Skip to main content

Huishoudpositie_alleenstaande_SV_2020_3.pdf

Page 1

RAPPORT STATISTIEK VLAANDEREN, 2020/3

VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE IN HET VLAAMSE GEWEST: ALLEENWONEND EN ALLEENSTAANDE OUDER MARTINE CORIJN & JAN PICKERY


INHOUD SAMENVATTING INLEIDING 5 1

RECENTE EVOLUTIES 7

2

GEGEVENS EN METHODE 13

2.1 Databron

13

2.2 Veranderen van huishoudpositie

13

2.3 Verschillen tussen groepen

15

3

VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE IN 2018 17

3.1 Al dan niet veranderen van huishoudpositie

17

3.2 Wie verandert van huishoudpositie?

18

4

NIET MEER ALLEENWONEND OF

ALLEENSTAANDE OUDER IN 2018

21

4.1 Wie hield op met alleenwonend of

alleenstaande ouder te zijn?

21

4.2 Niet meer alleenwonend of alleenstaande ouder

zijn: verschillen tussen groepen

22

4.3 Hoe ging men wonen na het alleenwonend of

alleenstaande ouder zijn?

25

4.4 Wonen na alleenwonend of alleenstaande ouder

zijn: verschillen tussen groepen

26

4.5 Na het alleenwonend of alleenstaande ouder zijn:

gaan samenwonen met een partner

30

5 GAAN WONEN ALS ALLEENWONENDE OF

ALLEENSTAANDE OUDER IN 2018

33

5.1 Wie ging alleenwonen of werd alleenstaande ouder? 33 5.2 Gaan alleenwonen en alleenstaande ouder worden:

verschillen tussen groepen

35

5.3 Waarom ging men alleenwonen of als

alleenstaande ouder wonen?

36

5.4 Waarom alleenwonend of alleenstaande ouder

worden: verschillen tussen groepen?

38

5.5 Alleenwonend of alleenstaande ouder: na

scheiding of na overlijden?

6

ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER BIJ

VERTREK UIT EN AANKOMST IN VLAAMS GEWEST

IN 2018

40

43

6.1 Alleenwonend of alleenstaande ouder bij vertrek

uit Vlaams Gewest

43

6.2 Alleenwonend of alleenstaande ouder bij aankomst

in Vlaams Gewest

44

BESLUIT 46 LITERATUURLIJST

48


VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE IN HET VLAAMSE GEWEST ALLEENWONEND EN ALLEENSTAANDE OUDER

SAMENVATTING Het aantal alleenwonenden en het aantal alleenstaanden is de voorbije jaren in het Vlaamse Gewest sterk gestegen en zal de komende jaren nog verder stijgen. Aan de hand van een vergelijking van de huishoudposities in het Vlaamse Gewest op 1.1.2018 en op 1.1.2019 wordt een beeld geschetst van veranderingen hierin. In de loop van 2018 hielden ruim 144.000 volwassenen op met alleen te wonen of als alleenstaande ouder te wonen. Ruim

40% deed dit om met een partner te gaan samenwonen. Bijna 19.000 alleenwonenden overleden. Daarnaast gingen in 2018 ongeveer 105.000 volwassenen alleenwonen en werden er ongeveer 32.000 alleenstaande ouder. Scheiding vormde de belangrijkste aanleiding om zo te gaan wonen. Meer dan 10.000 mannen die inwonende kinderen hadden, werden een alleenwonende. Meer dan 13.000 vrouwen die inwonende kinderen hadden, werden een alleenstaande moeder.


INLEIDING In het Vlaamse Gewest is het aantal alleenwonenden en het aantal alleenstaande ouders de voorbije decennia sterk toegenomen en dat aantal zal in de toekomst nog verder stijgen (Federaal Planbureau en Statbel, 2020). De gegevens over het aantal alleenwonenden en alleenstaande ouders in het Vlaamse Gewest op 1 januari van elk jaar worden door Statistiek Vlaanderen ontsloten op www. statistiekvlaanderen.be/nl/bevolking-naarpositie-in-het-huishouden. Ook de kenmerken van de alleenwonenden en de alleenstaande ouders zijn vrij goed gekend (Lodewijckx, 2016a, 2016b). Het is minder gekend hoeveel personen en welke personen in de loop van een jaar de groep van alleenwonenden en alleenstaande ouders vervoegen. Het verlaten van het ouderlijke huis, een scheiding of een overlijden van een partner kunnen aanleidingen zijn om alleen te gaan wonen of alleenstaande ouder te worden. Het is ook minder gekend hoeveel personen en welke personen die in de loop van een jaar de groep van alleenwonenden en alleenstaande ouders verlaten. Men kan ophouden met alleenwonend of alleenstaande ouder te zijn als men gaat samenwonen met een partner, terugkeert naar het ouderlijke huis of in een instelling gaat wonen. Dit rapport focust op de personen die op jaarbasis de groep van alleenwonenden en alleenstaande ouders vervoegen, alsook op de personen die op jaarbasis deze groep verlaten. Dit gebeurt aan de hand van een koppeling van Rijksregistergegevens van twee opeenvolgende jaren. In een ander rapport worden de personen belicht die op jaarbasis de groep van samenwonenden met een partner vervoegen of verlaten (Corijn & Pickery, 2020). Er wordt een antwoord gegeven op twee vragen: •

Hoeveel personen en welke personen hielden in de loop van het jaar 2018 op met alleen te wonen of als alleenstaande ouder te wonen?

•

Hoeveel personen en welke personen gingen in de loop van het jaar 2018 alleenwonen of als alleenstaande ouder wonen?

Alleenwonenden en alleenstaande ouders worden in dit rapport om drie redenen samen behandeld. Het gaat vooreerst om twee leefvormen waarbij niet wordt samengewoond met een partner. Al dan niet zonder partner samenwonen heeft in de samenleving heel wat sociaal-economische en sociaal-maatschappelijke gevolgen, zowel voor de volwassenen als voor hun betrokken kinderen, zo blijkt uit onderzoek (voor referenties: Corijn, 2016). Daarnaast geldt dat als ouders met inwonende kinderen uit elkaar gaan, de ene ouder vaak (officieel) een alleenstaande ouder wordt en de andere een alleenwonende. Recente cijfers geven aan dat er na een scheiding voor steeds meer kinderen een co-ouderschapsregeling wordt getroffen (Merla & Dedonder, 2019). Vaders en moeders die als alleenwonende of als alleenstaande staan geregistreerd hebben hierdoor vaak tijdelijk inwonende kinderen en tijdelijk geen kinderen. Tot slot wordt een alleenstaande ouder een alleenwonende als het enige of laatste kind het ouderlijke huis verlaat en wordt een alleenwonende een alleenstaande ouder als een kind terugkeert naar zijn alleenwonende ouder. De focus op slechts één van beide leefvormen leggen, zou een deel van de dynamiek van de relatie- en gezinsvorming en -ontbinding en van de verschillen tussen mannen en vrouwen buiten beeld laten. Deel 1 situeert de recente evolutie van alleenwonenden en alleenstaande ouders. In deel 2 wordt meer informatie gegeven over de gebruikte bronnen en de methodologie. In deel 3 wordt berekend hoeveel volwassenen alleenwonend of alleenstaande ouder bleven en hoeveel er die posities verlieten. Deel 4 focust op de volwassenen die ophielden met alleenwonend of alleenstaande ouder te zijn. In deel 5 wordt de omgekeerde beweging in beeld gebracht: hoeveel volwassenen en welke volwassenen gingen alleenwonen of werden alleenstaande ouder. Deel 6 geeft kort aan hoeveel volwassenen als alleenwonende of alleenstaande ouder in 2018 binnenkwamen in het Vlaamse Gewest en hoeveel er in datzelfde jaar als alleenwonende of alleenstaande ouder het Vlaamse Gewest verlieten.

5


1.


RECENTE EVOLUTIES

1

De dynamiek bij het vormen en ontbinden van partnerrelaties sinds de jaren 1970 bracht een ander ritme en/of ander patroon binnen de individuele levensloop met zich mee (Corijn, 2017; Mortelmans, 2020; Mortelmans e.a., 2011; Pasteels & Mortelmans, 2013; Pasteels, Lodewijckx & Mortelmans, 2013). Door het uitstel (of afstel) van het huwelijk bijvoorbeeld wonen sommige jongvolwassenen eerst een tijd alleen alvorens samen te gaan wonen met een partner. Ook de dynamiek van de gezinsvorming en -ontbinding veranderde. Door het vaker uit elkaar gaan van partners en ouders ontstonden meer alleenwonenden en alleenstaande ouders. De voorbije jaren is het aantal alleenwonenden en alleenstaande ouders toegenomen in het Vlaamse Gewest. In 1991 was 9,7% van de totale bevolking alleenwonend; in 2018 was dit gestegen tot 13,5%. Alleenstaande ouders waren in diezelfde periode toegenomen van 2,6% naar 3,5% van de totale bevolking (figuur 1). Ook voor de komende jaren wordt een verdere toename verwacht van het percentage alleenwonenden tot 19,5% en van het percentage alleenstaande ouders tot 4,6% in 2040 (Federaal Planbureau en Statbel, 2020). Figuur 1. Alleenwonenden en alleenstaande ouders Vlaams Gewest, observaties 1991-2019 en projecties 2020-2041, in % van totale bevolking Alleenwonenden

Alleenwonenden (projecties)

Alleenstaande ouders

Alleenstaande ouders (projecties) 20 18

15,8

16 13,6

14 12 10

9,7

8 6

0 1991

3,7

3,5

4 2,6 2 1995

2000

2005

2010

2015

2020

2025

2030

2035

2040

Bron: Statbel: observaties en Federaal Planbureau: projecties, bewerking Statistiek Vlaanderen

Als men zich beperkt tot de bevolking van 18 jaar en ouder, dan woonden begin 2018 in het Vlaamse Gewest 877.772 inwoners alleen; dit is 16,6% van de volwassenen. Begin 2000 was dit 13,9%. Daarnaast woonden begin 2018 230.111 inwoners als alleenstaande ouder; dit is 4,4% van de volwassenen. Begin 2000 was dit 3,7%. In absolute aantallen nam de omvang van beide groepen in die periode met ongeveer een derde toe. De toename van het

7


percentage volwassenen dat zonder partner woont, gaat samen met een daling van het percentage volwassenen dat met een partner samenwoont (Corijn & Pickery, 2020). Niet alle groepen zijn in de periode 2000-2018 in dezelfde mate vaker gaan alleenwonen (figuur 2). De toename was groter bij mannen dan bij vrouwen. Op de leeftijden van 25 tot 69 jaar nam het percentage alleenwonenden toe. Bij de jongste leeftijdsgroep en bij de zeventigers en tachtigers nam het percentage echter af. De jongste leeftijdsgroep (18-24 jaar) bleef langer bij de ouder(s) wonen. Op latere leeftijd kon men door de toegenomen levensverwachting langer met een partner blijven samenwonen. De alleroudste leeftijdsgroep woont vaker dan voorheen alleen omdat ze minder vaak in een collectief huishouden (instelling) verblijven. Dit laatste vormt ook de verklaring voor het toegenomen percentage alleenwonenden onder de verweduwden. Bij Belgen is het percentage alleenwonenden sterker toegenomen dan bij niet-Belgen. In Antwerpen en Gent woonden in 2018 relatief gezien minder alleenwonenden dan voorheen. In de andere Vlaamse steden en gemeenten woonden er meer dan voorheen. Het percentage alleenstaande ouders is vooral toegenomen bij de veertigers en de vijftigers; dit zijn de leeftijden waarop ouders uit elkaar zijn gegaan (Corijn, 2019). Het percentage is ook toegenomen bij de ongehuwden omdat ongehuwd samenwonende partners vaker kinderen krijgen en vaker uit elkaar gaan (Corijn & Van Peer, 2013). Het percentage alleenstaande ouders is sterker afgenomen bij de zeventigers en de tachtigers: ze bleven langer samenwonen met een partner. Het is ook sterker afgenomen bij de gescheiden en verweduwde personen omdat ze vaker met een nieuwe partner gingen samenwonen en/of omdat ze eerder geen kinderen meer in huis hadden (figuur 2). Om de recente cijfers van het Vlaamse Gewest te situeren binnen een Belgische en Europese context is het nodig over te schakelen van personen die alleenwonen of alleenstaande ouder zijn naar (private) huishoudens bestaande uit alleenwonenden en eenoudergezinnen. 32% van alle huishoudens in het Vlaamse Gewest was in 2018 een huishouden van een alleenwonende. In het Waalse Gewest lag dit percentage iets hoger (36%); in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bestond bijna de helft van alle huishoudens (46%) uit alleenwonenden. Binnen een Europese context lag het percentage alleenwonenden in België iets lager dan het EU28-gemiddelde (figuur 3). In het Vlaamse Gewest waren er in 2018 ook relatief gezien minder eenoudergezinnen (8%) dan in de andere Belgische gewesten (12%). In België bestond 1 op de 10 huishoudens uit een eenoudergezin. De cijfers van de EUlanden houden enkel rekening met eenoudergezinnen met kinderen jonger van 25 jaar die sociaal en economisch afhankelijk zijn van andere leden van het huishouden. Het percentage van dit soort eenoudergezinnen in België (5,6%) lag boven het EU28-gemiddelde (figuur 3).


Figuur 2. Alleenwonenden en alleenstaande ouders: verandering in onderscheiden groepen Vlaams Gewest, verandering 2000-2018, in procentpunt Alleenwonenden Mannen

Alleenstaande ouders 3,4

Vrouwen

18-24 jaar

2,1

−0,2 2

30-39 jaar 40-49 jaar

2,7

2,3 2,8

3,3 −4,1

−0,2 −1,6

−3,4

−1,1

90 jaar en ouder

8,6

Ongehuwd

−0,8

Gehuwd

−0,4

Gescheiden

−0,1

Verweduwd

−0,1

1,9 −0,3 −2,6 3

−3,9

−6,9

−13,9

Belg

2,9

Niet-Belg

Antwerpen & Gent

0,4

3,9

60-69 jaar

Niet-gekend

−0,3

2,8

50-59 jaar

80-89 jaar

0,9

−1,2

25-29 jaar

70-79 jaar

0,4

1

−2,1

0,6 0,7

0,1

Overige centrumsteden

3,4

0,5

Overige gemeenten

3,5

0,7

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Leeswijzer: In 2000 waren er bij de volwassen mannen 12,7% alleenwonenden, in 2018 waren er 16,1% alleenwonenden; het verschil tussen beide jaren betreft een stijging met 3,4 procentpunt. De aantallen en percentages van 2000 en van 2018 staan in Bijlage 1.

9


Figuur 3. Alleenwonenden en eenoudergezinnen Belgische gewesten en EU-landen, 2018, in % van huishoudens

Alleenwonenden

Eenoudergezinnen

60 50 40 30 20

Kroatië Slovakije Portugal Polen Spanje Cyprus Malta Roemenië Ierland Griekenland Bulgarije Hongarije Italië Slovenië Tsjechië België VK EU28 Luxemburg Oostenrijk Nederland Frankrijk Finland Letland Duitsland Litouwen Estland Denemarken Zweden

Vlaams Gewest Brussels Gewest Waals Gewest

10

Noot: Eurostat houdt enkel rekening met inwonende kinderen die jonger zijn dan 25 jaar en die sociaal en economisch afhankelijk zijn. Bron: Statbel voor Belgische gewesten, Labour Force Survey, Eurostat voor EU-landen, bewerking Statistiek Vlaanderen


11


2.


GEGEVENS EN METHODE

2

2.1 DATABRON Het Belgische statistiekbureau Statbel kent op basis van gegevens uit het Rijksregister aan elk huishouden in het land een welbepaald type en aan elke inwoner een welbepaalde positie in het huishouden toe. Dit gebeurt voor de wettelijke bevolking zoals waargenomen op 1 januari van elk jaar. De posities in het huishouden behoren tot de 12 posities uit de LIPROtypologie (Lodewijckx & Deboosere, 2008) (Bijlage 2). Statistiek Vlaanderen ontvangt deze individuele gegevens van Statbel met een specifieke code die een koppeling van gegevens van personen op individueel niveau over verschillende jaren mogelijk maakt.

2.2 VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE Door een koppeling op individueel niveau van de huishoudpositie van elke inwoner op 1 januari 2018 aan deze op 1 januari 2019 wordt een beeld verkregen van een eventuele verandering van huishoudpositie van elke inwoner. Hierdoor kan worden berekend hoeveel personen en welke personen in de loop van het jaar 2018 al dan niet veranderden van huishoudpositie. Voor diegenen die veranderden kan de aard van de verandering worden bepaald. Gegeven de beschikbare bron is een beschrijving van de veranderingen tussen 1 januari van twee opeenvolgende jaren de best mogelijke benadering van veranderingen inzake huishoudposities. De mate van ‘ruis’ op de resultaten door de tussentijdse veranderingen in de loop van het jaar is niet gekend (Bijlage 2). Een dergelijke koppeling werd reeds eerder gebruikt om de veranderingen van huishoudposities van ouderen alsook van huishoudposities van vrouwen vόόr en na de geboorte van een kind te schetsen (Audenaert, e.a., 2010; Lodewijckx & Schockaert, 2016). Een eventuele verandering van huishoudpositie kan worden vastgesteld voor inwoners die op beide tijdstippen in het Vlaamse Gewest woonden. Daarnaast geldt het verlaten van een huishoudpositie in het Vlaamse Gewest ook voor inwoners die op het tweede tijdstip niet meer tot de bevolking van het Vlaamse Gewest behoren door overlijden, verhuis, schrapping uit het Rijksregister. Het toetreden tot een huishoudpositie in het Vlaamse Gewest gebeurt ook door inwoners die in de loop van het jaar binnenkomen in het Vlaamse Gewest door verhuis, door herinschrijving in het Rijksregister of door registerwijziging. In Bijlage 2 staan de details en de aantallen volwassenen. De veranderingen in de loop van het jaar 2018 in de focus van deze bijdrage zijn: ophouden met alleenwonen of alleenstaande ouder zijn (volle lijnen in figuur 4a) en gaan alleenwonen of alleenstaande ouder zijn (volle lijnen in figuur 4b). Daarnaast zijn er alleenwonenden die alleenstaande ouder worden en alleenstaande ouders die alleenwonende worden (streepjeslijnen in figuur 4a en figuur 4b).

13


Figuur 4. Alleenwonenden en alleenstaande ouders a. Niet meer alleenwonend of alleenstaande ouder zijn In Vlaams Gewest op 1.1.2018 Alleenwonend

Alleenstaande ouder

In Vlaams Gewest op 1.1.2019 Alleenwonend Alleenstaande ouder Niet meer alleenwonend of alleenstaande ouder in Vlaams Gewest door - samenwonen met partner - andere reden

Niet meer in Vlaams Gewest door - overlijden - verhuis

b. Gaan alleenwonen en alleenstaande ouder worden In Vlaams Gewest op 1.1.2018

In Vlaams Gewest op 1.1.2019

Niet alleenwonend Geen alleenstaande ouder

Niet alleenwonend Geen alleenstaande ouder

Alleenwonend

Alleenwonend

Alleenstaande ouder

Alleenstaande ouder

Niet in Vlaams Gewest op 1.1.2018

Voor veranderingen vanuit welbepaalde huishoudposities wordt eerst afgebakend welke volwassenen een bepaalde verandering kunnen maken. Voor veranderingen vanuit de huishoudposities alleenwonend en alleenstaande ouder wordt enkel gewerkt met personen in deze posities. Voor wie effectief veranderde vanuit deze posities wordt per uitgangspositie op 1.1.2018 aangegeven in welke nieuwe huishoudposities men is terechtgekomen of waarom men het Vlaamse Gewest heeft verlaten op 1.1.2019. Voor veranderingen naar welbepaalde huishoudposities wordt eerst afgebakend welke volwassenen die verandering kunnen maken. Alleen personen die in het begin van het jaar niet alleenwoonden of geen


alleenstaande ouder waren, kunnen naar de positie alleenwonend of alleenstaande ouder overstappen. Voor wie effectief veranderde van positie wordt per uitgangspositie op 1.1.2018 aangegeven in welke specifieke huishoudpositie men terechtkwam op 1.1.2019. De aanleiding om naar deze positie over te stappen kan een overlijden of een relatiebreuk zijn. Indien men op 1.1.2018 wel samenwoonde met een partner en op 1.1.2019 niet ĂŠn indien er geen overlijden van de inwonende partner was, wordt verondersteld dat er bij de verandering van samenwonend met een partner naar alleenwonend of alleenstaande ouder een relatiebreuk of scheiding was. De alleenwonenden en alleenstaande ouders die in de loop van 2018 het Vlaamse Gewest verlieten (puntjeslijnen in figuur 4a) of binnenkwamen in het Vlaamse Gewest (puntjeslijnen in figuur 4b) komen kort aan bod in deel 6.

2.3 VERSCHILLEN TUSSEN GROEPEN De resultaten worden afzonderlijk voor mannen en voor vrouwen voorgesteld omdat de dynamiek inzake de huishoudvorming en -ontbinding anders verloopt bij mannen en vrouwen. Omdat specifieke veranderingen van huishoudposities vooral plaatsvinden in bepaalde leeftijdsfasen worden de resultaten afzonderlijk per leeftijdsgroep (18-29, 30-39, 40-49, 50-59, 60-69, 70-79, 80-89, 90 en ouder) gegeven. Bij alleenwonenden en alleenstaande ouders komt elk type van burgerlijke staat voor. Omdat onder meer bij aankomst of bij een kort verblijf in het Vlaamse Gewest veel niet-Belgen (tijdelijk) alleenwonen worden resultaten gegeven voor personen met de Belgische en met de niet-Belgische nationaliteit op 1.1.2018. De resultaten worden ook opgesplitst naargelang de betrokkenen in Antwerpen en Gent, in de 11 andere centrumsteden of in de overige steden en gemeenten van het Vlaamse Gewest woonden op 1.1.2018. In stedelijke gebieden wonen immers meer alleenwonenden en alleenstaande ouders dan in landelijke gebieden. De bovenvermelde kenmerken van de inwoners zijn zeker niet onafhankelijk van elkaar. Controleren voor deze onderlinge samenhang gebeurt in deze verkennende analyse niet. In Bijlage 2 en 3 worden meer details over de verschillen tussen groepen gegeven.

15


3.


VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE IN 2018 3

3.1 AL DAN NIET VERANDEREN VAN HUISHOUDPOSITIE In de loop van 2018 wijzigde de huishoudpositie van 611.120 volwassenen. Dit betreft 11,6% van de volwassen bevolking. De veranderingen omvatten 9,9% door veranderingen naar nieuwe huishoudposities en 2,2% door het niet meer behoren tot de bevolking van het Vlaamse Gewest (door overlijden, verhuis uit Vlaams Gewest, schrapping uit Rijksregister, registerwijziging) (Bijlage 3 en figuur 5). Figuur 5. Veranderen van huishoudpositie door volwassenen Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % Nieuwe huishoudpositie op 1.1.2019 Kind van gehuwd paar

13,3

Kind van ongehuwd paar

22,6

Kind van alleenstaande ouder

15,8

Alleenwonend

8,9

Alleenstaande ouder

12,4

Gehuwd zonder kinderen

4,6

Gehuwd met kind(eren)

6

Ongehuwd zonder kinderen

19,7

Ongehuwd met kind(eren)

12,1

Inwonende andere

19,8

Positie in overig huishoudtype

22,4

Bewoner collectief huishouden

4

Alle volwassenen

9,4

Niet meer in Vlaams Gewest op 1.1.2019

3,8

6,8 5,8 19,7

0

5

10

15

20

25

30

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

17


Op 1.1.2018 was 17% van de volwassenen alleenwonend en 4% een alleenstaande ouder. Respectievelijk 13% en 14% van hen veranderde van positie. Het betreft dus twee huishoudposities die niet zo vaak voorkwamen, maar wel een zekere mate van verandering kenden. Niet meer tot de bevolking van het Vlaamse Gewest behoren kwam iets vaker voor bij de alleenwonenden dan bij de alleenstaande ouders. Algemeen gold in 2018 dat hoe vaker een huishoudpositie bij volwassenen in het Vlaamse Gewest voorkwam, hoe geringer de mate van verandering van die huishoudpositie was (correlatie -0,87). Zo waren de meest voorkomende huishoudposities (24% gehuwde partner zonder inwonende kinderen en 23% gehuwde partner met inwonende kinderen) deze die het minst werden veranderd (6%).

3.2 WIE VERANDERT VAN HUISHOUDPOSITIE? Het voorkomen van elke huishoudpositie varieert naargelang van de kenmerken van de betrokkenen. De verdeling van de volwassen bevolking op 1.1.2018 over deze kenmerken staat in Bijlage 3. De mate van verandering van de huishoudposities varieert ook naargelang van deze kenmerken. Figuur 6 illustreert de variatie in de mate van verandering bij deze subgroepen voor alle huishoudposities samen. Een grote mate van verandering van huishoudpositie kwam in 2018 vaak voor bij kleinere groepen. De mate van verandering van alle huishoudposities samen was in 2018 bij mannen en bij vrouwen nagenoeg gelijk. De mate van verandering was het grootst bij de 25- tot 29-jarigen (26%). Op deze leeftijd start immers vaak de eigen huishoudvorming. De mate van verandering was ook groot bij de relatief kleine groep 90-plussers (27%), maar dit kwam vooral door overlijden. De mate van verandering was het geringst bij gehuwde personen (7,5%). Ze was bijzonder hoog (36%) bij de zeer kleine groep personen met een nietgekende burgerlijke staat. Verandering van huishoudpositie en niet meer in het Vlaamse Gewest verblijven, speelden bij hen een even grote rol. NietBelgen veranderden in 2018 vaker van huishoudpositie (19%) dan Belgen (11%). Bij de niet-Belgen speelden verhuis en schrapping een grotere rol. In Antwerpen en Gent veranderden volwassenen iets vaker hun huishoudpositie (14%). In de steden en gemeenten buiten de centrumsteden werd iets minder vaak van huishoudpositie veranderd (11%).


Figuur 6. Veranderen van huishoudpositie: verschillen tussen groepen Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % Nieuwe huishoudpositie op 1.1.2019 Mannen

9,5

Vrouwen

9,2

18-24 jaar

14,3

25-29 jaar

23,5

30-39 jaar

12

40-49 jaar

6,9

50-59 jaar

8,5

60-69 jaar

5,2

70-79 jaar

3,7

80-89 jaar

5,8

90 jaar en ouder

6,8

Ongehuwd

14,6

Gehuwd

6

Gescheiden

11,4

Verweduwd

5,3

Niet-gekend

19,9

Belg

9,1

Niet-Belg

12,1

Antwerpen & Gent

11

Overige centrumsteden

9,9

Overige gemeenten

9 0

Niet meer in Vlaams Gewest op 1.1.2019

2 2,8

7,6 20,6

6,8 16,3

6,8

2,9 2,7

5

10

15

20

25

30

35

40

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

19


4.


NIET MEER ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER IN 2018 4

Enkel de groep die op 1.1.2018 alleenwoonde of alleenstaande ouder was kan in de loop van het jaar ophouden zo te wonen. Deze groep kan een nieuwe huishoudpositie innemen, maar kan ook verdwijnen uit de bevolking van het Vlaamse Gewest (door overlijden, verhuis, schrapping). Op 1.1.2018 woonden van de 5,28 miljoen volwassen inwoners van het Vlaamse Gewest 882.912 volwassenen alleen; 184.116 leefden als alleenstaande moeder en 46.052 als alleenstaande vader.

4.1 WIE HIELD OP MET ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER TE ZIJN? Alleenwonenden en alleenstaande ouders veranderden in 2018 in beperkte mate hun huishoudpositie (figuur 5). Van de 1,11 miljoen volwassenen die begin 2018 alleenwoonden of alleenstaande ouder waren, woonden er begin 2019 144.640 niet meer zo. Relatief gezien veranderden iets meer alleenstaande ouders (14%) dan alleenwonenden (13%) hun huishoudpositie. Bij alleenwonenden speelde niet meer behoren tot de Vlaamse bevolking op 1.1.2019 een grotere rol dan bij de alleenstaande ouders. Dit kwam onder meer door verhuis uit het Vlaamse Gewest van jongere alleenwonenden en door overlijden van oudere alleenwonenden (zie verder). Mannen verlieten vaker de positie van alleenwonende of alleenstaande ouder dan vrouwen. Vooral alleenstaande vaders gingen voor een nieuwe huishoudpositie (17%) (figuur 7). Figuur 7. Niet meer alleenwonend of alleenstaande ouder naar geslacht Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % Nieuwe huishoudpositie op 1.1.2019

Niet meer in Vlaams Gewest op 1.1.2019

Alleenwonenden Mannen

10,7

Vrouwen

7,9 0

4,2 3,4 2

4

6

8

10

12

14

16

18

20

Alleenstaande ouders Mannen

17

Vrouwen

11,6 0

2,4 1,8 2

4

6

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

8

10

12

14

16

18

20

21


4.2 NIET MEER ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER ZIJN: VERSCHILLEN TUSSEN GROEPEN De kenmerken van alleenwonenden en alleenstaande ouders zijn sterk uiteenlopend (Bijlage 3). Zo zijn er iets meer alleenwonende vrouwen dan mannen, maar zijn er veel meer alleenstaande moeders dan alleenstaande vaders. Alleenstaande ouders zijn vooral veertigers en vijftigers; alleenwonenden zijn meer gelijk verdeeld over alle leeftijdsgroepen. Alleenwonenden zijn vooral ongehuwden en alleenstaande ouders zijn vooral gescheiden personen. De mate van verandering bij alleenwonenden en alleenstaande ouders verschilde in 2018 sterk naargelang van een aantal kenmerken (figuur 8a en 8b). De mate van verandering bij de alleenwonenden was in 2018 iets groter bij mannen (14%) dan bij vrouwen (11%). Met andere woorden, alleenwonende mannen hielden iets vaker dan alleenwonende vrouwen op met alleen te wonen. De mate van verandering bij de alleenwonenden nam sterk af met de leeftijd. Hoe ouder men was, hoe minder tijdelijk het alleenwonen was. Pas op oudere leeftijd (80 jaar en ouder) nam de mate van verandering weer toe, onder meer door het frequenter voorkomen van overlijdens. Vooral de kleine groep gehuwde alleenwonenden stopte in 2018 met alleen te wonen (23%). Dit is eigen aan het proces van huwelijksontbinding waarin ze zitten: officieel waren ze bij het begin van het jaar nog gehuwd doch alleenwonend, maar dat alleenwonen veranderde in de loop van het jaar. Ook de kleine groep alleenwonenden met een niet-gekende burgerlijke staat kende een hoge mate van verandering (38%), maar hier speelde verhuis uit het Vlaamse Gewest een grotere rol in. Bij niet-Belgen was alleenwonen in 2018 veel vaker een tijdelijke positie dan bij Belgen. 27% van de alleenwonende niet-Belgen was op 1.1.2019 niet meer alleenwonend of niet meer in het Vlaamse Gewest. Tijdelijk alleenwonen kwam iets vaker voor in Antwerpen en in Gent (16%); het kwam minder voor buiten de centrumsteden (11%). Meer alleenstaande vaders (19%) dan moeders (13%) verlieten in 2018 hun positie. Vooral de twee jongste leeftijdsgroepen (31% en 26%) en de oudste leeftijdsgroep (25%) alleenstaande ouders hielden in 2018 op zo te wonen. Bij de jongste groepen ging het vooral om veranderingen naar nieuwe huishoudposities; bij de oudste groep om veranderingen door overlijden. De burgerlijke staat differentieerde minder sterk de mate verandering van de alleenstaande ouders. Maar ook hier springen de gehuwde alleenstaande ouders en deze met een niet-gekende burgerlijke staat er uit. De mate van verandering bij alleenstaande ouders was iets groter bij niet-Belgische (18%) dan bij Belgische (14%) ouders. De woonplaats van de alleenstaande ouders leidde niet tot een sterk uiteenlopende mate van verandering op jaarbasis.


Figuur 8b. 8a. Niet meer alleenstaande alleenwonend:ouder: verschillen tussentussen groepen verschillen groepen 2018, inveranderd % Vlaams Gewest, positie in 2018, in % Nieuwe huishoudpositie op 1.1.2019

Niet meer in Vlaams Gewest op 1.1.2019

Mannen

10,2 16,6

Vrouwen

7,6 11,4

18-24 jaar

25,3 27,6

25-29 jaar

24,3 22,9

30-39 jaar

16,8 14,5

40-49 jaar

10,1 9,7

50-59 jaar

6,6 14,2

60-69 jaar

3,7 15,3

70-79 jaar

2,8 2,8 8,3

80-89 jaar

5,1 6,6

6 7,3

90 jaar en ouder

9,5 5,5

19,6

Ongehuwd

11,9 12,4

Gehuwd

17,8 17,6

Gescheiden

7,2 13

Verweduwd

4,6 8,9

Niet-gekend

16,6 15,4

Belg

8,3 12,3

Niet-Belg

14,8 13,6

Antwerpen & Gent

10,9 11,9

Overige centrumsteden

9,3 12,7

Overige gemeenten

8,2 12,5 0

4,2 3,4

9,5 3,8 5,1 3,7

2,8

15

5,1 2,9

4,8

4,5 5,621,4

2,9 4,112,9

4,4 4,8 3,4 5

10

2 15

20

25

30

35

40

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

23


Figuur 8b. Niet meer alleenstaande ouder: verschillen tussen groepen Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % Nieuwe huishoudpositie op 1.1.2019 Mannen

16,6

Vrouwen

11,4

18-24 jaar

27,6

25-29 jaar

22,9

30-39 jaar

14,5

40-49 jaar

9,7

50-59 jaar

14,2

60-69 jaar

15,3

70-79 jaar

8,3

80-89 jaar

6,6

90 jaar en ouder

5,5

Ongehuwd

12,4

Gehuwd

17,6

Gescheiden

13

Verweduwd

8,9

Niet-gekend

15,4

Belg

12,3

Niet-Belg

13,6

Antwerpen & Gent

11,9

Overige centrumsteden

12,7

Overige gemeenten

12,5 0

Niet meer in Vlaams Gewest op 1.1.2019

3,8

2,8 7,3 19,6

2,9

4,5 5,6

4,1

2 5

10

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

15

20

25

30

35

40


4.3 HOE GING MEN WONEN NA HET ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER ZIJN? De groep die ophield met alleen te wonen of met alleenstaande ouder te zijn, deed dit omwille van diverse aanleidingen of redenen. Figuur 9 schetst de aard van de veranderingen. Voor wie in 2018 de positie van alleenwonende of alleenstaande ouder had verlaten, wordt een onderscheid gemaakt tussen nieuwe huishoudposities (lichtere tinten) en het niet meer behoren tot de bevolking van het Vlaamse Gewest (donkerdere tinten). De aard van de veranderingen was iets anders voor alleenwonenden dan voor alleenstaande ouders. Alleenwonenden verlieten vaker de Vlaamse bevolking dan alleenstaande ouders (respectievelijk 4% en 2%). Alleenstaande ouders namen vaker nieuwe huishoudposities in dan alleenwonenden (respectievelijk 12% en 9%). Details over de aard van de nieuwe huishoudposities en van de aanleidingen voor het niet meer behoren tot de Vlaamse bevolking staan in Bijlage 4. Van de alleenwonenden die in 2018 hun huishoudpositie hadden verlaten, hielden er bijna 4 op de 10 (39%) op met alleen te wonen om te gaan samenwonen met een partner. Alleenwonende vrouwen veranderden minder van positie om met een partner te gaan samenwonen (32%) dan alleenwonende mannen (45%). Alleenwonende vrouwen werden vaker alleenstaande ouder dan alleenwonende mannen. Meer alleenwonende vrouwen (27%) dan mannen (22%) gingen (bij de verandering) naar een andere huishoudpositie (bijvoorbeeld een instelling). Bij alleenwonende vrouwen (20%) was overlijden vaker de oorzaak om hun positie te verlaten dan bij alleenwonende mannen (13%). Alleenwonende vrouwen zijn immers veel ouder dan alleenwonende mannen. Als alleenstaande ouders in 2018 hun positie hadden verlaten, was er weinig verschil in het soort aanleidingen hiertoe voor alleenstaande vaders en moeders. Ze deden dit bijvoorbeeld even vaak om (opnieuw) met een partner samen te wonen. Figuur 8b geeft aan dat relatief meer alleenstaande vaders dan moeders hun positie hadden verlaten voor een nieuwe huishoudpositie. Alleenstaande ouders werden vaak alleenwonenden doordat hun enige of laatste kind het ouderlijke huis verliet.

25


Figuur 9. Aard van de verandering: verschillen naar geslacht Vlaams Gewest, niet meer alleenwonend of alleenstaande ouder op 1.1.2019, in % Met partner Overleden

Alleenwonend Alleenstaande ouder Vlaams Gewest verlaten

Andere huishoudpositie

Alleenwonend op 1.1.2018 Mannen

45

Vrouwen

32 0

4 9 10

20

30

22

13

27 40

16

20 50

60

70

11 80

90

100

Alleenstaande ouder op 1.1.2018 Mannen

40

Vrouwen

44 0

42

6 35

10

20

30

40

7 50

60

70

80

8 7 90

4 7 100

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Leeswijzer: Binnen de groep die in de loop van 2018 de positie van alleenwonende/ alleenstaande ouder heeft verlaten (% zie figuur 7) is een deel nadien naar nieuwe huishoudposities gegaan (lichte tinten) en behoort een deel niet meer tot de bevolking in het Vlaams Gewest door overlijden of verhuis en schrapping (donkere tinten).

4.4 WONEN NA ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER ZIJN: VERSCHILLEN TUSSEN GROEPEN De aard van de veranderingen voor de alleenwonenden en de alleenstaande ouders die in 2018 hun huishoudpositie verlieten, was nogal uiteenlopend naargelang van hun kenmerken. Zeker tot op de leeftijd van 60 jaar was (opnieuw) samenwonen met een partner een belangrijke aanleiding om op te houden met alleen te wonen. Jongere alleenwonenden (die veranderden van positie) keerden vaker terug naar het ouderlijke huis; oudere alleenwonenden gingen vaker naar een instelling (figuur 10). Tot op de leeftijd van 70 jaar was een verhuis naar een ander gewest of naar een ander land een effectieve nieuwe bestemming. Vanaf de leeftijd van 70 jaar werd overlijden de grootste verandering (42% en meer). De aard van de veranderingen voor de alleenstaande ouders bij het verlaten van hun positie naargelang hun leeftijd was analoog aan deze van de alleenwonenden (figuur 10). Zeker tot op leeftijd 50 was (opnieuw) samenwonen met een partner de belangrijkste aanleiding. Tussen leeftijd 50 en 80 werden alleenstaande ouders vooral alleenwonenden als het laatste of enige inwonende kind het ouderlijke huis verliet. Als oudere (80 jaar en


ouder) alleenstaande ouders hun positie verlieten was dat minder vaak dan bij de oudere alleenwonenden om een nieuwe huishoudpositie in te nemen, maar vaker omwille van overlijden. Figuur 10. Aard van de verandering: verschillen naar leeftijd Vlaams Gewest, niet meer alleenwonend of niet meer alleenstaande ouder op 1.1.2019, in % Met partner Overleden

Alleenwonend Alleenstaande ouder Vlaams Gewest verlaten

Andere huishoudpositie

Alleenwonend op 1.1.2018 18-24 jaar

39

25-29 jaar

57

30-39 jaar

58

40-49 jaar

52

50-59 jaar

48

60-69 jaar

34

70-79 jaar

14

80-89 jaar

31 23 6 11 14 13 8

29

18

17

17

17

16

9

13

24

11

44

6

52

37 0

17

18

41

90 jaar en ouder

27

60 10

20

30

40

50

60

70

80

90

100

Alleenstaande ouder op 1.1.2018 18-24 jaar

67

25-29 jaar

74

30-39 jaar

76

40-49 jaar

61

50-59 jaar

27

60-69 jaar

13

70-79 jaar

7

80-89 jaar

7

0

10 8

10 6

25

10 5

63 72

6 12 16

11 10

8 5

56

10

12

6

30

90 jaar en ouder

15

6

23

52

78 20

30

40

50

60

70

80

90

100

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

27


De aard van de veranderingen voor ongehuwde, gehuwde en gescheiden alleenwonenden bij het ophouden met alleen te wonen, verschilde niet veel van elkaar (figuur 11). Er werd vooral (opnieuw) samengewoond met een partner (ongeveer 50%). De gescheiden alleenstaande ouders gingen (opnieuw) samenwonen met een partner of werden alleenwonenden. Een derde van de alleenwonende weduwnaars en weduwes verloren hun positie omdat ze overleden. De aard van de veranderingen van ongehuwde en gehuwde alleenstaande ouders, verschilde niet veel van elkaar (figuur 11). Ruim de helft ging (opnieuw) samenwonen met een partner en met kind(eren). Meer dan de helft van de verweduwde alleenstaande ouders verliet hun positie door overlijden (56%). Figuur 11. Aard van de verandering: verschillen naar burgerlijke staat Vlaams Gewest, niet meer alleenwonend of alleenstaande ouder op 1.1.2019, in % Met partner Overleden

Alleenwonend Alleenstaande ouder Vlaams Gewest verlaten

Andere huishoudpositie

Alleenwonend op 1.1.2018 Ongehuwd

54

Gehuwd

56

Gescheiden

46

Verweduwd

7

Niet-gekend

23 0

4 25 9 13 6

36

13 17

6

11

16

15

10

48 18

10

5

20

30

56 40

50

60

70

80

90

100

Alleenstaande ouder op 1.1.2018 Ongehuwd

66

Gehuwd

58

Gescheiden

41

Verweduwd

11

Niet-gekend

53 0

18

8

23

6

48 46

10 12

10

20

30

40

50

12 5

4

90

100

31 8

60

8

26 70

80

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

De aard van de veranderingen bij het ophouden met alleenwonen van Belgen en niet-Belgen is nogal verschillend (figuur 12). Alleenwonende niet-Belgen waren vaker niet meer in het Vlaamse Gewest (21% had het land verlaten en 21% was geschrapt uit het Rijksregister). Alleenwonende Belgen waren vaker (niet meer alleenwonend omdat ze) overleden (21%). Ook niet-Belgische alleenstaande ouders hadden vaker de Vlaamse bevolking verlaten (21%). Belgische alleenstaande ouders waren vaker overleden (8%).


Figuur 12. Aard van de verandering: verschillen naar nationaliteit Vlaams Gewest, niet meer alleenwonend of alleenstaande ouder op 1.1.2019, in % Met partner Overleden

Alleenwonend Alleenstaande ouder Vlaams Gewest verlaten

Andere huishoudpositie

Alleenwonend op 1.1.2018 Belg

41

Niet-Belg

30

7 5

0

10

20

26

19

19

30

7

44 40

50

60

70

80

90

100

8

4

90

100

Alleenstaande ouder op 1.1.2018 Belg

42

Niet-Belg

52

39

7 18

0

10

20

30

40

6

50

60

21

70

80

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

De aard van de veranderingen voor alleenwonenden en alleenstaande ouders liep naargelang van hun woonplaats niet sterk uiteen (figuur 13).

Figuur 13. Aard van de verandering: verschillen naar woonplaats Vlaams Gewest, niet meer alleenwonend of alleenstaande ouder op 1.1.2019, in % Met partner Overleden

Alleenwonend Alleenstaande ouder Vlaams Gewest verlaten

Andere huishoudpositie

Alleenwonend op 1.1.2018 Antwerpen & Gent

40

Overige centrumsteden

36

Overige gemeenten

40 0

5 5

10

20

30

26

11

24

13

7

24

40

50

18 21

19 60

70

10 80

90 100

Alleenstaande ouder op 1.1.2018 Antwerpen & Gent

46

Overige centrumsteden

43

38

Overige gemeenten

42

37

0

33

10

20

30

40

8

5

7 6 50

60

70

80

7 8

7 5 6

90 100

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

29


4.5 NA HET ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER ZIJN: GAAN SAMENWONEN MET EEN PARTNER Binnen de groep alleenwonenden en alleenstaande ouders die in de loop van 2018 van huishoudpositie veranderden en op 1.1.2019 nog steeds in het Vlaamse Gewest woonden, kan het (opnieuw) gaan samenwonen met een partner scherper in beeld worden gebracht (figuur 14). 62% van de alleenwonenden die van huishoudpositie veranderde, deed dit om met een partner te gaan samenwonen. Bij de alleenstaande ouders was samenwonen met een partner voor 87% de nieuwe gekozen huishoudpositie. Figuur 8 geeft aan dat mannen vaker dan vrouwen de positie van alleenwonende en van alleenstaande ouder verlieten om een nieuwe huishoudpositie in te nemen. Dit gegeven zijnde, blijkt dat alleenwonende mannen ook vaker dan vrouwen nadien met een partner gingen samenwonen (respectievelijk 63% en 47%). Dit verschil gold niet voor de alleenstaande ouders: bijna de helft van de alleenstaande vaders en moeders die een nieuwe huishoudpositie hadden ingenomen, ging samenwonen met een partner. Tot op de leeftijd van 60 jaar gingen alleenwonenden hoofdzakelijk met een partner samenwonen; bij alleenstaande ouders was dit hoofdzakelijk tot op de leeftijd van 50 jaar. Op latere leeftijd werden alleenstaande ouders immers vaker alleenwonende. Weduwnaars en weduwes wijzigden het minst hun positie van alleenstaande of alleenstaande ouder om met een partner te gaan samenwonen. Figuur 10 geeft aan dat, gezien de leeftijd van deze groep, andere huishoudposities (zoals bewoner van een collectief huishouden of inwonen bij een ander huishouden) vaker voorkwamen. Inzake het percentage dat ging samenwonen met een partner waren er geen verschillen tussen de alleenwonende Belgen en niet-Belgen. Ook de woonplaats markeerde geen verschillen inzake het gaan samenwonen met een partner.


Figuur 14. Samenwonen met partner na alleenwonen en na alleenstaande ouder: verschillen tussen groepen Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % van groep die in Vlaams Gewest bleef Na alleenwonen

Na alleenstaande ouder

Mannen

63

46

Vrouwen

47

51

18-24 jaar

54

76

25-29 jaar

69

82

30-39 jaar

70

85

40-49 jaar

65

67

50-59 jaar

62

29

60-69 jaar

52

14

70-79 jaar

27

9

80-89 jaar

5

4

90 jaar en ouder

1

Ongehuwd

65

72

Gehuwd

72

67

Gescheiden

61

44

Verweduwd

13

16

Niet-gekend

53

72

Belg

56

48

Niet-Belg

55

68

Antwerpen & Gent

56

53

Overige centrumsteden

55

49

Overige gemeenten

56

49

4

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

31


5.


GAAN WONEN ALS ALLEENWONENDE OF ALLEENSTAANDE OUDER IN 2018 5

Enkel de volwassenen die begin 2018 niet alleenwoonden konden in de loop van het jaar 2018 gaan alleenwonen en enkel volwassenen die niet als alleenstaande ouder woonden konden alleenstaande ouder worden (figuur 4b). In het Vlaamse Gewest woonden begin 2018 4,17 miljoen volwassenen niet als alleenwonende of als alleenstaande ouders. De meerderheid (60%) van hen waren gehuwde partners (Bijlage 3). De keuze of noodzaak om alleen te gaan wonen of alleenstaande ouder te worden, is beperkt tot de volwassenen die op 1.1.2018 én op 1.1.2019 in het Vlaamse Gewest woonden. De groep die in de loop van het jaar 2018 het Vlaamse Gewest binnenkwam als alleenwonende of alleenstaande ouder komt ter sprake in deel 6.

5.1 WIE GING ALLEENWONEN OF WERD ALLEENSTAANDE OUDER? In de loop van 2018 gingen 105.044 volwassenen alleenwonen en werden er 32.220 een alleenstaande ouder. Naargelang van de huishoudpositie begin 2018 varieerde het percentage dat ging alleenwonen van 0,5% tot 10%. Het percentage dat alleenstaande ouder werd varieerde veel minder (enkel voor één groep was het percentage hoger dan 2,5%) (figuur 15). 3,9% van de volwassen kinderen die begin 2018 bij ouder(s) woonden ging in de loop van het jaar alleenwonen. Deze groep verliet dus het ouderlijke huis om alleen te gaan wonen. Het iets hogere percentage bij volwassen kinderen van alleenstaande ouders hangt deels samen met het feit dat een enig of laatste inwonend volwassen kind van een alleenstaande ouder na het overlijden van die ouder ook een alleenwonende wordt. Het ouderlijke huis verlaten om alleenstaande ouder te worden, kwam iets vaker voor bij vrouwen; ze hadden reeds een kind of kregen in de loop van 2018 een kind. Gehuwd samenwonende partners, zonder of met inwonende kinderen, gingen het minst alleenwonen (respectievelijk 1,8% en 1,5%). Ongehuwde partners, zonder of met inwonende kinderen, gingen vaker alleenwonen (respectievelijk 4,6% en 4,2%). Het percentage samenwonende dat ging alleenwonen verschilde niet veel naargelang ze al dan niet inwonende kinderen hadden. Om deze cijfers correct te kunnen duiden, moeten ook de aanleiding tot het alleenwonen in rekening worden gebracht (figuur 19). Vrouwen met inwonende kinderen werden vaker alleenstaande moeders.

33


Van alle alleenstaande ouders werden er 5,3% een alleenwonende. Het gaat om ruim 12 duizend personen bij wie het laatste of enige kind het ouderlijke huis verliet (of stierf). Figuur 15. Gaan alleenwonen of alleenstaande ouder worden per positie naar geslacht Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in %

Mannen Alleenwonend op 1.1.2019

Alleenstaande ouder op 1.1.2019

Kind van gehuwd paar

3,7

0

Kind van ongehuwd paar

4,2

0,1

Kind van alleenstaande ouder

5,1

0,1

Alleenwonend Alleenstaande ouder

0,6 7,9

Gehuwd zonder kinderen Gehuwd met kind(eren)

1,3

0

0,8

Ongehuwd zonder kinderen

4,8

0,5 0,1

Ongehuwd met kind(eren)

2,8

Inwonende andere

4,8

0,2

Positie in overig huishoudtype

10,6

0,4

Bewoner collectief huishouden

5,6

1,3

0,1

Vrouwen Alleenwonend op 1.1.2019

Alleenstaande ouder op 1.1.2019

Kind van gehuwd paar

3,3

0,4

Kind van ongehuwd paar

3,5

0,5

Kind van alleenstaande ouder

4,3

0,7

Alleenwonend

1

Alleenstaande ouder

4,7

Gehuwd zonder kinderen

2,3

Gehuwd met kind(eren) Ongehuwd zonder kinderen Ongehuwd met kind(eren)

0

0,3 4,5 0,8

1,3 0,2 3,7

Inwonende andere

3,4

1,1

Positie in overig huishoudtype

8,6

1,3

Bewoner collectief huishouden

0,9

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

0,2


Volwassenen in een overig huishoudtype gingen vaker alleenwonen (11%). Hoewel weinigen zo woonden, blijkt dit een meer tijdelijke positie te zijn. Ook andere inwonenden gingen vaak alleen wonen (4,7%). Meer mannen dan vrouwen verlieten een collectief huishouden (instelling) om alleen te gaan wonen (respectievelijk 6% en 1%). Meer vrouwen dan mannen gingen in 2018 als alleenstaande ouder wonen. Behalve ongehuwd samenwonenden met kinderen kwamen andere groepen relatief gezien zelden in de positie van alleenstaande ouder. Ruim 7 duizend alleenwonenden werden een alleenstaande ouder; dit kan bijvoorbeeld als kinderen terugkeren naar de ouder.

5.2 GAAN ALLEENWONEN EN ALLEENSTAANDE

OUDER WORDEN: VERSCHILLEN TUSSEN GROEPEN

Aangezien de huishoudpositie van waaruit men gaat alleenwonen of alleenstaande ouder wordt sterk varieert naargelang de kenmerken van de betrokkenen, varieert het percentage dat in 2018 ging alleenwonen of alleenstaande ouder werd, ook sterk naargelang van die kenmerken (figuur 16). Het percentage dat ging alleenwonen was iets groter bij mannen dan bij vrouwen. Relatief meer vrouwen dan mannen werden alleenstaande ouder. Op de leeftijd van 25-29 jaar is het percentage dat gaat alleen wonen het grootst; dit is de leeftijd waarop het ouderlijke huis wordt verlaten en een eigen huishouden wordt gevormd. Op de leeftijd van 80 tot 89 jaar is het percentage dat alleen gaat wonen opnieuw groter als velen door het overlijden van de partner alleen komen te wonen. Op de leeftijd van 30 tot 49 jaar is het percentage om alleenstaande ouder te worden het grootst. Dit is vaak de leeftijd waarop ouders uit elkaar gaan. Vooral ongehuwde en gescheiden personen gingen alleenwonen. Vooral gescheiden personen werden alleenstaande ouder. Aangezien hun burgerlijke staat bij het begin van het jaar al ‘gescheiden’ was, gaat dit om personen die een relatiebreuk (of overlijden van de partner) kenden in een ongehuwde samenwoonrelatie. Daarnaast valt opnieuw de grote mate van verandering op bij de kleine groep met een niet-gekende burgerlijke staat. Niet-Belgen gingen vaker alleenwonen of werden vaker alleenstaande ouder dan Belgen. In Antwerpen en Gent ging men vaker alleenwonen of werd men vaker alleenstaande ouder dan in andere steden en gemeenten. Buiten de centrumsteden ging men het minst vaak alleenwonen.

35


Figuur 16. Gaan alleenwonen en alleenstaande ouder worden: verschillen tussen groepen Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % Alleenwonend op 1.1.2019 Mannen

2,1

Vrouwen

1,8

18-24 jaar

2,7

25-29 jaar

4,1

30-39 jaar

2,1

Alleenstaande ouder op 1.1.2019 0,4 0,9

0,2 0,7 1,1

40-49 jaar

1,5

50-59 jaar

1,7

60-69 jaar

1,4

0,3

70-79 jaar

1,7

0,3

80-89 jaar

2,4

0,3

90 jaar en ouder

1,3

0,2

Ongehuwd

3,0

0,6

Gehuwd

1,2

0,5

Gescheiden

3,0

Verweduwd

1,3

Niet-gekend

4,2

Belg

2,0

Niet-Belg

2,3

Antwerpen & Gent

2,4

0,7

Overige centrumsteden

2,2

0,6

Overige gemeenten

1,9

0,6

1,1 0,6

1,2 0,5 1,1

0,6 1,0

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

5.3 WAAROM GING MEN ALLEENWONEN OF ALS

ALLEENSTAANDE OUDER WONEN?

De groep die in 2018 effectief ging alleenwonen of alleenstaande ouder werd, bestond vooral uit personen die samenwoonden met een partner (54%), maar ook uit volwassen kinderen die bij hun ouder(s) woonden (20%). Naargelang van de huishoudpositie die men verliet om alleen te gaan wonen of alleenstaande ouder te worden, kunnen vier aanleidingen worden onderscheiden. Voor volwassenen die als kind bij de ouder(s) inwonen, gaat


het om het verlaten van het ouderlijke huis. Voor volwassenen die met een partner samenwonen, gaat het om een scheiding of om een overlijden van de partner. Voor volwassenen die een overige huishoudpositie hebben, gaat het om het verlaten van een ander huishouden om een eigen huishouden te vormen (figuur 17; het onderscheid tussen alleenwonend en alleenstaande ouder wordt buiten beschouwing gelaten; de details staan in Bijlage 5). Figuur 17. Aanleidingen voor gaan alleenwonen of alleenstaande ouder worden naar geslacht Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % Verlaten ouderlijk huis Mannen

24

Vrouwen

15 0

Verlaten ander huishouden 25

20

Overlijden partner

40

27 10

Scheiding

11

37 30

40

21 50

60

70

80

90

100

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

Scheiding vormde in 2018 de belangrijkste aanleiding om alleen te gaan wonen of alleenstaande ouder te worden. Bijna 4 op de 10 mannen en vrouwen die gingen alleenwonen of alleenstaande ouder werden, deden dit naar aanleiding van een scheiding. Bij mannen overheerste het gaan alleenwonen na een scheiding; bij vrouwen kwam alleenwonen en alleenstaande moeder zijn na een scheiding even vaak voor. 24% mannen en 15% vrouwen die gingen alleenwonen of alleenstaande ouder werden, deden dit bij het verlaten van het ouderlijke huis. Bijna allen gingen alleenwonen; 2% vrouwen werd alleenstaande ouder; zij hadden al een kind of kregen in 2018 een kind. 25% mannen en 27% vrouwen die gingen alleenwonen of alleenstaande ouder werden, deden dit naar aanleiding van het verlaten van een ander huishouden. Mannen gingen hoofdzakelijk alleenwonen; vrouwen gingen soms ook als alleenstaande moeder wonen. Bij vrouwen was het overlijden van de partner (21%) vaker de aanleiding om alleen te gaan wonen of alleenstaande ouder te worden dan bij mannen (11%). Mannen sterven immers doorgaans eerder dan hun vrouwelijke partners.

37


5.4 WAAROM ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER WORDEN: VERSCHILLEN TUSSEN GROEPEN? De aanleidingen tot het gaan alleenwonen of alleenstaande ouder worden, varieerden in 2018 naargelang van enkele kenmerken van de betrokkenen. In figuur 18 wordt het onderscheid tussen alleenwonend en alleenstaande ouder zijn buiten beschouwing gelaten. Tot op leeftijd 30 vormde het verlaten van het ouderlijke huis de belangrijkste aanleiding om alleen of als alleenstaande ouder te gaan wonen. Maar ook het verlaten van een ander huishouden speelde een rol. Bij dertigers, veertigers en vijftigers overheerste scheiding. Maar bij vijftigers deed het overlijden van de partner (9%) zijn intrede. Bij ongehuwden was het verlaten van het ouderlijke huis de dominante aanleiding (42%). Bij gehuwden speelde scheiding en overlijden een even grote rol. Bij de gescheiden en verweduwde personen overheerste het verlaten van een ander huishouden onder meer omdat in deze groep alleenstaande ouders alleenwonenden werden en alleenwonenden terug alleenstaande ouder werden. Bij niet-Belgen speelde het verlaten van een ander huishouden een grotere rol dan het verlaten van het ouderlijke huis. In Antwerpen en Gent vormt de eigen huishoudvorming vanuit een ander huishouden een iets grotere aanleiding dan in de andere steden en gemeenten.


Figuur 18. Aanleidingen voor gaan alleenwonen of alleenstaande ouder worden: verschillen tussen groepen Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % Verlaten ouderlijk huis

Verlaten ander huishouden

18-24 jaar

65

25-29 jaar

45

30-39 jaar

17

40-49 jaar

7

25

50-59 jaar

7

45

60-69 jaar

5 38

70-79 jaar

20

80-89 jaar

17

90 jaar en ouder

26

Ongehuwd

42

Gehuwd

6

Gescheiden

6

Verweduwd

Scheiding

Overlijden partner 19

21 22

15

34

61 66 40

11 8

9

23

35

22

35

69 75 7

67

47

46

53

38

79

Niet-gekend

8

Belg

21

Niet-Belg

8

Antwerpen & Gent

15

Overige centrumsteden

18

Overige gemeenten

21 0

14 63

29

24

38

17

45

42

36

5

39 30

20

11

36

24 10

6

15

39 30

40

50

17 60

70

80

90 100

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

39


5.5 ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE

OUDER: NA SCHEIDING OF NA OVERLIJDEN? Tot slot worden de aanleidingen van samenwonende partners om in 2018 alleen te gaan wonen of alleenstaande ouder te worden onderscheiden naargelang van hun specifieke partnerpositie (figuur 19). Voor ongehuwd samenwonende partners is een scheiding de belangrijkste aanleiding om alleen te gaan wonen (89% of meer). Bij diegenen met kinderen werd in 30% van de gevallen de man een alleenstaande vader en werd in 81% van de gevallen de vrouw een alleenstaande moeder na een scheiding. Bij gehuwd samenwonende partners zonder kinderen domineerde het overlijden van de partner als aanleiding: bij 65% van de mannen en bij 81% van de vrouwen. Mannelijke partners zijn doorgaans iets ouder dan hun vrouwelijke partner en sterven doorgaans eerder dan hun partner. Bij gehuwd samenwonende partners met inwonende kinderen overheerste de scheiding (80% of meer) als aanleiding en speelde overlijden een geringere rol. Deze verschillen hangen deels samen met de leeftijdsopbouw in de onderscheiden partnerposities .Gehuwd samenwonenden zonder inwonende kinderen zijn vooral gehuwden bij wie de kinderen niet meer inwonen en deze groep is ouder dan de groep met inwonende kinderen. Ongehuwd samenwonende partners zijn jonger dan de gehuwd samenwonende partners en bijgevolg speelt bij hen overlijden een veel geringere rol dan bij gehuwd samenwonende partners. Figuur 15 gaf aan dat relatief meer ongehuwd samenwonende partners dan gehuwd samenwonende partners hun huishoudpositie verliet en figuur 19 geeft aan dat een scheiding als aanleiding om alleen te gaan wonen of alleenstaande ouder te worden een veel grotere rol speelde bij de ongehuwd samenwonende partners dan bij de gehuwd samenwonende partners. Deze cijfers bevestigen dat ongehuwde paren vaker door scheiding uit elkaar gaan dan gehuwde paren (zie ook Van den Berg & Mortelmans, 2018).


Figuur 19. Aanleidingen voor gaan alleenwonen of alleenstaande ouder worden voor samenwonende partners naar geslacht Vlaams Gewest, positie veranderd in 2018, in % Alleenwonend na scheiding Alleenwonend na overlijden partner scheiding Alleenstaande ouder na overlijden partner

Alleenstaande ouder na

Mannen Gehuwde partner zonder kinderen

34

Gehuwde partner met kind(eren)

58

Ongehuwde partner zonder kinderen

94

Ongehuwde partner met kind(eren)

69 0

65 30

11 5 30

20

40

60

80

100

Vrouwen Gehuwde partner zonder kinderen

18

81

Gehuwde partner met kind(eren)

17

63

Ongehuwde partner zonder kinderen

86

Ongehuwde partner met kind(eren)

17 0

19 11

81 20

40

60

80

100

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

41


6.


ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER BIJ VERTREK UIT EN AANKOMST IN VLAAMS GEWEST IN 2018 6

116.614 volwassenen die op 1.1.2018 in het Vlaamse Gewest woonden waren op 1.1.2019 niet meer in het Vlaamse Gewest. Overlijden speelde hierbij de grootste rol (54%). Daarnaast was 19% verhuisd naar een ander land en was 14% verhuisd naar een ander gewest. 11% was geschrapt uit het Rijksregister (Bijlage 2). In de loop van 2018 kwamen 77.072 volwassenen binnen in het Vlaamse Gewest. Een ruime helft van hen kwam uit een ander land (55%) en ruim een kwart (29%) kwam uit een ander Belgisch gewest (Bijlage 2).

6.1 ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER BIJ VERTREK UIT VLAAMS GEWEST 33.219 alleenwonenden en 4.224 alleenstaande ouders hebben in 2018 het Vlaamse Gewest verlaten. Dit gaat om respectievelijk 28% en 4% van alle volwassenen die het Vlaamse Gewest verlieten. Overlijden als aanleiding voor dit ‘verlaten’, kwam bij beide groepen in dezelfde mate voor. Alleenwonenden trokken iets vaker naar een ander land (17%); alleenstaande ouders trokken iets vaker naar een ander gewest (20%). Schrappingen kwamen vaker voor bij de alleenwonenden (18%) (figuur 20). Figuur 20. Alleenwonenden en alleenstaande ouders niet meer in Vlaams Gewest naar aard van vertrek Vlaams Gewest, 2018, in % Gestorven

Naar ander gewest

Alleenwonenden

55

Alleenstaande ouders

56 0

Naar ander land

Overig 10 20

20

40

60

17

18 14 80

10 100

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

43


6.2 ALLEENWONEND OF ALLEENSTAANDE OUDER BIJ AANKOMST IN VLAAMS GEWEST 19.826 personen kwamen in 2018 als alleenwonende binnen in het Vlaamse Gewest en 2.485 als alleenstaande ouder. Dit gaat om respectievelijk 26% en 3% van alle binnenkomende volwassenen in het Vlaamse Gewest. Meer dan de helft (58%) van de alleenwonenden die het Vlaamse Gewest binnenkwamen, kwam uit een ander land en een vijfde (20%) kwam uit een ander gewest. Bij de alleenstaande ouders lag de verhouding andersom: de helft (51%) kwam uit een ander Belgisch gewest en ruim een kwart (28%) kwam uit een ander land (figuur 21). Figuur 21. Alleenwonenden en alleenstaande ouders binnengekomen in Vlaams Gewest naar aard van binnenkomst Vlaams Gewest, 2018, in % Uit ander gewest

Uit ander land

Alleenwonenden

20

Alleenstaande ouders

51 0

Wijziging register

Overig

58

12 28

20

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

40

7 60

80

10 14 100


45


7

BESLUIT

Het aantal alleenwonenden en het aantal alleenstaande ouders is de voorbije jaren sterk gestegen in het Vlaamse Gewest. Voor beide groepen betreft het in absolute aantallen een toename van ongeveer 30% tussen 2000 en 2018. In dit rapport werd door een koppeling op individueel niveau van de huishoudpositie van elke inwoner op 1 januari 2018 aan deze op 1 januari 2019 een beeld verkregen van een eventuele verandering van huishoudpositie van elke inwoner. Daaruit bleek dat in de loop van 2018 in het Vlaamse Gewest ongeveer 105 duizend volwassenen gingen alleenwonen en kwamen er ongeveer 20 duizend alleenwonenden binnen in het Vlaamse Gewest. Daarnaast werden er ongeveer 32 duizend alleenstaande ouder en kwamen er ruim 2 duizend alleenstaande ouders binnen in het Vlaamse Gewest. Scheiding van samenwonende partners vormde de belangrijkste aanleiding om alleen of als alleenstaande ouder te gaan wonen. Eigen huishoudvorming door het verlaten van het ouderlijk huis of van een ander type huishouden kwam minder voor. Het overlijden van de partner speelde eveneens een rol. Deze aanleidingen varieerden uiteraard sterk met de leeftijd. Van de personen die in de loop van 2018 in het Vlaamse Gewest binnenkwamen, kwam ruim de helft van de alleenwonenden uit een ander land en kwam ruim de helft van de alleenstaande ouders uit een ander gewest. Daarnaast hielden er in de loop van 2018 in het Vlaamse Gewest ruim 144 duizend volwassenen op met alleen of als alleenstaande ouder te wonen. Ruim 40% deed dit om met een partner te gaan samenwonen. Bij de alleenwonenden speelt overlijden en verhuis uit het Vlaamse Gewest ook een rol. Vooral jongere mensen hielden op met alleen te wonen of alleenstaande ouder te zijn. Binnen de groep volwassenen die in het Vlaamse Gewest bleef wonen, ging 62% van de alleenwonenden en 87% van de alleenstaande ouders (die ophielden met zo te wonen) samenwonen met een partner. Van de alleenwonenden en alleenstaande ouders die op 1.1.2019 niet meer aanwezig waren in het Vlaamse Gewest, was ruim de helft overleden. Tabel 1 vat de omvang samen van de groepen die in het Vlaamse Gewest in 2018 de alleenwonenden en alleenstaande ouders vervoegden en verlieten. Bij de alleenwonenden zijn de groepen mannen groter dan de groepen vrouwen. Het verschil tussen alleenwonend worden en niet meer alleenwonend zijn (in het Vlaamse Gewest) resulteert in een positieve balans van ruim 7 duizend alleenwonende mannen en 6 duizend alleenwonende vrouwen. Bij de alleenstaande ouders zijn de groepen vrouwen groter dan de groepen mannen. Het verschil tussen alleenstaande ouder worden en niet meer alleenstaande ouder zijn (in het Vlaamse Gewest) resulteert in een positieve balans van ruim 700 alleenstaande vaders en ruim 900 alleenstaande moeders.


Tabel 1. Innemen en verlaten van alleenwonende of alleenstaande ouder naar geslacht Vlaams Gewest, in de loop van 2018, aantal

INNEMEN IN 2018

Vanuit andere huishoudpositie Binnengekomen in Vlaams Gewest Totaal innemen VERLATEN IN 2018

Naar andere huishoudpositie Niet meer in Vlaams Gewest Totaal verlaten VERSCHIL (INNEMEN-VERLATEN)

MANNEN VROUWEN ALLEENWONEND OP 1.1.2019

55.402 12.857 68.259

MANNEN VROUWEN ALLEENSTAANDE OUDER OP 1.1.2019

49.642 7.166 56.808

NIET MEER ALLEENWONEND OP 1.1.2019

9.094 374 9.468

23.126 2.116 25.242

NIET MEER ALLEENSTAANDE OUDER OP 1.1.2019

43.110 17.626 60.736

35.069 15.734 50.803

7.648 1.098 8.746

20.964 3.358 24.322

7.523

6.005

722

920

Bron: Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen

De beschreven veranderingen in de loop van 2018 betroffen personen die officieel alleenwoonden of officieel alleenstaande ouder waren, werden of bleven. Dit neemt niet weg dat deze volwassenen feitelijk samen met een partner of met anderen samenwoonden. De officiĂŤle registraties van de huishoudpositie geven geen informatie over de partnerstatus en/of ouderstatus van deze volwassenen. Alleenwonenden en alleenstaande ouders kunnen een partner hebben waar ze niet mee samenwonen of waar ze maar soms of tijdelijk mee samenwonen. Alleenwonenden en alleenstaande ouders kunnen ook kinderen hebben met wie ze op regelmatige wijze samenwonen (bijvoorbeeld bij een co-ouderschapsverblijfsregeling) of met wie ze tijdelijk samenwonen (bij een weekendregeling). Zo werden in 2018 bijvoorbeeld ruim 10 duizend mannen die inwonende kinderen hadden een alleenwonende. De relatie- en gezinsdynamiek heeft de grenzen van huishoudens en gezinnen vager gemaakt waardoor deze vaders toch nog kunnen samenleven met hun kinderen.

47


LITERATUURLIJST

8

Audenaert, V. Jacobs, Th. & Poulain, M. (2000). Transities in de huishoudelijke situaties van ouderen. Brussel: CBGS-Werkdocument, 10. Bernardi, L. & Mortelmans, D. (2018). Lone parenthood in the life course. Berlijn: Springer. Corijn, M. (2016). Het Vlaamse en Belgische echtscheidingscijfer: evolutie, positionering, verklaringen en gevolgen. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-Verkenning 4. Corijn, M. (2017). Gehuwd of ongehuwd samenwonen met een partner en/ of kinderen. Trends, vooruitzichten en beleidsimplicaties in het Vlaamse Gewest. Brussel: Studiedienst Vlaamse Regering, SVR-Verkenning 1. Corijn, M. (2019). Echtscheidingen en echtscheidingskansen in het Vlaamse Gewest. Vlaamse Overheid: Statistiek Vlaanderen, SV-Rapport 2. Corijn, M. & Pickery, J. (2020). Veranderen van huishoudpositie in het Vlaamse Gewest: Samenwonend met partner. Vlaamse Overheid: Statistiek Vlaanderen, SV-Rapport 2. Corijn, M. & Van Peer, C. (Red.) (2013). Gezinstransities in Vlaanderen. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering, 37-72. Federaal Planbureau – Statbel, (2020). Demografische vooruitzichten 20192070. Bevolking en huishoudens. Brussel: Federaal Planbureau – Statbel. Lodewijckx, E. (2016a). Aantal alleenwonenden in Vlaanderen sinds 1990 toegenomen met 50%. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Overheid, SVRSt@t, 1. Lodewijckx, E. (2016b). Alleenstaande ouders in de schijnwerper. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Overheid, SVR-St@t, 10. Lodewijckx, E. & Schockaert, I. (2016). Woonsituatie van de moeder voor en na de geboorte. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Overheid, SVR-St@t, 16. Lodewijckx E & Deboosere P. (2008). LIPRO: een classificatie van huishoudens. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering, SVR-Technisch Rapport 2. Pasteels, I. Lodewijckx, E., & Mortelmans, D. (2013). Gezinstransities in de levensloop van mannen en vrouwen. In: M. Corijn, & C. Van Peer (Red.), Gezinstransities in Vlaanderen. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering, 37-72.


Pasteels, I., & D. Mortelmans (2011). Huwen en scheiden in de levensloop. In D. Mortelmans et al. (Red.), Scheiding in Vlaanderen. Leuven: Acco, 65-84. Merla, L & Dedonder, J. (2019). Configurations familiales post-divorce/ sĂŠparation en FWB : Le point de vue des adolescent-e-s. Louvain-la-Neuve: UCL Cirfase. Mortelmans, D. (Ed.) (2020). Divorce in Europe. New insights in trends, causes and consequences of relation break-ups. Cham: Springer Open, European Studies of Population, 21. Vanassche, S., Corijn, M., Matthijs, K. & Swicegood, G. (2015). Repartnering and childbearing after divorce: differences according to parental status and custodial arrangements. Population Research and Policy Review, 34, 761-784. Van den Berg, L. & Mortelmans, D. (2018). De onzichtbare scheidingsgolf. Een analyse van relatieontbinding van samenwonenden en gehuwden in BelgiĂŤ. Relaties en Nieuwe Gezinnen, 1.

49


COLOFON Verantwoordelijke uitgever Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88, 1000 Brussel Auteurs Martine Corijn | martine.corijn@vlaanderen.be Jan Pickery | jan.pickery@vlaanderen.be Concept & grafische vormgeving The Oval Office Statistiek Vlaanderen Depotnummer D/2020/3241/096


Statistiek Vlaanderen Havenlaan 88 bus 20 1000 Brussel statistiekvlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Huishoudpositie_alleenstaande_SV_2020_3.pdf by Vlaanderen-be - Issuu