PROGRAMMADECREET BO 2023
Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Adviesvraag
Voorontwerp van programmadecreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2023
Adviesvrager
Matthias Diependaele - Vlaams minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed
Ontvangst adviesvraag
10 oktober 2022
Decretale opdracht
SERV-decreet 7 mei 2004 art. 20 (SAR-functie)
Goedkeuring raad
24 oktober 2022
Contactpersoon
Wim Knaepen
wknaepen@serv.be
Stijn Wouters
swouters@serv.be
De heer Matthias DIEPENDAELE Vlaams minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed Koning Albert II-laan 7 B-1210 Sint-Joost-ten-Node
Advies Programmadecreet BO 2023 Mijnheer de minister U heeft de SERV om spoedadvies gevraagd over het voorontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2023. Hierna vindt u het advies, onder voorbehoud van bekrachtiging door de raad op 24 oktober 2022. Wij hopen u hiermee van dienst te zijn geweest. Hoogachtend Pieter Kerremans
Hans Maertens
administrateur-generaal
voorzitter
Inhoud Inhoud
4
Advies
6
1.
Hoofdstuk 3. Financiën en Begroting
6
Afdeling 2. Lichte vrachtauto – aanpassing van de definitie van het
2.
begrip lichte vrachtauto
6
Hoofdstuk 4. Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse zaken en Justitie
7
Afdeling 4. Versterking capaciteit energiecrisis bij OCMW’s
7
Afdeling 6. DAB Investeringsprogramma energiebeheer
3.
overheidsgebouwen
7
Hoofdstuk 5. Omgeving
8
Afdeling 1. Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen – OVAM-heffingen
8
Afdeling 5. BRV-fonds: omvorming Grondfonds en inkanteling Rubiconfonds en Vernieuwingsfonds
9
Afdeling 6. Wijziging van titel XIV van het Energiedecreet van 8 mei 2009 4.
9
Hoofdstuk 6. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
10
Afdeling 1. Wijziging van het decreet van 9 februari 2019 betreffende het lokaal sociaal beleid
10
Afdeling 2. Wijzigingen van het decreet van 3 april 2009 betreffende het georganiseerde vrijwilligerswerk in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
10
Afdeling 4. Wijziging van het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding
10
Afdeling 5. Wijzigingen van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming
11
Afdeling 6. Wijzigingen van het Groeipakketdecreet van 2018
11
4
5.
Hoofdstuk 7. Onderwijs en vorming
12
Afdeling 1. Verankering in het decreet volwassenonderwiis van de drie opdrachten van Vocvo vzw
12
Afdeling 6. Het niet toekennen van de kliks aan de universiteiten in het begrotingsjaar 2023
13
Afdeling 8. Bijkomende middelen hogeronderwijsinstellingen en afdeling 14. Extra werkingsbudget ter compensatie van energiefacturen in schooljaar 2022-2023
13
Afdeling 13. Subsidie voor een kenniscentrum “Leerpunt”
13
Afdeling 15. Extra werkingsbudget voor materiaal- of energieintensief studieaanbod in het secundair onderwijs
5
14
Advies 1. Hoofdstuk 3. Financiën en Begroting Afdeling 2. Lichte vrachtauto – aanpassing van de definitie van het begrip lichte vrachtauto De SERV is verheugd dat de aanpassing van de bestaande definitie van lichte vrachtauto in de VCF en de bijkomende voorwaarde om ingeschreven te zijn bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen (KBO) om te kunnen genieten van het voordelige belastingtarief, tegemoet komt aan één van de vragen uit het advies “Diverse fiscale bepalingen – Grondig onderhoud verkeersfiscaliteit beter dan quick-fix oldtimers.” Met name gaat het wegwerken van de oneigenlijke inschrijving van bepaalde voertuigen als lichte vracht door particulieren. Wel vraagt de SERV om te bekijken of het criterium “rechtspersoon of natuurlijk persoon met een ondernemingsnummer” niet te breed is en om desgevallend een beter aangepast criterium te hanteren. De SERV vraagt om de tijd tussen publicatie en inwerkingtreding (nu 1/1/2023) zo kort mogelijk te houden om het risico op versnelde aankopen te vermijden en om een uitdoofscenario te voorzien voor de fiscale behandeling van de bestaande vloot. De SERV waardeert de inspanningen van het Vlaams Gewest om dit decretale initiatief te laten samensporen met gesprekken met de andere gewesten om tot een samenwerkingsakkoord m.b.t. de leasingvoertuigen te komen zodat de wijziging ook op die voertuigen van toepassing zou zijn. Het is spijtig dat dit voorlopig zonder resultaat was, maar de SERV vraagt om de inspanningen verder te zetten zodat dergelijk samenwerkingsakkoord (of een ander beleidsinstrument dat zou leiden tot een analoog resultaat) alsnog bereikt zou kunnen worden. De SERV moedigt de Vlaamse Regering ook aan om deze dynamiek voort te zetten door te werken aan een bredere hervorming die bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen van de Vlaamse Clean Power for Transport-visie.
6
2. Hoofdstuk 4. Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse zaken en Justitie Afdeling 4. Versterking capaciteit energiecrisis bij OCMW’s De verhoging van de middelen voor de preventieve en curatieve werking van OCMW’s met 2 mln. euro in 2022 en telkens 8,58 mln. euro in 2023 en 2024 is een goede zaak. Reeds eerder pleitte de SERV ervoor om de gerichte curatieve én preventieve werking via OCMW’s en energiehuizen te versterken, als antwoord op de energiecrisis. Een bestendiging naar volgende jaren en een verdere verhoging van deze middelen lijkt evenwel nodig. Nu zijn de extra middelen niet in verhouding tot de grote noden om energie-investeringen bij kwetsbare groepen te versnellen. Overigens zijn de middelen niet bestemd voor energie-investeringen, terwijl de SERV het belang van deze preventieve maatregelen voor de meest kwetsbare groepen al meermaals benadrukte1. Zelfs indien, louter bij wijze van theoretisch voorbeeld, de nu voorziene extra middelen volledig zouden gaan naar extra preventieve steun, dan zouden tussen 2022 en 2024 slechts ongeveer 3.800 gezinnen extra geholpen kunnen worden2, oftewel 1% van de gezinnen in energie-armoede. Meer initiatieven en middelen voor kwetsbare groepen zijn nodig, ook in het kader van grootschalige collectieve projecten. Bij de verdeling van de beschikbare middelen over de OCMW’s vraagt de SERV om naast het aantal inwoners ook rekening te houden met het aandeel van de inwoners dat in (energie)armoede leeft. Afdeling 6. DAB Investeringsprogramma energiebeheer overheidsgebouwen Het is een goede zaak dat de Vlaamse overheid middelen vrijmaakt voor energie-investeringen in overheidsgebouwen, die zich eventueel (deels) kunnen terugverdienen in de vorm van lagere energiefacturen. Dit is conform de voorbeeldfunctie van de overheid. De SERV vraagt zich wel af in welke mate de ambitie ter zake strookt met de nood aan versnelde energie-investeringen in het licht van de energiecrisis en de verstrengende klimaatdoelen.
1
https://www.serv.be/serv/persberichten/oproep-serv-vlaanderen-moet-energiecrisis-snel-aanpakken en https://www.serv.be/sites/default/files/documenten/SERV_20221010_energiesleutels_ADV.pdf
2
uitgaande van een tegemoetkoming van 5000 euro/gezin voor energie-investeringen 7
3. Hoofdstuk 5. Omgeving Afdeling 1. Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen – OVAM-heffingen Artikel 36 van het programmadecreet bevat verschillende aanpassingen aan het materialendecreet, in concreto de afvalheffing. Bedoeling is de heffing meer sturend te maken en tegelijk een modal shift van afvaltransporten te bevorderen van de weg naar binnenvaart en spoor. De SERV ondersteunt deze uitgangspunten, maar onderschrijft niet alle voorgestelde aanpassingen. De aanpassingen zijn niet doorgesproken met de afvalsector, noch met de afvalproducenten, noch met andere relevante organisaties in bv. de KMO-werkgroep. Evenmin is de wijziging aangekondigd in het Lokaal Materialenplan 2023-2030. De SERV vraagt om concreet volgende twee zaken te heroverwegen en te bespreken met alle relevante sectoren en betrokkenen. •
Heroverweeg verdubbeling heffing op meeverbranding De SERV vraagt om de impact van deze maatregel beter te onderzoeken en pas daarna te beslissen over de invoering ervan. Volgende vragen rijzen in dit verband: •
Wat is het effect op investeringen van bedrijven gerelateerd aan meeverbranding van afvalstromen?
•
Is er wel voldoende capaciteit voor efficiënte nasortering? Zo neen, moet dan geen overgangsperiode worden voorzien voor de inwerkingtreding van de maatregel zodat bedrijven een dubbele heffing kunnen vermijden?
•
Heroverweeg afschaffing aftrek in buitenland betaalde heffing De SERV vraagt om de impact van deze maatregel beter te onderzoeken en pas daarna te beslissen over de invoering ervan. Volgende vragen rijzen in dit verband: •
Wat is de impact op de recyclagemarkt? Wat is het effect op de behandeling in Vlaanderen van recyclagematerialen en op de vraag in Vlaanderen naar die materialen? Spoort dit met de Vlaamse doelstelling om meer stromen in Vlaanderen te verwerken?
•
Zal zich een verschuiving voordoen voor de verwerking van reststromen naar landen zonder heffing (bv. Duitsland) en wat is het milieueffect van het bijkomende (verlengde) transport in dit geval?
•
Ontstaat er een ongelijk speelveld tussen Vlaanderen en Wallonië waar deze aftrekmogelijkheid blijft bestaan?
•
Hoe verhoudt deze maatregel zich tot de nulheffing op de import van gevaarlijke afvalstoffen?
8
Afdeling 5. BRV-fonds: omvorming Grondfonds en inkanteling Rubiconfonds en Vernieuwingsfonds De SERV onderschrijft het voorstel tot oprichting van een BRV-fonds via omvorming van het Grondfonds en inkanteling van het Rubicon- en het Vernieuwingsfonds. Dit bevordert de transparantie van de geldstromen en biedt tegelijk opportuniteiten voor een meer geïntegreerde en efficiëntere beleidsvoering. Tegelijk dringen de Vlaamse sociale partners aan op een definitieve beslissing inzake het instrumentendecreet. Die zal immers in belangrijke mate de middelen van het BRV-fonds en bijhorende uitvoering van het BRV mee bepalen. Afdeling 6. Wijziging van titel XIV van het Energiedecreet van 8 mei 2009 De tijdelijke ‘op-nul-stelling’ van de energieheffing voor residentiële afnemers draagt bij aan de verlaging van de elektriciteitsfactuur, hetgeen ook helpt om de prijsverhouding tussen verwarmen met een warmtepomp en verwarmen met fossiele brandstoffen recht te trekken. Tegelijkertijd is het gegeven voordeel van 5,4 euro/jaar/aansluitpunt zeer beperkt. Bovendien is dit slechts een beperkte fractie (1,2 %) van de totale toeslagen en lasten vanuit de federale en Vlaamse overheid op de elektriciteitsfactuur (op basis van de data VREG voor september 2022). De SERV drong er reeds meermaals op aan om die lasten breder te herbekijken. •
Standpunt VOKA, UNIZO, BB, Verso,
De werkgevers vragen om ook voor niet-residentiële afnemers en afnemers op middenspanning en hoogspanning de energieheffing op nul te stellen. Ook ondernemingen worden immers geconfronteerd met de gevolgen van de energiecrisis. •
Standpunt ACV, ABVV, ACLVB
De vakbonden vragen aansluitend op de wijziging van de regeling energieheffing om een bredere herverdeling van lasten binnen of buiten de energiefacturen, waarbij de doorrekening van lasten via elektriciteitsfacturen doorbroken wordt. Er zou in het kader van die herverdeling van middelen uit de elektriciteitsfactuur (naar algemene middelen of alternatieve financiering) een evenwichtsoefening moeten gebeuren in het licht van alle lasten in de elektriciteitsfactuur (bv. ODV in de nettarieven traditioneel voor grootteorde 90% doorgerekend aan laagspanning).
9
4. Hoofdstuk 6. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Afdeling 1. Wijziging van het decreet van 9 februari 2019 betreffende het lokaal sociaal beleid De SERV ondersteunt het initiatief om mogelijkheden te creëren voor het realiseren van lokaal sociaal beleid in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en pleit ervoor deze mogelijkheid ook effectief te benutten. Zoals de SERV eerder in zijn advies over het decreet lokaal sociaal beleid schreef, moet het lokaal sociaal beleid ook in Brussel-Hoofdstad de burger/klant/zorgvrager centraal kunnen zetten en vol inzetten op een positieve en brede invulling van grondrechten, over verschillende beleidsdomeinen heen. Ook de verduurzaming van de financiering van een aantal organisaties die activiteiten organiseren of ondersteunen die zijn gericht op de vermaatschappelijking van de lokale sociale hulp- en dienstverlening of het verhogen van de toegang tot de sociale hulp- en dienstverlening en het aanpakken van de onderbescherming is belangrijk. Op deze manier kan de continuïteit van hun werking over een langere tijd gegarandeerd worden. Het blijft belangrijk om de betrokken organisaties altijd aansluiting te laten vinden bij de doelstellingen en de werking van het Geïntegreerd Breed Onthaal. Afdeling 2. Wijzigingen van het decreet van 3 april 2009 betreffende het georganiseerde vrijwilligerswerk in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin In het advies over gecoördineerd Vlaams vrijwilligersbeleid steunde de SERV het voornemen om de kennisdeling rond vrijwilligers centraal te organiseren via een Vlaams expertisecentrum voor vrijwilligerswerk en een portaalsite waarop alle informatie voor organisaties en vrijwilligers gebundeld is en gemakkelijk te raadplegen. De SERV is tevreden dat de subsidiëring van dit expertisecentrum nu decretaal geregeld wordt. De Vlaamse sociale partners wijzen er evenwel op dat het aanbod van het expertisecentrum ook breder ingezet moet kunnen worden dan enkel voor het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ook bijvoorbeeld in het domein cultuur, jeugd en sport zijn veel vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties actief die dit platform en de inzet van expertise nodig hebben. Afdeling 4. Wijziging van het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding De SERV ondersteunt de verduurzaming van de financiering van de inzet en ondersteuning van ervaringskennis rond armoede via verschillende initiatieven. Bind-kracht, vzw Cedes, de TAO-werking van vzw De Link en Armoede Inzicht worden zo gehonoreerd voor de goede resultaten die ze in de praktijk bereiken. De diversiteit van het aanbod, waarbij ieder initiatief een eigen expertise, doelstelling en meerwaarde heeft, wordt zo ook steviger in de verf gezet. De consolidering van de subsidiëring verstevigt de kansen om opgebouwde expertise binnen de organisatie aan boord te houden én er op verder te bouwen. 10
Afdeling 5. Wijzigingen van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming De verhoging van het zorgbudget voor zwaarbehoevenden naar € 135 is een welkome eerste stap om zorgbehoevenden tegemoet te komen voor hun zorgnoden en de daaraan verbonden stijgende kosten. Toch beschouwt de SERV dit slechts als een minimum en een eerste stap. De op til zijnde hervorming van de zorgbudgetten vraagt, in het licht van de huidige koopkrachtcrisis én de impact van de aankomende vergrijzingsgolf met bijhorende kosten, een grondige evaluatie en debat over: •
hoe middelen gericht ingezet worden voor zorgkosten en zorgbehoevenden;
•
hoe de Vlaamse sociale bescherming betaalbaar blijft;
•
hoe de tegemoetkomingen periodieke aangepast kunnen worden aan noden en kosten zodat er een relevante bijdrage blijven leveren aan het verlichten van zorgkosten.
Er dient ook opgemerkt te worden dat de kosten voor ouderen in een woonzorgcentra aanzienlijk stijgen door het doorrekenen van de energiekosten in de dagprijzen. Daartegenover staat dat inwoners van collectieve voorzieningen niet in aanmerking komen voor specifieke tegemoetkomingen op vlak van energie en deze kosten dus wel volledig moeten dragen. Er dient te worden bekeken of voor de deze groep ook geen specifieke ondersteuning noodzakelijk is. Afdeling 6. Wijzigingen van het Groeipakketdecreet van 2018 Voorafgaand: De SERV beperkt zich in het kader van dit spoedadvies tot een aantal vaststellingen en globale opmerkingen. De sociale partners zullen in de SERV in 2023 grondig overleg plegen over een evaluatie van het Groeipakket en mogelijke aanpassingen en aanbevelingen naar de beleidsperiode 2024 - 2029. Het Groeipakket wordt daarbij als een belangrijk instrument gezien voor de ondersteuning van gezinnen en de strijd tegen armoede. Hierbij zal ook aandacht gaan naar de uitdagingen voor de gezinnen met kinderen om arbeid en gezin te combineren. De SERV maakt volgende vaststellingen: •
Sinds de overheveling van de bevoegdheid van de kinderbijslag en de opmaak van decreet Groeipakket is deze belangrijke ondersteuning van gezinnen en kinderen jaarlijks bij de opmaak van de begroting het onderwerp geworden van een discussie over modaliteiten en indexeringen zonder grondige evaluatie van het Groeipakket.
•
De eerder in 2021 besliste en door de SERV negatief geadviseerde onderindexering van de basisbedragen in vergelijking met de vooropgestelde groei wordt teruggedraaid (zie ook SERV advies Programmadecreet BO 2022).
•
De Vlaamse Regering wil in het Groeipakket in 2023 en de volgende jaren inspanningen leveren in het kader van de energiecrisis en verhoogde inflatie, en voornamelijk extra middelen inzetten voor de meest kwetsbare gezinnen. Het Groeipakket is een belangrijk 11
beleidsinstrument om de kosten die gepaard gaan met het opvoeden van kinderen gedeeltelijk te compenseren, met een sociale component die een extra inspanning levert voor kwetsbare gezinnen en kinderen. •
De gemaakte keuzes hebben een budgettaire weerslag op korte maar ook op lange termijn. Abstractie makend van de eenmalige sociale toeslagen van €100 voor 2022 en 2023 worden de totale bijkomende structurele uitgaven geraamd op € 164 miljoen in 2023, € 196 miljoen in 2024 en bijna € 221 miljoen in 2025.
•
Het extra budget dat de Vlaamse Regering ontvangt via de dotatie ter financiering van de gezinsbijslagen (door de inflatie), wordt niet volledig ingezet voor het Groeipakket.
•
De voorgestelde maatregelen compenseren de extra kosten voor kinderen ten gevolge van de hoge inflatie niet volledig.
In de urgentie van de energiecrisis en stijgende inflatie worden nu binnen het Groeipakket een aantal keuzes gemaakt. De SERV vraagt naar meer cijfermatige onderbouw en onderzoek naar de impact bij het gevolgde traject en eventuele ongewenste effecten. De SERV stelt vast dat er dringend nood is aan een grondige en globale evaluatie van het Groeipakket. Deze evaluatie werd aangekondigd in het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024. Er werden eerste stappen gezet maar de evaluatie werd nog niet ten gronde aangepakt of uitgevoerd. De SERV acht een grondige evaluatie en denkoefening over het Groeipakket noodzakelijk als basis voor wijzigingen in het Groeipakket. Deze oefening moet het geheel en de verschillende componenten van het Groeipakket evalueren op effectiviteit en efficiëntie van de ingezette middelen, de kostendekkingsgraad voor verschillende kind- en gezinskenmerken, de impact op het armoederisico, de relatie met andere beleidsinstrumenten die kinderen en gezinnen ondersteunen en andere mogelijke effecten. Die fundamentele oefening moet van het Groeipakket een robuust en toekomstbestendig instrument maken dat betekenisvol en relevant blijft investeren in kinderen en jongeren binnen een duurzaam financieel kader. De Vlaamse sociale partners binnen de SERV willen hier op constructieve wijze aan meewerken door de inzet van hun expertise en knowhow.
5. Hoofdstuk 7. Onderwijs en vorming Afdeling 1. Verankering in het decreet volwassenonderwiis van de drie opdrachten van Vocvo vzw De SERV vindt het een goede zaak dat de opdrachten van het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs decretaal verankerd worden. De SERV pleitte in zijn recent advies 12
‘Iedereen geletterd, iedereen mee’ van 5 september 2022 voor een versterking van het Plan Geletterdheid en van het team die het plan moet coördineren en mee helpen uitvoeren. Die uitbreiding is nu niet voorzien in het Programmadecreet 2023. Afdeling 6. Het niet toekennen van de kliks aan de universiteiten in het begrotingsjaar 2023 Door het niet toekennen van de kliks aan de universiteiten in het begrotingsjaar 2023, zullen de middelen de stijgende studentenaantallen (nog) minder volgen. Terzelfdertijd stijgen de verwachtingen ten aanzien van het hoger onderwijs, in het bijzonder voor het aanbieden van een toegankelijk, flexibel en kwaliteitsvol opleidingsaanbod gericht op levenslang leren. In zijn advies ‘Een leven lang student. Hoe leren in het hoger onderwijs tijdens de loopbaan aantrekkelijker maken’ van 20 september 2021 adviseert de SERV onder meer om de financiering aan te passen aan de realiteit van levenslang leren. Dat vergt o.a. een herziening van de aanbodfinanciering op een aantal vlakken, zoals het belonen van een groot aantal studenten in post-initiële opleidingen en het stimuleren van meer samenwerking tussen de hogeronderwijsinstellingen en private opleidingsverstrekkers. Het niet toekennen van de kliks gaat in tegen de nood om werk te maken het groeipad hoger onderwijs met een duidelijke inbedding van levenslang leren. Afdeling 8. Bijkomende middelen hogeronderwijsinstellingen en afdeling 14. Extra werkingsbudget ter compensatie van energiefacturen in schooljaar 2022-2023 Het is logisch dat werkingsmiddelen voor scholen en instellingen uit het hoger onderwijs verhogen om rekening te houden met stijgende energiekosten, mits er ook inspanningen gebeuren om het energiegebruik te doen dalen. Het is onduidelijk in welke mate zo voldoende tegemoet gekomen wordt aan de reële noden. De SERV wijst op de noodzaak om ook voldoende middelen te voorzien voor structurele investeringen die de energiebehoefte van scholen en zo ook hun energiefacturen blijvend kunnen verlagen. In dat kader wordt ook verwezen naar het SERV-pleidooi voor grootschalige projecten in het recente advies ‘Vlaamse sleutels om de energiecrisis kort te sluiten’ van 10 oktober 2022 om ook scholen te voorzien van isolatie en warmtepompen. Verder merkt de SERV op dat de gevolgen van de energiecrisis ook wegen op andere onderwijsniveaus dan het hoger onderwijs en andere organisaties, waarvoor de werkingsmiddelen mogelijk nog onvoldoende werden aangepast. Afdeling 13. Subsidie voor een kenniscentrum “Leerpunt” Wat betreft het kenniscentrum ‘Leerpunt’ dat zal opgericht worden vraagt de SERV dat er in het bijzonder aandacht is voor de STEM-didactiek en voor sleutelcompetenties en algemene vorming in het beroepsgericht onderwijs. Afstemming met andere kenniscentra, zoals het Kenniscentrum Digisprong, is noodzakelijk.
13
Afdeling 15. Extra werkingsbudget voor materiaal- of energie-intensief studieaanbod in het secundair onderwijs De SERV schaart zich volledig achter het extra werkingsbudget voor het materiaal- of energie-intensief studieaanbod in het secundair onderwijs. Er moet op toegezien worden dat de middelen ook effectief daarvoor worden aangewend.
14