Skip to main content

M&L_30_4.pdf

Page 1

f. JULI-AUCUSTUS 2011 MONUMENTEN,

LANDSCHAPPEN

m (

i

•

w-

EN

ARCHEOLOGIE


N.V. VAN LOY & CIE ALGEMENE RESTAURATIEWERKEN Aarschotsesteenweg 4 2230 Herselt Tel. (014)54 43 97 Fax (014)54 72 72 bouw.vanloy@skynet.be

Restauratie koepelkerk Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw te Scherpenheuvel

RESTAURATIE • RENOVATIE EN VERBOUWING • DAK- EN GEVELWERKEN


lYl L

EN, L A N D S C H A P P E N EN A R C H E O L O G I E Tweemaandelijks tijdschrifi van de Vlaamse overheid, Onroerend Erfgoed M ONUMENT ISSN 0770-4948

Jaargang 30 nr. 4 IULI-AUGUSTUS2011

Inhoud

1VI&L

^p

^f

x^

Voorzitter Luc Tack Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kernredactie Marjan Buyle, Rudy De Graef, Luc Tack, Herman Van den Bossche. Peter Van den Hove Redactie Leden: Anna Bergmans, Jo Braeken, Marc De Borgher Piet Celeyns, Jos Cijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Oswald Pauwels, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo. Tom Verhofstadt, Linda Wylleman Ere-voorzltter: Edgard Goedleven Ere-leden: Marcel M. Celis, lo De Schepper, Hedwig Van den Bossche. Suzanne Van Aerschot

De salie des pas-perdus van het justitiepaleis van Brussel (fotoO. Pauwels)

Redactiesecretariaat Diane Torbeyns diane,torbeyns@rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 Abonnementen* België: 40 € {losse nummers: / € ) Buitenland: 65 € C)P- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten &. Landschappen Koning Albert ll-laan 19 (bus 3} i 2 i o Brussel * Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Het justitiepaleis van Brussel (1866-1883) loris Snaet

Website www.menl.be Advertentiewerving J. Casier- Brugge jancasier.brugge@telenet.be Vormgeving Bart Delva Druk die Keure - Brugge Fotografie Oswald Pauwels

De verantwoordeli|kheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bi) de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zi)n voorbehouden.

Verantwoordelijk uitgever Luc Tack Koning Albert I l - l a a n i 9 b u s 3 1210 Brussel

1VI&L I 1


•• tauratie e n Monumentenzorg

A. M. C O N S U L T arts & monuments consultants

Nieuw adres vanaf 1 januari 2011:

Het NGI: dé producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke planning en stadsrenovatie Print-on-demand: uw kaart of luchtfoto, gecentreerd rond een punt naar keuze

hR BE

AM Consult bvba Anthonis de Jonghestraat 6A B-9100SINT-NIKLAAS t: 03 780 61 53 f: 03 780 61 54 a.nn.consult@skynet.be www.amconsult.be

Historische kaarten: reproducties op aanvraag. Alle kaarten en luchtfoto's zijn ook digitaal beschikbaar uw partner voor onderzoek en advies voor: onroerend erfgoed Bouwhistorisch onderzoek Materiaaltechnisch en bouwkundig onderzoek Omgevingsonderzoek roerend erfgoed Kunsthistorisch onderzoek Materiaaltechnisch onderzoek adviesverlening Inventarisatie van roerend en onroerend erfgoed Opmaak van CHE-rapporten Waardestellingsonderzoek Plaatsbeschrijvingen Fotosurvey's van roerend en onroerend erfgoed


-f*

r

•*•

m

i • ---

&-

*

Natuurlijke hydraulische kalk UNILIT CORICAL iijke bindmidt vette kalk

Arte Constructo

H32 (0)3 880 73 73 info@arteconstructo.be


LOCCUFIER

Restauratie - renovatie BVBA

ALGEMENE BOUWONDERNEMING

Metsel-, timmer- en schrijnwerk Bevloering, pleister- en schilderwerk

Industriestraat 7B, 8211 Aartrijke Tel. 050/21 32 03 - Fax 050/21 32 04 - GSM 0475/84 55 90 rony.loccufier.bouwonderneming@skynet.be www.loccufierrony.be

Reg. Nr. Aannemer 05.11.1.1 Cat. 1 0 - 11 - U - 1 5 - 1 7 - 1 8 - 1 9 - 2 0 - 2 2 Erkenning Klasse 1, Ondercategorieën D10- D11 - D13- D21 Erkenning Klasse 2, Categorieën E - G - Ondercategorie 05 Erkenning Klasse 5, Categorie D - Ondercategorieën 01 - 024

ör. f.

de neef consolidatie injecties van beton en metselwerk polymeerchemische restauratie micropalen waterdich tingsinjecties uitwendige verkleving met koolstofvezel, aramidevezel (Kevlar®) staal, etc, thermische gevelbepleis teringen

Impulstraat 7 • 2220 Heist-op-den-Berg • Belgium • Tel. +32 75 24


BOIJIltfA

N.V.

NIJVERHEIDSWEG 1 - 2240 ZANDHOVEN TEL, (03)475 13 00 - FAX (03)485 74 47 Venecolaan 30 - 9880 AALTER TEL. (09)375 12 66 - FAX (09)375 22 88 E-MAIL: info@bodima.be

. ^outrestauratie • Ontmossen van daken

,\aVe

Gevelreiniging . Betonherstelling • ^ ^

0


IMPERPLEX Onzichtbare bescherming van VLOEREN & MUREN Protection invisible

NTI-GRAFFITI m

BVBA.

Reg. nr.: 042801 Erkenning: D23 klasse 2

VENNOOTSCHAP VOOR DE CONSERVATIE EN DE RESTAURATIE VAN KUNSTWERKEN - Restauratie van moderne en oude schilderijen (namelijk grote formaten) - Restauratie van gemaroufleerde doeken - Restauratie van gepolychromeerde altaren

35 JAAR AKTIEF IN SAMENWERKING MET DE OFFICIËLE INSTANTIES DIEPESTRAAT 18 - 3061 BERTEM (Leefdaal) TEL. & FAX 02-767 97 80 E-mail: salvartes@panclora.be

0475.731215 www.imperpiex.com


Göjus/isis Une ruine

anticipée?

Wat ooit de trots was van de jonge Belgische natie, is momenteel een monument met een onzekere toekomst. Naast associaties met het Griekse Parthenon, het Romeinse Capitool, Babylonische paleizen en Egyptische labyrinten, deden over het Brusselse justitiepaleis ook tal van duistere politieke machinaties en geheime complotten de ronde. Veel verhalen en legendes rond dit gebouw, dat opvalt omwille van zijn buitenmaatse proporties en surrealistische inplanting in een voormalige woonwijk, konden na grondig bronnenonderzoek naar het rijk der fabels verwezen worden. Vandaag is het gebouw - in het licht van een aantal actuele gebeurtenissen en nieuwe ideeën - opnieuw stof voor discussie. Opmerkelijk genoeg bestaan tot op heden over dit belangrijke 'paleis' nog maar weinig studies, iets waar bouwhistoricus Joris Snaet verandering in brengt. Hij worstelde zich doorheen het omvangrijke bronnenmateriaal - inclusief verhalen, legenden én de verslagen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers - om uit te komen bij nooit eerder gepubliceerde plannen en informatie over het verloop van de bouwwerken van het justitiepaleis. Niet zonder enige trots brengt het tijdschrift M&L, in dit vierde nummer van haar 30ste jaargang, de resultaten van een indrukwekkend onderzoek naar een uniek en waardevol monument.


Het justitiepaleis van Brusse (1866-1883) Joris Snaet

Over het justitiepaleis van Brussel en zijn

overvloed aan architectonische details, rijkelijk

ontwerper, architect Joseph Poelaert (1817-1879),

uitgewerkte ornamenten en expressionistische

doen talrijke verhalen en legenden de ronde.

diepe schaduwpartijen, die associaties oproepen

Poelaert zou lid van een loge zijn geweest,

met prenten van Piranesi o f voorstellingen van

politieke connecties met de allerhoogste

Babylonische paleizen, ziguraths en antieke

maatschappelijke kringen hebben gehad, in het

labyrinten.

gebouw verborgen symbolen hebben aan-

Nooit eerder werden wij tijdens een onderzoek

gebracht en geheime ruimten hebben verstopt

geconfronteerd met een bouwwerk waarover

diep in de kelders van het bouwwerk. Duistere

zoveel verhalen en legenden de ronde doen.

politieke machinaties en geheime complotten

Tijdens ons onderzoek bleek echter al snel dat

zouden het bouwproces gestuurd hebben en de

veel van deze verhalen louter verzinsels zijn o f

architect zou hieraan hebben meegewerkt door

onzorgvuldige interpretaties van vroegere feiten.

moedwillig te hebben geweigerd overzichts-

Dat deze verhalen zo sterk doorleven heeft niet

plannen te maken. Hierdoor had niemand

enkel te maken met de indrukwekkende

behalve hijzelf een totaalbeeld van het te bouwen

architecturale uitwerking van het gebouw, maar

m o n u m e n t , wat hem althans tijdelijk de macht

evenzeer met het feit dat tot op heden eigenlijk

gaf het project volledig te sturen zoals hij wilde.

erg weinig studies over het bouwwerk werden

Poelaert werd echter krankzinnig en bekocht zijn

ondernomen.

hoogmoed met een schielijke dood (1).

Ook in het licht van een aantal actuele

Deze verhalen zijn bijzonder persistent, wat niet

gebeurtenissen, blijkt de nood aan een

verwonderlijk is: het justitiepaleis van Brussel is

zorgvuldig opgesteld, op eigentijdse bronnen

zodanig monumentaal dat het een onwezenlijk,

gebaseerd onderzoek van de bouwgeschiedenis

surreëel karakter heeft en toont een exuberante

van het paleis (2).

M&L


De historische bronnen van het justitiepaleis van Brussel Over de algemene geschiedenis van het bouwwerk bestaat slechts een handvol publicaties. De belangrijkste is deze van Yvon Leblicq in de tentoonstellingscatalogus Poelaert et son temps (3). Voor haar studie, die erg zorgvuldig is uitgewerkt en rijkelijk voorzien van iconografisch materiaal, maakte Leblicq voornamelijk gebruik van de in het Stadsarchief in Brussel bewaarde bundels. Deze behandelen hoofdzakelijk de gebeurtenissen die voorafgingen aan de bouwwerken, waardoor het artikel van Leblicq zich in de eerste plaats toelegt op de geschiedenis van de aanstelling van de architect en op de keuze van de locatie van het gebouw in de stad. De eigenlijke geschiedenis van de constructie van het justitiepaleis wordt in het artikel van Leblicq slechts vluchtig geschetst. Pierre Loze bracht in 1983 een monografie uit over het justitiepaleis, rijkelijk voorzien van zwart-wit foto's van het exterieur en het interieur van het gebouw. In het boek zijn talrijke beschouwende citaten en een uitgebreide bibliografie over het justitiepaleis opgenomen maar ook in dit werk vinden we weinig informatie over de eigenlijke bouwgeschiedenis (4). In 2001 verscheen een beknopte monografie over het justitiepaleis in de reeks Brussel, Stad van Kunst en Geschiedenis van de hand van Jos Vandenbreeden. Hierin werden de belangrijkste historische gegevens van het bouwwerk overzichtelijk voorgesteld, waarbij ook aandacht werd besteed aan de stijlkundige uitwerking van het gebouw. Achteraan in het boekje zijn enkele pagina's opgenomen van de hand van André Loits, die gewijd zijn aan de symbolische ornamenten die verwerkt werden in het bouwwerk (5).

Voor onze studie maakten wij hoofdzakelijk gebruik van de boeken van Francois Joseph Wellens (1812-1897) uit 1881 en van Clément Labye (1817-1886) uit 1885 alsook van de annalen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (die door Leblicq slechts vluchtig werden doorgenomen) (6). Elk van deze bronnen werd opgesteld vanuit een zeer specifiek oogpunt waardoor ze slechts met grote zorgvuldigheid geconsulteerd kunnen worden. Wanneer de gegevens uit deze drie bronnen op overzichtelijke wijze naast elkaar worden gelegd, bekomt men een overschouwend, uiterst gedetailleerd overzicht van de geschiedenis van de constructie van het bouwwerk tussen 1866 en 1883.

Luchtopname van het justitiepaleis van Brussel (foto persdienst Regie der Gebouwen)

Wellens was Ingénieur en chef van het Département Ponts et Chaussées van het Ministerie van Openbare

M&LI


De door Cattier gesculpteerde beelden van Demosthenes en Lycurgus In het peristylium van het justitiepaleis van Brussel (foto O. Pauwels)

10 I 1VI&L

Werken en werd het administratieve hoofd van de bouw van het justitiepaleis. Van 13 februari 1865 tot 12 april 1897 was hij ook voorzitter van de Commision royale de Monuments. De ingenieur schreef zijn boek met het oog op een publieke verantwoording van het bouwwerk. In zijn boek wordt op omslachtige wijze de constructiewij zen toegelicht en de rol van de administratieve diensten die onder zijn leiding Poelaert hadden bijgestaan met de bouw van het paleis. In zijn boek komen ook de esthetische aspecten van het bouwwerk ruimschoots aan bod, steeds met een lovende ondertoon. Samen met het boek werd een platenboek op groot formaat uitgegeven met lithografieën waarop grondplannen, doorsnedes, aanzichten en technische details van het bouwwerk zijn afgebeeld.

Het boek van Labye is totaal anders van opzet: "Mon unique but, dans ce travail, a été de mettre en relief les inconvénients de tout genre, les dangers, les perils et surtout Ie mal reel qui résultent d'entreprises oü l'on s'affranchit, au profit de certaines idees et de certains individus, des régies les plus élémentaires et des voies tracées par Ie legislateurpour l'exécution des grands travaux d'utilitépublique. Ce hut sera rempli et je croirai avoir rendu mon pays un service réel si eet opuscule peut contrihuer d'une maniere quelconque a rendre désormais impossibles des experiences aussi condamnables (7)". Labye was op het ogenblik dat het boek verscheen Ingénieur en chef honoraire des Ponts et Chaussées en had in 1851 een boek uitgeven over de wetgeving van de openbare aanbestedingen in België (8). Het boek over het justitiepaleis was


De trap naar de Miniemenstraat van het justitiepaleis van Brussel (foto O. Pauwels)

duidelijk geschreven uit rancune. Er blijkt duidelijk uit dat de voormalige ingenieur aanstoot had genomen aan de hoge kosten van het bouwwerk en aan het procedureverloop. De auteur besteedde veel aandacht aan de administratieve procedures die van toepassing waren voor de bouw van het paleis. Het boek bevat bijgevolg uiterst waardevolle informatie over de fasering van de werken en de organisatie van de werf. De derde belangrijke bron voor de studie van het justitiepaleis vormen de verslagen van Kamer van Volksvertegenwoordigers. De budgetten voor de bouw werden toegekend aan het Ministerie van Openbare Werken en telkens als een apart agendapunt behandeld vooraleer ze werden goedgekeurd door middel van Koninklijke Besluiten. Op 2i maart 1873 stelde la section centrale, een financieel controleorgaan van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, een eerste alarmerend rapport over de toenemende kosten van de bouw van het justitiepaleis. Latere rapporten volgden op 21 maart 1877, 4 april 1878 en 6 juni 1879. Vermoedelijk naar aanleiding van het eerste rapport, diende Wellens regelmatig verantwoording af te leggen voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers. De door de ingenieur ingediende nota's zijn erg gedetailleerd

en bevatten vaak ook informatie over de motivering waarom bepaalde beslissingen op de werf genomen zijn geweest. Doordat de bouw van het justitiepaleis onder de bevoegdheid van het Ministerie van Justitie viel, zijn er in de archiefbestanden van het Ministerie van Openbare Werken in het Rijksarchief te Brussel geen dossiers bewaard over de eigenlijke bouwwerken. Pas vanaf 1887, toen het afgewerkte gebouw werd overgedragen aan het Ministerie van Openbare Werken, vinden we de eerste dossiers terug die hoofdzakelijk informatie over onderhoudswerken bevatten (9). Wel vinden we in enkele bestanden van het Rijksarchief in Brussel, onder de afdeling van het Ministerie van Openbare Werken bevoegd voor de Schone Kunsten, enkele belangrijke dossiers terug over de beeldenprogramma's van het gebouw en over sommige in het interieur opgestelde kunstwerken (10). Deze bestanden werden door Marie-Anne Geerinck bestudeerd en de resultaten gepubliceerd in een aparte bijdrage in de catalogus Poelaert et son temps (n). De afgelopen jaren doken op verscheiden plaatsen bijkomende historische documenten over het justitiepaleis van Brussel op. Jos Vandenbreeden

"M&L I 11


/ /

^

^


De salie des pas-perdus van het justitiepaleis van Brussel (foto O. Pauwels)

publiceerde in 1994, in het boek over de i9de-eeuwse architectuur in de reeks Architectuur in België en in zijn kleine monografie over het justitiepaleis van 2001 telkens enige foto's met schetsmatige tekeningen met ontwerpen voor de koepel van het justitiepaleis (12). Deze tekeningen behoren tot een private collectie en steken in een map met hierin ook gehandtekende ontwerpen van Jacques Van Mansfeld voor de afwerking van het vanaf 1898 gebouwde kasteel van Bokrijk. We zijn er in geslaagd deze private collectie in te kijken en konden vaststellen dat er in totaal een tiental tekeningen, telkens van klein formaat, bewaard worden die we met het justitiepaleis in verband mogen brengen. In 1998 publiceerde Thomas Coomans een artikel in Revue des archéologues et historiens d'art de Louvain waarin hij acht plannen voorstelde, die hij had gevonden tijdens het klasseren van een fonds van plannen van Belgische monumenten in de bibliotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (13). Zes van deze plannen tonen het oorspronkelijke project van Poelaert van 1862. Een ander anoniem plan beeldt de oostelijke helft en het inkomstportaal van de voorgevel af en werd waarschijnlijk gemaakt toen de werken reeds gevorderd waren. Het achtste plan is gehandtekend door Poelaert op 6 november 1872 en toont het paleis met een monumentaal, niet uitgevoerd koepelontwerp. Dankzij deze vondst kon Coomans als eerste aantonen dat het Brusselse justitiepaleis oorspronkelijk veel soberder en met een veel kleinere koepel was voorzien. Naar aanleiding van de voltooiing in 2002 van de restauratie van de koepel van het justitiepaleis, publiceerde Guido Jan Bral in 2003 en 2004 twee artikels over de geschiedenis van de koepel in het tijdschrift Cercle d'histoire de Bruxelles et extensions. In deze artikels nam de auteur talrijke, onbekend gebleven, foto's op die waren genomen tijdens en na de brand van 1944 en vermeldde hij het bestaan van een proefmodel van de koperen sierlijst met guirlandes en leeuwenhoofden van de koepel, dat thans bewaard wordt in het kasteel van Pierrefonds in Frankrijk (14),

Recentelijk werd ook een omvangrijk bestand van maar liefst 800 plannen 'herontdekt' in de kelders van het justitiepaleis. In mei 2010 werd dit omvangrijke bestand overgebracht naar

Een deel van de trap naar de Miniemenstraat van het justitiepaleis van Brussel (foto O. Pauwels)

het Algemeen Rijksarchief in Brussel, waar ze geïnventariseerd en gedeeltelijk gedigitaliseerd worden. Het merendeel van de plannen dateren uit de periode dat het justitiepaleis werd opgetrokken en tonen steensnedes van onderdelen van het gebouw, ijzeren balkconstructies en interieurafwerkingen. De meetstaten die bij een groot deel van deze plannen behoorden, zijn echter vermist. Van slechts één tekening kunnen we met zekerheid zeggen dat ze van de hand is van Poelaert. Deze tekening toont een opstand van een deel van de miniementrap en is schetsmatig in potlood aangezet. Een aantal tekeningen zijn jonger dan 1883 en tonen zaalinterieurs alsook opmetingstekeningen gemaakt ter voorbereiding van de restauratie van de koepel tussen 1947 en 1949.

De locatie van het nieuwe paleis Tijdens de Franse periode waren de rechtbanken van Brussel ondergebracht in de lokalen waar voordien de Raad van Brabant bijeenkwam, thans het Paleis der Natiën. In 1816, onder het Hollands bewind, werd beslist om de rechtbanken onder te brengen in het voormalige college van de jezuïeten.

1VI&L I 13


Het justitiepaleis van Brussel gefotografeerd door Mary Spencer Warrenen, opgenomen in een album dat in 1897 aan Leopold II werd geschonken ( © Archief Koninklijk Paleis, met dank aan C. Janssens)

De architect Frarujois Verly (1760-1828) werd aangesteld om het oude collegegebouw om te vormen tot een justitiepaleis. Hij voorzag het gebouw onder meer van een nieuwe monumentale, in streng antieke stijl uitgewerkte inkompartij, die bestond uit een peristylium met een dubbele rij antieke zuilen bekroond met een fronton. In het voorjaar van 1819 wordt het nieuwe complex in gebruik genomen. Het gebouw bleek echter algauw niet alleen te klein te zijn maar ook slecht te functioneren. Bovendien trokken sommige muren scheef en sijpelde er vocht binnen. Reeds in de jaren '30 van de 19^ eeuw worden plannen opgevat voor de bouw van een nieuw justitiepaleis. Onder meer Tilman-Frangois Suys maakte omstreeks 1838 een project voor een nieuw justitiepaleis waarvan de kosten berekend werden op 3.000.000 fr. (15). Omstreeks 1857, toen de liberaal, advocaat en inductrieel Victor Tesch (1812-1892) voor de tweede maal benoemd werd tot minister van Justitie, werd het idee voor de bouw van een nieuw paleis hernomen. Een commissie werd opgericht en er werd beslist dat alle juridische diensten samengebracht dienden te worden in één gebouw. De oppervlakte die dit gebouw diende te beslaan werd geraamd op 16.000 vierkante meter 14

M&L

grondoppervlakte. In het gebouw dienden de hoven van Cassatie, van Beroep, van Assisen, van de Militaire Rechtbank, van Eerste Aanleg alsook de oorlogsraad, vredegerechten en politiediensten te worden ondergebracht. In het totaal werden hiertoe 23 grote zalen en 230 kleinere lokalen voorzien. Uit een brief van Tesch van 19 november 1858 aan baron Charles-Augustin Liedts (1802-1878), de gouverneur van de provincie Brabant, blijkt dat er getwijfeld werd of het nieuwe justitiepaleis op de plaats van het oude gebouwd kon worden. De gouverneur vermeldde dat zowel de Bestendige Deputatie als de Commissie voor Monumenten van oordeel waren dat het, vanwege de grote hellingsgraad van het terrein en de omliggende straten en pleinen, niet mogelijk was een waardig monument te bouwen. Andere locaties die in aanmerking kwamen, waren de terreinen van het vroegere klooster van de annunciaden of de terreinen gelegen achter de kerk van de miniemen (16). Op een plan dat in het voorjaar van 1859 werd opgemaakt door Georges Groetaers, Ingénieur en Chefhi] het Ministerie van Openbare Werken, zijn de contouren van het te bouwen justitiepaleis getekend op de terreinen boven het miniemenklooster (17). Voor het nieuwe justitiepaleis dienden


Postkaart met een in 1875 genomen foto van een maquette van het justitiepaleis van Brussel ( © Brussel, Stadsarchief)

drie volledige straten te verdwijnen en werd een ruim plein voor het paleis voorzien tussen de twee hotels van de prinsen de Mérode {Hotel Félix de Mérode en Hotel de Mérode Westerloo). Het plan voorzag ook de aanleg van een volledig nieuwe straat tussen de Place du Grand Sablon en het nieuwe plein voor het justitiepaleis, het doortrekken van de Rue de la Régence en de verwijding van de Rue de 4 Bras. In een brief die Tesch op 6 april 1859 stuurde naar de gouverneur van de Provincie Brabant, baron Charles-Augustin Liedts (1802-1878), wordt duidelijk vermeld dat deze locatie verkozen werd omdat de aankoopprijs van de terreinen als niet overdreven duur werden geschat (18). Op 23 april gaven ook burgemeester Charles De Brouckère (1796-1860) en de Brusselse gemeenteraad toestemming om het paleis te bouwen op deze locatie. Op 8 december 1859 werd aan het Ministerie van Justitie een krediet verleend van 2.000.000 fr. om de nodige terreinen op te kopen. Van de Prinsen de Mérode kon de Belgische Staat in de loop van het jaar 1862 de beoogde terreinen met een oppervlakte van 1 hectare, 75 aren kopen voor de som van 382,913 fr. (19). In de daaropvolgende jaren werden de overige terreinen onteigend.

Een wedstrijd voor het ontwerp van het nieuwe paleis Op 27 maart i860 werd bij Koninklijk Besluit beslist het nieuwe paleis op te trekken op de terreinen gelegen boven het miniemenklooster en werd een wedstrijd uitgeschreven om het bouwwerk te ontwerpen. Van dit wedstrijdreglement, getiteld Ministère de la Justice, Concours pour la construction d'un palais de Justice de Bruxelles, wordt een exemplaar bewaard in het Stadsarchief in Brussel (20). In dit reglement wordt vermeld dat de inschrijving anoniem dient te zijn en dat de winnaar beloond zal worden met de som van 10.000 fr., terwijl de tweede 6.000 fr. krijgt en de derde 3.000 fr. Het programma bevatte algemene richtlijnen en een uitgebreide lijst van de benodigde audiëntiezalen en dienstlokalen met telkens een aanduiding van de benodigde oppervlakten. In de jury van de wedstrijd zetelden verschillende magistraten waaronder Matthieu Leclercq, procureur general bij het Hof van Cassatie; De Bavay, procureur general bij het Hof van Beroep; De Page, Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep; De Longé, Eerste Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg alsook de nieuwe burgemeester van

M & L I 15


PAlAlb

Di

'I STIC1

A BRUXELLES

UiiLiH- i r r r r

1

1

h— —+ — ' i i l i l '• |-i 1 I'

i-.J—l^-ri

i t * — 1—1 '1 '1 -j

*

'f-

1

^

L

d- -u-> I I > I

Plan van het rez-de-chaussée supérieur van het justitiepaleis van Brussel, ondertekend op 30 maart 1862 door Poelaert ( © Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)

Brussel, André-Napoléon de Fontainas (1807-1863) en P. Annemans, Gouverneur ad interim van de provincie Brabant. Andere juryleden waren Noël, directeur general des ponts et chaussées en Wellens, op dat ogenblik Ingénieur en chef van het Département Ponts et Chaussées; de geniekolonel Demanet, alsook de architecten Gustave De Man (1805-1887), Henri Partoes (1790-1873), Louis Roelandts (1786-1864), Alphonse Balat (1818-1895) en Joseph Poelaert (21). Er werden in totaal 28 projecten ingediend maar geen winnaar uitgesproken (22). Tijdens de analyse van de ingediende plannen realiseerde men zich wel dat de grondoppervlakte van het paleis vergroot diende te worden tot 20.000 vierkante meter.

De aanstelling van Poelaert als architect In de maand juli 1861 werd Poelaert door Tesch aangesteld om het ontwerp te maken en dit ondanks het feit dat hij in de jury van de wedstrijd had gezeteld. Zijn aanstelling verliep in onduidelijke omstandigheden en later doken er geruchten op dat hij door andere leden van de jury alsook door personen uit de administratie was voorgedragen aan de minister van Justitie: "La réalité était que M. Poelaert, d la recommandantion de plusiers de ses

•tr

]"]

•v

I

« i

.11

1 •

H — 4 1 . —

4 I « l-l-l «•1

• • •

1 •

1

^UTT-U::

:;Ï

I;

f

I

itj^rt y

' * . #•*

collègues du jury, et de personnes appartenant a I'administration ou autres.fut indiqué a M. le Ministre de la Justice comme un homme de génie, un homme de gout, un veritable artiste, dont sans doute, les devis exacts n'étaient pas la spécialité, mais dont le talent reconnu, comme architecte, I'avait naturellementfait designer pour faire partie dujury, dès qu'onfut certain qu'il ne prenait aucune part au concours"(2}). Poelaert diende een project in gedurende de maand april 1862. Dit project werd voorgelegd aan een commissie waarin opnieuw afgevaardigden

het justitiepaleis van Brussel, door Poelaert { © Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)

llïiTtTT

L

1 I

-1 » -< •

1 L. . J

ondertekend op 30 maart 1862

16 I M

x::

* »-- - - I1 »»

4 1 • • 4 t• • * 1

Opstand van de voorgevel van

V

t

• 1 • 1 r

• I » • •

^ L..J

: :

>-*

•

m:3

•4*

t ^ — J •-

•


PALAIS

DE J U S T I C E

A BRUXELLES

van de magistratuur, van de Stad Brussel, van de Provincie Brabant alsook Wellens, Partoes en de architect Auguste Payen (1801-1877) zetelden en die het plan goedkeurden op 19 mei 1862. Diezelfde dag werd het project goedgekeurd door Tesch. Kort daarvoor, op 28 februari 1862, werd een Koninklijk Besluit uitgevaardigd om de overige terreinen noodzakelijk voor de bouw van het justitiepaleis te onteigenen. Het project van Poelaert is gekend dankzij de zes door de architect gehandtekende plannen bewaard in de bibliotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Het bestand bevat een plan met de inplanting van het nieuwe gebouw in zijn omgeving, een grondplan van het rez-de-chaussée inférieur, een grondplan van het gelijkvloers, een vooraanzicht, een zijaanzicht en een doorsnede. Ondanks het ontbreken van een plan van de bovenverdieping, bemerken we goed hoe de belangrijkste kenmerken van het uitgevoerde bouwwerk reeds in dit project vastgelegd zijn geweest. De voorgevel is voorzien van twee vooruitstekende uitbouwen op de uiterste hoeken met hiertussen een peristylium. De militaire rechtbank en de correctionele politierechtbank werden ondergebracht op de onderste verdieping, terwijl de overige zalen voorzien werden op de twee bovenste verdiepingen, omheen de monumentale salie des pas-perdus. De rechtszaal van het Hof van Assissen neemt hierbij een gepriviligeerde plaats in omdat ze op de gelijkvloerse verdieping op de hoofdas werd geplaatst. Op deze plannen is ook reeds te zien hoe de salie des pas-perdus enkel rechtstreeks

bereikbaar is via de hoofdingang en via de miniementrap terwijl de ingang aan de Rue aux Laines uitgeeft op de onderste verdieping. De architecturale uitwerking van het geheel is echter opvallend soberder uitgewerkt dan het uiteindelijke gerealiseerde bouwwerk. In het bijzonder de koepel, die de architect voorzien had om de salie des pas perdus van licht te voorzien, is veel kleiner van afmetingen dan het gerealiseerde ontwerp. De koepel had ook een sterk afgeplat profiel waardoor hij een zekere gelijkenis vertoonde met deze boven de spektakelzaal van de opera Garnier in Parijs, waarvan de bouw begonnen werd in 1861.

Doorsnede van het justitiepaleis van Brussel, ondertekend op 30 maart 1862 door Poelaert ( © Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)

De ingetogen geleding en ornamentele afwerking van de gevels van het project van 1862 staan ook beter toe de beoogde stijlkundige uitwerking van het project te begrijpen. Onder meer Wellens benadrukte dat Poelaert zijn paleis in een uitgepuurde, strenge antieke stijl had uitgewerkt: "Il n'a pas voulu, d l'exemple de beaucoup d'architectes, emprunter d ia sculpture des effets décoratifs qui donnent cependant tant d'éiégance a certains édifices, et qui sont même un des caractères distinctifs de l'architecture moderne; il s'est inspire des grandes lignes architecturales que l'on admire dans la plupart des monuments de la Grèce et de Rome, et les mises en harmonie avec!'horizon immense qui sert en partie de cadre au palais. En observant une grande sobriété dans les détails décoratifs et omementaux, l'artiste n'a fait qu'obéir au hut qu'il devait se proposer, ceiui de conserver au palais Ie caractère severe que sa destination commande" (24).

M & L I 17


1900). Bara was een liberaal, doctor in de rechten en hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles. De bouw van het paleis startte onder zijn ministerschap dat duurde van 1865 tot 1870 en eindigde toen hij voor de tweede keer de ministerpost opnam tussen 1878 en 1884. In 1870 werd Bara opgevolgd door de katholiek Prosper Cornesse (1829-1889) die al in 1871 werd vervangen door Théophile de Lantsheere (1833-1918), eveneens katholiek gezind.

Wfwi

, MW/

Foto van ingenieur Wellens, aannemer Devestel en andere medewerkers aan de bouw van het justitiepaleis van Brussel, vermoedelijk genomen ter gelegenheid van de laatstesteenleggmg van de koepel van het justitiepaleis op i juli 1882 ( © Brussel, Stadsarchief)

' ¥***•

Poelaerts eerste project werd geraamd op 9.723.418 fr. Tesch eiste hierop dat de kostprijs verlaagd zou worden zonder het monumentale karakter van het gebouw al te zeer te veranderen. Op 4 februari 1863 presenteerde Poelaert een goedkoper ontwerp zonder koepel boven de salie des pas-perdus en met de Rechtbank van Koophandel op de onderste verdieping. Volgens de architect kon dankzij deze ingrepen 1.123.418,20 fr. bespaard worden waardoor het justitiepaleis slechts 8.600.000 fr. zou kosten (25). Wellens noteerde in zijn boek hoe sommigen het ongepast vonden dat een antiek uitgewerkt, nietreligieus bouwwerk voorzien zou worden van een koepel. De Brusselse gemeenteraad steunde echter wel het idee om het justitiepaleis te voorzien van een koepel. Op de gemeenteraad van 28 april 1863 werd unanniem beslist dat het paleis voorzien mocht worden van een koepel.

De eerstesteenlegging op 31 oktober 1866 Op 31 oktober 1866 werd de eerste steen van het nieuwe justitiepaleis gelegd in aanwezigheid van de nieuwe minister van Justitie, Jules Bara (1835-

18 I M L

De bouw werd gefinancierd door de Belgische Staat, de Stad Brussel en de Provincie Brabant, waarbij de twee laatst genoemden elk één zesde deel van de bouwkosten op zich zouden nemen. De Brusselse gemeenteraad engageerde zich hiertoe formeel op 28 april 1863. Tevens voorzag zij de nodige omgevingswerken om het gebouw goed toegankelijk te maken en de Regentschapstraat te verlengen. Reeds in 1865 had Poelaert zijn werk aan de kerk van Laken, waarvan de bouw was opgestart in 1854, naast zich neergelegd wat hem in staat stelde zich exclusief te kunnen wijden aan de bouw het justitiepaleis. Zijn vertrek op de werf van de kerk van Laken gebeurde op een ogenblik dat een commissie van ingenieurs van het Ministerie van Openbare Werken een onderzoek verrichtten naar een aantal aanzienlijke problemen op de werf, onder meer naar waterinfiltraties in de Koninklijke Grafkapel. Dit doet vermoeden dat Poelaert deze werf in feite was ontvlucht (26). Voor de uitwerking van zijn plannen, de studie van de technieken en de leiding van de werken aan het Brussels justitiepaleis werd een nieuwe dienst opgericht die werd ondergebracht bij het Ministerie van Justitie. De organisatie van deze dienst werd toevertrouwd aan het Ministerie van Openbare Werken, die hiertoe Wellens aanstelden. Deze was op het ogenblik dat de werken begonnen aangesteld als inspecteur general ad interim en werd ingénieur en chef wan deze nieuwe dienst. De belangrijkste medewerkers binnen deze nieuw opgerichte dienst waren de uit Dinant afkomstige A. Marcq (t 1875), ingénieur, D. Carpentier ( | 1882), architecte principal des batiments civils, Engels, architecte-conducteur des travaux en Joseph Joachim


Benoit (1846-1910), architecte, chargé de la direction du bureau des études (27). Van Marcq en Carpentier weten we met zekerheid dat ze gerekruteerd werden uit het Ministerie van Openbare Werken. Over Marcq schreef Wellens dat hij in samenwerking met M. Michelot, un des savants ingénieurs en chef des ponts et chaussées de France, in de steengroeven geschikte steensoorten voor het justitiepaleis had uitgekozen, waaronder de steen van Comblanchien. In 1867 had hij over het gebruik van inheemse en uitheemse stenen in de Belgische bouwnijverheid een artikel geschreven in de Annates des travaux publics waarin hij zich op basis van onderzoeksgegevens vrij positief had uitgelaten over het gebruik van buitenlandse steensoorten (28). Marcq werkte ook de constructiewij ze van een aantal architecturale elementen van het justitiepaleis uit, waaronder de kroonlijst van het exterieur. Over Engels schreef Wellens dat hij een getalenteerd architect was en een bekwame tekenaar. Hij werd na de voltooiing van de werken de eerste conservator van het justitiepaleis van Brussel. Van hem is een project uit 1907 bekend voor de vergroting van de Hallepoort waarin op dat ogenblik het Musée des Armures was gevestigd (29). Van Benoit weten we dat hij zich bezig hield met de architectonische uitwerking van het gebouw en dat hij hiertoe een groep architecten ter beschikking had. Benoit ontwierp ook het grafmonument van Poelaert op het kerkhof van Laken, het hotel de Vadministration de la Marine aan de Rue Ducale en in 1879 L'Ecole de dessin van SintJans-Molenbeek, waar hij overigens later directeur werd. De gevelopstand van deze school was duidelijk geïnspireerd op deze van het justitiepaleis van Brussel (30). Carpentier berekende de prijzen van de werken op basis van de plannen en maakte de meetstaten op. Dat deze medewerkers een zekere faam verwierven tijdens de bouw van het paleis, blijkt uit het feit dat het overlijden van Carpentier in 1882 vermeld werd in het tijdschrift L'Émulation (31).

De fundamenten, Sectie I en Sectie II Eén van de belangrijkste problemen bij de aanvang der werken vormde de grote hoogteverschilen van de niveaus van het bouwterrein. Hierdoor dienden de fundamenten erg hoog te worden uitgewerkt. Op sommige plaatsen reikten ze 14,50 m hoog, onder de vieringspijlers zelfs 18,50 m. In totaal

••i werden meer dan 100.000 kubieke meter steenblokken en baksteen gebruikt voor de aanleg van deze fundamenten die werden uitgewerkt als gestapelde arcadebogen. Deze werken werden uitgevoerd door de firma Tanneveau voor een bedrag van 1.616.803,55 fr-

Grondplan van een deel van de door Tanneveau al C' Entrepreneurs gerealiseerde fundamenten van het justitiepaleis van Brussel, omstreeks 1867 ( © Brussel, Algemeen Rijksarchief)

Het bestek voor de bouw van het eigenlijke justitiepaleis werd goedgekeurd op 16 juli 1868. De werken waren opgesplitst in twee delen of sections. Een eerste sectie omvatte de verdere werken vanaf de fundamenten tot aan het niveau van het rez-de-chaussée, oftewel de onderste verdieping. De tweede sectie omvatte de twee bovenste verdiepingen die samen het rez-dechaussée vormden, inbegrepen het leggen van het dak. Deze laatste sectie was ingedeeld in twee fazen, genaamd rez-de-chaussée inférieur en rez-dechaussée supérieur. Op 22 augustus werden de werken toegewezen aan de aannemer Louis Devestel-Delille uit Brugge. De werken aan de eerste sectie werden

M&LI ^9


Bouwtekening met doorsneden van het rez-de-chaussée inférieur van het justitiepaleis van Brussel, 1868 (Brussel, Algemeen Rijksarchief, foto O. Pauwels)

Bouwtekening met doorsnede

door Devestel uitgevoerd volgens een forfaitaire prijs, die mede was berekend op basis van door de overheid ingestelde eenheidsprijzen. De aannemer had ook de beschikking over de nodige detailplannen, waarvan vermeld wordt dat ze op 16 juli 1868 voltooid waren. Devestel kreeg de opdracht nadat hij ingeschreven had voor een totale forfataire prijs ten bedrage van 3.062.149, 21 fr. Deze prijs was aanzienlijk minder dan de schatting die de diensten van Wellens hadden gemaakt en 3.362.835,36 fr. bedroeg.

van de deuxième section (première portie) van het justitiepaleis van Brussel, 1870 (Brussel, Algemeen Ri)ksarchief, foto O. Pauwels)

20

IM L

Het bestek voorzag dat de aannemer de nodige plannen en meetstaten zou krijgen wanneer hij aan de tweede sectie, het rez-de-chaussée, zou

beginnen. Ook voor dit deel diende de aannemer een forfaitaire prijs te geven. Op het ogenblik dat de werken aan de tweede sectie begonnen, waren deze plannen echter niet af en werden de werken en régie verder gezet met behulp van meetstaten. Hiervoor maakte men gebruik van de eenheidsprijzen die waren vastgelegd voor de eerste sectie, waarbij men wel rekening hield met serieuze prijsverhogingen, onder meer voor het metselwerk aan de muren naarmate die hoger gelegen waren. Labye vermeldt dat het bestek van 16 juli 1868 reeds op 22 oktober van datzelfde jaar werd gewijzigd. Deze wijzigingen betroffen vooreerst enkele bepalingen over de controle op de keuze van de toegepaste steensoorten. In een apart artikel werden


ook enkele deadlines opgenomen die bepaalden dat de aannemer de werken aan de eerste sectie voltooid diende te hebben op i juni 1871 en de werken aan de tweede sectie op 1 juni 1875 (32).

Toenemende kosten bij de aanvang der werken De correspondentie bewaard in het Stadsarchief toont duidelijk aan dat slechts een aantal jaren na de start van de bouwwerken de kosten zodanig opliepen dat de tijd die nodig was om de budgetten goed te keuren, nauwelijks volstond om de snelheid van de uitgaven te dekken. Bij aanvang van de werken op basis van het bestek van 16 juli 1868 beschikte men over 6.000.000 fr. die in drie schijven door het parlement waren goedgekeurd, met name op 8 september 1859 (2.000.000 fr.), op 8 juli 1865 (3.000.000 fr.) en op 31 maart 1868 (1.000.000 fr.). Nog in 1868 hadden de Provincie Brabant 600.000 fr. en de Stad Brussel 300.000 fr. bijkomende kredieten gestort. Op 31 december 1869 bedroegen de kosten voor de bouw van het justitiepaleis al 5.918.069,91 fr. waarvan meer dan

de helft was uitbesteed aan het verwerven van het bouwterrein via gerechtelijke procedures (voor een totaal van 1.290.308,68 fr.) of via onderlinge toestemmingen (voor een totaal van 1.993.328,10 fr.). Aan de aannemers van de werken was 2.516.088,72 fr. uitgekeerd terwijl Poelaerts ereloon 86.889,94 frbedroeg (33). Het beschikbare budget volstond echter niet voor de werken van 1870, die geschat werden op 1.600.000 fr. Hierop zag de minister van Justitie zich genoodzaakt de Stad Brussel aan te sporen enige soepelheid aan de dag te leggen om haar deel van de budgetten ter beschikking te stellen. In de loop van de jaren 1870 en 1871 droegen de Stad Brussel en de Provincie Brabant respectievelijk 300.000 fr. en 400.000 fr. bij. Op het einde van het jaar 1871 beliepen de kosten voor het gebouw echter 8.000.914, 81 fr. waardoor er in feite een klein tekort was ontstaan (34). In de loop van het jaar 1872 werd dit bijgewerkt doordat de Staat 975.000 fr. ter beschikking stelde, de Provincie Brabant 600.000 fr. en de Stad Brussel 400.000 fr. In de jaren 1873 en 1874 gaf de Staat in het totaal 2.525.000 fr., de Stad Brussel 750.000 fr. en de Provincie Brabant 500.000 fr.

(Ui

•

M&LI 21


Architect Joseph Poelaert

Portret van Poelaert

53 wedstrijdontwerpen voor het herdenkingsteken van het Nationaal Congres. Wanneer Dens zich even later terugtrok, kreeg Poelaert de opdracht toegewezen. In 1850 kreeg Poelaert ook de opdracht van het Brusselse stadsbestuur om een nieuw ontwerp te maken voor de Sint-Katelijnekerk, nadat deze kerk beschadigd was door een overstroming. In hetzelfde jaar ontwierp Poelaert ook de decoratie die ter gelegenheid van de begrafenis van koningin Louise-Marie werd opgesteld in de Sint-Michiel en Sint-Goedelekerk.

(uit H. HYMANS, Bruxelles d travers les ages, 1884, foto H. Denis)

JOSEPH POELABRT ( l 8 l 6 - l 8 7 g ( .

Arcbitecte du Palais de justice.

Joseph Poelaert kwam ter wereld op 21 maart 1817. Hij was de zoon van Jean-Philippe Poelaert, een succesvolle aannemer en steenhandelaar. Samen met zijn broer Victor genoot hij vanaf 1836 een opleiding aan de Koninklijke academie van schone kunsten te Brussel. Hier kreeg hij les van TilmanFrangois Suys (1783-1861), die omstreeks 1838 zelf een project had gemaakt voor een nieuw Brussels justitiepaleis. Vervolgens studeerde Joseph Poelaert in Parijs, mogelijk bij de Franse architect Louis Visconti (1791-1853) ofwel bij Jean-Nicolas Huyot (1780-1840). Daarna maakte hij een studiereis door Duitsland samen met zijn broer en de Antwerpse beeldhouwer Gilles-Hyacinthe Mélot (1). In 1846 won Poelaert de wedstrijd om het gedenkteken te ontwerpen van burgemeester Nicolas Rouppe. Datzelfde jaar ontwierp hij ook een decor voor het feest van de Société de Commerce op de binnenplaats van het stadhuis van Brussel. In 1847 werd hij aangenomen als tekenaar en inspecteur van de gebouwen bij de Stad Brussel. Hij maakte ontwerpen voor de kazerne van het Klein Kasteeltje, het Barricadeplein en de gemeenteschool aan de Zuidlaan nr. 6, die gebouwd werd tussen 1849 en 1851. In 1850 werd een project van Poelaert en één van Pieter Dens (1819-1901) weerhouden uit

22 I M&L

In de volgende jaren werkte Poelaert aan twee hotels aan weerszijden van het plein van de Congreskolom en ook aan de (thans verdwenen) gemeenteschool in de Schaarbeekstraat nr. 9. Hij maakte ook een ontwerp voor een kapconstructie aan de voorgevel van het Parktheater. In 1852 werd hij uitgeroepen als winnaar van de wedstrijd voor het maken van een ontwerp voor de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Laken, waaraan hij onder een pseudoniem aan had deelgenomen. De eerste steenlegging van deze kerk vond plaats in 1854, net als voor de Sint-Katelijnekerk. In 1855 kreeg Poelaert de opdracht voor de reconstructie van Koninklijke Muntschouwburg, die door een hevige brand was beschadigd. Bij de wedstrijd voor het maken van een nieuw ontwerp voor de Muntschouwburg werd geen winnaar uitgesproken. Tijdens een geheime beraadslaging van het Brussels Stadbestuur werd de opdracht aan Poelaert toevertrouwd. In januari 1856 werd Poelaert benoemd tot stadsarchitect en op 3 april 1856 tot ridder in de Leopoldsorde. De benoeming tot stadarchitect was een opmerkelijk feit aangezien deze post voordien niet officieel bestond. Uit de studie van Martiny blijkt dat Poelaert reeds geruime tijd daarvoor moeite had om zijn openbaar ambt bij de Stad Brussel te kunnen combineren met zijn succesrijke privépraktijk. Martiny vermoedde dat de titel van stadarchitect misschien was uitgeschreven met de bedoeling Poelaert binnen de stadsdiensten te kunnen houden. Poelaert nam het voorstel aan, maar reeds op 17 juni 1859 nam hij definitief ontslag als stadsarchitect.


In het Stadsarchief van Brussel worden een aantal plannen uit 1857 bewaard, van projecten waarvoor Poelaert ontwerpen heeft gemaakt in dienst van de stad: onder meer voor een paviljoen aan de Verlaatstraat in Eisene, voor de restauratie van een vleugel van één van de gebouwen van de Vrije Universiteit van Brussel en voor twee aedicula in het park van Brussel. In 1858 maakte hij nog een ontwerp voor het hekwerk en een kiosk aan de Keulse Poort en in het voorjaar van 1859 voor de vergroting van het kerkhof van de parochie van de Miniemenkerk in Sint-Gillis. Mogelijk werkte hij omstreeks deze tijd ook nog aan de plannen van de nieuwe brandweerkazerne aan het plein van het Jeu de Balie, die in i860 door het Stadsbestuur werden goedgekeurd. We zien echter dat Poelaert tussen 1857 en 1859 ook nieuwe privé opdrachten aannam, waaronder de bouw van het kasteel van de industrieel en volksvertegenwoordiger Louis André Faignart ( | 1882) in Sint-Vaast en van het nog bewaarde kasteel La Closière nabij La Louvière in opdracht van de industrieel Victor Boch (1817-1920), hoofd van de faiencefabriek BOCH Frères. Eveneens in 1859 presenteerde hij een aantal nieuwe plannen voor de Sint-Katelijnekerk, maar de leiding over de verdere werken werd in i860 toevertrouwd aan Wynand Janssens (1835-?).

de Eer was geworden en hij een gouden medaille had ontvangen tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs.

(1) Voor het leven van Joseph Poelaert: MARCHAL E., Poelaert (Joseph), in Biographie nationale, XVII, Brussel, 1903, kolom 849-862 en MARTINY V.G., Poelaert et son temps, in Poelaert etHet door BenoTt ontworpen son temps (tent. cat.), Brussel, 1980, p. 9-22. Verdere informatie grafmonument van in CABRIS E., De Munt. Drie eeuwen geschiedenis van het gebouw,Jozef Poelaert Tielt, 1996 en HOUBART C, De kolom op het Congresplein, in op het kerkhof van Laken Majl, 2005, 24, 6, p. 41-56. (foto O. Pauwels)

Na zijn ontslag als stadarchitect, werkte Poelaert voornamelijk verder aan de bouw van de kerk van Laken. Het is niet onmogelijk dat hij nog andere private opdrachten aannam. In opdracht van een zekere dokter Goffin ontwierp Poelaert twee, thans verdwenen hotels in de Gulden Vlieslaan maar hun exacte datering is onzeker. Poelaert realiseerde ook een eigen woonst aan de Waterloolaan nr. 13 die eveneens niet precies te dateren valt en thans is verdwenen. In 1862 kreeg Poelaert tenslotte de opdracht voor de bouw van het justitiepaleis van Brussel. Op 23 juni 1865 nam hij ontslag als architect van de kerk van Laken zodat hij zich exclusief kon wijden aan het justitiepaleis van Brussel, waarvan de bouw ongeveer een jaar later startte. Poelaert stierf op 3 november 1879. Dat hij op dat ogenblik een enorm aanzien genoot, bewijst het feit dat hij het jaar voordien, ridder in het Legioen van

M&L I 23


Het eerste rapport van Le Hardy de Beaulieu van 21 maart 1873 In het voorjaar van 1873 was het parlement op overtuigende wijze ingelicht dat de kosten van het Brussels justitiepaleis bij de aanvang van de werken schromelijk waren onderschat. Op 21 maart 1873 - op een ogenblik dat op sommige plaatsen de muren over geheel de hoogte van het rez-de-chaussée voltooid werden - legde Kamerlid baron JeanAdolphe le Hardy de Beaulieu (1814-1894) een eerste rapport neer waarin onmiskenbaar werd aangetoond dat de kosten het veelvoud van hun oorspronkelijke begroting zouden bedragen (35). In zijn rapport, dat hij had gemaakt in de hoedanigheid als lid van la section centrale, maakte het Kamerlid een vergelijkende kostenstudie tussen het justitiepaleis van Brussel, dat van Londen en het operagebouw van Parijs. De bouw van het justitiepaleis van Londen startte in 1873 nadat het ontwerp vijfjaar voordien toegewezen was geweest aan George Edmund Street (1824-1881). Voor de bouw ervan werd gebruik gemaakt van een gotische stijl, waarover le Hardy de Beaulieu meldde dat deze beter paste bij het lokale klimaat. De opera van Parijs van de hand van Charles Gamier (1825-1898) werd gebouwd tussen 1861 en 1875. Hoewel het een verschillende functie en een kleinere bouwoppervlakte had, vond het Kamerlid dat het de moeite loonde het te vergelijken met het justitiepaleis van Brussel, omdat het ook monumentaal was en voorzien was van rijkelijke geornamenteerde buitenmuren. Van beide gebouwen had le Hardy de Beaulieu gedetailleerde afrekeningen die hij gekregen had van la commission royale anglaise pour la construction des nouvelles cours de justice en van Léon Say (1826-1896), minister van Financiën van Frankrijk.

Om de vergelijking te maken nam le Hardy de Beaulieu telkens het eigenlijke bouwwerk in ogenschouw zonder fundamenten en omgevingswerken. Van de opera van Parijs berekende le Hardy de Beaulieu dat het bouwwerk (22 millions de pieds cubes a 47 millions) 55,32 fr. per kubieke meter kostte. Dit cijfer paste hij vervolgens toe op het Brusselse justitiepaleis waarvan hij de inhoud had berekend op 742.516 kubieke meter (zonder fundamenten). Aldus zou de bouw van het paleis

van Brussel volgens le Hardy de Beaulieu 41.076.012,78 fr. bedragen waarbij nog ongeveer 11.000.000 fr. kosten bijkwamen voor de aankoop van de terreinen, de bouw van de fundamenten, de omgevingswerken alsook de afwerking van het interieur. Het Londense justitiepaleis werd door experten begroot op 1.523.273 pond of 41.000.000 fr. en diende een inhoud van 26.519.318 kubieke voet te krijgen, een hoeveelheid die erg vergelijkbaar was met deze van het Brusselse justitiepaleis (742.516 x 35,32 = 26.255.665,12 kubieke voet) (36). Voor de berekening van de bouwkosten van het Brusselse justitiepaleis gebruikte le Hardy de Beaulieu wel een iets lager gemiddeld cijfer per kubieke voet dan in Londen, omdat in Brussel de zalen hoger waren voorzien. Aldus schatte het Kamerlid op basis van de geschatte bouwkosten van het Londense justitiepaleis de bouw van het Brusselse justitiepaleis op 35.404.647,75 fr., waarbij vervolgens wederom ongeveer 11.000.000 fr. opgeteld diende te worden voor extra werken. Hoewel hij erkende dat deze bedragen aanzienlijk waren, bepleitte het Kamerlid toch dat het Brusselse justitiepaleis voltooid diende te worden: "Ces chiffres paraitront fahuleux; mais nous ne devons pas oublier qu'il s'agit d'une construction monumentale, faite en matériaux, durs, solides et choisis et qui s'étend surplus de deux hectares de surface et dans un situation exceptionnellement désavantageuse" (37).

Le Hardy de Beaulieu wees er vervolgens wel op hoe in het bestek nalatigheden waren gebeurd, alsook hoe talrijke prijzen erg laag waren ingeschat. Zo waren er in het bestek geen posten voorzien voor het stucwerk en de plafonds, de verlichtingsapparaten, het meubilair en de schoorstenen. Onder meer de prijzen voor de dakwerken (369.196,44 fr. tegenover 670.000 fr. voor de opera van Parijs), de ijzeren structuren (893.562,68 fr. tegenover 4.530.000 fr. voor de opera van Parijs), de leidingen (180.000 fr. tegenover 670.000 fr. voor de opera van Parijs) en het marmerwerk (21.850 fr. tegenover 1.oio.000 fr. voor de opera van Parijs) waren volgens het Kamerlid weinig realistisch. Uit het verslag blijkt ook dat op dat ogenblik nog steeds niet beslist was of het gebouw met een koepel uitgerust mocht worden: "La question du dome est encore ouverte. Est-il possible de supprimer le dome sur un monument dont l'architecture tout entière est congue en


vue de ce couronnement?Je ne Ie pense pas. Un monument incomplet n'estpas un monument, c'est une mine anticipée" (38). Het verslag van Le Hardy de Beaulieu gaf op 20 juni 1873 (tijdens een zitting waarbij de budgetten voor Openbare Werken goedgekeurd dienden te worden) aanleiding tot een fel debat binnen de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Tijdens de zitting betwistte De Lantsheere op uitvoerige wijze de cijfers en berekeningsmethoden die Le Hardy de Beaulieu had gebruikt. Zijn betoog was echter weinig overtuigend en op het einde van het debat stelden enkele parlementariërs voor om het paleis niet verder te voltooien en het project volledig op te geven. Toen de dag erop de debatten over het justitiepalies werden hervat, pleitte Le Hardy de Beaulieu, ondanks de kritische aard van zijn rapport, er opnieuw voor om het paleis volgens de initiële opzet te voltooiien. De parlementariër stelde dat een onderbreking van de bouw en het slechts gedeeltelijk afwerken van de constructie van het gebouw niet in overeenstemming zouden zijn met het kunstzinnige karakter van het paleis. Hij waarschuwde zijn collega's er tevens voor dat deze beslissing niet zou leiden tot een echte besparing maar veeleer tot een onbruikbaar bouwwerk.

Tijdens het debat nam ook Bara, de voormalige minister van Justitie en op dat ogenblik parlementslid, het woord en berichtte hij dat de hoge kosten van het paleis aanleiding hadden gegeven in de pers om de liberalen te beschuldigen van verspilling. Verontwaardigd wees Bara er op dat de katholieke ministers zich niet anders hebben gedragen dan de liberale ministers en dat er dus hoogstens sprake kan zijn van een gedeelde verantwoordelijkheid: "Done s'ily a crime, il est partagé, et ce n'est pas le crime exclusifdes libéraux" (39). Bara nam ook het woord op tegen zijn partijgenoot Le Hardy de Beaulieu en stelde dat als men belangrijke monumenten wenste te bouwen, men niet steeds kan eisen dat alle plannen en meetstaten op voorhand voltooid zouden zijn. Hierop antwoordde Le Hardy de Beaulieu boudweg dat dat nochtans gebruikelijk is in Engeland waarop Bara repliceerde: "Je ne sais pas ce qui cefait en Angleterre, maisje vais dire a l'honorable membre ce quej'ai fait et ce quej'ai pu faire quandje suis arrive au ministère de la justice.

J'ai dit auxfonctionnaires que je ne voulais rien dépenser sons avoir l'assurance que tout seferait régulièrement. J'ai demandé tous les plans a l'architecte, il n'a pas pu me les donner et il m'a dit: Si vous n'étes pas content, je vous abandonne. Que fallait faire? Aller trouver le premier architecte venu, cela n'estpas sérieux. Au surplus, l'architecte a entendu se réserver le droit de modifier son ceuvre. Notez, messieurs, que c'est une ceuvre d'art. J'ai insisté, mais c'est tout ce quej'ai pu faire" (40).

Zicht op de Mlmemenkerk vanuit het peristylium van het justitiepaleis van Brussel, glasnegatief uit het begin van de ao" 6 eeuw {foto persdienst Regie der Gebouwen)

1VI&L

25


Belgische en Franse steen Wellens schreef in zijn boek dat Poelaert aanvankelijk enkel witte Franse steen had willen gebruiken voor de constructie van de gevels van het paleis. De Belgische Staat drukte echter omstreeks 1870 de wens uit om ook Belgische blauwe hardsteen te gebruiken, wat ertoe heeft geleid dat de buitengevels een bichroom kleureneffect verkregen. Het is niet helemaal duidelijk of de keuze om op dat ogenblik blauwe hardsteen te gebruiken bepaald werd door nationaal-economische belangen of door de in 1870 uitgebarsten Frans-Duitse Oorlog die de aanvoer van Franse steen bemoeilijkt heeft (41). Volgens een tableau comparatifdat door Engels was opgemaakt op 12 december 1877 waren op dat

26 I M L

ogenblik 14.880,43 kubieke meter blauwe steen gebruikt voor de constructie van het gebouw. Hierbij kwamen dan nog 1448,56 kubieke meter voor de vier massieve kolommen onder de koepel die in een aparte post werden vermeld (42). Poelaert had een uitgebreide ervaring opgedaan met het gebruik van Franse steen op de werf van de kerk te Laken, waaronder steen van Euville, Banc Royale, Vergelé, Roche Pajot (Saint Maximin), Anstrude, D'Audun Ie Tiche en Comblanchien. Voor de afwerking van de buitengevels van het Brusselse justitiepaleis viel de keuze op de Bourgondische steen van Comblanchien, die aan proeftesten was blootgesteld. Op het einde van het jaar 1877 was er van deze steen 5585 kubieke meter gebruikt. Ook


voor de constructie van de trappen van het interieur en delen van de colonnades van de koepelbekroning werd deze steen toegepast. Andere Franse stenen die werden toegepast voor de bouw van het paleis zijn deze van Ravières (aan de binnenzijde van het peristylium), van Tercé (onder meer voor de borstweringen van de buitengevels), van Larys (voor poortomlijstingen van het interieur), van Hauteville (voor plinten en zuilbasissen van de salie des pasperdus alsook balustrades van de koepelconstructie), van Morley (in het interieur) en van Vendeuil (voor de balustrades in het peristylium). Andere stenen die gebruikt zijn geweest, zijn deze van Savonnières, van Euville en van Chateau-Gaillard. Verder wordt ook melding gemaakt in de teksten van pierre blanche dite liais de Grimault (Cote-d'Or), roche de

saint Elie (Jura) en rochejaune de l'Échaillon n° 3 (Isère) (43). Belgische Gobertangesteen werd aangewend voor de uitwerking van de muren van de binnenkoeren, vermoedelijk omdat deze steen niet kon worden geleverd in grote formaten. Naarmate de bouw van het monument vorderde, groeide de verontwaardiging over het gebruik van de Franse steen voor dit belangrijke Belgisch monument. Deze kwestie vormde op 24 april 1877 het onderwerp van een debat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. De aanleiding hiertoe was een aanbesteding die uitgeschreven was voor de trappen en vloeren van de gangen die leiden van de Rue des Sabots (thans Wynantstraat) naar de militaire rechtbank. Hiertoe was op 28 augustus

Bouwtekening met opstand van de gevel aan de Wynantstraat van het justitiepaleis van Brussel, niet gedateerd{Brussel, Algemeen Rijksarchief, foto O. Pauwels)

1VI&L I 27


Ar?M(f.

3WÏ* C W t u s « )OW.< "L ivvVviC

"LL V I X U H I I

1

lLV

WAVMA«\*V. ' I, L H U l j t U c

i..i',.lü\..^,.r,.ll ]n,;u. w

!»i > wmryrr/r

•

-i

.. '

-

Tte=x

s;

Bouwtekening met opstand en verticale doorsnede van de omlijsting van de toegangsdeur van de zittingszaal van de Mili-

Bouwtekening met opstanden

taire Rechtbank van het justitie-

van de griffioenen op de gevel

paleis van Brussel, ondertekend

aan de Miniemenstraat van het

op 12 januari 1871 door Poelaert

justitiepaleis van Brussel,

en op 12 januari door Marcq

ondertekend op 1 april 1876 door

(Brussel, Algemeen Rijksarchief.

Carpentier met aanduiding in

foto O. Pauwels)

blauw krijt van de geplaatste steenblokken {Brussel. Algemeen Rijksarchief, foto O. Pauwels)

28 I M L

;•


CffiAND

E^CALIE^T

VESTIBULE ffIIE DEfi MlJÏÏMd

-Etéwhoij (/es M/ry

ctec/n/fr

Bouwtekening met ontwerp voor een deel van de trap die leidt naar de Miniemenstraat van het justitiepaleis van Brussel, ondertekend op i december 1870 door Poelaert

Bouwtekening met opstand van

{Brussel, Algemeen Rijksarchief,

deel van de trap naar de Mime-

foto O. Pauwels)

menstraat van het justitiepaleis van Brussel, ondertekend op 8 juni 1882 door Carpentier met opschrift in blauw krijt ö exécuter par M' Houtstont (Brussel, Algemeen Rijksarchief, foto O. Pauwels)

I

M & L I 29


1877 een offerte goedgekeurd die was ingediend door Adolphe Violet, Propriétaire des carrières de Belvoye, Damparis el Sampans (Jura) met burelen te Parijs, iihk, rie S' Amaud. Deze toekenning lokte echter protest uit van enkele Belgische steenleveranciers, waaronder de firma Devillers ei C".

Bouwtekening met opstand van de voorgevel van het justitiepaleis van Brussel uit 1872 met niet uitgevoerd ontwerp voor koepel ( © Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)

30 I M

L

Zij waren immers buiten concurrentie gesteld omdat in de prijsaanvraag één bepaalde Franse steen was geëist: deze van Vaudereyse of van Vendresse. Tot hun verbazing bleek echter dat Violet er in was geslaagd de opdracht te verkrijgen met de steen van Belvoye (ook wel steen van Sainte Isly genoemd). Volgens de Belgische leveranciers kon deze steen niet met deze van Vaudereyse vergeleken worden en was hij minderwaardig van kwaliteit. Tijdens het debat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers verklaarden Le Hardy de Beaulieu en burgemeester en parlementslid Jules Anspach (1829-1879) bovendien dat er een onfris kantje aan de toekenning vastzat, omdat Violet meermaals verklaard zou hebben dat hij de beschikking had over de plannen. Le Hardy wees De Lantsheere er bovendien op dat Violet van plan

was om de stenen door zijn eigen personeel in Frankrijk op maat te laten kappen op een ogenblik dat duizenden Belgische marmerbewerkers zonder werk zaten en leefden van de openbare bijstand. De minister antwoordde hier op dat de ingediende prijs van Violet (32.664 fr.) beduidend lager was dan deze van Devillers (49.349,60 fr.) en dat Poelaert en Wellens na het zien van stalen overtuigd waren van de kwaliteit van de Franse steen (44).

Nieuwe ontwerpen voor de koepel Het oorspronkelijke ontwerp uit 1862 toont een aanzienlijke koepelconstructie met een afgeplatte koepelschil en een tamboer met zuilen op vierkant grondplan, geplaatst op een getrapte sokkel en massieve onderbouw. Op de tekening met doorsnede van 1862 is ook te zien dat Poelaert het gewicht van de koepel niet exclusief liet dragen op de vier centrale grote pijlers maar dat hij extra steun had voorzien door bijkomende vrijstaande zuilen en pilasters in de salie des pas-perdus op te stellen.


Wanneer de werken in 1866 waren gestart, was er voorbehoud gemaakt voor de uitvoering van een koepel. Dit hield Poelaert niet tegen om plannen te maken voor een nieuw koepelproject terwijl de werken aan het rez-de-chaussée vorderden. Een plan uit 1872 bewaard in de bibliotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis toont een door Poelaert ondertekend project van het justitiepaleis met een koepelbekroning waarvan de hoogte verdriedubbeld is geworden tegenover het originele project. De twee onderste verdiepingen vormen een massief ogende onderbouw. Het middelste gedeelte bestaat uit een van zuilen voorziene tamboer op vierkant grondplan met hierboven een tweede tamboer op een achthoekig grondplan, afgewerkt met cartouches en bekroond door een lijst met driehoekige frontons. De vijfde verdieping wordt gevormd door een derde tamboer met zuilen op een cirkelvormig grondplan. De koepelschil is enigszins afgeplat en voorzien van een lantaarn. Dit plan werd gehandtekend door Poelaert op 6 november 1872 en werd volgens het opschrift op het plan in het najaar van 1873 voorgelegd aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Het feit dat dit plan aan de Koninklijke commissie werd gepresenteerd is enigszins verrassend aangezien de oorspronkelijke plannen van het justitiepaleis nooit werden voorgelegd. Dit blijkt onder meer uit een opmerking die baron JeanBaptiste Bethune (1821-1894) maakte tijdens de vergadering van de commissie van 31 maart 1868 over de kerk van Laken waar op dat ogenblik stabiliteitsproblemen waren vastgesteld. Meerdere leden reageerden verontwaardigd over het feit dat commissie nooit over dit project geconsulteerd was geworden, waarop Jean-Pierre Cluysenaar (18111880) opmerkte dat ook de restauratiewerken van het stadhuis en het project van het justitiepaleis nooit waren voorgelegd aan de commissie. De discussie werd echter niet verdergezet omdat Wellens de vergadering abrupt afsloot. Of hij dit deed omdat hij weinig opgetogen was met deze opmerking of omdat men reeds erg lang vergaderde, is helaas niet duidelijk uit de tekst af te leiden. In de verslagen van de vergadering van september en oktober 1870 wordt wel melding gemaakt van het voorleggen van plannen, een meetstaat en een prijs schatting van het Brusselse

justitiepaleis, die betrekking hadden op een deel van het bouwwerk entre Ie niveau du rez-de-chaussée et celui de l'étage (45). In het plannenbestand op het Brusselse Rijksarchief worden thans nog een reeks plannen bewaard die we met deze verslagen in verband kunnen brengen. Het zijn plannen met doorsneden van het rez-de-chaussée, deuxième section, telkens op 8 oktober 1870 gehandtekend door Renier Chalon (1802-1889), vice-voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Toch namen deze consultatie uit 1870 en deze van het koepelproject van 1872 de ongenoegens van de commissie niet weg. Op 13 april 1876 schreven de leden van de commissie een brief aan De Lantsheere waarin zij verklaarden dat zij geen standpunt over het ontwerp van de koepel wensten in te nemen omdat dit slechts een onderdeel van het volledige, door de regering destijds goedgekeurde project betrof (46). Nadat het koepelproject van 1872 bekritiseerd was geworden maakte Poelaert een nieuw ontwerp (47). Dit werd op 20 juni 1876 door de regering goedgekeurd nadat het aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers was voorgelegd. Wellens vermeldde in een brief aan De Lantsheere op 12 november 1875 ^at dit project vier uitstekende delen met bronzen leeuwen had en dat de eerste galerij (waarmee vermoedelijk de onderste tamboer wordt bedoeld) was voorzien van uitstekende zuilen op de hoeken (48). In het najaar van 1876 paste Poelaert zijn ontwerp aan. Hij maakte het iets kleiner en besloot onder meer de bronzen leeuwen weg te laten (49). Op 17 februari 1877 werd het nieuwe ontwerp door het parlement goedgekeurd. Er zijn ons geen plannen bekend die het op 20 juni 1876 goedgekeurde project afbeelden. In de door Vandenbreeden gedeeltelijk gepubliceerde private collectie worden er wel drie tekeningen van de koepel bewaard waarop leeuwen te zien zijn alsook acht vrijstaande zuilen op de hoeken van de onderste tamboer. De tekeningen zijn erg verfijnd en kunstig getekend waardoor het niet uitgesloten is dat het voorontwerpen zijn voor de koepel van de hand van Poelaert. Twee andere tekeningen uit de collectie tonen varianten van de koepel, waarvan één sterke gelijkenissen vertoont met de in 1875 gefotografeerde maquette en een andere met de koepelbekroning van 1862. Ook van


Schetsontwerp van de koepel van het justitiepaleis van Brussel, mogelijk van de hand

deze tekeningen kan niet uitgesloten worden dat ze daadwerkelijk van de hand van Poelaert zijn (50).

van Poelaert (private collectie)

Schetsontwerp van de koepel

In de private collectie wordt ook een tekening bewaard met een grondplan met opschrift Projet d'un Palais de Justice pour Bruxelles. De grondoppervlakte van het hier afgebeelde paleis bedraagt ongeveer 20.000 vierkante meter, wat er op lijkt te wijzen dat het geen wedstrijdontwerp uit i860 is (met een in het reglement bepaalde oppervlakte van 16.000 vierkante meter) maar dat het te dateren valt in de periode nadat de wedstrijdcommissie zich gerealiseerd had dat het justitiepaleis een oppervlakte van 20.000 vierkante meter diende te hebben. Een aantal eigenschappen van dit plan, waaronder de schikking van de zalen in het interieur en de aanwezigheid van de twee uitstekende paviljoenen in de voorgevel, komen sterk overeen met het gerealiseerde justitiepaleis. Hoewel het plan niet gedateerd of gesigneerd is, kunnen we ook hier niet uitsluiten dat dit in het net uitgewerkte ontwerp van de hand van Poelaert is.

van het justitiepaleis van Brussel, mogelijk van de hand van Poelaert (private collectie)

32 I M & L

Twee andere koepelprojecten voor het Brussels justitiepaleis zijn ons bekend van foto's van thans verdwenen plaasteren maquettes. Op een foto uit 1875 van een maquette van het gehele bouwwerk is het justitiepaleis te zien met de uitgevoerde gevels van het rez-de-chausée maar met een koepel die sterk verschilt van de huidige koepel. De koepelconstructie van deze maquette bestaat uit een onderbouw, twee tamboeren op vierkant grondplan en een veeleer kleine koepel bekroond met een lantaarn (51). Vermoedelijk is het deze maquette waarvan het parlementaire verslag van 6 juni 1879 vermeldt dat ze vervaardigd werd door Sr D'Union, mouleur en platre et artiste sculpteur voor de som van 22.875,54 fr., alsook dat ze tentoongesteld was op de Exposition Universelle van 1878 te Parijs. Een ander koepelontwerp is zichtbaar op een prent met drie geassembleerde foto's die in 1881 in het tijdschrift Revue de l'Architecture en Belgique werd gepubliceerd. Op de grootste foto van deze prent is een maquette van het justitiepaleis te zien die de uitgevoerde koepel toont in doorsnede (inbegrepen de salie des pas-perdus en een deel van de trap die leidt naar de Rue des Minimes). Op twee kleinere foto's opgenomen in de prent zijn twee andere maquettes met een koepelbekroning van het


Twee schetsontwerpen van de koepel van het justitiepaleis van Brussel, mogelijk van de hand van Poelaert, te dateren omstreeks 1876 (private collectie)

Schetsontwerp van de koepel van het justitiepaleis van Brussel, mogelijk van de hand van Poelaert, te dateren omstreeks 1876 (private collectie)

M&L I 33


Ontwerp met grondplan voor het justitiepaleis van Brussel, te dateren omstreeks i86i (private collectie)

34 I M

L


Binnenkrant Nr. i68 Bijlage bij M&.L 30/4 juli-augustus 2011


ting van de "gewijde grond" duidelijk onderscheiden van de

eschermingen Bes

gronden daarbuiten. De vondsten die door het archeologisch onderzoek worden blootgelegd leveren het ontegensprekelijke bewijs dat een kerk met haar omringend kerkhof één onlosmakelijk verbonden historisch geheel vormt.

CU

Ö

Het hekken rond de dekanale Sint-Pieter en Barbarakerk is

Rudy De Graefel Greet Plomteux

meer dan alleen maar een afsluiting; het ontsluit de kerkelijke, civiele en juridische geschiedenis van Turnhout.

•i-H

PQ

HEKWERK GROTE MARKT TURNHOUT

De begin 20s,e-eeuwse begrenzing, die niet helemaal dezelfde was als de iS^-eeuwse, is het gevolg van een weloverwogen

De bescherming

stedenbouwkundig plan dat niet alleen de 'gewijde gronden'

De hekken rond de Sint-Pieter en Barbarakerk met inbegrip van

op gepaste wijze van vandalisme wilde vrijwaren, maar tevens

de groene zone tussen de kerk en de hekken en de zich erin

een groene bufferzone aanbracht als overgang tussen de inge-

bevindende beelden, gelegen te Turnhout, Grote Markt werden

togenheid van het religieus monument enerzijds en de drukte

op 6 april 2011 als monument beschermd. De historische,

van de stad anderzijds. Deze begrenzing omvatte ook de gril-

meer bepaald de historisch-stedenbouwkundige en de archi-

lige contouren van de kerk in een consistenter geheel dat door

tectuurhistorische waarde, de artistieke en de industrieel-

zijn vormgeving refereert aan de i8de-eeuwse Van Baurscheit-

archeologische waarde staven het gemotiveerd advies.

fase en in zijn detaillering een artistieke meerwaarde geeft aan zowel de kerk als het omringende plein.

De dekanale kerk van Sint-Pieter en Barbara is grotendeels het

Ontwerp en verloop van het hekken rond de Sint-Pieter en

resultaat van 15*- en i8 -eeuwse bouwcampagnes en was

Barbarakerk kunnen wellicht worden toegeschreven aan Jules

zoals gebruikelijk omgeven door een kerkhof. Een duidelijke

Taeymans. De impact van de provinciale bouwmeesters in het

afbakening onder de vorm van een kerkhofmuur markeerde de

laat I9 de , begin 20s,e-eeuwse Turnhoutse stadsbeeld is immers

grenzen van de kerkelijke immuniteit. Bij de heraanleg van de

alom aanwezig. Zij begeleidden er de restauratiewerken aan de

Grote Markt in de periode 1904-1909, namelijk de afbraak van

belangrijkste historische monumenten zoals het kasteel en het

de

de oude kerkhofmuur en de oprichting van de thans bescherm-

begijnhof, ontwierpen er vrijwel alle nieuwe openbare gebou-

de afsluiting, werden de verwijzingen naar deze eeuwenoude

wen en waren meestal ook erg productiefin de private sector.

instelling gerespecteerd. De recente opgravingen legden funderingen van de oorspronkelijke kerkhofmuur bloot. De evolutie van het stedelijk weefsel binnen en buiten deze muur is duidelijk afleesbaar, de benut-

Simulatietekening ©Stramien

Kenmerkend voor de spiegelboogvormige curve die de omheining beschrijft is haar verwijzing naar de iS^-eeuwse vormentaal die in 1759 werd gehanteerd bij de realisatie van de zijingangen van de kerk.


De fijnzinnige vormgeving met boog- en cirkelvormen, krul- en bladmotieven, bloemen en speerpunten overstijgt de gebruikelijke hekwerkpatronen die zich doorgaans beperken tot een opeenvolging van puntige staven en een gering aantal siermotieven. Het kunstambacht van smeed- en ijzergietwerk werd hier op hoog niveau bedreven. De eclectisch uitgewerkte detaillering van het ijzerwerk vertoont verwijzingen naar traditionele elementen maar in de florale motieven is ook een lichte invloed van de art nouveau merkbaar. Het tussen de kerk en de hekken geplaatste H. Hartbeeld door Theodore Koob uit Antwerpen (1918) en het beeld van OnzeLieve-Vrouw Middelares door J. Jourdain uit Brussel (1926) zijn representatief voor de religieuze beeldhouwkunst van die tijd. Ook In de geschiedenis van het industrieel erfgoed verdient het beschermde hekwerk een noemenswaardige plaats. In het derde kwart van de i9 de eeuw ontpopte de metaalnijverheid in de provincie Antwerpen zich als een moderne sector met enkele spitsbedrijven, die snel een respectabele omvang bereikten. Het groeitempo lag nagenoeg dubbel zo hoog als dat van

Proefrestauratie hekwerk (foto Nathalie Van Roy)

de hele Antwerpse industrie. Omstreeks de eeuwwisseling was de Antwerpse metaalsector uitgegroeid tot de meest dynami-

en Barbarakerk werd in 1936 als monument beschermd en op

sche en snelst uitbreidende nijverheidstak met in 1910 13% van

dat moment was het hek wellicht nog te jong om als bescher-

de industriële tewerkstelling, waarvan 2279 werknemers in het

menswaardig beschouwd te worden.

arrondissement Turnhout tegenover 11492 in Antwerpen en 4060 in Mechelen. De aanleg van het kanaal Dessel-Turnhout-

Het beschermingsvoorstel, dat er kwam op vraag van en met

Schoten en spoorlijnen via Herentals-Lier naar Antwerpen en

volle steun van verschillende erfgoedminnende verenigingen

vanuit Turnhout naar Tilburg, hebben er allicht het ontstaan en

en particulieren die hun krachten bundelden om het behoud

de ontwikkeling van de metaalverwerkende industrie - aanvoer

van de hekken in situ te blijven ondersteunen, werd niet door

van ertsen en steenkool enerzijds, afvoer van afgewerkte pro-

iedereen met evenveel enthousiasme onthaald. Er werd ge-

ducten anderzijds - positief beïnvloed. Over de metaalverwer-

vreesd dat de heraanleg van de Grote Markt hierdoor grote

kende industrie in Turnhout zelf Is in de literatuur echter wei-

vertraging zou oplopen en dat de deadline - Turnhout wordt in

nig terug te vinden.

2012 'Cultuurstad van Vlaanderen' en heeft dan 800 jaar stads-

De beschermde hekken werden evenals deze rond de hoofd-

rechten - niet zou gehaald worden.

kerk van Arendonk vervaardigd in de werkhuizen van de ijzergieterij Janssens, waarvan tot op heden nog steeds een aantal

Voor die heraanleg schreef de stad Turnhout een wedstrijd uit,

gebouwen bewaard bleven aan de Druivenstraat 33 en Korte

waarvan het ontwerpbureau Stramien uit Antwerpen de laure-

Veldstraat 14. De uitgestrektheid van de oude nijverheidsvesti-

aat werd. Belangrijk daarbij is dat naar aanleiding van de be-

ging, de omvang en het voorkomen van de bewaarde bedrijfs-

scherming van het hekwerk er in nauw overleg met de stad

gebouwen en niet in het minst de kwaliteit van het geleverde

Turnhout, bureau Stramien en de Vlaamse overheid naar een

werk, laten vermoeden dat de voormalige ijzergieterij Janssens

compromis werd gezocht om het hekwerk te integreren in het

een belangrijke plaats innam in de metaalverwerkende nijver-

initiële concept, waarin de afbraak van de hekken voorzien

heid in Turnhout en wellicht ook in een ruimere omtrek.

werd. Uiteindelijk werd besloten het hekwerk integraal te ver-

Het hekken rond de Sint-Pieter en Barbarakerk is een van de

plaatsen met behoud van alle onderdelen en de globale lay-out

weinige tot nog toe gekende getuigen van dit bedrijf.

ervan. Door deze verhuizing kan het hekken ook opgenomen worden

De verplaatsing

in de voorgestelde nieuwe aanleg, zodat op die manier oud en

De aanleiding tot de bescherming was voor een deel te vinden

nieuw op een interessante wijze samen kunnen gaan.

in het feit dat bij de geplande heraanleg van de Grote Markt

Het basisconcept voor de heraanleg is de link tussen de winkel-

het al dan niet behouden van het hekwerk ter discussie kwam.

as Gasthuisstraat en het nieuwe stadsproject Turnova op de

Het in vraag stellen van behoud leek voor velen een logische

voormalige Brepolssite te versterken door hem te materialise-

zaak, het hekwerk mocht dan al lang opgenomen zijn in de

ren. Dit zal gebeuren door de aanleg van een betonnen looplijn

Inventaris van het cultuurbezit in België, en later in de Vastge-

die de Grote Markt dwarst en die als het ware geruggensteund

stelde inventaris van het Bouwkundig Erfgoed, het was echter

zal worden door het te verplaatsen hekwerk. Aardig detail is

niet mee met de kerk als monument beschermd. De Sint-Pieter

dat de looplijn, naar verluidt gebaseerd op een eeuwenoud


karrenspoor dat over het plein zou hebben gelopen, als een

Dirk Pauwels

driedimensionale grafiek van speelkaarten - een van de historische troeven van Turnhout - wordt uitgewerkt. Dit aangepaste ontwerp voor de heraanleg van de grote Markt

QJ

van Turnhout werd samen met vier andere projecten genomi-

HOOFDGEBOUW VAN DE MIJN VAN HOUTHALEN-HELCHTEREN NAAR ONTWERP VAN JOSEPH ANDRÉ

neerd voor de prijs 'Publieke Ruimte 2011' in de categorie •i-H

'geplande projecten'. Deze jaarlijkse prijs wordt georganiseerd

Vlaams minister Geert Bourgeois besloot op 18 mei 2011 om

door vzw Steunpunt Straten en het ontwerp van Stramien won

het hoofdgebouwvan de mijn in Houthalen, gelegen Centrum-

uiteindelijk de hoofdprijs.

Zuid nr. m i , voorlopig te beschermen bij Ontwerp van Lijst.

Dat het hekwerk verplaatst wordt, doet niets af aan de materi-

tie van '20ste-eeuwse architectuur in Vlaanderen'.

Deze bescherming kadert in de thematisch-typologische selecele authenticiteit, maar ook niet aan de functionele en conceptuele echtheid. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is het be-

De voorlopige bescherming wordt gemotiveerd door de histori-

houd van een afsluiting tussen het religieuze en het profane.

sche, architectuurhistorische en sociaal-culturele waarden.

Het ontwerp speelt hier op een boeiende wijze op in, door het

De historische waarde ligt in het feit dat het hoofdgebouw van

oude kerkhof als een rustpunt te midden van de drukte van het

de mijn een typische en markante getuige is van de Limburgse

'open' plein te voorzien. Binnen die zone kunnen de histori-

mijngeschiedenis. De mijnzetel Houthalen, geopend in 1938, is

sche beelden dan ook opnieuw hun plaats vinden en op deze

de jongste van de Limburgse mijnen. Architectuurhistorisch is

manier wordt bevestigd dat het hekwerk relevant is voor de

het hoofdgebouw één van de meest interessante en zeldzame

stad, het kerkgebouw, de Markt en de mensen.

creaties van architect Joseph André in Limburg en één van de

Het verplaatsen van een dergelijk hekwerk is echter niet evi-

uitzonderlijke, karakteristieke, bakstenen interbellumgebouwen

dent. Wat op het eerste gezicht een heel eenvoudige construc-

in deze provincie. Het baksteenmodernisme, met art-deco-

tie uit vrij uniforme delen lijkt, is in realiteit een complexe zaak

inslag (in het interieur), waarvan het pand een schoolvoor-

van passtukken, hoogteverschillen en historische aanpassin-

beeld vormt, de moderne betonstructuur, de typische functio-

gen. Daarom werd door de ontwerpers in nauw overleg met de

nele en haast symmetrische planopbouw, de horizontalise-

betrokken erfgoedconsulent een technisch lastenboek met

rende en verticaliserende ritmering van de gevels, de afwisse-

bijhorende tekeningen uitgewerkt, zodat de verplaatsing opti-

lende volumetric en de qua materiaalgebruik voor een mijncité

maal kan gebeuren, een proces dat momenteel lopende is.

zeer rijke, eigentijdse afwerking van het interieur, met aandacht

Ook werd eerst een proefdemontage gedaan om na te gaan

voor de werking van het zenitale licht, dragen tot deze waarde

hoe dit proces best wordt uitgevoerd. De eerste resultaten

bij. Op sociaal-cultureel vlak getuigt het hoofdgebouw van de

lijken zeer geslaagd en in het Turnhoutse feestjaar 2012 zal men dat allemaal kunnen bewonderen, al zal deze oplossing zeker stof tot discussie opleveren.

mijnactiviteit in Houthalen. De inwendige structuur van het complex met garages en fietsenstallingen op de begane grond, alsook lokalen en bureaus op de bovenverdiepingen, reveleert de typische sociale hiërarchie van het bedrijf.

Dit project getuigt van het belang van een gezonde erfgoedreflex bij het brede publiek. Dankzij hen kreeg het historische

Het hoofdgebouw van de mijn werd in de jaren 1930 opgetrok-

hekwerk een nieuwe toekomst en werd er voldoende publiek

ken, naar verluidt naar ontwerp van de tekenateliers van de

draagvlak gecreëerd om op zoek te gaan naar een gepaste en

mijn van Waterschei. De gelijkenis met de aldaar gelegen

geslaagde oplossing binnen een vernieuwde stadsomgeving.

representatiehal van de steenkoolmijn is inderdaad treffend.

Daarnaast getuigt het project ook van de inzet en creativiteit

Het gaat in Waterschei ook om een grote hal in art-decostijl,

van de architecten en de opdrachtgevende overheid om hun

waarrond de kantoren en andere ruimtes over twee verdiepin-

visies in vraag te stellen en actief op zoek te gaan naar alterna-

gen zijn geschaard. Op de plannen van het hoofdgebouw, die

tieve oplossingen, ook al zijn die niet eenvoudig.

de gemeente Houthalen bezorgde aan Ruimte en Erfgoed,

Bibliografie

de representatiehal van Waterschei is, gezien de gelijkenis

DE WA EL J., Herinrichting Grote Markt Turnhout, in Croencon-

tussen beide gebouwen, vermoedelijk eveneens André.

prijkt de naam van architect Joseph André. De ontwerper van

tact. nr. 37, 2011, p. 6-27; DE SAEDELEER S. en PLOMTEUX C , Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in

Joseph André werd geboren in Marbais (Villers-la-Ville) op

België. Architectuur. Deel i6n i. Provincie Antwerpen. Arrondisse-

2i januari 1885 en overleed in Charleroi op 21 januari 1969.

ment Turnhout. Kanton Turnhout, Turnhout, 1997; PLOMTEUX

Zijn bouwkundig werk wordt getypeerd door eclecticisme.

C , dossiernr. 4.001/10000/02516, Antwerpen, Ruimte en

Het bestaat hoofdzakelijk uit grootschalige burgerlijke projec-

Erfgoed, Afdeling Antwerpen - Onroerend Erfgoed, 2011;

ten die hij plande in het kader van de modernisering van Char-

STRAMIEN, Grote Markt, Turnhout in praktijkboek 'Publieke

leroi, zoals die na de Tweede Wereldoorlog door de plaatselijke

Ruimte', 2010, p.162-165.

overheid ontwikkeld en uitgevoerd werd. André volgde zijn


o;

a •»—i

PQ

o p l e i d i n g aan de Brusselse Academie en bij E. Acker, H i j begon

het inwendige skelet zijn van beton. De voorgevel w o r d t gety-

zijn carrière met de w e d e r o p b o u w van panden in het c e n t r u m

peerd door zijrisalieten en een iets hogere middenrisaliet.

van Charleroi die in 1918 waren verwoest o f beschadigd.

Verder vertonen de vijfde en de zevende travee rechthoekige

O o k realiseerde hij diverse particuliere opdrachten, nu eens in

spaarvelden. De centrale travee heeft betonnen llsenen, waar-

een traditionele stijl, dan weer met een modernistische toets o f

op een typisch sober interbellumuurwerk werd aangebracht, en

een art-deco-accent. Vanaf 1930 werkte hij samen met Jules

hoge smalle vensters met glastegels. De overige rechthoekige

Cézar, laureaat van de wedstrijd voor het nieuwe stadhuis van

m u u r o p e n i n g e n zijn voorzien van lekdorpels van zwart gegla-

Charleroi. Hij voltooide de werken aan het in 1936 in gebruik

zuurde tegels in o m l i j s t i n g e n van groen en zwart geglazuurde

g e n o m e n stadhuis alleen en o n t w i e r p - in een hoogwaardige

tegels. De ramen zijn van metaal. Het aangebouwd lager

art-decostijl - de binnenafwerking van het gebouw. Na de

portaal heeft een vleugeldeur onder een betonnen luifel, waar-

Tweede Wereldoorlog realiseerde hij belangrijke officiële en

boven een venster met glastegels. De bordestrap is van hard-

d o o r m o n u m e n t a l i s m e gekenmerkte opdrachten in Charleroi,

steen. De analoge, maar meer eenvoudige zijgevels tellen vijf

waaronder het Palais des Expositions (1954), het Palais des

traveeën en de achtergevel telt er elf. Het ensemble getuigt van

Beaux-Arts (1957) en de uitbreiding van de kerk Saint-Christophe

een zakelijke, g e s t r o o m l i j n d e aanpak.

(1955-1958, in samenwerking met R. Puttemans), gebouwen die thans de v o o r n a a m s t e bezienswaardigheden zijn van de Ville

In tegenstelling tot het sobere exterieur is het interieur met

Haute, de bovenstad van Charleroi.

art-deco-lnslag afgewerkt met voor een mljnsite rijk materiaalgebruik. In het portaal is er een bewaarde steektrap van gra-

Het h o o f d g e b o u w is gelegen aan het einde van een onder

nito, die naar de centrale hal in de tweede bouwlaag leidt. In

andere met platanen, eiken, linden, esdoorns en kastanjelaars

het trappenhuis is er een bordestrap, eveneens van granito,

o m z o o m d e toegangsweg, die vertrekt van de Grote Baan.

met achtzijdige stijlen en typische buisleuningen. De vlakbij

H e t gaat o m een m o n u m e n t a a l alleenstaand pand, in een

het trappenhuis gelegen toiletten bleven behouden, met ana-

zakelijke stijl. De d u b b e l h u i s o p s t a n d telt elf traveeën en drie

loge afwerking, geglazuurde wandtegels en origineel houtwerk.

bouwlagen onder een plat dak en een centraal schilddak, met

De centrale hal i m p o n e e r t door de granitovloer, de wanden van

de nok evenwijdig aan de Grote Baan en voorzien van golfpla-

zwarte en groene tegels en lichtkleurige baksteen, de afgeron-

ten. Het is een baksteenbouw met een alternerend metselver-

de pijlers met granito-afwerking, die een vlakke beglaasde

band voor diverse architecturale onderdelen. De kroonlijst en

zoldering dragen, de r o n d b o o g d e u r e n op de tweede bouwlaag


in omlijstingen van zwarte tegels en de rechthoekige vleugel-

Dirk Pauwels

deuren op de derde bouwlaag, laatstgenoemde uitgevend op een omlopend balkon met een voor de jaren 1930 typische metalen leuning.

PAROCHIEKERK SINT-HERIBERTUS VAN REMERSDAAL IN VOEREN

Rondom deze centrale hal bevonden zich op twee niveaus geconcentreerd de burelen en de diverse administratieve dien-

Vlaams minister Geert Bourgeois nam op 18 mei 2011 het

sten van de vroegere kolenmijn. Op de eerste bovenverdieping

besluit om de parochiekerk Sint-Heribertus, gelegen Dorp,

komen op het ontwerp in uurwerkwijzerszin volgende ruimtes

voorlopig te beschermen bij Ontwerp van Lijst. Deze bescher-

voor, te beginnen bij het trappenhuis: parloir, garde, salie du

ming kadert deels in de thematisch-typologische selectie van

conseil, lavatory, directeur-gérant, secretariat (2 x), régie, caisse,

'religieus erfgoed in neostijlen tot 1914'.

archives ou fournitures de bureaux, archives, salaires, agent comptable, comptabilité, expéditions-ventes, agent de vente, fournitures

Ze wordt gemotiveerd door de historische, architectuurhistori-

de bureaux-agent de vente, salie d'attente en vestiaire-lavatoiy.

sche, artistieke, sociaal-culturele en volkskundige waarden.

Op de tweede verdieping zijn op het ontwerp in uurwerkwij-

De historische, architectuurhistorische en artistieke waarden

zerszin volgende functies aangeduid, te beginnen bij het trap-

liggen in de verplaatsing in 1876-1879 van de parochiale Sint-

penhuis: telefoon, vergaderzaal, hoofdingenieur, industriële be-

Heribertuskerk van de oorspronkelijke kerkhofsite naar het

trekkingen, tekenbureel, directeur bovengrond en der studiën,

oosten, voor de bouw van een grotere, neogotische kerk naar

inkoopdienst, hoofd inkoopdienst, afdelingsingenieur bovengrond, ontwerp van jean-Lambert Blandot uit Hoei, één van de belangafdelingsingenieur electrische dienst, ingenieur zeverij-wasserij, e.a. rijkste i9de-eeuwse kerkenbouwers in de provincies Luik en ingenieur diensthoofd veiligheid, boekerij-vertaaldienst, hoofd Namen. Het bedehuis is het enige in Vlaanderen dat van deze technisch bureel, dactylografie, technisch bureel, hoofdingenieur,

ontwerper bekend is. Belangrijke bewaarde interieurelementen,

vergaderzaal, mijnmeters, bedrijfshoofdingenieur ondergrond,

gaande van glasramen, altaren, koorgestoelte, preekstoel en

ingenieur kostprijs-controol, kostprijscontrool en lavatory. In het

orgel, tot en met vloeren en lichtarmaturen, maken van het

interieur van deze kantoorruimtes bleven de balatumtegels

interieur een fraai geheel. Het orgel is een mooi voorbeeld van

deels bewaard, evenals de houten binnendeuren met metalen

een vroeg-romantisch orgel, dat op geslaagde wijze harmonisch

klinken en de gietijzeren radiatoren.

geïntegreerd werd in het neogotische kerkinterieur. Tegen de

Achter het hoofdgebouw, ten westen, ligt een verruigd grasveld

koorzijde bevindt zich bovendien het neogotische grafmonu-

en staan twee identieke, als monument beschermde schacht-

ment van de adellijke familie de Furstenberg. De sociaal-cultu-

torens. De zuidelijke schachttoren werd in 1997 als monument

rele en volkskundige waarden liggen in de eeuwenlange devotie

beschermd. De noordelijke volgde in 2001 (Ruimte en Erfgoed,

van de inwoners van Remersdaal voor de patroonheilige van de

Onroerend Erfgoed Limburg, dossiernr. DL2021 en DL2049).

kerk, Sint-Heribertus. De parochie is de enige in het voormalige bisdom Luik die aan deze heilige werd toegewijd.

De gemeente Houthalen-Helchteren plant een renovatie en verbouwing van het hoofdgebouw, naar aanleiding van de nieuwe functie van centrum van nieuwe groene technologiebe-

Vanaf de i3de eeuw moet Remersdaal over een kapel beschikt hebben, die aan Heribertus was toegewijd, welke heilige zijn naam gaf aan een bron, in de lokale taal Herbertsborn genoemd.

drijven. Sint-Heribertus, geboren in 970 en gestorven in 1021, was Zo blijft de toekomst van dit voormalige mijnerfgoed verze-

zoon van graaf Hugo van Worms, kanselier van het Duitse Rijk

kerd, zonder afbreuk te doen aan de erfgoedwaarden van de

en aartsbisschop van Keulen. Zijn cultus verspreidde zich

site.

reeds zeer vroeg in het Rijnland. De bescherming door deze heilige laat toe de oprichting van de primitieve kapel in Re-

Bibliografie

mersdaal toe te schrijven aan het kapittel van de Onze-Lieve-

PAUWELS D., dossiernr. 4.001/70000/2607.1, Hasselt, Ruimte

Vrouwekerk van Aken, dat, als eigenaar van diverse goederen

en Erfgoed, Afdeling Limburg - Onroerend Erfgoed, 2011 (met

in Remersdaal, in de religieuze behoeften van zijn pachters

verdere bibliografie); ID., Bouwen door de eeuwen heen. Inventa-

wou voorzien. Het levensverhaal van de Heilige Heribertus

ris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 19*1 3. Provin-

werd geschreven door Lambert van Luik, abt van het klooster

cie Limburg. Arrondissement Maaseik. Kanton Peer, Turnhout,

Saint-Laurent in Luik. Het dubbele patroonschap van de kerk,

2005, p. 138, fig. 72, pi. III.

toegewijd aan Sint-Heribertus en de Heilige Cenoveva, patrones van Parijs, vormt als het ware een symbool van de geografische situering van het dorp, op de grens tussen de Germaanse cultuur en de Franse beschaving. De nood aan een nieuwe, grotere kerk drong zich op. Nadat de architect van de provincie Luik op 4 januari 1869 de toenma-


lige kerk bouwvallig had verklaard en te klein voor de bevolking, zat er niets anders op dan aan een nieuwe constructie te denken. De huidige kerk werd gebouwd in 1876-1879 naar ontwerp van architect Jean-Lambert Blandot van Hoei, na afbraak van de oude. De eerste steen werd gelegd in april 1876, de kerk werd plechtig in gebruik genomen op 20 december 1877 en de inwijding van het bedehuis vond plaats op 20 december 1879. De figuur van architect Blandot, op 24 oktober 1835 geboren in Hoei als zoon van een aannemer, werd nog maar weinig onderzocht en een uitvoerige biografie ontbreekt nog. Men kent van hem nochtans heel wat ontwerpen van kerken en schoolgebouwen. Op basis van de wet van 14 augustus 1873, die aan het Departement van Binnenlandse Zaken een buitengewoon krediet toekende voor de bouw en de meubilering van schoolgebouwen, met reglement, instructies en programma, stelde Blandot in opdracht van minister Delcour de instructies op, die in 1875 ln H o e i werden uitgegeven. Hij was sterk bekommerd om de vorm van de banken met lessenaars te verbeteren door de leuningen goed aan de vorm van de kinderen aan te passen. Blandot was ongetwijfeld één van de meest bekende en meest verdienstelijke architecten van de provincie Luik. Bij overzicht

bantse wijze opgevat als opeenvolgende kapelgevels onder

van zijn oeuvre valt op dat zijn grootste bedrijvigheid zich

haakse zadeldaken.

afspeelde in de provincies Namen en Luik en in mindere mate Luxemburg. De neogotische en neoromaanse stijlen droegen bij uitstek zijn voorkeur weg. Blandot overleed in Hoei op 22 september 1885.

De parochiekerk Sint-Heribertus, met zijn rijke stoffering, is een zeer ruime constructie, die waarschijnlijk eerder beantwoordt aan de ambities van de plaatselijke kasteelheren en

Vanuit het nabije Voeren moet hij ook zijn aangezocht om de

donateurs, de familie de Furstenberg, dan aan de reële noden

kerk van Remersdaal te ontwerpen. In de rest van Vlaanderen

van de kleine kerkgemeenschap.

is van zijn hand geen bouwwerk bekend. Bibliografie Het bedehuis van Remersdaal is een basilicale kerk In neogoti-

COOMANS T, Kerken in neostijlen in Vlaanderen. Ontwikkeling

sche stijl, van het noordwesten naar het zuidoosten georiën-

en implementatie van een methodologie voor de bescherming en

teerd op het bestaande stratenplan. Ze wijkt 45 graden zuid-

de monumentenzorg van het negentiende-eeuwse kerkelijk archi-

waarts af van het geografische oosten, hetgeen waarschijnlijk

tecturaal patrimonium in Vlaanderen. Eindverslag, Leuven, 2003,

verband houdt met de richting van het stuk grond waarop ze

p. 152; CEUKENS B., Fotorepertorium van het meubilair van de

werd gebouwd. De plattegrond beschrijft een driebeukig schip

Belgische bedehuizen. Provincie Limburg. Kanton Sint-Martens-

van zes traveeën, een half ingebouwde toren ten noordwesten

Voeren, Brussel,, 1975, p. 14-15; PAUWELS D., dossiernr.

met ten noordoosten de doopkapel, en een koor van twee

DL2595, Hasselt, Ruimte en Erfgoed, Afdeling Limburg Onroe-

rechte traveeën met vlakke sluiting, geflankeerd door de sa-

rend Erfgoed, 2011 (met verdere bibliografie, ook over architect

cristie aan de zuidwestzijde en het oratorium van de heren

Blandot); SCHLUSMANS F., Bouwen door de eeuwen heen.

van Obsinnich aan de noordoostzijde. De vlakke koorsluiting

Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 14/1 2.

lijkt te wijzen op invloed van de Engelse (neo)gotiek. Het is

Provincie Limburg. Arrondissement Tongeren. Kanton Voeren,

een bakstenen gebouw met afwerking van hardsteen en gele

Turnhout, 1992, p. 80-82, fig. 75-76;- SWERON G. en AUSSEMS

natuursteen. De toren telt twee geledingen, de bovenste octo-

J.-M., De Sint-Heribertuskerk van Remersdaal in haar rijke, histori-

gonaal en op elke zijde van een puntgevel voorzien, de onder-

sche kader. Voeren, 2006.

ste geflankeerd door overhoekse en loodrecht op elkaar gestelde steunberen. Aan weerszij van het portaal prijken beelden van Sint-Heribertus in bisschoppelijk gewaad en van de Heilige Genoveva, de tweede patroonheilige, in de kledij van een herderin, maar met verdwenen staf. Boven het portaal bevindt zich een rij beelden, die beschadigd door de wisselvalligheden van het weer moeilijk te identificeren zijn. De zijbeuken, met doopkapel links en huidige berging rechts, zijn uitgewerkt als een reeks dwarskapellen, meer bepaald naar Bra-


• Syllabus restauratiefilosofie, Vormingscentrum CMO Leuven,

n Memoriam

1992. • Instandhouding, Onderhoud en Herstel: voorschriften en premiestelsels voor werken aan beschermd erfgoed, in De bescher-

Ö

ming van het Onroerend Erfgoed - Recht en Praktijk, Leuven,

Edgard Goedleven

1995• Juridische aspecten, in Handleiding Bewaring en Beheer Kerkelijk en Religieus Patrimonium, KADOC, Leuven, 1996.

•t-H

PQ

MARK FIERLAFIJN

• Het publiekrechtelijk en privaatrechtelijk kerkelijk erfgoed: juridische aspecten, in De Gemeente, augustus-september 1997.

Op 10 mei 2011 is Mark Fierlafijn overleden na een slepende

• Juridische en administratieve aspecten van de monumenten- en

ziekte. Hij was slechts 68 jaar oud. Mark was een van de mar-

landschapszorg (syllabus), Henry Van de Velde Instituut Ant-

kantste figuren uit de pioniersperiode van de Vlaamse monu-

werpen en Afdeling Monumenten en Landschappen Brussel,

menten- en landschapszorg als directeur bij het Ministerie van

januari 1998.

de Vlaamse Gemeenschap - Afdeling Monumenten en Landschappen. Ik had Mark al op het einde van de jaren zestig leren kennen toen we

• Wet-, Decreet- en Regelgeving, Monumenten , Stads- en Dorpsgezichten, Landschappen, Afdeling Monumenten en Landschappen, Brussel, januari 1998. • Monumentenzorg. Restauratiepremie voor beschermde monu-

beiden lid waren van het kabinet van

menten, in Vademecum voor Architecten, Zaventem, 1998.

de Ministervan Nederlandse cultuur,

• In samenwerking met collega's van de afdeling Monumen-

Prof. Dr. Frans van Mechelen. Hij was

ten en Landschappen werkte en schreef Mark Fierlafijn mee

er belast met de internationale cultu-

aan een vijftiental brochures, jaarverslagen en rapporten van

rele betrekkingen.

studiedagen betreffende Monumenten en Landschappen.

Na de kabinetsperiode nam hij zijn dienst terug op bij de administratie

Mark was ook gedurende tien jaar, tot in 2001, een gewaar-

Internationale betrekkingen. Ikzelf

deerd docent aan het Henry Van de Velde-lnstituut voor de

kwam door een speling van het lot

cursus: juridische en administratieve aspecten van de monu-

terecht bij 'Monumenten en Land-

menten- en landschapszorg.

schappen', een zeer kleine toen nog tweetalige dienst die men vergeten was te splitsen, die helemaal niets voorstelde en waar bij voorkeur probleemgevallen werden gedumpt. Gelukkig is Mark in die sombere erfgoedtijden bereid geweest in te gaan op mijn vraag om mee te proberen de Vlaamse Monumenten- en Landschapszorg op gang te trekken.

In 1998 ging Mark met vervroegd pensioen, deels uit onvrede met de toenmalige naar zijn mening te tijdrovende veranderingsprocessen, deels om zich beter te kunnen wijden aan eigen waardevolle projecten die veelal met cultureel erfgoed hadden te maken. Zo organiseerde hij bijzonder boeiende en gewaardeerde cultureel erfgoedreizen waarbij hij de ervaring met internationale contacten uit zijn beginperiode combineerde met zijn inzet

Deze sector lag hem nauw aan het hart omdat die invulling gaf

voor het erfgoed. Mark werd na zijn oppensioenstelling onder-

aan zijn persoonlijke levensingesteldheid: een duurzame inzet

voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en

voor wat echt is en van blijvende waarde.

Landschappen - Afdeling Varend Erfgoed, lid van de Raad voor het Roerend Cultureel Erfgoed en voorzitter van de Erfgoed-

Mark had een diploma behaald van licentiaat in de Bestuurs-

raad van zijn gemeente Schoten.

wetenschappen. De vaardigheden die hij tijdens deze opleiding

Mark Fierlafijn was een betrouwbaar, eerlijk, deskundig en

had opgedaan waren van uitzonderlijk belang om er in de vaak

gedreven erfgoedzorger. Hij was daarenboven een man met

turbulente pioniersperiode met de vereiste administratieve en

stijl en standing: bescheiden, innemend, bijzonder geestig en

wetgevingstechnische kennis en met de nodige redelijkheid de

tevens een levensgenieter. Hij was niet alleen een pionier, hij is

structuren, de regelgeving en de procedures duurzaam, duide-

tevens een van de grondleggers geweest van een duurzame

lijk en verstaanbaar te formuleren. Het heeft de Vlaamse mo-

Vlaamse onroerend erfgoedzorg.

numenten- en landschapszorg op een blijvende wijze op de

De onroerend erfgoedzorgers zijn hem daarvoor blijvende

kaart gezet.

dank verschuldigd.

De publicaties van Mark betreffen dan ook meestal juridische aangelegenheden rond monumenten en landschappen zoals: • Monumenten en Landschappen en de hervorming der instellingen, M&L , jg. 8, nr. 1, 1989.


Literatuur

P

boekdeel wordt ingeleid door een overzicht van de loopbaan en de betekenis van Moser, en sluit af met een bloemlezing uit zijn geschriften. Deelaspecten van zijn leven en werk , zoals de samenwerking met Curjel, zijn relatie tot de beeldende kun-

T-^l

sten, evoluties in de kerkenbouw, zijn toenadering tot de Nederlandse avant-garde, zijn rol in de Moderne Beweging en

Jo Bracken

het architectuuronderwijs, komen In een reeks van dertien essays uitgebreid aan bod. Het corpus van het tweede boekdeel vormt een gedetailleerde en rijk geïllustreerde catalogus

DE KEUZE VAN M&L

van meer dan honderd van zijn belangrijkste werken, aangevuld met een volledige oeuvrelijst en een biografisch overzicht. • Karl Moser Architekturfür eine neue Ze/t 1880 bis 7936 Werner Oechstin en Sonja Hildebrand (red.)

• Cerrit Rietveld

Zurich, gta Verlag, 2010, 368 en 424 p.,

Ida van Zijl

ISBN 978-3-85676-250-6

Londen, Phaidon, 2010, 240 p., ISBN 978-0-7148-5748-0

Indrukwekkende, tweedelige monografie en oeuvrecatalogus

Rijk geïllustreerde monografie over de Nederlandse architect

over de belangrijke Zwitserse architect Karl Moser (1860-1936).

en ontwerper Cerrit Th. Rietveld (1888-1964) samengesteld

Moser behoort tot de grote figuren die aan de basis lagen en

door Ida van Zijl, de conservator van de Rietveldcollectie in het

mee vorm gaven aan de ontwikkeling van de moderne architec-

Centraal Museum in Utrecht. Met een

tuur. Zoals Peter Behrens In Duitsland en Hendrik Petrus Ber-

bevattelijk overzicht van leven en werk,

lage in Nederland, werd hij nog bij leven in Zwitserland gehul-

vult dit fraaie boek een lacune in de Riet-

digd als Vaterder Moderne. Moser studeerde architectuur aan

veldliteratuur van de laatste 30 jaar, die

het Polytechnikum In Zurich, en vervolgens aan de Ecole des

zich vooral toelegde op deelaspecten en

Beaux-Arts in Parijs. Zijn professionele loopbaan ging van start

de rol in De Stijl-beweging. Van zijn eer-

in het Duitse Karlsruhe, waar hij in 1888 samen met Hans

ste meesterwerk, de Rood-Blauwe stoel,

Curjeleen een succesvol architectenbureau oprichtte. Curjel 8c

tot zijn laatste ontwerp voor het Van

Moser gold meer dan een kwarteeuw als exponent van de pro-

Cogh Museum in Amsterdam, schiep

gressieve _/ung-/<or/sru/ierSchu/e, met openbare, religieuze en

Rietveld een indrukwekkend oeuvre dat

privé-architectuur in Art Nouveau en premodernisme, zoals

blijvend van betekenis zou blijken. Zijn

het Kunsthaus Zurich, de Festplatz In Karlsruhe, het Badischer

onconventionele werkwijze en uitzonder-

Bahnhofin Basel en het hoofdgebouw van de Universtiteit van

lijke meubels, door Theo van Doesburg

Zürich.Voor het tweede deel van zijn loopbaan vestigde Moser

geprezen als "de nieuwe beelding", wisten vele van zijn tijdge-

zich in Zurich, na zijn aanstelling tot professor Bouwkunst aan

noten maar ook latere generaties te Inspireren. Vanuit een

de ETH. Onder zijn leerlingen telde hij de latere protagonisten

biografisch opzet wordt Rletvelds loopbaan gevolgd, van de

van de Zwitserse Moderne Beweging, zoals zijn eigen zoon

eerste stappen als eenvoudig meubelmaker tot de latere jaren

Werner Max, Flora Crawford, Max Ernst Haefeli, Hans Schmidt,

als wereldvermaard architect. Alle aspecten van zijn werk ko-

Rudolf Steiger en Alfred Roth. Met de betonnen Antoniuskirche

men hierbij aan bod, met aandacht voor het milieu waarin hij

in Basel uit 1924-27 vestigde Moser internationaal zijn reputa-

actief was, de relatie met zijn gezin en opdrachtgevers, de

tie als modernist en ver-

context van avant-garde bewegingen als De Stijl en het Nieuwe

nieuwer In de kerken-

Bouwen, en zijn betekenis voor de ontwikkeling daarvan. Iconi-

bouw, wat hem in 1928

sche hoogtepunten als het Schröderhuls In Utrecht krijgen

het ClAM-voorzltterschap

uiteraard alle aandacht, maar dit belet niet het volledige oeuvre

opleverde. Zijn immense

van Rietveld met inbegrip van de minder bekende architectuur-

oeuvre omspant 50 jaar

en designprojecten op toegankelijke wijze toe te lichten.

architectuurgeschiedenis en omvat zowat 600 1 gebouwen en projecten, waarmee hij naast zijn thuissteden Karlsruhe en Zurich een stempel drukte op onder meer Aarau, Basel, Baden en Frankfurt am Main. Het eerste

• Rietvelds universum Rob Dettingmeijer, Marie-Thérèse van Thooren Ida van Zijl (red.) Rotterdam, NAi Uitgevers, 2010, 272 p., ISBN 978-90-5662-745-4 Bundel wetenschappelijke bijdragen over het werk van de Nederlandse architect en ontwerper Cerrit Th. Rietveld (1888-

• »—1


ö

CD

ö •i-H

PQ 10

1964), gepubliceerd naar

ture Moderne. Een jaar eerder was de internationale avant-

aanleiding van de over-

garde onder bezieling van Le Corbusier voor het eerst samen-

zichtstentoonstelling

gekomen in het Zwitserse La Sarraz, om over eigentijdse en

Rietvelds universum

toekomstige vraagstukken in verband met architectuur en

(Utrecht, 2010). Waar de

stedenbouw te debatteren. Het thema van CIAM II was Die

catalogus van de vorige

Wohnungfür das Existenzminimum, het voor die tijd zo preg-

grote Rietveldmanifestatie

nante huisvestingsvraagstuk, waarin het vooruitstrevende

in 1992 was opgevat als

Frankfurt van Ernst May destijds internationaal de toon zette.

een oeuvrecatalogus, is

Met de keuze van dit thema zette CIAM II een beslissende stap

het voorliggende boek het

in de moderne stedenbouw, en formuleerde criteria, standaar-

resultaat van multidisci-

den en methoden die tot

plinair wetenschappelijk

diep in de naoorlogse

onderzoek dat sinds 2006 aan de Universiteit Utrecht, deTU Delft een het Centraal Mu-

periode de architectuur

NEUES

WQHNEN 1929/200?

zouden bepalen. Het

seum Utrecht werd gevoerd.

symposium van 2009 had

Het doel was een genuanceerder en vollediger beeld van Riet-

tot doel de betekenis van

veld te kunnen schetsen, door zijn werk en werkwijze aan zijn

CIAM II te analyseren, en

directe omgeving en collega's te relateren, en in het bredere

opnieuw een bijdrage te

verband van zijn tijd te plaatsen. Wie was de man die vanuit

leveren aan het actuele

een provinciaal milieu met twee symptomatische objecten

debat over eigentijdse

(de Rood-Blauwe stoel en het Schröderhuis) een significante

woonvormen. Als een

bijdrage wist te leveren tot de opkomst van de Moderne Bewe-

soort terugblik in de toe-

ging? Om deze vraag te beantwoorden werden maatschappe-

komst analyseert het inlei-

lijke ontwikkelingen, technische vernieuwingen en historische

dend essay de film Die

gebeurtenissen relevant geacht, maar ook was er aandacht

Stadt von Morgen uit

voor Rietvelds persoonlijke universum, zijn achtergrond, zijn

1930, een optimistische

netwerk en zijn visie op de wereld. Rietveld wilde de toekomst

visie op een sterk gereguleerde stadsplanning als ideaal tegen-

dienen en zag zijn werk slechts als een bijdrage aan een ont-

over ongebreidelde groei. Een volgende reeks van zes bijdra-

wikkeling; het creatieve proces, het fragiele, het experimentele

gen handelen over CIAM II, dat in zijn historische context

en het voorlopige van zijn werk staan daarom centraal.

wordt gereconstrueerd. Deelaspecten belichten de vrouwelijke

De publicatie begint met verkenningen van de geschiedschrij-

architecten binnen CIAM, het principe van standaardisatie in

ving over Rietveld, en de vroege ontwikkeling van zijn ideeën.

de woningbouw toegepast door het stadsbestuur van Frankfurt

Daarna worden uiteenlopende invloeden en fenomenen die

en in ruimere context tijdens de Weimar-republiek, de rol van

voor zijn werk van belang zijn belicht. Een eerste reeks bijdra-

het beeld in relatie tot het streven naar wetenschappelijkheid

gen gaat in op de sociale context: het kunstleven in Utrecht, en

binnen CIAM, en het filosofische debat rond het begrip 'tech-

de zoektocht naar een nieuwe wooncultuur. In een tweede

niek' in het toenmalige Duitsland. In een tweede reeks bijdra-

reeks wordt onderzocht hoe hij de technologie van zijn tijd op

gen worden de uitgangspunten van CIAM II getoetst aan de

het vlak van materiaal en massaproductie, maar bij voorbeeld

woningbouwpraktijk van vandaag.

ook kunstmatige verlichting, benutte om tot vernieuwende ontwerpen te komen. Een derde reeks bijdragen plaatst Rietveld in het perspectief van De Stijl, waarna als besluit twee auteurs hun visie geven op zijn relevantie en actualiteit.

• Ernst Cisel Architekt Bruno Maurer en Werner Oechslin (red.) Zurich, gta Verlag, 2010, 456 p., ISBN 978-3-85676-254-4

• Neues Wohnen 1929/2009

Geactualiseerde heruitgave van een monografie (eerste uitgave

Frankfurt und der 2. Congres International d'Architecture

1993) over architect Ernst Cisel (1922), één van de meest toon-

Moderne

aangevende vertegenwoordigers van het naoorlogse bouwen in

Helen Ban (red.)

Zwitserland. Cisel studeerde aan de Kunstgewerbeschule in

Berlijn, jovis Verlag, 2010, 176 p., ISBN 978-3-86859-084-5

Zurich, en werkte in het bureau van Alfred Roth, alvorens zich

Bundel met twaalf bijdragen van het internationale symposium

persoonlijk en onconventioneel oeuvre tot stand, dat niet on-

NeuesWohnen 1929/2009 (Frankfurt am Main, 22-24 oktober

der één noemer te vatten is, en met de nodige kritische zin

in 1945 als zelfstandig architect te vestigen. Hij bracht een

s

2009), naar aanleiding van de 80 " verjaardag van CIAM II.

weerwerk bood tegen de dominante scholen en stromingen.

Van 24 tot 26 oktober 1929 vond in Frankfurt de tweede editie

Zijn belangrijkste realisaties onderscheiden zich door het ver-

plaats van de legendarische Congres Internationaux d'Architec-

mogen om actuele bouwopgaven op baanbrekende wijze op te


Ernst Gisel A r c h i t e k t

lossen. Gisel brak begin

werd de visie gehuldigd dat de architectuur tijdens deze jaren

jaren 1950 door met het

volledig tot stilstand was gekomen, om pas na de Bevrijding

Parktheater in Grenchen,

als een feniks te herrijzen. De studie wil dit beeld van obscure

een multifunctioneel

leegte ontkrachten, door de oorlog te zien als een complex

gemeenschapscentrum

proces van verandering, dat alle geledingen van het architec-

naar Scandinavisch mo-

tuurbedrijf totaalwist te mobiliseren. Om deze stelling te sta-

del, en leverde een be-

ven wordt een dicht netwerk van feiten en gebeurtenissen

langrijke bijdrage tot de

blootgelegd, op het vlak van architectuur, stedenbouw en tech-

vernieuwing van de

niek, dat na de oorlog voorgoed de suprematie van het moder-

schooltypologie. Internati-

nisme zouden vestigen. Het onderzoek volgt ontwikkelingen

onale erkenning als ver-

bij de Geallieerden en de Asmogendheden, vanaf het bombar-

nieuwer van de religieuze

dement op Guernica tijdens de Spaanse burgeroorlog in 1937,

architectuur oogstte hij

tot de atoomaanval op Hiroshima in 1945. Het boek brengt

omstreeks 1960 met de

geen chronologisch verhaal, maar is opgebouwd uit themati-

brutalistisch gekleurde kerken van Effretikon, Reinachen Rigi-Kaltbad. Hij werd onder-

sche episodes, die vaak geen andere relatie hebben dan hun gelijktijdigheid. De belangrijkste thema's die worden behan-

scheiden in tal van wedstrijden, en ontwierp één van de secto-

deld zijn de ontwikkeling van nieuwe materialen als compensa-

ren van het grootschalige woningbouwcomplex Markisches

tie voor de schaarste zowel op de werf als in het huishouden,

Viertel in Berlijn, Het boek wordt ingeleid door een hoofdessay door Werner Oechslin, opgevat als een overzicht, een analyse en een situering van het werk van Gisel. Hierop volgen enkele korte essays die deelaspecten behandelen, zoals de plastische kwaliteit van zijn vormentaal, zijn interieur- en meubelontwerpen en zijn werk als aquarellist, naast meer persoonlijke bijdragen door de architecten Herzog en de Meuron en Luigi Snozzi, en twee beeldessays. Een typologisch geordende selectie van

programma's voor de bouw van bewapeningsfabrieken en de huisvesting van de arbeidersmassa, de dreiging van en de verdediging tegen luchtaanvallen, de kunst van de camouflage, de techniek van bunkers en bommen, noodconstructies en prefabricatie, het bouwen op nooit gezien schaal zoals het Pentagon of Auschwitz, de propagandaoorlog, de wederopbouwplannen, en tenslotte de recyclage van de oorlogsindustrie en de typologie van het oorlogsmonument.

een negentigtal projecten toegelicht in woord een beeld, vormt het corpus van het boek, dat verder uit een volledige oeuvrelijst Voor alle reacties: Jozpf.Brapkpntg) rwQ.vlaanderen.be

en een bibliografie bestaat.

De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het • Architecture en uniforme

Projeter et construire pour la Seconde Cuerre mondiale Jean-Louis Cohen Parijs, Editions Hazan, 2011, 448 p., ISBN 978-2-7541-05293 Boeiende en vaak verrassende studie over het aandeel van de architectuur en de architecten in de oorlogsvoering, het economische en maatschappelijke leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het boek werd gepubliceerd ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Centre Canadien d'Architecture in Montreal (april-september 2011), en is eveneens beschikbaar in een Engelstalige editie. In tegenstelling tot de grote aandacht voor de naoorlogse I

wederopbouw in het recente architectuuronderzoek, bleef de architectuurgeschiedenis van de oorlogsjaren zelf tot voor kort onderbelicht. Lang

Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)

CTJ

CU

ö • 1—I

PP


Symposium

Nathalie Vemimme • 1—I

P3 12

ERFGOEDONDERZOEK ALS MOTOR VOOR HET VERHOGEN VAN EUROPESE COMPETITIVITEIT Op 24 maart ging in de kantoren van de Committee of the Regions aan de Belliardstraat in Brussel een belangrijk symposium door met als titel Increasing Europe's competitiveness through cultural heritage research. Het doel van dit symposium was om de voorlopige resultaten kenbaar te maken van het EU-project NET-Heritage en deze te bespreken met belanghebbenden en beleidsmakers. Daarnaast werden ook een aantal goede voorbeelden van recente Europese onderzoeksprojecten voorgesteld. Het project NET-Heritage, met als ondertitel European network on Research Programme applied to the Protection of Tangible

ontwikkeling van een gezamenlijke Europese identiteit.

Cultural Heritage Is het eerste noemenswaardige initiatief waar-

De bescherming van het materiële cultureel erfgoed Is noodza-

in gestreefd wordt om de nationale onderzoeksprogramma's

kelijk om reflectie over en een beter begrip van het verleden

met betrekking tot de bescherming van cultureel erfgoed op

mogelijk te maken, maar ook om het identiteitsgevoel te hand-

mekaar af te stemmen en de ontwikkeling van Europese onder-

haven in de toekomst. Vla het bundelen van de krachten op

zoeksprogramma's te ondersteunen. NET-heritage wordt ge-

vlak van onderzoek kan de bescherming van het cultureel erf-

subsidieerd binnen het zevende kaderprogramma (2007-2013)

goed gerealiseerd worden. NET-heritage is ontstaan vanuit de

van de Europese Commissie. Dit programma poogt alle onder-

behoefte om iets te doen aan het gebrek aan Internationale

zoek-gerelateerde initiatieven van de EU onder een gemeen-

uitwisseling van informatie over gecoördineerd onderzoek

schappelijk dak samen te brengen, ten einde een cruciale rol te

betreffende de bescherming van materieel cultureel erfgoed.

spelen in het bereiken van de Europese doelstellingen rond

De belangrijkste doelstellingen van het project zijn: een over-

groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid.

zicht bieden van gecoördineerd onderzoek en de fragmentatie

Aan NET-Heritage participeren 15 ministeries, subsidieverle-

van onderzoek beperken, de uitwisseling van onderzoeksresul-

nende instanties en eenheden die onderzoeksprogramma's

taten tussen de verschillende landen bevorderen, streven naar

opmaken uit 14 lidstaten, waaronder België (Federaal weten-

innovatie en duurzame ontwikkeling binnen het onderzoek van

schapsbeleid). Een van de belangrijkste resultaten van het

cultureel erfgoed en een gezamenlijke politiek ontwikkelen om

project is dat het aan de basis ligt van het voorstel om een

de bescherming van het cultureel erfgoed te realiseren. Om dit

zogenaamdjomt Programming Initiative met als onderwerp

ambitieus programma te verwezenlijken werden 6 werkpakket-

Cultural Heritage and Global Change: a new challenge for Europe

ten samengesteld. Een eerste pakket omvat het systematisch

op te starten. De studiedag kende een opkomst van 180 natio-

uitwisselen van informatie en best practices rond de lopende

nale, maar vooral internationale onderzoekers, ambtenaren,

nationale onderzoeksprogramma's met betrekking tot de be-

beleidsmakers en andere betrokkenen uit het erfgoedveld.

scherming van materieel cultureel erfgoed. De onderzoeksprogramma's per land worden in kaart gebracht, evenals de be-

De dag nam een aanvang met een uiteenzetting van Antonia P. Recchia, afgevaardigde van het Italiaans Ministerie voor cultureel erfgoed en coördinator van NET-Heritage. Ze gaf een be-

schikbare budgetten, het management, de procedures voor toekenning van gelden en de sterkten en zwakten van de bestaande systemen.

knopte omschrijving van het project en de realisaties vertrekkende vanuit de vaststelling dat cultureel erfgoed met zijn

Een tweede werkpakket omvat de oprichting van een Net-Heri-

materiële artefacten (gebouwen, monumenten) en immateriële

tage Observatorium, een online webportaal waar informatie

getuigenissen (tradities, gewoonten, gebruiken) de spiegel

(artikels, documenten, datasets) met betrekking tot lopend en

vormt van de samenleving. Het cultureel erfgoed van de Euro-

uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek over erfgoedzorg In

pese Unie is volgens Recchia van essentieel belang voor de

Europa verzameld wordt, en kan beoordeeld worden op een


virtueel platform vla peer review. Het centraal ter beschikking

and Innovation Funding. Iedereen die hier een mening over

stellen van deze informatie kan richtinggevend zijn voor de

heeft kan die bekend maken op http://ec.europa.eu/research/

opmaak van nieuwe onderzoeksprogramma's. Het observato-

csfri/index_en.cfm?pg=questionnaire

rium is vrij toegankelijk voor elke geïnteresseerde via

De volgende spreker Sneska Quaedvlieg-Mihailovic, secretaris-

www.heritageportal.eu.

generaal van Europa Nostra, vertegenwoordigde het zoge-

Het derde werkpakket omvat de ontwikkeling van strategische

sinds 1963 en is daarmee volgens de spreker het 'eerste Euro-

naamde middenveld. De organisatie Europa Nostra (bestaat activiteiten, meer bepaald het zoeken naar potentiële toekom-

pese netwerk met betrekking tot Cultureel Erfgoed'. Naast het

stige samenwerking tussen de verschillende landen op vlak van

redden van monumenten, landschappen en archeologische

onderzoek. Er wordt gedacht aan evaluatie en monitoring van

sites in nood, is de organisatie in 2002 door de Europese Unie

de omgeving (klimaatverandering, vervuiling, risico op aardbe-

uitverkozen om, in het kader van het Culture Programme, de

vingen), onderzoek van schademechanismen met als doel

European Union Prize for Cultural Heritage / Europa Nostra

preventieve conservatiestrategieën te ontwikkelen, de ontwik-

Awards te organiseren. Deze Awards bekronen voorbeeldige

keling van praktische meetinstrumenten, innovatieve materia-

restauraties en uiteenlopende initiatieven voor het behoud van

len en technieken voor conservatie en onderhoud, evaluatie-

het culturele erfgoed. Ook onderzoek, verdienstelijke indivi-

methodes voor eerder uitgevoerde conservatie-ingrepen,

duen en erfgoedorganisaties, en - sinds 2008 - projecten op

de ontwikkeling van nieuwe technologieën voor de bescher-

het vlak van erfgoededucatie worden bekroond. De redenen

ming en het management van erfgoed etc.

voor het erkennen van voorbeeldprojecten is het bevorderen van hoge kwaliteitsnormen en vakbekwaamheid in het erfgoed-

Het vierde werkpakket richt zich op de organisatie van geza-

behoud en de monumentenzorg, en het stimuleren van grens-

menlijke internationale activiteiten met betrekking tot onder-

overschrijdende uitwisselingen in deze sector.

zoek, het vijfde werkpakket gaat dieper in op de bestaande opleiding- en bijscholingmogelijkheden en de ontwikkeling van

Europees Parlementslid Cristina Cutiérrez-Cortines ging als vierde

eventuele nieuwe scholingmodules en programma's. Het zes-

spreker van de dag in haar zeer gedreven betoog in op de econo-

de en laatste werkpakket richt zich op de coördinatie en het

mische en sociale dimensie van cultureel erfgoed voor Europa en

management van het netwerk.

meer bepaald de belangrijke rol die onderzoek daarin speelt.

De tweede spreker was Luisa Prista, hoofd van de onderzoeks-

de Spaanse stad Avila, illustreerde het belang van cultureel

eenheid Environmental Technologies bij de DG Onderzoek en

erfgoed in de duurzame ontwikkeling van zijn stad via de toe-

Roberto Rodriguez, hoofd van de dienst Europese projecten in

innovatie van de Europese Commissie. Zij gaf een overzicht

lichting van het INTERREG project Presewe: Peer-reviews for

van de inspanningen die de Europese Commissie in het verle-

sustainable Eco-regions via Europe (zie website www.preserve.

den leverde met betrekking tot de ondersteuning van onder-

aer.eu). In dit project dat liep van 2008 tot 2011 beoordeelden

zoek dat als doel heeft het in stand houden van materieel cul-

verschillende steden mekaars aanpak met betrekking tot het

tureel erfgoed. Cultureel erfgoed smeedt banden tussen de

aanwenden van cultureel erfgoed als een katalysator voor de

burgers. Volgens een studie van het Brusselse onderzoeks- en

ontwikkeling van de economie van een regio. Doel was via dit

adviesbureau KEA European Affairs uit 2006 zorgt cultureel

peer review het wederzijds leerproces op gang te brengen om

erfgoed in Europa direct en indirect (o.a. via toerisme) voor

tot een duurzamer regionaal toerismebeleid te komen. Er werd

een omzet van zo'n 335 biljoen euro en genereert het zo'n

onder andere voor Avila geconcludeerd dat zorgzame omgang

g miljoen jobs. De steun vanuit de Commissie komt er omwille

met cultureel erfgoed en het bewust behoud ervan (met inbe-

van een bezorgdheid voor de kwetsbaarheid van dit waardevol

grip van restauraties), gecombineerd met een geïntegreerd

erfgoed. Sinds 1986 wordt er een apart budget vrijgemaakt

aanbod in het kader van toerisme het aantal overnachtingen in

voor erfgoedonderzoek. In het vijfde kaderprogramma (1998-

de stad substantieel doet verhogen, wat op termijn resulteert

2002) werd 40 miljoen euro vrijgemaakt voor 41 projecten die

in hogere welvaart en een meer duurzame omgang met de

de zorg voor erfgoed centraal stellen. In het zesde kaderpro-

omgeving.

gramma (2002-2006) was dit 18 miljoen euro voor 23 projecten. Het huidige zevende kaderprogramma leverde tot op he-

De Sloveense minister voor Ruimtelijke ordening en Milieu

den (maart 2011) 31,5 miljoen euro voor 15 projecten. Er wordt

Roko Zarnic sprak vanuit zijn functie als covoorzitter van het

verwacht dat dit tegen 2013 op zal lopen tot zo'n 70 miljoen

focusgebied cultureel erfgoed (FACH) van het European Con-

euro. Sinds oktober 2010 is er ook vanuit de Commissie onder-

struction Technology Platform (ECTP) over de onderzoeksnoden

steunde publiek- private samenwerking gestart rond energie-

bekeken door de bril van de bouwsector (www.ectp.org). ECTP

efficiënte gebouwen en cultureel erfgoed. Wat de toekomst ons

ontwikkelde immers in 2005 een strategische onderzoeksa-

na het zevende kaderprogramma brengt kan je als individu of

genda voor de bouwsector (2005-2030) waarin ook het vakge-

organisatie gedeeltelijk mee bepalen. Tot 20 mei loopt een

bied cultureel erfgoed aan bod komt. In de onderzoeksagenda

online publieke consultatie van een green paper over de ideeën

wordt het belang aangehaald van een op kennis gebaseerde en

rond een Common Strategie Framework for future EU Research

interdisciplinaire benadering van het erfgoed. Het behoud van


Klimaatopwarming kan resulteren in meer en heviger overstromingen zoals hier bij de waterhurcht van Millen (foto W. Slock)

het cultureel erfgoed wordt als cruciaal gezien bij de uitbouw

project Climate for culture toe. Aan dit project, dat 5 miljoen

van een 'aantrekkelijk' Europa. Er worden 6 prioritaire onder-

euro steun geniet van de Europese Commissie, werken 90

zoeksonderwerpen gedefinieerd: onderzoek naar methoden

mensen uit heel Europa mee. Het project vertrekt vanuit de

voor evaluatie en het monitoren van het erfgoed, onderzoek

vaststelling dat de gevolgen van de klimaatsverandering ook

naar de materialen waaruit het erfgoed is opgetrokken en de

gebouwen met erfgoedwaarde zullen treffen. Een directe

bijhorende schadepatronen, onderzoek naar interventietech-

impact zal waar te nemen zijn op niveau van de gebouwschil,

nieken, onderzoek met betrekking tot energie (zuinigheid) en

maar ook het interieur en de belangrijke collecties die er in

de omgevingsfactoren van cultureel erfgoed, onderzoek van

ondergebracht zijn zullen invloed ondervinden. Het project

het beheer en onderhoudsproces voor cultureel erfgoed en ten

Climate for culture wil via de ontwikkeling van hoge resolutie

slotte onderzoek van steden en territoriale gehelen. De ideeën

klimaatmodellen per regio (met een nauwkeurigheid van 11

van het ETCP hebben geleid tot de lancering van diverse onder-

km) gaan voorspellen welke schadelijke invloeden het aanwe-

zoeksvoorstellen voor het zevende kaderprogramma. De ver-

zige erfgoed zal ondergaan. Ook wordt specifieke simula-

eniging heeft ook ideeën geformuleerd voor het verbeteren van

tiesoftware ontwikkeld waarin de gegevens van individuele

de EU oproepen voor onderzoeksvoorstellen, onder andere

gebouwen ingelezen kunnen worden. Via dit onderzoek hoopt

door het introduceren van adviesgroepen en eindgebruikers-

men te voorspellen welke gebouwen een risico lopen.

groepen, het clusteren van gelijkaardige projecten en de over-

Het biedt op die manier ook de mogelijkheid tijdig preven-

dracht van onderzoeksresultaten naar eindgebruikers.

tieve maatregelen te nemen en de kosten op termijn van klimaatverandering voor cultureel erfgoed in te schatten.

Johanna Leissner, wetenschappelijke coördinator bij het

De resultaten van het onderzoek zijn verder te raadplegen op

Fraunhofer Cesellschaft, lichtte het lopende (2008-2014) EU-

www.climateforculture.eu.


De Italiaanse microklimatoloog Adriana Bernard onderzoekt

nieerd worden. Een zeer belangrijk onderdeel van het project

onder andere het effect van vervulling en extreme klimaatsom-

zal ook bestaan uit het opmaken van een actieplan om de

standigheden op cultureel erfgoed. Vanuit haar onderzoek

onderzoeksresultaten bekend te maken bij de eindgebruikers

kwam ze tot de vaststelling dat er misschien wel heel wat nieu-

en de sector.

we technologieën bestaan of in ontwikkeling zijn, maar dat weinige ervan rechtstreeks ingezet kunnen worden voor de

Na de lunch gaf Sylvie Max-Colinart van het departement on-

bescherming van cultureel erfgoed. Zij beschouwt onder an-

derzoek, hoger onderwijs en technologie binnen het Franse

dere de ontwikkeling van niet invasie instrumenten en metho-

ministerie van cultuur een toelichting bij de resultaten van de

des voor diagnose en monitoren en de ontwikkeling van draag-

vragenronde naar nationale onderzoeksprogramma's rond

bare instrumenten voor het uitvoeren van in site metingen en

erfgoedzorg, gerealiseerd in het kader van het eerste werkpak-

onderzoek als een grote lacune. Deze lacune werd ook vastge-

ket van NET-Heritage. In de 14 landen die deelnemen aan

steld in het project NET-Heritage. Vanuit deze bevindingen is

NET-Heritage werden 41 programma's gedetecteerd.

ze zelf gestart dergelijke instrumenten en methoden te ontwik-

De programma's zijn te situeren op verschillende hiërarchi-

kelen ofte promoten, onder andere via het Europese project

sche niveaus: op strategisch niveau (land), op programmato-

TEACH- Technologies and Tools to prioritizeAssessment and Diag- risch niveau (ministeries, agentschappen, onderzoeksinstelinnosis of Air Pollution Impact on Immovable and Movable Cultural

gen,..) en op implementatie niveau (universiteiten, private

Heritage (www.teach-project.eu). Een voorbeeld van een onder

sector, onderzoeksinstellingen. De budgetten zijn doorgaans

haar impuls ontwikkeld instrument waarvoor ze een patent

niet recurrent en de duur van de projecten is meestal kort

verkreeg is de dauwsensor evenals een instrument om de op-

(3-6 jaar). De meeste projecten worden wel gelanceerd naar

pervlaktetemperatuur van een object te kunnen meten met de

aanleiding en ten gevolge van een projectoproep. De onder-

nauwkeurigheid van o.oi°C.

zoeksstrategie is afhankelijk van de beleidskeuzes of culturele parameters (beschermingen enz.). Het is moeilijk om de exac-

Guillermo Andrade kwam spreken als vertegenwoordiger van een middelgroot bedrijf actief in de erfgoedsector met ervaring in het aanvragen en uitvoeren van 2 Europese projecten. Het in Madrid gevestigde bedrijf SIT Crupo Empresarial SL (www.sitspain.com) is gespecialiseerd in het verpakken en transporteren van kunstwerken en roerende erfgoedobjecten, museografisch design, de inrichting van tentoonstellingen en het ontwikkelen van nieuwe technologieën en materialen voor het behoud en de bescherming van erfgoedobjecten. Zij ontwikkelden onder andere een geklimatiseerde dunne vitrinekast (een zogenaamd mc-frame) om schilderijen en andere erfgoedobjecten te beschermen. De innovatieve aanpak van het bedrijf kwam van pas in het eerste Europese project waarin ze betrokken waren. PROPAINT - Improved protection of paintings during exhibition, storage and transit liep van 2007 tot 2010. Tijdens dit project werd het beschermend effect onderzocht van mc-frames en van beschermende vernissen voor schilderijen. Voor het onderzoek werden een aantal meetinstrumenten gebruikt die in het kader van andere Europese projecten ontwikkeld waren. Aansluitend bij dit project werd een nieuw project MEMORI (www.memori-project.eu) aangevraagd waarin de bestaande instrumenten en technologieën verfijnd zullen worden. MEMORI- Measurement, Effect, Assessment and Mitigation of Pollutant impact on Movable Cultural Assets. Innovative Research for Market transfer is momenteel in uitvoering (2010 tot 2013). Doel van het project is onder andere het ontwikkelen van een MEMORI early warning dosimeter die een verbeterde evaluatie en monitoring van omgevingsfactoren (licht, zuren aanwezig in lucht) bij roerende erfgoedobjecten in interieurs moet mogelijk maken. Daarnaast zal ook de impact van organische zuren en andere vervuilers op diverse materialen getest worden en zullen grenswaarden voor blootstelling aan deze stoffen gedefi-

te budgetten aan onderzoek per land te bepalen, vast staat wel dat de budgetten als 'te laag' ervaren worden. Meestal gaat het om niet meer dan enkele honderdduizenden euro's per land, met uitzondering van de UK, waarover verder meer. Feit is ook dat er overal een gebrek is aan een lange termijnvisie (>io jaar). De resultaten van de vragenronde zijn te raadplegen op het NET-Heritage Observatory (www.heritageportal.eu). Barbara Swiatkowska van het Nationaal Museum in Krakow (Polen) is een van de onderzoekers van NET-Heritage die in het kader van het vijfde werkpakket van het project bekeken heeft in hoeverre er mogelijkheden bestaan voor bijscholing in conservatie-restauratie. Haar bevindingen zijn dat de bijscholing met betrekking tot conservatie-restauratie onder te verdelen is in 3 categorieën: onderzoek dat leidt tot een doctoraat, langdurige opleiding die niet tot een graad leidt en korte cursussen en andere opleidingsmogelijkheden. Uit de studie van de situatie in de 14 deelnemende landen van NET-Heritage is gebleken dat er enerzijds een zeer divers aanbod aan opleiding en bijscholing is, maar dat anderzijds de fragmentatie van het aanbod groot is en de coördinatie ontbreekt. Aansluitend heeft ze een aantal aanbevelingen geformuleerd voor de organisatie van bijscholing die moeten leiden tot een kwaliteitsvol behoud van het Europees cultureel erfgoed. In de aanbevelingen wordt onder meer de voorkeur gegeven aan bijscholing gebaseerd op onderzoek dat tot een doctoraat leidt omdat dit experts in het veld van wetenschap en erfgoedmanagement vormt. Wanneer bijscholing gebeurd via langdurige cursussen die niet leiden tot een graad, dan dienen deze cursussen kennis, vaardigheden en competenties bij te brengen die duidelijk herkenbaar zijn binnen het Bologna-systeem. Voor korte cursussen moet de output duidelijk beschreven worden. Het kan gaan om het overdragen van totaal nieuwe kennis of het bekend maken van de resultaten van recente onderzoeksprojecten. In de aanbeve-


lingen wordt ook de aandacht gevestigd op de nood aan conti-

technologieën en budgetten. De bedoeling van een JPI is om

nuïteit van financiële ondersteuning voor studie en bijscholing

aan kennisuitwisseling te doen en een gezamenlijke onder-

evenals de verplichting om bij het einde van elk onderzoeks-

zoeksstrategie uit te werken. Dit kan ook leiden tot de lance-

project een workshop te geven om de gegenereerde kennis te

ring van gezamenlijke projectvoorstellen. In de zomer van

verspreiden bij de eindgebruikers en de sector.

2009 werd vanuit de schoot van NET-Heritage geopperd om

CD

Ö • l—l PQ 16

een JPI voor Cultureel erfgoed op te starten. Het onderzoek May Cassar is hoofd van het Centre for Sustainable Heritage van

naar de gevolgen van globale verandering op cultureel erfgoed

het University College in Londen en coördinator van het UK

is een uitgelezen onderwerp om op Europees niveau aan te

Science and Heritage Strategic Research Programme.

pakken. Het voorstel werd in september 2009 ingediend door

Ze vertelt over het ontstaan van dit prestigieuze Britse pro-

Italië en goedgekeurd in april 2010. In totaal zijn 17 deelne-

gramma voor erfgoedonderzoek dat uniek is in Europa.

mende landen, 8 observerende partijen (waaronder UNESCO,

De basis ervoor werd gelegd in 2005 toen uit een onderzoek in

ICOMOS, ECTP) en de Europese Commissie betrokken.

het UK bleek dat er per 60 musea maar 1 erfgoedonderzoeker

Er werden diverse bestuursorganen [governing board, executive

beschikbaar was. In het rapport van dit onderzoek dat in 2006

board, advisory board, scientific committee) in het leven geroe-

verscheen werd dan ook geconcludeerd dat er een dringende

pen. Ook België is van de partij met een vertegenwoordiger

nood was aan een gecoördineerde nationale strategie voor

van het VIOE en de Service public Wallon in de governing board

onderzoek, zowel op vlak van roerend als onroerend erfgoed.

en een vertegenwoordiger van het KIK in de executive board.

Naar aanleiding hiervan startte in 2007, een 5-6 jaar lopend

De mogelijke gevolgen van globale verandering op cultureel

nationaal onderzoeksprogramma specifiek gericht op erfgoed-

erfgoed kunnen immers een belangrijke weerslag vinden op

onderzoek waarvoor 9,5 miljoen euro werd vrijgemaakt. Het

Europa's competitiviteit. Naast de economische impact van

programma heeft als doel de fragmentatie van het erfgoedon-

cultureel erfgoed (toerisme industrie/ conservatiemarkt etc.)

derzoek tegen te gaan, de interdisciplinariteit van het onder-

is er immers ook een omgevingsimpact (historische gebouwen

zoek binnen de erfgoedzorg te vergroten, het aantal onderzoe-

en hun hergebruik genereren minder CO2 uitstoot dan het

kers te doen toenemen en de doorstroming van nieuwe kennis

afbreken van bestaande en het bouwen van nieuwe huizen) en

naar de eindgebruikers, politici en het ruime publiek te garan-

een sociaal-culturele impact (erfgoed als middel voor Europese

deren. De communicatie van onderzoeksresultaten dient bij-

identificatie, het geheugen van de samenleving). In mei 2010

voorbeeld niet enkel te gebeuren via de publicatie van een

werd een visiedocument aanvaard. De onderzoekssector voor

eindrapport maar ook via gerichte acties zoals een workshop

erfgoedzorg kijkt reikhalzend uit naar de eerste grote resulta-

voor eindgebruikers. Het onderzoeksprogramma is opge-

ten van de )PII

bouwd rond zes belangrijke thema's: transformatie van materialen; authenticiteit, waarmerking en veiligheid; interpretatie en representatie; culturele ontmoetingen en verkenningen; samenspel tussen mens en machine; herstelvermogen en adaptatie. De resultaten van elk gefinancierd onderzoek dienen bekend gemaakt te worden op de website van NET-Heritage. Meer informatie over het programma is beschikbaar op www.heritagescience.ac.uk.

Als afsluitend spreker was Christina Sabbioni aan het woord. Prof. Sabbioni is directeur van het Institute o/Athmospheric Sciences and Climate (ISAC) van de Nationale Onderzoeksraad in Italië en geeft ook fysica aan de universiteit van Bologna. Zij was een van de drijvende krachten achter het baanbrekende Europese project Noam's Ar/c waarin de gevolgen van klimaatverandering voor het cultureel erfgoed in Europa aangekaart werden. Ze gaf tekst en uitleg bij een van de tot op heden belangrijkste resultaten van het project Net-Heritage, namelijk de oprichting van een Joint Programming Initiative (JPI) met als titel Cultural Heritage and Global Change: a new Challenge for Europe. Het relatief nieuwe principe van Joint Programming wordt sinds 2009 door de Europese commissie toegepast om een globale problematiek te onderzoeken waarvoor niet één maar vele lidstaten nodig zijn om een oplossing te vinden. JPI veronderstelt de samenwerking van zoveel mogelijk Europese lidstaten met de inbreng van hun kennis, onderzoekers.

Meer informatie over NET-Heritage is te vinden op de website www.netheritage.eu.


deze elementen (zoals nog te vaak gebeurt) levert slechts een beperkte blik op, die voorbijgaat aan de volledige waarde van dit erfgoed. De brochure bevat twee grote hoofdstukken: Begraafplaatsen en Graftekens. Het eerste behandelt de begraafplaatsen in hun

Anne-Mie Havermans

totaliteit, de problemen op het terrein en hun onderhoud. Het tweede luik gaat concreet in op de schade, het onderhoud en het herstel van de graftekens.

ONDERHOUD VAN FUNERAIR ERFGOED Erosie: een niet te onderschatten probleem Monumentenwachters vertoeven tijdens inspecties van kerkge-

Een kerkhof of een begraafplaats is vaak een groene oase en

bouwen geregeld op kerkhoven. Daarbij worden ze geconfron-

een rustplaats in de bebouwde omgeving. Echter, sinds de

teerd met de algehele toestand van de kerkhoven. Lokale be-

introductie van pesticiden midden 20ste eeuw werden vele be-

sturen zijn zich niet altijd bewust van hun funeraire patrimo-

graafplaatsen omgevormd tot zandwoestijnen die bij regen

nium, zelfs inzake het basisonderhoud bestaat er onwetend-

slijk opleveren. Elders werden ze bedolven onder grijze of rode

heid. Monumentenwacht komt hieraan tegemoet met een

steenslag, een monotone ondergrond. Het verdwijnen van het

overzichtelijke brochure. Naast een analyse van de diverse

groen had niet enkel esthetische gevolgen. De erosie die hier-

aspecten waarmee het beheer van een begraafplaats te maken

mee in de hand werd gewerkt had grote gevolgen, onder meer

kan krijgen, biedt ze een overzicht op wat er kan misgaan en

voor de stabiliteit van graftekens.

formuleert ze aanbevelingen. Een begraafplaats wordt bepaald door haar fauna en flora,

Met het LEADERproject 'Volkegem vernieuwt, Kerselare ver-

beeldhouwkunst, (landschaps)architectuur, dichtkunst en een

bindt' bracht Monumentenwacht de pijnpunten van erosie in

boeiende (mentaliteits)geschiedenis die vaak teruggaat tot de ie

i8' -i9

de

eeuw. Deze diverse aspecten zijn alle van belang bij

het evalueren van een begraafplaats. De klemtoon op één van

kaart en realiseerde een antwoord op het probleem. De doodgesproeide teelaarde werd verwijderd en de bodemerosie werd bestreden door traag groeiende grassen in te zaaien en door de bestaande hagen en planten aan te vullen. Met beperkte middelen werd een indrukwekkend resultaat bekomen, zoals blijkt uit de foto's van het Sint-Martinuskerkhof voor en na het project.

Sinds van hogerhand werd opgelegd dat pesticiden moeten worden geweerd op begraafplaatsen, namen al diverse gemeenten positieve initiatieven. In Eeklo, Antwerpen, Vleteren, Sint-Niklaas, en andere plaatsen werd gras aangeplant en wordt enkel op de paden geregeld gemaaid, zodat een variëteit aan wilde planten de kans krijgt om zich te ontwikkelen. Zo ontstaat een beeld dat meer overeenkomt met de oorspronkelijke historische situatie, dat bovendien ecologisch verantwoord is, bodemerosie tegengaat, een esthetische meerwaarde biedt en geen extra werk oplevert aan de gemeente. Monumentenwacht maakt een treffende analyse van de problematiek. Het is pijnlijk vast te stellen dat een groot deel van de schade onbewust of goedbedoeld wordt veroorzaakt. Zo ziet men na het passeren van tractors soms dat er takken van bomen werden afgerukt of dat wortels en zerken beschadigd zijn. Door op kleine schaal in te grijpen, kunnen kosten op grote schaal uitgesteld en zelfs vermeden worden.

Onderhoud van individuele graftekens De brochure geeft tips voor het dagelijks onderhoud. Terecht wordt duidelijk gemaakt dat een grafteken er niet nieuw hoeft uit te zien. Korstmossen zijn een meerwaarde, het groen van het brons hoort er wel degelijk. Chemische producten zoals bleekwater zijn nefast voor de steen op lange termijn.


Sint-Martinuskerkhofna © Monumentenwacht Oost-Vlaanderen Door bewust te handelen kan heel wat schade voorkomen

Besluit

worden.

De brochure Onderhoud van funerair erfgoed raakt de diverse

Verder wordt aangeraden om voor herstellingen en restauraties

aspecten aan waarmee het beheer van een begraafplaats te

een deskundige aan te spreken. Het is ook mogelijk om, net

maken heeft, en blijft daarbij erg concreet. Het opent de ogen

zoals voor gebouwen, Monumentenwacht de begraafplaats te

en doet nadenken op welke manier, met kleine middelen, opti-

laten inspecteren. Een geoefend oog kan bepalen of een barst

maal om te gaan met dit waardevolle erfgoed. Daarom is deze

schadelijk is of niet, of een herstelling in eigen beheer kan

brochure aanbevolen voor ieder die van ver of dichtbij te ma-

gebeuren of om een gespecialiseerde tussenkomst vraagt.

ken heeft met begraafplaatsen.

Eeuwenoude grafzerken die opgericht werden in de kerk, horen niet thuis op het kerkhof. Best worden ze opnieuw in het interi-

Deze brochure kadert in een reeks brochures die het preventief

eur geplaatst of dermate beschermd dat de weersomstandig-

onderhoud willen aanmoedigen. Voordien werden al onderwer-

heden geen invloed hebben en de verwering van dit bijzondere

pen behandeld zoals Onderhoud van ijzerwerk en Vegetatie op

erfgoed wordt beperkt.

en rond gebouwen, die ook toepasbaar zijn op het funerair erfgoed.

Inventarisatie

Deze brochures zijn te downloaden ofte bestellen.

In het kader van een degelijk beheer wordt terecht gewezen op het belang van een degelijke en uitgebreide inventaris van de begraafplaats als geheel en van de graftekens in het bijzonder. Indien de achtergrond en de waarde van de diverse graftekens gekend is, kan de materiële toestand beter worden opgevolgd en wordt duidelijk welke graftekens prioriteit krijgen bij behandeling en restauratie. Sinds het decreet op de begraafplaatsen en lijkbezorging van 2004, zijn de lokale besturen trouwens verplicht een lijst op te maken van graftekens van lokaal historisch belang.

MAEKELBERC D., SCHEIRLINCKX C. en VAN LAAR B., Onderhoud van funerair erfgoed. Prijs: 5 € . Leden van Monumentenwacht ontvangen 1 exemplaar gratis. Bijkomende exemplaren 3 € www.monumentenwacht.be/ publicaties/alle-publicaties


Studiedagen

ICOM/DEMHIST CONGRES 2011 Van 17 tot 21 oktober 2011 organiseren het Kasteel van Gaasbeek, Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet en Musea en Erfgoed Antwerpen de ICOM/DEMHIST conferentie met als

JONGE MONUMENTEN VOOR DE HUIDCE SAMENLEVING

titel Catching the Spirit. Theatrical Assets of Historie Houses and

(D

their Approaches in Reinventing the Past.

ö

De studiedag wordt georganiseerd door WTA Nederland-Vlaan-

Het ICOM/DEMHIST-congres 2011 focust op historische hui-

deren in de Antwerp Expo in Antwerpen, opp vrijdag 30 sep-

zen als Theatre of History.

tember 2011. De sprekers Klaas Waarheid (Van Schagen Archi-

Keynote spreker is de Britse regisseur en filmmaker Peter

tekten, Rotterdam), Joris Molenaar, (Molenaar en Van Winden

Greenaway (The Cook, the Thief, His Wife &, Her Lover;

Architecten, Delft), Robin Engels (Origin Architecture & Engi-

The Pillowbook) die zich de laatste jaren toelegde op verschil-

neering, Brussel), Rutger Steenmeijer (architectenbureau R.

lende projecten in historische huizen (het laatste in het kasteel

Steenmeijer, Antwerpen), Kris Brosens (Triconsult NV, Lum-

van Amerongen).

men), Martijn Kivit (Erfgoed Installaties, 's-Hertogenbosch), Kathleen Moermans (Ruimte en Erfgoed Oost-Vlaanderen) en Guy Deckers (Konhef vzw, Antwerpen) zullen vanuit hun eigen

Alle informatie over het DEMHISTcongres vindt u op www.icomdemhist2011.com

kennis en ervaring jonge monumenten voor de huidige samenleving toelichten. Tijdens de studiedag wordt de problematiek van het aanpassen van jonge monumenten aan het gebruik, de regelgeving en de comfortelsen binnen onze huidige samenleving uiteengezet. Vanuit sociale, materiaaltechnische en bouwfysische invalshoeken worden knelpunten geschetst en aan de hand van diverse praktijktoepassingen de keuzecriteria en de praktijkrealisatie geïllustreerd. Naast een conceptuele toelichting van het aspect herbestemming worden tijdens de studiedag prestatie-eisen zoals energieprestaties en materiaaldegradatie (staal en beton) behandeld. Tevens wordt dieper ingegaan op het behoud en aangepast functioneren van erfgoedinstallaties (centrale verwarming, elektrische installaties) en liften. Zoals gebruikelijk staat 'kwaliteit' centraal en wordt het thema benaderd vanuit verschillende invalshoeken / beslissingsniveaus (overheid, onderzoekers, architect en ingenieur). Het mag duidelijk zijn dat deze studiedag zowel ingaat op de principiële keuzes, beslissingsprocessen, diagnosestelling als op de praktijkoplossingen en uitvoeringstechnieken, geïllustreerd aan de hand van diverse praktijkvoorbeelden.

De prijs voor deelname aan deze studiedag is € 120 voor WTA-leden, en € 160 voor niet-leden, inclusief koffie, lunch en syllabus. Studenten kunnen tegen overlegging van een inschrijvingsbewijs aan een onderwijsinstelling aan de studiedag deelnemen voor een bedrag van € 45. Inschrijven kan door insturen van het aanmeldingsformulier en overschrijving van het juiste bedrag op rekeningnummer 738-0273527-09 van KBC te Kruishoutem, op naam van WTA NL-VL. Info: KULeuven, Kristine Loonbeek, Kasteelpark Arenberg 40 bus 2448 B, 3001 Heverlee; tel. 016/321654; mail:info@wta-nl-vl.org ofKristine.Loonbeek@bwk.kuleuven.be; www.wta-nl-vl.org

-> M&L ONLINE <-

M&L ... dat zijn meer dan 700 wetenschappelijk verantwoorde bijdragen in 30 jaar! Iets opzoeken? Op onze website kan je via een handige zoekfunctie opzoeken wat wij reeds publiceerden over monumenten, Landschappen en archeologie bij jou in de buurt!

PQ 19


"La question du dóme (du Palais de Justice a Bruxelles) est encore ouverte. Est-il possible de supprimer le dome sur un monument dont ('architecture tout entière est congue en me de ce couronnement? Je ne le pense pas. Un monument incomplet n'est pas un monument, c'est une ruine anticipée"

"De vraag met betrekking tot de bouw van de koepel is nog open. Is het mogelijk de koepel weg te laten op een monument, waarvan de architectuur volledig ontworpen is voor een dergelijke bekroning? Ik denk het niet. Een onvoltooid monument is geen monument: het is een voortijdige ruïne."


justitiepaleis afgebeeld. Op één van de twee foto's herkennen we de koepelbekroning van de in 1875 gefotografeerde maquette. De tweede foto toont een ander koepelontwerp dat wordt gekenmerkt door onder meer beelden op het balkwerk en vrijstaande zuilen op de hoeken van de onderste tamboer en zwaar uitgewerkte zone tussen de bovenste tamboer en de koepelschil.

weervinden op de maquettes en de tekeningen zijn onder meer een met driehoekige frontons versierde zone net onder de koepelschil (op één maquette en twee tekeningen), een tempelvormige aanbouw aan de voet van de eerste tamboer (op de twee maquettes en één tekening) en een met een hoog uitgewerkt sierelement of figuur boven op de lantaarn (op de twee maquettes en twee van de drie tekeningen).

Op geen van deze twee laatstgenoemde maquettes zijn leeuwen zichtbaar maar ze vertonen telkens wel kenmerken die overeenkomen met de schetsmatig uitgevoerde koepelprojecten bewaard in de private collectie. Opvallende elementen die we

Kort na de goedkeuring van het koepelproject op 6 maart 1877 verklaarde Wellens aan de minister van Justitie dat de bouw ervan 1.512.992,93 fr. zou kosten en dat hij alles in het werk zou stellen opdat dit bedrag niet zou overschreden worden.

De trap naar de Miniemenstraat in het justitiepaleis van Brussel (foto O. Pauwels)

M&L I 35


Op 15 november 1877 moest de ingenieur echter toegeven dat hij zijn schatting voor de kosten van de bouw had onderschat. Als reden hiertoe argumenteerde de ingenieur dat zijn eerste raming was opgemaakt op een ogenblik dat de nodige plannen en doorsneden, die noodzakelijk waren voor de berekeningen van de drukkrachten, nog niet waren gemaakt. Uit zijn brief blijkt ook duidelijk dat de opdracht moeilijker was dan voorzien en begon te wegen op het gemoed van de ingenieur. Wellens sprak ook de hoop uit dat zijn foute prijsberekening geen afbreuk zou doen aan zijn reputatie (52).

De afwerking van het rez-de-chaussée Terwijl het ontwerp van de koepel verder werd uitgewerkt, vorderden de werken aan het rez-dechaussée gestaag. De deadline van 1 juni 1875 voor de voltooiing van de tweede sectie, zoals geëist was geweest in het aangepaste bestek van 28 oktober 1868, werd echter niet gehaald. De aannemer had de buiten- en binnenmuren voltooid, maar niet de dakwerken. Devestel slaagde er omstreeks deze tijd wel in om zich de bijna volledige toekomstige afwerking van het paleis toe te eigenen. Op 3 april 1875 diende Devestel een prijs in om de dakspanten te construeren in ijzer, hoewel het aanvankelijk de bedoeling was ze te construeren in hout. Op 1 augustus 1876 werd een overeenkomst met de aannemer afgesloten voor de werken aan de plafonnages. Op 10 november 1876 werd een nieuwe algemene overeenkomst afgesloten waarin werd beslist dat de werken voltooid dienden te zijn in 1880. Iets later, op 19 januari 1877 kreeg de aannemer ook de opdracht voor de afwerking van het schrijnwerk. Volgens Labye was het feit dat de aannemer telkens opnieuw opdrachten toegewezen kreeg, het gevolg van weinig doordachte clausules die toestonden dat de aannemer {selon son bon plaisir) vergoedingen kon eisen wanneer andere aannemers gebruik maakten van zijn werfvoorzieningen en stellingen. Hierdoor konden andere bedrijven onmogelijk een offerte opmaken met een prijs die kon concurreren met deze van Devestel. Labye gaf wel toe dat de administratie er in slaagde prijsverminderingen af te dwingen op de door de aannemer ingediende prijzen voor deze opdrachten (53).

In 1876 werd gestart met de uitwerking van de architecturale ornamenten van de buitengevels. De griffioenen in de gevels werden toegewezen aan Antoine-Felix Bouré (1831-1883), Adolphe Fassin (1828-1900?) en Pierre-Armand Cattier (1830-1892). De overige werken werden toevertrouwd aan het atelier van de uit Parijs afkomstige Georges Houtstont (1832-1912), die hiertoe was aangesteld door Devestel. De aanstelling van Houtstont verliep echter niet zonder enig protest van andere Belgische beeldhouwers die onder meer protesteerden dat Houtstont enkel Franse steenkappers in dienst nam. In het voorjaar van 1877 stuurden verscheidene Belgische kunstenaars zoals Jean Baptiste Van Heffen (1840-?), Amable Dutrieux (1816-1889) en Charles Geefs (1829-1911) aanbevelingsbrieven naar De Lantsheere. Ook Charles Delcour (1811-1889), minister van Binnenlandse Zaken, die tevens bevoegd was voor de schone kunsten, wetenschappen en letteren, stuurde verschillende brieven naar De Lantsheere waarin hij een aantal minder bekende beeldhouwers aanbeveelde. Deze brieven lijken er op te wijzen dat men van plan was om ook Belgische beeldhouwers te werk te stellen in of naast het atelier van Houtstont. Of deze Belgische kunstenaars echter daadwerkelijk aan het werk zijn gesteld, is niet zeker (54).

De constructie van de koepel In het voorjaar van 1878 werd een commissie opgericht om het ontwerp van de koepel van nabij te bestuderen. Met deze commissie wenste Wellens, die op 26 januari 1878 aan De Lantsheere toestemming had gevraagd zulk om een dergelijke commissie te mogen oprichten, de twijfels de kop in te drukken over de technische haalbaarheid van het nieuwe koepelproject. In deze commissie zetelden de Gentse architect en hoogleraar Adolphe Pauli (1820-1895), de architect Henri Beyaert (1823-1894) en de genieofficieren majoor Liénart en kapitein Leman. Op 16 maart 1878 legde deze commissie haar bevindingen neer en leverde zij op basis van de 25 voorgelegde plannen en de berekeningstabellen een gunstig advies af (55). Het rapport van deze commissie werd op 4 april 1878 in de Kamer van Volksvertegenwoordigers voorgelegd. Nog tijdens deze bijeenkomst werd een


Tekening van de uitgevoerde koepel van het justitiepaleis van Brussel, vermoedelijk omstreeks 1883, mogelijk van de hand van Van Mansfeld (private collectie)

budget van 2.500.000 fr. toegekend voor de verdere bouw van het paleis. Uit het rapport blijkt dat in de studie de drukkrachten op de ondergrond van het terrein, op de gebruikte bakstenen van de fundamenten en op de vier pijlers in blauwe hardsteen berekend waren geweest. Hoewel deze pijlers voldoende draagkracht hadden, besloot de

commissie toch dat de koepel enkel gebouwd kon worden met behulp van een systeem van ijzeren balken die dienden om de pijlers te verankeren. De toepassing van deze ijzeren balken voor de koepel was een niet onaanzienlijke beslissing die op het ogenblik dat de commissie erover oordeelde al in detail was uitgewerkt. Dit blijkt uit het feit dat in

M&LI 37


t^--

1

/

'

/

//

t

' wn cLwokt-

^ fe

:::::.. i::i

V (? •

^

Ill

0

k \ -

Wint 0

Ir T .

38 I M

L

6t

•i


het verslag wordt vermeld dat de ijzeren balken uitgetekend waren alsook uit het verslag van de kamerzitting van 29 januari 1878. Tijdens deze zitting had De Lantsheere laten weten dat voor de nieuwe constructie van de koepel 4.242.255,88 kilo ijzer noodzakelijk was, terwijl men daarvoor had geschat dat men slechts 429.600,00 kilo ijzer voor de koepel zou nodig hebben. Met behulp van de ijzeren balken werden in feite twee structurele ingrepen voorzien. Vooreerst werd op de vier stenen pijlers een ijzeren ringbalk geconstrueerd die diende als steunconstructie voor de eigenlijke koepelconstructie. De pijlers werden tevens op verschillende niveau's met elkaar en met de omringende muurmassa's verankerd. Een tweede structurale ingreep omvatte het verdelen van het gewicht van de hoger gelegen tamboeren op 24 steunpunten in de plaats van de gebruikelijke vier. Deze ijzeren structuren werden gerealiseerd door ingénieur Paris, propriétaire d'un grand établissement métallurgique d Binche (56). In het voorjaar van 1878 was ook beslist om de overkraging van het ingangsportaal van het peristylium (dat 20 meter breed en 34 meter hoog is) te realiseren met behulp van ijzeren balken. In zijn oorspronkelijk plan had Poelaert voorzien om de overkapping van de portiek enkel in gekapte steen en baksteen te realiseren. Nadat Wellens Poelaert's voorstel aan een studie had onderworpen, bleek echter dat zijn voorstel niet uitvoerbaar was (57). Volgens de ingenieur was, vanwege de grote overspanning van het balkwerk, de enorme afmetingen en het uitstekende profiel van de kroonlijst en het gewicht van het fronton, het gebruik van ijzer aangewezen. Voor de overspanning van het peristylium werd uiteindelijk een balk gebruikt van 2,50 meter hoog met een gewicht van 40.000 kilo. Ook voor de uitwerking van de kroonlijst, werden enorme hoeveelheden ijzer aangewend. In een rapport aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 6 maart 1877 verklaarde Wellens dat voor de uitvoering van de kroonlijst en de overkapping van de portiek samen 875.000,02 kilo ijzer nodig was. Later zou Wellens uitvoerig de beslissing loven om ijzer toe te passen. Volgens de ingenieur was het net de toepassing van deze ijzeren balken die het

justitiepaleis een vernieuwend, 'modern' karakter gaf: "Ce que les architectes de la grande époque babylonienne ou égyptienne n'ontpu faire, les architectes modemes Ie peuvent, et Ie Palais de Justice de Bruxelles en est la preuve, car l'exécution du plafond qui recouvre leportique central n'est, en réalité, qu'un monolithe artificiellement créépar la main de l'homme, au lieu de l'êtrepar la nature, et dont personne ne songera, pensons-nous, d contester la parfaite solidité. Rien ne s'oppose done plus d l'avenir a la reproduction des beaux types de l'antiquité, mais avec la légèreté et l'élégance que l'art moderne est en mesure d'y introduire" (58).

Bouwtekening met opstand en doorsnede van twee ijzeren balken van de koepel van het justitiepaleis van Brussel, ondertekend door Carpentier op 2 september 1876 {Brussel, Algemeen Rijksarchief, foto O. Pauwels)

Het tweede rapport van Ie Hardy de Beaulieu van 4 april 1878 Op dezelfde kamerbijeenkomst van 4 april 1878, waarin Wellens de resultaten met betrekking tot het gebruik van de ijzeren balken voor de constructie van de koepel voorstelde, legde Ie Hardy de Beaulieu opnieuw een rapport neer (59). Volgens dit rapport werd de totale som voor de bouw van het paleis op dat ogenblik al op 31.613.428,94 fr. geschat en wenste men het bouwwerk te voltooien in 1880. De som van Le Hardy de Beaulieu is opmerkelijk hoger dan de som die Wellens had berekend in zijn rapport van 20 december 1877, waarin onder meer de aankoopkosten van de terreinen niet waren inbegrepen. Le Hardy de Beaulieu twijfelde ook of de door de regering voorgenomen deadline van 1880 wel gehaald zou worden. Verder merkte het Kamerlid op dat de Staat, de Stad Brussel en de Provincie Brabant slechts 22.500.000 fr. aan kredieten ter beschikking hadden gesteld voor de bouw van het paleis, waardoor er een feitelijk tekort was van ongeveer 10.000.000 fr. Hierop pleitte Le Hardy de Beaulieu om het toezicht op de kosten te verscherpen. In het rapport wordt bevestigd dat de bouw van de koepel was opgestart en dat de contracten voor de levering van de metalen balken al waren afgesloten.

Dat het paleis ver gevorderd was, blijkt ook uit de bespreking van het gebouw in het tweede nummer van L'Èmulation van 1878. De schrijver van dit artikel, architect Charles Neute (1846-1885), was duidelijk onder de indruk van de afmetingen van het bouwwerk: "Il est - croyons-nous -peu de

Bouwtekening met plan van een hoekconstructie met ijzeren balken van de koepel van het justitiepaleis van Brussel, vermoedelijk omstreeks 1878 (Brussel. Algemeen Rijksarchief, foto O. Pauwels)

A/I&L I 39


constructions au monde, qui vues a distance puissent inspirer un aussi profond sentiment deforce, de grandeur et de majesté" (60). Toch werd ook forse kritiek geuit op het bouwwerk, precies vanwege zijn veel te grote afmetingen. Volgens de auteur waren sommige lokalen veel te groot en waren sommige delen van het paleis zodanig geconstrueerd dat er onvoldoende licht in viel. Ook de door Wellens geprezen toegepaste constructiewijzen werden niet gespaard. Volgens Neute vormde de toepassing van al het ijzer, dat verborgen werd binnen houten

constructies bedekt met plaaster om steen te imiteren, slechts een artistieke leugen. In het derde jaarnummer van L'Emulation verscheen een nieuw artikel over het justitiepaleis dat milder van toon was. Uit het artikel blijkt dat Neute en andere medewerkers van het tijdschrift een werfbezoek hadden gedaan en dat ze ontvangen waren door een medewerker van Poelaert. In dit artikel gaf Neute toe dat zijn kritiek overdreven was en moest hij erkennen dat het gebouw één van de meest


bewonderingswaardige monumenten van de 'moderne tijden' was (hoewel hij bleef herhalen dat er fouten in de architecturale uitwerking van het gebouw aanwezig waren). In het artikel werd ook benadrukt dat het gebouw, en in het bijzonder de voorgevel, in een pure, antieke Griekse stijl was gebouwd (61).

Het derde rapport van Ie Hardy de Beaulieu van 6 juni 1879 Op 6 juni 1879 presenteerde Ie Hardy de Beaulieu, rapporteur de la section centrale, voor de derde maal een rapport. Dit was veel omvangrijker dan de vorige twee (het telde maar liefst 69 pagina's) en gaf een gedetailleerd toegelichte analyse van de oorzaken waarom de kosten zodanig waren opgelopen.

les nécessités de la justice qu 'ilfallait avoir en vue que l 'omementation de la capitale et la gloire de I 'artiste" (62). Volgens Le Hardy de Beaulieu werd ook de vrijstaande zone rondom het gebouw op dezelfde wijze aanzienlijk vergroot, wederom zonder dat dit duidelijk was gecommuniceerd. Behalve in de algemene opzet vonden er ook talrijke wijzigingen plaats in de uitwerking van sommige architecturale elementen. Onder meer de ornamentele uitwerking van de kroonlijsten en borstweringen van de buitengevels van het paleis veroorzaakten aanzienlijke meerkosten. Aanvankelijk was er sprake van een moulure ordinaire die slechts 18 fr. per vierkante meter zou kosten. In 1874 verantwoordde Marcq plots een prijs van 58,85 fr. per vierkante meter voor de borstweringen die versierd werden met triglyphes, modillons, gouttes, consoles, panneaux, caissons, etc. Deze rijke versiering van de borstweringen was niet voorzien in de oorspronkelijke aanbesteding en bijgevolg had de aannemer - volgens artikel 9 van het bestek - recht op een nieuwe prijsregeling. Le Hardy de Beaulieu merkte hierover op dat in het bestek van de eerste sectie (die de voortzetting van de werken aan de fundamenten tot aan het rez-dechaussée omvatte en op basis van dewelke de eenheidsprijzen van de tweede sectie berekend zijn geworden) er inderdaad moeilijk sprake kon zijn van artikels die de afwerking van deze balustrade behandelen. Dat er op het ogenblik dat de werken aan de tweede sectie aanbesteed werden geen voorzieningen waren getroffen voor de afwerking van de verschillende delen van het gebouw vond de jurist echter duidelijk een stap te ver. Uiteindelijk werden voor de afwerking van de kroonlijsten, met inbegrip van de balustrades, slechts 2.388 vierkante meter aan 18 fr. uitgevoerd (voor een totaal van 42.994,92 fr.) en 11.479,5 vierkante meter aan 58,85 fr. (voor een totaal van 675.569,16 fr.). Deze som diende vervolgens nog verhoogd te worden met de prijs van 4965,00 kubieke meter blauwe steen (voor een totaal van 650.425 fr.) en 17 demi-moulures (voor een totaal van 26.399,61 fr.) wat een totaal maakte van i-395-378,39 fr.

Uit het verslag blijkt duidelijk dat de belangrijkste reden van de toenemende kosten veroorzaakt werd door het voortdurend vergroten van het project. De jurist toonde aan dat in de maand januari van het jaar 1862 een eerste dure aanpassing van het project gemaakt werd toen de administratie besliste om de muuromtrek van het paleis te vergroten met ettelijke meters. In zijn boek preciseerde Wellens dat het ging om een zone omheen geheel het paleis van gemiddeld 4.50 meter en dat door deze beslissing de grondoppervlakte van het paleis steeg van 20.000 naar 26.000 vierkante meter. Wellens schreef dat deze beslissing was genomen na het in detail bestuderen van het eerste ontwerp van Poelaert. Het grondplan dat in april 1862 werd gepresenteerd aan de minister heeft inderdaad een grondoppervlakte van ongeveer 26.000 vierkante meter. Toch benadrukte Le Hardy de Beaulieu dat deze toch niet onaanzienlijke beslissing genomen was geweest zonder dat de bijkomende kosten van deze aanpassingen duidelijk werden gecommuniceerd aan de bevoegde overheden. Het parlementslid stelde ook vast dat tot deze ingreep besloten werd nadat Poelaert de administratieve medewerkers onder druk had gezet:"L'architecte était, des ce moment, parvenu a convaincre les administrateurs un peu effrayés de I 'elevation de la dépense, (il ne s'agissait cependant encore que de douze millions), de De veranderingen in de plannen veroorzaakten vaak la nécessité de sacrifier quelque chose a la beauté et a la ook meerprijzen die te maken hadden met de grandeur architecturale de I 'edifice; que c 'était moins manier waarop de materialen werden toegepast.


Langsdoorsnede van het

lusnes Bi

Bm»

justitiepaleis van Brussel

•

(uit WELLENS i 8 8 i ,

I

foto H. Denis)

Dit blijkt niet alleen uit het rapport van Le Hardy de Beaulieu. Zo diende tijdens de parlementaire sessie van 4 april 1878 de minister van Justitie toe te geven dat de specifieke toepassing van het ijzer de eenheidsprijs ervan fors had doen stijgen. Deze prijs was aanvankelijk vastgesteld op 0,50 c' par kilogramme le prix des longerons en idle avec comières et rivets. Doordat echter ijzeren balken gebruikt werden die meer dan 10.000 kilo wogen, dienden speciale stellingen voorzien te worden waardoor voor deze stukken de prijs verhoogd was geweest met 0,12 c'per kilo. In het verslag van Le Hardy de Beaulieu vinden we wel passages terug waaruit blijkt dat de administratie zich erg inzette om waar mogelijk de prijzen terug naar beneden te krijgen. Zo slaagde Marcq er in om de prijs van de stenen voor de constructie van de kroonlijst met negen percent te laten zakken door prijs te vragen aan andere leveranciers. Het kamerlid vermeldde ook dat men had getracht aan Poelaert bepaalde limieten op te leggen; hij verwees bijvoorbeeld naar een brief van Marcq van omstreeks mei 1874 waarin aan Poelaert gevraagd werd om het aantal cannelures, waarmee de zuilschachten op de buitengevels waren

afgewerkt, niet te verhogen. Poelaert ging hiermee gedeeltelijk akkoord, waardoor een aantal zuilschachten daadwerkelijk niet voorzien werden van cannelures. Toch werden volgens het rapport aan de buitengevels in totaal nog steeds 186 schachten van zuilen en pilasters over twee derde van hun hoogte voorzien van cannelures. Le Hardy de Beaulieu wees de verantwoordelijkheid van deze meerkosten toe aan de architect. De jurist aarzelde hierbij niet er op te wijzen dat er iets scheelde bij de opleiding van de architecten en dat zij veel te veel bezig waren met het artistieke aspect van hun beroep en de praktische aspecten verwaarloosden. Ook in zijn in 1885 gepubliceerde boek merkte Labye op dat de verantwoordelijken van het project zich veel te veel hebben laten leiden door het ogenschijnlijke talent van een handige tekenaar die geen wetenschappelijke kennis van bouwen bleek te hebben. Le Hardy de Beaulieu formuleerde ook zware kritiek aan het adres van de politieke verantwoordelijken en hun administratieve afgevaardigden en verweet hen te weinig rigoureus te handelen: "Les administrations et surtout les Chambres doivent être inflexibles sur ce point; elles doivent exiger que les

M&LI 43


devis soient rigoureusement exacts. Je ne demande pas l'impossible ni même Ie difficile, je demande seulement que l'on ne commence plus de travaux si les plans n'en sont complètement arrêtés, sinon dans tous les détails d'exécution, au moins dans un ensemble qui permette d'apprécier les détails quant a leur volume et aux prix a Y appliquer. Cela se fait partout, pourquoi serait-ce impossible en Belgique?" (63). Opvallend is wel dat Le Hardy de Beaulieu de Stad Brussel aanduidde als de belangrijkste partij die Poelaert zou hebben overhaald om zijn project zo groots uit te werken. De jurist verwees hierbij naar bepaalde nota's en correspondentiestukken die hij onder ogen zou hebben gehad.

had zij telkens 2.500.000 fr. in de bouw geïnvesteerd, in 1878 steeg het totale bedrag tot 4.200.000 fr. en in 1879 zelfs tot 4,700.000 fr. Ook in 1880 en in 1881 moest zij nog aanzienlijke bedragen voorzien, respectievelijk 4.000.000 fr. en 3.000.000 fr. Ook voor de Stad Brussel waren de sommen omvangrijk. Tussen 1875 en 1879 had zij voor een totaal bedrag van 1.850.000 fr. bijgedragen aan de bouw van het justitiepaleis en nog op 4 november 1879 stortte zij een bijkomende som van 479.794,72 fr. Kort daarna stopte de Stad Brussel echter haar betalingen. Ondanks de oplopende kosten van het project, gaf de Provincie Brabant tussen 1875 en 1879 geen enkele financiële steun (67).

De dood van Poelaert Poelaert stierf op 3 november 1879. Het Parijse tijdschrift Revue mensuelle vermeldde enkele jaren na de dood van de architect dat hij stierf aan de gevolgen van een hersenbloeding. In de tekst werd echter ook gesuggereerd dat de architect mentaal geleden had onder het werk aan het justitiepaleis (64). Ook in andere teksten vinden we aanwijzigingen dat het werk aan het justitiepaleis gevolgen had voor het geestelijke en lichamelijke welzijn van de architect. Zo schreef de advocaat Eugène Asou in zijn kleine gids over het justitiepaleis: "[Poelaert] y sacrifia son existence et mourut d la tache; Il travaillait surtout la nuit, de minuit a cinq heures du matin ; seul et sans aides, il corrigeait, il perfectionnait, il dessinait" (65). In een krantenartikel uit 1883 werd zelfs gesuggereerd dat Poelaert zodanig onder druk was gezet door zijn opdrachtgevers, dat hij uiteindelijk bezweek: "Sait-on bien, a la suite de queues tracasseries, après combien d'ennuis et de fatigues Poelaert en arriva djeter unjour sur le papier, dans un moment de surexcitation févreuse, le dessin de ce dome, non comme une oeuvre qu'il eüt choisie, trouvée digne et raisonnable, mais plutöt comme un sacrifice oblige d la routine des commissions officielles?" (66).

Financieringsperikelen De steeds oplopende kosten van het project zorgden ervoor dat elk jaar meer geld ter beschikking diende te worden gesteld. Vooral voor de Staat waren de gevolgen aanzienlijk. In de jaren 1875,1876 en 1877

Uit het verslag van het debat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 15 april 1880 vernemen we de reden waarom de Provincie Brabant in tegenstelling tot de Stad Brussel geen geld meer gaf. De Provincie Brabant had namelijk bij aanvang van het project een clausule voorzien die bepaalde dat zij zou bijdragen tot een maximaal bedrag van 2.000.000 fr. en dat zij er bijgevolg op gerekend had dat de constructie van het bouwwerk niet meer dan 12.000.000 fr. zou kosten. De Lantsheere, die op dat ogenblik als parlementslid zetelde, verklaarde dat de Stad Brussel daarentegen een verbintenis was aangegaan voor een ongelimiteerde totale som. Hij bracht ook in herinnering dat op een ogenblik dat de Staat het idee had laten varen om het justitiepaleis met een koepel te bekronen, de Stad Brussel toch de wens had geuit om het paleis met een koepel te bekronen. Het standpunt van de Provincie Brabant kon bij De Lantsheere overigens op veel begrip rekenen. De gewezen minister wees er op dat andere provincies minder hadden moeten betalen voor hun justitiepaleizen. Volgens De Lantsheere had de Provincie Oost-Vlaanderen slechts 500.000 fr. bijgedragen voor het justitiepaleis van Gent. Het gerechtsgebouw van Antwerpen, dat iets meer dan 2.000.000 fr. had gekost, was grotendeels betaald door de Provincie Antwerpen en slechts voor een derde deel door de Staat. Ondanks deze voor de Provincie ongunstige regeling had zij veel minder moeten betalen dan de Provincie Brabant. In Luik waren de kosten voor de herinrichting van het voormalige prinsbisschoppelijke paleis zelfs volledig door de Staat betaald.


PALAIS OE

JUSTICE

W—l r-»»«-*.» *

I

DE

BRUXELLES

7nrrir/J 11» • • • r—1- •• »» L

I I LJ

:;

••- Y'?"

'r^

:t|,ii.Tj"llT4[^

-1«

i Uit het verslag van de gemeenteraad van 14 november 1881 vernemen we dat de Stad Brussel haar beslissing om niet langer te betalen had genomen omdat zij vond dat de Staat de financiële controle over het bouwwerk kwijt was. Het gemeenteraadslid Allard drukte zijn verontwaardiging als volgt uit: "Onplaide, on discute, on se prévaut de contrats; on chicane, et on dit a Bruxelles: Vous paierez indéfiniment; que Ie Palais de Justice coüte 50 ou 80 millions, n'importe, vous Ville de Bruxelles, vous paierez votre sixième" (68). Datzelfde jaar dagvaardde de Belgische Staat de Stad Brussel met de eis dat zij een bijkomende som van ongeveer 750.000 fr. zou betalen. Deze eis werd door het Hof van Eerste Aanleg gerechtvaardigd bevonden maar verworpen door het Hof van Beroep op 16 juli 1883, nauwelijks enkele maanden voor de inhuldiging van het bouwwerk (69).

u: :u

•A---

Afb. 34. Bouwtekenirg met

• üSiT^ri--! • f •

grondplan van het rez-de-chaussée inférieur van het justitiepaleis van Brussel met aanduiding van de door M M . Geneste et Herscher geïnstalleerde ventilatie- en verwarmingselementen, 1889 ( © Brussel, Algemeen Rijksarchief)

De stoomketels die het ventilatie- en verwarmingssysteem van het justitiepaleis van Brussel aandreven, foto vermoedelijk genomen in de eerste helft van de 20sle eeuw ( © Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

De verwarmingsinstallatie van Geneste et Herscher In 1879 besliste een commissie de opdracht voor de installatie van de verwarmingsketels en het verluchtingssysteem van het justitiepaleis toe te kennen aan de firma MM. Geneste et Herscher. In deze commissie zetelden onder meer Pauli, de Antwerpse architect Joseph Schadde (1818-1894), Wellens en Carez. Laatstgenoemde was een ingénieur honoraire des ponts et chaussées die gespecialiseerd was in verwarmingstechnieken en tijdelijk werd ingeschakeld om het project van de verwarmingsinstallatie van het Brusselse justitiepaleis te begeleiden. Het project van Geneste et Herscher voorzag in een systeem met stoom onder lage druk en werd gunstiger gevonden dan dat van MM. Bacon et Cc. Laatstgenoemde firma had een project ingediend dat werkte op basis van water onder druk. Hun project werd afgekeurd omdat er maar liefst negen verwarmingsposten verspreid over het gebouw voorzien dienden te worden. De commissie vreesde ook vanwege het onregelmatige gebruik van de verwarmingsketels het water in de buizen zou kunnen bevriezen. De verwarmingsinstallatie van Geneste et Herscher bestond uit twee met elkaar interfererende systemen. Enerzijds werd stoom doorheen een systeem van dunne buizen onder erg lage druk

Een ventilator van een ventilatieschacht van het justitiepaleis van Brussel, foto vermoedelijk genomen in de eerste helft van de 20ste eeuw ( © Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium)

verspreid geleid naar verwarmingselementen die waren opgesteld in de zittingszalen en de meeste lokalen. Anderzijds werd er op constante wijze gezorgd voor een luchtcirculatie in de belangrijkste zittingszalen en in de salie des pas-perdus. Het hart van de gehele installatie bevond zich in de kelderruimte onder de salie des pas-perdus en werd gevormd door zes verwarmingsketels van de Belgische firma De Naeyer en twee stoommachines die de ventilatoren (alsook de enige lift die het gebouw telde) aandreven (70). De over het gebouw verspreide, op stoom functionerende verwarmingselementen, waren

M&LI 45


De voltooiing van de koepel en het beeldenprogramma

Doorsnede in perspectief van de salie des pas-perdus en de koepel van het justitiepaleis van Brussel door Baes

De in 1883 gerealiseerde koepelstructuur heeft twee tamboeren met zuilenrijen waarvan de bovenste een cirkelvormig grondplan heeft en de onderste een vierkant. De koepelschil had een afgeplat profiel en werd bekroond met een grote lantaarn met een vuurpot. Deze compositie verschilt sterk van de koepelstructuren die zijn afgebeeld op onder meer de maquette die werd gefotografeerd in 1875 en de in de private collectie bewaarde schetsontwerpen van omstreeks 1876 of 1877. Dit doet vermoeden dat de koepel niet volgens een ontwerp van Poelaert is voltooid.

(uit WELLENS 1881, foto H. Denis)

uitgewerkt in gietijzer en stonden toe om de temperatuur afzonderlijk af te stellen. Het was ook mogelijk om het warme condenswater te gebruiken voor draagbare voetverwarmers. De lucht voor het ventilatiesysteem werd aangezogen via zes aanzuigroosters op de binnenkoeren en verspreid met behulp van enorme ventilatoren doorheen enorme metalen pijpen. Deze waren bij aanvang ongeveer twee meter doorsnede en werden kleiner naarmate ze vertakten. Het ingenieuse van de installatie bestond erin dat de geventileerde lucht geleid werd langsheen de leidingen met stoom en de verwarmingselementen. Hierdoor werd in de winterperiode wanneer er stoom werd geproduceerd, ook de geventileerde lucht licht opgewarmd. Voor de afvoer van de rook van de verwarmingsinstallatie had Poelaert aanvankelijk minstens vier schouwen voorzien in de binnenkoeren. Omdat men echter vreesde dat de rook uit de schouwen de koepel zouden zwart maken, werd in 1877 beslist om twee slechts schouwen op te richten in de achterse twee binnenplaatsen. Cloquet vermeldde in zijn traite d'architecture dat er per winter 1200 ton steenkool nodig was om het geheel te verwarmen (71). Om de steenkool aan te voeren waren rails voorzien, die leidden vanaf een toegangspoort in de gevel aan de Rue des Laines tot midden de verwarmingsketels.

46 I M

L

In het artikel dat het tijdschrift L'Émulation uitbracht ter gelegenheid van de inhuldiging van het paleis wordt inderdaad vermeld dat de koepel ontworpen was door Benoit, die samen met Engels de finale werken had geleid (72). Als we de verschillende ontwerpen chronologisch rangschikken en in detail bestuderen, vinden we verschillende aanwijzingen dat er na 1879 voortdurend verder aan het ontwerp van de koepel is gesleuteld. Op het befaamde Vue perspective de la salie des pas-perdus van de hand van architect Jean Baes (1848-1914), waarvan een afdruk is opgenomen in de atlas van Wellens, is bijvoorbeeld de koepelconstructie getekend zonder halfronde arcadebogen in het interieur (73). Ook op de lithografiën met doorsneden van het bouwwerk opgenomen in het boek van Wellens uit 1881 zijn deze halfronde arcadebogen niet zichtbaar. De uitgevoerde steunbogen zijn wel aanwezig op de foto van de maquette met doorsnede van de koepel, opgenomen in de Revue de l'Architecture en Belgique van 1881. Ze zijn ook zichtbaar op twee op glasnegatieven gefotografeerde prenten met doorsneden van het gebouw vanaf de Miniemenstraat, die bewaard worden op de persdienst van de Regie der Gebouwen en afkomstig zijn uit de voormalige archiefbestanden van het Ministerie van Openbare Werken. Deze gefotografeerde prenten zijn op het eerste zicht identiek met de lithografie die dezelfde doorsnede toont in het boek van Wellens maar tonen telkens varianten in de constructie van de koepel. Op de eerste prent zijn de halfronde arcade-


bogen onder de koepel zichtbaar terwijl op de prent in het boek van Wellens hier slechts horizontale dwarsbalken ondersteund door consoles te zien zijn. De structuur van de koepelbekroning met dubbele schillen is nog wel identiek aan deze afgebeeld in het boek van Wellens. Het andere, waarschijnlijk later te dateren glasnegatief toont een koepel waarvan ook de bekroning verschilt van de prent van Wellens. Hier is de tussenruimte tussen de buitenste en de binnenste koepelschil veel kleiner dan op de voorgaande projecten. De koepel werd afgewerkt met vier monumentale beelden met voorstelling van la Force ontworpen door Thomas Vin^otte (1850-1925), la Justice door Albert Desenfans (1845-1938), la Loi door Amable Dutrieux (1816-1889) en la Cléménce royale door Alphonse de Tombay (1843-1918). De keuze van deze kunstenaars was gemaakt door Bara nadat Wellens deze een lijst had voorgelegd van namen van kunstenaars (74). Aanvankelijk werd het idee gelanceerd om deze vier beelden omheen de koepel alsook de 8 griffons en Ie dóme avec la campanile uit te laten voeren door de Parij se firma Maison Monduit e[ Bechet Gagat Gauthier el C". Deze firma leverde in het voorjaar van 1882 een prijsofferte binnen voor deze drie posten voor de totale waarde van 256.000 fr., waarvan 75.000 fr. voor de vier beelden, 36.000 fr. voor de acht griffioenen en 145.000 fr. voor de koepel (75). Uiteindelijk werden de vier grote hoekbeelden tussen 1882 en 1883

i •

1. Fotomontage van drie maquettes met ontwerpen van de koepel van het justitiepaleis van Brussel verschenen in Revue de l'ArchitecWre en Belgique l88l ( © Brussel, Stadsarchief, Fonds iconographique, M 2292) 2. Glasnegatief van een verdwenen plan met doorsnede van het justitiepaleis van Brussel te dateren omstreeks 1881 (foto persdienst Regie der Gebouwen) 3. Glasnegatief van een verdwenen plan met doorsnede van het justitiepaleis van Brussel te dateren omstreeks 1881 (foto persdienst Regie der Gebouwen)

1VI&LI 47


De acht, door Bouré ontworpen griffioenen, werden gerealiseerd volgens de techniek van de galvanoplastie. Vermoedelijk werd voor deze techniek gekozen omdat de acht beelden identiek zijn uitgewerkt, wat de vervaardiging van het totale aantal door middel van deze techniek economisch voordeliger maakt dan de techniek van het gegoten brons. De acht beelden van de griffioenen zijn net zoals de grote beelden vervaardigd uit verschillende met bouten gemonteerde stukken.

Folo van de door Maison Monduit af Bechet Cagat Cauthier aj C' in gedreven koper vervaardigde lantaarn van de koepel van het justitiepaleis van Brussel ( © Brussel, Stadsarchief)

Maison Monduit aj Bechet Cagat Cauthier ej C" realiseerde wel de koepelschil met de sierlijst met leeuwenhoofden en guirlanden alsook de lantaarn. In het vanaf 1857 door Violet-le-Duc gerestaureerde kasteel Pierrefonds wordt een demonstratiemodel in gedreven koper met een fragment van de sierlijst van het Brusselse justitiepaleis bewaard. Dit model draagt een geschilderd opschrift; Couronnement en cuivre du nouveau palais de justice de Bruxelles. Monsieur Wellens Inspecteur Cénéral en behoort tot de collectie loden en koperen architecturale objecten uit het atelier van Monduit die aan het kasteel werd geschonken door Madame PasquierMonduit.

Foto van de door Maison Monduit al Bechet Cagat Cauthier el C" in gedreven koper vervaardigde sierlijst van de koepel van het Justitiepaleis van Brussel ( © Brussel, Stadsarchief)

48 I M

L

gerealiseerd door Belgische firma's. In het voorjaar van 1883 werden de beelden gecontroleerd door Simonis en Fraikin voordat de modellen naar de gieterijen werden gestuurd. De beelden La Justice en La Loi werden gefabriceerd door La Compagnie des bronzes, de beelden La Force en La Clémence royale door La Fonderie des Canons in Luik. De vier beelden werden in brons gegoten en bestaan uit verschillende stukken die door middel van naar binnen toe geplooide randen met schroefbouten aan elkaar werden bevestigd.

Boven de hoofdingang werd een buste van Minerva, Déesse de la Sagesse, geplaatst. Dit beeld werd uitgevoerd door de Antwerpse beeldhouwer en schilder Joseph-Jacques Ducaju (1823-1891) naar het ontwerp van Poelaert. Voor de vervaardiging van het beeld waren vijf blokken steen voorzien die in totaal negen kubieke meter steen besloegen en waarvan het totale gewicht op 25.000 kg. werd geraamd. De opdracht aan de Antwerpse artiest werd gegeven in 1879 voor de prijs van 4000 fr. Het beeld, dat werd uitgevoerd in steen van Comblanchien, werd voltooid in 1880. De beeldhouwer liet niet na een bijkomend supplement te vragen omdat de steen zo hard was en moeilijk te bewerken (76). De beelden in het peristylium aan de linkerkant van de hoofdingang stellen Marcus Tillius Cicero en de Romeinse politicus en jurist Domitius Ulpianus (j 228) voor en werden gebeeldhouwd in wit marmer door Bouré. In het peristylium aan de rechterkant zijn de beelden geplaatst van de Atheense redenaar en staatsman Demosthenes (384-322 v.C.) en de mythische Spartaan Lycurgus,


gebeeldhouwd door Armand Cattier (1830-1892). Deze beelden werden ontworpen overeenkomstig de Grieks-Romeinse stijl van het gebouw (77). Op de gevel aan de Rue des Laines is op het balkon van het laatste venster van de eerste verdieping de naam Periander gegraveerd, één van de zeven wijzen van Griekenland. Op de achtergevel aan de Rue des Sahots zijn op de balkons de namen Pittacus, Cleobule, Bias, Chilon gegraveerd, de namen van de vier wijzen van Griekenland. Op de gevel aan de Rue des Minimes zijn de namen Solon en Thales gegraveerd.

De afwerking en inrichting van het interieur Terwijl de koepel haar voltooiing naderde, werden vanaf omstreeks 1881 de talloze ruimten en gangen van het interieur van het justitiepaleis afgewerkt met plafonds in hout en stucwerk, betegelde en planken vloeren alsook ramen en deuren. Tevens dienden de burelen en zittingszalen van het nodige meubilair, stofdecoraties en wandbekledingen te worden voorzien.

Van één van deze interieurwerken, de schilderwerken, werd een bestek in gedrukte vorm teruggevonden. Het werd in het justitiepaleis toevallig gevonden temidden van een hoop recentere dossiers en is het enige ons bekende administratieve tekstdocument, van de tussen 1866 en 1883 ondernomen bouwwerken, dat bewaard is gebleven. Het bestek werd in 1881 door de de Service spécial opgesteld en schrijft voor dat alle galerijen, de overdekte wandelgaanderijen, de passages voor de karren in de paviljoenen, de vestibules, de salie des pas-perdus, en de hallen met trappen die leiden naar de Rue des Sabots en naar de Rue des Minimes geschilderd dienen te worden met silicaatverf. Olieverf werd voorgeschreven voor de muren van de belangrijkste zittingszalen alsook de plafonds en wandbekledingen van het peristylium van de voorgevel. Ook het hout en metaal van deuren, vensters, lantaarns en hekken dienden in olieverf geschilderd te worden. Tevens voorzag het bestek lijmverf voor de plafonds van sommige, minder belangrijke zalen. De dennen vloeren zouden geschilderd worden in olieverf, terwijl de eiken parketvloeren zouden behandeld worden met olie. In de bijgevoegde meetstaat blijkt duidelijk het

De door Bouré gesculpteerde beelden van Cicero en Ulpianus m het peristylium van het justitiepaleis van Brussel (foto O. Pauwels)

M

L I 49


enorme oppervlak van de werken. De schilderwerken in silicaatverf werden begroot op 76.962 vierkante meter, deze van de olieverven op muren en plafonds van de zalen op 29.705 vierkante meter en deze van de olieverven op houtwerk op 44.578 vierkante meter. Het bestek bevat tevens een (niet ingevulde) Bordereau de prix waarin de verschillende werken verder gespecificeerd werden. Uit enkele correcties die in potlood werden aangebracht in het gedrukte bestek, blijkt dat de werken vermoedelijk slechts aanbesteed werden in 1882 (78). Toen in het voorjaar van 1883 bleek dat voor de aanschaf van het meubilair en de aankleding van de burelen en zittingszalen nieuwe kredieten nodig waren, ontstond er in de Kamer van Volksvertegenwoordigers opnieuw beroering. Dit kwam omdat er onduidelijkheid bestond over de bijdragen die de Staat, de Stad Brussel en de Provincie Brabant hiervoor dienden te maken. Er was afgesproken dat elke instantie de afwerking diende te betalen van de rechtbanken die onder hun bevoegdheid vielen. De Provincie Brabant diende aldus te zorgen voor de uitrusting van de lokalen bestemd voor het Hof van Cassatie, voor de Handelsrechtbank en voor het Hof van Eerste Aanleg, terwijl de stad instond voor de uitrusting van lokalen van de Vredegerechten. Sommige parlementsleden vroegen zich echter af of ook de kosten van de installaties voor de ventilatie, de verwarming, de verlichting en de electriciteit niet gedeeld dienden te worden (79). Het was echter vooral de dure aankleding van het interieur die aanstoot gaf. Charles Woeste (18371922) legde, tijdens het parlementaire debat van 17 april 1883. Bara het vuur aan de schenen met gedetailleerde gegevens over de prijzen van de inrichtingen van sommige zalen. Het parlemenstlid vermeldde bijvoorbeeld dat voor de inrichting van het Hof van Cassatie een som van 128.132 fr. was voorzien en dat de inrichting van het lokaal van de advocaten van het Hof van Beroep 54.430 fr. zou kosten. Verder vroeg hij zich af waarom er 100 tapijten waren voorzien in het justitiepaleis, waarvan één met een prijskaartje van 2040 fr., alsook 85 spiegels, waarvan sommigen 225 fr. per stuk kostten. Verder maakte hij onder meer melding van een reeks van gordijnen voor tien

ramen voor de audiëntiezaal van het Hof van Cassatie voor een totaal van 9250 fr. en acht notenhouten boekenkasten ter waarde van 19.250 fr. voor de bibliotheek van het Hof van Cassatie. Meermaals benadrukte Woeste dat men genoegen zou kunnen nemen met de bestaande meubels van het oude justitiepaleis. Bara protesteerde hiertegen en vond dat de meubels aangepast dienden te zijn aan de proporties van het gebouw: "Or, messieurs, un mobilier ordinaire introduit dans Ie Palais de justice ferait l'effet de Vameublement de Lilliput dans la demeure de Gulliver" {So). Tijdens zijn betoog spaarde Woeste de architecturale uitwerking van het justitiepaleis niet. Hij noemde het bouwwerk een trieste en sombere gigantische hoop materiaal en een zonde vanuit artistiek oogpunt. Woeste pleitte er boudweg voor om het justitiepaleis te voltooien zonder koepel. Bara merkte droog op dat er dan een gat zou ontstaan en stelde onomwonden dat het verkeerd zou zijn om te raken aan het ontwerp van de architect; "Il est bien évident, messieurs, que si nous consultons les hommes de l'art, dont l'autorité est reconnue, c'est pour suivre lews conseils. Si nous avions voulu faire prévaloir notre volonté, et si plus tard on n'avait pas trouvé Ie Palais de Justice bien execute, on aurait dit: C'est lafaute du gouvernement qui a voulu se substituer aux architectes" (81).

De inhuldiging van het gebouw op 15 oktober 1883 Op maandag 15 oktober 1883 vond de inwijding van het justitiepaleis plaats (82). De dag voordien was men nog bezig geweest om een deur in één van de twee uitstekende paviljoenen van de voorgevel te plaatsen en werden de laatste stellingen van de koepel verwijderd. Omdat de deur van de hoofdingang niet voltooid was, werd hier voor de gelegenheid een zware stofbekleding aangebracht. Zaterdagavond was een banket gehouden ter ere van Wellens en zondagavond bood Bara een banket aan de magistratuur aan. Hoewel het op de dag van de inhuldiging regende, waren er duizenden nieuwsgierigen aanwezig. De ceremonie startte met de vorming van een stoet van meer dan 2500 werkmannen in het park vóór het Koninklijk Paleis, die zich vanaf 11.00 uur doorheen de Regentschapsstraat naar het justitiepaleis begaf. In de salie des pas-perdus


lOUVEA

Achtergevel van het justitiepaleis

IHAÜGUMTIONDÜPALAI AISDEMICEDEBRÜXELLES.ISOCTOBREIS.

van Brussel {uit WELLENS 1881, foto H. Denis)

L£ hOUVEAU PALAIS DE JUSTICE DE BRUXELLES PETPT GUIDE

i mmi

LI H U I

M i U K M » n hl lÉbniin U fmjntfmmt

M m

PW- m» *™"T"

-KUS.'».

»• •~Mh *• i.b w . ««v MM) k tnnilBfH DMlBiM4-UM*>i>iM «••*»•» • U M M 4a •• 1MM

fuTTf*^"

• M M * I . 1-, k-•£1 « •) * - -

»

?^r*^""™^5?* «V —•II.»», . i l w r * . .

L«J muitIV^W—IH

ïtrirft

•4J=fftrLrjg;ja

toit*»Ml'

WTMIM MIM? kuT!! SSStm

•

•

S S * J » » * •mm-rn, it**m%i* - t y-iir>miil.4i«ii»e_«> Wf»

«Mfc"•• f* i* tm.itm *"*"•"

ml «MM (.main <?i M

•• « • «Hl XMH * aiEMT • M l — M — •Jl.LM

Pamflet uitgegeven ter gelegenheid van de inhuldiging van het justitiepaleis van Brussel op 15 oktober 1883 (private collectie)

M&L


I

JP

mm W

^

mm mm ' M* ÊK

iW

iinmimuiMiimmimimiimiiimiimimimiiimj/miun

M

WÊm

ïï/Ji


die op de plechtigheid aanwezig waren. In het Hof van Cassatie gaf Charles Faider (1811-1893), de procureur-generaal van het Hof van Cassatie, een zeer omstandige redevoering waarin hij de enorme afmetingen van het paleis loofde omdat ze de universele waarden van de Belgische justitie verbeelden. Volgens de magistraat gaf de magnifieke uitwerking van het paleis uitdrukking aan de dienstbaarheid ervan voor alle klassen van de maatschappij: "Pourquoi ce Palais de justice est-il immense? Parce que la Justice beige est universelle. Pourquoi est-il magnifique? Parce qu'il appartient d tous, au plus humble salarié comme au prince opulent; Bara nam als eerste het woord. Niet zonder trots l'un et I'autre y entrant avec les mêmes droits, avec la loofde hij de monumentale proporties van het même confiance, avec la même certitude d'une même gebouw dat hij tot één van de grootste van Europa justice ..." (84). Om het justitiepaleis historisch te rekende, groter dan het justitiepaleis van Londen en kaderen, verwees Faider naar een aantal belangrijke dan de Sint-Pietersbasiliek te Rome. Bara prees ook antieke voorbeelden. Tenslotte riep hij het bouwde vele arbeiders en aannemers die aan het paleis werk uit tot een symbool van nationale trots: "Il est Ie hadden meegewerkt. Hij vermeldde de dood van type de notre admirable civilisation qu'expriment deux Poelaert, van Marcq, van Carpentier alsook van formules bien simples: 'universalité de la justice', 'égalité twintig werkmannen die tijdens de werken waren devant la justice'; tout est ld ; tout cela est représenté par verongelukt en overleden. Zonder schroom eet edifice grandiose et severe : ces simples maximes vermeldde hij dat het gebouw in totaal 45.000.000 fr. résument tout un bonheur social, car 'la justice partout had gekost: "Grand sacrifice, discuté sans doute, maïs et pour tous', c'est l'ordre, c'est la garantie, c'est la supporté vaillament, non impose par la force, mals liberie; et si Ie Parthenon est la Grèce, si Ie Capitole est consenti par les pouvoirs publics, issus de la nation! la puissance romaine, ce palais de justice est la C'est la trace que la generation présente a voulu laisser civilisation beige, civilisation perfectionnée, douce, de son passage sur Ie sol de la patrie, enfin libre et généreuse, protectrice. Ce palais fera désormais partie de indépendante" (83). Bara prees ook justitie als de l'orgueil national, du patriotisme beige" (85). hoeder van de maatschappij die er voor zorgde dat alle inwoners gelijk waren want onderhevig aan dezelfde wetten, dezelfde rechters en dezelfde Nadien begaven de koning en het gevolg zich straffen. Na de woorden van dank van de koning, naar het peristylium waar de talrijke arbeiders, hield ook De Longé, de eerste voorzitter van het gegroepeerd volgens hun beroep, hen opwachtten. Hof van Cassatie, een redevoering waarin hij de Ook zij gaven een kort betoog waarin ze de Staat grootsheid van het gebouw in verband bracht met de dankten omdat deze grote werken ondernam die belangrijke maatschappelijke taak van justitie. hun families ten goede kwam en waarin ze de hoop Daarna gaven ook Auguste Beernaert (1829-1912), uitspraken dat hun inspanningen de genegenheid stafhouder van het Hof van Cassatie en Vervoort, tegenover de arbeidersklasse zou weibevallen. stafhouder van het Hof van Beroep, een toespraak Hierop antwoordde de koning onder meer:" Vows waarin het gebouw geprezen werd en in verband savez que, personnellement, j'aime les travaux et les werd gebracht met de welvaart van het land. Nadat travailleurs. Mes efforts tendent d ouvrir des nouveaux de aanwezigen herhaaldelijk de kreet Vive Ie Roi! horizons d leur activité et d trouver de nouveaux hadden gescandeerd begaven de hoogst geplaatsten debouches auxproduits nationaux" (86). Tenslotte zich naar de zaal van het Hof van Cassatie. gaven de ijzerslagers van de firma E. Wauters-Kockx Onderweg namen de koning, de koningin en de nog een klein défilé met een grote, in ijzer prinses even de tijd om enkele woorden te wisselen vervaardigde boom. Vervolgens vertrokken de met Léonie Toussaint (1840-1912), de weduwe van koning en de belangrijkste aanwezigen naar het Poelaert, en hun dochter Marguerite (1860-1917), Koninklijk Paleis, alwaar een banket hen opwachtte. verzamelden zich op dat ogenblik talrijke leden van de magistratuur en de advocatuur alsook verschillende buitenlandse gasten. Zij werden met koetsen tot aan het peristylium geleid onder het oog van de enorme menigte. Omstreeks 12.00 uur arriveerde koning Leopold II (1835-1903) in het gezelschap van zijn vrouw Marie Henriëtte van Oostenrijk (1836-1902) en prinses Clementine (1872-1955). Ze werden ontvangen door Bara, Wellens en magistraten van het Hof van cassatie en het Hof van Beroep.

Het peristylium van het justitiepaleis van Brussel met de buste van Poelaert (foto O. Pauwels)

M

L I 53


Nadat het vertrek van de koning, werd het justitiepaleis overrompeld door de talrijke bezoekers. Een aantal van hen zag de kans schoon om zich schuldig te maken aan vandalisme. Volgens Labye was deze schade veroorzaakt uit protest tegen het al te luxueuze karakter waarmee het gebouw afgewerkt was geweest (87). De opening van het justitiepaleis verleende ook gelegenheid om de architect te loven. In L'Emulation wordt vermeld dat de buste van Poelaert in het peristylium was opgesteld en dat ze bij tijdens de plechtigheid met bloemenkransen was getooid. Nog dezelfde namiddag brachten de leden van de Société Centrale d'Architecture een huldebezoek aan het graf van Poelaert op het kerkhof van Laken (88). 's Avonds was er nog een spektakel voorzien waarbij de gevel van het justitiepaleis verlicht werd met behulp van zeven of acht elektrische schijnwerpers (met elk een lichtwaarde van 4000 carcels) terwijl een orkest onder het peristylium een concert gaf. Het Journal de Bruxelles vermeldt echter dat het resultaat ontgoochelend was en dat een Bengaals vuurwerk en lampions beter zouden zijn geweest.

Het justitiepaleis fungeerde ook als een museum zoals blijkt uit een brief die Pierre Joseph Blétard,

s».ai

Ingekleurde blauwdruk met ontwerp van de bronzen toegangsdeur van het justitiepaleis

deuren gerealiseerd onder leiding van Engels. Voor het ontwerp van deze deur was in 1888 een wedstrijd georganiseerd. Het ontwerp van de architect Van Mansfeld werd als het beste geselecteerd omdat het gebruik maakte van dezelfde vormentaal waarmee het paleis was uitgevoerd en omdat al de ornamenten een symbolische betekenis hadden. De deur was maar liefst 10,35 m e t e r hoog en 4,35 meter breed en woog 15 ton. De modellen van de ornamenten werden uitgevoerd door Houtstont, de bronzen bekleding door de Compagnie des Bronzes, de metalen kader door Tantótfrères en het houtwerk door L. De Waele (90). Tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen het justitiepaleis een tijdlang werd ingericht als kazerne, werd de bronzen bekleding weggenomen. Tussen 1930 en 1931 werden de deuren hersteld door de Compagnie des Bronzes met behulp van de gipsmodellen die bewaard waren gebleven op de zolders van het paleis (91).

Ss^

- 4 '

Na 1883

van Brussel, ondertekend door Van Mansfeld op i juni 1895 ( © Brussel, Algemeen Rijksarchief, Ministerie van Openbare Werken, Bestuur der gehouwen, Kaarten en plattegronden van rijksgebouwen, 1860-1982, 41)

54

M

L

Kort na 1883 werd het beheer van het justitiepaleis overgedragen aan het Ministerie van Openbare Werken. In de archieven lezen we hoe vanaf 1887 enorme hoeveelheden kuisproducten aangekocht dienden te worden en dat er voortdurend kleinere werken plaatsvonden waaronder voornamelijk schilderwerken. Ook voor het onderhoud van de verwarmingsinstallatie en de watertoevoer werden voortdurend aanbestedingen gehouden. Snel vatten ook de eerste functionele aanpassingswerken aan. In 1888 werd een bureau geïnstalleerd boven het bibliotheeklokaal van de advocaten, vlakbij het Hof van Beroep en in de loop van het jaar 1892 werd een lokaal, dat zich bevond opzij van de ingang van de Rue des Laines, ingericht voor de burelen van les Pastes et Télégraphes. Uit een verslag van een incident dat plaatsvond in het jaar 1888 leren we dat het gebouw bewaakt werd door wachtposten en dat er omheen het justitiepaleis een terrein was afgebakend door een (thans verdwenen) hekwerk (89). In 1896 werden de enorme bronzen toegangs-

<

h

M

•5*


één van de surveillanten van het justitiepaleis, in 1888 richtte aan de conservator Engels en waarin gevraagd werd of het mogelijk was het paleis om 10.00 uur te openen op zondag (92). De bestanden uit het fonds van het Ministerie van Openbare Werken reiken helaas maar tot in de jaren '90 van de i9 de eeuw. Toch tonen deze documenten goed aan dat gebouw bij aanvang niet eenvoudig te onderhouden was en dat een optimaal functioneren enkel gegarandeerd kon worden door voortdurend kleine aanpassingen door te voeren aan de lokalen. Bijzonder ingrijpend waren de gebeurtenisen die plaatsvonden tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog. Een door Duitse militairen aangestoken brand vernielde in september 1944 niet alleen de volledige koepelbekroning maar bracht ook zware schade toe aan de zalen van het Hof van Cassatie, van de Handelsrechtbank en van het Handelsregister. Kort daarna, eind 1944, viel in de buurt van de Miniemenstraat een vliegende bom die schade aanrichtte aan de zijgevel van het gebouw alsook aan de lokalen van het Hof van Beroep. De koepel werd opnieuw geconstrueerd tussen tussen 1947 en 1949 met een iets verhoogd profiel onder leiding van Albert Storrer, conservateur du Palais, en Dehan, ingénieur des Ponts et Chaussées (93). Vanaf omstreeks dezelfde periode werden maar liefst een honderdvijftigtal lokalen vernieuwd en werden aanzienlijke delen van het interieur van de salie des pas-perdus gereconstrueerd. Helaas zijn we over deze werken slechts zeer schaars ingelicht omdat er in de publieke instellingen hierover nauwelijks archiefmateriaal en documentatie terug te vinden is.

Een aangekondigde uitdaging... Tijdens de bouw van het paleis en onmiddellijk na de voltooiing in 1883 werd er voor gewaarschuwd dat het onderhoud van het bouwwerk een enorme last op de schouders van de latere verantwoordelijken zou leggen. Le Hardy de Beaulieu sprak in 1879 de hoop uit dat de toekomstige generaties zullen beseffen dat het gebouw een bij uitstek Belgisch monument is en dat zij zorg zullen dragen voor het monument: "Ces grandes lignes architecturales, ces colonnades habyloniennes, ces vestibules et escaliers grandioses qui, par leurs

dispositions, font songcr aufameux labyrinthe de l'Egypte, cette coupole qui dominera toute la ville et ses environs, cette énorme comiche d'un kilometre de longueur serviront certainement fort peu auxfins utiles pour lesquelles l'édifice a été construit. Le monument sera surtout l'attestation de notre orgueil de jeune nation. Les generations futures, il faut espérer, pourront facilement supporter l'accroissement de charges que nous leur léguerons pour donner satisfaction d ce sentiment de vanité nationale auquel notre raison n'a pu résister" (94). Labye besluit zijn boek echter op een veel kritischere wijze. Volgens hem was het bouwwerk zodanig groots geconcipieerd dat een toekomstig onderhoud nauwelijks gegarandeerd kan worden: "Les dimensions de eet edifice sont, sous tous les rapports absolument exceptionnelles. Lesfrais d'entretien, surtout ceux de la partie centrale, ne seront pas seulement excessifs a cause des dimensions et des complications de l'architecture. Ils seront onéreux pour la surveillance qui exigera des soins minutieux. Si, par des circonstances peu probables pourra-t-on dire, mais tres possibles et dont les hommes préposés au gouvernement d'un pays doivent toujours tenir compte, l'entretien de eet edifice était abandonné, ou négligé pendant une période de temps de quelque durée, les consequences de eet abandon, dans la situation spéciale oü le Palais se trouve, pourraient être désastreuses" (95). De ingenieur pleitte dan ook voor een radicale oplossing: "L'enlevement du dome permettrait de modifier la salie de pas perdus et de la rendre vivable. Personne n'oserait garantir que cette operation ne devienne quelque jour l'objet d'une étude sérieuse, non pas seulement au point de vue purement utilitaire, mais encore au point de vue artistique. ...Le Palais de justice de Bruxelles neferapas école et ne méritera jamais que la qualification d'une monstruosité. Considéré au point de vue des mxurs et des idees de ce temps, on l'appellera une ceuvre de parvenu. En fait, il n'est que le produit d'une coterie" (96).

Conclusie Tussen 1866 en 1883 evolueerde het Brusselse justitiepaleis van een groots maar sober en rationeel ontworpen bouwwerk naar een reusachtig, rijkelijk versierd monument. Nog vóór zijn eerste ontwerp door de minister van Justitie werd goedgekeurd, had Poelaert de administratieve medewerkers al


De hoofdingang van het justitiepaleis van Brussel naar een tekening van L. Titz (uit H. HYMANS, Bruxetles ó travers les ages. 1884, foto H. Denis).

56 I M

L


overhaald om de grondoppervlakte van het paleis aanzienlijk te vergroten. Tijdens de bouw werd het paleis veel rijkelijker uitgewerkt met ornamenteel beeldhouwwerk dan oorspronkelijk voorzien. Hoewel er bij aanvang voorbehoud was tegen de bouw van een koepel, kreeg het monument uiteindelijk een koepelconstructie van enorme afmetingen. Dit alles resulteerde in een uiteindelijke kostprijs die het veelvoud bedroeg van de oorspronkelijke raming. Een scharniermoment in de geschiedenis van het bouwproces vond plaats toen Le Hardy de Beaulieu op 2i maart 1873 een verslag over de bouw van het justitiepaleis aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers voorlegde. De parlementariër gaf toen niet alleen een verrassend accurate schatting van de toekomstige kosten van het bouwproject, maar wees er ook op dat de werforganisatie niet helemaal conform de regels was verlopen. Hierop werden echter nauwelijks of geen initiatieven genomen om het project te beknotten of de kostenstroom in te tomen, wat op dat ogenblik zeker nog mogelijk was. Dit alles wijst er op dat de monumentale vergroting van het justitiepaleis op dat ogenblik een breed politiek draagvlak genoot. Op 3 november 1879 stierf Poelaert. Kort daarvoor, op 6 juni 1879, had Le Hardy de Beaulieu een derde, zeer kritisch opgesteld rapport voorgesteld. Of er een rechtsreeks verband is tussen beide gebeurtenissen is niet met zekerheid uit te maken. Wel stellen we vast dat nadien de publieke houding tegenover het project verslechterde. In 1880 weigerde de Stad Brussel nog langer zijn deel in de financiering te betalen. Hierop daagde de Staat de Stad Brussel voor de rechtbank, die uiteindelijk laatstgenoemde in hoger beroep gelijk gaf. We zien ook hoe de debatten in het parlement over de toenemende kosten van het justitiepaleis bitser van toon werden. Bara kon in 1873 vanuit de oppositiebanken nog de liberalen en de katholieken samen verantwoordelijk stellen voor de enorme bouwkosten. In 1883, tijdens zijn tweede ambtstermijn als minister van Justitie, diende hij weerwerk te bieden aan de katholieken die ongenadig hun kritiek richtten op de aankleding van het interieur. Mogelijk is het deze felle tweespalt die zich afspeelde in de nadagen van de

voltooiing van het paleis die er uiteindelijk voor heeft gezorgd dat het justitiepaleis later een uitgesproken 'liberale' stempel heeft gekregen. Poelaert heeft zonder twijfel een groot persoonlijk aandeel in de evolutie van de gebeurtenissen gehad. Tijdens het bouwproces paste de architect zijn ontwerp veelvuldig aan en veranderde hij naar eigen goeddunken het project, ook als dat al was goedgekeurd door de bevoegde officiële instanties. De mythe die verhaalt hoe Poelaert een onstuitbare persoonlijkheid had en handelde als een oncontroleerbaar artistiek genie, lijkt aldus een stevige grond van waarheid te bevatten. Dat de architect helemaal op zichzelf gehandeld zou hebben, wordt echter tegengesproken in het rapport van Le Hardy de Beaulieu uit 1879. Hierin wordt uitdrukkelijk vermeld dat Poelaert onder druk was gezet, in het bijzonder door de Stad Brussel. De jurist verwees hierbij naar enkele geheimzinnige nota's en correspondentiestukken die hij helaas niet verder specificeerde. De uitwerking van het project van Poelaert was enkel mogelijk door de technische steun van de zogenaamde Service spéciale. Wellens en zijn medewerkers waren verantwoordelijk voor de uitvoering van verschillende door de architect Poelaert ontworpen architectuurelementen. De ingenieur schrok er in 1878 niet voor terug om in de Kamer van Volksvertegenwoordigers zonder verpinken te verklaren dat het ontwerp dat Poelaert voor de overkraging van het peristylium had uitgewerkt, in feite onuitvoerbaar was. Behalve voor het peristylium, maakten Wellens en zijn medewerkers ook de realisatie van de koepel en de kroonlijst mogelijk dankzij de toepassing van enorme ijzeren balken, trekijzers en verankeringen. Hoewel het gebruik van deze ijzeren elementen niet nieuw was - in zijn eerste ontwerp van 1862 had Poelaert ook reeds een ijzeren draagstructuur voor onder meer de binnenste schil van de koepel voorzien - was de toepassing ervan op dergelijke schaal voor een stenen bouwwerk ongezien in een Belgische context. Wellens verklaarde trots dat het de toegepaste technieken waren die het bouwwerk een modern karakter hadden gegeven. Hiermee zette hij zelfbewust de aan belang winnende rol van de ingenieur in de verf.


De door stellingen omgeven koepel van het justitiepaleis van Brussel (foto). Snaet)

58 I M

L


De buste van Poelaert in het

"Ceci n'est pas une pipe", grafiettekening van een pijp op de achterzijde

peristylium van het justitiepaleis

van het op 2 september 1876 door Carpentier ondertekende plan

van Brussel

met opstand en doorsnede van twee ijzeren balken van de koepel

(fotoj. Snaet)

van het )ustitiepaleis van Brussel (Brussel, Algemeen Rijksarchief, foto O. Pauwels)

Poelaert gaf zijn bouwwerk niet alleen ontzagwekkende afmetingen, hij verrijkte ook voortdurend het ornamenteel karakter van het bouwwerk. Het is deze overdadige uitwerking in combinatie met haar volume die het gebouw een enorm associatief potentieel verleent. Doorheen zijn geschiedenis werd het gebouw vergeleken met talrijke, vaak exotische bouwwerken en ook vandaag nog roept het bouwwerk bewondering en fascinatie maar evenzeer afkeur op. Ondanks deze rijkdom van toegepaste ornamenten en architecturale elementen, maakte Poelaert wel degelijk gebruik van een eenduidig opgesteld stijlconcept en beeldenprogramma. Dit was ideologisch van aard en geïnspireerd door de antieke Griekse democratische periode en de vroeg-Romeinse republikeinse tijd. Het monumentale karakter en de rijkelijke ornamentiek maken van het Brusselse justitiepaleis een uniek en daarom waardevol monument.

Deze eigenschappen zorgen er echter ook voor dat het bouwwerk weinig houvast biedt voor een rationeel discours. Het bouwwerk dat ooit de trots van de jonge Belgische natie vormde, heeft thans helaas een onzekere toekomst voor de deur. Een gebrek aan onderhoud en het ontbreken van een strategische visie zijn er de oorzaak van dat het justitiepaleis thans beschouwd wordt als een problematisch bouwwerk. Nochtans biedt het indrukwekkende monument enorme mogelijkheden vanuit een patrimoniaal en functioneel oogpunt.

Joris Snaet is doctor in de kunstwetenschappen, bouwhistoricus en graficus. Hij werkte tot voor kort bij de Regie der Gebouwen en is sinds mei 2011 coördinator van de bouwhistorische studies van de technische diensten van de Katholieke Universiteit van Leuven.


EINDNOTEN

12

VANDENBREEDEN J. en DIERKENS-AUBRY F., De 19* eeuw in België, Architectuur en Interieurs (Architectuur in België), Tielt, 1994, p. 94; VANDENBREEDEN J. en LOITS A., op. cit, p. 2627Een bloemlezing van zulke legenden vinden we weer in het stripverhaal Brüsd van Francois Schuiten en Benoit Peeters. In deze strip, die zich afspeelt ten tijde van de grote saneringswerken van de Stad Brussel op het einde van de 19* eeuw, worden verschillende clichés over het gebouw verwerkt. We lezen dat Poelaert gek zou zijn geworden en dat hij wenste dat het paleis afgewerkt zou worden met een piramidevormige bekroning. Het gebouw wordt ook afgeschilderd als een middel waarmee het stadsbestuur de volkse Marollenwijken heeft willen opruimen. In Brüsd wordt ook een allusie gemaakt naar de plannen die Poelaert maakte voor de bouw van het justitiepaleis en die op mysterieuze wijze verdwenen zouden zijn; SCHUITEN F. en PEETERS B., Brüsd (De Duistere Steden), z.p.. 2008.

13 Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, RBC 24/1-8. COOMANS T., Le palais de Justice de Bruxelles: le prqjet original de Joseph Poelaert (1862) et les différents projets pour le dome, in Revue des archéologues et historiens d'art de Louvain, XXXI, 1998, p. 117-

2

Académie de Bruxelles: deux siècles d'Architecture (MIDANT J.-P. (red.), Archives d'architecture moderne, Brussel, 1989, p. 189)

142. 14

BRAL G., Les transformations successives de la coupole du palais de Justice, in Cercle d'histoire de Bruxelles et extensions, september 2003. p. 3-14 : BRAL G., Le palais de Justice et sa coupole. in Cercle d'histoire de Bruxelles et extensions, december 2004, p. 13-16. 15

Voor hun medewerking dankt de auteur Filip Strubbe van het Algemeen Rijksarchief te Brussel, bouwhistoricus Lode De Clercq, bouwhistoricus Guido Jan Bral, architect André Demesmaeker, ingenieur-architect Céline Gustin, de voltallige persdienst van de Regie der Gebouwen alsook de privé verzamelaars die verkozen anoniem te blijven.

16 Brussel, Stadsarchief, 30073, Brief van Tesch aan Liedts van 19 november 1858.

17 3 LEBLICQ Y., Les deux Palais de Justice de Bruxelles au XIX' siéde,Brussel, Stadarchief, Brusel, Travaux Publics, 30073. Poelaert et son temps (tent. cat.). Justitiepaleis Brussel), 1980, 18 p. 244-296. Brussel, Stadsarchief, TP 30073, Brief van Tesch aan Liedts van 6 april 1859. 4 LOZE P., Le Palais de Justice de Bruxelles. Monument XIX, Brussel, 1983. 19 Brussel, Stadsarchief, 300073, Brief van Liedts aan de het college van de Stad Brussel van 8 januari 1862. 5 VANDENBREEDEN J. en LOITS A., Het Justitiepaleis, (Brussel, 20 Stad van Kunst en Geschiedenis, 31), Brussel. 2001. Brussel, Stadsarchief, Travaux Publics, 30073. 6 WELLENS E., Nouveau palais de justice de Bruxelles, architecte 21 WELLENS F., op. cit., 1881. p. 9. J. Poelaert: Notice decriptive avec atlas comprenant 15 plans et détails du monument, Brussel, 1881; LABYE C, Le Palais de Justice de Bruxelles, considéré au point de vue artistique, technique, 22 Deze ingediende plannen zijn zover bekend niet bewaard administratif et politique. Luik, 1885. gebleven. Wel weten we dat één van de gebroeders Baeckelmans uit Antwerpen een plan had ingediend: ...Si M. Baeckelmans 7 (d'Anvers) avait pu disposer d'une plus grande superftcie, au lieu "Mijn enig doel met dit werk was om alle soorten nadelen, de risico's, d'une simple indemnité, il emportait le prix... (Chamhre des de gevaren en vooral het echte kwaad in beeld te brengen die Séance du 6Juin 1879, p. 23). voortvloeien uit projecten waar men de meest elementaire regels enReprésentants, de richtlijnen van de wetgever met betrekking tot de uitvoering van grote 23 bouwwerken van openbaar nut opgeeji ten voordele van bepaalde " De waarheid is dat de heer Poelaert, op aanbeveling van meerdere ideeën en individu's. Dit doel zal bereikt worden en ik geloof dat ik collega 's uit de Jury en personen uit de administratie alsook anderen, mijn land een echte dienst bewijs indien dit boekje op enige wijze kan voorgesteld werd aan de Minister van Justitie als een genie, een man bijdragen om dergelijke laakbare praktijken onmogelijk te maken" van goede smaak en echte kunstenaar, wiens specialiteit zeker niet (LABYE C, op. cit., 1885, p. 3.) was het opstellen van nauwkeurige bestekken, maar wiens talent als architect wel erkend werd, waardoor hij vanzelfsprekend een plaats 8 LABYE C, Legislation des travaux publics en Bdgique, Luik, 1851. kreeg in de Jury zodra men zeker was dat hij niet meedeed met de wedstrijd" (Chamhre des Représentants, Séance du 6 Juin 1879. p. 7); zie ook LABYE C, op. cit., 1855, p. 36. 9 Brussel, Algemeen Rijksarchief, Ministerie van Openbare Werken, Beheer van Bruggen en Wegen, Civiele gebouwen 24 (T 039/07), 118-121, Palais de Justice (1884-1^12) en supplément "Hy heeft, spijts het voorbeeld van vele architecten, de sculpturale uitwerking niet willen gebruiken voor decoratieve effecten die nochtans 355, Palais de Justice de Bruxelles (igo6-iQo8). aan veel gebouwen een grote sierlijkheid verlenen en die zelfs één van de voornaamste karaktertrekken van de moderne architectuur 10 Brussel, Algemeen Rijksarchief, Ministerie van Openbare vormen: hij heeft zich geïnspireerd op de architecturale krijtlijnen die Werken Bestuur der Schone Kunsten. Storting 1957: 359. M

GEERINCK M.-A., La decoration du Palais de Justice de Bruxelles, in Poelaert et son temps (tent. cat), Brussel, 1980, p. 297-312.

Voorgevel van het justitiepaleis van Brussel (uit WELLENS 1881)


NOUVEAU

HALAIS DE CJUSTICE DE BRUXELLES ARCHITECTE

d POELAERT

PORTIQUE CENTRAL DE LA FACADE PRINTIPALE

PL VE


men kan bewonderen bij de meeste monumenten van Griekenland en Rome, en heeft deze in harmonie gebracht met de immense horizon die deels als kader dient voor het paleis. Zijn aandacht voor een grote soberheid in de decoratieve en ornamentele details, bevestigt dat de kunstenaar enkel heeft gehoorzaamd aan het doel dat hij zich moest vooropstellen, namelijk het paleis het streng voorkomen verlenen dat zijn bestemming vereist" (WELLENS 1881, p. 19). 25 Chambre des Représentants, Séance du 21 Mars 1873, p. 25. 26 DE CLERCQ L, Historisch Onderzoek, in BREDA K., DE WINDT Y., DE CLERCQ L, VAN GEMERT D., RAMBAUT A. en BERGER P., Bijdrage tot de kennis van de geschiedenis, de constructiewijze en de restauratieproblematiek van de Onze-LieveVrouwkerk te Laken, Brussel, 2002, p. 9-12.

27 WELLENS F., op. cit., 1881, p. 9 8 . Zie ook DE CLERCQ L, De gevels van de "Belgische" schouwburgen uit de eerste helft van de negentiende eeuw. De impact van de aan de Étude Spéciale te Parijs opgeleide architecten op het materiaalgebruik van publieke monumenten in België, in Neostijlen in de negentiende eeuw. Zorg geboden? (KADOC Artes, 7), Leuven, 2002, p. 160-179. 28 MARCQ M., Notice sur diverses pierres de construction, au point de vue del'emploi qui en est fait ou que l'onpourrait en faire en Belgique, in Annales des travaux publics, 25, 1867, p. 5-26; MARCQ M., Matériaux de construction, Pierres. Requête de divers maüres de carrières de petit granit, signalant Ie tort que cause d leur industrie, l'emploi dans les travaux publics de pierres de provenance étrangère, et demandant qu'a l'avenir eet emploi ne soit plus autorisé. Rapport fait a la commission des procédés nouveaux, in Annales des travaux publics. 25, 1867, p. 138-150. 29 STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten-en landschapszorg in België 1S35-1940, Brussel, 1998,

p.40.

36 De aankoop van de terreinen in Londen bedroeg 35.000.000 fr. waardoor de kosten van het totale project op meer dan 8 2 . 0 0 0 . 0 0 0 fr. begroot werden! Chambre des Représentants. Séance du 21 Mars 1873, P- 837 "Deze cijfers zullen fabelachtig lijken; maar we mogen niet vergeten dat het hier gaat om een monumentaal bouwsel, opgericht in harde, stevige en uitgelezen materialen, dat zich uitstrekt over een oppervlakte van twee hectaren en met een uilzonderlijk ongunstige inplanting' [Chambre des Représentants, Séance du 21 Mars 1873. p. n ) . 38 "De vraag met betrekking tot de bouw van de koepel (van het justitiepaleis van Brussel) ligt nog open. Is het mogelijk de koepel weg te laten op een monument dat helemaal ontworpen is in functie van zulk een bekroning? Ik denk het niet. Een onvoltooid monument is geen monument maar een ruïne bij voorbaat" (Chambre des Représentants. Séance du 21 Mars 1873. P- 'S)39 "Derhalve indien er misdaad is. is deze gedeeld, en het is niet uitsluitend de misdaad van de liberalen" {Chambre des Représentants. - Séance du 21 juin 1S73, p. 1393). 40 "Ik weet niet wat men doet in Engeland, maar ik zal aan het achtbare lid vertellen wat ik heb gedaan en wat ik heb kunnen doen toen ik aangekomen ben op het ministerie van justitie. Ik heb toen tegen de ambtenaren gezegd dat ik niets wilde uitgeven zonder de garantie te hebhen dat alles reglementair gebeurde. Ik heb alle plannen gevraagd aan de architect, die ze me niet heeft kunnen geven en me heeft gezegd: Indien u niet tevreden bent, laat ik u steken. Wat stond er mij te doen? De eerste de beste architect aanstellen, dat is niet ernstig. Bovendien had de architect zich het recht weten toe te eigenen om zijn oeuvre te wijzigen. Merk op. heren, dat het een kunstwerk is. Ik heb aangedrongen, maar dat is alles wat ik heb kunnen doen" (Chambre des Représentants. - Séance du 21 juin 1873, P- I 393)41 DE CLERCQ L, op. cit., p. 175; zie ook: TOURNEUR F., Stenen in de stad, de stad tooit zich met de natuur. Steen el Co (Brussel Hoofdstedelijk Gewest), 2010, p. 32-33.

3° MARCHAL E., Poelaert (Joseph), in Biographic nationale, 1903, kol. 862; VAN LOO A.. Repertorium van de architectuur in België

42 Chambre des Représentants, Séance du 29 Janvier 1S7&, p. 24.

van ISJO tot heden, Antwerpen, 2003, p. 147. 31

43 Chambre des Représentants, Séance du 6 juin 1879, p. 24.

Necrologie, in L'Èmulation. jg. 8,1882, kol. 42. 32 LABYE C , op. cit., 1885, p. 44-46. 33 Brussel, Stadsarchief, T.P., 30043, brief van 14 maart 1870 van De Lantsheere aan het college van de Stad Brussel. 34 Brussel, Stadsarchief, T.P., 30043, brief van 5 januari 1872 van het college van de Stad Brussel aan De Lantsheere. 35 Le Hardy de Beaulieu was jurist, burgerlijk ingenieur en was gehuwd met Marie-Anne Verhaegen, de dochter van PierreThéodore Verhaegen (1796-1862), één van de oprichters van de Université Libre de Bruxelles. In 1880 werd Le Hardy de Beaulieu vice-Président van de Kamer. TORDOIR J., Les grandes figures du Brabant wallon. 9. Le baron jean-Adolphe le Hardy de Beaulieu (iSi4-i8c)4), Chatelain de la Bawette d Wavre, Vice-Président de la Chambre des Représentants, Président de la Société Beige d'Economie Politique (Cercle Historique et Archéologique de Wavre et de la Region), Incourt. 1999, p. 23 en 27.

44 Chambre des Représentants. - Séance du 24 avril 3877, p. 657 alsook Brussel. Stadarchief, TP 30073. 45 Bulletin des commissions royales dArt et d Archéologie. Séance du 33 mars 1S68, p. 468-470, Séances des 3, 7,30,37 et 28 septembre; des 3,4, 8, 35, 22 et 29 octobre 3870, p. 505. 46 Brief van R. Chalon, Vice-président, aan De Lantsheere van 13 april 1876 opgenomen in Chambre des Représentants, Séance du 30 Mai 3876. p. 23-24. 47 Chambre des Représentants, Séance du 10 Mai i8j6, p. 19. 48 Ce projet comprend quatre plans; une elevation, une coupe longitudinale et deux plans terriers. Il ne diffère du projet precedent, qui figure sur les plans soumis a votre approbation pour la construction du Palais, qu'aux points ci-aprés: Le tracé de la partie supérieure du soubassement a été un peu modifié, dans le hut d'en faciliter la construction. Sur les quatre parties saillantes. m. Poelaert propose de placer des lions en bronze, portés sur des motifs également en bronze;


Foto genomen tijdens de bouwwerken van het justitiepaleis van Brussel (private verzameling van de familie Storrer, uit LEBLICQ 1980. met dank aan H. Denis)

Ie projet precedent comprenait d la même hauteur d peu prés, des54 figures également en bronze. Au projet precedent,figuraientdes Brussel, Algemeen Rijksarchief. Beaux-Arts. 368, brief van colonnes saiïlantes au centre de la première galene ; dans Ie projet Delcour aan De Lantsheere van 7 oktober 1876, brief van Wellens nouveau ces colonnes sont placées aux angles. Enfin Ie dome qui aan De Lantsheere van 17 oktober 1876 en brieven van couronne Ie dernier projet ressort davantage que dans Ie projet 19 februari. 8 maart en 16 maart 1877 van Delcour aan De precedent {Chambre des Représentants. Séance du 10 Mai 1876,Lantsheere. Houtstont was door Hendrik Beyaert in 1864 uit p. 20). Uit een brief van De Lantsheere aan de Commissie voor Parijs naar Brussel gehaald voor de afwerking van de Nationale Monumenten vernemen we dat er acht uitstekende zuilen waren Bank te Brussel. De kunstenaar vestigde zich hier definitief en en dat deze in een Corinthische orde dienden te worden slaagde er in een groot atelier uit te bouwen, dat gevestigd was in uitgevoerd. Brief van De Lantsheere aan de Commissie voor Sint-Gillis. VAN SANTVOORT L, De mythe van het ambachtelijke. Monumenten van 26 april 1876. Chambre des Représentants, in Neostijlen in de negentiende eeuw. Zorg geboden?, (KADOC Séance du 10 Mai 1876, p. 24. Artes, 7), Leuven, 2002, p. in. 49 55 Elles avaient pour objet de supprimer les frontons et les lions du Chambre des Représentants, Séance du 4 Avril 1878. p. 10. Zie ook soubassement. de simplifier la construction de cette portie du dömeWELLENS et F., op.rif.,p. 101-105. de diminuer de 5 a 6 metres environ la hauteur totale du dome {Chambre des Représentants, Séance du 4 Avril 1878, p. 13). 56 WELLENS F., op. rit., p. 60. 50 Een andere schets toont een triomfboogachtige constructie waarin kenmerkende decoratieve elementen van het justitiepaleis 57 Chambre des Représentants, Séance du 29 Janvier 1878, p. 9. van Brussel zijn verwerkt. Een andere tekening toont een ontwerp voor een zuil op een grote onderbouw die sterk doet denken aan de Congreskolom. Nog een schets toont een architectuuropstand "Wat de architecten uit de Babylonische of Egyptische tijden niet die sterk doet denken aan de hoekpaviljoenen van het justitiepaleis vermochten, kunnen de moderne architecten wel en het Brusselse met hierop een standbeeld met paard en een reusachtige zuil. Justitiepaleis is hiervan het bewijs, want de uitvoeringvan het plafond boven de centrale portiek is, in wezen, niets anders dan een monoliet 51 op kunstmatige wijze vervaardigd door de mens, in plaats van door de Vermoedelijk gaf dit koepelontwerp aanleiding tot de legende natuur, en waarvan niemand - denken wij - de perfecte stevigheidt dat Poelaert het justitiepaleis zou hebben willen bekronen met zal menen te moeten betwisten. Niets belet ons nog om in de toekomst een piramidevormige bekroning. Het perspectief van waaruit de de mooie types uit de antieke tijden te reproduceren, maar dan met maquette is gefotografeerd staat immers gemakkelijk toe te een lichtheid en elegantie die de moderne kunst in staat is voort te veronderstellen dat de in werkelijkheid op een cirkelvormig brengen" (WELLENS F., op. rit., p. 54.). grondplan ontworpen koepelschil een vierkante, spits toelopende vorm heeft aansluitend bij de bovenste tamboer. 59 Tussen het rapport van Ie Hardy de Beaulieu van 21 maart 1873 52 Chambre des Représentants, Séance du 2g Janvier 1878. p.2 13-14.en 4 april 1878 tellen we nog minstens twee (minder omvangrijke) rapporten opgesteld door leden van section centrale, met name van Demeur op 5 maart 1875 en van Lefebre van 53 21 maart 1877. LABYE C, op. at., p. 51.

M&L I 63


6o 67 "Er zijn - denken wij - weinig bouwwerken ter wereld, die van opAldus het rapport de M. l'inspecteurgeneral Wellens sur l'ensembk des travaux executes en 1880 opgenomen in Chambre des afstand zulk een gevoel van krocht, grootsheid en pracht uitstralen" Représentants, Séance du 2 Mai 1882, p. 10-11 en 5 Mai 1881. (CH. N., Le Nouveau Palais de Justice de Bruxelles, in [.'Emulation, p. 4-15. jg. 4. nr. 2, 1878, kol. 10). 68 61 CH. N., Le Nouveau Palais de Justice de Bruxelles, in L'Èmulation,"Men houdt pleidooien, men betwist, men beroept zich op contracten, men vit, en men zegt aan Brussel: jullie betalen onbeperkt; of het jg. 3, nr. 4,1878, Justitiepaleis 50 of 80 miljoen kost doet er niet toe, jullie Stad Brussel, jullie zullen 1/6 betalen" (Ville de Bruxelles, Bulletin communal, 62 "De architect was er, bij dezer, in geslaagd om de beheerders, die14 watnovembre 1881, p. 659). bevreesd waren voor de bijkomende kosten (het betrof nochtans nog 69 maar twaalf miljoen frank), te overtuigen van de noodzaak om iets te Ville de Bruxelles, Bulletin communal, 2}juillet 188}, p. 51. offeren aan de pracht en de architecturale grootsheid van het gebouw: men diende minder de behoeften van justitie voor ogen te houden dan 70 de opsmuk van de stad en de glorie van de kunstenaar" [Chambre des WELLENS F., op. at., p. 74-78 en p. 106-111; DE CLERCQ L, De Représentants, Séance du 6 Juin 3879, P- I0 )internationale context van de Belgische verwarmingstechnologie in haar relatie met de architectuur, in Gentse Bijdragen tot de Inte63 rieurgeschiedenis, 32, 2003, p. 77-112. "De leden administraties en voorzeker de Kamers moeten onbuigzaam op dit punt; ze moeten eisen dat de bestekken strikt correct zijn. Ik 71 vraag niet het onmogelijke noch het moeilijke, ik vraag enkel dat men CLOQUET L., Traite d'Architecture. Elements d'architecture, types geen werken meer aanvat als de plannen ervan niet volledig vastliggen, d'édifices. - Esthétique, composition et pratique de l'architecture, zoniet in alle uitvoeringsdetails, dan tenminste toch zodanig dat een algemeen beeld toelaat de details in te schatten wat betreft hun Parijs - Luik, 1900, dl. IV, p. 403. omvang en de hierop toe te passen prijs. Dit wordt overal zo gedaan, waarom zou het dan onmogelijk zijn in België?" (Chambre des72 L'inauguration du Palais de Justice de Bruxelles, in L'Èmulation, Représentants, Séance du 6 Juin 1879, P- 25)jg. 9, nr. 2,1884, kol. 16-18 en kol.17. 64 On a dit avec raison qu' une telle conception germant dans un 73 cerveau humain devait amener la folie ou la mort. M. Poelaert a Deze lithografie heeft een cartouche onderaan de tekening met succombé d une congestion cerebrale et n'a pas eu lajoie, infinimentopschrift: Projet de Salie des Pas-Perdus du nouveau Palais de Justice de Bruxelles. M. Poelaert architecte. Vue perspective dessinée précieuse a tout créateur, d'assister au couronnement de son oeuvre; par l'architecte Jean Boes. Le dessin original mesure 1,35x2,50. Ann mais contrairement d beaucoup d'autres dont les creations 1880. In het portaal tussen de Salie des Pas Perdus en de trap disparaissent avec eux, M. Poelaert a eu eet honneur suprème de se naar de Rue des Minimes bevindt zich thans vermoedelijk het voirpresque dans la postérité avant de mourir, car son oeuvre est pour ingekaderde origineel. ainsi dire achevée. (UZANNE O. en QUANT1N A. (red.), Le Livre, Revue du monde littéraire - Bibliographie moderne, Parijs, dl. II, 74 1881, p. 135). Waaronder Simonis, Fraikin, Bouré, Cottier, Desenfants, Vingotte, Herman, Dutrieux, Vandenkerkhove, Nelson, Van Rasbourg, Geefs 65 Guillaume, Geefs Joseph. AGR, Beaux-Arts, 368. Brief van Bara "[Poelaert] offerde er zijn bestaan aan op en overleed bij zijn taak;van 14 mei 1880 aan Gustave Rolin-Jacquemyns (1835-190), de Hij werkte vooral 's nachts, van middernacht tot vijfuur's morgens; Minister van Binnenlandse Zaken. hij verbeterde, perfectioneerde, tekende, alleen en zonder medewerkers" (ASOU E., Notice sur le Palais de Justice de Bruxelles. Biographic75 de Joseph Poelaert, Historique et Description du Palais, Brussel, z.d.Reeds , daarvoor had de firma een brief naar Wellens gestuurd P-7)met daarin de belangrijkste referenties van de firma, waaronder Eglise des Invalides, Campanile du Dome i86y d 1868, Chateau de 66 Pierrefonds, Un saint-Michelgothique 1867, Grand Opéra, Legrand "Wie weel, ten gevolge van welke zorgen, na hoeveel kwellingen Dóme en et les deux domes lateraux, Le plafond intérieur de la salie uitputtende inspanningen, Poelaert er toch in slaagde om op het1867-1868, Theatre de Monte-Carlo, Grand döme avec campanile papier, in een moment van koortsige opwinding, het ontwerp van de 1878-1879 en Monument de Laken, Bruxelles. Génie de liberie. koepel neer te zetten, niet als een kunstwerk dat hij zelf zou gekozen Brussel, Rijksarchief, Plannen van het Justitiepaleis, Brief van hebhen. waardig en redelijk bevonden, maar veeleer als een verplicht Moison Monduil el Bechet Gagat Gauthier aj C'aan Wellens van offer dat tegemoet kwam aan de eis van de officiële commissies"20 januari 1882. (SOLVAY L, La Gazette, 4-9 oktober 1883. Geciteerd uit DUTHOY J.J., le Palais de Justice de Bruxelles de Joseph Poelaert 1866-188}, 76 Revue du Nord, Villeneuve-d'Ascq, LXII, 245,1980, p. 478). Brussel, Algemeen Rijksarchief, Beoux-Arts, 368. Brief van De dood van de architect en de grootsheid van het justitiepaleis 11 mei 1880 van Ducaju aan Monsieur Rousseau, Directeur des gaven later aanleiding tot een romantisch idioom, waarbij de Beaux-Arts d Bruxelles. architect zelfs werd voorgesteld als een geïsoleerd en onbegrepen kunstenaar. Zo schreef de advocaat en schrijver Albert Guislain (1890-1969) in 1935: "Poelaert est mort fou, solitaire, dans 77 Brussel, Algemeen Rijksarchief, Beawx-Arts, 368, Brief van Vincompréhension des ses contemporains. Il est mort fou, après avoir 6 februari 1880 van Bara aan Rolin-Jacquemyns. vagué, pendant plusieurs années, dans la solennité de son monument inachevé, assis dans les coupoles de son rêve et qu'il ne devait pas voir réalisées. Car Poelaert est mort fou, trop tot pour pouvoir imposer 78 la totale execution de son plan et empêcher la sotte hostilité de ses Ministère de la Justice, Cahier des Charges, 1881, Service spécial de la construction du nouveau Palais de Justice de Bruxelles, Entreprise de confrères de couronner son dome du miserable attrihut de la Royauté. peinture. Dit bestek wordt thans samen met de plannen bewaard Car sur la colline des Marolles, devait dominer, telle une acropole, la in het Algemeen Rijksarchief te Brussel. colossaie statue d'une Pallas Athénée, et s'écrase aujourd'hui je ne saisquellelourdetiaredelaMonarchieconstitutionnelle..." (GUISLAIN A., Le Palais de Justice ou les confidences du Mammouth, Preface 79 de Chambre des Représentants. - Séance du 17 avril 1883, p. 836. Mr le batonnier Hennebicq, Vorst-Brussel, s.d., p. 19). Tussen 1879 en 1881 gaf de Provincie vier maal de som van


20.ooo fr. vrij voor de bouw van het Justitiepaleis. Mogelijk de Bruxelles, jg. 63, nr. 289, mardi 16 octobre). In een lezing die Het justitiepaleis van Brussel werden deze sommen aangewend voor de afwerking van de Wellens in 1893 aan de Société Centrale d'Architecture (uitgever vanomstreeks 1986 toegewezen lokalen. Chambre des Représentants, Séance du 2 Maihet tijdschrift L'Émulation) gaf, toonde hij een meetstaat met de ( © photo Bastin &. Evrard / 1882, p. 10-11 en 5 Mai 1881, p. 4-15. finale kosten van het bouwwerk ter waarde van 38.466.307 fr. De Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk belangrijkste posten waren deze van het metselwerk in baksteen en ruwe stenen (5.230.407 fr.), de constructies in gekapte steen "Welnu, heren, een ordinair meubilair in het Justitiepaleis van (g.713.217 fr.), de ravalement en de afwerking van de lijsten Brussel, zou het effect hebben van het meubilair van Lilliput in het (4.661.310 fr.), de afwerking van de ornamenten (1.192.168 fr.), verblijf van Gulliver!" {Chambre des Représentants. - Stance du de ijzerconstructies (4.707.960 fr.), de werken aan de plafonds en 17 avril 188}, p. 842). het overige stucwerk (2.426.623 fr.) en het houtwerk (2.328.222 fr.). Wellens' overzicht was echter verre van volledig want hij nam noch 81 de aankoopsom van de gronden, noch de erelonen noch de kosten "Het is wel duidelijk, heren, dat wanneer wij kunstenaars raadplegen van het meubilair op; WELLENS F., De la construction du Palais de waarvan het gezag erkend wordt, dit is om hun raadgevingen te Justice de Bruxelles. Conférence donné d la Société des Ingénieurs et volgen. Indien wij onze eigen wil hadden voorrang gegeven, en des Industriels, in L'Émulation, 1893, kol. 177-186. In een tabel met indien daarna het Justitiepaleis niet goed uitgevoerd was bevonden de geschatte finale kostprijs die hij had weergegeven in zijn boek geworden, zou men gezegd hebhen: Het is de schuld van de regering van 1881 vernemen we dat de aankoop van de terreinen 3.645.273, die zich in de plaats heeft willen stellen van de architecten" (Chambre 01 en de erelonen van de architect en de directieleden op dat des Représentants. - Séance du 17 avril 188}, p. 842). ogenblik reeds op 1.500.000 fr. werden geschat: WELLENS F., op. cit.. 1881, p. 95. In het totaal moet het justitiepaleis aldus minstens 82 43.500.000 euro hebben gekost, niet inbegrepen de kosten van Uitgebreide verslagen van deze gebeurtenis zijn opgenomen het meubilair. in Journal de Bruxelles, jg. 6}, nr. 287, dimanche 14 octobre en nr. 289, mardi 16 octobre. "Waarom is dit Paleis ontzaglijk? Omdat de Belgische Justitie universeel is. Waarom is het prachtig? Omdat het aan iedereen "Groot offer, zonder twijfel betwist, maar dapper gesteund, niet toebehoort, aan de meest nederige bediende zowel als de weelderige afgedwongen door macht, maar met instemming van de overhedenprins. van Beiden gaan er binnen met dezelfde rechten, met hetzelfde vertrouwen, met dezelfde zekerheid op eenzelfde rechtspraak ..." de natie! Dit is de afdruk die de huidige generatie heeft willen nalaten op (Journal de Bruxelles. 6f année, n° 289, Mardi 16 octobre). Het de bodem van het vaderland, eindelijk vrij en onafhankelijk" [journal

Gewest)

M&L I 65


discours dat Faider op de inhuldigingsdag bracht, werd in 1884 92 te boek gesteld. FAIDER C, La Justice et son Palais. Discours. Brussel, Algemeen Rijksarchief, 118. Aldus een brief gedateerd Cour de Cassation de Belgique, Brussel, 1884. op 26 juli 1888 van Pierre Joseph Blétard, surveillant, aan Engels. 85 93 "Hetiskenmerkendvooronzeprachtigesamenlevingdater uitdrukking STORRER A., La reconstruction de la coupole du Palais de Justice gegeven wordt aan twee eenvoudige formules: 'universaliteit vande Bruxelles, L'ossature métallique, juni 1948 ; BRAL G., op. cit., het recht', 'gelijkheid vóór het recht'; daarin is alles vervat; dit alles 2003; BRAL G.. op. cit, 2004. wordt verbeeld in dit groots en streng bouwwerk: deze eenvoudige stelregels staan voor heel een sociaal welzijn, want 'gerechtigheid 94 overal en voor iedereen', is orde, is waarborg, is vrijheid; en indien Dit groots architecturaal lijnenspel, deze Babylonische zuilenrijen, het Parthenon staat voor Griekenland, indien het Capitool staat deze grandioze vestibules en trappenpartijen die door hun afmetingen voor de romeinse macht, dan staat dit justitiepaleis voor de belgische doen denken aan het beroemd egyptisch labyrinth, deze koepel die de beschaving, een vervolmaakte beschaving, zachtaardig, edelmoedig en hele stad en haar omgeving zal beheersen, deze enorme kilometerlange beschermend. Dit palels zal voortaan deel uitmaken van de nationale trots, van het belgisch patriotisme" (Journal de Bruxelles, jg. 63, kroonlijst zullen voorzeker weinig bijdragen tot de practische doeleinden waarvoor het bouwwerk werd opgericht. Het monument nr. 289, mardi 16 octobre). zal vooral het bewijs vormen van onze hoogmoed van de jonge natie. De toekomstige generaties, laat ons hopen, zullen gemakkelijk de 86 aangroei kunnen dragen van lasten die we hen zullen nalaten om "Jullie weten dat ik persoonlijk van werken en werkmannen houd. Mijn inspanningen strekken tot het openen van nieuwe horizontenvoldoening te schenken aan dat gevoel van nationale ijdel waaraan voor hun activiteiten en tot het vinden van nieuwe afzetgebieden onze rede niet heeft kunnen weerstaan" (Chambre des Représentants, Séance du 6 Juin 1879, p. 42). voor de nationale producten" (Journal de Bruxelles, jg. 63, nr. 289, mardi 16 octobre). 95 "De afmetingen van dit gebouw zijn, in alle opzichten absoluut 87 LABYE C, op. at., 1885, p. 6-7. uitzonderlijk. De onderhoudskosten, vooral die van het centraal gedeelte, zullen niet alleen excessief zijn omwille van de afmetingen 88 en het complexe karakter van de architectuur. Ze zullen hoog L'inauguration du Palais de Justice de Bruxelles, L'Émulation, 1884, oplopen voor het toezicht dat bijzondere aandacht zal vergen. Indien, jg. 9, nr. 2, kol. 16-18 en kol. 17. omwille van wellicht weinig waarschijnlijke maar best mogelijke omstandigheden, waarmee zij die zijn aangesteld voor de regering 89 van een land steeds rekening dienen te houden, het onderhoud van het Brussel, Algemeen Rijksarchief, 118. Aldus een brief gedateerd gebouw zou komen weg te vallen, of verwaarloosd worden gedurende op 13 juli 1888 van Engels aan Alphonse de Moreau (1840-1911), enige tijd, zouden de gevolgen, vanwege de speciale kenmerken van Minister van Landbouw, Industrie en Openbare Werken, een het Paleis, rampzalig kunnen zijn" (LABYE C, op. cit., 1885, p. 94). brief gedateerd op 4 november 1892 van Heynincx, L'Architecte en Chef, aan De Moreau en een brief van 9 mei 1888 van Engels aan De Moreau. 96 "Het verwijderen van de koepel zou toelaten om de grote hal te 90 ENGELS A., Porie de bronze du Palais de Justice de Bruxelles, inwijzigen en deze leefbaar te maken. Niemand zou durven te Annales des Travaux publics de Belgique, 3, juin 1897. p. 360-372 garanderen dat zulk een ingreep niet op een dag het voorwerp zal alsook MAUS O., La porte de Bronze du Palais de Bruxelles, in uitmaken van een ernstige studie, niet enkel om utilitaire, maar ook om artistieke redenen. ... Het Brusselse Justitiepaleis zal geen L'Émulation, jg. 7, nr. 3, 1897, kol. 10. navolging vinden en zal nooit anders genoemd worden dan een monsterlijk iets. Beschouwd vanuit het standpunt van de zeden en 91 denkbeelden van onze tijd, zal men het zien als het werk van een STORRER A., La porte de bronze du Palais de Justice de Bruxelles, ijdeltuit. In feite, is het slechts het product van een kliek" (LABYE C, in Annales des Travaux publics de Belgique, 1, février 1932, op. cit., 1885, p. 94-95). p. 67-73.


w w w . m enl .be OML1NE

^ M&L ONLINE <-

IVI&L ... dat zijn meer dan 700 wetenschappelijk verantwoorde bijdragen in 30 jaar! Iets opzoeken? Op onze website kan je via een handige zoekfunctie opzoeken wat wij reeds publiceerden over monumenten, landschappen en archeologie bij jou in de buurt!


THE BRUSSELS COURTHOUSE (1866-1883)

of Justice. The organization of this department was

The construction of the Brussels courthouse lasted from 1866 to 1883 following a design by Joseph Poelaert. This study aims to give a historical overview of this monument's construction, at the time of its completion one of Europe's largest edifices. For the first time particular attention was paid to the construction site's organization, the different stages of the works and the role of the different actors in the building process. The main sources for this study were the book published in 1880 by the engineer Francois Wellens, the reports which were presented to the Chamber of Representatives and the recently 'rediscovered' stock of building plans (actually conserved at the General State archives in Brussels).

consisted in converting Poelaert's drafts into technical

consigned to the care of the Ministry of Public Works and the engineer Frangois Wellens was appointed as its commissioner. One of the department's main tasks construction drawings. Already at the start of the works changes had been made to the design, particularly to the ornamental finishing of the exterior. In 1876 the decision was taken to add a monumental dome anyway, the dimensions of which far exceeded those of the design presented in 1862. The stone pillars as planned by Poelaert proved insufficient for the new design. Therefore Wellens and his team designed an enormous additional structure of metal beams in order to secure the base of the dome. In 1879 the Chamber of Representatives presented a critical report on the liberties which the architect

In 1861 Joseph Poelaert was commissioned to design the new Brussels courthouse, following a contest where nobody had been acclaimed as winner. In the spring of 1862 the architect presented a first project which was done in a rather sober, antique style with a modest dome. In order to reduce the costs, the Minister of Justice decided in 1863 to build the courthouse without a dome.

had allowed himself, the sloppy preparation of the construction and the increasing costs. In the same year, Poelaert died, probably due to a brain haemorrhage. The works were continued by the members of the special department who made the final designs for the upper part of the dome and the finishing of the interior. During the inauguration on October 15,1883 the building

The construction of the new courthouse, the first stone of which was laid in 1866, was financed by the Belgian state, the city of Brussels and the Brabant Province. The works were commissioned to a special department which resorted under the competence of the Minister

was praised for the proud way in which it represented the major social role of Justice and the young Belgian nation. The construction had cost 45 million Belgian francs, more than four times the amount of the original estimation.


STERK IN DETAILS, SOLIDE OVER DE GANSE LIJN • bouwafdichting en -onderhoud • gevelrenovatie en -bescherming • binnenwandafwerkingen • betonreparatie en -conservering • vloersystemen • dakbeschermingsproducten • kitten, schuimen, chemische verankering • houtbescherming

remmers FTB-Remmers Bouwelven 19 B-2280 Grobbendo Tel +32 14 84 80 80 Fax +32 14 84 80 81 info@ftbremmers.com www.ftbremmers.com


Onze-Lieve-Vrouwekerk - Brugge

Restauratie en algemene bouwwerken Steenhouwerij en marmerbewerking Schrijnwerkerij, glas-in-lood, smeedwerk Decoratief stuc- en staffwerk en restauratieschildertechnieken Speciale restauratietechnieken Steigers, stut- en schoringwerken Archeologisch onderzoek Projectontwikkeling en herbestemmingen

Group Monument Oostrozebekestraat 54 8770 Ingelmunster T. 051/31 60 80 F. 051/30 22 37 info@monument.be www.monument.be

GROUP

11 1 "


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_30_4.pdf by Vlaanderen-be - Issuu