Vlaanderen is milieu
luchtkwaliteit in de antwerpse haven jaarrapport 2014 Vlaamse MilieuMaatschappij
www.vmm.be
DOCUMENTBESCHRIJVING Titel Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2014 Samenstellers Afdeling Lucht, Milieu en Communicatie, VMM Dienst Lucht , team specifieke studies Inhoud Dit rapport beschrijft de resultaten van de metingen in de omgevingslucht in de Antwerpse haven. De VMM mat er de polluenten zwaveldioxide, stikstofoxides, fijn stof, zwarte koolstof, ozon, vluchtige organische stoffen, dioxines en PCB’s. De meetresultaten van deze polluenten worden getoetst aan de bestaande en toekomstige normen. Ook bespreekt het rapport de trend van de afgelopen jaren voor de gemeten polluenten en de uitstoot van een aantal polluenten. Wijze van refereren Vlaamse Milieumaatschappij (2015), Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2014 Verantwoordelijke uitgever Michiel Van Peteghem, Vlaamse Milieumaatschappij Vragen in verband met dit rapport Vlaamse Milieumaatschappij A. Van de Maelestraat 96 9320 Erembodegem Tel: 053 72 62 10 info@vmm.be Depotnummer D/2015/6871/048
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 2
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
SAMENVATTING In 2008 werd een overeenkomst gesloten tussen het bestuur van de Antwerpse haven, de gemeente Beveren en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). Deze overeenkomst houdt in dat de VMM jaarlijks een rapport ’Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven’ maakt, waarin alle gemeten polluenten in het Antwerpse havengebied worden besproken. Op basis van deze overeenkomst richtte de VMM in 2008 extra meetposten op in het Antwerpse havengebied met cofinanciering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en de Gemeente Beveren. De VMM meet op verscheidene meetpunten een of meerdere polluenten met behulp van (semi)automatische toestellen. De automatische toestellen werken volledig autonoom, de semiautomatische toestellen bemonsteren luchtstalen die naar het labo gaan voor verdere analyse. Ook meet de VMM op twee plaatsen in de haven de depositie van dioxines en dioxine-achtige PCB’s met behulp van depositiekruiken. Op de verschillende meetpunten in het havengebied worden een of meerdere van onderstaande componenten gemeten: − − − − − − − −
zwaveldioxide (SO2); stikstofoxides (NO, NO2, NOx); fijn stof (PM10 en PM2,5); zwarte koolstof; ozon (O3); vluchtige organische stoffen (BTEX en VOS); dioxines; dioxineachtige polychloorbifenylen (PCB’s).
Dit rapport beschrijft de meetresultaten van deze polluenten gemeten in 2014. De resultaten werden getoetst aan de huidige en toekomstige Europese grens- en streefwaarden. We toetsen de meetresultaten ook aan de richtwaarden gedefinieerd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). De WGO-richtwaarden hebben als enig doel de gezondheid van de mens te beschermen en houden dus geen rekening met de economische of technische haalbaarheid. Dit rapport toont bovendien de evolutie van de luchtkwaliteit. Per polluent werden de meetresultaten van het havengebied vergeleken met het Vlaams gemiddelde. Dit gebeurt aan de hand van een virtueel gemiddelde: dit is het jaargemiddelde van alle meetwaarden van deze polluent in een bepaald gebied. We gebruikten ook pollutierozen om te bepalen uit welke richting de vervuiling kwam. Indien de pollutierozen voor een bepaalde polluent vrij rond van vorm zijn, werden ook relatieve zeropollutierozen gemaakt. Deze verkrijgen we door de algemene achtergrondconcentraties van de pollutierozen af te trekken. Het rapport geeft ook een beschrijving van een aantal emissies uit het havengebied. Zwaveldioxide (SO2) Uit de metingen bleek dat de Europese grenswaarden voor SO2 voor het vijfde jaar op rij ruim gerespecteerd bleven. De hoogste concentraties bevonden zich in het centrum van het havengebied, aan de raffinaderijen. De SO2-jaargemiddelden waren in 2014 nog maar één derde van de
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3
concentraties gemeten in 2007. De WGO-dagrichtwaarde is veel strenger. Ze werd in 2014 op geen van de tien meetstations gehaald. Stikstofdioxide – NO2 De NO2-concentraties bleven in 2014 op alle meetstations in de Antwerpse haven onder de Europese grenswaarden. Op één meetstation (Muisbroeklaan R894) werd de toekomstige jaargrenswaarde van 40 µg/m³ overschreden. Die Europese grenswaarde is pas vanaf 1 januari 2015 van kracht, omdat de Europese commissie de Vlaamse uitstelaanvraag hiervoor goedkeurde. Dit meetstation ligt in de industriezone en is minder relevant voor de blootstelling van de bevolking. De laatste vijf jaar stellen we een stijgende trend vast op dit meetstation. De meetstations Antwerpen-Luchtbal (M802) en Hoevenen (SA04) liggen in gebieden die relevanter zijn voor de blootstelling aan de bevolking. Daar zijn de concentraties lager. Sinds 2005 vertonen de jaargemiddelde NO- en NO2-concentraties een gestage dalende trend. Deze werd voortgezet in 2014. De concentraties van NO2 lagen in het Antwerpse havengebied zo’n 20% hoger dan het Vlaamse gemiddelde. Fijn stof – PM10 en PM2,5 De Europese jaargrenswaarde en daggrenswaarde werden in 2014 gerespecteerd. Voor de jaargrenswaarde is dat al enige jaren het geval. De PM10-jaargemiddelden in de Antwerpse haven daalden in de periode 2003-2009. In 2011 stegen de concentraties in het havengebied opnieuw, voornamelijk door sterk verhoogde stofconcentraties in het voorjaar van 2011 met continentale wind uit het noordoosten. Door deze stijging in 2011 lag het virtueel gemiddelde van de PM10-concentraties in de haven dat jaar hoger dan het Vlaams gemiddelde, dit in tegenstelling tot 2009 en 2010. Na 2011 daalde de jaargemiddelde concentratie. In 2014 werd de laagste concentratie in de periode 2003-2014 opgetekend. De jaargemiddelde PM10-concentratie in de haven van Antwerpen (virtueel meetstation) bleef tijdens de volledige periode hoger dan of gelijk aan de concentratie voor het virtueel gemiddelde voor Vlaanderen. De daggrenswaarde betekent dat er op jaarbasis maximaal 35 dagen mogen zijn met PM10-waarden hoger dan 50 µg/m³. Dit aantal overschrijdingsdagen schommelde de afgelopen jaren sterk. In 2010 werd de daggrenswaarde voor PM10 voor het eerst gerespecteerd op alle meetstations in het havengebied. In 2011 waren alle meetstations, op één na, in overschrijding. Deze stijging was voor een groot deel het gevolg van sterk verhoogde stofconcentraties in het voorjaar van 2011, met continentale wind uit het noordoosten. In 2012 daalde het aantal dagen met PM 10-concentraties hoger dan 50 µg/m³. Op één meetstation werd de grenswaarde toen niet gerespecteerd. Dit meetstation M802 aan de Luchtbal kende toen 41 dagen met hoge fijnstofwaarden. In 2013 en 2014 namen de fijnstofconcentraties verder af. Op M802 zakte het aantal overschrijdingsdagen naar 18. De daggrenswaarde voor PM10 bleef in 2014 gerespecteerd op alle meetstations in het havengebied. De WGO-richtwaarde van maximaal 3 dagen met een PM10-waarde hoger dan 50 µg/m³ op jaarbasis, ligt echter nog ver buiten bereik. Voor PM2,5 bleef in 2014 op elk meetstation de Europese streefwaarde – geldig sedert 2010 – en de grenswaarde – vanaf 2015 – van 25 µg/m³ gerespecteerd. Ook de toekomstige indicatieve grenswaarde van 20 µg/m³, te behalen tegen 2020, werd gehaald. De WGO-richtwaarde werd niet gehaald. De introductie van de FIDAS-toestellen zorgde voor een uitbreiding van het aantal PM2,5metingen in het Antwerpse havengebied.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 4
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Zwarte koolstof Er bestaan geen Vlaamse of Europese normen voor zwarte koolstof. Het virtueel gemiddelde was in het Antwerpse havengebied in 2014 vergelijkbaar met het virtueel ‘industrieel gemiddelde’ in Vlaanderen. De hoogste concentraties werden vastgesteld op het meetstation Luchtbal (M802). Dit is voor een groot deel een gevolg van het daar aanwezige verkeer. De meeste andere zeropollutierozen wezen naar het centrum van het havengebied. De gemeten concentraties in het meetstation aan de Boudewijnsluis, centraal gelegen in het havengebied, vertonen een dalende trend. Ozon – O3 2014 was een gunstig jaar voor ozon. De EU-streefwaarde voor de bescherming van de volksgezondheid werd niet overschreden. De resultaten voor het meetstation in Berendrecht (R831) lagen in lijn met wat de VMM gemiddeld meet over Vlaanderen, of waren iets gunstiger. In 2014 was er geen overschrijding van de informatiedrempel van ozon. De alarmdrempel bleef de afgelopen 8 jaar gerespecteerd. De langetermijndoelstelling bereikten we voor Vlaanderen enkel in de ozongunstige jaren 2007, 2009, 2011 en 2012. De laatste 10 jaar bleef het ozon jaargemiddelde vrij stabiel. Wel waren er regelmatig verschillen in de hoge percentielen en maxima per jaar. Dit heeft te maken met de kwaliteit van de zomers. Vluchtige organische stoffen - VOS In de Antwerpse haven is er één meetplaats waar de VMM de concentraties van benzeen, tolueen, ethylbenzeen, en m,p-xyleen meet. Dit zijn de BTEX-componenten. De Europese grenswaarde voor benzeen bleef ruim gerespecteerd. De BTEX-concentraties zijn, in vergelijking met andere meetlocaties in Vlaanderen, niet verhoogd. Het BTEX-meetstation ligt in Stabroek en ligt dus niet centraal in het havengebied. Mogelijk zijn de BTEX-concentraties in het centrum van het havengebied hoger. De dalende trend van de voorbije jaren werd in 2014 doorgezet voor de BTEXcomponenten, behalve voor o-xyleen. In 2014 werden geen dagstalen van VOS bepaald in de Antwerpse haven. De concentraties in 2013 waren sterk gelijkend op die van de vorige jaren. De normen en richtwaarde werden toen gehaald. Dioxines en PCB’s De VMM gebruikt drempelwaarden om de dioxines en PCB’s in de omgevingslucht te beoordelen. Deze zijn niet opgenomen in de wetgeving maar laten toe te beslissen welke regio’s extra aandacht verdienen vanuit gezondheidskundig standpunt. Uit de dioxine- en PCB-resultaten bleek dat alle maandstalen van 2014 van de meetplaats in Stabroek de drempelwaarde voor maandgemiddelde depositie respecteerden. Het gemiddelde van de vijf maandstalen lag ook lager dan de jaargemiddelde drempelwaarde. Deze toetsing is slechts indicatief, omdat de VMM niet jaarrond metingen uitvoerde. De trend van de dioxinedeposities op de meetpost in Stabroek toont over de jaren heen sterke schommelingen. In de tweede helft van 2012 mat de VMM opnieuw gedurende 2 maanden een dioxinedepositie die opvallend hoger was. Dit betekent dat er in de nabijheid nog steeds een of meerdere bronnen zijn die sporadisch aanleiding geven tot dioxine-emissies. In 2013 en 2014 waren de waarden opnieuw lager. De meetwaarden voor de meetpost in Kallo toonden vooral een hoge PCB-depositie in de onmiddellijke nabijheid van een schrootbedrijf. Ook in de nabijheid van andere Vlaamse schrootbedrijven waren de PCB-deposities hoog. Eerder onderzoek toonde aan dat de
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
5
verontreiniging meestal beperkt bleef tot enkele honderden meters rond het schrootbedrijf. De impact voor de bevolking is dus het grootst als er een woonzone of agrarisch gebied paalt aan een dergelijk bedrijf. Dit is echter niet het geval in Kallo.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 6
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
INHOUD 1 Het meetnet ..................................................................................................................................... 10 2 Normen............................................................................................................................................. 13 2.1 Zwaveldioxide – SO2 .................................................................................................................. 13 2.2 Stikstofoxides – NO/NO2 ........................................................................................................... 13 2.3 Fijn stof – PM10 en PM2,5 ........................................................................................................... 14 2.4 Zwarte koolstof ......................................................................................................................... 15 2.5 Ozon – O3................................................................................................................................... 16 2.6 Vluchtige organische stoffen – BTEX ......................................................................................... 16 2.7 Dioxines en PCB’s ...................................................................................................................... 17 3 Meetresultaten................................................................................................................................. 18 3.1 Zwaveldioxide – SO2 .................................................................................................................. 18 3.1.1 Emissie van SO2 ................................................................................................................. 18 3.1.2 Trend van SO2-concentraties ............................................................................................ 20 3.1.3 Toetsing van SO2-concentraties ........................................................................................ 21 3.1.4 Geografische spreiding van SO2-concentraties ................................................................. 23 3.2 Stikstofoxides – NO/NO2 ........................................................................................................... 25 3.2.1 Emissie van NOx................................................................................................................. 26 3.2.2 Trend van NOx-concentraties ............................................................................................ 26 3.2.3 Toetsing van de NO2-meetwaarden.................................................................................. 29 3.2.4 Geografische spreiding van NO2-concentraties ................................................................ 30 3.3 Fijn stof – PM10 en PM2,5 ........................................................................................................... 35 3.3.1 PM10 .................................................................................................................................. 35 3.3.2 PM2,5 .................................................................................................................................. 45 3.4 Zwarte koolstof ......................................................................................................................... 51 3.4.1 Tijdverloop en toetsing van de zwartekoolstofmeetwaarden .......................................... 51 3.4.2 Geografische spreiding van zwarte koolstof ..................................................................... 52 3.5 Ozon – O3................................................................................................................................... 55 3.5.1 Emissies van ozonprecursoren.......................................................................................... 55 3.5.2 Tijdsverloop en toetsing van de ozonmeetwaarden ........................................................ 56 3.5.3 Geografische spreiding van ozon ...................................................................................... 58 3.6 Vluchtige organische stoffen – BTEX ......................................................................................... 58 3.6.1 BTEX .................................................................................................................................. 59 3.6.2 Dagstalen vluchtige organische stoffen – VOS ................................................................. 62 3.7 Dioxines en PCB’s ...................................................................................................................... 63 3.7.1 Toetsing van Dioxines en PCB’s......................................................................................... 63 3.7.2 Trend dioxines en PCB’s .................................................................................................... 64 4 Besluit ............................................................................................................................................... 66
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
7
Bijlage 1: Specificaties parameters ........................................................................................................ 69
LIJST VAN TABELLEN Tabel 1: Overzicht metingen Antwerpse Haven in 2014 ....................................................................... 11 Tabel 2: Coördinaten meetstations ....................................................................................................... 11 Tabel 3: Richt-, grens- en alarmdrempelwaarden voor SO2 .................................................................. 13 Tabel 4: NO2-grens- en alarmdrempelwaarden .................................................................................... 14 Tabel 5: Kalibratiefactoren voor PM10 en PM2,5 .................................................................................... 15 Tabel 6: PM10-grenswaarden en richtwaarden ..................................................................................... 15 Tabel 7: PM2,5-grenswaarden en richtwaarden ..................................................................................... 15 Tabel 8: Europese langetermijndoelstellingen, streef- en drempelwaarden voor ozon ...................... 16 Tabel 9: BTEX-grens- en richtwaarden .................................................................................................. 16 Tabel 10: Drempelwaarden voor de gemeten deposities van dioxines en dioxineachtige PCB’s ......... 17 Tabel 11: Belangrijkste statistische parameters voor SO2 ..................................................................... 21 Tabel 12: Overschrijdingen SO2-norm, -drempel en –richtwaarde(2006-2014) ................................... 22 Tabel 13: Statistische parameters van alle NO2-meetpunten in het Antwerpse havengebied in 2014 29 Tabel 14: Belangrijkste statistische parameters voor PM10 .................................................................. 39 Tabel 15: Belangrijkste statistische parameters voor PM2,5 .................................................................. 45 Tabel 16: Belangrijkste statistische parameters voor zwarte koolstof ................................................. 51 Tabel 17: Belangrijkste statistische parameters voor ozon, meetstation Berendrecht (R831) ............ 57 Tabel 18: Toetsing aan informatie- en alarmdrempel, streefwaarden en langetermijndoelstellingen 57 Tabel 19: Belangrijkste statistische parameters voor BTEX .................................................................. 60 Tabel 20: Toetsing van de dioxine- en PCB-deposities van R833 aan de drempelwaarden (pg TEQ/(m².dag)) ........................................................................................................................................ 64
LIJST VAN FIGUREN Figuur 1: Ligging meetstations in de Antwerpse haven ........................................................................ 12 Figuur 2: Evolutie industriële uitstoot SOx in het Antwerpse havengebied (2000-2013) ..................... 19 Figuur 3: Evolutie uitstoot SO2 door de scheepvaart in de Antwerpse haven (2000-2014) ................. 19 Figuur 4: SO2-jaargemiddelde haven van Antwerpen ten opzichte van Vlaanderen (1990-2014) ...... 20 Figuur 5: Evolutie SO2-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2003-2014)........................... 21 Figuur 6: Gemodelleerd SO2-jaargemiddelde in de Antwerpse haven in 2014 .................................... 23 Figuur 7: Pollutierozen gemiddelde SO2-concentraties in het Antwerpse havengebied in 2014 ......... 25 Figuur 8: Evolutie industriële uitstoot NOx in het Antwerpse havengebied (2000-2013)..................... 26
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 8
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 9: Evolutie jaargemiddelde NO-concentraties in het Antwerpse havengebied en Vlaanderen (2001-2014) ........................................................................................................................................... 27 Figuur 10: Evolutie jaargemiddelde NO2-concentraties in het Antwerpse havengebied en Vlaanderen (2001-2014) ........................................................................................................................................... 27 Figuur 11: Evolutie NO-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2003-2014) ......................... 28 Figuur 12: Evolutie NO2-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2003-2014) ........................ 28 Figuur 13: Gemodelleerd NO2-jaargemiddelde in de Antwerpse haven in 2014 ................................. 31 Figuur 14: Evolutie NO2-concentratie in het meetstation Luchtbal (M802) (2005-2014)..................... 32 Figuur 15: Evolutie NO2-concentratie in meetstation Muisbroeklaan (R894) (2005-2014) .................. 33 Figuur 16: Pollutierozen gemiddelde NO2-concentraties in het Antwerpse havengebied in 2014 ...... 34 Figuur 17: Industriële emissies van stofprecursoren en primair PM10 in het Antwerpse havengebied (2000-2013) ........................................................................................................................................... 36 Figuur 18: Industriële primaire stofemissies (TSP, PM10 en PM2,5) in het Antwerpse havengebied (2003-2013) ........................................................................................................................................... 36 Figuur 19: PM10-jaargemiddelde haven van Antwerpen ten opzichte van Vlaanderen (2003-2014) ... 37 Figuur 20: Evolutie PM10-meetresultaten in het Antwerpse havengebied (2004-2014) ...................... 38 Figuur 21: Aantal dagen met PM10-concentratie > 50 µg/m³ voor de meetstations in het Antwerpse havengebied (2008-2014) ..................................................................................................................... 40 Figuur 22: Gemodelleerde PM10-concentratie in het Antwerpse havengebied in 2014. ...................... 41 Figuur 23: Pollutierozen PM10-gemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2014 ............................ 43 Figuur 24: Zeropollutierozen voor PM10 in het Antwerpse havengebied in 2014 ................................ 44 Figuur 25: Evolutie PM2,5-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2008-2014)...................... 46 Figuur 26: gemodelleerde PM2,5-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2014 .................. 47 Figuur 27: Pollutierozen gemiddelde PM2,5-concentraties in het Antwerpse havengebied in 2014 .... 49 Figuur 28: Zeropollutierozen gemiddelde PM2,5-concentratie in Antwerpse havengebied in 2014 ..... 50 Figuur 29: Evolutie jaargemiddelden zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied (2008-2014) ... 52 Figuur 30: Pollutierozen gemiddelde concentraties zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied in 2014 ....................................................................................................................................................... 53 Figuur 31: Zeropollutierozen voor zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied in 2014 ............... 54 Figuur 32: Industriële emissies van ozonprecursoren in het Antwerpse havengebied (2000-2013).... 55 Figuur 33: Evolutie O3-concentraties in het meetstation R831 (2003-2014) ........................................ 56 Figuur 34: 90ste percentiel pollutieroos ozon voor Berendrecht (R831) in 2014 ................................. 58 Figuur 35: Industriële emissies benzeen, tolueen en xyleen-isomeren in het Antwerpse havengebied (2000-2013) ........................................................................................................................................... 59 Figuur 36: Evolutie BTEX-concentraties in het Antwerpse havengebied (2007-2014) ......................... 60 Figuur 37: Pollutierozen gemiddelde BTEX-concentraties in meetstation Stabroek (R833) in 2014 ... 61 Figuur 38: Evolutie totaal NMVOS emissies door individueel geregistreerde bedrijven (IMJV) in het Antwerpse havengebied (2000-2013) ................................................................................................... 62 Figuur 39: Trend depositie dioxines en PCB126 op meetplaats R833 in Stabroek (agrarisch gebied) . 64 Figuur 40: Trend depositie dioxines en PCB126 op de meetplaats BV04 in Kallo (industriegebied) .... 65
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
9
1 HET MEETNET In en rond het havengebied meet de VMM op verscheidene meetpunten één of meerdere polluenten met behulp van (semi)automatische toestellen. De automatische toestellen werken volledig autonoom, de semiautomatische toestellen nemen luchtstalen die naar het labo gaan voor verdere analyse. Op twee plaatsen in de haven meet de VMM de depositie van dioxines en PCB’s met behulp van depositiekruiken (Figuur 1). Op de meetplaatsen worden één of meerdere van onderstaande componenten gemeten (Tabel 1): − − − − − − − −
zwaveldioxide (SO2); stikstofoxides (NO, NO2, NOx); fijn stof (PM10 en PM2,5); zwarte koolstof; ozon (O3); vluchtige organische stoffen (BTEX en VOS); dioxines; dioxineachtige polychloorbifenylen (PCB’s).
Meer informatie over de gemeten parameters en gebruikte apparatuur staat op de website www.vmm.be. De specificaties over onder meer het meetprincipe en de meetonzekerheid zijn terug te vinden in Bijlage 1: Specificaties parameters. Tabel 2 geeft een overzicht van de meetplaatsen in het Antwerpse havengebied. Naast de code vermelden we het adres en de Lambertcoördinaten. De meetstations met relevantie naar de blootstelling van de bevolking toe zijn gemarkeerd (*). De andere zijn industriële brongerichte meetstations. De resultaten van deze industriële meetstations rapporteert de VMM niet aan Europa.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 10
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Tabel 1: Overzicht metingen Antwerpse Haven in 2014 Meetplaats Code M802 R815 R822 R830 R831
SO2
NOx
O3
PM10
PM2,5
zwarte koolstof
VOS
PAK
AB02
AL02
AL03 AL04
AL05
R833
BV04 R891 R892 R893 R894 R897
dioxines en PCB's
AB01
AL01
BTEX
SA04
Tabel 2: Coördinaten meetstations Code Station AB01
Adres
X
Y
AB02*
Boudewijnsluis, 2000 Antwerpen
147285
219010
Antwerpsebaan, 2040 Berendrecht
146730
225666
AL01*
Scheldedijk, 2050 Antwerpen-Linkeroever
150865
214046
AL02
Engelsesteenweg, Beveren
140657
221644
AL03*
Pomphuis, Watermolendijkweg, Beveren
138326
216020
AL04
Liefkenshoektunnel, Beveren
144735
220097
AL05*
Sluis van Kallo, Ketenislaan, Beveren
143727
217031
R833*
PITO, Laageind, 2940 Stabroek
149200
224100
SA04*
Abelenlaan, 2940 Hoevenen (Stabroek)
152449
222679
M802*
Havannastraat, 2030 Antwerpen
153884
216790
R815*
Laarstraat, 2070 Zwijndrecht
147489
211634
R822
Polderdijkweg, 2030 Antwerpen
148082
217156
R830*
Scheldemolenstraat, 9130 Beveren-Waas (Doel)
142601
223162
R831*
Hoefbladstraat, 2040 Berendrecht
147976
226558
R891
Scheurweg, 2030 Antwerpen
151159
216212
R892*
Kallosluis, 9120 Kallo
143727
217020
R893*
Ekerse Dijk, 2180 Ekeren
151181
219293
R894
Muisbroeklaan, 2030 Antwerpen
148656
219293
R897*
Scheldelaan, 2030 Antwerpen
148139
215578
E804
Ketenislaan, 9120 Kallo
145685
219067
BV04
Land Van Waaslaan – haven 1204, 9120 Kallo
141709
217269
*: meer relevantie naar de bevolking toe
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
11
Figuur 1: Ligging meetstations in de Antwerpse haven
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 12
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
2 NORMEN De Europese Commissie definieerde streef- en grenswaarden en alarmdrempels voor diverse polluenten. Bij de definiëring van deze luchtkwaliteitsnormen werd er, naast de gezondheidseffecten, rekening gehouden met de technische haalbaarheid. Daarnaast werd een kosten-batenanalyse uitgevoerd om de economische consequenties van de opgelegde concentratieniveaus in te schatten. Deze normen zijn opgenomen in de wetgeving. De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) definieert richtwaarden voor verschillende polluenten. Die richtwaarden hebben als doel de risico’s van gezondheidsschade door luchtverontreiniging te beperken en zijn meestal strenger dan de Europese grens- of streefwaarden. Bij de definiëring van de Europese grens- of streefwaarden wordt immers niet alleen rekening gehouden met de gezondheidseffecten, maar ook met de technische haalbaarheid en de economische consequenties van de opgelegde concentratieniveaus. Er zijn geen Europese of internationale normen voor dioxine- en PCB-deposities. De VMM gebruikt drempelwaarden om te oordelen welke regio’s extra aandacht verdienen. De concentraties van de gemeten polluenten worden vergeleken met de grens-, richt- en/of drempelwaarden.
2.1 Zwaveldioxide – SO2 De Europese Richtlijn 2008/50/EG definieert grenswaarden en een alarmdrempel voor SO2. Deze grenswaarden en alarmdrempel zijn al in werking sinds 2005. Daarnaast heeft de WGO ook richtwaarden vastgelegd. Tabel 3 toont een overzicht van de richt-, grens- en alarmdrempelwaarden die van toepassing zijn voor SO2. Tabel 3: Richt-, grens- en alarmdrempelwaarden voor SO2
Onderwerp Grenswaarde voor de bescherming van de menselijke EU-richtlijn gezondheid 2008/50/EG* Alarmdrempel
WGO
Middelingstijd
Doelstelling 350 µg/m³; 1 uur max. 24 overschrijdingen per jaar 125 µg/m³; 1 dag max. 3 overschrijdingen per jaar Gedurende 3 500 µg/m³ opeenvolgende uren 1 dag
20 µg/m³
10 minuten
500 µg/m³
Richtwaarde
*: sinds 1 januari 2005 moet de grenswaarde voor SO2 gerespecteerd worden.
2.2 Stikstofoxides – NO/NO2 De Europese richtlijn 2008/50/EG legt grenswaarden en een alarmdrempel op voor NO2. De grenswaarden moeten vanaf 1 januari 2010 gerespecteerd worden. De alarmdrempel voor NO2 geldt vanaf 19 juli 2001. Tabel 4 geeft een overzicht. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
13
Tabel 4: NO2-grens- en alarmdrempelwaarden
Onderwerp
EU-richtlijn 2008/50/EG*
Doelstelling
1 uur
200 µg/m³; max. 18 overschrijdingen per jaar
Jaar
40 µg/m³ 60 µg/m³ in Antwerpse havengebied tot 2015
Gedurende 3 opeenvolgende uren
400 µg/m³
1 uur
200 µg/m³
Jaar
40 µg/m³
Grenswaarde voor de bescherming van de menselijke gezondheid
Alarmdrempel
WGO
Middelingstijd
Richtwaarde voor de bescherming van de menselijke gezondheid
De grenswaarden voor NO2 moeten sinds 1 januari 2010 gerespecteerd worden. Richtlijn 2008/50/EG biedt de kans om voor NO2 uitstel te vragen voor het behalen van de grenswaarden. België vroeg dit voor het Brusselse Gewest en de zones Antwerpse haven en Antwerpse agglomeratie. De Europese Commissie verleende uitstel voor de twee Vlaamse zones. Dit betekent dat tot 2015 voor deze twee zones de NO2-jaargrenswaarde gesommeerd met de maximale overschrijdingsmarge (50%) van toepassing is, wat overeenkomt met een jaargrenswaarde van 60 µg/m³. In de overige Vlaamse zones geldt de jaargrenswaarde van 40 µg/m³. Voor NO zijn er geen grenswaarden vastgelegd. De Europese regelgeving is gebaseerd op de richtlijnen opgesteld door de WGO, zie Tabel 4. In tegenstelling tot de Europese regelgeving definieert de WGO geen alarmdrempel en laat ze geen enkele overschrijding van het uurgemiddelde van 200 g/m³ toe.
2.3 Fijn stof – PM10 en PM2,5 Fijnstofmetingen gebeuren met automatische meettoestellen die continu de hoeveelheid fijn stof meten in de buitenlucht. Dit is nodig om de fijnstofconcentraties in ’real-time’ te kunnen opvolgen. De meettechnieken die deze automatische toestellen gebruiken, zijn echter niet gebaseerd op de Europese gravimetrische referentiemeetmethode. Dit is geen probleem indien equivalentie met de referentiemethode kan worden aangetoond. De Europese referentietechniek is een semiautomatische techniek waarbij een vooraf gewogen filter 24 uur bemonsterd wordt en daarna in het labo opnieuw wordt gewogen. De resultaten van de referentiemethode zijn, in tegenstelling tot die van de automatische meettoestellen, dus niet onmiddellijk en in real-time beschikbaar. Door de VMM worden regelmatig vergelijkende equivalentiemeetcampagnes georganiseerd. Hieruit blijkt dat de automatische meettechnieken equivalent zijn, mits het gebruik van een kalibratiefactor. Deze kalibratie is onder meer nodig om verlies door verdamping van vluchtig aerosol, dat ontstaat bij de opwarming van de inlaatbuis van de automatische monitoren, te compenseren. Zonder deze kalibratie wordt de hoeveelheid gemeten fijn stof met automatische meettoestellen meestal onderschat. In 2014 werden nieuwe toestellen in gebruik genomen, namelijk PALAS-FIDAS. Ook voor deze toestellen werd een kalibratiefactor bepaald. De PALAS-FIDAS toestellen meten simultaan PM10 en \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 14
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
PM2.5. Tabel 5 toont alle kalibratiefactoren. Die factoren werden toegepast op de respectievelijke concentraties getoond in dit rapport. Tabel 5: Kalibratiefactoren voor PM10 en PM2,5
Fractie PM10
PM2,5
Type monitor
Factoren
factoren
factoren
vanaf 03/06/2014
vanaf 01/01/2009
tot en met 31/12/2008
ESM
/
1,25
1,37
TEOM
/
Variabele factor per dag
1,47
TEOM-FDMS
/
1,00
1,00
PALAS-FIDAS
Sommatie 2,6 µg/m³
ESM
/
1,27
1,46
TEOM-FDMS
/
1,00
1,00
PALAS-FIDAS
1
/
/
met /
/
Tabel 6 bevat de grens- en richtwaarden voor de polluent PM10 Tabel 6: PM10-grenswaarden en richtwaarden
EU-richtlijn 2008/50/EG*
Onderwerp Grenswaarde voor de bescherming van de menselijke gezondheid
WGO
Middelingstijd 1 dag
Doelstelling 50 µg/m³; max. 35 overschrijdingen per jaar 1 jaar 40 µg/m³ 1 dag 50 µg/m³; max. 3 overschrijdingen per jaar 1 jaar 20 µg/m³
Richtwaarde
*: Sinds 1 januari 2005 moet de grenswaarde voor PM10 gerespecteerd worden.
Tabel 7 toont de grens- en richtwaarden voor PM2,5. Tabel 7: PM2,5-grenswaarden en richtwaarden
Onderwerp
Middelingstijd
Doelstelling
Streefwaarde
Jaar
25 µg/m³
Grenswaarde
Jaar
25 µg/m
3
Indicatieve grenswaarde*
Jaar
20 µg/m
3
Overschrijdingsmarge Datum waarop de waarde moet bereikt zijn 1 januari 2010 20% op 11 juni 2008, daarna gradueel te verlagen tot 0% op 1 januari 2015 (zie tabel 5.5.)
1 januari 2015
-
1 januari 2020
* de indicatieve grenswaarde wordt door de Europese Commissie herzien in het licht van nieuwe informatie over gevolgen voor de gezondheid en het milieu, technische haalbaarheid en ervaring die met de streefwaarde is opgedaan in de lidstaten.
2.4 Zwarte koolstof Voor de zwartekoolstofmetingen bestaat er geen Vlaamse of Europese wetgeving. Ook de WGO heeft (nog) geen richtwaarden gepubliceerd voor zwarte koolstof.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
15
2.5 Ozon – O3 Tabel 8 bevat een overzicht van de streef- en drempelwaarden die geldig zijn voor ozon. Tabel 8: Europese langetermijndoelstellingen, streef- en drempelwaarden voor ozon
Bescherming Streefwaarde
Basistijd hoogste 8-uurgemiddelde van een dag
Lange termijndoelstelling
hoogste 8-uurgemiddelde van een dag uurgemiddelde uurgemiddeldeb
Informatiedrempel Alarmdrempel
Streefwaarde vanaf 2010a 120 µg/m³, gemiddeld over 3 jaar: max. 25 overschrijdingsdagen per jaar 120 µg/m³ 180 µg/m³ 240 µg/m³
a: 2010 is het eerste jaar waarvan de gegevens gebruikt worden bij het beoordelen van het naleven van de streefwaarde tijdens de volgende drie of vijf jaar. b: Indien er gedurende 3 opeenvolgende uren overschrijdingen van de alarmdrempel gemeten of gemodelleerd worden, moeten er kortetermijnacties worden ondernomen, maar alleen wanneer die maatregelen de ozonconcentraties substantieel zouden verminderen.
De aanbeveling van de WGO is strenger: 100 µg/m³ voor het hoogste 8-uurgemiddelde van een dag. Deze concentratie zou voldoende bescherming bieden voor de volksgezondheid, hoewel er ook nog negatieve effecten kunnen voorkomen onder deze richtwaarde1.
2.6 Vluchtige organische stoffen – BTEX Tabel 9 bevat een overzicht van de grens- en richtwaarden voor BTEX. Tabel 9: BTEX-grens- en richtwaarden
Richtwaarde Richtlijn 2008/50/EG a Benzeen VLAREM II b Vinylchloride
5 µg/m³ als jaargemiddelde 1 µg/m³ als jaargemiddelde
Benzeen WGO b 1,2-dichloorethaan Tolueen b
Styreen b Tetrachloorethyleen
Grenswaarde
10 µg/m³ als P98 in het beschouwde jaar op basis van halfuren 50 µg/m³ als P98 in het beschouwde jaar op basis van dagwaarden
700 µg/m³ als daggemiddelde 260 µg/m³ als weekgemiddelde 1.000 µg/m³ als halfuurwaarde 260 µg/m³ als weekgemiddelde 250 µg/m³ als daggemiddelde
a: Sinds 1 januari 2005 moet de grenswaarde voor benzeen gerespecteerd worden. b: In 2014 was er geen analyse van deze component. Toetsing was dus niet mogelijk.
1
WHO Air Quality Guidelines for particulate matter, ozone, nitrogen dioxide and sulfur dioxide, Global update 2005, Summary of risk assessment, 2006
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 16
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
2.7 Dioxines en PCB’s Er bestaan geen wettelijke normen voor de depositie van dioxines of PCB’s. Het Europees Wetenschappelijk Comité voor menselijke voeding heeft in 2001 een advies uitgebracht hoeveel dioxines en dioxineachtige PCB’s men wekelijks maximaal mag innemen. Dit bedraagt 14 pg TEQ/kg lichaamsgewicht per week. De VMM heeft een studie2 laten uitvoeren om te berekenen welke jaargemiddelde depositie overeenstemt met dit EU-advies van 14 pg TEQ/(kg.week) en definieerde zo een drempelwaarde. Aangezien de hoge analyseprijs niet toelaat om jaarrond te meten, werd er ook een drempelwaarde berekend voor maandgemiddelde deposities. Occasioneel komen er hoge deposities voor die uitgemiddeld zouden worden als we maandelijks zouden meten. Daarom wordt de maandgemiddelde depositie getoetst aan een hogere drempelwaarde, zie Tabel 10. Deze drempelwaarden worden vanaf 2010 toegepast. In vergelijking met voorgaande jaren zijn er 2 wijzigingen: de drempelwaarden gelden voor de som van de dioxines en dioxineachtige PCB’s; de drempelwaarden gelden enkel in gebieden waar verhoogde deposities een impact op de gezondheid kunnen hebben, namelijk agrarische gebieden en woonzones. Tabel 10: Drempelwaarden voor de gemeten deposities van dioxines en dioxineachtige PCB’s
Opname (EU) Toelaatbare dosis gedefinieerd door EU 14 pg TEQ/(kg.week)
Luchtkwaliteit (VMM) Drempelwaarde jaarDrempelwaarde Waar gemiddelde depositie maandgemiddelde depositie 8,2 pg TEQ/(m².dag) 21 pg TEQ/(m².dag) Agrarische gebieden en woonzones
Vooral een chronische blootstelling aan dioxines en PCB’s is belangrijk. De drempelwaarden laten toe om de gemeten deposities te beoordelen en te beslissen welke regio’s extra aandacht verdienen. Het verdient aanbeveling te streven naar het respecteren van de drempelwaarden.
2
Cornelis et al. (2007). Voorstel voor milieukwaliteitsnormen voor depositie van dioxines en PCB’s, studie uitgevoerd door VITO in opdracht van de VMM
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
17
3 MEETRESULTATEN In dit hoofdstuk bespreken we de luchtconcentraties van de verschillende polluenten. We toetsen de concentraties van 2014 aan de huidige en toekomstige Europese normen en aan de WGOrichtwaarden. Ook de trend wordt besproken.
3.1 Zwaveldioxide – SO2 Antropogene emissies van SO2 ontstaan voornamelijk door de verbranding van fossiele brandstoffen, zoals kolen en aardolie. Het overgrote deel van de SO2-emissie in Vlaanderen is afkomstig van de industrie, de raffinaderijen en de elektriciteitscentrales. Bij inademing is SO2 irriterend. Hoge concentraties kunnen ademhalingsproblemen veroorzaken, vooral bij personen die lijden aan astma of chronische longziekten.
3.1.1 Emissie van SO2 Figuur 2 en Figuur 3 tonen de uitstoot van de industrie en de scheepvaart in het Antwerpse havengebied. De cijfers zijn afkomstig uit de emissie-inventaris van de VMM. De industriële emissies komen uit de Integrale Milieujaarverslagen en de scheepvaartemissies uit modelberekeningen. Ze tonen dat de daling van de uitstoot door de industrie en de scheepvaart verantwoordelijk was voor de lagere immissieconcentraties. Tussen 2009 en 2010 daalde de industriële uitstoot met 11.000 ton en de SO2-uitstoot door de scheepvaart met 1.617 ton. Ook in 2012 daalden de emissies verder. Deze daling komt onder andere door de invoering van een zwavelnorm voor scheepsbrandstoffen in zwavelarme regio’s, de zogenaamde Sulphur Emission Control Areas, kortweg SECA’s. Vanaf 1 juli 2007 bedroeg de zwavelnorm 1,5%, voorheen was dit gemiddelde 2,7%. In 2010 was een verstrenging van de SECA-norm naar 1,0% zwavel en ook een verstrenging van de EU-norm voor aangemeerde schepen van 0,2 naar 0,1% zwavel. Een verdere daling van de scheepsvaartemissies kan een gevolg zijn van de verstrenging van de zwavelnorm voor de brandstof gebruikt door zeeschepen, van 4,5 naar 3,5% vanaf 01/01/2012. Vanaf 1 januari 2015 werd de SECA-norm nog verstrengd naar 0,1%. Ook krijgen milieuvriendelijke schepen een fijnstofkorting op de haventaks. Deze maatregelen kunnen ook de volgende jaren voor een daling zorgen.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 18
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 2: Evolutie industriĂŤle uitstoot SOx in het Antwerpse havengebied (2000-2013)
aantal meetplaatsen vermeld tussen haakjes in horizontale as Figuur 3: Evolutie uitstoot SO2 door de scheepvaart in de Antwerpse haven (2000-2014)
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
19
3.1.2 Trend van SO2-concentraties Een virtueel gemiddelde is het gemiddelde van alle metingen van deze polluent in een bepaald gebied gedurende een kalenderjaar. Figuur 4 toont het verloop van het SO2-jaargemiddelde in de virtuele stations ‘Antwerpse havengebied’ en ‘Vlaanderen’. Sinds 1993 was er een sterke daling in de SO2-concentraties met een trendbreuk rond 1999 ten gevolge van technische redenen (vernieuwing datatransmissiesysteem). In de periode 2007-2010 was er opnieuw een sterke daling. In 2011 stagneerden de SO2-concentraties, het jaargemiddelde was dan gelijk aan dat van 2010. Nadien is het verloop stagnerend tot licht dalend. Wanneer we de periode 1990-2013 bekijken, merken we dat de gemiddelde SO2-concentratie in het Antwerpse havengebied hoger ligt dan het Vlaams gemiddelde. Figuur 4: SO2-jaargemiddelde haven van Antwerpen ten opzichte van Vlaanderen (1990-2014)
Figuur 5 toont het verloop van enkele statistische parameters van de SO2-dagconcentraties in de haven over de laatste twaalf jaar via een virtueel meetstation. Er was weinig tot geen variatie in het SO2-jaargemiddelde tot en met 2006. In 2007-2008 daalden de concentraties aanzienlijk, zowel het jaargemiddelde als de percentielen. In 2010 stelden we opnieuw een tweede sterke daling vast in de gemeten SO2-concentraties in de haven. In 2011 bleef het jaargemiddelde ongewijzigd ten opzichte van 2010, maar is er wel een aanzienlijke daling in de hogere percentielen. Deze daling stabiliseerde de laatste jaren. In 2012 was er nog een lichte daling in het jaargemiddelde en het 90ste percentiel. De laatste drie jaar bleef het virtueel jaargemiddelde gelijk. Ook in de piekwaarden (P90 en P98) was weinig variatie. De gemeten SO2-concentraties zijn laag, het SO2-jaargemiddelde was in 2014 nog maar één derde van de concentraties gemeten in 2007.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 20
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 5: Evolutie SO2-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2003-2014)
Het aantal meetstations staat tussen haakjes. * in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond.
3.1.3 Toetsing van SO2-concentraties Tabel 11 toont de belangrijkste statistische parameters, namelijk het jaargemiddelde, 50ste en 98ste percentiel en de maximum dagwaarde van zwaveldioxide per meetstation voor de jaren 2012, 2013 en 2014. Tabel 11: Belangrijkste statistische parameters voor SO2 DAGWAARDEN (Âľg/mÂł)
SO2
2012
2013
2014
Meetstation
JG
P50
P98
Max.
JG
P50
P98
Max.
JG
P50
P98
Max.
M802 (Luchtbal)
3
2
11
14
3
2
8
10
3
2
9
33
R815 (Zwijndrecht)
4
2
17
45
4
2
13
45
5
3
24
45
R822 (Polderdijkweg)
10
9
24
36
8
7
21
55
9
8
29
58
R830 (Doel)
3
2
11
16
4
3
12
97
4
3
11
23
R831 (Berendrecht)
3
3
11
18
3
2
9
16
4
3
12
35
R891 (Scheurweg)
6
4
32
56
5
4
17
35
5
3
19
74
R892 (Kallo)
4
3
17
21
5
4
17
37
4
3
17
29
R893 (Ekeren)
5
4
14
25
4
3
13
21
4
3
14
29
R894 (Muisbroeklaan)
10
8
32
49
8
6
32
38
9
8
33
65
R897 (Scheldelaan)
4
3
16
35
5
3
18
59
5
4
19
51
Virtueel gemiddelde
5
5
11
18
5
5
10
15
5
5
11
30
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
21
Tabel 12 toont de meetstations die een SO2-norm overschreden in de jaren 2006 tot en met 2014. Tabel 12: Overschrijdingen SO2-norm, -drempel en –richtwaarde(2006-2014)
Locatie
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
Aantal overschrijdingen SO2-uurnorm (350 µg/m³), maximaal 24 overschrijdingen per jaar R822
45
37
25
6
1
0
0
0
0
R830
0
0
1
0
0
0
0
1
0
R831
0
0
1
1
0
0
0
0
0
R892
2
2
0
0
0
0
0
0
0
R897
1
3
0
2
0
0
0
1
0
R894
0
0
0
0
0
0
0
0
1
Aantal overschrijdingen van de 125 µg/m³ dagnorm, maximaal 3 overschrijdingen per jaar R822
6 dagen
7
3
0
0
0
0
0
0
Overschrijding van de 500 µg/m³ alarmdrempel, 3 opeenvolgende uren R822
R831
1 keer 3 opeenvolgende uren 0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Overschrijding van de WGO-dagrichtwaarde van 20 µg/m³ 2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
M802
52
27
3
7
0
0
0
0
1
R815
41
33
9
9
2
0
5
4
11
R822
169
180
97
87
21
26
20
8
18
R830
51
22
17
6
2
0
0
2
1
R831
41
21
18
8
1
0
0
0
1
R891
152
168
121
87
32
33
21
5
6
R892
122
97
31
13
5
0
1
2
2
R893
86
62
26
24
0
1
1
1
1
R894
198
155
63
74
25
39
38
25
27
R897
84
69
32
39
14
4
3
5
7
Overschrijdingen van de grenswaarden en richtwaarden worden in rood getoond.
Uit Tabel 12 blijkt dat de Europese normen voor SO2 voor het 5de jaar op rij ruim gerespecteerd bleven, dit in tegenstelling tot de periode 2006-2008. De gemeten concentraties waren laag, het hoogste daggemiddelde in 2014 bedroeg 74 µg/m³. In 2014 werd er 1 keer een uurconcentratie hoger dan 350 µg/m³ gemeten. Op jaarbasis mag dit maximaal 24 keer voorkomen. De WGO-dagrichtwaarde werd in 2014 op geen enkel meetstation gehaald. In 2013 zakten de concentraties op 2 meetstations wel onder deze richtwaarde. In 2014 werden echter op deze twee meetstations opnieuw 2 dagen overschrijding opgetekend. Een aantal stations kennen ook meer overschrijdingen dan het jaar ervoor. Toch is dit een hele verbetering ten opzichte van 2006 toen deze richtwaarde op alle meetstations veelvuldig werd overschreden. In het meetstation in de Muisbroeklaan (R894) gebeurde dit in 2006 op meer dan de helft van de dagen. In 2014 werd de \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 22
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
WGO-richtwaarde op dit meetstation nog op 54 dagen overschreden. Dit station is echter een industrieel gericht station, de impact op woongebieden is hierdoor beperkt.
3.1.4 Geografische spreiding van SO2-concentraties 3.1.4.1 Gemodelleerde SO2-concentraties Om de SO2-concentraties in de Antwerpse haven te kunnen inschatten, gebruiken we het VLOPSmodel dat het SO2-jaargemiddelde in de Antwerpse haven in kaart brengt, zie Figuur 6. Zoals verwacht, schat het model dat de hoogste concentraties voorkomen in het centrum van het havengebied, aan de raffinaderijen. In de ruimere agglomeratie, waar ook bewoning is, schat het VLOPS-model de concentraties lager in. Figuur 6: Gemodelleerd SO2-jaargemiddelde in de Antwerpse haven in 2014
de gemiddelde absolute onzekerheid van deze VLOPS kaart bedraagt 1,36 Âľg/mÂł
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
23
3.1.4.2 Pollutierozen SO2 Een pollutieroos koppelt de luchtconcentraties van een bepaalde stof aan de dan heersende windrichting. Een pollutieroos is nuttig om de richting van de bron aan te duiden. Figuur 7 toont de pollutierozen van SO2 met de gemiddelde halfuurconcentratie per windsector voor het jaar 2014 in het havengebied. De pollutierozen wijzen voornamelijk in de richting van de raffinaderijen gelegen in het centrum van het havengebied. Ook zien we een bron ten zuiden van het meetstation in Zwijndrecht (R815). Deze SO2-emissies zijn afkomstig van het bedrijf Argex, een producent van kleikorrels, gelegen op de grens tussen Zwijndrecht en Kruibeke.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 24
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 7: Pollutierozen gemiddelde SO2-concentraties in het Antwerpse havengebied in 2014
3.2 Stikstofoxides – NO/NO2 Vooral verbrandingsprocessen geven aanleiding tot de uitstoot van stikstofoxides. De belangrijkste bron van NOx in Vlaanderen is het wegverkeer. De gassen NO en NO2 zetten zich in de lucht gemakkelijk om: NO oxideert onder invloed van het zonlicht naar NO2. Vooral NO2 heeft nadelige effecten bij de mens. Deze kunnen optreden bij kortstondige blootstelling aan hoge concentraties en bij chronische blootstelling aan lage concentraties. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
25
3.2.1 Emissie van NOx In Figuur 8 zien we dat de uitstoot van NOx in het Antwerpse havengebied tussen 2001 en 2009 daalde met bijna 7.000 ton. Sinds 2009 is er geen noemenswaardige daling meer. De trend in de emissies werd niet helemaal gevolgd in de gemeten concentraties. Dit komt omdat andere bronnen de luchtconcentraties beĂŻnvloeden, zoals transport. De gegevens over de uitstoot van NOx werden verzameld in de Emissie-inventaris Lucht op basis van door de bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag. Figuur 8: Evolutie industriĂŤle uitstoot NOx in het Antwerpse havengebied (2000-2013)
3.2.2 Trend van NOx-concentraties In meerdere meetstations in het Antwerpse havengebied wordt NO, NO2 en NOx gemeten. Halverwege 2012 werden in het meetstation Stabroek (R833) NOx-metingen gestart. In 2013 werden metingen opgestart in het meetstation Antwerpen Linkeroever (AL01) en Hoevenen (SA04). De metingen in Hoevenen bevatten vanaf 2014 voldoende gegevens en zijn mee opgenomen in de grafieken en tabellen. De metingen in Kallo-Ketenislaan (E804) werden stopgezet in 2013, wegens de sluiting van de centrale van Kallo dat dit station opvolgde.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 26
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 9: Evolutie jaargemiddelde NO-concentraties in het Antwerpse havengebied en Vlaanderen (2001-2014)
Figuur 10: Evolutie jaargemiddelde NO2-concentraties in het Antwerpse havengebied en Vlaanderen (2001-2014)
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
27
Figuur 9 en Figuur 10 tonen het verloop van de NO- en NO2-concentraties in de virtuele meetstations ‘Vlaanderen’ en ‘Antwerps havengebied’ over een periode van tien jaar. In de periode 2003-2014 was er een dalende trend in het Antwerpse havengebied en in Vlaanderen voor zowel de NO- als de NO2-concentraties. De concentraties van NO2 lagen in 2014 in het Antwerpse havengebied zo’n 20% hoger dan het Vlaams gemiddelde. Figuur 11: Evolutie NO-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2003-2014)
het aantal meetstations staat tussen haakjes. In de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond.
Figuur 12: Evolutie NO2-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2003-2014)
het aantal meetstations staat tussen haakjes. In de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 28
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 11 en Figuur 12 tonen het verloop van enkele statistische parameters – jaargemiddelde, P50, P90 en P98 – van de NO- en NO2-concentraties in het virtuele meetstation ‘Antwerpse haven’ in de periode 2003-2014. Beide figuren tonen een dalende trend. In 2014 daalde het jaargemiddelde NO2 concentratie tegenover 2013. Ook de hogere percentielen daalden ten opzichte van 2013. de NOconcentratie kende een gelijkaardige trend.
3.2.3 Toetsing van de NO2-meetwaarden Tabel 13 bevat – per meetstation voor 2014 – de belangrijkste statistische parameters voor NO2, namelijk het jaargemiddelde, het 50ste en 98ste percentiel en de maximale uurwaarde. In 2014 bleef de uurgrenswaarde – maximum 18 uurgemiddelden hoger dan 200 µg/m³ – op alle meetstations gerespecteerd. Ook de Europese jaargrenswaarde van 60 µg/m³, geldig voor de periode 2011-2014, werd op geen enkel meetstation overschreden. In het meetstation Muisbroeklaan (R894), overschreed in 2014 het jaargemiddelde de toekomstige jaargrenswaarde voor NO2. Deze grenswaarde is geldig vanaf 2015. De maximale uurwaarde op dit station bleef onder 200 µg/m³. Dit station is gelegen in de industriezone. De rechtstreekse impact van de verhoogde NO2-concentraties op nabijgelegen woonzones is dus eerder beperkt. Tabel 13: Statistische parameters van alle NO2-meetpunten in het Antwerpse havengebied in 2014 Meetstation
Jaargemiddelde
P50
P98
Max. uurwaarde
R833 (Stabroek)
30
27
69
135
M802 (Luchtbal)
38
34
92
179
R815 (Zwijndrecht)
32
28
81
158
R822 (Polderdijkweg)
39
35
85
203
R830 (Doel)
27
23
76
136
R831 (Berendrecht) (89%)
31
29
71
123
R891 (Antwerpen)
36
34
81
199
R892 (Kallo)
34
31
84
135
R893 (Ekeren)
36
34
77
139
R894 (Antwerpen)
42
41
86
159
R897 (Antwerpen)
35
31
83
143
AL01 (Linkeroever)
26
23
72
142
SA04 (Hoevenen) (89%)
27
24
68
377
Virtueel gemiddelde
33
31
71
127
3
* voor de NO/NO2-metingen op de meetstations R831 en SA04 beschikt de VMM slechts over respectievelijk 89% van de data. Berekening op basis van uurwaarden. Rode tekst: overschrijding toekomstige EU jaargrenswaarde; groene tekst: overschrijding WGO uurrichtwaarde.
In het meetstation Luchtbal (M802) bereikte het jaargemiddelde in 2013 de toekomstige jaargrenswaarde, in 2014 bleef de concentratie net onder de jaargrenswaarde. Het meetstation Luchtbal is gelegen aan de rand van enkele grote woonzones en is dus zeker relevant voor de blootstelling naar de bevolking toe. Om na te gaan in welke mate de gemeten NO2-concentraties op dit meetstation voorkwamen in de verschillende nabijgelegen woonzones werden NO2-metingen in Hoevenen eind december 2013 opgestart. In 2014 maten we duidelijk lagere gemiddelde
3
Voorheen 42R833 \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
29
concentraties in Hoevenen (SA04) dan in Luchtbal (M802). De maximale uurwaarde op dit station was echter hoger dan 200 µg/m³ nl. 377 µg/m³. Op het meetstation R822 (Antwerpen - polderdijkweg) werd ook een uurgemiddelde van meer dan 200 µg/m³ opgemeten. Op jaarbasis mag dit maximaal 18 keer voorkomen.
3.2.4 Geografische spreiding van NO2-concentraties 3.2.4.1 Gemodelleerde NO2-concentratie Om de concentraties voor NO2 in en rond het havengebied beter te kunnen inschatten gebruikten we het RIO+IFDM model dat de NO2-concentraties in de Antwerpse haven in kaart brengt (zie Figuur 13). Dit model past in een eerste fase het RIO-model toe dat de meetwaarden van NO2 in combinatie met informatie over landgebruik en Belgische emissietotalen interpoleert tot achtergrondkaarten. In een tweede fase gebeurde er een doorrekening met het IFDM-model voor de emissies van de lijnbronnen van de sector wegverkeer en voor de emissies van de gekende puntbronnen van de sectoren industrie en energie. Ten slotte was er een correctie voor dubbeltelling. De berekening van de ozonchemie in de modellering is gewijzigd tegenover de kaart gerapporteerd in 2013. Dit heeft een weerslag op de gemodelleerde NO2-concentraties en verklaart verschillen met eerder gerapporteerde kaarten. Het mathematisch model raamt dat in een groot gedeelte van de woonkern van Merksem dezelfde of hogere concentraties aanwezig zijn dan deze gemeten in het meetstation Luchtbal (M802). Aan de nabijgelegen woonkernen van Ekeren, Brasschaat en Schoten kent het model lagere concentraties toe. Verder toont de RIO-IFDM-kaart ons dat de bijdrage van het verkeer door het nabijgelegen klaverblad en de ring rond Antwerpen in het meetstation Luchtbal (M802) relevant is. We stellen wel vast dat de bijdrage vanuit het havengebied ook aanzienlijk is. Dit is te zien aan de meetwaarden in het meetstation in de Scheurweg in Antwerpen (R891). Dit station ligt zo’n 2.500 meter in westzuidwestelijke richting ten opzichte van het meetstation Luchtbal. In de (industriële) omgeving van het meetstation Scheurweg is bijna al het verkeer gerelateerd aan havenactiviteiten en is er geen doorgaand verkeer zoals in de omgeving van het meetstation Luchtbal. Toch meten we daar een verhoogd jaargemiddelde van 36 µg/m³ in 2014.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 30
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 13: Gemodelleerd NO2-jaargemiddelde in de Antwerpse haven in 2014
De absolute onzekerheid op de RIO-kaart varieert van 5,2 tot 7,5 Âľg/mÂł.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
31
Figuur 14: Evolutie NO2-concentratie in het meetstation Luchtbal (M802) (2005-2014)
* in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond. In 2006 waren slechts 51 % van de data beschikbaar; in 2012 82% en in 2013 86%.
Figuur 14 toont de evolutie van de meetresultaten voor NO2 in het meetstation Luchtbal (M802) sinds de start van de metingen. Over de hele meetperiode is er een licht dalende trend aanwezig. In 2014 daalde het jaargemiddelde voor het derde jaar op rij. De daling in 2012 in het meetstation Luchtbal (M802) was het gevolg van een daling in de hogere percentielen, in het 50ste percentiel was geen daling aanwezig. In 2013 was er zowel een daling in de hogere percentielen als in het 50ste percentiel. In 2014 was er een daling van het gemiddelde, het 50ste percentiel en het 90ste percentiel. De hoogste piekwaarden (P98) stegen echter naar het niveau van 2012. Sinds de start van de metingen werd voor het tweede jaar op rij de toekomstige Europese jaargrenswaarde gehaald.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 32
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 15: Evolutie NO2-concentratie in meetstation Muisbroeklaan (R894) (2005-2014)
* in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond. In 2005 waren slechts 75 % van de data beschikbaar; in 2006 87%, in 2009 85%, in 2010 89% en in 2012 85%.
Figuur 15 toont de evolutie van de meetresultaten voor NO2 in het meetstation in de Muisbroeklaan in de periode 2005-2014. We zien een gestage stijging van het jaargemiddelde in de periode 20092014, het jaargemiddelde nam in deze periode met meer dan 10% toe. In 2012 en 2014 werd hierdoor de toekomstige Europese jaargrenswaarde (2015) overschreden. In de periode 2012-2014 zien we een stijging in de hogere percentielen, de P50 vertoont in deze periode een schommelend verloop. De stijgende trend van dit industriĂŤle meetstation staat haaks op de algemene dalende trend van de NO2-concentraties in het Antwerpse havengebied en in Vlaanderen. Modelberekeningen geven aan dat het scheepsverkeer deze stijging niet verklaart. 3.2.4.2 Pollutierozen NO2 Figuur 16 toont de pollutierozen van de halfuurgemiddelden voor NO2 voor 2014. De pollutierozen wijzen voornamelijk in de richting van de belangrijkste NOx-bronnen en verkeersknooppunten in het havengebied en in de richting van de Antwerpse ring met de belangrijkste autosnelwegen.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
33
Figuur 16: Pollutierozen gemiddelde NO2-concentraties in het Antwerpse havengebied in 2014
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 34
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3.3 Fijn stof – PM10 en PM2,5 Zwevend stof is een mengsel van vloeibare of vaste deeltjes met uiteenlopende samenstellingen en afmetingen. Zowel de natuur als menselijke activiteiten kunnen een bron zijn van deze deeltjes. Vaak worden de stofdeeltjes ingedeeld volgens de grootte (aerodynamische diameter). Bij korte episodes van luchtverontreiniging worden gezondheidsproblemen zoals luchtweginfecties en astma ernstiger. Bij chronische blootstelling is er kans op een lager geboortegewicht, een vermindering van de longfunctie, toename van chronische luchtwegaandoeningen en een verminderde levensverwachting. In dit hoofdstuk worden de fracties PM10 en PM2,5 besproken.
3.3.1 PM10 De VMM mat PM10 in meerdere meetstations in en rond de Antwerpse haven. Het meetnet onderging in 2012 een aantal wijzigingen. De PM10- en PM2,5-metingen in het meetstation in het PITO te Laageind, Stabroek (R833) werden halverwege het jaar stopgezet. In het nieuwe meetstation in Hoevenen (SA04) werden PM10- en PM2,5-metingen gestart in juni 2012. In 2014 werd een aantal TEOM-toestellen vervangen door toestellen die simultaan PM10 en PM2,5 meten (FIDAS-PALAS). Dit was het geval in Antwerpen-Boudewijnsluis (AB01) en Antwerpse baan, Berendrecht (AB02). In Wandeldijk, Linkeroever (AL01), Abelenlaan, Hoevenen (SA04) en Hoefbladstraat, Berendrecht (R831) werd in het meetstation ook een dergelijk toestel geplaatst, beide fijnstofmonitoren (TEOM en FIDAS) blijven daar naast elkaar werken maar voor 2014 rapporteren we de resultaten van de TEOM-FDMS toestellen. 3.3.1.1 Stofemissies Figuur 17 en Figuur 18 tonen de industriële emissies van stofprecursoren en primaire stofemissies in de Antwerpse haven. De Emissie-inventaris Lucht verzamelt deze gegevens op basis van de door bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag en eigen berekeningen (voornamelijk voor PM10 en PM2.5). Figuur 17 toont de emissies van de stofprecursoren NOx, SOx en NH3 volgens hun aerosolvormend potentieel. Stofprecursoren vormen na uitstoot via scheikundige reacties nieuwe stofdeeltjes. Niet elke precursor draagt evenveel bij tot de stofvorming. Via factoren wordt het aerosolvormend potentieel voor PM10 bepaald van de precursoren NOx, SOx en NH3. NOx bleek de laatste 3 jaar de voornaamste aerosolvormende emissie te zijn in de Antwerpse haven. SOx kent in deze periode een veel lager aandeel. De precursor NH3 wordt in Vlaanderen typisch door de landbouw uitgestoten. In het havengebied zijn er echter ook enkele relevante industriële bronnen van NH3 aanwezig. Figuur 18 toont de rechtstreeks uitgestoten stofemissies van totaal stof (total suspended particles of TSP), PM10 en PM2.5. De rechtstreeks uitgestoten of primaire PM10-emissies kenden een sterke daling die grotendeels in 3 periodes ingedeeld kan worden. Als eerste de periode 2003-2004, waar de uitstoot van PM10 schommelde rond de 1.700 ton. De periode 2005-2007 waar de uitstoot van PM10 schommelde rond de 1.000 ton en een derde periode vanaf 2008 waarbij de PM 10-emissies schommelden rond de 500 ton. Na een stabilisatie in 2011 en 2012, is er opnieuw een stijging in 2013. Grote op- en overslagbedrijven rapporteerden in 2013 voor de eerste maal de diffuse emissies onder impuls van nieuwe VLAREM-reglementering, wat deze stijging verklaart. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
35
Figuur 17: IndustriĂŤle emissies van stofprecursoren en primair PM10 in het Antwerpse havengebied (2000-2013)
Aerosolvormend potentieel bepaald volgens methode De Leeuw et al. (2002)
Figuur 18: IndustriĂŤle primaire stofemissies (TSP, PM10 en PM2,5) in het Antwerpse havengebied (2003-2013)
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 36
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3.3.1.2 Tijdsverloop en toetsing PM10-meetwaarden Figuur 19 toont het verloop van de PM10-concentraties in de virtuele stations ‘Antwerpse havengebied’ en ‘Vlaanderen’ in de periode 2003-2014. De grafiek geeft een dalende trend weer in de periode 2003-2009. In 2011 stelden we opnieuw een stijging in de concentraties in het havengebied vast, voornamelijk veroorzaakt door sterk verhoogde stofconcentraties met continentale wind in het voorjaar van 2011. Door deze stijging in 2011 lag het virtueel gemiddelde van de PM10-concentraties in de haven dat jaar hoger dan het Vlaams gemiddelde, dit in tegenstelling tot 2009 en 2010. Na 2011 kent de jaargemiddelde concentratie opnieuw een daling. In 2014 werd de laagste concentratie van deze periode opgetekend. 2014 was over het algemeen in Vlaanderen een gunstig jaar voor de PM10-concentratie in de lucht. De jaargemiddelde PM10-concentratie in de haven van Antwerpen (virtueel meetstation) bleef tijdens de volledige periode hoger dan of gelijk aan de concentratie voor het virtueel gemiddelde voor Vlaanderen. Figuur 19: PM10-jaargemiddelde haven van Antwerpen ten opzichte van Vlaanderen (2003-2014)
Figuur 20 toont voor het virtueel meetstation ‘Antwerpse haven’ de PM10-concentraties voor de meetperiode 2004-2014. Opnieuw zien we dat in deze periode de concentraties globaal een dalende trend vertonen. In 2011 vertoonden de concentraties naast een lichte stijging in het virtueel jaargemiddelde een opvallende stijging in de hogere percentielen. Zowel het 90ste percentiel als het 98ste percentiel waren in 2011 hoger dan deze in de periode 2008-2010. Deze stijging was deels het gevolg van sterk verhoogde stofconcentraties in het voorjaar van 2011. De lente – maart tot mei – van 2011 was zeer warm en droog, zodat de stofverontreiniging niet uit de lucht ‘uitgewassen’ werd. Tijdens deze periode was er ook veel continentale wind uit het noordoosten. In 2011 werden er 3 nieuwe PM10-meetstations (Berendrecht-Hoefbladstraat R831, Doel AL02 en Kallo-sluis AL05) opgenomen in de berekening van het virtueel gemiddelde in de haven. Deze toevoeging gaf geen extra daling of stijging van het globaal virtueel gemiddelde van het havengebied. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
37
Het virtueel jaargemiddelde van 2014 was met een gemiddelde van 23 µg/m³ het laagste sinds de start van de metingen. In de periode 2004-2014 zien we een daling van het gemiddelde met een derde, van 36 µg/m³ in 2004 naar 23 µg/m³ in 2014. De hoogste percentielen (P98) kenden in 2013 een uitgesproken daling ten opzichte van 2012 en zakten onder de concentraties gemeten in 2010. Dit wijst er op dat er in 2013 minder piekconcentraties aanwezig waren. In 2014 is er een opvallende daling in de achtergrondconcentraties (P50) en in mindere mate in de hogere percentielen (P90). De hoogste piekconcentraties (P98) daalden niet mee met het gemiddelde. In 2014 was in het algemeen in Vlaanderen de PM10-concentratie laag. De periode 2004-2014 kenden de gemiddelde waarden een structurele daling. Figuur 20: Evolutie PM10-meetresultaten in het Antwerpse havengebied (2004-2014)
* in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond.
Tabel 14 toont een overzicht van het rekenkundig gemiddelde, het 50ste en het 90ste percentiel en het maximum van de uurwaarden voor PM10. We stellen vast dat de jaargrenswaarde (40 µg/m³) de afgelopen jaren op alle meetstations in de haven ruim gerespecteerd bleef. De WGO-richtwaarde van 20 µg/m³ werd echter nergens gehaald.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 38
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Tabel 14: Belangrijkste statistische parameters voor PM10 UURWAARDEN PM10 (µg/m³) Meetstation
2012
2013
2014
JG
P50
P90
P98
JG
P50
P90
P98
JG.
P50
P90
P98
AB01 (Boudewijnsluis) AB02 (Berendrecht) AL01 (Linkeroever) AL02 (Doel)
27
22
48
75
27
24
48
75
23
20
39
63
26
21
47
73
26
23
45
71
22
19
38
61
24
19
45
74
25
21
45
72
22
18
39
62
25
21
48
74
26
22
47
73
25
22
44
69
AL05 (Sluis Kallo) R833 (Stabroek)
29
24
54
82
28
25
50
76
22
19
40
63
3
-
-
-
-
-
-
-
-
4
SA04 (Hoevenen) M802 (Luchtbal) R815 (Zwijndrecht) R831 (Berendrecht) Virtueel gemiddelde
3
34
4
3
28
4
3
63
4
95
18
15
33
53
26
23
45
70
22
19
40
62
32
28
56
84
28
24
52
78
25
21
44
72
1
1
1
1
1
1
1
1
28
24
54
89
29
24
56
86
25
21
46
77
25
21
46
70
25
22
45
66
24
21
41
66
27
22
48
73
27
23
46
70
23
20
40
62
1
op R815 beschikken we slechts over 89% van de data voor 2013 en 88 % van de data voor 2014 op R831 beschikken we slechts over 54% van de data voor 2011 (start meting einde mei 2011) op R833 beschikken we slechts over 44% van de data voor 2012 (stop meting in juni 2012) 4 op SA04 beschikken we slechts over 54% van de data voor 2012 (start metingen in juni 2012) 2 3
De lokale activiteiten van de nabijgelegen tuinbouwschool hebben de gemeten concentraties in het meetstation in Stabroek in het verleden sterk beïnvloed. In samenspraak met het gemeentelijk havenbedrijf en de gemeente Beveren besliste de VMM om de meettoestellen voor fijn stof (PM 10 en PM2,5) te verplaatsen. Vanaf juni 2012 stonden deze toestellen op een nieuwe locatie aan de Abelenlaan in Hoevenen (SA04).
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
39
Figuur 21: Aantal dagen met PM10-concentratie > 50 µg/m³ voor de meetstations in het Antwerpse havengebied (20082014)
De EU-grenswaarde voor PM10 bepaalt dat er jaarlijks maximaal 35 dagen mogen zijn met PM10concentraties hoger dan 50 µg/m³. Figuur 21 toont dat het aantal dagen sterk varieert van jaar tot jaar. In 2010 werd de daggrenswaarde voor PM10 voor het eerst gerespecteerd op alle meetstations in de haven sinds de start van de metingen. In 2011 waren alle meetstations in overschrijding, met uitzondering van het meetstation op Antwerpen-Linkeroever (AL01). Zoals hierboven reeds vermeld, was deze stijging voor een groot deel het gevolg van sterk verhoogde stofconcentraties in het voorjaar van 2011 met continentale wind uit het noordoosten. In 2012 waren er minder dagen met hoge fijnstofconcentraties. Die daling werd in 2013 en 2014 voortgezet. Ook in het meetstation Luchtbal (M802), waar in 2012 nog 41 dagen met te hoge PM10-concentratie waren, zakte dit aantal tot 18. De daggrenswaarde voor PM10 bleef in 2014 opnieuw gerespecteerd op alle meetstations in het havengebied. De WGO-richtwaarde met maximaal 3 dagen met een concentraties hoger dan 50 µg/m³ ligt echter nog ver buiten bereik.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 40
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3.3.1.3 Geografische spreiding van PM10-concentraties Figuur 22: Gemodelleerde PM10-concentratie in het Antwerpse havengebied in 2014.
De onzekerheid van deze RIO-kaart varieert tussen 3,7 en 4,9 Âľg/mÂł.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
41
De gegevens op Figuur 22 zijn gebaseerd op de RIO-IFDM modellering. Het model RIO+IFDM past in een eerste fase het RIO-model toe dat de meetwaarden van PM10 in combinatie met informatie over landgebruik en Belgische emissietotalen interpoleert tot achtergrondkaarten. In een tweede fase gebeurde er een doorrekening met het IFDM-model voor de emissies van de lijnbronnen van de sector wegverkeer en voor de emissies van de gekende puntbronnen van de sectoren industrie en energie. Ten slotte was er een correctie voor dubbeltelling. De berekening van de ozonchemie in de modellering is gewijzigd tegenover de kaart gerapporteerd in 2013. Dit heeft een weerslag op de PM10-concentraties weergegeven in de kaart en verklaart de verschillen met eerder gerapporteerde kaarten. Op de kaart is de invloed van enkele grote invalswegen zichtbaar. Ook zijn er enkele bronnen in het Antwerpse havengebied zichtbaar. De gemodelleerde gegevens komen goed overeen met de gemeten concentraties in de meetstations. 2014 had over het algemeen een gunstiger meteo dan 2013. Een pollutieroos koppelt de luchtconcentraties van een bepaalde stof aan de dan heersende windrichting. Een pollutieroos is nuttig om de richting van de bron aan te duiden. Figuur 23 toont de pollutierozen voor PM10 in het havengebied. De meeste rozen zijn vrij rond van vorm, waardoor het moeilijk is om lokale invloeden op te merken. Daarom werden er nieuwe pollutierozen gemaakt, zogenaamde zero-pollutierozen, waarbij steeds de laagste meting, de achtergrond, werd verwijderd. Per windsector (elke 10°) worden de metingen van de pollutierozen naast elkaar gelegd en de laagste concentratie wordt telkenmale afgetrokken van alle andere concentraties uit die sector. Op deze manier wordt de aanvoer van de achtergrondpollutie eruit gefilterd en komen de lokale bronnen beter naar voren. Figuur 24 toont de zeropollutierozen voor de PM10-meetstations in het Antwerpse havengebied. Het meetstation Luchtbal (M802) had in 2014 het hoogste aantal dagen met een PM10-concentratie van meer dan 50 µg/m³. Hier komt de invloed van de nabijgelegen kade voor bulkgoederen in westzuidwestelijke sector sterk naar voor. Ook de invloed van de nabijgelegen autostrade in zuidoostelijke sector is zichtbaar. Het meetstation Zwijndrecht (R815) kent het op een na meeste dagen met een PM10-concentratie van meer dan 50 µg/m³. De zero-pollutieroos toont bronnen in de zuidelijke en oostelijke sector. Het meetstation Kallo (AL05) kende in 2014 een sterke daling van het aantal dagen met een concentratie hoger dan 50 µg/m³. Op die locatie blijkt uit de zero-pollutieroos vooral de oostelijke sector lagere waarden te kennen dan vorig jaar.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 42
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 23: Pollutierozen PM10-gemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2014
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
43
Figuur 24: Zeropollutierozen voor PM10 in het Antwerpse havengebied in 2014
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 44
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3.3.2 PM2,5 3.3.2.1 Emissie van PM2,5 Figuur 18 geeft de primaire industriële emissies van PM2,5 in de Antwerpse haven aan. Net zoals bij de rechtstreekse uitstoot van het PM10-stof was er voor de uitstoot van het PM2,5-stof een algemeen dalende trend in de periode 2000-2012. Bij die dalende trend waren 3 periodes te onderscheiden: de periode 2000-2004, waar de uitstoot schommelde rond de 1.000 ton per jaar, de periode 2005-2007 waar de uitstoot schommelde rond de 600 ton per jaar en een derde periode vanaf 2008 waarbij de PM2,5-emissies schommelden rond de 200 ton per jaar. In 2014 lag de concentratie eveneens rond deze waarde, namelijk 224 ton. 3.3.2.2 Tijdsverloop en toetsing van de PM2,5-meetwaarden Tabel 15 toont een overzicht van het rekenkundig gemiddelde, het 50ste en het 98ste percentiel en het maximum van de uurwaarden – uitgedrukt in µg/m³ – voor PM2,5 in 2014. Alle meettoestellen waren operationeel vanaf 01/07/2008, uitgezonderd het toestel in het meetstation Stabroek (R833) dat werd opgestart in oktober 2008. In overleg met het Gemeentelijk Havenbedrijf en de gemeente Beveren en mee op vraag van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) werd beslist om vanaf 2011 op 2 van de 4 meetstations PM10 te meten in plaats van PM2,5. Het gaat om de meetstations Doel (AL02) en Kallo-sluis (AL05). In 2012 werd de PM2,5-meting in meetstation Stabroek (R833) stopgezet. Dit meetstation werd verplaatst naar Hoevenen (SA04). In 2014 werden extra fijnstofmonitoren, die simultaan PM10 en PM2.5 meten (PALAS-FIDAS), geplaatst in het havengebied. Hierdoor steeg het aantal meetstations waar PM2,5 wordt gemeten. Concreet gaat het over de monitoren in Boudewijnsluis (AB01), Antwerpse Baan - Berendrecht (AB02), Linkeroever (AL01), Luchtbal (M802) en Hoefbladstraat Berendrecht (R831). Tabel 15: Belangrijkste statistische parameters voor PM2,5 UURWAARDEN PM2,5 (µg/m³)
2012
2013
2014
Meetstation
JG
P50
P98
Max
jG
P50
P98
Max
JG
P50
P98
Max
3
18
14
59
112
25
21
79
122
17
14
49
71
22
17
67
117
20
17
62
149
17
14
53
123
23
19
71
112
-
-
-
-
-
-
-
-
12
9
41
76
18
14
59
170
16
12
52
98
-
-
-
-
-
-
-
-
14
12
42
56
-
-
-
-
-
-
-
-
16
13
45
61
-
-
-
-
-
-
-
-
13
10
43
71
-
-
-
-
-
-
-
-
16
13
45
88
-
-
-
-
-
-
-
-
15
12
45
73
19
14
59
104
19
15
61
109
15
12
43
67
AL03 (Watermolendijkweg, Beveren) AL04 (Liefkenshoektunnel, Antwerpen) 1 R833 (Laageind, Stabroek) 2 SA04 (Abelenlaan, Hoevenen) 4 AB01 (Boudewijnsluis, Antwerpen) 4 AB02 (Antwerpse baan, Berendrecht) 4 AL01 (Wandeldijk, Zwijndrecht) 4 M802 (Luchtbal, Antwerpen) 4 R831 (Hoefbladstraat Berendrecht) Virtueel gemiddelde 1
op R833 beschikken we slechts over 28% van de data voor 2012 (stop meting juni 2012). op SA04 beschikken we slechts over 48% van de data voor 2012 (start meting juni 2012). 3 op AL03 beschikken we slechts over 42 % van de data voor 2013 en 76 % van de data voor 2014. 4 Start van de metingen met gedeeltelijke beschikbaarheid data in 2014 voor AB01 (20 %) , AB02 (19 %) , AL01 (54 %) , M802 (23 %) en R831 (43 %) 2
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
45
Figuur 25: Evolutie PM2,5-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2008-2014)
cijfers op basis van dagwaarden * PM2,5-metingen gestopt in 2012 op 40R833; # AL03 25 % data in 2013 (niet weergegeven), 76 % data in 2014.
Figuur 25 toont de jaargemiddelde PM2,5-concentratie op basis van dagwaarden. De meetstations die in 2014 werden opgestart zijn, niet opgenomen in de figuur wegens het lage percentage beschikbare data. In deze figuur zien we dat op geen enkel meetstation het jaargemiddelde boven de streefwaarde – te behalen tegen 2010 – en grenswaarde – te behalen tegen 2015 – van 25 µg/m³ kwam. De toekomstige indicatieve grenswaarde van 20 µg/m³, te behalen tegen 2020, werd in 2014 niet overschreden. In 2013 werd die indicatieve grenswaarde nog op 2 meetstations overschreden namelijk aan de Liefkenshoektunnel in Kallo (AL04) en aan het pomphuis in Verrebroek (AL03). In het meetstation Verrebroek (AL03) werd een jaargemiddelde van 25 µg/m³ opgemeten, wat een evenaring is van de grenswaarde voor 2015. Voor dit meetstation waren echter slechts 42 % van de gegevens beschikbaar, het gemiddelde is dus niet representatief voor het hele jaar en daarom worden ze niet getoond in de grafiek. De beschikbare meetgegevens werden voornamelijk in de winter verzameld, waarbij typisch hogere concentraties worden gemeten dan in de zomer. In 2014 was het jaargemiddelde op dit meetstation 17 µg/m³ (76 % van de data beschikbaar). Het meetstation in Kallo (AL04), waar in 2013 een jaargemiddelde van 21 µg/m³ werd opgemeten staat op één van de tunnelmonden van de Liefkenshoektunnel en wordt dus sterk beïnvloed door het verkeer. Gezien zijn ligging in industriegebied is dit meetstation minder relevant voor de impact op de bevolking en wordt het niet aan Europa gerapporteerd. In 2014 was het jaargemiddelde op dit meetstation 17 µg/m³. De WGO-richtwaarde van 10 µg/m³ werd op geen enkel meetstation gehaald. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 46
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3.3.2.3 Geografische spreiding van PM2,5-concentraties Figuur 26 toont de gemodelleerde verspreiding voor PM2,5 in het havengebied. Figuur 26: gemodelleerde PM2,5-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2014
De onzekerheid van de RIO-kaart varieert PM2,5 tussen 1,7 en 2,2 Âľg/mÂł. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
47
De gegevens op deze kaart zijn gebaseerd op de RIO-IFDM. Het model RIO+IFDM past in een eerste fase het RIO-model toe dat de meetwaarden van PM2,5 in combinatie met informatie over landgebruik en Belgische emissietotalen interpoleert tot achtergrondkaarten. In een tweede fase gebeurde er een doorrekening met het IFDM-model voor de emissies van de lijnbronnen van de sector wegverkeer en voor de emissies van de gekende puntbronnen van de sectoren industrie en energie. Ten slotte was er een correctie voor dubbeltelling. De berekening van de ozonchemie in de modellering is gewijzigd tegenover de kaart gerapporteerd in 2013. Dit heeft een weerslag op de PM2,5-concentraties weergegeven in de kaart en verklaart de verschillen met eerder gerapporteerde kaarten. Op de kaart is de invloed van enkele grote invalswegen zichtbaar. 2014 was in heel Vlaanderen een gunstiger meteojaar voor PM2,5-concentraties dan 2013. Figuur 27 toont de pollutierozen van de PM2,5-metingen voor de meetstations Watermolendijkweg (AL03), Liefkenshoektunnel (AL04) en Hoevenen (SA04). Naast een verhoging in de zuidoostelijke sector door de aanvoer van achtergrondpollutie, vertonen de rozen ook een verhoging in noordoostelijke tot oostelijke sector. De verhoogde concentraties uit zuidoostelijke sector zijn voornamelijk te wijten aan stabiele meteo-omstandigheden tijdens de zomerperiode bij deze windrichting. De verhoogde temperaturen met relatief weinig wind zorgen immers voor de verhoogde aanvoer van verontreinigde lucht. Om lokale bronnen duidelijker zichtbaar te krijgen werden ook zeropollutierozen gemaakt van deze meetstations, die zijn weergegeven in Figuur 28. Op de zeropollutierozen is de invloed van de Antwerpse haven zichtbaar in Hoevenen (SA04) en Verrebroek (AL03). Aan de Liefkenshoekstunnel (AL04) centraal gelegen in de haven, is er uit bijna alle windsectoren waar havenactiviteit doorgaan en grote verkeersassen zijn, een verhoging zichtbaar
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 48
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 27: Pollutierozen gemiddelde PM2,5-concentraties in het Antwerpse havengebied in 2014
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
49
Figuur 28: Zeropollutierozen gemiddelde PM2,5-concentratie in Antwerpse havengebied in 2014
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 50
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3.4 Zwarte koolstof Zwarte koolstof is een onderdeel van fijn stof en wordt gevormd bij onvolledige verbranding van fossiele brandstoffen, biomassa en biobrandstof. Zwarte koolstof is een maat voor de roetconcentratie in de omgevingslucht. Het verkeer heeft een groot aandeel in de totale uitstoot van zwarte koolstof. Maar ook houtverbranding is een typische bron voor zwarte koolstof.
3.4.1 Tijdverloop en toetsing van de zwartekoolstofmeetwaarden Tabel 16 toont voor zwarte koolstof een overzicht van het rekenkundig gemiddelde, het 50ste en het 98ste percentiel en het maximum van de dagwaarden, uitgedrukt in µg/m³. De metingen van zwarte koolstof op meetstation Boudewijnsluis (AB01) werden eind januari 2007 opgestart, op meetstation Zwijndrecht (R815) in mei 2009. In 2010 kwamen er 3 extra toestellen bij, namelijk op de locaties Luchtbal (M802) in maart, Linkeroever (AL01) in april en Stabroek (R833) in juni. In juni 2012 werden de metingen in Stabroek overgeplaatst naar Hoevenen. Tabel 16: Belangrijkste statistische parameters voor zwarte koolstof
DAGWAARDEN Zwarte koolstof (µg/m³) Meetstation AB01 (Boudewijnsluis, Antwerpen) AL01 (Linkeroever, Antwerpen) R833 (Laageind, Stabroek) SA04 (Abelenlaan, Hoevenen) M802 (Luchtbal, Antwerpen) R815 (Zwijndrecht) Virtueel gemiddelde 1 2
2012
2013
2014
JG
P50
P98
Max
JG
P50
P98
Max
JG
P50
P98
Max
1,7
1,4
5,0
6,6
1,7
1,4
4,9
10,1
1,6
1,4
4,5
7,4
1,4
1,2
4,1
6,1
1,5
1,2
4,3
7,7
1,4
1,1
3,8
7,7
1,71
1,4
5,3
7,0
-
-
-
-
-
-
-
-
1,52
1,2
3,9
5,4
1,4
1,1
5,3
8,2
1,3
1,0
3,9
5,7
2,2
1,8
6,1
8,7
2,1
1,7
6,7
10,1
1,9
1,6
5,4
8,5
1,9
1,5
5,4
8,3
1,7
1,4
6,1
9,5
1,6
1,3
5,0
7,7
1,8
1,4
5,1
7,3
1,7
1,4
5,1
9,0
1,6
1,3
4,4
6,9
In 2012 beschikken wij op meetstation 40R833 over 44% data (stop meting juni 2012). In 2012 beschikken wij op meetstation 40SA04 over 52% data (start meting juni 2012).
Tabel 16 toont dat het virtueel gemiddelde in 2014 voor zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied 1,6 µg/m³ bedroeg. Het hoogste jaargemiddelde maten we in het meetstation aan de Luchtbal en bedroeg 1,9 µg/m³, het laagste gemiddelde werd gemeten in het meetstation in Hoevenen (SA04) en bedroeg 1,3 µg/m³. Ter vergelijking: in Vlaanderen kent het virtueel meetstation ‘verkeer’ het hoogste gemiddelde met 2,7 µg/m³ in 2014 en het virtueel meetstation ‘landelijk’ kent het laagste gemiddelde met 1,0 µg/m³. Het gemiddelde voor het virtueel meetstation ‘industrieel’ bedroeg in 2014 1,7 µg/m³. In Figuur 29 zien we de evolutie van de zwartekoolstofconcentraties sinds de start van de metingen. In 2014 daalde de concentraties aan zwarte koolstof op alle meetstations tegenover 2013. In 2011 \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
51
was er een uitzonderlijke smogepisode in het voorjaar. De jaargemiddelden van 2012 en 2013 waren allemaal lager dan deze van 2011, enkel op Linkeroever (AL01) steeg de gemeten concentratie licht in 2013. Bekijken we de metingen van de afgelopen 7 jaar van het meetstation Boudewijnsluis (AB01) gelegen in het centrum van het havengebied, dan stellen we hier een dalende trend vast van 2,2 µg/m³ in 2008 naar 1,6 µg/m³ in 2014. Figuur 29: Evolutie jaargemiddelden zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied (2008-2014)
Op basis van dagwaarden; in 2012 waren er 47% van de gegevens beschikbaar op 40R833 en 52% op SA04
3.4.2 Geografische spreiding van zwarte koolstof Een pollutieroos koppelt de luchtconcentraties van een bepaalde stof aan de dan heersende windrichting. De pollutierozen van zwarte koolstof in Figuur 30 tonen de hoogste aanduidingen in de sectoren rond het zuidoosten. Hier zijn de verhoogde concentraties voornamelijk te wijten aan het feit dat er tijdens de zomerperiode bij deze windrichting regelmatig stabiele meteo-omstandigheden, verhoogde temperaturen en relatief weinig wind voorkomen, die zorgen voor de verhoogde aanvoer van verontreinigde lucht. Gezien de pollutierozen in Figuur 30 voor de 4 meetstations overheerst werden door aanvoer van achtergrondpollutie uit de zuidoostelijke sector, is het moeilijk om lokale invloeden op te merken. Daarom werden er nieuwe pollutierozen gemaakt, zogenaamde zero-pollutierozen, waarbij steeds de laagste meting, de achtergrond, werd verwijderd. Per windsector – elke 10° – worden de metingen van de pollutierozen naast elkaar gelegd en de laagste concentratie wordt telkens afgetrokken van alle andere concentraties uit die sector. Op deze manier wordt de aanvoer van de achtergrondpollutie eruit gefilterd en komen de lokale bronnen beter naar voren. Figuur 31 toont de zeropollutierozen van zwarte koolstof op de kaart van het havengebied. Het meetstation in Zwijndrecht werd sterk beïnvloed door de aanvoer van zwarte koolstof vanuit de oostelijke tot oostzuidoostelijke sector, afkomstig van het verkeer op het klaverblad voor de Kennedytunnel en de tunnelmond op Linkeroever. Door zijn ligging langs de Schelde en in een \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 52
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
omgeving met weinig bewoning werd het meetstation Linkeroever (AL01) minder beĂŻnvloed door het verkeer en de havenactiviteiten. De zero-pollutieroos van Linkeroever (AL01) is dan ook klein. De 2 meetstations Boudewijnsluis (AB01) en Luchtbal (M802) vertoonden een invloed vanuit het centrum van het havengebied. In het meetstation aan de Boudewijnsluis is ook de invloed van het scheepsverkeer in beperkte mate zichtbaar. Op Luchtbal (M802) komt ook de invloed van het verkeer in oost tot zuidelijke sector duidelijk naar voor. Het meetstation in Hoevenen lijkt slechts weinig te worden beĂŻnvloed door de havenactiviteiten. Figuur 30: Pollutierozen gemiddelde concentraties zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied in 2014
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
53
Figuur 31: Zeropollutierozen voor zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied in 2014
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 54
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3.5 Ozon – O3 Ozon (O3) is geen rechtstreeks uitgestoten polluent, maar ontstaat door fotochemische reacties in de atmosfeer op warme dagen op basis van de precursoren NOx en vluchtige organische stoffen (VOS) en onder invloed van zonlicht. Voor de bronnen van ozon verwijzen we dan ook naar de bronnen van NOx en VOS. Het is wel zo dat er geen lineair verband bestaat tussen de ozonvorming en de hoeveelheid van deze precursoren in de buitenlucht. Ozon heeft een sterk oxiderend vermogen waardoor een aantal gezondheidseffecten veroorzaakt worden zoals een (tijdelijke) longfunctievermindering. Verhoogde ozonconcentraties veroorzaken ook schade aan gewassen en verwering van materialen.
3.5.1 Emissies van ozonprecursoren Figuur 32: Industriële emissies van ozonprecursoren in het Antwerpse havengebied (2000-2013)
ozonvormend potentieel in TOFP bepaald volgens methode De Leeuw et al (2002), het betreft hier enkel aangeleverde IMJV gegevens, de gerapporteerde CH4-emissies is verwaarloosbaar en niet aangeduid op de figuur.
Ozon ontstaat na chemische reacties tussen verschillende voorloperstoffen. Niet elke voorloperstof of precursor draagt evenveel bij aan de ozonvorming. Om een beeld te krijgen van de uitstoot die leidt tot ozon, wordt die uitgedrukt in ozonvormend potentieel (TOFP). Figuur 32 toont de industriële emissies van ozonprecursoren in de Antwerpse haven tussen 2000 en 2013. De Emissie-inventaris Lucht verzamelt de industriële uitstoot op basis van door de bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag. In de periode 2000-2013 was er een halvering van de uitstoot van ozonvormend potentieel. De concentraties daalden snel in de periode 2004-2009. Vanaf 2009 daalden de emissies nog, maar minder snel. Tussen 2012 en 2013 was geen wezenlijke daling meer.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
55
3.5.2 Tijdsverloop en toetsing van de ozonmeetwaarden Figuur 33 toont een bijna constant verloop van het jaargemiddelde met een uitschieter in het ongunstige ozonjaar 2006. De evolutie van het jaargemiddelde over de laatste 10 jaar was gelijklopend met de trend van het jaargemiddelde in heel Vlaanderen. Het ozonjaargemiddelde in het meetstation R831 (Berendrecht) lag wel 5 à 10 µg/m³ lager dan gemiddeld over Vlaanderen. Dit betekent dat in het meetstation in Berendrecht de impact van het industrieel en stedelijk niveau merkbaar was. Door de hogere uitstoot van NO in een verkeersrijke, industriële of stedelijke omgeving, wordt er immers meer ozon afgebroken via een snelle reactie (titratie). Uitgestoten NO 2 leeft langer en wordt verder getransporteerd alvorens het ozon vormt. Daarom liggen de ozonconcentraties in steden en industriegebieden over het algemeen lager dan op het platteland. Figuur 33: Evolutie O3-concentraties in het meetstation R831 (2003-2014)
* in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond. § In 2006 waren er te weinig data volgens de EU-normen om een goed jaargemiddelde te berekenen.
Bij de hoge percentielen en maxima was er wel enige variatie te zien per jaar. Dit ligt aan de omstandigheden in de zomers. Tijdens warme en zonnige zomers, zoals in 2003 en 2006, zijn de maxima en hogere percentielen hoger dan tijdens gemiddelde zomers. Tabel 17 vat de belangrijkste statistische parameters voor ozon in de periode 2003-2014 samen.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 56
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Tabel 17: Belangrijkste statistische parameters voor ozon, meetstation Berendrecht (R831)
UURWAARDEN O3 µg/m³ 2003 2004 2005 JG 34 33 34 P50 25 27 28 P90 78 72 72 P98 125 112 108 Max 224 188 256
2006 41 35 84 154 223
2007 33 29 69 100 162
2008 33 29 70 107 153
2009 34 30 73 101 168
2010 33 28 69 100 198
2011 35 32 73 112 193
2012 34 31 69 97 197
2013 36 33 73 103 181
2014 38 35 77 102 180
In Tabel 18 toetsen we de ozonconcentraties gemeten op meetstation Berendrecht (R831) aan de informatie- en alarmdrempel, de streefwaarden en langetermijndoelstellingen voor de bescherming van de menselijke gezondheid en de vegetatie. Tabel 18: Toetsing aan informatie- en alarmdrempel, streefwaarden en langetermijndoelstellingen
Meetstation 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 EU-streefwaarde ter bescherming van de volksgezondheid: 120 µg/m³ als hoogste 8-uurgemiddelde per dag (max. 25 dagen gemiddeld over 3 jaar vanaf 2010); Langetermijndoelstelling: 120 µg/m³ als hoogste 8-uurgemiddelde (in dagen) R831 8 28 7 10 2 8 9 7 5 6 EU-streefwaarde ter bescherming van de vegetatie: AOT40 (= gesommeerd overschot boven 80 µg/m³ van de uren tussen 8u en 20u CET gedurende het groeiseizoen (mei, juni, juli)) van 18.000 (µg/m³).uren, gemiddeld over 5 jaar. Langetermijndoelstelling: 6.000 (µg/m³).uren per jaar. R831 9.523 25.656 5.097 9.080 5.242 8.034 5.535 5.742 7.047 6.838 Informatiedrempel van 180 µg/m³ als uurgemiddelde R831
16
47
0
0
0
5
1
4
1
0
0
0
Alarmdrempel van 240 µg/m³ als uurgemiddelde gedurende 3 opeenvolgende uren R831
4
0
0
0
0
0
0
0
De waarden die cursief gedrukt staan in de tabel zijn waarden die strikt genomen niet geldig berekend kunnen worden, omdat ze niet voldoen aan de validiteitsvoorwaarden die de Europese Richtlijn 2008/50/EG oplegt. Volgens deze criteria zijn er te weinig data beschikbaar in de zomerperiode, waardoor de berekening van de overschrijdingsindicatoren mogelijk een onderschatting kan geven van de werkelijkheid.
Wanneer we de meetresultaten van de afgelopen 10 jaar aan de Europese normen toetsen kunnen we het volgende besluiten: − De EU-streefwaarde voor de bescherming van de volksgezondheid, namelijk het 3-jaargemiddelde aantal dagen waarop het hoogste 8-uurgemiddelde 120 µg/m³ overschrijdt, mag niet groter zijn dan 25 dagen, werd niet overschreden. Alleen in 2006 werd op meer dan 25 dagen meer dan 120 µg/m³ (hoogste 8-uursgemiddelde van een dag) gemeten. De langetermijndoelstelling, namelijk geen enkele overschrijding meer van 120 µg/m³ als hoogste 8-uurgemiddelde van een dag, werd niet gehaald. − In 2014 was er geen overschrijding van de informatiedrempel van 180 µg/m³, in het ozonrijke jaar 2006 waren dat er 47. De alarmdrempel van 240 µg/m³ bleef de afgelopen 8 jaar gerespecteerd. − De EU-streefwaarde voor de bescherming van de vegetatie van 18.000 (µg/m³).uren, gemiddeld over 5 jaar, bleef ruimschoots gerespecteerd. Enkel in 2006 kwam de AOT40 boven deze norm uit. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
57
De langetermijndoelstelling van 6.000 µg/m³ bereikten we in ozongunstige jaren zoals 2007, 2009, 2011 en 2012. In 2014 werd deze langetermijndoelstelling overschreden. De resultaten voor het meetstation in Berendrecht (R831) lagen in dezelfde lijn of zijn iets gunstiger met wat de VMM gemiddeld mat over Vlaanderen. 2014 was een gunstig jaar voor ozon.
3.5.3 Geografische spreiding van ozon De pollutierozen tonen de gemeten concentraties volgens de op dat moment heersende windrichting. Figuur 34 toont de pollutieroos van ozon. De hoogste ozonconcentraties komen voor, wanneer de wind uit de noordwestelijke of de noordoostelijke sector komt. Bij windrichtingen uit de westelijke sectoren wordt ozon van over de Atlantische Oceaan naar Europa getransporteerd. Deze ‘ozonachtergrond’ is hoog in vergelijking met het bij ons ‘zelf geproduceerde’ ozon (behalve op warme zonnige dagen). Wanneer de wind uit meer landelijke sectoren waait (NO tot ZW), zijn de gemiddelde ozonconcentraties lager omdat er meer ozon wordt afgebroken door NO afkomstig van verkeer en industriële activiteiten. NO breekt immers ozon af waarbij het geoxideerd wordt tot NO 2. Omdat O3 als secundaire polluent gevormd wordt en deze reactie niet onmiddellijk doorgaat, zijn bronnen voor ozon (bronnen van VOS) in de onmiddellijke omgeving moeilijk aan te duiden. Figuur 34: 90ste percentiel pollutieroos ozon voor Berendrecht (R831) in 2014
3.6 Vluchtige organische stoffen – BTEX Vluchtige organische stoffen (VOS) vormen een grote groep stoffen die als gassen of dampen in de omgevingslucht voorkomen. Ze behoren tot bepaalde klassen, naargelang ze enkel de elementen koolstof en waterstof bevatten of ook heteroatomen zoals zuurstof, stikstof, zwavel, etc. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 58
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
De eerste groep zijn de (on)verzadigde en aromatische koolwaterstoffen die de hoofdfractie zijn van de VOS in de omgevingslucht. Ze zijn vooral afkomstig van het verkeer, de energieproductie en de verwarming en in mindere mate van de chemische productieprocessen en verdamping. De tweede groep omvat de gechloreerde (on)verzadigde, aromatische organische stoffen die vooral afkomstig zijn van chemische processen en het huishoudelijk gebruik. De nadelige invloed van VOS voor de gezondheid is onder meer de kankerverwekkende eigenschap van sommige stoffen zoals benzeen en vinylchloride.
3.6.1 BTEX 3.6.1.1 Emissies van benzeen, tolueen en xyleen-isomeren Figuur 35: IndustriĂŤle emissies benzeen, tolueen en xyleen-isomeren in het Antwerpse havengebied (2000-2013)
De industriĂŤle emissies worden samengesteld door de Emissie-inventaris Lucht op basis van door de bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag. De emissies van de xyleenisomeren kenden sinds 2000 een stelselmatige daling (Figuur 35). De emissie in 2014 lag 94 % lager ten opzichte van de emissie in 2000. De laatste drie jaar blijft deze waarde stabiel. Het verloop van de emissie van tolueen kent een grilliger verloop. Hierbij was er geen structurele daling zichtbaar alhoewel de laatste twee jaar eerder lage emissies kenden. De emissie van benzeen kende, na een hoge waarde in 2004, eerder een vlak verloop. 3.6.1.2 Tijdsverloop en toetsing van de BTEX-meetwaarden Tabel 19 toont het overzicht van het rekenkundig gemiddelde, het 50ste en het 98ste percentiel en het maximum van de BTEX-metingen op meetstation in Stabroek (R833) in 2012, 2013 en 2014. Het meetstation is niet centraal in het havengebied gelegen. Mogelijk liggen de BTEX-concentraties in het centrum van het havengebied hoger.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
59
Tabel 19: Belangrijkste statistische parameters voor BTEX
UURWAARDEN BTEX (µg/m³) Polluent
2012
2013
2014
JG
P50
P98
Max. JG
P50
P98
Max
JG
P50
P98
Max
Benzeen
1,0
1
4
84
0,9
0,6
3,6
72,2
0.9
0.7
2.3
6.6
Tolueen
1,7
1
6
36
1,4
0,9
5,8
52,1
1.2
1.1
3.2
5.6
Ethylbenzeen
0,4
0,3
2
41
0,3
0,3
1,2
17,0
0.3
0.3
0.6
1.0
m+p-Xyleen
1,0
1
4
98
0,7
0,5
2,7
32,5
0.3
0.2
0.7
1.2
o-Xyleen
0,5
0,4
2
32
0,2
0,2
1,0
9,7
0.6
0.5
1.5
2.6
De gemeten BTEX-componenten zijn, in vergelijking met andere meetlocaties in Vlaanderen, niet verhoogd. Uit Tabel 19 blijkt dat voor benzeen zowel de jaargemiddelde grenswaarde van 5 µg/m³ als de Vlaamse grenswaarde voor het 98ste percentiel van 50 µg/m³ ruim gerespecteerd bleef met een respectievelijke waarde van 0,9 µg/m³ als jaargemiddelde en een 98ste percentiel van 2,3 µg/m³. Ook de meetresultaten voor tolueen lagen ver onder de WGO-richtwaarden. Figuur 36: Evolutie BTEX-concentraties in het Antwerpse havengebied (2007-2014)
Figuur 36 toont de evolutie in de gemeten BTEX-componenten gedurende de laatste 7 jaar op het meetstation te Stabroek-R833. De eerste 4 jaar was er vooral een dalende trend, in 2011 en 2012 stagneerden of stegen de concentraties opnieuw. 2013 werd gekenmerkt door een daling bij alle polluenten. In 2014 daalden de benzeen, tolueen, ethylbenzeen en m+p-xyleenconcentraties. De oxyleenconcentratie steeg licht. \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 60
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
3.6.1.3 Geografische spreiding van BTEX-componenten Bij pollutierozen worden de gemeten concentraties getoond volgens de op dat moment heersende windrichting. PotentiĂŤle vervuilende bronnen kunnen op die manier geĂŻdentificeerd worden. Figuur 37 toont de pollutierozen van de verschillende BTEX-componenten in het meetstation in Stabroek (R833). Ze wijzen hoofdzakelijk in zuidzuidwestelijke richting, de richting van de petroleumraffinaderijen. Er was ook een bron aanwezig in zuid-zuidoostelijke richting. Figuur 37: Pollutierozen gemiddelde BTEX-concentraties in meetstation Stabroek (R833) in 2014
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
61
3.6.2 Dagstalen vluchtige organische stoffen – VOS 3.6.2.1 Emissie van totaal NMVOS Figuur 38: Evolutie totaal NMVOS emissies door individueel geregistreerde bedrijven (IMJV) in het Antwerpse havengebied (2000-2013)
Figuur 38 geeft de industriële emissies van totaal NMVOS weer in de Antwerpse haven voor de periode 2000-2013. De niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS) omvatten alle organische stoffen van menselijke oorsprong, met uitzondering van methaan, die in staat zijn om fotochemische oxidanten te produceren door reactie met stikstofoxides onder invloed van zonlicht. De totale NMVOS geeft de som van alle stoffen weer, maar geeft geen informatie over de individuele componenten. De Emissie-inventaris Lucht verzamelt deze cijfers op basis van door de bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag. Er was een gestage daling te merken in de beschouwde periode waarbij de emissies meer dan halveerden. In 2013 was deze daling niet meer aanwezig. 3.6.2.2
Tijdsverloop van de dagstalen vluchtige organische stoffen
De VMM mat vanaf 2000 vluchtige organische stoffen (VOS) door middel van dagstalen in heel Vlaanderen en ook in de Antwerpse haven. In 2012 werd om budgettaire redenen beslist om de VOSmetingen in Stabroek stop te zetten. Ook in Vlaanderen werd het aantal VOS-meetstations sterk gereduceerd om budgettaire redenen. In 2013 waren er in Vlaanderen nog 3 meetposten die dagstalen van VOS bemonsterden, namelijk in Doel (R830); Zelzate (R750) en Tessenderlo (TS12). Deze meetposten liggen alle 3 in een industriële omgeving. In 2014 werden geen dagstalen genomen. Uit de beschikbare meetreeks van de periode 2000-2011 valt op dat in die periode:
de jaargemiddelden van de aromaten in Doel gelijkaardig zijn aan deze in de andere Vlaamse meetstations;
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 62
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
voor een aantal alifaten (verzadigde koolwaterstoffen) en vertakte alifaten (bijvoorbeeld pentaan, hexaan, isopentaan, 2-methylpentaan, cyclohexaan en methylcyclohexaan) de concentraties duidelijk hoger liggen voor Doel dan het Vlaams gemiddelde;
er nog 2 componenten zijn die verhoogd zijn ten opzichte van de andere meetstations, namelijk hexeen en chloorbenzeen;
er voor de gechloreerde koolwaterstoffen en de onverzadigde koolwaterstoffen geen verschil merkbaar is met de andere meetstations in Vlaanderen.
Voor de meeste componenten waren de gemeten concentraties in 2013 sterk vergelijkbaar met deze gemeten de afgelopen jaren. Alle metingen bleven ruim onder de normen of richtwaarden.
3.7 Dioxines en PCB’s Dioxines en polychloorbifenylen (PCB’s) zijn stoffen die nauwelijks afbreken. Bronnen stoten deze stoffen uit in de lucht waarna ze binden op stofdeeltjes. Dit stof valt op zijn beurt neer op gewassen die als voeding dienen voor mens en dier. Vervolgens binden de dioxines en PCB’s zich op dierlijke lichaamsvetten waarna de mens deze, na consumptie van dierlijke producten zoals vlees, vis en zuivelproducten, opneemt. Net omdat de mens dioxines en PCB’s opneemt via voeding, is het belangrijk dat er geen dioxines en PCB’s in agrarische gebieden en woonzones voorkomen. De VMM meet de dioxines en PCB’s in neervallend stof, ook depositie genoemd. Zo bepaalt ze in welke mate dioxines en PCB’s uit de lucht kunnen neerslaan en er een potentieel risico is tot opname via de voedselketen. De resultaten zeggen iets over de kwaliteit van de omgevingslucht. Eén staal kan dioxines en PCB’s van verschillende bronnen bevatten. De analyse gebeurt isomeer specifiek voor alle 17 dioxines en de 12 toxische PCB-verbindingen, met behulp van een gaschromatograaf gekoppeld aan een hoge resolutie massaspectrometer (GC-HRMS). De depositieresultaten zijn uitgedrukt in picogram toxische equivalenten per vierkante meter per dag (pg TEQ/(m².dag)).
3.7.1 Toetsing van Dioxines en PCB’s Enkel de resultaten van de meetposten in een woon- of agrarisch gebied worden getoetst aan deze drempelwaarden. Aangezien de mens dioxines en PCB’s opneemt via de voeding, toetst de VMM de deposities gemeten in industriegebieden niet aan de drempelwaarden. Deze drempelwaarden zijn niet opgenomen in de wetgeving, het laat de VMM echter toe om de gemeten deposities te beoordelen en te beslissen welke regio’s extra aandacht verdienen. In het Antwerps havengebied heeft de VMM twee meetposten. In 2014 nam de VMM 5 maandstalen in Stabroek en 4 in Kallo, verspreid over het jaar: − R833 in Stabroek. Deze meetpost ligt in agrarisch gebied. Deze resultaten toetsen we aan de drempelwaarden; − BV04 in Kallo. Deze meetpost ligt in industriegebied. Deze resultaten toetsen we niet aan de drempelwaarden. De toetsing aan de drempelwaarden houdt in dat we de depositie van dioxines tellen bij deze van PCB’s. De maandgemiddelde drempelwaarde bedraagt 21 pg TEQ/(m².dag), de jaargemiddelde drempelwaarde bedraagt 8,2 pg TEQ/(m².dag). Uit Tabel 20 volgt dat in geen enkel maandstaal de drempelwaarde voor maandgemiddelde depositie overschreden werd op de meetpost in Stabroek. Voor 2014 bedroeg het gemiddelde van de 5 \\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
63
maandstalen 6,6 pg TEQ/(m².dag), wat lager is dan de jaargemiddelde drempelwaarde. Deze toetsing is slechts indicatief, omdat de VMM slechts gedurende 5 maanden metingen uitvoerde. Tabel 20: Toetsing van de dioxine- en PCB-deposities van R833 aan de drempelwaarden (pg TEQ/(m².dag))
Meetplaats R833
Gemeente 02-03/14 05-06/14 07-08/14 09-10/14 11-12/14 Stabroek 5,8 2,7 6,7 6,7 11,2
Jaargemiddelde 6,6
3.7.2 Trend dioxines en PCB’s Figuur 39 toont de trend van de dioxinedepositie over de jaren heen op de meetplaats in Stabroek. Hieruit volgt dat de dioxinedepositie sterk fluctueert. In de periode 1998-2005 zien we een dalende trend. Deze werd onderbroken door 2 hoge waarden in 2006. Daarna daalden de dioxinewaarden opnieuw. In de tweede helft van 2012 mat de VMM weer gedurende 2 maanden een dioxinedepositie die opvallend hoger was. Dit betekent dat er in de nabijheid nog steeds een of meerdere bronnen waren die sporadisch aanleiding gaven tot dioxine-emissies. In 2013 en 2014 waren de waarden opnieuw lager. Op deze grafiek staan ook de deposities van PCB126. Dit is de verbinding die de VMM al het langst meet en tevens de meest toxische PCB-verbinding. De PCBwaarden zijn over het algemeen veel lager. Ze liggen meestal onder 5 pg TEQ/(m².dag)). Uitzondering waren de twee stalen van 2006 die ook hoge dioxinewaarden aangaven. Figuur 39: Trend depositie dioxines en PCB126 op meetplaats R833 in Stabroek (agrarisch gebied)
In Kallo meet de meetplaats (BV04) de impact van een schrootverwerkend metaalbedrijf op de omgevingslucht. Deze meetplaats staat in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf, in industriegebied. In Figuur 40 tonen we de evolutie van de depositie van dioxines en PCB126. Hieruit volgt dat de PCB-depositie hoog is op deze meetpost. Ook in de nabijheid van andere Vlaamse schrootbedrijven zijn de PCB-deposities hoog. De dioxinedepositie is veel lager dan de PCB-depositie. Toch is ze hoger dan in een achtergrondgebied. Eerder onderzoek toonde aan dat de verontreiniging meestal beperkt bleef tot enkele honderden meters rond het bedrijf. De impact is dus het grootst als er een woonzone of agrarisch gebied paalt aan het schrootbedrijf. Dit is echter niet het geval in Kallo.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 64
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
Figuur 40: Trend depositie dioxines en PCB126 op de meetplaats BV04 in Kallo (industriegebied)
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
65
4 BESLUIT De Vlaamse milieumaatschappij voerde in 2014 verschillende metingen uit in het Antwerpse haven gebied. Op basis van de resultaten kunnen we het volgende besluiten: SO2: Alle normen, drempel- en alarmwaarden voor SO2 werden gerespecteerd in 2014. Geen enkel meetstation haalde in 2014 de WGO-dagrichtwaarde. Gemiddelde concentraties bleven stabiel de voorbije drie jaar. Er was een stijging van de piekwaarden in 2014. De concentraties liggen hoger dan gemiddelde voor Vlaanderen. De voornaamste bronnen zijn de raffinaderijen in het centrum van de haven. Daarnaast is er ook een zuidelijke bron: de kleikorrelproducent Agrex. NO2: De huidige jaar- en uurgrenswaarden werden gehaald. De toekomstige jaargrenswaarde van 40 µg/m³ werd in 2014 overschreden op het industrieel gericht station Muisbroeklaan (R894). Op dit meetstation is de laatste jaren een stijgende trend merkbaar. De dalende trend van de voorbije jaren zet zich door in 2014. De concentraties in het Antwerps havengebied lagen zo’n 20 % hoger dan het virtueel gemiddelde voor Vlaanderen. Pollutierozen duiden industriële bronnen en verkeersinvloed aan. Fijn stof: PM10: - De EU-jaargrenswaarde is gerespecteerd, de WGO jaarrichtwaarde wordt niet gehaald - De EU-daggrenswaarde is gerespecteerd, de WGO dagrichtwaarde wordt niet gehaald. - Op langere termijn is er een dalende trend emissies primair PM10 en precursoren. - Er is een daling van concentraties in 2014 tegenover 2013. PM2,5: - De indicatieve grenswaarde 2015 is niet overschreden, de WGO-richtwaarde wordt wel overschreden. - Op langere termijn is er een dalende trend van de emissies van primair PM2.5. - Er is een daling van de jaargemiddelde concentraties in 2014 tegenover 2013. - Bijkomende metingen PM2,5 zijn opgestart door introductie van FIDAS-toestellen. Zwarte koolstof: − De zwartekoolstofconcentraties in de Antwerpse haven zijn vergelijkbaar met het virtueel station ‘industrieel’. − De gemeten concentraties daalden in 2014 conform de dalende trend de voorbije jaren. − De voornaamste bronnen zijn verkeer (o.a. scheepsverkeer) en havenactiviteiten in het centrum van het havengebied. Ozon: 2014 was een gunstig ozonjaar. Er is weinig variatie de laatste tien jaar. De meetwaarden in Berendrecht zijn vergelijkbaar met meetwaarden in Vlaanderen. De emissies stabiliseerden tegenover vorig jaar.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 66
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
BTEX: De grenswaarden werden ruim gerespecteerd. De concentraties daalden in 2014, behalve de o-xyleenconcentratie die licht steeg. De metingen in Stabroek, niet centraal gelegen in het havengebied, wijzen als bron de petroleumraffinaderijen en een andere zuid-zuidoostelijke gelegen bron aan. VOS: De stelselmatige afname van totaal NMVOS emissies stopte in 2013. In 2014 waren er geen meetwaarden voor dagstalen VOS. De meetwaarden in de periode 2000-2011 lagen onder de normen of richtwaarden. Dioxines en PCB’s: Alle maandstalen van 2014 van de meetplaats in Stabroek respecteerden de drempelwaarde voor maandgemiddelde depositie. Het gemiddelde van de vijf maandstalen in 2014 lag lager dan de jaargemiddelde drempelwaarde. De dioxinewaarden in 2014 zijn vergelijkbaar met die van 2013. Er was een hoge PCB-depositie in de onmiddellijke nabijheid van een schrootbedrijf in Kallo. In deze buurt zijn echter geen woongebieden.
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
67
BIJLAGEN
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 68
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
BIJLAGE 1: SPECIFICATIES PARAMETERS
PM10
81102 µg/m³
TEOM
oscillerende microbalans
-
14% bij daggemiddelde van 50 µg/m³
PM10
81102 µg/m³
TEOM-FDMS
oscillerende microbalans met correctie voor afdamping
-
16% bij daggemiddelde van 50 µg/m³
Guide to demonstration of equivalence of ambient air monitoring methods (jan 2010) Guide to demonstration of equivalence of ambient air monitoring methods (jan 2010) Guide to demonstration of equivalence of ambient air monitoring methods (jan 2010)
type approval
16% bij daggemiddelde van 50 µg/m³
uitbesteding
-
onder-aanneming
beta-absorptie
onder accreditatie
ESM FH 62 I-R
Bepaling meetonzekerheid
volgens norm
meet-onzekerheid
meetprincipe analyse
81102 µg/m³
eenheid
PM10
parameter
toesteltype
SAROAD-code
Automatische meetnetten
ja
1
nee n.v.t.
PM10
ja
1
nee n.v.t.
PM10
ja
1
nee n.v.t.
PM10
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
69
PM10
81102 µg/m³
FIDAS200
optical particle counter + conversion to mass concentration
-
nog te bepalen
CEN/TS 16450
ja
1
nee n.v.t.
PM10
PM2,5
81104 µg/m³
TEOM-FDMS
oscillerende microbalans met correctie voor afdamping
-
20% bij daggemiddelde van 30 µg/m³
ja
1
nee n.v.t.
PM2,5
PM2,5
81104 µg/m³
FIDAS200
-
nog te bepalen
ja
1
nee n.v.t.
PM2,5
SO2
42401 µg/m³
TS 43i
optical particle counter + conversion to mass concentration UV-fluorescentie
Guide to demonstration of equivalence of ambient air monitoring methods (jan 2010) CEN/TS 16450
volgens EN14212
ja
1
nee
ja
SO2
NO NO2
42601 µg/m³ 42602 µg/m³
TS 42i TS 42i
chemiluminescentie chemiluminescentie
volgens EN14211
ja 1 ja
1
nee nee
ja ja
NO NO2
O3
44201 µg/m³
API T400
UV-fotometrie
volgens EN14625
ja
1
nee
ja
O3
zwarte koolstof
16111 µg/m³
MAAP 5012
multihoek-absorptiefotometrie
EN14212
15% bij uurgemiddelde van 350 µg/m³; 15% bij daggemiddelde van 125 µg/m³ EN14211 EN14211 15% bij uurgemiddelde van 200 µg/m³; 15% bij jaargemiddelde van 40 µg/m³ EN14625 15% bij uurgemiddelde van 240 µg/m³; 15% bij 8uurgemiddelde van 120 µg/m³ -
-
nee nee n.v.t.
zwarte koolstof
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ 70
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
1
benzeen
45201 µg/m³
AirmoBTX GC 866
tolueen
45202 µg/m³
AirmoBTX GC 866
ethylbenzeen
45203 µg/m³
AirmoBTX GC 866
m+p-xyleen
45109 µg/m³
AirmoBTX GC 866
o-xyleen
45204 µg/m³
AirmoBTX GC 866
vlamionisatiedetector (FID) vlamionisatiedetector (FID) vlamionisatiedetector (FID) vlamionisatiedetector (FID) vlamionisatiedetector (FID)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
nee nee n.v.t.
benzeen
-
nee nee n.v.t.
tolueen
-
nee nee n.v.t.
ethylbenzeen
-
nee nee n.v.t.
m+p-xyleen
-
nee nee n.v.t.
o-xyleen
: BELAC 456-TEST - VMM Dienst Lucht
dioxines
16930 pg TEQ/(m².dag)
Bergerhoff kruik
coplanaire PCB's
16954 pg TEQ/(m².dag)
Bergerhoff kruik
uitbesteding
onderaanneming
onder accreditatie
bepaling meet-onzekerheid
meetonzekerheid
volgens norm
meetprincipe analyse
toesteltype bemonstering
eenheid
SAROAD-code
parameter
Semiautomatische meetnetten
HRGC/MS EPA 1613
24%
ja³ ja
dioxines
HRGC/MS EPA 1613
37%
ja³ ja coplanaire PCB's
2
: BELAC 005-TEST - SGS Belgium NV 3 : BELAC 163-TEST - VMM labo Gent
\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\\ Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven
71
Vlaamse milieumaatschappij
Dokter De moorstraat 24-26
9300 aalst
www.vmm.be