JÊSB
H
J.
Ui ^PPEN 21/2
MAART-APRIL 2002
TWEEMAANDELIJKS
Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20 - bus 7 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 82 34 - Fax (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack®lin.vlaanderen.be Coördinatie: LucTack Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns
Internet
Druk Die Keure
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Abonnementsvoorwaarden 2002 België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 c
Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 - Fax: (050)34 37 68
Redactiecomité
Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten ft Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Albert ll-laan 20 - Bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MftL-jaarabonnement 2001". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeyns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Cells, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck, A. Malliet, V. Meul, G. Plomteux, L Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch.Vanthillo, L Wylleman.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maaisesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Albert ll-laan 20-bus 7 1000 BRUSSEL Tel.: (02)553 82 36 - Fax: (02)553 80 95 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
u
K O-U 4
Brugge Werelderfgoed Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck
14
De Brugse S i n t - A n n a k e r k . Een weelderig barok i n t e r i e u r in een sobere parochiekerk Hugo Vandenborre en Anne Botte
32
M i d d e l e e u w s e Brugse h u i z e n : b o u w h i s t o r i s c h o n d e r z o e k in de F l o r e n t i j n s e loge en het huis H e r t s b e r g h e in de A c a d e m i e s t r a a t Dirk Van Eenhooge
46
Een b e t e g e l d e schouw in h e t O s t e r r i e t h - h u i s te Antwerpen Frans Caignie
63
Summary
ALPHA VOCHTTECHNIEK
VEELZIJDIG EN AL MEER DAN 23 JAAR ERVARING Injectiewerken - constructief - waterdichtend Waterdicht maken van kelders Injekteren tegen opstijgend vocht Hygrothermische kelderisolatie Bestrijden van vochtoverlast in kruipruimten Hydrofoberen en verharden van natuur- en baksteen Betonreparatiesystemen Renovatie- en restauratiepleisters Kunststof-vloersystemen
A L P H A V O C H T T E C H N I E K B.V.B.A. Riyadhstraat 1 - 2321 Meer Tel. 0 3 / 3 1 5 . 1 1 . 1 3 - Fax 0 3 / 3 1 5 . 1 1 . 1 5 wvvw.alphavochttechiek.com - email; info@alphavochttechniek.com
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Nijs Nu is er echter BIRDIvX (een gamma diervriendelijke afschrikkmgsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Will u er meer over «eten, neem dan vriiblijvend contact met ons op.
~L-
1
Restauratie
P.E.C. International n.v.
E3-Laan 49 - 9800 Deinze - Tel 09/386 07 63 p.nijs@cobonet.be
Verbindingsstraat 2. B-9100 St.-Niklaas
Specialiteit: Beschermde monumenten
Tel.: (03)776 H4 39 - Fax: (03)777 35 09
Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium!
UNILIT
CORIDECOR • CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen
• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren
• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK
• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk
• Hecht-, grond- en afwerkmorteis • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels
HD SYSTEM GRUPPO TASSULLO spa
Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax : 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 B-mail : chris.ady'rtjcompaqnet.be
Maud BONNEVIE Tel./Fax:081 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 E-mail : berfon®tiscalinet.be
• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering
Arte Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail: info'i/;artcconstructo.be Web : www.arteconstructo.be
Suzanne
Van Aerschot-Van
Haeverbeeck
BRUGGE WERELDERFGOED De Brugse binnen-
Geaquarelleerde
stad met haar
kopergravure van
typisch weefsel,
R Blockhuyzen.
bepalende monu-
1732.
menten en dubbele
(Stadsarchief Brugge,
omwallmg die zich
ïerzamelmg
duidelijk afscheidt
G. Hichiels.
van het omgevende
© Uitgeverij
platteland.
Lannoo Tielt)
België -met zijn drie gewesten - heeft in 1996 de
universele waarde
UNESCO-Conventie
en "integer"
van 1972
Samen met inmiddels zich als lidstaat
en cultuur
van het cultureel
zonderlijke
eilanden
de inschrijvingen
en na grondig
voor de uiteindelijke
en
van 21 lidstaten,
waaronder
voor
en natuurlijke
beantwoorden
bijkomen-
aan telt
ook België sinds alleen
sites opgenomen
aan de criteria,
zijn
vooronderzoek
1999. In de Lijst worden
een
Calapagos-
in Ecuador, de archeologische
Frankrijk
de Mont-Saint
of historische
Salamanca,
Elk jaar
laatstgenoemd
van Gizeh in Egypte, de
site van
die
uitzonderlijke
Avignon,
Michel en de
in
len van Parijs, Reims, Chartres en Bourges in
beslissing voorgelegd
het Werelderfgoedcomité;
29 oktober
ingediend
sites zijn onder meer de
erfgoed.
universele waarde die opgenomen
worden nog voorstellen
van reeds
Indonesië,
inhoudelijke
Werelderfgoedlijst.
"authentiek"
Machu Pichu in Peru, de Borobodurtempel
verleend voor sites van uit-
in de aangroeiende
culturele
opvoe-
en nog
instand-
en natuurlijk
wordt financiële,
technische bijstand
piramides
inzake
en de
vroeger ingeschreven
organisatie
te steunen in haar
om de bescherming
Uit solidariteit
deze
samenwerking
ding, wetenschap
houding
167 andere heeft ons land
ertoe verbonden
voor internationale
bezorgdheid
geratificeerd.
vertonen
zijn. Bekende voorbeelden
centra als Venetië, Bath, Salzburg,
Cuzco, Quito, Zanzibar... tussen natuurlijk
representativiteit
Vilnius,
Een beter
en cultureel
en meer nagestreefd
evenwicht
erfgoed wordt
samen met een
geografisch
als typologisch.
voorbeelden
van het industrieel
zowel
Zo zijn
eminente
erfgoed
men als onder meer de Britse site van - Himalaya
het ir. D. j. Woudegemaal scheepsliften
meer
ruimere
van de lijst, en dit
de Indische Darjeeling
kathedra-
opgenoBlaenavon,
spoorlijn,
in Nederland
van de Canal du Centre in
en de Wallonië.
Anderzijds komt nu ook 19de en 20ste-eeuws erfgoed aan de beurt met onder meer de opname van vier Brusselse art-nouveau huizen van Victor Horta, van het Schröderhuis van Rietveld te Utrecht en van de universitaire campus van Caracas in Venezuela. Dankzij de innoverende seriële inschrijvingen van de Vlaamse Begijnhoven (1998) en van de belforten van Vlaanderen en Wallonië (1999), telt Brugge reeds twee ingeschreven sites; ze dragen inmiddels een typisch bord met deze vermelding. De Brugse binnenstad van Brugge is in 1999 voorgedragen omdat ze als ensemble past in de categorie van het cultureel erfgoed en omdat ze beantwoordt aan een voldoende aantal criteria omschreven in de richtlijnen van de Conventie (1). Tijdens de 24 ste zitting van het Werelderfgoedcomité, georganiseerd van 24 november tot 2 december 2000 in het Australische Cairns, is ze dan ook definitief in opgenomen in de Werelderfgoedlijst. Deze stad, die representatief is voor Vlaanderen, is ook representatief op wereldvlak. Haar lange geschiedenis getuigt van de aanleg en evolutie van het woongebied vanaf het Ijzertijdperk, in zijn geografische, socio-economische en culturele context; zij getuigt tevens van het universele streven van haar inwoners en opeenvolgende bestuurders om hun omgeving dusdanig te organiseren dat alle natuurlijke voor — en nadelen maximaal konden worden benut en constant worden aangepast aan de nieuwe omstandigheden en behoeften, met een voortdurende zorg om de continuïteit. In zijn huidige toestand "beschrijft het historisch centrum van Brugge precies de omtrek van de middeleeuwse stad en behoudt het een indeling van ruimte en structuren die kenmerkend zijn voor haar geschiedenis, verrijkt door belangrijke uitwisselingen op het gebied van architectuur en leefruimte» (cf. criterium (29. iii)).
A Behouden gracht
einde ISde-begin
van de tweede
Mde eeuw met op
aangepast in de loop van de 14de
stadsomwalling die
de achtergrond de
en 17de eeuw.
teruggaat tot het
Smedenpoort die is
(foto 0 . Pauwels)
door de eerste uitbreiding in de 11 ^ - 12 e eeuw die de eerste kern volledig omringt en de hydrografie benut voor de aanleg van de binnenreien die tot op heden bewaard zijn gebleven. Het prestedelijke commerciële centrum van de huidige Grote Markt vertegenwoordigt er de tweede ontwikkelingspool. Brugge vormt aldus een klassiek
• Eveneens op de
De nabijgelegen,
Molenbergen zijn
staan er nog drie
tweede omwalling,
oorspronkelijke
reeds voorzien bij
waarvan de enige
imposante Kruis-
Bonne Chieremolen
de aanleg van de
oorspronkelijke, de
poort, aangepast in
is in 1903 omge-
stadsvest en in de
Smt-janshuismolen,
de loop van de
waaid en in 1911
loop der tijden
beschermd is als
14de en 15de eeuw
vervangen door de
komen er een
monument sinds
en gerestaureerd in
huidige die afkom-
twintigtal wind-
1943.
1969-71
stig is van Olsene.
molens bij, nu
(foto 0. Pauwels)
Het criterium (iv) is eveneens vervuld vermits: «de site een eminent voorbeeld vormt van een architecturaal ensemble dat belangrijke periodes uit de geschiedenis van de mensheid illustreert.» De handels- en Hanzestad Brugge onderscheidt zich van andere gelijksoortige steden zoals onder meer Keulen, Lübeck en Firenze: • door haar oorsprong als eerste versterkte vesting volgens een bijna vierkant plan uit de 9 e eeuw, dat de grafelijke burcht en de Sint-Donatiuskerk op de Burg omvatte.
M&L
roeping. In de Middeleeuwen vormt de stad in feite het eindpunt van de handel via de landweggen, als onder meer de aloude route van Keulen en profileert zij zich bovendien als laatste schakel in de Hanzeketen; hierdoor groeit zij uit tot draaischijf van de maritieme handel vzn heel Noord- en ZuidEuropa. Zij blijft zo, tot in de 16 e eeuw, een vooraanstaand commercieel en financieel centrum, dat een waaier aan producten verhandelt zoals zout, ijzer en andere (edel)metalen, wijn, specerijen, laken en ook kunstwerken.
Het Minnewater of
is in de 12de -
houding van de
"gemeenschappelijk
13de eeuw aange-
stad worden
water", dat als een
legd bij de oprich-
gereguleerd.
soort van lang-
ting van de sluizen
Op de achtergrond
werpig stuwmeertje
bij het huidige
de toren van de
het beekwater uit
Sashuis; hiermee
Onze-Lieve-Vrouwe-
de streek opvangt
kon de waterhuis-
kerk (foto 0. Pauwels)
voorbeeld van het ontstaan van handelssteden in de nabijheid van de burcht en van de feodale macht, waarvan zij zich later zullen emanciperen. Die twee stedelijke ruimten, die verenigd zijn door een steegje aan de oostelijke zijde, behouden hun oorspronkelijke functie: administratief op de Burg, commercieel rond de Markt. • door de tweede concentrische uitbreiding uit de 13 - l4 t L eeuw die hetzelfde systeem toepast voor de dubbele ring van wallen en grachten met poorten aan het uiteinde van het verlengstuk van de hoofdstraten uit de eerste kern, en die ook nog vandaag de belangrijkste toegangswegen vormen. • door de ontmanteling van die versterkingen, die werd ingezet in de 18 e eeuw en in de 19 c eeuw werd voortgezet met de aanleg van de beboomde promenade, verfraaid door de vier historische poorten en een nog resterende toren. Die dubbele ring met een gemiddelde breedte van 110 meter, die vervat zit in de nu ingeschreven zone, vormt op zich een «historische» bufferzone waarbij de 30 a 40 meter komen van de ringweg. Hierdoor wordt de historische scheidingslijn tussen stad en omgeving als het ware versterkt, en dit zowel visueel als functioneel en «psychologisch». Tot op heden wordt die overgang nog als dusdanig ervaren door de sterk verschillende voor- en binnenstadbewoners die, net als vroeger, deze grens moeten oversteken om «naar de stad» te gaan of ze te verlaten. Het stedelijk en architecturaal weefsel draagt de kenmerken van een handelsstad met internationale
De handel via de landwegen maakt gebruik van de west-oost-as (vanaf de voormalige Vrijdagmarkt of 't Zand, Zuidzandstraat - Steenstraat; die uitkomt op de centrale Grote Markt met zijn immense hal en belfort, de oude waterhal aan de oostkant, de gildenhuizen en de aanpalende Biermarkt met de oude boterhal. Het commerciële karakter van deze verbindingsas komt nog altijd tot uiting en is in zekere mate versterkt sinds de bouw van het station op 't Zand in 1841-1844. O p initiatief van de stad worden thans oude winkelpuien, waarvan sommige voornamelijk teruggaan tot de 19 c eeuw, in ere hersteld. Het globale beeld van die straten en pleinen biedt een collage van diephuizen met topgevels en breedhuizen met lijstgevels uit de 16 ^ tot de 20 stc eeuw. De Steenstraat groepeert onder meer een aantal ambachtshuizen, zoals dit van de bakkers uit 1560 op nr. 19, van de metselaars uit 1625 op nr. 25. Daarbij komen nog de huizen van de timmerlieden en de houtbewerkers uit 1762 op nr. 38 en van de schoenmakers uit 1527-28 op nr. 40. De noord-zuid-as, in het verlengde van de weg Gent-Brugge, sluit aan bij de eerste as ter hoogte van het huidige Stevinplein dat sinds de 19 e eeuw het zogenaamde. "Westvleeshuis" vervangt. De maritieme handel rond de zone van de voorhaven blijft, ondanks de buitengebruikstelling in de 18 <: eeuw, sterk aanwezig en is «afleesbaar» in de oudste stadskern. Deze wijk is trouwens ook beschermd als stadsgezicht en is opgenomen in de themawandeling «Brugge en Europa» met begeleidende brochure. Ter gelegenheid van Brugge 2002 loopt in dit middeleewse handelskwartier een tentoontellingsroute HANZA e MEDICI, COM; ze doet verschillende locaties aan — zoals onder meer de Beurs en de voormalige bank der Medici - en behandelt op een "lichtvoetige manier" (sic) het thema "Brugge, wisselmarkt van Culturen". Het kanaal, afgezoomd door de Spinola- en de Spiegellei, liep oorspronkelijk door tot aan de aan-
A
legsteiger met zijn grote houten kraan aan de Kraanlei, in de nabijheid van de Vlamingenstraat; sinds 1787 stopt het bij het toen aangelegde Van Eyckplein, op de plaats van de oude Sint-Jansbrug. Verschillende «officiële gebouwen» bevinden zich in de omgeving zoals het Tolhuis, de Poortersloge, de Beurs en diverse "natiehuizen" die moeten worden beschouwd als een soort van handelsagentschappen en ontmoetingsplaatsen, of nog als consulaten van de verschillende Italiaanse steden zoals Firenze, Genua en andere landen zoals Engeland, Spanje ... Het Oosterlingenhuis of kantoor van de Hanze van de Noord-Duitse en Baltische steden
Het voormalige
zijn volume en stijl-
met de doorsnee-
College van de
gebonden rococo-
huizen en -trap-
Engelse jezuïeten
getinte architectuur
gevels die het ten
aan de Spiegelrei
uit het derde kwart
dele heeft vervangen,
contrasteert door
van de 18de eeuw
(foto 0. Pauwels)
ligt tussen het kanaal van de voorhaven en de rei van de eerste omwalling. Dit commerciële hart ten westen van de Markt en langs de kanalen of reien van de eerste omwalling zoals de Gouden Handrei en de Augustijnenrei, heeft zijn historische karakter en erfgoed weten te behouden. De architectuur van deze semi-officiële gebouwen, waarvan het grootste deel teruggaat tot de 15 t c eeuw, is een uitstekend
• De stadsrand
Engels Klooster met
1
behoudt nog stille
zijn I8de-ceuwsc
1
straten met een
koepelkerk brengt
1
bi|zondere charme.
in deze buurt een
1
Het ommuurde
oase met open
1
domein van het
ruimte en groen.
1
(foto 0. Pauwels)
1
, 'PM '< '
M&L
i De gevelrij aan
die naar de markt
de Vlamingstraat,
toe zijn vervangen
die uitkomt op de
door fraaie laatdas-
Grote Markt met
sicistische lijstgevels
Belfort en Lakenhal,
naar aanleiding
toont naast een
van de rooihjn-
aaneenschakeling
wijzigmg van 1848.
van 15de- en 18de-
(foto 0. Pauwels)
eeuwse topgevels
voorbeeld van de burgerlijke gotische architectuur. Bepaalde van deze gebouwen komen voor op schilderijen uit die tijd, zoals de Poortersloge of huidig Rijksarchief, die opduikt op één van de panelen van Cambyse (1498) van Gerard David (2) of de grote kraan, die op de achtergrond voorkomt van het portret van Jan Fernagut (1551) door P. Pourbus (3). Deze goed bewaarde, historische gebouwen kregen nieuwe bestemmingen die vaak in het verlengde liggen van hun oorspronkelijke: zo bieden zij onder meer onderdak aan een bank, zoals de Genuese Loge, of aan de zetel van Brugge 2002 zoals het huis «Ter Beurse», Vlamingenstraat nrs 33 en 35; het Oosterlingenhuis, Krom Genthof nr. 1, is nu het kantoor van een exportfirma. De reien die de oudste stadskern omzomen, liepen onder meer naar de Vismarkt achter de Burg, buiten de eerste omwalling en de zuiderpoort.
Aan de oude
de traditionele trap-
treert de resterende
gevel met jaartal
houten gevel van
1/15 in de top
het Genthof, de
prijkt er naast
doorsnee-architec-
een oudere scherm-
tuur uit de ISde-
gevel met typische
16de eeuw terwijl
Brugse traveeën,
de aanpalende pan-
(foto 0. Pauwels)
den het verstenings-
M&L
proces weergeven:
binnenhaven, illus-
Die relatie tussen markten, pleinen, kanalen en de verschillende belangrijke historische gebouwen, zijn op zeer precieze wijze weergegeven door Marcus Gerard op het plan van 1562 dat bestemd was voor een echte reclamecampagne die de mogelijkheden van Brugge moest aantonen als handelscentrum, bereikbaar via de zee, via Damme en Sluis. Het plan geeft de evolutieve authenticiteit weer van de oude structuur die voor het grootste deel behouden is. Nagenoeg alleen de midden 19 eeuwse sanering van de Theaterwij k, volgens de principes van Hausmann, heeft in dit stadsweefsel enige vernieuwing gebracht Het 16 Zeeuwse plan toont de diversiteit aan van bouwtypes zoals kerken, kloosters en godshuizen, opvallende patricierswoningen, burgerhuizen en arbeiderswoningen; hun ligging en concentratie op bepaalde plaatsen en in specifieke wijken worden duidelijk bepaald door sociaal-economische en culturele factoren uit de opeenvolgende eeuwen. Dergelijke differentiatie houdt onder meer verband met het verdwijnen tijdens het Franse Bewind van een aantal kloosters, veelal gelegen tussen de eerste en de tweede omwalling; deze gronden zijn toen ingenomen door kleine bedrijven en arbeiderswijken. Deze typologische, chronologische en stilistische kenmerken - van de middeleeuwen tot de 20 ste eeuw - komen vandaag in de historische binnenstad tot uiting in de zowat 10.000 gebouwen, waarvan de helft een architecturale of stedenbouwkundige waarde heeft. Brugge is ook een centrum van artistieke creatie en mecenaat en wordt aldus geassocieerd met kunstwerken die een uitzonderlijke universele betekenis hebben (cf. criterium (vi)). De gunstige economische situatie van de Brugse metropool met het hof van de Bourgondische hertogen brengt naar Brugge, dat reeds bekend stond om zijn «school» van miniaturisten, een groot aantal schilders vanuit andere streken van de Nederlanden en verder. Zo komt Jan Van Eyck (0 ca. 1390 - 11441) uit de Limburgse Maasstreek; na een omweg via Den Haag vanaf 1425 treedt hij in dienst bij Filips de Goede. Hans Memling, geboren ca. 1433 in Selingenstadt/ Hessen in Duitsland werkt eerst in Brussel alvorens zich na 1464 in Brugge te vestigen tot bij zijn dood in 1494. Brugge wordt dan ook de bakermat van de zogenaamde «Vlaamse Primitieven» waarvan de geëxporteerde werken de schilderkunst in heel Europa hebben beïnvloed. Bovendien verbleven schilders als onder meer Jan Van Eyck ook in het buitenland - Spanje,
Als aloud bestuurs-
het complex van
I4de-eeuwse Stad-
voormalige begin
Oudste binnenhaven
de ISde-eeuwsc
centrum biedt de
het H. Bloed best
huis, de renaissance
I8de-eeuwse Land-
aan de Spinola- en
Poortersloge - of
Brugse gevels van
Burg een overzicht
vertegenwoordigd
door de voormalige
huis van de Brugse
Spiegelrei die vanuit
ontmoetingsplaats
de ISde eeuw tot
van de Brugse
door de I2de-eeuw-
I6de-eeuwse
Vrije
de Dampoort
voor de gegoede
heden.
openbare architec-
se benedenkapel
Burgerlijke Griffie
(foto 0 . Pauwels)
bereikbaar was.
burgerij en aan
(foto 0. Pauwcis)
tuur de Romaanse
van Slnt-Basllius. de
en de classicerende
Op de achtergrond
beide zijden een
kerkenbouw is er In gotiek door het
staalkaart van
barok door het
Portugal... - om er niet alleen ter plekke te werken maar ook interessante caontacten te leggen met plaatselijke schilders. De grote internationale tentoonstelling JAN VAN EYCK, D E VLAAMSE PRIMITIEVEN
EN HET ZUIDEN, georganiseerd in het kader van Brugge 2002, wil precies die relaties en wederzijdse invloeden op treffende wijze illustreren. De «School» evolueert verder in de 16 c eeuw onder invloed van de Italiaanse renaissance en zal de verspreiding van het humanisme binnen de high society van die tijd helpen verspreiden. Naast de handel in en het vervoer van gebruiksvoorwerpen en luxeproducten, worden ook manuscripten verkocht die in Brugge worden aangemaakt, evenals triptieken en kleine schilderijen, die ver in het buitenland worden geprezen. Archiefteksten vermelden in de 15 c eeuw de aanwezigheid van een echte kunstmarkt in de havenzone. Vlakbij
de Sint-Jansbrug, op de plaats van het huidige Van Eyckplein, worden tal van werken verkocht van «anonieme Vlaamse primitieven» of minder bekende meesters en epigonen wiens schilderijen thans over de hele wereld verspreid zijn. D e verkoop wordt gecentraliseerd vanaf 1482 tijdens de jaarmarkten ; vanaf 1511 zal de stad niet minder dan 157 stalletjes overnemen met het oog op de exploitatie ervan. Bepaalde abdijen, tot zelfs in Spanje, en buitenlandse bankiers en handelslui bestellen werken bij vooraanstaande kunstenaars. Zo gelast Giovanni Arnolfini (1421-1456) J. Van Eyck om zijn portret te schilderen (4), alsook een ander, waar hij verge-
• Dit voorbeeld van
van de 17de eeuw
huizen zijn telkens
een typisch Brugs
door bemiddelde
gegroepeerd rondom
hofje geeft de eigen
particulieren zijn
een begroeid pleintje
sfeer weer van één
gebouwd om zieken
met doorgaans
van de vyflig
en bejaarden van
obligate kapel.
bewaarde gods-
de lagere klassen
(foto 0. Pauwels)
huizen, die hoofd-
op te vangen.
zakelijk in de loop
De kleinschalige
M&L
•\-hL
^ 5 ï-jffl
LM
'AytrfZ
•- >
7\
'; . ' . ? * ' - • , . . »•;•&•
.-•
.••
•
zeld is van zijn vrouw (5). Tomasso Pordnari van zijn kant bestelt in 1465 de beroemde triptiek van de Aanbidding der Wijze bij Hugo van der Goes. Hans Memling schildert in opdracht van de Duitse zakenman Greverade de Triptiek van het Passieverhaal bestemd voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk van zijn geboortestad Lubeck, de "Koningin der Hanzesteden"; het nu zogenaamde «Greveradenaltar» (1491) werd via de maritieme Hanzeroute vervoerd en heeft de stad niet meer verlaten (6). Het Laatste oordeel (ca. 1472) eveneens door Hans Memling, is bestemd voor Italië, maar zal uiteindelijk belanden in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Poolse Hanzestad Gdansk, na een kaping op zee (7). Ook al zijn vele werken heden bewaard in musea en privé-collecties in de hele wereld, toch bezit ook Brugge nog een unieke verzameling van belangrijke werken en organiseert de Stad sinds 1902 themavoorstellingen en retrospectieven die worden ondersteund door steeds diepgaandere wetenschappelijke studies. Honderd jaar na datum belicht de tentoonstelling "IMPACT, 1902 REVISITED de beteke-
nis en het belang van een initiatief dat de kennis en waardering van de Vlaamse Primitieven op gang heeft gebracht. De terugval van de welvaart en de afgeremde ontwikkeling van de stad vanaf de helft van de 16 e eeuw worden in de 19 e eeuw de belangrijkste troeven van de stad die herontdekt wordt door de eerste Engelse toeristen en, op het ogenblik van de romantiek, het symbolisme en het «Katholieke Renouveau», door artiesten van internationaal niveau. "Bruges-la Morte" van G. Rodenbach verheft de stad tot de mythe, die zij bewust zal cultiveren. Uit zorg voor de traditie wil Brugge zich vanaf dat ogenblik opwerpen als de Kunst- en museumstad die nu ook erkend is als Culturele Hoofdstad van Europa voor het jaar 2002. Bij deze gelegenheid wil Brugge in het verlengde van zijn
Als oudste handels-
die opgetrokken zijn
Brugse stijl vindt in
centrum is de
na de brand van
het centrale Provin-
markt nu een
1787 en op diverse
attractiepool voor
tendenzen van de
Detail van het SintNiklaaspaneel met de wallen en toren van Brugge op de achtergrond. door de Meester van de Lucia-lcgende ca. 1490
In die algemene context heeft Brugge ook de verdienste dat het een «voorbeeld en laboratorium» is voor de aanpak van historische centra en de evolutie ter zake. De groeiende belangstelling voor haar erfgoed, vanaf de 19 c eeuw, illustreert de evolutie van de monumentenzorg. De aandacht, die eerst toegespitst is op de grote historische gebouwen, verruimt zich geleidelijk tot de huidige integrale conservatie. Het cultureel erfgoed in globo wordt hierbij betrokken; zijn integratie in de hedendaagse maatschappij en de rol van dit erfgoed als hefboom en identificatiefactor voor toekomstige ontwikkelingen staan nu buiten kijf. Mede door de aanwezigheid van de "Engelse kolonie" dragen de punctuele restauraties, die vanaf de 19 e eeuw tot stand komen, de stempel van zowel Viollet Ie Due als van Ruskin en Pugin en van de protagonisten van de neogotische architectuur; in Brugge komt hiermee een soort «neo Brugse stijl» tot stand. Vanaf de
ciaal Hof (1892) een rijkelijke uit-
toeristen.
neogotische archi-
drukking die in het
De oostelijke wand
tectuur illustreren.
aanpalende Post-
biedt in tegenstel-
De eclectische
gebouw (1891)
ling tot de andere
richting komt tot
wordt hertaald in
omringende burger-
uiting in het linker
de traditionele
huizen uit diverse
hoekpand van het
baksteenbouw.
bouwperiodes, een
Ministerie van
(foto 0. Pauwels)
opeenvolging van
Openbare Werken
openbare gebouwen
roemrijk verleden opnieuw optreden als een levend centrum voor actuele kunstvormen en bijzonder gedifferentieerde, multidisciplinaire activiteiten die onder meer heden en verleden confronteren of bijzonder innoverend werken. Naast ophefmakende monumentenrestauraties, mede gefinancierd door de Vlaamse Regering en begeleid door de afdeling Monumenten en Landschappen, wordt voor nieuwe bestemmingen als bijvoorbeeld het Concertgebouw, de passerei aan de Coupure en de herinrichting van het Kanaaleiland geopteerd voor kwaliteitsvolle hedendaagse architectuur die als eigentijdse bijdrage zal fungeren tot het bouwkundig erfgoed van de toekomst.
(1908), de neo-
M&L
• Verversdijk en
toren van de voor-
Spiegelrel geven nog
malige I7de-ecuwse
duidelijk in het Jezuïetenkerk brengt stadsbeeld de
in het traditionele
begrenzing aan van
straatbeeld een
de I2de-eeuwse
onverwacht barok
omwallmg.
accent.
De uitstekende
(foto 0. Pauwels)
jaren 1970 onstaat geleidelijk een meer globale aanpak gestoeld enerzijds op een meer diepgaande studie van de te behandelen gebouwen en anderzijds op een streven naar integratie van het bouwkundig erfgoed, in het kader van een diepgaande analyse tot voorbereiding van het structuurplan voor de Brugse binnenstad van 1972. Het gemeentelijk beleid maakt een gelijkaardige ontwikkeling mee: vanaf 1877 kent de Stad subsidies toe voor de zogenaamde "Kunstige Herstellingen" of veeleer verfraaiende restauraties van historische gevels. Dankzij de oprichting van de Dienst Monumentenzorg en Stadsvernieuwing Stad Brugge in 1971 worden de principes van het Charter van Venetië (1964) toegepast en meer aandacht besteed aan de constructie, de structuur, de afwerking... van de historische panden, met inbegrip van de officieel beschermde. Bovendien hebben de eerste inventaris van de "Huizen te Brugge" van L Devliegher, die
De woonstad Brugge
de zogeheten fort|es
leefomgeving die
bezit nog tal van
of lokale versies
opnieuw wordt
kleine oude arbei-
van beluiken.
geapprecieerd,
dershuizen die al
Ze bieden veelal
(foto 0. Pauwcis)
dan met zijn
nog een geborgen-
samengebracht in
heid en intieme
werd gepubliceerd in 1968 door de Provincie WestVlaanderen, en de tweede herziene en uitgebreide uitgave van 1975, de aandacht gevestigd op de privé-architectuur: haar rijkdom, diversiteit en evolutieve authenticiteit nuanceren en relativeren aldus het cliché van de stad met de middeleeuwse bakstenen trapgeveltjes. Dat «stedelijk dynamisme» komt nog sterker tot uiting in de algemene inventaris van het globale bouwkundig erfgoed waarvan het eerste deel, gewijd aan de oudste stadskern, verschenen is in april 2000 dank zij de samenwerking van de afdeling Monumenten en Landschappen en de vermelde stedelijke Dienst. Deze campagne, die naast nieuw veldwerk ook gebaseerd is op de nieuw verworven kennis - onder meer inzake stedelijke archeologie - , is uitgemond in een algemene evaluatie en aansluitende nieuwe beschermingsvoorstellen voor een honderddertigtal panden. O p 30 april 2001 werden ze opgenomen in een ontwerp van lijst en hierdoor voorlopig beschermd als monument. Voor de inventarisatie van de middeleeuwse stadsuitbreiding - tussen Reien en huidige Ring —wordt een zelfde publicatievorm voorzien in de loop van 2002; het verzamelde materiaal wordt op analoge wijze behandeld en ook in deze stadswijken zal dus het aantal wettelijke beschermingen zeker gevoelig stijgen. Bovendien is momenteel het Structuurplan in onderzoek voor de beperkte begin 20 stc -eeuwse stadsuitbreiding en de sinds 1971 gefusioneerde gemeenten. Hierin wordt de interactie tussen vooren binnenstad en de hele regio bestudeerd en worden de krijtlijnen aangegeven voor een evenwichtige evolutie waarin mens en cultureel en landschappelijk erfgoed centraal staan. De toekomst van de Brugse Binnenstad Werelderfgoed is nu verzekerd dank zij dit verruimde structuurplan; de belangrijke bestanddelen van de
M&L
De opname in de Werelderfgoedlijst betekent enerzijds een bekroning van een jarenlange inzet en van een gericht erfgoedvriendelijk beleid; anderzijds staat ze borg voor de noodzakelijke continuïteit in dit vlak en zal ze alleszins bijdragen tot een grotere bekendheid van de U N E S C O - Conventie in binnen- en buitenland.
Deze tekst is een synthesenota voornamelijk gebaseerd MAES M., Groep Planning m.m.v ESTHER]., Liste du Patnmoine mondial. Proposition d'imcription. Le Centre Historique de Bruges + Annexe au dossier, juni 1999 (niet uitgegeven bundels, met teksten cf. opgelegd format, bibliografie, kaartenmateriaal en documentatie). VAN AERSCHOT-VAN HAEVERBEECK S. m.m.v. ESTHER J. en LEYE L, Liste du Patrimowe mondial. Proposition d'inscription. Le Centre Historique de Bruges. Informations complémentaires, (maart 2000), ( niet uitgegeven bundel met gevraagde aanvullende teksten, overzichtstabellen en -lijsten, kaartenmateriaal en documentatie).
Gotische zijgevel,
EINDNOTEN
aan de Dele, van de I4de-ceuwse ziekenzaal van het Slnt-Janshospltaal dat opklimt tot de 12de eeuw. (foto 0. Pauwels)
binnenstad worden niet alleen behouden en gevaloriseerd met bijzonder respect voor hun identiteit en historische integriteit maar in verband gebracht met bepalende elementen en factoren uit de agglomeratie en de omliggende regio. Een dergelijke troef biedt op lange termijn de nodige waarborgen voor een integrale en geïntegreerde conservatie en een harmonieuze ontwikkeling van een eeuwenoude stad die nu tot het Werelderfgoed behoort.
(1) De aangehaalde criteria voor Brugge zijn in vetjes aangeduid in de tekst. (2) Bewaard in het Groeningemuseum van Brugge. (3) Bewaard in het Groeningemuseum van Brugge. (4) Bewaard in het Museum van Berlijn. (5) Heden deel uitmakend van de collecties van de Londense National Gallery. (6) Heden opgesteld in het Sint-Annamuseum van Lübeck. (7) De triptiek staat nu in het Pomoskimuseum van Gdansk.
Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck Consulent Werelderfgoed bij de Afdeling Monumenten en Landschappen.
Hugo
Vandenborre
en Anne
Botte
DE BRUGSE SIMT-ANIMAKERK EEN WEELDERIG BAROK IMTERIEUR IN EEN SOBERE PAROCHIEKERK Console in de vorm van een masker, tijdens het vooronderzoek (foto 0. Pauwels)
De Brugse Sint-Annakerk,
opgetrokken
gotische stijl vanaf 1611, bewaart weelderig
barok interieur
in laat-
een
met tal van
verrassend authentieke
aankledingselementen. Recent vooronderzoek
belichtte
deze 17de eeuwse stoffering tot ons is gekomen. onderzoekers
de rijkdom
die bijna
De resultaten
integraal
in staat een restauratieoptie die het
in zijn volgroeide
zou
barokfase
van
stelden ons als
stellen en te argumenteren,
BOUWGESCHIEDENIS BEKNOPT OVERZICHT f n
voor te
kerkinterieur
herstellen.
In den beginne kwamen de parochianen van SintAnna samen in een voormalig woonhuis, het Hof ter Vere, te situeren op de plaats van de huidige kerk. De eerste Sint-Annakerk was een eenvoudig, éénbeukig gebouw, dat in 1497 gewijd werd als hulpkerk van de buitenstedelijke Sint-Kruiskerk. Grote verbouwingen van het begin van de 16 e eeuw resulteerden rond 1516 tot een driebeukige kerk met volwaardige klokkentoren. Helaas was deze
kerk maar een vrij kort bestaan toebedeeld. De vernielingen door de geuzen bleken fataal voor het bedehuis. Bij gebrek aan financiële middelen kon men geen grondige herstellingen uitvoeren en na een gedeeltelijke sloop in 1580 werd in 1611 van start gegaan met de bouw van de huidige kerk op de muurrestanten van het vroegere bedehuis. Vrij snel na de voltooiing van de huidige kerk in laatgotische stijl werd het interieur ingericht in de toenmalige barokstijl en kreeg het haar rijkelijk uitzicht dat tot op heden te bewonderen is.
ARMOFDE IN BRUGGE IN DE 17DE FEUW: MYTHE QF REALITEIT ? De pracht en praal van dit rijkelijke interieur vallen op het eerste gezicht moeilijk te rijmen met de vrijwel constante financiële tekortkomingen van het kerkbestuur in het bijzonder en van een verpauperd Brugge in het algemeen. Een nadere verklaring voor deze contradictie dringt zich op. Een kijk op de geschiedenis van Brugge leert ons dat de stad na haar verval in de late 16 e eeuw toch een volwaardige plaats in de economische wereld bleef innemen. Hoewel Antwerpen al uitgegroeid was tot nieuwe handelsmetropool, kon Brugge in de 17 e eeuw zijn economische activiteit op peil houden. De stad bleef verweven in het internationaal handelsleven. De aanwezigheid van de Spaanse handelsnaties tijdens de 16 c en 17 c eeuw is hiervan een bewijs. Deze Spaanse kooplui hadden zich in de stad gevestigd en waren vooral bedrijvig in het verhandelen van wol. Brugge had zijn toenmalige centrumfunctie binnen de wolhandel dan ook aan de Spanjaarden te danken (2). Sinds 1622 was Brugge bereikbaar vanuit Oostende. Het nieuwe kanaal had er immers voor gezorgd dat het binnenland via Brugge toegang kreeg tot de Noordzee en omgekeerd (3). Tijdens de vroege \7 c eeuw bezat Brugge het alleenrecht om Spaanse wol te stapelen en te merken (4). De maritieme heropleving blies ook nieuw leven in de Brugse handelsbeurs. De bevolking groeide aan tot de terugval op het einde van de 18 c eeuw (5). De heropleving van de stad als zeehaven in de 17 e eeuw was naast het bestaan van het kanalennetwerk dat Brugge verbond met het achterland mede te danken aan de handelswegen vanuit Brugge naar het toenmalig Vlaamse gewest rond Rijsel. Als gevolg van een intensifiëring van het rooms katholiek geloof onder impuls van de contrarefor-
• Gezicht op de Brugse Slnt-Annakerk (foto 0. Pauwels)
matie werden tijdens de 17 e en 18 c eeuw veel kerken en kloosters opgericht en was de lekenvroomheid onder de bevolking toegenomen. Vele kerken, kapellen en kloosters werden, mede onder impuls van de toenmalige smaak die van hoger uit werd gestimuleerd, voorzien van een luxueuze barokke aankleding (6). De Sint-Annakerk is hiervan een duidelijk voorbeeld. Uit archiefdocumenten blijkt dat het parochiebestuur van Sint-Anna in het begin van de 17 e eeuw niet over de middelen beschikte om zijn kerk aan te passen aan de toen heersende barokstijl (7). Deze rijke aankleding was alleen mogelijk dankzij royale
1VI&L
De Brugse Sint-Annakerk herbergt een van de meest merkwaardige, authentieke en gave kerkinterieurs in de provincie. Een vooronderzoek bracht de bijzondere interieurhistorische kwaliteiten, maar ook de problematische materiaaltechnische en bouwkundige kwaliteiten van dit interieur letterlijk scherper aan het licht. Aanleiding voor dit onderzoek was het initiatief van de kerkfabriek tot het heropfrissen van het interieur. Bijna dertig jaar na de laatste schilderbeurt was het schilderwerk vuil geworden en waren het pleisterwerk en de natuursteen in het interieur plaatselijk gebarsten en losgekomen. In juli 2000 kwam een stuk witsteen van de vensteromlijsting tussen de gelovigen terecht en bleek de aanpak ruimer te worden dan een nieuwe schilderbeurt. Restauratie-architect Hubert Davans werkte in samenwerking met Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen een vooronderzoekscenario uit dat voldoende materieel-technische en bouwhistorische gegevens over de afwerking van het interieur zou leveren om nadien tot een verantwoorde restauratieoptie voor het interieur te komen. Het vooronderzoek was gericht op het waarnemen, detecteren, vrijleggen, registreren en evalueren van de bouwhistorische en technische gegevens van alle aanwezige bepleisteringen, stucwerken, verflagen
tussenkomsten van schenkers. Als men de kostprijs van deze prachtige interieuraankleding poogt in te schatten, rijst spontaan de vraag wie deze milde schenkers waren, welke functie zij vervulden in het zogenaamde verpauperde Brugge en welke hun beweegredenen waren om tot deze schenkingen over te gaan. De belangrijkste schenkers waren de familie de Crits en van den Bogaerde en in mindere mate ook de familie d'Hooghe, Pattyn, Beerblock en Cobrysse. De twee eerstgenoemde waren prominente Brugse families. Jacques de Crits, de donateur van verschillende schilderijen, was kanunnik in de Sint-Donaaskathedraal en sinds 1673 prebende in het kapittel aldaar (8). Maria de Crits, die de houten lambrisering uit de benedenkerk en het hoogaltaar financierde, was de vrouw van de griffier en raadgever van de stad. Begin 18 c eeuw werd deze familie de Crits in de adelstand verheven (9).
en andere afwerkingen van wanden, plafonds en meubilair. Het omvatte hoofdzakelijk stratigrafisch onderzoek in situ, aangevuld met het archiefonderzoek van geschreven en iconografische bronnen. Dit bouwhistorisch onderzoek was complementair met het diagnostisch onderzoek, gericht op de materiaaltechnische problematiek van de picturale lagen, bepleisteringen, stucwerken en de natuursteen: een volledige vaststelling, rapportage, opmeting en evaluatie van de aard en de omvang van de schadebeelden en identificatie van de oorzaak van de schadebeelden. Het onderzoek in situ werd ondersteund door materiaalanalyses in het laboratorium, onder andere mortel- en zoutanalyses. Van meet af aan werd duidelijk dat de schade te maken had met zoutuitbloeiingen en, wat de natuursteen betreft, met het gebruik van ijzeren onderdelen. Aanvankelijk werden voor dit onderzoek twee traveeën aangeduid, de toegangstravee en de doksaaltravee. Het vooronderzoek werd gecombineerd met een dringende tijdelijke consolidatie van de loszittende marmerimitatieschilderingen op de zijportalen in het hoogkoor. Een bijzonder aandachtspunt bij een interieurinterventie in de Sint-Annakerk vormt het monumentale en bijna onverplaatsbaar schilderij (ca. 104 m ) op de westwand. Het Laatste Oordeel van Henri Herregouts uit 1685. Het vooronderzoek moest
Ook leden van de familie van de Bogaerde, die een belangrijke bijdrage in de oprichting van het luxueuze doksaal leverden, waren kanunniken (10). Een zekere Guy van den Bogaerde, schepen van Brugge, stierf rond 166 (11). Van de families d'Hooghe en Pattyn waren tussen 1660 en 1733 verschillende leden kerkmeesters. Antoine d'Hooghe schonk onder andere de schilderijen van J. Garemyn in de lambrisering van het hoogkoor. Deze milde weldoeners waren dus personen die op geestelijk of op politiek vlak hoge functies bekleedden.
DE INTFRIEURAANKLEDINn: RESUITATFN VAN HPT VnnRDIMnFRZDFK Vanaf 1611 wordt gebouwd aan de huidige eenbeukige kerk. Vlak na het beëindigen van de bouwwerken moet het interieur uiterst sober zijn ge-
een aanzet geven tot het opstellen van een draaiboek voor de manipulatie ervan. In het vooronderzoeksbestek werden proefrestauraties opgenomen die, afgestemd op de resultaten van de materiaaltechnische vooronderzoeken, diverse behandelingsvoorstellen uitprobeerden. De evaluatie hiervan is onmisbaar in het restauratieontwerpproces: de uitvoerbaarheid en de haalbaarheid, de opmaak van de werk- en materiaalbeschrijvingen, de bepaling van het profiel van de uitvoerder, de meetstaat, de tijdsbegroting en de geraamde prijs. De esthetische en artistieke kwaliteiten van bepaalde opties kunnen visueel worden ingeschat en door hun aanschouwelijkheid zijn de proefrestauraties vaak cruciale troeven in een beslissings- en overtuigingsproces. Bovendien kan het verdere gedrag van de proefvlakken op een termijn van circa 2 jaar opgevolgd worden, tot de eigenlijke interieurwerken. Het vooronderzoek en de proefrestauraties werden betoelaagd met de onderhoudspremie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Na een onderhandelingsprocedure gunde de kerkfabriek de werken aan Vandenborre bvba. Tijdens de voltooiing startte de buitenrestauratie van gevels en daken aan de noordwestelijke zijde. Momenteel wordt een verder vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke stabiliteitsproblemadek: een onderzoek
naar de aard en de evolutie van deze scheuren in muren en gewelven gerelateerd aan de problematiek van de constructie-elementen in natuursteen, ijzer en hout, meer bepaald de kapspanten. Ir. Norbert Provoost voert de nodige stabiliteitsberekeningen uit die moeten leiden tot een beoordeling van de standzekerheid van het bouwwerk en van de kapconstructies en het formuleren van adviezen voor eventueel noodzakelijke stabiliteitswerken. Onderstaande tekst van Hugo Vandenborre is een synthese van de diverse resultaten en aspecten van het onderzoeksrapport van de interieurafwerking. Hij overloopt beknopt de bouwgeschiedenis met aandacht voor de interieuraankleding en beschrijft selectief het interieur in zijn huidige toestand. Het artikel wijdt bijzondere aandacht aan de ontdekking van schaduw- en zwartschilderingen, aan het onderzoek naar de 17 e-18 e eeuwse afwerking, aan de problematiek van het grote schilderij en aan de schade door ijzeren elementen. Het uitgeschreven restauratieconcept is een voorstel van de vooronderzoeker. De opties zijn evenwel nog niet genomen en vormen binnenkort het onderwerp van verder overleg tussen de opdrachtgevers, ontwerpers en betoelagende overheden. Veerle Meul
•4 Algemeen gezicht op het barokke interieur van de Sint-Annakerk (foto 0. Pauwels)
IVI&L
1
(fl
M
.
jij
ij
Mi .'.. r te •i l-i i ^
-
-
w^ . I H s^tfl «I^I
'
W^lw^V^^r I
,i.r
Mk
M^mii,
Ef « K El I
mm I
#»*-,- tj»^* J
i ittf>
^li'*. 'J ï'
••«• v v -
*%>!
weest. Van het toenmalig meubilair en de decoratie zijn weinig of geen gegevens voorhanden. De muren waren dun bepleisterd en afgewerkt met een gebroken witte kalkmelk. Het meest opvallende aspect van de kerk moet het toen nog volledig zichtbare dakspant geweest zijn. Spitsboogvormige ramen deelden tezamen met deze spanten de kerk op in traveeën. Ook de drie muurvlakken van de apsis waren voorzien van spitsboogvensters. Een bescheiden maar mooi detail uit deze periode is de deuromlijsting met gotische accoladeboog naar de armenkamer, tussen het westportaal en de doopkapel. De bescheiden aankleding, samen met de open constructie van de bedaking, moet aan de oorsprong gelegen hebben van de benaming "de arme Sint Annakerk". Zeer kort na deze eerste afwerkingslaag, zowel binnen als buiten, begon men aan de realisatie van een weelderig barok interieur dat zich als een verrassing openbaart aan de bezoeker die slechts de silhouet van een eenvoudig godshuis in laatgotische stijl kent. Een diepgaand vooronderzoek bezorgde een vrij compleet overzicht van de evolutie van een laatgotisch naar een volgroeide barokke interieurstoffering. Het onderzoek liet ook toe zicht te krijgen op de totaalaankleding waarin het nog bestaand barokke meubilair ooit functioneerde.
Koordoksaal met zijaltaar (foto 0. Pauwels)
A Doksaal met koororgel (foto 0. Pauwels)
Detail rechts van
Het laatgotisch gebouw werd officieel als voltooid beschouwd en gewijd in 1621 (12). Twee jaar later werd het eerste en grootste barok kunstwerk uit de kerk besteld: het doksaal uit 1623-1627, waarvoor giften van meerdere schenkers ontvangen werden. Het doksaal bestaat uit vijf gewelfde bogen die aan de zijde van de benedenkerk rusten op zes roodmarmeren ronde zuilen. Langs de koorzijde hebben de drie middelste bogen prachtige koperen balusters met de ingekerfde namen en wapenschilden van de belangrijkste schenkers. O m het doksaal te bestijgen en het orgel te bespelen werd tegen de zuidelijke muur een kleine toren met wenteltrap gebouwd. In de oostmuur, achter het hoogaltaar, werden in 1635 de epitafen van Judocus Tanquere en Anna Van de Makere geïntegreerd. Monumentale beelden van respectievelijk de heilige Judocus en de heilige Livinus verwijzen naar de overledenen. De witstenen epitafen bevatten barokke stijlelementen zoals gevleugelde engelenhoofdjes, voluten, draperieën, bloemenranken. Oorspronkelijk waren de epitafen in witte en grijze tinten afgewerkt en verrijkt met schaduwschilderingen.
het hoogaltaar, met epitaaf (foto 0. Pauwels)
L'
ê
WfÊ
i
k "^
-IS^
?l | v ^ -
•'M T
^M 1
•'jfllBI^F\[\ ''H^^l^l
1
lilIR
In 1640 startte de eerste fase in de oprichting van het hybride geheel van verschillende koorgestoelten en werd het grootste gedeelte, aansluitend op het doksaal, in bijna zuivere renaissancestijl gerealiseerd. Door het plaatsen van het koorgestoelte tot tegen de koorafsluiting werd het noodzakelijk de bogen aan ieder uiteinde van het doksaal af te sluiten. Dit bood de mogelijkheid het doksaal van altaren te voorzien. Langs de epistelkant kwam het barokaltaar van Onze-Lieve-Vrouw en de pestheiligen, langs de evangeliekant het barokaltaar van Sint-Anna. De altaren zijn vervaardigd uit dezelfde marmers als het doksaal. De zuidoostelijke muur waartegen het Sint-Anna altaar staat, werd afgewerkt met verschillende rode marmerimitaties. De imitatieschildering diende om de illusie te wekken dat het altaar het hele muurvlak in beslag nam, zodat het symmetrisch zou zijn met de situatie aan de epistelkant. Tussen 1663 en 1664 kreeg Jan Vande Vijvere opdracht een lange koorbank te plaatsen tegen de noordwand, tussen de bestaande koorstoelen en de deur naar de kamer van de kerkmeesters. De bank bood plaats aan de leden van de gilden van "Sacra" en later aan de kerkmeesters (13). De barokke stijl ervan met doorlopend snijwerk onderscheidt zich duidelijk van het renaissancistisch koorgestoelte ernaast. Aan de epistelkant werd het koorgestoelte in een derde fase, omstreeks 1700, aangevuld. Dit gedeelte, in rococostijl, was voorbehouden aan de priesters (14). Tegen de muur naast de doopkapel hing men in 1640 een gedenksteen van Anna Van der Noot en Caesar Veranneman. De muren bleven gedurende heel die periode in ongeveer dezelfde kleur, een witte kalkmelk die zeer licht gebroken was door toevoeging van aardekleurige pigmenten om een lichte warme toon te bekomen. Deze afwerkingslaag werd verschillende malen hernomen. De meest ingrijpende aanpassing van het interieur was ongetwijfeld de inbreng van een "stenen voute" (1657-1661). Zowel in ruimtelijke ervaring als in decoratie droeg het gewelf in belangrijke mate bij tot het 'barokiseren' van de kerk. O m deze constructie te realiseren was men genoodzaakt de muren te versterken en een zware ijzeren band te leggen rondom de bovenkant van de buitenmuren. Langs binnen werden stevige trekijzers geplaatst die buiten om de ankers werden geklemd, dit om te vermijden dat de zijwaartse druk van het gewelfde muren uiteen zou duwen. Het geweifis verdeeld in
M&L
O.L.Vrouw-zi|altaar onder het koordoksaal (foto 0. Pauwels)
acht gordelbogen vervaardigd uit grote zandstenen blokken, royaal versierd met verguld loofwerk, engelenhoofdjes en muziekinstrumenten. De bogen steunen op rijkelijk gebeeldhouwde consoles, bestaande uit engelenhoofdjes, maskers en rocaillemotieven. Tussen 1671 en 1673 werden alle gotische ramen in de kerk omgebouwd tot barokke vensters met segmentboogvormige omlijstingen in zandsteen. Binnen kregen de raamomlijstingen een bekroning met gebroken fronton in de vorm van twee voluten en een borstbeeld. Het begin van de bouw van het gewelf luidde een grootse transformatiefase in. De oude bepleistering werd grotendeels verwijderd en men bracht een nieuwe pleisterlaag aan over de paramenten en gewelven heen. Deze werd eerst beschilderd met een eenvoudige witte laag, vermoedelijk een wachtlaag die bestemd was om vrij snel te verdwijnen onder een meer kleurrijke muurafwerking.
betekent dat de architecturale marmerschildering op de zij portalen en de rococolambrisering werd doorgetrokken op het meubel dat het sacramentshuis decoreerde en op de achterzijde van het altaar. Ook twee barokke ingangsdeuren (1667) werden in het koor voorzien. Ze bieden toegang tot de sacristie aan de zuidkant en de kamer van de kerkmeesters aan de noordkant. De borstbeelden van de heiligen Blasius en Anna zijn als bekroning aangebracht. De deuren zelf vertonen de traditionele werkwijze van opgelegd lijstwerk op houten planken, die ooit gepolychromeerd waren. De witstenen portieken waren oorspronkelijk wit gekalkt en voorzien van schaduwschilderingen. Gedurende het laatste kwart van de 17 c eeuw ging de aandacht vooral naar de stoffering van het schip, opgevat als een totaalkunstwerk. De houten lambrisering met bijhorende gestoelten aan weerszijden van het schip omvat de preekstoel van 1670 en drie biechtstoelen van 1698-1700.
A Koorgestoelte en toegang naar doopkapel (foto 0. Pauwels)
Vanaf 1660 ging de aandacht vooral naar de aankleding van het koor. In 1664 kwam het majestueus hoogaltaar, een meubel dat in belangrijke mate de barokstijl in de kerk bepaalde. Het altaar is met zijn diverse marmersoorten, dubbel getorste zuilen, dubbel gebroken frontons en voluten een schoolvoorbeeld van de barokkunst. Het overdadig karakter van het meubelstuk wordt bovendien ondersteund door de epitafen op de achtergrond. De achterzijde van het hoofdaltaar bevat een merkwaardige illusionistische architectuurschildering in grijsschakeringen en kleurtinten van roodbruin tot groen. De schildering volgt de vormen van de altaarconstructie. Een precieze datering is niet gekend. De enige zekerheid die we hieromtrent hebben is dat de schildering in functie moet gestaan hebben van het tabernakel dat zich achter het altaar bevond. O p die plaats vinden we een sacramentshuis. Bij het plaatsen van de rococolambrisering in het hoogkoor in 1760-1761 moet de nood ontstaan zijn het sacramentshuis aan te kleden. Dit
Rondom de preekstoel werden drie fasen zwartschildering aangetroffen, die stilistisch gezien elk een eigen betekenis hadden. De zwartschilderingen fungeerden met een eigen vormentaal als een aanvulling op het meubel. De eerste zwartschildering had een barokke vormgeving. De tweede schildering speelde eerder in op de vorm van de preekstoel, terwijl de derde een strakkere vormgeving had. De schilderingen zijn te situeren van 1670 tot relatief laat in de 18 e eeuw. • Illusionistische schildering op achterzijde van hoogaltaar (foto 0. Pauwels)
tegraad van de kalk waarin ze wordt vermengd en als resultaat een licht paarse kleur geeft. Het gebruik van lakmoes was in die periode algemeen verspreid, zowel in religieuze als in burgerlijke gebouwen. We kunnen hier bijna over een modekleur spreken.
Barokke ingangsdeur uit 1667 (foto 0. Pauwels)
Uit het stratigrafisch onderzoek bleken er vier lakmoeslagen te zijn in het koor en twee in de benedenkerk. De typische lakmoes kleurstelling bleef, hoewel kenmerkend voor de barok, tot ver in de 18 ' eeuw bestaan. Het onderzoek wees ook op de aanwezigheid van schaduw- en zwartschilderingen. Samenvattend kunnen we stellen dat het interieur rond 1700 zijn hoogtepunt bereikte in zijn transformatie tot barokke kerk. In het hoogkoor werd in 1760-1761 nog een houten lambrisering in rococostijl toegevoegd. Deze lambrisering bevat schilderijen van Jan Garemijn. Ondanks het stijlverschil is de integratie ervan in deze barokke omgeving zeer geslaagd te noemen. De biechtstoelen vormen met hun getorste zuilen, hoorn des overvloed, rolwerk, putti gezeten op voluten en engelen in sierlijk gedrapeerde gewaden, accenten van weelde in de ruimte. In dezelfde periode kregen muren en gewelven een afwerking op basis van lakmoes, opgehoogd met gouden accenten aan de ramen, op het gewelf, aan de grafmonumenten en de portieken in het koor. Lakmoes is een kleurstof die verkregen wordt door alkalische oxidatie van bepaalde korstmossen, waaronder Rocella fuciformis, die in Zweden en Noorwegen groeien. In een alkalisch milieu wordt lakmoes blauw, in een zure omgeving rood. Lakmoes is een indicator die reageert met de zuur-
In hetzelfde jaar kregen de muren een nieuwe schiiderbeurt: een grijze afwerking, die weliswaar nauw aansloot bij de tint van de lakmoes. De vroegere witte en grijze afwerking op de portieken in het koor werden vervangen door marmer- en zandsteenimitaties, opgehoogd met bladgoud. Ook de lambrisering in de apsis had een afwerking van marmerimitaties. De grafmonumenten in het hoogkoor kenden toen een polychrome fase bestaande uit zwart op de eigenlijke constructie, groen op de voluten en randornamentiek en wit op ornamenten rond en in de nis. Het systeem van schaduwschilderingen bleef bewaard. In een volgende afwerkingfase verdwenen de schaduwschilderingen en werden de voluten in het zwart geschilderd, opgehoogd met bladgoud. De meest westelijke travee bleef in de 18 e eeuw een afzonderlijke ruimte met eigen kleurstelling.
• Kleurenonderzoek *aarop de lakmoesschildering uit het midden van de 17de eeuw
De prachtige marmeren vloer, waarin zwarte en witte tegels een strak patroon vormen, dateert uit 1784.
zichtbaar is (foto 0. Pauwels)
De noord- en zuidwand van het schip zijn volledig bekleed met een fraai gedecoreerde barokke lambrisering. Deze wordt doorbroken door twee portalen ter hoogte van de laatste travee. De delen voorbij de portalen zijn 19 c eeuwse toevoegingen. De lambrisering, net voor de doorgangen naar doopkapel en zuidelijke toegang, vertoont verbouwingssporen. In de profielen zijn er verstekken die normaal zouden
Hoogaltaar uit 1664 in barokstijl (foto 0. Pauwels)
moeten aansluiten op lijsten die uit het midden van de kerk komen. Verlengstukken van panelen en zitbanken bevestigen dat hier verbouwingen zijn uitgevoerd. We gaan er van uit dat we de sporen zien van een vroegere afsluiting tussen de benedenkerk en de laatste travee. Ook het patroon in de marmeren vloer verandert op de plaats waar de afsluiting stond. Dergelijke deels opengewerkte afsluitingen vormden een verruimd 'portaal' waarin de gelovigen de kerk konden betreden op momenten dat de
kerk feitelijk gesloten was. Het 'portaal' in de SintAnnakerk functioneerde tevens als doorgang naar de armenkamer. Het element van een opengewerkte houten afsluiting aan de westzijde van een benedenkerk gaat terug op een gotische traditie (15). In de benedenkerk, net zoals in het koor, hangen talrijke koperen kroonluchters uit de 19 e eeuw. Oorspronkelijk was de ingangsdeur van hetzelfde type als de deuren in het koor. Vrij vroeg in de 19 c
M&L
houtimitatie aan de westwand, het muurvlak onder de preekstoel en op de lambrisering in de apsis en marmerimitatie op de zijwanden van het doksaal. De goudpartijen op gewelf, ramen en beeldhouwwerk werden hernomen in bladgoud. De IS 1 1 eeuwse kleurstelling op grafmonumenten en de portieken in het koor bleef behouden.
Reconslructieproef van de kleur van de lakmoesschlldermg uil de 17de eeuw (foto 0. Pauwels)
De huidige glasramen uit 1933 zijn zeer eenvoudig. Ze stellen de wapenschilden van schenkers en kloosters, ooit gelegen in de Sint-Annaparochie, voor. In 1934 werd de kerk voorzien van een verwarming die mogelijks de bron is van de zoutproblematiek waaronder muren en ijzeren elementen in de kerk momenteel zwaar lijden (zie kadertekst 'ijzerproblematiek').
eeuw werd de ingangsdeur vervangen door een nieuwe houten deur. De deuromlijsting bleef echter bestaan. De omlijsting en de muren er rond kregen toen een eikenhoutimitatie.
• Barokke lambnsermg met biechtstoelen in het kerkschip (foto 0. Pauwels)
Een plaatselijke herbepleistering, in koor en doksaal, vond plaats in de tweede helft van de 19 L eeuw. De gehele kerk werd toen herschilderd in een neogotische kleurstelling: lichtblauw op de muurvlakken, roze op ornamenten aan muren en gewelf,
De laatste afwerkingfase rond 1960 verschilde niet fundamenteel van de 17 c eeuwse beschildering. Zonder enig onderscheid werd de kerk in gebroken witte tot grijze tinten geschilderd. Waar deze restauratie wel afweek van de 17 t c eeuwse situatie, is in het weglaten van de schaduwschilderingen en in het gebruik van bronzine (bronspoeder als ersatzgoud) op vergulde elementen in plaats van bladgoud.
RESTAURATIEVQQRSTEL Tot op heden is de barok in de Sint-Annakerk zowel kwalitatief als kwantitatief sterk vertegenwoordigd. De rijkdom aan nog bewaarde waardevolle barokelementen enerzijds en het bezit van alle nodige informatie om tot een reconstructie te komen van de verdwenen barokke interieuraankleding anderzijds gaven aanleiding om als onderzoekers een voorstel te formuleren waarbij het barokke beeld in de kerk opnieuw tot leven wordt gebtacht. Bovendien zijn de barokke afwerkingslagen gedeeltelijk zichtbaar en gedeeltelijk verborgen bewaard in het huidig interieur. O m anachronisme in de reconstructie te vermijden opteren we voor een terugkeer naar het scharniermoment 1760 waarbij de oude typische barokke kleurstelling nog functioneerde en de rococolambrisering van 1760-1761 nog binnen die kleurstelling werd ingepast. Concreet houdt het voorstel in dat de muren en het gewelf een afwerking krijgen op basis van lakmoes. De gouddecoratie wordt eveneens hernomen. Nog zichtbare originele polychromie wordt geconsoli-
M&L
deerd en gerestaureerd. Wat de schaduwschilderingen betreft, worden de contouren blootgelegd en verder ingevuld door middel van reconstructie. O p de grafmonumenten in het koor wordt de polychrome fase hersteld. De uitzonderlijke decoratie op de achterzijde van het hoogaltaar is op zich voldoende waardevol om gerestaureerd te worden. Zij maakt ten volle deel uit van de barokke aankleding in de kerk. Alle sculptuurwerk in zandsteen, van gordelbogen tot grafmonumenten en versierde deuromlijstingen, lijden onder het probleem van oxidatie van het ijzer dat veelvuldig in de constructies is opgenomen. Waar de schade nog niet zichtbaar is, worden geen specifieke ingrepen voorzien. Daarentegen dienen de sculpturen die in hun bestaan bedreigd worden, gedemonteerd en plastisch hersteld met respect voor de originele polychromie. Het houten meubilair is niet opgenomen in dit restauratievoorstel met uitzondering van de rococolambrisering van 1760 in het koor. De marmerschildering van dit interieurelement sluit naadloos aan bij het hoogaltaar en de barokke zijportalen. De marmerschildering is in het totaalbeeld van het hoogkoor dermate belangrijk voor de interieurfase van 1760 dat reconstructie of vrijlegging ons noodzakelijk lijkt.
EESLilU Het onderzoek bracht een aantal belangrijke gegevens aan het licht. Een enorme schade bij decoratief uitgewerkte stenen elementen zoals raamomlijstingen, epitafen en zijportalen in het koor werd vastgesteld. Een dringende noodingreep vermeed verdere calamiteiten. Het onderzoek leverde ook een nauwkeurig beeld op van de kleurstelling van het interieur doorheen zijn geschiedenis. De fase uit het midden van de 17 e eeuw bleek de belangrijkste te zijn met zijn afwerking op basis van lakmoes, schaduwschilderingen als uitvergrote contouren van een meubel, typische zwartschilderingen die met hun eigen vormentaal een aanvulling op het meubel vormen en tenslotte de architecturale marmerschilderingen op de achterzijde van het hoogaltaar, de rococolambrisering en de zijportalen in het koor.
Barokke preekstoel
schildering,
uit 1670 met daar-
te situeren van
rond steekproeven
1670 tot laat in de
met drie fasen van
18de eeuw
zwarte schaduw-
(foto 0. Pauwels)
De interieurfase van 1760 slaagde er voor het eerst in via zijn kleurstelling alle interieurelementen te binden tot één geheel. Tijdens deze fase werd bovendien voor de laatste keer gebruik gemaakt van typische barokke afwerkingstechnieken met name een afwerking op basis van lakmoes en zwartschilderingen.
M&L
Het Laatste Oordeel van Hendrik Herregouts
T Gedeelte van de schildering met het Laatste Oordeel 116811 van Hendrik Herregouts, met proef tot reiniging links onderaan
D e schilder Hendrik Herregouts werd geboren in Mechelen in 1633 en stierf op 3 maart 1704 in Antwerpen (16). Na het volbrengen van zijn opleiding, vooral bij zijn vader David, ging hij op studiereis naar Duitsland en Italië, waarna hij in 1664-1665 meester werd van de gilde van Sint-Lucas in Antwerpen. In 1666 werd hij ook in Mechelen meester. Herhaaldelijk ging hij nadien op studiereis naar Italië, wat hem de bijnaam 'Romein' opleverde. In Duitsland verbleef hij een tijdlang in Keulen. In 1679 vestigde hij zich definitief in Antwerpen, waar hij tussen 1680 en 1700 veertien leerlingen onderzijn hoede nam, onder andere A. Godyn (17). Hij schilderde niet alleen religieuze taferelen, maar ook portretten. Van zijn religieuze werken zijn voorbeelden bewaard in verschillende Belgische kerken. In Brugge werd zijn werk, waarin een sterke invloed van Van Dijck, sterk gewaardeerd. In het Walraf-Richartzmuseum en in de Sint-Ursulakerk in Keulen zijn eveneens schilderijen van hem te bewonderen (18).
Algemeen geacht van het Laatste Oordeel (foto VandenBorre)
(foto 0. Pauwels)
Het Laatste Oordeel Tegen de achterwand van de Sint-Annakerk te Brugge hangt Herregouts' schilderij 'Het Laatste Oordeel' dat dateert van 1685 (19). Het heeft uitzonderlijk grote afmetingen: 12,34 m x 9,82 m en beslaat met zijn circa 104 ITT ongeveer de hele westwand boven de ingangsdeur. Stilistisch refereert het monumentale doek aan het oeuvre van Michelangelo. Het doek zelf bestaat uit 15 stukken die ambachtelijk geweven zijn en dus van afmetingen verschillen. Deze doeken zijn op een grenen spieraam bevestigd, dat vermoedelijk dateert van 1907, wanneer het doek een tweede maal gerestaureerd werd. Het is zeer uitzonderlijk dat voor een schilderij van dergelijk formaat een spieraam werd gebruikt. Het levert in elk geval problemen omdat de niet verlijmde verbindingen zwakke punten vormen voor het raam. Bovendien is het zo dat de spieën geen functie uitoefenen en dat het schilderij niet heropgespannen kan worden. Ter bevestiging zijn in de kerkwand drie haken aangebracht. Deze hebben momenteel echter weinig
M&L
deze restauratiefase werd het schilderij verdoekt en op vele plaatsen geretoucheerd. Een tweede restauratie gebeurde in 1907. Toen werd Alphonse Vincent aangesteld om het schilderij te reinigen. Deze ingreep kostte 2000 frank en ook dit bedrag werd verdeeld onder verschillende instanties. De restauraties gebeurden op basis van was, nadat een proefrestauratie was goedgekeurd door de Commissie van Monumenten. Tijdens deze restauratie ontstond een discussie tussen deze commissie enerzijds en de restaurateur en de kerkfabriek anderzijds, over het al dan niet vernissen van het werk. De kerkfabriek wierp tegen dat de vernis zou nadonkeren, en de combinatie met was schadelijk zou zijn (23). Bij de huidige proefrestauratie van het schilderij bleek dat er inderdaad herstellingen en retouches op basis van was waren uitgevoerd, en dat het doek toch over de hele oppervlakte een vernislaag had gekregen.
nut. De kettingen waarmee het schilderij aan de haken verbonden is, hangen er ontspannen bij. Drie ankers zitten door het gewelf. Het doek rust tegen één van de drie ankers, de andere twee worden niet belast. Het schilderij steunt wel met zijn volledig gewicht op zes natuursteenconsoles. D e vorige restauraties In het verleden werd de kerkfabriek verschillende keren attent gemaakt op de erbarmelijke toestand van het werk. Het stadsbestuur en de Commissie voor Monumenten gaven de aanzet tot concrete daden (20). Volgende behandelingswijze werd in 1848 voorgesteld : "...nouspensons que Ie moyen Ie plus propre h restaurer ce tableau [Ie grand tableau d'Herregoudts] serait de Ie rentoiler et de repeindre convenablement les parties endommagées..." (21). De kostprijs van 2500 frank zou worden gedeeld door verschillende partijen: de provincie 300 frank, de stad 500 frank, de staat 900 frank en tenslotte de kerk 800 frank. De uitvoering van de verdoeking en de restauratie werden toevertrouwd aan Johan Cierkens en Jean Kiewaert. Deze laatste vroeg of de restauratie van het doek in twee delen mocht gebeuren: "... Mr. Kiewert demande que Ie tableau soit divisé en deux parties afin de faciliter son travail". Hij kreeg hiervoor de toestemming (22). Het is niet duidelijk hoe dit concreet in zijn werk is gegaan. Zeker is dat de restauratie pas aanvatte in 1849. In
Het huidig schadebeeld De oude afwerkinglaag is na verloop van tijd sterk verbruind en het hele schilderij is bedekt met een grote hoeveelheid oppervlaktevuil. Het afschilferen van de verflaag laat op vele plaatsen lacunes achter. Andere beschadigingen zijn: chancis (blindslaan van vernis), stoplappen, soms erg storende overschilderingen, korstnaden, naden tussen de doeken, en nagels op plaatsen aan de bovenkant en onderkant van het schilderij. Al deze beschadigingen samen gaan ten koste van de leesbaarheid van het Laatste Oordeel. Misschien is de eerder lauwe appreciatie van het werk als matig, imposant maar geen meesterwerk, niet meer dan een logisch gevolg hiervan (23). De proefrestauratie wees uit dat een behandeling met white spirit, gevolgd door een behandeling met 7 5 % xyleen + 2 5 % D M F het doeltreffendste is om eerst het oppervlaktevuil te verwijderen en vervolgens de vernis progressief af te nemen. Aan de hand van de proefrestauratie kon een volledig behandelingsvoorstel uitgeschreven worden in 25 punten. Bij het uitschrijven van het restauratieproces bleek dat het voor bepaalde restauratiehandelingen, bijvoorbeeld het verwijderen van het oude doubleerdoek en het opnieuw verdoeken, noodzakelijk is om Herregouts' schilderij van de wand te halen. H e t d e m o n t e r e n van het schilderij Het vlak leggen van het werk zonder het te beschadigen, is een heikel punt omwille van de grootte en
het gewicht van het schilderij. O m deze operatie mogelijk te maken werden verschillende hypotheses uitgewerkt. O m te beginnen kan het schilderij niet in zijn geheel op de vloer gelegd worden omdat de afstand tussen de lambriseringen en biechtstoelen aan weerszijden van de wand te krap is. Er is hoe dan ook een werkplatform nodig, dat boven de lambri• sering opgebouwd wordt. demontering m
Het trekijzer van de voorlaatste travee, opr 6 m van '
twee helften het doek en op 9 m boven de grond, is een tweede (foto VandcnBorre) structurele hindernis. Elk voorstel moet met deze twee gegevens rekening houden. Een eerste hypothese bouwt voort op het feit dat het doek bij de restauratie van 1849 in twee gedeeld zou zijn. Indien in de 20 < a eeuw de verbinding niet te stevig is gemaakt, kunnen de helften opnieuw gescheiden worden. Dan zouden twee stellingen telkens aan weerszijden van een half doek volstaan om het schilderij neer te halen. Het is uiteraard wel nodig om achteraf de oorspronkelijke constructie te herstellen. Als het schilderij daarentegen in zijn geheel van de muur moet, zou dat kunnen gebeuren met behulp van een schaarconstructie, waarbij het schilderij eerst opgelicht wordt en vervolgens van onderuit 'weggereden' wordt. Daarnaast kan ook een extra constructie vervaardigd worden ter versteviging van het schilderij in de hoogte en de breedte. Een combinatie van de scharen en de versteviging zou misschien nog de beste ^ oplossing zijn.Elk van deze voorstellen vereist een Voorstel voor uiterst complexe actie en bijgevolg een hoge kostconstructie met p r j ; s ]-[ et gebruik van hydraulische pompen en rolstelger en takels
•
i
i
•
n
voor de rohvagentjes betekent een hoge matenaalkost en demontering vraagt heel wat montagewerk. (foto VandenBorre)
Door de architecten en de opdrachtgevers werd volgende werkwijze verkozen: de eerste handelingen voor het afnemen van het doek en het aanbrengen van een facing en fixatie zouden vanop een rolsteiger gebeuren, die kan verplaatst worden op een andere bredere, lagere en vaste stelling. Vanop de rolsteiger zou de bovenkant van het schilderij in twee gedeeld worden. Vervolgens zou door het gewelf een constructie opgezet worden voor takels die aan het spanraam bevestigd worden. Met verplaatsbare hydraulische pompen wordt het schilderij opgetild en op de steiger neergezet, met de onderkant licht naar voren, zodat het werk ook onderaan in twee gedeeld kan worden. Eén van de twee helften wordt terug tegen de muur geplaatst, het tweede wordt over de vaste steiger heen naar beneden gebracht. O p dat moment
De problematiek van ijzeroxidatie en zoutuitbloeiingen Beschrijving van de vensters, het gewelf en de twee portieken De 17 e eeuwse barokke vensters hebben een segmentboogvormige omlijsting voorzien van een barokke bekroning. Twee kleine voluten flankeren links en rechts de omlijsting. De onderste hoeken zijn versierd met guttae. Bovenaan is de segmentboog voorzien van een sluitsteen in de vorm van een sierlijke voluut. Het venster wordt bekroond door een kroonlijst bestaande uit twee delen waarvan het bovenste een vooruitspringend deel is. O p de kroonlijst staat centraal een borstbeeld op een sokkel. Twee voluten die samen een gebroken fronton vormen, flankeren het beeld. Het barokke uitzicht van de vensters werd gecreëerd tussen 1671-1673. Het materiaal waaruit de vaste raamomlijsting bestaat is krijtsteen, meer bepaald Avesnesteen. Bepaalde stukken van de omlijsting zitten in de muur verwerkt, terwijl op veel andere plaatsen de ornamenten verankerd zijn met smeedijzeren doken. Het huidig stenen gewelf dateert van 1657-1661. Het is opgetrokken in renaissancestijl en verdeeld in acht zware gordelbogen waarvan de stenen op zware consoles rusten. De bogen zijn rijkelijk versierd met verguld loofwerk. Ook de consoles van de bogen werden versierd: in het koor met twee engelenhoofden en op de andere bogen met een engelenhoofd, een mascaron of een rocaillemotief. In het koor zijn de genoemde elementen stilistisch strakker uitgewerkt en zijn de voluten ingewerkt in de muur terwijl ze in de benedenkerk met ankers zijn bevestigd. Beschrijving van het specifiek probleem Het schadebeeld dat de vensterornamenten, het gewelf, de grafmonumenten en de twee portieken in het koor vertonen, is eigenlijk het gevolg van een structureel probleem. Oorspronkelijk had de kerk geen gewelf en was de dakconstructie zichtbaar vanuit de kerk. Bij de verbouwingen van 16571661 werd het stenen gewelf gebouwd dat opgedeeld is in acht zware gordelbogen waarvan de uiteinden op zware consoles rusten. De plaats waarin het gewelf opgetrokken is, was in de gotische constructie totaal niet voorzien en is ook veel te klein voor dit grote gewelf. De kerk moest volledig gewapend worden met smeedijzer. Er werd bijvoorbeeld een ijzeren gordel rondom de kerk gelegd en op zeer veel andere plaatsen een
metalen verankering voorzien. Raamomlijstingen, grafmonumenten en portieken werden telkens weer voorzien van ijzeren verankeringen. In de loop der tijden moet het dak verschillende malen in slechte toestand hebben verkeerd met enorme vochtinsijpelingen in de muren tot gevolg. Dit vochtprobleem heeft verschillende schadelijke gevolgen. Alle smeedijzeren verstevigingonderdelen zijn gaan oxideren waardoor hun volume sterk is toegenomen tot zelfs het dubbele van hun oorspronkelijke omvang. De aanwezigheid van chloriden - circa. lOmg/1 chloriden werd bij zoutanalyse gemeten in verpoederd pleister — in het materiaal rond het metaal versnelt de corrosie activiteit drastisch. Dit fenomeen resulteert in het barsten van stenen en het ontstaan van scheuren. Daarnaast is het vocht ook de oorzaak van zoutuitbloeiing in pleister, baksteen en natuursteen waardoor de steen verpoedertd en zijn afwerkingslagen verliest.
Schadebeeld Rechtstreekse schade door water en zouten is aanwijsbaar aan de vensteromlijstingen, aan het zuidelijke grafmonument en bijhorende ornamentiek en in mindere mate aan het gewelf zelf en op enkele muurvlakken. Voluten, borstbeelden en consoles worden eveneens door de zoutwerking aangetast. De zoutuitslag drukt verf weg, veroorzaakt het verpoederen van de steen en leidt tot vormverlies. De zuidmuur heeft in verhouding met meer problemen te kampen dan de noordmuur, wat waarschijnlijk te wijten is aan een aangebouwde toren voor de doksaaltrap. De dakgoot van het torengebouwtje lekt. Ook boven de eerste travee is een aanwijsbaar lek dat rechtstreeks aanleiding geeft tot zoutschade.
Zoimdiadi' rond de vensteromliistlngen (foto 0. Pauwels)
De vensterbekroningen van de 6 c, 7 c en 8 stc travee aan de zuidmuur hebben het meest te lijden onder de uitzetting van oxiderend ijzer, ook de gordelbogen tussen travee 2 en 3 en deze tussen travee 5 en 6 zijn er slecht aan toe. De versieringselementen komen los uit de muur, vertonen interne scheuren. Soms vallen er brokken naar beneden. Verschillende borstbeelden van de ramen en portieken hellen naar voren omdat hun bevestiging het begeeft. Zo wordt extra druk gecreëerd op de kroonlijst en andere delen van de architectuur, zodat er scheuren ontstaan en voegen loskomen. De kroonlijst ondergaat dan tezelfdertijd een neer- en voorwaartse druk en dreigt zelfs los te komen. Sommige gordelbogen en consoles zijn op de plaats waar doken zitten fel beschadigd en vertonen soms een identieke scheur. Bij enkele ribben zitten de stenen gewoon los.
De twee grafmonumenten en portieken leiden onder hetzelfde fenomeen. Het zuidelijke grafmonument en het noordelijk portaal zijn aan het begeven. O p enkele plaatsen wordt de boog afgeduwd van het gewelf. De schade wordt hier waarschijnlijk veroorzaakt door de druk van het gewelf. Behandelingsvoorstei Wanneer het om bepleistering gaat kan de zuivere zoutschade worden bestreden door het verwijderen van de beschadigde delen. Bij natuursteen zal men de zouten moeten ontzilten door het leggen van kompressen met bijvoorbeeld sepiolite of zuurvrij papier-maché. Bij geschilderde oppervlakken moet de verf eerst verwijderd worden vooraleer het oppervlak van zijn zouten wordt ontdaan. Daarna worden de stenen verhard met ethylsilicaat, weliswaar zonder de steen te verglazen. Het bijwerken van profielen en sculptuurwerk gebeurt met kalkmortel. O m d a t de oxidatie van de smeedijzeren constructieonderdelen door aanwezigheid van chloriden zo vergevorderd is en niet zomaar stop gezet kan worden, moet alle metaal op termijn uit de muren gehaald worden. Plaatselijk werken met roestomvormer of afsluiten van het ijzer met injecties met isolerende coatings is niet doeltreffend noch duurzaam. Voor het verwijderen van deze elementen moet deskundig advies ingewonnen worden over de stabiliteit van de constructie. Bovendien moet uitgezocht worden op welke plaatsen metalen versteviging zijn aangebracht (eventueel met gammagrafie of ultrasonen). Vervolgens moet onderzocht worden welk vervangingsmateriaal meest geschikt is, zoals glasvezel in epoxy of inox. Bij het ontmantelen van delen uit de scheiboog moet een tegenmal in papier-maché gebruikt worden die later gevat wordt in een harde schelp. Het oplossen van deze problematiek is zeer gepecialiseerd. Misschien biedt het elektrogalvanisch reinigen van de smeedijzeren constructie elementen een alternatief op plaatsen waar het ijzer nog niet te ver is uitgezet, om te vermijden dat de constructie niet verwijderd moet worden. Indien de ingreep haalbaar is, dient het bijgevolg uitgevoerd te worden daar waar de schade nog niet merkbaar is.
M&L
EINDNOTEN
29/08/1849 en 02/10/1849 (uit: BRUGGE, KERKARCHIEF SINT-ANNA, Briefwisseling, s.d.).
(1) PASSCHIER R., Sint-Anmkerk 1925-1935 (handschrift, be-
(23) BRUGGE, KERKARCHIEF SINT-ANNA, Liber memorialis,
waard in de Stadsbibliorheek van Brugge).
s.d.
(2) GEIRNAERT N., VANDAMME L, Brugge, een verhaal van (24) MEULEMEESTER J.L., Jacob van Oost de Oudere, 1984, p. 84. 2000jaar, Brugge, Stichting Kunstboek, 1996, p. 67-68. (3) GEIRNAERT N., VANDAMME L, idem, p. 87. (4) VAN HOUTTE J.A., De geschiedenis van Brugge, 1982, p. 433. (5) GEIRNAERT N., VANDAMME L, idem, p. 86.
BIBLIOGRAFIE
(6) GEIRNAERT N., VANDAMME L, idem, p. 90. (7) Het belangrijkste onuitgegeven document hierbij is het handschrift van R. Passchier uit 1925-1935.
- DE MAERE J., WABBES M, e.a.. Illustrated Dictionary of 17th century Flemish Painters, Brussel, 1994.
(8) VAN RENYNGHE DE VOXVRIE CH., Tahlettes des Flandres, - GEIRNAERT N. en VANDAMME L, Brugge, een verhaal van généalogie, histoire et heraldique, 1969, tome 2, p. 370-371. (9) VAN RENYNGHE DE VOXVRIE CH., idem, tome 5, p. 301302. (10) VAN RENYNGHE DE VOXVRIE CH., ibidem, p. 163. (11) VAN RENYNGHE DE VOXVRIE CH., idem, tome 1, p. 351. (12) PASSCHIER R., idem. (13) In 1700 werden de zitsels van de gilde van "Sacra" vervangen door die van de kerkmeestets. Aanvankelijk bevond het gestoelte van de kerkmeesters zich achteraan de kerk. (14) VERFAILLIE ]., DEHULSTER G., Sint-Annakerk, gids voor de bezoeker, 1993, p. 14.
2000;<Mr, Brugge, 1996. - MEULEMEESTER J.L.,>n^ van Oost de Oudere, Brugge, 1984. -VAN HOUTTE J.A., De geschiedenis van BruggcTAt, 1982. - VAN RENYNGHE DE VOXVRIE CH., Fablettes des Flandres, généalogie, histoire et heraldique, Brugge, 1969. -VERFAILLIE J., DEHULSTER G., Sint-Annakerk. gids voor de bezoeker, Brugge, 1993. - VOLLMER H., THIEME U., BECKER P., Thieme-Becker-Vollmer Gesamtregister: Register zum Allgemeinen Lexikon der bildenden Kiinstler von der Antike bis zuur Gegenwart und zum Allgemeinen Lexikon der hildenden Kiinstler des XX. JahrhundertsMünchen, 1923.
(15) Dergelijke afsluiting vinden we in de Sint-Michaelsketk te Stanlon Harcourt, Oxfordshire in England. Deze afsluiting dateert van 1250.
ARCHIVALISCHE BRONNEN
(16) Naar PASSCHIER: bieren daar staat Herregouts bekend met de bijnaam "den wteeden".
BRUGGE, KERKARCHIEF SINT-ANNA, Liber memorialis, s.d.
(17) DE MAERE ]., WABBES M., e.a., Illustrated dictionary of 17th century Flemish painters, Btussel, 1994, p. 211-212. (18) VOLLMER H , THIEME U., BECKER F., Thieme-Becker-
HANDSCHRIFT
Vollmer Gesamtregister: Register zum Allgemeinen Lexikon der bildenden Kiinstler von der Antike bis zuur Cegenwart und zumPASSCHIER R., Sint-Annakerk, Brugge, 1925-1935. Allgemeinen Lexikon der bildenden Kiinstler des XX. Jahrhunderts, dl.XVI, 1923, p. 536-537. (19) Naar PASSCHIER: dit schilderij is een gift van Jan-Antoon d'Hooge en huisvtouw Angeline d'Hooge. (20) In de brief van het stadsbestuur van 19 juni 1848 aan de ketkfabriek vinden we de volgende formulering "il parait que cette
Het artikel is geschreven door HUGO VANDENmuurschilderingenrestaurateur en ANNE BOTTE, bouwhistorica. Het vooronderzoek werd uitgevoerd door HUGO VANDENBORRE, VEERLE DE HOUWER, bouwhistorica en CHRIS VANDENBORRE, historicus.
oeuvre remarquable se détériore chaque année de plus en plus (uit:BORRE, zelfstandig BRUGGE, KERKARCHIEF SINT-ANNA, Briefwisseling, s.d.). (21) Brief van het stadsbestuur 25/08/1848, in dezelfde brief worden de kosten geraamd op 2500 a 3000 frank, (uit: BRUGGE, KERKARCHIEF SINT-ANNA, Briefwisseling, s.d.). (22) Brief van het stadsbestuur 12/09?/!848, in annexe staat de verdeelsleurel van de subsidies. Brief van het stadsbestuur
Dirk Van Eenhooge
MIDDELEEUWSE BRUGSE HUIZEN,,; BOUWHISTORISCH ONDERZOEK IN DE ELORENTUNSE LOGE EN HET HUIS HERTSBERGHE IN DE ACADE1VI1ESTRAAT • Brugge, Academiestraal I (foto 0. Pauwels)
De Afdeling
Monumenten
sinds 1993 bouwhistorisch Brugse binnenstad.
en Landschappen onderzoek
De nadruk
lokaliseren
en het beschrijven
bakstenen
huizen uit de periode
andere bronnen,
ontstaat
uit in de
van de
stilaan
vroegste
1200 tot
binnen de eerste stadsomwalling
van een gefundeerd doende gestoffeerd
1350.
met data
de bebouwing
de 13de en de vroege 14de eeuw. In
ligt vooral op het
Door deze gegevens te vervolledigen
M&L
voert
uit
een beeld van
een aantal
bijdragen
huizen waarvan worden
overzicht,
brengen
de meest markante
het onderzoek
afgerond.
afwachting
dat nu nog
kan worden,
in
al volledig
onvolwij in woonkon
Nr. 114 Bijlage bij M&L21/2 maartapril 2Ü0Z
B
B 1 N N E 1 M K R A N T
Onderhoud
Patrick
van
Waterschoot\
DF nNDFRHQUDSPRFMIE VOOR RFSCHERMDE MONIIMFNTFN ia9?-?nn2 Het volstaat niet om waardevolle gebouwen het statuut van beschermd monument te geven om hen ongeschonden voor de volgende generaties te bewaren. Monumentenzorg houdt ook in dat een monument een juiste bestemming krijgt en dat het regelmatig onderhouden en desnoods gerestaureerd wordt. Aftakeling en verval moeten voorkomen worden. Daartoe is het beter te onderhouden, te conserveren dan te restaureren. Voorkomen is immers beter dan genezen. Het besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1992 tot instellen van een onderhoudspremie was een belangrijke maatregel in dit voorkomingsbeleid.
Eigenaars en beheerders van beschermde monumenten hebben de plicht hun patrimonium goed te onderhouden. Met de onderhoudspremie verleent de Vlaamse overheid die eigenaars en beheerders een belangrijke financiële steun bij hun onderhoudsplicht.
In de tweede leest men het, voor een bepaalde sector of provincie, totaal toegekende premiebedrag, in Belgische Frank. De derde kolom geeft tenslotte geeft het gemiddelde premiebedrag.
De onderhoudspremie bestaat dus weldra tien jaar. Een reden te meer om hier de balans op te maken van de voorbije negen jaar. De onderhoudspremie was alleszins een succesvol initiatief van de Vlaamse regering. Op negen jaar werden 2137 onderhoudspremies toegekend, voor een totaal bedrag van 563 miljoen BEF of 14 miljoen EURO. Gaan we ervan uit dat de gemiddelde onderhoudspremie 33% bedraagt van de uitgevoerde werken dan betekent dit dat er de afgelopen negen jaar voor anderhalf miljard BEF onderhoudswerken werden uitgevoerd aan beschermde monumenten. Enige uitleg bij dit overzicht: per jaar worden drie kolommen met cijfers afgedrukt. De eerste kolom geeft het aantal toegekende onderhoudspremies.
Op tien jaar tijd is de onderhoudspremie een begrip geworden in de Monumentenzorg in Vlaanderen. Steeds meer eigenaars van beschermde monumenten worden zich ervan bewust dat tijdig en regelmatig onderhoud, waarbij onderhoud dan in zijn breedste betekenis wordt begrepen, van enorm belang is voor het monument. Dit is niet alleen in het voordeel van het monument, maar ook in het belang van de eigenaar en van de gemeenschap. Een ingrijpende restauratie, al dan niet met financiële steun van de overheid, kost immers steeds een veelvoud van de onderhoudswerken. Momenteel wordt door de administratie een nieuw besluit voorbereid om nog efficiënter aan monumentenzorg te kunnen doen. De bepalingen en mogelijkheden van het bestaande besluit op de onderhoudspremie zul-
1994 1995 1996 1997 1993 1998 aantal premie- gemiddeld aantal premie- gemiddeld aantal premie- gemiddeld aantal premie- gemiddeld aantal premie- gemiddeld aantal premie- gemiddeld bedrag bedrag bedrag bedrag bedrag bedrag xlOOO xlOOO xlOOO xlOOO xlOOO xlOOO Openbaar Antwerpen Limburg Oost-VI Vl-Brabant West-VI TOT
4.356 1.471 4.526 5.456 3.851 19.660
168 210 216 176 227 193
TOT
12.358 2.052 928 13 2.502 12 2.204 105 20.044
196 187 155 192 184 191
TOTAAL Antwerpen Limburg Oost-VI Vl-Brabant West-VI Alg. Totaal
89 16.714 U 18 3.523 196 27 5.454 202 44 7.958 181 29 6.055 209 207 39.704 192
Privé Antwerpen OPP Limb Oost-VI Vl-Brabant West-VI
M&L
26 21 31 17 102
63
11
13 13 27 16 74
34
2.474 947 2.483 4.042 3.299 13.245
5.401 778 1.673 12 1,879 14 2.381 73 12.112
47
190 189 191 150 206 179
14 3.937 8 2.089 13 3.788 14 4.161 18 3.650 67 17.625
281 261 291 297 203 263
13 3 10 8 20 54
159 195 186 157 170 166
33
9.074 689 12 3.256 13 2.928 16 3.836 77 19.783
275 230 271 225 240 257
7.875 168 47 13.011 277 1.725 192 11 2.778 253 22 4.156 189 25 7.044 282 39 5.921 152 27 7.089 263 30 5.680 189 34 7.486 220 147 25.357 172 144 37.408 260
4.542 990 2.255 2.124 6.646 16.557
349 330 226 266 332 307
16 4.840 303 7 1.626 232 15 4.653 310 10 2.410 241 26 6.118 235 74 19.647 266
48 13.399 977 1.538 12 2.878 18 5.293 88 24.085
279 244 256 240 294 274
60
15.764 263 2.261 251 17 5.111 301 10 2.861 286 22 5.540 252 118 31.537 267
24.208 6.689 32 7.765 30 9.090 41 9.285 215 57.037
263 334 243 303 226 265
61
294 281 237 250 314 286
76 20.604 271 16 3.887 243 32 9.764 305 20 5.271 264 48 11.658 243 192 51.184 267
121 35 49 50 74 329
263 331 271 316 248 276
17.941 1.967 16 3.793 20 5.002 38 11.939 142 40.642
29 7.636 15 4.903 17 5.507 20 6.716 33 9.065 114 33.827
92 20
31.844 11.592 13.272 15.806 18.350 90.864
263 327 324 336 275 297
B I N ^ E N K R A N T
aantal premtes per provincie privé sector
aantal premies per provincie openbare sector
-idnlal luernies ptr ptovincie
Limburg OoïIVI
len verfijnd, aangevuld en uitgebreid worden. De belangrijkste wijzigingen zullen er in bestaan dat ook voor bepaalde elementen of delen van beschermde stads- of dorpsgezichten, evenals kleinere onroerende niet beschermde erfgoedelementen in aanmerking kunnen komen voor een onderhoudspremie. Zeer grote monumenten daarentegen zullen over onderhoudsenveloppen kunnen beschikken, waardoor soepeler en sneller zal kunnen ingespeeld worden op de bijzondere eisen die deze monumenten vergen op het vlak van onderhoud.
totaal premiebedrag 100 000 90 000 80 000 70 000
50 000 40 000 30 000 20 000 10 000
2001 TOTA/ 1999 200C aantal premie- gemiddeld aantal premie- gemiddeld aantal premie- gemiddelc aantal premie- gemiddeld bedrag bedrag bedrag bedrag xlOOO xlOOO xlOOO xlOOO
41
11.88 3
290
25
5,62 3
225
28
8.14 3
291
205
53.425
261
15
4.63 D
309
11
2.88 3
262
13
3.81 3
293
84
23.346
278
16
5.88 D
368
32
8.51 3
266
16
5.28 3
330
153
42.882
280
11
3.61 D
328
27
7.87 3
291
19
5.23 3
275
167
41.619
249
27
8.48 3
314
29
8.37 3
289
28
8.65 3
309
214
58.129
272
110
34.48 )
313
124
33.25( )
268
104
31.11 3
299
823 219.401
267
95
26.71 3
281
90
26.53 D
295
84
23.82 3
284
599 157.264
263
18
5.33 3
296
18
6.10 3
339
17
6.20 3
365
104
31.076
299
31
8.06 3
260
35
8.43 3
241
26
6.78 3
261
174
43.541
250
36
10.40 3
289
35
10.13 3
289
33
10.77 3
326
194
53.438
275
52
13.28 3
255
40
8.14(3
204
28
7.96 3
284
243
57.919
238
232
63.78( )
275
218
59.33( )
272
188
55.53( 3
295
1.314 343.238
261
136
38.59 3
284
115
32.15 3
280
112
31.96 3
285
804 210.689
262
33
9.96 3
302
29
8.981)
310
30
10.01 3
334
188
54.422
289
47
13.94 3
297
67
16.94 3
253
42
12.06 3
287
327
86.423
264 263
47
14.01 3
298
62
18.00 3
290
52
16.00 3
308
361
95.057
79
21.76 3
275
69
16.51 3
239
56
16.61 3
297
457
116.048
254
342
98.26 3
287
342
92.58(3
271
292
86.64(3
297
2.137 582.63 3
263
totaal aantal aanvragen
1
2
3
4
5
6
1993-1998
1VI&L
B I N M E N K R A N T
Marilou
Dubois
DF WFRKING VAN M D N U M F N T F N W A r H T Monumentenwacht helpt u, als eigenaar/beheerder van een historisch waardevol of beschermd gebouw, met het onderhoud. De monumentenwachters stellen tekortkomingen en/of veroudering vast, en grijpen onmiddellijk in bij kleine, dringende mankementen. Grotere herstellingen doen zij echter niet zelf. Zij zoeken vooral naar mogelijke oorzaken van de schade en geven suggesties voor onderhoud of herstel. Alle bovenstaande bevindingen, samen met foto's en een bouwkundige tekening, worden gebundeld in een bevattelijk toestandsrapport. In 2001 voeren de monumentenwachters 978 bouwkundige en 90 interieurinspecties uit, waarvan zij een toestandsrapport maken. Dit komt overeen met een stijging van 150 inspecties ten opzichte van 2000. Van de bouwkundige inspecties krijgen er 391 een eerste en 587 een herhaalinspectie. Van de 90 interieurinspecties, hetgeen overeenkomt met een stijging van 28 inspecties ten opzichte van 2000, betreffen 77 een eerste inspectie en 13 een herhaalinspectie. Sinds de effectieve start van Monumentenwacht in 1993 werden in totaal 5.668 bouwkundige en 297 interieurinspecties uitgevoerd.
Aan het eind van 2001 zijn 2.802 objecten aangesloten bij de vijf provinciale monumentenwachtverenigingen. Een object staat voor een 'te inspecteren gebouw', maar in een aantal gevallen betekent dat 'een geheel van meerdere gebouwen'. Van de 2.802 sluiten er 309 aan in 2001. Hiervan zijn er 39% beschermde, of gedeeltelijk beschermde objecten. Dit is een sterke daling ten opzichte van 2000 waar 56% van de aanmeldingen beschermde gebouwen betrof. Met 1.120 objecten maken kerken en kapellen 40% van het totale bestand uit. Over de jaren heen groeit het objectenbestand nog steeds regelmatig aan door spontane aanmeldingen. De ob-
1V1&L
jecten worden ingedeeld in drie grote categorieën, namelijk de openbare besturen, de kerkfabrieken en de privé-eigenaars. De inhaalbeweging van de privé-eigenaars, die reeds ingezet was in 1999, zet zich gestaag door. Binnen de nieuwe aanmeldingen in 2001 vertegenwoordigen de privéeigenaars 60%. Dit betekent een stijging van 16% ten opzichte van 2000. Het aandeel van de kerkfabrieken in de nieuwe aanmeldingen kent in 2001 een daling van 28% naar 18%. Bij de openbare besturen merken we eveneens een daling van 28 naar 22%. In de totaliteit van de aangesloten objecten, daalt het aandeel van de openbare besturen en van de kerkfabrieken licht ten opzichte van vorig jaar. Het aandeel van de privé-eigenaars stijgt met 3%.
Eind 2001 zijn er 32 bouwkundige en 5 interieur-monumentenwachters en 7 secretariaatsmedewerkers in dienst. De gezamenlijke inspectiecapaciteit van de monumentenwachters neemt hiermee toe met 18% ten opzichte van het vorige jaar. De gemiddelde inspectiefrequentie ligt op 3 jaar. Zoals steeds moeten de cijfers met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd worden: er treden nieuwe medewerkers in dienst, die door hun ervaren collega's 'ingewerkt' worden; een gedeelte van het jaar is een monumentenwachter voor 1/5 beschikbaar gesteld voor een Intereg-project. Ook wordt in de telling geen rekening gehouden met de omvang of complexiteit van de geïnspecteerde gebouwen. Om op het juiste moment de juiste instandhoudings- en onderhoudswerken te kunnen uitvoeren, heeft een eigenaar/beheerder met regelmaat een toestandsrapport nodig van de staat waarin uw monument zich bevindt. Met het inspectierapport van Monumentenwacht heeft een eigenaar/beheerder een eerste leidraad in handen om naar een architect of een aannemer te stappen. Bij beschermde monumenten kan het rapport ook de basis vormen om een onderhoudspremie van het Vlaams Gewest aan
te vragen, bij de betrokken cel Monumenten en Landschappen in de provincies. De overheid biedt de eigenaars of vruchtgebruikers van beschermde monumenten verschillende financiële tegemoetkomingen aan als onder andere een onderhoudspremie. Van de 284 toegekende onderhoudspremies door het Vlaams Gewest in 2001, zijn 140 objecten lid van Monumentenwacht. 92 daarvan, dus 66%, gebruikten het toestandsrapport van Monumentenwacht om hun premie aan te vragen. Dit is een stijging met 5% ten opzichte van 2000. Zo kunnen, in voorkomend geval, ook bij de provincies onderhoudspremies aangevraagd worden. Oost-Vlaanderen kent 54 premies toe in 2001 voor onderhoudswerken aan niet als monument beschermde waardevolle gebouwen. Daarnaast kent ze 6 conservatiepremies toe voor niet-beschermd waardevol roerend erfgoed. VlaamsBrabant reikt 33 premies uit voor beschermde monumenten en 53 premies voor niet als monument beschermde waardevolle gebouwen. Antwerpen reikt 16 premies uit aan niet als monument beschermde waardevolle gebouwen. Limburg reikt 6 conservatiepremies uit voor de behandeling van beschermenswaard roerend cultureel erfgoed, eigendom van lokale besturen of niet-erkende openbare musea. In alle provincies worden alle aanvragen onderbouwd met een toestandsrapport van Monumentenwacht, enkel in Limburg waar het er slechts één betreft.
Uitbreiding en verbetering van de dienstverlening In 2001 streeft Monumentenwacht naar uitbreiding van haar diensten voor de abonnees. Monumentenwacht Antwerpen start in het najaar met Monumentenwacht-interieur, in navolging van Monumentenwacht Limburg en Oost-Vlaanderen. Zowel de technische kennis als de kennis over veiligheid, die nodig zijn om een historisch gebouw en zijn interieur tot in de verste uithoeken te onderzoeken, zijn aanwezig bij onze
B I N N E N K R A N T
Jaarlijkse aangroei van objecten 1993 2001
1903-1995
monumentenwachters. Deze kennis wordt onderhouden en bijgeschaafd tijdens de verschillende intern georganiseerde opleidingen of extern georganiseerde studiedagen. In 2001 wordt een preventieadviseur in dienst genomen om onder andere opleidingen veiligheid voor de monumentenwachters te geven en risicoanalyses te maken van de objecten. Daarnaast wordt op aanvraag van de abonnee advies verstrekt over het plaatsen van ladderhaken en verankeringspunten.
1996
Totaal aantal objecten - beschermde (geheel of gedeeltellik) objecten 2001
Naast een info-dag over 'Veilig onderhouden. Veiligheidsvoorzieningen in en op historisch waardevolle gebouwen' en de onderhoudstips 'Toegankelijkheid van zolders, kapruimtes, daken en goten' en 'Onderhoud van stalen schrijnwerk', wordt tweemaal per jaar een nieuwsbrief uitgebracht.
Ook in 2002 Monumentenwacht streeft naar een continue verbetering van haar diensten. Zo zijn we gestart met het project 'Een onderhoudsdraaiboek op maat van elk gebouw'. Onder andere hieraan wordt verder gewerkt in 2002.
Toegekende premies Vlaams Gewest
1800 1600 1100 1200 1000
Wilt u lid worden, of wenst u meer informatie, neem dan contact op met Monumentenwacht Vlaanderen, Oude Beurs 27, 2000 Antwerpen, tel. 03/212.29.50, fax 03/212.29.51 en email: secretariaat@monumentenwacht.be.
M&L
B 1 N 1 \ E N K R A N T
Becommentarieerde en uitvoerig gedocumenteerde uitgave van het dagboek dat Friedrich Willem von Erdmannsdorff (1736-1800), opgetekend in opdracht van Leopold Friedrich Franz von Anhalt-Dessau tijdens een langdurige studiereis in Italië in 1765-1766, onderdeel van DF KF1I7F VAN MFtL een 'Grand Tour' die hen verder naar Frankrijk en Engeland bracht. Ooggetuigenverslag van de kunstMeister Michael Baumeister der Herzoge von Österreich schatten uit de Romeinse paleizen, de resten van de Antieken en de villa's Elisabeth Hassmann van Palladio door de stamvader van Wenen, Böhlau Verlag, 2002, 668 p., het Duitse classicisme. ISBN 3-205-99354-3
Literatuur
Lijvige, uitvoerig gedocumenteerde monografie gewijd aan de middeleeuwse Weense bouwmeester Meister Michael von Wiener Neustadt ook bekend als Michael Knab, geboren omstreeks 1350, eerste 'Hofarchitekt' en tegelijk de vroegste bouwmeester met een aanwijsbaar oeuvre uit de Oostenrijkse kunstgeschiedenis. Naast dit oeuvre dat onder meer de 'Spinnerin am Kreuz', het 'Alte Schloss' in Laxenburg en de Maria am Gestadekerk omvat, komt ook de 'Bauhütte' van de Stephansdom uitgebreid aan bod.
Herman Muthesius und die Idee der harmonischen Kultur Fedor Roth Berlijn, Gebr. Mann Verlag, 2001, 310 p., ISBN 3-7861-2330-6 Studie over de geschriften van Hermann Muthesius (1861-1927), architect, theoreticus en medestichter van de Werkbund, één van de protagonisten van de moderne beweging in het vroeg 20ste-eeuwse Duitsland, die met zowat 500 publicaties, waaronder Stilarchltektur und Baukunst en Dos Englische Housgrote invloed uitoefende op de overgang van art nouveau naar Nieuwe Zakelijkheid. Deze worden geduid tegen de achtergrond van een Nietzscheaans cultuurbegrip, dat een stilistische eenheid nastreeft in alles wat een volk tot uiting brengt.
Die Auferstehungskirche in Pforzheim (1945-1948) Offo Bartnings Kirchenbau 'm Spannungsfeldzwischen Moderne und Traditionalismus Chris Gerbing Regensburg, Schnell Et Steiner, 2001, 128 p., ISBN 3-7954-1428-8 Bescheiden monografie over de Auferstehungskerk in Pforzheim, de eerste naoorlogse 'evangelische' nieuwbouwkerk in Duitsland, modelkerk volgens een programma voor noodkerken van Otto Bartning (18831959), en prototype voor 43 realisaties. Systeembouw gekoppeld aan vrijwillige arbeid door de kerkgemeenschap drukte in deze tijden van schaarste en trauma niet alleen de bouwkost maar herstelde tegelijk het gemeenschapsgevoel. Situering in het oeuvre van de architect en in de naoorlogse Duitse kerkenbouw.
Le Corbusier The Poetics of Machine and Metaphor Alexander Tzonis Londen, Thames £t Hudson, 2001, 240 p., ISBN 0-500-28319-2
LE CORBUSIER THE POETICS OF MACHINE AND METAPHOR
Friedrich Wilhelm von Erdmannsdorf Kunsthistorisches Journal einer fürstlichen Blldungsreise nach Italiën 1765/66 Ralf-Torsten Speler (red.) Munchen, Deutscher Kunstverlag, 2001, 448 p., ISBN 3-422-06275-0
M&L
Fraai vormgegeven monografie die op een beknopte en bevattelijke wijze poogt door te dringen tot het wezen en de betekenis van Le Corbusiers oeuvre, de basis van zijn scheppend vermogen, en de enorme impact op zijn tijd. Aan de hand van sleutelwerken worden de opeenvolgende
B l N N E l ^ K R A N
etappes van zijn leven geduid, in relatie tot de ontwikkelingen van de filosofie, de avant-garde, de sociale, economische en politieke bewegingen en de nieuwe technologieën.
Craig Ellwood Neil Jackson Londen, Laurence King Publishing, 2002, 208 p., ISBN 1-85669-282-5
T
Dom Hans van der Laan
' IWlr
in Waasmunster uit 1972-1975. Inleiding op zijn architectonische leer gevolgd door een uitvoerig met fotoessays en een keuze uit ontwerptekeningen geïllustreerde oeuvrecatalogus en een selectie uit zijn geschriften.
Monografie, deels gebaseerd op interviews, over leven en werk van de Californische sterarchitect Craig Ellwood (1922-1992), auteur van een veelvuldig gepubliceerd en met prijzen overladen oeuvre, wegens zijn enigmatische en glamoureuze levensstijl wel eens de "Gary Grant of architecture" genoemd. Als autodidact ontpopte hij zich in de jaren '50 en '60 tot een exponent van de functionalistische, vooral residentiële 'skin and bone' architectuur, met name door het ontwerp van Case Study House 16,17 en 18, tot hij zich in 1977 als kunstschilder terugtrok in Italië.
Dom Hans van der Laan Works and words Alberto Ferlenga en Paola Verde Amsterdam, Architectura Et Natura, 2001, 204 p., ISBN 90-76863-05-9 Monografie over de Nederlandse benedictijn Dom Hans van der Laan (1904-1991), auteur van een handvol realisaties van gestrenge schoonheid en consistentie gebaseerd op het 'plastisch getal', met name de abdij van Vaals, begonnen door Dominikus Böhm en voortgezet vanaf 1955, inspiratie voor de abdij van Roosenberg
Houses from Books, Traetises, Pattern Books, and Catalogs in American Architecture 1738-1950 A History and Guide Daniel D. Reiff The Pennsylvania State University Press, 2001, 412 p., ISBN 0-271-01943-3 Lijvige studie over de impact van architectuurtractaten, modelboeken en bouwcatalogi op de kleinstedelijke en suburbane, residentiële architectuur in de Verenigde Staten van 1738 tot 1950. Aan de hand van ontwerpen uit 76 publicaties die in gebouwde vorm werden teruggevonden, wordt onderzoek gepleegd naar de makers ervan, de architecten, aannemers en ambachtslui die er gebruik van maakten, en de opkomst van het architectuuronderwijs in deze periode, in sociaal-historische context.
Der Architekt und sein Haus Architektenwohnhauser in Deutschland, Österreich und derdeutschen Schweiz von 1830 bis 1918 Brigitte Reuter Weimar, VDG, 2001,403 p., ISBN 3-89739-202-x Studie over de rol van de architecten-
woning in de evolutie van de bouwkunst in het Duitse taalgebied van 1830 tot 1918, periode waarin de emancipatie van het beroep zich voltrok tegen de achtergrond van de opkomende burgermaatschappij. Uit de analyse van ruim 80 woningen van architecten als Persius, Statz, Möckel, Billing, Schulze-Naumburg of Fischer, komt de architectenwoning tegelijk naar voor als een marktgericht prototype, een optimale verwerkelijking van een individueel eisenprogramma en een programmatisch manifest van de eigen kunstopvatting.
Synagogues Une architecture de l'identité juive Dominique Jarrassé Parijs, Société Nouvelle Adam Biro, 2001, 285 p., ISBN 2-87660-304-7 Verzorgd uitgegeven typologisch referentiewerk over de synagoge in zijn wereldwijde context door de eeuwen heen, zij het niet volgens een strikt geografisch of chronologisch parcours. De synagoge verschijnt als een symbool van de Joodse identiteit, een spiegel van de angsten en aspiraties van volk ten prooi aan vervolging en ballingschap, maar evenzeer strevend naar assimilatie en eigen nationaliteit. Hoofdstukken gewijd aan de symboliek, de diaspora, het identiteitsstreven en de opgang in de moderniteit.
English Prisons An Architectural History Allan Brodie, Jane Croom en James 0 Davies Swindon, English Heritage, 2002, 298 p., ISBN 1-873592-53-1 Uitzonderlijk gedocumenteerd referentiewerk over de architectuurhistorische ontwikkeling van de gevangenis in Engeland gedurende de voorbije twee eeuwen, op basis van een systematische inventarisatie van meer dan 130 bestaande en zowat 100 gewezen strafinrichtingen waarvoor onbeperkt toegang werd verleend. De evolutie in de penitentiaire theorie en politiek wordt hierbij gerelateerd aan de typologische ontwikkeling, onderverdeeld
B 1 N N E M K R A N T
Amerikaanse universiteiten. Tot de belangrijkste thema's behoren de relatie tussen de tuinkunst en de hofcultuur of de staatskunde, de territoriale context van de 'villa', de iconografie, 'gender', en de sociale geschiedenis van de tuinaanleg.
Créateurs de Jardins et de paysages en France de la Renaissance au XXI siècle De la Renaissance au début du XlXe siècle (Tome I) Michel Racine (red.) Aries, Actes Sud, 2001, 288 p., ISBN 2-7427-3280-2 in een achttal chronologische perioden. Ook het in België nagevolgde radiale Pentonville-type komt hierbij uitvoerig aan bod.
Konstruktive Konzepte der Moderne Fallstudien aus dem 20. Jahrhundert Arthur Rüegg en Bruno Krucker Sulgen-Zurich, Niggli, 2001, 152 p., ISBN 3-7212-0416-6 Overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen in de modernistische architectuur vanaf het interbellum tot de jaren 1960, bekeken vanuit de wisselwerking tussen constructietechnieken, nieuwe bouwmaterialen en vormgeving. Een dertigtal casestudies, onder meer van Poelzig, Loos, Breuer, Roth, Artaria, Jacobsen, Smithson, Bill, Prouvé, Le Corbusier en Kurokawa, deels op het spanningsveld tussen traditie en moderniteit, deels gericht op de industrialisering van de bouw, worden hiertoe geanalyseerd.
Villas and Gardens in Early Modern Italy and France Mirka Benes en Dianne Harris (red.) Cambridge, Cambridge University Press, 2001, 428 p., ISBN 0-521-78225-2 Bundel met elf essays gewijd aan de tuinkunst van de elite in het Italië en Frankrijk van de renaissance en de barok, opgevat als een anthologie van een kwarteeuw interdisciplinair onderzoek naar deze materie aan de
1V1&L
Eerste volume van een tweedelig biografisch referentiewerk over de Franse tuinkunst vanaf de renaissance tot vandaag. Dit deel omvat in chronologische volgorde een 60-tal ruim geïllustreerde bijdragen, hetzij gewijd aan een individueel ontwerper en zijn bijdrage aan de tuinkunst, van Palissy en Mollet tot Girardin en de Ligne, hetzij aan een fenomeen zoals de hoveniers van Versailles, de uitstraling van de Franse tuin in landen als Spanje tot zelfs Finland, of de tuinkunst in de literatuur. Inleidingen over ontwerpers, opdrachtgevers en tractaten.
Charles Bridgeman and the English Landscape Garden Peter Willis Newcastle Upon Tyne, Elysium Press Publishers, 2002, 232 p., 247 pi.., ISBN 0-904712-04-4 Aangevulde heruitgave van een bejubelde monografie (1977) over de Engelse landschapsarchitect Charles Bridgeman, die een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van de 'jardin anglais', op de overgang van de geometrische parterres van de vroege 18de eeuw naar het geïdealiseerde landschap van Capability Brown. Hoewel hij als 'Royal Gardener' voor George II onder meer actief in Hampton Court en Hyde Park, maakte vooral de creatie van Stowe hem onsterfelijk.
Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert H-laan 20 - bus 7 1000 Brussel (tijdens de kantooruren) Tel. 02/553.82.27 - Fax 02/553.82.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be
riAUDF
lAURFNS
Sinds een tiental jaar voert de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw van de Universiteit Gent, onder leiding van Mil De Kooning, onderzoek omtrent de naoorlogse architectuur in België. Hieruit kwamen onder meer een aantal oeuvrecatalogi voort, gewijd aan het werk van architecten als Paul Neefs, Willy Van Der Meeren, Lucien Engels en Peter Callebout, gepubliceerd in de reeks Vlees Et Beton. Met de studie over Claude Laurens komt nu het oeuvre aan bod van een architect die zijn carrière begon tijdens het interbellum in Frankrijk en zich pas na de Tweede Wereldoorlog in België vestigde. Bovendien wordt voor het eerst uitvoerig aandacht besteed aan een cruciale periode uit onze koloniale architectuurgeschiedenis. Laurens' werk werpt op exemplarische wijze licht op de bouwproductie in het Kongo van de jaren '50.
Claude Laurens werd in 1908 geboren als zoon van de Franse beeldhouwer Henri Laurens, en groeide op in het milieu van de Parijse avant-garde. Schilders als Pablo Picasso, Georges Braque en Juan Gris behoorden tot de dichte vriendenkring van zijn ouders. Ook Le Corbusier was kind aan huis bij de familie Laurens. In 1932, op 24jarige leeftijd, besluit Claude Laurens architect te worden, en gaat in de leer bij Paul Nelson, later bij Pierre
B I N N E ^ K R A N T
Forestier, William Vetter en Bruno Eikouken. In 1934 ontwerpt hij zijn eerste, bescheiden projecten, en twee jaar later begint hij als architect te werken voor het Parijse Muséede l'Homme. Hij ontwerpt er, samen met Robert Pontabry en Marcel Gautherot, de spraakmakende inrichting van het nieuwe museum in het Palais Chaillot Na een deel van de oorlogsjaren in Zwitserland te hebben doorgebracht, vestigt Laurens zich in 1946 in Brussel. Hij maakt er een aantal ontwerpen voor bouwprogramma's - sanatorium, polikliniek, sociale huisvesting - die kaderen in de wederopbouw. Verder realiseert Laurens enkele woningen en een appartementsgebouw, waarin hij zijn vermogen demonstreert om de boodschap van het vooroorlogse modernisme op een persoonlijke, formeel verfijnde manier te vertalen. Zijn werk wordt opgemerkt door de nationale en internationale architectuurpers. Het tijdschrift Architecture, de spreekbuis van het naoorlogse Belgisch modernisme, zal in zijn eerste jaargang 1952 zijn eerste monografisch nummer aan Claude Laurens wijden. In 1951 trekt Laurens naar Belgisch Kongo om er voor Sabena een aantal bouwprojecten te ontwerpen. De kolonie blijkt een veelbelovend werkterrein dat hem in die tien jaar tot 1960 in totaal tweeëndertig opdrachten oplevert. Het gaat voornamelijk om grootschalige projecten bestemd voor de koloniale hoofdstad Leopoldstad: appartementsgebouwen, bankfilialen, commerciële complexen en enkele gebouwen met een meer recreatieve functie. Deze projecten zijn exemplarisch voor het 'tropisch modernisme' dat in de naoorlogse periode zijn intrede doet in de kolonie en waarin de architectonische conceptie op een erg nadrukkelijke manier wordt afgestemd op het warm-vochtige equatoriale klimaat. In de toenmalige geïllustreerde pers, van koloniale bladen tot missietijdschriften, worden Laurens' realisaties bovendien uitgespeeld als iconen van 'Ie nouveau Congo' en in het bijzonder van Leopoldstad als een etalage van de 'American way of life'. De twee zestig meter hoge Sabena-
woontorens zijn er het meest sprekende voorbeeld van. Ondertussen tekent Laurens ook ontwerpen in België: enkele woningen, grootschalige - maar meestal onuitgevoerd gebleven - projecten zoals het woonblok Arc-en-ciel te Vorst, een garage met hotel nabij het Brusselse Noordstation, een Volkswagen-garage in samenwerking met ingenieur H.C. Duyster, en een kantoorcomplex aan de Brusselse Frère Orbansquare. Vanaf eind jaren '50 ontwerpt hij ook verschillende riante villa's voor uitgelezen locaties in Zuid-Frankrijk, waarin hij zijn visie op het 'eigentijdse wonen' etaleert in een genereuze, op de natuur gerichte ruimtelijke composities. In 1971 sluit Laurens zijn loopbaan als architect af met een deelname aan de architectuurwedstrijd voor het Centre Beaubourg in Parijs.
Door zijn vorming bij Nelson en Eikouken, en zijn contacten met Le Corbusier was het modernisme voor Claude Laurens een vanzelfsprekendheid. In die zin is zijn bijdrage aan de architectuur niet als baanbrekend of vernieuwend te beschouwen, maar geeft hij van begin af aan blijk van een 'modernité naturelle'. Voor Laurens valt architectuur samen met een 'juiste' vormgeving, de logica van het plan en het 'métier' van het bouwen, niet met één of ander theoretisch betoog. De inzet van zijn oeuvre bestaat in een streven naar architecturale schoonheid waarin de conventies van de moderne architectuur worden gekoppeld aan "les observances immuables du classicisme au sens large du mot: harmonie, mesure." Deze drietalige oeuvrecatalogus werd samengesteld door Johan Lagae,
M&L
B 1 N N E N K R A N T
burgerlijk-ingenieur architect en als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Vakgroep Architectuur en Stedenbouw, die zeer onlangs doctoreerde op de koloniale architectuur in Belgisch Kongo en Ruanda-Urundi uit de periode 1920-1960. Hierbij werd nauw samengewerkt met Claude Laurens zelf en zijn echtgenote Denise Laurens, die ook het voorwoord schreef. Verzorgd uitgegeven, geeft het boek een goed gedocumenteerd, eigentijds beeld van het oeuvre van Claude Laurens. Een inleidend essay biedt een bondig overzicht op leven en werk van de architect. Een vijftigtal van zijn belangrijkste realisaties wordt hierop uitvoerig toegelicht met origineel planmateriaal en foto's uit het archief van de architect, en uittreksels uit de toenmalige architectuurpers of een beknopte situering. De keuze voor een in hoofdzaak visuele documentaire aanpak maakt wel dat de ontstaansgeschiedenis van de individuele projecten, het milieu en de
M&L
omstandigheden waarin zij tot stand kwamen onderbelicht blijven. Tenslotte volgt naast een bibliografie, een volledige catalogus met 106 projecten en realisaties, waarin het ontbreken van referenties naar de huidige bewaringstoestand, of al was het maar de exacte locatie van de gebouwen, toch een lacune vormt. Jammer genoeg wordt ons ook een blik onthouden op het voor deze architectuur zo wezenlijke en verfrissende kleurgebruik, dat in het inleidend essay terecht in de verf wordt gezet. Naar verluidt ontbrak hiervoor het geschikte, eigentijdse beeldmateriaal. Actuele foto-opnamen hadden aan dit gemis kunnen verhelpen en hadden meteen ook het enigszins geënsceneerde tijdsbeeld, hoe schitterend ook, kunnen bijstellen. Het blijft immers de vraag hoe deze architectuur de tijd, met name in het postkoloniale Kongo/Zaire, heeft doorstaan.
Claude Laurens Architecture. Projets et realisations de 1934 a 1971 Johan Lagae en Denise Laurens Universiteit Gent, Vakgroep Architectuur en Stedenbouw 348 p., ISBN 90-76714-06-1 Prijs: 55 € (softcover), 82 € (hardcover)
B l ^ N E N K R A N T
RDRFRT SCHUITEN Nog tot 14 april loopt in de Fondation pour l'Architecture de tentoonstelling Robert Schuiten, Ie feu sacré. Deze retrospectieve over de Brusselse architect Robert Schuiten werd samengesteld door de familie Schuiten, met name zijn zoons de architect Luc en de tekenaar Frangois Schuiten, de Fondation pour l'Architecture en de Archives d'Architecture Moderne, als een parcours doorheen zijn architectuur, zijn schilderkunst en zijn publicaties. Hiervoor werd geput uit het rijke, persoonlijke archief van de architect, dat door de familie aan de Archives d'Architecture Moderne werd afgestaan. Tegelijk verscheen een bescheiden, maar bijzonder fraai geïllustreerde monografie van de hand van de hand van Francis Strauven voor wat de architectuur en Dominique Lamy voor wat de schilderkunst betreft, met een voorwoord door Maurice Culot. Robert Schuiten (1912-1997) studeert aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten, waar zijn monumentale projecten de invloed verraden van zijn leermeester Henri Lacoste. Zijn eerste project, een gecombineerd huisvestings- en tewerkstellingsproject voor woonkernen in landelijk gebied, wordt doorkruist door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Behalve de bouw van zijn eigen woning - zijn eerste realisatie beperkt zijn activiteit zich in deze benarde periode tot het publiceren van een reeks modelboeken met verzorgde perspectiefschetsen en aquarellen, waarin hij de suburbane vrijstaande eengezinswoning met tuin, in een regionalistisch gewortelde vormgeving, als ideaal van eigentijds wonen propageert. Achtereenvolgens verschijnen "Avoir sa maison et son jardin" (1941) en "Concevoirsa maison" (1942), later gevolgd door "Construction d'aprèsguerre" (1946) en "La maison dans son jardin" (1949). Het succes van deze boekjes leverde hem na de oorlog een groot aantal bouwopdrachten op. De kleine verkavelingen zoals 'Bel Air' en 'Clos de la Reine' in Wezenbeek-Oppem en de
geschakelde villa's aan de Baron Albert d'Huartlaan en de Essenlaan in Kraainem uit de jaren '50 en '60 ademen een subtiel modernisme dat eerder dan radicaal te willen zijn een nieuw elan geeft aan een vernaculaire traditie. Deze elementaire bouwvolumes met ingehouden plastische accenten, onderscheiden zich door een sterke visuele coherentie en een landschappelijke integratie. Naast enkele projecten in Belgisch Kongo realiseert hij in deze periode de Sint-Jozefskerk in Wezembeek-Oppem, de Helihaven aan de Groendreef, welke aansluit bij de architectuur van Expo 58. Later in de jaren '60 is hij betrokken bij grote bouwprojecten als het Omroepgebouw aan de Reyerslaan en het Administratief Centrum aan de Munt. Vanaf 1972 trekt hij zich terug als architect, om zich nog uitsluitend te wijden aan zijn oude passie: de schilderkunst. Het werk uit deze periode getuigt van een diep christelijke inspiratie, met het thema van de Verrijzenis als hoofdmotief, dat wordt gestileerd in een abstract lyrisme met een krachtig koloriet.
:m HT r ii
ü-iTï
•.u-^rFi
Robert Schuiten, Ie feu sacré Tentoonstelling 10 januari tot 14 april 2002 Fondation pour l'Architecture (CIVA) Kluisstraat 55, 1050 Brussel 10u30 tot 18u30 (dinsdag tot zondag) tel. 02/644.91.52 fondation.architecture@skynet.be Robert Schuiten, Architecte et peintre Maurice Culot, Francis Strauven en Dominique Lamy Brussel, AAM Editions, 2002 104 p., ISBN 2-87143-120-5
M&L
B 1 N N E N K R A N T
Buitenkrant PRDIFCT •lANDSrHAPSTFAMV Op 26 maart 2002 heeft minister Van Grembergen in Ename (Oudenaarde) het project 'Landschapsteams' aan pers en publiek voorgesteld. Door de wijziging van het landschapsdecreet op 21 december 2001 werd aan een nieuw hoofdstuk toegevoegd omtrent algemene landschapszorg. Onder algemene landschapszorg wordt verstaan het stimuleren van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische, fysischgeografische en esthetische landschapswaarden, alsook van kleine landschapselementen. Het decreet voorziet ook de mogelijkheid om onder andere aan de regionale landschappen subsidies te verlenen. Het is dan ook in dit wettelijk kader dat het project 'landschapsteams' dient gesitueerd. De landschapsteams zijn een logisch vervolg op de landschapsanimatoren, die zowat een jaar geleden door de minister bevoegd voor Monumenten en Landschappen werden voorgesteld. In 2001 werden 7 landschapsanimatoren aangeworven in de definitief erkende regionale landschappen: Regionaal Landschap Dijleland, Regionaal Landschap Haspengouw, Regionaal Landschap Kempen en Maasland, Regionaal Landschap Noord-Hageland, Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen, Regionaal Landschap Westvlaamse Heuvels en Regionaal Landschap Zenne, Zuun en Zoniën. Naast de bestaande taken die via het decreet op het natuurbehoud aan de regionale landschappen zijn toegewezen, hebben de animatoren als taak de algemene landschapszorg. Deze bestaat erin dat ze bemiddelend en faciliterend optreden ten aanzien van de lokale overheden en particulieren in de regio om de verschillende mogelijkheden inzake beheersoverkomsten en andere subsidiëringen in het buitengebied beter te benutten.
Daarnaast bestaat hun taak erin om landschapsprojecten op te starten. Zo wordt een jaarprogramma opgesteld in overleg met de landschapsconsulenten van Monumenten en Landschappen. Dit jaar zullen er 8 animatoren werkzaam zijn, want ook het Regionaal Landschap Meetjesland start dit jaar met een animator. Een landschapsanimator kan de algemene landschapszorg maar volwaardig uitbouwen als hij/zij de nodige middelen ter beschikking heeft om effectief werken op het terrein uit te voeren, vandaar het project 'Landschapsteams'. In tegenstelling tot wat de naam laat vermoeden wordt er niet gewerkt met een vast, duidelijk aanwijsbaar arbeidersteam, maar worden financiële middelen ter beschikking van iedere animator. Met deze middelen kunnen naast de klassieke instandhoudings-, onderhouds- en herstelwerken in het landschap ook andere werken uitgevoerd worden zoals aan het netwerk van buurtwegen met het aansluitende klein-historisch erfgoed zoals veldkapellen, veldkruisen, typische wegwijzers, enz.. De doelgroepen voor de landschapsteams zijn de lokale overheden en privaatrechterlijke en natuurlijke personen.
Het ter beschikking stellen van financiële middelen is uiteraard gekoppeld aan een aantal voorwaarden. De bijdrage van het Vlaamse Gewest bedraagt maximaal 80%. De eindbegunstigde betaalt 10% en neemt de verplichting op zich om op sommige tijdstippen zijn terrein open te stellen. Het overige gedeelte van de kosten is voor rekening van het Regionaal Landschap, dat daartoe de nodige middelen verwerft. Bij het uitvoeren van de werken wordt prioriteit gegeven aan de meest waardevolle landschappen meer bepaald de beschermde landschappen en de ankerplaatsen. Het project 'landschapsteams' heeft ook een sociale dimensie, want voor de uitvoering van de diverse werken dient maximaal een beroep te worden gedaan op de sociaal-economiebedrijven. Elk regionaal landschap dient ook een resultaatsverbintenis te onderschrijven, waarbij de concrete
actiepunten per jaar worden vastgelegd in een afsprakennota en waarbij rekening wordt gehouden met de wensen vanuit de regio. Voor het jaar 2002 wordt voor de werking van de landschapsanimatoren en de landschapsteams een subsidie ter beschikking gesteld van 1.053.333 euro. Het Vlaamse Gewest betaalt 790.000 euro. Het overige gedeelte wordt gefinancierd door Europa via de gelden van het plattelands ontwikkelingsprogramma. Het is de bedoeling om ieder jaar de subsidies van het Vlaamse Gewest substantieel te verhogen. Het project werd voorgesteld in Oudenaarde, in het werkingsgebied van het Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Het thema waarrond hier gewerkt wordt, is de bescherming en het beheer van KLE in het algemeen en van autochtone bomen en struiken in het bijzonder. Onder kleine landschapselementen verstaan we hagen en heggen, houtkanten, bomenrijen, knotbomen,... Wie de Vlaamse Ardennen kent, weet dat deze kleinoden het landschap mee vorm geven. Autochtone bomen en struiken zijn bomen en struiken waarvan we quasi zeker zijn dat ze er al heel lang staan en meteen zaden voortbrengen die aangepast zijn aan ons klimaat. Want daar wringt het schoentje: tot nu toe wordt vooral plantgoed verkocht dat opgekweekt is met zaden, geplukt in Zuid- en/of Oost Europa, t.t.z. minder goed aangepast en met minder weerstand tegen ziektes. Evenals alle andere regionale landschappen hecht het Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen veel belang aan het authentieke van het landschap en is daarom zeer verheugd over het initiatief van Minister Van Grembergen. Kleine landschapselementen vormen een wezenlijk onderdeel van het landschap en verdienen uit landschappelijk, ecologisch, cultuurhistorisch en toeristisch standpunt onze volle aandacht. Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen heeft op basis van een recente wetenschappelijke studie een tiental gebieden afgebakend die terug
B 1 N N E N K R A 1 M T
te vinden zijn in de landschapsatlas èn daarnaast heel wat autochtone bomen en struiken bevatten. Zo is de omgeving van de Bruul in Mater (Oudenaarde) geselecteerd. De landschapsanimator heeft alle eigenaars/pachters in de geselecteerde gebieden uitgenodigd mee in het project te stappen. Op info-avonden in elke gemeente wordt voor hen alles grondig toegelicht. Concreet betekent dit dat zij beroep kunnen doen op het landschapsteam om werken uit te voeren die landschapsversterkend zijn. Het project werd in Mater in de praktijk getoond. Terplaatse kon de uitvoering van de laatste werken aan een actie, met cultuurhistorisch en wetenschappelijk belang, aanschouwd worden. De bezochte locatie is onderdeel van de ankerplaats "Omgeving van Tissenhovemolen". Deze ankerplaats omvat naast de windvangzone van de molen ook een belangrijk deel van de bovenloopvallei van de Osebeek, een kleinschalig landschap met kleine bosjes en veel houtige kleine landschapselementen.. Het perceel is eigendom van de stad Oudenaarde, en bestaat o.a. uit een bronbosje, een knotwilgenrij en een kaphaag. Het bronbosje bestaat uit elzenhakhout, en is natuurwetenschappelijk belangrijk. Het uitstromend bronwater geeft er aanleiding tot de vorming van kalktuf (kalkverstening), en de bronbosvegetatie is er zeer waardevol, met typische bronbossoorten als Bittere veldkers (Cardamine amara) en Reuzenpaardestaart (Equisetum telmateia). Bovendien zijn de elzen belangrijk, omdat het vermoedelijk om autochtoon materiaal gaat, dit is genetisch materiaal dat hier vermoedelijk spontaan is terecht gekomen zonder door de mens van elders te zijn ingebracht. Het zaad van deze elzen wordt geoogst om er plantsoen uit te kweken dat elders kan worden aangeplant. Om de elzen in situ te kunnen behouden op langere termijn, moet het hakhout periodiek worden gekapt, wat nu door het landschapsteam is uitgevoerd.
Kaphagen zijn houtige lineaire landschapselementen die in hun verspreiding beperkt zijn tot de Vlaamse Ardennen. Het gaat om rijen lage knotbomen van es of haagbeuk, die op geringe afstand van mekaar ooit zijn aangeplant. Het hout werd in het verleden als brandhout of geriefhout aangeplant, maar cultuurhistorisch zijn ze vooral merkwaardig omdat het loof ervan werd geoogst om als loofvoedering voor het vee te worden gebruikt. Boomloof heeft een voedingswaarde vergelijkbaar met die van hooi, en vooral bij misoogsten in de landbouw werd het loof tot de Eerste Wereldoorlog als stalvoedering aangewend om het vee de winter te laten doorkomen. Het voortbestaan van kaphagen is eveneens afhankelijk van een periodieke kapbeurt.
Marcel M. Celts
F I I R O P F S F PRMS VOOR A R C H I T F C T U M R P H I I I P P F ROTHIER In het leven geroepen in 1982 door architect-maecenas Philippe Rothier bekroont deze driejaarlijkse prijs hedendaagse realisaties die qua architectuur en stedenbouw de principes bestendigen waaraan de fraaiste Europese steden hun oorsprong danken.
Een 53 dossiers werden ingediend, samen goed voor een 14 verschillende landen in Europa, Israël, Syrië en Cuba. De Prijs, een bedrag van 30000 Euro, werd toegekend aan de Oficinadel Historiadorln Havana, geleid door Eusebio Leal Spengler, voor het heropbouwprogramma van deze stad. Bijzonder gewaardeerd werd de erkenning van de aanwezige erfgoedwaarde en de gelijklopende opleiding van gespecialiseerde ambachtslui. Het oude Havana, grotendeels uit de 16de tot 18de eeuw, wordt gekenmerkt door een wispelturig stedelijk weefsel, onderbroken door grote en kleine squares. Gespreid over een 2 km? telt dit stadsdeel ruim 3500 gebouwen, waarvan zowat de helft ernstige bouwfysische gebreken vertoont, maar die desondanks onderdak bieden aan een 70 000 inwoners. Opgericht in 1938 legt de Oficino del Historiadorzich sinds de jaren '60 toe op de restauratie van deze gebouwen en openbare ruimten. Na de ineenstorting van het socialistisch regime en de daaropvolgende aftakeling van de economie, slaagde het Maestroplan van 1994 er voor het eerst in een pluridisciplinaire ploeg samen te stellen die bij machte bleek de complexe rehabilitatieproblematiek te beheersen, de inwonende bevolking en verenigingen bij de operatie te betrekken, structuren uit te bouwen voor de vorming van ambachtslui en de ontwikkeling van toerisme, en financiële
1VI&L
B I W ^ E I N K R A N T
middelen te genereren mede door nationale en internationale partnership-operaties. Zes bijkomende projecten kregen om reden van hun bijzonder gewaardeerde kwaliteit en vindingrijkheid een nominatie ex aequo. De rehabilitatie van het ten dode opgeschreven stadhuis, haar uitbreiding en de bouw van een tentoonstellingscentrum en openbare bibliotheek, in Odemira, Portugal, door Alberto Castro Nunes en Antonio Maria Braga, werd gelauwerd omwille van de continuïteit in het restauratie/nieuwbouwbeleid van het stadsweefsel. De Leuvense architect André Stevens en diens confrater Muhamad Algarad wisten met hun 'dorp-huis' van Teil Beydar, te Hassake in Syrië, een gewaardeerde eigentijdse interpretatie te brengen van een archeologisch gestaafde traditie. Eigendom van de Syrische staat, en bedoeld als huisvesting voor een zowat 50 man tellend opgravingsteam, werd dit 20 bij 120 m groot 'dorphuis' vanaf 1992 uitgebouwd, ten dele bovenop de cirkelvormige walmuur van de stad Nabada (2400 BC), aldus voldoende hoog gelegen voor de jaarlijks weerkerende overstromingen. Gebruikmakend van de traditionele zon-gebakken steentechniek - een mengsel van klei, water en gehakt stro - dragen de 50 a 75 cm dikke huismuren 'suikerbrood'koepels of platte daken van populus euphraticarondhout waarop tengels, een strolaag en een waterdichte afwerking met aangestampte aarde. Om het verbruik van hout beperkt te houden werd veelvuldig beroep gedaan op sinds zowat 5000 jaar gebruikelijke 'pseudogewelven'. Terra Vecchia en Bordei, beide verlaten en vervallen alpendorpjes in de Zwitserse Centovalli-vallei, bij Ascona en Locarno, werd van ontwerp tot restauratie nieuw leven ingebracht door Lorenzo Custer en de stichting Terra in Vecchia, opgericht in 1973 met de bedoeling om jongeren via ambachtelijke arbeid in de samenleving te integreren.
B I N N E N K R A N T
De Franse architecten Bernard Dehertogh en Jean Méreau verdienden een nominatie omwille van hun door historisch onderzoek onderbouwde restauratie/ reconstructie van een 15de-eeuws houten diephuis te Valenciennes. In navolging van een zowat 5000 jaar terug in Mesopotamië gebruikelijke techniek, bouwt de Duitse architect Marcel Kalberer sinds 1984 soepele vegetale structuren met in de bodem geplante wilgentwijgen: levende en wassende 'folies', schuilplaatsen, tunnels, koepels, paviljoenen, paleizen en kathedralen. Living Architecture waarvoor hij beroep doet op jongeren en vrijwilligers, soms ruim 600 per project.
Bij de Prijs hoort zoals gebruikelijk een kleine (21 x 19cm), maar keurig en kleurig, rijkelijk geïllustreerde catalogus (7,74 Euro), weliswaar enkel in het Frans en Spaans. Te bevragen bij Fondation pour l'Architecture, Kluisstraat 55, 1050 Brussel, tel. 02 642 24 80, Fax 02 642 24 82, E-mail: fondation.architecture@skYnet.be
Cesar Portela tenslotte, uit Pontevedra, Spanje, koos de steile rotsoever van Finisterre, Galicië, voor de organisch gespreide inplanting van massieve granieten kubussen; een melancholische en hoopwekkende begraafplaats als uitvloeisel van de natuur, hemel en zee, waar het romantisch schilderen van Arnold Böcklin niet ver te zoeken is. Foto's: A. Stevens
MONUMENT TE KOOP Huis van Parma - Laat Gotisch - bouwjaar 1550-1555 Gelegen Sint-Katelijnestraat 115 te Mechelen. Grenzend aan het Klein Begijnhof. Laatste restauratie uitgevoerd in 1993. Totale bebouwde oppervlake ± 500 m 2 Gelijkvloers
Bevat handelspand (bakkerij) gescheiden van living, keuken, binnenterras (overdekt), garage omgebouwd tot berging. Twee toiletten voor en achter, gang naar werkplaats oppervlakte ± 120 m 2 volledig conform met uitbatingsvergunning opgelegd door vlarem II. Achter bakkerij veranda 10 m = rustig tuintje. l e verdieping Drie slaapkamers, badkamer, hobbykamer, salon 25 m + trap naar 2 e verdieping. 2 e verdieping Vierde slaapkamer waarin de oorspronkelijke stijl werd bewaard. Zolderruimte met nog de volledige constructie anno 1555.
IVI&L
M&L citaat
"Men is hier niet gewoon bij het opbouwen de steenen zoo regelmatig op elkander te vlijen, als wij dit in Holland doen, maar men bedekt dan ook daarentegen de muren met ene lichtgroene of witte, ofnanquinkleurige (vale of rossig gele kleur) verw (verf), hetwelk geen ongevallig voorkomen heeft, zoo lang de verw nieuw en versch is, maar vuil en morsig staat als zij oud wordt. Wij hoorden zelfs de Brusselaren klagen over het algemeen gebrek, dat men wel met pracht en keurige netheid de gebouwen aanlegde, maargeene zorg genoeg droeg voor het onderhoud van dezelve."
(Uit het reisverhaal van de schrijfster A.B. Van Meerten, geboren Schilperoort, die in 1824 Brussel bezocht.)
HET ONDERZOEKSPROJECT Het uitgevoerde bouwhistorisch onderzoek is geen vrijblijvend wetenschappelijk onderzoek maar gebeurt naar aanleiding van verbouwingen, restauraties en soms zelfs de sloop van middeleeuwse huizen. De aandacht gaat niet alleen naar de eigenlijke bouwgeschiedenis van de panden, maar ook naar hun historische betekenis binnen de vroege stadsontwikkeling. Al snel bleek immers dat — zoals voor Gent al overvloedig werd aangetoond - ook in Brugge de vroegste grote huizen uit de periode 1200-1350 merendeels alleenstaande huizen waren, die zich bevonden op grote tot zeer grote domeinen die pas later werden opgedeeld en volgebouwd(l). Niettemin bleven veel van deze domeinen herkenbaar in de parcelleringspatronen van de huidige kadasterkaarten. Enkele ervan ontsnapten zelfs helemaal aan deze evolutie en groeiden in de 15de eeuw uit tot prestigieuze Bourgondische residenties die nog altijd in het stadsbeeld aanwezig zijn. Onderzoek naar de situering, het verspreidingspatroon en de datering van deze vroege huizen, die vooral door het patriciaat werden gebouwd, kan op termijn een belangrijke bijdrage leveren tot een goed begrip van de ontstaansgeschiedenis van de laat-middeleeuwse stad.
Dankzij het steeds toenemende aantal onderzochte panden enerzijds, en een voortdurende prospectie
Ovemchtsplan van
reeds gelokaliseerde
het noordelijk deel
huizen uit de
van de Brugse
periode 1200-1350
binnenstad, met
(tek. auteur)
aanduiding van de
op het terrein en in de literatuur anderzijds, konden intussen (1 november 2001) al 107 vroege bakstenen huizen worden gelokaliseerd. Sommige zijn volledig verdwenen maar zijn nog in de literatuur terug te vinden(2). Andere komen te voorschijn bij stadsarcheologisch onderzoek(3). Bij nog andere bestaande huizen verraadt - bij gebrek aan verder bouwhistorisch onderzoek - enkel de kelder de vroege oorsprong van het pand. Bij veel huizen die wel nader worden onderzocht, blijkt echter dikwijls dat ook bovengronds nog omvangrijke resten van de vroegste bouwperiodes teruggevonden kunnen worden. Dit alles betekent dat niet enkel beschermde monumenten in dit onderzoek worden betrokken, onder meer als voorbereiding van een restauratiedossier, maar dat afgezien van eigen prospectie, veel andere belangwekkende panden onder de aandacht komen via de adviesaanvragen in het kader van de stedenbouwkundige vergunningen. Vooral door deze procedure, die verloopt in een uitstekende samenwerking met de Stedelijke Dienst voor Monumentenzorg, kon de lijst van gelokaliseerde én onderzochte huizen de laatste jaren overigens aanzienlijk uitgebreid worden. Toen in de loop van deze onderzoeken bleek dat in veel huizen nog een middeleeuwse dakconstructie aanwezig was, in de oorspronkelijke vorm of in een al dan niet sterk verbouwde toestand, gaf de Afdeling Monumenten en Landschappen opdracht aan prof. P. Hoffsummer van de Universiteit van Luik een vijftiental dendrochronologische onderzoeken uit te voeren op houten constructies in woonhuizen
die de Afdeling al had onderzocht of geselecteerd. De bedoeling was enerzijds de op grond van het bouwhistorisch onderzoek voorgestelde dateringen van de woonhuizen te controleren, en anderzijds een beter inzicht te krijgen in de datering en de evolutie van de verschillende types middeleeuwse sporenkappen. In de zomer van 2001 werd een eerste reeks van tien dakkappen onderzocht. Hiervan konden er vier in de 13de eeuw worden gedateerd, drie in de eerste helft van de 14de eeuw, één omstreeks 1400 en twee in de late 15de eeuw(4). Waar de drie late dateringen aan het verwachtingspatroon beantwoordden, waren de andere dateringen meestal een verrassing, en moesten de bouwhistorische datetingen - die zelden op harde gegevens berusten - gevoelig worden aangepast: een aantal constructies was 50 tot 100 jaar ouder dan aanvankelijk was geschat(5). Het dendrochronologisch onderzoek bleek aldus een waardevolle aanvulling en een bevestiging van de bouwhistorische resultaten, en zal in de toekomst ook de zuiver bouwhistorische dateringen accurater en betrouwbaarder maken. Intussen worden alle gelokaliseerde huizen uit de 13de en de vroege 14de eeuw gaandeweg gesitueerd op zes deelplannen (schaal 1/400 of 1/500) van de Brugse binnenstad binnen de eerste stadsomwalling uit 1127(6). De kadastrale basis voor deze
plannen is de Popp-kaart uit 1854; op deze kaart zijn immers nog domeinen en afzonderlijke huizen merkbaar die later in de 19de eeuw werden verbouwd tot grotere herenhuizen, waardoor enkele middeleeuwse sporen en afbakeningen verloren gingen. Hoewel de resultaten nog zeer onvolledig zijn, kunnen toch al enkele concentraties in bepaalde straten en huizenblokken worden onderscheiden(7).
Academiestraat 1 (Florentijnse Loge) en 3 (Hertsberghe) in de 13de eeuw De Academiestraat is een historisch zeer belangrijke straat. Zij ligt in het noordelijk deel van de stad, buiten de oudste stadskern, maar in een stadsdeel dat in de tweede helft van de 12de eeuw ontstond nadat er in 1134 een rechtstreekse verbinding tot stand kwam tussen Brugge en de zee (het Zwin), en de stichting van havensteden als Sluis en Damme een nieuwe impuls betekende voor de buitenlandse handel in Brugge. De Brugse haven lag in het noordwestelijke deel van de stad. Omstreeks 1200 werd hier bovendien een nieuwe woon- en handelswij k gecreëerd door het aanbrengen van belangrijke ophogingen(8). De Academiestraat vormde aldus de verbinding tussen in het westen de havenwijk met zijn talrijke handelshuizen en in het oosten het financiële centrum van de stad waarvan het huis Ter Beurse (nu Vlamingstraat 35) de oudste kern vormde.
Academiestraat I
Voorlopig zijn de huizen nr. 1 (plan: B5) en nr. 3 (plan: B65) de enige 13de-eeuwse huizen die in de Academiestraat werden gelokaliseerd. Zij werden hoogstwaarschijnlijk samen opgetrokken en zijn gebouwd van bakstenen van een groot formaat (30 x 14 x 7/8 cm) en tufsteen. Door de vele latere verbouwingen bleven de oorspronkelijke huizen echter zeer fragmentarisch bewaard. Het hoekhuis meet binnenwerks 16,4 bij 8 m; in de kelder bleef voornamelijk de gemene muur met nr. 3 goed bewaard. Opmerkelijk zijn vooral een mooie kaarsnis, afgedekt met een vijfpas die is uitgevoerd in gesculpteerde baksteen, en de tufsteen die bijna als speklagen in de bakstenen is verwerkt. In de achtergevel bleven twee fragmenten van het oorspronkelijke muurwerk bewaard; zowel bij het fragment ter hoogte van de maailijn als bij het fragment ter hoogte van de huidige zolderverdieping was het bakstenen muurwerk aan de buitenzijde duidelijk afgewerkt met een tufstenen parement.
en 3. Grondplan op kelderniveau in 1350 en in 1714 (tek. auteur)
K X K •vUi . . .
v*v vv v v v x \ \ Acadefriestraat 1/3
E3 XIII
S ca 1350
.
iX
Toestand T714
Toesfand ca 1350 Grondplan Nivo
O XV-1714 _ayj
M&L
Het tweede huis is iets kleiner (binnenwerks 13,2 bij 8,9 m) en bewaart enkel in de kelder sporen van
zijn vroege oorsprong. In de gemene muur met het huis nr. 1 bevindt zich een kaarsnis met een eenvoudige keperboog, en in de achtergevel bleef een kleine vensteropening met een segmentboog gedeeltelijk bewaard. Achter het huis bevond zich een kleine beerput (4 bij 1,8 m), die later tot een gewone kelder werd verbouwd. Archivalische gegevens over deze twee huizen zijn voorlopig niet voorhanden. Wel wordt er in 1302 in deze omgeving een huis Ter Loge vermeld(9). Aangezien het huis Academiestraat 1 later de Florentijnse Loge wordt genoemd, is het niet ondenkbaar dat dit inderdaad de oudste huisnaam van dit pand is. In de Renteboeken van Sint-Juliaans wordt er achter de huizen een cleen nauw straetkin vermeld; dit nauwe straatje is nu enkel achter nr. 1 bewaard, maar heeft op de Popp-kaart van 1854 nog een lengte van circa 48 meter. Dergelijke straatjes of brandgangen gaan meestal terug op zeer oude perceelsgrenzen tussen oude domeinen. In de Poppkaart zijn er zeven huiserven terug te vinden in het bouwblok tussen de Academiestraat en het straatje; mogelijk gaat dit bouwblok, ongeveer 1540 m groot, terug op een laat-12de-eeuws of vroeg-13deeeuws kerndomein dat eigendom was van een rijke handelaar of patriciër.
Academiestraat I. Langsdoorsnede met alle bouwsporen uit de 14de en
Verder bouwhistorisch onderzoek moet deze hypothese echter nog bevestigen. Opvallend is wel dat in het overige deel van de straat de huiserven alle een afwijkende oriëntatie vertonen die misschien haar oorsprong vindt in een ander vroeg domein. Het onderzoek naar dergelijke vroege grote domeinen in onze middeleeuwse steden kreeg buiten Gent echter nog maar weinig aandacht, hoewel ze erg belangrijk zijn voor een goed begrip van de ontwikkelingspatronen van middeleeuwse steden. Enkel multidisciplinair onderzoek kan hier goede antwoorden opleveren. Intussen kunnen we wel de aanwijzingen vermelden die door bouwhistorisch onderzoek te voorschijn komen.
Academiestraat 1 omstreeks 1350 Dankzij het dendrochronologisch onderzoek van Patrick Hoffsummer kon de meest representatieve bouwfase van dit huis gedateerd worden in de periode 1338-1349. Hoewel de gevels van dit huis in de 15de, de 18de en de 19de eeuw grondig verbouwd werden, bleef de I4de-eeuwse aanleg goed herkenbaar. Het metselwerk uit deze periode bestaat uit bakstenen van het formaat 24 x 1 2 x 5 cm.
15de eeuw (tek. auteur)
In deze periode verdeelt een dwarse binnenmuur de kelder in een groot voorhuis en een kleiner achterhuis. De zware balklaag die deze kelder overdekte verdween waarschijnlijk pas omstreeks 1960. Enkele bewaard gebleven stukken (1 balksleutel en fragmenten van de onderslagbalk) en diverse bouwsporen maken echter een reconstructie mogelijk. De kinderbalken (sectie 25 x 25 cm) steunden op strijkbalken tegen de zijmuren en een centrale onderslagbalk (sectie 45 x 45 cm). Bij de voor- en de achtergevel werden de uiteinden van deze balk ondersteund door een korbeelstel, de combinatie muurstijl/balksleutel/korbeel. Centraal in het voorhuis werd een bakstenen fundering blootgelegd waarop waarschijnlijk een houten standvink stond die de onderslagbalk ondersteunde. O p de dwarse binnenmuur lag een (bewaard gebleven) zware balksleutel die aan weerszijden voorzien is van dubbele kwartronde profielen, en zelf ondersteund was door eenvoudige kraagstenen in Doornikse kalksteen.
M&L
De kelder werd in dezelfde bouwcampagne uitgebreid met een kleine (8,3 bij 2,6 m) straatkelder die overdekt is met een tongewelf en vanuit de grote kelder bereikbaar was via twee met een segmentboog afgewerkte doorgangen. O p de gelijkvloerse verdieping resten nog weinig bouwsporen uit deze periode. De verdeling tussen voorhuis en achterhuis was hier waarschijnlijk wel aanwezig, maar verdween bij de volgende verbouwing. In de achtergevel zijn fragmenten bewaard van (waarschijnlijk) een deuropening met een bovenlicht, waarvan de omlijsting met rondstaven was afgewerkt. Van de balklaag boven de eerste verdieping zijn enkel de achterste twee vakken bewaard; de balklaag van de tweede verdieping is nagenoeg compleet. O p beide verdiepingen rusten de balklagen op drie moerbalken die telkens ondersteund waren door een korbeelstel. Hiervan zijn slechts één muurstijl en een aantal sleutelstukken bewaard. Zeer uitzonderlijk is dat alle kinderbalken van telmerken waren voorzien; bovendien werden de merken op de kinderbalken uitgebreid met één, twee of drie bijkomende streepjes naargelang de balkkoppen op de eerste, de tweede of de derde moerbalk lagen (zie plan balklagen).
Opvallend zijn verder vooral de resten van twee trapconstructies tegen de achtergevel. Links achteraan wijst een uitsparing in de balklaag op een eenvoudige steektrap die naar de tweede verdieping van een achtergelegen huis leidde. Rechts bleef, ondanks latere verbouwingen, een groot trapgat bewaard dat wijst op het bestaan van een inpandig trappenhuis. Helaas hebben recente grote doorbrekingen van de achtergevel hier nagenoeg alle sporen doen verdwijnen. Enkel de linker dagkant van een deuropening bleef bewaard, die echter 70 cm lager gesitueerd was dan de tweede verdieping (plan: opening D). Deze deuropening, waarvan de omlijsting voorzien is van een dubbele afschuining, gaf toegang tot een achtergelegen huis of een uitgebouwde latrine. Het meest spectaculaire element in het huis is echter de monumentale dakkap, die traditioneel rond 1400 wordt gedateerd(lO), maar waarvan de kapdatum van het hout nu tussen 1338 en 1349 kan worden gesitueerd. Typologisch betreft het een enkelvoudige sporenkap met voetraveling; het enige langsverband wordt gevormd door twee diagonaal geplaatste windlatten in het voorste gedeelte van de kap. De 39 sporenparen zijn getelmerkt van de achtergevel naar de voorgevel. Nagenoeg alle verbindingen in de constructie zijn van het pen-engattype, vastgezet met een houten toognagel én meestal smeedijzeren nagels. De sporenvoeten zijn ingelaten in korte blokkelen die zelf rusten op een muurplaat én een raveelbalk die op de moerbalken van de tweede verdieping rust. De verbinding tussen blokkeel en sporenvoet is verstevigd door standzonen waarvan een aantal later vervangen werd. Elk sporenpaar is onderling verbonden door twee hanenbalken waarvan de onderste door korbelen is ondersteund; de bovenste hanenbalk vertoont een halfhoutse verbinding met de daksparren, vastgezet met een houten toognagel én smeedijzeren nagels. De getrokken telmerken bevinden zich bovenaan beide daksparren, op de bovenste hanenbalk en vlak boven de onderste hanenbalk. Afgezien van deze telmerken, die het mogelijk moesten maken de vooraf vervaardigde onderdelen correct te monteren, zijn ook nog
M&L
Academiestraat I.
stijl met balksleutel
Zipuur met kaars-
en (gereconstrueerd)
nis. baksteenschilde-
korbeel
ring en een muur-
(foto 0. Pauwels)
Academiestraat I. Detail van één van de daksparren met bovenaan een eigendomsmerk en vlak eronder het telmerk '10' (foto 0. Pauwels)
A
voudige figuur die omschreven kan worden als een driehoek met een middellijn, soms uitgebreid met bijkomende strepen ernaast. De juiste betekenis van deze merken is nog onduidelijk; waarschijnlijk gaat het om eigendomsmerken die een koper heeft aangebracht op een lading timmerhout(l 1).
Academiestraat I. De balklagen op eerste en tweede verdieping (tek. auteur)
• Academiestraat I.
In de achtergevel gaat het huidige ronde raam terug op een deuropening die toegang gaf tot een achterliggend bouwvolume. Van dit achterhuis is bijzonder weinig bewaard; een kraagsteen in Doornikse steen, en een vertanding in het metselwerk (voor een strijkbalk) tonen wel aan dat de balklaag van de tweede verdieping op hetzelfde niveau lag als in het grote huis. Verder is het voorste deel van de balklaag van de eerste verdieping van het grote huis niet oorspronkelijk, maar bestaat het uit een enkelvoudige balklaag, volledig samengesteld uit hergebruikte daksparren. Onderzoek van de inkavelingen in deze balken toonde aan dat zij afkomstig zijn uit een dakconstructie, identiek aan die in het grote huis. Het hoogste telmerk dat werd aangetroffen is 18, wat een minimum lengte van circa 8 meter aangeeft. Het is niet onwaarschijnlijk dat deze balken afkomstig zijn van het in de 18de eeuw gesloopte achterhuis, waarvan de lengteas niet in het verlengde lag van die van het grote huis, maar dwars op de Vlamingstraat.
Oostzijde van de I4de-eeuwse dakkap met volledige ingelaten windlat (foto auteur)
andere merken te vermelden. O p enkele daksparren is een geometrisch ingewikkelde figuur aangebracht, en op de bovenste hanenbalken een een-
Archivalische gegevens over deze bouwperiode zijn bijzonder schaars, maar bevestigen althans het bestaan van het achterhuis. In de Renteboeken van Sint-Juliaans(12) is terug te vinden dat schepen Joris van Aertricke vóór 1396 eigenaar is van het grote huus; een aansluitend achterhuis in de Vlamingstraat behoort toe aan een andere eigenaar(13). Dit
Academiestraat 3. Langs- en dwarsdoorsnede met alle bouwsproen uit de 14de eeuw (tek. auteur)
'M
tS « Sïi
ï l
É
H y ^ v. h ^
ACADEMIESTRAAT 3 (B65) Toestand ca 1350 : Opmeting en Reconstructie Doorsneden
betekent waarschijnlijk dat Jotis van Aettricke niet als de bouwheer kan worden bestempeld. Nader archivalisch onderzoek is hier echter vereist. In 1396 is het huis eigendom van Jan Oste, in 1428 van Jacob Baert, eveneens lid van een Brugse magistratenfamilie. Hij is ook eigenaar van het achterhuis. In 1430 wordt het huis eigendom van schepen Jacob Haghelsteen. De volgende eigenaar is schepen Jan van Wulfsberghe die het vóór 1470 verkocht aan de Florentijnse Natie. Die moet het huis (of een deel ervan) echter al voordien hebben gehuurd, want haar aanwezigheid wordt vermeld omstreeks 1420-1427(14). De komst van de Florentijnen luidt een zeer prestigieuze periode in voor het huis (zie verder).
Academiestraat 3 omstreeks 1350 Dit tweede huis, dat later als het huis Hertsberghe bekend staat, werd meer dan waarschijnlijk samen met het grotere hoekhuis verbouwd. Vooral de dak-
0 1 UL L
J
3 L
J
5m 1
dvp
constructies leveren hier de nodige bewijzen. Een nu volledig verdwenen middenmuur verdeelde het huis is twee nagenoeg gelijke delen. De kelder, nu overdekt met gewelven uit het begin van de 18de eeuw(15), was toen voorzien van een balklaag, waarvoor enkele indirecte bewijzen werden gevonden. Bij de recente verbouwingswerken werd duidelijk dat er zich in de rechter zijmuur een vertanding bevond waarin een strijkbalk was ingelaten, terwijl in de rechter zijmuur vijf van de oorspronkelijk acht kraagstenen van Doornikse kalksteen bewaard bleven. De balklaag omvatte waarschijnlijk eveneens een centrale onderslagbalk, waarvan echter geen sporen bewaard zijn. Eén van de meest markante kenmerken van het huis zijn de verschillen inzake inrichting en verticale verdeling tussen het voorste en het achterste gedeelte. De middenmuur omvatte ongetwijfeld
een trappenhuis waarvan enkel op de tweede verdieping getuigen resten: een raveling in de balklaag van het voorste gedeelte, en inkavelingen voor twee stijlen onderaan de middelste moerbalk. O p dit niveau bestond de scheiding tussen de twee delen uit een houten wand, terwijl er op de onderliggende verdiepingen duidelijke uitbraaksporen zijn van een bakstenen dwarsmuur. O m volledig te zijn moeten we nog vermelden dat enkel de balklaag van de bovenste verdieping bewaard bleef, en dat de rechter zijmuur in de 15de eeuw grotendeels werd herbouwd en dus weinig sporen uit de I4de-eeuwse verbouwing bevatte.
Academiestraat 3. Detail van een muurnis met kopjes in Doornikse kalksteen, en een kaarsnis (foto 0 . Pauwels)
De gelijkvloerse verdieping van het voorste gedeelte was ongeveer 5 meter hoog. In de linker zijmuur vinden we nog enkele sporen van twee 10 cm diepe muurnissen die bovenaan door drie spitsbogen waren afgesloten; in het midden van de eerste muurnis bleef een kaarsnis gedeeltelijk bewaard. In het achterste gedeelte was deze verdieping slechts 3,90 m hoog; de linker zijmuur is hier volledig verdwenen. Gezien de duidelijke aanwijzingen dat Academiestraat 1 en 3 toen nog één geheel vormden, moet een verbinding tussen beide huizen zich waarschijnlijk hier hebben bevonden. De eerste verdieping in het voorste gedeelte was 3,50 m hoog. De muurnissen in de linker zijmuur zijn hier veel beter bewaard dan in de onderliggende verdieping. Zij zijn respectievelijk 2,25 m en 2,60 m breed; de dagkanten en de spitsbogen zijn voorzien van een eenvoudige velling. De spitsbogen steunen telkens op twee gebeeldhouwde kopjes van Doornikse kalksteen, waarvan er hier slechts één ongeschonden bewaard is. In de eerste nis bleven eveneens een kaarsnis, afgedekt met een driepas, en resten van een baksteenschildering (witte imitatievoegen op een rode verflaag) bewaard. Tussen beide nissen was de aftekening van de verdwenen muurstijl duidelijk merkbaar. In het achterste gedeelte was deze verdieping 4,50 m hoog, terwijl de muurnissen even groot zijn als in het lagere voorste gedeelte. Door de latere inbreng van een groot schouwlichaam en een rookkanaal werden de twee nissen zwaar verminkt. Wel was nog duidelijk dat ook zij met een baksteenschildering waren afgewerkt. De moerbalk werd hier ondersteund door een korte muurstijl, gedragen door een (afgehakte) kraagsteen van Doornikse kalksteen. In de achtergevel zijn resten bewaard van een groot spitsboogvenster; dagkanten en spitsboog zijn aan de binnenzijde voorzien van een rondstaaf. Aan de buitenzijde zijn alle sporen verdwenen.
De tweede verdieping in het voorste gedeelte is 3,40 m hoog; de moerbalk was oorspronkelijk niet ondersteund door een muurstijl. Ook hier waren in de linker zijmuur twee muurnissen met spitsbogen aanwezig; de eerste is nagenoeg volledig verdwenen, de tweede is veel beter bewaard en vertoont nog één ongeschonden mannenkopje en een mooie kaarsnis die met een vijfpas is afgewerkt. De oorspronkelijke afwerking is hier geen baksteenschildering maar een witgrijze kalkverf. De dakconstructie boven deze ruimte is nagenoeg identiek aan die in Academiestraat 1, maar ze is slechts gedeeltelijk bewaard. Bij de bouw van een hoge lijstgevel omstreeks 1800 verdwenen de eerste 7 sporenparen. Aanvankelijk waren er in totaal 17 sporenparen. De nummering van de telmerken verliep van de voor- naar de achtergevel, zodat uit het ontbrekende aantal sporenparen afgeleid kan worden dat het huis oorspronkelijk een houten uitkragende straatgevel had. De enige langsverbinding bestaat uit twee windlatten die gedeeltelijk bewaard zijn. O p sommige daksparren is hetzelfde eigendomsmerk zichtbaar als in Academiestraat 1. Ook de dakkapellen zijn op dezelfde wijze uitgewerkt. Het vermoeden dat beide dakkappen gelijktijdig en waarschijnlijk door dezelfde bouwheer werden opgericht, werd bevestigd door het dendrochrono-
Academiestraat 3.
gewelf, achteraan
Zolderverdieping.
de gewone zolder.
Vooraan de dak-
Omstreeks 1350
constructie van het
(foto 0. Pauwels)
houten spitsboog-
logisch onderzoek dat de kapdatum voor dit hout situeert tussen 1338 en 1352. De tweede verdieping van het achterste gedeelte werd in de 15de eeuw van een zoldering voorzien, maar oorspronkelijk was dit een kapelachtige kleine zaal met een ziende kap. Van de twee muurnissen in de linker zijgevel is er slechts één goed bewaard, met opnieuw een intact mannenkopje en een kaarsnis met een driepas. De ruimte was oorspronkelijk overdekt met een houten spitsbooggewelf, aangebracht tegen een enkelvoudige sporenkap met voetraveling; deze kap is typologisch nagenoeg identiek aan die in het voorste gedeelte, maar standzonen en korbelen zijn in gekromd hout uitgevoerd, waardoor het gedeelte onder de onderste hanenbalk de vorm van een spitsboog kreeg. Nagelsporen op de onderzijde van al deze houtstukken wijzen op het bestaan van een vroegere betimmering. De nummering van de telmerken loopt door: de 15 sporenparen van deze kap zijn van 18 tot 32 genummerd; de telmerken komen voor op nagenoeg alle houtstukken; die in het rechter gedeelte zijn van een bijkomend streepje voorzien. Bij een aantal stukken was duidelijk dat het telmerk werd aangebracht voor de inkaveling voor de pen-en-gatverbinding werd uitgehakt. Zoals in de andere kappen worden houten toognagels dikwijls aangevuld met smeedijzeren nagels. Sommige blokkelen en standzonen zijn niet meer oorspronkelijk. Enkele hanenbalken vertonen nagenoeg identieke eigendomsmerken als in het buurhuis. De linker muurplaat ligt volledig op de gemene muur.
de rechter daarentegen springt iets vooruit en wordt ondersteund door een rollaag van geprofileerde (rondstaaf) bakstenen. Zoals vermeld waren op dit niveau het voorste en het achterste gedeelte door een houten wand afgescheiden; dit was eveneens het geval op de zolder: het eerste sporenpaar van het spitsbooggewelf vertoont duidelijke nagelsporen van een beplanking. Hoe deze ruimte werd verlicht is niet helemaal duidelijk: op de tweede verdieping is de oorspronkelijke muur volledig verdwenen, op het zolderniveau daarentegen is een cirkelvormig raam bewaard, aan de binnenkant voorzien van een rondstaafomlijs-
Hoewel er op bouwhistorische gronden aanvankelijk vermoedens waren dat deze dakkap ouder kon zijn dan die in het voorste gedeelte, heeft het dendrochronologisch onderzoek aangetoond dat ook voor dit hout de kapdatum tussen 1338 en (onzeker) 1352 moet worden gesitueerd, en de constructies dus even oud zijn. Opvallend is wel dat bij de achterste kap, waar de eigenlijke dakconstructie door het houten gewelf niet zichtbaar is, de houtstukken veel minder zorgvuldig zijn afgewerkt dan in het voorste gedeelte. Het lijdt geen twijfel dat deze ruimte met haar houten gewelf niet als zomaar een woon- of slaapvertrek moet worden geïnterpreteerd, maar een bijzondere functie moet hebben gehad. Een bestemming als huiskapel is één van de meest voor de hand liggende interpretaties, hoewel de ligging op de
T
_
• Academiestraat 3. Telmerken in de dakconstructie met spitsbooggewelf (foto auteur)
tweede verdieping daar misschien wel tegen pleit. Evident is in ieder geval dat het volledige huis, met zijn bijzonder rijke afwerking en de eigenaardige indeling, niet als een doorsnee woonhuis kan worden beschouwd. Aangezien Academiestraat 1 en 3 toen nog één geheel vormden moet de juiste functie van dit huis wellicht gezocht worden in het samengaan van de twee gebouwen. Was het grootste huis misschien bijna uitsluitend ingericht als stapelplaats en handelshuis, terwijl het kleinere volume enkel als luxueus woonhuis voor de rijke handelaar fungeerde? De vraag is hiermee gesteld, het antwootd zal wellicht enkel uit archiefonderzoek te voorschijn komen. Voorlopig zijn de archivalische gegevens echter bijzonder schaars. De vroegste vermelding dateert uit 1396. Toen was het huis in het bezit van ene Jan Huerel, die ook eigenaar was van heel wat landerijen buiten de stad. Academiestraat 1, diens achterhuis en Academiestraat 3 behoorden in 1396 in elk geval tot drie verschillende eigenaars. Is één van hen wellicht de oorspronkelijke bouwheer van dit unieke patrimonium? Voorlopig moeten wij het antwoord schuldig blijven.
de grote verbouwing die in dit huis kon worden aangetroffen. De toen gebruikte bakstenen zijn van het formaat 22 x 11 x 5/5,5 cm en zijn terug te vinden in het parementmetselwerk van de zijgevel, de rechter zijmuur en de weinige restanten van de straatgevel. Alles wijst erop dat de houten hoofdstructuur van het huis grotendeels behouden bleef, en er vooral 'cosmetische' ingrepen zijn gebeurd. O p de gelijkvloerse verdieping zijn in de rechter zijmuur geen interpreteerbare sporen bewaard, hoewel kan worden gesteld dat de vroegere dwarsmuur toen is verwijderd. De muurstijlen van de nieuwe moerbalk rustten op kraagstenen van Doornikse kalksteen. O p de eerste verdieping bleven in het gehavend parement van dezelfde muur sporen van een kaarsnis en een grote muurkast of spinde bewaard. O p de tweede verdieping vinden we ana-
Academiestraat 3. Dakkap met spitsbooggewelf. Eigendomsmerk op één van de hanebalken (foto 0. Pauwels)
De loge van den florentinen We vermeldden al dat de Florentijnse Natie het huis Academiestraat 1 vóór 1470 kocht van eigenaar Jan van Wulfsberghe, maar het huis (of een deel ervan) al huurde sinds 1420-1430. Het is bijgevolg meer dan waarschijnlijk dat de Florentijnse kooplieden verantwoordelijk waren voor de volgen-
M&L
r L-
]F
r L-_4
ACADEHIESTRAAT1 IBS) en 3IB651 Toestand
XV : Opmeting en Reconstructie
Sm -1
ACADEMIESTRAAT
1 ( t o e s t a n d X V I ; Opmeting en Reconstructie
Doorsnede CD
Academiestraat I en 3 In de 15de eeuw. Dwarsdoorsnede naar de achtergevels (tek. auteur)
loge sporen achteraan in het huis; vooraan is het muurwerk echter beter bewaard en werden twee kaarsnissen teruggevonden, en resten van een lavabonis samen met belangrijke fragmenten van een baksteenschildering. Een zelfde beschildering werd op dit niveau sporadisch teruggevonden op de binnenzijde van de linker zijgevel en de enkele bewaarde fragmenten van de straatgevel. Achter het huis werd in deze periode eveneens een grote beerput aangelegd. Mogelijk gaat het om een verbouwing van een oudere aangebouwde latrine. Tijdens de recente verbouwingswerken werden beide gevels volledig ontpleisterd en konden belangrijke bouwsporen geregistreerd worden. Duidelijk was in ieder geval dat van de 15de-eeuwse straatgevel enkel het onderste gedeelte enigszins bewaard bleef, samen met de boekblokken van Doornikse kalksteen van de eerste en (gedeeltelijk) tweede verdieping. In de zijgevel bleven wel belangrijke fragmenten bewaard van drie waterlijsten van Doornikse kalksteen, maar door de aanleg van grotere 19de-eeuwse vensters waren nagenoeg alle sporen van de 15de-eeuwse vensteropeningen verdwenen.
M&L
Ook aan de binnenzijde zijn enkele bouwsporen bewaard, waardoor een (schematische) reconstructie van de gevels mogelijk werd. Bijkomende iconografische gegevens zoals de afbeelding op het stadsplan van Marcus Gerards uit 1562 en in de Flandrialüustratavzn Sanderus uit 1735 waren een aanvullende bron van informatie. De onderbouw van de straatgevel was nagenoeg volledig in Doornikse kalksteen uitgevoerd. De vier openingen zijn afgedekt met ontlastingsbogen van blokken Doornikse kalksteen. Rechts bevond zich duidelijk een hoge deuropening met een bovenlicht. In de twee centrale traveeën bevonden zich identieke vensteropeningen met een kruismoneel; de linker vensteropening was beduidend breder en was wellicht een drielicht. De omlijsting van dit venster was voorzien van een kwarthol profiel, waarin gesculpteerde bloemen waren aangebracht. Voor de reconstructie van de bovenverdiepingen zijn we volledig op de afbeelding van Sanderus aangewezen. Enkel de positie van de waterlijsten is een hard gegeven. De veronderstelling van vroegere auteurs dat de rondboogvensters in de huidige ver-
bevinden zich volledig tussen twee waterlijsten en < waren waarschijnlijk voorzien van kruismonelen. *cademlestraat ' en „
,,
.
i-i
ii
3 in de 15de eeuw.
De rondboognissen die de vensters bekronen D . . bevinden zich, zoals dikwijls in dergelijke huizen, naar de straatgevels boven de waterlijst. Het achterste gedeelte van het (tel(-auteur) huis had zijn eigen toegangsdeur in de zijgevel. In de kelder bevindt zich nog steeds de bakstenen uitbouw voor het trapgewelf. De vensters van de eerste verdieping én hun rondboognissen zitten volledig ónder de bovenste waterlijst, die zelf dienst doet als dorpel voor de vensters van de tweede verdieping. O m volledig te zijn vermelden we nog dat ook de achtergevel van twee hoge arkeltorentjes was voorzien. Door de 18de-eeuwse verbouwing verdwenen hier echter alle sporen.
0
1 2
!••••'
I
i
I
3
5m
I
I
Al in 1516 verlieten de Florentijnse kooplieden hun natiehuis en ook Brugge, en vestigden zich zoals de meeste andere buitenlandse handelaars in Antwerpen (18). In 1657 werd het huis gekocht door dokter Cornelius Willaeys, die omvangrijke verbouwingen liet uitvoeren. Het is onduidelijk of hij de schermgevel en de torentjes liet afbreken. In de huidige klokgevel werd bij de ontpleistering de datum 1726 teruggevonden, wat betekent dat althans de klokgevel het werk is van één van zijn nakomelingen, die het huis tot 1730 in hun bezit hadden (19).
Het huis Hertsberghe in de 15de eeuw dieping waarschijnlijk teruggaan op de oorspronkelijke vensters(15) is onjuist gebleken: de gevel werd nagenoeg volledig herbouwd in de 18de eeuw. Desondanks kan nu een vraag beantwoord worden die al door vele historici werd gesteld, maar nooit overtuigend beantwoord kon worden: de imposante schermgevel met de hoge arkeltorentjes is meer dan waarschijnlijk het werk van de Florentijnse Natie. Aangezien het weinig waarschijnlijk is dat zij dergelijke omvangrijke bouwwerken zouden uitvoeren terwijl zij het huis enkel huurden, valt de verbouwing wellicht min of meer samen met de aankoopdatum van het pand. Daar de exacte datum vooralsnog niet bekend is, situeren wij de verbouwing voorlopig omstreeks 1460 (17). Uit de opmeting van de bouwsporen in de zijgevel is gebleken dat hier de afbeelding van Sanderus te schematisch en onjuist is: hij tekent de in rondboognissen geplaatste vensters van de eerste en de tweede verdieping als staande óp een waterlijst. Gezien de positie van de waterlijsten tegenover de vloerniveaus binnen is dit echter onmogelijk. De vier vensters van de gelijkvloerse verdieping
Zoals vermeld was dit huis aan het einde van de 14de eeuw al afgescheiden van het grotere hoekhuis en kon het een eigen leven gaan leiden. Nu het een zelfstandig woonhuis was geworden, werd de oorspronkelijke indeling met zijn verspringende vloerniveaus waarschijnlijk als onhandig ervaren, en werden in het achterste gedeelte de vloerniveaus gelijk gebracht met die in het voorste gedeelte. Dit betekende dat enkele oude muurnissen werden dichtgemetseld, onder meer voor het aanbrengen van muurstijlen op de tweede verdieping. In de vroegere 'huiskapel' werd een zoldering aangebracht. O f de middenmuur op de lagere verdiepingen toen bewaard bleef, is onduidelijk, omdat de balklagen op deze verdiepingen ontbreken. Wel duidelijk is dat de rechter zijmuur nagenoeg volledig werd herbouwd. O p de tweede verdieping behoort een nis voor een houten spinde tot deze periode, op de eerste verdieping een gewone muurnis met een segmentboog. Tot deze verbouwing behoorde ook een opfrissing van het interieur: op de gelijkvloerse en de eerste verdieping werd een nieuwe baksteenschildering aangebracht. In minstens één van de oude muurnissen op de eerste ver-
Academiestraat I in de 15de eeuw. Reconstructie van de straatgcvels en opmeting van de bouwsporen (tek. auteur)
dieping werd de oude baksteenschildering echter overdekt met een egaal rode verflaag waarop met zwarte verfin het hoogveld (nu bijna volledig vergane) florale motieven werden aangebracht. O f de I4de-eeuwse houten straatgevel werd behouden dan wel vernieuwd is niet duidelijk. O p de afbeelding van het huis in Sanderus' Flandria Illustrata is in ieder geval nog steeds een houten uitkragende gevel aanwezig. De onderbouw evenwel is duidelijk van (bak?)steen en lijkt eerder tot de vorige bouwperiode te behoren. Toen Sanderus dit huis tekende was het in het bezit van reder Pieter Moentack, die er verbouwingswerken liet uitvoeren. Voorheen, in de 15de eeuw, was het huis achtereenvolgens eigendom van kruidenier Rogier Vander Stichelen, burgemeester Antheunis D'heere en Antheunis Piliaert. Een uitgebreid
archiefonderzoek van dit huis is echter nog niet gebeurd.
RESLLUI Dankzij doorgedreven bouwhistorisch onderzoek, dat aangevuld werd met de resultaten van gericht dendrochronologisch onderzoek, kon aangetoond worden dat de huizen Academiestraat 1 en 3 in de 13de eeuw als één geheel werden opgericht. Tegelijk werd gesuggereerd dat deze huizen toen de voornaamste gebouwen waren op een 1540 m groot kerndomein dat eigendom was van een rijke handelaar of patriciër. Het nog bestaande korte, nauwe straatje achteraan het erf is het enige overblijfsel van een oorspronkelijk 48 meter lange perceelsgrens.
In het midden van de 14de eeuw werden de huizen verbouwd tot respectievelijk een omvangrijk stapelen handelshuis, en een luxueus woonhuis, waarschijnlijk met een eigen huiskapel. Eind 14de eeuw waren de twee huizen al gescheiden. In het begin van de 15de eeuw werd het grootste huis het natiehuis van de Florentijnse kooplieden, die het omstreeks 1460 aankochten en er grote verbouwingen doorvoerden. Zij bouwden, zoals vele andere naties van buitenlandse handelaren, een imposante schermgevel met arkeltorentjes die hun natiehuis meer aanzien moest verlenen.
(5)
Een zelfde fenomeen deed zich onlangs voor in het SintJanshospitaal te Brugge, waar stalen van de dakkappen van de drie middeleeuwse ziekenzalen (genomen door Dirk De Vries van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg) ongeveer 50 jaar ouder bleken te zijn dan totnogtoe weid aangenomen. Mededeling Dirk De Vries.
(6)
Vijf van deze deelplannen waarop een 80-tal huizen zijn aangeduid, en meer informatie ovet een 15-tal ondetzochte huizen, kunnen bekeken worden op de website van Monumenten en Landschappen (www.momunent.vlaanderen.be) in de rubriek Bouwhistorisch onderzoek van de deelsite Brugge Werelderfgoed.
(7)
Voor een korte samenvatting zie D.VAN EENHOOGE, The Archaeological Study of Buildings and Town History in Bruges.
Hoewel beide huizen sindsdien veel van hun oude glorie zijn verloren, blijven ze belangrijke voorbeelden van middeleeuwse huizenbouw in Brugge. De Florentijnse Loge is al geruime tijd als monument beschermd, het huis Hertsberghe figureert sinds 23 april 2001 op een ontwerplijst van voor bescherming vatbare monumenten. De restauratie en de renovatie van de twee huizen was eind 2001 nagenoeg volledig afgewerkt. Het bouwhistorisch onderzoek in de Florentijnse Loge gebeurde hoofdzakelijk voor de restauratie, zodat de onderzoeksresultaten een belangrijke rol speelden toen het restauratiedossier werd opgemaakt. In het huis Hertsberghe daarentegen, waarvan de middeleeuwse oorsprong voordien onbekend was, diende het bouwhistorisch onderzoek veeleer als begeleiding van de renovatie. De onderzoeksresultaten waren hier vooral nuttig om de bestaande plannen bij te sturen, de aanwezige bouwsporen maximaal te vrijwaren en informatie aan te brengen voor een juiste restauratie van sommige onderdelen zoals de historisch zeer belangrijke dakkappen, en de balklagen.
Domestic Architecture in the Period 1200-1350, in M.GLASER (ed), Lühecker Kolloquium zur Stadtarchdologie im Hanseraum 111: DerHaushau, Liibeck, 2001, p. 121-141. (8)
H. DE WITTE, Wulpenstraat, Oosterlingenplein, Spiegelrei en Augustijenrei, in Brugs Ommeland, jg. 28, 1978, p. 305.
(9)
Met dank aan Brigitte Beernaett van de Stedelijke Dienst Monumentenzorg voor de informatie over het recentste archiefonderzoek. Gegevens over een aantal middeleeuwse huizen zijn onlangs
gepubliceerd in B. BEERNAERT, B. SCHOTTE,
D. VAN EENHOOGE, Middeleeuws Brugge, in Brugge op zijn kant.
Themawandelingen in de Brugse binnenstad, Stichting
Kunstboek en Brugge 2002. (10) L. DEVLIEGHER, op. at., p. 3-4 en H. JANSE en L. DEVLIEGHER, Middeleeuwse hekappingen in het vroegere graafschap Vlaanderen, in Bulletin van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, deel XIII, 1962, p. 325. (11) Voor een recente visie op deze problematiek zie D. DE VRIES, Bouwen in de late middeleeuwen, 1995, p. 93-104. (12) Archief O C M W Brugge, Rentehoeken Sint-fuliaans, nrs. 20, 21, 24, 26, 29. (13) B. BEERNAERT, Via Europa, reisverhalen in steen. Brochure Open Monumentendag 1999, Brugge, p. 8. (14) B. BEERNAERT, op. at., p. 8-9. (15) Op één van de twee zuilen is de datum 1714 aangebracht. (16) L DEVLIEGHER, op. cit. p. 3.
EINDNOTEN
(17) H. JANSE en L. DEVLIEGHER, op. cit., p. 323: Gezien in het kader van de Brugse gevelstijl moet het geplaatst worden tussen het
(1)
(2)
Voor een eerste overzicht van de problematiek zie D. VAN EEN-
natiehuis der Spanjaarden (midden 14de eeuw) en het Oosterlingen-
HOOGE, De vroegste bakstenen huizen in Brugge, in Brugs Omme-
huis (1478).
land, 1998/2, p.107-128, en D.VAN EENHOOGE, 13de-eeuwse
(18) B. BEERNAERT, o^. a>.. p. 9.
huizen in Brugge, in M&L, jg.17, nr. 4, 1998, binnenkrant p. 2-5.
(19) Ibid.
Bijvoorbeeld het laat-13de-eeuwse huis Spanjaardstraat 11 in L. DEVLIEGHER, De huizen te Brugge, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, Deel 2-3, Tielt/Amsterdam, 1975, p. 367 en
afb. 858. (3)
Zoals de vroeg-14dc-eeuwse kelder in Sint-Jakobsstraat 66, die eind 2000 werd blootgelegd door de Stedelijke Archeologische
(4)
Dienst.
Dirk
Met dank aan P. Hoffsummcr voor de toelaring de resultaten al te
Monumenten
citeren. Een uitgebreid verslag over alle dateringen is voorzien voor
voor dit
2002-2003.
Van Eenhooge is archeoloog, en Landschappen
vakgebied.
bij de
Afdeling
verantwoordelijk
Frans
Caignie
EEM BETEGELDE SCHOUW IN HET OSTERR1ETH-HU1S TE ANTWERPEN • De Oude Vlaamse Kamer in het Ostemeth-huls te Antwerpen met zicht op de betegelde renaissanceschouw (foto 0. Pauwels)
In heel wat Belgische kastelen, herenhuizen museale kunstkamers
19de eeuw, begin 20ste eeuw, schouwen met Nederlandse
betegeld
tegels. Het zijn veelal assem-
blages van blauwe, waarbij
en
zijn aan het eind van de
exemplaren
paarse en veelkleurige tot 400 jaar oud
tegels
kunnen
zitten.
Aan de hand van de jongere
benadering
schouw worden bepaald. dergelijke
tegels kan bij
de periode van betegeling
betegeling
van de
Een mooi voorbeeld
vinden we in de
renaissance
schouw van de 'Oude Vlaamse Kamer' in het Osterrieth-huis
aan de Meir 85 in
van
Antwerpen.
DE OUDE VLAAMSE KAMER Het Osterrieth-huis is de laatste grote schepping van de Antwerpse architect Jan Peter van Baurscheit de Jonge (1699-1768) en staat aangeschreven als een van de meest karakteristieke voorbeelden van de rococostijl in onze gewesten (1). Het historisch pand heeft in de loop der tijden tal van illustere bewoners gekend. Het werd bij het begin van de 16de eeuw gebouwd voor de Antwerpse schepen Josse Draeck die er woonde tot aan zijn dood in 1521, waarna het eigendom wordt van Draecks schoonzoon Geronimo Lopez. In 1560 komt het in handen van de familie d'Espinoza die het in 1584 verkoopt aan Simon Rodriguez d'Evora, baron van Rode, kunstliefhebber en fdantroop, die het huis rijkelijk bemeubelde. Een volgende markante bewoner is Jacomo Antonio Carenna, een rijk en kunstminnend Milanees koopman, die het huis koopt in 1649; hij richt het weelderig in, in dezelfde stijl als ten tijde van de Rodriguez. Carenna's afstammelingen behouden het eigendom tot 1691 waarna het in 1726 wordt gekocht door Arnold du Bois. In 1745 erft RégineThérèse du Bois, weduwe van Melchior-Joseph van Susteren, van haar vader het grote huis aan de Meir. Zij vergroot het door enkele aanpalende huizen te kopen in de Eikenstraat en doet in 1749 beroep op Jan Peter van Baurscheit de Jonge om deze panden om te vormen tot een herenhuis. De in Antwerpen zeer gerespecteerde architect ontwerpt een nieuwe gevel in natuursteen die hij versiert met rocaillemotieven waarbij hij gebruik maakt van de ervaring die hij als beeldhouwer opdeed tijdens de opleidingstijd bij zijn vader. Ook de binneninrichting wordt aangepast. Douairière Régine-Thérèse van Susteren-du Bois sterft in 1791 zonder erfgenamen; het naar deze bewoners genoemd Hotel van Susteren-du Bois wordt geërfd door verwanten in de zijlijn. Na van 1726 tot 1850 door de familie du Bois bewoond te zijn, komt het vervolgens in handen van de familie Van Kerkhoven. Een faillissement noopt deze laatste in 1874 te verkopen aan Jacques-Ernest Osterrieth (1826-1893), een rijke huidenhandelaar uit Frankfurt. Ernest Osterrieth was reeds langere tijd in Antwerpen actief doordat hij er in 1850 een bijhuis opende. Na voor de tweede maal weduwnaar te zijn geworden, huwt hij in 1867 met de veel jongere Leonie Mols (18431918). Bij zijn aankoop van het Hotel van Susterendu Bois in 1874 vestigt hij zijn kantoren in de toegevoegde vleugel aan de Eikenstraat. O p latere bouwplannen uit 1894 is de indeling van die burelen duidelijk te zien (2). Ernest Osterrieth
overlijdt in november 1893. De leden van de familie Osterrieth waren de laatste particulieren die het pand betrokken; het naar hen genoemde Osterrieth-huis heeft de vroegere naam verdrongen. Het is vooral weduwe Ernest Osterrieth, geboren Leonie Mols, die na het overlijden van haar man het gebouw verfraaide en verbouwingen liet uitvoeren aan het bijgebouw en de voorgevel. Is de Oude Vlaamse Kamer, "de zaal in Vlaamse Renaissance en met tal van oude tegeltjes in de haard" — zoals in 1955 omschreven door Amand de Lattin (3) - een realisatie van deze dame? Het patriciërshuis ontving immers talrijke hoge gasten en was regelmatig de plaats van belangrijke bijeenkomsten en grote feestelijkheden. Weduwe Ernest Osterrieth was immers zeer actief in het Antwerps culturele, sociale en mondaine leven. Twee onderscheiden vragen stellen zich nu, met name in welke periode de Oude Vlaamse Kamer met bijhorende renaissance schouw als zodanig werd ingericht en op welk ogenblik die schouw met 'Delftse tegels' werd betegeld. In de opsomming van de huisindeling op het ogenblik van de aankoop door Van Kerkhoven in 1850 is o.a. een eetzaal vermeld (4). O p het bouwplan état des lieux existants du rez-de-chaussée getekend door architect Hugo van Kuyck op 20.12.1954 (5) — het oudst beschikbare plan van dat gedeelte van het patriciërshuis waarin de Vlaamse Kamer zich bevindt — wordt deze ruimte nog steeds benoemd als "Salle a manger". Bij de aankoop van het Osterrieth-huis door de Bank van Parijs en de Nederlanden in 1954 werd deze kamer, die gelegen is tussen de eerste en de tweede binnenplaats, bestemd tot directeurskamer voor haar voorzitter, Maurice Naessens. De benaming Oude Vlaamse Kamer ontmoeten we voor het eerst in een wandelgids doorheen het Osterrieth-huis, opgesteld met de medewerking van de heer Naessens (6). Vandaag doet ze dienst als ontvangst- en vergaderruimte van de Atresia Bank en is ingericht als stijlkamer met schilderijen uit hoofdzakelijk de Vlaamse school en een dito meubilering uit de 15de tot 17de eeuw. De middenruimte wordt ingenomen door een Spaanse tafel uit twee delen met liervormige poten waarrond zes 17de-eeuwse Vlaamse stoelen met lederen zitvlak en rug die genageld zijn met kopeten spijkers. De kamerhoge gele vensterdraperieën met bijpassende gordijnkappen, het zware goudgele behangsel en het kamervullend oude tapijt zorgen voor een aangename warmte. De monumentale schouw vult praktisch de hele muur tussen de twee toegangsdeuren.
v , ••-•
i
de 1874-1918. De inplanting van de vroeg 17deeeuwse schouw kan ook in deze latere periodes hebben plaatsgevonden. De afwezigheid van 17deeeuwse haardstenen die oorspronkelijk bij dit type schouw hoorden, kan deze hypothese ondersteunen. Waren er geen Antwerpse of Luikse haardstenen voorhanden dan bood een bezetting van de haardachterwand met exclusieve blauwe en paarse 'Delftse tegels' een volwaardig alternatief. Het schouwblad in zwarte marmer op meer dan twee meter hoogte dat wordt ondersteund door twee losstaande marmeren zuilen geven een majestueuze robuustheid aan het geheel. Het paar zittende engelenfiguren aan weerszijden van het schouwblad is een schepping die wordt toegeschreven aan Hieronymus Duquesnoy de Jonge (1602-1654). Tegen de schouwboezem hangt het portret van een onbekend officier, geschilderd door Michiel Janszoon van Mierevelt (Vlaamse school, 15671641). Een 17de-eeuwse Vlaamse gietijzeren haardplaat met Caritas en bijpassende dito ijzeren vuurkorf met koperen ballen en blaasbalg werken het renaissance monument af.
A Betegelde schouw in de Oude Vlaamse Kamer (foto 0. Pauwels)
Dat er van bij de oorspronkelijke bouw voor Josse Draeck een leefkamer was voorzien, gelegen aan de overzijde van de eerste binnenkeer, is ais vanzelfsprekend. We kunnen ons goed voorstellen dat nog enkele generaties na Draeck dagdagelijks in deze ruimte hebben verbleven die, naarmate het huis werd uitgebreid met salons en andere kamers, de meer beperkte functie van eetkamer kreeg toebedeeld. O p wiens initiatief de mooie zware zwartmarmeren renaissanceschouw werd aangebracht, die zowel een functionele als esthetische waarde had, is moeilijk uit te maken. Amand de Lattin is de eerste die er melding van maakt, in de vierde uitgave van zijn boek Doorheen oud-Antwerpen; in de drie vorige edities (1934, 1936 en 1948) was er nog geen spraak van. Alle hiervoor vernoemde bewoners uit de late 16de en vroege 17de eeuw komen hiervoor in aanmerking. Het huis aan de Meir is niet alleen in de 16de en 17de eeuw gebouwd en verbouwd, ook in de volgende eeuwen is regelmatig aan de binneninrichting gewerkt, met name door RégineThérèse van Susteren-du Bois in de periode 17451791 en door Léonie Osterrieth-Mols in de perio-
M&L
Bij de hiernavolgende bespreking van de verschillende tegeltypes in de haardachterwand worden de jongste tegels gedateerd omstreeks 1885-1890. Dit is kort voor de periode waarin weduwe Léonie Osterrieth-Mols tal van verbouwingen en aanpassingen laat uitvoeren aan haar residentie, niet alleen aan de Meir 79 (7), maar ook in de panden van de Eikenstraat 9, 11, 13 en 15. Er zijn bouwdossiers gekend uit 1894, 1895, 1899, 1901 en 1904. Het lijkt er dus op dat de betegeling van de schouw een initiatief van Léonie Mols zou kunnen zijn. Uit alle voorgaande gegevens kunnen we enkel concluderen dat schouw en betegeling tot verschillende periodes behoren. De schouw is vroeg 17deeeuws en kan op dat ogenblik, ofwel veel later, opgetrokken zijn. De tegels zijn hierin rond de jaren 1900 ingemetseld. Vooraleer de studie aan te vatten van de verschillende types tegel die we aantreffen in de schouw van de Vlaamse Kamer is het nuttig nader kennis te maken met het product dat we gemeenzaam 'Delftse tegels' noemen.
DE NEDERLANDSE TEGEL In de periode na de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland veel particulieren tegels gaan verzamelen als antiekobject. Ook musea hebben grote en waardevolle collecties aangelegd. Sinds de jaren '70
van de 20sce eeuw is in Nederland dan ook heel wat studiewerk verricht omtrent die Nederlandse tegel. Door het Nederlands Tegelmuseum in Otterlo - opgericht in 1961 - en door de vriendenvereniging die zich rond dit museum heeft gevormd, is over de Nederlandse tegel intens opzoekwerk gedaan. Al bijna dertig jaar worden in het jaarboekje Tegel waardevolle bijdragen geleverd die de weergave zijn van dit continu onderzoek, zowel producttechnisch als kunsthistorisch. Talrijke publicaties behandelen de tegel en het tegeltableau op een thematische wijze: bloemen, dieren, kinderspelen, herders, landschappen, ornamenten, bijbelse voorstellingen, scheepvaarttaferelen, zeewezens, enz. Meer dan tien jaar lang heeft een nomenclatuurcommissie zich geconcentreerd op de classificatie van de Nederlandse tegel. In 1997 werd dit werk afgerond met de publicatie van het boek De Nederlandse Tegel, decors en benamingen, 1570-1930 (8) dat als hét standaardwerk over dit kunstnijverheidsproduct mag worden aangezien. Na een uitgebreide inleiding, waarin onder andere wordt ingegaan op de herkomst van de motieven op tegels, volgt een catalogusdeel met ca. 2600 zwartwit foto's. Hierin worden de tegels in groepen onderverdeeld op basis van de voorstelling, die ofwel ornamentaal ofwel figuratief is, maar ook de diverse types hoekmotieven en omlijstingen worden uitvoerig behandeld. Aan de hand van dit boek is een willekeurige Nederlandse tegel uit de periode 1570-1930 op een eenduidige wijze te beschrijven en in de meeste gevallen te dateren en aan een tegelbakkerij of een productiecentrum toe te schrijven. Uiteraard is de analyse van de tegels in de hier besproken schouw gebaseerd op de systematische indeling van dat boek.
De Antwerpse tegel — en later het vroeg-Nederlands product — is veelkleurig, tot ca. 1620 het eenkleurig blauw op witte fond de bovenhand krijgt, hoofdzakelijk om te kunnen concurreren met het ingevoerd blauw Chinees porselein. Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw worden ook tegels in mangaanpaars geschilderd; de polychromie in de tegeldecoratie komt slechts veel later terug. Blauwe tegels, geschilderd met kobaltoxide op witbakkend tinglazuur, worden vaak geassocieerd met Delfts blauw aardewerk en daarom verkeerdelijk 'Delftse tegels' genoemd. In Delft zijn echter weinig tegels gemaakt; de tegelbakkerijen bevonden zich in steden als Harlingen, Makkum en Bolsward in de provincie Friesland, in Rotterdam, Amsterdam en in Utrecht. Over de afgelopen vier eeuwen zijn er in Nederland miljoenen tegels gemaakt, die hun weg gevonden hebben naar paleizen, stadswoningen, plattelandhuizen en boerderijen. O p schilderijen van de Delftse genreschilders Johannes Vermeer, Pieter de Hooch, Gornelis de Man en anderen zien we de blauwe tegels toegepast als muurplint en lambrisering. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de Zuidelijke Nederlanden tal van woningen werden opgesmukt met zo'n mooie, en voor de huisvrouw ook erg praktische, muurbekleding. De tegels die we ontmoeten in de schouwpartijen zijn een selectie uit de mooiste restanten van die toepassing.
DE TEGELS VAN HET QSTERRIETH-HUIS O m de tegels van de haardachterwand in de Oude Vlaamse Kamer te situeren, behandelen we hierna in volgorde van belangrijkheid de verschillende tegeltypes die we erin aantreffen.
Ruitertableau Eigenlijk ligt de oorsprong van de Nederlandse tegel in Antwerpen. Italiaanse pottenbakkers, met als belangrijkste figuur Guido di Savino uit Gastel Durante nabij Urbino, vestigden zich in de eerste jaren van de 16de eeuw in Antwerpen en legden er de basis van een bloeiende majolicanijverheid tijdens Antwerpens Gouden Eeuw. Omwille van 'den kwaeden tyd' verlaten drie van Guido di Savino's zonen Antwerpen en vestigen zich in het buitenland. Met de kennis en ervaring die zoon Joris had opgedaan in het Antwerps familieatelier begint hij in 1564 in Middelburg majolicategels en dito aardewerk te vervaardigen (9). Dit is waarschijnlijk de oudste tegelbakkerij in de Noordelijke Nederlanden, waarna de tegelproductie bij onze noorderburen een explosieve groei kende.
Centraal in het bestudeerde type tegelschouw werd steeds een pronkstuk geplaatst. In woningen van zeevaarders is dit meestal een tegeltableau met een scheepvaarttafereel, in boerderijen een tegeltableau met de voorstelling van een paard, koe, hond of kat. In het Museum voor Sierkunst en Vormgeving in Gent bijvoorbeeld werden in de schouw van de Renaissancekamer centraal vier zeldzame mythologietegels geplaatst. In de schouw van de Vlaamse Kamer in het Osterrieth-huis zien we op die plaats de afbeelding van een ruiter op een paard in levade houding en de inscriptie 'W: K: H: Friso, Prins van Oranie', met op de heuvelige achtergrond een vestingtoren die wordt aangevallen en verdedigd. Het tegeltableau is geschilderd in het paars en meet twee tegels breed en drie hoog.
•- J-
t-'^Wta •
•
>, • .'
• ~ HBHIIIWII»
^ -
1 >*v
/
^
/^^flp^v^^^^ y 1W
i
J:V-, Y fy -, •
S
•
i
\
4I| •
'/
W K HTRi^o PRimVANOR^rtE
Hel
^^/
' ^ i•
•
*
R^V
P
TT /
-J^^(yy,
Deze W(illem) K(arel) H(endrik) Friso, de latere stadhouder Willem IV (1711-1751), was de postume zoon van Johan Willem Friso die op 14 juli 1711 tijdens een veldtocht verdronk bij het oversteken van het Hollands Diep (10). Willem Karel Hendrik werd geboren zeven weken na het overlijden van zijn vader van wie hij de titel prins van Oranje en Nassau erfde. Hij volgde zijn vader op als stadhouder van Friesland. O p 3 mei 1747 werd de prins als Willem IV tot stadhouder van Holland en Utrecht uitgeroepen, waarbij zijn functies erfelijk werden verklaard (11). Deze Friso heeft geen bijzondere krijgsdaden op zijn actief; het is daarom niet duidelijk naar welke feiten de belegering van de toren op de achtergrond verwijst. Slechts enkele tegeltableaus van 2 x 3 tegels met deze Friso junior zijn bekend, waarvan sommige in het blauw, andere in het paars. De tableaus zijn geschilderd met behulp van een spons. Een spons of ponsblad (in het Frans: poncif) is een blad papier ter grootte van een tegel of een tegeltableau waarin de contouilijnen van de voorstelling die men op de tegel wil aanbrengen, werden doorprikt. Dit blad werd dan op de te beschilderen biscuittegel gelegd en met een zakje koolpoeder bestoven waardoor de contourlijnen op de tegel zichtbaar werden. Hierdoor kon de schilder de voorstelling gemakkelijk op de tegel overbrengen, waarna hij het geheel verder afwerkte. Sponsen worden tege-
lijk per twee of per drie gemaakt door ze vóór het -4 prikken aan elkaar te bevestigen met spelden. Door fim ,,
.
..
0
,
,
,
.
een van de geprikte sponsen omgekeerd te gebrul ken, verkrijgt men op de tegel de figuur in spiegel beeld. Twee tegeltableaus met het voornoemde decor, een blauwe en een paarse, die met die zelfde spons zijn aangebracht, bevinden zich in het Nederlands Tegelmuseum in Otterlo. De gelijkenis tussen beide voorstellingen kan tot in het kleinste detail geverifieerd worden. De verschillen zijn enkel toe te schrijven aan de schildersvrijheid van de tegelschilder.
te eltal>leal,
?
m e t W K H Friso in de schouw van de Oude Vlaamse Kamer (foto 0. Pauwels)
In de collectie van het Zeeuws Maritiem muZEEum in Vlissingen worden nog twee andere tegeltableaus van deze Oranje-telg bewaard. Beide zijn geschilderd in het paars en zijn pendanten van elkaar. Observatie van dezelfde reeks details leert dat beide voorstellingen met dezelfde spons als deze gebruikt voor het Antwerps exemplaar, zijn aangebracht. Een mooier voorbeeld van gebruik van een spons en haar spiegelbeeld is nauwelijks te vinden. Ook Frisos zoon 'Willem de 5DE, Prins van Oranie' (1748-1806) is in dezelfde houding als zijn vader op tegels vereeuwigd. De prins-en-paard voorstelling van vader en zoon is identiek door gebruik van opnieuw dezelfde spons. Enkel de belegering van de toren op de achtergrond en de bewolkte hemel ontbreken (afb. 3.1.d, links). Dit
Blauw en paars tegeltableau met de afbeelding van W K H Friso in het Nederlands Tegelmuseum in Otterlo. inv. nr. 2434 en 710 (foto Nederlands Tegelmuseuml
W K H nu5o
1V1&L
Twee paarse tegeltableaus die eikaars pendanten zijn, met de afbeelding van W K H Friso in het Zeeuws Maritiem muZEEum, Vlissingen, inv. nr. 77 en 15(40 (foto F. Caigme)
•
paars tableau, in spiegelbeeld aangebracht, wordt bewaard in Paleis Het Loo in Apeldoorn. Het tableau uit de Oude Vlaamse Kamer dateert zeer waarschijnlijk uit de periode dat W K H Friso stadhouder van Friesland was, vóór dat hij in 1747 'Erfstadhouder, Capyteyn Generaal en Admiraal van de Seven Provinciën der Vereenigde Nederlanden' werd en met deze titel, of delen ervan, staat afgebeeld op allerlei sierstukken in aardewerk of porselein. Na die datum zou hij op het tegeltableau minstens als 'Willem de 4 D E , vermeld zijn, zoals dit trouwens het geval is voor zijn zoon. Als we bovenstaande these consequent doortrekken, kan enkel Friesland weerhouden worden als mogelijke productieplaats (12). Deze hypothese wordt ondersteund door het feit dat in het archief van de tegelbakkerij Tichelaar te Makkum (Friesland) een spons aanwezig is voor het tegeltableau 'Willemina, Princes van Oranie' — eveneens in Paleis Het Loo — dat het pendant is van het 'Willem de 5DE' tableau (afb. 3.1.d, rechts). Wilhelmina van Pruisen (17511820) was de gemalin van Willem V. Dat de spons van het Friso tableau, die geprikt is vóór 1747, vijfentwintig jaar later gebruikt wordt bij het schilderen van een tegeltableau voor zoon Willem V is niet onwaarschijnlijk. Dergelijke sponsen zijn tot in onze dagen overgebleven en zouden theoretisch vandaag nog kunnen gebruikt worden.
Detail uit paars
inv. nr. A 2059,
tegeltableau met de
bruikleen Geschied-
afbeelding van
kundige Vereniging
Willem V en Wilhel-
van het Huis Oranje
mina in Paleis Het
Nassau
Loo, Apeldoorn,
(foto Paleis Het Loo)
WlU-EMDEJl •Ppi l ,FO^.B|yQlA..|
Van de zes vernoemde ruitervoorstellingen is slechts één in het blauw uitgevoerd en bij vier van de zes is de ruiterfiguur naar links gericht. De in mangaanpaars geschilderde naar links ziende Friso in het Osterrieth-huis maakt dus deel uit van een kleine serie vader-en-zoon tableaus, waarvan enkele hun eigen vrouwelijke pendant hebben gehad. Nederland is een van de weinige naties die sinds het einde van de 16de eeuw ceramiek kent die op het vorstenhuis betrekking heeft. O p tegels, tegeltableaus, borden, plaques, vazen en andere aardewerkprodukten komen afbeeldingen voor van Willem de Zwijger tot Koningin Beatrix (13).
Ruitertegels De ruiter W K H Friso wordt als het ware geëscorteerd door 20 ruitertegels, evenveel blauwe als paarse. We onderscheiden op deze 20 tegels twee types ruiter. Een eerste type is klassiek uitgedost en betijdt een stappend paradepaard (tegel 1, 6 en 30) of is in galop met getrokken vuurwapen (tegel 4, 18 en 20). De ruiters van de tweede groep, eerder een Turkse type, zijn herkenbaar aan hun hoofddoek of tulband en de uitwaaierende kledij en sjaals. Ze strekken een wapperende vaandel voor zich uit.
Schema: Plaatsaanduiding van de ruitertegels
houden een speer in de aanslag of zwaaien met getrokken zwaard. Een aandachtige observatie van de ruiterfiguren leert dat meerdere tegels met eenzelfde spons zijn gemaakt, ofwel in het blauw (bl) ofwel in het paars (pa). Zo is er bijvoorbeeld de veel voorkomende ruiter met uitgestrekte vlag en beschermend schild (tegel 2, bl - 8, pa - 13, pa - 14, bl en in spiegelbeeld 23, pa). Ook de ruiters met getrokken vuurwapen die spiegelbeeld van elkaar zijn (tegel 18, pa en 20, pa), hebben dezelfde spons als basis. Hetzelfde geldt voor de ruiters op het stappend paard (tegel 6, pa en 30, pa).
Blauwe en paarse ruitcrtegels rondom de afbeelding van W K H Friso in de schouw van de Oude Vlaamse Kamer (foto 0. Pauweis)
M&L
• Detail van de
'
ruitertegels links
^
g
(tegels 7-8, 13-14, 19-20) en rechts
(tegels 11-12, 17-18, 23-24) van het Fmo tableau (foto 0. Pauwels)
&
gl
«r ^ i
*£*^r*
^S ^Jt
w-
dr O p elke tegel wordt als hoekmotief een spin toegepast, een vierbladig bloempje met twee krulletjes. Dit is een veel voorkomende hoekdecoratie op 17de tot 19de-eeuwse tegels, die aanvankelijk bijtje werd genoemd, later spinnekop of spinnetje. Deze spin bestaat in diverse varianten die door de tijd heen sterk zijn gestileerd. De spin is slechts een van de vele hoekmotieven die, wanneer vier tegels worden samen gelegd, een ornament op zich vormen. Andere zeer gekende hoekmotieven zijn de lelie, de ossenkop en de meander. Enkele van de afgebeelde ruiters gaan terug op prenten van de Italiaanse graveur Antonio Tempesta (1555-1630). In zijn zeer uitgebreid oeuvre zien we een voorliefde voor cavaleriescènes en onderwerpen uit de geschiedenis van de oudheid. In 1597 ontwierp Tempesta een serie van acht ruiterportretten
met historische of legendarische personages (14). De ruiter met het getrokken vuurwapen op tegels 18 en 20 is gekopieerd van de eerste prent uit deze serie die Ninus voorstelt, de legendarische stichter van het Assyrische rijk en van de stad Ninevé. O p elke prent is de naam van het afgebeelde personage vermeld en de eerste prent van deze serie bevat ook het jaartal 1597. De vierde prent uit deze reeks met een voorstelling van Cassandra - in de Griekse sage de dochter van Priamos en Hekabe die de val van Troye voorspelde - heeft als voorbeeld gestaan voor de geharnaste ruiter op het stappend paard van tegels 6 en 30. Antonio Tempesta graveerde nog een variante op deze serie waarbij hij de personages uit de oudheid verving door figuren uit Ludovico Ariosto's (1474-1533) romantisch heldendicht Orlando furioso (Razende Roeland). De prent met de voorstelling van Ninus draagt nu als onder-
•4 Enkele courante
0 enl<0
"
P'
de msan
hoekmotieven op
der m
de s l n
tegels: de lelie, de
C 0 1 0 F- ^ ' S ™ )
P
-
13 schrift Orlando Paladino (paladijn Roland) en de voorstelling van Cassandra is ondertiteld met Marfisa Guerriera (krijgshaftige Marfisa). Het jaar voordien, in 1596, had Tempesta nog een serie van twaalf ruiterportretten gegraveerd die Romeinse keizers in staatsiekledij voorstellen. Beantwoordt de figuur op tegel 1 niet aan die omschrijving? De overige, meer oosterse ruiters, zouden geïnspireerd kunnen zijn door de oorlogen tegen de Turken. Niet alleen in ons land komen ruitertegels voor, ook in Frankrijk werden ze geïmporteerd voor toepassing in een aantal kastelen. In het kasteel van Rochechouart bijvoorbeeld, ten westen van Limoges, zijn bij renovatiewerken tegels gevonden met ruiterafbeeldingen die identiek zijn aan de voorstelling op tegel 12 en die op tegels 7 en 25 (15). Al deze ruitertegels zijn gemaakt naar het einde toe van de 17de eeuw. Leveringen van ruitertegels voor het badpaviljoen in kasteel Marly in Marly-le-Roi, dat vanaf 1688 werd ingericht voor Lodewijk XIV, bevestigen deze datering. Sponsen van ruitertegels die door de tegelschilders gebruikt werden om de oorspronkelijke tekening in grote hoeveelheden te vermenigvuldigen, worden bewaard in het Gemeentearchief van Rotterdam en zijn waarschijnlijk afkomstig van een plaatselijke tegelbakkerij. Maar ook tegelbakkers in Harlingen, Makkum en Utrecht hebben tegels geproduceerd met Tempesta ruiters (16).
12 11
< Schematische opbouw van een tegelpilaar
10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
O p de achterkant van pilaartegels werd door de tegelschilder over het algemeen een letter en een volgnummer aangebracht, zoals voorgesteld in de schematische opbouw. Dit nummeren had een tweeledige functie: enerzijds om de tegels in de werkplaats en het magazijn bij elkaar te houden, anderzijds als aanduiding voor de tegelzetter.
T Linker en rechter tegelpilaar m de schouw van de Vlaamse Kamer (foto 0. Pauwels)
Alle paarden in de linker helft van de schouw in de Oude Vlaamse Kamer zijn gericht naar het Friso tableau; in de rechter helft is die systematiek niet zo strikt gevolgd. De zes klassiek geklede ruiters zijn willekeurig tussen de Turks geklede ruiters geplaatst; geen veldslag dus tussen Europese en Turkse cavaleristen. Eigenlijk ontbreken er vier exemplaren om het centrale tableau onderaan met een volledig symmetrisch kader van ruitertegels af te boorden. Mogelijk waren er bij de betegeling van de schouw niet meer tegels van dit type voorhanden, zodat de ontbrekende ruimte met een ornamenttegel van latere datum is opgevuld.
Tegelpilaren De ruiterscènes worden aan weerszijden afgezoomd door een blauwe tegelpilaar. In de 16de en 17deeeuwse schouw werd de schoorsteenboezem ondersteund door pilaren van zandsteen. De tegelpilaar is een latere imitatie van die gebeeldhouwde steunkolom en is samengesteld uit een basement, een kapiteel en een kolom waarrond bloemen- en druivenranken slingeren. In feite zijn het tegeltableaus die gewoonlijk dertien tegels hoog tellen en één of twee tegels breed (enkele pilaar / dubbele pilaar) (17).
1VI&L
In het basement (tegel 1 tot 3) wordt een vrouw voorgesteld, spelend op een luit en vergezeld van een jong hert, die het zinnebeeld zijn van het Gehoor, een van de vijf zintuigen (18). De onder-
11'
y>
Bovenste kapiteel-
Oude Vlaamse
tegel van een
Kamer; detail uit de
(paarse) pilaar met
tegelpilaar van tiet
decor van het type
Nederlands Tegel-
dat ontbreekt in de
museum
tegelpilaar van de
jfè
N\
-
(foto Nederlands Tegelmuseum)
f'v*
i
ste tegel is een imitatie van albast; albasttegels werden gemaakt van ca. 1780 tot 1930. De kolom zelf (tegel 4 tot 12) is beschilderd met bloemen- en druivenranken, opgevrolijkt met vogels, een eekhoorn, vlinder en libel. De acanthusbladdecoratie op tegel 12 geeft de aanhef van het kapiteel dat zijn vervolg moet krijgen op de bovenliggende tegel. Die ontbrekende tegel 13 moet van het type geweest zijn als hierna afgebeeld. Een foutieve aansluiting van het decor op de rand tussen tegel 5 en tegel 6, zowel bij de ene als bij de andere pilaar, doet vermoeden dat tegel 6 (met vogel) tussen beide pilaren is verwisseld; de vogeltegel van de linker pilaar zou in de rechter pilaar moeten komen en vice-versa. Van een iets verdere afstand gezien, valt echter de onderbreking in de vet ingekleurde rank op. Bij een gelijkaardig set
Linker en rechter
«a:
inv. nr. 2374
'gelpilaar in paars
en 2375
in het Nederlands
(foto Nederlands
Tegelmuseum
Tegclmuseum)
m Otterlo,
t'J
paarse tegelpilaren uit het Nederlands Tegelmuseum zien we op elke pilaar telkens een donkere en een lichte opklimmende rank. Merken we terloops op dat elk van deze twee pilaren 13 tegels telt en, niettegenstaande de ontbrekende albasttegel in het basement, toch als volledig mag worden beschouwd. De donkere rank moet als een soort buitenste afbakening bedoeld zijn; zij maakt, samen met de spiegelbeeldige oriëntatie van de luitspeelster in het basement, deze pilaren tot pendanten van elkaar. In de blauwe pilaren van de Osterrieth-schouw zit die vette inkleuring duidelijk fout ter hoogte van tegel 4 en tegel 5 die, eerder dan de tegel met het vogeltje, tussen beide pilaren moeten worden omgewisseld. Doordat er geen decorlijnen doorlopen van het basement naar tegel 4 (met eekhoorn) heeft deze omwisseling geen invloed op de plaatsing van die drie basementtegels, hetzij in de linker of in de rechter pilaar. Met hun naar het midden toe stappende luitspeelster bevinden deze pendanten zich trouwens aan de juiste schouwkant. Door het nummeringsysteem dat hierboven werd beschreven, is omwisseling normaal niet mogelijk. Betekent dit dan dat de pilaartegels geen letteraanduiding bevatten? Zoniet is de vergissing mogelijk ook toe te schrijven aan een ter zake onkundig tegelzetter of een latere foutieve herstelling. Ter verdediging van de man dienen we eerlijkheidshalve te vermelden dat nummers aan de achterzijde van tegels in pilaren en tableaus niet altijd even goed leesbaar zijn. Uit de dagelijkse praktijk in het Nederlands Tegelmuseum weten we dat wat ervaring vereist is om dergelijke nummeringsystemen te ontcijferen: er is natuurlijk het handschrift van de tegelschilder maar vooral het feit dat de scherfporiën van herbruikte tegels door de aangekitte mortelspecie zijn dichtgeslibd.
Pilaren zijn de gehele 18de en 19de eeuw geproduceerd; in de Makkumer ovenboeken alleen al wordt melding gemaakt van meer dan drieduizend stuks. O p de Friese pilaren kan de naam van het basementdecor voorkomen; bij de Rotterdamse pilaren is dit niet het geval maar de naam staat wel vermeld in de inventarisboeken. De vier hier afgebeelde pilaren zijn zeer waarschijnlijk Utrechtse producten en moeten dateren uit het midden van de 19de eeuw. Naast het ruitertableau en de ruitertegels hebben de tegelpilaren in de schouw van de Vlaamse Kamer een grote waarde, mede door het gering aantal resterende gave exemplaren. Rijst nog de vraag of die pilaren verkregen werden zonder de dertiende tegel? Vermoedelijk wel. De bovenste tegel zou
nooit opgeofferd worden voor een ander type, temeer daar de hoogte van de schouwachterwand perfect overeenstemt met de standaard hoogte van een tegelpilaar (13 keer 13 cm) die speciaal voor toepassing in haarden ontworpen is. Dat de tegelpilaren in feite dubbel gebruik vormen met de zwartmarmeren renaissance zuilen van de schouw is tevens een bewijs dat de betegeling van latere datum is en enkel de decoratie van de schouwachterwand tot doel had.
Dubbel gesprenkelde achtkanttegel Het middenluik van de schouwachterwand wordt door nog een tweede zoom afgeboord. Tegels met kleine blauwe landschapjes die ingesloten zijn in een wit en paars kader, vormen accolades die de blauwe waterlandschap- en herdertegels aan de buitenflanken van de schouw insluiten (zie afbeelding van de betegelde schouw). Omdat er bij dit type tegel twee achtkanten zijn gevormd, een binnenste paars kader met daaromheen een uitgespaard wit kader, wordt dit type tegel dubbele achtkant genoemd. De blauwe waterlandschapjes binnenin deze achthoeken zijn grof en wazig geschilderd.
T Dubbel gesprenkelde achtkanttegel (foto 0. Pauwels)
• Het achtkantpatroon is verkregen door middel van Deiail van dne e e n s j a b l o o n ) e e n metalen plaat van zink, messing landschaplegels
en een hcrdertegel
r
of
. ko
.
Per'
letS
,
8r0ter
clan
, de
, te
gel'
i •• waarbl
J
de
j m e t
uit de rechter paars te besprenkelen zones zijn uitgezaagd. De losschouwhelft s e delen zijn door bruggetjes van draad met elkaar (foto 0. Pauwels) 1
i
j
verbonden.
Dit type tegel werd geproduceerd van 1650 tot 1800; de exemplaren in de Osterrieth-schouw moeten eerder op het einde van deze periode worden gesitueerd, ca. 1750-1800 en zijn waarschijnlijk producten uit de provincie Holland. We tellen 42 dergelijke tegels, waarbij opvalt dat aan de vier uithoeken van het betegelde vlak een ander type tegel is geplaatst. Opnieuw zien we dat er onvoldoende voorraad is om het geheel harmonieus af te werken hetgeen weer een aanduiding is dat de betegeling geen originele opdracht was maar een plaatsing van beschikbare loten tegels op een latere datum.
Waterlandschappen en herders De 68 tegels met waterlandschapjes en herders zijn door elkaar geplaatst, zoals bij betegeling met dit type meestal het geval is. Omwille van de twee klompjes gras waarop de voorstelling rust, werden deze tegels in de volksmond "op 't land" genoemd. Hier zien we ze uitgevoerd in blauw, maar ook in het paars komen ze overvloedig voor. Het is een typisch Fries product uit hoofdzakelijk Harlingen en Makkum, dat ook in Holland in groten getale werd geproduceerd, vanaf 1680 tot omstreeks 1930. De landelijke taferelen met huizen, molens, dieren, water en herders waren zeer geliefd op het platteland dat, enkele decennia later dan in de stedelijke centra, zich nu ook de luxe van mooie en vooral praktische betegeling in huis kon veroorloven. Het werd stilaan ook een belangrijk exportproduct. Niet verwonderlijk dat we ze in onze streken zeer frequent toegepast zien. Enkele typische steeds weerkerende decorelementen zijn de zeilbootjes op de achtergrond - vandaar de benaming waterlandschap - en het houten hekwerk. Zie ook de houten constructie op de tegel linksboven voor het naar boven hijsen van de rokende turfkorf die fungeerde als vuurtoren voor de schepen op zee. De herdertegels behoren tot dezelfde groep; we treffen meestal dezelfde twee grashoopjes aan als op de waterlandschapjes. De slakachtige objecten op de achtergrond moeten schapen voorstellen.
Ornamenttegels De ijzeren haardplaat is geplaatst tegen een achtergrond van paarse ornamenttegels. We kennen dit type tegel uit het gedrukt modellenboek van ca. 1885
van de fabriek Ravesteyn/ Westraven in Utrecht onder het decornummer 383. In het modellenboek van 1888 van de fabriek Schillemans/ Mijnlieff in Utrecht wordt dit zelfde decor, onder het nummer 16, "Dubbele strikken" genoemd (19). Deze tegel, die ook in een blauw gesprenkelde uitvoering voorkomt, is dus afkomstig uit Utrecht en mag omstreeks 1885-1890 gedateerd worden, waarmee het meteen de jongste tegel in de schouw is. Naast de 18 tegels die de gietijzeren haardplaat omranden is er nog een tegel van dit type in de linker en een in de rechter onderhoek geplaatst, waar we normaal een dubbele achtkant verwachtten als onderste punten van de accolades.
BEOORDELING VAN DE SCHOUW De schouw bevat een verzameling tegels uit verschillende periodes en afkomstig uit diverse productiecentra. O p basis van de determinering van de 'dubbele strikken' kan de betegeling gedateerd worden rond de wisseling naar de twintigste eeuw. Dit stemt overeen met de periode waarin weduwe Leonie Mols in haar residentie renovatiewerken heeft laten uitvoeren. De witte tegels op de schouwvloer buiten beschouwing gelaten, zijn er in de schouwwand in totaal 180 tegels (20). Ze meten ca. 130 mm bij 130 mm en hebben een vermoedelijke dikte van 7 a 10 mm, naargelang het type. Centraal staat het Friso tableau van zes tegels waaromheen een beperkt aantal ruitertegels, onvoldoende om een gesloten kader rondom het tableau te vormen. De harmonie tussen het paard in levade van Friso en de galop van de ruiterpaarden, toeval of zo gewild, is zeer geslaagd. Men kan de vraag stellen wat de eigenaar ertoe heeft bewogen dit tableau en de ruitertegels centraal in zijn schouw te plaatsen. Gewoon omdat dit geheel beschikbaar was en mooi bevonden? Of had de opdrachtgever enige affiniteit met het huis van Oranje? Of met de ruitersport? Verder was een lot achtkanttegels voorhanden waarmee een soort scheidingslijn gerealiseerd werd met de zones van landschaptegels. Er ontbraken vier stuks om een harmonisch ogend geheel te creëren, één op elke uithoek van het betegelde vlak. Door de achtkanttegels te plaatsen aan de buitenzijde van beide tegelpilaren wordt een scheidingslijn gevormd die in conflict treedt met de afbakeningsfunctie van de pilaren zelf en die functie eigenlijk verzwakt. Zowel esthetisch als logisch gezien had men de
MM.V.\ timiw'jx,
achtkanttegels beter geplaatst aan de linker en rechter buitenkant van het tegelvlak om alzo, samen met de boven- en onderrand een eenvormig kader te vormen rondom het geheel. Het Friso tableau is intact, op twee ontbrekende hoekjes na, alhoewel drie tegels verdachte lijnen vertonen die op tegelbarst lijken. Aan de ruitertegels is duidelijk te zien dat ze in de schouw hun tweede leven leiden. Ze vertonen belangrijke hoeken randschade en enkele tegels tonen breuklijnen die van oudere datum zijn en ooit met mortelspecie gedicht werden. De kwaliteit van de tegelpilaren is goed, op enkele lichte breuken na. In de rechter pilaar lijken de breuken van recentere datum en zouden mogelijk spanningsbreuken kunnen zijn. In de afrekeningstaat van de herstelling van oorlogen bezettingsschade, opgesteld op 30 december
1953, staat een post vermeld "G-24: vernieuwen van 2 Delftse tegels aan 1 50 frank het stuk", zonder vermelding echter van de kamer waar deze twee tegels vernieuwd werden. O p andere plaatsen in het gebouw worden "faience muurtegels" aangebracht die slechts 10 frank kosten (21). De twee dure Delftse tegels moeten wel zeer bijzonder geweest zijn, hetgeen doet vermoeden dat het hier een vervanging van beschadigde tegels in de schouw betrof. Tegelschouwen zoals die in de Vlaamse Kamer ogen mooi, maar worden veelal stiefmoederlijk bejegend. Niet zelden vindt men in de stijlkamers van onze
T Herdertegel. Detail van de schouw (foto 0. Pauwels)
musea een overzichtsplan met korte beschrijving van alle kunstvoorwerpen aan de muren en op de grond, waarbij in alle talen gezwegen wordt over de betegelde schouw. Vaak ziet men op de tegels bevuiling met lijmresten, verfstrepen of mortelvlekken die met weinig moeite en zonder gevaar voor beschadiging van tegel of glazuur, verwijderd kunnen worden. De schouwtegels in de Vlaamse Kamer vormen gelukkig een uitzondering op voorgaande vaststelling. Het lichtjes bekloppen van de tegels met de vingernagel leert dat de hechting tussen tegel en mortel licht is bij de bovenste tegelrijen, iets steviger naar onderen toe. De gebruikte mortelspecie heeft een samenstelling die zal toelaten, indien dit ooit nodig of nuttig mocht blijken, de tegels zonder veel schade te verwijderen om gecorrigeerd, gerestaureerd of verplaatst te worden. Teveel cement in de mortel verankert immers de tegel voor eeuwig in zijn mortelomhulsel, wat bij onze tegelschouw vermoedelijk niet het geval is. •
Afgezien van de reeds vermelde aanmerkingen — de ontbrekende 13de tegel in de pilaren, de omwisseling van tegel 4 en 5 tussen beide pilaren, het ontbreken van vier achtkanttegels en vier ruiters, en de met elkaar wedijverende scheidingsfunctie van achtkanttegels en pilaren — mag toch gesteld worden dat de beschikbare aantallen tegels tot een mooi ogend geheel werden gecombineetd. Het samenbrengen van zes verschillende types in een vlak van ca. 3 m2 betegeling maakt de schouw tot een boeiend geheel, minder eentonig dan het merendeel van de gekende schouwen die slechts een of twee verschillende tegeltypes bevatten.
Voorbeeld van een zinksjabioon, Nederlands Tegelmuseum, Ottcrlo (foto Nederlands Tegelmuseum)
(2) Stadsarchief Antwerpen (S.A.A.), MA-BD 1894/1049. (3) De Lattin, Amand - Doorheen oud-Antwerpen, 1955, p. 379. De auteur situeert de Vlaamse Kamer links van de vestibule. In werkelijkheid bevindt die kamer zich links van de doorgang die leidt van de eerste naar de tweede binnenplaats. (4) DeLatdn, 1955, p. 377. (5) S.A.A., MA-BD 18/33854, folio 101.
EINDNOTEN
(6) Naessens, 1971. (7) Het oude huisnummer van het Osterrieth-huis, voot de vernum-
(1) Avermaete, Roger - Jan-Pieter van Baurscheit de Jonge en het
mering van de huizen van de Meir in het begin van de 20ste eeuw.
huis Osterrieth thans het hotel van de Bank van Parijs en van de
(8) Pluis, Jan - De Nederlandse Tegel, decors en benamingen, 1570-
Nederlanden te Antwerpen, Antwerpen, 1956, p. 35-62. Naessens, M. - Het Osterrieth-huis: Bank van Parijs en van de
1930, Primavera Pers, Leiden 1997. (9) Over het ontstaan van de majolicaproductie in Antwerpen, zie
Nederlanden, 3-4 juli 1971.
Caignie, Frans - Guido di Savino alias Guido Andries, in: Tegel
Bank van Parijs en de Nederlanden - Welkom in het Osterrieth-
23/1995, p. 2-10. Stichting van Vrienden van het Nederlands
huis, c. 1970. Parisbas Bank België - Kunst in de Bank. Een keuze van Rubens totMagritte, Mercatorfonds, 1997.
Tegelmuseum. (10) Historische Winkler Prins, Encyclopedie, Elsevier, AmsterdamBrussel, 1959, derde deel, p. 683.
Storms, Benoit - Jan Petet van Baurscheit de jonge en het huis
(11) D.F. Lunsingh Scheurleer - Oranje op aardewerk, van Willem de
Osterrieth, in: De woonstede door de eeuwen heen - Maisons
Zwijger tot Koningin Beatrix, Uitgeversmaatschappij Antiek
d'hier et d'aujourd'hui, nt. 53, maart 1982. De Trazegnies, Olivier - Het huis Osterrieth te Antwerpen, in: De Woonstede door de eeuwen heen, nr. 120,4de kwartaal 1998.
Lochem b.v., Lochem, 1994, p. 69-85. (12) Naar een idee van Johan Kamermans, conservator Nederlands Tegelmuseum.
(13) D.F. Lunsingh Scheurleer, 1994.
(20) 13 tegels hoog x 16 tegels breed, min 28 tegels op de plaats van de
(l4)Bentz, Bruno et Joliet, Wilhelm - Les cavaliers d'Antonio Tempesta peints sur les carreaux de faience hollandais importés en France au XVIIe siècle, in: SEVRES, revue de la société des 0
amis du Musée National de Céramique, N 8, 1999, p. 81-88. Met dank aan de heer Wilhelm Joliet, Königswinter (Duitsland). (15) Chateaux de faience, XlVe-XVllIe siècle, Musée-Promenade de Marlv-le-Roi, Louveciennes, 1993, p. 75. Bentz, Bruno en van de Linden, iMargaretha - De Nederlandse regels van het "Chateau de Rochechouart", in: Tegel 23/1995, p.47-51. Stichting van Vrienden van het Nederlands Tegelmuseum. (16) Bentz et Joliet, 1999, p. 84. (17)Pluis, 1997, p. 584-585. (18) Poot, Hubert Korneliszoon - Het groot Natuur- en Zedckundigh Werelttoneel of Woordenboek van meer dan 1200 aeloude Egiptische, Grieksche en Romeinse Zinnebeelden of Beeldspraek, Delft, 1750, Derde deel, p. 243 "'t Gehoor wort ook afgebeelt als eene Vrou, die op een luit slaet, en ter zyde van wie men een hart ziet leggen, dat'er na luistert." (19) Pluis, 1997, p. 254.
haardplaat. (21)S.A.A., iVIA-D4 67844, Hotel Osterrieth, Meir 85, 1937-1955, Afrekeningstaat, Bezettingsschade, deel 1.
SUMMARY Bruges on the World Heritage List The successive registrations of the Flemish "béguinages" (1998) and "belfries" of Flanders and Wallonia (1999), means Bruges already has two properties which are included in the UNESCO World Heritage List. The entire historic centre is being included on this list since the 30th of November 2000 as a cultural property which complies with a sufficient number of criteria described in the "Operational Guidelines for the Implementation of the 1972 World Heritage Convention". This city, which is representative of Flanders, is also significant at a world level. It was established as an inhabited settlement in the Iron Age, and has evolved in a unique geographical, socio-economic and cultural context. Nowadays, the historic centre of Bruges still "covers exactly with the same area as the ancient town", and retains the organisation of space and structures which are characteristic of its history, enriched with important contributions of architecture and from a trading city environment. Thus the site is "an outstanding type of an urban and architectural ensemble, which illustrates significant stages in human history". Bruges is representative because of its origin and its further development. The first reinforced settlement,dating from the 9' century with, presented an almost square plan that enclosed the former ducal palace and the St. Donatius church on the remained square of the "Burg". The first developments of the 11' and 12 centuries surround completely the original centre and make use of the hydrographical environment for the construction of canals which have survived up to the present day. The commercial centre in the suburbs from the market/current Grote Markt represents a second line of development. These two urban areas on the eastern side, linked by a narrow street, retain their original functions: the administrative function on the Burg and the commercial function around the market. The second concentric expansion in the 13' and 14' centuries adopts the same system for the double ring of ramparts and canals, with gateways at the end of the extended main streets from the first centre, which are still the most important access roads today. These ramparrs were demolished in the 18' - 19' century and converted into a large promenade enhanced with four gateways and the surviving tower. This double ring has an average width of 110 metres and is included in the nominated zone of the historic centre. In itself, it forms a "historic" buffer zone with 30-40 metres contributed by the ring road and remains a real border both visually and functionally. The urban and architectural fabric has the characteristics of a trading town with an international character. In the Middle Ages, the city was actually the final point of the trade route that passed by road, via the old route from Cologne and also served as the last link in the chain of Hanseatic towns, so that it developed to become the focus of maritime trade for the whole of the northern and central Europe. Until the 16' century Bruges was the commercial andfinancialcentre trading in a range of products such as salt, iron and other (precious) metals, wine, spices and cloth but also locally made manuscripts and paintings.. . Main streets, markets and the area around the harbour and its canal preserve a collage of official, semi-official and private buildings with gables and cornice facades daring from the 15' to the 20' century. Some of these buildings can be recognised on paintings from Bruges' golden age. Bruges is also a sire "directly associated with attistic and literary works f outstanding universal significance". The "School of the Flemish Primitives", - with the best known Jan van Eyck (circa.
1390 -1441) and Hans Memling (circa 1433 - 1494)- developed a particular approach, design and technique and approach. As there works were widely exported they influenced painting throughout Europe. Many works have survived and are now in museums and private collections throughout the world; Bruges maintains, often in situ, a unique collection of imporrant works. From 1902 the city has organised exhibitions based on various themes and retrospective exhibitions and these have been supported by increasingly detailed scientific studies. Bruges evokes this year this first event with "Impact, 1902" and carries on with "Jan van Eyck, early painting in and southern Europe" the grand exhibition tradition. The decline in prosperity and the halt in the development of the city from the second half of the 16' century were extremely fortunate because in the 19' century the city was rediscovered by the first English tourists, and by artists of international renown during the Romantic age and at a time of symbolism and Catholic revival. The novel, Bruges-La Morte by G. Rodenbach gave the city a mythical status which it cultivated quite consciously. From a concern for tradition, Bruges wished to present itself from that time as a city of museums and culture. It has now been recognised as Cultural Capital of Europe 2002. The all over programme illustrates the city's ambition to provide a future to her past and to pay as well, at the beginning of the 21' century, a particular attention to contemporary architecture and all expressions of living culture. This way, the city wants to play again a prominent part in their development and carry on her cultural tradition. Bruges became since the 19' century an "example and laboratory" of the evolving approach to conserving monuments and urban vernacular architecture In the seventies the Structural Plan of the historic centre included the integration of the architectural heritage and its to enhance quality of life as one of the starting points of the study. The efforts over the years, and especially those with the view of 2002, result in a dynamic city centre with recently restored monuments and interesting new realisations as the Opera House which will represent the actual contribution to the architectural heritage of Bruges and the entire world.
The Bruges St Anne's church: a sumptuous Baroque interior behind the facade of a sober parish church The Bruges St Anne's church, which displays a very sober exterior, boasts an interior that may be called a highlight of Baroque art. Although the parish of St Anne's is claimed to have been poor in the course of the 17th century, this church testifies to a splendid profusion of Baroque works of art. The involvement of several generous donors largely accounts for the great pomp and circumstance in this church. Major gifts are undoubtedly the marble rood loft, financed by several donors, and the high altar, donated by Lady Maria de Grits. Other works in a copious Baroque style are the 17th-century vault and the wooden panelling with integrated confessionals. A thorough preliminary enquiry allowed for a reconstruction of rhe interior in its mature Baroque stage from 1700. Thanks to the inquiry, all information is now available for a restoration that will re-establish the Baroque image inside the church.
1V1&L
SUMMARY IVIedieval Houses in Bruges (1): the Florentijnse Loge and house Hertsberghe
significant creation of the Antwerp architect Jan Peter van Baurscheit the Younger (1699-1768) and is considered one of the most characteristic examples in Rococo style of our regions. It was built for the Antwetp council member Josse Draeck and has henceforth been inhabited by numerous famous residents, among which were the d'Espinoza family, Simon Rodriguez d'Evora, Jacomo Antonio Carenna, Régine-Thérèse van Susteren-du Bois and Léonie Since 1993, the Monuments and Sites Department (Flemish Osterrieth-Mols (1874-1918). The early 17th-century chimney may Community) has been conducting building archaeological research have been introduced by any of the afotementioned occupants. The in Bruges. The emphasis has always been on the identification and tiling probably goes back to the period of Léonie Osterrieth, since study of brick houses erected in the period 1200-1350. So far, the youngest tiles of the chimney date from circa 1885-1890. 107 such houses were identified and situated on city maps based on The Dutch tile was studied intensely by the Dutch Tile Museum at cadastral maps drafted in 1834. Recently, the results of this research Otterlo (the Netherlands) and the Society of Friends around this were added to by a small dendrochronological research project in museum. Thanks to the publication by Jan Pluis, 'The Dutch Tile, which a 20 roof constructions of medieval houses were studied and Designs and Names, 1570-1930', it is now possible to unambigudated. ously describe - and in most cases also date - any Dutch tile from In the houses Academiestraat no. 1 {Florentijnse Loge) and Aademk- that period and sometimes also ascribe it to a tile kiln or a producstraat no. 3 (Hertsberghe) both the building archaeological and the tion centre. dendrochronological research have recently been completed, and the In the chimney, several types of tiles are combined. The major type combined results offer a fascinating building history. concerns the central tableau of six tiles with the image of Willem Both houses date back to the 13th century, when they were built Karel Hendrik Friso, the future stadtholder Willem IV (1711together, probably by a wealthy merchant. In those days, the 1751), on ahorseback and in a prancing position. Four identical tile Academiestraat was an important street, situated in between the pictures are found in the Dutch Tile Museum at Otterlo and in the harbour and the financial centre of the town. Little remains of those Zeeuws Maritiem muZEEum at Vlissingen. Also Friso's son, earliest buildings, but it could be ascertained that in at least one of 'Willem de 5DE, Prins van Oranie' (1748-1806), is immortalised in the houses the brick walls had got a facing of tuffa-stone. tiles in the same position as his father, which is preserved in 'Paleis By the mid 14th century the houses still belonged to one owner, who Het Loo' at Apeldoorn. The production of these tile pictures is to be had them almost completely rebuilt. This building phase is fairly situated in Friesland, prior to 1747. Twenty cavalry tiles, just as well preserved, especially the spectacular rafter roofs on both much in blue as in purple, escort the cavalryman Friso. A few of the buildings. The larger house was probably mainly used as a warecavalrymen depicted go back to engravings by the Italian engraver house and a shop, while the smaller was a luxurious dwelling, with Antonio Tempesta (1555-1630). Each tile bears a 'spider' as a corner as its most striking features the recessed niches with pointed arches motif, a small four-leaved flower with two little scrolls, which is a on all building levels. In the back of the house, there may have been widespread corner decoration on tiles from the 17th till the 19th a small private chapel. century. The two blue tile pillars left and right of the cavalry tiles are At the end of the 14th century, the houses belonged to different owners. The smaller one was converted to a more conventional townhouse in the 15th century. The larger one, however, met a more interesting fete. It was first rented and about 1460 bought by the Florentine merchants who established their nation house there. Their reconversion of the interiors was modest, but the outer appearance of the building received a real 'face-lift'; high false fronts surrounded the building, slender high towers on each corner added to their impressiveness. Unfortunately, both the towers and the false fronts were demolished in the early 18th century, when also part of the interior was rebuilt. Further alterations in the 19th and 20th century meant only further degradations of a once spectacular late-medieval building. Hopefully, the recent restoration and renovation, based on sound building archaeological research, have put a stop to this decline and will ensure the survival of two remarkable historic monuments.
(
J
A tiled chimney
in the Osterrieth-house in Antwerp In several Belgian manors, mansions and museological period rooms, chimneys were being tiled with Dutch tiles at the end 19th and early 20th century. A nice illustration is the Renaissance chimney of the Oude Vlaamse Kamer (Old Flemish Room) in the Osterrieth-house, Meir 85, Antwerp. This ancient house is the last
1VI&L
an imitation of the sandstone pillars that used to support the 16th and 17th-century chimneybreast. Normally they are 13 tiles high. Here however, the uppermost tile is missing. Tile 4 and 5 artexchanged between the two pillars. In the base a women playing the lute epitomises the Ear, one of the five senses. Those pillars are likely a product from Utrecht from the mid 19th century. Besides, we find three other current types of tiles. First and foremost, a twicesprinkled octagonal tile with small blue landscapes painted within. Next, the more renowned water landscape tiles and shepherds' tiles, with the ever-present two lumps of grass in the foreground, the sailing boats and the fences in the background. Andfinally,the most recent tile, known as 'double knots' (dubbele strikken), which we come across in model books of Utrecht tile kilns from about 1885. The Friso tableau, the cavalry tiles and the tile pillars are of a museological value. Setting aside the missing 13th tile in the pillars, the switching of tile 4 and tile 5 between the two pillars, the lack of a few tiles for establishing a completely symmetrical composition, and the rivalry between the octagonal tiles and the pillars as a partition, the tiles have been combined into a nice whole. The combination of six different types in one pane of circa 3 m2 of tiles turns this chimney into an interesting whole, less monotonous than the greater part of the chimneys we know which comprise only one or two types of tiles.
•
f
Cfw patnmonlunt. .onze zorg Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polyhieerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken
de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's : 1 voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie.
Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT
Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Kleine Breedstraat 3 3 - B-9100 SINT NIKLAAS Erkend aannemer cat D k i l . o cat D l kl 3, D21 kl 3. D24 kl 4
Evenwicht tussen wetenschap en vakmanschap
mm
INSTITUT GEOGRAPHIQUE NATIONAL
igl^j»