M&L
" .é*-
•
•'•.'s.'R.
MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 7/6
••%
•
••; . . : • ,
tf,
-,.
•-*:-'
.
NOVEMBER-DEiCEMBER 1988
'-
-'.'••'
TWEEMAANDELIJKS
Een «monument» hoeft niet per sé de omvang van het Belfort van Brugge te hebben. Een monument kan van alles zijn: een schuur, een molen, een beeld, een ruïne, een rivierkade, een fabrieksgebouw, een treinwagon... Het historisch waardevolle fascineert elke mens. Jammer genoeg zijn er doorheen de tijd teveel monumenten verloren gegaan. Maar gelukkig vallen er nog veel te redden en te «conserveren». Wie weet bij jou om de hoek ? Jij kan concreet voor zo'n monument uit je buurt zorgen, samen met andere mensen die je kent. En samen met de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij. Want die willen je daarbij helpen. Hoe? Dat verneem je via onze gedetailleerde folder. Vraag'm vandaag nog aan.
Koning Boudewijnstichting Nationale Loterij
ttj de neef ENGi industriepark 8
mil mmii Mm
'"Uk SA
' f ' i l NV
3100 Heist op den Berg
tel 015 24 62 31 32
tfax 015 24 80 72 tlx 62 926
Kan bogen op een veelzijdige ervaring voor het restaureren van Historische gebouwen en Monumenten
INJEKTEREN VAN BAKSTEEN EN METSELWERK STRUKTURELE HERSTELLING DOOR LIJMEN VAN WAPENINGEN EN CHEMISCHE ANKERS •WATERAFDICHTINGEN VAN MUREN • ONTZWAMBEHANDELING RESTAURATIE EN PREVENTIEVE BEHANDELING VAN HOUTEN DRAAGBALKEN FUNDERINGSVERBETERINGEN
Father's Damien Church Kaluapapa - Hawaï - USA
• ALGEMENE BOUWONDERNEMING • VERNIEUWBOUW
*""!
Beveiligen van kunstwerken door inbraakwerend glas Glazen toonkasten - nieuwe modellen Verlichting van kunstvoorwerpen door "Fibre Opties" Brandwerende beglaasde deuren
| t S « RESTAURATIEWERKEN ^^EVELWERKEN ^IvTOTteTEENHERSTELLINGEN • BETONREPARATIES ANDERE WÊÊ
BOUWONDERNEMING tf o3 os
Kwaliteitsprodukten van Ateliers
32
ADMINISTRATIEVE ZETEL: LIEVEN BAUWENSSTRAAT 2 0 ai
" -BRUGGE?
BDIiKM
'-r
MEYVAERT DOK NOORD 3 • 9000 GENT TEL. (091) 25 54 27 • TELEX 11397 • FAXNR. (091) 25 68 75
O
BQ
I
MADE IN BELGIUM EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tienjarige waarborg REMAFIX :
steenverharder
REPOX :
Epoxy-harsen voor alle restauratiewerken
GLAZUR :
doorschijnend gekleurde bescherming voor beton en alle andere minerale ondergronden
EXHYDRO®:
waterbestendige steenbescherming door wtcb getest
REMAPLAST : speciale produkten voor REMAS waterdichtheid EXHYDRO inj
droogmaking van muren tegen opstijgend vocht door injektie-diffusie onder lage druk (brevet Mabi)
REMAL
chemische gevelreiniging
Het 'Huis Erasmus' in Brussel werd met onze produkten gerestaureerd.
RENOVATION MAINTENANCE BUREAU : 1000 Brussel - Baksteenkaai 32/B7 tel. : (02) 513 22 11 - 513 70 20 tlx. : Renoma B - 23921 II
PVBA
VERDELER VOOR OOST- EN WEST-VLAANDEREN ; RESTO bvba - 9731 Eke Tulpenstraat 4, industriepark tel. : (091) 85 47 84 - tlx. : 12228
Rrtim/uwW^ spectron
Spectron n.v. Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen, Telefoon (015) 21.99.02
Groot Nederlands bedrijf in ANTIEKE bouwmaterialen biedt te koop aan : 100.000 Kloostermoppen (Spaanse stenen) (lang: 27-26-25 cm) (dik: 5-6-61/2 cm) 100 Ton Musselkalksteen en Tufsteenblokken Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-nlet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervullen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.
Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij
Te koop gevraagd: Natuursteenzaagmachine met groot bereik en alle antieke bouwmaterialen, speciaal in hardsteen.
•Al
•.
-
>;
Solar
Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-Niklaas Of bel 03/776 91 62.
Grote partijen oude stenen en andere bouwmaterialen.
| DEPIGEONAL |
Adres: van de Wal-Mulders, Antieke Bouwmaterialen Oirschot B.V. Broekstraat 27b 5688 JX OIRSCHOT Nederland Tel.: 00.31.4997-72038.
EEUWENOUDE KAPGEBINTEN voor living, tentoonstellingsruimtes, opmetingen en plannen zijn beschikbaar
ARTHUR VANDENDORPE Groene Poortedreef 40 8200 Brugge 2 Tel. (050) 38 32 96 - 33 03 88
lil
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romhoutskathedraal zijn tonnen/ware beiaard torst? Solarnvvemieuwt en versterkt rottend hout met het Kenofors-Bèta systeem. Voor jaaaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken, Kenofors-Bèta is een gewapend kunstrarssysteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62
DENYS SPECIALE TECHNIEKEN Herstellen, injekteren, gunniteren en versterken van betonconstructies, funderingen en metselwerk T.V.-inspektles en renovatie van rioleringen Restauratie van monumentale gebouwen en kunstwerken
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar Ook sterk in: gevelreiniging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.
RIETEN DAKEN
WILLY IBENS P.V.B.A. Restauratie zuivelbrug - Gent
Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45
Smederij
mu
o
MOLENBAAN 18 2220 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87 • • • • • •
Restauratie alle smeedwerk Kopiëren Drijfwerk Eigen ontwerp Design Meubels
Gediplomeerd restaurateur IV
Restauratie W3 brug - Gent
N.V. DENYS Industrieweg 124 9030 Gent-Wondelgem Tel. (091) 54 0111 Telex 11 515 Telefax (091) 26 77 71
ONLY THE SKY IS THE LIMIT...
EUROSTEIGER EUROPARK NOORD 4 2700 ST.-NIKLAAS Tel. (03) 777 70 35 Fax. (03) 777 54 13
Deze steigerconstructie is het resultaat van verfijnde, verregaande, hoogtechnologische berekeningen, planning en uitvoering in samenwerking met en opdracht van de stad Brussel!
MONTAGE DEMONTAGE VERHUUR VERKOOP
SSI
Toren Stadhuis Brussel (1988)
\z$
Arch. Groep Planning en Stabo
Informatiecentrum van de non-ferrometalen
-
Montoyerstraat, 47
- 1040 Brussel Tel. 02/513.86.34
A+ 91. V
Waterdichte muren, aan waterdichte prijzen (Ongeveer de helft van de normale kostprijs) Freezteq uw professioneel middel tegen opstijgend vocht! Revolutionair door zijn eenvoud. Kijkt U zelf: - Geen injectieapparatuur vereist - Exacte dosering dank zij gestandariseerde patronen - Tijd- en kostenbesparend. Kortom: Het beste produkt qua kwaliteit! Het beste produkt qua toepassing! Het beste produkt qua prijs!
MMm
®
j^) ^^W Neem nu kontakt met E.C.C. Kwaliteitsprodukten
BON Ik wil alles weten over FREEZTEQ Graag bezoek van uw vertegenwoordiger Naam
Terbekehof dreef 50-52 2610Würijk Tel. 03/828.94.95(5 1) Telex 73.332 ECC-B T. Fax 03/830.27.69
Firma Adres Gemeente. Postcode Tel.
EEN E R V A R E N
K I J K OP DE T O E K O M S T
NATUURSTEEN VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. (03) 325 03 83 TELEFAX (03) 325 68 66
VI
AMINCK NV.
GASSTRAAT11 A 9100 LOKEREN TELEX 32158 NAVLAM TEL. (091) 48 12 17 TELEFAX (091) 48 96 61
de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek Wi| vatten dit in 5 puntjes samen
n H H
De restauratiematerlalen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autentlclteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendlg zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speclaal-cementgebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
H
Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en iniektiemortels van hoogwaardige kwa[SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
^ - l * Solar
Kleins Bteedstraal 51, 2700 St -Niklaas
voor meer informatie belt u'. 03/776.91.61
In het labyrint van bouwspecial iteiten wijzen wij de weg
Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. : (015)24 19 68 Telefax : (015)24 28 60
VII
In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. Fl. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bols. Les techniques modernes sent tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus -1934
Kerk Eine -1918
i
"^•k ^
^T* / •
^ X • J
WÊ
ISSN 0770-4948 .iaarjianu Nr. 6 iK^cnihcT-dctcnibiT 198X T
^
^
•
X T ^1^ ^ * ^ ^ M ^ MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN
'
'"'^i
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen Hel centrale stuifduin in de Kalmthoutse Heide (foto O. Charlicr)
Inhoud Generiek
11
De restauratie van een 19de-eeuwse Madonna te Antwerpen Sander Peters
12
De invloed van de rangschikking als landschap op het behoud en de bescherming van de Kalmthoutse Heide Mare De Borgher
17
De restauratie van het retabel van Deerlijk Jos Stroobants
33
Het Zwarte Goud der Kempen Bert Van Doorslaer
42
Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu. Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Beliiardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. (02) 513 99 20. Eindredactie : M.M. Celis. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat : D. Torbeyns. Vormgeving : Greta Claeys. Kedai-liiromité
M&L Binnenkrant
Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, A. Demey. J. De Schepper, M. Fierlafijn. A. Malliet, G. Ostyn, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. (050) 33 82 20. Druk die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35
Abonnementsvoorwaardeii
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of henverken zijn voorbehouden.
België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Beliiardstraat 18, 1040 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1989". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van eik kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
MINISTERIE VA.N E)E VLAAMSE GEMEENSCHAP
JtiWJnLXl H-V GEVELRENOVATIE : • • • • • • • •
reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven
DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem
Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. De uitvoering van al deze werken kan toevertrouwd worden aan Bodima n.v., tel. (03) 485 77 77. Vraag gratis deskundig advies en prijzen.
BEELDHOUW & RESTAURATIE ATELIER SANDER PETERS Wolstraat 37/3 - 2000 Antwerpen - Tel. (03) 234 04 76 - 236 38 02
CONSERVATIE EN RESTAURATIE VAN BEELDHOUWWERKEN
HOUT NATUURSTEEN MARMER KUNSTSTEEN TERRA COTTA
Terra Cotta Onze-Lieve-Vrouwebeeld Antwerpen. 19de eeuw : restauratie uitgevoerd door ons atelier.
Madonna
Niet alleen in Antwerpen staat zij bij straathoeken op uitkijk, maar nergens elders dan in deze havenstad zou haar verdwijning haast ondenkbaar zijn. Eén enkele belandde na een lange blootstelling aan weer en wind bij Sander Peters. Zij won er, na een vaardige behandeling, een tweede jeugd.
Op de purp'ren heide In de toch niet weinig bonte annalen van de landschapsbescherming vormt de Kalmthoutse Heide toch weer een geval apart. De vermeende efficiëntie van de 'rangschikking' in het bijzonder bleek volgens Mare De Borgher minder evident in het uitputtend belangenconflict: een picaresk verhaal waarin het om de haverklap gaat stuiven.
OUINBESteniNG GELIEVE LINKS VAN DE DRAAD TE BLEVEN
Deerlijk gehavend Beide misbruikt, mishandeld, tot vermaak geëxhibeerd, bracht de bevallige Columba het er merkelijk nog minder goed vanaf dan het niet minder fraaie, gelijknamige retabel. Aansluitend op het fonkelend, onlangs verschenen fotoboek, verhaalt Jos Stroobants duidelijk enthousiast de lotgevallen van het houtsnijwerk en de opmerkelijke — onvermijdelijke — restauratie door het K.I.K.
In mineur Onomkeerbaar gaan nu ook in Limburg de nog standhoudende mijnen dicht ...en voor de bijl. Nog vóór de karakteristieke materiële tekens van de kortstondige maar intensieve exploitaties finaal worden ontmanteld, brengt Bert Van Doorslaer kanttekeningen bij suggestieve fotodocumenten: momentopnamen van een voorbije revolutie.
De restauratie van een 19de-eeuwse Madonna te Antwerpen
Sander Peters
Het Onze-Lieve-Vrouwbeeld aan het hoekpand Oude Koornmarkt-Groenkerkhofstraat verkeerde tot voor kort in een trieste staat. Aangespoord door een schrijven vanwege de Antwerpse stadsdiensten nam de eigenaar evenwel het initiatief tot onderhoudswerkzaamheden. Tijdens deze werken (77.050,-bf. exclusief B.T.W.) voor rekening van de eigenaar stelde men vast dat niet alleen de verflaag in zeer slechte staat was maar ook het beeld zelf. Herschilderen alleen zou niet volstaan; consolidatie van de barsten in het beeld na volledige decapering en een nieuwe verankering aan de gevel drongen zich op. Deze restauratie werd ontvankelijk verklaard en de bijkomende kosten (189.300,-bf. exclusief B.T.W.) werden betoelaagd door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (45 %), het provinciebestuur (7,5 %) en het stadsbestuur van Antwerpen (7,5 %). De werken werden uitgevoerd door het beeldhouw- en restauratieatelier Sander Peters. Het vooronderzoek en de uitvoering gebeurden in samenwerking en overleg met de conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen.
Het werk was aanvankelijk opgevat als een eenvoudig opfrissen of herschilderen, zoals het met deze beelden traditioneel gebeurde. Al doende bleek dit een onrealiseerbare zaak, zodat werd overgeschakeld op een grondig vooronderzoek en de manuele decapage van alle verflagen. Dit vooronderzoek leidde tot een vrij ingrijpende restauratie- en conservatie-behandeling, met als uitgangspunt een zo getrouw mogelijke weergave van de originele toestand. Geopteerd werd om verder te M&L 12
gaan dan de bestendiging van de huidige toestand, omdat de symbolische functie en de esthetische kwaliteiten van de zo typische Antwerpse madonna's in het straatbeeld van de oude binnenstad belangrijker geacht werden dan de didactische waarde. Bij ontstentenis van betrouwbare gegevens (1) vond nochtans geen reconstructie plaats van de 19de-eeuwse achtergrondbeschildering op de gevel, verdwenen toen deze gevel in de eerste helft van de 20ste eeuw voorzien werd van een cementbepleistering.
De restauratie van een 'ensemble'
De bijhorigheden
In de verschillende geraadpleegde publikaties (2) wordt het Onze-Lieve-Vrouwbeeld gesitueerd in het begin van deze eeuw en toegeschreven aan een zekere C. Zimmerman. Tijdens de werken aan het beeld kwam links onderaan op het voetstuk van het beeld een signatuur en datering vrij, waaruit blijkt dat het een beeld uit 1853 betreft, door een zekere J. Timmermans. Deze madonna's die langs de route van de jaarlijks terugkerende meiprocessies hingen werden eertijds, net vóór de processie opgefrist door een misdienaar gewapend met een lange ladder en een grote pot witte verf, met het geleidelijke vormverlies voor gevolg.
De smeedijzeren lantaarnarm was nog vrij gaaf. De verweerde, zwarte afwerkingslaag werd verwijderd en, na metalisatie van de arm, in ere hersteld. Polychromie-onderzoek op de koperen lantaarn wees uit dat deze oorspronkelijk verguld was. De zwarte overschilderingen werden verwijderd; de lantaarn kreeg een nieuw verguldsel met 'dubbeltoren' goud. De houten sokkel had het zwaarder te verduren en miste dan ook enkele fragmenten van de in 'applique' aangebrachte festoen. Aangezien van alle ontbrekende delen het symmetrische evenbeeld nog bestond werden ze naar analogie opnieuw gekapt.
Het verval van dit 19de-eeuwse Onze-Lieve-Vrouwbeeld vindt zijn hoofdoorzaak in het achterblijven van dit onderhoud en de — voor deze situatie — verkeerde materiaalkeuze. In openlucht geplaatst stelt de drager — met ijzer bewapende terra cotta — specifieke problemen. Door de vele overschilderingen ontstaat er een dikke verfkorst die barst en door kapilariteit vocht opzuigt; gehinderd door de verflagen kan dit niet verdampen en dringt het verder in de terra cotta, met als gevolg dat de wapening begint te roesten en het beeld als het ware uit elkaar drukt. De vorstschade, met name aan het voetstuk van het beeld, kent eenzelfde oorzaak. Maar hierover verder méér.
De zinken afdekplaat werd vervangen door lood, gezien dit lood het zure milieu, veroorzaakt door de Antwerpse haven met zijn petrochemische industrie, beter verdraagt dan zink. Op de sokkel werden tijdens het polychromieonderzoek (3) talrijke kleurgevingen ontdekt die niets met de originele kleur te maken hebben. Zo werden een zeventiental overschilderingen geteld, variërend van groen, bruin, fel rood, oker tot zelfs bladzilver en bladgoud op de 8ste en 9de laag. De oorspronkelijke kleur was een blauwachtig grijs, imitatie blauwe hardsteen. Het zinken baldakijn zorgde nog voor de meeste verrassingen, in die zin dat deze na het verwijderen
Het beeld wordt na behandeling teruggeplaatst (foto BML)
Het Onze-Lieve-Vrouwbeeld,
na restauratie (foto O. Pauwels)
13 M&L
van de overschilderingen in veel slechtere staat bleek te verkeren dan in eerste instantie kon worden waargenomen. Het hele oppervlak zat vol witte stippen (oxydatie-zinkwit) die bij het reinigen talloze gaatjes veroorzaakten. Het zink bleek vanwege de patina ook zeer moeilijk te solderen. Tenslotte werd bij het reinigen van het zink een verschil in oxidatie van het oppervlak zichtbaar, waar zich duidelijk lelies aftekenden. Het is hoogst waarschijnlijk een sjabloonmotief geweest, gezien de vormgeving en de reconstructie van de teruggevonden fragmenten. Bij de restauratie werden ze in wit aangebracht op de gereconstrueerde kleur, een groenachtige tint, imitatie bronsoxyde.
Het terracotta-beeld Terracotta is reeds zeer oud. Toch heeft het gebruik van terracotta voor het vervaardigen van ornamenten, vazen of beelden bestemd voor openlucht nooit een echt groot succes gekend. Dit valt te verklaren door de vorstgevoeligheid en betrekkelijke kwetsbaarheid van het materiaal. In de 19de eeuw vond echter een opbloei van de produktie plaats, met name omwille van de mogelijkheid om serieprodukten te vervaardigen (4). In de 20ste eeuw komen we het nog maar sporadisch tegen in zeer specifieke toepassingen, zoals bloembakken. De grondstof voor terracotta is klei, een verweringsprodukt van diverse rotssoorten (zoals veltspaten) met als hoofdbestanddelen Si02 (kwarts) en A^O^ (aluinaarde) en een serie onzuiverheden als ijzeroxides en alkaliën. In onze streken zijn de kleisoorten meestal sterk ijzerhoudend en daardoor roodbakkend (het percentage ijzer varieert bij roodbakkende klei tussen de 4 en 7 % ) . Dit is echter niet de enige kleur-bepalende factor, ook de bakwijze is van belang. In een oxyderend milieu ontstaat het rode Fe203, in een reducerend milieu het zwart/grijze Fe204. Vaak ziet men zo op breukvlakken de zwarte (reductieve) kern omgeven door een rode (oxydatieve) wand. Een andere belangrijke component van laagbakkend aardewerk (baktemperatuur 900 - 1050 Celcius) is het mageringsmateriaal: zand of chamotte. Deze wordt toegevoegd om krimpscheuren tijdens het droogproces tegen te gaan. Ook in verband met vorstgevoeligheid spelen zowel het percentage als de korrelgrootte van het mageringsmateriaal een rol. Voor terracotta-beelden die buiten komen te staan is een redelijk poreuze, middelmatig tot grof gemagerde kleisamenstelling vereist. Het probleem valt tot op zekere hoogte te vergelijken met de porositeitsproblematiek bij natuursteen en de zogenaamde coëfficiënt van Hirschwald. Bij een te vette klei zal na het bakken de terracotta voornamelijk uit kapillairen (zeer fijne poriën) bestaan. Deze hebben bij vorst niet de mogelijkheid om de volumetoename van het opgenomen water op te vangen; men krijgt dan het typisch vorstschadebeeld, M&L 14
Het lelie-motief op het zinken baldakijn (reconstructie-tekening, S. Peters)
bestaande uit van het oppervlak afgesprongen laagjes en schilfers, of zelfs grote stukken afgebarsten materiaal. Gezien de beperkte technische mogelijkheden van het materiaal en de grootte van de vroeger met hout en turf gestookte ovens, werden beelden groter dan 1 a 1,5 meter meestal horizontaal met een draad doorgesneden en afzonderlijk gebakken. Achteraf werden de delen dan weer met gips aan elkaar gezet, en waar nodig gewapend met ijzeren doken. Al deze materiaal-technische aspecten speelden bij het madonnabeeld van J. Timmmermans een belang-
speling meer dan 25 mm en passen de delen niet meer goed op elkaar) blijkt dat er in 1853 problemen waren met het beheersen van de baktemperatuur, en valt af te leiden dat de verschillende delen niet tesamen in de oven hebben gestaan. Een ander probleem vormde het ijzeren wapeningsmateriaal. Door de porositeit van de terracotta kon vocht gemakkelijk bij deze ijzeren doken, wat een oxydatieproces met zich meebracht en de onvermijdelijke vorming van roest. Gezien de aanzienlijke volumetoename van roest (tot 7 maal het oorspronkelijke volume) drukt de roestende wapening de terracotta uit elkaar. Dit was het geval bij de gerecupereerde scharnierhengsels die met gips aan de binnenkant van het beeld waren gekleefd, alsook voor de ijzeren pin midden op het hoofd van de madonna die het gezicht in een linker en rechter helft heeft doen barsten.
Linker pagina : Vormverlies is duidelijk hij het handje van het Kind (boven links) en de sterk door vorst aangetaste voet (boven rechts). De talrijke overschilderingen barsten en zuigen vocht op (onder) (eigen foto) Hierboven. Links : door oxydatie van het wapeningsmateriaal ontstane barst. Rechts : de sterk aangetaste sokkel, waaraan verschillende ornamenten ontbreken (boven) werd in het atelier vervolledigd en in de grondverf gestoken (onder) (eigen foto)
rijke rol. Zo bestaat ze uit verschillende delen: het Kind en de linkerarm zijn apart vervaardigd en gebakken, en de madonna is op twee plaatsen net voor het bakken met een draad horizontaal doorgesneden. Verder werd met te vette klei gewerkt, waardoor reeds tijdens het bakken vele krimpscheuren ontstonden en zelfs delen afsprongen, die toen al bijgewerkt of teruggekleefd moesten worden met gips. Ook de vorstschade aan de voet van het beeld valt deels te verklaren door deze samenstelling. Zowel uit het kleurverschil van de samenstellende delen als uit het feit dat tijdens het bakken de delen nogal verschillend zijn vervormd (soms bedraagt de
De behandeling Nadat het beeld ontdaan was van de overschilderingen werd pas duidelijk in welke mate de terracotta was aangetast. Ook werden nu enkele eerder uitgevoerde restauraties zichtbaar, zoals de veel te grote houten linker hand van Maria, of het voetstuk, bijgewerkt met haast zuiver cement. Vanwege de slechte uitvoering van deze ingrepen, zowel op technisch als op vormelijk vlak werden ze verwijderd en overgedaan. De verschillende delen werden op de vertikale naden verlijmd met een twee-componenten steenlijm op basis van epoxy. Aangezien het een beeld betreft dat buiten komt te staan werd deze lijm niet gebruikt voor de horizontale naden, maar werd beroep gedaan op een speciale restauratiemortel voor terracotta. Deze mortel bevat geen kunststoffen en bezit dezelfde porositeit als de terracotta, zodat er geen barrières kunnen bestaan in de vochthuishouding van het totale beeld. Gaten, scheuren en ontbrekende delen werden met dezelfde mortel opgevuld of bijgemodelleerd. Het verwijderen van de ijzeren doken, die zich door hun volume-toename stevig in de terra-cotta hadden vastgezet, bleek een zeer delicate aangelegenheid te zijn. Met veel geduld en speciaal vervaardigd gereedschap (onder andere holle steenfrezen) werd de operatie tot een goed eind gebracht zonder bijkomende schade aan het beeld te berokkenen. Als vervangingsmateriaal werd geopteerd voor roestvrij staal 316 in de vorm van draadstang met een diameter variërend van 2 tot 10 mm. Dit roestvrij staal 316 is ook gebruikt om het beeld te voorzien van een 'inwendig harnas'. Oorspronkelijk was het beeld van binnen volgestort met stukken baksteen, mortel, dakpan, ijzeren scharnier-onderdelen... . Om het beeld de mogelijkheid te geven te 'ademen' werd het nu hol gehouden; verluchtingsopeningen bovenaan en onderaan activeren een luchtstroom die vocht moet toestaan om te verdampen. Ook de verankering aan de gevel werd gewijzigd. 15 M&L I
Waar vroeger de verankering alleen in de rugzijde van de terracotta gelijmd zat en een plaatselijke belasting veroorzaakte is deze nu aan het wapeningsharnas bevestigd en wordt de belasting gelijkmatig over het hele beeld verdeeld. Tenslotte rust het beeld niet meer op zijn sokkel, maar 'zweeft' het er enkele centimeter boven, gedragen door twee in de gevel gemetselde stukken roestvrij staal. Polychromie-onderzoek wees uit dat het beeld een monochrome afwerkingslaag bezat, een wit/geel-achtige kleur die geïnterpreteerd kan worden als imitatie witte steen. Deze kleurgeving werd met moderne verven gereconstrueerd en vormt in combinatie met de 'blauwe hardstenen' sokkel en het 'gouden' kruis een geslaagd geheel.
Links : verschillende stadia van de behandeling : wapening van de hand, studie in klei van de slangenkop, het met restauratiemortel herstelde voetstuk. Rechts boven : op het voetstuk werden vroegere herstellingen aangetroffen in cementmortel. Rechts onder : detail van de buik van het kind met lendendoek en afgebroken rechtervoet, vóór de behandeling (eigen foto's)
Tot slot nog even aandacht voor het 19de-eeuws karakter van dit geheel zowel in vormgeving, materiaalkeuze als kleurgeving. In de vormgeving vallen zowel de 19de-eeuwse ambachtskunst te herkennen als bepaalde typische 19de-eeuwse neo-invloeden, zoals in het aangezicht en de plooienval van de drapering. De afwerkingslaag, aangebracht op de verschillende materialen, diende niet om de vorm te ondersteunen — een belangrijke functie van de kleurgeving bij ondermeer gepolychromeerde gotische beelden — maar om het gebruikte materiaal te verdoezelen en een 'edeler' materiaal te suggereren. Het kan nooit de bedoeling geweest van J. Timmermans om een polychroom beeld te maken; integendeel zelfs streefde hij naar een geheel waar de schoonheid van het 'naakte' materiaal voor zich sprak. Zo wil hij de illusie wekken van een geoxydeerd bronzen baldakijn, een beeld gekapt in witte natuursteen en een massieve blauw-hardstenen sokkel. Zink, waarvan men de fabrieksmatige produktie pas vanaf het begin van de 19de eeuw leerde beheersen en terracotta, waarvan het gebruik voor serieproduktie een opbloei kende in de 19de eeuw, zijn materialen die bij toepassingen als deze, direct naar de 19de eeuw verwijzen. In 1853 waren het 'moderne' materialen en het gebruik ervan door J. Timmermans is dan ook niet verwonderlijk.
Voetnoten
Links : het door vorst aangetaste oppervlak, na voorafbehandehng voor de restauratiemortel. Rechts : de nieuwe houten linkerhand. Rechts onder: een oudere gips-herstelling van de sterk vervormde naad (eigen foto's)
M & L 16
(1) Omslagfoto van Clijmans F., Poortjes en Mariabeelden in het oude Antwerpen, Antwerpen, 1941. (2) Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, dl. 3 na, 1976. Schepens P., Antwerpse Madonna's, Antwerpen, 1981. Thyssen A . , Antwerpen vermaard door den eeredienst van Maria, Antwerpen, 1922. (3) Onderzoek uitgevoerd door de conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. (4) Zie hierover Stokroos M . , Terra Cotta in Nederland, het gebruik van terra cotta en kunststeen in de XlXe eeuw, uitgave Gemeentelijk bureau Monumentenzorg Amsterdam, december 1985.
1
De invloed van de rangschikking als landschap op het behoud en de bescherming van de Kalmthoutse Heide.
fc
(foto G. Charlier)
Mare De Borgher, B.M.L.
De Kalmthoutse Heide in de Antwerpse Noorderkempen vormt qua verschijningsvorm en uitgestrektheid een indrukwekkend landschap. Dit waardevolle gebied maakte reeds in 1941 als één der eerste het voorwerp uit van een rangschikking als landschap. Samen met het feit dat de gaafheid van het landschap door talloze plannen en ingrepen dreigde verloren te gaan, is dit gegeven een dankbaar onderwerp om na te gaan in hoeverre deze rangschikking de Kalmthoutse Heide effectief gevrijwaard en beschermd heeft. Hierna wordt een hoofdstuk verteld uit de geschiedenis van de strijd om het behoud van de Kalmthoutse Heide en wordt de rol die de bescherming van het landschap speelde in dit geheel geanalyseerd. 17 M&L I
Een landschap in verdrukking De dreigende metropool De grootstad Antwerpen, in vogelvlucht op minder dan 20 km van de Kalmthoutse Heide gelegen, vormde reeds rond de eeuwwisseling een groeiende bedreiging voor de gaafheid van de Heide. De stedeling ontvluchtte de grootstad om rustig te wonen en om zijn vrije dag door te brengen met een uitstap in de heide. Geleidelijke verkopingen leidden tot de versnippering van de Heide en haar omgeving (1). De recreatiedruk — zowel door dagjesmensen en kampeerders, als door jeugdgroeperingen — bracht problemen van drukte, vervuiling, vernielingen, brand en dergelijke met zich mee (2). Ook de algemene industriële expansie was voor de verdedigers van de Heide een doembeeld.
De nutteloze gronden In de crisisjaren tussen beide wereldoorlogen werd voortdurend aan het heidegebied geknaagd om de 'braakliggende gronden' te gelde te maken: een begrijpelijke reflex. Zo werden er plannen gemaakt voor een verbinding van Heide Station met Kalmthoutsebeek en voor het afgraven van duinen; twee vennen, het Stappersven en de Putse Moer, werden drooggelegd (3). Echt somber werd het wanneer een belangengroep als de Boerenbond met de gemeente Kalmthout, eigenaar van ruim 785 ha Kalmthoutse Heide — zowat 2/5 van het gebied — onderhandelingen aanknoopte over de ontginning op grote schaal voor landbouwdoeleinden. Ruim 200 ha heidegronden zouden het voorwerp uitmaken van een ontwerp tot drooglegging en verkaveling, terwijl de mogelijkheden tot verbetering van het afwateringsnet van de omgeving bestudeerd werden. Ook voor de Withoevense Heide, in het zuiden van het landschap, werd een ontwerp van verkaveling opgemaakt (4).
De natuurverenigingen in het verweer De verdedigers van de Heide hadden slechts weinig wettelijke middelen ter beschikking om deze gang van zaken af te remmen. Het aanklagen van de toestanden in de pers en bij de betrokken instanties en eigenaars of het mobiliseren van de natuurliefhebbers als drukkingsmiddel (5), kende wel een zeker succes, maar de aantastingen van de Heide bleken toch moeilijk te stoppen. Steeds weer vindt men protesten en klachten tegen de voortschrijdende vernietiging. Naar Nederlands voorbeeld (6) poogde men het behoud van de Heide te verzekeren door een voorstel te doen aan het gemeentebestuur van Kalmthout om eigendommen in het gebied aan te kopen. Meermaals werd onderhandeld en vergaderd, doch zonder resultaat (7). M&L 18
De aanloop tot de rangschikking als landschap Reeds lang vóór de wetgeving op het behoud van monumenten en landschappen tot stand kwam (8), had de Vereniging voor het Natuur- en Stedenschoon (VNS) (9) het probleem van de Kalmthoutse Heide voorgelegd aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) (10). In 1913 sloot het Provinciaal Comité van Briefwisselende Leden (PCBL) (II), die de adviezen en de standpunten van de KCML voorbereidde, zich aan bij de stelling van de VNS en bepleitte het integraal behoud van het landschap en de oprichting van een 'natuurreserve' (12). Ook de KCML boog zich over het probleem, maar zonder de zienswijze van het PCBL en de VNS te volgen (13). In 1913 had ze een afvaardiging ter plaatse gezonden, bestaande uit de heren Kaisin, Buis en Massart. Hoewel minstens de laatstgenoemde als eminent natuur- en landschapsbeschermer bekend staat, brachten deze, na bespreking met het gemeentebestuur, een nogal dubieus en voor de Heide ronduit ongunstig advies uit. Ze stelden met name voor enkel de duinen te behouden, zodoende het grootste deel van de heide prijsgevend. Blijkbaar had het gemeentebestuur de afvaardiging overtuigd van het nut van haar ontginningsplannen en het verwaarloosbare verlies voor het landschap. Gesterkt door de natuurbeschermingsverenigingen (14), hield het PCBL voet bij stuk: de plannen van het gemeentebestuur werden niet uitgevoerd.
De lange weg naar de bescherming Op 7 augustus 1931 krijgt België met de wet op het behoud van monumenten en landschappen een ingrijpend middel om landschappen onder de bescherming van de Staat te stellen door het opleggen van beperkingen aan het eigendomsrecht, voor zover deze om wetenschappelijke, esthetische of historische redenen van nationaal belang kunnen geacht worden (15). Nog hetzelfde jaar, op 4 december 1931, dient de KCML bij de Minister van Wetenschappen en Kunsten een voorstel in tot rangschikking als landschap van de Kalmthoutse Heide (16). De toestemming om de rangschikkingsprocedure in te zetten volgt op 2 februari 1932 (17). Het voorstel tot rangschikking als landschap Overeenkomstig de bepalingen van de wet diende er een ontwerp van rangschikking uitgewerkt te worden (18). Dit ontwerp werd opgesteld door het PCBL. Na grondig onderzoek, in samenwerking met de VNS (19), bracht zij een jaar later een nota uit waarin bevestigd werd dat de Kalmthoutse Heide in haar geheel diende gerangschikt te worden omdat de beplante en onbeplante duinen, de vennen en moerassen, de bossen, de weilanden en akkers, de ongesloten
eigendommen met dreven, hofsteden en private uitbatingen als een ongerept landschap bewaard bleven; aldus vormde zij een waardevol natuurreservaat dat een belangrijke rol diende te vervullen ten dienste van de wetenschap, meer bepaald de dier- en plantkunde.
— verbod tot het oprichten van nieuwe gebouwen of het in belangrijke mate wijzigen van de bestaande; — verbod werken uit te voeren die het uitzicht van de grond wijzigen; — verbod de wijze van gebruik of van produktief maken van de met bossen beplante gronden te veranderen en andere kappingen te doen dan normale uitdunningen of kappingen van windval; Om deze redenen stelde het PCBL volgende erfdienstbaarheden voor: — verbod tot het oprichten van inrichtingen met een industrieel karakter; een algemeen verbod om: — te bouwen, nieuwe weiden aan te leggen of moeras- — verbod tot het plaatsen van palen voor electrische drijfkracht of voor luchtkabels; sen te draineren; — telefoon- of electriciteitspalen of reclamepanelen op — verbod tot het plaatsen van reclame- of publiciteitste richten, nieuwe banen te trekken of bestaande borden. wegen te verharden; — braakliggende gronden te beplanten en te bemesten of het algemeen uitzicht te veranderen; Deze verbodsbepalingen zijn, in tegenstelling met — flessen, conservedoosjes, papier of ander afval te deze die voorgesteld werden door het PCBL, heel algemeen gehouden. Daarenboven zijn de bepalingen laten liggen; aangaande de recreatie en de jacht weggelaten. — te jagen (behalve op konijn) een verbod om zonder voorafgaande toelating De meest omvattende en daarom, zoals verder blijkt, bestaande gebouwen te wijzigen, bossen en bomen 'uit voornaamste erfdienstbaarheid is het verbod om zonte roeien', te herbeplanten en de wegvliegende duinen der toelating werken uit te voeren die het uitzicht van de grond wijzigen. De nadruk werd met name gelegd vast te leggen (20). op het behoud van het uitzicht van het landschap en Deze verbodsbepalingen vormden een rechtstreeks van zijn deelgebieden. antwoord op de vele problemen die zich door de jaren heen in de Kalmthoutse Heide hadden gesteld. De bescherming werd verantwoord door te stellen dat Het zou echter nog tot 1941 duren eer de Kalmthoutse 'de Heide één van de interessante landschappen vormt Heide beschermd raakte. Niet alleen de omslachtige van de Antwerpse Kempen waar men talrijke moerasadministratieve procedure (21) maar ook de toenma- sen vindt waar een fauna en een flora van bijzondere lige bezuinigingen in de openbare besturen en instan- aard aanwezig is (natuurwetenschappelijke waarde) ties veroorzaakten de nodige vertragingen (22). en zij tevens een mooie wandelplaats biedt voor de bevolking van de stad Antwerpen (esthetische waarde)'. De adviezen aan de regering In zitting van 14 november 1934 verleende de Besten- In haar advies benadrukte de KCML dat de voorgedige Deputatie van de Provincie Antwerpen een gun- stelde beperkingen van het eigendomsrecht geen verstig advies voor de rangschikking als landschap. bodsbepalingen zonder meer zijn, maar een wettelijk Een jaar later bracht ook de KCML haar met redenen middel om voor geplande ingrepen voorafgaand te omkleed advies uit. In dit advies aan de Regering (23) onderzoeken in hoeverre zij het landschap en zijn trad de KCML het standpunt bij van het PCBL waarden zouden schenden. Slechts indien nodig dieninzake de afbakening van het landschap, maar stelde den deze ingrepen effectief verboden of beperkt te ze andere erfdienstbaarheden voor: worden. De KCML drong er tevens op aan de Heide te rangschikken zonder verder uitstel.
De vochtige tot natte, reliëfrijke weilanden vormen een landschapsbeeld in de Kalmthoutse Heide (foto BML)
typisch
De tegenstand Het was dus nu aan de Regering om de beslissing te nemen over het al dan niet rangschikken van de Kalmthoutse Heide. De politieke besluitvorming werd in deze fase nog bemoeilijkt doordat vanuit landbouwmiddens druk werd uitgeoefend om alsnog gevolg te geven aan de vraag tot uitbreiding van de landbouwgronden in dit gebied (24). Ook de Minister van Landbouw duidde de voor de landbouw noodzakelijke gronden aan — de Steertse Duinen en Heide, De Nol, de omgeving van het Stappersven, Boterbergen en Zwarte Heuvel — en verzocht na te gaan of deze niet uit de afbakening konden gelicht worden (25). Opvallend genoeg duidden de technische diensten van het departement Landbouw hierbij geen gemeenteeigendommen aan. Het onderzoek van het PCBL wees ook uit dat de geviseerde gronden, op de Steertse Duinen en -Heide 19 M&L
Situering van het gerangschikt landschap 'De Kalmthoutse Heide', met aanduiding van de voornaamste toponymen (topografische kaart van het N.G.I., schaal 1/2500)
M&L 20
na, domeinen waren waar nagenoeg geen landbouw bedreven werd. Een groot deel van de 'landbouwers' die hun beklag gedaan hadden, bleken grootgrondbezitters te zijn die slechts een beperkt deel van hun gronden verpacht hadden. Het PCBL en de KCML bepleitten dan ook in hun advies aan de Minister het integraal behoud van de gronden in het te rangschikken landschap. Hierbij benadrukten ze het feit dat wat de landbouwexploitatie in een 'gerangschikt landschap' betreft de wet voorziet dat het rangschikkingsbesluit de vrijheid van de landbouwer niet kan beperken inzake aanplantingen en teelten' (26). Het vergde nog jarenlange politieke lobbying vooraleer uiteindelijk de Kalmthoutse Heide bij Besluit van de Secretaris-generaal van 18 oktober 1941 — in de oorlogsperiode —als landschap gerangschikt zou worden (27). Dit besluit zou na de oorlog bekrachtigd worden door het Regentsbesluit van 9 Februari 1946.
Het landschap definitief gered? De vraag kan nu gesteld worden of hiermee alle problemen van de Kalmthoutse Heide opgelost waren en of door het lang uitblijven van de rangschikking geen onherstelbare ingrepen waren uitgevoerd.
drukte de intrinsieke waarde van het gebied — vennen en moerassen met zeldzame planten en enige broedplaats van heidevogels — en zijn onvervangbare waarde als schakel tussen de duinen en de omringende bossen. Op verzoek van de Gouverneur werd prof. dr. E.J.B. Verleyen, lid van het PCBL, opgedragen deze ontginning vanuit landbouw-technisch standpunt te onderzoeken. Zijn eindconclusie was dat de verschillende bodemtypen in dit gebied 'niet' tot 'minder' geschikt waren voor landbouwdoeleinden; het rendement van de ontginning zou dermate beperkt zijn dat het project financieel onverantwoord was. Deze ontginningsplannen werden nooit uitgevoerd (31). De verkavelingswoede Tegelijkertijd vroeg het gemeentebestuur van Kalmthout de deklassering aan van de Withoevense Heide (32) om verdere uitbreiding van de woningbouw mogelijk te maken en om parkeerplaatsen, sport- en kampeerinrichtingen te kunnen voorzien. Ook nu verstrekte de KCML een uitdrukkelijk ongunstig advies (33), oordelend dat het behoud van het gebied, hoewel aan de zuidrand van het landschap gelegen, onontbeerlijk was voor de bescherming van de Kalmthoutse Heide zelf, dit om alle verdere indringing te vermijden.
De bekrachtiging van dit advies door de Minister liet Bij het onderzoek volgend op het rangschikkingsvoor- de gemeente koud. Integendeel verkocht ze gronden stel (28) bleek dat enkel het zuidelijk deel ter hoogte van de Withoevense Heide aan particulieren en aan van Heide Station door uitbreiding van de bebouwing de Kleine Landeigendom. Toen een aantal kopers verloren was gegaan. Voor het overige hadden de begonnen te bouwen zonder de vereiste toelating ingrepen geen repercussies op de waarde van het protesteerde de KCML hiertegen (34) en vroeg ze de geheel. Van de grootschalige plannen was niet één tot Minister een rechtsgeding in te spannen om het landschap in zijn oorspronkelijke staat te herstellen (35). uitvoering gebracht. Desalniettemin, ondanks zijn beschermd statuut en Hieraan werd echter geen gevolg gegeven. De het feit dat de overheid de Kalmthoutse Heide ondub- bescherming die de rangschikking als landschap bood, belzinning als uiterst waardevol had erkend (29), werd door 'niet optreden' duidelijk ondergraven. bleven bepaalde delen van het gebied bedreigd of werd het behoud ervan in vraag gesteld. Een nieuwe poging tot landbouwontginning In 1954 vroeg het gemeentebestuur van Kalmthout de deklassering (30) aan van een gedeelte van haar eigendommen in het landschap, meer bepaald de strook gelegen ten oosten van de Hazenduinen, Vossenberg en Wilgenduinen tot aan de Drielingvennen, en verder noordwestwaarts tot aan de Steertse Heide, een gebied van zo'n 200 ha. Hierbij werd aangevoerd dat ontginning kon doorgevoerd worden zonder de waarde van het landschap op het gebied van de fauna en de flora te schaden, gezien juist deze strook de minste verscheidenheid bood. Ook de waarde als toeristische attractie zou niet geschaad worden, omdat dit meer achterin gelegen gebied weinig door toeristen bezocht werd. 'Frisse weiden met grazend vee zouden geen afbreuk doen aan het natuurschoon'. Een onderzoek verricht door hun diensten had immers uitgewezen dat er nood was aan nieuwe landbouwgronden. In haar advies aan de Minister kon de KCML zich niet akkoord verklaren met deze zienswijze; ze bena-
De wederrechtelijk met asfalt verharde verbindingsweg KalmthoutKalmthoutse Hoek, ter hoogte van het Stappersven (boven) en de Drielingvennen (onder)(folo L. Meesters)
Na verder onderzoek van het probleem door één van de leden van het PCBL, bleek deze laatste toch bereid om aan het gemeentebestuur bepaalde toegevingen te doen. De Withoevense Heide werd van minder wetenschappelijk en esthetisch belang verklaard; deklassering was weliswaar niet aanvaardbaar, maar toegestaan werd dat dit deel van de Kalmthoutse Heide zou ingericht worden. Hiervoor werkte het gemeentebestuur een Bijzonder Plan van Aanleg uit. Een Koninklijk Besluit (36) zou de werken in het gerangschikt landschap toelaten op voorwaarde dat de plannen van de gebouwen aan de KCML voor advies zouden voorgelegd worden. Voor het gemeentebestuur was dit blijkbaar niet voldoende: het bleef aandringen op een deklassering om aldus het gebied geheel aan de Kalmthoutse Heide te onttrekken. Ten lange laatste gaf de KCML toe (37), doch het PCBL bleef bij haar standpunt om deze zone als een aanloopstrook naar de Heide te behouden. Uiteindelijk is er van al deze plannen weinig terechtgekomen. Dat de Withoevense Heide nog vrijwel intact gebleven is, valt dan ook niet meteen toe te schrijven aan de rangschikking als landschap. In dit geheel van problemen heeft de KCML het opportuun geacht om bepaalde toegevingen te doen. Dat deze aan het gemeentebestuur werden gedaan is te begrijpen, enerzijds omdat het de grootste eigenaar in het gebied was (785 ha), anderzijds omdat door de ontoereikendheid van de bepalingen van het rangschikkingsbesluit het gemeentebestuur een noodzakelijke gesprekspartner was voor de bescherming van de Heide. Dit komt verder meer uitgebreid ter sprake.
De Heide als leidingstraat Voor werken die eveneens van algemeen of nationaal belang' konden geacht worden heeft de rangschikking als landschap evenmin bescherming geboden. De Kalmthoutse Heide is een immense open ruimte in een verstedelijkte omgeving, en hierdoor uitermate geschikt om er leidingen door te laten lopen (38). Zo is er een 'leidingstraat' tot stand gekomen (39) waarin meerdere leidingen voor vervoer van gas en water lopen. Hoewel de KCML de aanleg hiervan ongunstig adviseerde omwille van de negatieve effecten op de vegetatie, meende de Minister ze toch te moeten toelaten, maar dan wel overeenkomstig de aanbevelingen van de KCML inzake de ligging van de leidingen en de uitvoering van de werken. Een bijkomend probleem was dat het 'verbod tot het wijzigen van het uitzicht van de grond' voor de overheid niet meteen overtuigend klonk om op basis hiervan de leidingen uit het landschap te weren; de leidingen werden immers ondergronds gelegd en brachten aldus op bepaalde plaatsen slechts tijdelijke en minimale verstoringen teweeg. In andere gevallen, zoals voor het aanleggen van een tv-distributiekabel, werd geen toelating verleend, temeer daar er praktische en technisch verantwoorde alternatieven voorhanden waren. M&L 22
Waterwinningen tegen de grens van het landschap aan Een ander voorbeeld waar het statuut van beschermd 'landschap van nationaal belang' geen aarde aan de dijk bracht, was de ondergrondse drinkwaterwinning van de Provinciale en Intercommunale Drinkwatermaatschappij van de Provincie Antwerpen die even buiten de grens van het landschap (40), ter hoogte van De Nol werd gepland. Ondanks het ongunstig advies van de KCML, met als argument dat een daling van de grondwatertafel in de Kalmthoutse Heide nefaste gevolgen zou hebben voor vele kwetsbare vegetatietypen (41), werd het project uitgevoerd op de voorziene plaats. De verbindingsweg met Kalmthoutse Hoek In het gerangschikte landschap kwamen er, op de Putse steenweg na (42), geen verharde wegen voor. Het landschap was één groot geheel. Eén zandweg werd door mensen van het gehucht Kalmthoutse Hoek, ten noorden van het gerangschikt gebied, bestendig gebruikt als verbindingsweg om de dorpskern van Kalmthout te bereiken (43). Deze zandweg liep door de Nolse duinen, langsheen het Stappersven. In 1959 diende het gemeentebestuur van Kalmthout een aanvraag in om deze zandweg te verharden. Hoewel de KCML de noodzaak van een degelijke verbindingsweg erkende, meende ze dat de aanleg slechts onder strikte voorwaarden kon toegelaten worden: daar deze weg het landschap doorkruiste bestond het gevaar dat het gebied zou opgedeeld worden, met alle gevolgen vandien voor de aanwezige wetenschappelijke en esthetische waarden. De breedte van de weg diende beperkt te blijven; hij mocht uitsluitend toegang bieden aan plaatselijk verkeer; er diende een stationeerverbod uitgevaardigd te worden en andere wegen die erop uitkwamen zouden verboden blijven voor voertuigen. Als bestrating konden geen plaveien of asfalt toegelaten worden, maar een stevige verharding die meer bij de omgeving paste. Op 27 juli 1959 volgde een machtigingsbesluit waarbij deze voorwaarden werden opgelegd. Het gemeentebestuur legde de voorwaarden echter naast zich neer en voerde de weg uit in asfalt! Noch het protest van de KCML en van natuurverenigingen, noch het verzoek van de Minister om de weg in zijn oorspronkelijke staat te herstellen en de voorwaarden van de toelating geheel te respecteren, zouden iets aan de toestand veranderen. Toch werd geen rechtgeding ingeleid om het herstel van het landschap te vorderen. Slechts later, zou door het uitvaardigen van een politiereglement wel aan de andere voorwaarden tegemoet gekomen worden. De lokale en kleinschalige ingrepen Veruit het grootste deel van de aanvragen tot het uitvoeren van werken en zelfs de overtredingen van de erfdienstbaarheden zijn eerder lokale of kleinschalige aangelegenheden van allerlei aard die samen echter, op langere termijn, de waarde van het landschap kunnen aantasten.
Door het terugdringen van bosaanplantingen wordt op bepaalde plaatsen de kans geboden voor het herstel van de droge heide (foto BML)
Een vliegveld voor zweefvliegtuigen Ongetwijfeld aangetrokken door de grote open ruimte van de Heide diende de zweefvliegtuigclub 'Meeuw' in 1962 een aanvraag in tot het aanleggen van een vliegveld op het gerangschikt terrein. De aanvraag werd geweigerd op basis van het verbod tot het wijzigen van het uitzicht van de grond. Het PCBL drong er bovendien op aan de Regie der Luchtwegen te verzoeken bij aanvragen voor het aanleggen van vliegvelden — ook voor zweefvliegtuigen — deze niet toe te staan binnen een straal van 10 km van de Kalmthoutse Heide, gerekend vanaf de bggrenzing van de rangschikking. De boer, hij ploegde voort Een in de jaren 50 vaak weerkerend probleem vormde de ontginning door boeren (als eigenaar of pachter) van delen van de heide of van gekapte bossen voor de aanleg van weilanden en, in mindere mate, akkers. Deze ingreep viel onder het verbod tot het wijzigen van het uitzicht van de grond. In het administratief dossier van de Kalmthoutse
Heide zijn tal van aangiften terug te vinden van overtredingen gericht aan de Procureur des Konings met het verzoek het herstel van het landschap te vorderen. In een aantal gevallen vroeg de KCML de Minister op te treden om werken die zonder toelating of na weigering werden uitgevoerd, door de Burgemeester te laten stilleggen (44). De klus werd geklaard door de veldwachter. Pas bij volharding na een waarschuwing werd geverbaliseerd. De zaak nam zulke omvang aan dat men terecht van burgerlijke ongehoorzaamheid kon spreken. In 1954 zag de Burgemeester zich verplicht de eigenaars van de gronden individueel te verwittigen dat geen ontginningen mochten uitgevoerd worden zonder toelating. De Rijkswacht patrouilleerde nu regelmatig en verbaliseerde elke overtreding (45). Aanvragen tot ontginning werden systematisch, na ongunstig advies van de KCML, geweigerd. Door dit kordate optreden doofde het probleem vanzelf uit. Het beheer van de bossen en de aanplantingen De Kalmthoutse Heide bestaat voor een groot deel uit bossen en aanplantingen, zowel in gemeentelijke 23 M&L
Een gezicht op de heidevlakte vanaf de uitkijktoren richting Wilgenduinen (foto G. Charlier)
Een kleurrijk gezicht op de droge heide (foto G. Charlier) M&L 24
Het landschap van de Kalmthoutse Heide is een complex geheel dat bestaat uit een aantal karakteristieke componenten die het gevolg zijn van verschillen in reliëf, vochtigheidstoestand, begroeiing, beplanting, ontginning, beheer, en dergelijke. De voornaamste, goed te onderscheiden componenten zijn : de grote, open heidevlakte Het aanwezige microreliëf laat toe deelgebieden te onderscheiden. De hiermee samenhangende vochtigheidsgradiënten hebben verschillende begroeiingstypen tot gevolg, met name de natte en de droge heide. In de laagstgelegen delen komen kleine en grote vennen voor. Sommige van deze vennen staan in de zomer droog door de daling van de watertafel en de beperkte toevoer van oppervlakte- en regenwater.
Een gezicht op de heidevlakte (foto BML)
de landduinen Hier treft men een meer uitgesproken microreliëf aan. Ze hebben een eigen karakteristieke begroeiing. In deze zandmassa's is er een vrij grote winddynamiek, waardoor de begroeiing het soms moeilijk krijgt en zich in vele gevallen slechts moeizaam uitbreidt. de aanplantingen In de drogere delen van de heide is de kenmerkende begroeiing vaak verdwenen door aanplantingen, meestal met naaldbomen (den).
Een gezicht op de landduinen (foto BML)
het eiken-berkenbos De voor dit gebied natuurlijke climaxvegetatie — dit is de uiteindelijke begroeiing na evolutie zonder tussenkomst van de mens — komt slechts sporadisch voor. Meestal zijn slechts fragmenten hiervan aanwezig als natuurlijke opslag in dennenbestanden en in houtkanten langs de weilanden. de weilanden Een deel van de heide, voornamelijk in het noordelijk stuk van het landschap, is ontgonnen voor landbouwdoeleinden. Het zijn nu vochtige, reliefrijke weilanden die erg waardevol zijn voor de fauna, zeker als voedsel- en fourageerplaats voor heidevogels.
Een gezicht op de vochtige tot natte reliëfrijke weilanden (foto BML)
als in privè-eigendom. In het administratief dossier vormen de aanvragen tot het kappen van bomen (46) een belangrijk hoofdstuk. Bijna steeds volgde de KCML de gemotiveerde adviezen van het Bestuur voor Waters en Bossen, weliswaar onder voorbehoud dat er een oordeelkundige herbebossing zou worden doorgevoerd (47). De grondregel hierbij was dat de aanwezige begroeiingstypen en landschapselementen dienden te blijven voortbestaan. Opvallend is dat instemming betuigd werd met een deskundig bosbe-
heer, ook al vergde dit de kapping van ettelijke hektaren (48). Met aanplantingen van het Bestuur voor Waters en Bossen op een deel van een duin, bedoeld om verstuivingen tegen te gaan, ging men niet akkoord. Aldus erkende men het duin als een geomorfologisch gegeven, karakteristiek voor de Heide en met een eigen wetenschappelijke waarde. Eenzelfde redenering werd gevolgd waar eigenaars heide of weiden wilden beplanten. 25 M&L \
Andere pogingen tot exploitatie van de heide Door de jaren heen werden meerdere pogingen ondernomen om 'produkten' die in het landschap gevormd werden te exploiteren. Aan eigenaars die grote percelen bezaten, bood een firma aan om heideplanten te verkopen. In haar advies aan de Minister noemde de KCML dit 'een ontginning' die de ontsiering van de Heide voor gevolg zou hebben. De exploitatie ging niet door. Daarnaast werden door de Rijkswacht herhaalde processen-verbaal opgesteld omwille van het verwijderen van de humuslaag, voornamelijk in dennenbossen. In beide gevallen nam de KCML opnieuw haar toevlucht tot het verbod op het wijzigen van het uitzicht van de grond. Het blijft echter een erg ruime bepaling. Enerzijds is ze bijna allesomvattend; anderzijds heeft ze als nadeel dat door het onvoldoende specifiëren, kleinere ingrepen of werken die pas op langere termijn of onrechtstreeks wijzigingen aan het landschap toebrengen, niet meteen in alle duidelijkheid onder de bepaling vallen, met alle misverstanden en juridische onzekerheden vandien. Zo kunnen kleinschalige of extensieve aanplantingen (bijvoorbeeld van 'kerstbomen'), lokale ontwateringen, en dergelijke tot de nodige discussies leiden. Het leger op oefening In de jaren '50 deden zich aanhoudend problemen voor met de militaire overheid, die ondanks het statuut van beschermd landschap in de Kalmthoutse Heide oefeningen hield met tanks en jeeps. Ook in dit geval protesteerde de KCML op basis van het verbod op het wijzigen van het uitzicht van de grond omdat deze oefeningen de vegetatie verstoorden, zoniet vernietigden. Ondanks deze nadelige effecten kon er geen rechtstreeks verbod opgelegd worden en diende men van bepaalde nefaste gevolgen (beschadigingen) gebruik te maken om nieuwe te voorkomen. In 1961 diende het Oefencentrum voor Parachutisten te Schaffen een aanvraag in voor springoefeningen. Op basis van de erfdienstbaarheden kon dit niet
Gezicht op de droge heide waarin de donkere struiken van de struikheide (Calluna vulgaris) massaal voorkomen (foto BML)
M&L 26
verboden worden, al zou deze activiteit duidelijk de Heide-fauna verstoren. De Minister werd dan ook op basis van principiële motieven gevraagd deze activiteit uit het landschap te weren. Het motocrossen Een geregeld weerkerend probleem is het motocrossen. Ooit werden voor een wedstrijd zelfs kuilen gegraven en heuvels aangelegd om het parcours te differentiëren. Vanaf de jaren '50 werden bovendien meer en meer auto's in de heide waargenomen. Ook dit kon men niet tegengaan op basis van de verbodsbepalingen van het rangschikkingsbesluit. Het recreatieprobleem Doordat de Kalmthoutse Heide een geliefkoosd terrein was om er de vrije dag door te brengen met wandelen, picknicken, zwemmen, zonnen en zelfs kamperen, vormden de ermee gepaard gaande verstoringen (volkstoeloop, auto's), de bevuiling en de beschadigingen (afval, vertrappen van vegetatie) een steeds groeiend probleem waarvoor de rangschikking als landschap geen oplossing bood. In de jaren '60 kende daarenboven de (weekend)verblijfsrecreatie een sterke uitbreiding. Door de natuurbeschermingsverenigingen, de bevoegde instanties en later ook de gemeentelijke diensten werden toen meerdere inventarissen van overtredingen opgemaakt, waarop klachten werden ingediend bij de Procureur des Konings met het verzoek het landschap in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Meerdere eigenaars zijn voor het wederrechtelijk oprichten van een gebouw (48) veroordeeld tot een boete en de afbraak binnen een bepaalde termijn. Constructies zoals omheiningen, palen, waterputten en caravans vallen echter noch onder het verbod op het oprichten van een gebouw noch onder de bepalingen van de wet op de stedebouw en de ruimtelijke ordening (49). Voor deze bijna steeds aan de inrichting van een weekend- of vakantieverblijf gekoppelde ingrepen deed men dan ook weer een beroep op het verbod tot het wijzigen van het uitzicht van de grond. De interpretatie van deze bepaling gaf meer dan eens stof tot discussies, zodat het gemeentebestuur bij herhaling weigerde op te treden om de werken stil te leggen. Rond deze periode werden meerdere delen van de Heide verkaveld voor de inrichting van weekendverblijven; het gevaar voor een algemene vertuining van de Kalmthoutse Heide was dan ook reëel. Door er grondig op toe te zien dat er geen gebouwen en leidingen voor electriciteit (op basis van het rangschikkingsbesluit) (50) noch caravans (op basis van een gemeentelijk politiereglement) konden geplaatst worden (51), nam deze bedreiging geleidelijk af; voor de belanghebbenden was een té beperkte inrichting van hun tweede verblijf immers niet lonend genoeg. Later, met de instelling van het gewestplan Turnhout (52), verbeterde de situatie nog daar het hele gerangschikte landschap de bestemming kreeg van natuurgebied met wetenschappelijke waarde. Heden zijn de bouwsels beperkt tot één villa aan de Putse Moer en een aantal woningen aan het Van Ganzenven - Oasis (53).
Gezicht op de natte heide. Hier domineren Dopheide en Pijpestrootje de begroeiing (foto BML)
Aanvullingen op de bescherming Vragen voor uitbreiding van rangschikking als landschap De ontoereikendheid van de bepalingen van het rangschikkingsbesluit leidde reeds vrij snel tot een aantal voorstellen tot verbetering van de beschermingsmaatregelen voor het gebied. In 1950 werd door de VNS aan het PCBL een rapport voorgelegd, opgesteld door een aantal deskundigen van de vereniging, waarin de probleempunten werden opgesomd — in hun geheel terug te brengen tot het verstoren van het landschap door verschillende vormen van recreatie — en maatregelen werden voorgesteld (54). Het PCBL vroeg dan ook de KCML het rangschikkingsbesluit in deze zin aan te passen (55). Terecht zat de KCML met de vrees dat door een nieuwe procedure (56) de verschillende belangengroepen — die andere bedoelingen hadden met de Kalmthoutse Heide — een nieuwe kans zouden krijgen om voor hen gunstige maatregelen te bedingen. Vermits het eigenlijk in hoofdzaak om verstoringen door derden ging, was de KCML daarenboven van oordeel dat alleen een gemeentelijk politiereglement hier de gepaste oplossing bood (57). Omdat zij ernaar streefde de openheid en de ongereptheid van het landschap te bewaren en de eigenaars geen toestemming gaf voor het afsluiten van hun eigendommen, kreeg het gebied onrecht-
streeks een openbaar karakter. Voor eigenaars was het dan ook een bijna onbegonnen taak om bezoekers van hun eigendom te houden. Vandaar dat de KCML het onrechtvaardig vond dat deze zouden verantwoordelijk gesteld worden voor inbreuken verricht door derden. Voor de meeste punten zou dit probleem zich echter niet stellen omdat het om directe verstoringen ging: het gebruik van motorvoertuigen, kamperen, loslopende honden, verstoren van de fauna, en dergelijke. Wanneer dit gebeurde zonder toelating van de eigenaar, waren de betrokkenen in overtreding; zo ook voor de andere inbreuken, wanneer deze bij het uitvoeren ervan vastgesteld werden. Een gemeentelijk politiereglement voor de Kalmthoutse Heide Aangezien de gemeente een groot deel van het gerangschikt gebied in eigendom had, zou een gemeentelijk politiereglement, samen met een streng toezicht, een gepaste oplossing bieden voor een aantal problemen. De gemeente beschikte in deze periode weliswaar reeds over een algemeen politiereglement (58) waardoor in de Kalmthoutse Heide kon opgetreden worden tegen het vrij kamperen, activiteiten die brandgevaar met zich meebrachten, het zwemmen, het afgraven en het beschadigen van bomen en gewassen. Op aandringen van de Gouverneur (59) stelde het gemeentebestuur van Kalmthout alvast een nieuw 27 M&L
Voor de instandhouding van de heide grijpt men terug naar vroegere gewoonten : de begrazing met schapen. Door dit beheer wordt het dichtgroeien van de heide tegengegaan en wordt de heidebegroeiing regelmatig verjongd (foto G. Charlier)
politiereglement op voor zijn eigendom in het gerangschikt landschap. Dit ontwerp is inhoudelijk een samenvoeging van het bestaand politiereglement en het voorstel van verbodsbepalingen van het PCBL. De goedkeuring van dit politiereglement liet nochtans op zich wachten daar het gemeentebestuur — zoals vermeld — deze beslissing probeerde te koppelen aan de verwezenlijking van zijn wensen: het ontginnen en het verkavelen van een deel van de Heide. Doordat de verstoringen van de Heide intussen aanhielden en zelfs aangroeiden, werd door talrijke natuur- en cultuurverenigingen aangedrongen op betere beschermingsmaatregelen. Uiteindelijk diende de KCML bij de Minister het voorstel in om het rangschikkingsbesluit aan te passen en uit te breiden (60). Op 24 januari 1955 gaf de Minister de goedkeuring 'een politiereglement op te nemen in een afzonderlijk koninklijk besluit ter aanvulling van dit van 1941'. De Gouverneur, die verzocht werd deze beslissing uit te voeren, vroeg uitstel om de uitslag af te wachten van onderhandelingen die blijkbaar nog lopende waren (61). Op 3 augustus 1957 werd het politiereglement goedgekeurd door het gemeentebestuur. De aanpassingen van het rangschikkingsbesluit werden niet uitgevoerd, ondanks blijvend aandringen van de KCML (62). ••i
M&L 28
Een nieuwe poging voor de aanpassing van het rangschikkingsbesluit De talrijke inbreuken op de doelstellingen van de rangschikking als landschap — het behoud en de bescherming van de Kalmthoutse Heide en zijn wetenschappelijke en esthetische waarden — bewezen ook daarna nog de nood aan meer specifieke en aangepaste erfdienstbaarheden. In 1963 vroeg de KCML andermaal het rangschikkingsbesluit aan te passen voor een degelijke bescherming van de fauna en flora en van de duinen, en voor het voorkomen van verstoring en vervuiling door recreatie. Op 16 januari 1964 liet de Minister de KCML weten dat de regering aan een voorstudie werkte van maatregelen die dienden getroffen te worden om het uitzicht van de Kalmthoutse Heide gaaf te houden. Hierbij werd niet alleen naar voorstellen verwezen tot aanpassing van het rangschikkingsbesluit maar ook naar een onderzoek voor een deskundig beheer, meer bepaald de oprichting van een staatsnatuurreservaat onder het beheer van het Bestuur voor Waters en Bossen. Dit Bestuur kreeg opdracht een nieuw onderzoek in te stellen voor een aanpassing en wijziging van het rangschikkingsbesluit. Een aantal pogingen
om de ingewikkelde administratieve procedure op gang te brengen, mislukten echter om redenen die niet in het administratieve dossier weer te vinden zijn. Het rangschikkingsbesluit van 1941 geldt zodoende vandaag nog.
Het beheer van de Kalmthoutse Heide Het streven naar een 'natuurreserve' Voor grote delen van de Kalmthoutse Heide — meer bepaald de gebieden met heide- en moerasvegetaties — was meer nodig is dan een passieve bescherming. Vele vegetaties die in het landschap voorkomen, zijn slechts een tussenstap in een successie van begroeiing. Zonder actief beheer door de mens evolueren zij spontaan naar de zogenaamde 'climaxvegetatie', in deze streek in hoofdzaak het eiken-berkenbos. Ondanks het feit dat dit tegen de doelstelling van de rangschikking was, met name het behoud van de verschillende verschijningsvormen van het landschap en zeker het behoud van de heide, voorziet de wet op het behoud van monumenten en landschappen niet in een verplichting tot actief beheer noch in de middelen hiertoe (63).
De eerste pogingen om een 'natuurreserve' te stichten waren eerder bedoeld om het voortbestaan van het landschap te vrijwaren bij gebrek aan wettelijke beschermingsmiddelen. Later, na de rangschikking, werd vanuit natuurbeschermingsmiddens voordurend aangedrongen op de oprichting van een natuurreservaat, enerzijds om een actief beheer mogelijk te maken en anderzijds om tegelijkertijd strengere beschermingsmaatregelen op te kunnen leggen dan deze van het rangschikkingsbesluit. Onderhandelingen met het gemeentebestuur van Kalmthout leidden niet tot resultaten, ondermeer daar deze de besprekingen steeds koppelde aan plannen om een deel van de Heide voor andere doeleinden te bestemmen, wat voor de natuurbeschermingsverenigingen onaanvaardbaar was.
Een privé-natuurreservaat Begin de jaren '60 kwam er tussen het gemeentebestuur en de natuurvereniging 'de Belgische Natuuren Vogelreservaten' (BNVR) dan toch een overeenkomst tot stand voor het beheer van een deel van de gemeenteëigendommen in het gerangschikt landschap (64).
In de heidevlakte heeft men daar kleine reliëfverschillen op een korte afstand een mozaïek van verschillende begroeiingstypen. In de laagste delen komen tal van vennen voor (foto G. Charlier) 29 M&L
Dat niet de VNS maar de BNVR de voorkeur kreeg was niet alleen toe te schrijven aan het feit dat deze vereniging reeds een 10-tal jaren ervaring had met het beheer van natuurreservaten, maar ook aan het feit dat, in tegenstelling tot de VNS die het integrale behoud van de Kalmthoutse Heide verdedigde, de BNVR openlijk (65) de visie van het gemeentebestuur bijtrad wat betreft de bestemming van de Withoevense heide (66). Het voorgestelde project paste ook beter in de plannen van het gemeentebestuur. De BNVR voorzag een opzet naar het voorbeeld van het Zwin, een deels commerciële aangelegenheid dus. Hiervoor was de inrichting van het gebied nodig voor een indeling in zones met verschillend recreatief gebruik, met andere woorden : afsluitingen, afscheidingsgrachten, paden, parkeerplaatsen, gebouwen voor toezicht en opvang van bezoekers, cafetaria, .... Dit project kende in brede wetenschappelijke en natuurbeschermingskringen geen onverdeeld succes. Het opzet en het eenzijdig gericht beheer naar de avifauna toe deed vele vragen en kritiek ontstaan. Als enig afdoend alternatief stelde de VNS de oprichting voor van een degelijk beheerd staatsnatuurreservaat. De KCML (67) zag in het project een bedreiging voor het landschap aangezien de 'inrichting van het gebied' strijdig was met de bepalingen van het rangschikkingsbesluit. Ondanks de vele protesten werd de overeenkomst toch van kracht (68). De BNVR voerde echter slechts een deel van haar plannen uit. De nadruk werd verlegd naar het beheer van de fauna en de flora van het heidelandschap. Zo werden sluisjes gebouwd in de omgeving van de Drielingvennen en de Biezenkuilen om het gepaste waterpeil te kunnen bekomen voor de instandhouding van de natte-heidevegetaties. Daarnaast werd de overvloedige uitzaaiing van dennen en berken tegengegaan voor het behoud van de droge heide en werden aangepaste plantesoorten aangeplant om plaatselijk ongewenste zandverstuivingen tegen te gaan. Al deze werken werden door de KCML gunstig geadviseerd. Het staatsnatuurreservaat Ondertussen werden op regeringsniveau verder de mogelijkheden onderzocht voor het oprichten van een staatsnatuurreservaat in de Kalmthoutse Heide. Het Bestuur voor Waters en Bossen werd gelast met het ontwerp. Met het gemeentebestuur werd onderhandeld en de nodige kredieten voor huren en aankopen in de Kalmthoutse Heide werden vrijgemaakt. Het staatsnatuurreservaat 'de Kalmthoutse Heide' werd uiteindelijk opgericht bij Koninklijk Besluit van 24 september 1968 (69). Hierdoor werd verkregen dat een bevoegde en deskundige instantie met het nodige personeel het toezicht en het beheer van een belangrijk deel van de Kalmthoutse Heide kon verzorgen. Dit beheer zou voortdurend bijgestuurd worden op basis van grondige wetenschappelijke studies (70) die gedeeltelijk in M&L 30
opdracht van het Bestuur worden uitgevoerd. Tevens kunnen, wanneer de gelegenheid zich voordoet, bijkomende gronden worden aangekocht. Door een Koninklijk Besluit van 16 maart 1977 werd de Kalmthoutse Heide als natuurreservaat bevestigd in de zin van de wet op het Natuurbehoud van 12 juli 1973. Hierdoor werden een aantal beschermende verbodsbepalingen van toepassing. Deze kwamen nagenoeg overeen met de algemene bepalingen van het politiereglement van de gemeente Kalmthout. Samen met een bescheiden inrichting van het gebied (het aanduiden van wandelpaden, het afsluiten van zonesmet-verboden-toegang door een laag-bij-de-grond gespannen draad, het plaatsen van borden met bepalingen) werd het recreatief gebruik van de heide in goede banen geleid. Het beheer van de Heide spitst zich voortaan toe op het behoud en het herstel van de verschillende begroeiingstypen door het afsluiten van zones voor landschapsherstel, het zorgen voor een gepaste waterbeheersing, het laten begrazen van de heide door schapen en geiten (71), het kappen van bepaalde dennenbestanden voor de uitbreiding van de heide (72) en een goede organisatie ter voorkoming van branden (73). Voor het behoud van de rust en de stilte voor de avifauna, worden in de broedperiode bepaalde zones verboden voor de bezoekers. Ook voor het wetenschappelijk onderzoek van het gebied worden zones afgesloten.
Tot besluit De rangschikking als landschap vormde en vormt zonder twijfel nog steeds de hoofdbescherming voor het behoud van de Kalmthoutse Heide. De geschiedenis leert ons dat tegenover de voortdurende druk die door verschillende belangengroepen op de Kalmthoutse Heide werd uitgeoefend, de rangschikking de officiële erkenning van het (nationaal) belang van het landschap vormde en de juridische basis bood ter verdediging van natuur en landschap. Ze vormde een belangrijk tegengewicht voor geplande ingrepen — ook na de rangschikking van het landschap voortdurend voorkomen — die andere gebruiksvormen tot doel hadden. Omdat de Heide privé-bezit was van talrijke eigenaars, vormde dit één van de grootste bedreigingen. Indien deze eigenaars elk op hun manier hun eigendom zouden inrichten en beheren, zou op lange termijn van de Heide geen sprake meer zijn. De rangschikking was lange tijd het enig doeltreffend middel — en is het nu nog in vele gevallen in die delen die nog privé-bezit zijn — om de Kalmthoutse Heide te beschermen, ongeacht het feit dat het hele landschap in het gewestplan de bestemming 'natuurgebied met wetenschappelijke waarde' meekreeg in het gewestplan. Hoger werd er echter op gewezen dat de rangschikking als landschap en de bepalingen van het rangschikkingsbesluit tekortkomingen inhielden. Hierdoor bleek de noodzaak voor het nemen van een
aantal aanvullende maatregelen voor een meer sluitende bescherming van de Heide. Het uitvaardigen van een politiereglement voor de gemeenteëigendommen in de Heide en later van de staatsnatuurreservaatsreglementen en -bepalingen, bood een gepaste oplossing voor deze delen die het meest door het publiek werden bezocht. Het verdient evenwel ten zeerste aanbeveling om deze bepalingen uit te breiden tot het hele landschap, door een aanpassing en aanvulling van het rangschikkingsbesluit. Op deze manier kan men tot een integraal beleid voor het hele landschap komen. Anderzijds biedt de rangschikking geen oplossing voor het beheer van het landschap. Door de creatie van het staatsnatuurreservaat is, althans voor de gemeentegronden, dit probleem opgelost. Aangezien het beheer van landschappen een algemeen probleem is, weze hiermee nogmaals de noodzaak aangetoond om de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en lanschappen, die zeker niet voorbijgestreefd is, toch voor dit belangrijk aspect te actualiseren.
De bezoekers van de heide worden zoveel mogelijk op wandelpaden gekanaliseerd. Bepaalde zones worden afgesloten voor het herstel van het landschap maar ook voor het behoud van rust en stilte tijdens het broedseizoen van de heidevogels (foto BML) Voetnoten (1) Maandblad van de Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon (VNS) van november 1923. (2) Maandblad van de VNS van september 1932. (3) Maandblad van de VNS van november 1926. (4) Verslag uit 1930 van de Algemene Secretaris van de Belgische Boerenbond over het werkjaar 1929. (5) In een artikel in het maandblad van de VNS van februari 1931 worden een reeks voorbeelden opgesomd: in 1911 werden meer dan 1200 handtekeningen verzameld ten voordele van het behoud van de Kalmthoutse Heide. Daartussen kwamen de namen voor van bekende kunstenaars als Eugène Laermans, Jacob Smits, August Vermeylen, Lodewijk Mortelmans, Frits De Bom en Louis Franck. Toen werd ook een manifest de wereld ingezonden, ondertekend door een dertigtal gezagheb-
bende kringen uit het Antwerpse, waartussen de Maatschappij voor Aanmoediging van Schoone Kunsten, het Koninklijk Kunstverbond, Kunst en Steden, de Vereniging van Letterkundigen. (6) De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten had toen reeds honderden hectaren natuurgebied aangekocht. (7) Maandblad van de VNS van februari 1931. (8) Wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. (9) Deze vereniging heeft zich door de jaren heen het meest nadrukkelijk met de Kalmthoutse Heide ingelaten. Zij was één van de bezielers van allerlei acties voor het behoud en de bescherming van de Heide. Zij trad in de meeste gevallen op als organisator, coördinator en spreekbuis van tal van natuur-, cultuur-, toeristische en andere verenigingen in de strijd voor het behoud van de Kalmthoutse Heide. Zij had daarenboven goede contacten met de pers en met instanties die de bescherming van natuur en landschap in hun bevoegdheid hadden. (10) De afdeling landschappen van deze commissie werd pas opgericht in 1912. (11) Dit waren de plaatselijke, briefwisselende leden van de centrale commissie. (12) Er bestond toen nog geen wetgeving over de oprichting van natuurreservaten. Het ging over een vrijwillige overeenkomst met de eigenaar(s) om het gebied te behouden zoals het was (door huurovereenkomst of aankoop). (13) Maandblad van de VNS van februari 1931. (14) Maandblad van de VNS van maart 1931. (15) Deze wet is nog steeds van toepassing op de landschappen; ze werd enkel op een aantal kleine punten gewijzigd bij decreet van 13 juli 1972. (16) De artikelen 1 en 6 van de wet van 7 augustus 1931 bepalen dat op voorstel van de KCML of van het College van Burgemeester en Schepenen de Regering een landschap bij Koninklijk Besluit kan rangschikken en onder de bescherming van de Staat stellen. (17) De verschillende stappen van de procedure tot rangschikking als landschap en de problemen errond worden uitgebreid behandeld in de niet-uitgegeven verhandeling "De invloed van de wettelijke bescherming op het behoud van de eigenheid van de Kalmthoutse Heide' uit 1986 van de auteur van dit artikel. (18) Dit voorstel diende (naast een verantwoordingsnota) een afbakening en een lijst van de beperkingen aan de rechten van de eigenaars te bevatten. (19) Maandblad van de VNS van mei 1932. (20) Reeds in deze periode benadrukte men ook de geomorfologische waarde van de Heide. (21) De lijst met erfdienstbaarheden en het plan met de grenzen van het landschap dienden aan de eigenaars betekend te worden. Gelet op de uitgestrektheid van het gebied (± 1865 ha, ± 540 percelen) en het aantal eigenaars (± 130) was dit een tijdrovende bezigheid (zij werd uitgevoerd door gemeentelijke diensten). De betrokkenen konden hun aanmerkingen kenbaar maken aan de Bestendige Deputatie die een advies diende te formuleren. Tot slot diende de KCML een met redenen omkleed advies voor te leggen aan de Regering die dan kon beslissen of het landschap al dan niet werd gerangschikt. (22) In het maandblad van de VNS van mei 1932 wordt vermeld dat de nodige kredieten voor de uitvoering van de rangschikkingsprocedure niet voorhanden waren. In een nota van het PCBL aan de KCML, daterend van 18 april 1933, wordt geheel afwijzend gereageerd op de vraag van de KCML of het landschap niet kon beperkt worden tot het openbaar domein om aldus de kosten van de rangschikkingsprocedure te drukken. (23) Bulletin der Koninklijke Commissie voor Kunst en Oudheidkunde, 1936. (24) In een brievenactie uit 1936 van boeren die gronden in de heide bezaten of huurden, wordt de rangschikking van de Heide aangevochten als broodroof, omdat de landbouwexploitatie in het gebied onmogelijk zou gemaakt worden en potentiële landbouwgronden verloren zouden gaan. (25) Het schrijven van 4 juni 1936. (26) Alinea 3 van artikel 6 van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. (27) Belgisch Staatsblad van 1 april 1942.
31 M&L
••Hl
(28) Maandblad van VNS van mei 1932 en het Bulletin der Koninklijke Commissie voor Kunst en Oudheid van 1936. (29) Artikel 1 van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen bepaalt dat een landschap slechts gerangschikt kan worden indien het van nationaal belang kan geacht worden. (30) De 'deklassering" verloopt volgens dezelfde procedure als de rangschikking. (31) Het beeld op pagina 24 (bovenaan) zou er heel anders uitgezien hebben. (32) De zuidelijke punt van het gerangschikt landschap, ten zuiden van de Putse Steenweg. (33) Het schrijven van 1 april 1954. (34) Het schrijven van 3 november 1954. (35) Artikel 21 van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. (36) Koninklijk Besluit van 29 september 1961. (37) Het schrijven van 17 mei 1967. (38) Alternatieve trajecten zijn in verstedelijkte streken op technisch en veiligheidsvlak moeilijker uit te voeren. Z e zijn om deze redenen ook aanzienlijk duurder. (39) Noord-zuidwaarts aan de oostkant en oost-westwaarts aan de zuidkant van het gerangschikt landschap; daarnaast loopt er nog afzonderlijk een militaire leiding. (40) D e erfdienstbaarheden van de rangschikking als landschap gelden hier niet. (41) Zeker de vochtgebonden vegetaties van de vennen, moerassen en vochtige heide zouden grote schade kunnen ondervinden van watertafeldalingen. Niettegenstaande men diep onder de Kempische kleilaag — die geen water doorlaat — water won, bleef er het reële gevaar dat ook de watertafel erboven kon beïnvloed worden, aangezien deze kleilaag niet 100 % continu kon zijn en er tengevolge van onzorgvuldig werken ook contacten tussen de twee waterlagen konden ontstaan. (42) Dit is de verbindingsweg Kalmthout - Putte (Kapellen) die in het zuiden van het landschap loopt, ter hoogte van de Withoevense Heide. (43) Deze mensen waren anders verplicht helemaal rond (de noordoostzijde van) het landschap te gaan. (44) Artikel 10 van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen bepaalt dat wanneer de houder van een onroerend goed dat in een gerangschikt landschap gelegen is, werken onderneemt welke verboden zijn krachtens het rangschikkingsbesluit, de Burgemeester of de Gouverneur deze werken mag doen stilleggen door tussenkomst van de gewapende macht. (45) Verslag van 4 februari 1954 van de KCML aan de Minister. (46) Het kappen van bomen zonder toelating wordt verboden in artikel 2, punt 2 van het rangschikkingsbesluit. (47) Het Bestuur voor Waters en Bossen beheerde een groot deel van de bossen in de Kalmthoutse Heide aangezien het als terzake bevoegde instantie instond voor de gemeentebossen. Daarenboven was in het rangschikkingsbesluit voorzien dat alle kappingen verboden waren zonder toelating, met uitzondering van normale dunningen of kappingen van windvallige bomen. Dit bestuur besliste of het aldan niet een aanvraag voor een normale dunning of een kapping van windvallige bomen betrof of voor een kapping waarvoor een toelating nodig was. (48) Artikel 2, punt 1, van het rangschikkingsbesluit bepaalt dat het verboden is zonder toelating een gebouw op te richten. (49) Artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw. (50) Artikel 2, punt 4, van het rangschikkingsbesluit bepaalt dat het verboden is zonder toelating palen te plaatsen voor electrische drijfkracht of voor luchtkabels. (51) Door het systematisch weigeren van aanvragen en het veroordelen van eigenaars die wederrechtelijk constructies oprichten. (52) Koninklijk Besluit van 30 september 1977. In de voorschriften van de gewestplannen wordt bepaald dat deze natuurgebieden met wetenschappelijke waarde in hun staat moeten bewaard worden wegens hun wetenschappelijke of pedagogische waarde. In deze gebieden zijn enkel de handelingen en werken toegestaan, welke nodig zijn voor de actieve of passieve bescherming van het gebied. Deze algemene bepalingen worden niet verder gespecifieerd. (53) Over deze gevallen is niets in het administratief dossier van de Kalmthoutse Heide te vinden. M & L 32
(54) Deze problematiek van de bescherming van de Kalmthoutse Heide wordt meer uitgebreid behandeld in de niet uigegeven verhandeling 'De invloed van de wettelijke bescherming op het behoud van de eigenheid van de Kalmthoutse Heide' uit 1986, door de auteur van dit artikel. (55) Schrijven van 21 juni 1950 van het PCBL aan de KCML. (56) Een wijziging van een rangschikkingsbesluit verloopt volgens dezelfde procedure als de rangschikking als landschap. (57) De verbodsbepalingen zijn in de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen gedefinieerd als beperkingen van de rechten van de eigenaars. (58) De Politieverordening van 23 juni 1934, aangevuld op 29 juni 1935. (59) D e Gouverneur die als hoofd van de provincie de wettelijke bevoegdheid had inzake het toezicht op gemeentelijke instanties en hun beslissingen, was tevens voorzitter van het PCBL. (60) Ook deze uitbreiding kwam inhoudelijk grotendeels overeen met het ontwerppolitiereglement; ze bevatte tevens een aanpassing van de bepaling van het verbod op het wijzigen van uitzicht van de grond door de aanvulling: "en het landschap". (61) Schrijven van 30 juni 1957 aan de KCML. (62) Eén van de redenen was de disproportie van erfdienstbaarheden die tussen de gemeentegronden en de privé-eigendommen zou ontstaan indien alleen een politiereglement zou van kracht worden op de gemeenteëigendom. (63) De wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen biedt enkel de mogelijkheid tot het opleggen van beperkingen aan de rechten van de eigenaars. Deze wet gaat geheel voorbij aan het dynamisch aspect van een landschap. (64) Het betrof 500 a 600 ha, waarbij probleemgebieden als de gronden langsheen de Putse Steenweg, de Withoevense Heide en de landbouwgronden ter streke Steertse Heide niet betrokken waren. (65) Niet gedateerde nota van de BNVR gericht aan de gemeenteraadsleden van Kalmthout. (66) De BNVR vond de Withoevense Heide wetenschappelijk niet belangrijk en was tevens van mening dat een ander gebruik van de noordelijke gronden (voor landbouwdoeleinden dan) geen afbreuk zou doen aan het landschap. (67) Het schrijven van 10 september 1963 vanwege de KCML aan de Minister. (68) De Gouverneur had een artikel laten toevoegen waarin bepaald werd dat een "Commissie van Goede Diensten" diende opgericht te worden teneinde een degelijke begeleiding van het beheer van het natuurreservaat te verzekeren (aanvulling van de overeenkomst op 27 januari 1964). Deze commissie werd opgericht onverminderd de wettelijke bevoegdheden van de Minister die bevoegd was voor de gerangschikte landschappen, en van de KCML. (69) De in het statuut van de staatsnatuurreservaten (K.B. van 25 mei 1964) voorziene mogelijkheid voor de oprichting van een werkgroep, samengesteld uit terzake bevoegde specialisten, ter begeleiding van het beheer, werd voor de Kalmthoutse Heide als volgt samengesteld: twee leden aan te duiden door de Hoge Raad voor de Domaniale natuurreservaten en de natuurbescherming, drie van het Bestuur van Waters en Bossen, één van het Gemeentebestuur, twee van de vereniging BNVR, twee van de VNS en twee van het PCBL. (70) Het Departement Biologie van de Universitaire Instelling Antwerpen heeft een veldbiologisch station in de Kalmthoutse Heide. (71) De heide is grotendeels door ingrepen van de mens ontstaan: door het rooien van bossen, het begrazen, het afplaggen (voor grondbedekking in de stallen, nadien als bemesting van de akkers gebruikt), het branden van zandbodems. Vermits het begrazen de minst arbeidsintensieve en best controleerbare activiteit is, werden in de heide opnieuw kudden schapen en geiten gebracht. (72) Grote dennenbestanden werden aangeplant voor de houtopbrengst. In deze donkere bossen met een dichte strooisellaag van dennennaalden verdween de heidevegetatie. (73) Een goede organisatie ter voorkoming van branden in warme en droge periodes is onontbeerlijk aangezien de heide zich slechts traag herstelt en er door windwerking grote kale vlakten ontstaan.
WANNEER DE VORM HET HOOFDDOEL IS
BETONNEN SIERVORMEN EN SIERELEMENTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN NIEUWBOUW
Hoekstuk Kroonlijst Rusthuis Antwerpen
tragelweg 4 - b 9200 weiteren tel. (091) 69.19.11 - fax (091) 69.07.04 N.V. AGREFA
Antwerpen, het "Vlaams Economisch Verbond" gevelelementen in architectonisch beton uitvoering : glasmozaïek op wit beton
Europapoort Belliardstraat Brussel
Lotto, Presto, Duo, Joker. De winnaars die niet spelen danken de spelers die niet winnen. De 65% Belgen die met de Lotto, Presto, Duo of Joker spelen, hoeven zich geen kopbrekens te maken in de bestemming van hun inzet als zij verliezen. De Nationale Loterij maakt er helemaal geen geheim van en zegt het duidelijk in de dagbladen of met metersgrote affiches: hun inzet dient zowel voor de restauratie van een historisch waardevol gebouw of de internationale uitstraling van
de Opera voor Vlaanderen, als voor het kankeronderzoek, de voorbereiding van de Belgische atleten of waterboringen voor de hard getroffen Sahel-bewoners. Trouwens, haar naam alleen al maakt het duidelijk. De Nationale Loterij die de Lotto, Duo, Presto en Joker groepeert, is geen privé-onderneming gebaseerd op winstbejag, maar een openbare instelling ten dienste van de Gemeenschap. Anders gezegd, zelfs
al winnen zij niet met de Lotto, Duo, Presto of Joker, hun inzet is nooit weggegooid geld. Hij is enkel omgetoverd in een aria, een museum, een laserstraal, een atletiekpiste of een levensnoodzakelijke bron midden de woestijn.
©
Nationale Loterij Kardinaal Mercierstraat 6 1000 BRUSSEL
aarzel niet ons vrijblijvend te raadplegen
Beter met de bank van hier. Hier leven en werken. Hier groeien, opgroeien, bouwen aan de toekomst omdat hier nog toekomst is. Met een sterke bank die hier haar wortels heeft. Met een grootbank die hier met u van elk obstakel een nieuwe overwinning maakt. Met de Kredietbank, de bank van hier.
r
r
M&J2 B0A)A}'BA)ICRAAJ t T^e.n QoiAtnotOii. mjstTLe.ce.nte. On^otm-CAtie o\>et AAoniAisnenten&./loincisclsiCApszo&j.
Inhoud nr. 37 / Bijlage bij M&L 7/6--November-December 1988 Buitenkrant Restauratie K.C.M.L. Literatuur Wet- en regelgeving Tentoonstelling
2 9 12 12 14 v
15
Raad van Europa Congres 'De Technische Mijnmonumenten, cultuurpatrimonium' Bochum (BRD) (5-9 september 1988) Zowat overal in West-Europa wordt de steenkoolwinning afgebouwd. Het is geen nieuw fenomeen. Werkten onder andere de Belgische Steenkoolmijnen na Wereldoorlog II op volle kracht — in 1952 kende ons land een nooit gekend produktiepeil van ± 30.000.000 ton — , dan staat na 1957 de Belgische Steenkoolsector er zwakker voor dan ooit. Onder druk van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (opgericht in 1952) werd in de periode 1959-1968 het aantal mijnzetels van 90 tot 31 ingekrompen en werd de produktie van 22,75 miljoen op 14,8 miljoen ton gebracht. De petroleumcrisis van 1970 zorgde daarentegen voor een kortstondige heropflakkering. Het vervolg van de geschiedenis kennen we: sluiting van de laatste Waalse mijn in 1984 en stopzetting van de produktie in 3 Limburgse mijnen in de periode 19871988, met 1992 als voorzien eindpunt voor alle extractieactiviteiten door de n.v. Kempense Steenkoolmijnen. Wat dient er nu te gebeuren met het vanop architecturaal en industrieelarcheologisch oogpunt waardevolle mijnpatrimonium?
een welkom internationaal ontmoetingsplatform ervaren. Uit een aantal deelnemers (méér dan 100), afkomstig van zowat alle WestEuropese landen. Polen en Canada, bleek dat: - men op internationaal niveau de culturele betekenis van het mijnpatrimonium hoog inschat - men erg bezorgd is om de inventarisatie, de studie en het behoud ervan. De rapporten van verschillende nationale afgevaardigden beaamden daarenboven dat er in de ons omringende landen reeds een aantal veelbelovende projecten in uitvoering zijn. Opvallend was daarbij de inbreng van Dr. Zöpel, Minister voor Stadsontwikkeling, Wonen en Verkeer, van de Staat Nordrhein-Westfalen. Deze hield een vurig pleidooi pro behoud van het industrieel erfgoed in het algemeen en van het mijnpatrimonium in het bijzonder. Hierbij gaf hij de monumentenzorgers enkele aanwijzingen die wel eens zeer nuttig zouden kunnen zijn in discussies met 'tegenstanders'. Verder hadden de meeste sprekers het over de stand van zaken met betrekking tot inventarisatie, studie en behoud van het mijnpatrimonium in hun respectieve landen. Hierbij ging het niet enkel over de extractie van kolen maar ook over andere vormen van ertswinning. Wij zullen het niet in extenso hebben over datgene wat per land aan bod kwam. Het zal hier volstaan naar voren te halen wat voor onze initiatieven inzake het behoud van het Limburgse mijnpatrimonium van belang zou kunnen zijn. Het viel ons op dat alle sprekers konden verwijzen naar concrete en positieve ervaringen die zowel de overheid als de privé-sector van hun respectievelijke landen van oorsprong in het kader van reeds gepresteerde verwezenlijkingen mochten opdoen. Problemen en vraagstellingen die als vanzelfsprekend bij ieder 'menselijk project voorkomen werden hierbij niet verzwegen. Aan het slot van het colloquium werd dan de balans opgemaakt. Uit het verschil van wat goed of (te) licht werd bevonden werden dan, zoals gebruikelijk, de nodige aanbevelingen gedistilleerd.
Het is een prangende vraag aan het adres zowel van de Vlaamse als van de Provinciale Overheid. Het Bestuur voor Monumenten en Landschappen heeft dan ook ogenblikkelijk een rapport opgesteld en dit met medewerking van het Provinciaal Museum voor Industrieel Erfgoed. In augustus jongstleden nam de Heer P. Dewael, Gemeenschapsminister van Cultuur een beslissing aangaande het behoud van een aantal gebouwen en inrichtingen te Waterschei en te Winterslag. Tevens nam de Minister, in samenspraak met de n.v. Kempense Steenkoolmijnen een optie om de mijnzetel te Beringen integraal te behouden. Studiewerk, planning, samenwerkingsverbanden en de nodige financiële middelen zijn de normale ingrediënten van een recept waarmee men aan deze beslissingen gestalte kan geven. In het licht hiervan werd het Congres 'De Technische Mijnmonumenten, cultuurpatrimonium' te Bochum ongetwijfeld als
Werd genoteerd aan de positieve kant van de balans: 1. Het gastland, de Duitse Bondsrepu-
2
M&L BINNENKRANT
bliek en meer speciaal het Bundesland Nordrhein-Westfalen haalde ongetwijfeld een hoge score en geldt aldus als een goed voorbeeld. Ondanks de dreigende teloorgang van enkele niet te onderschatten sites is de toekomst van volgende belangrijke voorbeelden verzekerd: - de bovengrondse gebouwen en installaties van de steenkoolmijn 'Zeche Zollern II/IV (anno 1902) te Dortmund. Deze site maakt als museummijn deel uit van het 'Westfaals Industriemuseum', een gedeconcentreerd museum dat verschillende industriële vestigingen omvat met onder andere een steenbakkerij, een glasfabriek, een textielbedrijf, een scheepslift en; - nog twee mijnzetels uit vroegere periodes: 'Zeche Nachtigall' in Witten en een nog volledig uitgeruste 'Malakoff-toren (schachttoren) van de 'Zeche Hannover I/II/V te Bochum. - In de periode 1980 is enkel reeds door de landsregering van Nordrhein-Westfalen ± 700 miljoen BF in Westfaalse industriemusea en ± 900 miljoen BF in Rijnlandse industriemusea geïnvesteerd, wat neerkomt op 80 % van de respectievelijke museumbudgetten. - Goede kansen schijnen ook te bestaan voor de redding van verscheidene mijninrichtingen in andere 'Lander', onder andere te Goslar en in het Saarland. Hier stellen zich echter nog problemen van organisatorische en financiële aard. - Waardevol mijnpatrimonium kan ook gered worden door het behoud van de oorspronkelijke of aanverwante functies of door het toekennen van nieuwe bestemmingen aan de gebouwen in kwestie. Als noemenswaardige voorbeelden worden opgegeven: de 'Maximiliaan'-mijn te HammWerries met herbestemming als exotisch landschapspark waarin de bestaande structuren geïntegreerd worden als tentoonstellingsruimte voor bloemen en tropische serres. Een ander voorbeeld is de mijn 'Zollverein I/II/XII' (reusachtige mijn in zakelijke stijl uit de jaren 1930) waarvan het behoud op uitdrukkelijk verzoek van de mijnwerkersgemeenschap reeds werd vastgelegd maar waarvoor een nieuwe bestemming als recreatiezone nog ter discussie ligt. - Opvallend is wel dat men objecten die niet voor herbestemming vatbaar zijn, zonder discussie en op een puur museale wijze als waarde-
Deze invalshoek kan vooral in de Skandinavische landen op een respectabele traditie bogen, zoals uit de noordelijke bijdragen aan dit colloquium blijkt. Hierbij aansluitend komt uit Finland een oproep om méér aandacht te besteden aan de arbeidsomstandigheden en ook aan de werk- en productiemethodes. Zonder deze kennis blijven de studie met betrekking tot de ontwikkeling van de industriële architectuur en van de industriële technieken onvolledig. Ter illustratie van dit standpunt worden door de Finse spreker verschillende interessante voorbeelden aangehaald, waaronder het Mijnmuseum te Outokumpu en het museum van het Goud in Lapland. 4. Ook voor de archiefbewaring getroost men zich in verschillende Europese landen grote inspanningen. Wat dit aspect betreft moeten wij tot onze spijt aanstippen dat het behoud van de Limburgse mijnarchieven nog niet probleemloos verloopt.
3. Zo belanden wij dan bij het sociale en menselijke aspect in studie en behoud van het mijnpatrimonium.
5. Van Belgische zijden komen eveneens positieve berichten. Zij betreffen vooral de beslissing van Gemeenschapsminister van Cultuur P. Dewael om bepaalde gebouwen en bovengrondse inrichtingen in het Kempische bekken als momunent te beschermen. Tevens wordt verwezen naar een project 'Mijnstreekmuseum' dat door de Provincie Limburg rond de verzameling van ir. Goddeeris wordt uitgewerkt. Zonder een efficiënt samenwerkingsverband (met dito financiële afspraken) tussen alle betrokken personen en instanties zal een dergelijk project echter nooit het Europese niveau kunnen bereiken. Nochtans staat of valt hiermee het verhoopte succes van dit initiatief. Het ligt inderdaad in de lijn van de internationale verwachtingen dat het Limburgse project de reeds bestaande conserverings- en studieinitiatieven in andere Europese landen aanvult. In het licht hiervan wordt door een aantal Vlaamse verenigingen een hard standpunt geformuleerd, zoals blijkt uit een 'off-stage' document dat onder de deelnemers werd verspreid. Hierin wordt gesteld dat te weinig van de belangrijke bovengrondse gebouwen en inrichtingen van de in het oostelijk bekken gesloten mijnen voor wettelijke bescherming worden voorgesteld. Ook van Waalse zijde komt onrechtstreeks een waarschuwing. De spreker R. Leboutte, conservator bij het 'Musée du fer et du charbon' te Luik, beklaagt er zich over dat het Waalse mijnpatrimonium op enkele uitzonderingen na (museummijn te BlégnyTrembleur, mijncité te Bois-du-Luc, Le Grand-Hornu) volledig verloren is.
M&L BINNENKRANT
3
De gemeenschapsministers P. Dewael en E. Beysen op werkbezoek bij de schachtbok (1935) van de mijn te Winterslag op 28 juli 1988, en dit in gezelschap van de directie van de K.S., de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en het Bestuur voor Monumenten en Landschappen (foto BML) vol visueel, industrieel-archeologisch en historisch erfgoed behoudt. Hierbij denken wij aan schachtbokken die slechts in één enkel geval tot uitkijktoren kunnen omgevormd worden maar waarvan het voortbestaan als historische bakens in het landschap uiterst belangrijk is. - Men schroomt er zich evenmin voor om volledige schachtbokken naar museale sites over te plaatsen. Voorbeelden: 'Zeche Zollem UW en 'Bergbaumuseum' te Bochum. Bij dit alles valt niet te vergeten dat ook de thematische inventarisering, de systematische studie alsook het samenbrengen van waardevol materiaal op een 'veilige' plaats mede de basis vormen van deze interessante aanpak. Hoewel de overheid, voor wat de museale projecten aangaat, de grootste bijdragen levert, lijken de inspanningen van de bedrijfswereld een evenmin onaardige omvang aan te nemen.
2. Een gelijkaardige toestand vinden wij terug in de meeste Europese landen en niet in het minst in Frankrijk. Als dichtst bij de Belgische grens gelegen voorbeeld is het mijnmuseum te Lewarde (Pas-de-Calais) méér dan het vermelden waard. Ook hier werken de overheid en de betrokken mijnmaatschappij samen, wat dan resulteert in een levend museum rond het thema 'Energie'. Het gaat uiteraard niet over het enige museum op Frans grondgebied. Er bestaan veel initiatieven waarvan de oprichting soms teruggaat tot het begin van deze eeuw en waarvan de spreiding een nogal diffuus karakter draagt. Inventarisering en studie worden in Frankrijk evenmin vergeten. Daarenboven heeft men ook aandacht voor de typische vormen van mijnwerkershuisvesting die zich rond de mijnsites hebben ontwikkeld.
Dit hangt samen met het feit dat de mijnsluitingen in de Waalse bekkens dateren uit een tijd dat men zich van de culturele waarde van het industrieel erfgoed nog niet bewust was. Alle deelnemers zijn het er overigens over eens dat van het Europese Mijnverleden een zo volledig en zo samenhangend mogelijk beeld moet bewaard worden. Vanuit deze optiek stelt men echter vast dat de 'positieve' ontwikkelingen zich nog niet voldoende profileren. Uit reacties in de zaal en wandelgangen blijkt ten andere dat men de zeer actuele ontwikkelingen in Limburg met argusogen volgt. Men gaat bijgevolg unaniem akkoord met de volgende besluiten, die in algemene termen aangeven wat er in de lidstaten die bij de Raad van Europa zijn aangesloten nog aan schort:
3. De promotie en aanmoediging van instandhouding, restauratie en hergebruik; 4. De volledige erkening als onderdeel van het Europese erfgoed in de bestaande openbare en particuliere financiële programma's met inbegrip van fiscale faciliteiten; 5. Een wettelijk kader dat is aangepast aan de specifieke noden; 6. Een verwijdering van het publieke bewustzijn door middel van pedagogische en informatieve programma's; 7. Het stimuleren van opleidingsprogramma's voor specialisten (voorlopig nog niet opgenomen); 8. De voortdurende aanmoediging en promotie ervan in de toeristische sector. en bevelen verder nog aan dat het mijnpatrimonium in zijn geheel moet worden beschouwd en bestudeerd op interdisciplinaire basis.
Toegepast op ons Vlaams mijnpatrimonium betekent dit dat de wettelijke bescherming slechts de eerste belangrijke stap in de goede richting is. Verscheidene voorbeelden in het buitenland illustreren dat verdere implicaties van financiële en organisatorische aard niet als onoverkomelijke hinderpalen moeten beschouwd worden. Een stuk Europese identiteit en ook prestige ligt hier voor Vlaanderen in de waagschaal. Wij zijn er dan ook van overtuigd dat de Vlaamse Overheid en het Vlaamse bedrijfsleven het te Bochum geformuleerde Europese standpunt — dat via de Europese Ministerraad voor verder gevolg aan de verschillende regeringen zal worden overgemaakt — kunnen aanvaarden, wat meteen goed nieuws zou betekenen voor de toekomst van het mijnpatrimonium in Limburg, Europese regio bij uitstek. J. De Schepper
De deelnemers aan het Colloquium te Bochum - met inachtneming van de grote invloed die de mijnindustrie op belangrijke gedeelten van de natuurlijke en gebouwde omgeving, inclusief transport- en bevoorradingssystemen, heeft gehad; - met erkenning van het feit dat de mijnindustrie de eerste primaire industriële activiteit is geweest en aldus in de ontwikkeling van de Europese economische, sociale en culturele identiteit en de daaruit voortvloeiende bijdrage op wereldvlak een unieke plaats bekleedt; - overwegend dat op een tijdstip van grote omwentelingen in de Europese mijnindustrie, het mijnpatrimonium op grote schaal dreigt verloren te gaan, en dit gaat van eenvoudige voorwerpen tot uitgestrekte landschappen met hun gemeenschappen; - toegevend dat daar waar er soms problemen van ecologische orde bestaan, de ervaring leert dat dit probleem kan overwonnen worden en de baten op lange termijn positief zijn;— verwijzend naar de aanbevelingen die op vorige colloquia rond dit thema door de Raad van Europa werden georganiseerd (Lyon 1985, Madrid 1986); Bevelen met betrekking tot het mijnpatrimonium het volgende aan 1. De onmiddellijke ontwikkeling van onderzoek, registratie en documentatie en wel op het hoogste niveau; 2. De aangroei en verbetering inzake de uitwisseling van informatie tussen de betrokken particuliere, openbare en commerciële organisaties;
De betonnen schacht van de mijn te Eisden (foto BML)
4
M&L BINNENKRANT I
International updating course on structure, deterioration and conservation of timber in historic buildings Leuven, 16 mei-19 mei 1988 Onder de majestueuze kapconstructie van het huis van Chiévres in het Leuvense Groot Begijnhof werd deze 'updating course', georganiseerd door de K.U.Leuven in samenwerking met ICOMOS, geopend door Prof. Dr. R.M. Lemaire. Prof W. Liese (Univ. Hamburg) gaf gedurende deze vierdaagse een belangrijk aantal voordrachten en verzorgde ook de coördinatie. Hij leidde de cursus in met een beknopt overzicht van de biologische en chemische eigenschappen die het gebruik en de conservatie van hout als bouwmateriaal determineren. Hieruit onthielden we vooral dat elk van de duizende bekende houtsoorten een verschillend verdedigingsmechanisme heeft tegen indringing van lucht in de levende cellen. Deze cellen hebben tot belangrijke taak het transport van water en voedingsstoffen voor de groei van de boom en verzetten zich derhalve tegen opname van lucht. Bij naaldhout gebeurt dit door de mechanische sluiting van de stippels; bij loofhout wordt door een chemische reactie de cel gevuld met blaasjes. Het is ditzelfde proces dat in alle cellen op gang gezet wordt bij droging van een gekapte boom. Deze eigenschap maakt gedroogd hout zeer vochtbestendig doch het belet op zijn beurt ook de diepe indringing van een beschermingsprodukt. Dit natuurlijk proces wordt volgens Liese niet beïnvloed door de wijze van droging van het hout, zodat alle op kunstmatige snelle wijze gedroogd hout niet van slechtere kwaliteit zou zijn dan natuurlijk gedroogd hout. Ook door het vers gekapt hout in water te leggen zou geen kwaliteitsverschil bekomen worden. Evenmin zou het seizoen waarin een boom geveld wordt een rol spelen. Van Lieses uiteenzetting over de natuurlijke weerstand van hout tegen biodegradatie noteerden we dat het kemhout van eiken een zeer groot gehalte aan toxische looistof bevat — wat zijn natuurlijke duurzaamheid bepaalt — en het derhalve niet noodzakelijk kunstmatig te verduurzamen is. Arch. Fr. Charles (Verenigd Koninkrijk) lichtte met enkele dia's de praktijk van het restaureren van houten vakwerkgebouwen in Engeland toe. Op te merken valt dat het 'zwarten' van het houtskelet in de gevels als een Victoriaanse ingreep wordt afge-
wezen en dat bij de restauratie steeds het blank eikehout in zicht wordt gebracht. Ook zou volgens Charles het gebruik van niet gedroogd groen eikehout bij restauratie niet uit den boze zijn, doch zeer waarschijnlijk overeenstemmen met de middeleeuwse bouwwijze. Dit kan men verklaren vanuit de biologische eigenschap van eikehout: vers kernhout heeft een vochtgehalte van 40%; bij droging tot het vezelverzadigingspunt (20%) verandert de sterkte niet noemenswaardig en blijft het hout goed verwerkbaar; eenmaal voorbij de grens wordt eikehout bijna onbewerkbaar met gewone smeedijzeren werktuigen. Dr. Klein (Univ. Hamburg) besprak de algemene principes van de dendrochronologische datering van hout, waarna Dr. Stevens (R.U. Gent) de fysische en mechanische eigenschappen van hout met de nodige tabellen en curves verduidelijkte. Thema voor de 2de dag van de cursus waren alle vormen van deterioratie en aantasting van hout. Hout vergaat niet door veroudering alleen: de aftakeling is steeds terug te voeren tot micro-organismen (fungi en bacteriën), insecten of chemische reacties. Prof. Liese behandelde in het algemeen de aantasting door fungi en Dr. Klein gaf een overzicht van de houtvretende insecten. Op te merken valt dat de Duitse wetgeving terzake zeer voorbeeldig een 'Meldungspflicht' oplegt voor wie de huiszwam of de huisboktor vaststelt in zijn eigendom. Minder goed nieuws is daarentegen het toenemend voorkomen van houtvretende termieten — met kolonies in Hamburg en Parijs — in gebieden noordelijk van de Alpen, een klimaat waarin zij vroeger niet konden overleven. De bijdrage van Prof. Kaila (Finland) leerde dat hout ook aangetast wordt door zonlicht (foto-oxydatie) en hitte. Van het eerste kan gezegd dat deze aantasting zeer oppervlakkig is, dat zij niet bestreden moet worden, maar dat de grijskleuring van onbehandeld hout integendeel in Finland zeer gewaardeerd wordt. Een voorbeeld van de afbraak van hout door hitte werd op de laatste dag van de cursus toegelicht door Arch. Insall (Groot-Brittannië) belast met de restauratie van het plafond van de 'Parlement Hall' te London. Dit neogotische, valse plafond bleek van bovenuit door oververhitting doorheen de gietijzeren dakbedekking en van onderuit door de hitte van de voormalige gasverlichting volledig gedenatureerd. Het derde luik van de cursus behandelde de mogelijkheden van conserverende houtbehandeling en preventieve houtbescherming. Uit de bijdrage van Prof. Liese bleek vooral de
I M&L BINNENKRANT I
beperktheid van een houtverduurzamingsbehandeling, die zoals reeds gezegd biologisch bepaald is door de relatieve ondoordringbaarheid van hout, zowel voor watergebonden preparaten als voor organische solventen. Bij een oppervlaktebehandeling, maar ook bij het ingieten in boorgaten bekomt men slechts een zeer beperkte indringing in het hout en wordt slechts een dunne vergiftigde schil gevormd. Daaruit volgt dat dergelijke behandeling alleen zinvol is nadat het hout tot de gewenste secties verzaagd is. Dan nog vormen alle door droging ontstane windbarsten een gemakkelijke toegang voor biologische aantasting. Ook de wijze van aanbrengen van een houtverduurzaming is van belang. Voor een behandeling in situ is spuiten of sproeien ten stelligste af te raden gezien het grote verlies van produkt, wat zowel voor mens als milieu schadelijk is. Het aanbrengen met de borstel is dan weer kostelijk omdat een juiste dosering slechts wordt bekomen door een herhaalde behandeling. De juiste dosering is in elk geval van uitzonderlijk belang. Een teveel aan giftige stoffen is overbodig en schadelijk voor het milieu, doch een te lage dosering heeft geen dodelijk maar integendeel een stimulerend effect op de aantasting. Zeer gevaarlijk is ook de verbranding van overschotten of afval van behandeld hout voor zover deze niet gebeurt bij een temperatuur van meer dan 1000 C° in een gespecialiseerde verbrandingsinstallatie. De voor het milieu meest zuivere oplossing is de recuperatie van behandeld hout tot de volledige verrotting. De gehele aanpak van de houtconservatie bestempelde Prof. Liese als zeer primitief gezien het steeds draait om het 'vergiftigen' van hout voor microorganismen en insecten. Momenteel voert men evenwel onderzoek naar meer milieuvriendelijke oplossingen die erin bestaan dat men de voorwaarden qua microklimaat voor biologische aantasting ongunstig maakt, bv. door het volledig waterresistent maken van hout. Tegelijk stelde hij dat houtparasieten een zeer waardevolle schakel vormen in het natuurlijk evenwicht van het milieu, zonder dewelke wij naast alle andere afvalproblemen nog een houtafvalprobleem zouden hebben. De kwaliteiten van hout kan men niet voldoende benadrukken. Hout is het enige bouwmateriaal dat zich op een natuurlijke wijze, uitsluitend door het gebruik van zonneënergie, blijft vernieuwen. Het is bovendien biologisch volledig afbreekbaar zondere enige schade voor het milieu. Naast een reeks case-studies en raadgevingen uit de praktijk gegrepen, zoals de bijdragen van A. De Ceuleneer (docent NHIBS Antwerpen) en
5
Klapwijck (firma Bèta-Renofors), werd vooral de tussenkomst van JJ. Soulas (Frankrijk) gewaardeerd. Deze timmerman met reeds heel wat ervaring in restauratie van houten vakwerkbouw overtuigde met zijn zeer ambachtelijke en traditionele aanpak. Spijtig genoeg werd de voordracht van Arch. M. Waever (Canada) afgelast. Tot slot dient gezegd dat de benaming 'updating course' niet helemaal de lading dekte. De cursus werd eerder ervaren als een nuttige opfrissing van de algemene kennis van deze materie dan dat er veel nieuws kon worden gesprokkeld.
reidt een retrospectieve voor van de Waase kunstenaar Alfons Proost (1880-1957). Personen die over werken beschikken van Proost of die gegevens in verband met deze kunstenaar hebben, kunnen in verbinding treden met het Stedelijk Museum van SintNiklaas, Zamanstraat 49, 2700 SintNiklaas, S 03/776.07.53.
Betreffende deze materie is volgende literatuur zeker aan te bevelen: - Grosser D., Pflanzliche und tieriscbe Bau- und Werkholzschadlinge, Leinfelden - Echterdingen, 1985. - Verstraete Y., Hout, houtaantasting, houtverduurzaming. Literatuuronderzoek, bijdrage 02 van het Restauratievademecum, Zeist, 1986.
De renovatie- en restauratiewerken aan de beschermde Mechelse infanteriekazeme zijn begin mei gestart! Dit militaire bouwwerk, bij de Mechelaars beter bekend als 'Dossinkazerne', is een voor België uniek architektuurvoorbeeld van Oostenrijkse oorsprong. Op 22 januari 1756 gaf keizerin MariaTheresia, dochter van Karel VI van Habsburg, de toelating tot oprichting van deze kazerne voor het Oostenrijkse leger. De originele bouwplannen, opgemaakt door kolonel Delaing en herzien onder meer door F.L. Ammansi, worden bewaard in het Mechelse Stadsarchief. De eerste steen werd op 8 april 1756 gelegd door schout F.R. 'T Sestich. De bouw duurde 235 dagen, wat voor zo'n enorme constructie zeer snel mag worden genoemd.
Het eerste boek biedt een goed overzicht van alle plantaardige en dierlijke vijanden van hout. Het is zeer praktijkgericht vanwege de talrijke foto's en tabellen die helpen bij identificatie en diagnose en door een goede werkbeschrijving voor bestrijding en sanering. Daarenboven wordt ook veel aandacht besteed aan allerlei preventieve maatregelen van constructieve aard en controle van het microklimaat om een aantasting te kunnen voorkomen. De bijlage van het restauratievademecum is het verslag van de Belgische Ingenieur Y. Verstraete van zijn stage bij de afdeling Onderzoek en Documentatie van de Nederlandse Rijksdienst. Deze bijdrage is bijzonder interessant, eerst en vooral omdat ze specifiek over eikehout handelt en derhalve relevant is voor het merendeel van onze monumenten; bovendien is deze studie zeer uitgebreid en genuanceerd. Over het kunstmatig of natuurlijk drogen van hout zegt Verstraete dat bij droging met temperaturen boven 45 C0 alle levend weefsel gedood wordt. Bij natuurlijke droging blijft het weefsel langer levend; bij het wateren van hout leven de cellen nog langer en verbruikt het de zetmeelreserves, waardoor hout minder aantrekkelijk wordt voor bepaalde organismen.
Kreatief wonen in een infanteriekazeme
Deze constructie behoort tot één van de oudste kazemetypen. Het is een groot rechthoekig gebouw met ruime binnenkeer. De vier vleugels hebben drie bouwlagen onder aaneengesloten zadeldaken en getoogde muuropeningen. Het ontwerp is volledig gebaseerd op de eisen en standaardoplossingen van de Habsburgse 'Arar' (dienst van onroerende goederen) en het Weense 'Oberkommando'. De bouwstijl, voornamelijk die van de representatieve voorgevel met imposante arduinen ingangspoort, valt te rekenen tot het Weense Classicisme. Ook de gevelafwerking met kleur, oorspronkelijk zachtgroen later okergeel, is typerend voor de Oostenrijkse architectuur.
Het Stadsbestuur van Sint-Niklaas be-
Na een lange militaire geschiedenis, waarbij afwisselend de Stad en de Staat eigenaar waren en verschillende verbouwingswerken gebeurden, kwam dit monument in 1982 opnieuw in handen van de Stad. De aankoop gebeurde in het raam van de woonherwaardering in de binnenstad. De kazerne is gelegen binnen het eerste, door de Vlaamse Executieve erkende, herwaarderingsgebied 'Wijk Klein Begijnhof - Heembeemd'.
6
M&L BINNENKRANT I
Beide publikaties zijn beschikbaar in de bibliotheek van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. A. Malliet
Retrospectieve Alfons Proost
Op 28 juni 1984 besloot de Gemeenteraad deze kazerne te verbouwen tot woongelegenheden. Uit een gedetailleerde studie was gebleken dat binnen de bestaande structuur gemakkelijk een zestigtal ingerichte huurappartementen konden gerealiseerd worden over een totale bewoonbare oppervlakte van zowat 10 000 m2, met een ondergrondse parkeeraccommodatie voor zowat veertig auto's. Dit projekt bleek voor de Stad slechts haalbaar voor zover het Vlaamse Gewest een gedeelte van de kosten zou betoelagen in het raam van de subsidieregeling voor stadsvernieuwing. Vlug bleek evenwel dat de kredieten op de Vlaamse begroting niet toereikend waren om ook voor dit project voldoende middelen vrij te maken, zodat de stad volledig diende in te staan voor de financiering ervan. Dit project was nog alleen realiseerbaar indien de kosten konden gedrukt worden tot het niveau van het vroeger vooropgestelde stadsaandeel ( ± 6 5 miljoen fr.). Daarom werd de optie 'ingerichte huurappartementen' verlaten voor 'karkasbouw die te koop' zou worden gesteld per woongelegenheid. Dit gewijzigd programma omvat 29 grote appartementen en een winkelruimte. Ook het stadsarchief en mogelijk een dertigtal studentenkamers worden in het gebouw voorzien. Het stadsbestuur vertrouwde de realisatie van de renovatiewerken toe aan een architectenteam van de diensten Stadsvernieuwing en Monumentenzorg. Het gebouw is, ondanks de leegstand, bouwfysisch gezond en bovendien zeer stevig geconstrueerd. Het behoud en herstel van de bestaande toestand werd als uitgangspunt genomen. Als herkenningspunten van de nieuwe functie worden opengewerkte venstertraveëen aan de zuidzijde van de lange vleugels en ingangsportieken op de binnenkeer aangebracht. In eerste faze omvatten deze werken: — herstellen van dakbedekking, vernieuwen van gootbekleding en regenwaterafvoerpijpen; — reinigen, herstellen en herschilderen van gevels, dakgoten en bestaand buitenschrijnwerk; — afbraak van overbodige schoorsteenkanalen; — aanbouwen van terrassen, inkomhallen en maken van nieuwe raamopeningen en ramen. In latere fazen worden voorzien: — afwerking van de traphallen en installatie van liften; — aanleg van de noodzakelijke nutsvoorzieningen; — inrichting van binnenkeer met parkeeraccommodatie.
De voorgevel van de 'Dossinkazeme' te Mechelen Langs de buitenzijde (gevels, terras, bedaking, buitenschrijnwerk) is een volledige afwerking voorzien. Inwendig krijgt de koper een volledig open ruimte ter beschikking, die door hemzelf kan ingedeeld en afgewerkt worden. Deze ruimte wordt omgeven door een vloer- en zolderingconstructie opgebouwd uit metalen I-profielen met ronde baksteengewelfjes en muren in vol baksteenmetselwerk met een gemiddelde dikte van 45 cm. In de gevelopeningen staan deels bestaande, deels nieuwe houten ramen met dubbele beglazing, langs de buitenzijde wit geschilderd; ter plaatse van de terrassen worden gemoffelde metalen ramen met thermische onderbreking en dubbele beglazing geplaatst. Elke ruimte wordt ten opzichte van de traphal afgesloten met een uniforme brandwerende inkomdeur. De appartementen zijn per 8 geschikt rond 4 gemeenschappelijke traphallen die volledig afgewerkt worden met inbegrip van de lift. In het gelijkvloers gedeelte langs de E. Tinellaan zijn afgewerkte voorzieningen aanwezig: individuele bergingen, gemeenschappelijke fietsenberging en gemeenschappelijke bergruimte voor vuilnis. Het aspect 'monument' houdt in dat latere eigenaars het uitwendige van het gebouw niet mogen wijzigen zonder voorafgaande toelating van de stad en zonder het gunstig advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen.
Gezicht op de binnenkoer van de kazerne (foto BML)
De binnenkoer van het gebouw (ca. 33 x 79 m) krijgt een nieuwe functie. De aanleg van deze gemeenschappelijke binnenruimte omvat 3 grote ingrepen: 1. aanleg van een afgesloten halfondergrondse parkeerruimte met 30 open staanplaatsen, alleen toegankelijk voor bewoners; 2. aanleg van een daktuin en dakterrassen boven deze parkeerruimte; 3. aanleg van het gedeelte binnenkoer rond de parkeerruimte met verharding, beplanting en de nodige verlichting. Aangezien de naam 'Dossinkazeme' dateert van na de Eerste Wereldoorlog en het militaire hoofdstuk heden definitief is afgesloten werd geopteerd voor een nieuwe benaming: het 'Hof van Habsburg', een verwijzing naar die machtige dynastie, die in de 16de en de 18de eeuw nauwe banden had met Mechelen en zeker in dit gebouw een duidelijk spoor heeft achtergelaten.
uitgevoerde ingreep en de aard van de gebruikte produkten. Indien de gebruikte technieken en produkten niet schadelijk blijken voor de conservering van het kunstwerk, kunnen de restauraties soms problematisch en onaanvaardbaar zijn door fantasierijke toevoegingen, verregaande overschilderingen, vervalsingen, verkeerde interpretaties en dergelijke. In deze gevallen is het al veel moeilijker om een algemene gedragslijn aan te houden. Soms zijn deze toevoegingen tot de geschiedenis van het object gaan behoren (zoals 18de-eeuwse metalen handgrepen en romeins glaswerk) en moeten ze als dusdanig bewaard worden. Soms kan het wegnemen van vervolledigingen een kunstwerk herleiden tot enkele oninteressante potscherven, volledig onleesbare muurschilderingenflarden, een hoopje stenen zonder samenhang, een esthetisch ongenietbaar object. In dat geval kan men opteren om het werk in zijn 'gerestaureerde' homogeniteit te bewaren.
Vroegere technieken en produkten kunnen in sommige gevallen de conservering van een kunstobject hypothekeren en zelfs in gevaar brengen: ze kunnen nieuwe schade veroorzaakt hebben; de deterioratie is soms niet stopgezet, maar gaat onverminderd voort; er kan verkleuring of vlekkenvorming optreden; er kan zoutvorming en -kristallisatie voorkomen; het werk kan barsten enz. Indien een oude restauratie het werk dreigt te beschadigen, moet getracht worden die te verwijderen of ongedaan te maken. Dit is niet altijd eenvoudig of uitvoerbaar. De zo geroemde reversibiliteit, die de huidige restauratie terecht hoog in het vaandel draagt, is bij vroegere behandelingen niet altijd mogelijk. Sommige produkten zijn onoplosbaar geworden, vaak onbereikbaar. Soms wordt meer schade aangericht door het verwijderen en zeer vaak beschikt men over onvoldoende documentatie over de
In andere omstandigheden zijn de 'restauraties' zodanig ingrijpend dat ze het oorspronkelijk kunstwerk volledig verbergen of misvormen, of aanleiding geven tot verkeerde interpretaties. Sommige muurschilderingen zijn zodanig overschilderd dat het originele werk onzichtbaar en overstaanbaar wordt. Uit de discussies bleek eens te meer dat bij een restauratie elke rigiede theorie uit den boze is, behalve dan het respect voor het kunstwerk, voor zijn maker en voor zijn geschiedenis. Elk werk is en blijft uniek en elke geval moet op zichzelf bekeken worden. De huidige restauratie beoogt een beperkte, maar voldoende ingreep om het kunstwerk als culturele entiteit en als materieel object te conserveren. Uit de gedachtenwisseling bleek eveneens het vitale belang van een documentatie van elke ingreep. Een restaurateur is slechts een schakel in het conserverend doorgeven van de objecten naar de volgende generatie (restaurateurs) en een behandeling wordt merkelijk vereenvoudigd als men juist weet wat er reeds uitgevoerd werd op betreffend object. Door menig spreker werd met bewondering en verwondering gesproken over bepaalde restauraties in het verleden, vooral als men rekening houdt met het feit dat de ganse background waar de huidige restaurateur over beschikt, toen niét aanwezig was. Wèl werd met klem gewezen op het gevaar in het andere uiterste te vervallen, namelijk in de valstrik van de zogenaamde 'technologische' restauraties, waarbij men uiteindelijk vergeet waarmee men bezig is. De wetenschap is een hulpmiddel voor de restauratie en geen doel op zich. Kunsthistorici en restau-
M&L BINNENKRANT
7
Colloquium 'Early advances in Conservation', British Museum, London, november 1988 'Oude restauraties: wat doen we ermee?' Het probleem is tweevoudig. Enerzijds is er de vraag: zijn de vroegere behandelingen en produkten schadelijk voor de verdere conservering van de kunstwerken, en anderzijds: zijn deze oude restauraties en eventuele toevoegingen aanvaardbaar in het licht van de huidige opvattingen over restauratie?
rateurs mogen hun vak niet uit handen geven. Zij zijn verantwoordelijk voor de kunstwerken en moeten het roer in handen houden. Zij zijn de advocaten van het kunstwerk. Sommige 'oude' produkten, die voor restauratiedoeleinden werden gebruikt, zijn nu niet meer in omloop. Meestal blijkt de nefaste ontwikkeling op het materiaal pas na zeer lange tijd. Deze wetenschap moge een les zijn om zo weinig mogelijk met nieuwe produkten te experimenteren, als men voor hetzelfde doel reeds bekende en efficiënte materialen bezit. Indien mogelijk blijft men zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijk gebruikte materialen, waarbij de compatibiliteit met het oude kunstobject bijna verzekerd is. Veel sprekers op dit colloquium, die werkzaam zijn als restaurateurs van het British Museum, zijn in die zin bevoordeligd dat ze de stukken steeds onder ogen hebben en aldus de gedragingen van produkten kunnen volgen, de degradaties kunnen zien, en bovendien over een min of meer volledige documentatie van vroegere ingrepen kunnen beschikken. Anderzijds zijn hun conclusies niet altijd bruikbaar voor kunstwerken en voor produkten die blootgesteld bleven aan de klimatologische omstandigeheden in situ en niet, zoals in hun geval, in ideale (?) museologische context. Er werd een overzicht gegeven van de vroegere gebruikte lijmen en verharders voor steenrestauraties in het British Museum. Uit dit onderzoek bleek dat geslaagde behandelingen met een bepaald produkt op andere objecten niet succesvol bleken om diverse redenen: andere steensoort, andere toestand van bewaring, andere concentratie, andere uitvoerder. Wat de lijmen betreft besteedde deze studie aandacht aan shellac, cementmortels en 'platre de Paris', nitrocellulose, epoxyhars en polyesters. Als verharders werden onderzocht: waterglas (Silica Seal nr. 1), oplosbaar nylon (Maranyl Nylon C109/P), polyvinylacetaat, polyethyleenglycol (PEG 6000). Op het gebied van muurschilderingen bleek een opvallende gelijkenis te bestaan tussen in Engeland toegepaste oude technieken en produkten en die bij ons, het instrijken met wasmengsels en de ingrijpende overschilderingen incluis. Ook aan de reversibiliteit van thans in gebruik zijnde materialen (PVA, paralloid B72,..) werd een studie gewijd. Een grondig onderzoek van de prehistorische tempels op de Maltese eilanden wees er op dat naast de studie van het oorspronkelijk bouwwerk ook de studie van vroegere ingrepen en hun evaluatie op mate-
riaal-technisch en op esthetischkunsthistorisch gebied onontbeerlijk zijn. De Preprints van het Colloquium zijn uitgegeven in de reeks British Museum Occasional Papers, nr. 65, onder de titel Early Advances in Conservation, door de British Museum Publications Ltd. 46 Bloomsbury Street, London WC IB 300M. Bayle
Internationale vakbeurs 'Restauratie' 1988, Zutphen De 2e Internationale Vakbeurs voor het herstel en behoud van gebouwen, (natuur) monumenten, kunstwerken, boeken en archieven Restauratie 1988, die op 19, 20 en 21 oktober jongstleden in de Hanzehal te Zutphen werd gehouden was bijzonder succesvol. Ruim 5000 vakbezoekers vanuit diverse landen bezochten dit unieke vakevenement en maakten kennis met het aanbod van zo'n 130 bedrijven en instellingen. Naast bezoekers uit Nederland, Duitsland, Frankrijk en België, kwamen er vakbezoekers uit de Verenigde Staten, Engeland, Canada, Cuba, Portugal en Australië. Eén en ander heeft
duidelijk aangetoond dat een dergelijk vakplatform voor het behoud van cultureel erfgoed in een behoefte voorziet, hetgeen voor de organisator, Beurswezen Zutphen, aanleiding zal zijn het evenement, dat nu voor het voorjaar 1990 op de agenda staat, te verbreden. Tijdens Restauratie 1988 zijn contacten gelegd met internationale organisaties op de genoemde vakgebieden, die de vakbeurs in de toekomst zullen ondersteunen en het wetenschappelijk karakter ervan zullen vergroten. Veel aandacht trok op 19 oktober de uitreiking van de Europa Nostra Award door de president van de gelijknamige organisatie, de heer H. de Koster, aan de Stichting 'Het Wijnhuisfonds' en de Gemeente Zutphen voor de restauratie van de 'Agnietenhof (Adamansconvent). Tevens werden er gedurende de drie beursdagen een aantal congressen gehouden op het gebied van de monumentenzorg, de restauratie van kunstvoorwerpen, het streekconservatorschap en de huidige ontwikkelingen van de massa-ontzuring van archieven. Deze congresdagen werden door een 500 professioneel geïnteresseerden bezocht en hebben weer een bijdrage geleverd aan de uitwisseling van kennis op genoemde gebieden.
De M&L-stand op de restauratievakbeurs te Zutphen (foto BML)
M&L BINNENKRANT
Gezien de groei van dit internationale vakevenement zal Restauratie 1990 vrijwel zeker niet meer in de Hanzehal te Zutphen kunnen plaatsvinden. Ook A.R.O.L., Bestuur voor Monumenten en Landschappen, was op deze vakbeurs present, en dit met een fel opgemerkte en aandachtig bezochte M&Irstand. Opmerkenswaard waren alvast de bekendheid die het tijdschrift alom genoot en de steevaste bijzondere belangstelling voor uitzonderlijke items, zoals de restauratie van de woning Guiette (architect Le Corbusier) of van het olifanten- en giraffenpaviljoen in de Antwerpse Zoo.
Nederlandse Vereniging van Monumentenzorgers. Restauratie Werkvakantie 1989 In de laatste twee weken van juli en de eerste twee weken van augustus 1989 organiseert de Nederlandse Vereniging van Monumentenzorgers wederom de populaire restauratiewerkvakanties voor jongeren in eigen land. Deze 'doe-vakanties', die in deze vorm uniek zijn, behoren met een deelnameprijs van fl 145,00 voor twee weken tot de categorie 'low-budgefvakanties. In deze prijs is tevens begrepen een cultureel nevenprogramma, die de deelnemers laat kennis maken met de zorg voor de monumenten in het algemeen en met diverse interessante projecten in de directe omgeving van het vakantieproject. Geprogrammeerd staan voor dit jaar: een voormalig middeleeuws kerkje te Altvorst, een filterkelder te Rekum, een voormalig stationsgebouwtje te Leerdam en een landelijk object te Voorst; afhankelijk van het aantal aanmeldingen zal het aantal projecten nog worden uitgebreid. Onder deskundige leiding worden de meest uiteenlopende werkzaamheden verricht, zoals metselen, voegen, timmeren en schilderen, waarbij enthousiasme meer telt dan vaardigheid (dat komt vanzelf)Deelname staat open voor jongens en meisjes van 16 tot ca. 24 jaar. Gezien de beperkte plaatsruimte is tijdige aanmelding gewenst; het maximaal aantal jongeren per project is ca. 12.
Een folder met nadere informatie kan worden aangevraagd bij het secretariaat: postbus 82.390, 2508 EI 's-Cravenhage; IS 070-50.31.63.
RESTAURATIE Een nieuwe verwarmingsinstallatie voor de KristusKoningkerk te Antwerpen Toen de wereldtentoonstelling van 1930 nog in het stadium van vage plannen verkeerde, besloot het uitvoerend comité, naast een internationale en maritieme expositie, ook een retrospectieve aan de "Vlaamse Primitieven' te wijden. Daarvoor koos men de terreinen aan de Jan Van Rijswijcklaan. Bijna alle paviljoenen werden in hout en gips opgetrokken. Temidden deze tijdelijke gebouwen werd de KristusKoningkerk opgericht, waarin de tentoonstelling zou ondergebracht worden. Architect J. Smolderen ontwierp deze monumentale kerk in NeoRomaans-Byzantijnse stijl met een slanke campanile-toren van nagenoeg 74 m hoogte. Het binnenschip met een hoogte van bijna 27 m werd overwelfd met drie grote koepels. Het gebouw werd opgetrokken in gewapende beton. De muren werden bekleed met Boomse baksteen en blauwe hardsteen. De vloer werd gelegd met prachtige Belgische marmers. Dat dit schitterend bouwwerk meer en meer naar waarde geschat wordt mag blijken uit het feit dat het sedert 2 juni 1988 op de lijst van beschermde monumenten geplaatst werd. Op het oksaal werd een electro - pneumatisch orgel opgesteld, gebouwd door de firma Johannes Klais Orgelbau uit Bonn. Het orgel telt nagenoeg 5500 pijpen waarvan de grootste een lengte hebben van ongeveer 8 m. Spijtig genoeg was dit orgel stilaan aan het verkommeren, enerzijds ingevolge de schade van de Tweede Wereldoorlog, anderzijds door de slechte klimatologische omstandigheden. Weliswaar werden regelmatig kleinere onderhoudswerken uitgevoerd, doch deze bleken onvoldoende om het orgel in goede conditie te houden. In de loop der jaren bleken de kosten voor een algehele restauratie alsmaar hoger te zullen oplopen. Toch was de kerkfabriek van Kristus-Koning er zich van bewust dat dit orgel — aanvankelijk geprezen en nadien door sommigen ten onrechte misprezen — een uniek stuk is. België kent slechts een drietal orgels van dezelfde fabrikant, namelijk te Gent, te Tongerloo en te Antwerpen.
M&L BINNENKRANT
Bovendien is het één van de grootste en voor België het grootste Klaisorgel. Een commissie samengesteld uit onder andere Stanislas De Riemaeker, orgelist van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen, zou de mogelijkheid tot restauratie onderzoeken. De uitslag van dit onderzoek wees uit dat restaureren slechts zin had na een aanpassing van de verwarmingsinstallatie. Na de oorlog werd er immers een verwarmingsinstallatie met warme lucht geplaatst. De lucht werd rechtstreeks verwarmd door gasbranders en door middel van ventilatoren, via ondergrondse kanalen en vloerroosters, in de kerkruimte geblazen. Het verwarmingseffect van deze installatie was onvoldoende doordat de warme lucht, die van nature uit stijgt, zich ophoopte in de reusachtige hooggelegen koepels. Eén van de grote nadelen van dit soort installaties is dat zij heel wat lawaaihinder veroorzaken. Aangezien de verwarming slechts periodiek gebruikt werd, deden zich zeer grote temperatuuschommelingen voor, met alle nefaste gevolgen vandien. Vooral de orgelpijpen werden erg beïnvloed door condensatie, ontstaan door de opstijgende warme luchtstromen. Na een grondige studie viel de keuze op een vloerverwarming die wat betreft de wijze van plaatsing een primeur is voor ons land. Vermits dit kerkgebouw, met prachtige marmeren vloer, een beschermd monument is, wilde men geen onomkeerbare ingreep doen. Er werd daarom geopteerd om hetzelfde systeem aan te wenden zoals dit reeds in de Dom van Milaan en in enkele kerken in Duitsland toegepast werd. In plaats van de verwarmingselementen onder de vloer aan te brengen, worden bij dit systeem de elementen bovenop de vloer gelegd. De kerkvloer werd over een oppervlakte van ca 550 m2 belegd zonder dat één opening diende geboord te worden. Onderaan legde men een isolatielaag van polystyrol-hardschuim met een dikte van 3 cm. Hierop werden kunststof-profielplaten (Klimaboden) met een dikte van nauwelijks 5 mm gelegd. De platen hebben een breedte van 60 cm en een lengte gaande van 75 cm tot 6 m. De profielplaten hebben een gesloten omloop van fijne kanaaltjes waardoor het warm water gestuwd wordt. De warmte wordt over de ganse oppervlakte gelijkmatig afgegeven.
Hierop werd een dubbele lastverdeellaag aangebracht, bestaande uit verzinkte staalplaten van 50 x 50 cm met een dikte van 1 mm. Het geheel werd bekleed met tapijttegels met een grote warmte-doorlaatbaarheid. Deze opbouw laat toe de vloer op een minimum van tijd op de gewenste temperatuur te brengen. Enkele collectoren zorgen voor de verdeling in verschillende zones, zodat naargelang de behoefte slechts bepaalde delen kunnen verwarmd worden. Het water wordt op een temperatuur van ongeveer 30 graden door de kanaaltjes gevoerd om de vloer op een temperatuur van ca 20 graden te brengen. De vroegere verwarming bestond uit 2 zeer omvangrijke ketels met een
vermogen van 800.000 kW met een ontzettend hoog gasverbruik. De verwarmingsketel van het nieuwe systeem heeft slechts een vermogen van 83 kW en is nauwelijks groter dan deze van een gezinswoning. Verwacht wordt tot 70% op de energiekosten te kunnen besparen. De installatie van deze vloerverwarming, die door de firma J. Van Mieghem, Electro-Techniek uit Antwerpen aangelegd werd, kostte 3,5 miljoen frank en betekent een primeur in kerkverwarming. Thans kan een aanvang genomen worden met de restauratie van het unieke kerkorgel. Luc Vermoesen
ïNTGSNiTHUNC EXPO/moN II International Exhibition - Weltausstellung
Binnenzicht op de Kristus-Koningkerk te Antwerpen, tijdens de wereldtentoonstelling van 1930 (verzameling M.M.C.)
10
M&L BINNENKRANT
De marktpomp te Oudenburg De Markt van het Westvlaamse Oudenburg heeft een specifieke driehoekige vorm, die naar een Frankische oorsprong verwijst. Recente opgravingen bewezen in elk geval het bestaan van Merovingische nederzettingen in die stad. Op de plaats van de huidige Markt situeerde zich wellicht al in de zesde-zevende eeuw het centrum van Oudenburg. In die tijd fungeerde die plek als drenkplaats voor het vee. Het plein is nu omzoomd met linden, die een vredige sfeer scheppen. Hier stonden eertijds ook het stadhuis en de hallen met het belfort (1). In zitting van 20 januari 1859 beslist de gemeenteraad van de stad Oudenburg, onder het voorzitterschap van burgemeester Henricus Bousson (1822-1886), om op de Markt een pomp op te richten. Die beslissing kadert in een reeks maatregelen ter gezondmaking van de gemeente. Inderdaad, op het einde van het jaar 1858 ontving het bestuur zowel een omzendbrief (21 oktober 1858) van de Minister als een schrijven (4 december 1858) van de provinciegouverneur in verband met de hygiëne in de gemeenten, waarbij zelfs bijzondere subsidies werden beloofd. Uit het verslag van de gemeenteraad blijkt dat naast het construeren van een pomp ook verscheidene werken aan straten zullen worden uitgevoerd, met hetzelfde doel. De onkosten voor de realisatie van de pomp worden geraamd op 1200,-fr. (2). Blijkens de datum op de arduinen marktpomp werd ze opgetrokken in 1861. Het monument vertoont, typisch voor de tijd, een neo-renaissance uitzicht: segmentvormig fronton, onversierde pilasters met een op de Ionische orde geïnspireerd kapiteel, cartouches, vruchtenslingers, leeuwekoppen, rolwerk, palmetten, tandlijst of geisipodes. Invloeden van Comelis Floris en Hans Vredeman de Vries in de vormgeving mogen we niet uitsluiten. Het geheel is trouwens geïnspireerd op Italianiserende voorbeelden. We vermelden onder andere een grafmonument in Santa Maria del Popoio te Rome, de pylonen van de kasteeltuin te Corvey of gewoon een vensterversiering uit de renaissance. Hieraan beantwoordt ook de evenwichtige en symmetrische uitvoering. Op het entablement prijkt op de vier zijden een cartouche met het jaartal. In het namaak ijzeren beslagwerk in de bekroning lijkt een ledig wapenschild te zijn gekapt. De letters 'S.P.O-O.' in het rechthoekig kader staan uiteraard voor: Senatus Populusque Oldenburgensis. De eigenlijke pomp vertoont een hoekige structuur,
Principiële beloften van toelage De Gemeenschapsminister van Cultuur, Patrick Dewael, verleende in oktober 1988 een aantal principiële beloften van toelage.
Vilvoorde (Houtem): Steenhoeve — architect: R. De Winter, Vilvoorde — raming: 4.260.243,-fr. Zottegem: Hof van Oranje : deel 2 — architect: M. Verstraeten, Wetteren — raming: 12.661.265,-fr.
Ontwerpen (werken mogen in aanbesteding gaan): Antwerpen: Prinsstraat 26 — architect: C. Gonix, Antwerpen — raming 2.060.383,-fr. Antwerpen (Berchem): Waterloostraat 10 — architect O. De Moor, Antwerpen — raming: 931.456,-fr.
De marktpomp te Oudenburg, na restauratie (foto J.L.M.) uitgevoerd in geometrische platen. De arduinen waterbak is cirkelvormig. Het geheel staat op een klein verhoog. Tijdens een hevige storm met windhoos, in de nacht van 7 op 8 februari 1988, werd de pomp zwaar beschadigd. De bekroning werd van het monument getild en kwam op het geplaveide deel terecht. Het zware arduinen bovendeel brak in stukken en beschadigde de pomp. Op initiatief van het Stadsbestuur van Oudenburg werd de pomp hersteld. De brokstukken werden samengevoegd en het bovenstuk werd weer op zijn plaats gebracht. De werken werden uitgevoerd door de steenhouwerij Lanssens uit Brugge op het einde van de maand juni 1988. Hopelijk krijgt dit monument in de toekomst een vreedzamer bestaan. Het blijft tenslotte een getuige van een negentiende-eeuwse visie en van een brokje typisch straatmeubilair uit die tijd.
Antwerpen (Berchem): Transvaalstraat 23, 25, 29, 31 — architect: M. Vanhecke, Antwerpen — raming: 8.160.408,-fr. Antwerpen (Berchem): Waterloostraat 2 — architect: Gijs-Vandenavenne, Mechelen — raming: 4.367.853,-fr. Antwerpen (Berchem): Transvaalstraat 28 — architect: G. Demoor, Antwerpen — raming: 2.238.328,-fr. Dendermonde: Alexius-begijnhof: fase 1: dakwerken — architect: A. Van Weyenbergh, Dendermonde — raming: 25.252.670,-fr. Gent: Dominicanenklooster: fase 1, lot 2 — architect H. Dewit, Gent — raming: 29.854.888,-fr.
J.L. Meulemeester (1) Over Oudenburg verscheen al een uitvoerige bibliografie. Wat dit onderwerp betreft verwijzen we naar: Feys E. en van de Casteele D., Histoüe d'Oudenbourg accompagnée de pieces justificatives comprenant ie cartulaire de la ville et de nombreux extraits des comptes communaux, Brugge, 1873, 2 delen (voor een bespreking zie Meulemeester J.L., Het boek 'Histoire d'Oudenbourg', een standaardwerk voor deze gemeente, in Brugs Ommeland, XXVII, nr. 4, 1987, p. 208-216) enGysseling M., Toponymie van Oudenburg, Tongeren, 1950. Recent verscheen van onze hand in de reeks Langs Vlaamse wegen van de Stichting Monumentenen Landschapszorg v.z.w. een gidsje over Oudenburg. (2) Onze gegevens putten we uit het verslag van de gemeenteraad van 20 januari 1859 (Oudenburg, Stedelijk Archief, zonder nummer), twee geschreven bladzijden.
Hasselt: Het Sweert — architect: J. Spaas, Neerpelt — raming: 15.207.683,-fr. Leuven: Begijnhof, Kerkstraat — architect: TD. K.U.Leuven en Ir. P. Van Aerschot, Leuven — raming: - Lot branddetectie : 1.302.990,-fr. - Lot pleisterwerken: 1.802.878,-fr. - Lot schrijnwerken: 5.255.048,-fr. Mechelen: Huis Cadix, F. De Merodestraat — architect: A. Stabo, Tienen — raming: 9.361.558,-fr. Scherpenheuvel-Zichem: Het Tolhuis — architect: L.G. Bondroit, Diest — raming: 2.615.143,-fr. Tervuren (Vossem): Hof te Oudevoorde — architect: L.Van Herck, Leuven — raming: 2.6I5.I43,-fr.
1 M&L BINNENKRANT I
Voorontwerpen (het definitief dossier kan ingediend worden): Aarschot: Molen te Rillaar — architect: Verspreeuwen, Antwerpen — raming: 2.278.190,-fr. Antwerpen (Berchem): Gogels Osylei 32 — architect: D. Van Eycken, Mechelen — raming: 9.757.582,-fr. Antwerpen (Berchem): Gogels Osylei 36 — architect G. Demoor, Antwerpen — raming: 4.522.756,-fr. Antwerpen (Berchem): Gogels Osylei 37 — architect P. Leysen, Antwerpen — raming: 2.603.866,-fr. Antwerpen (Berchem): Gogels Osylei 43 — architect P. Vanhoenacker, Antwerpen — raming: 5.586.485,-fr. Antwerpen (Berchem): Gen. Van Merlenstraat 46 — architect: G. Demoor, Antwerpen — raming: 2.100.978,-fr. Antwerpen (Berchem): Waterloostraat 3 — architect: G. Driesen, Antwerpen — raming: 2.012.025,-fr. Antwerpen: Lange Ridderstraat 77 — architect: D. Depuydt, Antwerpen — raming: 2.958.500,-fr. Brugge: Huis Bouckhoute, Markt — architect: J. Waes, Brugge — raming: 5.052.655,-fr. Genf: Plotersgracht 12 — architect: L. Vertongen, Gent — raming: 1.520.892,-fr. Genf: Plotersgracht 13 — architect: J. Van Leuven, Gent — raming: 1.975.000,-fr. Cent: Wijnschroedershuis, Kleine Vismarkt 2 — architect: Huyghebaert-Hagen, Gent — raming : 2.304.461,-fr. 1.505.754,-fr.
ii
Geraardsbergen: Kapel Sint-Catharinacollege — architect: A. De Naeyer, Leuven — raming: 21.913.383,-fr. Leuven: Fonteinstraat 102 — architect: L. Van Herck, Leuven — raming: 6.153.114,-fr. Leuven: Mechelsestraat 90-92 — architect: P. Stevens, Kessel-Lo — raming: 1.870.000,-fr. Lier: Huis de Palmboom — architect: M. Vanhecke, Antwerpen
— raming: 5.831.325,-fr. Tienen: Bostsestraat 17-19 — architect: H. Nicolaes, Hoegaarden — raming: 2.973.300,-fr. Tongeren: Sint-Catharinastraat 7 — architect: B. de Schaetzen, Tongeren — raming: 1.323.142,-fr. Zottegem (Elene): Molen — architect: P. Mariman, Lokeren — raming: 10.656.211,-fr.
K.C.M.L. In memoriam Herman Van Liefferinge Op 11 september 1988 overleed na een korte ziekte Herman Van Liefferinge ( Ninove 25 december 1925), doctor in de rechten en licentiaat in de oudheidkunde en de kunstgeschiedenis (R.U.Gent). In 1958 kwam Van Liefferinge, na werkzaam geweest te zijn op het Ministerie van Openbare Werken, in dienst bij het secretariaat van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, op het toen zeer bekende nr. 161 in de Wetstraat te Brussel, waar de Heer E. Dufour de machtige secretaris was. Naast het gewone werk aan restauratiedossiers en inspectieverslagen, was Van Liefferinge speciaal belast met het opmaken en opvolgen van de dossiers betreffende de beschermingen (de zg. klasseringen). Toen de unitaire Commissie door het Koninklijk Besluit van 13 december 1968 in twee autonome secties gesplitst werd, werden hij en zijn collega R. Martin, onderscheidelijk secretaris van de Nederlandstalige en Franstalige sectie. Voorzitter werd M. Naessens, bankdirecteur en kunstmecenas. De samenwerking tussen beide mannen — de ene aestheet en gevoelsmens, de andere nuchtere jurist en historicus — liep niet erg vlot en dat was reeds merkbaar in de eerste vergadering toen Van Liefferinge zijn voorzitter met juridische argumenten moest terechtwijzen. Als secretaris heeft Van Liefferinge aan vele restauraties meegeholpen; onder
12
LITERATU
andere aan de herstelling van de priorij van Corsendonk die hem, volgens eigen zeggen veel voldoening heeft gegeven. Met veel belangstelling volgde hij ook het provinciaal inventariswerk. Van Liefferinge bleef secretaris tot aan de reorganisatie van de Commissie in drie afdelingen (K.B. 17 juli 1979) en de aanstelling van D. Ostyn tot nieuwe secretaris (K.B. 22 februari 1980). Nadien is Van Liefferinge werkzaam geweest in het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium waar zijn goede vriend R. Marijnissen onderdirecteur was. Hij voelde zich gelukkig op het Instituut waar hij zich helemaal aan wetenschappelijk onderzoek kon wijden, o.m. aan de studie van de Vlaamse en Brabantse retabels. Het was voor hem dan ook een grote ontgoocheling toen hij in 1984 overgeplaatst werd naar de centrale administratie (dienst kunst en musea). Op 1 januari 1987 ging hij op eigen verzoek met vervroegd pensioen. Van Liefferinge heeft niet zo veel gepubliceerd. In zijn (onuitgegeven) licentiaatsverhandeling bestudeerde hij de restauratie van de Brusselse Zavelkerk in de 19de en 20ste eeuw. Andere studie's behandelen muurschilderingen in diezelfde kerk, het Rubenshuis en het Kolveniershof te Antwerpen, Brabantse inventarissen uit 1835. Voor het Groot Kastelenboek van België schreef hij enkele notities en samen met Marijnissen een artikel over de retabels van Hakendover en Rheinberg. Luc De Vliegher
M&L BINNENKRANT
A.L. Shigo and Trees A new tree biology De. Alex Lloyd Shigo, phytopatholoog, heeft vanaf 1959 tot 1985 onderzoek verricht aan de USFS (United States Forest Service) over houtverkleuring en houtrot bij bomen. Hij heeft het werk verder gezet van zijn voorganger G.H. Hepting, die het onderzoeksprogramma reeds in de jaren '30 opstartte. Ruim 15000 bomen werden door A.L. Shigo doorgezaagd, zowel dwars als longitudinaal. Hij schreef meer dan 270 wetenschappelijke publikaties die in mindere of meerdere mate handelen over de inwendige afgrendelingsprocessen bij bomen. In Europa wordt hij wel eens de grondlegger van de nieuwe boomverzorging genoemd. Shigo heeft niet alleen nieuwe inzichten gebracht die boomverzorgers aanbelangen. Voor elkeen (bosbouwers, wetenschappers, groenambtenaren, hoveniers, ...) die op eender welk niveau te maken hebben met bomen is zijn visie belangrijk. Langdurig wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat tal van praktijken in verband met boomverzorging en bosbouw fundamenteel verkeerd zijn. Het vlak langs de stam afzagen van takken en de wijze waarop bossen en wouden geëxploiteerd worden zijn maar een paar voorbeelden van een foutieve aanpak. Het gros van de bevindingen van de onderzoeker zijn nu gebundeld in een (Amerikaans) standaardwerk, bestaande uit twee delen: 1. A new tree biology, facts, photos and philosophies on trees and their problems and proper care. 2. A new tree biology dictionary, terms, topics and treatments for trees and their problems and proper care. Het eerste deel bevat 49 hoofdstukken en een 700-tal foto's. Het tweede deel is een lexicon. De bedoeling van het boek (de auteur noemt het een gids) is bomen te helpen, door mensen die met bomen werken klare, correcte en volledige informatie te verschaffen over bomen, hun problemen en hun verzorging. Het boek is opgebouwd rond drie thema's: - de opbouw van een boom; - hoe bomen in leven blijven en zichzelf beschermen; - het aftakelingsproces van bomen.
Met name de laatste twee hoofdstukken 'Utility poles and wood products' en 'The future' verdienden meer aandacht. In zijn losse publikaties hecht hij aan beide onderwerpen veel meer belang dan dat in zijn boek het geval is. A. De Haeck
'A new tree biology" en 'A new tree biology dictionary'. Uitgever: Shigo and Trees, Associates 4 Denbow Road, Durham New Hampshire, 03824 ISBN nummer: geen vermelding In Nederland wordt het (zonder winstoogmerk) uitgebracht door de Kring Praktiserende Boom verzorgers. Prijs: 175 gulden, inclusief verzendkosten. Bestellen: Penningmeester KPB De Goors 11 - 7491 HB Delden.
De duidelijke en vlot leesbare tekst en de talrijke foto's maken dat het boek toegankelijk is voor een ruim publiek. De vele hoofdstukken kunnen in zekere mate los van elkaar gelezen worden. Talrijke onderwerpen komen hierin aan bod: - de opbouw en het functioneren van bomen in al hun aspecten; - een totaal nieuw inzicht over de wijze waarop een tak aan een boom is vergroeid; - Het CODIT-model (compartmentalization of decay in trees); - het snoeien van bomen; - Het verzorgen van bomen; - fouten die ten opzichte van bomen en bossen worden begaan; - takbreuk; - ziekten en boomreacties; - waardevermindering van gebruikshouten naar aanleiding van slecht verzorgde bomen; - toekomstvisie over bomen. Talrijke nieuwe inzichten van onderzoekers die door Shigo gebundeld worden moeten leiden tot een nieuwe aanpak van bomen. Naast de vele goede kwaliteiten van het boek (inhoudelijk, vormelijk en didactisch) valt op te merken dat een literatuurlijst ontbreekt. 'My role has been primarily as a connector' ('ik heb enkel de informatie van anderen bijeengebracht en er één tekst van gemaakt') schrijft Shigo over zichzelf; maar welke informatie heeft hij dan precies gebruikt?
J.-E. De Langhe, L. DelvosaUe, J. Duvigneaud, J. Lambinon en C. Vanden Berghen. Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten)
leden van de werkgroep 'Flora van België'. Alle tabellen werden zorgvuldig nagekeken. Taal- en/of zetfouten werden weggewerkt: zo zal de beginnende botanist zonder supplementaire moeite de sleutel voor het determineren van grassen kunnen gebruiken op blz. 730 (29). Waar in de vroegere uitgave één van de alternatieven was vergeten, is dit thans niet meer het geval. Ook werden een aantal taxonomische en nomenclatorische wijzigingen en aanvullingen aangebracht. Men baseerde zich — wat de taxonomie betreft — op de recente Europese literatuur terzake. Een rits wetenschappelijke plantennamen werd dus nog maar eens aangepast aan de hedendaagse taxonomische opvattingen. De Nederlandse soort- en genusnamen werden eveneens in groten getale gewijzigd. Dit gebeurde, in zoverre dit mogelijk was (sic: p. XXVII), in overeenstemming met de Naamlijst van de Hora van Nederland en België (Gorteria, 13: 5-6, 1986: 87170). Ook de flora's van Nederland zullen in de toekomst dezelfde naamgeving gebruiken. Een vrij beperkt aantal taxa werd toegevoegd en/of in de determinatiesleutels opgenomen. Dit is bijvoorbeeld het geval met de Bleekgroene stekelvaren (Dryopteris expansa, p. 28), een soort die door R. Viane in 1985 voor het eerst in België werd waargenomen. Ook een plant als de vlakke dwergmispel (Cotoneaster horizontalis, p. 306) die meer en meer in ons land ingeburgerd geraakt, werd opgenomen in de sleutel, evenals Steenroosje (Daphne cneorum, p. 359), een soort die men vroeger uitgestorven waande in haar enige
In het najaar van 1988 verscheen er een tweede druk van de in 1983 voor de eerste maal uitgegeven Flora van België. Deze eerste Nederlandstalige uitgave was een vertaling van de gelijktijdig uitgekomen derde uitgave van de Nouvelle Flore de la Belgique. De vertaalde versie vertoonde echter nogal wat kinderziekten. Een indrukwekkende reeks taal- en zetfouten lag aan de basis van de in 1985 gepubliceerde Errata (1 + 19 pp.). Vanaf dat jaar werden Flora en Errata samen te koop aangeboden. Sinds enige tijd is de eerste Nederlandstalige editie uitgeput, in tegenstelling met de origineel Franse die nog altijd leverbaar is. Omdat er voldoende vraag bleef naar een Nederlandstalige f7ora van België, besloot men een tweede, verbeterde druk uit te geven. Deze druk is grotendeels een herwerking van de oorspronkelijke vertaling. Leo Vanhecke van de Nationale Plantentuin realiseerde deze karwei, hierin bijgestaan door J.-E. De Langhe, H. Vannerom (voor het geslacht Rubus) en de
M&L BINNENKRANT
13
bekende groeiplaats binnen het gebied van de Flora. Tenslotte werden ook de geografische verspreidingsgegevens van heel wat soorten aangevuld en verbeterd. Een volledige lijst van de aangebrachte wijzigingen en aanvullingen op taxonomisch, nomenclatorisch en chorologisch vlak vindt men in Dwnortiera, 40, 3-51, 1988. Jammer genoeg werden zo goed als geen veranderingen aangebracht aan de determinatietabellen, niettegenstaande ondertussen al talrijke verbeteringen van de bestaande tabellen werden voorgesteld. De primeur van deze meer wezenlijke veranderingen is immers weggelegd voor de vierde uitgave van de Nouvelle Flore, die over zowat drie jaar zal verschijnen (zie eveneens Dwnortiera, 40: 2, 1988).
WET- EN REGELGEVING Omzendbrief van 3 augustus 1988 betreffende de nadelige weerslag van de prijsherzieningsformules op de opdrachten van werken. Aan de Heren Provinciegouverneurs van de provincies Antwerpen, Limburg, Oost- en West-Vlaanderen en de Heer Vice-Gouvemeur van de provincie Brabant. Aan de Dames en Heren leden van de Colleges van Burgemeester en Schepenen Aan de Dames en de Heren Voorzitters van de Raden van de O.C.M.W. Aan alle door de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest gesubsidieerde instellingen of verenigingen
De tweede druk is zeker aan te bevelen voor iedereen die nog niet in het bezit is van een recente Flora en die zijn floristische kennis wil bijschaven. Diegenen die reeds een eerste druk in hun bezit hebben (+ errata), zullen vermoedelijk wat ontgoocheld zijn over de nieuwe uitgave. De verbeterde versie is voor hen misschien wel overbodig: er zijn immers te weinig inhoudelijke verschillen met de vorige druk. Professionele gebruikers daarentegen die op de hoogte willen blijven van hoofdzakelijk taxonomische en nomenclatorische veranderingen zijn zeker gebaat met deze herdruk. De Flora werd uitgegeven door het Patrimonium van de Nationale Plantentuin van Meise en telt CV + 972 blz. (inclusief verklarende woordenlijst en alfabetische lijsten van Latijnse, Nederlandse, Franse en Duitse namen) en 1441 + 16 fig.. Prijs: 1.260,-fr. ISBN 90-72619-01-3.
1. Inleiding: De problematiek van de 'negatieve' herzieningsformules, die de laatste maanden nadelige gevolgen had voor talrijke ondernemingen, heeft het voorwerp uitgemaakt van talrijke besprekingen in de schoot van de Commissie voor Overheidsopdrachten, die adviseerde dat de departementen best zelf de eventueel ingediende herzieningsaanvragen geval per geval zouden onderzoeken. Voor het Ministerie van Openbare Werken werd op deze wijze de omzendbrief nr. 571-21 van 25 februari 1988 gepubliceerd waarbij, in toepassing van artikel 54 van het koninklijk besluit van 22 april 1977, tot een prijsherziening van de opdracht kan beslist worden mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden. Huidige omzendbrief heeft tot doel een analoge oplossing uit te werken voor de werken waarvoor de Vlaamse Gemeenschap als opdrachtgever optreedt, of waarvoor de Vlaamse Gemeenschap als subsidiërende overheid optreedt.
P. Van den Bremt
2. Werken waarvoor de Vlaamse Gemeenschap als opdrachtgever optreedt: Om de eventueel nadelige gevolgen van de negatieve herzieningsformule en/of van de niet-aangepaste herzieningsformule op te vangen, kan besloten worden tot een onderzoek.
14
M&L BINNENKRANT I
geval per geval, van de verzoeken die bij de Algemene Technische Diensten ingediend worden. In elk van de gevallen zullen de Algemene Technische Diensten - rekening houdend met de door de aannemer overlegde berekening van het nadeel - trachten een voorstel tot minnelijke schikking uit te werken. Bij de uitwerking van dit voorstel zal de administratie zich laten leiden door volgende overwegingen: 2.1. Enkel de herzieningsaanvragen betreffende opdrachten waarvan de indiening van de inschrijvingen of de offertes vóór I juli 1986 heeft plaatsgevonden, zullen voor onderzoek in aanmerking worden genomen. 2.2. De opdrachten waarvoor de inschrijvers na 1 juli 1986 hun akkoord betuigd hebben met de verlenging van de geldigheid van hun aanbod, al dan niet mits een aanpassing van het bedrag van de inschrijving, vallen buiten de toepassing van deze omzendbrief. 2.3. Alleen de overeenkomsten waarbij de herzieningsformule een index voor materiaalprijzen bevat kunnen in aanmerking genomen worden voor een eventuele herziening. 2.4. Op straffe van verval moet de aannemer - in afwijking van artikel 16, § 3 van de algemene aannemingsvoorwaarden - de nadelige invloed van de daling van de index van de materialen of van de niet-aangepastheid van de herzieningsformule tijdig en alleszins tijdens de uitvoering van het werk hebben gemeld. 2.5. De aannemer moet: - het bestaan van een zeer belangrijk nadeel aantonen en becijferen, waarbij enkel verzoeken zullen weerhouden worden waarvan het nadeel ten minste 2,5 % van de oorspronkelijke aannemingssom bedraagt (dit aandeel blijft ten laste van de aannemer); - het bestaan aantonen van een oorzakelijk verband tussen de daling van de index van de materialen en het opgelopen nadeel; - kunnen aantonen dat het nadeel het gevolg is van de onaangepastheid van de herzieningsformule, die de aannemer redelijkerwijze niet kon voorzien op het ogenblik van de indiening van de inschrijving of de offerte.
TENTOONSTELLING 2.6. De definitieve vaststelling van het nadeel zal pas na voltooiing van de werken geschieden. Binnen deze randvoorwaarden kan een voorstel tot minnelijke schikking uitgewerkt worden mits toepassing van artikel 54 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 kan leiden tot een prijsherziening van de opdracht.
Fondation pour 1'Architecture. 'Renaat Braem, architect' - 'Academie de Bruxelles'
3. Werken waarvoor de Vlaamse Gemeenschap als subsidiërende overheid optreedt: Een analoge werkwijze kan hier toegepast worden. In de mate dat de opdrachtgevende besturen bereid zijn de verzoeken tot herziening van de overeenkomsten in overweging te nemen, zullen zij de Algemene Technische Diensten verzoeken tot het uitwerken van een voorstel tot minnelijke schikking. Het tot standkomen van een minnelijke schikking zal leiden tot een prijsherziening van de opdracht, waarvan het bedrag zoals de hoofdwerken en met hetzelfde percentage vatbaar is voor subsidiëring. Het opdrachtgevend bestuur zal in dit geval verzocht worden een bijakte af te sluiten waarin de betaling van het eigen aandeel door de opdrachtgever zal worden vastgelegd. De Voorzitter van de Vlaamse Executieve, G. GEENS
De foren van het Administratief Centrum, te Antwerpen (R. Braem, 1957-1967) (foto A.A.M.)
De sociale zetel van Glaverbel te Watermaal-Bosvoorde (R. Braem, 1963-1967) (foto AA.M.) Aan het ietwat hortend verschijnen van de jongste M&L-afleveringen is de wat laattijdige aandacht te wijten voor een handvol belangwekkende tentoonstellingen hier te lande. De retrospectieve tentoonstelling die in de blijvend boeiende lokalen van de Fondation pour TArchitecture van 29 november 1988 tot 22 januari 1989 gewijd werd aan het architecturaal en stedebouwkundig oeuvre van Renaat Braem was hier — zeer ten onrechte — één der slachtoffers van. Bij wijze van hommage aan een — te zeldzame — 'grote mijnheer', hierbij een passage uit de fraai verzorgde persmededeling: „De uitgesproken ideologische reflectie waarmee Braem zijn bouwactiviteit voortdurend heeft begeleid maakt hem binnen de wereld van de Belgische moderne architectuur tot een uitzonderlijk en bijzonder boeiend figuur. Hoezeer hij ook bewondering koesterde voor architecten als De Koninck en Hoste, of voor Le Corbusier — bij wie hij in 1936 tot 1937 stage deed — toch zette hij zich al heel vroeg af tegen wat hij noemde de 'technische en snobistische' opvatting van het functionalisme en brandmerkte hij het constructivisme als een 'armelijk formalisme'. In zijn denken over de relatie tussen idee en stijl kende hij van meet af aan een uitgesproken overwicht toe aan
M&L BINNENKRANT
de idee, een opvatting die meteen ook een verklaring inhoudt voor het relatieve eclectisisme dat Braem in de loop van zijn ontwikkeling aan de dag legde: van de futuristische en constructivistische esthetiek tot het Italiaanse rationalisme, van een regionale interpretatie van het functionalisme tot het organische expressionisme van zijn laatste werk. Als Braem elke tekening, elk werk als een nieuw manifest opvat, dan neemt hij daarnaast ook menig ander 'propagandamiddel' te baat: hij houdt lezingen, schrijft en publiceert vrijwel onophoudelijk, hij drukt zich uit in affiches, muurkranten en tentoonstellingen, en hij geeft gedurende meer dan dertig jaar onderwijs aan de Antwerpse Academie. Het ideeëngoed dat hij zodoende ontplooit maakt hem, ondanks de groeiende tegenspraak tussen zijn denkwereld en depolitiekculturele evolutie van België, tot één van de zeldzame theoretici van de na-oorlogse architectuur. Hij oefende een aanzienlijke invloed uit, zowel binnen professionele kringen als op de publieke opinie. Braem vat zijn bouwpraktijk aan in 1936. Niettemin was het pas na de oorlog dat zijn utopische visie de (gedeeltelijke) belangstelling kon wegdragen van de Antwerpse stadsbestuurders en hem een groot woning-
15
bouwproject werd toevertrouwd. Vanaf 1950 bouwde hij de nieuwe woonwijk op het Kiel te Antwerpen, een Vlaamse versie van de 'Cité Radieuse', die tot de beste realisaties van de na-oorlogse CIAM behoort. Het succes dat dit project oogstte leidde spoedig tot andere grote opdrachten. In 1951 tekent hij voor het Administratief Centrum van de stad Antwerpen, in 1956 voor de Modelwijk op de Heysel te Brussel (een wijk ontworpen met het oog op de Expo 1958). Daarna volgen nog talrijke woonwijken te Leuven (1957), Deume (1960), Boom (1957, 1965, 1969). Braem maakte ook de conceptuele schetsen voor de sociale zetel van Claverbel te Brussel (1963) en bouwde in 1971 het Rectoraat en het Administratief Centrum van de VUB te Brussel: twee bijzonder originele werken in het architecturale landschap van de Belgische hoofdstad. In wezen is de architectuur van Braem steeds Corbusiaans gebleven, en is hij steeds trouw gebleven aan het functionalistisch ideaal van CIAM. Zijn evolutie van geometrische abstractie naar organische vormen is eerder een correctie op dan een afwijzing van de fundamentele principes van de moderne architectuur. Zijn ideologie maakte trouwens een vergelijkbare evolutie door, van een orthodox en collectivistisch socialisme tot een meer persoonlijke, humanitaire en 'ecologische' versie van het socialisme. Braems oeuvre wordt gekenmerkt door een grote trouw aan zijn oorspronkelijke principes, en tevens door een genereus optimisme dat, in weerwil van menige ontgoocheling, in wezen onaangetast bleef'. Bij wijze van catalogus fungeert de niet te missen, rijkelijk geïllustreerde en gelijknamige publikatie die Francis Strauven in 1983 aan de architect wijdde.
Tilman Frangois Suys, detail van een kapiteel van het Pantheon (1836)
16
Jean Hendrickx, ontwerp voor een luchthaven, hangend aan vier wolkenkrabbers (ca. 1920)
Niet minder veelbelovend klinkt de tentoonstelling die vanaf 14 februari 1989 in dezelfde ruimte de 225ste verjaardag moet huldigen van de sectie Architectuur aan de Academie voor Schone Kunsten van Brussel — heden Hoger Architectuur-instituut Victor Horta — en dit aan de vooravond van de dubbele fusie met de homologen van Mons en Liège. Naar eigen zeggen van de initiatiefnemers leek het in deze context opportuun de nodige vraagtekens te plaatsen bij de eigen geschiedenis, hierbij de eigenheden en rijkdom onderstrepend van dit op de 'Beaux-Arts'-traditie gestoelde onderricht. De geschiedenis van de Academie is dan ook ten zeerste origineel. In tegenstelling tot de 'Ecole des BeauxArts' te Parijs, waarvan het instutionele statuut lange tijd een waarborg vormde voor stabiliteit en waarvan het onderricht geheel Europa tot voorbeeld diende, zal de Academie van Brussel zichzelf onophoudelijk moeten herprofileren t.o.v. een stad met alsmaar wisselend statuut en belang: hoofdstad van de Oostenrijkse Nederlanden bij de stichting van de school, provinciestad in het 'département de la Dyle', onder het Frans bewind, alweer hoofdstad doch alternerend met Den Haag onder Hollands bewind, eindelijk hoofdstad van een Soevereine Staat vanaf 1830... Tegen de verwachtingen in zal de school elke aanpassing verrijkt overleven, tot en met de uitbarsting van de Art Nouveau, waarmee Brussel op het eind van de 19de eeuw plots op de internationale scène werd geprojecteerd.
M&L BINNENKRANT
Voor de tentoonstelling werd op de eerste plaats uitgekeken naar onuitgegeven en tegelijk grafisch hoogstaande documenten die moeten getuigen van de oorspronkelijkheid, de veelzijdigheid en de pedagogische krachtlijnen van het architectuuronderricht van de Academie, en dit vanaf de oprichting in 1766 tot de hervorming van het onderwijs in 1949. Aan de hand van ruim 200 originele tekeningen, opgespoord in diverse openbare en privé-archieven in Parijs, Brussel, Liège, Brugge en Gent, belichten twee hoofd-secties enerzijds de ontwerpen van leerlingen, tot stand gekomen in de periode 1835-1950, en anderzijds de architecturale verwezenlijkingen van de architecten van de Academie: de 18de-eeuwse classicistische ontwerpen van Guymard en Fisco, de feestverlichtingen van Beyaert n.a.v. het half-eeuwfeest van het land, Poelaerts justitiepaleis (1866-1883), de Koninklijke Vlaamse Schouwburg van Jean Baes (1835), de grafitti van schilderarchitect Paul Cauchie (1905), de Art Deco-tentoonstellingspaviljoenen van Lacoste in 1935... Naar aanleiding van de tentoonstelling zal een lijvige publikatie voor het eerst op exhaustieve wijze ingaan op 225 jaar architectuuronderricht aan de Academie van Brussel. Alle op de tentoonstelling gebrachte documenten worden hierbij gereproduceerd, aangevuld met talrijke bijkomende illustraties en wetenschappelijke of critische inlichtingen. In een eerste gedeelte gaat de aandacht van professor V.G. Martiny en Nadia Mosselmans in het bijzonder uit naar de evolutie van de school parallel met de historische ontwikkelingen inzake pedagogie, beheer, financiering en statuut. In een tweede luik komen zeven generaties professoren en leerlingen aan bod, te beginnen met Guymard in 1766 en eindigend met de laatste grote academische figuur, professor-archeoloog Henry Lacoste (1885-1968). Veertig geïllustreerde biografieën vervolledigen het geheel. 'Académie de Bruxelles' Fondation pour l'Architecture, Kluisstraat 55, 1050 Brussel van 14 februari tot en met 26 maart 1989, toegankelijk van maandag tot vrijdag, van 12 u 30 tot 19 u, zaterdag en zondag van 11 u tot 19 u. De tentoonstellingscatalogus 'Académie de Bruxelles. Deux siècles d'aichitecture', Editions AAM, Brussel 1989, telt 600 p., 550 illustraties (waarvan ruim 60 in kleur!). Verkrijgbaar — uitsluitend in het Frans — op de tentoonstelling (2.500,-fr.) of in de boekhandel (3.000,-fr.).
Mftfc HERIHEfflatKit RESTAURATIE EN
*f •iwj ^p^»• ? *f « ^ p
MONUMENTENZORG Onderzoek :
Kunsthistorisch • Technisch Bouwkundig
Behandeling :
1989
Muurschilderingen • Stuc Sculptuur (steen en hout)
S o r t 950,-
Meubilair • Leder Schilderijen (paneel en doek) Bodemvondsten (hout en leder)
t-
_ •
«.H ^VH M M ^ f I M M » M I H
470-0278201-2^
Adres Oostveldkouter 26 9920 Lovendegem DeClercqL. 03 2338227 • Van Der Biesl L. 03 7714466 VandenborreH. & LauwersM. 091 726303
•
SchudelW
091221753
stfchting-todewijk de raet
CULTURELE REIZEN VAN DE STICHTING-LODEWIJK DE RAET Reeds een kwarteeuw lang organiseert de Stichtlng-Lodewijk de Raet culturele en kunstreizen naar het buitenland. Die reizen zijn meer dan sight-seeing. Het gaat erom andere volkeren, landen en culturen grondig te leren kennen, te ontdekken hoe zij zich ontwikkeld hebben, wat de kern is van hun beschaving. De eigenheid van de reizen van de Stichting is de vrucht van vele factoren: de keuze van de programma's, de verzorgde inhoudelijke en technische voorbereiding, de eigen stijl, de deskundige reisbegeleiding en de doorgaans homogene groep deelnemers. Dit jaar organiseert de Stichting reizen naar Mexico, Portugal, Barcelona, Syrië, Santiago de Compostela, Ierland, Engeland, Kunming en Tibet, de U.S.S.R., Frankrijk, Kashmir en Ladakh.
Vraag de net verschenen reisbrochure aan op het adres van de Stichting-Lodewijk de Raet, Dienst Reizen, Liedtsstraat 27-29,1210 Brussel, telefonisch te bereiken op nr. (02) 242 02 63 (ma/vm, di/nm, wo/nm en do/vm).
Gvo
6*\V0tf
e «.<t *S « vu ' 6
eO u
atviS?\ti%
\ &
uV^ie^ aia» 9
" ^ ttetv idv*
M
W jet»
6«*
Wèt
vN^
St*
de
,»v
Sfltf'
vv>
e^ e '
De restauratie van het retabel van Deerlijk
Jos Stroobants, B.M.L.
Na haast een eeuw van controverse kreeg het gerestaureerde 16de-eeuws Sint-Columbaretabel op 1 juli 1988 terug een ereplaats in de Sint-Columbakerk te Deerlijk. Of waartoe de combinatie van de enthousiaste inzet van de gemeente Deerlijk en de deskundige restauratieaanpak van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel in staat bleek.
Het retabel Het retabel (250,5 x 147 x 29,5 cm) is opgebouwd uit vier eikehouten planken met binnenin een onderverdeling in twee horizontale compartimenten door middel van twee planken. Negen eikehouten planken vormen de rug. De acht vertikale olmen tussenschotten verdelen het geheel in tien registers waarin beeldengroepen in gepolychromeerd eikenhout het leven en de marteldood van de heilige Columba weergeven.
Deze taferelen worden omkaderd door in eikehout gesneden, deels gepolychromeerde en vergulde architectonische versieringen. Vertikaal worden zes zuilen met telkens bovenop een kleine gepolychromeerde beeldengroep overkoepeld door blauwe en vergulde pinakels. Accoladevormige opengewerkte friezen versieren de bovenkanten van de tien nissen. De voet van de kist bestaat uit een in drie delen opengewerkte horizontale fries met gesneden eikenen distelbladmotieven met telkens het familiewapen van de familie de Costere. Behalve polychromie en bladvergulding werden ook versieringstechnieken toe-
Detail van het tafereel 6, links onder : een beer overvalt de beulsknecht vóór montage (foto K.I.K.)
die de cel van Columba wil in brand steken - na behandeling
33 M&L
en
gepast zoals puntornament op het gepolijste bladgoud (1), sgrafitto (2) en persbrokaat (3). Het retabel werd driemaal overschilderd: een eerste maal zeer lokaal (17de of 18de eeuw), een tweede eveneens lokale overschildering uit het begin van de 19de eeuw (of vroeger) en een derde totale overschildering bestaande uit een dunne preparatielaag met loodwitafwerking (19de eeuw, vóór 1852). Behoudens een aantal in 1930 en 1953 uitgevoerde lokale retouches is deze derde overschilderingslaag de uiterlijke verschijningsvorm op het ogenblik van de restauratie van 1982-1988.
Situering Een inventaris van de kunstwerken van West-Vlaanderen uit 1852 (4) is tot dusver het oudst bekende archiefstuk met betrekking tot het Sint-Columbaretabel. Dit document bevat een uiterst bondige beschrijving waaruit blijkt dat het retabel toen reeds overschilderd was: wit met goud op blauwe achtergrond. Noch de periode noch de auteur worden echter vermeld. Een met de hand geschreven inventaris van het kerkbezit uit de 19de eeuw vermeldt onder nummer 47: 10 panneelen in gesneden zocht hout (wit geschilderd) 0,20 x 0,30, zeer oud XVIe - goed (staat van bewaring); Veronderstelde waarde 200 Frs' (5). Hoogstwaarschijnlijk is het retabel afkomstig uit de Sint-Columbakapel. Deze kapel, die ten noorden van de dorpskerk stond, werd in 1774 afgebroken bij de verbouwing van de huidige kerk (6). De opdrachtgever zou Jan de Costere zijn, heer van Deerlijk, wiens familiewapen driemaal voorkomt op de onderste fries van de kist (7). Stilistisch en dendrochronologisch (onderzoek uitgevoerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium) kan het retabel gedateerd worden rond 1535; het zou vermoedelijk vervaardigd zijn in een Kortrijks atelier.
Een bewogen geschiedenis In een brief van 12 november 1901 aan baron JeanBaptiste de Bethune (8), lid van de Bestendige Deputatie, verzoekt pastoor Brutsaert van Deerlijk om zijn bemiddeling bij het te gelde maken van het retabel (9). De nodige geldmiddelen voor de dringende herstelling van de kerk ontbreken immers. Tijdens het onmiddellijk daarop volgend onderhoud zal de baron zich vermoedelijk verzet hebben tegen de verkoop en gepleit hebben voor de restauratie van het kunstwerk. Als initiatiefnemer van de nakende tentoonstelling van Vlaamse primitieven te Brugge in 1902, zal de Bethune deze gelegenheid aangrijpen om het retabel in bruikleen te nemen en het aldus voor verkoop te behoeden en desgevallend de restauratie ervan te M&L 34
De Sint-Colwnbakerk te Deerlijk (foto O. Pauwels)
bevorderen (10-11). Ondertussen verbiedt de bisschop van Brugge de kerkfabriek het retabel te verkopen. Dit was de aanzet tot een geëmotioneerde dialoog — zoniet een soms totaal gebrek hieraan — tussen alle betrokken instanties betreffende het al of niet restaureren van het Sint-Columbaretabel, de wijze waarop een eventuele restauratie diende te gebeuren en uiteraard: wie bereid was wat te betalen. Het bekvechten zal uiteindelijk slechts in 1982 zijn beslag krijgen. In zitting van 21 april 1912 betuigt de kerkfabriek haar akkoord met het volledige herstel van het retabel door Leon Hervein, beeldhouwer te Deerlijk. Deze stelt voor de bestaande verflagen volledig weg te nemen met nauwkeurige registratie van de nog aanwezige oorspronkelijke polychromie en goudversiering, in functie van een complete reconstructie ervan. In zijn rapport van 1 oktober 1912 verzet J. van Ruymbeke, lid van de Provinciale Commissie voor Monumenten, zich eens te meer (12) tegen een dergelijke drastische aanpak en beklemtoont hij de noodzaak van de conservering van de oude polychromie, en dit ongeacht de toestand ervan (13). De kerkfabriek ontsnapt aan de nakende restauratie door in april 1913 het retabel in extremis voor zes maanden uit te lenen aan de tentoonstelling „L'art ancien dans les Flandres", te Gent.
Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zet voorlopig een punt achter deze uitzichtloze discussie. De ernstige beschadiging van het retabel tijdens de beschieting van Deerlijk van 18 oktober 1918 maakt de noodzaak van een spoedige beslissing nochtans des te prangender. Op het ogenblik van de uitlening van het retabel in 1930 aan de tentoonstelling 'Oude Vlaamse Kunst', te Brugge, staat men echter nog altijd even ver... namelijk nergens. Teneinde het retabel voor deze tentoonstelling toonbaar te maken wordt het onder stimulans van de Kortrijkse Geschied- en Oudheidkundige Dienst voorlopig hersteld door de beeldhouwer Victor Acke. Na de tentoonstelling belandt het retabel in het museum van Kortrijk; pas op 12 augustus 1945 — na een jarenlange onverdroten campagne van de Deerlijkenaar Leon Defraeye — zal het terugkeren naar Deerlijk, een beslist merkwaardige herhaling van het
scenario naar aanleiding van de tentoonstelling in 1902 te Brugge! Ondertussen is ook de Tweede Wereldoorlog funest voor het retabel. Het lijdt namelijk belangrijke waterschade in de na een bombardement ondergelopen kelders van de Kortrijkse stadsschouwburg waarin het in veiligheid was gebracht. Hierna wordt het voorlopig stil. In 1953 voert kunstschilder G. Dheedene uit Zulte een weliswaar op het rapport van J. van Ruymbeke gebaseerde maar niettemin weinig geslaagde voorlopige restauratie uit. Stilaan wordt het voor iedereen duidelijk dat enkel een grondige en deskundige aanpak door een wetenschappelijke instelling als het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel, de enig mogelijke oplossing voor de redding van het retabel betekent.
Detail van het tafereel 6, links onder : een beer overvalt de beulsknecht vóór montage (foto K.I.K.)
die de cel van Columba wil in brand steken - na behandeling
35 M&L
en
Het Sint-Columbaretabel, na behandeling. Van links boven naar rechts onder : 1. een bisschop doopt Columba te Vienne; 2. Columba verdedigt haar geloof tegen de heidenen; 3. geboeid wordt Columba bij de keizer gebracht. Deze stelt haar voor te huwen met zijn zoon die hij bij de hand houdt; 4. de keizer laat Columba naar het amfitheater van Sens brengen; 5. In het prostitutiekwartier van het amfitheater bidt Columba om van verkrachting gespaard te blijven. Een ontsnapte berin werpt een verleider op de grond; 6. de berin werpt de soldaat op de grond M&L 36
die — op bevel van de keizer — de gevangenis in brand wil steken; 7. Columba wordt buiten de stad geleid. Soldaten mishandelen 8. keizer Aurelianus veroordeelt Columba tot de onthoofding; 9. een beul onthoofdt Columba in het bijzijn van de keizer; 10. Columba begraven... of ten prooi gelaten aan wilde dieren...? (foto K.I.K.)
haar; wordt
37 M&L
De laatste etappe vóór de restauratie De spectaculaire kunstdiefstallen in het begin van de jaren tachtig verontrusten het gemeentebestuur van Deerlijk dermate dat op 27 november 1981 bij de toenmalige Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg een aanvraag tot betoelaging van dringend uit te voeren beveiligingswerken wordt ingediend (14). Reeds op 24 februari 1982 worden de werken in het schepencollege toegewezen voor de som van 156.500,fr. Tijdens dezelfde periode heeft de plaatselijke heemkundige kring van Deerlijk contact met het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (K.I.K.) te Brussel. In haar brief van 3 maart 1982 adviseert deze laatste het gemeentebestuur en de kerkfabriek het retabel zo spoedig mogelijk voor behandeling naar het K.I.K. te brengen.
In laatste instantie doemt toch nog een administratief obstakel op: het Sint-Columbaretabel bevindt zich in het niet-beschermde gedeelte van de Sint-Columbakerk en is dus zelf ook niet beschermd (15)! Hieraan wordt verholpen door het minsterieel besluit van 6 mei 1985 dat de Sint-Columbakerk in haar totaliteit beschermt om redenen van historische en artistieke waarde. Uiteindelijk — ondertussen zorgde de val van de regering nogmaals voor vertraging — betekent het Koninklijk Besluit van 13 mei 1986 het verlossende startsein voor de restauratiewerken. De aanvangsdatum wordt vastgesteld op 1 oktober 1986, de einddatum op 31 mei 1988. De terugkeer van het retabel is voorzien voor juni 1988.
De restauratie...
De zeer slechte toestand van het Sint-Columbaretabel kan nauwelijks verwondering wekken. Het hout was verzwakt door actieve biologische en microbiologische aantasting. De resterende polychromie bladderde af en het stof dat door een vervuilende vetlaag in de paraffine (16) was getrokken gaf het geheel een zwart en onaantrekkelijk uitzicht. Na totale ontsmetting werden eventueel nog overblijvende sporen en filamenten van de schimmel met oplosmiddelen verwijderd. Na verwijdering van oude opvullingen, nagels en parafine verstevigde men het houtwerk door herhaaldelijk inspuiten met paraloïd. Voor de hechting van de loskomende verflagen werden verschillende technieken toegepast: een was-hars mengsel voor de gepolijste bladvergulding en de vleeskleuren, een waterige oplossing van polyvinylacetaat voor het azurietblauw en in tolueen of paraxyleen opgelost paraloïd voor het persbrokaat en de De contacten met het K.I.K., de Inspectie van Finan- zeer broze verfzones. ciën, de Provincie West-Vlaanderen en het Bestuur De 19de-eeuwse overschildering — een dunne prepavoor Monumenten en Landschappen resulteren in ratie-laag met loodwitafwerking — evenals de overeen definitieve overeenkomst die op 23 maart door de schilderingen uit 1930 en 1953 (17) werden volledig kerkraad en op 26 maart 1985 door de gemeenteraad verwijderd. wordt goedgekeurd. Op 1 april volgt de medeonderte- De neogotische overschildering werd enkel verwijkening door het K.I.K.. Dit laatste zal zes van de tien derd daar waar de oorspronkelijke polychromie hierbeeldengroepen voor eigen rekening restaureren. De onder nog aanwezig was, met name bij de vleeskleukostprijs van de restauratie van de vier overblijvende ren. Het vrijleggen van de polychromie gebeurde beeldengroepen bedraagt 2.884.536,-fr. waarbij vol- onder de stereomicroscoop met behulp van een scalgende kostenverdeling geldt: 60 % Vlaamse Gemeen- pel en lokaal met solventen. schap, 20 % provincie, 10 % gemeente en 10 % De ontbrekende stukken — onder andere een hoofd kerkfabriek. van de tweede beeldengroep — werden op basis van
Uiteindelijk beslist het College van Burgemeester en Schepenen de voorziene beveiligingswerken op te schorten en het retabel naar het K.I.K. over te brengen voor een grondige restauratie. Dit gebeurt op 30 maart 1982. Bij aankomst in het K.I.K. wordt het onmiddellijk in de gaskamer ontsmet. Op 30 juni 1983 meldt het K.I.K. dat het beschikbaar krediet voor de behandeling van het retabel, namelijk 300.000,-fr., nauwelijks volstaat voor een proefbehandeling; de eigenlijke behandeling zal minstens 2.000.000,-fr. vergen. Na herhaald doch vergeefs informeren naar subsidiëringsmogelijkheden beslist het gemeentebestuur een krediet van 2.000.000,-fr. op haar begroting te voorzien. Dit evenwel onder voorbehoud van financiële tussenkomst vanwege de Vlaamse Gemeenschap en de provinciale overheid.
Eén der friezen onderaan het retabel, met hel wapenschild van de schenker Jan de Costere, heer van Deerlijk (foto K.I.K.) M&L 38
oude fotografische documenten bijgemaakt in een synthetisch hars; ze werden bevestigd met houten pennen en een omkeerbaar mengsel van gezeefd eikepoeder en een 50 %-ige oplossing van polyvinylacetaat in water. Hetzelfde mengsel werd ook gebruikt voor het dichten en opvullen van kleine leemtes en het verstevigen van barsten en gaten. Tenslotte werden vooral in de vleeskleurige partijen — specifiek bij de Heilige Columba — retouches uitgevoerd. Bij het hermonteren van het retabel plaatste men nieuwe eiken steunblokken onder de achterste reliefgroepen. Een beschrijving in een notedop van een met waar monnikengeduld uitgevoerde en geslaagde restauratie.
...en de beveiliging Bij het opmaken van het Technisch Dossier voor de algehele beveiliging van de Sint-Columbakerk te Deerlijk, en meer in het bijzonder voor de beveiliging van het Sint-Culumbaretabel, werden de verschillende organisatorische, mechanische en elektronische beveiligingsmaatregelen nauwgezet bestudeerd, waardoor een coherent beveiligingsprojekt bekomen werd. De opzet van de beveiliging beoogt de vernieling door brand ten allen tijden te voorkomen, de vrijwillige of onvrijwillige beschadiging door mensenhanden te vermijden en diefstal tegen te gaan, waarbij het te beveiligen object zoveel mogelijk in het omringend klimaat behouden wordt. In deze context werd het Sint-Columbaretabel voorzien van een gelaagde veiligheidsbeglazing gevat in een stalen kader.
Detail van het tafereel 1 - het doopsel van Columba - na behandeling en vóór montage (foto K.I.K.)
39 M&L
s^m
Door gebruik te maken van allerhande technische hulpmiddelen werd een optimaal samenspel tussen bovenvermelde organisatorische, mechanische en elektronische beveiligingsmaatregelen bekomen.
lijk - Deel 1' voorgesteld. Deze interessante en verzorgde publikatie zal in het voorjaar 1989 aangevuld worden met een tweede deel met omstandige gegevens betreffende de geschiedenis en de restauratie van het retabel (18).
De terugkeer
Het enthousiasme en de jarenlange inzet van de gemeente Deerlijk — in het bijzonder belichaamd in de persoon van de Heer Arnold Vantieghem, schepen van cultuur en voorzitter van het comité 'Terugkeer Sint-Columbaretabel' — en de deskundigheid van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium hebben het mogelijk gemaakt het Sint-Columbaretabel terug een verdiende ereplaats te geven.
Op 1 juli 1988 vierde Deerlijk met een luisterrijke academische zitting de definitieve terugkeer van haar retabel. Bij deze gelegenheid werd ook het viertalig fotografisch kunstboek 'Het Sint-Columbaretabel van Deer-
Voetnoten (1) Methode om gepolijst goud te versieren door het aanbrengen van puntmotieven. Deze punten konden van wisselende doorsnede zijn en gegroepeerd tot geometrische motieven of gebruikt als stippel- of puntlijnen voor een gevarieerd geometrisch en floraal lijnenspel. Hun lichtbrekend effect zorgde voor afwisseling in de egale metaalglans. E. Vandamme, De polychromie van gotische houtsculptuur in de Zuidelijke Nederlanden. Materialen en technieken. Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, jaargang 44. 1982, nr. 35, p. 103. (2) Afhaaltechniek waarbij het verguldsel met verf wordt bedekt waarna men in een volgend stadium de verf gedeeltelijk terug afhaalt zodat het onderliggend goud terug zichtbaar wordt. E. Vandamme, o.c, p. 91. (3) Reliëfapplicatie die bestaat uit losse geprefabriceerde vellen, waarop brokaat- en goudledermotieven geïmiteerd zijn door middel van een vlak in lineair reliëf. Meestal vervaardigd op basis van een elastisch materiaal zoals bijenwas. al of niet vermengd met hars, loodwit, menie en lijnolie. E. Vandamme, o. c , p. 126. (4) Couvez A., Inventaires des Objects d'Art qui ornent les églises et les établissements publics de la Flandre Occidentale, Brugge, 1852. (5) Archief Leon Defraeye - Gemeente Deerlijk, Kerkarchief Sint-Columba, II, nr. 29. (6) Despriet Ph.. De Sint-Columbakerk in Deerlijk, in De Gaverstreke. V (1977), p. 23 en 24 en Defraeye L., o.c, p. 11, die de afbraak situeert in 1773. (7) Defraeye L., o.c, p. 11. Volgens Despriet Ph., o,c. p. 45 en Inleiding tot de geschiedenis van Deerlijk, in Derlike. IX, 4 (1987), p. 113, werd het retabel bekostigd met de giften van de talrijke bedevaarders. (8) Jean-Baptiste-Emmanuel de Bethune werd geboren te Brugge op 25.01.1853 en stierf te Meestert op 24.03.1907. Hij was de zoon van Jean-Baptiste, de bezieler van de neo-gotische kunst in België. Van 1903 tot 1907 gouverneur van de provincie West-Vlaanderen. (9) Reeds in 1833 bood een 'koopman in oudheden uit Gent' vijfhonderd frank voor het retabel. De kerkfabriek ging niet in op dit aanbod. Rijksarchief Kortrijk, Gemeente-archief Deerlijk, nr. 30, p. 25 en Defraeye L., De Kerkelijke geschiedenis van Deerlijk, Deerlijk, (1932), p. 11.
Linker pagina : Detail van het tafereel 9 - de onthoofding van
(10) Het Sint-Columbaretabel was reeds te zien op de Tentoonstelling van Oude Kunst, te Brussel, in 1888. (11) Het retabel zal slechts op 5 november 1907 terugkeren te Deerlijk na een krachtdadig optreden van pastoor Brutsaert en de kerkraad, hierbij geruggesteund door L. De Geyne en kanunnik A. Duclos, leden van de Provinciale Commissie voor Monumenten. (12) Reeds tijdens de vergadering van 11 december 1907 van de Provinciale Commissie voor Monumenten wees J. van Ruymbeke op de aanwezigheid van de oude polychromie onder de overschildering en pleitte hij voor de voorzichtige verwijdering van deze laatste. (13) „Ceprogramme (de Hervein), quel que soit Ie mode de décapage (a l'aide ou d la lame de couteau) amènera la destruction complete de l'ancienne polychromie, que, d'ailleurs M. Hervein se propose de faire disparattre entièrement au ciseau pour la remplacer par une peinture et une dorure entièrement nouvelles. Telle n'est pas la restauration telle que je I'envisage. Celle-ci devrait consister a faire réapparaïtre, dans un but de conservation, l'ancienne polychromie, quel que soit son état de conservation". Rapport van 1 oktober 1912 van J. van Ruymbeke. Brussel, Archief K.C.M.L.-B.M.L.. nr. .. (14) In toepassing van de omzendbrief nr. 41 van 10 maart 1981, houdende maatregelen met betrekking tot de beveiliging van het roerend kerkelijk patrimonium. (15) In het Koninklijk Besluit van 20 februari 1939 worden enkel de toren en het zuidelijk transept beschermd. (16) Waarschijnlijk afkomstig van de versteviging met gekleurde paraffine naar aanleiding van de tentoonstelling "Oude Vlaamse Kunst' in 1930 te Brugge. (17) De voorlopige restauratie door G. Dheedene. (18) Met oprechte dank aan de heer Arnold Vantieghem, die bereidwillig alle gegevens — meer in het bijzonder de bijdragen van A. Bruggeman. M. Serck-Dewaide en A. Vantieghem — ter beschikking stelde. Dit artikel is dan ook enkel een inleiding op en een beperkte samenvatting van het nog te verschijnen deel II in verband met de restauratie van het Sint-Columbaretabel te Deerlijk. Voor meer gedetailleerde informatie bevelen wij graag deze publikaties aan die te verkrijgen zijn op volgend adres: Culturele Dienst - Sint Amandusstraat 14 - 8740 Deerlijk ( S 056/71.89.81).
na behandeling en vóór montage (foto K.l.K.) 41 M&L
Het Zwarte Goud der Kempen
Bert Van Doorslaer, Provinciaal Museum voor Industrieel Erfgoed, Sint-Truiden
In Midden-Limburg worden in versneld tempo steenkoolmijnen gesloten en 'putten' gevuld. Omvangrijke industriële complexen, waarin meer dan 100.000 mijnwerkers gedurende een zeventigtal jaren het 'dagelijks brood' voor onze industrie ontgonnen, komen leeg te staan. De oude mijngebouwen met hun uitgestrekte tuinwijken eromheen zijn getuigen van de grootindustriële periode die stilaan afgesloten wordt; getuigen ook van een breedschalige streekontwikkeling die begin deze eeuw als een Vlaams Ruhrgebied gedroomd werd. Het paswoord 'reconversie' is er niet uit de lucht, en om hieraan zichtbaar gestalte te geven zou de streek — als 80 jaar geleden — zo vlug mogelijk van aanschijn moeten veranderen. Van zwart (terug) naar bronsgroen eikenhout... ? Schachtbok I van Eisden met bijhorende losvloergebouwen en hoge betonnen passerels. Ook hier werd het plaatwerk verwijderd uit vrees voor mijngas tijdens de opvulwerken van de schachten (foto E. Daniels, Provincie Limburg, Directie Cultuur en Recreatie, Grafische Studio) M&L 42
Een aantal mijngebouwen hebben ongetwijfeld — omwille van hun toenmalig 'voorlopig' karakter en een gebrekkig energiebeleid — zichzelf overleefd. Andere permanente mijngebouwen zoals de hoofdburelen, machinezalen, schachtinstallaties, magazijnen en werkhuizen allerhande zijn van een veel soliedere aard, vaak zelfs opgetrokken in prestige-architectuur. Toch is het mijnbouwpatrimonium zeker niet in eerste instantie belangrijk om zijn esthetische kwaliteiten, hoewel het kruim van het Belgische en Franse bankiers- en ondernemerswereldje mee aan de beheerraadtafels zat. Uiteindelijk diende men in de dunbevolkte heidestreek slechts het eigen mijnwerkerspubliek te imponeren. Zoveel belangrijker echter is het mijnpatrimonium omwille van de maatschappelijke en streekbepalende impact en de sociaal-culturele betekenis voor de omwonenden. In 1960 werkten nog meer dan de helft van al de Limburgse arbeiders in deze koolmijnen! Moet dit mijnpatrimonium nu onverwijld plaats ruimen voor de steeds kleinschaliger en tijdelijker ondernemingen ... of moeten ook op dit vlak 'reconversie' en aangepaste hergebruiksmogelijkheden onderzocht en gestimuleerd worden?
In de stille Kempen... De kolencrisis rond de jongste eeuwwisseling maakte dat — 25 jaar na onder andere Belgische proefboringen in Nederlands Limburg — de zakelijke interesse voor de verkenning van een nieuw kolenbekken onder de Midden-Limburgse heide gestadig toenam. Vooral Luikse kolenbarons hoopten op uitbreidingsmogelijkheden in noordelijke richting. Door de produktiestagnatie in de Waalse bekkens (voornamelijk van vette industriekolen) kon men het toenemende verbruik niet meer volgen en diende men rond 1900 reeds 1/3 van de cokeskolen in te voeren.
Algemeen zicht op de west- en zuidgevel van het hoofdgebouw omstreeks 1927. Dit prestigieus gebouw (1920-1924) werd door de eigen studiedienst ontworpen terwijl ir. Parein verantwoordelijk was voor de betonstudies (systeem Hennebique) (archief P.M.I.E.)
Hoofdgebouw Waterschei. Monumentale hoofdingang voor de mijnwerkers. Bovengrondse arbeiders konden via een rechtstreeks doorlopende gang onder het hoofdgebouw doorlopen naar de achterliggende werkplaatsen. Ondergronders liepen onmiddellijk een brede trap op en bereikten zo hun 2 verdiepingen hogere 'St.-Barbarahall' (foto B. Van Doorslaer)
De Leuvense wetenschapper Professor André Dumont bekostigde de eerste dure proefboringen om de geologische theorie aan de praktijk te toetsen. In de nacht van 1 op 2 augustus 1901, lukt zijn derde poging en boort hij te As op 541 m diepte de eerste Kempische kolenlaag aan. Vijf jaar later zou hij als exclusief gebruiker van de nieuwe Duitse Raky-snelboormethode, de nu wereldvermaarde S.A. Foraky oprichten (Forages selon Ie système Raky). Dumont vraagt dan ook 'als ontdekker' prompt het concessierecht voor het hele nieuwe bekken aan. De 'kolenrush' die hij ontketende — waarbij tientalle boorploegen van diverse opdrachtgevers in minder dan 2 jaar meer dan 60 diepboringen uitvoerden —, de politieke toestand, de technische problemen als gevolg van de moelijke deklagen en de realiteitszin van de toenmalige Mijnraad deed deze er anders over beslissen. Om de toekomstige kolenproduktie (ondanks de te verwachten zeer dure ontsluitingskosten) aantrekkelijk te maken, werd het nieuwe bekken slechts in een tiental grote concessies verdeeld, die dan aan groepen van 'medeontdekkers' (en bijgevolg rechthebbenden) verleend werden. Aan de nationalisatie-eisen van de Belgische Werkliedenpartij werd voorlopig enigszins tegemoet gekomen door het wettelijk voorbehouden van drie 'Staatsreserves' die, zoals verwacht, eind de jaren 1950 'wettelijk' verdeeld werden onder de naburige privé-bedrijven. 43 M&L I
De vergunde mijnoppervlakten waren gemiddeld 16 opeenvolgende kapitaalsverhogingen comfortabel keer groter dan de Waalse mijnconcessies. De water- 'binnenwerken'. Zo waren de mijnen van Beringen en drijfzandvoerende deklagen bovenop de steenko- en Eisden vooral in handen van de noord-Franse lenafzettingen dienden over meer dan 550 meter staalindustrieën van Pont-a-Mousson, Micheville en bevroren te worden, in die tijd een experimentele en Homécourt, was Winterslag van Baron Evence riskante onderneming... die momenteel per zetel op Coppée (Bank van Brussel) en de Schneiderdynastie zo'n 20 miljard geschat wordt. Zo kon de kolenmijn (Le Creusot), Zwartberg van Cockerill, Waterschei van Zolder pas na 23 jaar voorbereidende werken van de Belgische Société Générale en de Bank van haar kolenproduktie starten! Dit werd dan weer Brussel, Zolder van het Luxemburgse Arbed, Brufina gecompenseerd door in 1985 het 100 miljoenste ton en de Société Générale en tenslotte Houthalen van steenkool boven te halen. dezelfde Société Générale, de Forges de Clabecq en Meteen is verklaard waarom geen enkele mijnmaat- de Franse groep van Beringen en Eisden. schappij — ondanks de uitgestrekte concessies — De oudste zetel — Winterslag — en de jongste — nieuwe zetels of bijkomende schachten uitgebouwd Houthalen — konden hun kolenextractie respectieveheeft, al deed de A. Dumont-mijn van Waterschei lijk in 1917 en 1939 aanvatten. Tegen eind de jaren een poging te As naar aanleiding van haar 50-jarig 1930 zorgde het Kempisch Bekken reeds voor een bestaan. De internationale kolencrisis van 1957-1958 kwart van de Belgische kolenproduktie. Gedurende (grote doorbraak van de petroleum na de heropening haar meest produktieve jaren, tussen 1955 en 1958, van het Suezkanaal, en meteen het einde van het bereikte men hier meer dan 10 miljoen ton per jaar, stoomtijdperk en van het kolenverslindend karakter meer dan 1/3 van de maximale Belgische kolenprovan de metallurgie) deed de Société Générale afzien duktie. Eind 1948 waren er 44.000 mijnwerkers ingevan de afwerking van de nieuwe luchtschacht te As. schreven. Vanaf 1907 werden er zeven grote mijnmaatschappijen opgericht en uitgebouwd (van west naar oost) te Bij gebrek aan voldoende kolenreserves diende de Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Winter- jonge mijn Houthalen reeds in 1964 te fusioneren met slag, Waterschei en Eisden. Door de enorme investe- haar grote buur, de mijn van Zolder. De sanering van ringskosten bleef de Limburgse mijnindustrie voorbe- de Belgische mijnindustrie vanaf 1957, volgens de houden aan de belangrijkste financiële en industriële richtlijnen van de E.G.K.S. en het Belgische Kolendigroepen, of konden deze zich na de noodzakelijke rektorium, leidde niet enkel tot de snelle en defini-
Ophaalmachine IV in Winterslag. Toen de Franse metallurgiereus Schneider (Le Creusot) Ev. Coppée financieel ter hulp kwam in 1912 liet dit wel degelijk zijn sporen na (foto BVD) M&L 44
zorgde de mijnmaatschappij dan voor de eerste energievoorziening, bestaande uit ofwel een ketelhuis (voor stoommachine-aandrijving) of een eerste electrische centrale voor de electrisch aangedreven vriesinstallaties. Naargelang de ontginning van de steenkool in zicht kwam werd aan de definitieve installaties gewerkt. Door een nagenoeg totaal gebrek aan infrastructuur te midden de schilderachtige heide was 'selfsupporting' gewoon noodzakelijk, al zouden de mijnmaatschappijen hun patronaal imago — als eilandbezitters — in alle mogelijke registers met zichtbaar genoegen bespelen. Zo bouwden zij niet enkel steenbakkerijen, betonfabrieken, kalkovens, schrijnwerkerijen, zagerijen, boerderijen voor eigen melkvoorziening en trekpaarden, electriciteitscentrales, gieterijen, ijzer en constructiewerkplaatsen, locomotiefgarages, kolenzeverijen en -wasserijen, spoorwegen, kolenhavens... maar voorzagen zij hun tuinwijken (waarvan sommige tot ruim 1.500 woningen uitgroeiden) van een patronaatswinkel, een melkpaviljoen, kinderheil, kleutertot huishoud- en mijnwerkersscholen, ziekenhuizen, 'mijnkathedralen' met bijhorende kapelanijen, cinema's, casino's en allerlei sportaccommodaties. Meestal werden deze realisaties — vaak met meubilair incluis, van deurklinken tot en met demonteerbare altaren voor de jaarlijkse processies — op de mijn zelf ontworpen door eigen tekenburelen en in eigen werkhuizen uitgevoerd. Van alle mijngebouwen zijn de twee hoge schachtbokken ongetwijfeld de meest karakteristieke en in het Een bovengehaalde Paurat-galerijdelfmachine in Eisden. Deze West- oog springende installaties. In deze hoge, meestal duitse machine met een roterende snijkop op een beweegbare arm stalen constructies, werden de soms 8 verdiepingen was sedert midden de jaren 1970 in gebruik bij de oostelijke mijnzetels. In Beringen gebruikte men de gelijkaardige Engelse hoge liftkooien uit de schacht getrokken waar de tieve sluiting van de oude Waalse mijnen; ook de moderne mijn van 'Zwartberg' werd in 1966 gesloten. Van dan af werd de deficitair geworden kolenproductie in de Kempen overgenomen door de fusiemaatschappij, de N.V. 'Kempense Steenkolenmijnen' (K.S.), waarin ook de Staat participeerde, vooral door jaarlijks de verliezen bij te passen.
Dosco-machines (foto ED)
Werking, inrichting en kenmerken van een Limburgse koolmijn Reeds enkele weken na de concessieverlening werden de nieuwe 'charbonnages' opgericht. Opnieuw verschenen er boortorens op de heide, ditmaal echter om via kernboringen een beeld te krijgen van de ondergrondse afzettingen, en om binnen de verkregen concessie zo vlug mogelijk een geschikte zetelplaats te zoeken waar schachten konden afgediept worden. Eens deze keuze bepaald, werden in de omgeving massaal gronden opgekocht om de mijnzetel uit te bouwen en uitgestrekte tuinwijken aan te leggen. Men verwachtte immers binnen de 10 è 15 jaar niet minder dan 20.000 mijnwerkersgezinnen te moeten aantrekken. De eerste mijninstallaties bestaan vooral uit twee vierkante afdiepingstorens — zo'n 80 a 100 meter uit Via deze schachtbok I (Waterschei), boven de luchtintrekkende elkaar — waaronder de vriesgaten geboord worden schacht, werden o.a. vanuit de onderste verdieping op 1040 meter en uiteindelijk de schachten zullen gedolven worden diepte de kolenwagentjes 'op den dag getrokken'. Via een brede in de bevroren ondergrond. Omheen deze zwart passerei werden ze na het 'ontkooien' rechtstreeks in de achtergelegen gereden. Beide metalen schachtbokken 1 en II (54 megeteerde afdiepingstorens rijzen dan de voorlopige kolenwasserij ter hoog) zijn nog origineel, ontworpen en uitgevoerd door de S.A. installaties van de afdiepingsfirma's op, bestaande uit 'Chaudronnerie d'Awans' van Bierset-Awans nabij Luik. Zij werden ammoniakcompressoren en koudewisselaars. Vaak opgetrokken in de loop van 1922 en 1923 (foto ED) 45 M&L
mijnwagentjes dan verdieping per verdieping in het aanpalend losvloergebouw konden 'ontkooid' worden. Volgen we de schuine dikke kabels vanaf de hoge schachtwielen dan zien we ze in de gevels van de ophaalmachinegebouwen verdwijnen. Per schachtbok tellen we 4 kabels via dewelke 4 liftkooien (per schacht) door 2 grote extractiemachines bediend worden. Binnen het ophaalmachinegebouw zien we dat de liftkooien per 2 aan dezelfde kabel hangen, die als een lus om de 6 a 8 meter (diameter)-grote Koepeschijf spant. Door de wrijving van het enorme kabelgewicht (1000 meter enkele kabel weegt ca 17 ton) worden twee liftkooien (die onderaan verbonden zijn met de evenveel wegende platte 'evenwichtskabel') in tegengestelde richting aangedreven: is de ene liftkooi namelijk boven om gelost te worden, dan kan de 2de liftkooi aan het andere kabeleind beneden geladen worden. De grote Koepe-schijven worden aangedreven door krachtige gelijkstroommotoren (3 a 5000 pk) die op hun beurt bediend en gevoed worden via de zogenaamde Ward-Leonard-groepen (omzetting wisselstroom naar gelijkstroom).
'Uitgesleten en bijgevolg afgedankte' schachtwielen (Waterschei) die jarenlang boven in de schachtbokken bolden. Deze schachtwielen hebhen zoals de 'Koepeschijven' een diameter van tussen de 6 en de 8 meter om de buiging van de dikke liftkabels over een grotere lengte uit te spreiden (foto BVD)
de compressorenzaal, en de electrische bedrijfscentrale. Tot vóór de ontwikkeling van volledig vonkvrije electrische installaties bleef perslucht immers de belangrijkste en volledig veilige aandrijfkracht in de Tussen de ophaalmachinegebouwen, of in de onmid- ondergrond. dellijke omgeving — waar in het begin de vriesinstal- Vanzelfsprekend hoort in de onmiddellijke omgeving laties gehuisvest waren — vinden we vaak de belang- van de electrische centrale het hoge ketelhuis... waar rijkste machineconcentratie van de mijn, met name we aan het aantal rokende schouwen de werkende
De Ward-Leonardgroep van ophaalmachine III in Winterslag. Dergelijke electrische installaties bestaan telkens uit een centrale wisselstroommotor en twee gelijkstroomgeneratoren die de grote extractiemotoren van gelijkstroom voorzien. Deze groepen zijn bovendien zo opgevat dat ze stroom kunnen terugleveren aan het net, wanneer de extractiemachines afgeremd worden. De geautomatiseerde machines van schacht 1 (Skip) werken met statische omzetters (foto BVD) M&L 46
Ophaalmachine I van zetel Eisden. De Koepeschijf wordt aangedreven door twee Noordfranse Alsthom (Société Alsacienne de Construction Mécanique Belfort)-motoren, wat duidelijk verwijst naar de Lotharingse aandeelhouders van Eisden. De gelijkaardige ophaalmachine IV werd in 1976 nog vervangen door een tweedehandsmachine Smit (Slikkerveer) van de sluitende Nederlandse Emma-mijn (foto ED)
ketels kunnen tellen. Om de stoomcondensators onderaan de turbines en de generatoren en compressoren te koelen, vinden we hier eveneens de betonnen koeltorens. De koolmijn van Eisden daarentegen, langs de Zuid-Willemsvaart, pompte onafgebroken kanaalwater langs en door haar draaiende installaties. Op het stoomwatercircuit vinden we naast een watertoren ook een waterbehandelingsinstallatie om corrosie in ketels en turbines te voorkomen. Vooral in de winter zijn in de omgeving van de schachten ook de ventilatorgebouwen gemakkelijk herkenbaar aan de brede uitstoot van de warme, vochtige mijnlucht. Alle ventilatoren zijn aangesloten op dezelfde luchtuittrekkende schacht, wiens schacht-
bok duidelijk volledig afgesloten is om alleen verbruikte lucht uit de ondergrond op te zuigen. Het mijngasextraxtiegebouw stelt niet veel voor en is moeilijk herkenbaar, daar het mijngas doorgaans gebruikt wordt in de schlammdroogtoren waar het bezonken kolenslik drooggestookt wordt om op zijn beurt als poederkool in electrische centrales opgestookt te worden. Als we echter terugkeren naar de losvloergebouwen, zien we hier dikwijls op losvloerhoogte loopbruggen uitmonden of vertrekken. Een smalle loopbrug verbindt de badzaal, bezettingszaal en/of lampenzaal met de luchtuittrekkende schacht omdat de mijnwerkers meestal via deze 47 M&L
Zicht op de oude electrische centrale van Waterschei, gelegen tussen de twee ophaalmachinegebouwen. Vooraan de 'Watertoren', eens een gecombineerde ketelhuisschouw met waterreservoir naar een ontwerp van de Gentse firma 'Grondel Frères' uit 1909 (cfr. dergelijke Monnoyer-prefabsystemen). De eens 48 meter hoge schouw werd uit veiligheidsoverwegingen in 1963 ruim 19,50 m. korter gemaakt. De gewapend betonnen voormalige electrische centrale werd sinds de oprichting van de nieuwe grote electrische centrale (1952-1955) stilgelegd en herbergt momenteel enkel nog 2 persluchtcompressoren en een vijftal koelinstallaties (foto ED)
Zicht in de ruime persluchthal van Winterslag met nog een drietal grote Brown Boveri compressoren die zich, samen met de vooraan geïnstalleerde ventilatoren, tussen beide ophaalmachinegroepen bevinden en bijgevolg als een geheel mee op de lijst voor bescherming kwamen (foto BVD) Pagina rechts : Volt- en Ampèrewijzers van de beide gelijkstroommotoren van ophaalmachine IV (Winterslag). Ongetwijfeld de mooiste en ook historisch interessantste ophaalmachine van het ganse Kempische bekken (± 1916) (foto BVD) M&L 48
600
^ > * * |
<
1VOLTS .,. VOLTS
JC
«m'EHTl ER
..^/
m
4P # /
AMPÈRES
.4v ^ i
ft/
] ' ^, AMPEBES J.CARPENTIER
J.CARéENTIER
H
k\
t
v^'
Origineel, nog werkend schakelbord van de voormalige en in de jaren 1970 ontmantelde electrische centrale van Winterslag. Het instrumentarium op het marmeren schakelbord is van ...de Franse hoofdaandeelhouder Schneider (foto BVD)
kooien afdalen. Soms is deze verbinding ondergronds. Aan de luchtuittrekkende schacht vertrekt een brede loopbrug waardoor op 4-dubbel spoor 'kolenberlings' hun vracht naar de kolenwasserij-zeverij voeren. Deze koienwasserijen liggen meestal achteruitgelegen omdat hier ruimte en uitbreidingsmogelijkheden voor stockagebunkers, menginstallaties, indikkers, schlammbassins, kolenstocks, rangeersporen enzovoort belangrijk zijn. De lengte van de aanvoerpasserel of transportband is hieraan volledig ondergeschikt. Het 'wassen' van de brute steenkool, met andere woorden het verwijderen van meegekomen of aangeklitte stenen, gebeurt de laatste decennia volledig mechanisch. In magnetisch water of 'pulseerbedden" kan drijvende steenkool gescheiden worden van de gezonken stenen. Aaneengeklitte kolen en stenen worden gebroken en opnieuw gewassen; alles wordt tenslotte per grootte gezeefd. In het kolenlaboratorium wordt dagelijks de gewonnen steenkool scheikundig geanalyseerd om de juiste mengeling aan de verbruiker te kunnen leveren.
Naast de eigenlijke werkplaatsen zijn ook de badzalen in twee, drie modules gebouwd naargelang de nood aan mijnwerkers toegenomen was. Tot slot mag niet uit het oog verloren worden dat de bovengrondse installaties van een mijnzetel in feite slechts 'de top van de ijsberg vormen'. ledere mijn beschikte, naast kilometers voorlopige galerijen en tijdelijke pijlers, over ruim 100 km blijvende steengangen. In zijgangen van dit verschillende verdiepingen tellende verkeersnet zijn onder andere pompenzalen, locomotiefgarages, werkplaatsen, electrische onderstations, kolenbunkers.. tot zelfs leslokalen uitgebouwd!
Zoals de koienwasserijen voortdurend verbouwd en uitgebreid werden, zo ook heeft het gebouwencomplex van de mijnzetel met zijn talrijke ateliers, magazijnen, schrijnwerkerijen enzovoort er niet altijd uitgezien zoals we het vandaag kennen. Al dan niet door reorganisatie overbodig geworden zijn een aantal gebouwen als steenbakkerijen, betonblokfabrieken, gieterijen en kalkovens sinds lang gesloopt. Andere veranderden herhaaldelijk van functie... zoals het oude centrale magazijn (1912) van Eisden dat achtereenvolgend als paardenstallen, locomotiefloods, schrijnwerkerij, burelen en infirmerie dienst deed. Een steenkoolmijn is een dynamisch bedrijf waar de evolutie in de ontginningstechnieken duidelijk zijn sporen nalaat; we vinden er naast de oudste smidsen en schoenlappers ook hydraulische werkplaatsen en computergestuurde staalplaat-snijmachines. M & L 50
Betonnen passerei tussen losvloer en 'kipinstallatie', vooraan in de kolenwasserij waar de volle mijnwagentjes uitgestort worden in een kolenbunker. van waaruit de steenkool via transportbanden naar de verschillende bewerkingsinstallaties vervoerd worden. Lege mijnwagentjes gaan vervolgens via een lichtjes stijgend circuit terug naar de liftkooien (foto ED)
Een detailbeeld van de westgevel van de kolenwasserij van Eisden. Het stalen skelet en de baksteengevels volgen getrouw de inwendige installaties. Kolen 'wassen' betekent: hen zuiveren van meegekomen stenen (tot 50 %). Dit gebeurt o.m. in 'verzwaard water' waar kolen drijven en stenen zinken. Dit kostbare 'magnetietwater' wordt gerecupereerd in de ronde 'indikkers' (foto ED)
Binnenzicht in de centrale werkplaats van Winterslag met een verzameling 'roerend' industrieel erfgoed, waaronder deze forse Luikse 'Dombret' plaatsnijmachine (foto BVD)
Dergelijke electrische loco's met bovenleiding reden enkel in Winterslag en Eisden, weliswaar enkel in de onderste verse-luchtvoerende steengangen! Het is één van de zeldzame museumstukken die men in Winterslag waardevol genoeg vond om te demonteren (lift) en nog boven te halen (foto BVD)
51 M&L
De mijn van Waterschei Als huldeblijk aan de ontdekker van het Kempisch steenkoolbekken werd niet alleen de eerste toegekende concessie (1.08.1906) naar hem genoemd maar ook de midden 1907 opgerichte mijnmaatschappij 'S.A. Charbonnages André Dumont-sous-Asch' (vanaf 1920 kortweg: Charbonnages André Dumont). De voornaamste aandeelhouders van deze mijn waren de Belgische Société Générale, Providence, de Bank van Brussel en de groep Coppée. Als vierde Kempische mijn kon men hier de kolenproduktie in 1924 starten. De zetel werd in het westelijk gedeelte van de 3080 ha grote concessie ingericht omdat de gemeente As geen bouwaanvraag goedkeurde. Midden de jaren 1950 startte de mijn 'André Dumont' — zoals oorspronkelijk trouwens voor alle mijnen was gepland — met de uitbouw van een tweede oostelijke zetel of tenminste een bijkomende luchtschacht. De kolencrisis van 1958 deed de financiers van dit project evenwel afhaken. De architectuur van de mijnzetel is ongetwijfeld de meest eigentijdse en zou volgens ingewijden de bouwstijl van haar grootste aandeelhouder verraden. Het hoofdgebouw (19221924) heeft iets futuristisch dat aan 'Metropolis' van Frits Lang doet denken. Het is een zeer gedetailleerd uitgewerkte toepassing (tot in het directeursbureel) van het betonnen Hennebiquesysteem, dat in die tijd bekend stond als een beterkope manier van bouwen. De kolenproduktie verliep op niet minder dan 7 verdiepingen, tussen 647 en 1040 meter diepte. Haar maximale produktie werd met 1.490.700 ton pas in 1968 behaald (1986: 1.096.075 ton). De maximale tewerkstelling — 6.834 mijnwerkers — daarentegen dateerde uit 1949 (in 1986: 3.109). In het fusiejaar 1967 telde de cité van Waterschei met zijn 1533 woningen nog 6700 inwoners. De productie werd hier stilgelegd op 10 september 1987, als tweede mijn, na Zwartberg. Hoofdgebouw. Close-up van de zuidwestelijke hoektoren met duidelijke Art Deco verwijzingen. Momenteel ontoegankelijk daar een kleine brand de houten trap vernielde (foto BVD)
Het hoofdgebouw van Waterschei is als één vaststaand ontwerp opgevat, zondere latere uitbreidingsmogelijkheden. Nochtans zijn in dit gebouw a.m. bad- en kleedzalen, lampen- en bezettingszalen ondergebracht. Het illustreert zeer duidelijk de toenmalige opvattingen over de nieuwe Kempische mijnbouw. Dit, grosso modo 111 m bij 61 m grote gebouw met 4 bouwlagen (18 m) met Art Deco elementen, is ongetwijfeld één der meest in het oog springende (foto ED) • • • •
M&L 52
Hoofdgebouw. Deze kleine 'St. Barbara-hall'of mijnwerkershal op de 3de bouwlaag loopt parallel met de veel grotere feesthal, de zaal waar eerder het kaderpersoneel elkaar ontmoet. Rechts onderaan moesten de ondergrondse mijnwerkers 'intikken' waarna ze zich links in de bad- en kleedzaal konden omkleden. Boven rechts was het controle-instrumentarium en het rechtstreeks verbindingscentrum met de ondergrond ingericht, terwijl links boven gedeeltelijk door badzalen van de kaders ingenomen werd (foto BVD)
Boven : Schachtbok II boven de luchttrekkende schacht met de typische losvloergebouwen. Via de verbindingspasserels met het hoofdgebouw en schachtbok I konden de mijnwerkers van de ondergrond naar de badzaal en omgekeerd, zonder buiten te hoeven. Tijdens onze inventarisatie waren de losvloergebouwen reeds volledig vrijgemaakt van ramen en invulmetselwerk... uit veiligheidsoverwegingen voor nog vrijkomend mijngas bij het vullen der schachten (foto ED) Rechts : Hoofdgebouw, 'een nog werkende originele'laspar - lift via dewelke beheerraadsleden en kaderpersoneel, die doorgaans de oostelijke ingang gebruikten, de feestzaal met beheerraadszaal of de directieburelen konden bereiken' (foto BVD) Onder : 'Detail van de zuidgevel van de kolenwasserij en -zeverij. Typisch voor deze mijninstallaties met hun bewegende inboedel van trilzeven. St.-Jakobsladders, transportbanden, brekers en waterbakken met roerkettingen, is de volledige stalen skeletstructuur, die in de gevels vaak fraai opgevuld werd met baksteen- en grote vensterpartijen (foto BVD)
Zicht in het magazijngedeelte van het hoofdgebouw dat een duidelijk beeld geeft van het 'Hennebique systeem'. Het betreft een monolitisch 'onbedekt' gewapend betonnen skeletbouwsysteem dat sinds de jongste eeuwwisseling internationaal succes kende als één der meest rationele en economische bouwsystemen. Dat een dergelijk bouwsysteem vrijwel alle mogelijkheden voor herinrichting en hergebruik openlaat bewees K.S. zelf door er een vijftal jaar terug een nieuwe kliniekafdeling met operatiezaal in uit te bouwen. Daar het gebouw opgetrokken werd op een met spoorstaven gewapend betonnen plaat van ruim 1 meter dik (cfr. bouwmethoden voor bunkers tijdens de eerste wereldoorlog!) onderging het zonder scheuren meer dan 60 jaar kolenontginning! (foto BVD)
Het bureel van de hoofddirecteur-gerant gaf naar binnen toe uit op de grote feesthal en de burelen van de ingenieurs, terwijl het naar buiten toe een uitzicht gaf op zowel werkplaatsen, het ventilatorenplein, hoofdburelen van de bovengrond. schachtbokken. losvloergebouwen, passerels en ophaalmachines : volgens ingewijden een typische 'Société Générale'-bouwindeling. Het meubilair werd vrijwel zeker in eigen tekenhurelen ontworpen en in eigen ateliers uitgevoerd. Als alle andere overbodig geworden materiaal werd ook dit gewoon verkocht aan de meest biedende (foto BVD) • •
M&L 54
De mijn van Eisden De S.A. Charbonnages de Limbourg-Meuse (1907) nam de twee kleinere concessies 'Sainte Barbe' (2170 ha) en 'Guillaume Lambert' (2740 ha) voor haar rekening. Naast Brufina en Coppée waren vooral de Franse groep 'Hauts Fourneaux et Fonderies de Pont a Mousson', 'Aciéries de Micheville' en de 'Forges de la Marine et d'Homécourt' in de beheerraad vertegenwoordigd. De Franse aanwezigheid, die we ook in Beringen terugvinden, is hier echter veel duidelijker afleesbaar in de symmetrische architectuur van de hoofdburelen, de persluchthall en de ondertussen verwaarloosde parkaanleg. Typisch voor Eisden zijn de gewapend betonnen schachtbokken (de enige in het Kempens bekken), wat een fijnere bouwstructuur toeliet en goedkoper was, maar star en niet aanpasbaar bij enige verzakkingen... zoals men heeft moeten ervaren. Het huidige centrale magazijn (1912) in eclectische stijl, is niet enkel één der oudste gebouwen van het bekken maar getuigt ook van de oorspronkelijke bouwopvattingen van de mijnuitbaters; achtereenvolgend paardestal, locomotiefloods, garage, schrijnwerkerij, werkplaats, burelen en magazijn vormt het tevens een mooi voorbeeld van hergebruik. De architectuur verwijst ook naar de in de jaren 1930 afgebroken eerste electrische centrale (1911) van Eisden, die ook de eerste electriciteit aan de Maasdorpen leverde. Eisden kon als derde mijn, de kolenproductie starten. ton haalde ze in 1957. produkdeverdiepingen op
na Winterslag en Beringen, in 1923 Haar maximumcijfer van 1.883.420 De kolen werden ontgonnen via 600, 700 en 780 meter.
De Franse aard van het bedrijf was geen stimulans voor de plaatselijke bevolking om 'op de charbonnage' te gaan werken. 'Limburg-Maas' bouwden in drie cités niet minder dan 1510 woningen (1957) waarin zo'n 8000 mensen onderdak vonden. In 1955 waren nog 7340 mijnwerkers ingeschreven; in 1986 waren er slechts 2536 overgebleven. Op 18 december 1987 stopte ook hier de kolenproduktie.
Schachtbok 1. Limburg-Maas heeft als enige mijn in Limburg geopteerd voor gewapend betonnen schachtbokken (resp. 1921 en 1927) met als voordeel een meer economische en fijnere installatie. Men ondervond ook de nadelen ervan. Bij een verzakking heeft men (na doorzaging van de bokbenen) een opvijzelpoging moeten staken om verder onheil te voorkomen (foto ED)
Algemeen zicht in de grote machinehal, uitgevoerd in een betonskeletbouw van de Brusselse firma Monnoyer (1921-1927). Vooraan bemerken we een paar Ward-Leonardgroepen (Heemaf 195511961), horende bij de ophaalmachines, met daarachter een viertal BrownBoveri luchtcompressoren (foto E D ) Boven: Kleine portaalkraan bij de nieuwe 'koude' kaderpers. Verwrongen Toussaint-ijzers werden hier na een tijdelijk verblijf in de ondergrondse galerijen terug in vorm geperst. De laatste decennia werden de oude 'warme kaderovens' vervangen door krachtige hydraulische 'koude' persinstallaties als deze (foto ED)
Binnenzicht 1937 en na mijnwerkers bracht in de
in de kleed- en douchezaal die in twee fasen (eind jaren WO II) opgetrokken werd naargelang de nood aan toenam. De eerste bad- en lampenzalen waren ondergeeerste kolenwasserij-installaties (foto E D )
55 M & L WÊÊÊÊÊÊ
l
"«Hl
mm .wm •-•• .*s_
•
lilt
1
'•":'- •;'"
HIP
';•'
•
- •
• ; :-r; ;:- v m
"^•S — — ^ ^ - ^
Ëii
H^BHH ...
MEM
:.,.
- . „ I S r ^ ._^5-,
±yvmil&-
KT
n
••TT
• i i
•—8SS
...
• m
•
• .1
mimm -
•
TH :
J •
\
l t ui HU M
•
•
. '/
\
% •
.
-
. - . . •
_J
k
Eén van de oudste (1912) en originele mijngebouwen die de oorspronkelijke bouwopvattingen en toekomstverwachtingen van deze mijn kenmerken. De architectuur van dit Centraal Magazijn vertoonde veel gelijkenis met de eerste electrische centrale (1911) van Eisden die in 1937 overbouwd werd door de huidige electrische centrale (foto ED)
De hoofdburelen van 'Limburg-Maas' zijn pas in de jaren 1931-1933 gebouwd. Tot dan volstonden de 'oude burelen' (1910) vooraan in de tuinwijk. De classicistische architectuur en de symmetrische terreinaanleg (tot voor enkele jaren) maakt duidelijk dat de mijn in Franse handen was. Aan de zijgevel werden begin de jaren 1960 nog nieuwe mijnmetersburelen aangebouwd in dezelfde architectuur. De gebouwen vertonen redelijk wat verzakkingen, vooral veroorzaakt door drinkwaterwinning onder de mijnzetel (foto ED) Pagina links : Zicht op de westgevel van de kolenwasserij. De piramidale opbouw vertoont enigszins overeenkomst met het oorspronkelijke wasserijgebouw van Winterslag. (foto ED)
57 M&L
De mijn van Winterslag Winterslag geniet bekendheid enerzijds als 'oudste mijn', omdat hier in 1917 de eerste Kempische steenkool geproduceerd werd, en anderzijds omwille van het vroege globale tuinwijkontwerp van architect Blomme. In volle Duitse bezetting, terwijl alle andere Kempische mijnen stilgelegd waren, kon directeur Ev. Coppée de productie aanvatten omdat in Winterslag de moeilijke onderste drijfzandlagen niet voorkwamen en omdat hij een strak werkschema doordreef. Winterslag stond tijdens de eerste productiejaren ook aan de top met het hoogste aantal arbeidsongevallen, een triest record dat later kon gekeerd worden in de veiligste en op sociaal vlak best georganiseerde mijn. De belangrijkste architectuur vinden we in de lange gevels van de hoofdburelen met bad- en lampenzalen, langs de E. Coppéelaan. Ze zijn opgetrokken in een neoclassicistische stijl, in baksteen en arduin op een traditionele breuksteensokkel. Als geheel bieden ze een vage onafgewerkte indruk. Andere prestigieuze plannen in het archief, en het feit dat Coppée omstreeks 1912 in financiële moeilijkheden verkeerde laten één en ander vermoeden; toch kan enkel diepgaand onderzoek van het volledige archief hierin enige duidelijkheid scheppen. Om de voorbereidingswerken in 1912 verder te zetten werd het 'zetelgedeelte' (960 ha) van de concessie 'Genck-Zutendael' (3800 ha) afgestaan en uitgebaat door een nieuwe 'Charbonnages de Winterslag' waarin de Franse Schneiderfabrieken van Le Creusot hoofdaandeelhouder werden. In 1962 werd 'Winterslag' opgeslorpt door de Waalse 'Société Métallurgique d'Espérance-Longdoz'. De mijn haalde haar steenkool op de productieverdiepingen van respectievelijk 600, 660, 735 en 850 meter. Een maximum jaarproduktie van 1.635.514 ton werd nog in 1967 gehaald (in 1986 nog 988.620 ton), terwijl de maximum tewerkstelling van 6250 mijnwerkers in 1953 genoteerd werd (in 1986 nog 2.491 mijnwerkers). Op 31 maart 1988 werd de kolenproduktie in Winterslag stilgelegd en werden de laatste kolenwagentjes bovengehaald.
Boven : naamplaatje van de gekende machineconstructeur op de assokkel van ophaalmachine lil (foto BVD) Rechts : de oorspronkelijke twee kleine schachtbokken (45 m) geconstrueerd door de Luikse firma 'La Meuse' (1915, 1916). Toen Espérance Longdoz in 1962 besloot tot het inrichten van een automatische Skip installatie werd geopteerd voor een nieuwe schachthok die boven (h: 71,5 m) de eerste gemonteerd werd (foto BVD) Onder links : de gevels van de hoofdburelen langs de Evence Coppéelaan (eerste mijndirecteur van Winterslag). Deze traditionele architectuur vinden we ook nog terug in de belangrijkste sociale gebouwen van de tuinwijk, als bv. de schoolcomplexen rond het kerkplein (foto BVD) Onder rechts : streng classicistisch gevelgedeelte langs de Ev. Coppéelaan waarachter de melkbar en de lampenzaal ingericht zijn. Links en rechts ervan bevinden zich twee badzalen. Het torengedeelte laat een onafgewerkte indruk na (foto BVD)
M&L 58
mMï
Ophaalmachine UI in actie. De ophaalmachines van Winterslag behoren tot de oudste nog werkende machines. Minister Dewael plaatste ze dan ook samen met hun gebouwen en beide schachtbokken op de ontwerplijst van voor bescherming vatbare monumenten. Spijtig genoeg was ophaalmachine 2 toen al gekocht en gedeeltelijk in stukken gebrand door een schroothandelaar die vooral in de grote hoeveelheid koper geïnteresseerd was (foto BVD)
Smeedijzeren trappenwerk naar de kelderverdieping van de persluchthal. via dewelke de koelinstallaties van de compressoren en de oude ventilatorinstallatie toegankelijk worden (foto BVD)
Ingangsdeur van de voormalige generatorenhal. Electrische centrales in oude bedrijven zijn steeds paradezalen geweest waar geen details over het hoofd gezien werden (foto BVD) M&L 60
Doe een M&L-jaarabonnement cadeau
Bovendien houdt M&L voor de milde schenker een present in petto : U betaalt 950 fr. en ontvangt van ons een set van 6 kleurenpostkaarten.
Naam : Adres : D wenst een abonnement te schenken aan : Naam : Adres : Ik stort 950 fr, op rek. nr, 470-0278201-29 van Monumenten en Landschappen. Na storting ontvang ik de kleurenpostkaarten.
Datum :
Terug te sturen naar M&L-redactie, Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel,
Handtekening
^
% multiprötect
Spinnerijkaai 47 8500 KORTRIJK - Tel. (056) 22 23 21
'UW PARTNER VOOR TOTALE BOUWBESCHERMING' 500 produkten voor bouwsanering !
Bouwproblemen zijn veelzijdig Wij ook !
Multiprötect, de specialist voor : • • • • • • • • •
betonschade vochtwering muur- en kelderdichting gevelbescherming siliconen- en silicaatverven saneer- en renoveerpleisters balkon, terras en dakafdichting industriële bevloeringen steenconservering en -restauratie
Gebouw van Patroonstextielverbond te Kortrijk na restauratie
CITÉS-CINÉS Filmexpo in beeld en decor Vanaf 17 februari gaat het witte doek open! Ontdek Cités-Cinés, een heuse filmstad met steegjes, pleintjes... Neem de metro naar Café Lumière, eet een hot-dog in New York, drink een glas in gezelschap van legenden als Montand, Deneuve of Belmondo. En geniet van meer dan 160 filmfragmenten - drie uur lang I
Floraliapaleis - Gent 17/2-21/5/'89 Open dagelijks van 11 tot 19 u. woensdag, vrijdag, zaterdag tot 21 u. Toegangsprijzen : 350,- (reducties tot 125,-)
Info: 091/22 68 7 7
Het Nieuwsblad/
ASIKB we doen mot u mee
CITÉS-CINÉS wordt georganiseerd onder de auspiciën van de Voorzitter van de Vlaamse Regering, de Stichting Flanders Technology International, en in samenwerking met de Stad Gent. het Ministerie van de Vlaamse Cultuur, de ASLK en diverse prlvé-sponsors Organisatie: v.Z.W. Film-Events, exec, prod.: n.v. Euro-Events,
u
PHOTOGRAMMETRY Het vastleggen van vorm en afmeting van voorwerpen door middel van mono- of stereoscopische foto's
Toepassingen: het d o c u m e n t e r e n en vervaardigen van exacte tekeningen ten behoeve van voorstudies, renovatie, restauratie, etc. gevelwanden
gebouwen
archeologie
diverse p r o j e k t e n
12.000 m tot tekening uitgewerkt
Dom te Possou, Munster, Utrecht, Den Bosch Opera Zurich, Kastelen Elimgen, Pommersfelden, Ansbach,Amerongen, Doorn
projekten oa. in Apulië, Ostia Antica in Italië, Bern (CH),Alt Wensin BRD) en Leusden (NL)
zoals historische scheepsmodellen, altaren orgels en muurschilderingen
+
NON - DESTRUCTIVE RESEARCH al of niet in combinatie met de fotogrammetrie
Onderzoekstechnieken: • Infrarood Thermografie
• Ultra-Sound
• Impuls Radar
• Klimaatonderzoek in g e b o u w e n
• Beeldanalyse kwaliteit
historie
archeologie
klimaat/energie
oo. op een / 000-jarig altaar in Regensburg, warmte-uitstraling, enz.
oo. het lokaliseren van vakwerk in U/m en Ahrweiler alsmede van muurfragmenten in Regensburg, Eichstatt en Hattem
oo. oon het Vaticaan, te U/m, Schaffhausen en Regensburg
project te Schiphol, Helmond en Alkmaar
Informatie?
Geheel vrijblijvend worden u op aanvraag een brochure, kostenopgave of diverse voorbeelden opgestuurd.
Introduktie!
Wij houden voor u een poster van een fotogrammetrisch vervaardigde tekening van het houtgesneden altaar in de Parochiekerk te Lorch a.d. Rijn uit het jaar 1483 verzendklaar.
D e W a a l Scanning BV, Hattem/Holland Postbus 54 Telefoonnr. 0031-5206-42096 NL 8050 AB Hattem Telefaxnr. 0031 - 5206 - 41942
Brussel, Manneken Pis Hoogtelijnen, fotogrammetrisch vervaardigde tekening
Restauratie 'Oranjerie' van de Kruidtuin te Leuven
Algemene restauratiewerken VAN LOY M. & CIE Aarschotsesteenweg 4
3170 Herstelt Tel, (014)54 43 97 (016)69 97 70
hilders- en afwerkirK
il
"int-Joriskaai 7 - 9
•Tel. (091) 2312 96
M-.-5 ^
tauratie- en renovatieschilderwerk; Oude en s ren - Neogotisch schilderwerk - Polychromeren - patineren - Stucco antico (V Schrijnwerkerij: Muur en vloerbekleding o m . door spannen Ontwerpen en inrichten van alle interieurs Buitenschilderwerk met onderhoudsgarantie. Inventarisering en planning gratis.
REATIEVE
U wilt een verouderd gebouw vernieuwen, een oud monument opknappen, de ruimte inrichten? Het bouwpatrimonium is de trots van elke gemeente, het geeft een rijkelijk uitzicht aan de omgeving. Schenk uzelf de traditie van een edele materie : de Blauwe Steen uit Henegouwen. Hij is natuurlijk bestendig tegen slechte weersomstandigheden en vriesvast. U kan uw kreativiteit de vrije loop laten. Realiseer eenvoudige of grootse bouwideeën. Van de meest klassieke tot de meest baanbrekende. De Blauwe Steen is gemakkelijk te onderhouden, is niet duur en kan overal gebruikt worden : fonteinen, monumenten, zitbanken, voetpaden, tegelvloeren van eender welke soort, omlijstingen, bekleding van gevels... Kortom, overal waar U een degelijk en duurzaal materiaal wilt gebruiken dat de tijd trotseert.
BLAUWE STEEN UIT HENEGOUWEN® Een produkt van de NV. Carrières du Hainaut.Tel.067/33.41.21 Stuur mij dus volledige informatie over de Blauwe Steen uit Henegouwen, richtprijzen en een lijst van de gespecia liseerde verkopers in mijn streek _, Naam Straat .Bus Nr_ Postnummer. Plaats. Beroep. Provincie Terugzenden naar N.V CARRIÈRES DU HAINAUT, 7400 SOICNIES