Skip to main content

M&L_27_1.pdf

Page 1

;

JMfVUMPI^f C « H U M H I

W f®

i*^*

m f

i

«tW

1%»

• WÊ

^

M&L


hydraulische kalkmortels, kallei en tadelaktbepleistering DN: kalkverven CORI silicaatverven CORISILK en K marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECOR stucco venetiano PLASTELUX en VENES'

Arte VI erkend V www.vibe.be - info@vibe.be Tel. +32 (0)3 239.74.23

Arte Constructo ' Molenberglei 18 - B-2627 Schelle - Beli Tel. +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.7 www.arteconstructo.be - info@arteconstruct


Agentschap R-O Onrom-iid Erjga

27 jaargang ari-februari

1VI O N U M E M T E M , L A N D S C H A P P E N EN ARCHEOLOGIE

Redactie

"

CoiTr: Veldwezdt-Hezemater (foto O. Pauwets)

Abonnementsvoorwaarden 2008 België: 35 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 60 €

Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel M. Cclis Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: Luc Tack Secretariaat: Diane Torbeyns

Internet Website: www.onroerenderfgoed.be

Redactiecomité*

Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2008". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be

Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Cells, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hove Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Jo De Schepper, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dietcr Nuytten, Greet Plomteux, Suzanne Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman

Zonder schrifleli|ke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd

' Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten van het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

n h o 11

Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telcnet.be www.jancasier.be

Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68

Verantwoordelijke uitgever Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 05 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

i

Veldwezelt-Hezerwater. Een eerste beschermd Midden-Paleolithisch monument in Vlaanderen

4 0 Het BLOSO-domein in Hofstade, een uniek recreatieproject uit het interbellum

Patrick M . M . A . B r i n g m a n s en

Roger Deneef, Greta Paesmans, Jo W i j n a n t

Pierre M . Vermeersch

m.m.v. jaak Jespers en Filip Van Eist

2 1 De reconstructie van een engel en guirlande van Jan-Pieter Van Baurscheit de Jonge aan het Koninklijk Paleis op de Antwerpse Meir Luc Rossen en Kim Raymakers

3 0 Een beschermd herenhuis aan de Antwerpse Rotterdamstraat Greet P l o m t e u x

6 3 Summary


Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!

Restauratie en Monumentenzorg

Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...

Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendeliike afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijhlijvend contact met ons op.

Schilderijen en beelden (mei en niet polychroom) Muurschilderingen en stuc, Papier Meubilair (uiel en met polychroom), l e d e r

P.E.G. International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09

TEL.: 09 372 63 03 FAX : 09 372 93 59

OOSTVELDKOUTER 32 9920 LOVENDEGEM

Email: lnfo@rmp.be GSM: 0475 82 56 26

de producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke ordening en stadsrenovatie historische kaarten: archief en reproducties UI 1 UJ

(öb

NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT INSTITUT GEOGRAPHIOUE NATIONAL


Generiek Midden-Paleolitisch

Vlaanderen

Een gematigd klimaat, een relatief open landschap of Mammout-steppe en grote kuddes dieren waren voor de menselijke aanwezigheid in Noord west-Euro pa doorslaggevend. Hun met tussenpozen samenvallen tussen het Maasdal en Haspengouw verklaart de zowat 133.000 jaar oude sporen van bewoning in Veldwezelt-Hezerwater, meteen de vroegste in Vlaanderen en voldoende reden voor een wettelijke bescherming. Een primeur met handleiding door Patrick M.M.A. Bringmans en Pierre M. Vermeersch.

Engelengeduld De reconstructie van een barokengel toegeschreven aan Jan-Pieter Van Baurscheit, op het kuifstuk van het 'Koninklijk Paleis' in Antwerpen, stelde de restaurateurs voor een delicate uitdaging. Niet alleen noopte de faam van de bouwmeester-beeldhouwer tot een doorgedreven documenteren; ook de optie om het oorspronkelijk uit steen gehouwen beeld te modeleren zorgde voor onverwachte complicaties. De bevindingen van Luc Rossen en Kim Haymakers lezen dan ook niet ongenuanceerd.

Bouw uw huis waar 't u belieft Het rijk gestoffeerde, eclectische rijhuis dat weduwe Merckx-Verellen aan de Antwerpse Rotterdamstraat liet optrekken door - en naast dit van - bouwmeester Jos Goeyvaerts, getuigt door de Vlaamse renaissanceart nouveau mengstijl en de opvallende Rozenkruiserssymboliek in vele opzichten van een vrijgevochten persoonlijkheid. Naar aanleiding van de recente bescherming en verhoopte binnenrestauratie zet Greet Plomteux de deuren van dit uitzonderlijk universum voor belangstellenden op een kier.

De zandgroeven van Hofstade Sinds de kunstmatige totstandkoming aan de vooravond van Wereldoorlog I bleef het huidige BLOSO-domein niet van controverses gespaard. Van zandwinning en onbeheerd recreatiegebied ontpopten de waterplassen zich tijdens het interbellum tot speelterrein van modernistische ontwerpers en landschapsdesigners van diverse teneur en werd het Rijksdomein voor volkstoerisme een begrip. Nu de bescherming en nieuwe impulsen toekomstperspectieven openen, blikken Roger Deneef e.a. kritisch terug op een bewogen geschiedenis.

Slll


Patrick M.M.A. en Pierre M.

Bringmans Vermeersch

VELDWEZELT-HEZERWATER. EEN EERSTE BESCHERMD MIDDEN-PALEOLITHISCH MONUMENT IN VLAANDEREN

• De site van ïcldwezeltHezerwater situeert zich op de grens van België en Nederland. Op de voorgrond grenspaal nummer 89 (foto 0. Pauwels)

De recente bescherming

van de

site te Veldwezelt-Hezerwater Lanaken - Limburg)

aan vaste vorm krijgt.

stil-

Toch denken we bij een nog steeds

aan een stenen bouwwerk. derheid

archeo-

in Vlaanderen

van deze nog bestaande

bouwen is echter jonger

spontaan

De overgrote

meer-

stenen ge-

dan S00 jaar,

tenissen. Maar bepaalde

(Gemeente

toont aan dat het

logisch monumentenbeleid

beschermd monument

prehistorische

slechts

bewaard?

hoe wordt de herinnering

prehistorische

Zijn deze prehistorische

of bevinden zij zich

ondergronds?

Het lijkt er inderdaad

meerderheid

monumenten bevinden.

van de

in

steevast op dat de

prehistorische

zich vooral onder de grond

Enkel door het creëren van

logische kijkvensters

denis van deze gebouwde

monumenten

sche monumenten

verweven met belangrijke

historische

gebeur-

zichtbaar

het landschap

overgrote

fysisch

gebeurtenis-

sen nog op één of andere manier

enkele zijn ouder dan 1000 jaar. De geschieis vaak

gebeurtenissen

aan

- veelal tijdelijk

kunnen deze

ontdekt

en

- bestudeerd

archeo-

prehistori-

vervolgens worden.


Archeologie is de wetenschap die, aan de hand van materiële overblijfselen, het menselijk verleden bestudeert. Veelal worden de archeologische resten in de bodem aangetroffen. Archeologen spreken dan ook vaak van een bodemarchief, waaronder ze de archeologische sporen en overblijfselen verstaan die iets kunnen vertellen over het menselijk verleden. De context of de originele samenhang tussen de gelaagdheden, de sporen en de voorwerpen die op een archeologische site aangetroffen worden, maken het voor de archeologen mogelijk om tot een verantwoorde reconstructie van het menselijk verleden te komen. De opgegraven voorwerpen of artefacten en de nagelaten sporen geven middels hun originele vindplaats vaak de exacte plek van het menselijk handelen weer en weerspiegelen zo bepaalde aspecten die met het dagelijkse leven in het verleden van doen hebben. De studie van de begraven archeologische sites is dan ook uitermate belangrijk voor de reconstructie van de historie en de prehistorie van Vlaanderen. Vele van deze sites liggen, voor zover ze nog niet bekend zijn, nog steeds ongeïnventariseerd in de bodem opgeslagen. Potentieel kunnen er in Vlaanderen archeologische sites tot ongeveer een half miljoen jaar oud ontdekt worden. Heel wat van die ondergrondse archeologische resten dreigen voorgoed verloren te gaan. Denken we bijvoorbeeld maar aan het aanleggen van wegen, nieuwe huizen, bedrijventerreinen of groeves. Opmerkelijk is ook de destructieve aard van het archeologisch onderzoek zelf. Een kijkvenster op het archeologische bodemarchief kan immers pas opengaan op het moment dat er grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. Tijdens het openen van het bodemarchief gaat echter de originele samenhang tussen de gelaagdheid, de archeologische sporen en de materielevondsten onherroepelijk verloren. Het is daarom wenselijk en noodzakelijk dat archeologen bij grondwerken de mogelijkheid krijgen om deze archeologische samenhang zorgvuldig te registreren en te documenteren in de vorm van foto's, tekeningen en beschrijvingen. Deze mogelijkheid wordt via de bescherming ook expliciet gegarandeerd. Het archeologische bodemarchief kan in principe immers maar één keer worden gelezen.

Het komt er dus op aan om de ondergrondse archeologische sites zoveel mogelijk in hun oorspronkelijke context te bewaren, met andere woorden te beschermen voor de generaties na ons, die hopelijk met nog betere archeologische methoden het bodemarchief grondiger kunnen lezen. Probleem

Opgravingen op de

blijft echter dat bijvoorbeeld nieuwe landbouwmethodes, zoals diepploegen, het bodemarchief steeds meer en meer aantasten. Ook bodemerosie vormt een groot probleem. De bewaringstoestand van heel wat archeologische sites zal er dus op achteruit blijven gaan ondanks hun formele bescherming. Een laatste zorg is de alsmaar stijgende kostprijs van arbeid. Degelijke wetenschappelijke archeologische opgravingen, die per definitie veel handenarbeid vereisen, dreigen aldus onbetaalbaar te worden. Zeker als het om prehistorische sites gaat, die vaak millimeter voor millimeter blootgelegd moeten worden. Ook de kostprijs van de toepassing van moderne en vernieuwende natuurwetenschappelijke methoden op archeologische sites swingt de pan uit. Archeologie blijft een complex maatschappelijk gegeven. De vraag hoe we oude stenen en beenderen kunnen vertalen in menselijk gedrag en hoe we dat in de toekomst kunnen blijven doen, is niet meteen makkelijk te beantwoorden.

rand van de leemontginning (Erik Heijs - www. archeogeolab.nl)

DE QPGRAVINGSHISTQRIEK VAN DE ARCHEOLOGISCHE SITES TE VELDWEZELT-HEZERWATER In vele opzichten zijn de archeologische opgravingen die te Veldwezelt-Hezerwater werden ondernomen uitzonderlijk te noemen (1). De industriële afgravingen van de leemgroeve "Vandersanden" te Veldwezelt werden 10 jaar lang wetenschappelijk opgevolgd (van 1994 tot 2004). Midden de jaren '90 van de 20ste eeuw werd er door het Laborato-

1VI&L


de groeve uitstekende perspectieven. Opmerkelijk is ook dat deze leemgroeve in een beekdal lag aan de rand van een oud terras van de Maas. Het nog lagergelegen, nabije Albertkanaal zorgde voor een uitstekende ondergrondse drainage van het gehele gebied, waardoor het beekdal in droge toestand kon worden onderzocht. Het bleek dat in de leemgroeve "Vandersanden" vooral loess- en leemafzettingen en paleobodems uit de periode van ongeveer 190.000 tot 5.000 jaar geleden ontsloten waren. Aangezien het onderzoek in de nabije leemgroeve van Maastricht-Belvédèrezich zich vooral op de periode van ongeveer 250.000 tot 129.000 jaar geleden had toegespitst (2), bood de groeve te Veldwezelt-Hezerwater uitstekende perspectieven om de kennis van de menselijke bewoningsgeschiedenis naar de latere periodes uit te breiden. A Het Albertkanaal domineert en doorsnijdt het gebied. In het talud op de linkeroever bevindt zich de beschermde site van ïeldwezellHezerwater (foto 0. Pauwels)

rium voor Prehistorie aan de Katholieke Universiteit Leuven, onder leiding van de toenmalige directeur Pierre M. Vermeersch, een geo-archeologisch project opgestart om in de leemgroeve "Vandersanden" naar sporen van de Pleistocene mens te gaan prospecteren. Het geo-archeologische veldonderzoek werd in dit stadium hoofdzakelijk uitgevoerd door Jean-Pierre de Warrimont, Erik P.M. Meijs en Albert J. Groenendijk. Het geologisch onderzoek stond onder leiding van Prof. Dr. Frans Gullentops, jarenlang een autoriteit op het gebied van loessonderzoek. Uit de geo-archeologische prospecties, die midden de jaren '90 door dit team ondernomen werden, bleek dat de leemgroeve "Vandersanden" te Veldwezelt-Hezerwater zeer belangrijke geologische ontsluitingen liet zien. O o k qua archeologie bood

1VI&L

Het Paleolithicum of de Oude Steentijd omvat de langste periode uit de prehistorie. Het Paleolithicum begint zo een 2 miljoen jaar geleden en eindigt zo een 12.000 jaar geleden met het einde van de laatste ijstijd. Het Paleolithicum wordt op basis van de typologie van de stenen werktuigen onderverdeeld in drie subperiodes: het Oud-Paleolithicum duurde van ongeveer 2.000.000 tot 500.000 jaar geleden en wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door kernwerktuigen zoals choppers, chopping tools en vuistbijlen. De aangescherpte kern van een stuk steen werd toen als werktuig gebruikt; het MiddenPaleolithicum besloeg de tijdspanne van ongeveer 500.000 tot 35.000 jaar geleden en wordt gekarakteriseerd door afslagwerktuigen met o.a. de zogenaamde Levallois-techniek, waarbij van een voorbewerkte kernsteen afslagen werden geproduceerd die daarna als werktuig gebruikt werden; en tenslotte het Jong-Paleolithicum dat van ongeveer 35.000

T Levallois afslag

T

(foto 0. Pauwels)

(foto 0. Pauwels)

Levallois kern


logische vondsten ontdekt en opgegraven. Na grondige analyse konden 7 van deze 24 plaatsen als volwaardige Midden-Paleolithische sites geïnterpreteerd worden: (1) de VLL-Site; (2) de VLB-Site; (3) de VBLB-Site; (4) deTL-R-Site; (5) d e T L - G F Site; (6) de TL-W-Site en (7) de WFL-Site. Gedurende de opgravingen werden vuurstenen werktuigen, houtskool - wellicht restanten van kampvuren en dierlijke beenderen gevonden. De andere plaatsen worden geïnterpreteerd als zones waar verplaatste archeologische resten voorkwamen. Opmerkelijk is ook de zeer gedetailleerde stratigrafische context waarbinnen deze archeologische vondsten konden worden geplaatst (3). De Hezerwater-vallei werd in verschillende fasen van het Westen naar het Oosten opgevuld. Dit resulteerde in een complexe opeenvolging van loess- en leemlagen en fossiele bodems uit de periode van ongeveer 190.000 tot 5.000 jaar geleden.

tot 12.000 jaar geleden duurde en gekenmerkt wordt door o.a. langwerpige afslagen, die klingen worden genoemd. Toen eind 1997 te Veldwezelt-Hezerwater de eerste Midden-Paleolithische artefacten gevonden werden, besloot Pierre M. Vermeersch om een grootschalige archeologische opgraving op te starten. Naast de Katholieke Universiteit Leuven waren ook het voormalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren betrokken partijen. Verder werd het project financieel ondersteund door het Fonds voorwetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen, de Gemeente Lanaken, de Gemeente Riemst, de Provincie Belgisch-Limburg, de Provincie Nederlands-Limburg en de Stad Maastricht. Het veldwerk werd uitgevoerd door Bart Vanmontfort (Katholieke Universiteit Leuven), Shawn Bubel (University of Lethbridge, Canada) en Patrick M.M.A. Bringmans (Katholieke Universiteit Leuven). Tussen 1998 en 2003 werden er in totaal zes grote opgravingscampagnes te Veldwezelt-Hezerwater georganiseerd. Meer dan 200 studenten archeologie en fysische geografie uit België, Nederland, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Ghana, Canada en de Verenigde Staten van Amerika namen deel aan de verschillende opgravingscampagnes. Er werden 24 verschillende plaatsen met archeo-

De jongste Midden-Paleolithsche artefacten die te Veldwezelt-Hezerwater ontdekt werden, dateren van ongeveer 50.000 jaar geleden, terwijl de oudste resten van ongeveer 133.000 jaar oud zijn. De Midden-Paleolithische mensen die toen te VeldwezeltHezerwater leefden, kunnen waarschijnlijk als Neanderthalers geïdentificeerd worden. De twee oudste archeologische sites uit de voorlaatste ijstijd, die te Veldwezelt-Hezerwater ontdekt werden, worden momenteel beschouwd als de oudste in situ Neanderthaler-openluchtnederzettingen van België. Na zes opeenvolgende opgravingscampagnes werden de archeologische opgravingen door het Laboratorium voor Prehistorie gestaakt. Het opgravingterrein was immers voldoende goed in kaart gebracht, zodat de kosten voor verdere opgravingen niet langer opwogen tegen de baten. Men mag ook niet vergeten dat de oudste archeologische sites zich op meer dan 15 meter onder het maaiveld bevonden. De niet opgegraven zones van de sites te Veldwezelt-Hezerwater, met hun unieke archeologische inhoud, werden door minister Dirk Van Mechelen op 7 december 2007 definitief beschermd als archeologische zone (4).

GEQMORFQLQGISCHE SITUATIE TE VELDWEZELT-HEZERWATER De Maas en het Albertkanaal zijn de twee belangrijkste waterwegen in dit gebied. De Maas stroomt hier quasi van Zuid naar Noord. Ten westen van en

De opgraving van de VBLB-site. Aan het onderzoek werkten tientallen studenten uit binnen- en buitenland mee (foto Patrick Brlngmans)


parallel met de Maas is het Albertkanaal gesitueerd. Het gebied is het resultaat van een zeer complex proces van landschapsvorming, dat sterk door de met loess bedekte Maasterrassen wordt gekenmerkt. In Nederlands- en Belgisch-Limburg werden 31 Maasterrassen geïdentificeerd (5)- In de directe omgeving van Veldwezelt-Hezerwater, kunnen twee verschillende Maasterrassen onderscheiden worden: het Rothem-1-terras en het Rothem-2-terras. Het Rothem-2-terras is ongeveer een half miljoen jaar oud en rijk aan vuursteen. Ten zuiden van Maastricht stroomt de Maas door afzettingen uit het Krijt die rijk aan vuursteen zijn. Te Veldwezelt-Hezerwater werd het Rothem-2-terras bedekt door dunne lagen herwerkt grint en zand, die in feite de eerste alluviale afzettingen van het Hezerwater zijn (6). Tenslotte werd dit grint en zand met eolische loess van de voorlaatste ijstijd bedekt. Dit resulteerde in een glooiend landschap, dat door het Hezerwater versneden werd. De sedimenten werden ingrijpend beïnvloed door de periglaciale fenomenen die zich gedurende de koude periodes van de laatste twee ijstijden manifesteerden. De archeologische sites van Veldwezelt-Hezerwater waren alle gesitueerd op de linkeroever van het Hezerwater. Het Hezerwater ontspringt in Vlijtin-

gen, stroomt dan door het naamgevende dorp Hees en mondde vóór de aanleg van het Albertkanaal uit in de Maas bij Smeermaas. De aanleg van het Albertkanaal in de jaren '30 van de 20 stc eeuw, had tot gevolg dat de benedenvallei van het Hezerwater van haar bron werd afgesneden en daardoor droog viel. Dat er enkel sites werden aangetroffen op de linker oever van het Hezerwater is het gevolg van het migreren van het riviertje, dat steeds de rechteroever verder erodeerde. De sites van Veldwezelt-Hezerwater (7) en deze van Maastricht-Belvédère (8) zijn beide aan het Hezerwater gelegen en op minder dan 3 kilometer van elkaar verwijderd. De gegevens van Maastricht-Belvédère en Veldwezelt-Hezerwater laten toe de bewoningsgeschiedenis van dit gebied voor de laatste 250.000 jaar zeer gedetailleerd te reconstrueren. Zelfs in een Europese context beschouwd, is deze grote dichtheid aan opgegraven Midden-Paleolithische openluchtsites zeer uitzonderlijk. Het gewaarborgde behoud van de uiteindelijke en de nog steeds ontsloten westelijke wand van de leemgroeve "Vandersanden", waarin de restanten van de belangrijkste archeologische horizonten van Veldwezelt-Hezerwater bewaard zijn gebleven, is dan ook van uitzonderlijk wetenschappelijk belang.

LQESSr LEEM EN FOSSIELE BODEMS TE VELDWEZELT-HEZERWATER Het stratigrafisch onderzoek van loess-profielen kent een lange wetenschappelijke traditie (9). Vanouds werd de nadruk gelegd op het belang van de fossiele bodems die in die afzettingen worden aangetroffen. Vermits er een duidelijke relatie bestaat tussen bodemvorming en het vigerende klimaat, kunnen de bewaarde paleobodems dan ook terecht beschouwd worden als belangrijke getuigen van de klimaatschommelingen die in een gebied voorkwamen. O p wereldwijd niveau kunnen dergelijke klimaatschommelingen nu ook zeer gedetailleerd worden afgelezen uit de sedimenten van de diepzee of uit het op de polen opgeslagen ijs (10). Vanuit een geomorfologisch gezichtspunt kunnen twee belangrijke types van loess-afzettingen onderscheiden worden: ten eerste de loess-afzettingen op beschutte hellingen, die vaak prachtig gedifferentieerde profielen bovenop terrasafzettingen opleveren en ten tweede de dikkere, veel minder gedifferentieerde loess-lagen op de plateaus. De meest prominente pakketten primaire, eolische loess te Veld-


Veldwezelt-Hezerwater

Tekening van het noord-zuid profiel (Erik Meijs - www. archeogeolab.nl)

wezelt-Hezerwater stammen hoofdzakelijk uit de tweede helft van de laatste ijstijd, van ongeveer 44.000 tot 12.000 jaar geleden. Deze loess is niet of nauwelijks gelaagd, meestal homogeen, licht poreus, kalkrijk en geel-bruin van kleur. De kleur van loess kan natuurlijk wel van plaats tot plaats verschillen. De belangrijkste loess-afzettingen te Veldwezelt-Hezerwater, die onder erg koude en droge klimatologische omstandigheden tot stand kwamen, starten altijd met de aanwezigheid van een heldere, niet-humeuze marker-loess van eolische oorsprong (11). Loess die herwerkt werd door processen zoals afstromend regenwater of grondverschuiving (solifluctie) wordt "leem" genoemd. Te VeldwezeltHezerwater zijn deze leemlagen ook zeer prominent in de profielen aanwezig. In de sedimenten kan de trend naar een kouder en droger klimaat, met het voorkomen van méér loess, worden afgeleid uit de graduele vermindering van de hoeveelheid lemige laagjes. De fossiele bodems of paleobodems die te Veldwezelt-Hezerwater bestudeerd werden (12), maken het mogelijk om een chrono-stratigrafische onderverdeling van de sedimenten te maken. Vanuit een chrono-stratigrafisch oogpunt bekeken zijn de paleobodems in de basale gedeelten van de voormalige hellingen en in de begraven depressies, het meest verhelderend. De donkere humeuze paleobodems hebben zich relatief snel gevormd in een eerder droog klimaat. Bruin/rode paleobodems hadden meer tijd nodig om zich in een relatief warm en vochtig klimaat te kunnen ontwikkelen. Deze dik-

N


^ ke bruin/rode paleobodems kunnen zich enkel Piramidale klmgkern m a a r ontwikkelen gedurende de warmere periodes (foto 0. Pauwels)

..

...

van een tussenijstijd. Te Veldwezelt-Hezerwater, zijn de belangrijkste paleobodems: het Rocourt Bodemcomplex en de Kesselt-Suite (13). Vermits goedbewaarde en gedifferentieerde paleobodems van dezelfde ouderdom sterk op elkaar gelijken, kunnen ze binnen één en dezelfde klimatologische zone makkelijk met elkaar worden vergeleken. Paleobodems van dezelfde ouderdom kunnen dus herkend worden over afstanden van enkele honderden kilometers. Dit maakt correlaties met andere archeologische sites in Nederland, West-Duitsland en Noord-Frankrijk mogelijk. Plaatsen waar paleo• bodems goed ontwikkeld en bewaard zijn gebleven Een opnieuw

••

i

J

IJ

, znn echter noe 0 steeds ere 0 zeldzaam,

samengestelde levaliois kern (foto 0. Pauwels)

OVERZICHT VAN DE ARCHEOLOGIE TE VELDWEZFIT-HEZFRWATFR

Opgraving van de VBLB-site, Tijdens het onderzoek werd er opgegraven volgens een dambordpatroon bestaande uit putjes van telkens twee bij twee meter (foto Patrick Brmgmans

De zeven Midden-Paleolithische sites van Veldwezelt-Hezerwater zijn (14): - de TL-R-, TL-GF-, TL-W- en WFL-sites uit de laatste ijstijd. Deze sites, die zich op de lagere gedeeltes van het landschap - dus vlakbij het Hezerwater - bevinden, worden gekenmerkt door de aanwezigheid van slechts enkele stenen werktuigen. - de VBLB-site uit de laatste fase van de laatste tussenijstijd. — de VLL- en VLB-sites, te dateren op het einde van de voorlaatste ijstijd. Deze drie laatste sites bevinden zich op de hogere, drogere en waarschijnlijk ook veiligere plekken in het landschap

en kennen een meer langdurige vorm van bewoning. Er werden hier veel meer stenen werktuigen en afval van vuursteenbewerking aangetroffen en dit in een sterkere concentratie. Hier werden ook heel wat sporen van kampvuren (houtskool en verbrande leem) waargenomen. De VLL- en VLB-sites te Veldwezelt-Hezerwater, die ongeveer 133.000 jaar geleden bewoond werden, bevonden zich vlak onder het Rocourt-Bodemcomplex. Deze sites bevonden zich in een klein bron-amfitheater dat met het Hezerwater was verbonden (15). De bron erodeerde het locale Maasterras. De lithische assemblages van de VLL- en VLB-sites die op de lemige hellingen van dit bronamfitheater aangetroffen werden, worden gekenmerkt door een prismatische kernreductie, resulterend in een aantal klingen en kling-vormige afslagen. De natuurlijke convexiteit van de langwerpige stenen kernen werd bij de reductie ten volle benut. O p de VLB-site werd ook een Levallois-kern aangetroffen met een hele reeks afslagen, die terug op de kern gepast konden worden.


Eenzi|dlge boordschrabber (foto 0. Pauwels)

1VI&L


EEN TOEKOMST VOOR EEN - BESCHERMD - VERLEDEN Peter

Van den Hove en Tim

Zoals vele andere ontginningsgebieden was de nabestemming van de leemgroeve 'Vandersanden' oorspronkelijk gereserveerd voor landbouw. Een deel van het grondgebied en van de archeologische site kwam in 2006 echter in handen van het Bedrijfstak Pensioen Fonds (BPF), een Nederlandse projectontwikkelaar, die er begon met de aanleg van een golfterrein met verblijfsaccommodatie. Het merendeel van de beschermde site bevindt zich niet op dit terrein maar in een talud tussen de oude groeve — het actuele golfterrein — en het Albertkanaal en is eigendom van nv De Scheepvaart. De zorg voor deze belangrijke archeologische site stopt uiteraard niet met de formele bescherming ervan. In de nabije toekomst zal met de eigenaars en locale en regionale betrokkenen een plan uitgewerkt worden voor een permanente monitoring en een optimaal behoud en ontsluiting van de site. Vooral de rand van de site met het golfterrein - die bestaat uit een tientallen meters lang en enkele meters hoog lemen profiel — is momenteel een erg kwetsbare zone die de nodige aandacht vereist. De Nederlandse projectontwikkelaar staat erg positief tegenover een conservatie en ontsluiting van de

Vanderbeken

site en wil daartoe de nodige stappen ondernemen. Er werden reeds contacten gelegd met een architectenbureau rond de opstelling van een dossier. Belangrijk is dat door de recente bescherming als archeologisch monument/zone een dergelijk dossier ook gefinancierd kan worden via het een besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1995 tot vaststelling van een premie voor werken aan beschermde archeologische goederen. Het geheel zal verder begeleid worden door een werkgroep met, naast de eigenaar en de architect, ook archeologen van het Agentschap R-O Vlaanderen en van de intergemeentelijke archeologische dienst Z O LAD. Parallel met deze werkgroep loopt intussen ook een ander lovenswaardig initiatief dat ijvert voor een educatieve uitwerking en ontsluiting van de geologische en archeologische site van Veldwezelt-Hezerwater. De drijvende kracht hierachter is het Grensschap Albertkanaal, een grensoverschrijdend samenwerkingsverband van vertegenwoordigers van buurtorganisaties, overheden en maatschappelijke groeperingen uit het grensgebied tussen de Belgische gemeenten Lanaken en Riemst en de Nederlandse gemeente Maastricht. De site is opgenomen in hun project Landmarks, een route

De beschermde site (links) bevindt zich op de rand van een golfterrein (rechts). De grens wordt gevormd door een tientallen meters lang lemen profiel (foto 0. Pauwels)

m i

'

^r*« •••

,

••****.

•

/ -


doorheen het gebied dat alle bijzondere plekken en elementen in de grensstreek verbindt, en zou tegen maart 2008 gerealiseerd moeten zijn. Hoe de site uiteindelijk zal geconserveerd en gepresenteerd worden is momenteel nog verre van duidelijk. Het opzet om een leemprofiel in open lucht voor verder verval te behoeden en te ontsluiten voor publiek is dan ook niet zo eenvoudig. Alle betrokkenen zijn echter bereid om deze uitdaging ten volle aan te gaan. Een eerste studieopdracht - gefinancierd door de gemeente Lanaken - is ondertussen uitgevoerd en schuift als belangrijkste piste ondermeer een overkapping van het leemprofiel naar voor. Gelijkaardige voorbeelden zijn bekend uit het buitenland. Zo poogt men in Frankrijk de paleolithische site van La Micoque (Dordogne) — op de lijst van het U N E S C O werelderfgoed sinds 1979 op een gelijkaardige manier te beschermen en voor verder verval te behoeden. Meer weten? Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, Phoenixgebouw, Koning Albert II-laan 19 bus 3, 1210 Brussel.

T Het leemprofiel

momenteel dan ook

staat bloot aan

een erg kwetsbare

allerhande weers-

zone

invloeden en is

(foto 0. Pauwels)

Assemblages met klingvormige afslagen en klingen, zoals op de VEL- en VLB-site, zijn binnen het Midden-Paleolithicum geen uitzondering meer, maar ze zijn zeldzaam in de periode van vóór de laatste tussenijstijd. De werktuigen van de VEL- en VLB-sites zijn veelal klein (4 tot 5 cm) en zelfs atypisch. Vergelijkbare assemblages zijn in West-Europa niet direct aanwijsbaar. De Midden-Paleolithische mens heeft waarschijnlijk meermaals de VEE- en VLBsites bezocht, om er in het grint van het bron-amfitheater naar silex te zoeken. Dit wordt geïllustreerd door een aantal keien die op hun kwaliteit voor werktuigproductie getest waren. De VEL- en VLBsites kunnen dus als openlucht extractieplaatsen voor vuursteen geïnterpreteerd worden. Het jongere VBLB-assemblage, dat in de bovenste grijsachtige Bth-horizont van het Rocourt-Bodemcomplex aangetroffen werd, moet waarschijnlijk tegen het einde van de laatste tussenijstijd (ongeveer 80.000 jaar geleden) gedateerd worden. In de paleobodem van de warmste fase van de laatste tussenijstijd — het Eem - werden geen artefacten aangetroffen. Bij de prospecties in andere leemgroeven in de buurt werden in die paleobodem ook nooit artefacten aangetroffen. Dit lijkt ook het geval te zijn in het Verenigd Koninkrijk, Noord-Frankrijk, Nederland en in het Westen van Duitsland. Dit wijst er op dat dit deel van Noordwest-Europa grotendeels onbewoond was gedurende de warmste fase van de laatste tussenijstijd, die gekenmerkt werd door een erg uitgesproken oceanisch klimaat, met warme, vochtige zomers en zeer zachte winters. De vegetatie was er waarschijnlijk veel te dicht voor de Midden-Paleolithische jagers, die het vooral van de jacht op de grote kuddedieren moesten hebben. Kuddedieren zijn afwezig in de dichte wouden, waarin er meestal maar solitaire dieren voorkomen. De steenbewerking van de VBLB-site geschiedde grotendeels met de Levallois-kernreductie methode. De originele, min of meer sferische vuursteenknol die op de VBLB-site gedebiteerd werd, werd ook in de onmiddellijke omgeving van de site gewonnen, waarschijnlijk in het nabije terras van de Maas. De werktuigen van de VBLB-site omvatten voornamelijk enkele unifaciale boordschrabbers. Daarnaast werden er ook nog twee kleinere tweevlakkige werktuigen (schrabber & bladspits) aangetroffen. Het VBLB-assemblage is fundamenteel verschillend van de assemblages van op de VEL- en VLB-sites. Naast een zone voor vuursteenbewerking (of zogenaamde debitage) in het zuidelijke deel van de


/ '

• De opgravingen te VeldwezeltHezerwater kregen veel aandacht in de media. Duizenden mensen zakten ti|dens de opendeurdagen af naar de site (foto Patrick Bringmans)

VBLB-site, die gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van relatief veel debitage-materiaal, valt er ook nog een andere functionele zone in het noorden van de VBLB-site te onderscheiden. Deze noordelijke zone werd door de Midden-Paleolithische mens gebruikt om er andere activiteiten dan vuursteenbewerking uit te voeren. We hebben dit kunnen vaststellen op basis van de aanwezigheid van de werktuigen. Dit schijnt erop te wijzen, dat er op de VBLB-site een zekere ruimtelijke organisatie aanwezig was. De grotere afslagen, die uit de Levallois-kernreductie afkomstig waren, werden op één welbepaalde plek in het zuidelijke gedeelte van de site geproduceerd. Zij werden daarna als werktuig gebruikt in het noordelijke gedeelte van de VBLB-site. Deze noordelijke gebruikszone voor werktuigen werd verder ook nog gekenmerkt door de aanwezigheid van houtskoolresten, wat op de nabijheid van een haard kan wijzen. Het voorkomen van het VBLB-assemblage is goed vergelijkbaar met assemblages van de Midden-Paleolithische sites in Noord-Frankrijk, die ook gekenmerkt worden door de Levallois-kernreductie. O p vallend is ook, dat deze Levallois-producten uit de laatste tussenijstijd veelal kleiner (6 tot 8 cm) zijn, dan de over het algemeen veel grotere Levalloisproducten (16) uit de laatste ijstijd. De artefacten die op de TL-R-, TL-GF-, TL-W- en de WFL-sites te Veldwezelt-Hezerwater opgegraven werden, stammen op basis van stratigrafisch onderzoek waarschijnlijk uit de eerste helft van het midden van de laatste ijstijd (tussen 60.000 en 50.000 jaar geleden). Naast lithische artefacten werden er

IVI&L

A Een holenhyena

Romeins Museum

(Copyright foto

Tongeren)

Provinciaal Gallo-

ook botten en kiezen van een fauna aangetroffen, die kenmerkend is voor de iets warmere periodes binnen een ijstijd. De faunaresten kunnen toegewezen worden aan paard, bizon, rendier, wolharige neushoorn, mammoet, holenleeuw, holenhyena, poolvos en haas. Opmerkelijk is de aanwezigheid van de das, de mol en de kikker die enkel kunnen overleven in relatief warme milieus. De aanwezigheid van deze diersoorten en de vrij intense, rode bodemvorming op de WLF-site, wijzen erop dat het klimaat, tenminste voor een relatief korte periode gedurende de laatste ijstijd, toch betrekkelijk warm moet zijn geweest. De das die op de WFL-site te VeldwezeltHezerwater opgegraven werd, is trouwens het meest noordelijke specimen uit de laatste ijstijd, dat ooit in Noordwest-Europa werd ontdekt (17). O p dat ogenblik was het klimaat min of meer gelijkaardig aan het huidige Zuid-Scandinavische klimaat. Het lijkt erop dat de Midden-Paleolithische mens in onze streken gedurende de laatste ijstijd enkel maar aanwezig was gedurende de meest warme fasen van die ijstijd.


De beenderen van de grote zoogdieren die op de WFL-site ontdekt werden, zijn waarschijnlijk de overblijfselen van de jachtactiviteiten van de Midden-Paleolithische mens in en om de Hezerwatervallei. De Midden-Paleolithische jagers gingen op jacht naar de grote zoogdieren, die in kudden door het landschap trokken. Deze dieren waren enkel aanwezig in de fasen met een steppe-klimaat. Het geprefereerde habitat van deze Midden-Paleolithische jagers was dus blijkbaar de zogenaamde Mammoet-steppe (18). Paard, rendier en bizon waren waarschijnlijk uiterst geschikt om te bejagen. De aangetroffen mammoetbeenderen zijn trouwens niet van een volwassen dier, maar van een erg jong dier. De mogelijkheid bestaat dus dat ook die jonge mammoet gejaagd geweest is. Helaas is de bewaringstoestand van de beenderen niet van die aard om er nog snijsporen van menselijke verwerkingsactiviteiten op te herkennen. De aanwezigheid van een aantal stenen werktuigen wijst er echter op dat MiddenPaleolithische jagers hier effectief actief waren. De lithische assemblages van de TL- en WFL-sites worden gekenmerkt door het tegelijkertijd aanwezig zijn van grote Levallois-producten en grote Quina-werktuigen. Deze Quina-werktuigen zijn erg dik en vertonen een typische trapvormige retouche. Zij wijken zeer duidelijk af van de oudere assemblages die te Veldwezelt-Hezerwater opgegraven werden. O p de TL- en WFL-sites is er geïmporteerde vuursteen aanwezig die afkomstig is van Lanaye/Ternaaien (op een afstand van ongeveer 10 km). O p de WFL-site werd er ook doorzichtige Haspengouwse vuursteen (een afstand van 40 tot 70 km) en glimmende kwartsiet van Wommersom (een afstand van 45 km) opgegraven. Openluchtsites, gekenmerkt door de aanwezigheid van Quinawerktuigen, zijn gedurende deze periode vrijwel onbekend in Noordwest-Europa. Quina-assemblages komen wel voor in de grotten van de Maasvallei. Mogelijks is er een verband tussen deze Quinaassemblages uit de Maasvallei en de zogenaamde Keilmessergruppe-assemblages (19) uit CentraalEuropa. Opmerkelijk is dat er op de TL- en WFL-sites nauwelijks sporen van werktuigproductie werden aangetroffen. Blijkbaar werden de werktuigen kant-enklaar naar deze sites getransporteerd, gebruikt en vervolgens ter plekke achtergelaten. Een mogelijke verklaring is, dat het exacte ogenblik, waarop de dieren die men bejaagde ergens opdoken, relatief onvoorspelbaar was. Deze Midden-Paleolithische jagers moesten hun jachtwapens — waarschijnlijk

• Een Quma-dwars-

houten werpsperen (20) - en hun stenen werktuigen dus altijd bij de hand hebben. Ze wilden waarschijnlijk ook geen tijd verliezen met de productie ter plaatse van nieuwe werktuigen om de jachtbuit te verwerken. Interessant in dit verband is ook het gegeven, dat er op de laaggelegen TL- en WFL-sites te Veldwezelt-Hezerwater geen aanwijzingen voor vuur zijn gevonden. Blijkbaar hebben de MiddenPaleolithische jagers hun jachtbuit snel verwerkt en hebben ze vervolgens de TL- en WFL-sites ook weer vlug verlaten, zonder zich nog om veel andere zaken te bekommeren. We mogen trouwens ook niet vergeten, dat er in de buurt holenleeuwen en holenhyena's rondzwierven die door de geur van het bloed van de gedode dieren van heinde en verre aangetrokken werden. Het vlees werd dus waarschijnlijk snel naar een basiskamp getransporteerd, waarvan we de ligging evenwel niet kennen.

schrabber foto 0. Pauwels)

A/l&L


Een tenloonstelling

ISO.000 bezoekers

rond Neanderthalers

(Copyright foto

in het Provinciaal

Provinciaal Gallo-

Gallo-Romeins

Romeins Museum

Museum in Tongeren

Tongeren)

De werktuigen die de Midden-Paleolithische jagers op de TL- en WFL-sites gebruikt hadden, werden dus gewoon terplekke achtergelaten. Deze werktuigen hadden blijkbaar geen enkele waarde meer voor hen. De jagers wisten dat er in het basiskamp voldoende vuursteen en stenen werktuigen aanwezig zouden zijn, die ze bij een volgende jachtpartij konden gebruiken. Een andere hypothese is dat deze mensen wisten waar ze makkelijk aan vuursteen konden raken. De extractie van vuursteen en de productie van stenen werktuigen zou dan een autonoom proces zijn, dat volledig los stond van de jachtactiviteiten. Met ander woorden, gedurende de jacht zelf werden er in principe dus geen werktuigen geproduceerd, tenzij in 'noodgevallen'. Hoe dan ook, de werktuigen, die na gebruik gewoon op de TL- en WFL-sites achtergelaten werden, waren op dat moment enkel maar overtollige ballast. Het lijkt er zelfs op, dat na de jacht en de verwerking van de jachtbuit op de TL- en WFL-sites, het vlees een veel grotere waarde had dan de stenen werktuigen. De werktuigen hadden blijkbaar naar behoren gefunctioneerd en ze werden vervolgens terplekke achtergelaten.

telde om en bij de

M&L

• Een Neanderthaler

(Copyright foto

Een Neanderthaler

(Copyright foto

personage vervaar-

Provinciaal Gallo-

personage vervaar-

Provinciaal Gallo-

Hezerwatcr

digd voor de

Romeins Museum

digd voor de

Romeins Museum

(foto 0. Pauwels)

tentoonstelling

Tongeren)

tentoonstelling

Tongeren)

Veldwezelt-


•

i'

wF^M t

• .-•*$

• f a * .

•

>•<'.;


De oude leemgroeve is vandaag een golfterrein. Maar de geschiedenis van de site Is bij het ontwerp met vergeten. De waterpartijen op het terrein volgen het verloop van het oude Heierwater (foto O.-Pauwels)

1V1&L

Deze Midden-Paleolithische vuursteenbewerkers zijn dus blijkbaar op een zeer opportunistische manier tewerk gegaan. De lokaal aanwezige lithische grondstoffen werden meestal eerst geëxploiteerd, zoals bijvoorbeeld op de VLL-, VLB- & VBLBsites. Indien er om bepaalde redenen toch vuursteen van een betere kwaliteit nodig bleek te zijn, of indien men geen tijd wenste te verliezen, dan beschikten deze Midden-Paleolithische mensen blijkbaar ook over een voorraad vuursteen en werktuigen, die meteen aangesproken kon worden, zoals op de TL- & WFL-sites wordt geïllustreerd. Het is inderdaad opvallend, dat op de TL- en WFL-sites de lokale vuursteen nauwelijks of niet gebruikt werd en dit ondanks het feit dat er ook toen lokale vuursteen beschikbaar was. Blijkbaar moeten er gedurende het Midden-Paleolithicum complexe strategieën van transport van stenen kernen en werktuigen in en om de Hezerwater-vallei bestaan hebben.

BESLUIT Te Veldwezelt-Hezerwater kon vastgesteld worden dat de menselijke aanwezigheid op het einde van de voorlaatste ijstijd, op het einde van de laatste tussenijstijd en gedurende de eerste helft van de laatste ijstijd vrij intensief moet zijn geweest. We veronderstellen echter dat er waarschijnlijk geen sprake was van een continue bewoning. Veeleer wordt gedacht aan een 'gepunctueerde' aanwezigheid van de mens. Waarschijnlijk was de mens in Noordwest-Europa enkel maar aanwezig gedurende de koelere fasen van de tussenijstijden én gedurende de warmste fasen van de ijstijden. Vervolgens is er te Veldwezelt-Hezerwater nauwelijks bewijs voor menselijke aanwezigheid gedurende de tweede helft van de laatste ijstijd (van ongeveer 50.000 tot 12.000 jaar geleden) en dit ondanks het feit dat er meer dan 10 paleobodems uit die periode geïdentificeerd werden. Dit wil niet zeggen, dat er gedu-


rende deze periode geen bewoning is geweest in Noordwest-Europa. Er is bewijs voor een sporadische menselijke aanwezigheid in enkele grotten. Maar er wordt vermoed dat, gedurende de tweede helft van de laatste ijstijd, de aanwezigheid van de mens in Noordwest Europa minimaal moet zijn geweest, afgezien van een paar korte aanwezigheden gedurende de warmere periodes. De zogenaamde Mammoet-steppe was duidelijk het geprefereerde leefmilieu van deze Midden-Paleolithische jagers. Alle sites te Veldwezelt-Hezerwater hebben immers een koel interglaciaal of een warm interstadiaal karakter. Deze mensen hielden van gematigde klimaten en milieus, dus niet te warm en vochtig en niet te koud en droog. Deze voorkeur van de Midden-Paleolithische mens resulteerde in Noordwest-Europa in het feit dat hij enkel maar in een relatief open landschap aanwezig was. In een dergelijk landschap trokken de grote kuddes dieren rond die enkel daar voldoende gras vonden o m te kunnen overleven. Ook de grote roofdieren zoals de holenleeuw en de holenhyena maakten jacht op deze kuddedieren. We veronderstellen echter dat de Midden-Paleolithische mens als de echte superpredator moet beschouwd worden. Wanneer echter de grote kuddes dieren in een bepaald gebied verdwijnen, dan verdwijnt ook de mens. Er is geen enkele aanwijzing, dat er mensen in de Hezerwater-vallei aanwezig waren onder écht koude en droge of écht warme en vochtige klimatologische omstandigheden. Dit feit moet te maken hebben met hun levenswijze die er vooral op gericht is geweest om jacht te maken op de grote zoogdieren die in kuddes door het open steppelandschap trokken. Als het te koud was, waren die kuddes niet aanwezig in Noordwest-Europa. Aan de andere kant waren er binnen de dichte interglaciale wouden evenmin grote kuddes te vinden, maar veeleer solitaire dieren.

De Hezerwater-vallei vormde naast de Jeker-vallei één van de belangrijkste natuurlijke verbindingswegen tussen het Maasdal en de hoger gelegen Haspengouw. Beide worden gekenmerkt door een eigen biotoop met rijke voedsel- en grondstoffenbronnen. Deze twee erg verscheiden milieus - met het iets verder gelegen grottenlandschap van de Maasvallei - boden uitstekende gelegenheden aan de Midden-Paleolithische mens van VeldwezeltHezerwater om in zijn dagelijks onderhoud te kunnen voorzien. Wij beschouwen de Midden-Paleolithische mens dan ook niet als een wezen dat gebonden was aan één bepaald milieu. Integendeel, wij

denken dat de Midden-Paleolithische mens door middel van kennis en technologie op een gepaste en actieve manier kon reageren op veranderingen en onregelmatigheden in zijn leefomstandigheden. De archeologische vondsten die op de MiddenPaleolithische sites te Veldwezelt-Hezerwater werden opgegraven, behoren tot de oudste in situ sporen van menselijke bewoning in Vlaanderen. Dergelijke Midden-Paleolithische sites zijn erg zeldzaam en een soortgelijke concentratie aan opgegraven sites is zelfs in een Noordwest-Europese context vrij uniek te noemen. De weinige goedbewaarde, Midden-Paleolithische openluchtsites die gekend zijn, dienen dan ook met de grootst mogelijke zorg bewaard en beschermd te worden. Zowel de geologische opbouw van de loess-bodem-sequentie, als de aanwezigheid van goed bewaarde Midden-Paleolithische sites, hebben heel wat nieuwe kennis opgeleverd in verband met de bewoningsgeschiedenis in dit deel van Noordwest-Europa gedurende het Midden-Paleolithicum. De site te Veldwezelt-Hezerwater is dan ook een erg belangrijk archeologisch monument en dient daarom behouden te worden als een getuige enerzijds en met het oog op toekomstig wetenschappelijk onderzoek anderzijds.

Patrick M.M.A. Bringmans was als assistent verbonden aan de Eenheid Prehistorische Archeologie van de Katholiek Universiteit Leuven. Pierre M. Vermeersch is als professor-emeritus verbonden aan de Eenheid Prehistorische Archeologie van de Katholieke Universiteit Leuven.

EINDNOTEN (1)

BRINÜMANS P.M.M.A., Multiple Middle Palaeolithic Occupations in a Loess-soil Sequence at Veldwezelt-Hezerwater, Limburg, Belgium. Ph.D. Dissertation. Katholieke Universiteit Leuven, 2006; BRINGMANS P.M.M.A., VERMEERSCH P.M., GUUENTOPS E, GROENENDIJK A.J., MEIJS E.P.M., DE WARRIMONT J.-P. & J.-M. CORDY, Prelimi-

nary Excavation Report on the Middle Palaeolithic Valley Settlements at Veldwezelt-Hezerwater (Prov. of Limburg), in Archeologie in Vlaanderen - Archaeology in Flanders, 1999/2000, VII, 2003, p. 9-30; BRINGMANS P.M.M.A., VERMEERSCH P.M., GROENENDIJK

A.J., MEIJS E.P.M., D E WARRIMONT J.-P. & F. GuitENTOPS, The Late Saalian Middle Palaeolithic "Lower-Sites" at VeldwezeltHezerwater (Limburg - Belgium), 'm Acts of the XlVth UISPP Congress, University of Liige, Belgium. September 2-8, 2001. Section 5:


(2)

(3)

The Middle Palaeolithic. Oxford. British Archaeological Reports

(6)

Gtn i ENTOPS F. & E.P.M, Mi us, 2002, ibidem.

(BAR) International Series 1239, 2004, p. 187-195; BRINGMANS

(7)

BRINGMANS P.M.M.A., 2006, ibidem.

P.M.M.A., VERMEERSCH P.M., GUUENTOPS R, MEIJS E.P.M., GROE-

(8)

ROEBROEKS W., \ m , ibidem.

NENDIJK A J . , Di WARRIMONI J.-P. & J.-M CORDY, Levallois, Quina

(9)

Gun ENTOPS E & E.P.M. MEIJS, 2002, ibidem.

and Laminar Reduction at Veldwezelt-Hezerwater, in Demarsin B.

(10) VAN ANDEL T.H. & W. DAV1ES (eds), Neanderthals and

& Otte M. (eds), Neanderthals in Europe. Proceedings of the Inter-

modern humans in the European landscape during the last glacia-

national Conference, held in the Gallo-Roman Museum in Tongeren

tlon: archaeological results of the Stage 3 Project. McDonald

(September 17-19'h 2004). ERAUL 117, 2006, p. 107-114.

Institute Monographs. Cambridge, 2003.

ROEBROEKS W., Trom find scatters to early hominid behaviour: a

(11) GUIIINIOPS E & E.P.M. Muis, 2002, ibidem.

study of Middle Palaeolithic riverside settlements at Maastricht-Bel-

(12) GULLENTOPS F. & E.P.M. MEIJS, 2002, ibidem.

vedere {The Netherlands), (Analecta Praehistorica Leidensia, 21),

(13) Gui i ENTOPS F. & E.P.M. Mi us, 2002, ibidem.

1988, p. 1-196.

(14) BRINI.MANS P.M.M.A. e.a., 2003, 2004 en 2006, ibidem

GULLENTOPS F. & E.P.M. Miih, Loess sequences in Northern Has-

(15) GULLENTOPS F. & E.P.M. MEIJS, 2002, ibidem.

pengouw, Belgian Limburg. In: IHNGER A. & SCHIRMIR W. (eds.).

(16) TUFFREAU A., The variability of Levallois technology in northern

Terra Nostra. Schriften der Alfred-Wegener-Stiftung 0211. Loess

Prance and neighbouring areas. In: DiBBit H.L. & BAR-YOSH- O.

units and solcomplexes in the Niederrhein and Maas area. Joint

(eds), The Definition and Interpretation of Levallois Technology,

Symposium of the DEUQUA, BELQUA and Deutsche Bodenkund-

{Monographs in World Archaeology, 23), Madison, 1995, p. 413-

liche Gesellschaft I Arbeitskreis fur Paldopedologie. Neuss, 09-12

(4)

(17) Mededeling door J.-M. Cordy, Université de I.iège.

91.

(18) GUTHRIE R.D., Prozen Fauna of the Mammoth Steppe, Chicago-

Ministerieel besluit van 7 december 2007 houdende inschrijving op de lijst van de beschermde archeologische monumenten en

(5)

427.

Mai 2002. Heinrich Heine University, Diisseldorf, 2002, p. 80-

London, 1990. (19) Ri( HTERJ., Der G-Schichten-Komplex der Sesselfelsgrotte. Zum Ver-

zones.

standnis des Micoquien. Sesselfelsgrotte Teil III, (Quartarbibliothek,

VAN D I N BERG M.W., Pluvial sequences of the Maas: a 10 Ma

7), Saarbriicken, 1997.

record of neotectonics and climate change at various time-scales. PhD. Thesis University of Wageningen,Wigen\n^en,

1996.

(20) THIEME H., Lower Palaeolithic hunting spears from Germany, in Nature,?,?,'), 1997, p. 807-810.


Luc Rossen en Kim. Raymakers

DE RECOMSTRUCTIE VAN EEN ENGEL EN GUIRLANDE VAN JAN-PIETER VAN BAURSCHE1T DE JONGE AAN HET KONINKLIJK PALEIS OP DE ANTWERPSE MEIR • Detail van de gereconstrueerde engel op de van het voormalig Koninklijk Paleis aan de Meir in Antwerpen (foto 0. Pauwels)

In 1745 besloot fohan Alexander (1719-1764), geslacht

van Susteren

de enige nakomeling

van Susteren-Roose

bosch, om op de gronden

van het

uit

's-Hertogen-

van vier

panden

op de hoek van de Meir en de Wapper Antwerpen

een groot stadspaleis

wen door fan-Pieter (1699-1768) het ontwerpen waarbij

van een majestueuze

het overvloedig

tiek en zwierig

gebruik

beeldhouwwerk

van

den. Zo was de gevel destijds versierd twee beeldengroepjes

en drie

bou-

uit tot

gevel, ornamen-

centraal

kuifstuk

doorstond

2004

de Jonge

(1). Deze locatie nodigde

barokke

het bekronende

exemplaar

en na 1956 verdwenen

stonmet

engelenbeelden.

van het voormalig

de Meir in Antwerpen resultaten

Koninklijk

bleek. vanaf Paleis

aan

werd op basis van de

van het historisch

geconcludeerd

in het

echter de tand des tijds niet

Tijdens de recente gevelrestauratie

in

te laten

Van Baurscheit

waarvan

vooronderzoek

dat het verloren beeld van een

engel als een gemis ervaren ook in samenspraak

werd. Er werd

met de betrokken

besloten tot reconstructie

van een engel en

een bijhorende

op basis van een

historische

guirlande,

tekening.

dan

partijen


HISTORISCH ONDERZOEK

• Foto van de gevel van het Roninl<li|l< Paleis in 1943

DE OPDRACHT

na bewerking (foto A414II © RIKIRPA)

Het was de bedoeling om bij de gevelrestauratie van het voormalig Koninklijk Paleis aan de Meir om de huidige lege plaats in het kuifstuk aan het fronton aan te vullen met een kopie van het verdwenen beeldhouwwerk in gietmortel voor restauratie. Een reconstructie in de originele materie (steen) was om budgettaire reden geen optie. Er waren op dat ogenblik echter heel weinig gegevens voorhanden: ging het om een engel of een putto? Droeg deze figuur nog andere attributen? Waren er nog andere delen van de gevelversiering verdwenen?

De beschikbare plans en tekeningen boden niet voldoende gegevens en we waren dus genoodzaakt om andere pistes te onderzoeken teneinde een zekere waarheidsgetrouwheid van het nieuwe 'origineel' te kunnen garanderen. Het nog bestaande historisch fotomateriaal vormde het zwaartepunt in deze fase van het vooronderzoek naar de verloren sculpturen. Na een intensieve zoektocht van bijna drie maanden en dankzij de medewerking van Christina Ceulemans, departementshoofd documentatie a.i. van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium Brussel (KIK), konden er uitvergrotingen worden gerealiseerd die aan de basis lagen voor het welslagen van dit project. Een duidelijk beeld van wat er zich vroeger op deze plaats bevond werd duidelijker na vergelijken en het systematisch uitlichten van de diverse foto's. Uit het onderzoek van deze bronnen bleek bovendien dat behalve een engelenbeeld ook een guirlande van anderhalve meter lengte ontbrak, die de verbinding vormde tussen de engel en de andere guirlandes van de gevel. Hierbij kreeg de 'godsbode' zijn centrale betekenis in de gevel.

Vrije interpretaties binnen de reconstructie van verdwenen vormen moeten zoveel mogelijk vermeden worden en dit noodzaakte ons om naast het fotomateriaal nog naar andere manieren te zoeken om de vormzuiverheid van het origineel te kunnen benaderen. De doctoraatsverhandeling aan de Utrechtse universiteit over Van Baurscheits' leven en werk door Inge Breedveldt-Boer (2) vermeldt

• Eerste ontwerp

circa 1745. thans

te Antwerpen

(foto B I 0 I 2 5 I

voorgevel van het

bewaard in het

(foto M65075

© RIKIRPA)

Koninklijk Paleis uit Vleeshimmuseum

M&L

© KIKIRPA)


Gevel van het

uitlichting

Koninklijk Paleis

(foto A414II

in 1943, detail na

© RIKIRPA)

uitvergroting en

dat Jan-Pieter Van Baurscheit ook gebruik maakte van modellen van zijn vader Jan-Pieter Van Baurscheit De Oude (1669-1728). De uiteindelijke uitvoering van het beeldhouwwerk werd toevertrouwd aan de Antwerpse beeldhouwer Josephus Gillis (1724-1773). Deze gegevens verplichtten ons het onderzoek naar de vormen uit te breiden, waarbij ook verwant werk van de beide Van Baurscheits in het onderzoek werd opgenomen. Dit kon gebruikt worden om de keuze van bepaalde vormen te verantwoorden of als inspiratie wanneer er oplossingen moesten gevonden worden als het fotomateriaal te onduidelijk was. Vermits een goede integratie met de rest van de gevel, het fronton en het kuifstuk tenslotte ook een prioriteit was, werden de representatieve elementen die zich in de onmiddellijke nabijheid van de verdwenen objecten bevonden eveneens in he tonderzoek betrokken. Hierbij stonden vooral de vormgeving van de andere figuren en guirlandes aan en op de gevel model voor de detailuitvoering en de afwerkingsmogelijkheden.

DFTERMINATIE VAN ONNAUWKEURIGHEDEN Omdat de engel, guirlande en de omringende gevelornamentatie één geheel moesten vormen en mede doordat de plaats voor dit alles zeer beperkt is, moest er een mal gemaakt worden van de beschikbare ruimte om de exacte grootte te kunnen bepa-

M&L


• Detail van opmetmgstechnieken — ~ T — — T -

(foto L. Rossen)

-

A 4

>

*

•

Detail met de opmetmgstechnieken

Uitvergroting van

(foto L Rossen)

de details (foto L. Rossen)

houten basisconstructie gefundeerd op driehoeken, waarbij er telkens een strategisch punt werd gefixeerd met in plasticfolie verpakte plaasteren deeimalletjes. De plasticfolie diende om de plaaster te isoleren van de originele geveldelen en zo beschadigingen of verontreiniging te voorkomen. De bepaling van de loodrechtheid geschiedde met een vlakke mal in hardboard voorzien van een rasterpatroon op schaal 1:2 alvorens de houten constructie aan te brengen. De contouren en dieptes van de omringende vormen werden geregistreerd op deze mal en gestaafd met maten ter controle op de houten constructie. Aansluitend op de demontage van het geheel en transport naar het atelier, kon de assemblage plaatsvinden. De contourtekening van de geveldelen vond plaats na uitvergroting van de hardboardmal van schaal 1:2 naar ware grootte, de montage van deze mal en de herbevestiging van de eerder beschreven houten constructie. len. Normalerwijs is de beste oplossing hiervoor een siliconenmal met bijhorende steunkap. Maar hier bleek dit geen praktische werkwijze wegens de moeilijke bereikbaarheid en een groot risico op onnauwkeurigheden door de grote diversiteit aan vormen: vlakke delen, moulures, ornamenten en guirlandes. De meest accurate oplossing om hier de plaatsopmeting te doen, was het gebruik van een

M&L

De volgende stap omvatte het maken van uitvergrotingen van de beschikbare detailfoto's tot posterformaat en het voorzien van een met de hardboard mal corresponderend rasterpatroon om de contouren van engel en guirlande hierop te transponeren. De opnieuw aangebrachte plaasteren deelmalletjes maakten de opmeting compleet en het boetseerproces kon beginnen.


DF VFRVAARDIGING VAN DE KIFIMODELLEN TOT GEGOTEN BEELDHOUWWERK De origineel vanuit kikvorsperspectief aanschouwde beeldhouwwerken vereisten de consequentie om engel en guirlande hangend te boetseren om eenzelfde dieptewerking en schaduwspel in de vormen te kunnen realiseren. Voor de aanvang van het boetseerwerk werd een armatuur in koperbuis opgebouwd vanuit verschillende strategische vaste punten en aangevuld met een driepoot ter hoogte van de rechterenkel om de verticale stabiliteit te verzekeren. Noodzakelijk om alle deelspanningen op te vangen tussen de uitbouwsels in koperbuis (30 m), was het aanbrengen van messing platte armatuurstaven (ca. 22 m), messing draad (ca. 2.500 m) en houten klossen (ca. 1.200 stuks). De combinatie van dit armatuur en een holle opbouw van het kleimodel maakte deze 600 kg zware constructie stabiel genoeg om tijdens het boetseerproces scheurvrij te blijven, voldoende voor een adequate afwerking naargelang het vooropgestelde resultaat.

De bronzen armatuur voor het kleimodel (foto L. Rossen)

• Kleimodel van de engel

O m het voltooide kleimodel te kunnen afgieten in een mortel moest er vervolgens een 23-delige siliconen mal en een bijhorende steunkap in polyesther, bestaande uit 42 fragmenten, vervaardigd worden. Na het vrijmaken van de mal, met andere woorden het verwijderen van het kleimodel, outilleerden we deze met een geraamte in roestvrij staal (RVS), nodig als versteviging in het gegoten beeld. Er werd voorafgaandelijk onderzocht welk materiaal de beste eigenschappen bezit betreffende uitzettingscoëfficiënten, praktische toepasbaarheid en flexibiliteit. Glasvezel- of carbonwapening zouden, rekening houdend met de plaatsing van een 575 kg zwaar beeld op 22 m hoogte, in deze complexe situatie niet aan alle eisen kunnen voldoen. De verankering werd zowel bij de engel als de guirlande opgebouwd rond een centrale basis van platte inoxplaat in drie niveaus: een onderplan (ter hoogte van de uitstekende delen zoals de armen, benen en hoofd bij de engel en de bloemen bij de guirlande), een middenplan (plaats waar voornamelijk de romp zit bij de engel en de basisvorm bij de guirlande) en een bovenplan (waar de engel en guirlande grenzen aan de muurzijde). Het opvangen van de deelspanningen tussen deze plans geschiedde door aanwending van driehoeksverbindingen, die eerder talrijk dan dik van sectie waren om drukverschillen ten gevolge van temperatuurswisselingen te vermijden.

(foto L. Rossen)

Aangezien vóór de aanvang van de reconstructie al beslist was dat voor de vervaardiging van de engel en guirlande een mortel zou gebruikt wor-

M&L


1 r -Jr

\ \ "'M

f

•

I

I. Kleimodel van de engel l

\

(foto L. Rossen) 2. De moulage van de engelfiguur (folo L Rossen) 3. De moulage van de guirlande (foto L Rossen)

M&L


E 4. De engel tijdens het gieten m venchillende fasen (foto L. Rossen) 5. Het gietproces (foto L. Rossen) 6. De armatuur voor het klelmodel (foto L Rossen)

situatie onderzocht worden. De proeven op 14 mortels gebeurde bij eenzelfde temperatuur en de toevoeging van vloeistoffen werd aangepast aan de noodzaak om tot een vergelijkbaar resultaat te komen. De gietmortel FTB Replica bleek uiteindelijk aan alle gestelde eisen inzake dit project te voldoen. Met de kleur van de mortels van vroegere herstellingen aan de gevel als basis, werden twee in de massa gekleurde mortels gemengd tot het beoogd resultaat. Zo werd de sterkte, alsook de kleurzuiverheid en vastheid van de mortel niet beïnvloed door bijkomende toevoeging van pigmenten.

den, moest nagegaan worden welke mortel de juiste eigenschappen bezit voor een optimaal eindresultaat. Het was ook belangrijk dat het uitzicht deze van de andere gevelelementen zou benaderen. Naast de labotechnische testen van de fabrikant moest ook vooral de de effectieve toepasbaarheid in deze

Vermits de meest geschikte mortel een gietmortel was en de complexiteit van het beeldhouwwerk alleen het massief gieten toestond, moest het gietproces in verschillende fasen uitgevoerd worden. Gedurende het frequent kantelen van de mal kon de armatuur telkens uitgebreid worden voor de volgende fase. O m een koude plaatsing tussen beeldhouwwerk en de gevel te kunnen verwezenlijken, werden de muurankers rechtstreeks onder niveau ingegoten. Het aanbrengen van een RVS plaat achter de engel tijdens de positionnering was bedoeld als permanente plaatsingsmal, maar ook ter fixatie van de verticale krachten die op elk anker individueel inwerken, alsook het bijkomend verstevigen van de achterliggende gevel.


•

BESItJIT

Het monteringsproces (foto L. Rossen)

T Fronton van de gevel na de montering van de engel en de guirlande (foto L. Rossen)

M&L

De toewijzing van deze opdracht gebeurde begin 2006. Initieel was het de bedoeling om een beeldhouwwerk in mortel te laten vervaardigen, gebaseerd op een 3 mm groot fragment uit een historisch plan. Het oorspronkelijke ontwerp van dit stadspaleis aan de Meir in Antwerpen was echter een realisatie van niemand minder dan Jan-Peter van Baurscheit de Jonge. Dit veranderde de gehele opvatting rond dit project: buiten een begaafd architect was Van Baurscheit namelijk ook een begenadigd beeldhouwer. O m deze opdracht naar behoren te kunnen uitvoeren, was duidelijk fotomateriaal nodig. De gevonden afbeeldingen voldeden echter niet en verdere bewerking ervan bleek noodzakelijk. Met behulp van het departement documentatie van het KIK konden de foto's zodanig bewerkt worden dat een bruikbaar beeld van de driedimensionaliteit van de sculpturen verscheen. Andere bronnen toonden aan dat externe factoren een rol konden spelen in de vorm van het authen-


sfiii ^

tieke beeld. Desondanks bleef het een hele queeste om op basis van zo weinig beeldmateriaal een 'perfecte' kopie te creëren. Het project werd bemoeilijkt omdat vóór de aanvang van de werken al besloten was om het beeld te vervaardigen in een mortel en niet in een Bentheimer zandsteen, wat voor extra complicaties zorgde. Zo werden bijvoorbeeld in de originele stenen sculptuur sommige vormen overbrugd om het beeld constructief te versterken en in andere vormen hun openheid geaccentueerd, terwijl bij een beeld dat hol geboetseerd nog bijna zeshonderd kilo weegt, dan weer andere regels gelden. Onder andere dienden tijdens het boetseren de raakpunten met de muur worden toegewerkt om een constructieve garantie te kunnen bieden bij het gegoten exemplaar. Daardoor lijkt het huidige beeld, ondanks dezelfde afmetingen, massiever dan het oorspronkelijke. O m d a t boetseren een opbouwende handeling van de vorm is en het houwen van een beeld juist het tegengestelde is (er wordt materiaal afgenomen), zullen sommige details in de vorm niet volledig gelijkvormig zijn met de oorspronkelijke. O m de mogelijkheid te creëren om het nieuwe beeldhouwwerk eenzelfde uitstraling en geest te verlenen als het originele, was het noodzakelijk om gedurende het hele proces vrije interpretaties zoveel mogelijk te weren en allen inspiratie te halen uit primordiaal materiaal. Slechts op die manier kon in september 2007 een reconstructie tot stand komen die een benaderende kopie was van de oorspronkelijke decoratieve compositie van Jan-Pieter Van Baurscheit de Jonge.

-

A Het kuifstuk van de gevel

EINDNOTEISL

na reconstructie en montering van de onbrekende delen

(1) AVERMAETE R., ]an-Pieter Van Baurscheit de Jonge en het huis

(foto 0 . Pauwels)

Osterrieth thans het hotel van de bank van Parijs en van de Nederlanden, Antwerpen, 1956, p. 11; DEBRUYN M., Het Paleis op de Meir in Antwerpen. Van particuliere woning tot keizerlijke en koninklijke verblijfplaats, in Gentse bijdragen tot de interieurgeschiedenis (red. BERGMANS A.), vol. 33, 2004.

(2) BREEDVELDT-BOER I. M , Tekenen en vasseren. Het bedrijf van Jan-Pieter van Baurscheit (1699 - 1768) en de architectuur in het tweede kwart van de achttiende eeuw {doctoraatsverhandeling), Utrecht, 2003, p. 50-58 en 184-207.

Luc Rossen en Kim Haymakers zijn zelfstandige conservators-restaurateurs van beeldhouwwerk

• Project: restauratie van het gewezen Koninklijk Paleis te Antwerpen, Meir 50, 2000-Antwerpen. • Opdrachtgever: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement AZF Administratie AOGGI, Afdeling Gebouwen. • Studie en coördinatie: Van Den Ouweland A., Architectenbureau Van Hunsel & Partners VOF. • Hoofdaannemer gevelrestauratie: Van de Velde S. en Plessers M., Renotec N V • Onderaannemer reconstructie beeldhouwwerk: Raymakers-Rossen VOF • Erfgoedconsulent Onroerend Erfgoed: Manderyck M.

1VI&L


Greet

Plomteux

EEN BESCHERMD HERENHUIS AAN DE ANTWERPSE ROTTERDAMSTRAAT Het glas-ln-loodraam in de woonkamer (foto 0. Pauwels)

Erfgoedminnende

eigenaars,

van de bevoegde minister en nazorg

van gedreven

handtekening

en de correcte

voor-

erfgoedconsulenten

vormen de onontbeerlijke een succesvolle

de

ingrediënten

voor

bescherming.

al gevestigd

op de egyptiserende

art nouveauversieringen

op de gevel

Rotterdamstraat

een herenhuis

53-55,

waarde

die het prachtige wist te schatten

inblies. Vormgeving,

en

verhaal

dat

naar

en er nieuw en

leven inrichting

kunstgeschiedenis

van de bovenste

achter de gevel schuilt ook een

plank;

boeiend

van mensen in hun tijd.

Sinds 16 februari

dank zij Amon-Re in handen kwam van een

interieur

afwerking

zijn meer dan een bladzijde en ambachtskunst

In B o u w e n d o o r de e e u w e n h e e n werd de aandacht

eigenaar

monument.

2007

is dit huis een


DE HISTORISCHE CONTEXT De Rotterdamstraat is gelegen in de "vijfde wijk" die na het slechten van de Spaanse wallen (1866 e.v.) volop tot ontplooiing kwam. Het kleinste en oudste gedeelte van de straat tussen het Sint-Jansplein en de Olijftakstraat werd aangelegd rond 1867; de verlenging ervan, het grootste stuk tot aan het De Coninckplein, volgt het tracé van de vroegere spoorweg naar Rotterdam en dateert van 1876. Het beschermde herenhuis werd opgetrokken in 1912 op een plaats waar in het begin van hetzelfde jaar drie huizen werden afgebroken; het ligt in het tweede segment. De bebouwing bestaat er voornamelijk uit burger- en herenhuizen van het enkelhuistype, opklimmend tot de tweede helft van de 19 e en het begin van de 20 scc eeuw met overwegend neoclassicistische stij Ikenmerken. In de Van Maerlantstraat, die ten westen aan de Rotterdamstraat paalt, werd in 1886-1887 in het binnenblok van de nummers 31-33 de Grote Tempel van de vrijmetselaarsloge Les Elèves de Thémis opgericht; hieruit zou in 1889-1890 de loge Marnix van Sint-Aldegonde ontstaan, de eerste loge die in België uitsluitend in het Nederlands zou werken. De logetempel bevindt zich recht tegenover de stadsschool van 1878-1879, opgericht naar ontwerp van stadsarchitect Pieter Dens. De gevel van deze school is onder meer met vijfpuntige sterren en obelisken versierd. De prominente aanwezigheid van verschillende egyptiserende voorstellingen op de voorgevel van het huis aan de Rotterdamstraat, interieurdecoraties die in verband kunnen worden gebracht met de Rozenkruisers, de medaillons met winkelhaak, passer en Ionisch kapiteel op de achtergevel en het feit dat opdrachtgeefster, weduwe V. Merckx-Verellen, de woning vlakbij de Grote Tempel aan de Van Maerlantstraat deed optrekken, wekt sterk de indruk van een grote betrokkenheid bij de loge.

DE FIRMA MFRCKX-VERELLFN De familie Merckx is vooral bekend door haar rol in het tot stand komen van het gehucht Buitenland in Bornem. De mandenvlechterij die hier midden 19 c eeuw opkwam en er door de familie Frans Merckx-Broeckx tot bloei werd gebracht, gaf het ontstaan aan een woonkern met bedrijfsgebouwen, doch zonder kerk, school of andere gemeenschapsvoorzieningen. Eind 19 e eeuw werd onder impuls van aannemer-bouwmeester Victor Merckx-Verel-

len (1852-1910), de oudste van de negen zonen van Frans, in het gehucht Buitenland overgegaan tot de fantasierijke reconstructie van enkele gebouwen, die op de Wereldtentoonstelling van 1894 de wijk Oud-Antwerpen hadden weergegeven. De tijdelijke bouwwerken van hout en pleister, die een historische stedelijke omgeving imiteerden en tegelijk waren bedoeld als protest tegen de toenmalige kaalslag in de Antwerpse binnenstad, waren eveneens door Victor vervaardigd. Van de stadsgebouwen, opgetrokken in de landelijke context van het gehucht Buitenland, bleven de Sint-Jacobstoren en de Gildenkamer alsook het Reuzenhuis - dit laatste was afkomstig van de Wereldtentoonstelling van 1897 te Brussel - bewaard. O p deze historische reconstructies na zijn de meeste huizen die door de familie Merckx in het Buitenland werden gebouwd eclectisch met traditionele en cottage-inslag, zo ook het huis dat Victor in 1895 voor zichzelf liet optrekken. De firma V. Merckx-Verellen entepreneur de travaux publics et menuiserie h vapeur. ébénisterie was in de Rodestraat in Antwerpen gevestigd. Twee jaar na de dood van haar echtgenoot gaf mevrouw MerckxVerellen aan Jos Goeyvaerts de opdracht voor de bouw van het herenhuis aan de Rotterdamstraat nrs. 53-55; het aanpalende huis nr. 51 bouwde de architect voor eigen rekening. De bouwaanvraag werd ingediend op 23 maart 1912, de bouwtoelating door het college van burgemeester en schepenen verleend op 19 april daaropvolgend. Jos Goeyvaerts werd in de periode 1905-1942 meermaals aangezocht voor bouw- en verbouwingswerken in Antwerpen, zoals blijkt uit de meer dan tweehonderd dossiers waarover het stadsarchief beschikt, maar ook buiten het territorium van deze stad was hij actief. Als lid van de Kring voor Bouwkunde, een beroepsvereniging van Antwerpse architecten, genoot hij allicht bekendheid in het milieu. De inventarissen van het bouwkundig erfgoed vermelden in Antwerpen zelf een appartementsgebouw op de hoek Mechelsesteenweg nr. 20/Britse Lei en de winkelpui van 1923 van het hoekpand Nationalestraat nr. 11/Kammenstraat. In Berchem bouwde hij in 1909 een herenhuis aan de Kardinaal Mercierlei nr. 74; in Berlaar herstelde en vergrootte hij (hier vermeld als J. Goeyvaerts-Merckx) in de periode 1916-1921 kasteel Gestelhof; in Wilrijk werkte hij in 1922-1927 mee aan de realisatie van een groep sociale woningen ter hoogte van het Boeksveldplein; in het gehucht Buitenland bouwde hij in 1927 twee buitenhuizen waarvan één naast de hoger genoemde Sint-Jacobstoren; in Hoogstraten


HH

Pvunl

De bouwaanvraag van 1912, gevels en plans van de 2de en 3de verdieping (Stadsarchief Antwerpen)

BESCHRIJVING VAN DE WONING

I

De bouwaanvraag van 1912, doorsneden over beide rijhuizen (Stadsarchief Antwerpen)

M&L

was hij in 1934 betrokken bij de bouwvan de noordelijke vleugel van het voormalige gods- en gasthuis aan de Heilig Bloedlaan nr, 250; in Herentals herbouwde hij in 1934-1935 de afgebrande kloostervleugel bij de Sint-Antoniuskerk aan de Kapucijnenstraat en in Heist-op-den-Berg bouwde hij in 1936 een dokterswoning aan de Stationsstraat nr. 9 1 . Echte uitschieters vinden we hier niet terug. Zijn oeuvre, voor zover bekend, sluit aan bij de gangbare architectuur en speelt in de eerste plaats in op de vraag van de klant. Het verrassende decor van het herenhuis aan de Rotterdamstraat menen we dan ook te mogen toeschrijven aan de uitdrukkelijke wensen van de opdrachtgeefster waarmee hij trouwens verwant was.

Het herenhuis Rotterdamstraat nrs. 53/55 is een rijhuis dat samen met het aanpalende nr. 51 werd ontworpen doch in tegenstelling tot zijn buur van meet af aan kunstzinniger werd uitgewerkt en bovendien gaver bleef bewaard. Zoals de meeste huizen uit het begin van de 20 sce eeuw is het eclectisch van stijl doch met uitgesproken egyptiserende en art nouveau-inslag. Het is een onderkelderd bakstenen enkelhuis van drie traveeën en drie bouwlagen onder pseudo-mansardedak, afgedekt met leien en geopend met één dakkapel in een houten en één dakvenster in een natuurstenen omlijsting. De sterk decoratief behandelde lijstgevel vertoont een lage benedenverdieping die volledig met witte natuursteen is bekleed terwijl de bovenverdiepingen afgewerkt zijn met een parement van witte verglaasde baksteen, alternerend met zandstenen muurbanden, dorpels, lateien, vensteromlijstingen en sierelementen. Naast geometrische motieven, blok- en ribpatronen, cannelures, gestileerde bloemen plantmotieven, schijven en kransen worden ook hoofden afgebeeld. Een fraaie, met sgraffito versierde architraaf en een houten kroonlijst op klossen sluiten de gevel af. O p het bij de bouwaanvraag gevoegde gevelontwerp zijn de ornamenten slechts vaag geschetst doch op de uiteindelijk gerealiseerde gevel zijn de verschillende symbolen onverbloemd uitgebeeld. Duidelijk aan de Egyptische vormentaal ontleende sierelementen zijn de drie gebeeldhouwde gevleugelde Hathor(?)-hoofden op de gelijkvloerse verdieping alsook, in de sgraffitofries, de


Nr. 148 Bijlage bij M£tL 27/1 jan.-feb. f 2008


B 1 ^ 1 \ E ^ K R A N T

Literatuur

Jo Braeken

DF K F U 7 F V A N

MFR

Carl Heinrich Eduard Knoblauch 1801-1865 Architekt des Bürgertums Azra Charbonnier München/Berlijn, Deutscher Kunstverlag, 2007, 368 p., ISBN 978-3-422-06738-7 Monografie over de Duitse architect Carl Heinrich Eduard Knoblauch (1801-1865), één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de zogenaamde 'Schinkelschule' in Berlijn. Zijn oeuvre dat meer dan 130 uitgevoerde, heden grotendeels verdwenen bouwwerken telde, kwam tot stand op de overgang van het neoclassicisme naar het eclecticisme, maar bleef schatplichtig aan de canon van stamvader Karl Friedrich Schinkel. Opgeleid tot bouwmeester aan de Bauakademie en de Akademie der Künste in Berlijn verzaakte hij aan de gebruikelijke overheidsloopbaan bij de Königlich PreuBisschen Bauverwaltung, maar koos als eerste voor een zelfstandige privé-praktijk ten dienste van de ontluikende burgermaatschappij, die grote uitdagingen stelde aan de toenmalige bouwpraktijk. Door de stichting van het invloedrijke Architekten-

KNOBLAUCH

1VI&L

verein wist Knoblauch de architecten ook als beroepsgroep te organiseren. Bekend is hij vooral van de Neue Synagoge aan de Oranienburger StraBe, waarvan enkel de vergulde koepel in neomoorse stijl bewaard bleef. Tot zijn veelzijdige oeuvre behoren kerken, wedstrijdontwerpen voor openbare gebouwen, landhuizen, kastelen, stadsvilla's en -paleizen, maar de belangrijkste bijdrage leverde hij tot de ontwikkeling van het 'Mietshaus', het meergezinshuis met binnenhof voor de burgerij dat de morfologie van het 19de-eeuwse Berlijn typeert. De basis voor deze monografie is een oeuvrecatalogus samengesteld aan de hand van het pas in 1983 opgedoken tekeningenarchief. Na een overzicht van zijn leven en de loopbaan wordt het oeuvre van Knoblauch volgens typologische categorieën geanalyseerd.

Amsterdam, het mekka van de volkshuisvesting Sociale woningbouw 1909-1942 Vladimir Stissi Rotterdam, Uitgeverij 010, 2007, 520 p., ISBN 978-90-6450-574-4 Studie over de sociale woningbouw in Amsterdam, meer bepaald de stedelijke complexen gebouwd door woningbouwcorporaties en de gemeente, vanaf het eerste zogenaamde Rochdaleblok uit 1909 tot aan de Tweede Wereldoorlog. De revolutionaire Woningwet van 1902 betekende een cruciale stap in de ontwikkeling van de Nederlandse volkshuisvesting en architectuur. Gedreven door het elan van bestuurders als wethouder voor volkshuisvesting F.M. Wibaut en directeur van de Gemeentelijke Woningdienst ir. A. Keppler, en geïnspireerd door architecten als H.P. Berlage en Michel de Klerk, wist een handvol woningbouwverenigingen het vooroorlogse Amsterdam in een relatief korte periode op de kaart te zetten als het mekka van de sociale woningbouw. Vooral in de crisistijd kort na de Eerste Wereldoorlog werden duizenden arbeiderswoningen gebouwd, waarbij het grootschalige gesloten bouwblok en de ruimteomsluitende straatwand

Amsterdam, het mekka van de volkshuisvesting Sociale woningbouw 1909-1942 Vladimir Stissi

het stadsbeeld gingen bepalen, zowel in de rationalistische architectuurbenadering van de strekking Berlage als in het alternatief van de Amsterdamse School hoewel dit laatste in de volkshuisvesting eerder de uitzondering bleef. Er wordt uitgebreid ingegaan op de belangrijkste hoofdpersonen en hun ideeën, en op het bestuurlijke, intellectuele en architectonische klimaat waarin deze internationaal geroemde architectuur tot stand kwam. Het boek sluit af met een complete, geïllustreerde catalogus van alle in deze periode gerealiseerde Amsterdamse woningbouwprojecten.

Albert Laprade Archltecte, jardlnler, urbanlste, desslnateur, servlteurdu patrlmolne Maurice Culot en Anne Lambrichs Parijs, editions Norma en Cité de l'architecture et du patrlmolne, 2007, 400 p., ISBN 978-2-9155-4211-0


B1NNE1VJKRA1\T

Rijk geïllustreerde monografie over leven en werk van de Franse architect Albert Laprade (1883-1978), die vooral bekend is van het majestueuze Palais de la Porte Dorée, gebouwd voor de Exposition coloniale van 1931 en één van de hoogtepunten van de art deco in Parijs. Na studies aan de Ecole des Beaux-Arts, ging zijn loopbaan tijdens de Eerste Wereldoorlog van start als medewerker van Henri Prost in het toenmalige Franse protectoraat Marokko. Hij gaf er mee vorm aan het urbanistische programma van generaal Hubert Lyautey, met onder meer een 'ville indigene' in Casablanca en de Franse 'residence générale' in de hoofdstad Rabat. Terug in Parijs vanaf 1919 bouwde hij een zelfstandige praktijk uit in dienst van een gefortuneerd en vaak extravagant cliënteel, alvorens een stevige reputatie te verwerven als toonaangevend ontwerper van moderne tuinen "dernier refuge du rêve" op de Exposition des arts décoratifs van 1925 in Parijs. Hierop volgden de grote projecten die zijn rijpere loopbaan prestige verleenden, in een symbiose van rationaliteit, genius loei en een strikt klassieke vorming die het grote gebaar en de provocatie schuwde, gaande van de monumentale Franse ambassade in Ankara, de modernistische Citroen-garage in de rue Marbeuf, het regionalistisch gekleurde redactiegebouw van de Echo du Nord in Rijssel, tot de indrukwekkend in het landschap geïntegreerde stuwdam van Génissiat. Op latere leeftijd begon hij zich in te zetten voor het behoud van de historische stad en de landelijke architectura minor, met onder meer de publicatie van zijn bekende albums Croquis, gewijd aan diverse streken en landen.

Moderne Fashioning the French Interior Sarah Schleuning en Jeremy Aynsley New York, Princeton Architectural Press, 2007, 272 p., ISBN 978-1-56898-724-8

MODERNE

werden gepubliceerd, met subtiel ingekleurde platen in 'pochoir', een handmatige sjabloon-techniek heruitgevonden door grootmeester Jean Saudé. Na het uitdoven van de art nouveau wist Frankrijk in de jaren 1920 opnieuw een eersterangs positie te verwerven als internationaal trendsetter van de moderne smaak, met de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes van 1925 in Parijs als hoogtepunt. Het stijlvolle art deco van 'ensembliers' als Jacques-Émile Ruhlmann, de firma Süe et Mare, Francis Jourdain en Maurice Dufrène, wedijverde hier met de modernistische avant-garde van architects-décorateurs als Pierre Chareau, Robert Mallet-Stevens, Eileen Gray, Charlotte Perriand en Djo Bourgeois. Exclusieve, vandaag uiterst zeldzame portfolio's, met deels ingekleurde foto's, plannen en perspectieven, brachten dit moderne interieur in al zijn aspecten voor het voetlicht. Uit het monografische "Harmonies" Intérieurs de Ruhlmann uit 1924, Intérieurs frangais door Jean Badovici uit 1925, het vierdelige Intérieurs door Léon Moussinac uit 1924-26 en het vijfdelige Répertoire du gout moderne uit 1928-29, wordt hier een keuze van ruim 200 platen op quasi ware grootte gereproduceerd, vergezeld van twee inleidende essays, een handleiding van de 'pochoir'-techniek door Saudé, en een biografisch repertorium.

De functionele stad De CIAM en Cornells van Eesteren, 1928-1960 Kees Somer Rotterdam, NAi Uitgevers, 2007, 272 p., ISBN 978-90-5662-575-7 Studie over de geschiedenis van CIAM (Congres Internationaux d'Architecture Moderne) en de belangrijke rol die de Nederlandse architect en stedenbouwkundige Cornells Van Eesteren (18971988), voorzitter van 1930 tot 1947, hierin heeft vervuld. De in 1928 opgerichte CIAM belichaamde ruim dertig jaar een dynamische vernieuwingsbeweging, met wereldwijd honderden leden onder wie prominenten als Le Corbusier, Walter Gropius en Sigfried Giedion. In dit boek, dat wil bijdragen aan de discussie over de erfenis van de CIAM, staat het vierde congres over 'De Functionele Stad' in 1933 centraal. Dit legendarische congres, dat de deelnemers aan boord van de Patris II van Marseille naar Athene bracht, werd onder leiding van Van Eesteren voorbereid door de Nederlandse ClAM-groep. Het principe van collectiviteit, het avant-gardistische streven naar samenwerking als basis voor de creatie van een eigentijdse menselijke leefomgeving, vormt de rode draad in het verhaal. Op basis van overvloedig archiefmateriaal wordt de ontwikkeling van CIAM van binnenuit geschetst, wat onder de oppervlakte van de 'officiële' geschiedenis het beeld oplevert van een zoektocht naar een eigen positie en strategie binnen het architectonische en

Overzicht van de 'gout moderne' in de Franse interieurkunst van de jaren 1920, aan de hand van de vele portfolio's die destijds in beperkte oplage

1VI&L


B 1 N N E N K R A N T

stedenbouwkundige spectrum. Het boek behandelt in opeenvolgende hoofdstukken de positiebepaling van de CIAM tijdens de beginjaren, het idee van de CIAM als werkgemeenschap dat vooral leefde onder de Nederlandse en Zwitserse leden, de voorbereidingen van 'De Functionele Stad' en de uitgevoerde stadsanalyses als bijdrage aan een 'vergelijkende stedenbouw', en tenslotte de crisis vanaf eind jaren 1930 die in 1959 zou leiden tot de opheffing van CIAM door de jongeren van 'Team 10'.

Eastmodern Architecture and Design of the 1960s and 1970s in Slovakia Hertha Hurnaus, Benjamin Konrad en Maik Novotny Wenen, Springer-Verlag, 2007, 240 p., ISBN 978-3-211-71531-4 Overzicht van de architectuur en het design uit de jaren 1960 en 1970 in Slovakije, de periode waarin het toenmalige socialistische regime van Tjechoslovakije, met uitzonderlijk prestigieuze laatmodernistische overheidsgebouwen, zijn stempel drukte op een maatschappij en een tijd, waarin planning overduidelijk het product was van een collectieve visie gericht op de toekomst. De kern van het boek wordt gevormd door een actuele fotoreportage waarin vijftien voorbeelden van deze verrassend eigentijdse tot ronduit spectaculaire gebouwen worden gepresenteerd, vooralsnog in hun authentieke toestand als tijdscapsules van een nog maar pas achterhaald verleden. Het gaat hierbij om naar functie uiteenlopende gebouwen als een warenhuis met hotel, een brug, een

vakbondsgebouw, de VIP-lounge in de luchthaven, het Nationaal Museum, het Nationaal Archief, het omroepgebouw, de televisietoren en een crematorium, alle in Bratislava, verder het memoriaal voor de Slovaakse Opstand, universiteitsgebouwen, een spoorwegstation, een hotel en een wintersportcomplex in het Tatrasgebergte, al bij al internationaal georiënteerde kroonjuwelen van een architectuur die in het Westen nauwelijks enige aandacht kreeg. Hierop volgen drie korte essays en vier interviews met de meest invloedrijke Slovaakse architecten van deze periode Stefan Svetko, Ivan Matusik, Jan Bahna en Vladimir Dedecek, die het geheel in een historische en persoonlijke context plaatsen.

Bouwgeschiedenis van het SintCathari na begijn hof te Herentals f en verhaal van vier eeuwen bouw- en wooncultuur in Vlaanderen Jan Cools en Paul Bellemans Herentals, Herentalse Geschiedkundige Kring (Stadsarchief, Augustijnenlaan 1, 2200 Herentals, 014/21.28.00, archief@herentals.be). 2007, 304 p., ISBN 978-90-76981-11-6 Bouwhistorische studie en inventaris van het Begijnhof van Herentals, één van de kleinere begijnhoven in Vlaanderen, waarvan het herwaarderingsplan provinciaal laureaat was van de Vlaamse Monumentenprijs 2007. Omstreeks 1600 groepeerden de

Herentalse begijnen zich opnieuw op deze plek, na afbraak van een ouder hof dat opklom tot vóór 1266. Het kerkje werd gebouwd van 1599 tot 1614, het twintigtal nog bestaande huizen, waarvan de infirmerie het grootste is, dateren grotendeels uit de n ^ e n 18de eeuw. Ondanks de afbraak van belangrijke delen in de 205te eeuw wist het Begijnhof zijn charme als groene oase te behouden, die de bekende Britse stedenbouwkundige Raymond Unwin omschreef als "In triangle, sir, a masterpiece, unique in the world!'. Na de restauratie van de kerk in 2002-2005, werd voor het Begijnhof een herwaarderingsplan met erfpachtregeling opgemaakt. Het boek is de neerslag van de studie op basis van bouwhistorisch en archiefonderzoek die hieraan vooraf ging, en omvat een detailstudie van alle nog bestaande huizen en hun interieurs, het poortgebouw en de begijnhofmuur, de kleine erfgoedelementen, tuinaanleg en beplantingen, verder een historiek van de begijnhofsite en gegevens over de verdwenen gebouwen.

De Tempel van Themis Gent, i 60 jaar gerechtsgebouw en rechtspraktijk Johan Decavele en Christian Vandewal Gent, Uitgeverij Snoeck, 2007, 256 p., ISBN 978-90-5349-634-3 Historische studie over de gerechtsgebouwen en de rechtsspraak in Gent vanaf de Franse Tijd tot vandaag, naar aanleiding van de officiële openstel-


•

B I N N E N K R A N T

ling van het nieuwe gerechtsgebouw. De oprichting van het hof van beroep in 1832 was de directe aanleiding voor de bouw van het eerste justitiepaleis aan het Koophandelsplein. Stadsarchitect Louis Roelandt die al naam had gemaakt met de universiteitsaula en de opera, ontwierp een statig 'Venetiaans paleis' met een monumentale 'salie des pas perdus', waarvan na een brand in 1926 enkel nog de buitenmuren overeind stonden. Daarbinnen werd vervolgens een totaal ander gerechtsgebouw geconcipieerd, dat met de jaren totaal niet meer beantwoordde aan de noden van een moderne rechtsspraak. In 1990 werd beslist tot de oprichting van een functioneel gerechtsgebouw op de terreinen van het voormalige Rabotstation, naar een ontwerp van Stéphane Beel. Dit rijk geïllustreerde boek omvat de bouwgeschiedenis van het oude en een beschrijving van het nieuwe gerechtsgebouw, en een uitvoerig deel over de ontwikkeling van de rechtsmachten en de rechtsbedeling te Gent. Hierbij komen alle grote thema's die politiek en gerechtelijk België hebben beroerd aan bod, met hun weerslag in Gent, en worden een aantal ophefmakende processen en misdrijven belicht.

Voor alle reacties:

De boeken liggen ter inzage in de bibliotheekvan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VICE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)

Jan Van Damme

SILVER-STAINED RQUNDFIS AND UNIPARTITF PANFIS RFFQRETHF FRENCH REVOIUTIDN Voor niet-specialisten heeft de titel van dit volumineuze boekwerk misschien wat uitleg nodig. Het Corpus Vitrearum (voluit: Corpus Vitrearum MediiAevi] werd opgericht in 1952 en werkt onder de auspiciën van de van de Union Académique Internationale. Het overkoepelt een aantal nationale afdelingen. De Belgische werd opgericht in 1965 en in 1998 zag een regionaal Vlaams comité het licht. Het corpus stelde zich aanvankelijk de inventarisatie en de documentatie van het middeleeuwse gebrandschilderde glas tot doel en concentreerde zich op monumentale werken in of afkomstig uit religieuze gebouwen. Vandaag heeft het ook aandacht voor latere perioden en niet-monumentaal gebrandschilderd glas. Naast de inventarisatie krijgt de restauratie en de conservatie toenemend aandacht. De activiteiten van het Corpus resulteerden in de uitgave van de bekende reeks inventarissen van de bewaard gebleven monumentale glasramen. Sinds enige tijd verschijnen onder het Corpus-label echter ook studies die

;d Roundels and L nipartitc Panels before die French Revolution

Mamlcrs. Vol. I: The

Masquerade, Nederlanden, naar Jacques de Gheyn, XVII, privé verzameling

bijzondere aspecten van de glaskunst belichten of "checklists". De bedoeling van deze laatsten is niet zozeer om afgewerkte studies aan te bieden, maar vooral om onderzoekers op een gestructureerde wijze moeilijk toegankelijk materiaal aan te reiken. In een inleidend essay over de geschiedenis van het gebrandschilderde glasmedaillon, van bij de opkomst in de 15de eeuw tot aan het in onbruik geraken ervan in de 18^ eeuw, is er ook aandacht voor de kort daarop volgende belangstelling van vooral Engelse kunstverzamelaars. De inleiding sluit met een aanzet tot de geschiedenis van het verzamelen op het continent zelf. Voor de eigenlijke checklist konden de auteurs zich laten inspireren door voorgangers. T. Husband's Stained glass before 1700 in American Collections: Silver-Stained Roundels and Unipartite Panels (Corpus Vitreraum USA, Checklist 4) uit 1991 en W. Cole's A Catalogue of Netherlandish and North European Roundels in Britain [Corpus Vitrearum Great Britain. Summary catalogue 1) uit 1993 lagen ongetwijfeld op hun werktafel. Wordt de Britse checklist vergeleken met de Antwerpse, dan vallen desondanks meteen enkele verschillen op. De illustraties bij de Britse lijst waren niet steeds van goede kwaliteit, steevast in zwart-wit en vooral te klein. Veel gebruikers hebben bij het consulteren ervan ongetwijfeld het vergrootglas boven gehaald. Daaraan is nu verholpen. De illustraties zijn

1VI&L


B I N N E ^ K R A N T

I

it

m 1 Q t<

volgende delen die de bewaarde medaillons in andere Vlaamse provincies en Nederland zullen behandelen.

•k

• 6 rit

f

j

Personificatie van Veritas, Nederlanden, 1652, privé verzameling

De zon en de maan, Nederlanden, XVI, privé verzameling

van behoorlijk formaat en op enkele uitzonderingen na in kleur. Enkel voor vergelijkingsmateriaal werd soms van oudere zwart-wit foto's gebruik gemaakt. Dat vergelijkingsmateriaal - medaillons met identieke voorstellingen bewaard buiten de provincie Antwerpen of tekeningen en gravures die als model gediend hebben voor de glasschilder - werd bovendien veel uitvoeriger geïllustreerd dan in de voorgaande lijsten, waar het meestal enkel in de tekst vermeld werd. Het werd niet enkel uitvoeriger geïllustreerd, de auteurs zijn er ook in geslaagd veel meer iconografische bronnen te identificeren dan tot nu toe bekend waren en dat is geen geringe verdienste. Een systematische zoektocht is als het zoeken van de naald in de hooiberg. Enkel de jarenlang volgehouden scherpe aandacht van vooral C. Berserik heeft dit resultaat gemaakt en belooft niets dan goed voor de nu reeds aangekondigde

M&L

Ook nieuw in dit deel is een lijst van in de literatuur vermelde medaillons die zich niet meer op hun oorspronkelijke plaats bevinden. In belangrijke mate werd daarvoor geput uit de onvolprezen Graf- en Gedenkschriften van de Provincie Antwerpen, tussen 1856 en 1910 bezorgd door P. Génard. De reeks had vooral de bedoeling genealogisch en heraldisch onderzoek te ondersteunen, maar bewijst ook hier haar nut, vooral omdat het ook melding maakt van opschriften die op het ogenblik van het samenstellen van deze publicaties al lang verdwenen waren. Fragmenten van sommige daarvan werden ondertussen teruggevonden in Engelse collecties. De gerepertoriëerde graf- en gedenkschriften bevonden zich uiteraard vooral in kerken. De medaillons die er in vermeld worden maakten vaak deel uit van een monumentaal glasraam en vertoonden de wapens van de schenkers. Dergelijke gebrandschilderde wapens maken dan ook een belangrijk deel uit van de inventaris. Religieuze voorstellingen maken een tweede omvangrijke groep uit: heiligenfiguren en scènes uit het Oude en het Nieuwe Testament. Ze werden vervaardigd voor kloosterpanden, maar ook voor raadshuizen, gerechtszalen en private woningen. Niet-religieuze voorstellingen als die van de Deugden en andere personificaties of allegorische voorstellingen kwamen ongetwijfeld vooral in die laatste voor en dat geldt ook voor de minder gekende 17de-eeuwse genretafereeltjes: een pijprokende man, een landelijk tafereeltje met belerende spreuk, een soldaat, een bloem of een exotische vogel.

Een behoorlijk aantal medaillons vond ondertussen hun weg naar openbare verzamelingen, maar vele behoren tot vandaag tot minder toegankelijke private collecties. In de checklist werden ook private verzamelingen opgenomen. Toch blijft hij op dat punt noodzakelijkerwijs onvolledig. Eerder vroeg dan laat zullen in private of andere moeilijk toegankelijke collec-

ties stukken opduiken die aan het oog van de auteurs ontsnapten. Gepubliceerde medaillons die zich op dit ogenblik in private collecties bevinden zullen op zeker ogenblik van eigenaar veranderen en weer uit het zicht verdwijnen. Nieuw gerelateerd materiaal zal opduiken en af en toe zal een prent of een tekening als model herkend worden. De waarde van deze publicatie is dan ook niet gelegen in haar relatieve volledigheid. Ze is te vinden in de massa nooit eerder gepubliceerde gegevens die worden aangedragen. Die zijn ook niet enkel nuttig voor de in glasschilderkunst gespecialiseerde kunsthistoricus. Ze hebben betrekking op het gebruik van modelprenten of op de rol van ontwerptekeningen en leveren een bijdrage tot de kennis van de locale heraldiek en plaatselijke geschiedenis. Ze werpen ook bijkomend licht op de uitvoer van Vlaamse kunstwerken naar Engeland in de 19de eeuw.

BERSERIK CJ. en CAEN J.M.A., SilverStained Roundels and Unipartite Panels before the French Revolution, Flanders, Vol. I: The Province of Antwerp (Corpus Vitrearum Belgium. "Checklist"series, I), Brepols, 2007, 436 p., ISBN 978-1-905375-25-7, prijs 95 € .

Jo De Schepper

HET G E H E U G E N V A N EEN GENTSE W I I K I N VOLLE O N T W I K K E L I N G Gent is een hype. Gent is hip. Hierbij associeerden tot nu toe weinigen het hippe Gent met de volkse Rabotwijk en dit hoeft misschien niet meteen. Belangrijk is wel dat de heel eigen geschiedenis van deze wijk, zo typerend voor het Manchester van het Noorden eindelijk eens voor het voetlicht komt. De huidige Rabotwijk was oorspronkelijk een onderdeel van de veel uitgestrektere Wondelgemmeersen. Door-


B 1 N N E N K R A 1 M T

de namen. Van deze echte "chateaux de l'industrie" werden er gelukkig een belangrijk aantal als monument beschermd zodat wij hier mogen spreken van een schitterend geheel met industrieelarcheologische waarde, een Europees voorbeeld van een industriepark anno 1900. Uiteraard bepaalde de hoge concentratie aan textielfabrieken de bevolkingsdichtheid en de aard van de bevolking in de Rabotwijk.

heen deze meersen werd reeds in de 13de eeuw een 45 km lang kanaal gegraven, de Lieve. Vertrekkend van de noordelijk gelegen buitenste Oude Leie in Gent verbond deze de stad met Damme en vervolgens via het Zwin met de zee. Rabotten (keersluizen) regelden het niveau van de waterloop en konden worden ingeschakeld in het verdedigingssysteem. Het nog bestaande eerste rabot werd dan ook eind 15^ eeuw versterkt. Het gaf met zijn twee torens naam en identiteit aan een zone die in de 19de en 205te eeuw als industrieel uitbreidingsgebied met bijhorende bewoning en menging van functies tot één van die heel typische stedelijke industriële wijken van het continent zou uitgroeien. Het graven van een nieuwe verbindingsvaart tussen de Brugse vaart en de zeehaven (1863), de afschaffing van de octrooirechten (1860) en de verwijdering van de vestingen en stadsgrachten na 1860 waren sterk bepalend voor deze ontwikkeling.

Een goed gedocumenteerd en boeiend werk van Bart De Wilde beschrijft groei en achteruitgang van deze concentratie van de grootschalige textielbedrijven die zich hier over een periode van 60 jaar vestigden: La Louisiane in de De Smetstraat, de Tissagesde Hemptinne aan de Opgeëistenlaan, de Mwtmon-Texos op de Vogelenzang, Van Acker aan het Prinsenhof, de Florida in de Molenaarsstraat, de Linière Gantoise op de Vogelenzang, De Backer-De Rudder aan de Gasmeterlaan, Parmentier-Van Hoegaarden aan de Nieuwevaart en andere klinken-

De auteur benadert de geschiedenis van de wijk vanuit twee invalshoeken: een beschrijving van de textielindustrie enerzijds en het sociaal leven van de bewoners anderzijds. Talrijke oordeelkundig gekozen foto's illustreren het verhaal: een 100-tal zwart/witfoto's en 32 grote kleurenfoto's.

De Wilde B., Gent/Rabot. De teloorgang van de textielnijverheid, Gent, 2007, uitgave Gent Cultuurstad Lannoo, 160 p., formaat 23 x 27 cm, prijs 24,95 € .

Peter Van den Hove

HFT STFFN FN DF RURRFRS. ONDERZOEK VAN DF IAATMIDDELEEUWSF OFVANGENIS VAN M F P H F I F N Al vanaf de late 13de eeuw werd het Steen in historische bronnen vermeld als de gevangenis van Mechelen. Lange tijd wist niemand waar het Steen precies lag, tot het gebouw in 2002 tijdens de opgravingen op de Grote Markt in Mechelen werd blootgelegd.

bouw van de gevangenis onlosmakelijk deel uitmaakte van een grootschalige stadsaanleg in de 13dc eeuw. Verdere ontwikkelingen in de bouwgeschiedenis van de middeleeuwse gevangenis kunnen gekoppeld worden aan politieke veranderingen, urbanistische ingrepen en verschuivingen in de rechtspraak. Een tweede deel richt de aandacht op het dagelijkse reilen en zeilen in en rond de gevangenis. Dankzij multidisciplinair onderzoek van twee latrines van de gevangenis krijgen we een kijk in het intieme leven van de gevangen: wat stond er op het menu, hoe zag hun verblijf er uit, waarmee hielden ze zich al die tijd bezig... Dit boek biedt dan ook een unieke kijk op het gevangenisleven in al zijn kleurrijke facetten. Het boek Het Steen en de burgers is een eerste belangrijk wapenfeit van de nog erg jonge stedelijke archeologische dienst van de stad Mechelen. Het is niet alleen een rijk geïllustreerde wetenschappelijke publicatie geworden die ook voor een breed publiek erg toegankelijk is. Deze interessante publicatie mag ook baanbrekend genoemd worden. Baanbrekend omdat voor de eerste maal een archeologisch project op dergelijke schaalgrote binnen een grote stad werd gerealiseerd en baanbrekend omwille van de onderzoeksresultaten die er uit voortvloeiden. Pionierswerk dus en een voorbeeld voor de rest van Vlaanderen.

Troubleyn L, Kinnaer P., Ervynck A. e.a.. Het Steen en de burgers. Onderzoek van de laatmiddeleeuwse gevangenis van Mechelen, Stad Mechelen dienst Archeologie, 2007, 236 p.

Het boek gaar dieper in op twee belangrijke aspecten van de middeleeuwse gevangenis. Een eerste deel handelt over de gevangenis als publiek gebouw, pal in het centrum van Mechelen. Daarom is dit niet alleen het verhaal geworden van de gevangenis, maar ook dat van de burgers. In het boek wordt aangetoond dat de

IVI&L


B I N N E N K R A T ^ T

Guido Cuyt

SPHAVFN AAN HFT VERLEDEN Populair-wetenschappelijk boeken over archeologie in Vlaanderen zijn zeker niet talrijk te noemen. Auteur Guido Cuyt brengt daar met zijn boek Schaven aan het verleden enige verandering in. "Als ik iets vind in mijn tuin, is dat dan van mij?Hoe wist u dat hier iets in de grond kon zitten? Werken archeologen altijd met een borsteltje en een truweeltje? Kwamen die Romeinen tot bij ons langs het Albertkanaal?'. Dergelijke algemene vragen in verband met archeologie komen in deze publicatie aan bod. De lezer komt ook te weten wat archeologie is, hoe de archeoloog te werk gaat, wat er in de Antwerpse regio al allemaal aan archeologica gevonden is. Hier en daar maakt het verhaal een zijsprongetje naar de 'grote' archeologie: Troje, Rome, Pompeii... Opgesmukt met tal van anekdoten, verwijzingen naar Latijnse auteurs en vele foto's en andere illustraties is dit een aantrekkelijk leesboek en een informatief naslagwerk, dat ook als schooldocumentatie kan dienen voor de jeugd.

Cuyt G., Schaven aan het verleden, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam, 2007, 224 p. ISBN 978 90 5927 205 7. Prijs 19,90 €

M&L

Colloquia

Werner Wouters

REUVENSDAGEN, DEVENTER (NEDERLAND). R-q NOVFMRFR 7 0 0 7 De Reuvensdagen vormen één van de belangrijkste jaarlijkse congressen in de Lage Landen en werden ook dit jaar bijgewoond door archeologen van het Agentschap RO Vlaanderen. De twee congresdagen waren ingedeeld in twee thema's per dag. Donderdag 8 november werden de thema's Vroegmiddeleeuwse handelsplaatsen en Hef verborgen landschap aangesneden. Vrijdag 9 november 2007 werden de thema's Burgers/ Boeren en de Materiële Cultuur, en Topvondsten behandeld. Het congres werd geopend door een vertegenwoordiger van de minister, die zich afwezig diende te melden wegens zijn verplichte aanwezigheid in de Kamer. Spreker sprak over de in Nederland recent goedgekeurde Monumentenwet, waarbij Malta is geïmplementeerd. In tegenstelling tot Vlaanderen, waar archeologische erfgoedzorg vooral een aangelegenheid is van het Vlaamse bestuursniveau, is in Nederland de archeologische monumentenzorg gedelegeerd naar het gemeentelijke niveau. Zo kunnen gemeenten de archeologische erfgoedzorg inbrengen in (ruimtelijke) bestemmingsplannen. Deze gemeentelijke plannen worden ter toetsing aan het provinciale bestuursniveau overgemaakt. De provincie kan attentiegebieden aanduiden die door de gemeenten moeten opgenomen worden in de bestemmingsplannen. Het Rijk, waar de bevoegdheid zit bij de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumentenzorg (RACM), doet enkel nog projecten die dat bestuursniveau aanbelangen, zoals bijvoorbeeld grootschalige, door het Rijk gestuurde ontwikkelingsprojecten. De vertegenwoordiger van de minister

gaf bovendien wat cijfermateriaal ten beste. In Nederland wordt op dit ogenblik het bedrag van 70 miljoen € per jaar geïnvesteerd in archeologische monumentenzorg. Per dag starten er ergens in Nederland twee opgravingen. Het verhaal dat de gedeputeerde van de provincie Overijssel bracht oogde minder fraai. Hoewel behoud in situ als richtlijn geldt, is dit bijna niet vol te houden. De druk op de open ruimte blijft groot. De Wethouder van Deventer, verantwoordelijk voor archeologie in deze stad met een toch al langere archeologische traditie, bevestigde in grote lijnen het provinciale verhaal. Ondanks de grote inspanningen blijkt de financiële last voor gemeenten hoog te liggen. Alle gemeenten samen hebben een fonds opgericht met een jaarlijks bedrag van 1 miljoen euro, om de excessieve kosten te dekken, maar dit blijft in grote mate onvoldoende, vooral in steden met een historisch centrum. Er was duidelijk een schreeuw om betoelaging van archeologische opgravingen vanuit het Rijk. Professor Van Es had eveneens kritische bemerkingen bij het nieuwe Malta-bestel. Zo wees hij terecht op het feit dat continuïteit ontbreekt, continuïteit die enkel nog maar aanwezig is bij de stadsarcheologische diensten. Wellicht is dit een les voor het opstarten van de Malta-implementatie in Vlaanderen. Door het hier opgerichte systeem van Intergemeentelijke Archeologische Diensten uit te breiden tot de stadsarcheologische diensten, is zulk een continuïteit van kennisvergaring, kennisbehoud en kennisontwikkeling via een lokale of regionale kwaliteitsbewakende partner, een kans om het overzicht en de raadpleegbaarheid van archeologische archieven te behouden. De meeste lezingen brachten niet het gewenste en verwachte niveau. Universitaire lezingen hadden terecht kritiek op het feit dat door het afbakenen van zones voor opgravingen, het beheer in de val trapt van de continue bevestiging van bestaande gegevens, met andere woorden het ruime beeld -ondermeer de geschie-


B 1 M N E N K R A N T

denis van het landschap, inbegrepen de zeer relevante off-s/te fenomenen die dat verleden landschap structureren, de sites met lage sporendensiteitverdwijnt. Wat verder opviel was de sterk aanwezige 'commerciële' component van het congres, met de vele posters en standjes van archeologische studiebureaus uit Nederland. Het was voor de erfgoedconsulenten uit Vlaanderen irreëel dat deze bureaus ook de lezingen domineerden, met onderwerpen waarover nog maar weinig verteld kon worden, omdat het onderzoek - zelfs op het terrein - nog volop bezig was. In contrast hiermee stond een lezing over grafheuvels, waarbij - als testopgraving - in een universitair project, het landschap van deze grafheuvels werd aangepakt, een bijzonder leerrijk onderzoek dat gans de stand van zaken over dit zogezegde goed gekende onderwerp volledig ondersteboven haalde. Een uitstekende bijdrage werd tevens gebracht door collega Koen De Groote van het Vlaams Instituut voor het Archeologische Erfgoed in zijn gelaagde bijdrage over de wording van de stad Aalst. Vertrekkend vanuit de archeologische opgravingen werden gegevens uit historische, cartografische en toponymische bronnen betrokken en ingebed in de landschapsreconstructie, met boeiende conclusies en werkhypotheses tot gevolg.

Op vrijdagnamiddag brachten de archeologen van het Agentschap RO Vlaanderen een bezoek aan het door de Provincie Overijssel en de Gemeente Deventer opgerichte archeologische depot. In Vlaanderen zijn depots nagenoeg afwezig en vormen op dit ogenblik én in de volgende jaren de achilleshiel van de Vlaamse archeologische boom. Het depot in Deventer is gehuisvest in een grote leegstaande graansilo, 8 bouwlagen groot met bureaus, en vooral veel stapelruimte. Daarbij werd de noodzakelijke zorg gedragen voor de onscheidbaarheid van archeologisch archief en vondsten. Tegelijkertijd werd door de collega's uit Nederland erop gewezen dat de archiefwet een uitzondering moet

inhouden voor de archeologische archieven, omdat een mogelijke selectie van wat wel en niet behouden moet worden voor het archeologische archief meestal ontoelaatbaar is omdat het geheel van gegevens essentieel is voor de toekomstige interpretatie en herinterpretatie van de opgraving. Tot slot een kleine kanttekening voor de organisatoren: de organisatie was perfect, maar indien de Reuvensdagen hun hoog kwalitatief label wensen aan te houden, dan is een inhoudelijke screening van de lezingen aangewezen. Is een heroriëntatie naar het publiek maken van afgewerkt onderzoek misschien één van de mogelijkheden?

Jan Cornelisz. Vermeyen, portret van Erard de la Marck t® Rijkmuseum Amsterdam)

Tussen ongeveer 1450 en 1550 floreerde in de Nederlanden een aparte vorm van schilderkunst: de diptiek, ofwel tweeluik. Zo'n kunstwerk bestaat uit twee beschilderde panelen die met scharnieren aan elkaar vastzitten en gesloten kunnen worden als een boek. In 2006/07 werd over Vroeg Nederlandse diptieken een grote overzichtstentoonstelling gehouden in Washington en Antwerpen. Eén van de getoonde tweeluiken werd geschilderd door Jan Cornelisz. Vermeyen en toont links de Luikse kardinaal Érard de la Marck en rechts de Heilige Familie. Het is echter tot op heden niet zeker dat beide schilderijen daadwerkelijk ooit een tweeluik hebben gevormd. Aanleiding om beide panelen technisch en kunsthistorisch grondig te onderzoeken en restaureren in het Bonnefantenmuseum.

Hals Museum: het Portret van Kardinaal Érard de la Marck (eigendom van het Rijksmuseum Amsterdam) en De Heilige Familie (eigendom van het Instituut Collectie Nederland, sinds 1948 in bruikleen aan het Frans Hals Museum). De restauratie werd uitgevoerd door Mireille te Marvelde en Abigail Bagley-Young. De cruciale vragen waren natuurlijk óf de beide panelen inderdaad bij elkaar horen en waar ze zich oorspronkelijk bevonden hebben. In het Bonnefantenmuseum worden de beide panelen vergezeld door 6 prenten van Vermeyen en een latere kopie van de Kardinaal uit Luik. Ook worden de resultaten van het technisch onderzoek en de restauratie uitgebreid gepresenteerd. De tentoonstelling en de begeleidende publicatie zijn in samenwerking met het Frans Hals Museum gerealiseerd. Al lange tijd werd vermoed dat deze twee schilderijen ooit een paar, of zelfs een tweeluik hebben gevormd. Tot voor kort werd een degelijk onderzoek belemmerd door de dikke vergeelde vernislaag en vele overschilderingen. Maar tijdens de restauratie werd veel van Vermeyen's originele verfoppervlak weer zichtbaar en werden op basis van visuele analyse en verder technisch onderzoek meer argumenten gevonden, die de hypothese dat de schilderijen ooit een paar vormden, ondersteunen.

Onlangs werden twee schilderijen van Jan Cornelisz Vermeyen (ca. 1500-1559) gerestaureerd en uitvoerig onderzocht in het restauratieatelier van het Frans

Een tweeluik? Compositorisch vormen de twee schilderijen een paar. De engel rechtsboven

Tentoonstellingen

IAN CORNFIIS7. VFRMFYFN. TWEE PANELEN. ÉÉN TWEELUIK?


B I N N E ^ K R A N T

in het portret van de kardinaal wijst naar de Heilige Familie op het andere schilderij en beide schilderijen worden belicht vanuit dezelfde bron, die zich in het midden bevindt. De groene draperie in De Heilige Familie loopt door in de achtergrond van het portret. Uit technisch onderzoek bleek dat het groen op beide schilderijen dezelfde opbouw en verfsamenstelling heeft. Alle onderdelen van de schilderijen - van de grondering met daarop een roze preparatielaag, tot en met de kleinste details in de geschilderde uitvoering, komen in materiaal en techniek sterk overeen. Veelbetekenend is ook dat beide schilderijen eenzelfde soort, opzettelijke schade vertonen: grote krassen waren aangebracht in het gezicht van de kardinaal en in het lichaam van Christus. Hoewel 100 procent zekerheid op dit moment niet gegeven kan worden, is de hypothese dat het een tweeluik betreft door dit onderzoek aannemelijker geworden.

De tentoonstelling Jan Comellsz. Vermeyen. Twee panelen, één tweeluik? loopt van 29 januari tot 30 mei 2008 in het Bonnefantenmuseum, avenue Céramique in Maastricht.

Marjan Buyle

V I A A M S E PRACHT UIT DE e 1 f i a e - 1 7 gde FFMW Hoogtepunten van de 16de en 17deeeuwse Vlaamse kunst uit het Rijksmuseum te Amsterdam zijn nog tot eind 2008 te zien in Maastricht. Het museum toont vijftig nieuwe schilderijen waaronder werk van de grote drie: Rubens, Jordaens en Van Dyck. Dit is de kern van de langdurige bruikleen, waarin naast schilderkunst ook kunstnijverheid (met glasruitjes en fagon de Venise glas) een belangrijke rol speelt. Het betreft een unieke samenwerking ten tijde van de verbouwing van het Rijksmuseum, waarvan ook elders in Nederland voorbeelden te zien zijn. Door de samenvoeging van de deze werken uit de Nationale

M&L

Jon van Kesset, Insecten en vruchten, olieverf op leder (* Rijksmuseum Amsterdam)

Joos de Momper, Rivierlandschap met everzwijnjacht f® Rijksmuseum Amsterdam)

Schatkamer met de collectie van het Bonnefantenmuseum wordt, beter dan ooit in Nederland, hét verhaal verteld van de schilderkunst in de 16de en 17dc eeuw in de Zuidelijke Nederlanden. Na de kleine proloog in juni 1999 en de eerste grote manifestatie van de Vlaamse kunst uit de Nationale schatkamer onder de titel Rijksmuseum aan de Maas in maart 2002 kan het Bonnefantenmuseum nu uitpakken met een vijftigtal 'nieuwe' schilderijen waaronder werk van 'de grote drie van de Vlaamse schilderkunst': Rubens, Jordaens en Van Dyck. Dit is de kern van een langdurige bruikleen - een uniek staaltje collectiemobiliteit ten tijde van de verbouwing van het Rijksmuseum - waarbij de uitbreiding van de bestaande presentatie glasruitjes en fagon de Venise glas ook zeer de moeite waard is.

van één meter zeventig bij tweeënhalve meter, dat nooit is uitgeleend. Beuckelaer wordt geflankeerd door tenminste drie belangrijke werken van Pieter Aertsen waaronderzijn allerlaatste schilderij. Van belang is ook de aanwezigheid van Jan van Hemessens schilderij Allegorie op de natuur als voedster van de kunst, waarmee de Renaissance in het Bonnefantenmuseum een zeer voorname impuls zal krijgen samen met twee andere bruiklenen, Adriaen Isenbrants Madonna in een nis en Jan Cornelisz Vermeyen's Bruiloft te Kana. Dit laatste schilderij is een tafereel bij kaarslicht van de grote Renaissance-schilder in de Nederlanden, hofschilder van Margaretha van Oostenrijk en vooral fameus als portrettist, getuige het reeds aanwezige schilderij met het portret van de prins-bisschop van Luik, Érard de la Marck.

Het zijn vooral 'de grote drie van de Vlaamse schilderkunst' waar het Bonnefantenmuseum zich het gelukkigst om waant. Er komen twee portretten van Antoon van Dyck en van Peter Paul Rubens zijn de monumentale Cimon en Pero en de prachtige olieverfschets met de Kruisdraging te zien. De onbetwiste grootmeester is echter Jacob Jordaens. Was het Wonder van de stater in de bek van de vis reeds aanwezig als centraal werk in het Bonnefanten, de presentatie van deze kunstenaar wordt met nog eens vijf cruciale schilderijen uitgebreid. De afdeling 16de eeuw in Maastricht wordt volledig vernieuwd met topstukken, zoals bijvoorbeeld het werk van Joachim Beuckelaer, de Weivoorziene keuken met Christus bij Maria en Martha, uit 1566, een enorm paneel

De versterking van de 17de eeuw is al even spectaculair met belangrijke aanwinsten voor de sectie landschapschilderkunst: het grote spectaculaire Panoramalandschap met everzwljnjachtvan Joos de Momper en het fijnzinnige Berglandschap \/an Lucas van Valckenborch, alsmede aanvullende werken van Jan Brueghel de Oude en Willem van Nieulandt. Prachtige stillevens worden er getoond van Jan Brueghel, Jan van Kessel en Ambrosius Bosschaert, maar ook genretaferelen van Adriaen Brouwer, David Teniers en David Vinckboons. Behalve deze imposante collectie schilderijen zal het Bonnefanten in het kader van het Rijksmuseum aan de Maas-project ook de collectie fagon de Venise glas uitbreiden, terwijl eveneens nog elf glasruitjes naar Maastricht zullen verhuizen, van


B l ^ N E N K R A N T

zowel Pieter Coecke van Aelst als de beroemde glazenier van Antwerpen en vriend van Albrecht Dürer, Dirck Jacobsz Vellert. De presentatie van de 16de eeuw wordt aangevuld met schilderijen van Joachim Bueckelaer en zijn oom Pieter Aertsen. Hiermee beschikt het museum de komende jaren over een uitzonderlijke groep werken van beide schilders. De Vlamingen krijgen in het Bonnefantenmuseum een structurele plaats in de vleugel Rijksmuseum aan de Maas. Daarmee is deze presentatie geen tentoonstelling in de gebruikelijke zin van het woord: het betreft immers een langdurig bruikleen. Ook na de heropening van het nieuwe Rijksmuseum zal het verhaal van de geschiedenis van de Vlaamse kunst te zien blijven. Dit prachtige initiatief is een samenballing van de mooiste schilderijen uit de Zuidelijke Nederlanden uit de collecties van Rijksmuseum en Bonnefantenmuseum, maar ook met enkele werken uit het Museum Catharijne-convent, Frans Halsmuseum, Spaans Gouvernement en de Nederlandse staat.

Woomse Pracht uit de 76*-1T' eeuw. De tentoonstelling loopt van 2 maart tot 30 december 2008 in het Bonnefantenmuseum in Maastricht.

Chris De Maegd

J

ormiwhifmcopCfruniOiT lloiitnninft'o;(ofnftitnlIcnliumiSjr nï iijiorli rer i;autiionoiina!a'.«»icnnun(,nic imnirljirrQtnmaTtjoiiofnntmi. DiifnifDncfKTBbrftmirt M n ftilf hnimclitnijiU'orlnnfflicaUitiliii oftuiufcoii'rimuOnfrnfiïifULt form (UMI mffljffrifuciEroftilri' Df urrnallni aft unfloijlirM IÜOIDC opDnniiu*raRcr.Ttiturfröuhri) nofUwfliOtruIjmfDiffroiirrdnii l*l)U(mfulIniunn0üffnKiuniir

t i m ftmicn j t a n t h i O'rufi ftiictCr fmi0tj«iljoCtirljcgDiinrpicfliric (nicmuroorniïfljtm ir innKciir. riioutrttftUwöKpIflrtfrfti'Kl'nl oiuxu f t i m ptactfr rri r o n t m * Kh iKlJWiniifourtrrmfniu-niOne!nroolj^90f.ol[(iHtni(rtirtufB9n DrtT mtrrtt 16 tticr (jnncfftlmMe aot>ucrliotOrD;icDac)in"'ueiiic[ urvtHünimtmaöcgfWO.Wn-lDf Eoun m m Ixcrnm utounjc tirhrc r m rfi alle tn uk bnuil O " " " e gr Dgm.nLin)fal irtintftmrrrurrfrt

Jeon d'Arros, Die wonderlike vreemde ende Schone historie van Melusijnen ende van hare geslaghte, ontwerpen, /49? P Koninklijke Bibliotheek van België)

Herman Franciscus van den Brandt, Het verwerde Sothuys van Antwerpen, Amsterdam, 1678 (® Koninklijke Bibliotheek van België)

Met deze tentoonstelling wil de Koninklijke Bibliotheek haar pioniersperiode belichten. Twintig verzamelaars en hun collecties zullen aan het publiek worden voorgesteld. De encyclopedische bibliotheek van Charles Van Hulthem en de gespecialiseerde natuurkundige verzameling van Johann Muller. Boeken als verzamelobject bij Thomas Phillips ("/ wish to have one copy of every book in the world') en boeken als studiemateriaal bij filoloog Jan Frans Willems. Middeleeuwse handschriften uit het bezit van Richard Heber en incunabelen verzameld door Francois Xavier Borluut de Noortdonck... Hoewel zeer divers in

achtergrond, interesses en opvattingen, waren deze verzamelaars allen in de ban van boeken en hebben zij onmiskenbaar hun stempel gedrukt op het patrimonium van de Koninklijke Bibliotheek. Naar aanleiding van de tentoonstelling verschijnt er een boek met dezelfde titel, waarvan Marcus de Schepper, Ann Kelders een Jan Pauwels de editors zijn. De ondertitel Grote verzamelaars uit de 19de eeuw in de Koninklijke Bibliotheek van België zegt al meer over de inhoud. Niet minder dan twintig verzamelaars en hun collectie komen aan bod. Onder hen onbekende (voor ons althans) maar ook welbeken-

Statuten van /lef Collegio Jacobs in Bologna, Brussel, midden 7S* eeuw f® Koninklijke Bibliotheek van België)

IN DF B A N V A N BOEKEN Op het einde van het ancien régime waren vele handschriften en drukken uit tal van bibliotheken op de dool. Het boekenbezit van de opgeheven kloosters en abdijen raakte op korte tijd verspreid. Het massale boekenaanbod dat zo op de markt kwam, bood de 19de-eeuwse bibliofielen de kans om prachtige privé-verzamelingen op te bouwen. Na hun dood kwamen de collecties - al dan niet rechtstreeks terecht in de nieuwe instellingen van het jonge België, vooral in de pas opgerichte nationale bibliotheek.

1VI&L


B 1 N N E N K R A N T 12

de namen als Charles van Hulthem, Jan Frans Wlllems, Francois Joseph Fétis, Félix Victor Goethals, hertog Engelbert August van Arenberg, Franz Vergauwen en Henri Helbig. Er Is één Brit bij, namelijk sir Thomas Phillips, wiens wens het was een exemplaar te bezitten van elk boek op de wereld, en één enkele vrouw (zonder voornaamvermelding): gravin de Lalaing. Hun persoonlijkheid, hun achtergrond, hun interesse en hun verzameling worden onderzocht en voorgesteld. Het einde van het ancien régime betekende ook het einde van de bibliotheken van de kloosters, abdijen en andere kerkelijke instellingen. Hun rijke bezittingen, waartoe kostbare handschriften en incunabelen behoorden, werden verspreid en kwamen onder de hamer. Toen het stof van de Franse revolutie was gaan liggen, konden deze schatten verworven worden door de bibliofielen, maar ook door de alerte conservators van de Koninklijke Bibliotheekvan het jonge België. De handschriften en boeken die zij verwierven werden gezien als de bouwstenen voor de nationale trots. De boekencollectie van deze bibliofielen kwamen mettertijd ook in de nationale Bibliotheek terecht, waar ze dikwijls een apart Fonds vormen in de Afdeling Handschriften of de Afdeling Kostbare werken. De tentoonstelling en het boek zijn een hommage aan deze bibliofielen en eerste conservators van de bibliotheek.

De tentoonstelling loopt in de Nassaukapel van de Koninklijke Bibliotheek van België (vlakbij Centraal Station) aan de Kunstberg, ingang Gutenberg, van 1 februari tot 23 augustus 2008, maandag tot zaterdag van lOtot 17u. Gratis toegang, bezoekersgids. Inlichtingen: expo@kbr.be DESCHEPPERM., KELDERS A. en PAUWELS J. (eds.), In de ban van boeken. Grote verzamelaars uit de 19de eeuw in de Koninklijk Bibliotheek van België, Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2008, 224 p..

1VI&L

^nw

ISBN 90 6637 145 5. (Ook in het Frans: Les seigneurs du livre: les grands collectionneurs du XlXe sa la Bibliothèque royale de Belgique, ISBN 2 87093 164 6). Te bestellen bij francoise.lebon(S)kbr.be. tel. 02 519 53 97.

mi

Beschermingen

die gelegen zijn in het stadsgezicht en werd het beschermingsvoorstel afgestemd op het in opmaak zijnde Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) dat moet voorzien in de ruimtelijke vertaling van de krachtlijnen van de bescherming.

Gonda Callaert

DE DUMONTWDK IN DF PANNE Op 27 november 2007 werd door minister Dirk Van Mechelen de oudste verkaveling van De Panne volgens aanlegplan van 1902-1904, de zogenaamde "Dumontwijk", definitief be-

De ontwikkeling van de badplaats De Panne Vergeleken met de Oost- en Middenkust ontwikkelen de badplaatsen aan de Westkust zich later en langzamer omwille van problematische verkeersaansluitingen. De eindbestemmingen van het openbaar vervoer liggen immers in de kleine steden of kerkdorpen van het hinterland, o.m. Nieuwpoort, Veurne en Adinkerke. Pas in 1870 wordt de spoorlijn Gent - Duinkerke gerealiseerd met station in Adinkerke, dat na oprichting van een diligence en een paardentramlijn in 1901 verbonden wordt met De Panne. Ook de afwerking van de elektrische tramlijn Knokke-Het Zoute-De Panne dateert van 1928 en de op initiatief van koning Leopold II aangelegde Koninklijke Baan wordt pas voltooid met eindbestemming De Panne in 1933.

schermd als stadsgezicht. Het voorstel tot bescherming kwam tot stand ten gevolge van een arrest van de Raad van State waardoor het beschermingsbesluit van 9 juni 1995 op basis van een procedurefout vernietigd werd. De motivatie om de bescherming opnieuw te bekrachtigen baseert zich op het feit dat de Dumontwijk in De Panne één van de zeldzame gebieden aan de Belgische kust is waar het karakter en de intrinsieke erfgoedkwaliteiten van de oudste bebouwing bewaard zijn gebleven. Het dossier kadert binnen het thema Kustarchitectuur dat door de afdeling R-0 West-Vlaanderen - Onroerend erfgoed werd geïnventariseerd en geëvalueerd, wat de voorbije jaren resulteerde in verschillende beschermingen van dit veelal sterk bedreigde erfgoed. Het beschermingsdossier van 1995 werd herwerkt en geactualiseerd aan de hand van bijkomend onderzoek en recente publicaties en studies over deze wijk. Tevens werd een herevaluatie gemaakt van de ca. 500 panden

1

Aan de Westkust is De Panne de oudste badplaats, die haar naam dankt aan de ligging in een "panne" of duinvallei. Oorspronkelijk is het een klein gehucht bij Adinkerke, dat later uitgroeit tot een vissersdorp. Het omliggende duingebied is sinds de middeleeuwen in eigendom van de adel en wordt benut


B I N N E N K R A N T

als jachtgebied. In het begin van de 19de eeuw worden grootgrondbezitters Pieter Bortier en Louis Ollevier eigenaars van het duingebied. In deze periode ontluikt het toerisme met ondermeer de opening van het Pavilion des Boms (1831) dat vnl. door Engelsen wordt bezocht en een grote aantrekkingspool is voor kunstschilders. In de duinen beperkt de bebouwing zich tot enkele vissershuisjes die als curiosa bezocht worden door stedelingen en toeristen. Ca. 1870 wordt een akkoord gesloten met een Engelse bouwmaatschappij om een eerste (houten) kursaal en enkele paviljoenen aan de dijk op te trekken; ook de eerste hotels en pensions worden opgericht. Ca. 1892 ontstaat dan de eigenlijke badplaats bij stichting door zoon Pedro Bortier met in 1894 oprichting van de parochie Sint-Pieters. Hij vat tevens de idee op om de huidige Zeelaan in een sierlijke bocht achter de duin Kykhill aan te leggen, dit in tegenstelling tot de verticale verbindingen die in de meeste badplaatsen toegepast worden. Deze Zeelaan vormt de ruggengraat voor de verdere urbanistische uitbouw van de badplaats, gerealiseerd vanaf 1892 tot 1913 o.l.v. de Brusselse architect Albert Dumont. Het oudste aanlegplan voor het zogenaamde 'nieuwe' De Panne, tevens afbakening van het beschermd stadsgezicht, wordt in 1902-1904 uitge-

tekend door zoon Alexis Dumont. Dit plan eerbiedigt het duinenreliëf tussen de Duinkerke- en de Zeelaan met bebouwing van losstaande duinhuizen of cottages. Er wordt enkel aaneengesloten bebouwing toegestaan langs de Zeedijk, de Duinkerke-, Nieuwpoort-, Bonzel- en Zeelaan en de straten die de dijk met deze lanen verbinden. De zeedijk wordt aangelegd als 'hoofdboulevard' met erlangs de bouw van zeedijkhuizen, hotels en een nieuw houten casino (1905). Deze intensieve bouwwoede blijft aanhouden zodat in 1911, het jaar waarin de gemeente De Panne onafhankelijk van Adinkerke wordt, er reeds een 60-tal hotels en 300 losstaande vakantiewoningen zijn. In het kader van een grote uitbreiding van De Panne tot aan de Franse grens wordt in 1906 de oudste verkaveling westwaarts uitgebreid, waarbij de Duinkerkelaan in een bocht omheen de Witte Berg wordt geleid. Later volgen nog uitbreidingen ten oosten van de Zeelaan, gebaseerd op het plan van Dumont maar omwille van financiële druk met strakker stratenpatroon en kleinere percelen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt De Panne de tweede hoofdplaats van het niet-bezette België met ondermeer verblijfplaats van de Koninklijke familie, het Grand Hotel de l'Océan dat dienst doet als fronthospitaal en het strand dat benut wordt als oefenterrein én ontspanningsoord voor de soldaten.

Na de oorlog wordt de familiebadplaats verder uitgebouwd met tevens oprichting van de Onze-Lieve Vrouweparochie (1926) en bouw van de neoromaanse kerk met pastorie (19291932) aan de Zeelaan naar ontwerp van de West-Vlaamse architecten Jozef en LucViérin. In de jaren 1930 wordt ten oosten van de Dumontwijk nog een verkaveling gerealiseerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lopen de huizen in de residentiële verkaveling relatief weinig schade op. In de naoorlogse periode komt De Panne, net als de overige badplaatsen aan de Belgische kust, terecht in een fase van het gediversifieerde massatoerisme.

Ook hier verhoogt de reeds vroeger ingezette verdichting van de bebouwde omgeving. Eind jaren 1950 koopt het gemeentebestuur de nog resterende stukken van de Kykhillduin, thans ingericht als park. De oudste verkaveling of de "Dumontwijk" De afbakening van het beschermd stadsgezicht is gebaseerd op het oudste aanlegplan van 1902-1904, gezien het stedenbouwkundig concept en de architecturale invulling ervan, zoals bedoeld door de ontwerpers, tot op vandaag vrij gaaf bewaard is gebleven.

M&L


B 1 N N E 1 M K R A N T

De ontwerpers zijn Albert Dumont en zijn zoon Alexis. Albert Dumont (SintGillis, 1853 - De Panne, 1920) vestigt zich, na zijn opleiding aan de Ecole des Arts et Manufactures, in Brussel waar hij samenwerkt met Auguste Hebbelynck. Omstreeks 1880 verzeilt hij voor het eerst in De Panne, waar hij een plan uittekent voor de exploitatie van het duingebied, dat wegens geldgebrek evenwel nooit wordt uitgevoerd. Hierna vestigt hij zich in Middelkerke waar in minder dan 15 jaar een 200-tal villa's naar zijn ontwerp worden gebouwd. In 1892 ontwerpt hij het aanlegplan van het Franse Hardelot-Plage. In datzelfde jaar trekt hij terug naar De Panne waar hij instaat voor de aanleg van de huidige Dumontwijk. Vanaf 1899 wordt hij bijgestaan door zijn oudste zoon Alexis Dumont (Molenbeek, 1877 - Eisene, 1962) die in 1902-1904 het verkavelingsplan van de Dumontwijk uittekent en medeontwerper is van vele panden in de wijk. Na de dood van zijn vader realiseert deze een nieuw casino in De Panne (1922), en vele projecten in Brussel, o.m. enkele gebouwen van de U.LB., het Institut des Arts et Métiers (1928), het Shellgebouw (1930-1934) en talrijke villa's in de randgemeenten. In 1959 schrijft hij het traktaat Pour Ie maintien du site de La Panne waarbij hij het behoud van de duinen en de typerende architecturale cottageinvulling bepleit. Beide waren lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en medewerkers van tijdschriften als L'Emulation, Tekhné en Le Cottage. In tegenstelling tot de 19de-eeuwse badplaatsprojecten zoals NieuwpoortBad en Middelkerke, waarbij het klassieke stedelijk concept van verkaveling in dambordpatroon gehanteerd wordt, wijken de urbanistische projecten van rond de eeuwwisseling hiervan af. Net als in Duinbergen, Knokke-Het Zoute, de uitbreiding van de Concessie De Haan, Westende en Koksijde wordt het toerisme in deze jonge badplaatsen gepromoot door het ontwerpen van pittoreske villaparken gebaseerd op de toenmalige urbanistische theo-

rieën die in het binnenland tot uiting komen in suburbane tuinwijkprojecten naar Engels model. Bij de realisaties aan de Belgische kust blijft het evenwel bij het overnemen van de formele principes van aanleg en architecturale vormentaal; het oorspronkelijk sociale basisprincipe moet immers plaats maken voor een elitaire en speculatieve vorm van vakantieverblijf. Ook biedt dit stedenbouwkundig concept een antwoord op het feit dat de bestaande kuststeden steeds meer als té druk en té volgebouwd ervaren worden. Na zijn jarenlange werk bij de formele uitbouw van de badplaats Middelkerke, krijgt Albert Dumont de kans om in De Panne een meer pittoreske aanleg te realiseren, dit in combinatie met enkele stedelijke assen. Algemene basisprincipes die hij volgt zijn het bewaren van het natuurlijk duinenlandschap en -reliëf, het zoveel mogelijk vermijden van rechte assen en het in het duinenlandschap inpassen van met bomen omzoomde verbindingswegen, waardoor ook de rust en de privacy van de bewoners worden gevrijwaard. Kenmerkend voor de uitbouw van de Dumontwijk is dat zowel voor het stratenpatroon, de percellering, de bebouwing als voor de functies een differentiatie wordt toegepast. Het interne stratenpatroon is ontworpen volgens vier zones: de zone tussen


B l l ^ l V J E N K R A N T

Zeedijk en Duinkerkelaan met "rampes" loodrecht op de dijk en de Witte Berg als noordwestelijk eindpunt; de zone tussen Duinkerke- en Bortierlaan, dit is de afgegraven noordelijke arm van de paraboolduin, met rechte straten; de zone tussen Bortier-Albert Dumontlaan, dit is de lager gelegen "panne", met gebogen straten; de zone tussen Albert Dumont- en Zeelaan, dit is de zuidelijke hoge flank van de paraboolduin, met smalle onregelmatige wegjes. Tevens wordt er gewerkt met zichtassen en "poorf'-effecten vanaf de Zeedijk naar de landinwaarts gelegen villawijk. Ook de differentiatie van percellering en bebouwing is op elkaar afgestemd: aan de Zeedijk zijn er rechthoekige percelen waarvan de oorspronkelijk voorziene breedte van 8,4 m wordt teruggebracht tot 5 a 6 m omwille van financiële en speculatieve redenen; langsheen de stedelijke assen en in de overgangszone Koning Albertplein-Bonzellaan is er een stedelijke perceelsstructuur voor aaneengesloten bebouwing: tussen de Duinkerke- en de Zeelaan zijn er rechtlijnig begrensde percelen voor losstaande bebouwing van villa's of duinhuizen. Commerciële en dienstenfuncties worden ingepast langs de Zee- en Duinkerkelaan en deels op de Zeedijk; de woonfunctie primeert in de hoofdzone. De oudste verkaveling van De Panne volgens aanlegplan van 1902-1904 vormt bijgevolg een samenspel én tegenstelling tussen een eerder formele geometrische aanleg voor het kleine noordelijk deel, en de pittoreske, onregelmatige open aanleg van het grootste deel ten zuiden ervan met een overgangszone tussen beide. De architecturale invulling in de "Dumontwijk" De oudste verkaveling van De Panne bewaart een zeer grote concentratie van waardevolle kustarchitectuur in al zijn diversiteit, die bovendien getuigt van de ontwikkeling van de vrijetijdsarchitectuur langs de Belgische kust. De architecturale invulling van zowel zeedijkhuizen, aaneengesloten bebouwing en vrijstaande duinhuizen of

cottages, is bovendien sterk geïndividualiseerd door de toepassing van tijdsgebonden en evoluerende bouwstijlen. De oudste bebouwing gaat terug op de eind 19de-eeuwse stichting van de badplaats waarvan slechts enkele duinhuizen bewaard bleven. Het grootste deel van de zeedijkhuizen en de vrijstaande duinhuizen gaat echter terug op de intensieve bouwperiode vanaf ca. 1903 tot aan de Eerste Wereldoorlog. Vanaf het interbellum worden aan de stedelijke assen de eerste familiehotels en pensions opgetrokken met toenemend aantal bouwlagen. Tevens worden de nog open kavels in de residentiële verkaveling verder bebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog wordt veel van de oorspronkelijke bebouwing langs de Zeedijk, de stedelijke assen en - in beperkte mate - de overgangszone afgebroken voor het optrekken van handels- appartementsgebouwen. De open verkaveling bewaart doorheen de jaren haar residentieel karakter waar permanente bewoning gestadig toeneemt. Langsheen de Zeedijk zijn vijf oorspronkelijke zeedijkhuizen en een omlopend gebouwencomplex bewaard, allen beschermd als monument bij Ministerieel Besluit van 9 juni 1995. De aaneengesloten bebouwing langsheen de stedelijk assen en de overgangszone is heterogeen en bestaat uit o.m. rijbebouwing van burgerhuizen, woonwinkelhuizen en (voormalige) hotels. De oudst bewaarde panden hebben een eclectische vormgeving, doorgaans varianten op de neostijlen. De interbellumpanden vertonen diverse invloeden gaande van ondermeer artdecostijl, cottagestijl, regionalisme, modernisme en Nieuwe Zakelijkheid. De Onze-Lieve-Vrouwekerk is opgetrokken in gestileerde neoromaanse stijl. Langsheen het Koning Albertplein en de Bonzellaan wordt de bebouwing aangevuld met residenties uit het derde kwart van de 20ste eeuw waarvan enkele zich integreerden in de bestaande bouwhoogte en gekenmerkt worden door een residentiële vormgeving met aandacht voor ontwerp en materiaalgebruik.

M&L


B I N N E N K R A N T

De architecturale invulling van de open verkaveling ten zuiden van de Duinkerkelaan, bestaat uit "cottogef of duinhuizen in cottagestijl. Tegen de bestaande traditie in worden losstaande woningen boven op de duinen gebouwd. Van de vijf rond de eeuwwisseling op de hoge duintoppen opgerichte eerste cottages zijn er thans nog vier bewaard, met name Beau-Séjour, villa Kykhill, ontworpen in 1897 door architect Georges Hobé als eigen woonst. Les Airelies en de koppelvilla D'Hoge Dune-Florian. Voornamelijk architecten Albert en Alexis Dumont, bijgestaan door architecten Georges Hobé en Jozef Viérin, propageren hier dit bouwtype. Overige architecten die mee helpen de villawijk architecturale gestalte te geven zijn Oscar Vermeesch, Louis Legein, Gustave Remy en Myriam Dumont, Pierre Devos, Ernest Acker, e.a.

Bij de bouw van de vrijstaande vakantiewoningen in de Dumontwijk worden veelal de streekeigen of regionale stijlkenmerken {baksteenbouw, pannen bedaking, dakkapellen, raamkozijnen, roedeverdeling, luiken) verzoend met deze van de Engelse traditionele landelijke woning met integratie van elementen uit de Normandische stijl (hoektorentjes, pseudo-vakwerk,...). Bij enkele voorbeelden zijn er tevens reminiscenties aan de landelijke bouwstijl of aan de oorspronkelijke visserswoningen (witgekalkt metselwerk, toepassing van steunberen). In het interbellum wordt het grondplan onregelmatiger en er is neiging tot een complexer dakenspel. Opmerkelijk is dat men de aanwezige oppervlakte beter benut door toepassing van meergezinswoningen of een gekoppelde woning (twee- of driewoonst). Onder invloed van de veel voorkomende art-decostijl vertonen sommige villa's een meer verfijnde vormgeving. Een aantal constructies uit de jaren 1930 kennen populariserende varianten op het strakke modernisme, in De Panne door Brusselse bouwmeesters geïntroduceerd (JeanJules Eggericx, Raphael Verwilghen), doch al vlug nagevolgd wordt door plaatselijke architecten die een lokale interpretatie aanwenden.

De Dumontwijk in de Panne is tot op vandaag uitermate representatief voor de oudste verkavelingen aan de kust die door privé-initiatief gerealiseerd worden mede dankzij de hulp van befaamde architecten die de urbanisatie op gang brengen en de jonge badplaatsen mee helpen gestalte te geven. De aanwezige gaafheid en authenticiteit van het stedenbouwkundig concept en het natuurlijke duinlandschap is tot op vandaag bewaard gebleven, waarbij de ensemblewaarde van de architecturale invulling zich vooral manifesteert in het voorkomen en samenspel van 'vrijetijdsarchitectuur' in al zijn diversiteit. De bescherming van dit stadsgezicht beoogt dan ook het behoud van deze waardevolle erfgoed kwaliteiten.

V A K W F R K B O U W IN H F R K D F - S T A D FN DIFPENBEEK Dat het historische bestand aan vakwerkbouw in Limburg vooral de laatste decennia zwaar bedreigd is, mag eens te meer blijken uit de recent (2007) opgemaakte beschermingsdossiers voor vakwerk in de gemeenten Herk-de-Stad en Diepenbeek. Deze volgen op de beschermingsdossiers betreffende vakwerkbouw in de gemeente Alken, Wellen en Kortessem.

Diepenbeek, Kempenstraat 87, 2006

/ms**-

Herk-de-Stad, Nieuwmolenstraat 8, 2006

Herk-de-Stad, Bampsstraat 88, 2006

In Alken en Wellen werden respectievelijk een 30-tal en een 11-tal vakwerkgebouwen definitief beschermd, terwijl voor Kortessem momenteel 12 vakwerkgebouwen op het ontwerp van lijst staan. Herk-de-Stad en Diepenbeek, gelegen in de periferie van Vochtig Haspengouw, telden in 1977 een geïnventariseerd vakwerkbestand van respectievelijk 58 en 106 vakwerkgebouwen. Deze bleken in 2007 tijdens een herinventarisatie geslonken te zijn tot een 34-tal vakwerkgebouwen in Herk-deStad en een 63-tal in Diepenbeek. Van deze resterende vakwerkgebouwen werden vervolgens op basis van selectiecriteria als gaafheid, authenticiteit, zeldzaamheid en context- of omgevingswaarde 12 gebouwen in Herkde-Stad en 13 in Diepenbeek geselecteerd voor wettelijke bescherming. Het beschermingsdossier voor vakwerk in de gemeente Herk-de-Stad werd op 24 januari 2008 getekend door minister Dirk Van Mechelen, waardoor momenteel 12 vakwerkgebouwen op het ontwerp van lijst staan. Momenteel wordt een beschermingsdossier voor de eveneens sterk bedreigde vakwerkbouw in de omgeving van Hasselt voorbereid. In een volgende fase volgt de vakwerkbouw in de omgeving van Sint Truiden, de omgeving van Bilzen en de Voerstreek.


B1N1\E1VJKRANT

ANKFRPIAATSFN Met het hoofdstuk Behoud van Erfgoedlandschappen, toegevoegd aan het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, werd een belangrijke stap gezet naar een vernieuwd landschapsbeleid, omdat het een nieuw spoor met betrekking tot het beschermen van de landschappen introduceerde. Naast de klassieke bescherming als landschap, zorgt de aanduiding van ankerplaatsen - de meest waardevolle landschappelijke plaatsen in Vlaanderen - en de latere vertaling tot erfgoedlandschappen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen voor de door de Europese Landschapsconventie gevraagde geïntegreerde benadering. Bij de ministeriële besluiten van 20 november werden de eerste vijf ankerplaatsen definitief aangeduid, met name:

De abdij van Westmalle te Malle, Brecht en Schilde De ankerplaats Abdij van Westmallebetreft de Trappistenabdij met omgevend domein, gelegen ten westen van de dorpskom van Westmalle in de provincie Antwerpen. Het betreft een historisch complex van landbouwgronden en bossen, doorkruist met dreven en afwateringsgrachten rondom het imposante abdijcomplex. De Trappistenabdij of het Klooster van Onze-Lieve-Vrouw van het Heilig Hart is de hoofdabdij van de Trappisten in België en het oudste van alle nu bestaande trappistenkloosters. Sinds haar oprichting op het einde van de 18^ eeuw, hebben de abdij en haar bewoners een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling en evolutie van Westmalle en omgeving. Het domein van de abdij en de directe omgeving vormen een gaaf landschap, waarvan rust en stilte uitgaat. Door de aanwezigheid van een mozaïek van loof- en naaldbossen, heide, graslanden en akkers in een regelmatig patroon doorkruist met wegen, paden, dreven, grachten en bomenrijen, heeft dit landschap een hoge belevingswaarde.

Hef landschap van de Oude Schelde tussen Bornem en Weert te Bornem Deze ankerplaats omvat een zo goed als ongeschonden, 13de-eeuws Scheldelandschap met een sterk gesloten karakter. Centraal loopt van noord naar zuid de Oude Schelde als dominant structurerend element. Langs de zuidgrens van deze oude Scheldearm ligt het kasteel van Marnix van SintAldegonde met bijhorend gaaf domein dat zijn oorsprong kende in de 9de eeuw. Uiterst waardevol is de eendenkooi op de Oude Schelde, waarvan de oorsprong teruggaat tot het begin van de 14dc eeuw, alsook het Sas op de Oude Schelde, de oudst bewaarde mechanische sluis in België, gebouwd in 1589-1592. Dankzij een afwisseling van geomorfologie en bodemgesteldheid, alsook ten gevolge van een lange geschiedenis met talrijke natuurlijke en antropogene invloeden, omvat deze ankerplaats een grote verscheidenheid aan landschappelijke structuren. Zo herkennen we moerassen, bossen, wielen, dreven, grachten, putten, grienden, e.d.

De Uitkerkse Polder te Blankenberge, Zuienkerke en De Haan Deze ankerplaats is gesitueerd in het oostelijk deel van de Vlaamse kuststreek en omvat het strand en de duinen tussen Blankenberge en Wenduine, evenals de Uitkerkse Polder ten zuidwesten van Blankenberge en ten zuidoosten van Wenduine. Het betreft een bodemkundige, geologische en landschappelijke sequentie van strand, duinen en polders waarbij geomorfologische processen, in casu natuurlijke aangroei van duinen en verstuiving van overdekte poldergronden, nog actief zijn. De Uitkerkse Polder wordt beschouwd als één van de best bewaarde historische "Oudlandpolders" in relatie tot gelijkaardige gebieden langs onze Vlaamse kust, door de gaafheid, herkenbaarheid en samenhang van landgebruik, het hydrografische netwerk, dijken, archeologische sites, relicten van middeleeuwse bewoning en het voorkomen van bouwkundig erfgoed.

Kanne met het plateau van Caestert, de Tiendeberg en de Muizenberg te Riemst Deze ankerplaats bevindt zich in droog Haspengouw, en meer specifiek in het zogenaamde Krijtland van Millen. Het landschap wordt vorm gegeven door de natuurlijke rivierwerking van de Jeker en het gegraven Albertkanaal. Van west naar oost onderscheid men het Haspengouws leemplateau, de steile westelijke Jekerhellingen, de vallei van de Jeker, het Albertkanaal met de doorsnijdingen van Ternaaien en van de Cannerberg, de zacht glooiende helling naar Caestert en het plateau van Caestert. Het gebied vormt zowel natuur- en cultuurhistorisch, als landschappelijk, een zeldzaam samenhangend geheel. De asymmetrische vallei van de Jeker met de steile en door droge dalen sterk versneden westelijke helling en de geleidelijk naar het plateau van Caestert oplopende oostelijke helling is door zijn vorm, hoogte en contrast met het uitgestrekte leemplateau van Droog Haspengouw een in esthetisch opzicht markante en gaaf bewaarde landschapsgradiënt. Het dorp Kanne, gelegen aan de benedenloop van de Jeker, heeft een uitgesproken valleikarakter en bestaat thans uit twee aaneengegroeide, historische kernen: Neerkanne in het noorden en Opkanne in het zuiden. Het wordt wel eens het "witte dorp" genoemd. De meeste oude hoeves en woningen zijn immers gebouwd met de plaatselijk ontgonnen mergelsteen, anderen zijn met een kalkcement bestreken en wit geschilderd. Zij benadrukken het landelijke en streekeigen karakter van het dorp, bepaald door landbouw en mergelwinning. Ten gevolge van haar rijke vestigingsgeschiedenis, zijn er binnen deze ankerplaats heet wat archeologische vindplaatsen uit verschillende perioden.

De vallei van de Cicindria met het kasteeldorp Kerkom te Sint-Truiden Ook deze ankerplaats bevindt zich in droog Haspengouw, het gebied in de vierhoek Tienen - Maastricht - LuikNamen en behoort tot het plateau van Landen. In het noorden sluit de ankerplaats aan bij de stad Sint-Truiden.


B 1 N N E N K R A N T

De Cicindriabeek is structuurbepalend voor dit landschap. Deze ligt immers aan de basis van de asymmetrische vallei met zijn cultuurzonatie en bouwkundig erfgoed. De oorspronkelijke kerndorpen en traditioneel gesloten hoeven, omgeven door weiden en boomgaarden, liggen voornamelijk in de beekvallei. De vrij gave dorpskern van Kerkom, het kasteeldomein verbonden aan het Rood kasteel, het landgoed rond het Wit kasteel en de verspreide hoeven in het gehucht Straten zijn belangrijke elementen in de gave, landelijke omgeving van boomgaarden - al dan niet omgeven door hagen - weiden en open akkers. En dit alles aaneengeregen of met elkaar verbonden door holle wegen. De asymmetrische vallei van de Cicindria met zijn bronamfitheaters vormt door het contrast met de omgeving een in esthetisch opzicht markant landschapselement. De verschillende zichtassen worden bekroond door de aansluitende, beboste heuveltoppen.

Door de definitieve aanduiding van deze waardevolle landschappelijke gehelen als ankerplaatsen, wordt binnen deze gebieden de zorgplicht voor alle administratieve overheden van kracht. Dit houdt in dat de administratieve overheid in al haar beslissingen inzake een eigen werk of handeling, of inzake het verlenen van een opdracht daartoe, of inzake een eigen plan of verordening, die een definitief aangeduide ankerplaats nadelig kunnen beïnvloeden, moet voorkomen dat vermijdbare schade aan een typisch landschapskenmerk van een ankerplaats wordt veroorzaakt en door schadebeperkende maatregelen te nemen, de betekenisvolle schade die aan de ankerplaats wordt aangebracht zo veel mogelijk beperken. Indien dit laatste niet mogelijk is, moet er worden hersteld en gecompenseerd. Verder dienen de definitief aangeduide ankerplaatsen bij de opmaak van een RUP (gemeentelijk, provinciaal of gewestelijk) meegenomen te worden in de ruimtelijke afweging.

De ministeriële besluiten en bijhorende afbakeningskaarten kunnen worden geraadpleegd op de website www.onroerenderfgoed.be

Buitenkrant

RQGFR DE NESTOR Roger Deneef is als eerste landschapsinspecteur vanaf 1 januari 2008 in Ruhestand, zoals dat in Duitsland heet. Dat is voor de achterblijvers een afscheid en dus een gelegenheid om terug te kijken, te zien hoe het was, hoe het allemaal begon en wat er zo kenmerkend aan was. Het toeval had, zoals zo dikwijls, ook op zijn carrière een beslissende invloed. Met een ezelsvel van 'polensokker' en na een Congolese parenthese belandde hij in de vroege jaren 1970 - een periode waarin werk vinden geen evidentie was - opnieuw in Leuven. Maar de buurman van zijn ouders was vanuit het kabinet van cultuurminister Frans van Mechelen pas Diensthoofd geworden van de Rijksdienst voor de monumenten- en de landschapszorg, moest zijn ploeg uitbreiden voor de

landschappen, en zo vervoegde Roger de vier monumentenzorgers en de orgelman op de donderdagse coördinatievergaderingen. In geen tijd schoolde hij zich om tot bioloog, geograaf, geoloog, dendroloog, historicus, zelfs ecologist toen dat begrip amper ingang had gevonden. Roger zette de landschapszorg van de Rijksdienst op de sporen, stippelde er de koers van uit en ontwikkelde een duidelijke visie op wat die hoort in te houden. Dat ging samen met een nieuwe invulling van het begrip 'beschermd landschap'. Tot dan toe was dat heel dikwijls een 'gebuisd' monument of werd het terrein puur esthetisch benaderd. Voortaan zouden de waarden van een landschap bepaald worden na een grondige terreinkennis, een inventaris van de biotoop en onderzoek uit verschillende oogpunten. De leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, die in Ulo tempore over elk dossier en elke bescherming de minister adviseerden, schudde hij wakker met zijn goed onderbouwde rapporten; zijn kenmerkend gevoel voor humor werd daar regelmatig voor ingezet.

Elke nieuwe landschapper van de eerste en de tweede generatie werd door Roger ingeleid en opgeleid en van zijn visie doordrongen. Het Hoofd vertrouwde een nieuweling - zo getuigen de eersten dan toch - al op diens allereerste werkdag aan zijn goede zorgen toe met de woorden: "loop maar wat met hem mee". En dat gebeurde ook. Landschappers horen volgens Roger inderdaad maximaal op het terrein te zitten, niet achter een bureau. In de RMLZ-Documentatiemappen Landschapsonderzoek ó'\e hij van 1981 af in eigen beheer uitgaf, werd het resultaat van dat veldwerk gepubliceerd. Het zijn stuk voor stuk kritisch verantwoorde en wetenschappelijk gefundeerde rapporten die zijn visie op de inventarisatie van natuurgebieden en op landschapsbeheer weergeven. Er was in 1979 een lijvige nota aan voorafgegaan, opgesteld samen met Walter Tips en Paul Van den Bremt, onder de veelzeggende titel


B 1 N N E N K R A N T

Kritische doorlichting van de milieuwaardering in Vlaanderen, met de bedoeling tot een open discussie te komen met de andere spelers op het veld. Van de Documentatiemappen verschenen 16 afleveringen, een 40 a 50-tal pagina's dik en met een oplage van 400 exemplaren. De wekelijkse donderdagvergaderingen zijn legendarisch geworden: in de voormiddag de coördinatievergaderingen met het Hoofd en 's namiddags de beruchte Commissievergadertingen die soms tot na 21 u uitliepen. Toen jaren later, samen met nog wat andere nieuwlichterij ook teambuilding de ambtenarij bereikte, werden deze voormiddagvergaderingen bedacht met een pluim van hogerhand, terwijl doorgaans die eeuwige dwarsliggers en roetstrooiers van monumenten en landschappen niet op veel sympathie konden rekenen. Bij het minste teken van ongenoegen in de gelederen (over de manke wetgeving waarmee moest gewerkt worden maar ook over de precaire statuten, de niet verlenging van een contract of de niet betaalde kilometervergoedingen) herinnerde het Hoofd er graag aan hoe de buitenwacht over zijn ploeg dacht: na de belastinginspecteurs de meest gehate ambtenaren van het land!

In 1984 behaalde Roger zijn tweede ezelsvel in de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw omdat Leuven het examenreglement wijzigde en wie zijn licentiaatsthesis nog niet afgelegd had onmiddellijk na de examens, kon dit uitzonderlijk nog goedmaken. In de titel van zijn werkstuk Landschapsecologie, ruimtelijke planning en de Hagelandse Demervallei: de bruikbaarheid en het gebruik van de landschapsecologische gegevens in de ruimtelijke planning en ordening, inzonderheid met betrekking tot de plannings- en ordenningsactiviteiten herkent men de auteur, al was het maar in het gehalte persiflage op de door de overheid bestelde overbodige documenten van goedbetaalde studiebureau's. Het jaar 1997 betekende een keerpunt in Rogers professionele activiteiten, een koerswijziging die te danken was aan de komst van Jo Wijnant naar Leuven. Jo nam een stuk van het

beheer van de landschappen over, wat Roger de ruimte gaf voor een nieuwe passie: de Inventaris Historische Tuinen en Parken. Hij verslaat sindsdien zonder moeite de eerste de beste (ondergetekende) kunsthistorica in de datering van de gebouwen in tuin en park en goochelt met de geheimtaal van de architectuurbeschrijving, eigen aan de inventarisreeks Bouwen door de Eeuwen heen. Als volleerde dendroloog brengt geen enkele boom of plant hem nog op een dwaalspoor. De vier reeds verschenen boekdelen van 'zijn inventaris' zullen - zoals hij zelfstelt - gevolgd worden door nog twee 'postume' delen. Daarmee is, op Leuven na, het grootste deel van Vlaams-Brabant onderzocht op dit uiterst kwetsbaar onroerend erfgoed en is ook de inventaris Bouwen op het vlak van kastelen en grote villa's uit de 19de en 20ste eeuw voor een stuk bijgewerkt. Maar zélf noemt hij de massa foto's die hij in de 35 jaar als 'landschapper' op het terrein maakte en zorgvuldig archiveerde, zijn grootste bijdrage aan de landschapszorg in Vlaanderen.

Lynn De Clercq

VLAAMSF MONUMFNTFNPRIIS SXWR. OPROEP AAN KANDIDATEN Met de Vlaamse Monumentenprijs valt elk jaar een persoon, een privé- of openbare instelling in de prijzen voor een recente verwezenlijking op het vlak van monumentenzorg, landschapszorg of archeologie. De Vlaamse Monumentenprijs bekroont elk jaar een persoon, een privé- of een openbare instelling voor een recente realisatie met belangrijke verdiensten op het vlak van monumentenzorg, landschapszorg of archeologie. In elke provincie wordt een laureaat geselecteerd die een bedrag van 2 500 euro wint. De uiteindelijke winnaar van de Vlaamse Monumentenprijs ontvangt daarbovenop een bedrag van 12 500 euro en krijgt de verdiende mediaaandacht. De Vlaamse Monumentenprijs beoogt een breed deelnemersveld. Bij de

beoordeling gaat bijzondere aandacht naar realisaties met verdiensten op de volgende terreinen: • een goede dialoog tussen de kandidaat en de diensten van de Vlaamse overheid, bevoegd voor het onroerend erfgoed; • interactie van het onroerend erfgoed met andere beleidsdomeinen zoals cultuur, ruimtelijke ordering, leefmilieu; • een hedendaagse omgang met het onroerend erfgoed, bijvoorbeeld door een gepaste nieuwe bestemming, het gebruik van nieuwe technieken, de interactie met een nieuw ontwerp; • brede ontsluiting van het onroerend erfgoed en speciale aandacht voor sensibilisering en educatie; • beheer van het onroerend erfgoed (onderhoud, restauratie, consolidatie en herstel). Zo ging de Vlaamse Monumentenprijs 2007 naar hotel Normandie in Koksijde, een hotel-restaurant in bootstijl; de restauratie van dit gebouw getuigde immers van een actuele omgang met het onroerend erfgoed door een hedendaagse vertaling van de oorspronkelijke functie. De andere laureaten waren het begijnhof in Herentals, de mergelgroeve in het Overbroek in Sint-Truiden, de Egyptische zaal van het kasteel Moeland in Sint-Niklaas en huis De Warande in Leuven. De projecten worden beoordeeld op basis van een beknopte deelnemersfiche die te vinden is op www. onroerenderfgoed. be of die kan aangevraagd worden op het onderstaande adres. De ingevulde fiche, samen met minimaal vijf representatieve foto's (bij voorkeur digitaal), moet vóór 15 april 2008 gestuurd worden naar ditzelfde adres.

Lynn De Clercq, Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, Afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid, Koning Albert H-laan 19 bus 10, 1210 Brussel. Fax: 02 553 83 55; e-mail: onroerenderfgoedbeleid@rwo. vlaanderen.be Info: www.onroerenderfgoed.be.

M&L


"Ach stromingen... Ik denk dat we nu in een periode zitten waarin we kunnen terugblikken op al die verschillende stromingen uit het verleden. Die hebben ontzettend veel in vraag gesteld en zijn tot het uiterste gegaan in het bevragen van de kunst: het picturale in de schilderkunst, het narratieve in de literatuur, het tonale in de muziek. Toen ik student was ging het in de lessen plastische kunst altijd over "de crisis van het picturale" en in de lessen muziek over "de crisis van de tonaliteit". Ik heb me toen dikwijls afgevraagd: zit ik hier nu bij kunstgeschiedenis of in de afdeling traumatologic van de westerse cultuur?"

Erwin Mortier, De keuze van schrijver en ex-stadsdichter Erwin Mortier Theodore Géricault, Portret van een kleptomaan, 1820-1823, nvdr), in De Standaard, Heropening Gents Museum Schone Kunsten, 26-28 mei 2007


driezijdige houten erker verhoogd met een balkon- ^ netje ter hoogte van de derde bouwlaag en op de "• , ,

i-

-

i

•••

i"i

dakverdieping door een rijkelijk met natuursteen omlijst dakvenster dat door de kroonlijst heen breekt. De rechthoekige vensters zijn op de begane grond voorzien van schuiframen met gekleurd glas in lood achter sierlijke smeedijzeren hekken, hogerop van T-ramen die op de bel-etage met smalle smeedijzeren leuningen zijn afgeschermd; de vaste bovenstukken van de bel-etageramen, evenals van de erkerramen en het daarboven liggende deurvenster zijn bovendien ingedeeld in kleine vakken, ingevuld met blauw en wit structuurglas. De originele deels beglaasde houten paneeldeuren met rondbogig bovenlicht en dito tussenliggend venstertje, zijn alle met sierlijk art nouveau getint smeedwerk getooid. De deels beschilderde bakstenen achtergevels tonen de hoger vermelde stucwerkmedaillons met winkelhaak, passer en Ionisch kapiteel.

gevleugelde zonneschijven afgewisseld met stillevens van (ma^onnieke?) werktuigen en onder de dakkapel het profiel van Isis, getooid met een "gierkapsel". Laatstgenoemde afbeelding is mogelijk gebaseerd op de wijdverspreide medailles van Charles Samuel en Philippe Wolfers, uitgegeven in 1899 ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van de loge Les Amis Philantropes te Brussel. De risalietvormende deurtravee wordt op de begane grond gemarkeerd door twee identieke rondboogdeuren, respectievelijk de hoofdingang (links) en de toegang tot het appartement op de tweede bovenverdieping (rechts), op de bel-etage door een

mm m

l ^

Rotterdamstraat 51

.,,„

Het complex is L-vormig opgebouwd met duidelijk onderscheiden voor- en achterhuis die de kleine binnentuin insluiten. De indeling van de verschillende bouwlagen, telkens voorzien van een apart dienstcircuit is origineel en ingenieus uitgedacht. O p de vrij lage benedenverdieping van het voorhuis bevindt zich links van de korte gang een afgesloten kantoorruimte; het tweede, iets kleinere vertrek daarachter staat in verbinding met de eetkamer, die op een smalle gang haaks op de hoofdtrapzaal uitgeeft. De lange dienstingang, die zich achter de trapzaal van het appartement bevindt, leidt naar een ruime keuken met bijkeuken, die ondergebracht is in de achterbouw en toegang verschaft tot de kelder; aan deze gang ligt de oorspronkelijk p|ans va„ de y ^ enige wc van het huis en daarnaast vertrekt ook de begane grond co diensttrap naar de bovenverdiepingen. O p de bel-

cm,e vmi

ieping

(Stadsarchief Antwerpen)

p'^-i. t(

en, ^

JL*4-.- j, -,.

M&L


1. De gang met mozaiekvloer (foto 0. Pauwels)

1 4 2 3

2. Een egyptlserende valk in de gang (foto 0. Pauwels) 3. De eetkamer (foto 0. Pauwels)

5

4. De neo-renaissance schouw (eigen foto) 5. De haard in de eetkamer (foto 0. Pauwels)

M&L


etage van het voorhuis is aan de straat een L-vormige woonkamer ingericht met klein, licht verhoogd salon ter hoogte van de erker en een " cosy-comer" achteraan; het "toilet", gelegen achter de woonkamer en met zicht op de binnenplaats is bereikbaar via een ruim tussenvertrek dat enerzijds op de overloop van het voorhuis uitgeeft, anderzijds in verbinding staat met de vertrekken - ondermeer een badkamer - in de achterbouw. O p de derde bouwlaag, waar het appartement was ingericht, bevinden zich rond de kleine overloop, die toegang verleent tot de afzonderlijke trapzaal, een viertal vertrekken, die ook in verbinding staan met de achterbouw en het dienstcircuit. O p de mansardeverdieping, die alleen via de diensttrap bereikbaar is, bevonden zich wellicht de slaapkamers voor het huispersoneel.

De dienstgang op de begane grond (foto 0. Pauwels)

Een wandeling door het huis onthult de veelzijdigheid en de vindingrijkheid van de opdrachtgeefster en ontwerper en het vakmanschap van de - tot nog toe niet-geïdentificeerde - kunstenaars en ambachtslui. Hoogst waarschijnlijk kwam de volledige interieurinrichting tot stand in en door de werkhuizen van de firma V. Merckx-Verellen, die naast kunst- en gewone schrijnwerkerij ook Meubelen voor Bureelen, Kamers enz. in alle stijlen en houtsoorten leverden. •4

De fraaist afgewerkte en ingerichte vertrekken bevinden zich op de begane grond en de bel-etage van het voorhuis. De gang met mozaïekvloer is afgewerkt met een omlopende houten lambrisering met paneelversieringen en diamantkoppen, die één geheel vormt met de vaste zitbank net achter de voordeur. De trappaal bij de aanzet van de licht draaiende trap is met gestileerd rankwerk en schijfmotieven versierd. De deels beglaasde houten vleugeldeur die de gang afsluit is net als verschillende andere deuren in het huis, gevat in een half omlopende, licht trapeziumvormige omlijsting met kroonlijst die vaag verwijst naar de poortomlijstingen in Egyptische tempels. O p het met stucwerk omlijste plafond is in de hoek, vlak achter de inkom, een valk afgebeeld met faraokapsel en zonneschijf in een door uraeusslangen gevormde driehoek (Re-Horus?). Het kleine vertrek achteraan is uitgewerkt in neoVlaamse renaissancestijl met een houten parketvloer en een houten plafond van moer- en kinderbalken. Er staat een zwarte marmeren schoorsteenmantel met roodmarmeren wortel- en diamantmotieven, een zwarte metalen haardplaat met gestileerde bloemen en leeuwenfiguurtjes en een eenvoudige trapeziumvormige boezem. De aansluitende eetkamer

De diensttrap met art nouveau trappaal (foto 0. Pauwels)


i5V:*: X-'-

1. De woonkamer op de bel-étage (foto 0. Pauwels)

1

2

2. De ge(leelteli|k vri|gelegde muurschildering in de woonkamer (eigen foto) 3. De fries rondom de woonkamer (foto 0. Pauwels)

3

M&L

4 4- De verhoogde cosy corner (foto 0. Pauwels)


-4 De geglazuurde tegelfnes in het "toilet" (foto 0. Pauwels)

heeft een granitovloer met omlopende mozaïekboord met gestileerd plantenmotief. De haard met betegelde haardplaat - de motiefjes op de groene vuurvaste tegeltjes zijn moeilijk te identificeren - is gevat in een cirkelvormige houten omlijsting, waartegen een kleine boezem van marmer en hout is aangebracht; het opschrift met een knipoog naar de bezoeker luidt: "Bouw uw huis waar 't u belieft. Plaats uw hof waar 't u gerieft, En door 't venster, wijzeguit. Lach deez dwaze wereld uit". O p het cassettenplafond zijn binnen een vergulde kraalomlijsting liefelijke bloemmotieven geschilderd. De dienstgang met gelijkaardige granitovloer is tot op schouderhoogte gelambriseerd met witte tegels, een groene plint, een fries met lelies en een geprofileerde boordsteen, vervaardigd in de keramiekfabriek Gilliot te Hemiksem. De diensttrap met eenvoudige spijlenleuning heeft een bijzonder sierlijke art nouveau trappaal. Pronkstuk van het huis is de woonkamer op de beletage waarvan de grote ruimte links volledig in het teken staat van het gedachtegoed van de Rozenkruisers. Een blik achter het behang onthulde grote partijen van art nouveau muurschilderingen in goede staat van bewaring, die verder onderzocht moeten worden. Een merkwaardig stuk in deze ruimte is de licht geaderde, witmarmeren schoorsteenmantel met strakke art nouveau vormgeving, waarvan de met hout beklede boezem met spiegels en cirkelvormige bekroning hét rozenkruiserssybool

bij uitstek, een in een cirkel gevat kruis versierd met gestileerde rozen, vertoont. De fries die de kamer rondom rond afsluit is beschilderd met landelijke taferelen, waarin bloeiende rozenstruiken primeren, terwijl de omlopende holle plafondlijst met gestileerde rozentuilen is versierd. Het plafond met een spiegelvormig, met vergulde kraallijst omgord paneel, is helemaal beschilderd met patronen van gestileerde rozen in zachte pasteltinten. In de met stucwerk versierde zwikken zijn de oorspronkelijke, eveneens als rozen uitgewerkte lichtarmaturen nog aanwezig. Bijzonder fraai is de in hout uitgewerkte, licht verhoogde "cosy-corner', voorzien van een opmerkelijke balustrade, een opengewerkt front met gesculpteerde bloem- en plantmotieven en een prachtige doch niet gesigneerde, met glas in lood ingevulde, oostelijke achterwand waarop een vrouwenfiguur omringd door zwanen in een decor van gestileerde bloemen en planten de weg wijst naar een zonnepoort; het vrijmetselaarsadagium "ex oriente lux is hier niet ver weg. Evenals in het kleine, eveneens verhoogde salon rechts is ook het plafond van de "cosy-corner" afgewerkt met cassetten waarin telkens vier gevleugelde scarabeeën figureren. Een beglaasde deur met kleinhouten, gevat in een gelijkaardig rondboogvenster, verbindt de woonkamer met de overloop. In het "toilet", dat aan de woonkamer paalt, bemerken we de achterkant van het glas-in-lood-venster. De wanden zijn volledig bekleed met geglazuurde


•

X\

Fis •

"N^

^

•


tegels met een gestileerde planten- en bloemenboord, eveneens afkomstig van de keramiekfabriek Gilliot te Hemiksem. In het tussenvertrek is een licht geaderde, witmarmeren schoorsteenmantel met strakke art-nouveau-vormgeving en onversierde trapeziumvormige boezem bewaard. Ook hier vertoont het plafond omlopend lijstwerk in stuc met rijker uitgewerkte boekversieringen. De afwerking van de hoofdtrapzaal met in imitatienatuursteen afgewerkte bovenmuren leunt aan bij de neoclassicistische stijl.

BESLUIT Uit voorgaande situering en beschrijving blijkt dat het huis aan de Rotterdamstraat nummers 53-55 een tastbare, in architecturale en artistieke vormen gegoten manifestatie is van de ma<;onnieke levensbeschouwing van een gegoed Antwerps gezin in het begin van de 20 ste eeuw. Zowel uit- als inwendig staat het huis bol van symbolen die de gezindheid van de opdrachtgeefster weergeven. De neo-egyptische stijl, die in zekere zin vorm gaf aan de vrijzinnigheid omwille van de interesse van de vrijmetselaars voor het verre en mystieke verleden van hun gedachtegoed, is zeker terug te vinden in de decoratie van de voorgevel, doch ook in het interieur zijn talrijke verwijzingen naar de macjonnieke egyptomanie terug te vinden. In de woonkamer, het pronkstuk van het huis, is vooral de rozenkruiserssymboliek alom tegenwoordig.

en planindeling en niet in het minst door zijn ambachtelijk hoogstaande buiten- en binnenafwerking, aanzienlijke architecturale kwaliteiten. Uit de verschillende, anno 1912 gangbare stijlen en trends schiep architect Jos Goeyvaerts, wellicht samen met de kunstenaars en vaklui in dienst van het familiebedrijf, een harmonisch, functioneel en gezellig woonhuis op maat van de weduwe van Victor Merckx-Verellen. Aan de boeiende familiegeschiedenis van dit geslacht dat de mandenmakerij in het gehucht Buitenland te Bornem tot bloei bracht en er een volledige woonkern, de reconstructie van middeleeuwse stadshuizen inbegrepen, liet optrekken wordt met de bescherming van het huis aan de Rotterdamstraat een interessant luik toegevoegd.

Greet Plomteux is erfgoedconsulente bij het agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed Antwerpen

BRONNEN - Stadsarchief Antwerpen, MA-BD, 1912/1094, Adresboeken Radnckx, 1914. - Rouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, Stad Antwerpen 3nc, 1989, p. 414 en 13n3, Kanton Puurs-Klein Brabant, 1995, p. 6572. - Beschemingsdossier met ministerieel besluit van 16 februari 2007- WARMENBOL E., De Nijl wast witter en Een Egyptische tempel

Afgezien van de symboolwaarde bezit dit herenhuis door zijn fijnzinnige en gevarieerde vormgeving, zijn rijke materiaalkeuze, zijn ingenieuze circulatie

voor Antwerpse vrijmetselaars, in Vreemd gebouwd. Westerse en metwesterse elementen in onze architectuur, o.l.v. S. Grieten. Uirgave van de provincie Antwerpen, Turnbour, 2002, p. 285-316.


Roger Deneef, Greta Paesmans, Jo Wijnant m.m.v. Jaak Jespers en Filip Van Elst

HET BLOSO-DOMEIN IN HOFSTADE, EEN UNIEK RECREATIEPROJECT UIT HET INTERBELLUM • De cafetaria naar ontwerp van Charles Van Nueten en het zwembad (foto 0. Pauwels)

Gedurende

het ganse interbellum

waren

met water gevulde zandgroeven het voorwerp Mechelen,

van contravene

de nationale

pij (als toenmalige verenigingen

ordening,

architecten

en stedenbouwkundigen,

toeristische

stelling

en

gebracht.

en sportbeoefening

Koninklijke

zijn verschillende

hun

que).

gebruik

en ook

voor

landin

recreatie

dat op de vooravond

Onderzoek

malige

ruimtelijke

tegen elkaar

Het domein

en de stoffering

(modernistische.

volkswelzijn,

architectuur werden

de aanleg

Landschap-

visies omtrent

esthetica,

het licht zag,

spoorwegmaatschap-

vrijetijdsbesteding,

schaparchitectuur,

na een kort

tisch pretparkintermezzo,

door modernistisch

en lobby's en zelfs de

en, meer in het algemeen,

de Tweede Wereldoorlog,

ontworpen

eigenaar),

pen. Uiteenlopende

de

Hofstade

tussen de stad

Commissie voor Monumenten

milieuhygiëne,

van

van

invloeden

georiënteerde

van het

maar

in

landschap

merkbaar

van het archief

van het voor-

en van de site, ter voor-

van een beschermingsvoorstel

het kader van de inventaris tuinen en parken, op de geschiedenis domein.

werd

N o u v e a u Jardin p i t t o r e s -

rijksdomein

bereiding

populis-

van

en in

historische

werpt een verrassend van het huidige

licht

BLOSO-


VAN ZANDWINNING... Het heuveltje met

De putten van Hofstade werden tussen 1902 en 1914 gegraven met het oog op de aanleg van een opgehoogde spoorwegzate, een bypass van de spoorlijn Brussei-Antwerpen doorheen Hofstade. De tot 20 m diepe uitgravingen veroorzaakten grote opwinding bij geologen en paleontologen. Voor het eerst - maar niet voor het laatst - werden de 'ingewanden' van de Vlaamse Vallei op grote schaal opengelegd. Dit leverde belangrijke elementen op voor de studie van de kwartairgeologie van dit gebied en de paleoecologie van de laatste ijstijd [Weichselieri). Resten van mammoets, wolharige neushoorns, steppebizons, oerossen... kwamen in grote hoeveelheden aan de oppervlakte (1). Minder positief, vanuit landbouwkundig en historischlandschappelijk oogpunt, was het verdwijnen van de lemig-zandkouter tussen Hofstade en HeverSchiplaken, het Groot Hofstadeveld, en van het Vijverhof, een historische hoeve met een eigenaardige ronde vijver, ongeveer op de plaats van het huidige sporthotel. O f toch niet helemaal; het heuveltje met een dikke tweestammige zomereik (Quercus robur) vlakbij het zeilbotenhuis is vermoedelijk een relict van het oorspronkelijke reliëf, van een houtkant in het verdwenen cultuurlandschap. De nieuwe spoorlijn werd pas in gebruik genomen in 1926 (2), maar de uitgravingen en de ophoging waren bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog al grotendeels voltooid. Na de oorlog werden in de periferie van het concessiegebied nog enkele kleine putten gegraven, maar rond 1920 werd de zandwinning definitief stopgezet. De twee grootste kuilen (respectievelijk 32 en 18,5 hectare) hadden min of meer hun huidige contouren en waren na het stilleggen van de pompen tijdens de oorlogsjaren geleidelijk volgelopen.

een dikke, tweestammige zomereik vlakbij het zeilbotenhuis is mogelijk een relict van het verdwenen cultuurlandschap (foto 0. Pauwels)

Tijdens de hete zomer van 1921 trokken de meren van Hofstade met hun zandige, met brem, valse acacia en berken begroeide oevers, staatseigendom maar onbewaakt en onbeheerd, grote drommen wandelaars, baders en roeiers aan - tot 7000 per dag - niet alleen uit de onmiddellijke omgeving (Mechelen, Zemst, Weerde, Hofstade...) maar ook uit het Brusselse (3). Hofstade-les-Bains groeide in de daaropvolgende jaren ondanks verbodsplaten en ongevallen tot een populaire badplaats. In de omgeving rezen cafés en restaurants als paddenstoelen

•*

Het Groot Hofstadeveld met het Vijverhof in 1864 en in 1932 met zijn meren, zandputten gegraven voor de opgehoogde zate van een spoorwegomleiding voor de li)n Brussei-Antwerpen (DLG 1875;ICH 1936)


A 'Hofslode-les-Soms'

De rmggracht,

Mechelen te

in de hete zomer

de prikkeldraad-

Hofstade m 1928

van 1921

versperring en het

(archief Onroerend

(archief Onroerend

waterwinningsgebied

Erfgoed Vlaams-

Erfgoed Vlaams-

van de stad

Brabant, Leuven)

MAili^U.

Brabant, Leuven)

IÉIfeAi<

• Zonnekloppers, tentjes, afkalvende oevers aan de grote put van Hofstade in de hete zomer van 1921 (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)

uit de grond. Het succes van deze "plage despauvres" (4) was niet alleen te verklaren door de geografische ligging (op amper 16 km van Brussel, even ver van Leuven, op een boogscheut van Mechelen en Vilvoorde) en een goede bereikbaarheid via het openbaar vervoer (buslijn Vilvoorde-Mechelen, 3 km tot het station van Weerde, speciale boten vanuit Mechelen via het nabijgelegen kanaal LeuvenRupel), maar ook door het opkomende volkstoerisme en de toenemende belangstelling voor het openluchtleven. Niettemin waren de meren van Hofstade - omstuwd door een krioelende menigte, hun afkalvende oevers bezaaid met tenten, kraampjes, ligstoelen en picknicktafeltjes — een nachtmerrie voor planners en met het volkswelzijn begane bureaucraten.

.•• TOT • R O M M F I Z n n ' FN 'fiFKKFNBOEL' In 1924 werd door de stad Mechelen een aanvraag ingediend om de twee grote meren als drinkwaterreservoirs te mogen benutten. Een principieel akkoord volgde enkele maanden later (5). O p 10 februari 1927 werd de definitieve overeenkomst tussen de

pas opgerichte Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) en de stad ondertekend. Er zouden dagelijks tot 5600 m 3 water mogen worden opgepompt tegen een vergoeding van één centiem per kubieke meter. Het water in de plassen zou via een aan te leggen pijpleiding vanuit het nabijgelegen kanaal Leuven-Rupel op peil gehouden worden (6). Een waterwinningsgebied met duizenden baders is om milieuhygiënische redenen uitgesloten. De grote putten werden derhalve met prikkeldraad afgespannen en met een 10 m breed kanaal omgeven. De plage werd beperkt tot een 400 m lange en 40 m brede plas aan de zuidrand. De massale wateronttrekking stuitte vanzelfsprekend op verzet, in de eerste plaats van de inwoners van Hofstade en Hever-Schiplaken, die hun waterputten zagen droogvallen en hun velden uitdrogen (7). Uiteraard ontstond er ook beroering bij de recreanten en de voorstanders van een volksbadplaats. De Mechelse jurist, historicus en genealoog Octave Le Maire wierp zich op als hun woordvoerder. Hij vond een welwillend gehoor bij toeristische verenigingen zoals de Touring-Club de Belgique, in wiens bulletin hij regelmatig bijdragen mocht publiceren, en de Vlaamsche Toeristenbond, bij de provinciegouverneur en ook bij de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML). Een vraag om bescherming ('klassering') werd in 1927 door KCML-voorzitter Lagasse de Locht echter onontvankelijk verklaard, want een normaal rijpingsproces voor een voldragen monument of een site zou ongeveer honderd jaar bedragen en Hofstade was daar nog lang niet aan toe (8). Na een bezoek aan Hofstade in het najaar 1928 zal de KCML echter


resoluut de kant van Le Maire kiezen. Haar voorstel om een speciale commissie op te richten, samengesteld uit leden van de spoorwegmaatschappij, de gemeente Hofstade, de stad Mechelen en de KCML zelf, viel bij de voogdijminister (Verkeerswezen) in goede aarde. De 'Commissie van het meer van Hofstade' diende een voor alle partijen aanvaardbare oplossing uit te werken. Na een valse start in juni 1929, trad de uiteindelijke commissie aan op 24 november 1931, helaas... zonder vertegenwoordigers van de KCML of de toeristische lobbies. Deze commissie bakende een terrein van 11 hectare af rond een kleine waterplas in het zuiden van het gebied, dat voor de recreatie zou worden ingericht. Er werd een wedstrijd uitgeschreven. Een kaft met niet gesigneerde tekeningen in het BLOSO-archief te Hofstade hoorde vermoedelijk bij één van de inzendingen, acht ontwerpen in een kleurige art deco-stijl voor een monumentale ingangsconstructie (met variante), een drankstalletje, een kiosk, een sanitairgebouw, een parking en - zelfs een beetje modernistisch-kubistisch - een watertoren. Uiteindelijk werd het project van de Vilvoordse aannemersfirma Gelders Gebroeders & De Gendt geselecteerd. De grote vijvers bleven taboe, want de waterwinning sukkelde nog verder tijdens de jaren 1930, toen men geleidelijk tot het besef kwam dat kwaliteit van het water in de vijvers van Hofstade - nu bijgevoed vanuit de vaart en de Dijle - niet meer in aanmerking kwam voor drinkwatetvoorziening; zelfs de bezinking van het aangevoerde water in de kleine, kanaalvormige bekkens ten noordoosten van de grote vijvers kon daar niet meer aan verhelpen.

De tweede versie van Hofitade-Plage volgens het concept Gelders & De Gendt bevatte voor elk wat wils: een wielerpiste met plaats voor 15.000 toeschouwers, een door de Parijse Moulin de la Galette geïnspireerde windmolen, een restaurant De paddestoel, een modernistisch aandoend café-restaurant Lido, een Ancienne Belgique en nog andere bezienswaardigheden, veelal uitgebaat als horecazaken (9). Het Ancienne Belgique was samengesteld uit afdragers van de Antwerpse wereldtentoonstelling van 1930: een door trapgeveltjes omringd stadspleintje, de merkt, met een muziekkiosk. In de zomer 1932 kreeg Hofstade een eigen stationnetje zodat de bereikbaarheid optimaal werd. O p 21 juli 1933 werd Hofstade-Baden officieel door koning Albert I en prins Leopold in aanwezigheid van 130.000 toeschouwers geopend. De Groote Prijs van Hofstade op de fonkelnieuwe wielerpiste werd door Jef'Poeske' Scherens gewonnen. Tot de hoofdattracties van de nieuwe aanleg behoorde ook de voormelde vijver van 1,5 hectare, die (met twee duiktorens) als zwemwater dienstdeed, maar er was ook een veerpont. Het geheel, 11 hectare afgezoomd door een spoorweg met een 'lilliputtreintje', lokte in de architectuurvakpers (10) sarcastische commentaren uit. Een redacteur van het Bulletin van de Vereeniging voor Natuur- en Stedenschoon vatte het als volgt samen: "Het geheel (voor zoover men van een geheel kan gewagen) is een rommelzoo van exposition-universelle-stijl, foorkrameresthetiek en Oud-België-plagiaat. De modernistische richting is vertegenwoordigd door een cubistisch W.C.-huisje. [...] Besluit: ons land telt een gekkenboel meer' (11). Die 'gekkenboel' kende nochtans een T Het meer van

T

van de |aren 1920

Spelevaren op de

(verzameling

Hofstade ten tijde

nnggraclit in de

L. Blockx-Heulemans,

van de waterwm-

Erfgoed Vlaams-

(archief Onroerend

jaren 1920

Lubbeek)

ning. aan het einde

Brabant. Leuven)


overrompelend succes. O p topdagen werd Hofstade-Baden overspoeld door 130.000 betalende bezoekers (12). Foto's uit die jaren tonen een uitgelaten menigte tussen eettentjes, kroegen en dancings, dobberende bootjes boordevol badgasten, fanfares, missverkiezingen... "Hofstade is een oord van plezier. De menschen zoek nu eenmaal niets anders dan leute. Zulks verklaart ook zijn sukses', aldus de mismoedige commentator van Natuur- en Stedenschoon.

STIJIKWFSTIFS

T Het voorstel tot inrichting van het meer van Hofstadc door Octave Le Haire, 1928 (archief Onroerend Erfgoed VlaacmBrabant. Leuven)

Reeds in 1928 pakte Octave Le Maire uit met een inrichtingsvoorstel (13), volgens de auteur het resultaat van rijp beraad, diepgaande studie van de bodemgesteldheid, het microreliëf, klimatologische factoren en de voorkeuren van het publiek, een publiek dat duidelijk uit ander hout gesneden was dan de bezoekers van het latere pretpark. In de ogen van Le Maire verenigde Hofstade de geneugten van de kust met de kalmte van het platteland en trok een publiek aan dat kampeerde, wandelde en zich tot gezonde en onschuldige activiteiten beperkte. Richmond Park bij Londen - overigens veel ouder, zevenmaal uitgestrekter, met loslopende herten, arboretum, golfclub... - was het lichtende voorbeeld. Geen kroegen, wielerpiste of paddenstoelrestaurant, uiteraard ook geen waterwinning want het meer (zonder dijk circa 50 hectare) moest de voornaamste attractiepool worden. Zijn opsomming van noodzakelijke infrastructuur spreekt boekdelen: " cabines de bain, laiterie, restaurant ('casino')

Ces constructions devraient être congus dans un style a lafois simple etpittoresque, telles ces charmantes villas qui s'élèvent sur le littoral beige, notamment au Zoute". De dijk tussen de twee plassen zou herleid worden tot een schilderachtig eilandje. De beschikbare ruimte was uiteraard te beperkt voor een golfterrein, maar enkele tennisvelden moesten er toch af kunnen. Het meer zou afgezoomd worden met een breed strand, behalve in de noordwestelijke sector, en het door Mechelen aangelegde ringkanaal bleef behouden. De kleine, langgerekte vijver ten zuiden van het meer - de enige die op dat moment voor het publiek toegankelijk was - zou eveneens met plages omringd worden. Er zouden twee aanlegplaatsen {embarcadères) worden aangelegd, want op het meer moest ook gezeild en geroeid worden. De badgasten konden zich omkleden in zes kleedcabinecomplexen en zich laven aan twee laiteries. In de door Le Maire bedoelde laiterie - letterlijk melkstal, melkerij of zuivelfabriek - zouden uiteraard geen koeien gemolken worden. In tuinhistorische termen gaat het om een laiterie d'agrément, een decoratieve constructie of 'fabriekje', waar zuivelproducten gedegusteerd werden (14). De laiterie vormt een onmisbaar onderdeel in de laat 18 l k eeuwse hameaux van de rococotuinen (Versailles, Chantilly, Rambouillet...) en de ferme ornée. We vinden het woord laiterie terug op het einde van de 19 e eeuw op de uithangborden van drank- en eetgelegenheden in de populaire trekpleisters voor de Brusselse burgerij, eindpunten van een zondagse uitstap naar het platteland zoals Tervuren, Linkebeek, Meise en Dilbeek, Als Le Maire deze term gebruikt, had hij zeker niet de jenever- en bierkroegen van Oud-Belgie voor ogen. Hoe begaan ook met het volkswelzijn en hygiëne, typisch voor het interbellum, het idioom waarin hij zich uitdrukt - niet alleen taalkundig maar ook stilistisch in de door hem ontworpen plattegrond - leunt nog aan bij de zieltogende landschappelijke stijl van het einde van de 19 dc eeuw, de idee van het pittoreske, de architectuur van de belle époque en de Arts and Crafts. De min of meer strakke oevers die de uitgraving had achtergelaten zouden een zachtjes slingerend verloop krijgen, behalve de drie bezinkingsbekkens [bassins de décantation); de rondweg [avenue) beschrijft weidse bochten; de wollige, structuurloze groenmassieven herinneren aan 19 dc -eeuwse beplantingsschema's. De stilistische verwantschap met de door Louis Van der Swaelmen twaalf jaar eerder verketterde "vermicelli-stijl", "den faillieten boedel van den Romantischen Tuin" [15) was te groot om nog op sympathie te kunnen rekenen.


Niemand beschouwde het Oud-België-Hofstade als een definitieve oplossing. De afkeer voor "/« grande pitié d' Hofstade" (16) was vooral groot bij architecten en stedenbouwkundigen die het modernistische gedachtegoed waren toegedaan en die tijdens het interbellum - een tijd van geloof in de heilzame kracht van het openluchtleven (sport, zonnebaden...) - de bouw van openluchtzwembaden, sportparken, sanatoria en openluchtkolonies monopoliseerden (17). Stanislas Jasinski schoof, met het pas aangelegde Strandbad Wannsee (toen nog onbesproken) bij Berlijn als model, in 1933 een eigen ontwerp naar voor (18). Het is waarschijnlijk tegen dit ontwerp dat Le Maire voor een laatste keer zijn welsprekendheid in stelling brengt. In een brief van 19 december 1932 tracht hij Paul Saintenoy, architect en lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, tevergeefs tot verzet aan te sporen tegen de modernistische, kubistische stijl van de voorziene gebouwen, ^style froid et monotone qui convient mieux aux nécropoles qu'aux habitations deplaisance", en - verwijzend naar Engelse tijdschriften als Home and Gardens en Ideal Home en andermaal " le magnifique pare de Richmond pres de Londres" - een soort van rustieke, intimisdsche en streekeigen stijl aan te praten (19).

FUNCTIONEEL EN ESTHETISCH In 1937 weigerde de Belgische staat de concessie van de firma Gelders te verlengen en werd de uitbating stopgezet. Niet-naleving van het contract door de firma en aanhoudende klachten over onbetamelijk gedrag van de badgasten - bijvoorbeeld "zwaarlijvige vrouwen in badkostuum schijnbaar beïnvloed door den drank" die aanstoot gaven door "onbetamelijke houdingen, kreten en gebaren, onder het toegeeflijke oog der aanwezige politie' (20) - gaven de doorslag. Het pas opgerichte Ministerie van Volksgezondheid (21) werd met de inrichting van het domein belast, het grootste, zuidelijke meer incluis. De waterwinning van de stad Mechelen werd beperkt tot het noordelijke grote meer en de kleine bekkens ten oosten daarvan; de NMBS mocht uit het driehoekige bekken langs de Tervuursesteenweg, ten westen van het grootste meer, water blijven pompen dat via een persleiding naar het station van Schaarbeek werd vervoerd en liet daartoe in 1932-1933 het driehoekige, in drie vakken verdeelde decantatiebekken, enkele meters boven het niveau van de meren (22), en een pompstation (baksteenbouw met betonskelet) bouwen. De regering

A Het kleine noordelijke meer

stelde voor de aanleg van het nieuwe recreatiedomein een investeringskrediet van 20 miljoen frank ter beschikking, met daar bovenop nog 5 miljoen voor de nodige onteigeningen. Wie uiteindelijk het stedenbouwkundig concept heeft bedacht, valt uit de bestaande plannen en documenten niet op te maken, maar de kans is groot dat Victor Bourgeois, vanaf 1930 vooral begaan met stedenbouwkundige problemen, daarbij een beslissende rol speelde. Minister Philip Van Isacker werd geadviseerd door

van Hofstade vanaf de dijk (foto R. Deneef,

2006)

Eén van de bezmklngsbekkens in het noordoosten van het domein van Hofstade (foto 0. Pauwels)

M&L


1 4

, \ l i: M

I

, 'TADC.

2 3 5

1. Anoniem ontwerp voor de hoofdingang, vermoedelijk deel van een inzending voor de ontwerpwedstrijd van 1932 (archief Bloso, Hofstade) 2. Het meer van Hofstade vanuit het zuiden in 1938 met - van links naar rechts de ingangsconstructie, de wielerpiste, (rechtsboven) een windmolen en Anoenne Be/gKjue' met marktpleint|e en kiosk; op de achtgrond de waterkom, daarachter de rmggracht en de twee, met prikkeldraad afgespannen, grote vijvers (foto door sergeant Bmon en luitenant De Man, 5 januari 1938, archief Bloso, Hofstade) 3. Het met muurtjes afgebakende strand en het strandgebouw (foto R. Dencef, 2006) 4. "Het geheel (voor zoover men von een geheel kan gewogen) is eenrommelzoovon exposition-universellest/jl, fooricramers-est/ieliek en Oud-Belgieplogiool", aldus een commentaar in het Bul/etin von de Vereeniging voor Natuur- en

een technisch comité, waarvan Bourgeois en Henry Van de Velde deel uitmaakten naast een viertal hogere ambtenaren. De aanduiding van de architecten Charles Van Nueten, Maxime Wijnants en Eduard Goossens gebeurde op advies van dit comité (23).

Stedensdioon. l?Si (Sportimonium, Hofstade) 5. Het decantatiebekken van de NMBS, in 1932-1953 aan de westrand van het domein van Hofstade (foto R. Deneef, 2006)

Victor Bourgeois (1897-1962), algemeen beschouwd als één van de actiefste en bekendste voorvechters van de 'moderne' beweging in België (24), had zich reeds in de jaren 1920 met het tijdschrift La Cité Moderne (1922-1925) een internationale reputatie opgebouwd, die hem in 1928 het vice-voorzitterschap van het eerste van de Congres Internationaux d'Architecture Moderne (CIAM) in het Zwitserse La

Sarraz opleverde. Zijn belangstelling voor Hofstade blijkt reeds in 1930, bij de voorstelling van een urbanisatieproject voor de Brusselse Noordwijk op het derde CIAM-congres te Brussel. De Brusselse Noordwijk wordt in dit project voorgesteld als het economische en financiële hart van België, dat ook


een 'groene long' behoefde. Door middel van een elektrische spoorlijn zou de Noordwijk rechtstreeks verbonden worden met een ville verte, uit te bouwen rond het meer van Hofstade. Deze benadering kadert volledig in de CIAM-ideologie, die een functionele opdeling van de ruimte in wonen, werken, verkeer en ontspanning vooropstelde. In een artikel, dat kort na de officiële opening in 1939 vrijwel gelijktijdig in Urbs Nova en Batir werd gepubliceerd (25), is er andermaal sprake van een rechtstreekse verbinding met de hoofdstad, ditmaal in de vorm van een grote verkeersader in het verlengde van de huidige Woluwelaan. Hetzelfde artikel geeft een gedetailleerde toelichting bij het project Hofstade-Plage, zowel wat betreft de plaatskeuze, het architecturaal concept als het programma. Hofstade is de ideale locatie voor een sport- en ontspanningscentrum ten dienste van een publiek dat noch over de tijd, noch over de middelen beschikt om zich een vakantie aan de kust of in de Ardennen te veroorloven. Het domein ligt centraal binnen de driehoek Brussel-LeuvenMechelen en is via talrijke toegangswegen vlot bereikbaar voor nagenoeg één vijfde van de Belgische bevolking. De door berken- en dennenbossen omringde meren vormen het ideale kader voor allerhande sporten en voor wie alleen maar wil uitrusten of zich ontspannen. Zowel functionele als esthetische eisen bepalen het aanlegplan, " un grand ensemble architectural et urbanistique qui, par son pittoresque ordonné, complètera l'oeuvre d'éducation physique par une legon d'équilibre intellectuet. De esthetiek en het pittoreske in de ogen van Bourgeois verschillen grondig van die van Le Maire. De schets bij het artikel, het enige totaalplan dat bekend is, geeft een volledig overzicht van het domein met wegentracés, parkings en geplande voorzieningen: een station met restaurant, een strand met een kleedhokjescomplex (Strandgebouw), een boothuis, diverse speelpleinen voor kinderen en volwassenen, sportterreinen, een stadion en een zwembad, een restaurant-abri op de dijk tussen de twee grote meren en een parkeerterrein (parcages). Buiten het eigenlijke domein voorzag Bourgeois nog een kleine haven aan het kanaal Leuven-Rupel, een bescheiden commercieel centrum {" une petite place de village avec magasins, café, casse-croüte et abris") aan de overzijde van de Trianonlaan en — in de Molenheide tussen het kanaal en het domein - zelfs een residentiële wijk bestemd voor villa's of weekendhuizen. De dennenbossen ten zuidoosten van het domein (de huidige villawijk Mercator-, Conscience- en Rubenslaan en de Zevenbunder) zouden plaats bieden aan

Plan d anMn>bl« d « aménogpmsrii da MofiWd«-Ptoo» I Gure fei'aurani 2 Ploge de 700 milt*, do longuaurj 3. Pal bAlimanl groupanl goiago pour i. vaitiairat al tonltalra). ea(é-r*Mautaca da lo Inbuiiui 7. Jaux da Mnnll ram, 4 Plslna da jaux pour anfdniii i Ploine da |auK pour adultai aduitai ai boitin alyiiiplqu*| i , T*rrai au da botkel-bdll. 8 Poitagai P Canlra do *acanc*t *l camping; 13. I*ilauranl-Abrl; To Théön* d * v W W n i 11, l i _ H i MIS Cofé-railciuronl, cdMa-croOla al obr . ' inanl l*rmln*i 1*1 point* i *nll*r*in*nt). 6 llo I iplaga al annaias 3 Iporaoa da conolf al annaiail. S (plain* do |*u: qua. rtloblliMmani do i*"aiio raita 0 ex*culari 7 liaux d* l*nnill 0*1 porcog*! piovlioli*! io rcMloclu Van NuoMn. bolo, al !*• onn*ï*i, 1* r*,la«ranl * l I* garag* pau' COndt 0"! 41* lèalll*» bonham raapociiu1 Wynanij *• Milan

Het plan Bourgeois gepubliceerd in

een groentheater {theatre de verdure), een vakantiehuis en kampeerterreinen.

het tijdschrift Batir, augustus 1939; enkel het strandgebouw, het botenhuis,

Toen op 19 juli 1939 het rijksdomein van Hofstade werd geopend, waren enkel het Strandgebouw, het boothuis (Bootshuis), het olympisch zwembad, twee tennisvelden en, gedeeltelijk, een speelplein gerealiseerd. De rest van het project zou nooit worden uitgevoerd. De Tweede Wereldoorlog was ongetwijfeld de voornaamste spelbreker en uitstel betekent vaak afstel, omdat dergelijke projecten snel gedateerd geraken (zie ook het tuinstadontwerp Les Eaux Vives in het nabijgelegen Torfbroek te Kampenhout). Desondanks was het succes van het nieuwe Hofstade-Plage ogenblikkelijk en overrompelend: op 25 augustus 1939 werden er 55.000 entreetickets verkocht en het totale bezoekersaantal werd op circa 80.000 geschat (26). De toename van het volkstoerisme, sinds 1936 aangewakkerd door het wettelijk betaald verlof (27) - ten minste 6 werkdagen met normaal loon —, was daar zeker niet vreemd aan.

het olympisch zwembad, twee tennisvelden en, gedeeltelijk, een speelplein werden gerealiseerd

HET STRANDGEBOUW O p de oostelijke oever van de grote vijver, waarvan het niveau om veiligheidsredenen werd aangepast, werd met behulp van 15.000 ton rijnzand een 750 meter lang strand aangelegd. Het strand, dat over 750 m een weidse bocht vormt, wordt als het

1VI&L


A Het Strandgebouw

De plage en hel

noordwesten

in opbouw

door Wijnants

(foto R. Deneef,

(archief Bloso,

ontworpen strand-

2006)

Hofstaóe)

gebouw vanuit het

ware omarmd door een lage, lichte en doorzichtige constructie met een boogvormige plattegrond, evenwijdig aan het strand, en met een langgerekte dwarsvleugel en halfronde uitbouwen. Het geheel is volledig opgetrokken in hout, overwegend kambala en lichte limba, in combinatie met breed uitgewerkte glaspartijen, wat het geheel een luchtig en speels karakter verleent. De doorzichtigheid van de gebogen vleugel wordt nog versterkt door op regel-

• De dakpromenade

van het Strandgebouw (foto 0. Pauwels)

M&L

matige afstanden aangebrachte onderdoorgangen, die aansluiten op de wandelwegen in het domein. De naar de strandzijde ver overkragende platte bedaking, geschraagd door grenenhouten kolommen, vormt een volledig omlopende overdekte galerij. Het dak, afgedekt met een houten beplanking, vormt een ruime promenade, bereikbaar via op strategische punten ingeplante, brede houten trappen. De beveiliging met eenvoudige metalen borst-


weringen maakt de gelijkenis met een wandeidijk aan zee compleet. De boogvorm, evenwijdig aan het strand, zorgde niet alleen voor een geslaagde integratie in de omgeving, maar stond tevens borg voor een goed overzicht voor de bewakers. Het gebogen hoofdvolume is opvallend symmetrisch, ook wat de functies betreft: twee winkels, twee café-restaurants met telkens een keuken in een halfronde uitbouw, sanitaire voorzieningen, een Rode-Kruispost, lokalen voor de monitoren en bergplaatsen. Het dak van de dwarsvleugel met de kleedcabines ligt als het ware geplooid over het midden van de strandvleugel en vormt er een kleine, langs drie zijden beglaasde verdieping, waarin de burelen en magazijn zijn ondergebracht. De patrijspoorten in het oplopende dak verwijzen uiteraard aan de pakketbootarchitectuur. De gesloten dwarsvleugel met de kleedcabines is bereikbaar vanaf de Trianonlaan. De overluifelde toegang wordt geaccentueerd door een uit houten profielen samengestelde, beglaasde rotonde die uitgeeft op de kleedruimte. Deze bestaat uit drie parallellopende, brede gangen met zenitale verlichting via doorlopende lichtstraten waarlangs 200 aan- en uitkleedcabines liggen gegroepeerd. Door het gebruik van de zogenaamde wisselcabines voor aan- en uitkleden, waarbij de kleding via een luik in een bewaakte vestiaire met kapstok en linnen schoenenzak belandt, boden de cabines een vrijwel ongelimiteerde opvangcapaciteit. De sobere, functionele en tezelfdertijd esthetische vormgeving komt ook tot uiting in de detailafwerking, zoals de zandkleurige en grijs getinte betontegels en de halfronde, opalen lichtbollen. Het tegelpad rond het gebouw is langs de vleugel met de kleedcabines voorzien van betonnen voetbaden. De curve van strand en gebouw wordt herhaald in een lage scheidingsmuur tussen strand en wandelpad, uitgevoerd in donkergetinte baksteen, met afgeronde hoeken en fraai metselverband. Het complex bleef in- en uitwendig vrij intact. De keukenvleugels werden in 1968 drastisch verbouwd; omwille van de brandveiligheid werd toen de houten constructie vervangen door een betonstructuur bekleed met geglazuurde tegels (28).

Het Strandgebouw werd ontworpen door Maxime Wijnants (1907-1997) (29). Deze oudgediende van het atelier van architect Antoine Pompe gaf les in de afdelingen industrial design (1965-1978) en stedenbouw (1946-1973) van het Hoger Rijksinstituut voor Architectuur La Cambre in Brussel. Aanvankelijk was hij vooral meubel- en interieurontwerper. Deze achtergrond is tot op zekere hoogte

A De kleedhokjesvleugel van het

f

Strandgebouw

Ontwerp voor een

Wi|nants

(foto 0. Pauwels)

dubbele zitbank

(archief Bloso,

door Maxime

Hofstade, doos 95)

!

»«.

herkenbaar in het Strandgebouw van Hofstade, zijn eerste belangrijke architecturale verwezenlijking (30). Het is in feite een reusachtig tuinmeubel. Wijnants ontwierp overigens ook de zitbanken (enkele en dubbele, met en zonder rug) en de papiermanden van de het domein en, naast de tennisvelden, een gedenkteken voor de dynastie (31).

HET BQQTSHUIS Naast het Strandgebouw vormt het Bootshuis een tweede, visueel attractiepunt aan het meer. Het werd in 1939 gebouwd aan een inham ten zuiden van de strandzone, aansluitend bij een aanlegsteiger voor bootjes. Het niveauverschil tussen de oever en het water wordt overbrugd door een horizontalise-

M&L


voorzien op de oorspronkelijke plannen overkapt met een betonnen hangar. In 1963 volgde een tweede verbouwing waarbij het Bootshuis werd uitgebreid en voorzien van een garage (32). De plannen van het oorspronkelijke gebouw (33) zijn ondertekend met "F. Milan", een architect waarover vrijwel niets bekend is (34).

HET OPENLUCHTZWEMBAn

A Het 'Bootshuis', ontworpen door een zekere F. Milan, roept zoals het Boothotel Normondie te Oostdulnkerke het beeld op van een gestrande pakketboot (foto 0. Pauwels)

Het zwembad en de erboven 'zwevende' uitloper van de cafetaria naar ontwerp van Charles Van Nueten (uit: Le öomam de l'Etot i Hofstede IW9-1959)

M&L

rend, langgerekt volume met aansluitend terras en kiosk, het geheel opgetrokken in witgepleisterde baksteen. Het Bootshuis bevatte op waterniveau de open loods met erop aansluitend een kelder, pompkamer en bergplaats. Een bescheiden binnentrap leidde naar het tweede niveau met kleedkamers en sanitair, keuken en restaurant. Een volledig beglaasde rotonde vormt de overgang naar het ruime, met metalen borstweringen beveiligde terras. Aan het uiteinde van het terras is een kleine kiosk voorzien, bereikbaar via een trap die tevens voor de verbinding zorgt met de pier, die de inham aan de noordzijde aflijnt. De horizontale, gestroomlijnde vormgeving met plat dak, bandramen (fenêtres a longueur), patrijspoorten, afgeronde hoeken en metalen borstweringen, roept onvermijdelijk het beeld op van een gestrande pakketboot. De gelijkenis met het boothotel Normandie{\935) van Laurent Bruggeman in Oostdulnkerke is niet toevallig. In 1953 werd de aanlegsteiger voor roeibootjes zoals

In de zuidpunt van het domein, ongeveer op de plek van de gesloopte wielerpiste en Oud-België zou een groots opgevat sportstadion (35) met aanleunend olympisch zwembad gebouwd worden. Uiteindelijk werden enkel het zwembad, het terras en de twee lage blokken met kleedcabines, sanitair, cafetaria en portierswoning gerealiseerd. De inkom en de waterzuiveringsinstallatie zijn latere toevoegingen zonder enige stedenbouwkundige en/of architecturale relatie met het oorspronkelijke concept. Het oorspronkelijke geheel werd ontworpen door Charles Van Nueten (1899-1989). Zoals Wijnants en Bourgeois was ook Van Nueten verbonden aan La Cambre, waar hij van 1936 tot 1964 architectuur doceerde. Na een opleiding aan de academie en een korte medewerking bij de wederopbouw • Het zwembad en de cafetaria 67 jaar later (foto's 0. Pauwels)


in Frankrijk zou deze Brusselse architect snel naam maken op het vlak van de modernistische architectuur en stedenbouw. In de jaren 1930 is zijn werk aanwezig op internationale tentoonstellingen, wat hem verschillende onderscheidingen oplevert. Uit de periode 1930-1940 stammen verschillende rijwoningen, villa's en appartementsgebouwen in het Brusselse, die getuigen van een eenvoudige en doordachte vormgeving (36). Het openluchtzwembad zou oorspronkelijk de volledige oppervlakte beslaan van de kleine vijver (2 hectare) die in 1932 de kern van Hofstade-Plage vormde. Het werd uiteindelijk beperkt tot de middensectie van deze vijver (37). Het meet 100 bij 50 meter, heeft een maximumdiepte van 1,6 meter en een waterinhoud van 7500 kubieke meter. Het is volledig afgezet met azuurblauwe tegels en de badrand is afgewerkt met een hardstenen boord, waarbij een omlopend terras van grijze betontegels aansluit. Tot de uitrusting behoort eveneens de loopbrug en de springtoren, een constructie van gesoldeerde ijzeren buizen en plaatijzer op een onderstel van gewapend beton. Naar verluidt was dit openluchtzwembad lange tijd één van de grootste van Europa. In 1978 werd het gesloten omwille van bouwvalligheid en omdat het niet meer beantwoordde aan de toen geldende hygiënische normen. Volgens het initiële plan zouden tussen het zwembad en het sportstadion twee lage bouwblokken met platte daken worden gebouwd. Het terras tussen deze blokken zou fungeren als een tribune die tezelfdertijd uitzicht bood op het zwembad én op het stadion met de sportvelden. Doordat het project slechts gedeeltelijk werd gerealiseerd missen de gebouwen hun ware betekenis en kijken ze in zuidelijke richting (waar het stadion moest komen) uit op een ongedefinieerde lege ruimte. De twee eenlaagse, ruim 50 meter lange, vlak afgedekte gebouwen herbergen onder meer de kleedhokjes. Ze bestaan uit een betonskelet met baksteenvullingen, egaal afgewerkt met een ruwe, grijze bepleistering, die op de plannen wordt omschreven als tyrolien. De afwerking met geelachtige, geglazuurde baksteen is van latere datum (38). De langgerekte gevels worden geaccentueerd door de bandramen en patrijspoorten, gevat in stalen schrijnwerk. De ruimte wordt gedomineerd door het elegante, halfronde, volledig beglaasde uiteinde van de cafetaria, dat - door vier palen gestut — als het ware zeeft boven de zuidoostelijke hoek van het zwembad. De sobere, functionele opzet wordt doorgetrokken in de binnenafwerking met een egale bevloering van

cementtegels (20 x 20 cm). Typerend zijn eveneens de stalen kaders rond de eenvoudige houten binnendeuren. Het oorspronkelijke, licht naar binnen hellende roofingdak werd later vervangen door een flauw hellend zinken dak dat van op verschillende plaatsen storend zichtbaar is. Halfronde uitsprongen, meestal beglaasd, zijn een geliefd motiefin de modernistische architectuur. De cafetaria van Hofstade is een echo van het door Henry Van de Velde en consoorten ontworpen Belgisch paviljoen op de wereldtentoonstelling te Parijs in 1937 of het door Jean de Ligne ontworpen paviljoen van de Remyfabrieken op de wereldtentoonstelling in Brussel.

AMBTELIJK MODERNISME De verdere uitbouw van het rijksdomein werd in mei 1940 bruusk afgebroken. De gebouwen liepen aanzienlijke schade op en het meubilair werd gestolen. Vanaf 1941 werd het domein door de Duitsers als schiet- en exercitieveld gebruikt en het jaar daarop werd langs de Tervuursesteenweg een groot barakkenkamp opgesteld, dat bij de aftocht in brand werd gestoken. Na de bevrijding werd het domein door de Amerikanen nog tot 1946 als interneringskamp gebruikt. Duitse krijgsgevangenen herstelden onder toezicht van Poolse soldaten de schade aangebracht door tanks en ander zwaar legermaterieel. Bovendien werden er wegen aangelegd die niet in Bourgeois' algemeen plan voorzien waren. Het beheer viel tijdens de oorlogsjaren niet helemaal weg. Een ploeg van twintig tot vijfentwintig arbeiders zorgde voor een minimum aan onderhoud en plantte sparren en rododendrons aan (zie verder). De bevolking uit de omgeving kon van 1941 tot 1944 tegen een kleine vergoeding ook op de plassen komen vissen (39). In 1947 werd het rijksdomein voor een tweede maal officieel geopend. Het beheer en de exploitatie werden voor een termijn van drie jaar toevertrouwd aan een uit ambtenaren samengesteld comité, in 1950 vervangen door één beheerder, onder supervisie van de Algemene Directie voor de Lichamelijke Opvoeding, de Sport en het Openluchtleven. Van het door de Mechelse architect Eduard Goossens ontworpen station-restaurant (40) en de haven op het kanaal Leuven-Rupel kwam ook na de oorlog niets in huis. Het gebouwenpatrimonium werd in de daaropvolgende jaren wèl uitgebreid met diverse constructies (41), die niet in het programma van Bourgeois voorkomen. De belangrijkste zijn:


T Het huidige 'Sporthotel', oorspronkelijk het administratieve gebouw annex jeugdherberg uit 1948-1949). ontworpen door Frans Van Cleven, voorbeeld van ambtelijk modernisme, bij aanpassmgswerken In 1992 sterk geverticallseerd (foto 0. Pauwels)

M&L

- D e hoofdingang (1946) aan de Tervuursesteenweg werd ontworpen door de Brugse architect Frans Van Cleven. De breed uitgemeten hoofdingang aan de Tervuursesteenweg bestaat uit een betonskelet, deels opgevuld met houten wanden, en voorzien van een betonnen, overkragende platte bedaking. De brede, in- en uitriten voor wagens wordt geflankeerd door witgepleisterde, massieve, kubistische, torenachtige volumes. Tussenin bevinden zich de smallere toegangen voor voetgangers en fietsers, terwijl de afgesloten ruimten plaats boden voor de loketten, het sanitair en een controlepost. - D e Skating (1947), een met betontegels geplaveide rolschaatsbaan met aansluitend een fraai witgepleisterd gebouw, bestaande uit een hoofdvolume (cafetaria), een langgerekte, lagere aanbouw in het verlengde van het hoofdgebouw (kleedkamers) en een korte, eveneens lage dwarsvleugel (kantoor), ook ontworpen door Van Cleven (42). HetSkatingcomplex werd gebouwd op de plaats waarop volgens het plan Bourgeois een kinderspeelplaats had moeten komen. Het hoge hoofdgebouw bestaat uit

één bouwlaag met een overkragend, zwak hellend lessenaarsdak, dat langs de kant van rolschaatspiste een breed afdak vormt, gestut door rechthoekige betonzuilen die met de zichtbare dakbalken één constructief geheel vormen. De achterzijde van het complex wordt opgefleurd door een pergola op bakstenen zuilen. De inspiratie is nog duidelijk modernistisch (de platte daken van de aanbouwen; de plat afgedekte, halfronde erker; de doorlopende druiplijst boven de raampjes van de lange aanbouwvleugel). De zware betonnen lijsten van ramen en deuren zijn echter typisch voor de architectuur van de late jaren 1940; het lessenaarsdak en de tapse schoorstenen kondigen de Expo-architectuur van de late jaren 1950 aan. Rond 1960 werd de exploitatie van de Skating stopgezet en in 1970 werd de schrijnwerkerij er in ondergebracht. - Het administratief gebouw annex jeugdherberg werd in 1948-1949 opgetrokken op de plek waar Bourgeois een "café-restaurant, casse-croüte et abris" had voorzien. Het werd andermaal ontworpen door Van Cleven (43), wellicht een voorbeeld van amb-


telijk modernisme, een collage van "beelden en losgerukte elementen [...] zonder rekening te houden met schaal, zuiverheid en verhoudingen (44), ver beneden het peil van Van Nueten, Milan en Wijnants. Bij aanpassingswerken en de omvorming tot het huidige Sporthotel in 1992 sterk werd het gebouw sterk geverticaliseerd.

Fi{nsparren tussen de dennen In het schermplantsoen langs de Tnanonlaan (foto R. Deneef, 2006)

- Het paviljoen Zomerlust, eveneens van Van Cleven (45), werd in 1949 gebouwd op de zuidelijke oever van het meer bovenop een ondergrondse bunker, die als bierkelder werd gerecycleerd. - Het waterzuiveringstation (1955) werd opgetrokken op de noordelijke oever van het zwembad naar ontwerp van een zekere Onckelinckx (46). De polio-epidemie van 1954 vormde de directe aanleiding. Het gaat om een langgerekte bakstenen constructie die, dank zij het dakterras met twee op het dak geplaatste, kleine volumes nog vage verwantschap met de bootarchitectuur van het interbellum vertoont. De omgekeerde 'steunberen' tussen de vijf traveeën herinneren aan de Expo-architectuur. Vermoedelijk ontwierp dezelfde architect ook de aanpalende inkompartij van de zwembadzone: een naar het zwembad geopende constructie, in feite een reusachtige betonnen plaat die steunt op een muur, waartegen de balie en bijkomende kleedhokjes werden aangebracht, en op T-vormige prefabstutten. - Een tweede waterzuiveringsstation, meestal aangeduid als Engéma (naar de Brusselse firma die het had ontworpen en gebouwd), ten zuiden van de jeugdherberg vlakbij de Tervuursesteenweg, werd in 1947-1948 opgetrokken (47) en zou één van de oudste waterzuiveringsstations van België zijn. Het afvalwater werd gefilterd in een bed van hoogovenslakken. Het werd rond 1980 afgebroken. In 1950 verscheen aan de zuidwestrand, niet ver van de hoofdingang, een voetbalterrein met bijhorend kleedhokjesgebouwtje. In 1966 werd op de oever bij de jeugdherberg nog het zeilbotenhuis gebouwd en in 1974, na het opdoeken van de door de TouringClub van België uitgebate camping ten oosten van het Strandgebouw, een loods met atelier.

BUYSSENS. VERBELEN. MEYER. RQTSTUINTJES EN BLQEMENPARTERRES Wie verantwoordelijk is voor de aanleg en aankleding van het domein in de Geldersperiode en, vooral, in het kader van het project Bourgeois is onbekend. In het archief van het domein van Hofstade komt geen algemeen beplantingsplan voor. De

Italiaanse populieren in 1949 als schaduwboom (!) aangeplant langs de voormalige fietsenstalling (foto R. Deneef, 2006)

oudste stukken betreffende de groenaankleding van het domein zijn brieven uit de periode 1933-1935 gericht aan Jules Buyssens (1872-1958), de belangrijkste Belgische tuinarchitect uit die periode (48). Buyssens, toen hoofd van de parken en plantsoenen van de stad Brussel, was door de beheerscommissie aangesproken om een voorontwerp van een aanlegplan op te maken, maar haakte waarschijnlijk af toen de kans op een fatsoenlijke honorering klein bleek. Vermoedelijk was de groenstoffering van het domein bij zijn heropening in 1939 beperkt tot spontane opslag van bomen en struiken en enkele

Gele ligusterhaag bi{ de 'Skating', gebouwd naar ontwerp van Van Cleven in 1947 op de plaats waar in het plan Bourgeois een kinderspeelplaats had moeten komen; de met betontegels geplaveide rolschaatsbaan werd in 2005 opgebroken en de hagen werden gerooid (foto G. Paesmans, 1997)

1

illSiï "sitJi " J' = 11

1VI&L


Het landschappelijk parkje met boogbrug en rotswerk, vermoedelijk aangelegd door Meyer, en de modernistische cafetaria van Van

, r

Nuntii op de achtergrond; vooraan het pas aangelegde nngkanaal (foto 0. Pauwels)

ad hoc beplantingen zoals bloemperken of corbeilles langs de hoofdtoegang en in de onmiddellijke omgeving van de gebouwen. De Tweede Wereldoorlog, die ook het bouwprogramma stillegde, verhinderde vermoedelijk een meer planmatige aanpak. De 'rotstrap' in het vermoedelijk door Meyer aangelegde landschappelijk plantsoen naast het zwembad (foto R. Deneef, 2002)

M&L

Tijdens de oorlogsjaren speelde rijkstuinbouwconsulent Victor Verbeelen een belangrijke rol in het concrete beheer en onrechtstreeks ook de in de aanleg van het domein. In een vorig leven (1905-1911)

was hij als teeltoverste werkzaam in de Hortus ThenensiSy de unieke plantencollectie die diplomaat en suiketindustrieel Léon Van den Bossche te Tienen op het einde van de 19de eeuw had uitgebouwd (49). Het verslag van Verbeelens' eerste bezoek in september 1941 bevat een hele reeks vingerwijzingen en aanbevelingen die inspelen op concrete problemen, zoals de dunning van bosbestanden, de winderosie op de zandgronden langs de Trianonlaan aan de zuidoostelijke rand van het domein en de storende zichtbaarheid van het pompgebouw van de NMBS. De zandgronden langs de Trianonlaan konden volgens Verhelen alleen maar bedwongen worden door een massale aanplanting van fijnspar (Picea abies). Het vier bouwlagen tellende pompgebouw kon verdoezeld worden met behulp van wilde wingerd (Parthenocissus tricuspidata) en de 2 tot 3 m hoge hellingen van het decantatiebekken door linden (Tilia sp J en valse acacia's (Robinia pseudoacacia). Zijn suggesties werden nog tijdens de daaropvolgende winter uitgevoerd door de firma Marcel Theys uit Waterloo. Tijdens een tweede bezoek een maand later komen nog andere problemen aan bod, met name de inkleding van picknickplaatsen (andermaal met wilde wingerd) en de schermbeplantingen langs de bezinkingsvijvers in de noordoosthoek van het domein (50). Het grote rododenronmassief (Rhododendron ponticum) aan de noordwesthoek van het grote meer vlakbij de


spoorweg, werd hoogstwaarschijnlijk op zijn aanwijzing aangeplant. Tijdens zijn tweede bezoek wordt besloten om zo snel mogelijk te beginnen met de aanleg van de rododenronperken bij de ingang van het door Van Nueten ontworpen maar niet gebouwde stadion. Wie deze perken ontworpen heeft en of ze ooit werden aangelegd, kan uit het beschikbare archief niet worden opgemaakt. Ondanks de oorlog en de aanwezigheid van Duitse soldaten in het domein, wordt er ook in 1942 en 1943 noest verder geplant, zoals blijkt uit diverse bestellingen bij de firma van Jozef O p de Beeck te Putte. In de loop van december 1942 worden op Verbelens aanbeveling (51) 370 rozen Madame Forest Colcombet (i), 80 pluimhortensia's (Hydrangea paniculata'Gnn&iüovz ) , 30 treurbeuken (Fagus sylvatica 'Pendula'), 10 clematissen (Clematis jackmanii) en 2 witte abelen (Populus alba 'NiveaV aangeplant en ook in het najaar van 1943 wordt er nog druk met plantenmateriaal gezeuld, maar van deze aanplantingen is elk spoor verdwenen. Tijdens de winter 1946-1947 wordt de plantactiviteit hernomen met de aanplanting van 1500 fijnsparren, 100 Holandse linden (Tilia x europaea), 100 lorken (Larix decidua ï), 101 eiken (Quercus robur t), 100 treurwilgen (Salix alba 'Tristis' of Salix x sepulcralis), 5 trompetbomen (Catalpa bignonioidest), 100 bruine hazelaars (Corylus maxima 'PurpureaV, 5 kerspruimen met donkerrood blad (Vermoedelijk Prunus cerasifera 'Nigra' of 'Pissardii'J, 20 laurierkersen (Prunus lauroeerasus), 100 mahonia's (Mahonia aquifolium), 100 wollige sneeuwballen (Viburnum lantana), 50 zuurbessen (wellicht Berberis vulgaris 'AtropurpureaV--. Het materiaal wordt geleverd en aangeplant door tuinarchitect Frans Meyer van de firma 'Hortus' uit Mechelen (52) en een groot gedeelte ervan is nog op het terrein terug te vinden. De rij linden - geen Hollandse maar zomerlinden (Tilia platyphyllos) — die de parkings en bosplantsoenen langs de Trianondreef en de Tervuursesteenweg scheidt van de rest van het domein, komt ongetwijfeld uit deze bestellingen voort. Meyer tracht in een offerte voor bijkomende werken nog rotstuintjes en trappen in rotswerk {jardinets en rocailles en escaliers en rocailles) aan te smeren. In het archief is geen ontwerp van deze rotstuintjes en rotstrap aanwezig, maar de in rotswerk uitgevoerde trap in de oever van het vijvertje ten oosten van het zwembad is hoogst waarschijnlijk zijn werk. Vermoedelijk ging het om een watertrap, waarlangs van opgepompte of uit het grote meer afgetapte water over een drietal klei-

ne cascades naar beneden sijpelde. De onmiddellijke omgeving van deze vijver werd in contrast met het aanpalende zwembad aangelegd als een heus landschappelijke parkje met boogbrugje, eilandje met treurwilg..., waarschijnlijk ook aan hetzelfde brein ontsproten. Het bekken en het ronde, met blauweregen (Wisteria sinensis) begroeide prieel nabij de hoofdingang, beide uitgevoerd in breukstenen, behoren mogelijk ook tot Meyers werk. Het is duidelijk dat Meyer uit een ander vaatje tapt dan Bourgeois en zich (zonder blijk te geven van overmatig talent) bedient van een idioom dat aansluit bij de Nouveau Jardin Pittoresque, eerder dan bij het modernistische gedachtegoed. Zijn 21 april 1947 gedateerd ontwerp voor parterres (onder andere met Maltezer kruis) nabij het 'Bootshuis', voor het zwembad en op een niet nader te bepalen plek "prés de l'étang mag beschouwd worden als een late opflakkering van de neo-Franse stijl, de style Duchêne, die ook niet echt bij de architectuur van Van Nueten en Wijnants aansluit. Het is niet duidelijk of deze ontwerpen ook zijn uitgevoerd (53). De

Het bekken en het wistenaprlecl van breuksteen nabij de hoofdingang (foto 0. Pauwels)

M&L


yr-r^

• Plan van de aanplantingen van hagen, bomen en

firma Hortus heeft in de periode 1946-1947 in het rijksdomein van Hofstade in het totaal voor 361.820 frank werken uitgevoerd (54).

struiken in 19481949 (archief Bloso. Hofstade)

• Beplantingsschema rond de parking bi{ de hoofdingang, 1948-1949 (archief Bloso, Hofstade)

De duizende fijnsparren in de aanbevelingen van Verhelen en de aanplantingen doorTheys en Meyer stemmen tot enige verwondering. Fijnspar (Picea abies) — volgens een Frans adagium liefst aan te planten "les pieds dans l'eau, la tête dans les brumes — is nu niet meteen de meest geschikte soort om droogtegevoelige zandgronden vast te leggen, in tegenstelling tot dennensoorten als grove, Corsicaanse of zeeden (Pinus sylvestris, P. nigra subsp. laricio, P maritima). De hardnekkigheid waarmee in de offertes en bestellingen van Picea excelsa (de oude wetenschappelijke naam voor fijnspar) wordt gewag gemaakt laat echter vermoeden dat het om geen verspreking gaat. In het bosplantsoen langs de Trianonlaan komen inderdaad tussen de grove dennen sporadisch ook groepjes fijnsparren voor. Het merendeel werd in de loop van de jaren waarschijnlijk geruisloos vervangen door grove den.

ITALIAANSE POPULIEREN EN LIGUSTERHAGEN

T Ontwerp voor parterres voor het zwembad

Het ambtenarencomité dat door de minister van volksgezondheid werd samengesteld in 1947 profileerde zich slechts eenmaal naar aanleiding van een aanbesteding voor het aanplanten van Italiaanse populieren rond de fietsenstalling bij de hoofdingang. Deze beplanting werd onontbeerlijk geacht om de gestalde fietsen tegen het zonlicht te beschermen, maar de minister wilde eerste het advies van de commissie kennen en weigerde het lastenboek goed te keuren. Het comité was terecht van oordeel dat de Italiaanse populier geen echte schaduwboom is en stelde een overdekte fietsenstalling voor. Uit een bestelling bij de firma Blondeel uit Sint-Kruis bij Brugge op 17 januari 1949 blijkt dat het comité

(archief Bloso. Kofstade, bundel 48 (B-,i. , ,- ;

' iu,, ..,::..i, •

l.a\\

-O

I CS-

M&L

O"

'>

oV S - ,/

«UhWM'» -v.i.-.lf—

r.y^

\fAo

V.-tC^

Cl.-

tenslotte toch bakzeil haalde; de vroegere fietsenparking wordt nog steeds door populieren afgezoomd (55). Een belangrijk document met betrekking tot de huidige lay-out en beplanting van het domein is het 'speciaal lastenboek nr. 1' van 1948 betreffende het "planten van een levende haag langsheen de grens van het Rijksdomein te Hofstade", waarvan het tweede lot - de eigenlijke beplanting - werd aanbesteed op 12 augustus 1948. De werken omvatten het verplanten van een aantal bomen en het aanplanten van één of twee rijen haagliguster (Ligustrum ovalifolium) langsheen of langs weerzijden van een afsluiting in betonpalen met prikkeldraad, zes per lopende meter. De ligusterplanten moet 60 tot 120 hoog zijn en op bepaalde gedeelten zou liguster met


Het grote rododendronmassief in de noordwestelijke punt van het domein, in 1942 aangeplant op aanwijzing van 'rljkstulnbouwconsulent'Verhelen (foto R. Deneef, 2006)

geel gevlamde bladeren (Ligustrum ovalifolium 'AureumV worden aangeplant. Het programma voorzag ook nog in de aanplanting van Italiaanse populieren en "Babyloonse goudwilgen (vermoedelijk gele treurwilg, Salix x sepulcralis'On.rysoconMi), laurierkersen {Prunus laurocersaus 'Schipkaensis') en gewone mahonia. Voor de bomen en struiken worden vreemd genoeg geen aantallen of hoeveelheden genoemd, maar de details worden verduidelijkt in een schriftje, waaruit ook blijkt dat de werken op 10 november 1948 werden aangevat door de firma Blondeel. Buiten de in het lastenboek opgesomde soorten werden blijkens deze notities nog andere soorten aangeplant. Bovendien ging het om meer dan de afbakening van de grens van het rijksdomein. Verschillende elementen binnen het domein - de camping, de Skating, de Engéma-waterzuivering, het parkeerterrein bij de hoofdingang, de opritten naar de jeugdherberg - werden door middel van strak geschoren hagen gestructureerd, geaccentueerd of architecturaal omkaderd.

schapstuintjes van Meyer. Modernistische tuinontwerpen uit het interbellum - de door Canneel-Claes ontworpen tuin van dokter Heeremans te Liedekerke (56), de aanleg rond het sanatorium Lemaire te Overijse-Tombeek, de tuin rond de Villa Leborgne te Sint-Genesius-Rode - zijn doorgaans opgebouwd uit een beperkt aantal soorten die, gecombineerd met harde bouwmaterialen één compositie

T Prikkeldraad en ligusterhagen uit 1948 (foto R. Deneef,

2006)

Wie het hagenpatroon heeft uitgekiend is onbekend, maar de materiaalkeuze en het materiaalgebruik sluit beter aan bij de modernistische architectuur van de gebouwen dan de rots- en land-

M&L


vormen. De voorkeur van de modernisten ging meestal uit naar een beperkt aantal soorten, bomen en struiken met grote, opvallende bloemen zoals witte of rode paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum, A. x carnea) en Pontische rododendron (Rhododendron ponticum) of met uitgesproken vormen (treurwilgen maar vooral Italiaanse populieren en cipresachtigen, niet zelden Chamaecyparis obtusd) of kleuren (bont-, geel- of roodbladige cultivars). Tekenend zijn de dubbele hagen die volgens het notitieboekje langs de Tervuursesteenweg en de bocht met de Trianonlaan moesten aangeplant worden en de dubbele ligusterhaag voor de door rode paardenkastanjes omzoomde parking bij de hoofdingang. De groene ligusterhaag is meestal hoger dan de gele, die als een plint fungeert. Van gele liguster is in deze zone echter geen spoor meer te bekennen. De gele ligusterhaag rond de Skating en diverse parterres, onder meer voor de jeugdherberg en het zwembad, bleven echter tot voor kort bewaard. Minder typisch zijn de beplantingen met platanen (Platanus x hispanica) van het parkeerterrein bij de hoofdingang.

landschappelijke en bio- of ecologische waarde had. Ten onrechte, zeker wat de flora en de vegetatie betreft. Het vervuilde Dijlewater werd jarenlang vanuit Muizen via de drie kleine bekkens en het noordelijke meer geleid en belandde pas in laatste instantie in het grote meer. Dit verklaart het overwicht van eutrofe stikstofminnende vegetaties op de oevers van de kleine bekkens en het noordelijke meer, terwijl de oevervegetaties van het grote meer, ondanks de recreatie, eerder op een mesotrofe situatie wijzen (59), met rietkragen en enkele minder courante tot zeldzame planten als waterbies (Eleocharis palustris), waternavel (Hydrocotyle vulgaris), kransvederkruid (Myriophyllum verticillatum), kleine lisdodde (Typha angustifolia), glanzig fonteinkruid (Potamogeton luscens) en vooral - langs de zuidelijke oever van de lange dijk- zannichelia (Zannichelia palustris) {GQ). Het contrast tussen de naar het kleine meer gekeerde noordelijke oever van de dijk, waarop overigens talrijke wintereiken (Quercuspetraea)\ooT\sx)me.n, en de zuidelijke oever is frappant.

HFT BLQSQ-DOMFIN WATFRPROBIFMFN FN •NATUURWAARDFN' Problemen met milieuhygiëne en waterkwaliteit vormen een rode draad in de geschiedenis van Hofstade-Plage, vanaf het prille begin in 1921 tot zestig jaar later. De voornaamste oorzaak van de toenemende verslechtering van de waterkwaliteit was de Het'rijksdomeln' waterafname door de N M B S . Het water in de van Hofstade op meren werd met Dijlewater op peil gehouden. z,jn laatste benen Q in 1990; het |aar

^

-y ..

1 9 8 1

.

n a d a t

u i t

e e n

.

t

v a n

. ,

In 1991 werd het rijksdomein door het Ministerie van Volksgezondheid overgedragen aan het commissariaat-generaal ter Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie (BLOSO), een regionale Vlaamse instelling

h e t

. .

daarop zal het aan toenmalige Instituut voor Hygiëne en Epidemiolohet Bloso worden gie (57) naar aanleiding van een massale vissterfte ien was gebleken dat het grote meer niet meer als (Eurosense, 1991 zwemwater in aanmerking kwam, werden de pompinstallaties van de NMBS verzegeld op bevel van de minister die toen verantwoordelijk was voor de beschermde landschappen (58). Het koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot bescherming ('rangschikking') als landschap van het noordelijke gedeelte van het rijksdomein en de aanpalende Molenheide gaf hem daartoe het recht. De bescherming was beperkt gebleven tot het noordelijke gedeelte, de dijk tussen de twee meren vormde de zuidgrens van de bescherming. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen was ervan uitgegaan dat het grote meer met strand en zeilbootjes geen bijzondere

»? A B C D E F G H

T^m hoofdingang Wisteriaprieel - Skating - Sporthotel, voo rmalige jeugdherberg zeilbotenhuis oude eik op heuveltje - pompgebouw NMBS • decantatiebekken NMBS

1 - rododendronmassief J - bezinkingsvijvers K - loods-atelier L- Strandgebouw, Sportimonium M - Bootshuis N - Zomerlust O - zwembad P landschappelijke tuin


A De Skotinj links,

— in het recentste jargon: een Intern Verzelfstandigd Agentschap met rechtspersoonlijkheid (IVArp Bloso) - die het bevorderen van de sportbeoefening op alle niveaus nastreeft. De infrastructuur werd aan de overzijde van de Tervuursesteenweg, buiten het oorspronkelijke domein, uitgebreid met een nieuw complex, dat een zwembad omvat en een sporthal voor indoorsporten. De jeugdherberg van Van Cleven werd omgebouwd tot een sporthotel met kantoor- en vergaderruimtes, maar met de andere gebouwen werd omzichtiger omgesprongen. In een eindverhandeling (61) was enkele jaren eerder de aandacht gevestigd op de bijzondere waarde van het gebouwenpatrimonium. Wijnants' Strandgebouw en Van Nuetens zwembadcafetaria vielen daarbij bijzonder in de smaak. O p 28 maart 2001 werden het " meer met strand en de initiële bebouwing van Hofstade-strand" en de door Van Cleven ontworpen hoofdingang aan de Tervuursesteenweg beschermd als monument. Onder 'initiële bebouwing' wordt het Strandgebouw, het Bootshuis en Van Nuetens zwembadcomplex (zonder de waterzuivering en de inkompartij) verstaan.

De oorspronkelijke bestemming van deze gebouwen was door de evolutie van het recreatie- en vrijetijdsgedrag achterhaald. Het Strandgebouw vond een nieuwe bestemming als museum over sport. De vzw Sportmuseum Vlaanderen kreeg van het Bloso het gebouw in erfpacht. Architect Werner De Bondt leidde de restauratie en renovatie in het licht van de herbestemming van het beschermde gebouw. Het in 2004 geopende Sportimonium in het gerenoveerde Strandgebouw herbergt een unieke verzameling objecten met betrekking tot spel en sport door de eeuwen en de continenten heen, authentieke toestellen, trofeeën en voorwerpen van grote sporthelden, audiovisueel materiaal... Het verhaal van de sport als maatschappelijk fenomeen wordt er aan de hand van acht thema's geïllustreerd. Na de restauratie van de noordvleugel van het gebouw, werd in 2006 een tentoonstelling over het Olympisme geopend, met een belangrijke collectie over de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen. De vroegere cafetaria van het strandgebouw omvat het actieve deel van het Sportimonium, dat op zijn beurt aansluit op een model-volkssporttuin. In deze tuin zijn

het kleedkamergebouwtje bij het voetbalveld rechts, het in 2005-2006 aangelegde kanaal en de weg voor autoverkeer en een rij zomerlinden, aangeplant in 1946 (foto R. Oeneef. 2006)

M&L


Hi FINDNOTEN ii

MOURLON M., Découverte d'un depot quatermire campinien avec faune du mummouth et débris végétaux dans les profonds déblais de Hofstade, a l'est de Sempst (Brabant beige), in Bulletin de l'Académie Royale de Belgique - Classe des Sciences, II, 1909, p. 427-433; RUTOT A., Nouvelles observations dans les couches quaternaires de Hofstade, in Bulletin de la Société beige de Geologie, de Paleontologie et d'HydrologieYXWl, 1909, p. 338-347.

(2)

Op 19 juli 1926 volgens VANDENBERGHEN J., De geboorte en de ontwikkeling van de Belgische Staatsspoorwegen en van de privaatmaatschappijen, Brussel, NMBS, z.d., p. 30.

(3)

BEEKEN A., Hofstade-les-Bains, in Bulletin offtciel du Touring-

(4)

Zo omschreven door volksvercegenwoordiger Melckmans, p. 297

Club de Belgique, 27, 17, 1921, p. 405.

in Chambre des Représentants -Annalesparlementaires, zirting van 21 augustus 1928, p. 2121. (5)

Chambre des Représentants - Annales parlementaires, zirring van 21 augusrus 1928, p. 2123.

(6)

Kopie van de overeenkomst in het archicl Onroerend Erfgoed, Leuven, dossier Landschap noordelijk gedeelte van het Rijksdomein en de Molenheide.

(7)

Verslag van het onderzoek door het gemeentebesruur op 28-81928 naar het watertekort in Hofstade (archief Onroerend Erfgoed, Leuven, dossier Landschap noordelijk gedeelte van het Rijksdomein en de Molenheide).

(8)

Brief van 26-11-1927 van de KCML-voorzitter Charles Lagasse de Locht aan Octave Le Maire (archief Onroerend Erfgoed, Leuven, dossier Landschap noordelijk gedeelte van het Rijksdomein en de Molenheide).

(9) Kadastrale opmetingsschets Hofstade 1933 nr. 34. Figuatieve voorstelling in VER ELST A., Kleine encyclopedie van Groot-Zemst,

De toekomst van Hofstade, ontworpen door Werner De Bondt en Benoit Fondu (bron: wm/.ms.be copyright AMS©2007)

de banen aangelegd voor de beoefening van traditionele volkssporten met pittoreske namen als trabol, gaaibol, beugelen, krulbol, struifvogel enz... Een hoofdzakelijk uit ambtenaren (BLOSO, gemeente, natuurbehoud, monumenten- en landschapszorg, ruimtelijke ordening, toerisme, Vlaamse bouwmeester) samengestelde stuurgroep bereidde vanaf 1996 een eisenpakket voor dat bepalend zou zijn voor de toekomstige structuur van het domein. Voor de omgevingsaanleg werd een openbare wedstrijd uitgeschreven, die tenslotte uitmondde in de huidige heraanleg naar ontwerp van landschaparchitect Benoit Fondu.

Nieuwkerken-Waas, Her Srrcekboek, 1995, p. 64. (10) Bijvoorbeeld X, Hofstade-Plage, in La Cité, 11,9, 1933, p. 178. (11) X, Hofstade, in Maandelijksch Bulletin van de Vereeniging Natuuren Stedenschoon 12, 11, 1933, p. 157. (12) WAGEMANSR., Historische tentoonstelling BLOSO-domein Hofstade, toelichting bij plaat 9, z.d. (archief BLOSO, Hofstade). (13) LE MAIRE O., Comment aménager le Lac d'Hofstade, in Bulletin officieldu Touring-Club de Belgique, 35, 14, 1929, p. 213-214. (14) BÉNETIÈRE M.-H. (red.), Jardin. Vocabulaire typologique et technique, Parijs, Editions du Parrimoine, 2000, p. 166-167. (15) VAN DER SWAELMEN L., Twee voordrachten over moderne tuinkunst. Nieuwe vooruitzichten en toekomstige richting Llde deel: De fouten van den tegenwoordigen openbare tuin, in Architectura, 24, 1916, p. 16. (16) BAUDOUX Y. en JASINSK1 S., la grande pttié d'Hofstade', in

Roger Deneef, erfgoedconsulent Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant Greta Paesmans en ]o Wijnant, erfgoedconsulenten Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant Jaak Jespers, directeur Sportimonium te Hofstade Filip Van Eist, BLOSO te Hofstade

La Revue Documentaire, III, nr. 11, 1933, p. 168. (17) Zie bijvoorbeeld de ironische commentaar in La Cité, 11, 9, 1933, p. 178. (18) VAN WASSENHOVE S., Le grande pitié d'Hofstade {tindveiU.), Antwerpen, H.A.I.R., 1986, p. 10-13. (19) Archief Onroerend Erfgoed, Leuven, dossier Landschap noordelijk gedeelte van het Rijksdomein en de Molenheide.

M&L


(20) Archief BLOSO Hofstade, doos 97/E.

(46) Archief BLOSO Hofstade, dozen 42/C en 56.

(21) Dat later verschillende keren van naam zal veranderen: Binnen-

(47) Archief BLOSO Hofstade, doos 110.

landse Zaken en Volksgezondheid, Volksgezondheid en het

(48) Archief BLOSO Hofstade, doos 97/A.

Gezin.

(49) DENEEF R. en VRANCKEN L, De 'Hortus Thenensis', in M&L (Monumenten, Landschappen en Archeologie, jg. 12, nr. 6, 1993,

(22) Foto's van de constructie van het NMBS-bekken met korte toe-

p. 25-40.

lichting in Batirm. 9, 15-08-1933, p. 354-355. (23) Interne nota van 24-11-1937 (Archief BLOSO Hofstade, doos

(50) Archief BLOSO Hofstade, doos 48: verslagen van ingenieurhoofdinspecteut J. Vtanckx van het Ministerie van Volksgezond-

95). (24) STRAUVEN I, Bourgeois Victor, in Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, Mercatorfonds,

heid van 22-09-1941 en 8-10-1942.

(51) Na een gezamenlijk bezoek van Verhelen en ingenieur-hoofdin-

2003, p. 168-170.

specteut j . Vtanckx van het Ministerie van Volksgezondheid aan

(25) BOURGEOIS V, Hofstade-Plage, centre de délassementpopulaire.

de kwekerijen Op de Beeck.

Ses aménagements presents et futurs, in Batir, aoüt 1939, p. 359- (52) Journal des travaux volgens cahier des charges nr. 2 van 1946 361; Hofitade, in Urhs Nova, nr. 2, sept. 1939, p. 81-87. (26) Niet gedateerde nota aan de minister van volksgezondheid (ar-

(Archief BLOSO Hofstade, doos 48). (5.3) Volgens een niet gedateerde minuut van het Ministerie van Volks-

chief BLOSO Hofstade, doos 96).

gezondheid en het Gezin, ref. nr. 4 D.G./5000H./1947/19 T (Archief BLOSO Hofstade, doos 48) zou dit wel het geval zijn.

(27) In België ingesteld door de wet van 8 augustus 19.36. (28) Archief BLOSO Hofstade, dozen 25 en 26. Architect is ene De

(54) Brief van F. Meyer aan de minister van volksgezondheid (Archief

Keye. (29) Archief BLOSO Hofstade, dozen 37, 38 en 46.

BLOSO Hofstade, doos 48). (55) Archief BLOSO Hofstade, doos 97.

(30) STRAUVEN I, Bourgeois Victor, in Repertorium van de architec-(56) 1MBERT D., Liedekerke (Liedekerke): Tuin dokter Heeremans, in tuur in België van 1830 tot heden, Annverpen, Mercatorfonds,

Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Pajottenland - zuid-

2003, p. 601-602,

westen van Vlaams-Brahant (M&L Cahier, 11), Brussel, 2005, p. 175-182.

(31) Ontwerpplannen respectievelijk gedateerd 23-03-1938 en 1411-1938 (archief BLOSO Hofstade, doos 95).

(57) Ecologische studie van de vijvers van het Rijksdomein te Hofstade, Brussel, Ministerie van Volksgezondheid en het Gezin, 1978.

(32) Archief BLOSO Hofstade, doos 23. (33) Archief BLOSO Hofstade, doos 20.

(58) MarcGalle, toenmalig ministervan de Vlaamse Gemeenschap en ondervoorzitter van de Vlaamse Executieve.

(34) Wel duikt ene EA. Milan op in het Leuvense, naar aanleiding van twee bouwaanvragen voor de Diestsevest, met name de nummers

(59) Gelijkaardige conclusie op grond van de planktonanalyse in DE

60 (1945) en 62-64 (1949-1950). De plannen vermelden Aar-

SAEGER S. e.a., Biologische waarderingskaart - Verklarende tekst

schot als woonplaars van de architect. Of het om dezelfde persoon gaat is niet bekend.Volgens FREDRICX D. in DoCoMoMo,

hij kaartbladen 23, Instituut voor Natuurbehoud, 2000, p. 75. (60) Flotistische streeplijst voor kilometerhok D4.48.12 van mei

minimum documentation fiche 2003 (zie http://rlicc.asro.kuleu-

1997 door R. Deneef en J. Wijnant (archief Onroerend Erfgoed

ven.ac.he/rlicc/docomomo/DOCOficheHOFSTADE.pdf) is de ont-

Vlaams-Brabant, Leuven, dossier Landschap noordelijk gedeelte

werper van het Bootshuis Félix Milan (1920-2000). Milan zou

van het Rijksdomein en de Molenheide).

dan 19 jaar geweest zijn bij de opleveting.

(61) VAN WASSENHOVE S., op. at.

(35) Plannen van het stadion door Van Nueten in Atchief BLOSO Hofstade, doos 99. (36) LIESENS L., Van Nueten Charles, in Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, 2003, p. 580581. (37) Archief BLOSO Hofstade, doos 8. (38) In 1950, cf. Archief BLOSO Hofstade, doos 52/D. (39) Nota aan de kabinetschef van de minister van volksgezondheid van 20-5-1946 door de ingenieurs-inspecteurs Javaux en Poupaert (atchief BLOSO Hofstade, doos 96). (40) Atchief BLOSO Hofstade, doos 99/B. (41) VAN WASSENHOVES., op. at, p. 94-97. Zie ook BLONDEEL T., Architectuurhistorische studie van Hofstade-Strand 1938-1940, Universiteit Gent, 2002. (42) Archief BLOSO Hofstade, doos 99. (43) Archief BLOSO Hofstade, dozen 79 en 84/B. (44) VAN WASSENHOVE S., op. at., p. 114. (45) Atchief BLOSO Hofstade, dozen 7 en 107.

• De kleedhokjes (foto 0. Pauwels)


I

SUMMARY VElomitU-HEZERWATER From 1998 to 2003, the "Laboratory of Prehistory" of the Katholieke Universiteit Leuven organized six successive archaeological summer excavation campaigns in the "Vandersanden" loam quarry at VAAvmAt-Hezerwater (Community of Lanaken, Limburg, Belgium). T h e successful archaeological excavation campaigns at VeldwezeltHezerwater, which were directed by Pierre M. Vermeersch and Patrick M.M.A. Bringmans, provided many important remains of at least twenty-four ex situ lithic assemblages and five separate in situ Middle Palaeolithic hunting camps. Two other in situ valley settlements must probably be interpreted as open-air Middle Palaeolithic surface flint extraction sites. Middle Palaeolithic humans, most likely Neanderthals, were living at Veldwezelt-Zfefrwwfer at different times during the Late Saalian Glacial, the late Last Interglacial s.l. and the Middle Weichselian Glacial. T h e so-called "Lower-Sites" (the VLL-Site & the VLBSite), which were mainly characterised by non-Levallois blade industries with small tools, were discovered underneath the "Veldwezelt-Zfewziwiw Soilcomplex", which could be dated to the Last Interglacial s.l. O n stratigraphic grounds, we think that it is safe to say that the "Lower Sites" could thus be dated to the Late Saalian "Zeifen Interstadial" (MIS 6.01). This hypothesis is supported by the presence of charcoal {Pinus silvestris), which suggests that the climate during this Pre-Eemian occupation stage was temperate. With an estimated age of about 133,000 years, the VLL-Site and the VLB-Site at Veldwezelt-ZfefTwafcT represent the oldest in situ Neanderthal settlements of Belgium. T h e "Lower-Sites" at VeldwezeltHezerwater could be interpreted as Neanderthal surface flint extraction sites with the presence of several knapping workshops. T h e lithic assemblage of the VBLB-Site at VeldwezeltHezerwater, found in a greyish soil horizon at the top of the Last Interglacial s.l. "Rocourt Soilcomplex", provides interesting new data in connection with the reconstruction of the intrasite settlement dynamics at open-air sites inhabited during the late Last Interglacial s.l. (MIS 5a). At the VBLB-Site, which was about 80,000 years old, the larger Levallois flakes, the larger non-Levallois flakes and the (bifacially) retouched tools were found in association with each other. This area of the VBLB-Site could be interpreted as the "tool utilisation zone". In the same way, the Levallois cores, the cortical flakes, the Levallois coreedge flakes, the smaller flakes, the chips and the knapping waste were also associated with each other. Refits were numerous in the relatively "rich" area where these artefact types were found. This area of the VBLB-Site could thus be interpreted as an in situ knapping workshop. This dichotomy of two discrete interrelated artefact groups, located at two particular areas at the VBLB-Site is also recognisable in the geomorphological position of the knapping spot and the "tool utilisation zone". After the swift production of Levallois blanks at the geomorphological lower knapping workshop, the larger Levallois blanks were brought to and used at the more elevated

northern "tool utilisation zone" of the VBLB-Site. There the more time consuming activities were performed, providing an excellent observation point that overlooked much of the Hezerwater valley. The loess, loess-derived sediments and the many intercalating fossil soils overlying the "Rocourt Soilcomplex" and the "Warneton Soilcomplex" belong to the Weichselian s.s. and represent the terrestrial equivalent of MIS 4, 3 and 2. T h e TL-R-Site, the TL-GF-Site, the TL-W-Site and the WFL-Site atVeld-wezek-Hezerwaterczn all be dated to the Middle Weichselian (MIS 3), which means that they are between 60,000 and 50,000 years old. These four in situ Middle Weichselian Neanderthal hunting camps all revealed the presence of lithic artefacts in connection with the remains of large "ice-age" mammals. The lithic assemblage of those sites was clearly characterised by the presence of large Levallois products in association with big Quina transverse scrapers. The faunal assemblage of the Middle Weichselian WFL-Site was characterised by "cold" period faunas including species such as mammoth, horse, woolly rhino, steppe bison, reindeer, cave hyena, cave lion, polar fox and badger. This is a typical "mammothsteppe" fauna, although the presence of the badger indicates that the climate was not really cold. Gnawing-marks of hyenas have been observed on the bones, although no cut-marks have been identified on the bones at present. In our view, many factors influenced the type of flintworking taking place at the different sites at VeldwezeltHezerwater. Some factors we may never fully understand, such as the ad hoc ttsponx to a local situation. But, if we accept that it is no longer realistic to look only for "cultural" divisions in the Middle Palaeolithic lithic assemblages, we will be free to study the other factors that also influenced them. Our approach especially tries to understand the role played by the palaeoclimate, which profoundly shaped the existence of the Neanderthals in Northwest Europe. Since climate change interacts with the biosphere, we can therefore expect climate change to influence human activity and human "culture" as well. Either directly or through paths leading from climate via

M&L


plant cover to food animals. T h e variation in technology, in the proportions of the artefacts and in the types of tools present in the different lithic assemblages at VeldwezeltHezenvater indicates, in our view, also the adaptation by the Neanderthals to the unsteady climatic conditions. Middle Palaeolithic humans, who wanted to make a living in a particular climatic setting, had to respond to that setting. This fact of course led to adaptation in terms of migrational, technological and "cultural" behaviour, which in turn affected their clothing, shelter, mobility, meat procurement and butchery methods and thus their lithic technology. Assuming that Northwest Europe was too hostile for humans during the extremes of the Saalian and the Weichselian Ice Age and given the fact that Northwest Europe seems to have been a bit of a wasteland during the Eemian s.s., then the Neanderthal sites at VeldVitzch-Hezerwater offer unique snapshots of people appearing in Northwest Europe for a short spell and then going away again. We thus could put forward the hypothesis that Middle Palaeolithic humans could react instrumental in creating their own adequate life-sustaining technologies and this through interactions with the environment, changes in behaviour and modifications in their lithic technology. This approach considers Middle Palaeolithic humans as active agents, rather than passive recipients of optimised environmental conditions.

THE RECONSTRUCTION OF THE CROWNING ANGEL STATUE WITH GARLAND AT THE FAQADE OF THE FORMER ROYAL PALACE IN ANTWERP. DESIGNED BY JAN-PIETER VAN BAURSCHEIT DE JONGE In 1745, Johan Alexander van Susteren (1719-1764), the sole heir of the house of Susteren-Roose in 's Hertogenbosch (NL), decided to have one new great city palace built by Jan-Peter Van Baurscheit de Jonge (1699-1768) on the corner of the Meir and Wapper in Antwerp, on a site where four buildings were standing. This location was ideal for a majestic facade, with abundant ornaments and dashing sculptures. Thus this facade used to be decorated with two small sculpture groups and three angel statues, the crowning one in the baroque crest, has not survived the ravages of time and in 1956 it suddenly disappeared without a trace. During the recent restoration of the fa9ade in 2004, all parties concerned decided to have a reconstruction made in mortar. With a scope to give the new sculpture the same aspect as the original, it proved necessary to avoid as much as possible all free interpretation and to let us be inspired only by the original material. Only in this way could a reconstruction be completed in September 2007 which could be a faithful copy of what once was.

A PROTECTED MANSION IN THE ANTWERP ROTTERDAMSTREET Heritage-minded owners, the signature of the competent minister and adequate care before and after by motivated heritage consultants are the essential ingredients for a successful protection. In Bouwen door de eeuwen heen (an edition about "building throughout history") the attention had already been drawn to the Egypti/Jng and art-nouveau decoration on this house's fafade. Design, finishing and interior are more than just a page of exquisite art history and excellent craftsmanship; behind the facade is also a fascinating story of people in their time. This monument has been listed for protection since February 16, 2007. This mansion was built in 1912 by the widow Victor Merckx-Verellen, contractor of public works and owner of a carpenter shop, following a design by the architect Jos Goeyvaerts. It is located in the immediate vicinity of the Great Temple of the freemasons' lodge. T h e numerous Egyptizing depictions on the facade, interior decorations which can be linked to the Rosicrucians, the medallions with the try square, a pair of compasses and Ionic capital suggest a close link with freemasonry. The Merckx family is mainly known for their role in the creation of the hamlet called Buitenland m Bornem. T h e architect's oeuvre, as far as we know it, mainly consists of common architecture. A tour of the nicely decorated rooms of this house reveals the artists' genius and the skills of the craftsmen who most probably worked in the family's shop.

THE BL0S0 ESTATE AT HOFSTADE NEAR MALINES. A UNIQUE RECREATION PROJECT FROM THE INTERBELLUM PERIOD During the interbellum the water-filled sandpits at Hofstade raised sharp controversy between the city council of Malines, the national railway company (the then owner), tourist associations and lobbies and, even, the Royal Commission for Monuments and Landscapes. Divergent opinions concerning their use and, more generally, public welfare and hygiene, leisure behaviour, urban planning, aesthetics, architectute, including landscape architecture, were confronted. T h e recreation and sports park opened its doors at the eve of the Second World War after a shortlived 'populist' amusement park. It was designed by some of Belgium's foremost modernist architects and planners - Victor Bourgeois, Charles Van Nueten, Maxime Wijnants. O n the contrary, the landscape layout is the result of different actions and styles (modernist, 'Nouveau Jardin pittoresque). Current renovation and new layout by Werner De Bondt and Benott Fondu.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook