. Ook blijken Nederlands leren en actief zijn een iets grotere prioriteit in de vrijetijdsbesteding voor leerlingen die uit een conflictgebied afkomstig zijn. Zo stelt 84,1% van de jongeren die uit een conflictgebied komen vooral Nederlands te willen leren in de vrije tijd (in tegenstelling tot 76,7% van de studenten niet afkomstig uit een conflictgebied) en geeft 75,2% van deze jongeren aan actief te willen zijn in de vrije tijd (69,5% bij de andere studenten). Verder zien we ook dat de leerlingen die in een opvangcentrum wonen minder vaak aangeven nieuwe dingen te willen leren kennen in hun vrije tijd in vergelijking met leerlingen die niet in een opvangcentrum wonen (respectievelijk 70,8% en 78,9%). Daarnaast werd onderzocht of er significante genderverschillen bestonden op vlak van prioriteiten in vrijetijdsbesteding. Opmerkelijk is dat voor meisjes anderen helpen, samenzijn met vrienden en rusten of ontspannen meer prioritair zijn dan voor jongens. We zien bijvoorbeeld dat 73,1% van de meisjes vooral wil rusten/ontspannen in de vrije tijd (in tegenstelling tot 63,2% van de jongens), terwijl 71,1% liefst anderen wil helpen (63,4% bij de jongens) en 75,1% vooral wil samen zijn met vrienden in de vrije tijd (68,2% bij jongens). Een kleiner (maar wel significant) genderverschil zien we voor Nederlands leren als prioriteit binnen de vrijetijdsbesteding, met 81,2% van de meisjes en 78,1% van de jongens die aangeven vooral Nederlands te willen leren in hun vrije tijd. Om een beter beeld te krijgen van hoe de nieuwkomers hun vrije tijd het liefst zouden invullen, werd hen op het einde van de vragenlijst gevraagd wat ze meer of vaker zouden willen doen in hun vrije tijd. Aangezien hier een veelheid aan antwoorden mogelijk is, die niet door een beperkt aantal antwoordopties omvat kan worden, werd geopteerd voor een open vraag met tekstvak. Zo hadden de respondenten alle vrijheid om te schrijven wat ze nog meer in hun vrije tijd zouden willen doen, of hoe ze hun vrije tijd liever zouden invullen. Hoewel de antwoorden op deze open vraag zeer divers waren, kunnen er wel enkele algemene indrukken of trends onderscheiden worden met betrekking tot de wensen en verwachtingen van jonge nieuwkomers over hun toekomstige vrijetijdsbesteding.

4 Bij het definiëren van welke landen als conflictgebied of land met hoog aandeel vluchtelingen gelden, werd er voornamelijk gekeken naar de cijfers van de belangrijkste landen van herkomst, bij beslissingen voor asielaanvraag eerste aanleg naar uitkomst (geaccepteerd) in de EU-28 landen. Daarnaast werd bij deze opdeling ook rekening gehouden met de score van de landen op de Global Peace Index 2018 (meer specifiek de landen die laag tot zeer laag op de GPI scoren). Op basis hiervan werden de volgende landen als landen uit conflictgebieden geselecteerd: Afghanistan, Syrië, Irak, Somalië, Eritrea, Jemen, Nigeria, Pakistan, Palestina en Soedan. Samengenomen vormen de leerlingen afkomstig uit deze landen 36,8% van de respondenten.

28


Sociale activiteiten evenals sport en fysieke activiteiten lijken zeer belangrijk te zijn voor de nieuwkomers. Zo stelden redelijk wat jongeren dat ze hun tijd vooral met vrienden willen besteden, en werd ook vaak aangegeven dat ze in hun vrije tijd vooral nieuwe mensen wensten te leren kennen en vrienden wilden maken in België. Daarnaast gaven ze aan meer tijd met familie te willen besteden in hun vrije tijd. Deze behoefte aan sociaal contact of een sociaal netwerk bleek eerder al uit de cijfers over de prioriteiten omtrent vrijetijdsbesteding, waar de respondenten eveneens stelden in hun vrije tijd graag met vrienden te willen samen zijn. En zoals verder in het rapport nog besproken wordt, ervaren de nieuwkomers ook best vaak gevoelens van eenzaamheid en verveling in hun vrije tijd. Zoals aangegeven komen dus ook sporten en fysieke activiteiten vaak terug in de antwoorden op deze open vraag. Veel jongeren gaven aan meer te willen sporten in de toekomst, of deze hobby later verder te willen zetten in club- of verenigingsverband. Hierbij bleken vooral voetbal en bij een voetbalclub aansluiten populaire ambities naar toekomstige vrijetijdsbesteding toe. Qua fysieke activiteiten gaven ook redelijk wat jongeren aan in hun vrije tijd vooral meer te willen dansen. De respondenten antwoordden ook vaak Nederlands te willen leren en te willen studeren in hun vrije tijd, wat nogmaals bevestigt hoe prioritair de taalverweving voor deze jonge nieuwkomers is. Qua culturele of creatieve activiteiten gaven verschillende jongeren aan in de toekomst een muziekinstrument te willen leren spelen, te leren zingen of meer te willen tekenen. Andere zaken die terugkwamen waren activiteiten die zich eerder binnenshuis afspelen zoals gamen/videospelletjes spelen, lezen (bv. boeken of strips), televisie kijken of filmpjes op het internet kijken, rusten of slapen, e.d.

Vrijetijdsactiviteiten en vrijetijdsbesteding

Om zicht te krijgen op de inhoud van de vrijetijdsbesteding van de OKAN-leerlingen, werden ze bevraagd over hoe vaak ze een reeks vrijetijdsactiviteiten hadden gedaan in de voorbije maand. Om mogelijke verwarring te voorkomen, werd bij deze vragen steeds verduidelijkt dat met vrije tijd de tijd buiten de schooluren werd bedoeld. Er werd hier ook steeds aangegeven dat het specifiek ging om activiteiten die ze in de voorbije maand in België hadden gedaan. De leerlingen werden eerst bevraagd over een vijftal ‘hoofdactiviteiten’ in het domein van sport, cultuur en jeugdverenigingen. Hierop volgden dan verder in de vragenlijst enkele vervolgvragen over de context, toeleiders en participatiedrempels voor/van deze activiteiten. De frequenties van deze activiteiten worden weergegeven in figuur 7. Van al deze activiteiten wordt sporten het vaakst beoefend door de OKANleerlingen, met een meerderheid (77,6%) van de leerlingen die de voorbije maand gesport had. Bovendien geeft 48,6% van de leerlingen aan een of meerdere dagen per week te sporten, met 13% die dit zelfs dagelijks doet. Daarnaast is tekenen/schilderen een van de meer populaire vrijetijdsactiviteiten: bijna de helft (48,5%) van de respondenten deed dit minstens een keer in de voorbije maand, 30,5% deed dit zelfs op wekelijkse of dagelijks basis. Dansen en zingen/een muziekinstrument spelen doen respectievelijk 21% en 25,1% van de leerlingen minstens één keer per week. Verder werd aan de respondenten gevraagd of ze in de voorbije maand deel hadden genomen aan de activiteiten van een jeugdverenging. Er werd hierbij een brede definitie gehanteerd, met naast de ‘klassieke’ jeugdbewegingen, zoals scouts en chiro, ook organisaties als Jeugdhuis, Meisjeshuis, Planeet Gent e.d. (bij dit item werden ter illustratie ook enkele voorbeelden van jeugdverenigingen gegeven). Vergeleken met de sport- en culturele activiteiten kennen de activiteiten binnen jeugdverenigingen een lagere participatiegraad, met 10,7% die aangeeft minstens een keer naar een jeugdvereniging te zijn geweest in de voorbije maand.

29


Figuur 7: Frequenties vrijetijdsactiviteiten voorbije maand (n = 1074)

Sporten

Tekenen/schilderen

Zingen of muziekinstrument bespelen

Dansen

Jeugdvereniging

0%

6,3%

9,6%

9,0%

8,9%

13,0%

6,3% 3,8% 5,7% 6,6%

6,1% 4,2% 7,4%

25,6%

23,0%

5,5%

10,8%

13,0%

6,7%

12,8%

8,1%

1,5% 1,9% 2,8% 4,0% 0,5% 10% Eén keer voorbije maand

20%

30%

Meerdere keren voorbije maand

40% Eén keer per week

50%

60% Meerdere keren per week

70%

80%

Elke dag

Om een wat genuanceerder beeld van deze vrijetijdsactiviteiten te bekomen, bekijken we tevens de significante genderverschillen in vrijetijdsactiviteiten (weergegeven in figuur 8). Jongens blijken op meer frequente basis te sporten, met 72,8% die minstens een keer per week een sport beoefenen in vergelijking met 46,8% van de meisjes die minstens wekelijks sporten. Voor de culturele activiteiten zien we dan weer een omgekeerde trend, met een hogere participatie aan deze activiteiten door meisjes. Dit is het meest uitgesproken voor dansen, waarbij 47,4% van de meisjes aangeeft te hebben gedanst in de voorbije maand, wat beduidend hoger ligt dan de 18,5% bij de jongens. Bovendien doet 35,6% van de meisjes dit op wekelijkse of zelfs dagelijkse basis, bij de jongens slechts 9,4%. Ook muziek spelen en tekenen/schilderen worden over het algemeen vaker door meisjes gedaan: 33,8% van de meisjes geeft aan minstens een keer per week te zingen of een muziekinstrument te spelen (vergeleken met 18,4% van de jongens), terwijl 38,2% minstens een keer per week tekent of schildert (in vergelijking met 25% van de jongens). Op vlak van de participatie aan jeugdverenigingen werden dan weer geen significante genderverschillen gevonden. De genderverschillen die we vinden bij deze leerlingen in het OKAN-onderwijs liggen in de lijn van algemeen jeugdonderzoek: meisjes zijn oververtegenwoordigd in culturele activiteiten, jongens in sportactiviteiten (Siongers & Lievens, 2014; Vandermeerschen, Vos, & Scheerder, 2016).

30


Figuur 8: Frequenties vrijetijdsactiviteiten voorbije maand, weergegeven per gender (significante verschillen aangeduid met asterisk)

jongen (n = 593)

4,7% 10,8%

20,9%

meisje (n = 464)

8,6%

8,2%

jongen (n = 593)

8,4%

8,6%

18,7%

33,2%

Sporten*

13,0% 13,0%

8,6%

5,4%

8,6% 3,4% Tekenen/schilderen*

meisje (n = 464)

9,7%

9,7%

jongen (n = 593)

6,4% 3,4% 5,7% 5,6% 7,1%

meisje (n = 464)

6,5% 4,5% 5,8% 7,5%

jongen (n = 593)

2,9% 2,5% 6,2% 4,2% 2,7%

meisje (n = 464)

5,8% 6,0%

jongen (n = 593)

3,0% 4,7% 0,7% 1,3% 2,5%

11,2%

13,6%

13,4%

11,2% Zingen/muziekinstrument bespelen*

20,5%

9,1%

Dansen*

15,3%

Jeugdvereniging*

2,6%, 1,7%, 3,2%, 1,1%, 0,2%

meisje (n = 464)

0%

20%

Eén keer voorbije maand

40% Meerdere keren voorbije maand

60% Eén keer per week

80% Meerdere keren per week

100% Elke dag

Naast deze genderverschillen werd ook gekeken naar verschillen in vrijetijdbesteding qua leeftijd en woon- en gezinssituatie. Hoewel hier weinig significante verschillen gevonden werden, valt wel op dat hoe ouder de respondenten zijn, hoe minder vaak ze tekenen/schilderen. Zo zien we dat van de 11- tot 13-jarige leerlingen nog 42,7% aangeeft minstens een keer per week te tekenen of schilderen, terwijl dit bij de leerlingen van 17 jaar en ouder nog slechts 17,6% is. Ook dit ligt in de lijn van onderzoek bij een representatief staal van jongeren in Vlaanderen (Beunen, Siongers, & Lievens, 2016). Daarnaast valt ook op dat jongeren die zonder familieleden wonen minder vaak tekenen/schilderen (25,8%) dan jongeren die samen met een of beide ouders wonen (respectievelijk 30,9% en 32,2%). Wat verschillen naargelang woonsituatie betreft, zien we dat jongeren die in opvangcentra wonen vaker sporten dan jongeren die niet in een opvangcentrum wonen (met respectievelijk 76,6% en 60,4% die minstens één keer per week sporten). Verder werd nagegaan of er significante verschillen in vrijetijdsbesteding konden onderscheiden worden naargelang jongeren al dan niet uit conflictgebieden of landen met een hoog percentage vluchtelingen afkomstig waren. Het valt hier vooral op dat jongeren uit conflictgebieden minder vaak tekenen of schilderen: 20,3% van de jongeren uit conflictgebieden doet dit wekelijks of vaker, vergeleken met 36% van jongeren die niet uit een conflictgebied afkomstig zijn. Een kleiner (doch significant) verschil is waarneembaar op vlak van muziek/zingen: 21% van de jongeren uit conflictgebieden gaf aan dit de voorbije maand te hebben gedaan, bij de jongeren niet afkomstig uit een conflictgebied is dit 27%.

31


Om verder inzicht te verwerven in wat jonge nieuwkomers doen buiten de schooltijd, werd naast deze vijf ‘hoofdactiviteiten’ gepeild naar de frequentie van enkele andere activiteiten (zie figuur 9). Daarbij polsten we zowel naar vrijetijdsactiviteiten als meer verplichte activiteiten (huiswerk en werken). Van deze laatste categorie vormt huiswerk net zoals ook voor andere jongeren een reguliere activiteit. Meer specifiek geeft 83,2% aan minstens een keer per week voor school te werken, voor bijna de helft (46,4%) vormt dit een dagelijkse bezigheid. Daarnaast gaf 18,5% aan gewerkt te hebben. Er dient hier wel opgemerkt te worden dat er vaak enige verwarring bestond bij de leerlingen over wat er precies bedoeld werd met werken. In voorkomend geval werd verduidelijkt dat het ging om werk tegen betaling of vergoeding. Hun vrije tijd wordt gevuld met heel wat media gebonden activiteiten: 62,7% speelt elke dag spelletjes op een GSM, tablet of pc, 47% kijkt dagelijks televisie en 45,7% belt of skypet elke dag met familie of vrienden. Bij de andere activiteiten ligt de dagelijkse participatiegraad een stuk lager, maar zien we toch dat heel wat van deze activiteiten door een aanzienlijke groep minstens wekelijks wordt gedaan. Zo komt 50,6% minstens wekelijks samen met vriend(en) en geeft 55,9% aan minstens een keer per week in een boek of strip te lezen. Ook religie vormt voor heel wat jongeren in het OKAN een belangrijk aspect van het leven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat 42% van de leerlingen aangaf de voorgaande maand naar de kerk, moskee of synagoge te zijn geweest, en dat 31,6% dit minstens wekelijks doet (thuis of in het opvangcentrum bidden werd hier niet meegerekend). Bibliotheek en cinema worden dan weer minder vaak bezocht: 32,5% ging de voorbije maand naar de cinema (13,5% deed dit meermaals), 39,5% bezocht een bibliotheek in de voorbije maand (met 23,8% die meermaals een bibliotheek bezocht). Bij de leerlingen die met familieleden samenwonen, werd verder nog gepolst naar hun activiteiten in familie- of gezinsverband. Er werd hier meer specifiek gevraagd hoe vaak zij tijd doorbrachten samen met familie en hoe vaak zij hielpen in het huishouden (bv. taakjes doen, koken, voor broers of zussen zorgen …). De meerderheid (75,5%) van de leerlingen die met familie samenwoont, geeft aan elke dag ook effectief tijd met familie door te brengen. Daarnaast zien we dat 78,6% minstens een keer per week helpt in het huishouden, met 47,6% die zelfs dagelijks huishoudelijke taken verricht. Als het op helpen in het huishouden aankomt, valt er overigens een significant genderverschil waar te nemen, waarbij meisjes vaker huishoudelijke taken verrichten dan jongens. Zo geeft 55,6% van de meisjes aan elke dag te helpen in het huishouden, terwijl slechts 40,9% van de jongens dit dagelijks doet.

32


Figuur 9: Overige (vrijetijds)activiteiten voorbije maand: frequenties (n = 1074) 3,8% 10,5% 2,4%

Huiswerk maken

2,2% 2,4% 5,3%

Gamen op computer, tablet of GSM Bellen, skypen met vrienden of familie TV kijken

26,3% 13,7%

62,7%

4,6% 5,3% 6,9% 4,7% 2,6% 6,8%

Boek of strip lezen

10,2% 7,3%

Met vrienden samenzijn

20,5%

8,3%

47,0%

9,5%

14,0%

19,5%

13,3%

5,9% 4,5%

16,6%

Naar bibliotheek gaan

15,7%

6,7%

Werken

45,7%

18,7%

Naar kerk/synagoge/ moskee gaan

Naar cinema gaan

46,4%

6,2%

19,0%

18,2% 7,6%

9,9%

22,4% 19,1%

7,4%

5,3%

2%

2,1% 4,8% 0,4%

2,4% 3,0% 5,9% 6,9% 1,9% 5,4%

0%

20% Eén keer voorbije maand

40% Meerdere keren voorbije maand

60% Eén keer per week

80% Meerdere keren per week

100% Elke dag

Figuur 10: Vrijetijdsactiviteiten in familieverband: frequenties (n = 891) 1,8% 3,2%

Met familie samen zijn

Helpen in huishouden

3,7% 2,8%

0%

11,8%

8,6%

75,5% 22,4%

5,2% 20% Eén keer voorbije maand

47,6% 40%

Meerdere keren voorbije maand

60% Eén keer per week

80% Meerdere keren per week

100% Elke dag

33


Context van vrijetijdsactiviteiten Om een meer volledig beeld te verkrijgen van de vrijetijdbesteding werd gepeild naar de context waarin deze vrijetijdsactiviteiten plaatsvinden. Op deze manier krijgen we ook zicht op de mate waarin er gebruik wordt gemaakt van het georganiseerde vrijetijdsaanbod op het vlak van jeugdwerk, sport en cultuur. In de vragenlijst kregen de respondenten die aangaven een van de vijf hoofdactiviteiten (sport, tekenen/ schilderen, zingen/muziekinstrument spelen en deelnemen aan jeugdvereniging) gedaan te hebben een vervolgvraag over waar ze deze activiteiten dan beoefenden. Hierbij waren steeds meerdere antwoorden mogelijk. Tabel 5 en figuur 11 geven de resultaten hiervan weer. In het algemeen tonen deze cijfers dat deze vrijetijdsactiviteiten zich veelal in een niet-georganiseerde context afspelen. Als we specifiek naar sporten kijken, zien we dat een minderheid (29,5%) van de jongeren die aangaf te hebben gesport in de voorbije maand, dit (ook) in clubverband deed. Als we kijken naar het aandeel leerlingen dat naar een sportclub gaat/ging binnen alle leerlingen in de steekproef5, zien we dat zo’n 22,5% van de OKAN-leerlingen lid is/ was van een sportclub. Sporten gebeurt vooral thuis, in publieke ruimtes zoals het park of de straat, of in sportcomplexen zoals fitnesscentra, sportcentra, e.d. Zo geeft ongeveer 41% aan thuis te sporten, terwijl 38% in een sportcomplex of in het park/op straat een sport beoefent.

Figuur 11: Plaatsen waar men sport: percentages (meerdere antwoorden mogelijk; enkel sporters, n = 747)

40,7%

Thuis

Sporthal, sportcentrum of fitness

38,3%

Park of straat

38,0%

10,6%

Ergens anders

Het opvangcentrum

0%

5,8% 10%

20%

30%

40%

50%

Tabel 5: Lidmaatschap van sportclub % van sporters (n = 764)

% van alle leerlingen (n = 1000)

Is/was lid van sportclub

29,5%

22,5%

Is geen lid van sportclub

70,5%

77,5%

5 Het ‘totaal’ aantal respondenten verwijst hier naar de 1.000 leerlingen wiens antwoorden effectief tot de vragen over context, toeleiders en drempels m.b.t. vrijetijdsactiviteiten bruikbaar waren (zie hoofdstuk ‘Methode: steekproef en respons’).

34


Figuur 12: Plaatsen waar men culturele activiteiten beoefent: percentages (meerdere antwoorden mogelijk, berekend op de leerlingen die deze culturele activiteiten stellen) 85,3% 87,9% 87,7%

Thuis

Een muziek--, teken of dansschool

In het park of de straat

Ergens anders

Het opvangcentrum

Een andere vereniging

0% Dansen (n = 300)

13,0% 9,6% 8,2% 6,4% 9,0% 10,0% 5,8% 2,7% 3,5% 4,4% 5,0% 1,2% 2,3% 20% Tekenen/schilderen (n = 488)

40%

60%

80%

100%

Muziekinstrument spelen of zingen (n = 342)

Meer nog dan sporten, zien we dat de participatie aan culturele activiteiten meestal in niet-georganiseerd verband gebeurt. Activiteiten zoals dansen, tekenen/schilderen en zingen/een muziekinstrument spelen gebeuren vooral binnenshuis, met telkens meer dan 80% die aangeeft deze activiteiten thuis te doen. Participatie aan het vrijetijdsaanbod voor culturele activiteiten is dus eerder beperkt: van de jongeren die aangeven te dansen, tekenen/schilderen of zingen/muziek spelen, geven respectievelijk 13%, 9,6% en 8,2% aan dit in clubverband te doen. Het dient hier echter ook opgemerkt te geworden dat deze percentages enkel verwijzen naar de jongeren die eerder in de vragenlijst effectief aangaven te tekenen, dansen of zingen/muziekinstrument te bespelen. Als we kijken naar het totaal aantal leerlingen6, zien we dat van alle leerlingen 5,1% bij een dansschool of -vereniging zit, terwijl 5,3% naar een tekenschool of -vereniging gaat en 3,5% naar een muziekschool of -vereniging gaat. Wat de participatie aan het georganiseerd aanbod van jeugdwerk betreft, verwijzen we naar de paragraaf over de frequenties van vrijetijdsactiviteiten, waar we zagen dat een minderheid (10,7%) van de OKANleerlingen in de voorbije maanden had deelgenomen aan de activiteiten van een jeugdvereniging. Om de cijfers over deelname aan het verenigingsleven enigszins te kaderen, is het interessant om deze te vergelijken met de cijfers over jongeren in het regulier onderwijs. Gegevens uit de JOP-schoolmonitor van 20187 leren ons dat de participatie van leerlingen in het regulier onderwijs aan verenigingen en clubs voor vrijetijdsbesteding vaak hoger ligt dan bij hun leeftijdsgenoten in het OKAN-onderwijs (zie figuur 13). Vooral bij sport- en jeugdverenigingen is er sprake van een uitgesproken verschil tussen beide groepen.

6 Ook hier verwijst het ‘totaal’ aantal leerlingen naar de 1.000 respondenten wiens vragenlijst minstens bruikbaar was tot de vragen over context e.d. van de vrijetijdsactiviteiten. 7 De JOP-schoolmonitor werd afgenomen in 80 secundaire scholen, waarvan 59 scholen gelegen waren in een grootstad (Brussel, Antwerpen of Gent). De oversampling van scholen in grootstedelijke context laat toe aparte analyses uit te voeren voor jongeren van Belgische en van buitenlandse herkomst. Meer informatie over de dataset kan gevonden worden op https://www. jeugdonderzoeksplatform.be/files/Technischverslag_JOP-schoolmonitor_2018.pdf

35


Het valt hierbij wel op te merken dat het verschil tussen OKAN-leerlingen en leerlingen in het regulier onderwijs met een migratieachtergrond (minstens een ouder afkomstig uit buitenland)8 kleiner is dan het verschil tussen OKAN-leerlingen en leerlingen in het regulier onderwijs die geen migratieachtergrond hebben. We zien bijvoorbeeld dat 52,1% van de leerlingen zonder migratieachtergrond in het regulier onderwijs lid is van een sportvereniging, gevolgd door 30,6% van de leerlingen met migratieachtergrond in het regulier onderwijs en 22,5% van de OKAN-leerlingen. Inzake aansluiting bij jeugdverenigingen nemen we een vergelijkbare gradiënt waar. Van de leerlingen zonder en met migratieachtergrond in het regulier onderwijs zitten respectievelijk 26,3% en 16,8% bij een jeugdvereniging, terwijl van de OKAN-leerlingen 10,7% deelnam aan de activiteiten van een jeugdvereniging. Opvallend genoeg valt dit patroon niet waar te nemen voor culturele verenigingen. 15,6% van de leerlingen van Belgische herkomst in het regulier onderwijs gaat naar een vereniging voor kunstbeoefening of culturele activiteiten, gevolgd door 12,4% van de OKAN-leerlingen. De deelname van leerlingen van buitenlandse herkomst in het regulier onderwijs ligt hier dan weer het laagst, met 8% die deel uitmaakt van een culturele vereniging.

Figuur 13: Lidmaatschap aan verenigingen voor vrijetijdsbesteding: vergelijking OKAN-leerlingen en leerlingen regulier onderwijs met en zonder migratieachtergrond (data regulier onderwijs afkomstig uit JOP-schoolmonitor 2018) 60% 52,1%

50% 40% 30,6%

30%

26,3% 22,5%

16,8%

20% 12,4% 10%

15,6% 8,0%

10,7%

0% Sportvereniging

Culturele vereniging

Jeugdvereniging OKAN-leerlingen (n = 1000)

Regulier onderwijs, leerlingen met migratieachtergrond (n = 3946) Regulier onderwijs, leerlingen zonder migratieachtergrond (n = 3879) Het totale percentage van OKAN-leerlingen die in de voorbije maanden naar een sport-, jeugd- of culturele verenging gingen bedraagt 36% (dit betreft zowel jongeren die één keer gingen de voorbije maand als jongeren die op regelmatig basis aan deze verenigingen deelnemen). Leerlingen in het regulier onderwijs zonder migratieachtergrond nemen beduidend vaker deel aan het verenigingsleven, met 66,9% die lid is van een vereniging in het kader van sport, cultuur of jeugdwerk. Het valt ook op dat het verschil tussen leerlingen in het OKAN en hun leeftijdsgenoten met een migratieachtergrond in het regulier onderwijs duidelijk kleiner is. Van deze laatste groep is namelijk 40% lid van een sport-, jeugd- of culturele vereniging. 8 Wanneer we spreken van leerlingen in het regulier onderwijs met ‘een migratieachtergrond’ of ‘van buitenlandse origine’, bedoelen we hier dus steeds jongeren waarvan minstens een ouder afkomstig is uit een ander land dan België. Wanneer we spreken van leerlingen zonder migratieachtergrond, bedoelen we leerlingen waarvan beide ouders afkomstig zijn uit België.

36


Uit de voorgaande cijfers over de vrijetijdsbesteding van nieuwkomers blijkt duidelijk dat deze zich voornamelijk in een niet-georganiseerde context afspeelt. Er is wel sprake van participatie aan sport en culturele activiteiten (vooral deze eerste), maar over het algemeen is de aansluiting bij verenigingen of clubs voor deze activiteiten beperkt. We stellen vast dat een groot deel van deze activiteiten zich thuis afspelen, en dat de dagelijkse activiteiten grotendeels bestaan uit thuis helpen in het huishouden, televisie kijken, gamen, skypen, bellen, e.d. Uit de focusgroepen met OKAN-leerlingen bleek daarnaast dat veel van de niet-georganiseerde activiteiten die men met anderen deed (bv. samen gaan voetballen in het park, met vrienden of familie naar het stadscentrum gaan) vaak met andere nieuwkomers gebeuren, met jongeren die dezelfde taal spreken, die men uit de buurt of in sommige gevallen van in de klas kent. Ook opvallend was dat heel wat leerlingen aangaven dat ze in hun land van herkomst wel aangesloten waren geweest bij een club of vereniging voor vrijetijdsactiviteiten (sportclub, muziekschool etc.), maar om verschillende redeneren in België geen aansluiting vonden bij clubs of verenigingen. In de volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de participatiedrempels naar het vrijetijdsaanbod die jongeren in het OKAN ondervinden, evenals wie hun toeleiders naar het vrijetijdsaanbod zijn en hoe zij zelf denken over hun vrijetijdsbesteding.

Toeleiders naar het vrijetijdaanbod Om meer inzicht te verwerven in de manier waarop de OKAN-leerlingen aansluiting vinden bij het georganiseerd vrijetijdsaanbod, vroegen we de leerlingen die effectief participeerden aan het georganiseerd vrijetijdsaanbod via wie ze deze organisatie hadden leren kennen (het was hierbij ook steeds mogelijk om meerdere antwoorden aan te duiden). Deze vraag werd enkel voorgelegd aan leerlingen die aangaven een van de vijf hoofdactiviteiten in verenigingsverband (sportclub, jeugdvereniging, vereniging voor culturele activiteiten of andere vereniging) te beoefenen of hebben beoefend in de voorbije maand (onder ‘andere verenigingen’ vallen de overige organisaties waar deze activiteiten kunnen gedaan worden, bv. zingen in de kerk tijdens een misviering).

37


Figuur 14: Toeleiders naar georganiseerd aanbod voor sport, culturele activiteiten en jeugdverenigingen (meerdere antwoorden mogelijk; berekend op jongeren die deelnamen aan georganiseerd aanbod) 43,7% Familie

36,1% 19,4%

Een vriend of klasgenoot

39,5%

25,2% 37,1%

19,4% 21,8%

Ik heb het zelf gevonden

12,4% 12,6%

27,4%

Een leerkracht

13,4%

Assistent in het opvangcentrum

Iemand anders

Iemand die kwam vertellen op school

Iemand van het OCMW of CAW

3,2% 2,1%

6,3%

5,9% 4,8%

7,2%

5,0% 5,6%

14,4%

2,7% 1,6% 3,1% 2,7% 7,3%

Mijn voogd

3,1% 0%

10%

20%

30%

40%

50%

Figuur 14 geeft de percentages voor de verschillende toeleiders weer, opgedeeld naar sport, jeugd en culturele activiteiten. Over het algemeen lijkt een groot deel van de aansluiting met het vrijetijdsaanbod via een informeel netwerk te gebeuren, waarbij vooral de familie en vrienden of klasgenoten vaak de toeleiders zijn. Zo zien we dat, van de jongeren die lid zijn van een sportclub, zo’n 44% deze sportclub leerde kennen via een familielid. Ook voor jeugdverenigingen en verenigingen voor culturele activiteiten blijkt de familie een veel voorkomende toeleider, met respectievelijk 36,1% en 39,5% die deze verenigingen vonden via een familielid. De leerlingen komen vaak ook via vrienden of klasgenoten bij clubs of verenigingen terecht. Dit is het meest uitgesproken voor de jeugdvereniging, waar we zien dat 37,1% deze leerde kennen dankzij een

38


vriend of klasgenoot (voor het cultuur- en sportaanbod is dit respectievelijk 19,4% en 25,2%). Daarnaast gaven de leerlingen vaak aan zelf een club of vereniging te hebben gevonden. Dit is wel duidelijk meer het geval voor sport en cultuur dan voor het aanbod van jeugdwerk: waar 19% tot 22% stelt zelf een sportclub of dans-, teken- of muziekschool te hebben gevonden, ligt dit voor jeugdverenigingen iets lager met zo’n 12%. Mogelijks kan dit verklaard worden door het gegeven dat nieuwkomers nog niet bekend zijn met het concept van een jeugdvereniging of jeugdbeweging, en daardoor vaker via de hulp of informatie van anderen bij een dergelijke vereniging terecht komen. Naast dit meer informele netwerk speelt de school, en meer specifiek de leerkrachten, een belangrijke rol als toeleider naar het vrijetijdsaanbod. Vooral voor verenigingen in de culturele sfeer zien we dat leerkrachten een belangrijke toeleider zijn: zo’n 27% van de jongeren die naar een dans-, teken- of muziekschool gaan, hebben deze leren kennen via hun leerkracht (voor sport- en jeugdverenigingen is dit telkens 13%). Ook opvallend is het feit dat zo’n 14% van de jongeren die naar een jeugdvereniging of -club gaan/gingen, hiermee in aanraking kwam door iemand die hierover informatie kwam geven op school. De jeugdinitiatieven waar de OKAN-leerlingen aan deelnamen betroffen vaak aanbieders van naschoolse activiteiten, vaak ook in samenwerking met de school. In verband met de rol van de school als toeleider naar het vrijetijdsaanbod, is het wel belangrijk op te merken dat de afname van deze vragenlijst vrij vroeg op het schooljaar gebeurde, namelijk in de periode oktober-december. Tijdens de bevraging werd door de leerkrachten zelf dan ook vaak aangegeven dat zij pas later op het schooljaar starten met het informeren van de leerlingen over vrije tijd en het vrijetijdsaanbod. Wanneer de respondenten bevraagd werden over hun tevredenheid met de informatie over het vrijetijdsaanbod die op school beschikbaar was, ging 64,4% overigens akkoord met de stelling “op school krijg ik genoeg informatie over wat ik op school kan doen in mijn vrije tijd.” Ook tijdens de groepsgesprekken met OKAN-leerlingen werden vrienden/familie en leerkrachten/de school als voornaamste toeleiders naar vrijetijdsactiviteiten genoemd. Bij het meer ‘informele’ netwerk van toeleiders gaat het vooral om familieleden of kennissen van de familie (bv. baas/collega van één van de ouders) die al langer in België wonen. Ze kregen ook informatie over clubs of verenigingen via vrienden en klasgenoten. Daarnaast gaven de leerlingen aan dat ze op school geholpen werden om vrijetijdsactiviteiten te vinden. Ze vertelden dikwijls dat ze op school terecht konden bij leerkrachten voor informatie over clubs/verenigingen en het vrijetijdsaanbod. De school fungeerde in sommige gevallen ook als toeleider door samen te werken met aanbieders van naschoolse activiteiten (bv. door deze organisaties uit te nodigen op school, of de leerlingen zelf te begeleiden naar de activiteiten van deze organisaties). We zien in figuur 14 dat zo’n 6% van de OKAN-leerlingen die naar een sportclub gingen hun assistent in het opvangcentrum aangeeft als toeleider. Voor het cultuur- en jeugdaanbod is dit respectievelijk 3,2% en 2,1%. Het betreft hier echter de cijfers voor alle bevraagde OKAN-leerlingen, ongeacht de woonsituatie. Als we de cijfers aanpassen aan het aantal jongeren dat effectief in een opvangcentrum verbleven op het moment van bevraging, krijgen we een ander beeld. Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar de jongeren die in een opvangcentrum wonen én lid zijn van een sportclub, zien we dat zo’n 82% van hen hierbij hulp kreeg van een assistent in het opvangcentrum. Het betreft hier echter wel lage absolute cijfers, met 17 respondenten die effectief in een opvangcentrum verblijven en lid zijn van een sportclub, waarvan 14 dus hun assistent als toeleider aanwijzen. Van de jongeren in een opvangcentrum die deelnemen aan een culturele vereniging, vond de helft deze vereniging via hun assistent – maar ook hier gaat het slechts om 8 respondenten die zowel in een opvangcentrum wonen als naar een cultuurvereniging gaan. Van de 7 jongeren die in een opvangcentrum verblijven en naar een jeugdclub of –vereniging gingen, gaf overigens

39


1 aan dat zijn/haar assistent hierbij de toeleider was. Andere toeleiders die vernoemd werden tijdens focusgroepen waren sociaal assistenten evenals vzw’s zoals Atlas (integratie & inburgering Antwerpen). Ten slotte valt ook op te merken dat organisaties als het OCMW in de survey relatief weinig werden aangeduid als toeleider, hoewel de rol van het OCMW misschien eerder die van facilitator kan zijn (bv. door financiële tegemoetkoming in vrijetijdsparticipatie) dan die van een toeleider naar het vrijetijdsaanbod. Net hierom is het mogelijk dat het OCMW minder als toeleider werd aangeduid. Tijdens de focusgroepen werd ook aangegeven dat deze instelling op financieel vlak wel hulp kon bieden. Zo gaf een participant aan:

“Voor mij om eerlijk te zijn was geld een obstakel. Maar het OCMW heeft betaald. Als het OCMW niet hielp, dan kon ik het bedrag zelf niet betalen. Het kostte veel. Ik moest 175 euro betalen maar toen had ik dat bedrag niet. Als mijn vraag geweigerd werd, dan kon ik me niet inschrijven.” - Jongen, 18 jaar, afkomstig uit Syrië

Tevredenheid en noden omtrent vrijetijdsbesteding In de voorgaande paragrafen werd reeds een beeld geschetst van de vrijetijdsbesteding van de OKANleerlingen, wat zij doen in hun vrije tijd, in welke mate zij participeren aan het vrijetijdsaanbod en wie hun toeleiders naar het georganiseerd aanbod zijn. Om zicht te krijgen op hoe tevreden deze nieuwkomers nu effectief zijn over wat ze doen in hun vrije tijd, kregen de respondenten in de vragenlijst enkele vragen over hun tevredenheid en noden omtrent hun vrijetijdsbesteding en het vrijetijdsaanbod. De resultaten hiervan worden hieronder meer in detail besproken. Wanneer de respondenten expliciet gevraagd werd hoe tevreden zij zijn met wat ze doen in hun vrije tijd, was de groep die zich hierover negatief uitliet eerder beperkt (zie figuur 15). Maar liefst de helft van de OKAN-leerlingen gaf aan (heel) tevreden te zijn met wat ze doen in hun vrije tijd (23,3% zelfs heel tevreden). Er moet hier echter wel opgemerkt worden dat de groep die noch tevreden, noch ontevreden is met de vrijetijdsbesteding vrij groot is, met 37,4% die ‘tussen beide’ aanduidde bij deze vraag. Daarnaast geeft 12,5% aan niet of helemaal niet tevreden te zijn met wat ze doen in hun vrije tijd. Wanneer we dit vergelijken met de tevredenheid omtrent vrijetijdsbesteding bij jongeren in het regulier secundair onderwijs, valt wel op dat de groep die expliciet tevreden is over de vrije tijd duidelijk groter is in het regulier onderwijs dan bij de OKAN-leerlingen. Data uit de JOP-schoolmonitor van 2018 tonen aan dat van de leerlingen in het regulier onderwijs zonder migratieachtergrond 82,6% stelt (heel) tevreden te zijn met de vrijetijdsbesteding. Bij degenen met een migratieachtergrond is dit percentage met 73,5% dan weer iets lager. Maar vooral het verschil tussen leerlingen in het regulier onderwijs en hun leeftijdsgenoten in het OKAN-onderwijs is markant: van deze laatste stelt 50% tevreden of heel tevreden te zijn met wat ze doen in hun vrije tijd. De groep die ‘tussen beide’ aanduidde is dan weer groter bij de nieuwkomers: hier geeft zo’n 37% aan noch tevreden, noch ontevreden te zijn met de vrijetijdsbesteding (bij leerlingen met en

40


zonder migratieachtergrond in het regulier onderwijs is dit respectievelijk 18,3% en 12,8%). Voor de groep die ontevreden is met de vrije tijd zijn de verschillen minder uitgesproken, hoewel ook hier de OKAN-leerlingen minder tevreden zijn met hun vrije tijd. Bij de nieuwkomers geeft 12,5% aan (helemaal) niet tevreden te zijn met de vrijetijdsbesteding, bij de andere leerlingen is dit 8,2% (jongeren met migratieachtergrond) en 4,7% (jongeren zonder migratieachtergrond).

Figuur 15: Tevredenheid met vrijetijdsbesteding: vergelijking tussen OKAN-leerlingen en leerlingen met en zonder migratieachtergrond in het regulier onderwijs (data regulier onderwijs afkomstig uit JOPschoolmonitor 2018)

50%

41,9% 43,2% 37,4%

40%

39,4% 31,6%

30%

26,7% 23,3% 18,3%

20%

12,8% 10% 0%

7,3% 2,8% 0,9% Helemaal niet tevreden

5,2% 5,5% 3,8% Niet tevreden

Tussen beide

Tevreden

Tevreden

Leerlingen regulier onderwijs zonder migratieachtergrond (n = 3772) Leerlingen regulier onderwijs met migratieachtergrond (n = 4051) OKAN-leerlingen (n = 916)

De bevraging van de leerlingen over hun tevredenheid omtrent meer specifieke aspecten van hun vrijetijdsbesteding toont echter een minder rooskleurig beeld (zie figuur 16). Zo stelt de meerderheid van de respondenten dat ze hun vrije tijd eigenlijk anders zouden willen invullen, met 71,4% die akkoord gaat met de stelling ‘ik zou graag andere dingen doen in mijn vrije tijd’. Ook blijken aardig wat leerlingen zich te vervelen: 58,2% geeft aan vaak niet te weten wat te doen in de vrije tijd. (Leerlingen in het regulier onderwijs lijken zich dan weer minder vaak te vervelen – data uit de JOP-schoolmonitor 2 tonen dat zo’n 13% van leerlingen in de eerste graad secundair onderwijs akkoord gaat met de stelling ‘ik verveel me vaak tijdens mijn vrije tijd’. Een ander opvallend cijfer is dat ongeveer 4 op 10 respondenten zich vaak alleen voelt in zijn/haar vrije tijd. Ten slotte zien we tevens dat 36% van de OKAN-leerlingen vindt dat ze te weinig vrije tijd hebben.

41


Figuur 16: Specifieke aspecten tevredenheid omtrent vrijetijdsbesteding (n = 877) Ik zou graag andere dingen doen in mijn vrije tijd

71,4%

Ik weet vaak niet wat te doen in mijn vrije tijd

58,2% 40,2%

Ik voel me vaak alleen in mijn vrije tijd

36,1%

Ik heb te weinig vrije tijd 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

Ook tijdens de focusgroepen kwamen gevoelens van verveling en eenzaamheid vaak aan bod. Leerlingen gaven aan dat ze deze gevoelens het meest ervaarden in de eerste maanden of het eerste halfjaar na hun migratie naar België. Deze periode werd voor heel wat nieuwkomers gekenmerkt door het verlies van een sociaal netwerk (i.e. vrienden in het land van herkomst), beperkt contact met de nieuwe omgeving en niet kunnen communiceren met anderen vanwege de taalbarrière, een gebrek aan kennis over wat men kan doen in de vrije tijd, etc. Hierdoor zaten deze jongeren in deze periode in hun vrije tijd vooral thuis en verveelden ze zich. Het starten in het OKAN-onderwijs betekende voor velen dan ook een startpunt op het vlak van de ontwikkeling van vriendschappen en het vergaren van informatie. Gaandeweg begonnen ze vrienden te maken en enige kennis van het Nederlands te verwerven. Deze schoolperiode contrasteert voor velen sterk met de eerste maanden dat ze in België waren, wat voor velen van hen een problematische periode vormde. Hieronder volgen enkele citaten van de leerlingen over gevoelens van verveling en eenzaamheid tijdens de vrije tijd:

“Het was zeer moeilijk voor mij omdat, wanneer ik naar hier kwam, ik kwam hier in juni en ik heb twee maanden nodig gehad eer ik het eerst vrienden kon maken. Het was zeer moeilijk. Ik zat hier altijd alleen thuis, mijn vader ging altijd werken en ik bleef alleen, er waren geen activiteiten die ik interessant vond want ik had geen vrienden en ik was gewoon altijd met mijn papa. Als ik naar de supermarkt moest, was het met mijn vader. Ik was niet zelfstandig, en ik zat altijd thuis vast. En wanneer ik met OKAN startte, toen begonnen de zaken op hun plek te vallen.” - Meisje, 14 jaar, afkomstig uit Congo

42


“Het was heel saai. Want ik was altijd thuis, geen televisie, geen GSM, niks hé. Alleen, geen vrienden, ik blijf al 6 maanden zo, ik ga werken met mijn papa. 6 maanden zo, hé. Dan heeft de baas van mijn papa mij geholpen, ben ik naar de school hier gekomen. En daarna OKAN.” - Jongen, 17 jaar, afkomstig uit Bulgarije

“In mijn land, is de school klaar om 12 uur, wij hebben heel veel tijd. En daarom hebben wij… Bijvoorbeeld ik zeg mijn vriend, “kom, we gaan naar daar” en zo. Iets om te doen, je hebt vrienden, je hebt alles. Voetbal spelen, alles, alles, alles. Je kan naar vrienden, naar huis, naar jouw zus, naar jouw broer, zo. Maar hier … naar de muur kijken zo.” - Jongen, 12 jaar, afkomstig uit Palestina

“Wanneer ik nieuw was, had ik niemand om me te helpen. Maar ik heb mijn pc, ik speel dat elke dag (lacht) (…) Eerst had ik elke maand een nieuwe game, en ik vond dat leuk. Maar als ik de game heb “gefinisht”, voel ik me “saai”. Ik voel me alleen, en ik moet een vriend vinden, om mee buiten te gaan.” - Jongen, 17 jaar, afkomstig uit Thailand

Net zoals in de survey, gaven sommige van de participanten tijdens de focusgroepen ook wel aan dat ze sinds hun migratie naar België minder of te weinig vrije tijd hadden. Deze leerlingen zeiden in België langere schooldagen te hebben dan in hun land van herkomst (en dus ook meer vrije tijd), en in België ook veel tijd te besteden aan het leren van Nederlands, studeren en het zich aanpassen aan een nieuwe samenleving, waardoor andere vrijetijdsbesteding naar de achtergrond geschoven werd. Anderzijds was dit ook niet voor alle leerlingen het geval – anderen zeiden namelijk meer vrije tijd te hebben in België dan in hun land van herkomst, waar ze langere school- of werkdagen hadden. En zoals eerder aangehaald werd, is er ook een significant deel van de jongeren die aangeven vaak niet te weten wat te doen met hun vrije tijd. Er zijn ook enkele markante verschillen in de tevredenheid over vrije tijd naargelang de achtergrondkenmerken van de respondenten. Zo blijken bepaalde aspecten van (on)tevredenheid meer uitgesproken te zijn bij jongeren die afkomstig zijn uit conflictgebieden of landen met een hoog aantal vluchtelingen. Deze jongeren geven bijvoorbeeld in grotere mate aan zich vaak alleen te voelen in hun vrije tijd dan jongeren die niet uit een conflictgebied komen (46,5% in vergelijking met 37,5%). Ze stellen ook vaker dat ze hun vrije tijd liever anders zouden invullen, met 76,7% die liever andere dingen zouden willen doen in hun vrije tijd, in

43


vergelijking met 68,3% van jongeren die niet uit conflictgebied komen). Wat verschillen in tevredenheid naargelang de woonsituatie van de leerling betreft, zien we dat jongeren die in een opvangcentrum wonen vaker vinden dat ze te weinig vrije tijd hebben dan jongeren die niet in een opvangcentrum wonen (respectievelijk 52,2% en 35,3%). Qua genderverschillen blijken meisjes op verschillende fronten minder tevreden te zijn dan jongens. Meisjes lijken zich in meerdere mate te vervelen in hun vrije tijd, en zouden ook meer dan jongens hun vrije tijd anders willen invullen. Zo stelt 63,6% van de meisjes vaak niet te weten wat te doen in de vrije tijd (53,4% bij de jongens), terwijl 76,1% aangeeft dat ze liever andere dingen zouden willen doen in de vrije tijd (bij jongens is dit 66,9%). Wat de leeftijdsverschillen betreft, zien we dat de tevredenheid voor bepaalde aspecten afneemt naarmate de leeftijd toeneemt. Leerlingen in de oudere leeftijdsgroepen geven bijvoorbeeld vaker aan zich alleen te voelen in de vrije tijd: 49% van de jongeren van 17 jaar en ouder stelt zich vaak alleen te voelen in hun vrije tijd, terwijl dit voor de 14- tot 16-jarigen 41,3% bedraagt en voor de 11- tot 13-jarigen 31,5%. Daarbij komt dat de oudere leerlingen ook in hogere mate een tekort aan vrije tijd lijken te ervaren: 43,5% van de 17-jarigen en ouder zegt te weinig vrije tijd te hebben, voor de 14- tot 16-jarigen en 11- tot 13-jarigen is dit respectievelijk 36,3% en 31,5%. Voor verveling in de vrije tijd is het patroon van leeftijdsverschillen minder eenduidig: in de leeftijdscategorie 11 tot 13 jaar geeft 60,8% aan vaak niet te weten wat te doen in de vrije tijd, voor de groep 14-16 jaar is dit 53,9% en voor 17 en ouder is dit 65,2%. Ten slotte zijn er ook enkele significante verschillen in tevredenheid naargelang de gezinssituatie. Niet zo verwonderlijk, ervaren jongeren die zonder ouders wonen meer eenzaamheid in hun vrije tijd: de helft van de jongeren die zonder ouders wonen, voelt zich vaak alleen in de vrije tijd, terwijl dit voor jongeren die met één of met beide ouders samenwonen respectievelijk 38,5% en 39,1% is. Ook stellen jongeren die zonder ouders wonen vaker een tekort aan vrije tijd te hebben: 50,4% onder hen geeft aan te weinig vrije tijd te hebben, wat beduidend hoger ligt dan bij jongeren die met beide ouders samenwonen (33,6%) of met een ouder samenwonen (32,6%). Ook tijdens de focusgroepgesprekken stelden nieuwkomers die in België verblijven zonder ouders of familie dat ze zich eenzaam voelden vanwege het achterlaten van familie, en minder vrije tijd hadden vanwege hun vele verantwoordelijkheden. Zo stelde een niet-begeleide minderjarige vluchteling:

“[In Afghanistan] gingen we na school naar huis en dan aten we en deden ons gebed. Rond 16 uur gingen we volleyballen, tot laat. We voelden ons goed, onze ouders en familie waren daar ook. Ik had minder verantwoordelijkheid. Nu sta ik alleen voor alles. In België leeft iedereen op zijn eigen en moet je zelf op alles letten. Ik heb hier ook meer verantwoordelijkheden, en ik moet alles zelf doen.” - Jongen, 17 jaar, afkomstig uit Afghanistan Naast de tevredenheid over hun vrijetijdsbesteding, werd in de vragenlijst ook gepolst naar de noden van nieuwkomers met betrekking tot het vrijetijdsaanbod. Figuur 17 geeft weer in welke mate de respondenten akkoord gingen met verschillende stellingen over het vrijetijdsaanbod. De cijfers tonen aan dat er bij de nieuwkomers een duidelijke behoefte is aan een gelegenheid of plek om anderen te ontmoeten. Drie kwart

44


van de respondenten stelt bijvoorbeeld meer plaatsen te willen waar ze met vrienden kunnen samenzijn, terwijl zo’n 68% vindt dat er meer plaatsen zouden moeten zijn waar men mensen kan leren kennen. Tijdens de groepsgesprekken met nieuwkomers zeiden de OKAN-leerlingen zich soms sociaal geïsoleerd te voelen in hun vrije tijd, en behoefte te hebben aan een gelegenheid of plek waar men in contact kan komen met leeftijdsgenoten of vrienden kan maken. In België misten ze vaak een dergelijke gelegenheid om vrienden te maken of contact te hebben met anderen. Vaak ervaarden ze deze nieuwe omgeving als meer afstandelijk en afgesloten (in tegenstelling tot het land van herkomst, waar het sociale leven zich veel meer buitenshuis en op publieke plaatsen afspeelt) en vonden ze het dus ook moeilijker was om contact te leggen met anderen. De respondenten ervaren ook een zeker tekort aan informatie over het vrijetijdsaanbod: zo’n 64% van de OKAN-leerlingen is van mening dat er meer informatie moet beschikbaar zijn over wat ze kunnen doen in hun vrije tijd. Zoals eerder al werd aangegeven, zeiden de jongeren tijdens de focusgroepen vooral in de eerste maanden of in de vakantie niet te weten wat doen. Verder geeft 63,3% van de leerlingen aan meer plekken waar ze kunnen sporten te willen, terwijl 58,5% beter vervoer wenst naar plekken voor vrijetijdsbesteding.

Figuur 17: Noden/behoeften omtrent vrijetijdsbesteding en -aanbod

Er moeten meer plaatsen komen waar ik met vrienden kan samenzijn

74,8%

Er moeten meer plaatsen komen waar ik mensen kan leren kennen

68,3%

Er moet meer informatie komen over wat je kan doen in je vrije tijd

63,7%

Er moeten meer plaatsen komen om te sporten

63,3%

Er moet beter vervoer zijn naar plaatsen voor vrije tijd

58,5% 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

Met betrekking tot behoeften of noden omtrent vrije tijd vallen er enkele opmerkelijke verschillen waar te nemen naargelang de leerlingen al dan niet in een opvangcentrum wonen of afkomstig zijn uit een conflictgebied/een land met een hoog aantal vluchtelingen. Het probleem van informatietekort lijkt bijvoorbeeld meer uitgesproken te zijn bij jongeren uit conflictgebieden: 70,2% van deze jongeren vindt dat er meer informatie beschikbaar moet zijn over het beschikbare vrijetijdsaanbod, in vergelijking met 59,9% van de jongeren die niet uit een conflictgebied komen. Dit geldt ook voor transport naar plaatsen voor de vrijetijdsbesteding, waar 65,6% van de jongeren uit conflictgebieden vindt dat er onvoldoende vervoer is, tegenover 55% van de anderen. Dit verschil zien we ook bij jongeren die in opvangcentra wonen: 72,9% van hen geeft aan beter vervoer te willen naar plekken voor de vrije tijd, waar dit bij degenen die niet in een opvangcentrum wonen 57,6% is.

45


Daarnaast zien we ook dat sommige noden/behoeften meer uitgesproken lijken te zijn bij de oudere leeftijdsgroepen. Ze lijken vooral meer behoefte te hebben aan gelegenheid om vrienden te maken of nieuwe mensen te leren kennen – 76,1% van de 17-jarigen en ouder gaat akkoord met de stelling ‘er moeten meer plaatsen komen waar ik mensen kan leren kennen’, wat hoger ligt dan bij de 11- tot 13-jarigen (63,4%) en de 14- tot 16-jarigen (68,7%). Ook geven oudere leerlingen iets vaker aan beter vervoer naar plekken voor vrijetijdsbesteding te wensen, met 66,2% van de 17-jarigen die hiermee akkoord gaat (bij de leerlingen van 11-13 jaar en 14-16 jaar is dit respectievelijk 52% en 59,9%). Ten slotte is er bij de jongens ook meer behoefte aan meer plaatsen om te sporten dan bij de meisjes (68,5% versus 56,6%), wat ook aansluit bij onze bevinding dat jongens meer aan sport doen dan meisjes.

Participatiedrempels Om zicht te krijgen op de redenen voor non-participatie aan het vrijetijdsaanbod, kregen de OKANleerlingen vragen over de participatiedrempels. In de vragenlijst kregen respondenten die aangaven een activiteit niet te hebben gedaan een vervolgvraag over de reden hiervoor, terwijl respondenten die een activiteit wel deden maar niet in clubverband, gevraagd werd waarom ze niet bij een club zaten. De respondenten konden steeds meerdere antwoorden aanduiden uit een reeks van participatiedrempels. Er was overigens ook altijd de mogelijkheid om zelf een antwoord te typen onder de categorie ‘een andere reden’ indien de situatie van de respondent niet vertegenwoordigd was in de bestaande antwoordopties. Wat sporten betreft, blijkt de taalbarrière de voornaamste participatiedrempel: 40% van de jongeren die niet sportten in de voorgaande maand, stelt dat het nog niet voldoende beheersen van het Nederlands de reden hiervoor was. Naast de taaldrempel is er ook sprake van een ‘motivatiedrempel’, met respectievelijk 26,3% en 24,4% van de respondenten die stellen geen zin te hebben om te sporten of liever thuis te blijven. De cijfers tonen tevens dat een gebrek aan sociale contacten en een tekort aan informatie ook een rol spelen als drempels voor deelname aan sportactiviteiten. Zo geeft 24,9% aan niet te sporten omdat ze niemand kennen die de sport ook beoefent, terwijl 22,9% aangeeft niet te weten waar ze kunnen sporten. Verder merken we op dat 17,1% geen tijd heeft om te sporten, terwijl 10,2% aangeeft hiervoor te moe te zijn. Ten slotte geeft 7,8% aan dat de financiële barrière voor het sporten te hoog is. Het is echter wel mogelijk dat jongeren die andere drempels meer prioritair vinden (bv. interesse of taal) de financiële barrière niet in beschouwing nemen of er niet mee geconfronteerd worden, en deze dus ook niet aanduiden. Naast de leerlingen die helemaal niet aan sport doen in hun vrije tijd, waren er ook de leerlingen die wel een sport beoefenden in hun vrije tijd, maar dit niet in clubverband deden. De participatiedrempels voor sporten in clubverband (weergegeven in figuur 18) komen in grote mate overeen met deze voor sporten in het algemeen. De taalbarrière blijkt ook hier de voornaamste participatiedrempel te zijn, met 40,5% van de sportende jongeren die niet bij een sportclub gaan omdat ze het Nederlands nog niet voldoende machtig zijn. Daarnaast geven respondenten ook aan liever alleen of met vrienden dan in een club te sporten (38,4%), liever thuis te blijven (19,1%) of gewoon geen zin te hebben om te sporten in een club (15,6%). Verder zien we dat ook hier sociale drempels of informatiedrempels een rol spelen: 23,3% gaat niet naar een sportclub omdat hij/zij er niemand kent, 21,6% weet geen sportclub in de omgeving zijn. Drempels van een meer praktische aard spelen ook een rol met betrekking tot participatie aan sportclubs en -verenigingen. Het gaat hier dan meer specifiek om leerlingen die geen tijd hebben om bij een sportclub

46


te gaan (14,5%), voor wie de sportclub te ver weg is/onbereikbaar is (9,9%) of voor wie het lidmaatschap van een sportclub te duur is (8,6%). Verder duidde 8% de restcategorie aan, waarbij het dan bijvoorbeeld ging om jongeren die nog niet de juiste verblijfspapieren hadden om lid van een sportclub te worden, e.d..   Figuur 18: Participatiedrempels voor sporten (meerdere antwoorden mogelijk; n = 205) Ik ken niet genoeg Nederlands

40,0%

Ik heb er geen zin in

26,3%

Ik ken er niemand

24,9%

Ik blijf liever thuis

24,4%

Ik weet niet waar ik dat kan doen

22,9%

Ik heb er geen tijd voor

17,1%

Ik ben te moe

10,2%

Het is te duur

7,8%

Een andere reden

7,3%

Mijn ouders/voogd willen het niet

6,9%

Niemand kan mij brengen

6,8% 3,4%

Het is te ver Ik voel me daar niet welkom Er is geen bus of trein naartoe 0%

2,4% 1,0% 5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

Figuur 19: Participatiedrempels voor sportclubs of -verenigingen (meerdere antwoorden mogelijk; n = 524) Ik ken niet genoeg Nederlands

40,5% 38,4%

Ik doe het liever alleen of met vrienden Ik ken er niemand

23,3%

Ik weet niet waar ik dat kan doen

21,6%

Ik blijf liever thuis

19,1% 15,6%

Ik heb er geen zin in Ik heb er geen tijd voor

14,5%

Het is te ver

9,9%

Het is te duur

8,6%

Een andere reden

8,0% 7,6%

Ik wil niet samen douchen Ik heb niet de juiste kledij

6,5%

Ik voel me daar niet welkom

6,1%

Ik ben te moe

5,9%

Niemand kan mij brengen

5,3%

Er is geen bus of trein naartoe Mijn ouders/voogd willen het niet 0%

3,4% 2,5% 10%

20%

30%

40%

50%

47


Voor de culturele activiteiten werd eveneens een onderscheid gemaakt tussen enerzijds redenen voor non-participatie aan de activiteiten zelf (m.a.w. de jongeren die aangaven niet te tekenen, dansen, muziek spelen, …) en anderzijds de drempels naar het georganiseerde aanbod voor jongeren die wel een culturele activiteit beoefenen maar niet aangesloten zijn bij een vereniging hiervoor. Wat de drempels voor culturele activiteiten zelf betreft, geven de leerlingen vooral aan niet goed genoeg te zijn in deze activiteiten of er niet in geïnteresseerd te zijn. Zo schrijft ruwweg de helft van de respondenten die niet dansen, tekenen of muziek spelen dit toe aan het feit dat ze het niet kunnen of er niet goed in zijn. Daarnaast blijken veel jongeren geen interesse te hebben in deze activiteiten: 44-45% heeft geen zin in tekenen/schilderen en zingen/een instrument spelen, terwijl dit voor dansen zelfs 54,3% is. Verder stelt 12 tot 16% geen tijd te hebben voor deze activiteiten. Bij de drempels die OKAN-leerlingen ervaren naar het georganiseerd aanbod van culturele activiteiten toe (weergegeven in figuur 21), gaat het meer specifiek om de leerlingen die wel een activiteit in de culturele sfeer beoefenen, maar dit niet in club- of verenigingsverband doen. Ook hier zien we een zeker gebrek aan interesse in het georganiseerde vrijetijdsaanbod: 36-37% stelt geen zin te hebben om naar een dans, teken- of muziekschool te gaan, terwijl circa een vierde aangeeft liever thuis te blijven. Net zoals bij sportactiviteiten, is de taalbarrière ook hier een drempel voor de aansluiting met het vrijetijdsaanbod, met 27 tot 31% van de leerlingen die niet naar een club of vereniging gaan omdat ze het Nederlands nog niet voldoende machtig zijn. En ook hier zien we dat er sprake is van een zeker informatietekort omtrent het bestaande aanbod van culturele activiteiten. Zo geeft ongeveer 20% aan niet te weten waar er een dansschool, tekenschool of muziekschool is. In dit verband is het ook belangrijk om erop te wijzen dat ongeveer 1 op 10 aangeeft niet naar een muziekschool, tekenschool of dansschool te gaan omdat ze niet weten wat dit is. Verder spelen ook tijdsgebrek en sociale barrières een rol: 17% tot 19% van de jongeren die wel een culturele activiteit beoefenen, heeft geen tijd om dit in clubverband te doen, terwijl 13% tot 17% aangeeft niet naar een club of vereniging te gaan omdat ze daar niemand kennen. Ten slotte zien we ook dat 7,3% aangeeft niet naar een muziekschool of dergelijke vereniging te gaan omdat dit te duur is (voor dans- en tekenschool is dit respectievelijk 5,6% en 4,1%).

Figuur 20: Participatiedrempels culturele activiteiten (meerdere antwoorden mogelijk)

47,5%

Ik kan het niet

Andere

Ik ben te moe

Mijn ouders/voogd willen het niet

53,2% 51,1%

3,5%

0%

10,2% 7,4%

6,6% 5,4% 2,5% 3,0% 0,2% 2,8%

Ik heb er geen tijd voor Het is te duur

54,3%

44,9% 43,6%

Ik heb er geen zin in

12,2%

15,8%

0,5% 2,7% 10%

20%

30%

Dansen (n = 609)

40%

50%

Tekenen/schilderen (n = 425)

Muziekinstrument spelen of zingen (n = 565)

48

60%


Figuur 21: Participatiedrempels georganiseerd aanbod culturele activiteiten (meerdere antwoorden mogelijk)   36,4% 37,3% Ik heb er geen zin in 37,2% 26,8% 27,6%

Ik ken niet genoeg Nederlands

30,9%

25,2% 25,5% 23,7%

Ik blijf liever thuis 20,0% 19,1% 19,6%

Ik weet niet waar ik dat kan doen

17,2% 18,9% 18,0%

Ik heb er geen tijd voor

Ik ken er niemand

13,2%

16,8% 16,6%

11,2% 11,1% 9,5%

Ik ken dat niet 5,6% 4,1% 7,3%

Het is te duur

5,6% 7,8% 7,3%

Een andere reden

5,6% 4,4% 6,3%

Niemand kan mij brengen

Ik ben te moe

6,0% 5,1% 4,7%

Het is te ver

6,0% 5,1% 3,8% 5,6% 2,1% 3,5%

Mijn ouders/voogd willen het niet

3,6% 3,5% 1,9%

Ik voel me er niet welkom

0,4% 1,4% 0,9%

Er is geen bus of trein naartoe 0%

5%

10%

15%

Dansschool of vereniging (n = 250)

20%

25%

30%

35%

40%

Tekenenschool of vereniging (n = 434) Muziekschool of vereniging (n = 317)

49


We zagen in paragraaf 5.3. over de vrijetijdsactiviteiten reeds dat de participatie van OKAN-leerlingen aan jeugdverenigingen en -bewegingen zeer gering is. In figuur 22 vinden we de frequenties terug voor de verschillende participatiedrempels met betrekking tot het aanbod van jeugdwerk/jeugdverenigingen. Ook hier geeft een aanzienlijk deel van de respondenten aan niet naar een jeugdvereniging te gaan door een gebrek aan motivatie en interesse. Zo stelt 41% geen zin te hebben om naar een vereniging te gaan, en 21,7% liever thuis te blijven dan naar een jeugdvereniging te gaan. De taaldrempel speelt hier ook mee, met ongeveer 1 op 4 die niet naar een jeugdclub gaan omdat ze het Nederlands nog niet genoeg beheersen. Ook opmerkelijk is het feit dat 23,5% aangeeft niet te weten wat een jeugdvereniging is. De OKAN-leerlingen waren dikwijls niet vertrouwd met het concept van een jeugdvereniging, en dit vereiste tijdens de afname van de vragenlijst vaak nog extra toelichting. Gebrek aan kennissen in een jeugdclub blijkt ook hier een drempel naar vrijetijdsaanbod toe, met ongeveer 1 op 5 die niet naar jeugdclub gaan omdat ze er niemand kennen. Ten slotte zien we ook dat respectievelijk 16,5% en 13,5% niet weten waar ze naar een jeugdvereniging kunnen gaan of geen tijd hebben om naar een jeugdbeweging te gaan.

Figuur 22: Participatiedrempels jeugdvereniging (meerdere antwoorden; n = 793)   Ik heb er geen zin in

41,0% 25,9%

Ik ken niet genoeg Nederlands Ik ken dat niet

23,5%

Ik blijf liever thuis

21,7%

Ik ken er niemand

20,9%

Ik weet niet waar ik dat kan doen

16,5%

Ik heb er geen tijd voor Ik ben te moe

5,0%

Ik voel me er niet welkom

4,7%

Niemand kan mij brengen

4,5%

Een andere reden

4,2%

Het is te ver

4,0%

Mijn ouders/voogd willen het niet

3,3%

Het is te duur

3,0%

Er is geen bus of trein naartoe 0%

50

13,5%

1,3% 10%

20%

30%

40%

50%


We merkten reeds eerder op dat meisjes vaker dan jongens participeren aan culturele activiteiten. Maar niet alleen op het vlak van participatie stellen we genderverschillen vast, ook inzake de ervaren drempels op het vlak van de participatie aan culturele activiteiten doen er zich genderverschillen voor. Jongens blijken vaker niet gemotiveerd of geïnteresseerd te zijn in culturele activiteiten, terwijl voor meisjes taal-, informatie- en sociale drempels dan weer vaker dan voor jongens een reden zijn om niet te participeren. Meer dan de helft (56,1%) van de jongens geeft aan geen zin te hebben in deze activiteiten, terwijl dit bij de meisjes met 39,5% aanzienlijk minder is. Ook voor dans-, teken- en muziekscholen geven jongens vaker dan meisjes aan niet te participeren omdat ze hier geen zin in hebben (respectievelijk 50,9% en 37,3% ). Voor meisjes lijken andere drempels meer mee te spelen dan voor jongens. Zo stelt 35,5% van de meisjes die niet naar de dans-, teken- of muziekschool gaan dat het nog niet voldoende beheersen van Nederlands de/ een reden is hiervoor (tegenover 26,3% van de jongens). Het ontbreken van informatie over het bestaande aanbod blijkt voor meisjes meer mee te spelen als drempel: 30% van de meisjes weet niet waar ze naar de dans, teken- of muziekschool kunnen gaan (bij jongens ligt dit met 15,2% iets lager). Iets kleinere (doch significante) genderverschillen vinden we voor de sociale drempels en voor ouderlijke restricties: 21,5% van de meisjes gaat niet naar een vereniging omdat ze er niemand kennen (in vergelijking met 18,4% van de jongens), terwijl 6,4% van de meisjes aangeeft niet naar een vereniging voor culturele activiteiten te gaan omdat de ouders of voogd hier tegen zijn (bij de jongens 2,4%). Jongens geven dan weer vaker aan geen tijd te hebben voor tekenen/schilderen of zingen/een muziekinstrument spelen (15,9% tegenover 10,8% van de meisjes). Voor sportclubs zien we dat meisjes vaker dan jongens aangeven liever thuis te blijven dan naar een sportclub te gaan (25,8% van de meisjes tegenover 13,6% van de jongens). Meisjes blijken ook minder tijd dan jongens te hebben om naar een sportclub te gaan (respectievelijk 18% en 11,6%) en geven ook iets vaker aan te moe te zijn (8,8% van meisjes en 4% van jongens). En hoewel het percentage dat aangeeft niet naar een sportclub te mogen gaan van de ouders over het algemeen relatief laag is, valt ook hier op dat meisjes vaker dan jongens ouderlijke restricties blijken te ervaren. Zo stelt 5,1% van de meisjes die sporten dat ze niet naar de sportclub mogen gaan van ouders of voogd, terwijl dit voor de jongens bij slechts 0,7% het geval is. Opvallend is dat jongeren uit conflictgebieden of uit landen met een hoog percentage vluchtelingen vaker aangeven geen tijd te hebben om te participeren aan bepaalde vrijetijdsactiviteiten. Zo heeft 28,6% van deze jongeren geen tijd om te sporten, terwijl 30,7% aangeeft geen tijd te hebben om naar een teken-, dans- of muziekschool te gaan (dit in vergelijking met respectievelijk 10,9% en 20,1% voor leerlingen niet afkomstig uit een conflictgebied). In deze context valt ook op te merken dat jongeren die in een opvangcentrum wonen eveneens vaker aangeven geen tijd te hebben om bij een teken-/dans-/ muziekschool aan te sluiten. Zo geeft 37,1% van de jongeren in opvangcentra aan geen tijd te hebben om naar een vereniging voor culturele activiteiten te gaan, terwijl dit bij jongeren die ergens anders dan in een opvangcentrum wonen 21,7% is. Ook blijken jongeren die in opvangcentra wonen vaker te moe te zijn om naar een sportclub te gaan, met 14% van de jongeren in opvangcentra die niet naar een sportclub gaan omdat ze te vermoeid zijn, in vergelijking met 5% van de jongeren die niet in een opvangcentrum wonen. De OKAN-leerlingen die in opvangcentra verblijven, geven voor jeugdverenigingen ook vaker aan niet deel te nemen omdat ze niet weten wat een jeugdvereniging is (35,1% in vergelijking met 22,6% van degenen die niet in een opvangcentrum wonen). Verder zien we dat jongeren uit conflictgebieden in grotere mate te maken krijgen met ouderlijke restricties: 14,1% van hen stelt niet te gaan sporten omdat hun ouders of voogd hier tegen zijn (bij jongeren die niet

51


uit conflictgebieden komen is dit 3,1%). Ook geeft 12% van deze jongeren aan niet bij een sportclub te gaan omdat ze er niet de juiste kledij voor hebben, in vergelijking met 4,9% van de andere respondenten. Ze geven ook vaker aan zich niet welkom te voelen (5,7% versus 0,8%). Anderzijds stellen we vast dat jongeren die niet uit conflictgebieden komen vaker aangeven dat de taalbarrière en informatiegebrek een drempel zijn naar het vrijetijdsaanbod voor culturele activiteiten, dan jongeren die wel uit een conflictgebied komen. Over het algemeen ervaren jonge nieuwkomers dus verscheidene drempels die hun aansluiting bij het aanbod van vrijetijdsactiviteiten bemoeilijken. Het gaat hier dan naast de taalbarrière ook om een gebrek aan informatie, gebrek aan interesse of motivatie, sociale drempels, tijdstekort, vermoeidheid, financiële of praktische drempels … Veel van deze problemen kwamen ook ter sprake tijdens de focusgroepgesprekken, waar deze problemen ook diepgaander werden bediscussieerd. Het Nederlands bleef voor veel leerlingen in de focusgroepen de voornaamste reden om niet bij een club of vereniging te gaan. Voldoende Nederlands spreken werd door velen onder hen als een absolute voorwaarde gezien om aan vrijetijdsactiviteiten te participeren. Uit angst om niet te kunnen communiceren met de lesgever of met leeftijdsgenoten in een club/vereniging, werd deelname dan vaak gewoon uitgesteld tot wanneer de kennis van het Nederlands wel adequaat of op niveau zou zijn: [Vraag van moderator] En waarom kan je nu niet bij een muziekschool gaan? Waarom lukt het nu niet?

“Want ik denk nu, ik kan het Nederlands niet goed begrijpen, en dan ik ga naar daar en ze zeggen iets om te oefenen en dan ik begrijp dat niet, en dat is een probleem. En dat neemt tijd ook. En als ik het niet begrijp en ik niet goed kan spelen, dat is niet goed. Misschien drie of twee jaar… na drie jaar ga ik misschien.” - Meisje, 18 jaar, afkomstig uit Afghanistan

“Want de zanglessen is te veel praten en verstaan wat je moet doen, en bijvoorbeeld andere muziek of gitaar spelen, je kan dat tonen, maar voor zingen kan dat niet. Je moet het verstaan, echt verstaan. Dus ik wacht tot september en in september ga ik naar de muziekschool voor de zanglessen.” - Meisje afkomstig uit Brazilië Bij anderen waren het dan weer de ouders die hun kind niet bij een club of dergelijke wilden inschrijven vooraleer die voldoende Nederlands beheerste. Uit de focusgroepen bleek tevens dat deelname aan het vrijetijdsaanbod door sommige jongeren gewoon minder belangrijk bevonden werd dan andere, meer prioritaire zaken of verplichtingen, zoals Nederlands leren en studeren voor school. Vaak kwam de vrije tijd dan op de tweede plaats, na meer dringende zaken:

52


[Vraag van moderator] Waarom gaan jullie dan niet [bij een voetbalclub]?

“Want ik moet studeren. Ik wil mijn tijd niet verspillen aan voetbal. Mijn studie is momenteel belangrijker. Misschien in de zomervakantie schrijf ik me ergens in bij een club.” - Jongen, 15 jaar, afkomstig uit Syrië en Libanon Net zoals in de survey zeiden sommige leerlingen tijdens de focusgroepen niet te participeren aan vrijetijdsactiviteiten omdat ze hier geen zin in hadden of dit liever in niet-georganiseerd verband deden. Tijdens de focusgroepen zeiden ze dan bijvoorbeeld niet bij een club of vereniging te gaan omdat ze hun hobby liever op een zelfstandige manier beoefenen, in alle rust en vrijheid en zonder de inmenging van een begeleider of coach. Ook de sociale drempels die uit de surveyresultaten bleken, kwamen tijdens de focusgroepen ter sprake. Ze stelden dan dat het achterlaten van een hechte vriendengroep in het land van herkomst, en het gebrek aan een dergelijk sociaal netwerk in België, redenen waren om in België niet aan het vrijetijdsaanbod te participeren. En zoals eerder reeds werd aangehaald, werden vooral de eerste maanden in België gekenmerkt door eenzaamheid en veel tijd die alleen en thuis werd doorgebracht. Sommigen zeiden ook niet altijd op de hoogte te zijn van waar ze bepaalde zaken konden doen (cfr. de informatiedrempel die eerder besproken werd). Ook de meer praktische drempels kwamen ter sprake tijdens deze gesprekken, zoals een club die te ver weg is of het feit dat er voor bepaalde hobby’s geen club bestond in de omgeving. Hoewel dit in de surveyresultaten minder naar boven kwam, zeiden sommige participanten van de focusgroepen zich niet welkom te voelen als migrant of vluchteling (bv. een jongen die niet bij een voetbalclub ging omdat hij had gehoord dat deze geen vluchtelingen toeliet).

Impact van participatie aan het georganiseerd vrijetijdsaanbod Waar nieuwkomers dus om verschillende redenen niet deelnemen aan het vrijetijdsaanbod, wezen de jongeren die dit wel deden vooral op de positieve impact van deze ervaring. Aansluiting bij een vereniging had vooral een positieve impact in de zin dat het de jongeren hielp met het uitbreiden van hun sociale kring (ook met niet-nieuwkomers) en met het leren van de taal, en hen eveneens de kans gaf om zich te verdiepen in een hobby of passie. Ze spraken steeds wel van de initiële angst om als nieuwkomer vreemd te worden gevonden, of vanwege de taalbarrière niet te kunnen communiceren met anderen in de club/ vereniging. En hoewel de eerste keren omwille van de taal- en sociale drempels vaak moeizaam verliepen, gaven de leerlingen aan dat dit gaandeweg verbeterde en het lidmaatschap van een club/vereniging hen de gelegenheid gaf om vrienden te maken en hun kennis van het Nederlands te verbeteren:

53


[Vraag van moderator] Ok, en jullie zeggen dus dat jullie al even bij een club spelen. Als je vergelijkt met hoe het eerst was en hoe het nu is… is er dan een verschil of…?

“Ja, er is een groot verschil tussen nu en vroeger. Vroeger was het zo, wij hadden één maand, twee maanden geen training gehad en dan komen wij ons hier in België inschrijven voor taekwondo. En ik kon nog geen Nederlands praten, en ik begreep ook niet wat de coach zei en zo, wij begrijpen het niet als coach zegt wat wij doen (…) Nu begrijpen wij alles wat de coach zegt en wat wij moeten doen. En wij spreken ook met Belgische kinderen.” - Jongen afkomstig uit Afghanistan

“Als er een groep van 10 Belgen is en jij de enigste nieuwkomer in de groep bent, gaan ze zich niet goed voelen want ze kennen jou niet. Het betekent niet dat ze jou haten, maar ze kennen elkaar en voelen zich goed bij elkaar. Ze hebben tijd nodig om met jou te kunnen omgaan. (…) In de club voelde ik me in het begin niet goed. Ze waren allemaal Belg. Ze kenden elkaar en ik was nieuw in de groep. Ze accepteerden me niet direct. En mijn aanwezigheid verheugde hen niet. (…) Ik begon mezelf te bewijzen en ik begon met hen te praten om de afstand tussen ons te verkleinen. We hebben elkaar leren kennen en daarna werden we vrienden.(…) Er waren gemeenschappelijke dingen tussen ons. Als er iets gemeenschappelijk tussen mensen is, dan kunnen ze snel vrienden worden.” - Jongen, 18 jaar, afkomstig uit Syrië

54


BESLUIT

Belangrijkste bevindingen Eerder onderzoek wees reeds op het belang van deelname aan het (georganiseerd) vrijetijdsaanbod en het beleven van een kwaliteitsvolle vrije tijd voor het welzijn, de integratie en inclusie van jongeren die net gemigreerd zijn (Block & Gibbs, 2017; De Clerck et al., 2014; Stack & Iwasaki, 2009). Het biedt ruimte en gelegenheid om (Belgische) leeftijdsgenoten te ontmoeten, het Nederlands in een meer informele en niet-schoolse context te leren gebruiken en even de stress en zorgen die men als jonge nieuwkomer vaak heeft te vergeten. Vrijetijdsactiviteiten bieden jongeren de mogelijkheid om sociale banden en bruggen te bouwen met het nieuwe thuisland, maar zijn tevens van cruciaal belang in de (sociale) identiteitsvorming van jongeren. Hoewel deelname aan het vrijetijdsaanbod uiteraard een keuze en geen verplichting is, wijzen dergelijke studies wel op het maatschappelijk en persoonlijk belang van vrijetijdsbesteding voor deze specifieke doelgroep. Dit onderzoek beoogt zicht te krijgen op de beleving van vrije tijd en de vrijetijdsbesteding van leerlingen uit de onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers (OKAN) – welke verwachtingen en interesses zij koesteren omtrent hun vrije tijd, hoe zij hun vrije tijd invullen en welke problemen ze daarbij ondervinden. Er bestond weliswaar reeds kwalitatief onderzoek over deze thematiek in Vlaanderen, maar het betrof hier vooral meer kleinschalige projecten die op specifieke groepen inzoomden. Het ontbreken van representatieve kwantitatieve data over dit onderwerp vormde de aanleiding van dit onderzoek. Met de huidige studie wensten we nieuwe inzichten te bieden op basis van een grootschalige survey bij OKAN-leerlingen. Met een respons van 1.074 bruikbare vragenlijsten werd een grote en representatieve groep van OKANleerlingen bereikt. Voorafgaand aan dit onderzoek organiseerden we tevens negen focusgroepgesprekken met OKAN-leerlingen. Deze gesprekken leverden niet enkel input voor de ontwikkeling van de vragenlijst, maar verduidelijkten tevens de surveyresultaten. We overlopen hieronder de belangrijkste vaststellingen uit beide onderzoeksluiken. Met betrekking tot de prioriteiten en verwachtingen van de jonge nieuwkomers over hun vrijetijdsbesteding, leren we uit zowel de surveyresultaten als de focusgroepen dat het onder de knie krijgen van het Nederlands een absolute prioriteit vormt voor jongeren die recent geïmmigreerd zijn. De taalverwerving en het leren van de Nederlandse taal krijgen bijgevolg meer aandacht dan recreatieve vrijetijdsbesteding. Meer nog, vrijetijdsactiviteiten worden uitgesteld naar een moment waarop jonge nieuwkomers hun kennis van de Nederlandse taal voldoende achten. De cijfers over participatiedrempels tonen eveneens dat de taal een groot struikelblok blijft om te participeren aan het vrijetijdsaanbod voor heel wat nieuwkomers . Verder zeggen nieuwkomers in hun vrije tijd vooral tijd voor zichzelf te willen hebben, om zich te kunnen verdiepen in hun hobby’s of nieuwe zaken te ontdekken. Wanneer we kijken naar de manier waarop OKAN-leerlingen hun vrije tijd effectief invullen, stellen we vast dat deze zich grotendeels in niet-georganiseerd verband afspeelt. Hoewel er wel op frequente basis aan sport en culturele activiteiten wordt gedaan (de eerste activiteit meer door jongens, de laatste dan weer meer door meisjes), gebeurt dit slechts in beperkte mate via clubs of verenigingen. Vooral wanneer de vergelijking gemaakt wordt met leeftijdsgenoten in het regulier onderwijs, zien we dat de aansluiting

55


met sport- en jeugdverenigingen duidelijk lager ligt bij de jonge nieuwkomers. Voor culturele verenigingen/ verenigingen voor kunstbeoefening is dit verschil veel minder uitgesproken en voor sommige activiteiten zelfs afwezig. Ook in vergelijking met jongeren met een migratieachtergrond in het regulier onderwijs ligt de deelname van OKAN-leerlingen aan het aanbod van sport en jeugdwerk lager. Veel van hun vrijetijdsbesteding gebeurt thuis of in een niet-georganiseerde context, waarbij dagelijks een groot deel van hun vrije tijd uitgaat naar media gebonden activiteiten en bezigheden. Daarnaast gaat hun vrije tijd ook vaak naar huishoudelijke taken en verantwoordelijkheden, en dit in nog sterkere mate bij meisjes dan bij jongens. Bij de jongeren die wel deelnemen aan activiteiten in verenigingsverband, verliep de toeleiding voornamelijk via twee kanalen: enerzijds via het informele netwerk van familieleden en vrienden/klasgenoten, anderzijds via actoren binnen de school zoals leerkrachten, OKAN-coördinatoren, e.d. Tijdens de focusgroepgesprekken werd eveneens gewezen op de rol van schoolactoren bij het vinden vrijetijdsactiviteiten. Een meerderheid van de OKAN-leerlingen vond overigens dat de school voldoende informatie geeft over wat ze konden doen in hun vrije tijd. Dit onderzoek richtte zich tevens op de redenen voor de beperkte aansluiting van jonge nieuwkomers aan het formele en georganiseerde vrijetijdsaanbod en trachtte een meer representatief beeld te bekomen van de drempels die zij ondervinden bij hun deelname aan het bestaande vrijetijdsaanbod. Hoewel de redenen voor non-participatie divers zijn, komen bepaalde drempels wel prominent naar voor. De taaldrempel vormt net als voor het beoefenen van activiteiten in het algemeen ook voor vele jongeren een belangrijke reden om niet deel te nemen aan het georganiseerd aanbod. De deelname aan bepaalde activiteiten of verenigingen wordt uitgesteld omdat de Nederlandse taal nog onvoldoende ontwikkeld is. In de focusgroepen gaven leerlingen ook expliciet aan angst te hebben om vanwege hun gebrekkige kennis van het Nederlands niet te kunnen communiceren met anderen, of om als anderstalige nieuwkomer vreemd te worden bevonden. Hierdoor werden vrijetijdsactiviteiten of lidmaatschap van verenigingen soms uitgesteld of naar de achtergrond geschoven. Dit verklaart wellicht ook waarom de taalverwerving ook in de vrije tijd als zo prioritair wordt gezien door de OKAN-leerlingen. Naast het directe effect van taalbeheersing moeten we hiernaast zeker ook opmerken dat taal een erg zichtbare marker kan zijn voor verschillende aspecten van het ‘anders zijn’ of zich ‘anders voelen’. Het lijkt alsof andere barrières zoals financiële middelen of mobiliteit minder belangrijk zijn omdat de taaldrempel zo aanwezig is in de beleving van de OKAN-jongeren. Zeker voor toegang tot verenigingen speelt deze drempel een rol. Mogelijks kan de rol van taal ook een verklaring bieden waarom OKAN’ers sneller aansluiting vinden bij sportverengingen, omdat deze minder talige interactie vereisen dan jeugdwerkorganisaties of culturele verenigingen. Een andere reden voor non-participatie die regelmatig terugkwam was een gebrek aan motivatie of interesse. Leerlingen gaven hierbij aan niet deel te nemen aan bepaalde activiteiten of verenigingen omdat ze er gewoonweg geen zin in hadden, liever thuis bleven of deze activiteiten liever alleen of met vrienden/ in een niet-georganiseerde context beoefenden. Het is hierbij ook belangrijk op te merken dat de eerste maanden of het eerste jaar in een nieuw land vaak ook een hectische en stressvolle periode is, die gepaard gaat met heel wat veranderingen en aanpassingen voor de nieuwkomer. Daardoor is lid worden van een club of vereniging geen prioriteit en wachten sommige jongeren misschien liever tot ze ‘gesetteld’ zijn vooraleer ze aansluiting bij verenigingen zoeken. Deze interessedrempel vormt overigens ook bij andere bevolkingsgroepen de belangrijkste drempel voor participatie.

56


Andere participatiedrempels die de survey toont, zijn wel specifieker voor jongeren die recent geïmmigreerd zijn. Zo bestaat er duidelijk ook een sociale barrière, waarbij het gebrek aan een sociaal netwerk in België en het feit dat men nog niemand kent in een club of vereniging wordt aangehaald als reden voor nonparticipatie. Zoals verder in dit besluit nog wordt aangehaald, stellen best wat OKAN-leerlingen zich alleen te voelen in de vrije tijd en nood te hebben aan een manier om vrienden te maken of nieuwe mensen te leren kennen. Naast de sociale drempel speelt er ook een zeker informatietekort mee. Respondenten geven aan niet op de hoogte zijn van de locaties waar ze bepaalde activiteiten kunnen doen of, zoals in het geval van jeugdverenigingen, gewoonweg niet weten wat de activiteiten inhouden. In deze context geeft ook een meerderheid van de respondenten aan meer informatie te wensen over wat zoal kan gedaan worden in de vrije tijd. Verder geven sommige jongeren aan geen tijd te hebben voor het lidmaatschap van verenigingen of bijvoorbeeld te moe te zijn om te sporten. Nieuwkomers zijn merkelijk minder tevreden over de vrije tijd dan hun leeftijdsgenoten in het regulier secundair onderwijs. Een groot deel van de nieuwkomers zou hun vrije tijd dan ook liever op een andere manier invullen dan nu het geval is. Bij het doorvragen naar meer specifieke aspecten van de vrije tijd, leren we tevens dat veel van de OKAN-leerlingen gevoelens van verveling en eenzaamheid ervaren in hun vrije tijd. Tijdens de focusgroepen werd dit gerelateerd aan het feit dat men als nieuwkomer in België terecht komt in een nieuwe wereld waarvan men de taal niet spreekt en waar men nog maar weinig sociale contacten heeft. We zien dat er bij deze jongeren dan ook een duidelijke behoefte is aan gelegenheden om vrienden te maken of met anderen in contact te komen. Zo gaf telkens een meerderheid van de respondenten aan meer plaatsen te wensen om mensen te leren kennen of om met vrienden samen te kunnen zijn. Het viel in de focusgroepgesprekken ten slotte op dat de OKAN-leerlingen die in hun vrije tijd wel lid zijn van een vereniging of participeren aan vrijetijdsactiviteiten in georganiseerd verband, dit over het algemeen ook op een positieve manier ervaren. Hoewel de eerste keren vaak moeizaam verliepen vanwege de taalen sociale barrières, vertelden deze jongeren dat dit gaandeweg verbeterde en zij het over het algemeen een positieve ervaring vonden. Het lidmaatschap van een vereniging of deel uitmaken van een team bood de jongeren de kans om via een gedeelde hobby of interesse contact te leggen met andere jongeren en op deze manier vrienden te maken, en ook hun kennis van het Nederlands te verbeteren. Deze bevinding ligt ook in de lijn van eerder onderzoek dat concludeerde dat participatie aan het vrijetijdsaanbod een positieve impact heeft op de gezondheid, welzijn, integratie en sociale netwerken van nieuwkomers (Block & Gibbs, 2017; De Clerck et al., 2014; Stack & Iwasaki, 2009). Net om deze reden zijn inzichten in de participatiedrempels en problemen die jonge nieuwkomers ondervinden omtrent vrijetijdsbesteding van belang. Aangezien de OKAN-leerlingen een diverse groep vormen, werd in dit onderzoek ook rekening gehouden met de sociale verschillen binnen de groep van nieuwkomers. Op het vlak van genderverschillen zien we een gelijkaardig patroon bij zowel OKAN-leerlingen als bij jongeren in het algemeen. Zo zijn jongens meer bezig met sport dan meisjes, terwijl meisjes meer vertegenwoordigd zijn in culturele activiteiten zoals dansen, tekenen en muziek spelen. Anderzijds zijn de meisjes onder de OKAN-leerlingen minder tevreden over bepaalde aspecten van hun vrijetijdsbesteding dan de jongens. Zo vervelen ze zich meer in hun vrije tijd, en geven ook vaker aan hun vrije tijd op een andere manier te willen invullen. De cijfers tonen eveneens enkele interessante verschillen tussen nieuwkomers naargelang hun woonsituatie of hun land van herkomst. Zo blijkt (vrije)tijdstekort een groter probleem te zijn voor jongeren in opvangcentra. Zij stellen namelijk vaker dat ze te weinig vrije tijd hebben of onvoldoende tijd hebben om

57


aan bepaalde activiteiten deel te nemen (bv. geen tijd hebben om naar een culturele vereniging te gaan). Jongeren die in een opvangcentrum verblijven, hebben tevens een grotere behoefte aan beter openbaar vervoer naar plekken voor vrijetijdsbesteding. Bepaalde problemen komen frequenter terug bij jongeren die uit conflictgebieden/landen met een hoog aantal vluchtelingen afkomstig zijn dan bij jongeren die niet uit dergelijke gebieden komen. Ze voelen zich bijvoorbeeld in grotere mate alleen in hun vrije tijd en zouden hun vrije tijd liever op een andere manier invullen. Wat hun verwachtingen of wensen over het aanbod betreft, heeft deze groep ook een grotere behoefte aan informatie over het vrijetijdsaanbod en aan beter transport naar plekken voor de vrijetijdsbesteding. Net zoals de jongeren in opvangcentra, hebben jongeren uit conflictgebieden te weinig tijd om bepaalde vrijetijdsactiviteiten uit te oefenen (bv. sporten of naar een culturele vereniging gaan). Ze beschikken ook vaker niet over de geschikte kledij of het juiste gerief om naar een sportclub te gaan. Ten slotte stellen we ook vast dat leerlingen uit conflictgebieden meer te maken hebben met ouderlijke restricties. Ze gingen bijvoorbeeld vaker dan de andere jongeren niet naar een sportclub omdat hun ouder(s) of voogd het niet toelieten.

Beleidsaanbevelingen

Uit dit onderzoek kwamen verschillende knelpunten naar voor met betrekking tot de vrijetijdsbesteding van jonge nieuwkomers. In deze paragraaf wordt gekeken welke implicaties dit onderzoek heeft voor het jeugd- en kinderrechtenbeleid en andere gerelateerde beleidsdomeinen, en op welke manier onze bevindingen zich kunnen vertalen naar concrete beleidsmaatregelen om de toegang van jongeren in migratie tot een waardevolle vrijetijdsbesteding en het huidige vrijetijdsaanbod te vergemakkelijken of te stimuleren.

TAAL Een belangrijk pijnpunt dat zowel in de surveyresultaten als in de focusgroepen werd gerapporteerd, was taal als drempel voor de toegang tot vrijetijdsverenigingen. Taal werkt op twee manieren als drempel. Een eerste drempel is de onzekerheid bij jonge nieuwkomers over hun bereikte niveau van taalverwerving. Hier gaat angst voor sociale uitsluiting mee gepaard. In de focusgroepen rapporteerden meerdere jongeren angst te hebben om vanwege de taalbarrière niet te kunnen communiceren met hun leeftijdsgenoten in een vereniging, of om als anderstalige nieuwkomer vreemd te worden gevonden door hun Nederlandstalige leeftijdsgenoten. Taal is een erg zichtbare marker om ‘anders zijn’ aan te duiden. We kunnen aannemen dat de mentale drempel om naar een organisatie te stappen hoog is voor veel jongeren als hun taalgebruik afwijkt van de norm. De observatie dat de groep OKAN-jongeren toch iets sneller aansluiting vindt in een sportclub ondersteunt deze hypothese: bij het sporten is er een minder talige interactie nodig dan bij jeugdwerkorganisaties of culturele verenigingen. Het ‘anders zijn’ wordt sneller overstegen zonder het zichtbare taalverschil. Dit onderzoek beveelt aan dat het beleid op zoek moet gaan naar nieuwe vormen van jeugdwerk en andere soorten vrijetijdsbesteding die tegemoet komen aan de noden van jonge mensen en die minder steunen op taalbeheersing. Het sensibiliseren binnen jeugdverenigingen over de moeilijkheid om aansluiting te vinden als de courant gebruikte taal van de vereniging niet je moedertaal is, kan ook nuttig zijn in het overwinnen van deze eerste taaldrempel.

58


Een tweede drempel is dat taalverwerving als prioritair wordt gezien. Vrijetijdsbesteding komt daardoor uit noodzaak op een tweede of derde plaats, na school en huiswerk. Onze resultaten uit de focusgroepen tonen echter dat jongeren die wel naar een club of vereniging gaan, dit als erg positief voor hun taalbeheersing hebben beleefd. Ook andere studies wijzen op het belang van het vertoeven in informele en vrijetijdscontexten waarin de nieuwe taal de voertaal is (Kristen, Mühlau & Schacht, 2016; Espenshade & Fu, 1997). Het leren van de tweede taal op een informele manier en via sociale interactie in een alledaagse context vormt volgens deze studies een cruciale aanvulling op het formele leren, vooral tijdens de eerste maanden. Onze resultaten ondersteunen deze bevinding. Naast een sterk OKAN-onderwijs dat inzet op het verwerven van het Nederlandse taal, lijkt het daarom erg belangrijk om in te zetten op een meer geïntegreerde taalverwerving. Het beleid zou dus nog meer kunnen inzetten op een geïntegreerde taalverwerving voor deze groep jongeren, door ook het vrijetijdsleven hierin te betrekken. Dit kan door het georganiseerde vrijetijdsleven meer te promoten als taalverwervingsmogelijkheid, natuurlijk zonder dat dat betekent dat organisaties moeten inboeten op de vrije ruimte die ze net willen creëren. De voordelen van leerkansen tijdens de vrijetijdsbesteding voor jonge nieuwkomers, maar ook de meerwaarde voor de bredere integratie in de maatschappij, kunnen dus meer in de verf gezet worden. De essentiële doelgroep waarbij hierover gesensibiliseerd moet worden zijn de ouders van jonge nieuwkomers en de nieuwkomers zelf. Naast meer algemene brochures waarin jonge nieuwkomers en hun ouders worden geïnformeerd over de rechten van kinderen in asielprocedures of over het OKAN-onderwijs, kan bv. ook gedacht worden aan brochures waarin kinderen en jongeren wegwijs worden gemaakt in het vrijetijdsaanbod en de positieve uitkomsten van deelname (zoals taalverwerving) worden benadrukt. Ook de organisaties uit de vrijetijdssector spelen hierbij een belangrijke rol. Als ook zij voldoende zijn gesensibiliseerd, kunnen ze de betekenis van vrije tijd voor deze jongeren in functie van taalverwerving en integratie beter uitdragen naar potentiële deelnemers. Een andere optie is het versterken van reeds bestaande initiatieven die werken in de witruimte tussen onderwijs en vrije tijd, al moet er goed worden bewaakt dat vrijetijdsparticipatie voor deze jongeren geen extra taalles wordt. We benadrukken dat we niet aanbevelen dat vrijetijdsverenigingen veranderen in taallessen of dat vrijwilligers de rol van leerkrachten toebedeeld krijgen. Vrije tijd is boven alles een tijd waarin de jongere de vrijheid heeft om los van doelstellingen gewoon zichzelf te zijn.

ISOLEMENT EN EENZAAMHEID OKAN-jongeren rapporteren in de survey opvallend veel dat ze eenzaam zijn in hun vrije tijd. Veertig procent van de jongeren voelt zich vaak alleen. Uit de focusgroepen kwam ook naar voor dat ze zich soms uitgesloten voelen als ze wel de stap maken om zich aan te sluiten bij een vereniging. In de OKAN-klas voelen ze zich wel welkom. Uit de getuigenissen blijkt een sterke veerkracht van de jongeren om contacten te leggen en de verschillen te overstijgen door op zoek te gaan naar overeenkomsten. Het sociaal isolement wordt vaak bestendigd en versterkt door structurele elementen, zoals fysiek gescheiden worden van jongeren uit het regulier secundair onderwijs. Zelfs als de OKAN-lessen en de reguliere lessen op dezelfde locatie zijn, zijn er aparte pauzetijden voorzien, waardoor de jongeren elkaar niet ontmoeten op de speelplaats. Nochtans zijn vrienden en leeftijdsgenoten belangrijke toeleiders naar georganiseerde vrije tijd. Het voorzien van mogelijkheden tot contact tussen jonge nieuwkomers en jongeren uit het reguliere onderwijs is belangrijk. We raden het beleid dan ook aan om OKAN-klassen zo dicht mogelijk bij het reguliere aanbod te organiseren

59


en pauzetijden gezamenlijk te houden. We wijzen er echter op dat fysieke nabijheid geen garantie is voor diepgaand contact. Er moet worden nagedacht over het faciliteren van meer duurzame relaties tussen OKAN-leerlingen en leerlingen uit regulier onderwijs. Met betrekking tot het sociaal isolement verklaarden de OKAN-leerlingen ook behoefte te hebben aan een ontmoetingsplek om samen met vrienden te zijn of nieuwe mensen te kunnen ontmoeten. Beleidsmatig is het dus belangrijk om actief de ontmoetingskansen tussen OKAN-leerlingen en hun leeftijdsgenoten buiten de OKAN-klassen te bevorderen, zowel binnen als buiten de schoolmuren. Dit kan bijvoorbeeld via lokale ontmoetingsplaatsen zoals multisportpleinen of creatieve en sociale ontmoetingsplaatsen. Het gros van het huidige aanbod veronderstelt dat jongeren op reguliere basis deelnemen aan activiteiten op specifieke locaties, terwijl multisportpleinen of vrij toegankelijke culturele of sociale ontmoetingsplaatsen ook toelaten om op een minder formele manier, eventueel samen met ouders of broers/zussen kennis te maken met vrijetijdsactiviteiten. Het is belangrijk om niet louter te focussen op de reguliere of ‘klassieke’ verenigingen, maar ook initiatieven te bieden waar nieuwkomers op een toegankelijke, laagdrempelige manier kunnen proeven van het vrijetijdsaanbod. Het promoten en communiceren van dergelijke plekken of initiatieven op een manier die aangepast is aan de doelgroep is eveneens belangrijk. Lokale besturen en jeugdwerkers zouden eveneens een belangrijke rol inzake communicatie kunnen spelen. Zo zouden gemeenten aanspreekpunten of wijkwandelingen kunnen aanbieden voor nieuwkomers waarin specifieke aandacht uitgaat naar vrijetijdsmogelijkheden en -aanbod. Met betrekking tot het ondersteunen en informeren van nieuwkomers wijzen De Clerk en collega’s (2014) ook op enkele interessante bestaande initiatieven, zoals organisaties die anderstalige medewerkers inzetten, of scholen die met ex-OKAN-leerlingen werken als informant. Op deze manier worden OKANleerlingen begeleid naar het vrijetijdsaanbod door iemand die hun taal spreekt en/of vertrouwd is met hun situatie als jongere in migratie. Uit de focusgroepgesprekken bleek dat de leerlingen het gevoel van sociaal isolement en verveling het sterkst ervaarden in de periodes buiten OKAN, en dan vooral in de maanden voor het starten in het OKAN en in de maanden van de zomervakantie. Het is dan ook relevant om te kijken op welke manier tijdens deze periodes betekenisvolle activiteiten voor jonge nieuwkomers ontwikkeld en naar hen gecommuniceerd kunnen worden. Het extra ondersteunen van initiatieven en aanbieders die kwaliteitsvolle vrije tijd organiseren in de zomermaanden kan een oplossing bieden.

KWETSBARE GROEPEN Bepaalde problemen deden zich in sterkere mate voor bij jongeren die in opvangcentra woonden of bij jongeren afkomstig uit conflictgebieden. Jongeren in opvangcentra stelden bijvoorbeeld vaker te weinig vrije tijd te hebben en rapporteerden vaker dat ze beter (openbaar) vervoer wensen naar plekken voor de vrijetijdbesteding. Aangezien deze jongeren net een zeer kwetsbare groep vormen (door isolatie van familieleden, door de specifieke woonsituatie die gebonden is aan regels, door trauma in het land van herkomst), is het voor vrijetijdsaanbieders relevant om te kijken welke initiatieven opgezet kunnen worden om deze specifieke groep te bereiken. Vrijetijdsactiviteiten die vlak voor of na de OKAN-lessen plaatsvinden zouden eventueel een oplossing kunnen bieden voor het gebrek aan tijd en verplaatsingsmogelijkheden. Ook meisjes rapporteren minder tevredenheid over hun vrijetijdsbesteding dan de ondervraagde jongens. Zij lijken extra kwetsbaar om geen kwaliteitsvolle invulling van hun vrije tijd te vinden. Ook voor deze groep zijn extra beleidsinspanningen nodig.

60


HOGE DREMPEL VOOR CULTURELE VERENIGINGEN In de deelname aan sportclubs en jeugdverenigingen zien we een gradiënt (Zie Figuur 13, pagina 35). OKANjongeren nemen het minste deel, gevolgd door jongeren met een migratieachtergrond die schoollopen in het regulier onderwijs en dan jongeren in het regulier onderwijs zonder migratieachtergrond. Voor deelname aan culturele verenigingen zien we dat de kloof tussen jongeren met een migratieachtergrond en jongeren zonder migratieachtergrond blijft bestaan, ook al schuiven jongeren door van een onthaalklas naar het regulier onderwijs. Dit kan een indicatie zijn dat reguliere culturele verenigingen in Vlaanderen weinig aantrekkelijk zijn voor jongeren met een migratieachtergrond. Een kwalitatief onderzoek naar de culturele vrijetijdsbesteding van jongeren met een migratieachtergrond kan hierin meer duidelijkheid brengen. Een dergelijk onderzoek zou kunnen blootleggen wat jongeren met een migratieachtergrond zoeken in een culturele vereniging. In het algemeen is het dus essentieel om relevante actoren bewust te maken van de voordelen van georganiseerde vrijetijdsbesteding voor deze doelgroep (o.a. het informeel leren van de taal, uitbouwen van een sociaal netwerk), evenals in te zetten op laagdrempelige en aangepaste informatie en communicatie over het vrijetijdsaanbod. Omdat redelijk wat jonge nieuwkomers eenzaamheid en verveling ervaren, is het ook belangrijk om voldoende ontmoetingsplaatsen te voorzien waar ze leeftijdsgenoten (ook jongeren van buiten het OKAN) kunnen ontmoeten en voldoende kansen te creëren voor deze jongeren om kennis te maken met of te proeven van het vrijetijdsaanbod. Verder onderzoek is nodig om concretere beleidsaanbevelingen te kunnen formuleren om tegemoet te komen aan de complexe noden van deze groep jongeren.

Beperkingen van het onderzoek en aanbevelingen voor verder onderzoek

Aangezien het uitvoeren van een surveyonderzoek over vrijetijdsbesteding bij OKAN-leerlingen geen precedent kent, is het relevant om deze bevraging ook als een pilootproject te zien, waaruit toekomstig onderzoek kan leren. Uit het huidige onderzoek kunnen we alvast volgende methodologische en praktische lessen trekken: • Ten eerste is het omwille van de hoge graad van analfabetisme efficiënter om tijdens de bevraging zelf te werken met een begeleider die de taal van de ongeletterde leerlingen spreekt. Voor enkele van de schoolbezoeken was er een Arabisch sprekende medewerker aanwezig, wat vooral voor de analfabete leerlingen binnen deze taalgroep een enorme hulp betekende. Voor het merendeel van de schoolbezoeken was dit echter niet het geval, en het afnemen van de vragenlijst bij analfabete leerlingen bleek dan ook vaak moeilijk. Vooral voor taalgroepen die een hogere ongeletterdheid kennen zoals Pashto, Dari, Somalisch en Arabisch, is het alvast een sterk voordeel om een begeleider te hebben die een van deze talen spreekt. De vragenlijst met luisteroptie bood hier wel een alternatief, maar vanwege de lengte van de vragenlijst en de eerder complexe vragen (sommige vragen hebben bv. meer dan 15 antwoordopties) verliep dit vaak moeilijk. Voor een eenvoudigere vragenlijst is het werken met een audio-vragenlijst wellicht wel een valabele optie, maar voor een langere of ingewikkeldere vragenlijst bleek dit toch moeilijk. Soms werden analfabete leerlingen samen gezet met een geletterde taalgenoot, maar ook dit was geen optimale oplossing. Door de grotere uitval van (quasi) analfabete leerlingen dreigt er dan ook een zekere bias in de respons te ontstaan.

61


• Daarnaast is het naar de ondersteuning van de leerlingen toe ook belangrijk steeds voldoende begeleiding te voorzien. Hoewel de behoefte aan hulp bij het beantwoorden van de vragenlijst sterk varieerde naargelang het taalniveau van de klas, dient het toch aangegeven te worden dat de aanwezigheid van enkel de onderzoeker en een leerkracht soms tekortschoot voor het ondersteunen van de leerlingen. • Met betrekking tot de vertalingen van de vragenlijst is het verder belangrijk te wijzen op de veelheid aan talen onder de OKAN-leerlingen. Hoewel de 14 beschikbare talen wel een meerderheid van de leerlingen omvatten, werd vastgesteld dat sommige belangrijke taalgroepen ontbraken (o.a. Albanees, Berbers, Tigrinya). Uiteraard zijn er in dit verband ook praktische en budgettaire beperkingen, maar gezien de diversiteit aan talen onder OKAN-leerlingen is het toch aangewezen om de vragenlijst in een zo breed mogelijk gamma aan talen aan te bieden. • Verder is het bij het opstellen van de vragenlijst belangrijk rekening te houden met culturele verschillen en het feit dat bepaalde zaken anders begrepen of geïnterpreteerd kunnen worden door jongeren met een niet-Westerse achtergrond. Bij de vraag of de respondent voor zijn/haar komst naar België schoolliep, bestond er bijvoorbeeld enige onduidelijkheid over wat ‘school’ nu precies inhield. Voor sommige jongeren werd bv. de Koranschool ook als school beschouwd. Ook het concept van een jeugdclub of jeugdvereniging was voor veel jongeren nog onbekend. Hoewel hier ter verduidelijking voorbeelden van jeugdverenigingen werden gegeven, bleek vaak nog extra duiding nodig. Naar toekomstige bevragingen van nieuwkomers toe is het dus belangrijk om bepaalde concepten, die mogelijks nog nieuw zijn of onduidelijk zijn voor deze doelgroep, toe te lichten. • Ten slotte dient ook aangegeven te worden dat de timing van het onderzoek in de maanden oktoberdecember niet optimaal was. Aangezien de bevraging relatief vroeg in het schooljaar gebeurde, hebben nieuwkomers wellicht minder tijd of gelegenheid gehad om reeds kennis te maken met het (georganiseerde) vrijetijdsaanbod. Ook met betrekking tot de rol van de school als toeleider is een bevraging vroeger op het schooljaar niet optimaal. Tijdens de bevraging gaven leerkrachten vaak aan dat zij pas later op het schooljaar starten met het informeren van de leerlingen over vrije tijd of het vrijetijdsaanbod. Naar toekomstige bevragingen over de vrijetijdsbesteding bij OKAN-leerlingen is het dan ook aangewezen deze later in het schooljaar te organiseren, aangezien deze leerlingen tegen dan meer gelegenheid hebben gehad om kennis te maken met het vrijetijdsaanbod. In deze context kan het voor toekomstig onderzoek ook interessant zijn om ex-OKAN-leerlingen te bevragen over hun vrijetijdsbesteding en hun ervaringen met het vrijetijdsaanbod.

62


63


REFERENTIES AGODI (2016). Rapport onthaalonderwijs 2014-2015 en 2015-2016. Geraadpleegd op 05/04/2019 via http:// ebl.vlaanderen.be/publications/documents/106079. AGODI (2019). Cijfermateriaal - Onthaalonderwijs anderstalige nieuwkomers. Geraadpleegd op 5/04/2019 op https://data-onderwijs.vlaanderen.be/edulex/document.aspx?docid=13123. Beunen, S., Siongers, J., & Lievens, J. (2016). Cultuur leren smaken. Een onderzoek bij Vlaamse jongeren naar cultuurparticipatie en cultuureducatie. Gent: Steunpunt Cultuur – Onderzoeksgroep CuDOS – Universiteit Gent.Blanken, P. Barendregt, C. Zuidmulder, L. (2000) Community fieldwork: bringing drug users into research action. In J. Fountain (ed.), Understanding and responding to drug use: the role of qualitative research (pp. 291-296). European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA) monograph series, 4. Lisbon, EMCDDA. Block, K., & Gibbs, L. (2017). Promoting Social Inclusion through Sport for Refugee-Background Youth in Australia: Analysing Different Participation Models. Social Inclusion, 5(2), 91-100. Bradt, L., Van de Walle, T., Van der Eecken, A., Moerkerke, B. & Loeys, T. (2015). De invloed van sociodemografische kenmerken bij drop-out van jongeren uit georganiseerde sportactiviteiten. Sociologos, 36(4), 354-369. Candappa, M., & Igbinigie, I. (2003). Everyday worlds of young refugees in London. Feminist Review, 73(1), 54-65. De Clerck, H. M. L., Piqueray, E., Bruyne, D., Philips, I., & Truyts, I. (2014). Geïntegreerd eindrapport: 16 tot 18-jarige nieuwkomers uit derdelanden. De Kock, C., Decorte, T., Schamp, J., Vanderplasschen, W., Hauspie, B., Derluyn, I., Sacco, M. & Jacobs, D. (2016). Substance use among people with a migration background. A community-based participatory research study. Antwerpen: Garant. Derluyn, I., Mels, C. & Broekaert, E. (2009). Mental health problems in separated refugee adolescents. Journal of Adolescent Health, 44, 3, 291-297. Elchardus, M. & Smits,W. (2012). Participatieprofielen van etnisch culturele minderheden in Brussel. Een analyse op basis van gegevens over de leerlingen van het Nederlandstalig secundair onderwijs in Brussel. (working paper). Brussel: Vrije Universiteit Brussel, Onderzoeksgroep TOR. Elling, A. & Claringbould, I. (2005). Mechanisms of inclusion and exclusion in the Dutch sports landscape: who can and wants to belong? Sociology of Sport Journal, 22, 498-515. Espenshade, T. J., & Fu, H. (1997). An analysis of English-language proficiency among US immigrants. American Sociological Review, 62 (2), 288-305. Jovoki, E.M. (2000). Vrijetijdsbesteding van allochtonen en autochtonen in de openbare ruimte. Een onderzoek naar de relatie met sociaal-economische en etnisch-culturele kenmerken. Wageningen: Alterra. Kristen, C., Mühlau, P., & Schacht, D. (2016). Language acquisition of recently arrived immigrants in England, Germany, Ireland, and the Netherlands. Ethnicities, 16(2), 180-212. Krueger, R.A. (1998). Developing questions for focus groups. Focus group kid 3. London: Sage.

64


Ledoux, C. (2016) Kwaliteitsvolle opvang en begeleiding voor asielzoekers in België. De visie van Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Brussel: Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Lievens, J., Siongers, J. & Waege, H. (2015). Participatie in Vlaanderen. Eerste analyses van de Participatiesurvey 2014. Leuven, ACCO. Lievens, J., Siongers, J. & Beunen, S. (2016) Kulturelle Bildung und Teilhabe in Flandern. In S. Keuchel, S. Czerwonka en T. Schäfer. (eds.) Perspectiven Kultureller Bildung in Europa. Kulturelle Teilhabe und Kooperationen. Remscheid: Akademie der Kulturellen Bildung. Mels, C., Derluyn, I. & Broekaert, E. (2008). Social support in unaccompanied asylum seeking boys: a case study. Child: Care, Health and Development, 34¸6, 757-762. Morgan, D.L. (1997). Focus groups as qualitative research. London: Sage. Myria – Federaal Migratiecentrum (2017). Migratie in cijfers en rechten. Brussel: Myria. Noppe, J., Vanweddingen, M., Doyen, G., Stuyck, K., Feys, Y., Buysschaert, P. (2018). Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2018. Brussel: Agentschap Binnenlands Bestuur. Onderwijs Vlaanderen (2006). Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het voltijds gewoon secundair onderwijs. Geraadpleegd op 5/04/2019 op http://www.agodi.be/ cijfermateriaal-onthaalonderwijs-anderstalige-nieuwkomers. Onderwijs Vlaanderen (z.d.). Leerplicht voor kinderen met een andere nationaliteit. Geraadpleegd op 5/04/2019 op https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/leerplicht-voor-kinderen-met-een-andere-nationaliteit. Powell, R.A. & Single H.M. (1996). Focus groups, International Journal of Quality in Health Care, 8(5): 499-504. Siongers, J., & Lievens, J. (2014). Genderverschillen in cultuurparticipatie bij jongeren. In Spruyt, B. & Siongers, J. Gender (en): over de constructie en deconstructie van gender bij Vlaamse jongeren (pp. 59-80). ACCO. Spaaij, R. (2015) Refugee youth, belonging and community sport, Leisure Studies, 34:3, 303-318. Smits, W., Spruyt, B. & Van Droogenbroeck, F. (2015). Verenigde steden. Verschillen in participatie aan het verenigingsleven naar verstedelijking bij Vlaamse jongeren. Brussel: Onderzoeksgroep TOR-Vakgroep Sociologie, Vrije Universiteit Brussel. Stack, J.A.C. & Iwasaki, Y. (2009) The role of leisure pursuits in adaptation processes among Afghan refugees who have immigrated to Winnipeg, Canada, Leisure Studies, 28:3, 239-259. Tieberghien, J. & Decorte, T. (2008). Antwerps Drug- en Alcoholmonitor. Een lokale drugscene in beeld. Antwerpen: Acco. Van den Broek, A. & Keuzenkamp, S. (eds.) (2008). Het dagelijkse leven van allochtone stedelingen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Vandermeerschen, H., Vos, S., & Scheerder, J. (2016). Towards level playing fields? A time trend analysis of young people’s participation in club-organised sports. International Review for the Sociology of Sport, 51(4), 468-484. Vervliet, M., Lammertyn, J., Broekaert, E. & Derluyn, I. (2014). Longitudinal Follow-Up of the Mental Health of Unaccompanied Refugee Minors. European Journal of Child and Adolescent Psychiatry, 23, 5, 337-346. Walseth, K. & Strandbu, A. (2014). Young Norwegian-Pakistani women and sport: How does culture and religiosity matter? European Physical Education Review, 20(4), 489-507.

65


BIJLAGEN

Bijlage 1: Bijkomende tabellen

Deze bijlage bevat tabellen met bijkomende analyses omtrent de vrijetijdsbesteding van jonge nieuwkomers. Het betreft hier vooral verschillen naargelang achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd, gezins- en woonsituatie, en of de leerlingen al dan niet uit een conflictgebied afkomstig zijn. Indien er bij bepaalde analyses weinig of geen significante verschillen gevonden werden, wordt dit ook aangegeven. De belangrijkste resultaten van deze analyses worden overigens ook in het rapport zelf besproken.1

PRIORITEITEN QUA VRIJE TIJD2 Genderverschillen In mijn vrije tijd wil ik vooral…

Meisjes (n = 414)

Jongens (n = 484)

Mijn zorgen vergeten

57,0%

51,3%

Nieuwe dingen leren kennen

81,8%

76,2%

Nederlands leren*

81,2%

78,1%

Tijd voor mezelf hebben

75,2%

74,1%

Beter worden in iets

77,4%

79,1%

Actief zijn

67,7%

73,3%

Rusten, ontspannen*

73,1%

63,2%

Anderen helpen*

71,1%

63,4%

Samen met vrienden zijn*

75,1%

68,2%

In mijn vrije tijd wil ik vooral…

Woont in opvangcentrum (n = 50)

Woont niet in opvangcentrum (n = 830)

Mijn zorgen vergeten

42,0%

54,10%

Nieuwe dingen leren kennen*

70,8%

78,9%

Nederlands leren

75,5%

79,5%

Tijd voor mezelf hebben*

62,0%

75,5%

Beter worden in iets

67,3%

78,8%

Actief zijn

79,6%

70,6%

Rusten, ontspannen

61,2%

68,5%

Anderen helpen

67,3%

67,0%

Samen met vrienden zijn

68,0%

71,4%

Verschillen naargelang woonsituatie

1

66

Opmerking: significante verschillen aangeduid met een asterisk.


Verschillen tussen jongeren afkomstig uit een conflictgebied en jongeren niet afkomstig uit een conflictgebied In mijn vrije tijd wil ik vooral…

Niet-conflictgebied (n = 568)

Conflictgebied (n = 252)

Mijn zorgen vergeten

53,7%

54,80%

Nieuwe dingen leren kennen

79,8%

76,7%

Nederlands leren*

76,7%

84,1%

Tijd voor mezelf hebben*

79,3%

65,4%

Beter worden in iets

79,4%

77,3%

Actief zijn*

69,5%

75,2%

Rusten, ontspannen

68,5%

68,2%

Anderen helpen*

65,4%

70,0%

Samen met vrienden zijn

73,0%

67,6%

Geen significante verschillen in prioriteiten vrije tijd naargelang gezinssituatie, behalve voor item ‘Nieuwe dingen leren kennen’ (77% bij jongeren die met beide ouders wonen, 83,8% bij jongeren die met één ouder samenwonen en 74,1% bij degenen die zonder ouders wonen). Geen significante leeftijdsverschillen inzake prioriteiten vrije tijd, behalve voor items ‘Mijn zorgen vergeten’ (51,6% bij de 11-13-jarigen, 54% bij de 14-16-jarigen en 55,4% bij de 17-jarigen en ouder) en ‘Rusten, ontspannen’ (67,7% bij de 11-13-jarigen, 69,4% bij de 14-16-jarigen en 66,2% bij de 17-jarigen en ouder).

ALGEMENE TEVREDENHEID MET VRIJETIJDSBESTEDING Verschillen tussen jongeren afkomstig conflict- en niet conflictgebieden (significant verschil) Niet afkomstig uit conflictgebied (n = 592)

Afkomstig uit conflictgebied (n = 273)

Helemaal niet tevreden

6,4%

Niet tevreden

4,4%

Tussen beide

38,5%

Tevreden

29,2%

Heel tevreden

21,5%

Helemaal niet tevreden

8,4%

Niet tevreden

7,0%

Tussen beide

35,5%

Tevreden

22,7%

Heel tevreden

26,4%

67


Genderverschillen (significant verschil) Meisjes (n = 414)

Jongens (n = 492)

Helemaal niet tevreden

7,0%

Niet tevreden

6,0%

Tussen beide

42,8%

Tevreden

27,1%

Heel tevreden

17,1%

Helemaal niet tevreden

7,5%

Niet tevreden

4,7%

Tussen beide

33,1%

Tevreden

26,6%

Heel tevreden

28,0%

Leeftijdsverschillen (significant verschil) 11-13j (n = 303)

14-16j (n = 446)

17j en ouder (n = 166)

Helemaal niet tevreden 5,6%

7,6%

9,6%

Niet tevreden

3,3%

5,6%

7,8%

Tussen beide

37,3%

37,2%

38,6%

Tevreden

23,4%

29,8%

24,7%

Heel tevreden

30,4%

19,7%

19,3%

Geen significante verschillen in algemene tevredenheid naargelang woon- of gezinssituatie

SPECIFIEKE ASPECTEN VAN TEVREDENHEID MET VRIJETIJDSBESTEDING Genderverschillen

68

Meisjes (n = 404)

Jongens (n = 476)

Ik weet vaak niet wat te doen in mijn vrije tijd*

63,6%

53,4%

Ik heb te weinig vrije tijd

35,4%

36,0%

Ik voel me vaak alleen in mijn vrije tijd

43,2%

37,4%

Ik zou graag andere dingen doen in mijn vrije tijd*

76,1%

66,9%

Op school krijg ik genoeg informatie over wat ik kan doen in 64,3% mijn vrije tijd

64,3%


Verschillen naargelang gezinssituatie Woont met beide Woont met één Woont zonder ouders (n = 497) van beide ouders ouders (n = 147) (n = 237) Ik weet vaak niet wat te doen in mijn vrije 59,8% tijd

52,7%

62,6%

Ik heb te weinig vrije tijd*

33,6%

32,6%

50,4%

Ik voel me vaak alleen in mijn vrije tijd*

38,5%

39,1%

50,0%

Ik zou graag andere dingen doen in mijn 70,2% vrije tijd

73,4%

72,7%

Op school krijg ik genoeg informatie over 62,2% wat ik kan doen in mijn vrije tijd

66,2%

69,8%

Woont in opvangcentrum (n = 49)

Woont niet in opvangcentrum (n = 829)

Ik weet vaak niet wat te doen in mijn vrije tijd

56,3%

58,3%

Ik heb te weinig vrije tijd*

52,2%

35,3%

Ik voel me vaak alleen in mijn vrije tijd

46,8%

39,9%

Ik zou graag andere dingen doen in mijn vrije tijd

77,6%

71,3%

Op school krijg ik genoeg informatie over wat ik kan doen in 63,8% mijn vrije tijd

64,6%

Verschillen naargelang woonsituatie

Verschillen naargelang leeftijdscategorie 11-13j (n = 291)

14-16j (n = 438)

17j en + (n = 159)

Ik weet vaak niet wat te doen in mijn vrije 60,8% tijd*

53,9%

65,2%

Ik heb te weinig vrije tijd*

31,5%

36,3%

43,5%

Ik voel me vaak alleen in mijn vrije tijd*

33,4%

41,3%

49,0%

Ik zou graag andere dingen doen in mijn 70,2% vrije tijd

70,6%

75,5%

Op school krijg ik genoeg informatie over 70,3% wat ik kan doen in mijn vrije tijd*

61,9%

60,1%

69


Verschillen tussen jongeren afkomstig uit conflict- en niet-conflictgebieden Niet-conflictgebied (n = 584)

Conflictgebied (n = 257)

Ik weet vaak niet wat te doen in mijn vrije tijd

56,8%

63,0%

Ik heb te weinig vrije tijd*

34,2%

39,1%

Ik voel me vaak alleen in mijn vrije tijd

37,5%

46,5%

Ik zou graag andere dingen doen in mijn vrije tijd

68,3%

76,7%

Op school krijg ik genoeg informatie over wat ik kan doen in 63,6% mijn vrije tijd

66,4%

NODEN EN BEHOEFTEN VRIJETIJDSAANBOD Verschillen tussen jongeren afkomstig uit conflict- en niet conflictgebieden Niet-conflictConflictgebieden gebieden (n = 571) (n = 258) Er moet meer informatie komen over wat je kan doen in je 59,9% vrije tijd*

70,2%

Er moeten meer plaatsen komen om te sporten

62,0%

66,0%

Er moeten meer plaatsen komen waar ik mensen kan leren 66,7% kennen

69,9%

Er moeten meer plaatsen komen waar ik met vrienden kan 72,9% samen zijn

77,3%

Er moet beter vervoer zijn naar plaatsen voor de vrije tijd*

65,6%

55,0%

Voor deze items geen significante verschillen naargelang woonsituatie, behalve item ‘Er moet beter vervoer zijn naar plaatsen voor de vrije tijd’ (72,9% van jongeren in opvangcentra versus 67,6% jongeren niet in opvangcentra). Qua leeftijdsverschillen werden er significante verschillen gevonden voor items ‘Er moeten meer plaatsen komen waar ik mensen kan leren kennen’ (63,4% bij 11-13 jaar, 68,7% bij 14-16 jaar en 76,1% bij 17 jaar en ouder) en ‘Er moet beter vervoer zijn naar plaatsen voor de vrije tijd’ (52% bij 11-13 jaar, 59,9% bij 14-16 jaar en 66,2% bij 17 jaar en ouder). Qua genderverschillen werd er enkel een significant verschil gevonden voor item ‘Er moeten meer plaatsen komen om te sporten’ (68,5% bij de jongens versus 56,6% bij de meisjes).

70


DREMPELS VRIJETIJDSPARTICIPATIE Participatiedrempels sporten: verschillen tussen jongeren afkomstig uit conflict- en niet-conflictgebieden Niet-conflictgebied (n = 128)

Conflictgebied (n = 70)

Ik heb er geen zin in

28,9%

21,4%

Ik ben te moe

12,5%

7,1%

Het is te ver

3,9%

1,4%

Niemand kan mij brengen

7,0%

5,7%

Er is geen bus of trein naartoe

0,0%

1,4%

Ik heb er geen tijd voor*

10,9%

28,6%

Ik ken er niemand

21,9%

30,0%

Ik ken niet genoeg Nederlands

41,4%

35,7%

Ik weet niet waar ik dat kan doen

21,1%

24,3%

Ik voel me er niet welkom*

0,8%

5,7%

Mijn ouders/voogd willen het niet*

3,1%

14,1%

Het is te duur

5,5%

10,0%

Ik blijf liever thuis

25,8%

21,4%

Een andere reden

7,8%

7,1%

Voor sporten geen significante genderverschillen of verschillen naargelang woonsituatie. Geen significante verschillen voor drempels sporten naargelang gezinssituatie, met uitzondering van niet weten waar te kunnen sporten (15,1% bij jongeren die met beide ouders samen wonen, 36,8% bij degenen die met een ouder wonen en 19,4% bij degenen die zonder ouders wonen). Geen significante leeftijdsverschillen voor drempels sporten, met uitzondering het te duur zijn van sporten (3,9% van 11-13-jarigen, 7,4% van de 14-16-jarigen en 17,6% van 17-jarigen en ouder).

71


Drempels sportclub: genderverschillen Meisjes (n = 217)

Jongens (n = 301)

Ik doe het liever alleen of met vrienden

41,0%

35,5%

Ik heb er geen zin in

18,4%

14,0%

Ik ben te moe*

8,8%

4,0%

Het is te ver

9,7%

10,0%

Niemand kan mij brengen

4,6%

6,0%

Er is geen bus of trein naartoe

2,8%

3,7%

Ik heb er geen tijd voor*

18,0%

11,6%

Ik ken er niemand

26,3%

20,9%

Ik ken niet genoeg Nederlands

40,1%

40,2%

Ik weet niet waar ik dat kan doen

24,0%

19,6%

Ik voel me niet welkom daar

5,5%

6,3%

Mijn ouders/voogd willen het niet*

5,1%

0,7%

Het is te duur

7,4%

9,0%

Ik heb niet de juiste kledij

4,1%

7,6%

Ik wil niet samen douchen

8,3%

6,6%

Ik blijf liever thuis*

25,8%

13,6%

Een andere reden

5,5%

9,6%

Geen significante verschillen in drempels sportclub naargelang woonsituatie, behalve dat jongeren in opvangcentra vaker aangeven te moe te zijn voor sport vergeleken met jongeren die niet in opvangcentra wonen (14% vs 5%). Geen significante verschillen tussen jongeren uit conflictgebieden en niet-conflictgebieden op vlak van participatiedrempels sportclubs, met uitzondering van niet weten waar de sportclub is (13,3% bij jongeren uit conflictgebied versus 26,8% jongeren niet uit een conflictgebied), en niet de juiste kledij hebben (12% bij jongeren uit conflictgebied versus 4,9% jongeren uit niet-conflictgebied). Geen significante leeftijdsverschillen m.b.t. drempels sportclubs, met uitzondering van item ‘niemand kan mij brengen’ (5,3% bij 11-13-jarigen, 3,1% bij 14-16-jarigen en 11,5% bij 17-jarigen en ouder). Geen significante verschillen voor drempels sportclubs naargelang gezinssituatie.

72


Genderverschillen in drempels naar culturele activiteiten Meisjes (n = 377)

Jongens (n = 547)

Ik heb er geen zin in*

39,5%

56,1%

Ik ben te moe

5,8%

8,2%

Mijn ouders/voogd willen het niet

5,6%

1,3%

Ik kan het niet

54,6%

54,5%

Ik heb er geen tijd voor (enkel voorgelegd voor tekenen en muziek)*

10,8%

15,9%

Het is te duur (enkel voorgelegd voor tekenen en muziek)

1,8%

2,0%

Andere

12,5%

9,7%

Geen significante verschillen per gezinstype, leeftijdscategorie, woonsituatie. Geen significante verschillen tussen jongeren afkomstig conflictgebieden en jongeren niet afkomstig conflictgebieden, behalve voor item ‘ik heb er geen zin in’ (respectievelijk 45,5% en 53,4%). Genderverschillen drempels georganiseerd aanbod culturele activiteiten Meisjes (n = 330)

Jongens (n = 289)

Ik heb er geen zin in*

37,3%

50,9%

Ik ben te moe

7,3%

5,5%

Ik ken dat niet

13,0%

14,2%

Het is te ver

7,6%

5,5%

Niemand kan mij brengen

7,9%

5,9%

Er is geen bus of trein naartoe

0,6%

1,4%

Ik heb er geen tijd voor

20,9%

24,2%

Ik ken er niemand*

21,5%

18,4%

Ik ken niet genoeg Nederlands*

35,5%

26,3%

Ik weet niet waar ik dat kan doen*

30,0%

15,2%

Ik voel me er niet welkom

4,5%

4,5%

Mijn ouders/voogd willen het niet*

6,4%

2,4%

Het is te duur

7,9%

5,5%

Ik blijf liever thuis

30,3%

30,1%

Een andere reden

10,9%

8,7%

Geen significante verschillen per gezinstype, leeftijdscategorie, woonsituatie (behalve dat jongeren wonend in opvangcentra vaker aangeven geen tijd te hebben voor participatie aan aanbod culturele activiteiten: 37,1% van jongeren in opvangcentra versus 21,7% van jongeren niet in opvangcentra).

73


Participatiedrempels georganiseerd aanbod culturele activiteiten: verschillen tussen jongeren afkomstig uit conflict- en niet-conflictgebieden Niet-conflictgebied (n = 427)

Conflictgebied (n = 163)

Ik heb er geen zin in

44,5%

43,6%

Ik ben te moe

7,0%

4,3%

Ik ken dat niet

12,6%

17,8%

Het is te ver

6,3%

6,7%

Niemand kan mij brengen

7,5%

4,9%

Er is geen bus of trein naartoe

0,7%

2,5%

Ik heb er geen tijd voor*

20,1%

30,7%

Ik ken er niemand

19,4%

16,6%

Ik ken niet genoeg Nederlands*

33,7%

25,2%

Ik weet niet waar ik dat kan doen*

26,0%

17,8%

Ik voel me er niet welkom

4,2%

5,5%

Mijn ouders/voogd willen het niet

3,5%

6,7%

Het is te duur

7,0%

6,1%

Ik blijf liever thuis

30,4%

29,4%

Een andere reden

9,4%

8,6%

Participatiedrempels voor jeugdverenigingen: verschillen tussen jongeren afkomstig uit conflictgebieden en jongeren niet afkomstig uit conflictgebieden Conflictgebied (n = 247)

Niet-conflictgebied (n = 506)

Ik heb er geen zin in*

43,7%

36,0%

Ik ben te moe*

7,3%

3,8%

Ik ken dat niet

23,9%

23,7%

Het is te ver

6,1%

3,2%

Niemand kan mij brengen

6,1%

3,8%

Er is geen bus of trein naartoe

2,0%

1,0%

Ik heb er geen tijd voor

12,3%

16,6%

Ik ken er niemand

19,4%

21,7%

Ik ken niet genoeg Nederlands*

20,2%

28,3%

Ik weet niet waar ik dat kan doen

16,6%

17,4%

Ik voel me er niet welkom

4,0%

5,1%

Mijn ouders/voogd willen het niet*

6,1%

2,2%

Het is te duur

3,2%

2,8%

Ik blijf liever thuis*

12,6%

26,3%

Een andere reden

5,7%

3,2%

Geen significante genderverschillen inzake drempels voor jeugdverenigingen.

74


Geen significante verschillen naargelang gezinssituatie voor drempels jeugdvereniging, behalve voor de items ‘ik heb er geen tijd voor’ (16,9% bij jongeren die met beide ouders samen wonen, 7,4% bij degenen die met een ouder wonen en 12,5% bij degenen die zonder ouders wonen) en ‘ik heb er geen zin in’ (46,9% bij jongeren die met beide ouders samen wonen, 31,4 % bij degenen die met één ouder wonen en 36,1% bij degenen die zonder ouders wonen). Geen significante leeftijdsverschillen voor drempels jeugdvereniging, behalve voor item ‘ik ken er niemand’ (16% bij 11-13-jarigen, 22,9% bij 14-16-jarigen en 24,8% bij 17-jarigen en ouder). Geen significante verschillen naargelang woonsituatie voor drempels jeugdvereniging, met uitzondering van items ‘ik blijf liever thuis’ (22,9% bij jongeren in opvangcentra versus 7% bij jongeren niet in opvangcentra) en ‘ik ken dat niet’ (35,1% bij jongeren in opvangcentra versus 22,6% bij jongeren niet in opvangcentra).

75


Bijlage 2: Topiclijst voor focusgroepen met OKAN-leerlingen

1) Aanvang gesprek

Kort en simpel onderzoek toelichten, ‘spelregels’ focusgroep uitleggen, informed consent toelichten (en dat het gesprek opgenomen wordt), korte voorstellingsronde.

2) Inleidende vragen • Vrijetijdsactiviteiten: Wat doen jullie na school, op een woensdagnamiddag, in het weekend, in de vakantie (hier wordt gebruik gemaakt van een simpele weekkalender)? Doen jullie dit elke week, of soms?

• Met wie/waar doe je dit? (bv. mensen die ook uit Afghanistan komen, die je hier hebt leren kennen, die uit België komen …)

• Jongeren in opvangcentrum: wat kan je daar doen in vrije tijd? 3) Kernvragen

• Betekenis van vrije tijd: Wat vind je leuk aan deze dingen, waarom doe je ze graag? Als je aan vrije tijd denkt, aan wat denk je dan?

• Ondersteuning: Is er iemand die jou geholpen heeft (bv. gewoon met vrienden of met begeleider)? Is er iemand thuis of in het asielcentrum die jou kan helpen?

• Hoe was het de eerste keer toen je naar deze activiteit ging? Hoe is het nu?

• Vrijetijdsbesteding voor migratie: Wat deden jullie (in je vrije tijd) voor jullie in België woonden?

• Drempels: Wat zou je nog willen doen dat je nu niet kan doen? Waarom lukt het nu niet om deze dingen te doen? Noem eens iets dat je wil doen na school, maar nu niet kan doen. Waarom kan je dit nu niet doen?

• Toekomstige vrijetijdsbesteding: Wat zou er nog moeten veranderen zodat het beter zou worden voor jou? Wat zou je later graag doen in je vrije tijd, in de toekomst?

4) Afsluitende vragen

76

• Nagaan of er nog iets moet toegevoegd worden, of er iets over hoofd werd gezien, participanten bedanken.


Bijlage 3: Vragenlijst gebruikt voor de survey

Een digitale versie van de Qualtrics-vragenlijst kan geraadpleegd worden via vlaanderen.be/cjm/vrijetijdjongereninmigratie De filters die gebruikt werden, worden hieronder steeds weergegeven in blauwe kaders.

77


COLOFON Het onderzoeksrapport ‘Vrije tijd van jongeren in migratie’ is een uitgave van het Departement Cultuur, Jeugd en Media. Opdrachtnemer Universiteit Gent Auteurs Lucas Pissens, Jessy Siongers, John Lievens, Lieve Bradt, Ilse Derluyn Onderzoeksteam Lucas Pissens, Jessy Siongers, John Lievens, Lieve Bradt, Ilse Derluyn Stuurgroep Anne Bourgeois, Uschi Cop, Laure Emery, Sofie Iserbyt, Sarah Meys, Catherine Péters, Bart Pluym, Jolien Potemans, Chama Rhellam, Karen Stuyck, Piet Van Avermaet, Karen Van Laethem, Ann Vermeulen Eindredactie Uschi Cop en Tom Deschacht Verantwoordelijke uitgever Luc Delrue (Departement CJM) Vormgeving Wilderzicht www.wilderzicht.be Foto's Adobe Stock Druk Grafilux Printing Oplage 300 exemplaren Wettelijk depotnummer D/2019/3241/192

78


Departement Cultuur, Jeugd en Media Arenbergstraat 9 1000 Brussel cjm.vlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook